summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-06 01:31:15 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-06 01:31:15 -0800
commit901e226ba72f1d0b73b1ab8f18d4a704d288163d (patch)
treee48daaa313ab99bc24f5406610c423f3556f8626
parent3f2de3f01bb2e24569b63f07ea21099ed6f36b04 (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/52479-0.txt6456
-rw-r--r--old/52479-0.zipbin144695 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52479-h.zipbin252492 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52479-h/52479-h.htm7508
-rw-r--r--old/52479-h/images/cover.jpgbin80597 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52479-h/images/titlepage.pngbin11178 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/old/52479-8.txt6456
-rw-r--r--old/old/52479-8.zipbin144469 -> 0 bytes
11 files changed, 17 insertions, 20420 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..d3d68a3
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #52479 (https://www.gutenberg.org/ebooks/52479)
diff --git a/old/52479-0.txt b/old/52479-0.txt
deleted file mode 100644
index 6224564..0000000
--- a/old/52479-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6456 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Natuurfantazieën
-
-Author: G. Carelsen
-
-Release Date: July 2, 2016 [EBook #52479]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- NATUURFANTAZIEËN
-
-
- DOOR
-
- G. CARELSEN
-
- Schrijfster van: Brieven van een Landmeisje, enz.
-
-
-
- HAARLEM
- H. D. TJEENK WILLINK
- 1881
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- blz.
-
- I. Een Nieuwjaars-wandelpraatje 1
- II. Meeuwen 6
- III. Bloemen voor het venster 16
- IV. Sprokkelmaand 26
- V. De lange lente 33
- VI. Bij een schaaltje kievitseieren 39
- VII. Rondom een molshoop 48
- VIII. Palm-Paschen 53
- IX. Tulpen 57
- X. Hei, 't was in de Mei! 63
- XI. Een Engelsch landschap 68
- XII. In den bloeienden boomgaard 74
- XIII. Bouquetten 78
- XIV. Een dubbele boodschap 82
- XV. Een boschtooneeltje 88
- XVI. Op de bloemmarkt 98
- XVII. Aan de Noordzee 102
- XVIII. Een kastanjeboom 111
- XIX. Een inlandsche arend 115
- XX. Eene linde 118
- XXI. Tapijtbedden 124
- XXII. De poëzie van het groenten-schoonmaken 129
- XXIII. Korenbloemen 135
- XXIV. Een bergtocht 140
- XXV. Ouwerwetsche bloemen 148
- XXVI. Augustus 154
- XXVII. Bloemen langs den weg 160
- XXVIII. De lotos 165
- XXIX. Ons wier-eiland 170
- XXX. Najaarsbloemen 179
- XXXI. Een tragedie in den moestuin 187
- XXXII. Een natuurkalender 191
- XXXIII. Jacht en wild 197
- XXXIV. Gesloten? 205
- XXXV. Wintervogels 209
- XXXVI. Vóór of achter den ploeg 217
- XXXVII. Groenblijvende boomen 225
- XXXVIII. Een oudejaarswandeling 231
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.
-
-
-Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles goeds toe, lezers
-en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon....
-
-Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel willen dat ik
-veler menschen pad "met bloemen kon bestrooien", zooals de aloude
-spreekwijs luidt. Maar in de gegevene omstandigheden kan ik niet meer
-doen dan: hopen dat ik hier en daar iemand een verkwikkelijken indruk
-bezorgen moge door de lezing van dit boekje.
-
-"Natuurfantazieën" heb ik het genoemd. Nu is "Natuur" een
-van die groote woorden, welke, evenals hooge boomen, veel wind
-vangen,--namelijk veel "wind van leering"; het is een woord waarvan men
-dikwijls niet recht weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er
-soms een nauwere, soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven,
-b. v. nu eens de geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den
-mensch, hetzij geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik
-dus maar dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den eenvoudigen en
-voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het minstens
-ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de wolken, de aarde en
-het water, de bloemen en het groen, de vogels en de vlinders rondom
-ons,--zij zijn de aanleiding tot deze mijn bescheiden "fantazieën".
-
-Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad bewonen,
-wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen tot
-de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning ten
-volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst
-van wandelen te verstaan.
-
-Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het wandelen
-op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de "vrije
-natuur". Doch als alle anderen dient zij beoefend te worden, eer
-men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te gebruiken,
-dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet geleerd
-heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik van
-zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig
-aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den
-slag niet van hebben.
-
-Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en beschikkingen maakt,
-kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen om, naarmate de
-omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik zou bijna durven
-zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en dan vergunnen. "De
-meeste kwalen en verdrietelijkheden komen tegenwoordig van de zenuwen,
-en de zenuwen komen van de boeken." Ziedaar de zeker niet zeer
-wetenschappelijk geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking,
-waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer
-beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel
-wandelt, minder gevaar loopt van onder "de boeken" begraven te worden
-dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, desnoods met
-inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe langer hoe meer
-blijken goede medicijn te wezen voor "de zenuwen",--zoo doet elk wèl
-die daartoe zijne maatregelen neemt.
-
-Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? Rückert heeft eens, in
-een al of niet gemeende vlaag van menschen-verachting, den zonderlingen
-raad gegeven, de menschen te vermijden en zich zooveel mogelijk onder
-bloemen te bewegen; "dan zullen", voegt hij er ten slotte goedmoedig
-bij, "de bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die
-niet beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!" Nu hoop ik
-hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen
-van "de menschen" te verachten of te haten; maar voor ieder onzer
-komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke instellingen,
-maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen gebukt gaan,
-er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, op het
-punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf te verslappen,
-hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan weet ik dat de
-dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met "bloemen",--in
-het algemeen met de "natuur",--als een weldadig middel aanbeveelt.
-
-En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen schuld hebben,
-maar die ons voor een wijl doen duizelen, eer wij ons recht rekenschap
-weten te geven van hetgeen er gebeurd is en hetgeen ons te doen
-staat,--ook dan is de stille omgang met die "natuur" een weldaad. Wij
-moeten dan van haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven:
-geen antwoord van haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn;
-ons niet verbeelden, dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet,
-zij troost niet onmiddellijk; maar dààrin ligt voor een groot deel
-haar genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder
-afleiding van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust
-en verzoening te geraken.
-
-
-
-Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat er niets te
-wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste helft van 't
-jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat Januari minder
-koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, boschrijk landschap
-meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige binnendijk met
-een rij knotwilgen tot eenig sieraad.--Doch,... zal ik vertellen
-hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van heb leeren
-waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te loopen, in weer
-en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een landstreek zoo
-arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid laat denken:
-een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. Doch bij
-gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en als er
-dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de verte,
-en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den gezichteinder,
-en oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten ontsnappen. En
-ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te zien kreeg,
-wel zoo'n genot van ieder kleurenspel en lichteffect gehad zou
-hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die schijnbaar zoo
-onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst gunstige seizoen om
-te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de mogelijke wandelwegen
-rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te hebben plat getreden,
-zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In dat geval wensch ik u
-toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens wat verder rond te
-kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere schaal. Doch juist met
-het oog daarop zou ik lust hebben u eenige vragen te doen als: Zijt
-gij goede vrienden met de boomen die in uw nabijheid groeien? Welke
-vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek hebt gij in de buurt de
-mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij om dezen tijd van
-'t jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat een mees of een geel
-kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u gisteren voorbij
-vloog? En hoelang zou 't nog duren eer de kwastjes, waarmee nu reeds
-de elzen zijn behangen, zich tot stuifmeelbloemen ontwikkelen?
-
-Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-MEEUWEN.
-
-
-Wij zaten vroeg in 't voorjaar aan de open tafel in een Amsterdamsch
-logement.
-
-Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier wat de Franschen
-daarvoor plegen te zeggen: "On parlait la pluie et le beau temps."
-
-"Mooi weer vandaag!"
-
-"Het zal niet lang zoo blijven."
-
-"Waarom niet?"
-
-"Er zit zoo'n bank in 't westen."
-
-"Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien vliegen."
-
-"Dat geeft regen!"
-
-"Dat geeft sneeuw!"
-
-"Dat geeft nachtvorst!"
-
-"Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op één punt zweven, dat
-is altijd een goed teeken."
-
-"Als zij duiken, dat is een slecht teeken."
-
-"'t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, om haar voêr te zoeken."
-
-"Wat zouden zij dan eten?"
-
-"Insekten en visschen."
-
-"Ik geloof niet aan meeuwen."
-
-"Ik wel."
-
-"Wat gelooft u er dan van?"
-
-"Wel, dat ze weêrwijzers zijn."
-
-"Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen is er storm op
-zee. Ze waarschuwen de schepen."
-
-"Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een ander dier."
-
-Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan met deze
-heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel mogelijk op
-hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik niet weet,
-welk soort men daar op het oogenblik vóór had. De kenners maken een
-groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of kapmeeuwen. De
-laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de jaargetijden
-wisselt, zoodat zij 's zomers een zwart kapje schijnen op te hebben,
-zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. Zij nestelen in het
-riet, aan de boorden van meren, rivieren en plassen, vliegen hier
-van April tot September rond en gaan dan naar warmer streken. Zij
-leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, door o. a. groote
-hoeveelheden meikevers te vernietigen.
-
-De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij zijn
-trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het
-winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en
-eerst als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker
-afzakken, en ons zeestrand, den buitenkant van onze dijken en duinen
-bevolken. Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van
-den winter een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar
-barre, zeer onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling
-in de natuur, zijn loon meebrengt.
-
-Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar al te goed
-kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een vuilwordende
-laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch landschap al
-wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, doordien water,
-land en zwerk éénzelfde vervelende tint hebben. De zee echter is dan
-nog niet bevroren; haar zoutgehalte en haar altijddurende beweging
-houden dit lang tegen; en de duinen... zijn dezelfden die zij in
-Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat opgewaaide sneeuw,
-die hun niet slecht staat. Als in elk ander jaargetijde, bieden zij
-ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke ontspanning aan voor
-den langs rechte vaarten en vlakke dijken afgematten blik.
-
-Op 't strand kunnen wij ons vermeien in 't aanschouwen van dat
-zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee noemt; en
-het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in 't oog. Een paar
-zwarte stipjes op het water doen zich weldra als zwemmende zeeëenden
-kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of wat plevieren en
-strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien zijn ook hier
-natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te zien. Maar
-de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al zeer
-gemeenzaam met haar moeten wezen, om op een afstand uit te maken,
-of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of wel
-"Burgemeesters" zijn; doch om het algemeene meeuwkarakter aan haar te
-herkennen, behoeft men juist niet "wetenschappelijk gevormd" te wezen.
-
-Met lust blijft onze blik rusten op die licht-blauwgrijze groep. Welk
-een leven en beweging, welk een verscheidenheid van stand en
-houding! Juist dit maakt een troep meeuwen zoo behagelijk om aan te
-zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo van-alle-markten-t'huis--men
-zou bijna zeggen, zoo "veelzijdig ontwikkeld" zijn. Zij kunnen, wat
-slechts weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en
-goed zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend
-als zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het
-kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn
-zij blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en
-vaste woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort
-te bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik
-nimmer zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de
-meeuwen, wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en
-bevalligheid tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen;
-welk een kracht in het zweven en "staan"! Misschien werkt de zilvertint
-iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te maken, maar
-stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en bewegingen te
-danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op het water,
-hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, ofwel
-bijna onbeweeglijk boven op de golven dobberen, zoo licht en luchtig
-of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin van duikelen, zoo
-als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich omlaag buigt,
-terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen niet; maar zij
-zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder water te duiken,
-als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog gekregen hebben;
-en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook over haar heen
-slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er zich minder
-behaaglijk om voelen. Maar 't zij zwemmend, of vliegend of dobberend,
-zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog een onafscheidbaar
-deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten dit. Stelt u een
-"zeestuk" zonder meeuwen voor: gij zult er iets op missen, al weet gij
-niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit Heine's "Meereslieder",
-en zij verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden.
-
-Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten vliegen, aan
-ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die vraag meent
-of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er "ja" op te
-antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in kleinen getale ook hier te
-lande broeden, en dus als het ware hier, wat de oud-Hollanders kantoren
-of factorijen plachten te noemen, aangelegd hebben; doch de groote
-menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. Het echte land der
-meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, en de op diezelfde
-breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een der mooiste soorten,
-de drieteenige meeuw, zoo genoemd om de eenvoudige reden, dat zij
-slechts drie, door twee zwemvliezen vereenigde teenen, en niet ook
-nog, als anderen, een kort, achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij
-zwerft in 't gure jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier,
-en zelfs aan de fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit
-beneden de 58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze
-als de eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart
-en blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet alleen
-tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig noorsch
-landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen afwerpen,
-wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. In enkele
-streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is men
-het eens, dat dit te "visschig" is om lekker te wezen. Trouwens
-dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend van
-visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid:
-zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven
-dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar
-ik nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of
-deze niet ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou
-mij zeer bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel,
-met grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of
-op vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls
-zeer moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa
-der meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde
-vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den ganschen
-zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van
-een plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half
-Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten,
-ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar
-komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug,
-waarvan de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert.
-
-Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, toen hij
-voor 't eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog kreeg. "Toen
-ik mij gereed maakte voor mijne reis naar Lapland," vertelt hij,
-"had ik een aantal beschrijvingen van deze vogelkoloniën gelezen,
-en ik twijfelde volstrekt niet aan hare betrouwbaarheid. Maar nooit
-zal ik den Julidag vergeten, waarop ik Kaap Svarhollt (niet ver van de
-Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst een "vogelberg" aanschouwde. Wat
-ik zag was een kolossale muur, als het ware een reusachtige lei,
-met duizenden witte puntjes overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein
-had een van zijn geweren voor mij met los kruit geladen, om de vogels
-te verschrikken. Zoodra dit was afgeschoten, maakten zich die witte
-puntjes voor een deel van hun donkeren achtergrond los, naderden, en
-bleken de gedaante van vogels, van sierlijke meeuwtjes te hebben, en
-verspreidden zich over de zee; maar in zulk eene ontelbare menigte, dat
-zij mij aan een sneeuwval deden denken, die plotseling was losgeraakt
-en nu in groote vlokken ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter
-beeld voor, dan dat het gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De
-zee was er mede bedekt zoover mijne goede oogen reikten; en ondanks
-dit alles scheen de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was
-nu overtuigd, dat vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik
-moest zelf erkennen, dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld
-van te geven aan iemand die het zelf niet gezien heeft."
-
-Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts afzakken,
-en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich hier
-geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks
-genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog
-slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns
-of Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens
-alle meeuwvogels "Visschenpikkers"). Ook hun lastige vijanden,
-de roofmeeuwen of zoogenaamde "Jagers", volgen haar zuidwaarts, al
-hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen als tehuis in den
-broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote schrik der broedende
-menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste moeite kost,
-de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; 's winters daarentegen
-geldt de roof slechts den een of anderen door hen veroverden buit. De
-"Jagers" namelijk hebben de gewoonte om andere meeuwvogels zoolang
-te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, hun vaak reeds half
-verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en die dan met groote
-behendigheid op te vangen eer zij den grond of het water bereikt. Nog
-een anderen harer noordsche landgenooten, den eigenlijken Stormvogel,
-treffen zij hier somtijds aan, maar toch slechts in kleinen getale;
-van dezen echter hebben zij niets kwaads te vreezen.
-
-Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van koude terug
-vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan men zeer
-wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een genoegelijk
-leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, ons
-te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure
-jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor
-de natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries
-zulk een angst en afkeer hebben. "Nu ja," zal men zeggen, "daarvoor
-zijn het zwemvogels." Doch is niet juist dit het belangrijke bij
-ons natuurgenot: na te gaan wàt een zwemvogel tot zwemvogel maakt
-en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat is het dat het
-kleed der meeuwen en der eenden zoo waterproof doet zijn; en wat
-stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge vlucht eens vogels
-en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? Vlechtwerk moge
-geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al zij het slechts
-vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht geven het
-zoo te noemen.
-
-Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude,
-die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun
-vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen
-en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: 't is als er
-storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk,
-onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of
-wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk
-maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet
-gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid
-der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs
-vele volwassenen hun "humeur" niet boven dergelijke invloeden kunnen
-verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene "redelooze meeuw"
-daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen
-de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem
-wonende, hoorde ik dan vertellen, dat "de Zandvoorders hun duiven
-loslieten". Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de
-rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar
-niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater
-ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe
-vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen
-amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar
-zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds
-een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet
-ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen,
-die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander
-dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo
-heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur,
-een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer
-Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den
-wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de
-meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en,
-in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam
-wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-BLOEMEN VOOR HET VENSTER.
-
-
-Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne
-wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij
-het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als
-sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig
-te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe
-vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij
-brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets
-anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen,
-waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde
-die er voor bloemen heerscht.
-
-Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen
-het feestelijke van onze feesten,.........
-
-Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot
-en klein, vooral voor 't venster, zelden aan "een bloemetje"
-ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt
-doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige,
-gezellige, verkwikkelijke menschen, "gelukkig voor zich zelven en
-een ander," zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan
-vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun
-eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich
-doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk,
-vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting,
-zoo goed als een gordijn, een chassinet of "horretje". Maar terwijl
-eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter
-blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes
-uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een
-stuursch: "Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken",--verbiedt
-dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en
-groet als 't ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf
-de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl
-er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat
-nader bekijken.
-
-Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de
-Begonia's. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze
-variëteiten, van de "ouderwetsche" eenvoudigsten, met donkerroode
-bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen
-en zilver.
-
-Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,--drie dingen trekken
-bij alle Begonia's, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten
-eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad,
-waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben,
-wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee
-helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten,
-hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de
-plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede:
-de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de
-anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen
-zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen,
-vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate
-zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde
-aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer
-in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij
-elkaar staan.--Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de
-jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit
-Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas,
-geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene
-hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds
-in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot
-het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt
-niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.
-
-Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange,
-dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen
-verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan
-denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk
-drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan
-ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein
-zijn als de, minst in 't oogloopende, witte, van de oudste soorten,
-of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez,
-zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de
-fraaie "bolbegonia's" over; de gewonen zijn en blijven in de eerste
-plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren.
-
-Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche
-bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte
-bladeren--wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid
-dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is--doen zich aan
-het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al
-te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen
-wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig
-aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of
-veranda's, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer
-sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den
-tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een
-dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den
-bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste
-van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den
-regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons
-de kleurenwisseling van 't loof alleen normaal doet voorkomen gedurende
-den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?--
-
-Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort
-de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden,
-teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met
-zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven
-uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene
-menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven
-op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot
-haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid
-tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen
-zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen,
-gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf
-afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien,
-zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de
-bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel,
-afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den
-stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo
-spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo'n kroontje van hare
-plant loslaat in volle kleur en frischheid,--'t is kinderachtig,
-maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan
-vast te willen maken.
-
-Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula's op den kouden
-grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of
-"Primulaveeren", of "Bakkruidjes", zooals de tuinlui ze plegen te
-noemen; de "Primevères" der Franschen en de "Primroses" der Engelschen.
-
-En dan hebben wij ook inlandsche Primula's, sleutelbloemen die hier
-in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige
-bosschen en herkent ze dan aan haar "faux-air" van de in den tuin
-gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen
-dan hier; althans ze bloeit onder den naam van "cowslips" in negen
-van de tien engelsche romans.--
-
-Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel
-haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer-
-dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de
-kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen,
-beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene
-plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het,
-daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of
-men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.
-
-Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt
-daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied
-dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat
-al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets
-aan, wat men in een mensch "gemaakt" zou noemen. Misschien ligt die
-indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg
-had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid
-heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden
-werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve
-aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend
-struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij
-te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar
-vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen,
-zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen
-dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te
-zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps,
-iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes,
-zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen
-der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van
-een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van
-top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak
-daar recht vrede mee hebben.
-
-De kamer-winter-Azalea's doen mij altijd dubbel verlangen naar
-een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit:
-de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar
-vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat
-aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen
-achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel,
-hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden
-en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen,
-haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere
-steeltjes,--dit alles geeft aan het geheel een veel losser en
-sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de
-andere heeft is... haar heerlijke geur!--
-
-Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of
-ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind
-eene "winterroos" hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op
-aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien
-tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe.
-
-Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze "rood en wit bloeien",
-en haar geur, volgens Geibel's gloeiende regelen, "gelijk een adem
-uit het paradijs over de velden rondwaart!" En ziet dan nog eens
-uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in
-'t geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos
-te lijken?
-
-'t Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud,
-in het doodsch.
-
-Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle
-wintergroen kenmerkt. "Wintergroen" is het door zijn zware opperhuid,
-die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als
-menschen, die in 't geestelijke "een hard huidje" hebben. In kleur
-en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen
-eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig
-doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad
-alles wat inwendig voorvalt.
-
-Doet ons de opperhuid van 't groene blad aan leder denken,--die van
-het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren
-dan ook juist in hun Camellia dat "wasachtig" aanzien. Het zou
-misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant
-heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat
-leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in
-een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer
-onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als
-menschen aankeken?
-
-De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat
-men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite
-slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien;
-en, mits 't een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang,
-onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen 't groen laten hangen. Een
-gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De
-schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft;
-de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere
-nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat
-het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En
-haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het
-uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder
-dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in
-die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en
-langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag
-geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed
-doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft
-nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.
-
-Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak
-uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke
-eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo
-schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de
-gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het
-fijne tintenspel nog daargelaten,--is niet ieder rozenblad, in vorm
-en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen
-is toe?
-
-En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia,
-met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of
-de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende
-lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid
-harer twee en drie ongelijke kelkslippen!
-
-Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!...
-
-Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde
-boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij
-dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene
-roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen;
-als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;--en alle
-doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van
-het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering
-kunnen brengen.
-
-Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien
-sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden
-opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst
-gun, niet altijd aan 't vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste,
-maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-SPROKKELMAAND.
-
-
-
-Zoo luidt sinds eeuwen Februari's bijnaam; en in oude almanakken ziet
-men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen,
-met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken,
-om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar
-te zamelen.
-
-"Waar men hout hakt vallen spaanders", zegt het spreekwoord; en niets
-is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid,
-dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn
-er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die
-graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos
-zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een
-boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins
-"door merg en been", als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke
-hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden,
-anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den
-aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop
-der jaren als het ware een individu is geworden, een "iemand", zonder
-wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen;
-een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield
-voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken,
-in 't voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw,
-in 't najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des
-winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is 't ons vaak of er
-een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber
-werk verrichten. En is dit niet min of meer 't geval met alle boomen:
-brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk,
-iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke
-Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die,
-om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens
-denken aan de arabische spreuk:
-
-
- Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen.
-
-
-Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden
-aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van
-sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge
-boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur
-gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge
-aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder
-aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen
-van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in
-de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig
-beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,--omdat men er
-meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen,
-of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag
-geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den
-duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje
-is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een
-boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die
-linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit
-zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen
-wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele
-wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste
-van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt,
-en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En
-wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat
-een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft,
-dat zij "ongezond zijn"? Ik weet een stad, waar vroeger overal,
-langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede
-punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden,
-en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien
-men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben,
-zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten
-wachten tot zij weder groot zijn!--En dan komt het maar al te dikwijls
-voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is,
-iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt
-het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom,
-een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat,
-op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover
-vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in
-hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller,
-zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels
-bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag
-men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht
-aan haar lot overlaten, als met een "après nous le déluge"? En is
-er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in
-'t zien opgroeien van wat men heeft aangelegd?
-
-Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend
-is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel
-jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus
-Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te
-doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke
-reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer
-deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen
-trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, "in jammer en in lijden",
-en riep "Maria-Moeder, de reine maagd" tot getuige, dat hij gedaan had
-wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet,
-de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een
-wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En
-hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat
-er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser
-doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn
-wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met
-Wagner's blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem
-gedane wonder genot late hebben,--de dorre stok met groene blaadjes
-staat daar als lieflijk beeld van de "eeuwige genade", die meer is dan
-"straffende gerechtigheid".
-
-Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die
-een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg
-geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien
-ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in
-Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij
-namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar
-waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt,
-zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met
-een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming
-aan op een vorstigen Februaridag, en moesten "gekuild" worden tot
-de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een
-stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden,
-om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar,
-en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en
-daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen
-liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors,
-om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden
-beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer
-een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van
-gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan
-dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en
-wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van
-'t geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste
-blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor
-iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne
-eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid
-geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar
-de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is
-het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij
-tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang,
-of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij
-niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel,
-hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten,
-bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in
-het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds
-bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde
-jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige
-landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon "groen
-gewelf" zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van
-leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen
-in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken
-geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein
-geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij
-Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van
-de prachtige houtpartijen rondom 's Graveland bestond niets, totdat
-vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde;
-en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad
-had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer
-groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans "de schoonste
-beukenlaan van Nederland", de veelgeprezen laan van Middachten is....
-
-De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt:
-
-
- "maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht".
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE LANGE LENTE.
-
-
-Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner,
-onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die
-ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht
-had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de
-kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders
-antwoord: "Voor de lange lange lente."--Eens op een bar kouden dag,
-terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij
-niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was--werd er
-altijd bij verteld--vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor
-haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij
-gaf hem de zij. Toen haar man t'huis kwam, en zij hem vertelde wat er
-gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange
-lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger.
-
-De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot
-verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente
-zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de
-lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden
-ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet
-zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te
-hebben. 't Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht
-is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik
-antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en "goed voer en
-een warmen stal" zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere
-dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse
-speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: "Maart heet Lentemaand;
-een mooie lente met die Maartsche buien!" Maar men kan het, omgekeerd,
-ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren:
-
-
- "Mars, qui rit, malgré ses averses,
- Prépare en secret le printemps."
-
-
-In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist
-uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij
-de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit
-opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten.
-
-Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe "Maartsche lucht" die
-velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor
-teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor "de Maartsche
-bleek"? 't Is haar rijkdom aan ozon. 't Is omdat, in dezen tijd van het
-jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht
-hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,--om 't even of
-hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden
-worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel
-iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo
-schadelijk; zij "pakt hen erg aan" en maakt hen eer verkouden; maar
-voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien--neen,
-zij het slechts op een gewonen, grauwen--Maartdag één uur goed
-doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en
-zijn helderheid, hoe "sterk" de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens
-te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen
-bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen:
-de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de
-lente eensklaps komt, en "het groen" in een paar dagen "uitloopt",
-dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en
-dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen
-dichter, "tusschen hare buien door lachend, in 't geheim de lente
-gereed maakte." Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar,
-dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.
-
-Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme
-lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles,
-wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn
-uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden
-dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden,
-diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo
-was het in het voorjaar van 't beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch
-bloemkweeker, "geholpen door de Muzen" aldus in een vriendenkring
-zijn nood klaagde:
-
-
- OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN.
-
- Een oude wrok is dus in Zephyrus' gebleven?
- Hij schijnt nog niet voldaan met Hyacinthus' leven!
- Neen, zijne gramschap treft op nieuw 't onnozel bloed
- Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed.
- Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten,
- Uit Phebus' lieveling tot ons vermaak gesproten.
- Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal!
- Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval?
- Eerst werd Andromeda door 't monsterdier verslonden;
- Geen Perseus werd haar ten verlosser toegezonden.
- De stevige Atlas, die den ganschen hemel torscht,
- Moest bukken voor 't geweld van hagel, sneeuw en vorst.
- Pomona gaf den geest! Vertumnus is verdwenen.
- Helpt, Goden, mijn verlies in Frankrijk's kroon beweenen!
- Fleury is heengereisd, die arme kardinaal!
- Colossus viel ter neer; met hem mijn Prins Royaal.
- Ach, brave Cicero, gij buktet voor tirannen;
- Met u zijn Vrijheid en Het Roomsche Regt verbannen.
- Formosa Helena is wederom geschaakt,
- En Paris met zijn buit te zaam omkoud' geraakt.
- De groote Goliath boog voor 't geweld der steenen,
- Maar Koning David's dood moest ik meteen beweenen.
- Mijn Ganimedes lag door 's winters hand geveld,
- En werd door Arcas naar het starrendak verzeld.
- Twee Roomsche keizers zijn, (Vitellius was de eene,
- Augustus d'andere), met Nisa laas! verdwenen.
- Zelfs Scheba's Koningin, met Koning Salomon
- Zijn door 't geweld verdrukt, dat Juno zelfs verwon.
- De Morgenster was heen, de Maagd van Dordt geschonden,
- De Kroon van Salomon en Hollands Staat verslonden.
- Mijn Philomela werd met Theseus omgebracht;
- Polyxena op 't graf van Peleus' zoon geslacht.
- Hier zag ik Icarus naar d'Eridaan gezonden;
- Den dappren Hector aan Achilles' lijk gebonden.
- Le Roi des fleurs stierf weg, door hagel (niet van lood),
- Regina hield haar man gezelschap in den dood.
- De Graaf van Egmond liet in mijn gezigt het leven;
- Ik heb Honorius den laatsten snik zien geven.
- Hier zag ik Hannibal, daar Cesar ondergaan,
- Met Palamedes en Ulyssus is 't gedaan!
- De trotsche Phaëton viel met den Zonnewagen;
- Parmenio werd kort hierna in 't veld verslagen.
- 'k Zag Agamemnon in zijn eigen bloed gesmoord,
- En Clytemnestra naast Orestes snood vermoord,
- Hier moest ik Orondaat, daar Statira beweenen,
- Ginds is mij Pyramus en Thisbe's geest verschenen.
- De groote Jupiter vloog met den Arend heen,
- De Zilvren Maan werd bleek; en Phebus' glans verdween.
- Ik zag Patroclus naast zijn vriend Achilles sneven,
- Vorst Priamus den geest aan Pyrrhus' voeten geven,
- Het Hert is op den loop, en Pegasus op hol;
- Wat van Monarq' du Monde, een allerbesten bol,
- Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan staren,--
- (De droes nam mij het paard,--zou hij den ruiter sparen?)
- De Sultan is verreisd; King George meê van kant,
- En met den Ooijevaar naar 't onbekende land!
- 'k Heb Thalia en Mars, en Hercules zien vellen;...
- Waar is, o Goôn, de schaar die 'k eertijds konde tellen?
- Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld verkwist?
- Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist!
-
-
-'t Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook in het jaar 1740. En
-daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op onze 52 1/2° N.B.,
-in den kouden grond planten wil kweeken, die in de Levant t'huis
-behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar werpe niet ten slotte de
-schuld op ons klimaat!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.
-
-
-De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft vandaag vakantie weten te
-bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij daarvoor aan den
-burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het een der eerste
-mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes kievitseieren wou
-gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik geloof nog meer dan
-in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die laatste punten geen
-kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste heel bijzonder veel
-goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol eieren t'huis komt,
-en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn bekwaamheid. Als hij een
-"kieft" ziet vliegen, kan hij niet alleen zien waar diens nest is,
-maar ook hoeveel eieren daarin liggen, en of er vuilen bij zijn. Hij
-heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij in de geheimen van dat vak te
-onderrichten; en ik heb ook een en ander van de theorie onthouden, maar
-de praktijk heb ik nimmer goed beet kunnen krijgen. Eens heb ik een
-nestje met drie eieren gevonden; maar het was meer geluk dan wijsheid
-dat ik die niet stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten.
-
-Intusschen is 't mij vaak een waar genot geweest, om, toen ik nog in
-zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen vergezellen. De
-kievit is een weidevogel. "De kievit," zegt Brehm ergens, "behoort
-bij het karakter van het hollandsche landschap, evenals de alpenkraai
-bij het zwitsersche, en de struisvogel bij dat van de woestijn. Hij
-doet onwillekeurig denken aan slooten en vaarten, aan zwartbonte
-[1] koeien, aan windmolens en buitenplaatsen." De vraag is, of men
-dit niet evengoed kon zeggen van andere vogels; de kievit is daarbij
-niet aan ons vaderland gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare
-Kiebitze bij menigte; in Engeland is de Peewit geen zeldzaamheid,
-en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in omloop:
-
-
- Qui n'a pas mangé de vanneau,
- N'a pas mangé de bon morceau.
-
-
-(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen wij ons met hun
-eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en grof!)
-
-Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze nederlandsche
-vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de weiden. April is
-grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor zijn, het gras heeft
-zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; en een voormiddag
-zwervens door die groene velden levert zijne eigenaardige genoegens
-op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van stevig schoeisel, en
-ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op lente-zoelheid te
-rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp in de vlakte,
-waar zijn lange, breede stroom slechts op groote afstanden door een
-paar huizen of een boschje wordt gebroken. Overigens, hoe eentonig
-dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, zijn er allerlei
-onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het alleen maar in
-de vogelenwereld.
-
-Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een stadstuin te bepalen,
-zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. Let, om te beginnen,
-eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den paal van 't hek zit,
-waar wij door moeten. In gedaante en bewegingen komt hij geheel overeen
-met het welbekende parelgrijze kwikstaartje; slechts de gele kleur,
-het helderst aan het kopje, onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen
-uit het zuiden; zijn wijfje zal wel in de buurt zijn, want men ontmoet
-altijd een paar bij elkander. De witte kwikstaart nestelt in de boomen
-of, evenals de musschen, op het dak; de gele daarentegen houdt zich
-lager bij den grond. Hij bouwt geen nestje; hij richt slechts een
-kuiltje daarvoor in. Zulks kan men trouwens van al de vogels zeggen,
-die met hem de weide bewonen: zij geven zich veel minder moeite voor
-hun nesten dan de zangers der bosschen. Daar hebt gij, van zangers
-gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij ooit een leeuwerikken-nestje,
-met een stuk of drie eitjes of onbeholpen vederlooze jonkjes er
-in? Men moet een geoefend oog hebben om het te ontdekken: het is niet
-dieper dan duizend andere oneffenheden op een eenigszins hobbeligen
-bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en zorgen vrouw Leeuwerik
-heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en zoo kwaad als het gaat
-bij elkander te houden; terwijl haar mannetje omhoog meezingt in het
-concert, en door de geheele wereld gevierd wordt:--zooals trouwens
-in meer kunstenaarsgezinnen het geval is.
-
-De muzikale talenten zijn overigens niet sterk vertegenwoordigd
-in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij vliegend, hetzij
-loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer weinig
-welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: Grutto,
-Tureluur, Kievit, eene klanknabootsing is. Het klagend, eentonig
-geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat grauw
-is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, een
-weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper,
-nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van
-wulpen, tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren,
-waarop zij veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is
-iets minder eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen
-zeggen, dat hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog
-een beetje verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des
-avonds, alles overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op
-denzelfden toon herhaald: Kare-kare-karekiet-kare! Dat is het liedje
-(?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets dunner
-en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, een
-tusschending tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; en,
-meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het
-vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns getroffen heeft,
-kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt het ons altijd
-van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de Vecht bij
-Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een rietstengel
-geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten schreeuwen,
-met een kracht, die, als men het diertje niet kende, stellig naar
-ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen zoeken.
-
-Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, die ik
-hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de
-merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat,
-die zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij
-die gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent "haren",
-die "te berge rijzen"? Zoo gaat het met de veeren van den kemphaan,
-of liever van een soort van manteltje, dat hem om de schouders en, bij
-wijze van schild, voor de borst hangt. In gewonen toestand liggen deze
-veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij slechts zijn hals wat verdikken;
-maar zoodra hij zich tot vechten gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen
-hem, op Texel, niet onaardig den naam van "kraagmaker" bezorgt. Dit
-vechten geschiedt in den paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een
-wijfje, soms ook om een insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder
-eenige zichtbare reden, uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd
-heeft altijd twee aan twee plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht,
-het aangewezen zinnebeeld van het duel. Hun wapen is hun lange weeke
-snavel, die in de hitte van 't gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren
-bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen
-wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van
-beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood
-ten gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen:
-zij loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit.
-
-Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen persoon; en terwijl
-onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat inspekteeren, willen wij
-hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. Het is altijd raadzaam
-om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker mede te nemen, ten einde
-tegemoet te komen aan de schuwheid van de vogels, die wij nooit dicht
-genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn meest in het oogvallend
-kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder heeft hij de grootte
-van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van een ekster, ofschoon
-een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en zwart, met beurtelings
-groenen en purperen weerschijn: alleen komt er aan de zijden een
-weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft volstrekt niets van
-den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo kort, dat hij slechts
-eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. Zijn bek daarentegen is
-geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn gansche levenswijze
-samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang genoeg zijn om hem
-dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te doen herkennen,
-zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op hoe hij, bij
-het vliegen, de pooten achteruit steekt, in plaats van ze onder 't
-lichaam op te trekken.--Een raar ding toch, dat vliegen. Is het niet
-iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een dier zóó dun zijn,
-dat zij bijna geen gewicht hebben, en bijna geen ruimte beslaan;
-en daarentegen zijne voorpooten zóó sterk ontwikkeld en met dons en
-gesloten vederen begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen
-van een schip? Dat daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem
-vergunnen zich naar willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij
-dus van nature de inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche
-moeite aan een luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert
-door het luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden,
-en die wij hem, sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden,
-nog altijd niet hebben leeren nadoen!...
-
-
- "Ik wou dat ik een vogel was,
- Een vogeltje met veêren."
-
-
-Zoo zingen de kinderen, en onder alle schoolversjes is dit een
-dergenen, waarmee hun jong hart het meest instemt; en ondanks al zijn
-eigene bewegelijkheid kan een kind lang achtereen oplettend naar
-een vogel kijken, en eindelooze vragen doen omtrent het geheim van
-zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in den regel niet mee
-in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, "en een mensch is
-nu eenmaal geen vogel," luidt zijn afdoend antwoord. Is dat vooruitgang
-in ons geestesleven? Is dat toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen
-in jaren?... Wee dengenen die geen vragen meer doen!
-
-Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij vliegen samen
-op een kleinen afstand om ons heen. Zij maken allerlei verschillende
-bewegingen, voeren als het ware een ballet in de lucht uit, en roepen
-allerhande variatiën op het thema kie-vit. Van vragen-doen gesproken:
-wat beteekent die taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien
-zij op dit oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben
-dan ook alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het
-nest reeds ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier
-eitjes er in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij
-toont ons hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet
-hem echter niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons,
-die in dit vak nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een
-welverdiend verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af
-te leiden door naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne
-menschensluwheid kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de
-arme dieren is, dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te
-goed hebben. Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans,
-daarvan op nieuw beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter
-kan zich zoo warm maken over de "wonderschoone Meimaand" als de
-kievitten doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening
-en menschelijke wetten begrepen. Vanaf 1 Mei toch is het zoeken van
-eieren verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet
-altijd werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is
-er dus voor hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij
-zestien dagen noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij zich
-bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen
-hoog gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is
-verder, niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken
-te verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld
-bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken
-zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer
-dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood,
-bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet
-men hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden,
-en als het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als
-zij in grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo'n vijand aan te
-vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals
-zij dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk
-gezicht is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend,
-en dienen door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad,
-den anderen vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers
-is die ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei
-of een ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek,
-in September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen,
-naar het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart,
-eerst bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-RONDOM EEN MOLSHOOP.
-
-
-"Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het
-gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen
-spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en
-den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe
-beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke
-lente."--Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen,
-die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk's werken
-zullen uitmaken.
-
-Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld;
-benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er
-beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en
-ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!
-
-Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan,
-in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de
-plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan
-paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De
-paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels
-nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij
-die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens
-vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te
-vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet
-zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken
-in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die
-pooten zijn voor ons 't belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm,
-èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In
-onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol,
-gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om
-te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar
-merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen
-tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander
-maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen,
-die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken;
-en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin
-die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar
-het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te
-maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen;
-mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk
-tot de "molshoopen", welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer
-paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij
-is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun
-deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn
-bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop
-voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar!
-
-Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?--'t Hangt er
-van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga,
-zorg ik, dat ik met een volle t'huis kom; maar houd onderwijl mijn
-oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op
-het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid
-afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren
-die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het
-eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en
-geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten;
-en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en
-met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet
-deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou
-mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend!
-
-Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op
-mij uitoefent?--Het was een tuinman uit de buurt. Hij was 't, die mij
-de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in 't voorbijgaan,
-ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit
-verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen
-ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet
-spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste
-geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als
-over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare "griezeltjes", die ik
-om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte
-en die gele "spikkels" van de weide leerde kennen en liefhebben; die
-mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag:
-"hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?", en mij de pret van "'t
-kaarsjes blazen" dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit
-een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte
-zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in
-'t seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij,
-aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder
-aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....
-
-In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het
-beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat
-voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het
-teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede
-het "onpraktisch" karakter van zijn lessen. De jongens hollen door,
-beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur
-ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen
-wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn
-duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel
-uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit
-niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee,
-dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd
-vele beesten en gewassen "uit elkaar te leeren kennen", als wel om
-hen "in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode", die
-hen helpen kan "een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de
-mensch in de wereld inneemt", enz. De ander echter blijft van oordeel,
-dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest
-heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen
-rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat
-gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden
-degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het
-niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan
-onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen,
-dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap,
-en tusschen de "methode" van verschillende scholen; maar ik heb alle
-reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want--om slechts bij de
-weide-"stippels", die wij straks bespraken, te blijven:--indien ik met
-belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de
-vorm der meeldraden van de "boldragende ranonkel" tot bewijs dient;
-indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de
-roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried's laatste
-bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan
-voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad
-vertellen,--dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is,
-die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-PALM-PASCHEN.
-
-
-"Pallem-pallem-paschen!..." klinkt het jaarlijks alom in
-kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een
-voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg
-inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van
-een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken,
-en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij
-zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan
-zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun
-"Pallem-pallem-paschen!"... met nog eenige moeielijk verstaanbare
-klanken er achter.
-
-Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die "het van dergelijke klanten
-moeten hebben", kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen,
-bekend maken. 't Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate
-dat het groot en weelderig is,--waaraan een sinaasappel en een paar
-appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en
-papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van
-den welbekenden buks- of palmboom.
-
-Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord
-had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien
-naam van "palm" gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst
-tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal
-grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde ("een-zaadlobbige"
-[2]) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten
-aan de Bildt van ouds den naam van "Palmmarkt" dragen, staat de
-Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den
-Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in
-het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de
-eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen,
-vertegenwoordigen het daverend "Hosanna", dat in zeker onvergetelijk
-drama zoo kort aan het "Kruist hem" voorafging!
-
-Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin
-verhaald wordt hoe in 't Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte
-palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de
-kardinaals voor 't altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in
-andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters
-met olijventakken in de handen; hoe men zich in 't gebergte vaak
-met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte
-wilgenteentjes dienst doen.--Ook bij ons in 't Noorden moest
-natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd,
-een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt
-men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan
-nauwlijks uitgebot. 't Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo
-slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes
-vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor
-'t doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven;
-en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk
-te krijgen. Eenmaal geregeld "palmdienst" doende, kreeg hij den
-naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk
-gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht
-"onreine geesten" te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van
-'t volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere
-tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden
-verspreiden, verhindert niet dat "palmboompjes" tot de meest algemeene
-huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door,
-palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen
-'t inslaan van den bliksem.
-
-Den ganschen winter door kroop hier en daar in 't bosch, in tuinen,
-en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met
-vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de
-eenige verdienste was,--dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds
-kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een
-paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van
-'t loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men
-aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En
-indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich
-door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is 't niet
-vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, 't zij in
-vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der
-bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets
-bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te
-weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf
-het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga
-dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch
-om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er
-haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar
-zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En
-zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde
-voor die teedere gave.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-TULPEN.
-
-
-Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der fantazie, half als zeer
-gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, tot eene natuurlijke
-rangschikking der planten te geraken, een standen-verdeeling van
-de "Ingezetenen des Plantenrijks" beproefd. In deze teekenachtige
-indeeling, die op naïeve wijs den stempel van haar tijd draagt, en
-in onze demokratisch-wetenschappelijke eeuw, om meer dan eene reden,
-met een glimlach ontvangen zou worden, noemde hij:
-
-"De Palmen, Vorsten, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en
-ongetakt blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is).
-
-"De kruiden des Velds, (een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei
-gestalte), de Edelen.
-
-"De Boomen, die de bosschen uitmaken, de Staten. (Men vindt ze
-omringd door hunne dienaars en beschut door een wacht van Soldaten,
-namelijk die doornachtige gewassen, welke zich dikwijls om de stammen
-en takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan Tafelschuimers,
-namelijk de woekerplanten.)
-
-"De Grasplanten, het Landvolk (de kracht en steun des Rijks, die, hoe
-meer zij besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.)
-
-"De Varens, Werklieden (die 't zaad op den rug dragen).
-
-"De Mossen, Slaven (met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die
-schraal zijn en honger lijden, moetende zich behelpen op plaatsen,
-welke voor de anderen ongeschikt zijn.)
-
-"De Wieren, Duikelaars, (bijna ongekleed, zonder optooisel of
-fraaiheid.)
-
-"De Paddestoelen, het Uitschot des Rijks, (dat zich niet toelegt dan
-op stelen en rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als
-'t ware in den nacht, als de anderen slapen)."
-
-Op dit tooneel nu figureeren de Bolplanten als "Hovelingen,
-pralende met heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het
-Rijk te strekken."--Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die
-schitterende Leliën en Tulpen, Ixia's en Narcissen, al die prachtige
-soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die bevallige
-Scilla's, Frittellaria's en Cyclamens. En ondanks hun rijkdom van
-verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend gemeenschappelijk
-karakter.
-
-Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die schijndoode
-bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk terugtrekt,
-alsof 't in een zaadkorrel ware? Die zich laat drogen, verzenden,
-op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met behulp van een
-weinigje vochtige aarde,--(Hyacinthen en Crocussen groeien reeds
-alleen in water, en Colchicums hebben zelfs deze laatste voorwaarde
-niet noodig,)--de bladrozet en bloemsteel ontspruiten, welke daarin
-maanden lang als kiem, zonder merkbare ontwikkeling, opgesloten lagen!
-
-De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: lange lint- of
-zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en overlangsche nerven,
-zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende adertjes: in één
-woord, gras in 't grof. Hoe al wat bollen draagt ook boven den grond
-overeenkomst heeft, bewijst het voorbeeld van de uien; het zou mij
-niet verwonderen, als iemand bij vergissing een tulpenbol en een
-chalotte omruilde, en het blad van eene zoogenaamde zee-uie zou men
-gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen doorgaan.
-
-Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in onveranderlijke
-voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, in plaats
-van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de tweemaal-drie
-blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een Hyacinthen-nagel,
-de sierlijke driehoekigheid der groote witte Irissen, die zwanen onder
-de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan dien regel van
-drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal (niet gevuld) is,
-drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; of één driehoekig,
-zooals in Tulpen.
-
-De hoorn des overvloeds, verborgen in den onuitputtelijken zak van
-den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, reeds eer nog de dagen op
-hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen in de huizen uit; en wel
-van eene soort, die de oude grief,--dat zij "wel pronken, maar niet
-geuren,"--het volkomenst logenstraft: de welriekende "ducjes" (Duc van
-Toll.) Het zijn bescheiden tulpjes, althans wat haar omvang aangaat,
-maar overigens in 't oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud,
-zwart--(de duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische,
-zooals zij b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom
-van verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te
-tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden
-in drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes
-samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook
-het zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In
-hun midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl,
-op het driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den
-bloei der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of
-gevuld zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van
-het vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes,
-verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet
-of men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan
-bij menigte.
-
-Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond bloeien; en een
-aantal liefhebbers vermeien zich in 't schouwspel dat "de bollenlanden"
-rondom Haarlem en elders te zien geven. Veler smaak intusschen voelt
-zich daartoe in het geheel niet aangetrokken. Zij vinden weinig moois
-aan "zoo'n bloemenfabriek", en vergelijken de met vierkante vakken van
-roode, witte, gele, bonte tulpen prijkende akkers bij het droogveld
-van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot gelijk aan;
-maar er valt dan ook van een "fabriek" niet anders te verwachten,
-dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo doelmatig mogelijk
-rangschikt, en de orde bij het planten en rooien hooger acht dan de
-bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij echter hindert het,
-als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, onbehaaglijkheid die in de
-schikking op de bollenvelden heerscht, terugvind in parken en tuinen,
-waar er geene verontschuldigende reden voor bestaat, waar zij louter
-"voor het mooi" geplant zijn, en waar dus alles moest gedaan worden
-om ze bevallig te doen uitkomen.
-
-Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in hooge mate te
-"flatteeren", leerde ik een paar jaar geleden van het toeval. In een
-rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, had een knecht, zonder
-er veel bij te denken, een mand vol gezonde bollen uitgeplant. Er
-stonden daarin echter ook--van boven geheel afgestorven--drie planten
-van de welbekende reusachtige Beerenklauw (Heracleum giganteum). Toen
-nu in 't volgend jaar de tulpen--het waren geen zeer vroegen--gingen
-groeien, begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en
-tegen dat de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de
-laatsten juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder
-ze te veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel
-tusschen de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken;
-het heldergroene loof der tulpen hing daar onder en daar over heen,
-terwijl de witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er schitterend
-boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer moeite
-zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger opschieten;
-en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, aan de meeste
-bollenperken eigen. Het geheel was in één woord zóó teekenachtig,
-èn wat lijnen èn wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan
-de schoonheid die een tulp in haar natuurlijke omgeving--ik meen, in
-haar vaderland--hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende
-als model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig
-dieper gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen,
-zal men er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient
-gedaan te worden dan in kweekerijen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-HEI! 'T WAS IN DE MEI!
-
-
-De Mei is in het land!
-
-Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker achteruit gaat,
-en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet geweest zijn dan
-heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk gemaakt hadden
-van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te dikwijls, bij
-de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van "de zoete Meie,"
-
-
- "..............een kus,
- Dien de zon geeft aan de aarde,"
-
-
-klinken bijna als eene bespotting van de hedendaagsche pinksterstormen.
-
-Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die in
-ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens
-vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog
-een andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere
-geslachten, of liever de traditioneele volksgeest, welke die legenden
-en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan wij
-zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de
-hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen,
-avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen,
-of te meten? 't Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat ooit
-eenige weelde--welke ook--naar hoeveelheid berekent! Ons beter
-deel,--de dichter in ons,--weet wel anders. Hij weet dat daar geen
-sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of korter, maar
-van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu drie- of viermaal
-heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of niets toe, mits
-elk onzer slechts één oogenblik dien lach heeft weten op te vangen,
-zóó dat hij ons door merg en been, door ziel en zinnen heendrong,--zóó
-dat nog maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering,
-en ons hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: Lente!
-
-De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de overlevering
-brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, welke ons,
-indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen,
-jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen
-altijd de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en
-de lucht zoel geweest zijn juist op den 1sten of den 21sten Mei,
-en de noordoostewind de takken op de Meiwagens ontzien hebben? Soms
-wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. Maar het feest was
-eenmaal dààr; en verreweg de meeste feestgenooten waren sterk van huid
-en zenuwen; en de hartstocht der werkelijkheid was niet altijd zoo
-wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op zoo'n dag hun fantazie
-beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den ouden regen of de maar al
-te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet eens de moeite waard om
-op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog gaat bij dergelijke
-feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander publiek, dan 't
-geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes te lezen!
-
-Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer zijn Meifeesten
-weggelegd,--even plechtig als men 't zich van Druïden-priesters, even
-jolig als men 't zich van middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits
-hij zelf bereid zij, zal het Meiweer wel komen! Maar het komt
-onverwachts. Somtijds springt het over de grenzen en komt in April
-of in Juni: ook die gril moet men nemen zooals 't valt.
-
-Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw venster te
-kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure dagen genoeg
-aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, visites
-doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als een
-heiligendag.
-
-Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met een waas
-van schoonheid overtogen,--zelfs de kaalste velden en de leelijkste
-moerassen,--maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. Begin eens
-ginds aan den stadswal, waar 't leven van natuur en maatschappij
-elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met gras en jonge
-lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al schrobbend zingen,
-met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, waar gij 't oog hebt
-op de tuinen in den omtrek, waar de hagedoorns bloeien, en waaruit u
-nu de ééne, straks een andere geur te gemoet komt, die u doet denken
-aan,--ja aan....? Gij weet het zelf niet...--zeker aan een vroegeren
-Mei.--Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en verdiep u in het
-duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: kruipend, zwemmend,
-vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog wel lang niet
-alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken u ieder
-jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en u,
-in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag:
-waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen?
-
-Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de bloemen, die
-wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het woord, en
-vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van hetgeen
-u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u zelven;
-van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch bij
-te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten
-te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje
-sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij
-wat gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik--in elk geval
-slechts in verbeelding bij u--ben een veilige vertrouwde. Vertel
-mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en
-teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord
-de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld,
-ik luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,--welnu, dan voel
-ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van
-bewustzijn te hebben, boven dat uit, wat zich reeds als denkbeeld weêr
-laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? Stemt zij u tot juichen,
-als om strijd met de vinken; of dringt zij u terug in u zelven? Bezielt
-zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot werkzaamheid en leven,
-die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult zij u met weemoed over
-onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; in beiden kan een schat
-van levenslust en van ontwikkeling besloten liggen. Met beiden zou ik u
-geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. Die raad--ik meen wijding
-voor de opgewektheid, ontspanning voor den weemoed--lag van oudsher
-in samenstemming met de edelste, beminnelijkste aller fantazieën,
-ooit aan de dichterziel der menschheid ontsproten: dankbaarheid
-jegens een verborgen Maker, die de lente en hem die haar liefheeft,
-naast elkander voortbracht. Verheug u, zoo de tooveresse Mei u doet
-meedoen aan die "goddelijke dwaasheid", die hoogste geestelijke weelde!
-
-Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen gepraat heb,
-heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor u. Gij
-vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een bloeiend
-eschdoorntakje......
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI
-
-EEN ENGELSCH LANDSCHAP.
-
-
-"H. M. de Koningin zal overmorgen haar kasteel te Windsor betrekken,
-en aldaar eenige weken vertoeven."
-
-Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, zie ik reeds
-in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het welbekende
-teeken van H. M.'s tegenwoordigheid op het kasteel), en breidt zich
-eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in al zijn
-heerlijkheid voor mijne oogen uit.
-
-Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. Velen onzer
-hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen gezien, maar dan
-waren die doorgaans òf tot bouwvallen afgebrokkeld, òf tot gevangenis,
-wapenhuis of iets dergelijks gedegradeerd. Een oud versterkt slot
-echter, zoo geheel in zijn middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans
-zoo goed onderhouden en keurig ingericht, als voor de woonplaats
-van een der voornaamste europeesche hoven van onzen tijd betaamt,
-vindt men niet licht ergens anders dan te Windsor.
-
-Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers voor eenige
-fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras bezoeken,
-en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de meubileering
-der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling tusschen
-het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig comfort
-van H. M.'s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor verblijf houdt, is
-natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer ingekrompen; maar
-m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de meerdere levendigheid
-en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje heerscht. Het is
-dan bijzonder aardig, om van den hoogen "ronden toren", dien men ten
-allen tijde mag beklimmen, op de ruime binnenplaats neer te zien,
-de vuren in de bewoonde appartementen te zien flikkeren, de warmte
-der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en voorrijders af en aan te
-zien rijden, in één woord een blik te slaan in het groote huishouden
-beneden.
-
-Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat sommigen
-misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden kunnen
-noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste
-vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige
-mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,--een afstand die
-jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar
-tot nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het
-liefelijke van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken
-van Londen zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid
-van het engelsche landschap leent er zich geheel toe, om rondom de
-hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet
-in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk
-bewoonde gedeelten van Europa's vasteland; oorspronkelijke wouden
-vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten
-zijn meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid
-van alle natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het
-gezellige, parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken
-kenmerkt, en waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen
-landbouw, hun dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar
-één samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt,
-spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke
-zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen
-heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing
-in het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen,
-en toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te
-voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen
-tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel
-de weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van
-volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland
-groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt
-van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij,
-wij hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en-
-zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen,
-eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan
-te treffen, vindt men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij ons,
-zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht een
-boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle kanten uit kan
-groeien en zijn grootsten omvang bereiken: één blik op eenige engelsche
-landschap-gravures kan ons toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen
-ten achteren zijn. Dit een en ander kenschetst het karakteristieke
-van hun landschappen. En indien men dan ten overvloede een rivier
-als de Theems in het oog krijgt, niet breed, maar allersierlijkst
-kronkelend.... Waarlijk de "country" rondom Londen is verrukkelijk;
-en aan ieder die de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje
-naar Windsor, als proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het
-aangenaamst in "het schoone jaargetijde"; maar door den overvloed van
-wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook
-vroeg in 't voorjaar, laat in 't najaar, ja zelfs in het hartje van den
-winter recht behaaglijk. 't Is inderdaad merkwaardig, hoeveel prachtige
-ceders en naaldboomen er prijken op de grasvelden der parken; hoeveel
-hulst, ligusters en eene eindelooze verscheidenheid van groenblijvende
-boomen en heesters, (tot groenblijvende eiken toe), men in de tuinen
-vindt; en welk een schat van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt,
-zweeft, klimt en guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen,
-hekken, huizen en heggen, "Ivy lodges" en "--cottages". Natuurlijk
-hangt deze liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche
-aristocratie, om bij voorkeur den winter op het land door te brengen,
-en is zij vandaar gaande weg naar de lagere standen afgezakt.
-
-Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens onwillekeurig
-terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in zoover het ons
-een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de meeste,
-later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een
-halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks
-den naam van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en
-hotelstraat, welks ronding die van den muur van het slot volgt,
-laten een niet onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken,
-late zich de slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het
-schoone witmarmeren praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin
-van koning Leopold I van België).--Maar vlak tegenover Windsor,
-door een fraaie Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel
-grootere stadje Eton; en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton
-het wereldberoemde college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben
-niet, sinds verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte,
-hebben niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle
-mogelijke helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere
-kringen spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te Eton
-school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte
-die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet,
-eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond
-mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw,
-zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend
-en niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de
-half uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en
-trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag middag;
-de kweekelingen, Eton-boys, zooals zij in de wandeling genoemd worden,
-liepen aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar
-aan hun zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en
-dassen... Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen?
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD.
-
-
-Reeds vroeg in 't jaar, tegelijk met boschanemonen en muurbloemen
-en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus Japonica. 't Was het
-sieraad van de buurt, die welige drie voet hooge leiboom in zijn
-schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den noordenwind, en
-volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het schoone jaargetijde
-in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst meer sprake
-kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn gloed,
-te treffender in dat seizoen der zachte tinten.--Dat het een peer-
-of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er hier
-in 't land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet juist
-appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde
-kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk
-voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet
-het loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks
-de sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn
-bouw datzelfde stokkerige, hoekige karakter, dat, zal men de verlakte
-werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche
-Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op
-de knoopen der takken,--een plaag voor ieder, die er een bouquet van
-wenscht te maken,--hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch
-porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam "Ya-lo-ala":
-zou dat misschien de vrucht zijn, die dit soort van appelboomen in
-hun vaderland draagt?
-
-Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De perenboomen
-zijn reeds "als met een wit laken overdekt"; en hun eigenaars
-worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke gezicht, en
-angst voor ieder oostenwindje dat vorst of "zwarte vlieg" zou kunnen
-aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, dat deze bête noire geen
-"vlieg" is, maar een kevertje.) En nog een dag of tien, en 't zachte
-rood der appelbloesems zal, voorlooper van 't later rood der rozen,
-aan duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven.
-
-Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen in de
-pomologische wereld;--ja, lezer, ook een wereld op zich zelve, zoo
-goed als de "groote", de parlementaire, de letterkundige, en andere
-afzonderlijke werelden!--Denk aan de pereboomen in de boomgaarden
-van onze boerderijen: echte knoestige boomen, met stammen en kronen,
-waaronder menschen rondloopen en kinderen spelen, en schapen aan
-een lijntje grazen kunnen. Denk aan de appelboomen, zooals zij in
-Duitschland langs de wegen geplant zijn, om den wandelaar een schijn
-van lommer, en den pachter op den koop toe een oogstje te bezorgen,
-en die mevrouw De Stael, bij hare komst "en Allemagne", vervulden met
-een grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen
-zij hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef
-hangen tot het rijp was!--En denk dan aan de "snoeren en palmetten",
-de "spiraal- en vleugel-piramiden"; in één woord aan die zonderlinge
-waaiers en ladders en rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker
-ze invoerde, boompjes welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen,
-dan aan hunne eigene eenvoudige stamgenooten herinneren.
-
-"En kies tusschen het oude en het nieuwe," had ik er haast
-bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht kijken, valt er
-niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. Doch daar men
-nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om "het mooi" kweekt, maar
-om de vruchten; en de "beredeneerde kweekwijze", omdat zij wezenlijk
-onmiddellijk op natuurfeiten berust, op de grootte en de fijnheid van
-die vruchten waarlijk gunstig werkt, valt daartegen niets afdoends meer
-in te brengen. Wie voortaan eigen appelen en peren eten wil, kieze
-uit de honderden op eene prijslijst voorkomende nummers die, waarvan
-hij den geurigen smaak heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan
-de namen hem bijzonder prikkelen, (als daar zijn: Adams pearmain;
-Beefsteak; Newtons pippin; Weissbrod; Calville d'Eve; Républicain;
-Drie torenpeer; Napoleon-Bon-Chrétien; Curé Belle Héloise; Pie IX;
-Saint-Michel-Archange!) en ik wensch hem voorspoed op zijne plantage.
-
-Maar wie ééns in het jaar, ééns in de ééne veertien dagen gedurende
-welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk al de weelde van den
-teêren bloesem wil genieten, die brenge--waar hij ze slechts weet
-te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen schuttingen en
-bleekveldjes--een visite aan de oude, groote boomen van zijn kennis,
-'t zij zij Juttepeer heeten of Sapperdegroentje, of de grofste
-onbenoemde soort van "hand-" of "pot"-appel voortbrengen. Dan legere
-men zich hier of daar in de nabijheid, en late zich beregenen door de
-eerste afvallende blaadjes. En als dan toevallig aan de eene zijde
-een sering en aan de andere een gouden-regen over eene heining heen
-komt kijken,--het blonde kind der Alpen naast den geurigen zoon van
-het Oosten,--dan zal het steeds nog te bezien staan wie van die drie,
-zij of de vruchtboom, het meest tot ons lentegevoel bijbrengen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-BOUQUETTEN.
-
-
-Wat moet toch een "bouquet", of, naar den nederlandschen naam, een
-bloemruiker eigenlijk wel wezen?
-
-Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende bloemen, zoo
-saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar eigenaardigheden zoo
-voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het tegenwoordig doorgaans?
-
-Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge gewoonte
-ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een
-heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang,
-een zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine
-knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de
-bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te
-steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel
-hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men alle bloemen,
-die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken knoppen
-meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op te letten of
-de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: elk frisch puntje, zij
-het van een nog zoo krom of verlept lot, is bruikbaar. Van lieverlede
-nu is deze handgreep ook overgegaan op grooter en kostbaarder, uit
-zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. Daar, uit den aard der
-zaak, die rietbouquetten een vrij gladde oppervlakte krijgen, en de
-bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te worden, (ten eerste om de
-kortheid der stelen, en ten andere om de rietjes te bedekken), was men
-vindingrijk genoeg, om van zoo'n vlak of bol een soort van mozaiek
-te maken. Wij kennen allen de patronen, die bij dit knutselwerk het
-meest in zwang zijn: b. v. ééne groote bloem in 't midden, dan een
-kringetje groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur,
-enz. Soms worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het
-onlangs in een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25,
-uit knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak
-van rozenknoppen en rozen.--Eén bezwaar had zich voorgedaan: Terwijl
-in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen werden,
-bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk gaandeweg tot
-een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij wat moeielijker
-te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo zijn sinds vele
-jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen randen, een
-belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig minnaar,
-die zijn bruid op haar verjaardag een "hand-" of "vaasbouquet" wil
-sturen, zou dien niet gaarne zonder zoo'n geijkten witten driehoek zien
-bezorgen, maar misschien zeer geërgerd wezen, als men hem vraagde,
-waarom hij zulk een op een goedkoopje gefabriceerden bouquet had
-besteld. En menig bruidje, dat zoo'n "porte-bouquet" aanneemt, en
-niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak twijfelde,
-beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met haar en
-haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en weelde.
-
-Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de stijfheid
-dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat die mode
-mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch welbekeken
-is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, maar ze is
-gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met schoonheidsgevoel
-in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner beschikking, zou
-zeer licht iets beters "in de mode" kunnen brengen. Zeer geschikt zou
-hij daartoe gebruik kunnen maken van den heerschenden eerbied voor al
-wat oud-hollandsche kunst heet, zich beroepen op het oordeel onzer oude
-schilders, en b.v. op de eerste de beste tentoonstelling, in een grijze
-terra-cotta vaas van eenvoudig model, een groot bouquet à la van Huysum
-ter tafel kunnen brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling
-van schilderijen zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak
-na kon volgen, vooral daar toch die hoofdzaak in niets anders bestaat,
-dan in de eischen der natuur zelve. Zij--en van Huysum!--stellen op den
-voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet alléén de
-kleuren van haar kroontjes, maar ook de sierlijkheid, waarmee zij, op
-haar stengel wiegend, zich verheffen of neerhangen; den rijkdom harer
-vormen, in verband met de plant, die haar voortbracht; het kontrast
-met het bij haar behoorend groen.--Het kost misschien meer bloemen en
-meer zorg, in elk geval meer kunst-smaak, zulk een bouquet te maken,
-dan een waarbij papier en riet te hulp komen. Daartoe toch kan men
-slechts volkomen gave takken, trossen, pluimen nemen, en ten tweede is
-die schikking niet gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer
-alledaagsche slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en teêre,
-levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig materiaal. Soms,
-als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen weerspannig; en er
-wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist zooveel te kiezen,
-dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt blijft. Daarbij,
-hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer gelegenheid voor fijne
-schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor bontheid en hardheid.--Dit
-alles zijn bezwaren, en maken een Bouquet van Huysum,--om ons aan dien
-naam te houden,--tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt,
-zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen:
-ook van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat
-bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-EEN DUBBELE BOODSCHAP.
-
-
-Tot de vaste attributen van een eersten mooien zomerschen dag behooren
-van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en vogelenzang, ook een zwerm
-vroolijk dansende muggen, een van plant tot plant zwevende vlinder,
-een sierlijk boven 't water heen en weer vliegend juffertje. En zoo
-groot is de kracht der sympathie,--van de gemeenschappelijke vreugde
-over 't mooie weer,--dat men bij zoo'n gelegenheid ieder spoor van
-afkeer jegens deze dieren laat varen, en hen alleen als natuurgenooten,
-als feestgenooten begroet!
-
-Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is nooit zoo
-groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, zoogenaamd
-"volkomen" toestand ontmoet, dan wanneer men in hun kruipend
-tijdperk met hen te doen heeft. 't Is opmerkelijk, terwijl men in
-den regel aan jonge zoogdieren,--jonge honden, katten, lammeren,
-ja zelfs biggen,--vriendelijkheden pleegt te bewijzen, waarop zij
-op hun ouden dag wijs doen van niet meer te rekenen, heeft tegenover
-insekten juist het omgekeerde plaats. Van een rups heeft bijna elk een
-afschuw; zoodra zij een "kapelletje" geworden is, behoort zij tot de
-welkome, ja, dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een
-gouden torretje algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar
-indien men het bij ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen
-had gekregen, zou men het al heel licht voor "een wurmpje" aangezien
-en ter dood veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten
-om zich te verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig
-groen, purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene
-schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil
-houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t'huis behoort.
-
-Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men dat kleine
-vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den honig
-dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, dat
-zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te
-behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den
-tuin of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven
-gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk;
-zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... "bloemenstof",
-zooals mij eens verteld werd.
-
-Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche spijslijst der
-verschillende insekten, om juist te weten welke van deze drie artikelen
-daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. Maar wel
-stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende ontdekking
-omtrent de groote rol die de insekten in het leven van de plantenwereld
-spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar deze dieren alleen op
-zich zelven beschouwd werden, als nuttig of schadelijk, al naarmate zij
-der menschelijke maatschappij onmiddellijk voor- of nadeel aanbrachten,
-is toch in de laatste eeuw ten stelligste gebleken, dat er althans
-bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot stand zou kunnen komen,
-geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen insekten waren, die
-daartoe een behulpzaam pootje boden.
-
-Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit zoo'n diepen
-indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie al die kleine
-vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds ik weet dat zij
-op hunne tochten,--de eene bloem uit, en de andere weer in,--telkens
-eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich zelven den kost opduiken,
-en ten behoeve van de plantensoort, die zij bezoeken, het verkeer
-tusschen de meeldraden en de stempeltjes bevorderen.
-
-Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er aan
-zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben,
-tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel
-van het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort,
-moet zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd
-op dat kleine lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en
-vruchtbeginsels bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja,
-op verschillende exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde
-bloem lang niet altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan
-ook sinds een paar eeuwen dat het stuifmeel van de eene bloem in
-de andere kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,--maar hoe zulks
-geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den
-dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is,
-en de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht
-ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken
-dat er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij
-de stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en de
-stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder medewerking van
-buiten onmogelijk was, dat die beide organen met elkander in aanraking
-kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, die den Duitscher
-Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp der insekten
-brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer hoe meer
-bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het overbrengen
-van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor verschillende planten
-ook verschillende diersoorten) geen uitzondering maar regel is.
-
-Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden vinden in
-zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,--al zijn zij
-nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna nooit
-zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar
-vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms,
-als de plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men
-er duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt
-het doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet
-kunnen zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig om
-het stuifmeel van de acht langere en kortere meeldraden op het korte,
-gespletene stempeltje te brengen? In 't groot heeft men hetzelfde,
-tot schade van de proefnemers, ondervonden, toen men, eenige jaren
-geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te voeren. De vanille
-toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich in de wouden
-van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en de kostbare
-vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou men op
-Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat voldeed
-aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge staken
-laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; maar
-er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met telkens
-nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. Eindelijk gaf
-iemand daarvan de verklaring, op grond van Spengler's merkwaardige
-ontdekking: het kleine vliegje, dat in Amerika, al honig zoekend,
-onwillekeurig zijne diensten aan de plant bewees, was niet mee den
-oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met menschenhanden aan
-iedere vanillebloem te verrichten, was te omslachtig, en dus moest
-die kultuur worden opgegeven.
-
-Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de Aucuba, met
-haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van grootere en
-kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei exemplaren bestaan:
-met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat zij wel stuifmeel,
-maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met zeer onaanzienlijke
-paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie helder-roode vruchten
-voortbrengen, mits er van elders stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes
-gebracht worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken
-vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer
-provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba's bezat, maar die noch bloeiden
-(nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. Het geval
-was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke exemplaren
-afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden waren. Een
-plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar komen. Dien
-zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige insekten
-op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met een
-grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe
-aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde
-aan het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was
-het eene glorie te meer voor des ouden Spengler's nagedachtenis!
-
-Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe op zekeren dag
-Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van vliegen bewonderde
-die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant waarnam. Had die man,
-met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, Spengler's wetenschap er
-bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen zou die "fraisier" dan nog
-bij hem opgewekt hebben!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-EEN BOSCHTOONEELTJE.
-
-
-Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde gemoederen, want ziet,
-"het jonge groen" is nu werkelijk daar! Wij wandelen op een landweg,
-in een der schoonste gedeelten van Holland, als het ware in een koker
-van groen: onder ons het welige gras, met zijn afwisseling van kleinere
-plantjes, rondom ons laag en hooger kreupelhout, bloeiende heesters
-en opgeschoten fluitekruid, en boven onze hoofden een gewelf van
-lindentakken, niet gesnoeid of geleid, maar van nature zoo gegroeid.
-
-Het jonge groen! Welk een verscheidenheid van tinten en van vormen
-ligt daar opgesloten in die woorden! Daar zijn, om 't dichtst bij te
-beginnen, de kleine blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte
-precies het fatsoen hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November
-behouden zullen; zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt
-niet meer van vorm te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens
-en meisjes van ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd
-reeds juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. Geheel anders
-is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den knop komt,
-dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die plooien
-niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het elzengroen,
-met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige omhulsels te
-voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of wat rechtop
-blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens goed wou
-kijken hoe 't er in de wereld uitzag. En dan staan daar de berken;
-zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de meeste
-voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst treuzelen,
-beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider jonge
-bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in
-het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat
-later moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien;
-die der populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden
-af naar het midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en
-dennen met lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen
-naaldenschat, en strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel
-uit, ten behoeve van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is "het
-jonge groen"; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen,
-en juichen om het mooie weer.
-
-Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje verzameld, en zijn,
-al bloemen zoekend, van het ééne pad in het andere gedrenteld. Eerst
-was het, op een open plek, de allerliefste blauwe eereprijs die ons
-lokte; daarna viel ons een menigte van bloemen in het oog, melkwit met
-groene strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar
-door haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen
-naam van "vogelmelk" dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een
-helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met
-de fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine "harlekijn". Wij
-weten het niet recht, maar wij beginnen te vermoeden dat wij binnen
-de omheining van een oude buitenplaats zijn; het nette onderhoud der
-paden, de meer park- dan boschmatige aanleg versterkt ons telkens
-meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er eenmaal, wij zullen
-geen baldadigheden plegen, maar wagen het te blijven en door te loopen
-"tot wij verjaagd worden". En wij wandelen door... tot wij plotseling
-voor iets heel ongewoons staan....
-
-Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van voren en
-van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel van
-hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een
-boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een weinig meer
-opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen geheel tot
-tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van zodenbanken,
-en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon beschut,
-blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden van
-het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of "foyer"
-konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte greppels zorgden voor
-het gevaar van modderachtigheid in het parterre. 't Spreekt van zelf
-dat wij ons nederzetten op de banken, en dat een uit het gezelschap
-op de groene "planken" ging staan declameeren; en dat voorts elk het
-zijne zei over deze antiekiteit.
-
-"Hoe aardig!" riep de meerderheid, onder den eersten indruk.
-
-"Hoe kinderachtig!" zeiden enkelen. "Hoe popperig!" "Hoe
-bekrompen!" "Hoe kleingeestig!"
-
-"De pruikentijd in levenden lijve!" bracht iemand in het midden. "De
-bloeitijd van het dilettantisme op alle mogelijk gebied. Mij dunkt,
-je hoort al in verbeelding de produkten van den een of anderen
-prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche mythologie er bij haalt,
-om den 50sten verjaardag van den heer van 't dorp, of de bruiloft
-van diens dochter te vieren. Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!"
-
-Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het tooneeltje
-heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren hagen
-"als zoodanig", vond ik ze hier zoo geestig aangebracht, dat ik er
-niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om den pruikentijd te
-verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, wat betreft de
-gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen vóór had. Het
-valt mij in hoe Van Lennep die verdediging ergens heeft op zich
-genomen, en ik kan niet laten iets van 't geen hij daaromtrent zegt,
-in herinnering te brengen.
-
-"Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie in een staat van
-diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige vrede, dien zij
-had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen
-en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht
-had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, gerust
-insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt
-was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik weet dat niet; ik
-zal mij althans wachten een geheele maatschappij... te veroordeelen;
-ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Ik verzeker u,
-dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte
-dan thans; als men bouwde, al was het maar een onnoozel koepeltje,
-dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik eigenlijk aanmerken
-wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang
-waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan banden te leggen; ieder
-had het gevoel, dat, wanneer hij in een gezelschap werd toegelaten,
-zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel
-tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; en dan bleek het,
-dat wie het meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en
-zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf het
-meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de politiek aangaat, spanning
-tusschen de partijen in den staat was ontstaan, en somtijds lieden
-van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten,--men had
-de welvoegelijkheid, niet altijd en overal over politieke vraagpunten
-te twisten. Enfin, men wist toen nog te "praten", wat de Franschen
-causer noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en
-door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf
-in dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over dienstboden
-en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer
-onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker
-waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen wordt door eene
-goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden, en vooral
-door de gestadig aangekweekte zucht om elkander aangenaam te wezen. Men
-ontmoette in dien tijd, zoo goed als nu, menschen, die dom, enkelen
-zelfs die vrij belachelijk waren; ook nu en dan bewees deze of gene,
-dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; maar de dommen hadden
-doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en
-vormden alzoo als het ware "het publiek"; de belachelijken dienden tot
-vermaak van de anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten
-zich wat beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen
-der ordentelijke menschen te worden geweerd. En noeme men nu die
-toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men
-wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender,
-aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige
-les en goed exempel aan zou kunnen nemen."
-
-Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets aan toe of af
-te doen, te meer omdat het "tegenwoordig", waarover hij hier juffrouw
-Stauffacher laat spreken, op zijne beurt alweer zoo lang geleden
-is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd zekere maatschappelijke
-deugden te weinig in tel zijn, in verhouding tot anderen. Zoo vraag
-ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek voorbeeld te noemen,
-of er niet werkelijk meer waarde voor de maatschappij ligt in de kunst
-om met goed gevolg als ceremoniemeester op een feest te fungeeren,
-dan in de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in
-natuurkundige wetenschappen?
-
-Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een plaats als
-leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij doet dit
-liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend deelgenoot
-in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu meer aan zijn
-wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent geworden bij den
-een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in die wetenschap
-had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van wetenschap namelijk,
-is zijne wereld; ik weet niet recht of hij specialiteit is in schei-
-of wis-, plant- of dierkunde, of wel in datgene wat, buiten deze om,
-"natuur"-kunde genoemd wordt; maar in hetgeen waar hij voor opkomt
-munt hij uit. Doch voor hetgeen daar buiten ligt... is hij weinig
-of niets. Hij "moet" een weinig achting toonen voor de andere
-takken van menschelijke kennis, die op school gedoceerd worden,
-en hij spreekt daar ook soms over; maar eigenlijk zijn zij hem als
-een gesloten boek. Het ligt aan zijn ontwikkeling, misschien reeds
-aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten doorstudeeren, had geen tijd
-tot iets anders, en bewoog zich te huis altijd onder menschen, die
-beneden hem stonden. Dit een en ander maakt hem thans teruggetrokken
-en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de stoffelijke natuur heeft
-ook aan zijne levensbeschouwing iets stoffelijks, laat ons gerust
-zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de goedhartigheid zelve, durft
-hij aan zijn gemoedsleven geen stem te geven in zijn oordeel over de
-grootere vragen der menschheid, omdat hij gewoon is niets te eeren
-dan: wiskunstig denken, toegepast op zinnelijke waarneming. Hij haalt
-eigenlijk de schouders op over de stad zijner inwoning, omdat er... zoo
-goed als niemand is met wien hij kan praten,--want hij bedoelt daarmede
-praten over zijn speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe
-eenzijdig zijne ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn
-zou met lieden, die, al waren zij dan ook zijne minderen op 't punt
-van natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat
-verder noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is
-schuw en verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen;
-hij beweert, dat hij "boven die vormen verheven" is, en dat zij maar
-overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half onbewust,
-dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van gezelligen
-omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim van die
-huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een feest,
-van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn plaats;
-zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij zulks
-als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er eigenlijk
-aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een zwart of
-spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn medegasten.
-
-Stel nu daartegenover een ander. Wat hij "van zijn vak" is doet weinig
-ter zake; misschien ook leeraar, of bij voorbeeld koopman, lid van
-de eene of andere firma, op wier kantoor hij dagelijks werkt, zooals
-honderden anderen op hunne kantoren. Maar 's mans eigenaardigheid
-ligt in iets anders: in zijn gezellige talenten. Reeds vroeg heeft
-hij van een begaafde moeder, in een goeden kring, den grondslag beet
-gekregen van zijn echte beschaving, die gedurende zijn opvoeding meer
-en meer is ontwikkeld, en waardoor hij nu velen een niet te berekenen
-vreugde bereidt. Want wie zal "berekenen" hoeveel levensvreugd er in de
-wereld opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving
-te leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie
-zal meten hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking,
-waarin een aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar
-en hoog genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna
-afwegen hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek,
-de wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk
-van een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een
-man zooals ik bedoel "goud waard". Niet alleen dat hij zelf aardig
-praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke
-verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar
-hij weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen
-wakker te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij
-uit botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te
-maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten
-die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de
-hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen één
-kunst of wetenschap iets meer dan "dilettant", heeft hij oog voor
-het belangrijke in alles, en een grooten takt om daarvan partij te
-trekken ten bate van het gezelschap. In tegenstelling met al wat er
-afbrekends, verbrokkelends, ontledends is in onzen tijdgeest, heeft hij
-eene groote mate van verbindende kracht. De gasten, die zich naar hun
-gevoelen "vrij en ongedwongen" bewegen, werken onder zijne leiding
-allen mede aan een welgevormd plan. Hij is geen "natuurkundige",
-maar heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden,
-als daar zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling
-van rust en beweging. Hij laat zich niets op "wijsbegeerte" voorstaan,
-maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te
-genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan "pret". Hij
-ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die bij elke feestelijkheid
-kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen van bespot te worden,
-als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt, en als hij teêre
-snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens, die in de aanwezigen
-rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij kent de weelde van
-zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een mensch zich bedriegt,
-die meent dat plechtigheid het tegendeel van vreugd is; hij voorziet
-dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks ten goede zal komen
-aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die vroolijkheid is
-onder zijn bestuur zóó vroolijk, dat de deftigste lieden vergeten te
-bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg is....
-
-Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van het
-boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan 't mijmeren in het jonge
-groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van
-ons wonderlijke menschenleven, dat "zoo velen medeleven, maar zoo
-weinigen verstaan!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-OP DE BLOEMMARKT.
-
-
-Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd niet, waar ik het
-liefst de lente haren intocht zie houden: op haar eigen gebied, in
-de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij dan eensklaps
-tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg plekje en in
-ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten teeken
-van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van 't
-vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van hartstocht
-voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en stadsvesten
-met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende vlierstruiken,
-en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de bovenramen,
-en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis, zoo ik
-er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel aantrekkelijkheid
-heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des vrijdags morgens,
-zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit jaargetijde is
-zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen; en mits wij
-kans zien de al te gedienstige dragers een weinig van ons af te houden,
-kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is 't een recht vermakelijke
-tocht. Het zijn juist niet de "fijnste", nieuwste bloemen die hier
-prijken, de glorie van de kweekkunst; maar het zijn meestal goede
-kennissen die het ons genoegen doet in welstand te ontmoeten.
-
-Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen; welk een rijkdom
-van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al heel wat uit
-kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van haar grootte,
-voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te krijgen: wij
-weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar op die
-blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt zijn
-door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen,
-omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij
-helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene
-eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen
-uit de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden
-lichte en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en
-juist dienen moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen,
-in gesloten gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het
-hoogst groeien, en de Cineraria's en de Calceolaria's, en de Fuchsias,
-en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze potten
-laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode schakeeringen,
-maar de meesten vuurrood. (Waterloo's, "Only showflowers" hoorde ik
-ze eens niet onaardig noemen.)
-
-Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer Verbena's,
-wier fraaiheid stellig beter gewaardeerd zou worden, als zij maar een
-beetje geur hadden; Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia's,
-wier helder goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat
-zij uit het "goud-land" Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die een
-nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die er onlangs
-weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,--de gewone inlandsche
-"smeerwortels" in gala-tenue; Verbascums, in het wild bekend onder den
-naam van "stalkaars", en Achillea's onder dien van "hazegerf". Voorts
-zijn er Antirrhinums, "leeuwenbekken",--in verschillende fijnere en
-grovere tinten; Spiraea's, met haar sierlijke pluimen; groote dubbele
-Paeonea's, waarvan ik niet recht weet wat ik het mooist vind: de
-losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren; Reseda's tot boompjes
-opgekweekt; Erythrina's met hun zonderlinge vruchten die, als zij van
-den winter open zijn gesprongen, en de zwarte zaden helder tegen de
-vuurroode binnenzijde afsteken, den niet onbegrijpelijken naam van
-"koraalrozen" zullen dragen. Vooraan staan potjes met Violen, met
-Vergeet-mij-niet, of de dikwijls in plaats daarvan verkochte kleine
-blauwe Lobelia's, en allerlei "laag zaadgoed". En ter zijde van het
-kleurig vierkant staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende
-heesters, voornamelijk Thuya's, met een kluitje aarde in een stukje
-mat gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij
-elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo,
-"om mei-wijn mee te maken"; en ten slotte graszoodjes, bestemd om
-leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het vrije veld te
-doen droomen. Landslui in gevangen staat worden licht goede vrinden:
-dat zal misschien ook het geval zijn met zoo'n vogel en deze gras-
-en klaverplantjes, wanneer zij van avond samen opgehangen worden in
-een gang, die licht krijgt uit een dwarssteeg.
-
-Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts uit dankbaarheid
-voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers meenemen:
-grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten;
-en die chineesche ginds,--dat zal de duurste wezen;--en ja, die
-duizendschoonen,--dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge soms
-deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel
-ten onrechte ons influisteren, dat "ze pas van ochtend uit den grond
-zijn genomen", en dus allicht geen wortel vatten zullen, neem ze toch
-maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor al de rest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-AAN DE NOORDZEE.
-
-
-Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te Zandvoort, en te
-Domburg,--en wat wilt gij er nog meer bij noemen?--het "badseizoen"
-weer begonnen, en de tijd aangebroken, waarop, althans aan de beide
-eersten, verschillende natiën elkander aan ons strand ontmoeten.
-
-Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste tijd is Juli,
-Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op het eind
-van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, onze
-zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen
-bewoond door het oorspronkelijke visschersras,--de visscherskaste had
-ik bijna gezegd,--waarvan het mij altijd verwondert, dat, ondanks de
-voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het type
-zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche
-deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine
-oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den
-zuidwester, met uw blik, die zoo dof schijnt, maar zoo geestig zijn
-kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm vreemden, onder wier
-nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren zoo rustig uw
-bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds zoo weinig als
-het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige parfumerieën
-u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen aard, zelfs al
-verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of al leent gij
-hun, als "badman" en "badvrouw", de hulp van uw gespierde armen. Laat
-hen liever gevoelen dat zij iets van u hebben over te nemen. Want
-waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in zooverre gezondheid de meerdere
-is van ziekelijkheid; gij staat boven hen, zoover als inspanning en
-arbeidslust staan boven niets-doen, leêgloopen en luieren!
-
-Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de dagverdeeling
-van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald ziek.--Hoe
-dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien ik bij nader
-kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden van hun
-werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan een
-verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling,
-nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het
-eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals
-men haar kan noemen,--welk een verfrissching gaat er niet reeds uit
-van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor
-geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt
-zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon;
-van ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken zin
-en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om omtegaan met allerhande
-menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te geven van hetgeen
-men ziet en geniet.
-
-Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan uitoefenen,
-die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk daarboven,
-en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige heuvelen, slechts
-met vaal helm begroeid, als afsluiting van 't landschap! Ginds in
-de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan den horizont telt
-gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de badgebouwen,
-door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan den voet
-der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u misschien
-een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, zijn
-de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch
-van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat
-is daar toch te zien, zou men haast vragen, 't welk het verblijf
-aan zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen
-kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal
-derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben
-om bevolkt te blijven?
-
-Vertoef er slechts één of twee dagen, en gij zult het voelen en
-begrijpen.
-
-Vooreerst doet het de zee, door hetgeen zij niet is. Zij is namelijk
-zóó geheel iets anders dan het tooneel van ons dagelijksch leven en
-werken, dat haar aanblik ons reeds daardoor eene onvergelijkelijke
-verfrissching bezorgt. Zij is niet het land, met al wat daarop groeit
-en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch bestaan op de eene of andere
-wijs is verbonden; ik had bijna gezegd, zij is niet de aarde. De
-gansche zandige, flauwlijnige omlijsting helpt, juist doordien zij
-niets te zien geeft,--niets dan zand en fletse gewassen,--slechts
-mede om dien indruk te versterken. Het vage, golvende karakter van
-alles om ons heen, geeft ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij
-hier niet met menschenwerk te doen hebben; het dichtste bosch, de
-wildste bergpartij doen ons niet zóó volop gevoelen, dat wij alléén
-met "de natuur" zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is vast,
-en de zee is eeuwig bewegelijk.
-
-En de zee treft ons ook wel degelijk door hetgeen zij wel is: door de
-eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn en wolkenschaduwen
-op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels op haar spiegel,
-of het klotsen van de baren vóór, in en na een storm. En is er,
-voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher bekoring verscholen
-in haar eigene gestadige rijzing en daling,--in dien vloedgolf,
-die zoo rustig komend en weer heengaand, getuigt van eene kracht,
-waarbij de felste storm nog niets is? Is daar geen prikkel voor den
-geest van elk die voelt en doordenkt, in al de verscheidenheid van
-kleine aanspoelende voorwerpen,--eene doorloopende tentoonstelling,
-die met elk getij vernieuwd wordt? Kan men open oogen hebben, en niet
-reeds na weinig dagen eenig hart hebben gekregen voor die ongewone
-dier- en plantenvormen, waarmede wij, desnoods onzes ondanks, in
-kennis gebracht worden?
-
-En dan is er eindelijk het sterk sprekende contrast tusschen
-die afzondering en eenzaamheid,--dat uit-de-wereld-zijn, dat men
-hier gemakkelijker dan ergers kan bereiken,--en het bont gewoel
-der badwereld op een paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze
-scherpe tegenstelling, worden wij er ons diep van bewust, dat in het
-leven van ieder menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar
-aanvullende machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit
-geheel het gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij
-slechts willen, ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben.
-
-Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg opgestaan,
-vroeger dan gij 't in de stad gewoon waart;--gij hebt gebaad of
-wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan kijken, of
-wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt gij met
-een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste duinrij
-getogen. De zee is kalm; het is een jour de dame: de zon schijnt
-bijna door de dunne wolken heen. Maar het werken wil niet vlotten,
-en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat t'huis, aanstaanden
-winter, genoeg doen kunt. Het valt u moeielijk, uw blikken van de zee
-af te houden. Indien gij Heine kent, lokt hij u in verbeelding naar
-Norderney; zoo gij Schleiden hebt gelezen, vliegt gij met hem over
-naar Helgoland: wie weet welke andere lievelingsdichters u ongemerkt
-naar fransche, britsche, noorsche kusten heentrekken. Eensklaps
-valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die een pas of wat van
-u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de golven: op haar eigen
-houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit een land waar palmen
-groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een verongelukt schip? Waar
-zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... En gij ziet er
-gindsche visschers, die bezig zijn iets aan hun pink te timmeren,
-eens op aan, hoeveel gevaren het zeeleven meebrengt; en gij krijgt
-sympathie voor hunne avonturen. Onwillekeurig raapt gij af en toe een
-schelp op of een horentje, afgelegde omhulsels van vergane zeedieren,
-die in plaats van inwendig geraamte, slechts deze uitwendig op één
-punt aan hen vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne
-weekheid hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig
-langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een
-rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen
-aan dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft,
-hoe het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt
-eer men het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit
-een gevolg is van de "zoutzure magnesia", die er aan was blijven
-hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en
-hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten
-er het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen.
-
-Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen
-zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de
-pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en
-zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een
-mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne van hebben. Gij
-voelt u minder vrij dan 's morgens, maar hebt daartegenover het
-voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er zijn er bij,
-die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien zoudt,
-stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was 't alleen maar om
-te weten welke taal zij spreken; ontmoetingen, waarnaar gij wenscht, en
-andere, nieuwe, die u misschien boven het hoofd hangen. Gij hebt reeds
-heele, halve, groet- en aanspraakkennissen; en loopen er soms onder,
-met wie gij liever niet tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,--de
-talrijkheid van 't badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg
-om die te ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; 't
-is een prachtige avond geworden en 't blijft licht tot negen uur,
-half tien toe.
-
-Doch eer het donker is, komt er één oogenblik, of liever één kwartier,
-waarin de meeste gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar
-één zij gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is,
-als daar het drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet,
-het oogenblik nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon
-daalt merkbaar; en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij
-haar in het aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare
-verblindende stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten
-afscheid groeten. Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op
-het water. Daar duikt zij onder; nog een klein gedeelte en zij is
-verdwenen. Maar alsof dan plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo
-schitterend rood verft zich de plaats waar zij is neergezonken,--de
-zee, zoo even donkergrijs, wordt paarlemoerwit en de nevelen,
-waarvoor ons Noorden berucht is, doen zich dan eensklaps gelden als
-de luchtgeesten uit een sprookje, en maken van het halve uitspansel
-een kolossalen ongestreepten regenboog. Onwillekeurig zwijgt men. Ik
-ken menschen, die nooit vroom zijn, dan alleen op zulke oogenblikken;
-menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid of redeneering, gewoonlijk
-alle godsvereering van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten
-voor de geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in
-stilte den raad des dichters volgen:
-
-
- Laisse aller ta prière où ton âme l'envoie:
- Ne t'inquiète pas, toute chose a sa voie,
- Ne t'inquiète pas du chemin qu'elle prend!
-
-
-Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na weinige minuten
-verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij.
-
-Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel en sterk,
-als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd heeft. Het
-zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw spraakzaam. Het
-is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de menschen zich
-inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon veranderd. Een
-groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang terug: het wordt
-stiller op het strand en rondom ons, naarmate de duisternis valt, en
-de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij in vertrouwelijkheid
-of in verheffing, min of meer het alledaagsche overschrijden.
-
-Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers huiswaarts naar hun
-grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan iemand vinden,--het
-is een tref, maar als men 't treft, is het een groot voorrecht aan
-een badplaats!--die het gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden
-met een aardigheid; die de kleine feiten van den dag artistiek opvat,
-of een oude anekdote handig weet te pas te brengen; die de kunst
-verstaat, òf om zelf te vertellen, òf om het gezelschap aan de praat
-te brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen,
-dat het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren.
-
-Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche verscheidenheid,
-wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of ander veld
-van eer (om 't even van welke soort) verloren krachten, aan ons
-noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun gezondheid
-hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; en mogen
-zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met nieuwe
-plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch badman
-behoeven te schamen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-EEN KASTANJEBOOM.
-
-
-Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij 't water, staat een wilde
-kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een groote boom, die
-zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals eiken, beuken,
-iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk tusschenbeide
-"nog bloeien ook". De kastanje pronkt zelfs met zijn bloei. Hij
-draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet minder vertoon, dan
-de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich zelven aan ons
-voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er sprake is van
-een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den titel van
-fakkeldrager te voeren.
-
-Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het feest verheugd
-en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer groote boomen,
-die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even nagaan, hoe
-hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te lengen.
-
-Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens eerlijk vragen,
-of gij hem zoudt kennen in den winter, "bij winterdag", zooals
-de buitenlui het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke
-wrong in zijn stam--een wrong als van een reusachtig koord--toont
-wel den kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten
-dien wrong. Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen
-gemeen. Doch wie hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal
-aan zijne groote, breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend
-door de kleverige harst, die ze reeds van den herfst af bedekt,
-en ze, voor het oog en het gevoel beiden, een zeker waas van leven
-geeft, in een seizoen waarin alle overige knoppen er dor en droog
-uitzien. En niet minder opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder
-elken knop zichtbare "kussentje", nl. het litteeken waar het oude
-blad aan den tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan
-de omringende bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine
-stippels, al naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door
-schraalheid, slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men
-heeft hier namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van
-elk blaadje, door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad
-(een zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk
-jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra
-de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes,
-de doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die
-strengen vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van
-een "drievoudig" aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die van een
-"enkelvoudig" eikeblad ééne vinden.)
-
-Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins gunstige
-omstandigheden, de kastanje aan "uitloopen" te denken. Nochtans
-behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril bij, om
-dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20sten "in volle groen"
-te zien staan. De ontwikkeling van het "groen" toch gaat juist
-bij den kastanje ongewoon langzaam: tusschen de eerste teekenen van
-inwendige beweging en den vollen wasdom van het loof moet een geruime
-tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, om het sterke contrast waar
-te nemen tusschen de laatste dagen dat de boom in knop staat, als
-een beeld van volle levenskracht en moed en ijver, en de armzalige
-figuur, die hij maakt in het daaropvolgend tijdperk, wanneer al de
-jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als de ooren van pasgeboren
-lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, meer dan een week voordat
-zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de lange stelen, die in
-den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware blad, dat hen in
-ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter rijzen zij omhoog
-tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn zij uit hun
-eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich uit als
-groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand breed.
-
-En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt hoe zij
-zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij volwassen,
-en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te vallen:
-als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. Het
-zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de afzonderlijke
-bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. Zij bestaan uit vier witte,
-ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der twee grootsten is een klein
-rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim een zeer licht roosachtige
-tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, zooals bij verreweg de
-meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat getuigen de bijen,
-of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige minuten werkens,
-uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren.
-
-In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een krommen stijl
-gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes ontwikkelen. Een
-blik op de honderden en duizenden bloemen doet een goeden oogst
-verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun vollen groei
-bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en October
-een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik maken. Ik
-heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij bereikbare
-boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende vrucht
-open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit
-geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend,
-na te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er
-omgaat binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij
-eerst drie kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee
-groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur
-aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-EEN INLANDSCHE AREND.
-
-
-Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden spreekt, bedoelt
-daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, die zich
-door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de statigheid
-van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid hunner
-woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels verwierven,
-tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge waardigheid,
-en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten van zekere
-"edele" eigenschappen te bezitten. En hetzij men daarbij dan het
-meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den keizersarend,
-(en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de kleinste
-en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men zich
-de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den
-australischen kegelstaart voorstelt;--men meent in ieder geval vogels,
-die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, hazen
-en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm Nederland,
-strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij ze gaan
-zien in Artis.
-
-Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, des winters,
-dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen steenarend
-onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over onze
-vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen eene
-zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,--een uitzondering,
-die door de verbazing welke zij opwekt, den regel bevestigt, dat
-zulke reuzen bij ons niet t'huis behooren. Maar er is nog eene andere
-soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met al datgene wat
-een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls voorkomt:
-de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, in onzen
-tuin opgeraapt.
-
-Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op een, door een
-wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een zoogenaamd
-zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, biezen en
-watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken hun geduld
-geoefend: vijf jongen lagen in het nest. 't Waren leelijke diertjes met
-hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; doch daar zij gelukkig
-niet, zooals Andersen's beroemde zwaantje, onder jonge eenden verdwaald
-waren, maar rustig onder moeders vleugels groot en mooi konden worden,
-hadden zij daar weinig last van. De bescherming van de zijde der
-ouders was intusschen wel noodig, zooals bleek uit het geval met den
-arend. Sinds een dag of wat namelijk, hadden wij hoog in de lucht
-een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls verscheidene minuten
-onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals arenden plegen te
-doen. Een paar malen, 's avonds bij zonsondergang en 's morgens zeer
-vroeg, hadden wij een ongewoon geschreeuw gehoord, dat wij aan dien
-vreemdeling toeschreven; en eens had het gegil der zwanen, die zich
-anders zelden lieten hooren, ons doen vermoeden dat deze met hem slaags
-waren. Daarna merkten wij niets meer van hem; maar een week later bleek
-de onderstelling juist te zijn geweest, daar de indringer dood in het
-riet werd gevonden, op een pas of tien afstands van het zwanennest. In
-huis gehaald en goed bekeken, bleek hij tot de genoemde vischarenden
-te behooren. Zijn kleur was, in het kort gezegd, wit met bruin, in
-verschillende donkere schakeeringen; hij had, als alle roofvogels,
-een krommen snavel en een zeer duidelijk herkenbare blauwachtige
-washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het kruis staande teenen,
-hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme nagels, zoodat men zich
-gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk zijne aanvatting is voor
-zijn slachtoffers. Wat dezen aangaat--ofschoon het in verscheidene
-boeken staat, dat de vischarend zich uitsluitend met visch voedt en
-andere dieren met rust laat, zoo was het toch voor ons boven allen
-twijfel verheven, dat hij het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had
-en toen door de ouden onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van
-"Eendendooder", waaronder een onzer werklieden hem dadelijk herkende,
-bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt mij
-altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb
-ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek,
-maar slanker van bouw.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-EENE LINDE.
-
-
- "Aldaer dat clare water spranc,"
- Daer stont een groene linde,
- Daer de nachtegael sat en sanc
- .........................."
-
-
-De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine,
-rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de
-stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds
-lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist
-heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid--in
-alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers
-gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar;
-men ziet het niet, maar men ruikt het.
-
-Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de
-bloeiende linden, hetzij dan 's avonds, als "de nachtegaal" uit alle
-macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de
-lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik
-alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam,
-laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt,
-de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn
-er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang,
-lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe 't komt dat gij zoo
-onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij
-sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de
-geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke
-vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en
-herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten;
-het is wreed zulk een stemming te storen!...
-
-Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden,
-waarin die geur ontstaat. 't Is klein en flets van kleur: 't is in zijn
-soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan 't ons
-ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek
-kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts
-een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er
-op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen
-bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten
-overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die,
-heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. 't Behoefde slechts
-wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw,
-geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar
-zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet
-meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist
-haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel,
-zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de
-jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer
-goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand,
-buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een
-verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje,
-en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan
-deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. 't Is of het
-vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden:
-het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht
-door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke
-helften. Het adernet is bijna tot in 't oneindige verdeeld, zooals
-vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde
-is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en
-zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander;
-elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke
-takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij
-uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.
-
-Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het
-geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en
-fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der
-menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige
-van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is
-en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem
-te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied
-te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur
-zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk
-door menschenhand herwaarts overgebracht,--lindenbosschen komen
-nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden
-rijp,--is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft
-ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet
-in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar
-in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke
-leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers,
-en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes
-zou verliezen, indien niet rechts of links zoo'n aardig stukje
-lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie
-kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld
-van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij
-verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde [3] vertegenwoordigt
-zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn,
-daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom,
-misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan:
-de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk
-karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet
-ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien,
-opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden
-rusten in zijn schaduw!
-
-In de schaduw.--Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol
-bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze
-bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond,
-was dat hier in het Noorden, "waar men toch al zoo weinig zonneschijn
-heeft", zooveel hooge boomen gekweekt worden, "die het beetje, wat
-er is, nog onderscheppen". Trouwens, op alle italiaansche prentjes,
-met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. "'t Is omdat
-wij den zonneschijn te lief hebben," was zijn uitleg daarvan.
-
-Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts
-onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt,
-dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen
-wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten
-door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op
-de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar
-heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen
-glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is
-des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond
-van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een
-landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. 't
-Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis
-aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in
-welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar
-verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-TAPIJTBEDDEN.
-
-
-Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons prinsesje Pauline voor
-de toekomst toewenschte, behoorde:
-
-
- "Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u henen".
-
-
-De meeste menschen weten dat van de meeste dingen volstrekt niet;
-en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van kleederen bij
-voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af of men iets
-mooi vindt; niet schoonheid, maar "fatsoen" en "stand" zijn daarbij
-vaak de openlijk erkende hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein
-der kleeding behoeven wij ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou
-eenvoudig even praten over het groepeeren van bloeiende planten.
-
-Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren heerschende
-mode der "tapijtbedden" of "mozaiekperken"?
-
-Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend karakter van netheid, stijfheid
-en hardheid, in dit alles niets onderdoende voor een keurig opgemaakt
-schoteltje haringsla. Schitterend rood, helder geel, hard blauw,
-blinkend wit spelen daarin gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen
-zich nog harder dan zij zijn, door de combinatiën waarin zij naast
-elkander geplaatst worden. Het spreekt van zelf, dat indien eenmaal
-zuiverheid van uit bloemen gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke
-contrasten zeer gezocht zijn, om de teekening effekt te doen maken;
-en dat daarbij zekere hardheid bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs
-waar men er in slaagt die te ontwijken, en met fijnere tinten te
-werken dan in den regel het geval is, zondigt men daarbij toch altijd
-in hooge mate tegen de natuurlijke schoonheid der planten, door ze tot
-een vlakken groei te dwingen. De voor mozaiekperken gebruikte gewassen
-zijn veelal dwergachtige planten, die van jongs af voor deze bestemming
-gedresseerd zijn: zij groeien in de breedte, doordien men er bijtijds
-den kop heeft uitgesneden. Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom
-van vormen, die uit een bevallige vertakking voortvloeit; van een
-sierlijk zwenken, buigen, zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was
-zeker geen tapijtbed dat den italiaanschen dichter de gedachte ingaf:
-
-
- Gij vlindertje in de bloemenperken,
- Gij bloem die op den stengel wiegt,--
- Een vlinder is een bloem met vlerken,
- Een bloem, een vlinder, die niet vliegt!
-
-
-Wel verre van tot de gelijke van een levenden vlinder verheven te
-worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een gebruik, waartoe men juist
-zoo goed een hoopje steenen van verschillende kleuren kon bezigen!
-
-Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of kleinere
-parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet raadplegen,
-maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen tuinman
-overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke
-plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog
-wordt, geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend
-materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat
-deze zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien
-zij op eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd
-was. En eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging
-de tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den
-Style-le-Nôtre en de tuinen van Versailles, die zij zoozeer bewonderen.
-
-Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te geven. Doch wat
-aangaat den Style-le-Nôtre, in één geval slechts kan ik mij voorstellen
-dat iemand van beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is:
-wanneer men lang, te lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de
-natuur alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de
-bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan
-door zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst
-in natuurlijke groeikracht. Of wel,--wat geestelijk daarmee gelijk
-staat,--wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als 't geen hij is:
-de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit opzicht
-beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag verwachten. De
-lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel daaruit, dat zijne
-degelijke bewonderaars hem 't meeste prijzen als: "zoozeer in harmonie
-met den bouwtrant" van zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij
-in eene andere grondstof herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus
-geheel ondergeschikt gesteld aan de steen-architektuur. En is dit
-niet juist in tegenspraak met het karakter van tuinen en parken:
-het omheinde lapje grond, waarop de mensch zijn best doet, om te
-midden van de aangroeiende steenwereld der steden iets te scheppen,
-dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld herinnert?
-
-Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden tuinsmaak
-nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht nemen. Na
-eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij machte was,
-den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den edeler inval,
-om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te dringen, en haar
-in overeenstemming daarmede te regeeren. Na Le Nôtre heerschte William
-Kent. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene muren opgesnoeide
-hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak uitgestrekte bloemperken,
-kwam de "engelsche aanleg" met zijne aan de natuur zelve ontleende
-schoonheden, met zijn heerlijke boomgroepen, zijn verrassende
-wendingen, zijn wandelwegen, waarop men zich zoo vrij beweegt,
-en zich nochtans onder de betoovering van echte kunst gevoelt; zijn
-schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen samenwerken aan een
-goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend hoe in betrekkelijk
-zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur zich zoo sterk
-heeft ontwikkeld,--zulk een sprong voorwaarts heeft gedaan van die
-bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap!
-
-Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het mij, als
-onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt te
-willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar
-het oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk,
-in België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de
-liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een
-mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken,
-waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar
-aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een
-aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen,
-tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van
-Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog
-en geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois
-de la Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein
-als b. v. voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan
-onwillekeurig af, of het geheel voor niet is, dat er een poos lang
-een beter wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver
-van Cassel, met zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn
-in hetgeen wij somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de
-mode maar altijd als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen
-zich daardoor zoo duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen
-niet meer durven vertrouwen?
-
-Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: iets van het betere
-blijft altijd hangen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-DE POËZIE VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN.
-
-
-Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen gestemd zijn, indien
-het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de spijzen, die men
-"groente" noemt, op tafel te krijgen, tenzij zij ze eerst met eigen
-fijne handen dopten, sneden, schoonmaakten? Zeer velen noemen dit
-eenvoudig "meidenwerk", dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven
-zij, als 't ware, verheven zijn; en anderen, die er zich somwijlen meê
-belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en daarom onvermijdelijken,
-maar dan toch altijd zeer eentonigen, geestdoodenden, recht prozaïschen
-arbeid, waarmeê zij zoo gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander,
-meer harer beschaving waardig, werk te begeven.
-
-Prozaïsch?--Om te weten of er poëzie schuilt in het een of ander, ken
-ik een zeer eenvoudig middeltje, dat meestal op den rechten weg brengt;
-ik tracht mij duidelijk te herinneren hoe ik er over dacht als kind.
-
-Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog heel goed wat
-ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands knieën
-erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer "zoo mooi"
-vond, die schokken, gaaf en glimmend als glacé-leer, en van binnen
-nog veel zachter dan een lapje zijde. Ik weet hoe aardig ik het vond,
-dat ik ze met zoo weinig kracht kon opendrukken; dat zij juist spleten
-daar, waar die twee stijve, lichtgekleurde randjes elkaar raken. En
-als de schok dan half geopend in mijn hand lag, met de beide helften
-aan de andere zijde nog vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet
-het inzicht op die zeven, acht of negen erwten, ieder met een kort
-wit steeltje, beurtelings op ééne van de beide zijden bevestigd,--die
-zich zoo gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte,
-als "veel makke schapen in één stal". Elk nieuw seizoen bekeek ik ze
-met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, dat een jaar lang
-weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht lichtgroen, hoe
-glad en teeder waren zij, "veel mooier nog dan eene rist matglazen
-kralen", dacht ik, en dat was anders al het mooiste wat ik kende;
-en achteraan herinner ik mij heel goed, iets gevoeld te hebben wat
-ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te denken: zij waren meer
-dan kralen, want zij leefden!
-
-Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik altijd had in
-het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet waar? wordt
-aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan het gewoon
-is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij toeval,
-op een étagère het huisraad, gereedschap, servies onzer ouders,
-in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner afmetingen, weder te
-vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een goed geproportioneerd
-model van een molen of een brug onder de oogen kregen! Zoo troffen
-mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek ze, ik bewonderde ze
-elken winter, met evenveel verrukking als de gelijktijdig aangekomen
-Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel verrukking, plus zekeren
-eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze voorzichtig aanvatte, en
-ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, om te zien of hunne
-kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote bladeren van de
-groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den aanleg hadden,
-maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, "vleeziger" was,
-zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te begrijpen hoe die witte,
-malsche massa, die het hartje van het spruitje uitmaakt, bestemd
-kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof te vergroeien:
-ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, nieuwsgierig tegenover
-het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en gevoelde dat ik voor iets
-dieps en schoons stond!
-
-Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan porselein stengels;
-aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze eerste indrukken
-hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur zoo innig te
-doen liefhebben.
-
-Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met elkander
-gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw kinderjaren?
-
-En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo boeiden,
-thans "prozaïsch" zijn geworden? Is het beneden onze waardigheid
-oog en hart te hebben voor die kleinigheden, als daar zijn erwten
-en hun steeltjes, het adernet van spruitjes, of de haren van een
-raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u immers niet om veel opmerkzaamheid
-te wijden aan pareltjes en diamanten en andere fraaie kleine zaken!--Of
-is het dat wij sinds die eerste jaren reeds zooveel erwten, boonen,
-kool en andijvie-bladen in de handen gehad hebben, dat wij afgestompt
-zijn op het punt van hun belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het
-schoon van hun détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van 't eerste
-erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst
-mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien
-in zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets
-gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen
-jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan
-de meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. Een kind
-voelt onder 't boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een
-boon toch wel voor een ding is; en wij zijn meestal tevreden met het
-praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend anderen
-vóór ons ligt als eetwaar.
-
-Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij zijn er aan gewoon
-geraakt de natuur als onze wettige slavin te beschouwen en hare "ruwe"
-voortbrengselen alleen maar te waardeeren in zoover zij onze zeden
-en gebruiken, onze huishouding dienen. Als een kind een mand met
-fraai gevormde, vriendelijk geschakeerde groenten "mooi" vindt, dan
-is het in denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos
-met speelgoed of iets anders; als volwassen vrouwen van een "mooie"
-mand met sla of rapen spreken, dan is het meestal slechts uit eene
-zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo goedkoop hebben
-weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind geen zorgen heeft,
-de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan aanzien, terwijl men
-later zoo verdiept is in de zorgen voor het onderhoud des levens,
-in het onmiddellijke platte "nut" der dingen, dat er geen greintje
-hart meer overblijft voor hunne schoone zijde? Voor mijne meeste
-lezeressen kan ik die reden niet vooronderstellen.
-
-De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, geloof ik, voor
-de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde ontwikkeling. De
-aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze kindsheid ingaf dat
-"erwten meer zijn dan kralen, wijl zij leven", heeft geleden onder
-zekere maatschappelijke conventies, die ons ten naastenbij wijs wilden
-maken dat kralen integendeel meer zijn dan erwten, wijl kralen in
-'t salon en erwten in de keuken t'huis behooren. En boonen, wortelen,
-augurken "mooi"? Wat "mooi" is, dat beslist immers de mode? "Mooi" is
-een hoed of mantel naar den laatsten smaak, een kostbaar meubel uit een
-van de grootste magazijnen; "mooi" zijn heel veel waarlijk bevallige
-dingen, maar ook b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte
-schilderingen, al deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar
-gebrek aan perspectief. Een groenteblad, dat door een kind bewonderd
-wordt, trekt verder geen opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor 't
-"mooi", maar om te eten.
-
-Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer slavinnen
-geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden?
-
-Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een voorrecht achten
-veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en daaronder ook het
-schoonmaken van groenten, in den regel aan dienstboden te kunnen
-overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer een mand met groenten
-ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens te doorleven wat
-gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer had met uw
-kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. De rijkdom
-der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, met uw
-volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-KORENBLOEMEN.
-
-
- De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans,
- Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans...
-
-
-Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede ten gunste
-van de "noodelooze" bloemen, verdient Ridder Constantijn Huygens'
-nagedachtenis nog eene warmere vereering, dan die zich openbaart in 't
-geven van zijn naam aan eene der meest bloem- en lommerlooze straten
-van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel zeer of hij zelf lust gehad zou
-hebben, daar te wonen. Hij zou ons spoedig mee getroond hebben naar
-Hofwijk, of naar een of ander lievelingspad, waar hij zijn "gestolen
-uren van wandelingh" placht te slijten, waar misschien werkelijk het
-uitzicht op golvende akkers hem het eerst den titel "Korenbloemen"
-voor zijn dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan
-kunst gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten:
-
-
- Hij meent geen' Korenbloem, die Terw saeyt; verr' van daer;
- Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber waer.
- De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder 't Koren,
- Als Gasten, die in 't Mael der Gasten niet en hooren,
- En komen ongenoodt, en schikken zich in 't best,
- En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de rest.
- Men leeds'er wel van daen, maer, soo sij 't Mael verblijden
- Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden.
-
-
-En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een ruikertje korenbloemen
-hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al nagenoeg hetzelfde
-gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog steeds bij
-voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, leeuwenbekken en
-bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, kamille, centauriën
-en klaprozen....
-
-Als er van "glans" gesproken wordt, komen de laatsten zeker wel het
-eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur in de wereld, dan
-dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan afsteken? Zij
-leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, en 't
-roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten zat, zich
-losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die 't beschutte,
-en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden van weer en wind
-overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en derwaats zwerven,
-schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun stengel zaten;... zij
-dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, heb ik wel eens
-hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij vereeuwigd
-door 't penseel van elken schilder die zich min of meer gelukkig met
-veldbloemen inlaat. Denkt u een "jardinière" zonder haar; denkt u
-de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels van
-het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als
-onmisbaar middelpunt?
-
-Intusschen, onder "korenbloemen" verstaat men doorgaans niet
-voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die welbekende bloemhoofdjes,
-in welker buitenste randbloempjes, (welbezien slechts als peperhuisjes
-opgerolde blaadjes), de schoone tint van eenigszins gebroken blauw
-ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam van "korenblauw"
-ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is van oudsher zekere poëzie
-verbonden; als ware het bij overlevering hebben wij ze lief; dat elk
-ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie veldbloem, is daarvan
-wel het duidelijkste bewijs.
-
-Heeft zij dit voorrecht, dit prestige, indien ik het zoo noemen
-mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere bijzondere
-eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat ook een
-aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de gave
-van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in
-haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving
-is zij niets. Als "Centaureae Cyanae" in tuinen gekweekt worden,
-vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking haar
-oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want
-doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of verbastert het
-tot vuil-wit of vuil-paars),--gesteld al, dat de kleur zuiver blijft,
-dan maken zij toch altijd een onverschilligen indruk. Het grove,
-schrale, onbehaaglijke der stengels en der bladeren valt in den tuin
-ieder in het oog; in 't veld verschuilt zich dat tusschen de halmen,
-en alleen de bloemen komen uit "het golvend bosch" te voorschijn.
-
-En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur tusschen rogge
-groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat de zandstreken
-wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de schilderachtigste
-gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan vereenzelvigt zich voor ons
-de schoonheid van de korenbloem met die van het roggeveld.--En dat is?
-
-Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden bodem, bedekt
-met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en gebroken
-door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. Het
-is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen,
-hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van
-een dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de
-geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche
-olmen. Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar
-heerscht om u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging
-brengt. Het is wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon
-zijt daarop meer of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd
-kleine kevers, wespen, torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen
-en vliegen, en voor wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe
-druk zij het hebben. Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in
-en uitvliegt, of de patrijs, die juist, met hare jongen achter zich,
-het ongelijke, half begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is
-de haas, die eensklaps u voorbij schiet, en die u dan veel rosser
-dunkt dan 's winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en
-de menschenstemmen die daartusschen klinken op een afstand. Het
-zijn de halfgekleede kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is
-bovenal uw eigen stemming, het gevoel van ruimte, van frischheid,
-en nochtans van gezelligheid; en het spel van uw eigen gedachten,
-die beurtelings de verte en de diepte indwalen....
-
-Als ge lang zoo'n korenbloem aanziet, dan is het alsof al die blauwe
-buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat tafereel hoe langer
-hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat kleine ding voor u
-de vertegenwoordigster van een der lieflijkste landschappen.... of
-liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat bij eenig kadaster,
-dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er nooit een zal krijgen;
-maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet met het oog van den
-kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-EEN BERGTOCHT.
-
-
-Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis
-naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een
-badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het
-op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde "Sächsische
-Schweiz". Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden
-naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig
-dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij
-Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen
-Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes
-in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename
-herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo
-goed als onbekend is, de "Weckelsdorfer Felsenstadt".
-
-Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap
-had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel
-moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten
-op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven
-aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die
-voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was 't heerlijk dat
-er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden
-bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de
-plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was
-voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil
-en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd
-zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna
-allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om "die Felsenpartie zu
-machen". Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte
-logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die
-wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en
-levendig, de kamers hadden zoo'n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo
-lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te
-goed aan een bord oostenrijksche soep;--onze leidsman had moeite om
-ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: "Nu eerst naar de
-rotsen,--het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag
-staan, als wij ze goed zien zullen." Het aangenaam vooruitzicht
-van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons
-eindelijk gehoorzaam meegaan... naar "de rotsen".
-
-Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur
-afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons
-uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij
-ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch
-achter den rug hadden, zouden wij van zelf de "Felsenstadt" in het
-oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk
-verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene
-zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks
-tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen,
-hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren
-met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen
-van het hout loonde de bezwaren van 't vervoer niet; en ook voor de
-jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in
-oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben
-aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid
-hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan "de Hussieten"
-toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote
-rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk
-ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas.
-
-Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze
-geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen
-kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken
-harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag
-slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor
-toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de
-lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend
-heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan
-over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het
-water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden
-van jaren daar ongestoord aan 't werk waren geweest, hadden deze
-rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er
-doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen;
-en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren,
-vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden,
-er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest,
-dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel
-gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer,
-geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten
-en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het
-vertoonen van de "Felsenstadt" aan beëedigde gidsen verpacht,--en op
-aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega's,
-neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe.
-
-Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het
-echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft
-zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een
-boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op
-een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje
-beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken;
-klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift,
-(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op
-de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof
-hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat
-Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden,
-ter wille van een echo,--aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de
-menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste
-gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is
-en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is
-schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes,
-brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van 't landschap bij:
-hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de
-donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons
-allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij
-volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan
-moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging
-van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de
-meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. "Daar
-zijn de koornzakken,"--werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen,
-"daar zijn de kazen", daar is "de kroon", "de wandelende pelgrim",
-de "reuzenharp", de "schoorsteenveger"; ginds in de hoogte zit
-"de broeiende kip." Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder
-aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen
-verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo
-teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. "Kijk," riep eensklaps
-een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen:
-"daar staat Erasmus boven op dien top." "Sanct Johan von Nepomuc,"
-zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis,
-en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die
-botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het
-is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon
-van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man
-met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over
-het land uitgestrekt,--spreekt het niet van zelf, dat men hem als
-den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt
-echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit,
-dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien "der Uhu", de uil,
-heet!)--Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: "de wachtende
-rotsbruid". Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij
-zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal
-in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend
-wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk
-van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten
-hals in de verte naar iets uitziet.
-
-Weldra kwamen wij aan het "rotsamphitheater", een halfrond dal,
-dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet
-denken; in den somberen "grafkelder"; en eindelijk in den "Münster",
-een prachtige grot, waar de tonen van 't genoemde orgel, ofschoon
-zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren "de
-lentetuin", met zijn frissche varensvegetatie, en "Italië". Dit laatste
-heet nl. zoo, in tegenstelling van "Siberië", een kille kloof, waar
-nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw
-ligt;--daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme,
-rondom beschutte, rijk begroeide "Italië". Eerst tegen 't vallen van
-den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze
-wandeling ten einde. Bij den ingang--thans voor ons den uitgang--stond
-een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen,
-bestemd voor "welkom t'huis"; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee
-ze allen prijkten: "Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein." Vóór de
-deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk
-zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als
-ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er
-een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes
-tot stand:
-
-
- Wie zien wil, hoe een schutspatroon
- Ontzag wekt en vertrouwen,
- Lette op Johan von Nepomuk,
- Door de eeuwen uitgehouwen.
-
- Wie voelen wil, wat wachten is,
- Trots tijd, en storm, en regen,
- Zie opwaarts naar de Steenen Bruid,
- En vraag haar stillen zegen.
-
- Wie weten wil hoe grillig-grootsch
- Natuur zich kan vertoonen,
- Betreê de Weckelsdorfer "Stadt:"
- Het zal de moeite loonen.
-
-
-En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid
-van deze zonderlinge rotsen mochten komen.
-
-Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden
-morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij
-Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door
-de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de
-Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid
-aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het
-begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange,
-eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die
-daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten
-te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige
-ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven
-tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en
-wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en
-te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich
-niet verwonderen dat de namen: "lange Gasse", "Prager Jesuïtengasse",
-"Breslauer Wollmarkt" enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn
-gekozen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-OUWERWETSCHE BLOEMEN.
-
-
-In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet ik een hofje, waar
-ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar keeren naar toe ga,
-om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten naastenbij als alle andere
-hofjes. Ofschoon midden in eene zeer volkrijke buurt gelegen, is het
-als een zinnebeeld van rust en stilte. Als gij er binnen treedt,
-en de zware ijzeren deur achter u toevalt, gevoelt gij u in eene
-kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van de groengeverfde
-deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de gordijntjes,
-zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon bestemd te
-wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige plooi:
-zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als de rimpelige hand,
-die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het loslaat. De katten
-sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de lijsters in de kooien
-schijnen zich onder dien invloed te voelen. De mijne zingt altijd:
-"Wat wil je nou liever als vrede?" zeide mij eens een oud vrouwtje;
-en ik moest erkennen dat althans "de maat precies uitkwam." Eerlijk
-gezegd, het is er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens
-tachtig jaar zal moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal
-kunnen vinden. En als ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk,
-en mijn gezichteinder verruim door het marktplein te zoeken,--dan haal
-ik diep adem, en word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn
-grootere en kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende,
-kleingeestige menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de
-dorre menschen, die aan onze fantazie haar goed recht van bestaan
-en ontwikkeling betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten,
-die ons trachten op te dringen dat de zonneschijn van het leven zijn
-nevelen niet waard is... ik toch de wijde wereld nog niet moe ben!
-
-Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de tijdrekening
-aangaat, scheidt de poort van 't hofje hetgeen daarbinnen van hetgeen
-daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een berijmd opschrift,
-uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks 150 jaar gesticht
-is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het drievoudig
-doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te vereeuwigen,
-en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De bouwtrant
-en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich ook
-in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd
-heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de
-neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze overgrootmoeders
-lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij spreekt u ook toe
-uit de bloemen, welke daar bij voorkeur gekweekt worden.
-
-Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij tegenwoordig in Holland
-nog een "juffertje in 't groen" (Nigella Damascena) vinden, met het
-lichtblauw deel harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen;
-of een "kooltje vuur" (Adonis autumnalis); of, om in dezelfde kleur
-te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem (Lychnis
-chalcedonica), in de wandeling "Konstantinopel" genoemd? Wie anders
-kweekt nog als sierplant "bernagie" (Borago officinalis), met zijn
-stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in
-de weelde van er "gouden knoopjes" op na te houden? Waar anders dan
-misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een "tuinder," die
-zich bepaald op de klandisie van de oude vrouwtjes toelegt, krijgt
-men zulk een rijkdom van schitterende duizendschoonen en welriekende
-violieren te zien? Waar anders speelt de balsamine zulk een groote
-rol? Ik meen èn de enkele, de klimplant, èn vooral de oost-indische
-balsamine, met haar dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels
-van een hyacinth rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt,
-terwijl een bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt.
-
-Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed te doen aan
-den geur der muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), wier geel mij nergens
-zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo fluweelachtig
-toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het vierkante
-middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in plaats van
-gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de randjes van
-grasanjers in bloei; en dan staat op de rekjes voor de ramen, tusschen
-een aantal kleine potjes met Sedums en Cacteën, een groote "ruiker"
-ranonkels in een glas water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen
-vaasje. Ruiken doen zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de
-gedachte voor de hand ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te
-maken zouden wezen; maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder
-eenig temperend groen er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd
-sieraad zoo binnen als buiten het venster der bestjes. Die rekjes
-zijn dan verder gevuld met maagdepalm en bakkruidjes (de oudste
-soort van Primula veris); en zoo er soms een maandroos bij staat,
-dan is die stellig tegen een paar latjes opgebonden.
-
-Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het dan juist
-niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna ieder
-raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit zou
-kunnen noemen, en wat ons af en toe een: "wel, is dat nu een... (dit
-of dat)"? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met vreugde, hoe ik
-daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem bespeurde, en mij
-verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen naam. Blijkbaar
-heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van zeer smalle
-blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een doornenkroon
-doen denken; en is men daarna in de andere inwendige bloemdeelen
-het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. Hieraan
-ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die haar
-in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij
-in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef steeds een
-kasplant. Dat ik haar op het hofje ontdekte, was dan ook door een
-bijzonder fortuintje. Zij was het eigendom van een vrouwtje van
-brabantsche afkomst, die haar plant zóó geleid had, dat die een
-soort van nisje vormde, waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als
-éénige roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven,
-hield zij die stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien
-achtermiddag, trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald
-"voor een verfrissching".
-
-En als men dan den blik weer van de vensters naar den algemeenen tuin
-wendt, kan men daar kennis maken met de akoly (Aquilegia vulgaris),
-met vijf spoortjes, op de wijze als oost-indische kers er een
-heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde van den dag was, toen de
-rederijkerskamer "De witte Akelye" een "zinnespel" vertoonde, ter
-eere van ik weet niet recht welk voorval in den "prinsentijd". Daar
-staan ook in al hare bescheidenheid de "menniste zusjes" (Saxifraga
-umbrosa), wier ondeugende naam mede aan een vroegere periode doet
-denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke politieke rol
-speelden in de dagen der "Oranjeklanten". Onder den grooten pereboom
-in 't midden, die ouderwetsche peren voortbrengt,--even geurig als
-menige groote, nieuw veredelde,--groeit en bloeit een struik (Rubus
-occidentalis), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die men
-"kaapsche framboos" noemt, en ook zeldzaam elders meer aantreft; aan
-gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in het najaar
-zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den titel van
-"Judaspenningen" in de zon gedroogd zullen worden. Ook worden daar
-"steekneusjes" (Agrostemma coronaria) gekweekt, en wijnruit, en
-rosemarijn, en een soort van salie met afwisselend roode en blauwe
-schutblaadjes. Ik zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders
-toch aan dien zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen;
-namelijk of en hoe dat samenhangt met de Salvia officinalis, welke
-in de middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat
-een latijnsch spreekwoord luidde: "Waaraan zal een mensch sterven,
-die nog salie in den tuin heeft?"
-
-Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt zijn?
-
-Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat zij hier niet
-"aarden wilden".--Maar dat kunnen niet de éénige redenen zijn. Een
-bejaard bloemist zei eens: "Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er
-aan een plant wat te veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra
-men daar geen kans meer op ziet, raakt zij er uit." Ik geloof dat
-daar veel waars in is. De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten
-te leveren, maakt de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het
-dankbaarst leenen, hebben voor een tijd den boventoon.
-
-Doch op die wijze wordt het aantal der "in den smaak" zijnde bloemen
-zeer beperkt; en wie waarlijk Flora liefheeft juist in hare eindelooze
-verscheidenheid, dient zich dan schadeloos te stellen door af en toe de
-"verouderden" in hare schuilhoeken op te gaan zoeken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-AUGUSTUS.
-
-
-Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en geschiedkundigen
-voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van zouden leveren;
-maar in mijn ooren doelt de naam Augustus voor onze achtste
-maand steeds daarop, dat de volle majesteit en heerlijkheid van
-'t zomerleven zich om dien tijd van 't jaar het meest in al haar
-omvang openbaren.--Juni heet zomermaand; maar "voor den langsten dag
-krijgen wij geen warmte", is eene in onze volksovertuiging opgenomen
-zekerheid.--Thans, op 't eind van Juli, is de warmte eindelijk
-gekomen.--De wind is oostelijk; de barometer teekent "bestendig"; het
-"laat zich aanzien dat wij--("met de nieuwe maan", voegen sommigen
-er bij)--het mooie weer een poosje zullen houden." De natuur rust op
-haar lauweren van het groeien; de zonneschijn heeft nu slechts voor
-het rijpen te zorgen.
-
-Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen namiddag. Gij hebt
-u verscholen in de schaduw. Het diepe groen der iepen en der linden
-komt te rijker uit, sinds het wordt afgewisseld door de frisscher tint
-der jongste loten. De lucht is helder. Nu en dan snort u een hommel of
-een juffertje voorbij; of een wielewaal vliegt van den eenen boom naar
-den anderen, met de schalksche, zangerige vraag: "Klinkt mijn liedje
-niet goed?"--De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, zoodra gij
-u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij zich
-in 't gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt niet veel,
-maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe handen
-buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van rust
-in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... Dikwijls
-komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige geest
-gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er aan
-die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd.
-
-Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in aangenaam
-gezelschap,--ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, niet slechts
-het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het bereik van
-elkaars stemmen....
-
-De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich voorgesteld hebben
-den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. "Van den zomer"
-zullen wij dit doen, en tot "van den zomer" zullen wij dat uitstellen,
-heeft men elkander reeds sinds maanden hoopvol toegefluisterd: en al
-die bezielende, veelbelovende plannen doelden op die lange dagen,
-die voor zeer velen, te beginnen met de schoolkinderen, een korter
-of langer vakantie, verlof, of "komkommertijd" mee plegen te brengen.
-
-Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een aantal menschen
-met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig feest, waarvan
-de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte de uitvoering
-zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer verheugd heeft,
-als zij eindelijk dáár is, ronduit gezegd, maar al te dikwijls
-tegenvalt? Dat de één veel tijd besteedt aan plannen, om zich het
-schoone jaargetijde het aangenaamst te maken, en nochtans tot geen
-recht genot kan komen; en een ander, zij het dan ook met een beetje
-schaamte, moet erkennen, dat hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm
-en rustig, gezellig, "comfortable" en pleizierig vindt?
-
-Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd
-verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij voor velen
-eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de meeste
-Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu
-toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne
-"onbestendigheid", zijne "guurheid", en het geringe aantal schoone
-dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt naar warmte, en... als
-dan op eens de thermometers zijn gerezen, beklaagt men zich daar al
-heel gauw nog meer over, dan te voren over de kou.
-
-Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, beschaafde
-Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming het
-schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede vieren?
-
-Ik denk het allereerst aan onze dag- en nacht-verdeeling. Hoe zijn
-wij er toch toe gekomen om, wonende op een breedtegraad waar zulk een
-groot verschil is in zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven
-nagenoeg het gansche jaar door één tijdsverdeeling te behouden, en
-wel een die het beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel
-toch der beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de
-zon in Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s'avonds,
-ook in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou
-kunnen noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn
-volle waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste
-uren te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden,
-de warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al
-zwoegend doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een
-handjevol genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag "zoo
-kort", en het afscheid van de zon "reeds" dáár is, met kunstmatige
-verlichting den tijd in te halen dien men des morgens heeft bedorven?
-
-Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, dat het
-weder al "heel mooi" moet wezen eer wij ons met genoegen in de vrije
-lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin zooveel beter ingericht
-op koude dan op warmte, op zomer-morgens dikwijls meer tobt, mort,
-zich over de natuur beklaagt,--dan op den guursten Novemberdag?
-
-Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van menschen, het
-grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, besloten
-tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens weer
-straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den zonneschijn op
-hunne ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de zon met eigen oogen
-te zien op- of ondergaan. Is 't wonder, dat voor velen hunner de zomer
-geen genot is, en dat zij,--misschien zonder het te weten,--hem daarom
-liever maar voorbij wenschen, omdat er dan sprake is van een vrijheid
-en een vreugde, die voor hen toch niet schijnen weggelegd te zijn?
-
-Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van arbeid,
-die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche volken
-bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot de zoo
-noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor ook de
-naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur ontrooft. Is
-het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, indien hun
-werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar onafgebroken
-kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde omgeving
-doet wenschen?
-
-
-
-Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer velen dwaas en
-"overdreven" dunken; dingen onnatuurlijk noem, die men door de kracht
-der gewoonte normaal is gaan vinden; zinspeel op idealen, die ik op
-het oogenblik evenmin in praktijk kan brengen als gij.
-
-Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe ik elken zomer,
-als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de aantrekkelijkheid
-van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik daarbij telkens weder
-aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit weet ik dat genoemd
-klimaat zich niet naar ons zal schikken; en dat wij dus het wijst
-zouden doen met ons naar zijn veranderingen, zijn nukken en grillen
-te regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen
-zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid
-zoo onkwetsbaar mogelijk te maken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-BLOEMEN LANGS DEN WEG.
-
-
-Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer's lief heldinnetje de kunst
-van "kruuzemunt"-zoeken na te doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het
-met den neus gaan zoeken; evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke
-kleine paarse lipbloemen, die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie,
-dat men de blaadjes slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat
-hun groei aangaat, heeft men slechts aan een doovenetel te denken...
-
-"Al die Munt en al dat Penningkruid langs de publieke wegen," zei
-laatst iemand op een wandeling, "is maar een bespotting van den armen
-drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn zak."--"Ja,
-als je daaraan wilt beginnen," hervatte een ander: de Sleutelbloem
-past op geen enkel slot; en wie den Helm voor hoofddeksel wou
-gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd moeten hebben."--De
-aardigheid was aanstekelijk, en de voorbeelden liggen slechts voor
-het oprapen. "Aan het Vuurkruid", viel een derde in, "kunt ge niet
-ééns een sigaar aansteken: waarvoor dient zoo'n ding dan?"--"Onder
-al de Violen en Vioolachtigen is er geen enkele, waarop men, al was
-'t ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen spelen."--"De
-meeste Paddestoelen zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs voor
-een pad."--"De kammetjes van 't Kamgras kunnen nooit een kapper van
-nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als Salomo, in zijn tijd,
-niet heel wat anders dan een Convallaria als Zegel gebruikt had."--"Al
-die Slangenkoppen en die Addertongen, waarvan het, naar men zegt,
-in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een
-duinwandeling geven..."--"Is waar, 't is wel wat erg; en als gij
-ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig, een broodje
-met Ossentong bestelt, en de knecht u met een ruwbladerig plantje aan
-komt dragen, dan ken ik u volkomen het recht toe, om hem een uil of
-een brutalen spotvogel te noemen!"
-
-Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke namen. Wat
-dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers,
-Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren,
-en Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen,
-waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen
-over den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij
-herdersbeursjes vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat
-van de eene of andere Philis te bergen!--Soms is er aan die wilde
-planten een legende verbonden, en dan heeten zij naar den eenen
-of anderen heilige; soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij
-voorbeeld die van "kamperfoelie", blijkbaar verbasterd van het fransche
-"chêvre-feuille"! Soms weer zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van
-"duivelsgaren" voor verschillende zeer lastige slingerplanten.--Doch
-hetzij hun zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze
-mooi mogen vinden of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven
-altijd veel liever dan de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de
-bedoeling van de tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet
-zoozeer is om meer geleerden te vormen, als wel om in alle menschen
-meer oog en hart voor de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan
-moet op de populaire wetenschap ook niet door latijnsche terminologie
-een te "geleerde" stempel worden gedrukt. En indien een groot aantal
-plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog toe
-het "volk" ze, als van geen bijzonder praktisch belang, onopgemerkt
-voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk niet, ze een
-volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door botanisch
-onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet dood,
-verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar! Indien
-de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of
-andere zijde verruimt, moet zij--de taal--dan niet meegaan en zich
-voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij hun
-latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders;
-de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen
-op na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het
-levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van Herderstasch. Ziet
-eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de oude Dodonaeus het
-voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus uitteekende,
-en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik, en aan de
-andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen karakteriseerde:
-
-"Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in 't eerste uyt syne wortel
-sommighe langhworpighe bladeren, rondsomme diep gekerft,--langhs der
-aerden verspreydt; daer nae krijghet dunne; somtijds veelachtighe
-recht op staende steelkens, in andere zijd-steelkens dickwijls
-verdeyldt, met dierghelijcke, maer kleynder bladeren beset; op het
-top van dewelcke kleyne witte bloemkens voordtkomen, gheschicktelijck
-gevoeght: als die vergaen sijn, komen daeraen kleyne, platte, kantighe
-hauwkens, bij haer steelken oft aen haer oorspronck wat smaller en
-wat meer ineenghedrongen dan nae bovenwaerts, waer zij breeder zijn,
-kleyne borsekens oft teskens eenighsins ghelyckende, nae de welcke
-dit cruydt synen naem voert. In de teskens steeckt het saet.(!) De
-wortel is langhachtigh, wit, met sommighe veselinghen.--Het groeyt,
-bloeyt, ende maekt syn saet ryp den geheelen somer door."
-
-Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten zeggen. De
-voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn verdwenen
-en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten; maar
-de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille;
-en de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid;
-en de basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in
-open plaatsen tusschen het hakhout; en hoe meer men er op let, hoe
-meer verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels
-in de weide glinsteren, dan zijn 't, in plaats van madeliefjes,
-witte klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur
-vergoedt meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een
-handvol van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering:
-misschien vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij
-weet,.... dat brengt geluk aan!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-DE LOTOS.
-
-
-Onlangs had er een botanisch verkeerd à propos plaats zooals heel licht
-gebeuren kan, wanneer twee of meer planten, in den loop der tijden,
-aan denzelfden naam gekomen zijn. Het was tusschen een geleerde, die
-zich nooit veel met bloemen ingelaten had, maar des te meer met oude
-dichtkunst, en een dertienjarig meisje, dat juist dezen zomer, als
-H. B. school-leerlinge, haar eerste veld liep op plantkundig gebied.
-
-"Je hebt het tegenwoordig zoo druk over planten," zei de doctor in
-de letteren; "maar weet je wat ik graag eens zien zou: een Lotosbloem."
-
---"Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze niet?"
-
---"Ze zouden mij zoo interesseeren om de poëzie, die er aan is
-verbonden. Je denkt dan zoo om een stil waterlandschap met een
-weelderigen plantengroei bij maanlicht." En hij vertelde een en ander
-van de "Lotophagi, de veelbebesproken Lotoseters", en beweerde dat
-hij er zelf wel eens even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou
-willen wezen.
-
---"Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of schapen," schertste
-'t meisje; "menschen zullen ze toch wel niet eten."
-
---"Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze waarschijnlijk nog wel."
-
---"Ik ga er een halen," besloot zij.
-
---"Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?" vroeg hij lachend.
-
---"Neen, vlak bij uw huis."
-
---"Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht bij" mompelde hij
-ongeloovig. En halfluid reciteerde hij:
-
-
- "Die Lotosblume ängstigt
- Sich vor der Sonne Pracht,
- Und mit gesenktem Haupte
- Erwartet sie träumend die Nacht."
-
-
-Binnen weinige minuten was zij terug met een plantje van een paar palm
-hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en fraaie botergele bloempjes.
-
---"Is dat een Lotos?" riep de doctor, "'t Lijkt wel een gouden-regen!"
-
---"Een gouden-regen!" herhaalde nu het meisje op haar beurt, met al
-de verbazing van iemand, voor wie zóó'n vergissing sinds zes weken
-een onmogelijkheid was. "'t Is een Lotus corniculatus, een gehoornde
-Rolklaver."
-
---"Nu, dan zal ik het voortaan voor jou plezier een land-Lotus noemen,
-juffrouw Flora," eindigde de litterator vriendelijk.--Maar wat hij
-had wenschen te zien was een Nymphea-Lotus, dat sieraad van den Nijl,
-die met hare indische zuster, de Nymphea Nelumbo, als "Lotosbloem"
-zulk een voorname rol speelt in de aloude poëzie van Indië en van
-Egypte. En hij verhaalde daaromtrent verscheiden mythen en legenden,
-die haar lieve oogen deden glinsteren.
-
-
-
-"Mijnheer," zei twee maanden later juffrouw Flora, zooals hij haar
-sedert dien tijd voortdurend noemde, "nu weet ik waar u iets te zien
-kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! In den Amsterdamschen
-"Hortus" bloeit de Victoria regia. Ik heb er een prent van gezien,
-en dacht dadelijk aan uw indische vertellingen."
-
---"Welnu, dan zullen wij er samen eens heengaan. Wat wil je liever:
-bij dag, of bij avond met gaslicht."
-
---"Neen, bij dag!" koos haar rein instinkt; "'t is wel waar,
-zij bloeit het mooist bij avond, maar bij gaslicht, dat vind ik
-zoo.... onnatuurlijk."
-
-Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij op klaarlichten
-dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als een leeuw in
-zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in roodachtigen
-toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou verwachten. En
-men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. Een was er
-omgedraaid, opdat men 't sterke adernet in oogenschouw zou kunnen
-nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een jongen
-van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de bloemen
-met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn een
-gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.--En eer zij
-uit den Hortus gingen, waren hun ook dadelpalmen, suikerriet, een
-koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, al hetwelk
-zeer hunne belangstelling opwekte.
-
-Toen zij 't hek uit waren, zwegen zij beiden.
-
-"Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen land zien," zei
-het meisje het eerst.
-
-"Ja," antwoordde de dokter, "'t is heel mooi voor de wetenschap,
-zoo'n inrichting; maar je waardeert de planten eigenlijk maar half,
-als ze zoo uit haar element gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat
-de Victoria op een Lotos lijkt, maar het wou mij toch niet lukken
-om mij in zoo'n kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges
-te verplaatsen."
-
-
-
-In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een
-buitenpartij. 't Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog zich.
-
-"Juffrouw Flora," zei de dokter, haar op den schouder tikkend,
-"ga eens even mee: ik heb wat moois ontdekt." En langs een paar
-verborgen paadjes troonde hij haar mede naar een open plekje in het
-bosch, waar zij eene kleine watervlakte in het oog kreeg, 't Was een
-verlaten vijver, die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had,
-maar thans geheel aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste
-gedeelte was hij door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde
-kastanjes en een treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans
-het licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide
-riet, zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en
-staken gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en links bloeiden,
-nauwelijks zichtbaar, Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever.
-
---"Ziet gij wat daar drijft?" vroeg hij, terwijl zij van de helling
-op het water nederzagen.
-
---"Ja, Nymphaea's, gewone witte waterrozen, Victoria Regia's in
-'t klein!" voegde zij er glimlachend aan toe.
-
---"Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat Lotosbloemen moeten maken!"
-
---"Maar die zijn zooveel grooter en hebben lange dunne stelen, en
-ontsluiten zich eerst 's avonds," bracht het meisje, dat intusschen
-meer geleerd had, in het midden....
-
-Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar dezelfde
-uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee deze
-bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde bladeren rusten,
-die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken....
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-ONS WIER-EILAND.
-
-
-Allen die zeggen--en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen 't
-daarom niet--dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten
-het bereik van spoor en stoomboot, ("van de gewone touristen-route
-af", zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche
-eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen
-telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het
-stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo
-kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op
-zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar
-Vlieland, Terschelling, Wieringen...
-
-Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois
-voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op
-een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap
-heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het
-Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de
-velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij "La Belle
-Alliance". Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas
-de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich
-plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen
-niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes
-gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als
-de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons
-aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten
-kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee
-uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het
-geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is
-betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur
-gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een
-uur of wat zijn strand; zoo is 't gegaan sinds honderden van jaren,
-en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.
-
-Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van
-eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van
-verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in
-zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een
-kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland,
-dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts
-een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog
-punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk
-anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij
-hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine
-zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel
-doordrongen van 't bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u
-van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen,
-de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u
-heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug
-houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt,
-gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven
-boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! 't Is hier
-volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait;
-gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de
-wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven,
-zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats
-van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet
-gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te
-midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan
-meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in
-'t weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst,
-en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre
-de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de
-hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij
-aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op
-het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen,
-of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet
-zoo'n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar,
-dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar "nou" en "hoor",
-en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast,
-met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen
-niet ongemoeid laat,--men zou zich in een zuidoostelijker deel van
-ons land wanen!
-
-Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen
-te blijven. "Op een eiland te zitten", is op zich zelf voor
-negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is
-niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling
-en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of
-verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat 's lands regeering er ook zoo
-over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd 't geschiktste
-punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen
-waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal
-af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen
-zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een
-kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan,
-uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf
-dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever,
-te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi,
-de rotganzenvangst en de wier-industrie.
-
-Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen
-wou schrijven.
-
-Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige
-plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug
-van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de
-zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier
-eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen
-eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische
-verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het
-plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima),
-dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door
-verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen.
-
-Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg--met de
-postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna
-Paulowna-polder afvaart,--landen wij aan de kleine havenplaats, de
-Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het
-hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het
-langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor
-'t grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed;
-somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen;
-deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde
-knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze;
-en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen
-dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen
-hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant.
-
-Zoo wij nu dicht bij 't eiland komen--en wij moeten er een eind ver
-langs zeilen--rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa
-is, waar wij tegen aankijken, "'t Lijkt de krijtkust van Engeland wel,"
-oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten
-van "dien hoogen wal met loodrechte spleten". Om met dit laatste te
-beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte
-der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier
-voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds
-zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter
-bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in
-deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die
-dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het
-eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt
-beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust
-van "Albion" deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier!
-
-Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot
-eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten
-tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden,
-en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen
-met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit,
-en daarbij zijn zij trouwens 't best te vergelijken. Hun overeenkomst
-met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde
-kleurverhoudingen: dààr heeft men te doen met oorspronkelijk wit
-krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten
-slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een
-zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk
-lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en
-Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen
-lapje tapijt over den grauwen muur afhing!
-
-Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,--de aanlegplaats aan de Houkes is
-juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een
-ander schip ingenomen,--komen wij aan wal, en bij den eersten stap
-vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen
-bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot
-het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks
-aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,--altijd weer met "wier",
-(met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo
-maar blijven noemen). 't Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop
-wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist
-bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen
-met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk
-af,--want het wortelt in den bodem der zee,--en verzamelen het zoodra
-het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte
-voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard
-bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen,
-te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het
-natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.
-
-Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die
-het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak
-daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld
-en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van
-den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en
-geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het
-verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename
-eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de
-velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg
-wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten,
-want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht,
-die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde
-visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het
-onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen,
-waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij
-men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.
-
-Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag:
-wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij
-achteruitgaat, dat "het vet van den ketel is", en dat er weinig
-of niets meer aan te verdienen is, wegens "de hooge pachtgelden"
-en "de groote concurrentie". 't Zal allicht waar zijn, dat er
-persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de
-geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor
-betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust
-heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje
-van nijverheid niet kwijnt.--Doch ons is het niet om de statistiek,
-maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en
-dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart
-wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in
-geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen
-vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van
-het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel
-groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt:
-veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij
-elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook
-beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en
-verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet
-ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt;
-weldra zal het bij een koopman "in drogerijen en verfwaren" terecht
-komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-NAJAARSBLOEMEN.
-
-
-'t Is September; en uw tuin, die in de laatste weken misschien
-wat had geleden, hetzij door de hitte der hondsdagen, hetzij door
-de Margriet-regens, of door de stormen, die doorgaans het ernstige
-korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol bloemen. Maandrozen
-hervatten met moed haren bloei; en onder 't lage zaadgoed ziet ge
-menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, om mee te werken
-aan de opgefrischte decoratie.
-
-Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de Phlox
-Drummondi. Phlox, Vlambloem; volgens haar naam dient zij rood te wezen,
-en dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende
-de laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er
-takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis
-waarin men van "roode" kool spreekt, ook het zachtste en zonnigste
-rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het donkerste
-amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert hier en
-daar in volle reinheid een groepje witte; en de overgangen vormen
-de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er bovenop ligt;
-soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de lichte),
-terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van fluweelachtigheid
-hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje op ontdekt. Een
-en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe dun de roode,
-witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun bouw veel meer
-samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een weinig moeite
-kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van het overige
-weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar doorschijnend;
-en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de tint der
-daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is een
-hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer eene
-ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen één
-iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene Phlox lijkt. Vijf
-ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf blaadjes kunnen
-doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste organen zijn
-verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig maken, maar hij
-den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend ledig voor
-kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model voor "een
-bloemetje" bij uitnemendheid; doch hoeveel wonderlijke konterfeitsels
-er ook van gemaakt mogen worden, in werkelijkheid zijn zij daar niet
-minder mooi om.
-
-Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de struikachtige
-overblijvende soort,--in 't grooter, zwaarder, steviger, geheel op de
-Ph. Drummondi gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men
-beproefd uit Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien
-zij nergens in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd
-jaar geleden [4] aanleiding tot de volgende merkwaardige opmerking:
-
-"Indien het eerste Oir van alle gewassen in 't Paradijs gevormd
-ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is geweest, zoo zou het zeer
-onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden over den Aardbodem, deze
-Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan in Noord-Amerika alleen;
-terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van een dergelijk klimaat
-en grond."
-
-(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens te lezen
-hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en schreef.)
-
-Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, behoort de
-Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig gezind. 't
-Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het voornaamste
-sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger soort. Zij
-houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en bloeit
-heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen zij,
-tweehonderd jaar geleden, reeds "in de tuinen der liefhebberen als
-een gemeen gewas bekend" stond. De tijd van hare invoering (juist
-niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet precies meer te bepalen,
-en zij schijnt dan ook in het minst geen bezwaren tegen ons klimaat
-te hebben. Gij plant haar in het voorjaar aan den ingang van een
-prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij licht en water genoeg heeft, en
-behoeft haar overigens volstrekt niet te helpen; en binnen weinig weken
-is zij boven, en hangt u van het dak van het prieel af toe te knikken,
-dat het een lust is om te zien. Hoe zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk
-heeft aangelegd om zich omhoog te werken? Hoe men ook onderzoeken moge,
-er is aan haar gladden stengel geen spoor van hechtworteltjes, zooals
-aan de klimop, te ontdekken; en ook nergens ranken of klawieren van
-eenigerlei soort. Ach, zij heeft die niet noodig. Zij is zoo vlug,
-en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare bladstelen, waarmee zij zich
-behendig telkens aan den eersten steun den besten vasthoudt, om dan
-dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij zien dat aan met al het
-welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt praktische, redzame lui bij
-hun arbeid bespieden, die met geringe middelen en weinig gereedschap
-toch altijd weten klaar te komen,--in tegenstelling met het heir van
-slechte schrijvers, wie het altijd weer aan inkt en pennen, en van
-onbeholpen naaisters, wie het altijd aan haar naalden hapert!
-
-Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte bloemen
-voortgebracht: Kapuzinen noemen ze de Duitschers, wegens den vorm
-van den gespoorden, gelen kelk, die aan een middeleeuwsche kap doet
-denken, zooals waarmede men vaak monniken of wel kaboutermannetjes
-ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere oranje, waarom de
-O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot sarring van
-"Keezen" moedwillig tentoongesteld te worden, is in de laatste jaren
-met allerlei schakeeringen van geel tot bijna zwart toe afgewisseld
-geworden, maar behoudt toch den boventoon; en zoo vormen die massa
-"schildvormige bladeren en bloedroode bloemen", jaar in jaar uit,
-datgene wat Linnaeus aan "tropeeën der ouden" deed denken, toen hij
-dit plantengeslacht met den naam Tropaeolum bestempelde! Mij dunkt,
-men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan fantazie, er blijkbaar
-zeker artistiek genot in schepte, den hem toestroomenden schat van heel
-en half bekende en onbekende planten zoo schilderachtig mogelijk te
-benoemen. Dat wij van O.-I. "kers" spreken, geldt natuurlijk niet de
-vruchten, die in 't minst niet op kersen gelijken, maar stellig den
-aangenaam prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden
-smaak.
-
-En dan zijn er stokrozen.
-
-"O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; 't is ten minste goed,
-dat de mode die afgeschaft heeft!"
-
-Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof en leelijk zijn,
-als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver bederft, namelijk
-van haar natuurlijk karakter berooft en er, door verdubbeling, iets
-van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar zij zijn niet
-leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar natuur mogen
-opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van "grootstbloemige
-der Malvaceën". Sinds Mei heb ik een perkje met stokrozen onder het
-oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden zich aan ieder plantje een
-stuk of tien groote, heldergroene bladeren, die voorshands laag bij
-den grond bleven, maar zich daar meer en meer uitspreidden. Op 't
-laatst van Juni begon zich in het midden een groene kegel te vormen;
-zachtjes aan verhief zich deze, en vertoonde zich als eene dikke,
-dichte aar, bezet met een groot aantal bloemknoppen. Hoeveel, was
-nog onmogelijk te bepalen; want ofschoon de onderste reeds duidelijk
-afzonderlijke lichaampjes waren,--het puntje van de aar, een weinig
-omgebogen, was eigenlijk nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De
-aar had hierdoor uit den aard der zaak eene kegelvormige gedaante,
-die zij onder 't voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk
-groeide. Naarmate nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel
-langzaam aan. Och, zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat
-wordt zij, ja, indien men haar uit al te groote zorg een soort van
-steun wil geven, haar opbindt tegen een groen stokje, met een rood
-of geel puntje. Zij heeft dien steun niet noodig. Haar eigen "stok"
-is sterk en krachtig en houtachtig genoeg; en toch niet "houterig"
-in leelijken zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij
-zoo hoog begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden,
-verbreeding noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in
-den naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel
-aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk
-genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn
-'t geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan de
-bloem een dubbelen kelk voorspelt?
-
-Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een blad, dat, ook
-weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot versiering van
-de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste bloemen. Het
-waren roode, van het helderste rozerood. De vijf bladen zijn zoo
-dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen te vormen;
-en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou dat ik
-ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch stijf,
-noch grof, noch leelijk hadt gevonden.
-
-In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven Dahlia's. Na de
-zonnebloemen, die hier en daar als gele monster-madelieven rondom
-boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, de lucht van kwade
-dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de grootstbloemige onder onze
-najaarsplanten. 't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat zij met een
-kleine, flets-oranjebloem hier aankwam, en de geleerden het een tijd
-lang oneens waren, of zij haar den naam van Dahlia of van Georgine
-zouden laten behouden. Hier te lande heeft de eerste, in Duitschland
-de tweede naam gezegepraald; maar intusschen had het aanzien van de
-plant in kwestie reeds vrij wat veranderingen ondergaan. Vooreerst
-was zij verdubbeld, ja bijna geheel "gevuld" geworden, en ten andere
-was zij met haar sterken aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze
-mislukte pogingen om haar ook zuiver blauw te doen worden nu niet
-meegerekend) een dankbaar materiaal voor den tuinbouw. Geur heeft zij
-volstrekt niet; haar eenige aantrekkelijkheid bestaat als decoratie
-in het groot, en op verren afstand is zij niet onaardig. Maar om
-van dichtbij bekeken te worden...? Ook aan deze planten heeft de
-verdubbeling, wat de sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed
-gedaan; en men behoeft nog geen modemaakster van beroep te zijn,
-om bij een gevulde Dahlia maar al te gauw aan eene zwaar geplooide
-rozet van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke
-bloempjes voor omgevouwen lussen gelden.--De anders niet onaardige
-term "bloemkorfje", dien de plantkunde bij dergelijke "samengestelde"
-bloemen gebruikt, verliest in geval van vulling allen zin. De kleine
-bloempjes, die oorspronkelijk in 't korfje zaten, zijn verdwenen en
-het niet onbevallige randje is een plompe bal geworden.
-
-Het is opmerkelijk, dat, laat in 't najaar, de "samengestelde" bloemen
-ons in den regel 't langste bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel
-hooren. Vooreerst toch behooren daartoe verschillende soorten, wier
-weefsel van nature vrij droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde
-stroo- of zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes
-van een teerder maaksel zijn,--Goudsbloemen, Sanvitalia's enz.--hebben
-in haar bloembodem en haar omwindsel (in één woord in datgene wat in
-de wandeling haar "hartje" heet) een steun, welken men aan bloemen
-zonder zulk een hartje nimmer kan verschaffen.
-
-Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als alles in
-uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, Zinnia's,
-Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen en verweering
-het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer om gewaardeerd
-te worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN.
-
-
-Elk die in dit seizoen een "tuinder" in zijn tuin bezoekt, kan zeker
-wezen klachten te vernemen over de erbarmelijke wijs, waarop de
-rupsen in de kool huishouden; en de groenlui in de stad hebben niet
-altijd ongelijk, wanneer zij dit als reden opgeven voor het "opslaan"
-van genoemd artikel.
-
-Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in hetgeen er in
-de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven zijn van
-zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, die
-dan ook gewoonlijk "koolwitje" genoemd wordt. Het wijfje van dien
-vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij der bladeren van
-kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; ieder diertje
-dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien komen deze
-eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week lang
-gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. Omstreeks
-den achtsten dag vervellen zij voor 't eerst, en beginnen zich dan
-over de geheele plant te verspreiden. De jonge rupsen zijn bijzonder
-gulzig; dag en nacht eten zij voort; men heeft opgemerkt dat zij
-in zeker aantal uren steeds het dubbele van haar eigen gewicht aan
-voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn zij volwassen, en
-zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. Wie nu daartoe
-een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of schutting, heeft
-gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt haar huid af,
-en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene pop, met zeer
-vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien dagen barst op
-nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht in.
-
-Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine koolplanten in den
-tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een heerlijke gelegenheid
-tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo verschijnt in den nazomer
-een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne beurt zijne gulzigheid bot
-viert. Indien men nu stelt, dat in het voorjaar 10 vrouwelijke kapellen
-zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben voortgebracht, dan is het niet
-te veel gerekend, indien een vierde daarvan weder wijfjes zijn, en
-deze in September 100,000 nakomelingen leveren. Het is dan waarlijk
-wonder, dat er nog iets van onze kolen overschiet;--de bladstelen en
-een gedeelte van de hartbladeren blijven meestal gespaard.
-
-Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om van de musschen
-en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het koolwitje
-heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog veel
-geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte,
-een zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche doorschijnende
-vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren leggen in het
-lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven dan ten koste
-van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij zijn de
-slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn voorzien
-van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou groeten. Dat
-is de zoogenaamde "legboor", en bestaat uit drie borstelige haren,
-die te zamen een holle buis vormen, en door middel waarvan zij haar
-eieren onder de huid van haar slachtoffers brengen.
-
-De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, legt dikwijls
-meer dan 30 eitjes in den rug van ééne rups. Ondanks de pijn, die
-dit haar zeker moet veroorzaken, en het uitkomen en groeien van de
-made, blijft de rups toch doorgaans leven tot zij aan verpoppen toe
-is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met niet geringe moeite, een
-schutting of een boom. Alvorens zij er dan echter in slaagt om haar
-vel af te stroopen, wordt dit door de maden doorgebeten, die dan alle
-te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan hare zijden naar buiten
-komen kruipen. De nu stervende rups valt dan meestal op den grond;
-en op haar plaats vindt men de jonge woekerdieren, bezig met zich
-in te spinnen, ten einde, ieder in een geel cocon, maar te zamen in
-het spinsel dat de rups reeds was begonnen te maken, haar poptijd
-door te brengen op het plekje, dat deze voor zich zelve uitgezocht
-had. Ziedaar de 100,000ste opvoering van een ieder jaar terugkeerend
-treurspel.--Het naspel wisselt af. Misschien zal het ditmaal daarin
-bestaan, dat het gansche cocon in den loop van den winter door een
-boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge
-wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld,
-grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste
-zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel
-gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te
-kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge
-praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die
-veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert,
-maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt...
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-EEN NATUURKALENDER
-
-
-"De hoeveelste is het van daag?"
-
-"De 28ste, Neef, de 28ste October."
-
-"Bloeien er nog Heliotropen?"
-
-"Ja zeker. Woudt u een takje hebben?"
-
-En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een
-aan. 't Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in
-dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren.
-
-"Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?"
-
-"Ja, neef."
-
-"En Aubergine, hoe noem je dat in 't hollandsch?"
-
-"O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt
-u zoo aan 't fransch vandaag?"
-
-Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en
-had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al
-wat fransch was.
-
-"Wel, die fransche kalender......"
-
-"Wat meent u?"
-
-"Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse,
-Ventôse?"
-
-"Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen
-te maken?"
-
-"Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark,
-of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag
-van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten
-wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon
-wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t'huis
-hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen,
-27 April...." En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.
-
-"Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat,
-hoe zal ik zeggen, officiëel?"
-
-"Wel, het hoorde bij den kalender. 't Was in plaats van de
-heiligendagen. Wij hadden 't uit een zwitsersch almanakje; als je
-goed zoekt, kan je 't misschien nog wel vinden....."
-
-
-
-De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, om er een
-tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik het
-bedoelde boekje. Het was een Helvetischer Revolutionsalmanach für
-das Jahr 1800, welks inhoud begon met een dubbelen kalender, in de
-"oude" en de "fransche" tijdrekening. [5]
-
-
-Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: mij kwam ze
-gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan het weêr
-ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen Juli-gloed in het woord
-Thermidor, en ligt er niet een sombere Novemberdag verscholen tusschen
-de letters Brumaire?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800
-niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: Primidi, Duodi,
-enz. Doch wat ik nooit gehoord had, was dat men, bij het schrappen
-van al wat naar kerkelijke plechtigheid zweemde, in de leegte, door
-het wegvallen der heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige
-wijze had trachten te gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de
-heiligen waren bloemen, enz. in de plaats gekomen. En daar in den
-ouden heiligen-kalender geregeld iedere dag een patroon gehad had,
-zoo was nu ook voor elken dag een plant of iets anders gekozen. Niet
-altijd bloemen. "Vooreerst", zei neef, "waren die in den winter niet
-gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals
-b. v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten
-de bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere
-produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de
-zaak zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der décade een
-huisdier, en voor den tienden dag een of ander landbouwgereedschap
-gesteld was." Dit nu zou alles netjes rondgeloopen hebben, indien het
-aantal dagen van het jaar juist in tienen deelbaar was geweest. Maar
-de zesendertigste décade eindigde met den 30sten Fructidor, (17
-September); en vóór den 1sten Vendemiaire--het republikeinsche jaar
-begon met 20 September,--moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit
-bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de
-zoogenaamde jours complémentaires. Deze waren niet gewijd aan bloemen,
-noch aan aarde, noch aan steen, noch aan werktuigen, noch aan dieren;
-zij vormden geheel afzonderlijk eene halve décade op zich zelve,
-en heetten eenvoudig naar de beruchte Septemberfeesten: 1 Fête de
-la Vertu; 2 Fête du Génie; 3 Fête du Travail; 4 Fête de l'Opinion;
-5 Fête de la Récompense. [6]
-
-Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet's hart werd er
-jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. "Op den 1sten
-September", vertelde hij, "gooiden wij altijd naar noten, en ergerden
-ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén
-dag in 't jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat
-was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat
-was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze
-'t heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25
-en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen..."
-
-"Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan," beproefde ik.
-
-"Ja, 't was wel fransch, maar 't was toch aardig!"
-
-En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de
-nagedachtenis dier fransche republikeinen,--ik omdat ik hun tijd
-niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen
-lagen,--verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven
-dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de
-staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op
-allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te
-recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en
-bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met
-het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is
-geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in
-dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In
-alles moest verandering komen; geen onderdeel van 't dagelijksch
-leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan
-scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had
-meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk
-een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis,
-sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op 't tapijt gebracht;
-hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen,
-eggen, zeissen, ossen, als 't aktief ingrijpend element, midden
-tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd
-door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden!
-
-Maar 't merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij
-die "jours complémentaires". Ligt daarin niet de indruk van eene
-bekentenis,--en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer
-onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender
-bekentenis,--dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om
-haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en
-bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens,
-spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant,
-nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken
-geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen?
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-JACHT EN WILD.
-
-
-Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in Duitschland geologie
-ging studeeren, omdat er in ons land "geen geologie is". Hij doelde
-daarmede natuurlijk niet op een gebrek in de studie der nederlandsche
-deskundigen, maar op een gebrek aan belangrijkheid en rijkdom van
-delfstoffen in onze aangeslibde gronden. Evenzeer zou ik mij best
-kunnen begrijpen dat iemand naar een ander land ging jagen, "omdat
-hier geen jacht is". Of noemt gij dat bijvoorbeeld jagen, als een
-man in de kracht van zijn leven, dag in dag uit, met een hond en een
-polsdrager achter zich, door Hollands moerassige rietvelden drentelt,
-af en toe een snipje schiet, den hond roept om het te apporteeren,
-zijn prooitje met hoogsteigene hand het kopje inknijpt en dan
-'s avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, als men opmerkt hoe de
-jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere boeren, jaarlijks
-voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen overhebben, die
-een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, dan moet men
-wel vooronderstellen dat er groote bekoorlijkheid ligt in die jacht
-zonder gevaar, dat overwinnen zonder strijd, dat zegepralen over
-zulke onnoozele slachtoffers.
-
-Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die aantrekkelijkheid
-minder bestaat in het dooden of verminken dier dieren, als wel in
-hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij verbonden is:
-de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen aanvangt, het
-dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van zulk een
-dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder anderen,
-en dat is wellicht nog de beste zijde van 't geval, is de grootste
-prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer kleine "wilde"
-landgenooten, in 't beloeren van hun listen, en het leeren kennen
-van hun vlugheid en hun sluwheid. En werkelijk zijn het gewoonlijk
-alleen jagers, die in hunne gewoonten goed te huis zijn.
-
-Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en morgen
-"afgehaald" zal worden, hoe zou die zijn leven wel gesleten
-hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool eet;
-maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met Lampe,
-zooals hij in de "dierfabel" van Reintje-de-Vos heet. Ik moet dan
-ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op een familiaren
-voet te komen met iemand, die zoo schuchter en achterdochtig is
-als hij.--Toch is hij, bij al zijn beruchte lafheid, een aardig,
-lustig diertje. Sla hem slechts gade in het voorjaar. Nauwelijks is de
-jachttijd om, waarin hij zooveel angsten doorstaan heeft, en de winter,
-waarin hij dikwijls zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde
-raad, geheel onder de sneeuw woelt,--of hij vat den moed weer op en
-krijgt op nieuw lust in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij
-zich een wijfje; en een maand later, als de meeste vogels nog aan geen
-nestenbouwen denken, is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin
-drie of vier jongen rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De
-aanstaande moeder krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland,
-en belegde dat met wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare
-eigen haren. Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met
-de meeste zorg voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die
-zich, als zij ze vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve
-houdt ze doorgaans een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich,
-door te klappen met de ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte
-zien kunnen, is niet te verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk
-voor het daglicht geschikt te wezen, want hun oogleden zijn te kort,
-dan dat zij ze ooit geheel zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij
-slapen, staan dezen dus altijd half open. Vandaar wellicht het woord
-"hazeslaapje"; terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede
-gleuf, die zich tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna
-geheel in tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft
-tot den term "hazelip". Zoodra de jongen kunnen loopen en mee kunnen
-eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en weldra
-heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En daar
-die van 't eerste nest in 't najaar meestal zelven reeds weer jongen
-hebben, kan er van één hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een
-duizendtal afstammen.
-
-Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn leven bedreigen,
-heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de haas overdag
-rustig in zijn leger,--zooals hij in den regel schijnt te doen, om
-slechts des nachts op zijne zaken uit te gaan,--dan heeft hij eene
-heerlijke bescherming in de vaalbruine kleur van zijn pels. Dit schijnt
-hij wel te weten; want hij blijft gewoonlijk doodstil liggen, wanneer
-hij een mensch aan hoort komen, drukt zich dicht tegen den grond
-aan, en beloert, zonder zich te verroeren, iedere beweging van den
-onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer de vijand zeer dicht bij is, en
-hem dreigt aan te vallen, springt hij eensklaps op, en maakt zich uit
-de voeten. Gaat hij, als het gevaar voorbij is, naar zijn rustplaats
-terug, dan loopt hij daar nooit regelrecht naar toe, maar maakt
-eerst eenige dwarssprongen in de buurt, als om zijn eigenlijk doel,
-voor ieder die er naar mocht kijken, te verbergen. Een haas echter,
-die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, weet dat daarmede niet valt
-te gekken; en dat ook het kunstje van het stil-liggen hem tegenover
-de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort hij dus het gevreesde
-schieten of wel het blaffen van een zijner aartsvijanden, dan schrikt
-hij, zet zich op de achterpooten, en besluit tot de vlucht. Een groot
-voordeel voor hem is het, als hij bij die vlucht tegen eene hoogte
-op kan rennen, want zijn voorpooten (of "loopers"!) zijn langer dan
-zijn achterloopers: daardoor klimt hij gemakkelijker dan hij daalt,
-en maakt in het laatste geval dikwijls een buiteling. Merkt hij nu
-echter, dat ondanks al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen
-zijn, dan heeft hij nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling
-een geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak
-schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval
-heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij
-dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op
-hem maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande
-listen en lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den
-ouderdom van acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden
-indien menschen, wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen
-ongemoeid lieten, zoo blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog
-een groot aantal onze velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en
-heiden, hun leven naar hun zin genieten.
-
-En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, die, zooals
-ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge hazen
-zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie volkomen
-van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de praktijk te
-vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen beter raad
-te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe vergelijkingen
-tusschen ooren en pooten, en wordt wijs.
-
-En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan gebraden. Anderen
-kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine borstvlek de haantjes
-te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen levend gezien, wat ons
-anderen niet licht overkomt, Zij weten hoe het "hoen", zooals zij den
-patrijs plegen te noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote
-overeenkomst heeft met kippen en andere hoendervogels,--te beginnen
-reeds daarmee, dat het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte
-loopen kan, in plaats van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst
-een paar weken in het nest te blijven liggen. Het huislijk leven der
-patrijzen is daarom echter niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg
-in het voorjaar vechten de mannetjes hevig, om ieder een wijfje te
-bemachtigen. In een van droge grashalmen voorziene uitholling van
-den grond worden de groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel
-bestaat wel uit tien of twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen
-tegelijk plegen uit te broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste
-vogels het geval is. Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege
-wegloopen. De oude haan houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt
-bij gevaar het broedend wijfje, dat dan het nest loopende verlaat,
-en eerst op een goeden afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de
-buurt zijn, worden de jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de
-ouden daar heen geleid, en vinden dan in de dikke gele mierenlarven
-een uitgezocht voedsel. Zij kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij
-nacht, gevaar of slecht weer neemt de moeder hen onder hare vleugels,
-juist als eene hen hare kuikens; de bouw en vorm van het diertje
-heeft dan ook iets zeer hoenderachtigs.
-
-En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat hooge soort van
-pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn geworden. Haar
-aangezicht heeft iets... anders dan dat van alle andere vogels;
-en als men ze goed aankijkt, begint men er langzamerhand achter
-te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver naar boven en
-naar achteren staan,--iets wat ook aan menschengezichten zoo iets
-vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer dan een streep buiten
-de normale maat.--Haar snavel is nog langer dan de kop zelf; en
-als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of meer week is,
-van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig verdikt, en,
-althans bij de watersnippen, met een klein puntje omgebogen. Zij
-kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om water-insekten en
-weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde natuurlijk van groot
-voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk naar den kop toe
-staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen kennen, doordien
-haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen bekleed zijn. Zij
-broedt hier te lande slechts bij uitzondering, ofschoon zij zulks
-niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. v. in Lithauen
-wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt zij slechts
-op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust dan bij
-voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine boschjes,
-en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag gericht, een
-eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in het hout
-te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de vorige,
-voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt veelvuldig
-in Noord-Brabant en Groningen, aan lage, vochtige plaatsen; maar
-ook haar aantal wordt jaarlijks zeer vermeerderd in den trektijd,
-die voor deze soort twee malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het
-najaar. Van Augustus tot het einde van October namelijk, trekken
-er een groot aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April
-noord-oostwaarts. Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag
-vindt men haar tegen den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd
-worden, laten zij eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen
-dan vrij hoog op. Zij laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat
-aan het blaten van een schaap doet denken; dit schijnt niet door de
-keel, maar door de snel trillende beweging der staart- en slagpennen
-voortgebracht te worden. Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen;
-zelfs azen zij op bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen
-der boomen ophouden, nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal
-vier eieren, en de broedtijd duurt ongeveer 16 dagen.
-
-Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der dierkundige
-wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel voornamelijk door
-jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige beschouwing kunnen
-maken over de omstandigheid, dat de beste kenners van het wild ook
-tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen dergelijke
-dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, die in
-eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een aangeschoten
-eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk ongewoon gedruisch
-deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-GESLOTEN?
-
-
-Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke kleine Chansons,
-hoe hij, den eersten November naar den "boschtempel" gaande, waar
-hij den ganschen zomer door met zooveel dichterlijke stichting "de
-dienst" placht bij te wonen, den toegang onverwachts versperd vond
-door verdorde bladeren en afgewaaide takken en breede modderplassen; en
-dat een uil, die hem zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem
-vriendelijk terecht wees met de inlichting: "Fermé pour réparations."
-
-Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd volhielden
-bloemen in het vrije veld te willen zoeken!
-
-Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de bijzonderheden
-van Hugo's teekenachtig natuurtafereeltje, dan zien wij in en om
-die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof iets, wat hij
-niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij voor te
-stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere
-Zwammen, die juist in dezen tijd van 't jaar te voorschijn komen,
-die gedeeltelijk op den grond, gedeeltelijk op het natte hout en op
-de half vergane bladeren groeien, en die half een gevolg, half mede
-eene oorzaak zijn van hunne spoedige ontbinding en van de duffe lucht,
-die wij rondom ons waarnemen.
-
-En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan één opzicht. Wij
-zullen ons maar aan den geijkten term van Bedektbloeienden houden.
-
-Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort geleden, op de
-achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal kaneelbruine stippels
-vertoonden, in regelmatige figuren rondom de nerven en insnijdingen
-gerangschikt? Zeker is het, dat van de verschijning dezer stippels de
-vermenigvuldiging der plant, of, zooals het hier heet, "sporenvorming"
-afhangt. Zoo'n bloei schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt
-echter reeds een weinig minder vreemd, zoodra wij kennis maken met
-die soorten van varens, (b. v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum
-Spicant), die er tweeërlei veeren op nahouden, waarvan de ééne niet
-bloeien en de andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij
-daarbij denken aan den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen,
-door Goethe dichterlijk geschetst in zijn Metamorphose der Pflanzen.
-
-En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan zelfs
-een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer-
-of bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen,
-op hunne dunne steeltjes tusschen 't groen ziet steken. Bij het
-korstmos--die platte, vlakke korsten op boomstammen en muren--valt
-het alweer iets moeilijker; toch bloeit ook dit op zijne wijze. En
-let eens op uw Selaginella, uwe kamer-"mosplant", (eigenlijk geen
-mos); ga eens na of aan de uiteinden dier stengeltjes, van boven
-met een dubbele rij kleine, van onderen met een dubbele rij grootere
-blaadjes bezet, niet op zekere tijden van het jaar groene bolletjes,
-zoo groot als speldeknoppen, voorkomen?... Dan bloeit zij.
-
-Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het plantenrijk, komen
-wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, enz. Ook
-dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in het
-najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig,
-plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan,
-tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten,
-dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur,
-hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat
-rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer,
-na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt.
-
-Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En de sporen,
-die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts behoeven te
-ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld op zich
-zelve in het plantenrijk.
-
-Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos een gewoon
-boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, dat het
-opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één laagje cellen
-bestaat;--indien wij in het algemeen bedenken, dat in die lagere,
-die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, reeds al de
-bladvormen voorkomen, die zich later onder de zichtbaarbloeiende
-gewassen hebben gereproduceerd;--indien wij eenen blik slaan in de
-keurige bijzonderheden van dien "bedekten" bloei, zooals zij in de
-afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot
-te zien zijn,--dan.... Doch dat wordt een zaak voor 't mikroskoop in
-de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te blijven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-WINTERVOGELS.
-
-
-Het is een algemeen heerschend volksgeloof,--bij den eersten den besten
-boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op
-nemen,--dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe
-dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens
-duidelijk uit, dat men 's winters hier te lande nooit een koekoek,
-en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens,
-men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben,
-om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat
-den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld,
-dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen
-behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen
-"heimwärts", huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt
-niet juist: want onder iemands t'huis, zijn "heim", zijn vaderland,
-verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen,
-die 's zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts
-in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt,
-wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat
-het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst
-weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde
-plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan
-het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij
-troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te
-koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken
-die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger
-gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en
-op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden.
-
-Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor
-een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De
-groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen,
-afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om
-den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende
-plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in
-de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van
-trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de
-boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel
-van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt,
-van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in
-hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht,
-wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te
-houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen
-hebben,--bij voorbeeld op den vlakken grond,--dan dringen daar,
-zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in.
-
-Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er
-ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf
-houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen,
-zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan
-hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort
-daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke
-verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend,
-dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was,
-met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte
-van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend
-herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor 't
-eerst de zachte stem van 't kleine dier weer hoor.
-
-Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen
-lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen
-staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel
-opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes,
-tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar
-korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in
-het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de
-schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te
-bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den
-tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden
-ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... 't Is waar,
-in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,--anders durf ik niet zeggen
-hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.--Op deze behoefte aan dierlijk
-voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende
-jongens, "dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet
-weeken". Ondanks deze goede bedoeling om 't haar lekker te maken,
-wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte
-of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners
-mogen vallen.
-
-De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen
-toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft,
-voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;--hetgeen
-zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie
-van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor,
-in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw,
-en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid
-bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste
-boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid
-te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof
-ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht
-het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen,
-erwten enz, er wel verbruikt worden door de "onnutte" snavels van zoo'n
-aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering
-vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen,
-loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren
-gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of
-van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken
-dat zij gedurende den schralen tijd veel eten.
-
-Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee
-bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan,
-"een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen". Hij neemt dan
-soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte
-wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en,
-met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die
-donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet
-te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet
-trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft
-zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het
-water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun
-langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was;
-en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van 't seizoen,
-dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den
-snavel aan de vetklier gebracht te hebben.
-
-Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje,
-dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart
-en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn
-langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is
-een echte visscher,--de "Martin-pêcheur" der Franschen,--en zit met
-een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer,
-dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der
-zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste
-plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin
-moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en
-rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar
-al te zeer aantrekt: "l'oiseau bleu" wordt waarlijk zoo dikwijls te
-vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten
-glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt!
-
-Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes,
-die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat
-dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik
-des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien
-zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn,
-natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch
-de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte,
-schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft,
-om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van
-zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals
-andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes
-met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts
-aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele "pluimagie",--zooals
-onze overgrootouders den vederdos noemden,--een zeer los karakter
-krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder 't malen veel meer
-leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier
-plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als
-de uilen 's nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel
-muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle
-andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting
-dadelijk in 't oog springen.
-
-Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering
-van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,--het vindt allicht zijn
-voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der
-beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst
-en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze
-heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld
-spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels,
-door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten
-broeden, de sperwer,--een havik in het klein,--is een echte roofvogel
-en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt
-wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en
-zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer,
-want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor
-vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk
-deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij
-een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer;
-bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen
-beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt
-dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor
-hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was,
-van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken
-voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder
-dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG.
-
-
-Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan
-heeft, die den titel droeg van "Graaf van Rome". Maar er is eene
-oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje
-een teekenachtig avontuur wordt verteld.
-
-De graaf van Rome dan, "een man van eer en ridderlijke deugden",
-wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten
-naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen;
-zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht
-daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles
-behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van
-een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng
-liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij,
-die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den
-ploeg moest trekken:
-
-
- "am pflug da must er ziehen
- viel lenger denn jar und tag,"
-
-
-zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd
-van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte
-om genade en vrijheid; doch de koning "zwoer bij zijne kroon", dat
-hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om
-kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen "in
-diep leed" de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: "laat ik mijne
-vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan
-geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome." Zoo
-gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de
-vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren;
-en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien
-"in 't geheim", en "het hart werd haar koud wegens den toestand van
-haren heer". Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen;
-dat het voor een vrouw niet paste "over de wilde zee" te varen;
-maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra
-echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat
-zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene
-tonsuur scheren; en daar zij "lezen, schrijven en nog heel veel meer
-doen" kon, en ook in 't snarenspel bedreven was, hing zij de harp
-en de luit op zijde en--reisde zoo den bode na. De zeereis duurde
-drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten,
-begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig
-en met welgevallen te luisteren. "Zij herkende hem wel, maar hij haar
-niet". Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te
-gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen;
-hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan
-land gestapt waren, samen verder, "over bergen en door diepe dalen"; en
-zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak,
-de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was.
-
-Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar
-spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong "veel vreugdevolle
-woorden"; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit
-beter gehoord hadden. Zij werd onthaald "op wildbraad en op visch",
-verheugde zich "in haar binnenste" dat "hare zaak zoo goed stond", en
-speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk,
-en al de heidenen, ('s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen.
-
-Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij
-treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich,
-dan zich "dood te moeten werken". De vrouw intusschen, in hare
-vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en
-haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom
-zij op den toren van 't kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg
-in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk
-kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in 't spelen, en
-bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen,
-wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem
-"eene gouden kroon en een schepel vol goud", en verzocht hem die
-niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig,
-dat "zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen", en hij zulk
-loon niet begeerde. "Maar", voegde hij er bij, "om één geschenk wil
-ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen,
-noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het
-veld den ploeg trekt." De koning antwoordde beleefd: "Heer, neem dien,
-als gij hem verkiest"; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor
-den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad:
-"bedank den avonturier, die u verlost heeft."
-
-Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij
-geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en
-dat "de avonturier" zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte
-tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd
-was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee
-zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging
-wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en
-belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en
-wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor
-had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar
-opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het
-hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals
-zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik
-de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:
-
-
- "das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!"
-
-
-Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk
-moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt
-en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een
-soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek
-een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het
-hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.--Ik
-denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg
-zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste
-sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder
-winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar
-ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari,
-als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het
-eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des
-te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke
-streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag
-belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig
-geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog
-zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen,
-rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen
-getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter
-een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te
-voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af,
-van den eenen akker op den anderen, in 't gezelschap van musschen en
-kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... 't
-Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat
-stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een
-schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.
-
-Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet
-nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen
-onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een
-man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient
-daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen
-machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels;
-en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom
-te hebben, als iemand die zich op "rechtlijnig teekenen" toelegt.
-
-"Maar 't is een erg eentonig werk", dus brengt misschien iemand in
-het midden; "en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze
-wijze wordt gesleten."
-
-Hoor eens,--is dan mijn antwoord, de "Graaf van Rome" werd zelf
-voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet
-te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,--slaven,
-lijfeigenen,--trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe
-grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die
-moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen
-landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans,
-bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt,
-maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig
-zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger,
-die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn
-lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard,
-waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden
-arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink
-bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken
-arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij
-ploegt in 't najaar, opdat de omgeworpen grond zou "doorvriezen",
-d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de
-opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten
-en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze
-tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in 't voorjaar,
-maar dan is het wegens tegenspoed in 't werk. In de lente en den zomer
-doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien,
-als hij die kunst verstaat,--want ook dat is een kunst, of voor het
-minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers;
-ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er
-altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,--vooral
-waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en
-welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik
-bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee "dobbelgewassen",
-die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden
-om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk
-tot bouwland te maken, (ze te "scheuren").
-
-En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg
-vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in
-de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel
-aanbrengen--in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt
-de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote
-sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van
-den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van
-den "vooruitgang" verzekeren van ja. De vrienden van den "goeden ouden
-tijd" schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de
-gevaren die de stoom meebrengt,--in zoover deze door sterke verdeeling
-van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten
-van menschen dreigt te maken--zetten een waarschuwend gezicht. Laat
-ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk
-hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om
-dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen:
-van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij
-geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding
-te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan,
-beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-GROENBLIJVENDE BOOMEN.
-
-
-Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, zat ik in den trein
-met twee bejaarde freules. Zij waren door een dikken livreiknecht in
-den wagen en aan haar bagage geholpen, en begonnen zich al spoedig
-over te geven aan 't genot van den tocht. Het was mooi weer en het
-landschap deed dat goed uitkomen. Ik kreeg een soort van sympathie
-voor mijne reisgenooten, ten eerste om haar warme geestdrift en
-bewondering voor al het schoons dat wij voorbijvlogen, en ten tweede
-omdat zij zich, ondanks de nederlandsche etiquette, niet ontzagen
-die bewondering tegenover mij, onbekende, te uiten. Wij spoorden
-nu door bosschen en dan weder over de heide; en eensklaps, nadat
-wij een paar minuten tusschen hooge dennen heengetrokken en aan een
-gehakte opening gekomen waren, riep eene van de dames in verrukking:
-"Och, Keetje, kijk die snoeperige Conifeertjes, daar vlak bij dat
-sparrenbosch!" Zij meende blijkbaar de twee- of driejarige dennen
-zelven, die hier van de vrijgekomen lucht en ruimte gebruik maakten,
-om zich krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb
-kunnen weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige
-buurvrouw. Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon
-en begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder "Conifeertjes"
-door sommigen verstaan worden: niet al te groote, groenblijvende,
-pyramidale boompjes;--(een zin waarin, zooals ik later bemerkte,
-het woord dikwijls op prijscouranten voorkomt).
-
-Tot dergelijke "Conifeertjes" zullen wij ons thans terug dienen te
-trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In stadstuintjes, vooral
-in de zeer kleinen, (vóór aan de straat, achter een ijzeren hekje),
-plegen zij een groote rol te spelen, en vormen daar wat de Engelschen
-hun "shrubbery" noemen.
-
-Op Hulst, Jeneverbes, Taxis en misschien nog een paar anderen na, die
-hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de meeste van die groene
-dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd vaderland afkomstig. Om
-met de eigenlijke Conifeeren (Kegeldragers) te beginnen: van onze
-eigen spar en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante
-soorten uit den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een Pinus Cembra,
-wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die van onzen
-gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van zuidelijk
-Europa. Daarnaast prijkt een echt Cedertje "van den Libanon". Die
-kleine Balsempijnboom of Hemlockspar, zooals hij tegenwoordig hier
-genoemd wordt, komt uit Virginië. De Cypres vertegenwoordigt ons
-de grieksche rouwplechtigheden; en die Araucaria met hare stijve,
-breede, geschubde armen,--is 't wezenlijk een levend boompje of een
-kapstok?--hoort in Brazilië tehuis. Uw Thuya is een Noord-amerikaan,
-ofschoon reeds sinds lang hier burger geworden, en met den naam
-van "Arbor vitae" vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van
-"Levensboom" hoort spreken, daaronder heel iets anders vermoedt dan
-de Thuya's, die de nederige rol vervullen van, op zijn binnenplaats,
-het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch worden werkelijk
-slechts deze er mede bedoeld.
-
-In uw groene heesterperkje staan intusschen ook verscheidene
-niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander loof-karakter. De
-Aucubas, met haar gevlekte laurierachtige bladeren, komen uit Japan,
-evenals de bonte Evonymus, een groenblijvende nabestaande van ons
-Papenhout. De Ledum groeit in 't wild in Polen en Bohemen; de Arbutus
-Unedo in Italië en 't Zuiden van Frankrijk; de Kalmia, die, bij goede
-verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig bruidskleed
-zal prijken, in Noord-Amerika.
-
-Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe meer wij deze
-trouwe winter-heestertjes waardeeren. Doch ook: hoe winterachtiger het
-om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen doen verlangen naar hun
-vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het landschap. Ik spreek nu
-niet voornamelijk van de "eeuwiggroene myrthen en laurieren" en hun
-zuidelijker klimaat. Ik wensch onze noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en
-de afwisseling, die zij in het natuurschoon en in het maatschappelijk
-leven aanbrengt, volstrekt niet te ontvluchten; maar juist omdat die
-witte vlokken zoo goed staan op de takken van dien kleinen spar voor
-'t venster, doen zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan
-naar streken, waar men ze in 't groot op groote sparren kan bewonderen
-in niet alleen groote, maar grootsche verhoudingen.
-
-Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen hoekje, een smal
-dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het dal de rivier
-zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te beslissen,
-maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij onafscheidelijk aan
-elkaar verbonden. Ook ten opzichte van 't geen de menschenwereld
-aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker in 't geheel niet
-bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige ding zich zeer hulpvaardig
-tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu dient het dal tot woonplaats
-aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf de voortbrengselen van
-het bergland verwerkt. Het waterrad drijft "molens" van allerhande
-soort en grootte, o. a. een paar papier- en glasfabrieken. Ook levert
-het riviertje het geheele jaar door overvloed van bruikbaar water,
-en op den koop toe forellen en krabben. Bevaarbaar is het nooit,
-maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; in 't voorjaar, als de sneeuw in
-het gebergte begint weg te dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals
-alle anderen; doch de plaats der meeste huizen is wel zóó gekozen,
-dat die tegen hare mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een
-en ander geeft aan dit valleitje iets behagelijks en menschelijks,
-zonder daarom aan den diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te
-schaden. Die indruk wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte
-der bergen ter rechter en ter linkerzijde, en door de kronkelingen van
-rivier en dal, meestal ook vóór en achter,--zoodat men schijnbaar
-geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar slechts
-vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot boven,
-begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per spoor
-die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken van
-'t gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station uitgestapt,
-nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, ontmoetten wij,
-op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout dan sparren,
-dennen, Weymouthspijnen, enz.
-
-De meesten onzer weten zich zoo'n dal te herinneren, hetzij in
-den Harz, het Schwarzwald of misschien in Zwitserland; en roepen
-zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste partijen voor den
-geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er intusschen
-wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er onwillekeurig
-naar bergpaden, om, als 't ons al te bang om 't hart mocht worden,
-spoedig den gezichteinder te kunnen verruimen. En als wij op een
-mooien zomerdag daar nederzaten, kwam dikwijls de gedachte in ons
-op: "Hoe somber moet het hier des winters zijn!" Dan rekenden wij
-echter buiten de sneeuw, die ten eerste een groot deel van de door
-ons vermoede wintereenzaamheid en afgeslotenheid wegneemt, door
-het vlug en vroolijk sleêverkeer, en ten andere de somberheid der
-groene bergwanden breekt door haar tintelend wit.--Denkt u een mooien
-Februaridag, met vorst maar zonder wind. Op elken boom ligt zooveel
-sneeuw als hij maar dragen kan zonder te breken: de veerkracht van de
-breede takken wordt op een zware proef gesteld; zij buigen dóór onder
-hunnen reinen last. De spitse toppen van de sparren en de vlakke kroon
-der dennen wisselen elkander sierlijk af tegen den blauwen ether;
-en al de duizend groene twijgjes, die tegen de sneeuw afsteken,
-bewaren 't landschap voor eentonigheid. 't Is Vrouwendag: er zal een
-groote sledevaart gehouden worden. De zon beschijnt en koestert u,
-en betoovert de sneeuw; en haar stralen dringen door in de diepte der
-bosschen, en lokken hier en daar een kudde herten naar hun zoom. Gij
-glijdt voort in een ijlende vaart, maar toch niet zóó snel, of gij
-kunt de schoonheid om u heen naar hartelust genieten. En zoo de dag
-al kort is, des avonds komt de maan op, en verlicht den terugtocht
-op haar wijze.... Wie dat eens in vollen glans heeft bijgewoond,
-vergeet het niet gemakkelijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-EEN OUDEJAARSWANDELING.
-
-
-Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om ons heen ziet er
-verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en de nachten
-zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en slapen.
-
-Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou hebben, ook maar
-op die manier te overwinteren, en eerst met de lente weer voor den
-dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u dikwijls sombere,
-neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop gij meer kans
-hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer ontvankelijk
-zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts één greintje
-veerkracht in ons over is, herstellen wij ons doorgaans dadelijk in
-het besef, dat een mensch meer is dan een visch of een marmot. Ik
-voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor de opwekkelijke prikkels
-van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij altijd, als ik op het punt
-ben mij door mist of "waterkou" te laten nederdrukken. Vaak, als het
-leven mij op de eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte
-slechts in 't oog kon krijgen, één blik op den blauwen hemel met zijn
-lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn dat ik
-geboren was, al ware het alleen maar voor 't plezier van deze schoone
-tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij dreigde mee te
-slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek van uitval
-niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in onzen geest
-gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht boven deze
-wet verheffen.
-
-Men heeft van oudsher veel gesproken over de scheppingskracht van den
-menschelijken geest. Zij stelde hem in staat om ruwe grondstoffen
-voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en om telkens meer
-verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken arbeid uit te
-vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke welvaart. Door
-de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de wereld hem te
-zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad der kunst. Hij
-verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel, en noemde
-dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de menschelijke
-scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen edeler, geen die
-hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al de dwaasheden en
-troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer geluk schenkt,
-dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de onvolkomenheden
-van al wat hij kent, toch aan zekere volmaaktheid te gelooven.
-
-Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar, en er zijn
-dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen gemoedsleven doordringt,
-en verzoening zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders
-slechts met afleiding behelpt. Ook in dit bosch zingt "ieder vogeltje
-zooals het gebekt is." In elk mensch die over deze dingen nadenkt, doet
-de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst naar volmaking
-zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze laatste wandeling
-tracht weer te geven, hoe mijn "geloofsbelijdenis" zou uitvallen,
-zoo ik die, als van ouds, in "twaalf artikelen" moest samenvatten. Van
-weten is hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet.
-
-
-
-Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk bezorgen.
-
-Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin, waarmede wij
-onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de omstandigheden,
-al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze krachten en
-talenten--in harmonie weten te brengen.
-
-Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting, is in
-dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit
-volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere
-beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver
-beneden zijn ideaal;--nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is
-voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne
-eigene kracht, vaardigheid, "inspiratie" te kort schiet.
-
-Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek streven, naast
-zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, nog een ander, hooger
-voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van harmonie.
-
-Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat hetwelk
-ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo harmonieus
-mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het grootere,
-passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en machteloos
-gevoel), ook op harmonie moet berusten.
-
-Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al struikelend en
-opstaand, en met schade en schande en inspanning ervarende, op
-welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand komt,--word
-ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des te rijker is
-naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in verwerkt worden,
-en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste botsingen,
-welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar een meer
-samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij behooren.
-
-Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met mijne
-persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al het
-lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,--niet het minst de botsing
-tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht van
-verval en vergankelijkheid,--er, om een muzikaal beeld te gebruiken,
-vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich slechts
-bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie.
-
-Alleen echter op ééne voorwaarde kan ik in mijn "dissonant"schap
-berusten:--dat ik nl. den mogelijken Kunstenaar van de "symfonie" mag
-vermoeden, Hem vereeren en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar
-te wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn
-steun te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid
-mij pijnigt.
-
-Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden Maker niet
-berust op eenigerlei wetenschappelijke kennis van zijn wezen; maar
-ik ben boven alles dankbaar voor de kunst, die mij in staat stelt de
-gedachte aan Hem te scheppen.
-
-Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan schoonheidswetten
-onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit gebied is
-wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,--tot dogmatiek
-verstijft,--ontaardt de poëzie van 't religieuse leven. De eerbied
-zelf voor mijnen onbekenden Maker leert mij ten zijnen opzichte
-bescheidenheid.
-
-Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne levensopvatting en
-mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte godsdiensten. "Gelijk
-het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt ..." ook mijn
-ziel, op mijne wijze, naar den Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij
-bewust ben te behooren. En indien de geschiedenis verhaalt van iemand,
-in wien het gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was,
-dat hij in gemoede kon getuigen: "Ik ben niet alleen, want de Vader
-is met mij," dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met
-zulk eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht,
-zeer wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande
-uit eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit van
-joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord.
-
-Het behoort tot mijn verdriet in 't leven, dat er op het gebied van
-vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig gezelligheid heerscht in
-de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na aan 't hart ligt, zoo
-weinig verkeer is onder levende menschen, en men zich grootendeels
-moet vergenoegen met menschengeest-extrakt,--nl. uit boeken.
-
-Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een wanklank, die
-opgelost wordt,--of worden zal,--gedeeltelijk door ons eigen toedoen:
-daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig naga, wat er in zijn
-beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de diepte van zijn
-geestelijk leven omgaat.
-
-
-
-En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje:
-
-
-
- Gelukkig Nieuwejaar!
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Men bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene
-uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche
-soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken zijn.
-
-[2] Ik verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk
-een paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter
-van één- en twee-zaadlobbige planten in volwassen toestand uitgedrukt
-wordt; zoodat men niet telkens, om het sterksprekend onderscheid
-tusschen deze beide afdeelingen van het plantenrijk aan te duiden,
-zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode van iederen boom behoeft
-terug te gaan!
-
-[3] Te Dortmund in Westfalen staat,--stond althans voor een paar jaar
-nog,--een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het spoorterrein,
-tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is een punt
-waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet inéénloopen),
-was een heuvel uitgespaard van een voet of drie in het vierkant;
-en daarop stond een steenen bank, waarop weleer veemgericht gehouden
-werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde, met nog slechts één
-levenden tak.
-
-[4] Houttuyn. "Natuurlijke historie."
-
-[5] In dezer voege:
-
- Jänner. Nivôse.
-
- Mittwoch 1 Neujahr. | Primidi 11 Poix.
- Donnerstag 2 Mel D. | Duodi 12 Thérebent.
- Freitag 3 Enoch. | Tridi 13 Argile.
- Samstag 4 Gottfried. | Quatridi 14 Marne.
- Sonntag 5 Simeon. | Quintidi 15 Lapin.
-
-[6] Ik heb later nog meer jaargangen van dien almanak in handen
-gekregen. De natuur-heiligen-kalender bleef alle jaar hetzelfde. Het
-speet mij er geen van een schrikkeljaar machtig te kunnen worden,
-om na te gaan hoe in dat geval voorzien werd.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN ***
-
-***** This file should be named 52479-0.txt or 52479-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52479/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. \ No newline at end of file
diff --git a/old/52479-0.zip b/old/52479-0.zip
deleted file mode 100644
index e16e7e8..0000000
--- a/old/52479-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52479-h.zip b/old/52479-h.zip
deleted file mode 100644
index d7dc952..0000000
--- a/old/52479-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52479-h/52479-h.htm b/old/52479-h/52479-h.htm
deleted file mode 100644
index d5f7c1b..0000000
--- a/old/52479-h/52479-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,7508 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
-"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Natuurfantazieën</title>
-
-<style type="text/css">
-
-body {
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-font-size: 100%;
-line-height: 1.2em;
-text-align: left;
-}
-.div0 {
-padding-top: 5.6em;
-}
-.div1 {
-padding-top: 4.8em;
-}
-.div2 {
-padding-top: 3.6em;
-}
-.div3, .div4, .div5 {
-padding-top: 2.4em;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument
-{
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-padding-top: 2.4em;
-padding-bottom: 1.6em;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-.pagenum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.abbr {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-height: 1px;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-width: 45%;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5em;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-line-height: 1em;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.40em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.71em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0em 0.05em 0 0;
-padding: 0px;
-line-height: 0.8em;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.advertisment {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-a.noteref, a.pseudonoteref {
-font-size: 80%;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .label, .par.footnote .label {
-float: left;
-width: 2em;
-height: 12pt;
-display: block;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0%;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0%;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.indextoc {
-text-align: center;
-}
-.transcribernote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.correctiontable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0% 7em 0%;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 3.5em;
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0% 0em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTop, .figBottom {
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-td.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0px solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0px solid black !important;
-width: 1em;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0% .5em 0%;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0% 0 0%;
-}
-span.hemistich {
-color: white;
-}
-.versenum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, .h1 {
-padding-bottom: 5em;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
-{
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteref:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}.pagenum, .linenum {
-speak: none;
-}
-</style>
-
-<style type="text/css">
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd21e2810
-{
-padding-left:0.5em; padding-right:0.5em;
-}
-.xd21e2811
-{
-padding-right:1em;
-}
-.xd21e2812
-{
-border-left:1px solid black; padding-left:1em;
-}
-.xd21e2815
-{
-text-align:center;border-left:0;
-}
-.xd21e99width
-{
-width:512px;
-}
-.xd21e105width
-{
-width:461px;
-}
-.xd21e133
-{
-text-align:center;font-size:small;
-}
-.xd21e808
-{
-font-style:italic;
-}
-.xd21e1934
-{
-text-indent:2em;
-}
-.xd21e2808
-{
-border-collapse:collapse;
-}
-.xd21e3365
-{
-text-align:center;
-}
-</style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-The Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Natuurfantazieën
-
-Author: G. Carelsen
-
-Release Date: July 2, 2016 [EBook #52479]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e99width"><img src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="512" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e105width"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="461" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">NATUURFANTAZIE&Euml;N</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">G. CARELSEN</span><br>
-Schrijfster van: Brieven van een Landmeisje, enz.</div>
-<div class="docImprint">HAARLEM<br>
-H. D. TJEENK WILLINK<br>
-<span class="docDate">1881</span></div>
-</div>
-<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e133">Stoomdrukkerij van Gebr. van Asperen van
-der Velde, te Haarlem. <span class="pagenum">[<a id="xd21e135" href="#xd21e135" name="xd21e135">III</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"></td>
-<td class="tocPageNum">blz.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1" id="xd21e149" name="xd21e149">Een Nieuwjaars-wandelpraatje</a></td>
-<td class="tocPageNum">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2" id="xd21e158" name="xd21e158">Meeuwen</a></td>
-<td class="tocPageNum">6</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3" id="xd21e167" name="xd21e167">Bloemen voor het venster</a></td>
-<td class="tocPageNum">16</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4" id="xd21e176" name="xd21e176">Sprokkelmaand</a></td>
-<td class="tocPageNum">26</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5" id="xd21e185" name="xd21e185">De lange lente</a></td>
-<td class="tocPageNum">33</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch6" id="xd21e194" name="xd21e194">Bij een schaaltje kievitseieren</a></td>
-<td class="tocPageNum">39</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch7" id="xd21e203" name="xd21e203">Rondom een molshoop</a></td>
-<td class="tocPageNum">48</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch8" id="xd21e212" name="xd21e212">Palm-Paschen</a></td>
-<td class="tocPageNum">53</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch9" id="xd21e221" name="xd21e221">Tulpen</a></td>
-<td class="tocPageNum">57</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch10" id="xd21e230" name="xd21e230">Hei, &rsquo;t was in de Mei!</a></td>
-<td class="tocPageNum">63</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch11" id="xd21e240" name="xd21e240">Een Engelsch landschap</a></td>
-<td class="tocPageNum">68</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch12" id="xd21e249" name="xd21e249">In den bloeienden boomgaard</a></td>
-<td class="tocPageNum">74</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch13" id="xd21e258" name="xd21e258">Bouquetten</a></td>
-<td class="tocPageNum">78</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch14" id="xd21e267" name="xd21e267">Een dubbele boodschap</a></td>
-<td class="tocPageNum">82</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch15" id="xd21e276" name="xd21e276">Een boschtooneeltje</a></td>
-<td class="tocPageNum">88</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch16" id="xd21e285" name="xd21e285">Op de bloemmarkt</a></td>
-<td class="tocPageNum">98</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch17" id="xd21e294" name="xd21e294">Aan de Noordzee</a></td>
-<td class="tocPageNum">102</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch18" id="xd21e303" name="xd21e303">Een kastanjeboom</a></td>
-<td class="tocPageNum">111</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch19" id="xd21e312" name="xd21e312">Een inlandsche arend</a></td>
-<td class="tocPageNum">115</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch20" id="xd21e321" name="xd21e321">Eene linde</a></td>
-<td class="tocPageNum">118</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch21" id="xd21e330" name="xd21e330">Tapijtbedden</a></td>
-<td class="tocPageNum">124</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch22" id="xd21e340" name="xd21e340">De poëzie van het groenten-schoonmaken</a> <span class="pagenum">[<a id="xd21e345" href="#xd21e345" name="xd21e345">IV</a>]</span></td>
-<td class="tocPageNum">129</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch23" id="xd21e350" name="xd21e350">Korenbloemen</a></td>
-<td class="tocPageNum">135</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch24" id="xd21e359" name="xd21e359">Een bergtocht</a></td>
-<td class="tocPageNum">140</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch25" id="xd21e368" name="xd21e368">Ouwerwetsche bloemen</a></td>
-<td class="tocPageNum">148</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch26" id="xd21e377" name="xd21e377">Augustus</a></td>
-<td class="tocPageNum">154</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch27" id="xd21e386" name="xd21e386">Bloemen langs den weg</a></td>
-<td class="tocPageNum">160</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch28" id="xd21e395" name="xd21e395">De lotos</a></td>
-<td class="tocPageNum">165</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch29" id="xd21e404" name="xd21e404">Ons wier-eiland</a></td>
-<td class="tocPageNum">170</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch30" id="xd21e413" name="xd21e413">Najaarsbloemen</a></td>
-<td class="tocPageNum">179</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch31" id="xd21e422" name="xd21e422">Een tragedie in den moestuin</a></td>
-<td class="tocPageNum">187</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch32" id="xd21e431" name="xd21e431">Een natuurkalender</a></td>
-<td class="tocPageNum">191</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch33" id="xd21e441" name="xd21e441">Jacht en wild</a></td>
-<td class="tocPageNum">197</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch34" id="xd21e450" name="xd21e450">Gesloten?</a></td>
-<td class="tocPageNum">205</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch35" id="xd21e459" name="xd21e459">Wintervogels</a></td>
-<td class="tocPageNum">209</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch36" id="xd21e468" name="xd21e468">V&oacute;&oacute;r of achter den ploeg</a></td>
-<td class="tocPageNum">217</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch37" id="xd21e477" name="xd21e477">Groenblijvende boomen</a></td>
-<td class="tocPageNum">225</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch38" id="xd21e486" name="xd21e486">Een oudejaarswandeling</a></td>
-<td class="tocPageNum">231</td>
-</tr>
-</table>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name="pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e149">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">I.</h2>
-<h2 class="main">EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles
-goeds toe, lezers en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon....</p>
-<p class="par">Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel
-willen dat ik veler menschen pad &bdquo;met bloemen kon
-bestrooien&rdquo;, zooals de aloude spreekwijs luidt. Maar in de
-gegevene omstandigheden kan ik niet meer doen dan: hopen dat ik hier en
-daar iemand een verkwikkelijken indruk bezorgen moge door de lezing van
-dit boekje.</p>
-<p class="par">&bdquo;<i>Natuurfantazieën</i>&rdquo; heb ik het
-genoemd. Nu is &bdquo;Natuur&rdquo; een van die groote woorden, welke,
-evenals hooge boomen, veel wind vangen,&mdash;namelijk veel &bdquo;wind
-van leering&rdquo;; het is een woord waarvan men dikwijls niet recht
-weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er soms een nauwere,
-soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven, b. v. nu eens de
-geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den mensch, hetzij
-geheel of half er in, me&ecirc; bedoeld wordt. Daarom zal ik dus maar
-dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den <span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name="pb2">2</a>]</span>eenvoudigen
-en voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het
-minstens &eacute;&eacute;ns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de
-wolken, de aarde en het water, de bloemen en het groen, de vogels en de
-vlinders rondom ons,&mdash;zij zijn de aanleiding tot deze mijn
-bescheiden &bdquo;fantazieën&rdquo;.</p>
-<p class="par">Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad
-bewonen, wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen
-tot de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning
-ten volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst
-van wandelen te verstaan.</p>
-<p class="par">Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het
-wandelen op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de
-&bdquo;vrije natuur&rdquo;. Doch als alle anderen dient zij beoefend te
-worden, eer men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te
-gebruiken, dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet
-geleerd heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik
-van zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig
-aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den slag
-niet van hebben.</p>
-<p class="par">Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en
-beschikkingen maakt, kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen
-om, naarmate de omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik
-zou bijna durven zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en
-dan vergunnen. &bdquo;De meeste kwalen en verdrietelijkheden komen
-tegenwoordig van de zenuwen, en de zenuwen komen van de boeken.&rdquo;
-Ziedaar de zeker niet zeer wetenschappelijk <span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name="pb3">3</a>]</span>geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking,
-waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer
-beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel
-wandelt, minder gevaar loopt van onder &bdquo;de boeken&rdquo; begraven
-te worden dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn,
-desnoods met inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe
-langer hoe meer blijken goede medicijn te wezen voor &bdquo;de
-zenuwen&rdquo;,&mdash;zoo doet elk w&egrave;l die daartoe zijne
-maatregelen neemt.</p>
-<p class="par">Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest?
-R&uuml;ckert heeft eens, in een al of niet gemeende vlaag van
-menschen-verachting, den zonderlingen raad gegeven, de menschen te
-vermijden en zich zooveel mogelijk onder bloemen te bewegen; &bdquo;dan
-zullen&rdquo;, voegt hij er ten slotte goedmoedig bij, &bdquo;de
-bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die niet
-beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!&rdquo; Nu hoop ik
-hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen
-van &bdquo;de menschen&rdquo; te verachten of te haten; maar voor ieder
-onzer komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke
-instellingen, maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen
-gebukt gaan, er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan,
-op het punt van zich daardoor &ograve;f te laten verbitteren, &ograve;f
-te verslappen, hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan
-weet ik dat de dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met
-&bdquo;bloemen&rdquo;,&mdash;in het algemeen met de
-&bdquo;natuur&rdquo;,&mdash;als een weldadig middel aanbeveelt.</p>
-<p class="par">En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen
-<span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>schuld hebben, maar die ons voor een wijl doen
-duizelen, eer wij ons recht rekenschap weten te geven van hetgeen er
-gebeurd is en hetgeen ons te doen staat,&mdash;ook dan is de stille
-omgang met die &bdquo;natuur&rdquo; een weldaad. Wij moeten dan van
-haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven: geen antwoord van
-haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn; ons niet verbeelden,
-dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet, zij troost niet
-onmiddellijk; maar d&agrave;&agrave;rin ligt voor een groot deel haar
-genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder afleiding
-van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust en verzoening
-te geraken.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat
-er niets te wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste
-helft van &rsquo;t jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat
-Januari minder koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig,
-boschrijk landschap meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige
-binnendijk met een rij knotwilgen tot eenig sieraad.&mdash;Doch,... zal
-ik vertellen hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van
-heb leeren waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te
-loopen, in weer en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een
-landstreek zoo arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid
-laat denken: een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd.
-Doch bij gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en
-als er dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de
-verte, en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den
-gezichteinder, en <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name="pb5">5</a>]</span>oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten
-ontsnappen. En ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te
-zien kreeg, wel zoo&rsquo;n genot van ieder kleurenspel en lichteffect
-gehad zou hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die
-schijnbaar zoo onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst
-gunstige seizoen om te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de
-mogelijke wandelwegen rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te
-hebben plat getreden, zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In
-dat geval wensch ik u toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens
-wat verder rond te kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere
-schaal. Doch juist met het oog daarop zou ik lust hebben u eenige
-vragen te doen als: Zijt gij goede vrienden met de boomen die in uw
-nabijheid groeien? Welke vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek
-hebt gij in de buurt de mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij
-om dezen tijd van &rsquo;t jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat
-een mees of een geel kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u
-gisteren voorbij vloog? En hoelang zou &rsquo;t nog duren eer de
-kwastjes, waarmee nu reeds de elzen zijn behangen, zich tot
-stuifmeelbloemen ontwikkelen?</p>
-<p class="par">Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat.
-<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e158">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">II.</h2>
-<h2 class="main">MEEUWEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wij zaten vroeg in &rsquo;t voorjaar aan de open
-tafel in een Amsterdamsch logement.</p>
-<p class="par">Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier
-wat de Franschen daarvoor plegen te zeggen: &bdquo;<i lang="fr">On
-parlait la pluie et le beau temps.</i>&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Mooi weer vandaag!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het zal niet lang zoo blijven.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Waarom niet?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Er zit zoo&rsquo;n bank in &rsquo;t
-westen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien
-vliegen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat geeft regen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat geeft sneeuw!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat geeft nachtvorst!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op
-&eacute;&eacute;n punt zweven, dat is altijd een goed
-teeken.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als zij duiken, dat is een slecht
-teeken.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;&rsquo;t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen,
-om haar vo&ecirc;r te zoeken.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb7"
-href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Wat zouden zij dan eten?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Insekten en visschen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik geloof niet aan meeuwen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wel.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat gelooft u er dan van?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, dat ze we&ecirc;rwijzers zijn.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen
-is er storm op zee. Ze waarschuwen de schepen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een
-ander dier.&rdquo;</p>
-<p class="par">Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan
-met deze heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel
-mogelijk op hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik
-niet weet, welk soort men daar op het oogenblik v&oacute;&oacute;r had.
-De kenners maken een groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of
-kapmeeuwen. De laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de
-jaargetijden wisselt, zoodat zij &rsquo;s zomers een zwart kapje
-schijnen op te hebben, zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen.
-Zij nestelen in het riet, aan de boorden van meren, rivieren en
-plassen, vliegen hier van April tot September rond en gaan dan naar
-warmer streken. Zij leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut,
-door o. a. groote hoeveelheden meikevers te vernietigen.</p>
-<p class="par">De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij
-zijn trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het
-winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en eerst
-als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker afzakken,
-en ons zeestrand, <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>den buitenkant van onze dijken en duinen bevolken.
-Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van den winter
-een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar barre, zeer
-onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling in de natuur,
-zijn loon meebrengt.</p>
-<p class="par">Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar
-al te goed kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een
-vuilwordende laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch
-landschap al wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft,
-doordien water, land en zwerk &eacute;&eacute;nzelfde vervelende tint
-hebben. De zee echter is dan nog niet bevroren; haar zoutgehalte en
-haar altijddurende beweging houden dit lang tegen; en de duinen... zijn
-dezelfden die zij in Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat
-opgewaaide sneeuw, die hun niet slecht staat. Als in elk ander
-jaargetijde, bieden zij ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke
-ontspanning aan voor den langs rechte vaarten en vlakke dijken
-afgematten blik.</p>
-<p class="par">Op &rsquo;t strand kunnen wij ons vermeien in &rsquo;t
-aanschouwen van dat zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee
-noemt; en het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in &rsquo;t
-oog. Een paar zwarte stipjes op het water doen zich weldra als
-zwemmende zeeëenden kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of
-wat plevieren en strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien
-zijn ook hier natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te
-zien. Maar de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al
-zeer gemeenzaam met haar moeten <span class="pagenum">[<a id="pb9"
-href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span>wezen, om op een afstand uit te
-maken, of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of
-wel &bdquo;Burgemeesters&rdquo; zijn; doch om het algemeene
-meeuwkarakter aan haar te herkennen, behoeft men juist niet
-&bdquo;wetenschappelijk gevormd&rdquo; te wezen.</p>
-<p class="par">Met lust blijft onze blik rusten op die
-licht-blauwgrijze groep. Welk een leven en beweging, welk een
-verscheidenheid van stand en houding! Juist dit maakt een troep meeuwen
-zoo behagelijk om aan te zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo
-van-alle-markten-t&rsquo;huis&mdash;men zou bijna zeggen, zoo
-&bdquo;veelzijdig ontwikkeld&rdquo; zijn. Zij kunnen, wat slechts
-weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en goed
-zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend als
-zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het
-kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn zij
-blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en vaste
-woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort te
-bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik nimmer
-zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de meeuwen,
-wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en bevalligheid
-tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen; welk een
-kracht in het zweven en &bdquo;staan&rdquo;! Misschien werkt de
-zilvertint iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te
-maken, maar stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en
-bewegingen te danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op
-het water, hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken,
-ofwel bijna onbeweeglijk <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>boven op de golven dobberen, zoo
-licht en luchtig of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin
-van duikelen, zoo als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich
-omlaag buigt, terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen
-niet; maar zij zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder
-water te duiken, als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog
-gekregen hebben; en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook
-over haar heen slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er
-zich minder behaaglijk om voelen. Maar &rsquo;t zij zwemmend, of
-vliegend of dobberend, zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog
-een onafscheidbaar deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten
-dit. Stelt u een &bdquo;zeestuk&rdquo; zonder meeuwen voor: gij zult er
-iets op missen, al weet gij niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit
-Heine&rsquo;s &bdquo;<i lang="de">Meereslieder</i>&rdquo;, en zij
-verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden.</p>
-<p class="par">Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten
-vliegen, aan ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die
-vraag meent of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er
-&bdquo;ja&rdquo; op te antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in
-kleinen getale ook hier te lande broeden, en dus als het ware hier, wat
-de oud-Hollanders kantoren of factorijen plachten te noemen, aangelegd
-hebben; doch de groote menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien.
-Het echte land der meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen,
-en de op diezelfde breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een
-der mooiste soorten, de drieteenige meeuw, zoo genoemd <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span>om de
-eenvoudige reden, dat zij slechts drie, door twee zwemvliezen
-vereenigde teenen, en niet ook nog, als anderen, een kort,
-achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij zwerft in &rsquo;t gure
-jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier, en zelfs aan de
-fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit beneden de
-58&deg; N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze als de
-eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart en
-blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet
-alleen tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig
-noorsch landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen
-afwerpen, wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en ve&ecirc;ren.
-In enkele streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is
-men het eens, dat dit te &bdquo;visschig&rdquo; is om lekker te wezen.
-Trouwens dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend
-van visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid:
-zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven
-dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar ik
-nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of deze niet
-ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou mij zeer
-bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel, met
-grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of op
-vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls zeer
-moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa der
-meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde
-vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span>ganschen
-zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van een
-plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half
-Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten,
-ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar
-komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug, waarvan
-de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert.</p>
-<p class="par">Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd,
-toen hij voor &rsquo;t eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog
-kreeg. &bdquo;Toen ik mij gereed maakte voor mijne reis naar
-Lapland,&rdquo; vertelt hij, &bdquo;had ik een aantal beschrijvingen
-van deze vogelkoloniën gelezen, en ik twijfelde volstrekt niet aan
-hare betrouwbaarheid. Maar nooit zal ik den Julidag vergeten, waarop ik
-Kaap Svarhollt (niet ver van de Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst
-een &bdquo;vogelberg&rdquo; aanschouwde. Wat ik zag was een kolossale
-muur, als het ware een reusachtige lei, met duizenden witte puntjes
-overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein had een van zijn geweren voor
-mij met los kruit geladen, om de vogels te verschrikken. Zoodra dit was
-afgeschoten, maakten zich die witte puntjes voor een deel van hun
-donkeren achtergrond los, naderden, en bleken de gedaante van vogels,
-van sierlijke meeuwtjes te hebben, en verspreidden zich over de zee;
-maar in zulk eene ontelbare menigte, dat zij mij aan een sneeuwval
-deden denken, die plotseling was losgeraakt en nu in groote vlokken
-ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter beeld voor, dan dat het
-gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De zee was er mede bedekt
-zoover mijne <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>goede oogen reikten; en ondanks dit alles scheen
-de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was nu overtuigd, dat
-vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik moest zelf erkennen,
-dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld van te geven aan iemand
-die het zelf niet gezien heeft.&rdquo;</p>
-<p class="par">Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts
-afzakken, en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich
-hier geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks
-genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog
-slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns of
-Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens alle
-meeuwvogels &bdquo;Visschenpikkers&rdquo;). Ook hun lastige vijanden,
-de roofmeeuwen of zoogenaamde &bdquo;Jagers&rdquo;, volgen haar
-zuidwaarts, al hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen
-als tehuis in den broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote
-schrik der broedende menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste
-moeite kost, de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; &rsquo;s
-winters daarentegen geldt de roof slechts den een of anderen door hen
-veroverden buit. De &bdquo;Jagers&rdquo; namelijk hebben de gewoonte om
-andere meeuwvogels zoolang te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst,
-hun vaak reeds half verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en
-die dan met groote behendigheid op te vangen eer zij den grond of het
-water bereikt. Nog een anderen harer noordsche landgenooten, den
-eigenlijken Stormvogel, treffen zij hier somtijds aan, maar toch
-slechts in kleinen getale; van dezen echter hebben zij niets kwaads te
-vreezen. <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span></p>
-<p class="par">Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van
-koude terug vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan
-men zeer wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een
-genoegelijk leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk,
-ons te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure
-jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor de
-natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries zulk
-een angst en afkeer hebben. &bdquo;Nu ja,&rdquo; zal men zeggen,
-&bdquo;daarvoor zijn het zwemvogels.&rdquo; Doch is niet juist dit het
-belangrijke bij ons natuurgenot: na te gaan w&agrave;t een zwemvogel
-tot zwemvogel maakt en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat
-is het dat het kleed der meeuwen en der eenden zoo <i>waterproof</i>
-doet zijn; en wat stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge
-vlucht eens vogels en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen?
-Vlechtwerk moge geen geijkte term zijn: wie ooit een ve&ecirc;r bij, al
-zij het slechts vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht
-geven het zoo te noemen.</p>
-<p class="par">Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de
-koude, die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun
-vaderlandsch klimaat zijn, &eacute;&eacute;n ding schijnt ook haar te
-hinderen en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: &rsquo;t is
-als er storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk,
-onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of wel dat
-de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk maakt,
-&ograve;f dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet
-gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span>aan de
-luidruchtigheid der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja,
-indien zelfs vele volwassenen hun &bdquo;humeur&rdquo; niet boven
-dergelijke invloeden kunnen verheffen, zou men zich dan verwonderen dat
-eene &bdquo;redelooze meeuw&rdquo; daar niet tegen bestand is? Hoe het
-zij, bij sterken zeewind komen de meeuwen landwaarts in haar troost
-zoeken; als kind, te Haarlem wonende, hoorde ik dan vertellen, dat
-&bdquo;de Zandvoorders hun duiven loslieten&rdquo;. Zij houden, om een
-zeer voor de hand liggende reden, de rivieren en groote kanalen; maar
-in ons plasrijk land zal het haar niet licht overkomen, dat zij een
-geheele dagreis lang geen vischwater ontmoeten. Zoo komt het dat zij
-zich in bijna al onze steden af en toe vertoonen, niet het minst in de
-hoofdstad zelve, en dan de stedelingen amuseeren of hun weerkundige
-talenten prikkelen. Zij schijnen het daar zeer naar hun zin te hebben,
-zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds een uur lang boven dezelfde
-gracht blijven zweven. Veel visch weet ik niet of die grachten haar
-leveren, maar dan zeker andere dingen, die dat gemis vergoeden. Haar
-smaak is ook niet afkeerig van ander dierlijk voedsel, vooral indien
-het uit een goede keuken komt. Zoo heeft men mij verhaald, dat zich
-iederen morgen, op een vast uur, een troep meeuwen vereenigt voor het
-welbekende huis van den heer Zomerdijk Bussink, en daar loert op
-hetgeen er voor hen aan den wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan
-men gerust zeggen dat de meeuwen goed op de hoogte zijn van de
-Amsterdamsche adressen, en, in aanmerking van het hierboven vermelde
-gesprek, dat zij Amsterdam w&egrave;l zoo goed kennen als vele
-Amsterdammers haar. <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16"
-name="pb16">16</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e167">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">III.</h2>
-<h2 class="main">BLOEMEN VOOR HET VENSTER.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast
-zeggen: ja, elk op zijne wijze. In bijna ieders leven spelen zij,
-allicht zonder dat hij het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm
-treft men ze aan als sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als
-het ware instinktmatig te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven
-ieder ander staan. Hoe vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze
-aan een jarige; gij brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan
-zieken, als gij niets anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of
-meer gelukkige wijzen, waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel
-van de algemeene liefde die er voor bloemen heerscht.</p>
-<p class="par">Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven;
-zij verhoogen het feestelijke van onze feesten,.........</p>
-<p class="par">Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij
-groot en klein, vooral voor &rsquo;t venster, zelden aan &bdquo;een
-bloemetje&rdquo; ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de
-ramen maakt doorgaans een lieflijken indruk. <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span>Het doet
-denken aan die prettige, gezellige, verkwikkelijke menschen,
-&bdquo;gelukkig voor zich zelven en een ander,&rdquo; zooals men ze
-pleegt te noemen, die zich zoozeer aan vriendelijkheid gewend hebben,
-dat zij, ook wanneer zij slechts met hun eigen zaken bezig zijn, altijd
-een geest van welwillendheid van zich doen afstralen. Zulk een rij
-planten voor een raam toch is eigenlijk, vooral aan de straatzijde,
-niets anders dan een middel tot afsluiting, zoo goed als een gordijn,
-een chassinet of &bdquo;horretje&rdquo;. Maar terwijl eene neerhangende
-lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter blauw, groen of zwart
-ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes uitgespannen haakwerk
-u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een stuursch:
-&bdquo;<i>Verboden toegang voor nieuwsgierige
-blikken</i>&rdquo;,&mdash;verbiedt dat plantenhorretje volstrekt niets:
-het lokt zelfs uwe oogen, en groet als &rsquo;t ware den voorbijganger,
-terwijl het tegelijk van zelf de mogelijkheid van onbescheiden blikken
-voorkomt. Laat ons, terwijl er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar
-van die kamerplanten wat nader bekijken.</p>
-<p class="par">Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur
-de <i>Begonia&rsquo;s</i>. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in
-eindelooze variëteiten, van de &bdquo;ouderwetsche&rdquo;
-eenvoudigsten, met donkerroode bladeren, af, tot aan de nieuwsten met
-hun pracht van rood, groen en zilver.</p>
-<p class="par">Hoeveel zij overigens onderling mogen
-verschillen,&mdash;drie dingen trekken bij alle Begonia&rsquo;s, ook
-v&oacute;&oacute;r dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten eerste de
-scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad,
-waarme&ecirc; zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben,
-wordt men hier aanstonds getroffen door <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>de ongelijkheid der twee
-helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten,
-hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de plant
-dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede: de
-zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de
-anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen
-zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen,
-vergaan? Laat ons het veeleer z&oacute;&oacute; opvatten, dat de
-bladeren, naarmate zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen;
-en dat hetzelfde aantal haren, over eene grootere oppervlakte
-verspreid, niet zoozeer in het oog valt, als wanneer zij, op een
-kleiner ruimte, dichter bij elkaar staan.&mdash;Ten derde, hare rijke
-kleurschakeering. Vele van de jongere afstammelingen hebben met het,
-voor een paar honderd jaar uit Amerika overgebrachte, en naar zekeren
-Pater <i>Begon</i> vernoemde gewas, geen grooter overeenkomst dan b.v.
-een theeroos <i>Ali-Pacha</i> met eene hondsroos uit de duinen.
-Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds in haar vaderland, dus
-geheel van nature, eene sterke neiging tot het vormen van
-verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt niet dat zij in dit
-opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.</p>
-<p class="par">Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan
-hare lange, dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de
-plant komen verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er
-altijd aan denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen
-met (elk drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig
-oplettendheid kan ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij
-<span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>die bloemen zoo klein zijn als de, minst in
-&rsquo;t oogloopende, witte, van de oudste soorten, of zoo groot als
-die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez, zij zijn en
-blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de fraaie
-&bdquo;bolbegonia&rsquo;s&rdquo; over; de gewonen zijn en blijven in de
-eerste plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar
-bladeren.</p>
-<p class="par">Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche
-bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte
-bladeren&mdash;wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid
-dragen, zooals veelal bij <i>bleek</i>-bonten het geval is&mdash;doen
-zich aan het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich
-maar al te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent,
-willen wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden.
-Bevallig aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules
-of veranda&rsquo;s, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls
-een zeer sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting
-in den tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van
-een dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den
-bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste
-van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den
-regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons
-de kleurenwisseling van &rsquo;t loof alleen normaal doet voorkomen
-gedurende den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is
-afgeloopen?&mdash;</p>
-<p class="par">Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters
-begroeten, behoort de Primula Sinensis. Ook zij heeft een <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>schoonen, sterksprekenden, teekenachtigen
-bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met zeven uitgetande
-lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven uitgegroeid en
-trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene menigte knoppen!
-Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven op een gezamenlijken
-langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot haar volle lengte
-opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid tot den vorm van
-een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen zich de witte,
-rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen, gaaf en zuiver
-kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf afzonderlijke,
-als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien, zijn die allen
-aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de bloem uitgebloeid
-is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel, afvalt. Jammer van
-het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den stam verwelken of
-ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo spoedig mogelijk te
-verwijderen; doch als zoo&rsquo;n kroontje van hare plant loslaat in
-volle kleur en frischheid,&mdash;&rsquo;t is kinderachtig, maar ik
-betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan vast te
-willen maken.</p>
-<p class="par">Binnen weinig weken zullen sterker, grover
-Primula&rsquo;s op den kouden grond in bloei staan. Het zijn onze goede
-Sleutelbloemen, of &bdquo;Primulaveeren&rdquo;, of
-&bdquo;Bakkruidjes&rdquo;, zooals de tuinlui ze plegen te noemen; de
-&bdquo;<span lang="fr">Primev&egrave;res</span>&rdquo; der Franschen en
-de &bdquo;<span lang="en">Primroses</span>&rdquo; der Engelschen.</p>
-<p class="par">En dan hebben wij ook inlandsche Primula&rsquo;s,
-sleutelbloemen die hier in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in
-weiden of vochtige bosschen en herkent ze dan aan haar
-&bdquo;<span lang="fr">faux-air</span>&rdquo; van de in den tuin
-gekweekten. E&eacute;ne <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>soort schijnt in Engeland minder
-zeldzaam te wezen dan hier; althans ze bloeit onder den naam van
-&bdquo;<span lang="en">cowslips</span>&rdquo; in negen van de tien
-engelsche romans.&mdash;</p>
-<p class="par">Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die,
-door geheel haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een
-zomer- dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de
-kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen,
-beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene
-plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het,
-daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of
-men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.</p>
-<p class="par">Deze is dan ook geheel een <span class="corr" id="xd21e695" title="Bron: voortbrensgelder">voortbrengsel der</span>
-industrie, en draagt daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier
-blijkbaar meer geschied dan acclimatiseeren; men heeft trachten te
-veredelen, en wel op een wat al te krachtige en... geheel willekeurige
-manier. Dit geeft er iets aan, wat men in een mensch
-&bdquo;gemaakt&rdquo; zou noemen. Misschien ligt die indruk vooreerst
-daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg had om een
-heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid heeft; en dat
-de losse takken tot een koepel of een bol gesneden werden, een vorm,
-die wel past voor een linde, welke daartoe zelve aanleiding geeft, maar
-volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend struikje. En wij spraken
-straks van bladplanten: hier hebben wij te doen met een
-tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar vaderland de bloemen
-der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen, zou het mij zeer
-verwonderen of zij daar ooit z&oacute;&oacute; geheel het groen
-dreigden <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span>te verdringen, als hier het ideaal der kweekers
-schijnt te zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets
-plomps, iets onbehouwens in die roode of witte
-bloem-klompen-op-stokjes, zooals zij jaarlijks bij
-bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen der nijverheid, bekroond
-worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van een plant; maar goud is ook
-een sieraad, en toch, als iemand zich van top tot teen met goud wou
-gaan behangen, zou geen beschaafde smaak daar recht vrede mee
-hebben.</p>
-<p class="par">De kamer-winter-Azalea&rsquo;s doen mij altijd dubbel
-verlangen naar een andere soort, die hier des zomers op den kouden
-grond bloeit: de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden,
-want haar vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte
-zee. Wat aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de
-indischen achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood,
-zwavelgeel, hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange
-meeldraden en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen
-hangen, haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar
-langere steeltjes,&mdash;dit alles geeft aan het geheel een veel losser
-en sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de
-andere heeft is... haar heerlijke geur!&mdash;</p>
-<p class="par">Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een
-Camellia. Of ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door
-een kind eene &bdquo;winterroos&rdquo; hooren noemen, en toen heb ik
-haar daar goed op aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk
-had; en sinds dien tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een
-roos toe.</p>
-<p class="par">Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze &bdquo;rood
-<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>en wit bloeien&rdquo;, en haar geur, volgens
-Geibel&rsquo;s gloeiende regelen, &bdquo;gelijk een adem uit het
-paradijs over de velden rondwaart!&rdquo; En ziet dan nog eens uw
-Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in
-&rsquo;t geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos
-te lijken?</p>
-<p class="par">&rsquo;t Is als een mislukt portret: het origineel in
-het hard, in het koud, in het doodsch.</p>
-<p class="par">Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve,
-glimmende, dat alle wintergroen kenmerkt. &bdquo;Wintergroen&rdquo; is
-het door zijn zware opperhuid, die het minder gevoelig maakt voor
-indrukken van buiten: het is als menschen, die in &rsquo;t geestelijke
-&bdquo;een hard huidje&rdquo; hebben. In kleur en vorm en houding mist
-het al de teederheid, aan echt rozegroen eigen. Men ziet niet eens het
-adernet, dat in dit laatste zoo bevallig doorschijnt: de
-lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad alles wat
-inwendig voorvalt.</p>
-<p class="par">Doet ons de opperhuid van &rsquo;t groene blad aan leder
-denken,&mdash;die van het bloemblad herinnert aan een laagje was. De
-liefhebbers waardeeren dan ook juist in hun Camellia dat
-&bdquo;wasachtig&rdquo; aanzien. Het zou misschien ook op zich zelf
-niet leelijk wezen; de bekende Wasplant heeft ontegenzeggelijk haar
-schoonheid; maar alweder... het staat leelijk in een bloem, die op een
-roos lijkt. Waart gij ooit in een wassenbeelden-spel, en vondt gij op
-den duur niet iets zeer onbehagelijks en griezeligs in die wassen
-gezichten, die u <i>als menschen</i> aankeken?</p>
-<p class="par">De proef op de som, waar het de meerderheid der roos
-geldt, is, dat men de Camellia veel gemakkelijker <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name="pb24">24</a>]</span>na kan
-maken. Geef u de moeite slechts om uw <span class="corr" id="xd21e721"
-title="Bron: amelliastruik">Camelliastruik</span> uit glad, zwaar
-papier te doen bloeien; en, mits &rsquo;t een beetje handig wordt
-gedaan, kunt gij dagen lang, onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen
-&rsquo;t groen laten hangen. Een gemaakte roos daarentegen zal niet
-licht een geoefend oog bedriegen. De schoonheid eener roos brengt mede,
-dat men zien kan dat zij leeft; de teere grondstof, waaruit zij gebouwd
-is, kan door geene grovere nagebootst worden; haar inwendig weefsel is
-te zichtbaar, dan dat het ons niet terstond treft, indien wij daar de
-lijnen van missen. En haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien
-haar bijna bij het uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan,
-verwelken... Zonder dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die
-bewegelijkheid, in die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia
-bloeit langzamer en langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als
-onveranderd: wie <span class="corr" id="xd21e724" title="Bron: van daag">vandaag</span> geen lust heeft om naar haar te kijken,
-kan het morgen even goed doen. De roos daarentegen eischt dat men zich
-haaste en... men heeft nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.</p>
-<p class="par">Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover
-de vlak uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der
-vorstelijke eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar
-geheel zoo schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding,
-die de gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt?
-Het fijne tintenspel nog daargelaten,&mdash;is niet ieder rozenblad, in
-vorm en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het
-uitgevallen is toe?</p>
-<p class="par">En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen
-<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span>der Camellia, met haar kelk van als dakpannen over
-elkaar liggende schubben; of de door het instinkt van alle eeuwen als
-zinnebeeld van ontluikende lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk
-tot in de onregelmatigheid harer twee en drie ongelijke
-kelkslippen!</p>
-<p class="par">Maar &eacute;&eacute;n ding is toch waar: een Camellia
-heeft geen doornen!...</p>
-<p class="par">W&aacute;&aacute;r is dat, ja. Maar indien ooit een
-Camellia zich daarop beroemde boven rozen, dan zou ik even innig lachen
-of boos worden, als bij dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de
-menschenwereld! Eene roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia
-als genie van fatsoen; als zonneschijn van gemeen daglicht; als
-poëzie van proza;&mdash;en alle doornen (vraag excuus, botanist,
-jawel, stekels!) uit de rozetuinen van het Oosten en het Westen, hebben
-daarin tot nog toe geen verandering kunnen brengen.</p>
-<p class="par">Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder,
-ergert misschien sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de
-huiskamer te worden opgenomen, en daar de plantenwereld te
-vertegenwoordigen, het liefst gun, niet altijd aan &rsquo;t vreemdste
-of het nieuwste of het kostbaarste, maar aan... de edelste gestalten
-uit dat rijk. <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e176">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">IV.</h2>
-<h2 class="main">SPROKKELMAAND.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Zoo luidt sinds eeuwen Februari&rsquo;s bijnaam;
-en in oude almanakken ziet men dan ook geregeld, op het tweede prentje,
-een paar arme kinderen, met een bundeltje hout op den rug, doode takjes
-oprapen of afbreken, om den voorraad, waarvan moeders haard moet
-branden, bij elkaar te zamelen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Waar men hout hakt vallen spaanders&rdquo;, zegt
-het spreekwoord; en niets is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen
-tak van nijverheid, dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden.
-Intusschen zijn er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve
-ook toe, die graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen
-schadeloos zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij
-daardoor een boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd
-eenigszins &bdquo;door merg en been&rdquo;, als ik een mooien boom zie
-rooien. Het eigenlijke hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of
-wat gehakt worden, anders zouden de stammen elkander verdringen; en het
-<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span>is er van den aanvang af voor bestemd. Maar
-wanneer er een boom valt, die in den loop der jaren als het ware een
-individu is geworden, een &bdquo;iemand&rdquo;, zonder wien wij ons de
-buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen; een, zij het dan
-onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield voor onze woning,
-of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken, in &rsquo;t voorjaar
-met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw, in &rsquo;t najaar
-met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des winters met zijn
-ijskegels of rijptooi... dan is &rsquo;t ons vaak of er een moord
-gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber werk
-verrichten. En is dit niet min of meer &rsquo;t geval met alle boomen:
-brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk, iets
-bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke Nederland
-hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die, om welke
-oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens denken aan
-de arabische spreuk:</p>
-<div class="blockquote">
-<p class="par first">Wie een boom velt, dien vloeken zijne
-kleinkinderen.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen
-worden aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van
-sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge boomen.
-In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur gedaan
-wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge
-aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder aan
-te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen van
-zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in de
-toekomst eenige vergoeding? Op <span class="pagenum">[<a id="pb28"
-href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>hoe menig landgoed is een statig
-beukenbosch ne&ecirc;rgehaald, alleen om geldelijke
-redenen,&mdash;omdat men er meer dadelijk voordeel in zag, op die
-gronden tabak of aardappelen, of wie weet welk ander veldgewas te
-kweeken; terwijl het nog de vraag geweest zou zijn, of zij, bij een
-goede exploitatie, als bosch, op den duur niet meer opgebracht zouden
-hebben! Voor hoe menig kasteeltje is de schoone oprijlaan vernietigd,
-omdat de heerenhuizing tot een boerderij vernederd werd; en de boer die
-eiken of die iepen of die linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld
-verhinderden, van uit zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens
-knotwilgen of uitgeloopen wilgenstronken zijn er voor in de plaats
-gekomen! En dan, op hoevele wandelplaatsen zijn de hooge boomen
-gaandeweg verdwenen ten gunste van de stijve mozaiekbedden-mode, die
-geen schaduw om zich duldt, en het lieflijk <i lang="fr">clair-obscur</i> uit onze tuinen en parken verdrijft! En wordt
-niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat een of
-ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft, dat zij
-&bdquo;ongezond zijn&rdquo;? Ik weet een stad, waar vroeger overal,
-langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede punten
-van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden, en waar die
-thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien men eens van
-deze opvatting terugkeert, en we&ecirc;r boomen wil hebben, zal men ze
-van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten wachten tot
-zij weder groot zijn!&mdash;En dan komt het maar al te dikwijls voor,
-dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is, iemand
-afschrikt om er me&ecirc; te <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>beginnen. Dat is jammer. Vooreerst
-duurt het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom,
-een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat, op
-onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover vezels
-vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in hoogere,
-droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller, zoodat de
-planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels bereikt heeft.
-Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag men goedsmoeds,
-als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht aan haar lot
-overlaten, als met een &bdquo;<i lang="fr">apr&egrave;s nous le
-d&eacute;luge</i>&rdquo;? En is er, onafhankelijk van alle andere
-overwegingen, niet een weelde in &rsquo;t zien opgroeien van wat men
-heeft aangelegd?</p>
-<p class="par">Gun dat ik de geschiedenis van onze
-<i>Tannh&auml;user-allee</i> vertel. Bekend is de legende van den
-duitschen ridder Tannh&auml;user, die, na een geheel jaar in den
-Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus Urbanus
-vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te doen voor
-zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke reden,
-onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer deze
-stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen trok
-Tannh&auml;user de heilige stad weder uit, &bdquo;in jammer en in
-lijden&rdquo;, en riep &bdquo;Maria-Moeder, de reine maagd&rdquo; tot
-getuige, dat hij gedaan had wat hij kon, om weder als haar dienaar te
-worden aangenomen. En ziet, de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke
-barmhartigheid, deed een wonder: den derden dag begon de stok groene
-blaadjes te krijgen. En hetzij men nu, met de <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span>oude
-ballade, de tragische opvatting volge, dat er twee boden uitgezonden
-werden naar alle landen, waar Tannh&auml;user doorgegaan was, maar dat
-men hem nergens vond, omdat hij, in zijn wanhoop, weder in den
-Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met Wagner&rsquo;s blijmoediger
-opera, den ridder werkelijk van het voor hem gedane wonder genot late
-hebben,&mdash;de dorre stok met groene blaadjes staat daar als lieflijk
-beeld van de &bdquo;eeuwige genade&rdquo;, die meer is dan
-&bdquo;straffende gerechtigheid&rdquo;.</p>
-<p class="par">Zoo dor als die stok van Tannh&auml;user, waren de jonge
-iepen, die een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen
-grintweg geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van
-dien ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in
-Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij
-namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar
-waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt,
-zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met een
-bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming aan op
-een vorstigen Februaridag, en moesten &bdquo;gekuild&rdquo; worden tot
-de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een stevige
-noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden, om te zorgen
-dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar, en de zomer
-moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en daar
-uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen liep met
-een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors, om te
-beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden
-beweerden, dat een <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31"
-name="pb31">31</a>]</span>boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit
-weer een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van
-gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan
-dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam
-en wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding
-van &rsquo;t geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer
-de beste blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met
-name voor iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze
-hunne eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid
-geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar de
-koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is het
-voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij tot op
-gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang, of zij
-hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij niet veel
-van zich doen merken; maar reeds v&oacute;&oacute;r de herfst inviel,
-hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten,
-bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in
-het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds
-bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde jaar
-was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige landweg
-tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon &bdquo;groen
-gewelf&rdquo; zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd
-van leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen
-in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken
-geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein
-geweest in hunnen <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32"
-name="pb32">32</a>]</span>jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan
-bij Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden;
-van de prachtige houtpartijen rondom &rsquo;s Graveland bestond niets,
-totdat v&oacute;&oacute;r nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne
-aanplantingen waagde; en als in zekeren winter, zeker iemand in
-Gelderland geen lust gehad had, om twee paar rijen beuken te planten,
-die hijzelf stellig nimmer groot zou zien, dan was er nooit gekomen,
-wat thans &bdquo;de schoonste beukenlaan van Nederland&rdquo;, de
-veelgeprezen laan van Middachten is....</p>
-<p class="par">De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische
-spreuk luidt:</p>
-<div class="blockquote">
-<p class="par first">&bdquo;maar wie een boom plant, dien zegent het
-nageslacht&rdquo;.</p>
-</div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e185">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">V.</h2>
-<h2 class="main">DE LANGE LENTE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn
-kindertijd herinner, onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de
-oude kindermeid die ze vertelde, is er een van een daglooner die een
-varken geslacht had, en daarvan den geheelen winter &eacute;&eacute;ne
-zij spek bewaarde. Als de kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk
-bewaard werd, dan luidde vaders antwoord: &bdquo;Voor de lange lange
-lente.<span class="corr" id="xd21e795" title="Niet in bron">&rdquo;</span>&mdash;Eens op een bar kouden dag, terwijl
-de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij niet een
-stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was&mdash;werd er altijd
-bij verteld&mdash;vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor
-haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij
-gaf hem de zij. Toen haar man t&rsquo;huis kwam, en zij hem vertelde
-wat er gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de
-lange lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den
-honger.</p>
-<p class="par">De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u
-<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>niet tot verhongering zal doemen. Overigens geloof
-ik, dat het niet de lente zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar
-wel het wachten op de lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin
-zieken en gezonden ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder,
-maar daarom nog niet zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar
-geen kracht schijnt te hebben. &rsquo;t Is vooral de maand Maart, die
-in dit opzicht zeer berucht is; en op al het kwaad dat men van haar
-pleegt te vertellen, moet ik antwoorden, dat zij zonder twijfel een
-dikken mantel en &bdquo;goed voer en een warmen stal&rdquo; zeer op
-prijs doet stellen. Doch zooals alle andere dingen, kan men Maart ook
-van twee kanten bekijken. Men kan <i lang="fr">&agrave; la baisse</i>
-speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: &bdquo;Maart heet
-Lentemaand; een mooie lente met die Maartsche buien!&rdquo; Maar men
-kan het, omgekeerd, ook <i lang="fr">&agrave; la hausse doen</i>, en
-met een keurig versje van Gautier verzekeren:</p>
-<div lang="fr" class="lgouter xd21e808">
-<p class="line">&bdquo;Mars, qui rit, malgr&eacute; ses averses,</p>
-<p class="line">Pr&eacute;pare en secret le printemps.&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar
-karakter zeer juist uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of
-verwachten, dat zij de lente is, maar slechts dat zij de lente
-<span class="ex">voorbereidt</span>. En in dit opzicht twijfel ik ook
-dit jaar niet aan hare goede diensten.</p>
-<p class="par">Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe
-&bdquo;Maartsche lucht&rdquo; die velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat
-maakt deze zoo geducht voor te&ecirc;re, verwende gestellen, maar
-tevens zoo beroemd voor &bdquo;de Maartsche bleek&rdquo;? &rsquo;t Is
-haar rijkdom aan <span class="ex">ozon</span>. &rsquo;t Is omdat, in
-dezen tijd van het jaar, <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>de zonnestralen hare sterkste
-oplossende en verbindende kracht hebben, en die kracht naar alle zijden
-doen gelden,&mdash;om &rsquo;t even of hun een stuk linnen of
-menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden worden. Guur en bar als
-zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel iets anders dan
-Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls w&egrave;l zoo schadelijk;
-zij &bdquo;pakt hen erg aan&rdquo; en maakt hen eer verkouden; maar
-voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een
-mooien&mdash;neen, zij het slechts op een gewonen,
-grauwen&mdash;Maartdag &eacute;&eacute;n uur goed doorgeloopen heeft,
-voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en zijn helderheid, hoe
-&bdquo;sterk&rdquo; de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens te zien
-hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen bloeien,
-en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen: de
-groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de lente
-eensklaps komt, en &bdquo;het groen&rdquo; in een paar dagen
-&bdquo;uitloopt&rdquo;, dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo
-snel geschieden kan; en dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen
-zij, volgens onzen dichter, &bdquo;tusschen hare buien door lachend, in
-&rsquo;t geheim de lente gereed maakte.&rdquo; Geloof maar, wat zij
-kwaad doet in het openbaar, dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.</p>
-<p class="par">Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter
-aan de arme lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand
-legt op alles, wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen.
-Maar dat zijn uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan
-altijd bevinden dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een
-<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>toestand lijden, diegenen zijn, die eigentlijk in
-ons klimaat niet thuis behooren. Zoo was het in het voorjaar van
-&rsquo;t beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch bloemkweeker,
-&bdquo;geholpen door de Muzen&rdquo; aldus in een vriendenkring zijn
-nood klaagde:</p>
-<div class="lgouter">
-<h4>OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN.</h4>
-<p class="line">Een oude wrok is dus in <i>Zephyrus&rsquo;</i>
-gebleven?</p>
-<p class="line">Hij schijnt nog niet voldaan met
-<i>Hyacinthus&rsquo;</i> leven!</p>
-<p class="line">Neen, zijne gramschap treft op nieuw &rsquo;t onnozel
-bloed</p>
-<p class="line">Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed.</p>
-<p class="line">Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten,</p>
-<p class="line">Uit <i>Phebus&rsquo;</i> lieveling tot ons vermaak
-gesproten.</p>
-<p class="line">Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal!</p>
-<p class="line">Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval?</p>
-<p class="line">Eerst werd <i>Andromeda</i> door &rsquo;t monsterdier
-verslonden;</p>
-<p class="line">Geen <i>Perseus</i> werd haar ten verlosser
-toegezonden.</p>
-<p class="line">De stevige <i>Atlas</i>, die den ganschen hemel
-torscht,</p>
-<p class="line">Moest bukken voor &rsquo;t geweld van hagel, sneeuw en
-vorst.</p>
-<p class="line"><i>Pomona</i> gaf den geest! <i>Vertumnus</i> is
-verdwenen.</p>
-<p class="line">Helpt, Goden, mijn verlies in <i>Frankrijk&rsquo;s
-kroon</i> beweenen!</p>
-<p class="line"><i>Fleury</i> is heengereisd, die arme kardinaal!</p>
-<p class="line"><i>Colossus</i> viel ter neer; met hem mijn <i>Prins
-Royaal</i>.</p>
-<p class="line">Ach, brave <i>Cicero</i>, gij buktet voor tirannen;</p>
-<p class="line">Met u zijn <i>Vrijheid</i> en <i>Het Roomsche Regt</i>
-verbannen.</p>
-<p class="line"><i>Formosa Helena</i> is wederom geschaakt,</p>
-<p class="line">En <i>Paris</i> met zijn buit te zaam omkoud&rsquo;
-geraakt.</p>
-<p class="line">De groote <i>Goliath</i> boog voor &rsquo;t geweld der
-steenen,</p>
-<p class="line">Maar <i>Koning David&rsquo;s</i> dood moest ik meteen
-beweenen.</p>
-<p class="line">Mijn <i>Ganimedes</i> lag door &rsquo;s winters hand
-geveld,</p>
-<p class="line">En werd door <i>Arcas</i> naar het starrendak
-verzeld.</p>
-<p class="line">Twee Roomsche keizers zijn, (<i>Vitellius</i> was de
-eene,</p>
-<p class="line"><i>Augustus</i> d&rsquo;andere), met <i>Nisa</i> laas!
-verdwenen. <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span></p>
-<p class="line">Zelfs <i>Scheba&rsquo;s Koningin</i>, met <i>Koning
-Salomon</i></p>
-<p class="line">Zijn door &rsquo;t geweld verdrukt, dat <i>Juno</i>
-zelfs verwon.</p>
-<p class="line">De <i>Morgenster</i> was heen, de <i>Maagd van
-Dordt</i> geschonden,</p>
-<p class="line">De <i>Kroon van Salomon</i> en <i>Hollands Staat</i>
-verslonden.</p>
-<p class="line">Mijn <i>Philomela</i> werd met <i>Theseus</i>
-omgebracht;</p>
-<p class="line"><i>Polyxena</i> op &rsquo;t graf van
-<i>Peleus&rsquo;</i> zoon geslacht.</p>
-<p class="line">Hier zag ik <i>Icarus</i> naar d&rsquo;Eridaan
-gezonden;</p>
-<p class="line">Den dappren <i>Hector</i> aan <i>Achilles&rsquo;</i>
-lijk gebonden.</p>
-<p class="line"><i lang="fr">Le Roi des fleurs</i> stierf weg, door
-hagel (niet van lood),</p>
-<p class="line"><i>Regina</i> hield haar man gezelschap in den
-dood.</p>
-<p class="line">De <i>Graaf van Egmond</i> liet in mijn gezigt het
-leven;</p>
-<p class="line">Ik heb <i>Honorius</i> den laatsten snik zien
-geven.</p>
-<p class="line">Hier zag ik <i>Hannibal</i>, daar <i>Cesar</i>
-ondergaan,</p>
-<p class="line">Met <i>Palamedes</i> en <i>Ulyssus</i> is &rsquo;t
-gedaan!</p>
-<p class="line">De trotsche <i>Phaëton</i> viel met den
-<i>Zonnewagen</i>;</p>
-<p class="line"><i>Parmenio</i> werd kort hierna in &rsquo;t veld
-verslagen.</p>
-<p class="line">&rsquo;k Zag <i>Agamemnon</i> in zijn eigen bloed
-gesmoord,</p>
-<p class="line">En <i>Clytemnestra</i> naast <i>Orestes</i> snood
-vermoord,</p>
-<p class="line">Hier moest ik <i>Orondaat</i>, daar <i>Statira</i>
-beweenen,</p>
-<p class="line">Ginds is mij <i>Pyramus</i> en <i>Thisbe&rsquo;s</i>
-geest verschenen.</p>
-<p class="line">De groote <i>Jupiter</i> vloog met den <i>Arend</i>
-heen,</p>
-<p class="line">De <i>Zilvren Maan</i> werd bleek; en
-<i>Phebus&rsquo;</i> glans verdween.</p>
-<p class="line">Ik zag <i>Patroclus</i> naast zijn vriend
-<i>Achilles</i> sneven,</p>
-<p class="line">Vorst <i>Priamus</i> den geest aan
-<i>Pyrrhus&rsquo;</i> voeten geven,</p>
-<p class="line">Het <i>Hert</i> is op den loop, en <i>Pegasus</i> op
-hol;</p>
-<p class="line">Wat van <i>Monarq&rsquo; du Monde</i>, een allerbesten
-bol,</p>
-<p class="line">Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan
-staren,&mdash;</p>
-<p class="line">(De droes nam mij het paard,&mdash;zou hij den ruiter
-sparen?)</p>
-<p class="line">De <i>Sultan</i> is verreisd; <i>King George</i>
-me&ecirc; van kant,</p>
-<p class="line">En met den <i>Ooijevaar</i> naar &rsquo;t onbekende
-land!</p>
-<p class="line">&rsquo;k Heb <i>Thalia</i> en <i>Mars</i>, en
-<i>Hercules</i> zien vellen;...</p>
-<p class="line">Waar is, o Go&ocirc;n, de schaar die &rsquo;k eertijds
-konde tellen?</p>
-<p class="line">Waarme&ecirc; heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld
-verkwist?</p>
-<p class="line">Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist!</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span></p>
-<p class="par">&rsquo;t Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook
-in het jaar 1740. En daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op
-onze 52&frac12;&deg; N.B., in den kouden grond planten wil kweeken, die
-in de Levant t&rsquo;huis behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar
-werpe niet ten slotte de schuld op ons klimaat! <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e194">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">VI.</h2>
-<h2 class="main">BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft
-<span class="corr" id="xd21e1179" title="Bron: van daag">vandaag</span>
-vakantie weten te bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij
-daarvoor aan den burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het
-een der eerste mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes
-kievitseieren wou gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik
-geloof nog meer dan in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die
-laatste punten geen kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste
-heel bijzonder veel goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol
-eieren t&rsquo;huis komt, en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn
-bekwaamheid. Als hij een &bdquo;kieft&rdquo; ziet vliegen, kan hij niet
-alleen zien waar diens nest is, maar ook hoeveel eieren daarin liggen,
-en of er vuilen bij zijn. Hij heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij
-in de geheimen van dat vak te onderrichten; en ik heb ook een en ander
-van de theorie onthouden, maar de praktijk heb ik nimmer goed beet
-kunnen krijgen. Eens heb ik een nestje met drie eieren gevonden; maar
-<span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span>het was meer geluk dan wijsheid dat ik die niet
-stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten.</p>
-<p class="par">Intusschen is &rsquo;t mij vaak een waar genot geweest,
-om, toen ik nog in zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen
-vergezellen. De kievit is een weidevogel. &bdquo;De kievit,&rdquo; zegt
-Brehm ergens, &bdquo;behoort bij het karakter van het hollandsche
-landschap, evenals de alpenkraai bij het zwitsersche, en de struisvogel
-bij dat van de woestijn. Hij doet onwillekeurig denken aan slooten en
-vaarten, aan zwartbonte<a class="noteref" id="xd21e1186src" href="#xd21e1186" name="xd21e1186src">1</a> koeien, aan windmolens en
-buitenplaatsen.&rdquo; De vraag is, of men dit niet evengoed kon zeggen
-van andere vogels; de kievit is daarbij niet aan ons vaderland
-gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare <i lang="de">Kiebitze</i>
-bij menigte; in Engeland is de <i lang="fr">Peewit</i> geen
-zeldzaamheid, en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in
-omloop:</p>
-<div lang="fr" class="lgouter xd21e808">
-<p class="line">Qui n&rsquo;a pas mang&eacute; de vanneau,</p>
-<p class="line">N&rsquo;a pas mang&eacute; de bon morceau.</p>
-</div>
-<p class="par first">(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen
-wij ons met hun eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en
-grof!)</p>
-<p class="par">Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze
-nederlandsche vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de
-weiden. April is grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor
-zijn, het gras heeft zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet;
-en een voormiddag <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41"
-name="pb41">41</a>]</span>zwervens door die groene velden levert zijne
-eigenaardige genoegens op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van
-stevig schoeisel, en ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op
-lente-zoelheid te rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp
-in de vlakte, waar zijn lange, breede stroom slechts op groote
-afstanden door een paar huizen of een boschje wordt gebroken.
-Overigens, hoe eentonig dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil,
-zijn er allerlei onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het
-alleen maar in de vogelenwereld.</p>
-<p class="par">Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een
-stadstuin te bepalen, zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten.
-Let, om te beginnen, eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den
-paal van &rsquo;t hek zit, waar wij door moeten. In gedaante en
-bewegingen komt hij geheel overeen met het welbekende parelgrijze
-kwikstaartje; slechts de gele kleur, het helderst aan het kopje,
-onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen uit het zuiden; zijn wijfje zal
-wel in de buurt zijn, want men ontmoet altijd een paar bij elkander. De
-witte kwikstaart nestelt in de boomen of, evenals de musschen, op het
-dak; de gele daarentegen houdt zich lager bij den grond. Hij
-<span class="ex">bouwt</span> geen nestje; hij <span class="ex">richt</span> slechts een kuiltje daarvoor in. Zulks kan men
-trouwens van al de vogels zeggen, die met hem de weide bewonen: zij
-geven zich veel minder moeite voor hun nesten dan de zangers der
-bosschen. Daar hebt gij, van zangers gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij
-ooit een leeuwerikken-nestje, met een stuk of drie eitjes of onbeholpen
-vederlooze jonkjes er in? Men moet een geoefend oog hebben om het te
-ontdekken: het is niet <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42"
-name="pb42">42</a>]</span>dieper dan duizend andere oneffenheden op een
-eenigszins hobbeligen bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en
-zorgen vrouw Leeuwerik heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en
-zoo kwaad als het gaat bij elkander te houden; terwijl haar mannetje
-omhoog meezingt in het concert, en door de geheele wereld gevierd
-wordt:&mdash;zooals trouwens in meer kunstenaarsgezinnen het geval
-is.</p>
-<p class="par">De muzikale talenten zijn overigens niet sterk
-vertegenwoordigd in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij
-vliegend, hetzij loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer
-weinig welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam:
-<span class="ex">Grutto</span>, <span class="ex">Tureluur</span>,
-<span class="ex">Kievit</span>, eene klanknabootsing is. Het klagend,
-eentonig geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat
-grauw is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt,
-een weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper,
-nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van wulpen,
-tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren, waarop zij
-veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is iets minder
-eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen zeggen, dat
-hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog een beetje
-verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des avonds, alles
-overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op denzelfden toon
-herhaald: <span class="ex">Kare-kare-karekiet-kare!</span> Dat is het
-liedje (?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets
-dunner en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren,
-een tusschending <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span>tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch;
-en, meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het
-vochtige hollandsche landschap. Als het ons &eacute;&eacute;ns
-getroffen heeft, kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt
-het ons altijd van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de
-Vecht bij Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een
-rietstengel geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten
-schreeuwen, met een kracht, die, als men het diertje niet kende,
-stellig naar ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen
-zoeken.</p>
-<p class="par">Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes,
-die ik hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de
-merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat, die
-zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij die
-gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent
-&bdquo;haren&rdquo;, die &bdquo;te berge rijzen&rdquo;? Zoo gaat het
-met de veeren van den kemphaan, of liever van een soort van manteltje,
-dat hem om de schouders en, bij wijze van schild, voor de borst hangt.
-In gewonen toestand liggen deze veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij
-slechts zijn hals wat verdikken; maar zoodra hij zich tot vechten
-gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen hem, op Texel, niet onaardig den
-naam van &bdquo;kraagmaker&rdquo; bezorgt. Dit vechten geschiedt in den
-paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een wijfje, soms ook om een
-insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder eenige zichtbare reden,
-uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd heeft altijd twee aan twee
-plaats: zij zijn, in meer dan &eacute;&eacute;n opzicht, het aangewezen
-zinnebeeld <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>van het duel. Hun wapen is hun lange weeke snavel,
-die in de hitte van &rsquo;t gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren
-bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen
-wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van
-beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood ten
-gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen: zij
-loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit.</p>
-<p class="par">Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen
-persoon; en terwijl onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat
-inspekteeren, willen wij hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen.
-Het is altijd raadzaam om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker
-mede te nemen, ten einde tegemoet te komen aan de schuwheid van de
-vogels, die wij nooit dicht genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn
-meest in het oogvallend kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder
-heeft hij de grootte van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van
-een ekster, ofschoon een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en
-zwart, met beurtelings groenen en purperen weerschijn: alleen komt er
-aan de zijden een weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft
-volstrekt niets van den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo
-kort, dat hij slechts eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt.
-Zijn bek daarentegen is geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn
-gansche levenswijze samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang
-genoeg zijn om hem dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te
-doen herkennen, zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op
-hoe hij, bij het vliegen, de <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span>pooten achteruit steekt, in plaats
-van ze onder &rsquo;t lichaam op te trekken.&mdash;Een raar ding toch,
-dat vliegen. Is het niet iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een
-dier z&oacute;&oacute; dun zijn, dat zij bijna geen gewicht hebben, en
-bijna geen ruimte beslaan; en daarentegen zijne voorpooten
-z&oacute;&oacute; sterk ontwikkeld en met dons en gesloten vederen
-begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen van een schip? Dat
-daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem vergunnen zich naar
-willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij dus van nature de
-inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche moeite aan een
-luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert door het
-luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden, en die wij hem,
-sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden, nog altijd niet
-hebben leeren nadoen!...</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Ik wou dat ik een vogel was,</p>
-<p class="line">Een vogeltje met ve&ecirc;ren.&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">Zoo zingen de kinderen, en onder alle
-schoolversjes is dit een dergenen, waarmee hun jong hart het meest
-instemt; en ondanks al zijn eigene bewegelijkheid kan een kind lang
-achtereen oplettend naar een vogel kijken, en eindelooze vragen doen
-omtrent het geheim van zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in
-den regel niet mee in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt,
-&bdquo;en een mensch is nu eenmaal geen vogel,&rdquo; luidt zijn
-afdoend antwoord. Is dat vooruitgang in ons geestesleven? Is dat
-toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen in jaren?... Wee dengenen
-die geen vragen meer doen!</p>
-<p class="par">Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij
-<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span>vliegen samen op een kleinen afstand om ons heen.
-Zij maken allerlei verschillende bewegingen, voeren als het ware een
-ballet in de lucht uit, en roepen allerhande variatiën op het
-thema <i>kie-vit</i>. Van vragen-doen gesproken: wat beteekent die
-taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien zij op dit
-oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben dan ook
-alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het nest reeds
-ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier eitjes er
-in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij toont ons
-hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet hem echter
-niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons, die in dit vak
-nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een welverdiend
-verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af te leiden door
-naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne menschensluwheid
-kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de arme dieren is,
-dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te goed hebben.
-Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans, daarvan op nieuw
-beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter kan zich zoo warm
-maken over de &bdquo;wonderschoone Meimaand&rdquo; als de kievitten
-doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening en
-menschelijke wetten begrepen. <span class="corr" id="xd21e1255" title="Bron: Van af">Vanaf</span> 1 Mei toch is het zoeken van eieren
-verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet altijd
-werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is er dus voor
-hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij zestien dagen
-noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span>zich
-bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen hoog
-gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is verder,
-niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken te
-verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld
-bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken
-zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer
-dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood,
-bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet men
-hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden, en als
-het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als zij in
-grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo&rsquo;n vijand aan te
-vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals zij
-dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk gezicht
-is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend, en dienen
-door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad, den anderen
-vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers is die
-ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei of een
-ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek, in
-September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen, naar
-het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart, eerst
-bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug.
-<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e1186" href="#xd21e1186src" name="xd21e1186">1</a></span> Men
-bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene
-uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche
-soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken
-zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e1186src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e203">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">VII.</h2>
-<h2 class="main">RONDOM EEN MOLSHOOP.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;Het <span class="corr" id="xd21e1268"
-title="Bron: kruit">kruid</span> schiet op in den lommer van het
-geboomte, welig als het gras op het veld; en de witte madelieven en de
-gele paardebloemen spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw
-van den winter en den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden
-uitspreken, hoe beide krachtige seizoenen samensmelten in de
-beminnelijke, maagdelijke lente.&rdquo;&mdash;Dus heet het in een van
-die keurige natuurtafereelen, die steeds de grootste en blijvende
-schoonheid van Hofdijk&rsquo;s werken zullen uitmaken.</p>
-<p class="par">Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een
-gespikkeld veld; benevens lust en rust om er u in te vermeien;
-gezondheid om er beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een
-vrijen en ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!</p>
-<p class="par">Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje
-zingen gaan, in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar
-de plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan
-paardebloemenplanten, en het <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>drukst gefrequenteerd door mollen. De
-paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels nog
-in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij die
-gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens vrij
-onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te
-vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet
-zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken
-in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die
-pooten zijn voor ons &rsquo;t belangrijkst, &egrave;n om hun
-zonderlingen vorm, &egrave;n... omdat zij het zijn die middellijk de
-molsla leveren. In onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren,
-heeft een mol, gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en
-twee handen om te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben
-behalve haar merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de
-bijbehoorende armen tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen
-zijn. Een en ander maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol
-wroet gangen, die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te
-vergelijken; en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in
-letterlijken zin die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig
-plan, waarnaar het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig
-mogelijk te maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen
-doorgedrongen; mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de
-oppervlakte, namelijk tot de &bdquo;molshoopen&rdquo;, welke hij gaande
-weg omhoogwerpt. En hoe meer paardebloemen-loten zich daarin dan
-ontwikkelen, hoe liever het mij is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de
-mollen, uit het oogpunt van hun <span class="pagenum">[<a id="pb50"
-href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span>deugd als insectenvernielers,
-gaf ik telkens in verbeelding mijn bijval uit het oogpunt van molsla,
-en koester een vernieuwde hoop voor mijn oogst van het aanstaande
-voorjaar!</p>
-<p class="par">Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk
-is?&mdash;&rsquo;t Hangt er van af hoe men het doet. Als ik met een
-leege mand op molsla uitga, zorg ik, dat ik met een volle t&rsquo;huis
-kom; maar houd onderwijl mijn oogen open voor hetgeen er nog behalve
-molshoopen en paardebloemen op het veld te zien is. Eerlijk gesproken
-word ik dikwijls van mijn arbeid afgeleid door.... Ja door? Door den
-leeuwerik omhoog; door kikkereieren die in een greppel drijven; door
-het stuifmeel der wilgen; door het eerste plantje hondsdraf, dat ik een
-heel jaar lang niet had gezien en geroken. Bij elken stap ontmoet ik
-oude kennissen, die ik moet groeten; en somtijds ook nieuwe: kruiden,
-dieren, die mij onbekend zijn, en met welke ik trachten moet kennis te
-maken. Want indien ik dat niet deed, indien ik ze met half gesloten oog
-voorbij liep,.... ik zou mij schamen, al ware het slechts voor de
-nagedachtens van ouden Hend!</p>
-<p class="par">Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan
-voor invloed op mij uitoefent?&mdash;Het was een tuinman uit de buurt.
-Hij was &rsquo;t, die mij de eerste lessen in de botanie gaf, en
-bijwijlen, in &rsquo;t voorbijgaan, ook in de entomologie. Hij zou
-verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit verteld werd, en toch was het de
-waarheid. Hij was het, die mij, toen ik vijf, zes jaar was, uren
-achtereen rondom zich in den tuin liet spelen; die mij, al spittend,
-zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste geduld te woord stond, zoo
-over de geheimen van zijn eigen arbeid, als <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>over
-honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare &bdquo;griezeltjes&rdquo;,
-die ik om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die
-witte en die gele &bdquo;spikkels&rdquo; van de weide leerde kennen en
-liefhebben; die mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de
-zonderlinge vraag: &bdquo;hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk
-had?&rdquo;, en mij de pret van &bdquo;&rsquo;t kaarsjes blazen&rdquo;
-dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit een paardebloem
-afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte zijde
-gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in &rsquo;t
-seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij, aan
-de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder aan de
-plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....</p>
-<p class="par">In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het
-beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat
-voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het
-teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede het
-&bdquo;onpraktisch&rdquo; karakter van zijn lessen. De jongens hollen
-door, beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur
-ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men
-heen wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op
-zijn duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen,
-een tortel uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit
-laatste feit niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost
-zich daarmee, dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun
-korten leertijd vele beesten en gewassen &bdquo;uit elkaar te leeren
-kennen&rdquo;, als wel om hen &bdquo;in te wijden <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span>in een
-goede natuurwetenschappelijke methode&rdquo;, die hen helpen kan
-&bdquo;een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de mensch in
-de wereld inneemt&rdquo;, enz. De ander echter blijft van oordeel, dat
-een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest heeft,
-in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen rondom
-zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat gezonde en
-nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden degelijke
-menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het niet onaardig
-hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan onderwijl wel
-eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen, dat er zooveel
-onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap, en tusschen de
-&bdquo;methode&rdquo; van verschillende scholen; maar ik heb alle reden
-om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want&mdash;om slechts bij de
-weide-&bdquo;stippels&rdquo;, die wij straks bespraken, te
-blijven:&mdash;indien ik met belangstelling de botanische ontdekkingen
-bijhoud, waarbij o. a. de vorm der meeldraden van de &bdquo;boldragende
-ranonkel&rdquo; tot bewijs dient; indien ik oog en hart heb voor de
-schilderachtige legende, die de roode puntjes van de madelieven als met
-Held Siegfried&rsquo;s laatste bloed bezoedeld voorstelt; als, in
-&eacute;&eacute;n woord, mijn ooren open staan voor al wat dichters en
-geleerden van dergelijk klein veldsieraad vertellen,&mdash;dan dank ik
-dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is, die mij met die bloemen
-zelven <i>gemeenzaam</i> en <i>bevriend</i> gemaakt heeft! <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e212">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">VIII.</h2>
-<h2 class="main">PALM-PASCHEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;Pallem-pallem-paschen!...&rdquo; klinkt het
-jaarlijks alom in kleine steden en in de achterbuurten van de
-grooteren, op een voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de
-straat of steeg inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een
-optocht van een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes
-gestoken, en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner
-dan zij zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan
-zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun
-&bdquo;Pallem-pallem-paschen!&rdquo;... met nog eenige moeielijk
-verstaanbare klanken er achter.</p>
-<p class="par">Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die &bdquo;het
-van dergelijke klanten moeten hebben&rdquo;, kunt gij u nader met het
-voorwerp dat zij droegen, bekend maken. &rsquo;t Is vervaardigd uit
-twee of meer stokjes, al naarmate dat het groot en weelderig
-is,&mdash;waaraan een sinaasappel en een paar appelen bevestigd zijn,
-en verder koekjes, prentjes, suikergoed en papiervlaggetjes, en
-tusschen alles <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name="pb54">54</a>]</span>in, de glinsterende blaadjes van den welbekenden
-buks- of palmboom.</p>
-<p class="par">Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de
-palmtakjes gehoord had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen
-hoe zij aan dien naam van &bdquo;palm&rdquo; gekomen zijn. Zeker is er
-al zeer weinig overeenkomst tusschen dezen noord-europeeschen heester,
-en de niet alleen tienmaal grootere, maar daarbij geheel anders
-gebouwde (&bdquo;een-zaadlobbige&rdquo;<a class="noteref" id="xd21e1309src" href="#xd21e1309" name="xd21e1309src">1</a>) reuzen van
-het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten aan de Bildt van
-ouds den naam van &bdquo;Palmmarkt&rdquo; dragen, staat de <i>Buxus
-sempervirens</i> algemeen als palmboom bekend, wegens.... den
-Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in het
-klein een eerste tafereel van het <i>Passiespel</i> op te voeren; en de
-eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen,
-vertegenwoordigen het daverend &bdquo;<i>Hosanna</i>&rdquo;, dat in
-zeker onvergetelijk drama zoo kort aan het &bdquo;<i>Kruist
-hem</i>&rdquo; voorafging!</p>
-<p class="par">Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van
-G&ouml;the, waarin verhaald wordt hoe in &rsquo;t Vatikaan, te Rome, op
-Palmzondag, <i>echte palmtakken</i> gebruikt worden, om daar mee te
-wuiven, wanneer de kardinaals voor &rsquo;t altaar buigen en oude
-psalmen zingen; hoe in andere kerken diezelfde <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span>psalmen
-ook gezongen worden, door priesters met olijventakken in de handen; hoe
-men zich in &rsquo;t gebergte vaak met hulst moet behelpen; en hoe
-elders in de vlakte ten slotte wilgenteentjes dienst doen.&mdash;Ook
-bij ons in &rsquo;t Noorden moest natuurlijk, zoodra het vieren van de
-palmprocessie ingevoerd werd, een of ander soort van <i>groen</i>
-voorhanden wezen. Maar welk groen vindt men hier doorgaans in de week
-v&oacute;&oacute;r Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan nauwlijks
-uitgebot. &rsquo;t Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo slap.
-Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes vallen.
-De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor &rsquo;t
-doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven; en,
-was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk te
-krijgen. Eenmaal geregeld &bdquo;palmdienst&rdquo; doende, kreeg hij
-den naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk
-gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht
-&bdquo;onreine geesten&rdquo; te verdrijven, werd hij algemeen een
-lieveling van &rsquo;t volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt
-sieraad in kleinere tuinen; en de onaangename geur, dien zij in
-grootere hoeveelheden verspreiden, verhindert niet dat
-&bdquo;palmboompjes&rdquo; tot de meest algemeene huisplanten behooren.
-Zoo ziet men ook, het geheele jaar door, palmtakjes boven
-wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen &rsquo;t inslaan van
-den bliksem.</p>
-<p class="par">Den ganschen winter door kroop hier en daar in &rsquo;t
-bosch, in tuinen, en misschien ook in uw bloementafel, een
-onaanzienlijk plantje, met vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene
-blaadjes, en waarvan de eenige verdienste <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span>was,&mdash;dat die
-blaadjes groen bleven. Thans, sinds kort, zijn er jongere, lichtgroenen
-bijgekomen; en eindelijk ook een paar kleine porseleinblauwe bloemen.
-Zou het door de gelijkenis van &rsquo;t loof met dat van den tot palm
-gepromoveerden Buxus wezen, dat men aan dit bescheiden plantje den naam
-van Maagdepalm gegeven heeft? En indien men daarbij bedenkt, hoe goed
-de ranken van dit kruid zich door hare buigzaamheid tot kransenvlechten
-leenen, dan is &rsquo;t niet vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld
-van trouw, &rsquo;t zij in vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht
-bracht daar de kleur der bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem
-heeft van oudsher iets bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het
-hemelsblauw schijnt te weerspiegelen, of om haar gelijkenis met
-menschelijke oogen? Ik durf het niet te zeggen. Doch als gij eene
-blonde bruid mocht hebben, ga dan den eersten mooien lentezondag de
-beste, met haar naar het bosch om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en
-zoo gij die vindt, vlecht er haar dan een krans van. Misschien, zal die
-haar heil aanbrengen. Maar zeker zal hij mooi staan bij het goud of
-lichtbruin van haar haren. En zij zou al heel koel of nuffig moeten
-wezen, als zij niet iets voelde voor die teedere gave. <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e1309" href="#xd21e1309src" name="xd21e1309">1</a></span> Ik
-verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk een
-paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter van
-&eacute;&eacute;n- en twee-zaadlobbige planten in <i>volwassen
-toestand</i> uitgedrukt wordt; zoodat men niet telkens, om het
-sterksprekend onderscheid tusschen deze beide afdeelingen van het
-plantenrijk aan te duiden, zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode
-van iederen boom behoeft terug te gaan!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e1309src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e221">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">IX.</h2>
-<h2 class="main">TULPEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der
-fantazie, half als zeer gewaagde poging om, langs een esthetischen weg,
-tot eene natuurlijke rangschikking der planten te geraken, een
-standen-verdeeling van de &bdquo;Ingezetenen des Plantenrijks&rdquo;
-beproefd. In deze teekenachtige indeeling, die op na&iuml;eve wijs den
-stempel van haar tijd draagt, en in onze demokratisch-wetenschappelijke
-eeuw, om meer dan eene reden, met een glimlach ontvangen zou worden,
-noemde hij:</p>
-<p class="par">&bdquo;De <span class="ex">Palmen</span>,
-<i>Vorsten</i>, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en ongetakt
-blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is).</p>
-<p class="par">&bdquo;De <span class="ex">kruiden des Velds</span>,
-(een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei gestalte), de
-<i>Edelen</i>.</p>
-<p class="par">&bdquo;De <span class="ex">Boomen</span>, die de
-bosschen uitmaken, de <i>Staten</i>. (Men vindt ze omringd door hunne
-dienaars en beschut door een wacht van <i>Soldaten</i>, namelijk die
-<span class="ex">doornachtige</span> gewassen, welke zich dikwijls om
-de stammen en <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan
-<i>Tafelschuimers</i>, namelijk de <span class="ex">woekerplanten</span>.)</p>
-<p class="par">&bdquo;De <span class="ex">Grasplanten</span>, het
-<i>Landvolk</i> (de kracht en steun des Rijks, die, hoe meer zij
-besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.)</p>
-<p class="par">&bdquo;De <span class="ex">Varens</span>,
-<i>Werklieden</i> (die &rsquo;t zaad op den rug dragen).</p>
-<p class="par">&bdquo;De <span class="ex">Mossen</span>, <i>Slaven</i>
-(met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die schraal zijn en honger
-lijden, moetende zich behelpen op plaatsen, welke voor de anderen
-ongeschikt zijn.)</p>
-<p class="par">&bdquo;De <span class="ex">Wieren</span>,
-<i>Duikelaars</i>, (bijna ongekleed, zonder optooisel of
-fraaiheid.)</p>
-<p class="par">&bdquo;De <span class="ex">Paddestoelen</span>, het
-<i>Uitschot des Rijks</i>, (dat zich niet toelegt dan op stelen en
-rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als &rsquo;t ware in
-den nacht, als de anderen slapen).&rdquo;</p>
-<p class="par">Op dit tooneel nu figureeren de <span class="ex">Bolplanten</span> als &bdquo;<i>Hovelingen</i>, pralende met
-heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het Rijk te
-strekken.&rdquo;&mdash;Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die
-schitterende Leliën en Tulpen, Ixia&rsquo;s en Narcissen, al die
-prachtige soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die
-bevallige Scilla&rsquo;s, Frittellaria&rsquo;s en Cyclamens. En ondanks
-hun rijkdom van verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend
-gemeenschappelijk karakter.</p>
-<p class="par">Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die
-schijndoode bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk
-terugtrekt, alsof &rsquo;t in een zaadkorrel ware? Die zich laat
-drogen, verzenden, op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met
-behulp van een weinigje vochtige <span class="pagenum">[<a id="pb59"
-href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>aarde,&mdash;(Hyacinthen en
-Crocussen groeien reeds alleen in water, en Colchicums hebben zelfs
-deze laatste voorwaarde niet noodig,)&mdash;de bladrozet en bloemsteel
-ontspruiten, welke daarin maanden lang als kiem, zonder merkbare
-ontwikkeling, opgesloten lagen!</p>
-<p class="par">De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek:
-lange lint- of zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en
-overlangsche nerven, zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende
-adertjes: in &eacute;&eacute;n woord, gras in &rsquo;t grof. Hoe al wat
-bollen draagt ook boven den grond overeenkomst heeft, bewijst het
-voorbeeld van de uien; het zou mij niet verwonderen, als iemand bij
-vergissing een tulpenbol en een chalotte omruilde, en het blad van eene
-zoogenaamde zee-uie zou men gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen
-doorgaan.</p>
-<p class="par">Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in
-onveranderlijke voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze,
-in plaats van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de
-tweemaal-drie blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een
-Hyacinthen-nagel, de sierlijke <span class="corr" id="xd21e1445" title="Bron: diehoekigheid">driehoekigheid</span> der groote witte Irissen,
-die zwanen onder de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan
-dien regel van drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal
-(niet gevuld) is, drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes;
-of &eacute;&eacute;n driehoekig, zooals in Tulpen.</p>
-<p class="par">De hoorn des overvloeds, verborgen in den
-onuitputtelijken zak van den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig,
-reeds eer nog de dagen op hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen
-in de huizen uit; en wel van eene <span class="pagenum">[<a id="pb60"
-href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>soort, die de oude
-grief,&mdash;dat zij &bdquo;wel pronken, maar niet
-geuren,&rdquo;&mdash;het volkomenst logenstraft: de welriekende
-&bdquo;ducjes&rdquo; (<i>Duc van Toll.</i>) Het zijn bescheiden
-tulpjes, althans wat haar omvang aangaat, maar overigens in &rsquo;t
-oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud, zwart&mdash;(de
-duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische, zooals zij
-b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom van
-verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te
-tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden in
-drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes
-samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook het
-zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In hun
-midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl, op het
-driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den bloei
-der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of gevuld
-zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van het
-vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes,
-verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet of
-men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan bij
-menigte.</p>
-<p class="par">Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond
-bloeien; en een aantal liefhebbers vermeien zich in &rsquo;t schouwspel
-dat &bdquo;de bollenlanden&rdquo; rondom Haarlem en elders te zien
-geven. Veler smaak intusschen voelt zich daartoe in het geheel niet
-aangetrokken. Zij vinden weinig moois aan &bdquo;zoo&rsquo;n
-bloemenfabriek&rdquo;, en vergelijken de met vierkante vakken van
-roode, witte, gele, bonte tulpen <span class="pagenum">[<a id="pb61"
-href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>prijkende akkers bij het
-droogveld van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot
-gelijk aan; maar er valt dan ook van een &bdquo;fabriek&rdquo; niet
-anders te verwachten, dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo
-doelmatig mogelijk rangschikt, en de orde bij het planten en rooien
-hooger acht dan de bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij
-echter hindert het, als ik diezelfde stijfheid, schrilheid,
-onbehaaglijkheid die in de schikking op de bollenvelden heerscht,
-terugvind in parken en tuinen, waar er geene verontschuldigende reden
-voor bestaat, waar zij louter &bdquo;voor het mooi&rdquo; geplant zijn,
-en waar dus alles moest gedaan worden om ze bevallig te doen
-uitkomen.</p>
-<p class="par">Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in
-hooge mate te &bdquo;flatteeren&rdquo;, leerde ik een paar jaar geleden
-van het toeval. In een rond bloemperk van anderhalven meter middellijn,
-had een knecht, zonder er veel bij te denken, een mand vol gezonde
-bollen uitgeplant. Er stonden daarin echter ook&mdash;van boven geheel
-afgestorven&mdash;drie planten van de welbekende reusachtige
-Beerenklauw (<i>Heracleum giganteum</i>). Toen nu in &rsquo;t volgend
-jaar de tulpen&mdash;het waren geen zeer vroegen&mdash;gingen groeien,
-begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en tegen dat
-de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de laatsten
-juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder ze te
-veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel tusschen
-de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken; het heldergroene
-loof der tulpen hing daar onder en daar over heen, terwijl de
-<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er
-schitterend boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer
-moeite zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger
-opschieten; en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken,
-aan de meeste bollenperken eigen. Het geheel was in &eacute;&eacute;n
-woord z&oacute;&oacute; teekenachtig, &egrave;n wat lijnen &egrave;n
-wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan de schoonheid die
-een tulp in haar natuurlijke omgeving&mdash;ik meen, in haar
-vaderland&mdash;hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende als
-model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig dieper
-gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen, zal men
-er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient gedaan te
-worden dan in kweekerijen. <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e230">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">X.</h2>
-<h2 class="main">HEI! &rsquo;T WAS IN DE MEI!</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De Mei is in het land!</p>
-<p class="par">Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker
-achteruit gaat, en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet
-geweest zijn dan heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk
-gemaakt hadden van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te
-dikwijls, bij de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van
-&bdquo;de zoete Meie,&rdquo;</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;..............een kus,</p>
-<p class="line">Dien de zon geeft aan de aarde,&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">klinken bijna als eene bespotting van de
-hedendaagsche pinksterstormen.</p>
-<p class="par">Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die
-in ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens
-vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog een
-andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere
-geslachten, of liever <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64"
-name="pb64">64</a>]</span>de traditioneele volksgeest, welke die
-legenden en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan
-wij zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de
-hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen,
-avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen, of
-te meten? &rsquo;t Is een proza&iuml;sch, een huisbakken element, dat
-ooit eenige weelde&mdash;welke ook&mdash;naar hoeveelheid berekent! Ons
-beter deel,&mdash;de dichter in ons,&mdash;weet wel anders. Hij weet
-dat daar geen sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of
-korter, maar van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu
-drie- of viermaal heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of
-niets toe, mits elk onzer slechts &eacute;&eacute;n oogenblik dien lach
-heeft weten op te vangen, z&oacute;&oacute; dat hij ons door merg en
-been, door ziel en zinnen heendrong,&mdash;z&oacute;&oacute; dat nog
-maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering, en ons
-hart opengaat bij het hooren van het &eacute;&eacute;ne woord:
-Lente!</p>
-<p class="par">De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de
-overlevering brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd,
-welke ons, indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen,
-jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen altijd
-de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en de lucht
-zoel geweest zijn juist op den 1<sup>sten</sup> of den
-21<sup>sten</sup> Mei, en de noordoostewind de takken op de Meiwagens
-ontzien hebben? Soms wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig.
-Maar het feest was eenmaal d&agrave;&agrave;r; en verreweg de meeste
-feestgenooten waren sterk van huid en zenuwen; en de hartstocht<a id="xd21e1495" name="xd21e1495"></a> der werkelijkheid was niet altijd
-<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>zoo wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op
-zoo&rsquo;n dag hun fantazie beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den
-ouden regen of de maar al te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet
-eens de moeite waard om op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog
-gaat bij dergelijke feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander
-publiek, dan &rsquo;t geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes
-te lezen!</p>
-<p class="par">Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer
-zijn Meifeesten weggelegd,&mdash;even plechtig als men &rsquo;t zich
-van Dru&iuml;den-priesters, even jolig als men &rsquo;t zich van
-middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits hij zelf bereid zij, zal het
-Meiweer wel komen! Maar het komt onverwachts. Somtijds springt het over
-de grenzen en komt in April of in Juni: ook die gril moet men nemen
-zooals &rsquo;t valt.</p>
-<p class="par">Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw
-venster te kloppen. Ruim uw werk op en ga m&ecirc;e. Er zullen gure
-dagen genoeg aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden,
-visites doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als
-een heiligendag.</p>
-<p class="par">Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met
-een waas van schoonheid overtogen,&mdash;zelfs de kaalste velden en de
-leelijkste moerassen,&mdash;maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes.
-Begin eens ginds aan den stadswal, waar &rsquo;t leven van natuur en
-maatschappij elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met
-gras en jonge lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al
-schrobbend zingen, met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder,
-waar gij &rsquo;t oog hebt op de tuinen in den omtrek, waar de
-hagedoorns bloeien, en waaruit u nu de &eacute;&eacute;ne, straks een
-<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name="pb66">66</a>]</span>andere geur te gemoet komt, die u doet denken
-aan,&mdash;ja aan....? Gij weet het zelf niet...&mdash;zeker aan een
-vroegeren Mei.&mdash;Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en
-verdiep u in het duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt:
-kruipend, zwemmend, vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog
-wel lang niet alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken
-u ieder jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en
-u, in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag:
-waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen?</p>
-<p class="par">Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de
-bloemen, die wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het
-woord, en vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van
-hetgeen u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u
-zelven; van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch
-bij te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten
-te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje
-sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij wat
-gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik&mdash;in elk geval
-slechts in verbeelding bij u&mdash;ben een veilige vertrouwde. Vertel
-mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en
-teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord
-de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld, ik
-luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,&mdash;welnu, dan voel
-ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van
-bewustzijn te hebben, boven dat uit, <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>wat zich reeds als
-denkbeeld we&ecirc;r laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil?
-Stemt zij u tot juichen, als om strijd met de vinken; of dringt zij u
-terug in u zelven? Bezielt zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot
-werkzaamheid en leven, die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult
-zij u met weemoed over onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk;
-in beiden kan een schat van levenslust en van ontwikkeling besloten
-liggen. Met beiden zou ik u geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad.
-Die raad&mdash;ik meen wijding voor de opgewektheid, ontspanning voor
-den weemoed&mdash;lag van oudsher in samenstemming met de edelste,
-beminnelijkste aller fantazieën, ooit aan de dichterziel der
-menschheid ontsproten: dankbaarheid jegens een verborgen Maker, die de
-lente en hem die haar liefheeft, naast elkander voortbracht. Verheug u,
-zoo de tooveresse Mei u doet meedoen aan die &bdquo;goddelijke
-dwaasheid&rdquo;, die hoogste geestelijke weelde!</p>
-<p class="par">Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen
-gepraat heb, heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor
-u. Gij vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een
-bloeiend eschdoorntakje...... <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e240">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XI</h2>
-<h2 class="main">EEN ENGELSCH LANDSCHAP.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;H. M. de Koningin zal overmorgen haar
-kasteel te Windsor betrekken, en aldaar eenige weken
-vertoeven.&rdquo;</p>
-<p class="par">Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees,
-zie ik reeds in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het
-welbekende teeken van H. M.&rsquo;s tegenwoordigheid op het kasteel),
-en breidt zich eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in
-al zijn heerlijkheid voor mijne oogen uit.</p>
-<p class="par">Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw.
-Velen onzer hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen
-gezien, maar dan waren die doorgaans &ograve;f tot bouwvallen
-afgebrokkeld, &ograve;f tot gevangenis, wapenhuis of iets dergelijks
-gedegradeerd. Een oud versterkt slot echter, zoo geheel in zijn
-middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans zoo goed onderhouden en
-keurig ingericht, als voor de woonplaats van een der voornaamste
-europeesche hoven van onzen tijd betaamt, vindt men niet licht ergens
-anders dan te Windsor. <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69"
-name="pb69">69</a>]</span></p>
-<p class="par">Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers
-voor eenige fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras
-bezoeken, en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de
-meubileering der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling
-tusschen het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig
-comfort van H. M.&rsquo;s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor
-verblijf houdt, is natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer
-ingekrompen; maar m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de
-meerdere levendigheid en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje
-heerscht. Het is dan bijzonder aardig, om van den hoogen &bdquo;ronden
-toren&rdquo;, dien men ten allen tijde mag beklimmen, op de ruime
-binnenplaats neer te zien, de vuren in de bewoonde appartementen te
-zien flikkeren, de warmte der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en
-voorrijders af en aan te zien rijden, in &eacute;&eacute;n woord een
-blik te slaan in het groote huishouden beneden.</p>
-<p class="par">Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat
-sommigen misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden
-kunnen noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste
-vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige
-mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,&mdash;een afstand die
-jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar tot
-nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het liefelijke
-van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken van Londen
-zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid van het
-engelsche landschap leent er zich geheel toe, om <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span>rondom
-de hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet
-in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk
-bewoonde gedeelten van Europa&rsquo;s vasteland; oorspronkelijke wouden
-vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten zijn
-meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid van alle
-natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het gezellige,
-parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken kenmerkt, en
-waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen landbouw, hun
-dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar &eacute;&eacute;n
-samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt,
-spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke
-zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen
-heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing in
-het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen, en
-toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te
-voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen
-tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel de
-weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van
-volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland
-groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt
-van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij, wij
-hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en-
-zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen,
-eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan
-te treffen, vindt <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71"
-name="pb71">71</a>]</span>men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij
-ons, zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht
-een boom z&oacute;&oacute; te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle
-kanten uit kan groeien en zijn grootsten omvang bereiken:
-&eacute;&eacute;n blik op eenige engelsche landschap-gravures kan ons
-toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen ten achteren zijn. Dit een
-en ander kenschetst het karakteristieke van hun landschappen. En indien
-men dan ten overvloede een rivier als de Theems in het oog krijgt, niet
-breed, maar allersierlijkst kronkelend.... Waarlijk de &bdquo;<i lang="en">country</i>&rdquo; rondom Londen is verrukkelijk; en aan ieder die
-de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje naar Windsor, als
-proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het aangenaamst in
-&bdquo;het schoone jaargetijde&rdquo;; maar door den overvloed van
-wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook
-vroeg in &rsquo;t voorjaar, laat in &rsquo;t najaar, ja zelfs in het
-hartje van den winter recht behaaglijk. &rsquo;t Is inderdaad
-merkwaardig, hoeveel prachtige ceders en naaldboomen er prijken op de
-grasvelden der parken; hoeveel hulst, ligusters en eene eindelooze
-verscheidenheid van groenblijvende boomen en heesters, (tot
-groenblijvende eiken toe), men in de tuinen vindt; en welk een schat
-van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt, zweeft, klimt en
-guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen, hekken, huizen en
-heggen, &bdquo;<i lang="en">Ivy lodges</i>&rdquo; en
-&bdquo;&mdash;<i lang="en">cottages</i>&rdquo;. Natuurlijk hangt deze
-liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche aristocratie, om
-bij voorkeur den winter op het land door te brengen, en is zij vandaar
-gaande weg naar de lagere standen afgezakt.</p>
-<p class="par">Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens
-onwillekeurig <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in
-zoover het ons een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de
-meeste, later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een
-halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks den naam
-van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en hotelstraat,
-welks ronding die van den muur van het slot volgt, laten een niet
-onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken, late zich de
-slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het schoone witmarmeren
-praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin van koning Leopold I
-van België).&mdash;Maar vlak tegenover Windsor, door een fraaie
-Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel grootere stadje Eton;
-en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton het wereldberoemde
-college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben niet, sinds
-verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte, hebben
-niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle mogelijke
-helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere kringen
-spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te <i>Eton</i>
-school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte
-die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet,
-eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond
-mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw,
-zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend en
-niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de half
-uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en
-trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag
-<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name="pb73">73</a>]</span>middag; de kweekelingen, <i lang="en">Eton-boys</i>, zooals zij in de wandeling genoemd worden, liepen
-aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar aan hun
-zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en dassen...
-Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen? <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e249">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XII.</h2>
-<h2 class="main">IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Reeds vroeg in &rsquo;t jaar, tegelijk met
-boschanemonen en muurbloemen en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus
-Japonica. &rsquo;t Was het sieraad van de buurt, die welige drie voet
-hooge leiboom in zijn schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den
-noordenwind, en volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het
-schoone jaargetijde in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst
-meer sprake kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn
-gloed, te treffender in dat seizoen der zachte tinten.&mdash;Dat het
-een peer- of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er
-hier in &rsquo;t land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet
-juist appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde
-kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk
-voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet het
-loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks de
-sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn bouw
-datzelfde stokkerige, <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75"
-name="pb75">75</a>]</span>hoekige karakter, dat, zal men de verlakte
-werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche
-Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op de
-knoopen der takken,&mdash;een plaag voor ieder, die er een bouquet van
-wenscht te maken,&mdash;hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch
-porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam
-&bdquo;<i>Ya-lo-ala</i>&rdquo;: zou dat misschien de vrucht zijn, die
-dit soort van appelboomen in hun vaderland draagt?</p>
-<p class="par">Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De
-perenboomen zijn reeds &bdquo;als met een wit laken overdekt&rdquo;; en
-hun eigenaars worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke
-gezicht, en angst voor ieder oostenwindje dat vorst of &bdquo;zwarte
-vlieg&rdquo; zou kunnen aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd,
-dat deze b&ecirc;te noire geen &bdquo;vlieg&rdquo; is, maar een
-kevertje.) En nog een dag of tien, en &rsquo;t zachte rood der
-appelbloesems zal, voorlooper van &rsquo;t later rood der rozen, aan
-duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven.</p>
-<p class="par">Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen
-in de pomologische wereld;&mdash;ja, lezer, ook een wereld op zich
-zelve, zoo goed als de &bdquo;groote&rdquo;, de parlementaire, de
-letterkundige, en andere afzonderlijke werelden!&mdash;Denk aan de
-pereboomen in de boomgaarden van onze boerderijen: echte knoestige
-boomen, met stammen en kronen, waaronder menschen rondloopen en
-kinderen spelen, en schapen aan een lijntje grazen kunnen. Denk aan de
-appelboomen, zooals zij in Duitschland langs de wegen geplant zijn, om
-den wandelaar een schijn van lommer, en den pachter op den koop toe een
-oogstje te bezorgen, <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76"
-name="pb76">76</a>]</span>en die mevrouw De Stael, bij hare komst
-&bdquo;<i lang="fr">en Allemagne</i>&rdquo;, vervulden met een
-grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen zij
-hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef
-hangen tot het rijp was!&mdash;En denk dan aan de &bdquo;snoeren en
-palmetten&rdquo;, de &bdquo;spiraal- en vleugel-piramiden&rdquo;; in
-&eacute;&eacute;n woord aan die zonderlinge waaiers en ladders en
-rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker ze invoerde, boompjes
-welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen, dan aan hunne eigene
-eenvoudige stamgenooten herinneren.</p>
-<p class="par">&bdquo;En kies tusschen het oude en het nieuwe,&rdquo;
-had ik er haast bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht
-kijken, valt er niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier.
-Doch daar men nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om &bdquo;het
-mooi&rdquo; kweekt, maar om de vruchten; en de &bdquo;beredeneerde
-kweekwijze&rdquo;, omdat zij wezenlijk onmiddellijk op natuurfeiten
-berust, op de grootte en de fijnheid van die vruchten waarlijk gunstig
-werkt, valt daartegen niets afdoends meer in te brengen. Wie voortaan
-eigen appelen en peren eten wil, kieze uit de honderden op eene
-prijslijst voorkomende nummers die, waarvan hij den geurigen smaak
-heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan de namen hem bijzonder
-prikkelen, (als daar zijn: <i lang="en">Adams pearmain</i>; <i lang="en">Beefsteak</i>; <i lang="en">Newtons pippin</i>; <i lang="de">Weissbrod</i>; <i lang="fr">Calville d&rsquo;Eve</i>; <i lang="fr">R&eacute;publicain</i>; <i>Drie torenpeer</i>; <i lang="fr">Napoleon-Bon-Chr&eacute;tien</i>; <i lang="fr">Cur&eacute; Belle
-H&eacute;loise</i>; <i lang="fr">Pie IX</i>; <i lang="fr">Saint-Michel-Archange</i>!) en ik wensch hem voorspoed op zijne
-plantage.</p>
-<p class="par">Maar wie &eacute;&eacute;ns in het jaar,
-&eacute;&eacute;ns in de &eacute;&eacute;ne veertien dagen gedurende
-welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>al de
-weelde van den te&ecirc;ren bloesem wil genieten, die brenge&mdash;waar
-hij ze slechts weet te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen
-schuttingen en bleekveldjes&mdash;een visite aan de oude, groote boomen
-van zijn kennis, &rsquo;t zij zij <i>Juttepeer</i> heeten of
-<i>Sapperdegroentje</i>, of de grofste onbenoemde soort van
-&bdquo;hand-&rdquo; of &bdquo;pot&rdquo;-appel voortbrengen. Dan legere
-men zich hier of daar in <span class="corr" id="xd21e1625" title="Bron: val- de">de</span> nabijheid, en late zich beregenen door de
-eerste <span class="corr" id="xd21e1628" title="Bron: af- lende">afvallende</span> blaadjes. En als dan toevallig aan
-de eene zijde een sering en aan de andere een gouden-regen over eene
-heining heen komt kijken,&mdash;het blonde kind der Alpen naast den
-geurigen zoon van het Oosten,&mdash;dan zal het steeds nog te bezien
-staan wie van die drie, zij of de vruchtboom, het meest tot ons
-lentegevoel bijbrengen. <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e258">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XIII.</h2>
-<h2 class="main">BOUQUETTEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wat moet toch een &bdquo;bouquet&rdquo;, of, naar
-den nederlandschen naam, een bloemruiker eigenlijk wel wezen?</p>
-<p class="par">Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende
-bloemen, zoo saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar
-eigenaardigheden zoo voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het
-tegenwoordig doorgaans?</p>
-<p class="par">Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge
-gewoonte ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een
-heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang, een
-zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine
-knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de
-bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te
-steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel
-hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men <i>alle</i>
-bloemen, die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken
-knoppen me&ecirc; weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op
-te letten of de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span>elk
-frisch puntje, zij het van een nog zoo krom of verlept lot, is
-bruikbaar. Van lieverlede nu is deze handgreep ook overgegaan op
-grooter en kostbaarder, uit zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten.
-Daar, uit den aard der zaak, die rietbouquetten een vrij gladde
-oppervlakte krijgen, en de bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te
-worden, (ten eerste om de kortheid der stelen, en ten andere om de
-rietjes te bedekken), was men vindingrijk genoeg, om van zoo&rsquo;n
-vlak of bol een soort van mozaiek te maken. Wij kennen allen de
-patronen, die bij dit knutselwerk het meest in zwang zijn: b. v.
-&eacute;&eacute;ne groote bloem in &rsquo;t midden, dan een kringetje
-groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur, enz. Soms
-worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het onlangs in
-een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25, uit
-knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak van
-rozenknoppen en rozen.&mdash;E&eacute;n bezwaar had zich voorgedaan:
-Terwijl in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen
-werden, bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk
-gaandeweg tot een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij
-wat moeielijker te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo
-zijn sinds vele jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen
-randen, een belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig
-minnaar, die zijn bruid op haar verjaardag een &bdquo;hand-&rdquo; of
-&bdquo;vaasbouquet&rdquo; wil sturen, zou dien niet gaarne zonder
-zoo&rsquo;n geijkten witten driehoek zien bezorgen, maar misschien zeer
-geërgerd wezen, als men hem vraagde, waarom hij zulk een <i>op een
-goedkoopje</i> gefabriceerden bouquet <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>had besteld. En menig
-bruidje, dat zoo&rsquo;n &bdquo;<i lang="fr">porte-bouquet</i>&rdquo;
-aanneemt, en niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak
-twijfelde, beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met
-haar en haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en
-weelde.</p>
-<p class="par">Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de
-stijfheid dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat
-die mode mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch
-welbekeken is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet,
-maar ze is gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met
-schoonheidsgevoel in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner
-beschikking, zou zeer licht iets beters &bdquo;in de mode&rdquo; kunnen
-brengen. Zeer geschikt zou hij daartoe gebruik kunnen maken van den
-heerschenden eerbied voor al wat oud-hollandsche kunst heet, zich
-beroepen op het oordeel onzer oude schilders, en b.v. op de eerste de
-beste tentoonstelling, in een grijze terra-cotta vaas van eenvoudig
-model, een groot bouquet <i>&agrave; la van Huysum</i> ter tafel kunnen
-brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling van schilderijen
-zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak na kon volgen,
-vooral daar toch die <i>hoofdzaak</i> in niets anders bestaat, dan in
-de eischen der natuur zelve. Zij&mdash;en van Huysum!&mdash;stellen op
-den voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet
-all&eacute;&eacute;n de kleuren van haar kroontjes, maar ook de
-sierlijkheid, waarmee zij, op haar stengel wiegend, zich verheffen of
-neerhangen; den rijkdom harer vormen, in verband met de plant, die haar
-voortbracht; het kontrast met het bij haar behoorend groen.&mdash;Het
-kost misschien <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span>meer bloemen en meer zorg, in elk geval meer
-kunst-smaak, zulk een bouquet te maken, dan een waarbij papier en riet
-te hulp komen. Daartoe toch kan men slechts volkomen gave takken,
-trossen, pluimen nemen, en ten tweede is die schikking niet
-gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer alledaagsche
-slordigheid is slechts &eacute;&eacute;n zeer klein stapje; en
-te&ecirc;re, levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig
-materiaal. Soms, als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen
-weerspannig; en er wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist
-zooveel te kiezen, dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt
-blijft. Daarbij, hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer
-gelegenheid voor fijne schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor
-bontheid en hardheid.&mdash;Dit alles zijn bezwaren, en maken een
-<i>Bouquet van Huysum</i>,&mdash;om ons aan dien naam te
-houden,&mdash;tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt,
-zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen: ook
-van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat
-bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid!
-<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e267">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XIV.</h2>
-<h2 class="main">EEN DUBBELE BOODSCHAP.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Tot de vaste attributen van een eersten mooien
-zomerschen dag behooren van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en
-vogelenzang, ook een zwerm vroolijk dansende muggen, een van plant tot
-plant zwevende vlinder, een sierlijk boven &rsquo;t water heen en weer
-vliegend juffertje. En zoo groot is de kracht der sympathie,&mdash;van
-de gemeenschappelijke vreugde over &rsquo;t mooie weer,&mdash;dat men
-bij zoo&rsquo;n gelegenheid ieder spoor van afkeer jegens deze dieren
-laat varen, en hen alleen als natuurgenooten, als feestgenooten
-begroet!</p>
-<p class="par">Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is
-nooit zoo groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen,
-zoogenaamd &bdquo;volkomen&rdquo; toestand ontmoet, dan wanneer men in
-hun kruipend tijdperk met hen te doen heeft. &rsquo;t Is opmerkelijk,
-terwijl men in den regel aan jonge zoogdieren,&mdash;jonge honden,
-katten, lammeren, ja zelfs biggen,&mdash;vriendelijkheden pleegt te
-bewijzen, waarop zij op hun ouden dag wijs doen van niet <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span>meer te
-rekenen, heeft tegenover insekten juist het omgekeerde plaats. Van een
-rups heeft bijna elk een afschuw; zoodra zij een
-&bdquo;kapelletje&rdquo; geworden is, behoort zij tot de welkome, ja,
-dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een gouden torretje
-algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar indien men het bij
-ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen had gekregen, zou men
-het al heel licht voor &bdquo;een wurmpje&rdquo; aangezien en ter dood
-veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten om zich te
-verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig groen,
-purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene
-schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil
-houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t&rsquo;huis
-behoort.</p>
-<p class="par">Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men
-dat kleine vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den
-honig dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is,
-dat zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te
-behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den tuin
-of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven
-gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk;
-zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en....
-&bdquo;bloemenstof&rdquo;, zooals mij eens verteld werd.</p>
-<p class="par">Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche
-spijslijst der verschillende insekten, om juist te weten welke van deze
-drie artikelen daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden.
-Maar wel stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende
-ontdekking <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span>omtrent de groote rol die de insekten in het leven
-van de plantenwereld spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar
-deze dieren alleen op zich zelven beschouwd werden, als nuttig of
-schadelijk, al naarmate zij der menschelijke maatschappij onmiddellijk
-voor- of nadeel aanbrachten, is toch in de laatste eeuw ten stelligste
-gebleken, dat er althans bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot
-stand zou kunnen komen, geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen
-insekten waren, die daartoe een behulpzaam pootje boden.</p>
-<p class="par">Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit
-zoo&rsquo;n diepen indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie
-al die kleine vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds
-ik weet dat zij op hunne tochten,&mdash;de eene bloem uit, en de andere
-weer in,&mdash;telkens eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich
-zelven den kost opduiken, en ten behoeve van de plantensoort, die zij
-bezoeken, het verkeer tusschen de meeldraden en de stempeltjes
-bevorderen.</p>
-<p class="par">Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er
-aan zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben,
-tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel van
-het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort, moet
-zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd op dat kleine
-lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en vruchtbeginsels
-bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja, op verschillende
-exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde bloem lang niet
-altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan ook sinds een paar
-eeuwen <i>dat</i> het <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85"
-name="pb85">85</a>]</span>stuifmeel van de eene bloem in de andere
-kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,&mdash;maar <i>hoe</i> zulks
-geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den
-dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is, en
-de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht
-ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken dat
-er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij de
-stuifmeelklompjes zich z&oacute;&oacute; moeielijk laten verplaatsen en
-de stempeltjes z&oacute;&oacute; diep zijn verborgen, dat het zonder
-medewerking van buiten onmogelijk was, dat die beide organen met
-elkander in aanraking kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten,
-die den Duitscher Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp
-der insekten brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer
-hoe meer bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het
-overbrengen van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor
-verschillende planten ook verschillende diersoorten) geen uitzondering
-maar regel is.</p>
-<p class="par">Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden
-vinden in zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,&mdash;al
-zijn zij nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna
-nooit zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar
-vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms, als de
-plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men er
-duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt het
-doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet kunnen
-zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig
-<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span>om het stuifmeel van de acht langere en kortere
-meeldraden op het korte, gespletene stempeltje te brengen? In &rsquo;t
-groot heeft men hetzelfde, tot schade van de proefnemers, ondervonden,
-toen men, eenige jaren geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te
-voeren. De vanille toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich
-in de wouden van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en
-de kostbare vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou
-men op Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat
-voldeed aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge
-staken laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden;
-maar er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met
-telkens nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken.
-Eindelijk gaf iemand daarvan de verklaring, op grond van
-Spengler&rsquo;s merkwaardige ontdekking: het kleine vliegje, dat in
-Amerika, al honig zoekend, onwillekeurig zijne diensten aan de plant
-bewees, was niet mee den oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met
-menschenhanden aan iedere vanillebloem te verrichten, was te
-omslachtig, en dus moest die kultuur worden opgegeven.</p>
-<p class="par">Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de
-Aucuba, met haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van
-grootere en kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei
-exemplaren bestaan: met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat
-zij wel stuifmeel, maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met
-zeer onaanzienlijke paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie
-helder-roode vruchten voortbrengen, mits er van elders <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes gebracht
-worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken
-vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer
-provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba&rsquo;s bezat, maar die noch
-bloeiden (nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen.
-Het geval was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke
-exemplaren afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden
-waren. Een plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar
-komen. Dien zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige
-insekten op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met
-een grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe
-aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde aan
-het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was het eene
-glorie te meer voor des ouden Spengler&rsquo;s nagedachtenis!</p>
-<p class="par">Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe
-op zekeren dag Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van
-vliegen bewonderde die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant
-waarnam. Had die man, met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon,
-Spengler&rsquo;s wetenschap er bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen
-zou die &bdquo;<i>fraisier</i>&rdquo; dan nog bij hem opgewekt hebben!
-<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e276">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XV.</h2>
-<h2 class="main">EEN BOSCHTOONEELTJE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde
-gemoederen, want ziet, &bdquo;het jonge groen&rdquo; is nu werkelijk
-daar! Wij wandelen op een landweg, in een der schoonste gedeelten van
-Holland, als het ware in een koker van groen: onder ons het welige
-gras, met zijn afwisseling van kleinere plantjes, rondom ons laag en
-hooger kreupelhout, bloeiende heesters en opgeschoten fluitekruid, en
-boven onze hoofden een gewelf van lindentakken, niet gesnoeid of
-geleid, maar van nature zoo gegroeid.</p>
-<p class="par">Het <span class="ex">jonge groen</span>! Welk een
-verscheidenheid van tinten en van vormen ligt daar opgesloten in die
-woorden! Daar zijn, om &rsquo;t dichtst bij te beginnen, de kleine
-blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte precies het fatsoen
-hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November behouden zullen;
-zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt niet meer van vorm
-te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens en meisjes van
-ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd reeds
-<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span>juist zoo gekleed als hun vaders en moeders.
-Geheel anders is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den
-knop komt, dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die
-plooien niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het
-elzengroen, met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige
-omhulsels te voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of
-wat rechtop blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens
-goed wou kijken hoe &rsquo;t er in de wereld uitzag. En dan staan daar
-de berken; zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de
-meeste voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst
-treuzelen, beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider
-jonge bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in
-het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat later
-moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien; die der
-populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden af naar het
-midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en dennen met
-lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen naaldenschat, en
-strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel uit, ten behoeve
-van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is &bdquo;het jonge
-groen&rdquo;; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen, en
-juichen om het mooie weer.</p>
-<p class="par">Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje
-verzameld, en zijn, al bloemen zoekend, van het &eacute;&eacute;ne pad
-in het andere gedrenteld. Eerst was het, op een open plek, de
-allerliefste blauwe eereprijs die ons lokte; daarna viel ons een
-menigte van bloemen in het oog, melkwit met <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>groene
-strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar door
-haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen naam van
-&bdquo;vogelmelk&rdquo; dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een
-helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met de
-fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine
-&bdquo;harlekijn&rdquo;. Wij weten het niet recht, maar wij beginnen te
-vermoeden dat wij binnen de omheining van een oude buitenplaats zijn;
-het nette onderhoud der paden, de meer park- dan boschmatige aanleg
-versterkt ons telkens meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er
-eenmaal, wij zullen geen baldadigheden plegen, maar wagen het te
-blijven en door te loopen &bdquo;tot wij verjaagd worden&rdquo;. En wij
-wandelen door... tot wij plotseling voor iets heel ongewoons
-staan....</p>
-<p class="par">Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van
-voren en van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel
-van hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een
-boschtooneeltje herkenden. De &eacute;&eacute;ne helft althans, een
-weinig meer opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen
-geheel tot tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van
-zodenbanken, en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon
-beschut, blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden
-van het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of
-&bdquo;foyer&rdquo; konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte
-greppels zorgden voor het gevaar van modderachtigheid in het parterre.
-&rsquo;t Spreekt van zelf dat wij ons nederzetten op de banken, en dat
-een uit het gezelschap op de groene &bdquo;planken&rdquo; ging staan
-<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>declameeren; en dat voorts elk het zijne zei over
-deze antiekiteit.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe aardig!&rdquo; riep de meerderheid, onder den
-eersten indruk.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe kinderachtig!&rdquo; zeiden enkelen.
-&bdquo;Hoe popperig!&rdquo; &bdquo;Hoe bekrompen!&rdquo; &bdquo;Hoe
-kleingeestig!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;De pruikentijd in levenden lijve!&rdquo; bracht
-iemand in het midden. <span class="corr" id="xd21e1742" title="Niet in bron">&bdquo;</span>De bloeitijd van het dilettantisme op alle
-mogelijk gebied. Mij dunkt, je hoort al in verbeelding de produkten van
-den een of anderen prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche
-mythologie er bij haalt, om den 50<sup>sten</sup> verjaardag van den
-heer van &rsquo;t dorp, of de bruiloft van diens dochter te vieren.
-Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!&rdquo;</p>
-<p class="par">Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het
-tooneeltje heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren
-hagen &bdquo;als zoodanig&rdquo;, vond ik ze hier zoo geestig
-aangebracht, dat ik er niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om
-den pruikentijd te verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij,
-wat betreft de gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen
-v&oacute;&oacute;r had. Het valt mij in hoe Van Lennep die verdediging
-ergens heeft op zich genomen, en ik kan niet laten iets van &rsquo;t
-geen hij daaromtrent zegt, in herinnering te brengen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie
-in een staat van diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige
-vrede, dien zij had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te
-verzamelen en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle
-veerkracht had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men,
-gerust <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>insluimerende op den roem der voorvaderen, in een
-toestand geraakt was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik
-weet dat niet; ik zal mij althans wachten een geheele maatschappij...
-te veroordeelen; ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is.
-Ik verzeker u, dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer
-degelijkheid heerschte dan thans; als men bouwde, al was het maar een
-onnoozel koepeltje, dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik
-eigenlijk aanmerken wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel
-aangenamer in den omgang waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan
-banden te leggen; ieder had het gevoel, dat, wanneer hij in een
-gezelschap werd toegelaten, zulks onder de stilzwijgende voorwaarde
-was, dat hij zijn aandeel tot het algemeen genoegen moest bijbrengen;
-en dan bleek het, dat wie het meest zijn best deed om anderen
-welgevallig te zijn en zich van de voordeeligste zijde te vertoonen,
-ook doorgaans zelf het meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de
-politiek aangaat, spanning tusschen de partijen in den staat was
-ontstaan, en somtijds lieden van verschillende kleur elkaar in
-gezelschappen ontmoetten,&mdash;men had de welvoegelijkheid, niet
-altijd en overal over politieke vraagpunten te twisten. Enfin, men wist
-toen nog te &bdquo;praten&rdquo;, wat de Franschen <i>causer</i>
-noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en door het
-verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn &ograve;f in
-dispuutcollegiën, &ograve;f in een vervelend gewauwel over
-dienstboden en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over
-zeer onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een
-zeker waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen
-<span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>wordt door eene goede opvoeding, door den omgang
-met hoogbeschaafde lieden, en vooral door de gestadig aangekweekte
-zucht om elkander aangenaam te wezen. Men ontmoette in dien tijd, zoo
-goed als nu, menschen, die dom, enkelen zelfs die vrij belachelijk
-waren; ook nu en dan bewees deze of gene, dat zijn hart niet op de
-rechte plaats zat; maar de dommen hadden doorgaans van jongs af geleerd
-te zwijgen en toe te luisteren, en vormden alzoo als het ware
-&bdquo;het publiek&rdquo;; de belachelijken dienden tot vermaak van de
-anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten zich wat beter
-voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen der ordentelijke
-menschen te worden geweerd. En noeme men nu die toenmalige maatschappij
-oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men wil; ik voor mij weet,
-dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender, aangenamer en
-vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige les en goed
-exempel aan zou kunnen nemen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets
-aan toe of af te doen, te meer omdat het &bdquo;tegenwoordig&rdquo;,
-waarover hij hier juffrouw Stauffacher laat spreken, op zijne beurt
-alweer zoo lang geleden is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd
-zekere maatschappelijke deugden te weinig in tel zijn, in verhouding
-tot anderen. Zoo vraag ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek
-voorbeeld te noemen, of er niet werkelijk meer waarde voor de
-maatschappij ligt in de kunst om met goed gevolg als ceremoniemeester
-op een feest te fungeeren, dan in de bevoegdheid tot het geven van
-middelbaar onderwijs in natuurkundige wetenschappen? <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span></p>
-<p class="par">Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een
-plaats als leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij
-doet dit liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend
-deelgenoot in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu
-meer aan zijn wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent
-geworden bij den een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in
-die wetenschap had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van
-wetenschap namelijk, is zijne wereld; ik weet niet recht of hij
-specialiteit is in schei- of wis-, plant- of dierkunde, of wel in
-datgene wat, buiten deze om, &bdquo;natuur&rdquo;-kunde genoemd wordt;
-maar in hetgeen waar hij voor opkomt munt hij uit. Doch voor hetgeen
-daar buiten ligt... is hij weinig of niets. Hij &bdquo;moet&rdquo; een
-weinig achting toonen voor de andere takken van menschelijke kennis,
-die op school gedoceerd worden, en hij spreekt daar ook soms over; maar
-eigenlijk zijn zij hem als een gesloten boek. Het ligt aan zijn
-ontwikkeling, misschien reeds aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten
-doorstudeeren, had geen tijd tot iets anders, en bewoog zich te huis
-altijd onder menschen, die beneden hem stonden. Dit een en ander maakt
-hem thans teruggetrokken en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de
-stoffelijke natuur heeft ook aan zijne levensbeschouwing iets
-stoffelijks, laat ons gerust zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de
-goedhartigheid zelve, durft hij aan zijn gemoedsleven geen stem te
-geven in zijn oordeel over de grootere vragen der menschheid, omdat hij
-gewoon is niets te eeren dan: wiskunstig denken, toegepast op
-zinnelijke waarneming. Hij haalt eigenlijk de schouders op over de stad
-zijner <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>inwoning, omdat er... zoo goed als niemand is met
-wien hij kan praten,&mdash;want hij bedoelt daarmede praten over zijn
-speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe eenzijdig zijne
-ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn zou met lieden,
-die, al waren zij dan ook zijne minderen op &rsquo;t punt van
-natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat verder
-noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is schuw en
-verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen; hij
-beweert, dat hij &bdquo;boven die vormen verheven&rdquo; is, en dat zij
-maar overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half
-onbewust, dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van
-gezelligen omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim
-van die huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een
-feest, van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn
-plaats; zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij
-zulks als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er
-eigenlijk aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een
-zwart of spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn
-medegasten.</p>
-<p class="par">Stel nu daartegenover een ander. Wat hij &bdquo;van zijn
-vak&rdquo; is doet weinig ter zake; misschien ook leeraar, of bij
-voorbeeld koopman, lid van de eene of andere firma, op wier kantoor hij
-dagelijks werkt, zooals honderden anderen op hunne kantoren. Maar
-&rsquo;s mans eigenaardigheid ligt in iets anders: in zijn gezellige
-talenten. Reeds vroeg heeft hij van een begaafde moeder, in een goeden
-kring, den grondslag beet gekregen van zijn echte beschaving, die
-gedurende <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>zijn opvoeding meer en meer is ontwikkeld, en
-waardoor hij nu velen een niet te berekenen vreugde bereidt. Want wie
-zal &bdquo;berekenen&rdquo; hoeveel levensvreugd er in de wereld
-opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving te
-leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie zal meten
-hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking, waarin een
-aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar en hoog
-genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna afwegen
-hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek, de
-wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk van
-een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een man zooals
-ik bedoel &bdquo;goud waard&rdquo;. Niet alleen dat hij zelf aardig
-praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke
-verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar hij
-weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen wakker
-te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij uit
-botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te
-maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten
-die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de
-hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen
-&eacute;&eacute;n kunst of wetenschap iets meer dan
-&bdquo;dilettant&rdquo;, heeft hij oog voor het belangrijke in alles,
-en een grooten takt om daarvan partij te trekken ten bate van het
-gezelschap. In tegenstelling met al wat er afbrekends, <span class="corr" id="xd21e1771" title="Bron: verbokkelends">verbrokkelends</span>, ontledends is in onzen
-tijdgeest, heeft hij eene groote mate van verbindende kracht. De
-gasten, die zich naar hun gevoelen <span class="pagenum">[<a id="pb97"
-href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span>&bdquo;vrij en
-ongedwongen&rdquo; bewegen, werken onder zijne leiding allen mede aan
-een welgevormd plan. Hij is geen &bdquo;natuurkundige&rdquo;, maar
-heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden, als daar
-zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling van rust en
-beweging. Hij laat zich niets op &bdquo;wijsbegeerte&rdquo; voorstaan,
-maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te
-genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan
-&bdquo;pret&rdquo;. Hij ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die
-bij elke feestelijkheid kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen
-van bespot te worden, als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt,
-en als hij te&ecirc;re snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens,
-die in de aanwezigen rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij
-kent de weelde van zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een
-mensch zich bedriegt, die meent dat plechtigheid het tegendeel van
-vreugd is; hij voorziet dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks
-ten goede zal komen aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die
-vroolijkheid is onder zijn bestuur z&oacute;&oacute; vroolijk, dat de
-deftigste lieden vergeten te bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg
-is....</p>
-<p class="par">Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van
-het boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan &rsquo;t mijmeren in het
-jonge groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van
-ons wonderlijke menschenleven, dat &bdquo;zoo velen medeleven, maar zoo
-weinigen verstaan!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e285">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XVI.</h2>
-<h2 class="main">OP DE BLOEMMARKT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd
-niet, waar ik het liefst de lente haren intocht zie houden: op haar
-eigen gebied, in de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij
-dan eensklaps tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg
-plekje en in ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten
-teeken van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van
-&rsquo;t vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van
-hartstocht voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en
-stadsvesten met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende
-vlierstruiken, en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de
-bovenramen, en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis,
-zoo ik er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel
-aantrekkelijkheid heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des
-vrijdags morgens, zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit
-jaargetijde is zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen;
-en mits wij kans zien de <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>al te gedienstige dragers een weinig
-van ons af te houden, kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is
-&rsquo;t een recht vermakelijke tocht. Het zijn juist niet de
-&bdquo;fijnste&rdquo;, nieuwste bloemen die hier prijken, de glorie van
-de kweekkunst; maar het zijn meestal goede kennissen die het ons
-genoegen doet in welstand te ontmoeten.</p>
-<p class="par">Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen;
-welk een rijkdom van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al
-heel wat uit kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van
-haar grootte, voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te
-krijgen: wij weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar
-op die blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt
-zijn door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen,
-omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij
-helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene
-eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen uit
-de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden lichte
-en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en juist dienen
-moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen, in gesloten
-gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het hoogst
-groeien, en de Cineraria&rsquo;s en de Calceolaria&rsquo;s, en de
-Fuchsias, en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze
-potten laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode
-schakeeringen, maar de meesten vuurrood. (Waterloo&rsquo;s,
-&bdquo;<i lang="en">Only showflowers</i>&rdquo; hoorde ik ze eens niet
-onaardig noemen.<a id="xd21e1793" name="xd21e1793"></a>)</p>
-<p class="par">Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer
-<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span>Verbena&rsquo;s, wier fraaiheid stellig beter
-gewaardeerd zou worden, als zij maar een beetje geur hadden;
-Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia&rsquo;s, wier helder
-goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat zij uit het
-&bdquo;goud-land&rdquo; Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die
-een nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die
-er onlangs weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,&mdash;de
-gewone inlandsche &bdquo;smeerwortels&rdquo; in gala-tenue; Verbascums,
-in het wild bekend onder den naam van &bdquo;stalkaars&rdquo;, en
-Achillea&rsquo;s onder dien van &bdquo;hazegerf&rdquo;. Voorts zijn er
-Antirrhinums, &bdquo;leeuwenbekken&rdquo;,&mdash;in verschillende
-fijnere en grovere tinten; Spiraea&rsquo;s, met haar sierlijke pluimen;
-groote dubbele Paeonea&rsquo;s, waarvan ik niet recht weet wat ik het
-mooist vind: de losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren;
-Reseda&rsquo;s tot boompjes opgekweekt; Erythrina&rsquo;s met hun
-zonderlinge vruchten die, als zij van den winter open zijn gesprongen,
-en de zwarte zaden helder tegen de vuurroode binnenzijde afsteken, den
-niet onbegrijpelijken naam van &bdquo;koraalrozen&rdquo; zullen dragen.
-Vooraan staan potjes met Violen, met Vergeet-mij-niet, of de dikwijls
-in plaats daarvan verkochte kleine blauwe Lobelia&rsquo;s, en allerlei
-&bdquo;laag zaadgoed&rdquo;. En ter zijde van het kleurig vierkant
-staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende heesters,
-voornamelijk Thuya&rsquo;s, met een kluitje aarde in een stukje mat
-gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij
-elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo,
-&bdquo;om mei-wijn mee te maken&rdquo;; en ten slotte graszoodjes,
-bestemd om leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het
-vrije veld te doen droomen. Landslui <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>in gevangen staat
-worden licht goede vrinden: dat zal misschien ook het geval zijn met
-zoo&rsquo;n vogel en deze gras- en klaverplantjes, wanneer zij van
-avond samen opgehangen worden in een gang, die licht krijgt uit een
-dwarssteeg.</p>
-<p class="par">Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts
-uit dankbaarheid voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers
-meenemen: grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten;
-en die chineesche ginds,&mdash;dat zal de duurste wezen;&mdash;en ja,
-die duizendschoonen,&mdash;dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge
-soms deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel
-ten onrechte ons influisteren, dat &bdquo;ze pas van ochtend uit den
-grond zijn genomen&rdquo;, en dus allicht geen wortel vatten zullen,
-neem ze toch maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor
-al de rest. <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e294">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XVII.</h2>
-<h2 class="main">AAN DE NOORDZEE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te
-Zandvoort, en te Domburg,&mdash;en wat wilt gij er nog meer bij
-noemen?&mdash;het &bdquo;badseizoen&rdquo; weer begonnen, en de tijd
-aangebroken, waarop, althans aan de beide eersten, verschillende
-natiën elkander aan ons strand ontmoeten.</p>
-<p class="par">Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste
-tijd is Juli, Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op
-het eind van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag,
-onze zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen
-bewoond door het oorspronkelijke visschersras,&mdash;de visscherskaste
-had ik bijna gezegd,&mdash;waarvan het mij altijd verwondert, dat,
-ondanks de voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het
-type zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche
-deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine
-oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den
-zuidwester, met uw blik, die zoo <span class="pagenum">[<a id="pb103"
-href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>dof <i>schijnt</i>, maar zoo
-geestig <i>zijn</i> kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm
-vreemden, onder wier nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren
-zoo rustig uw bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds
-zoo weinig als het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige
-parfumerieën u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen
-aard, zelfs al verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of
-al leent gij hun, als &bdquo;badman&rdquo; en &bdquo;badvrouw&rdquo;,
-de hulp van uw gespierde armen. Laat hen liever gevoelen dat zij iets
-van u hebben over te nemen. Want waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in
-zooverre gezondheid de meerdere is van ziekelijkheid; gij staat boven
-hen, zoover als inspanning en arbeidslust staan boven niets-doen,
-le&ecirc;gloopen en luieren!</p>
-<p class="par">Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de
-dagverdeeling van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald
-ziek.&mdash;Hoe dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien
-ik bij nader kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden
-van hun werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan
-een verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling,
-nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het
-eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals men
-haar kan noemen,&mdash;welk een verfrissching gaat er niet reeds uit
-van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor
-geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt
-zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon; van
-ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken
-<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>zin en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om
-omtegaan met allerhande menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te
-geven van hetgeen men ziet en geniet.</p>
-<p class="par">Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan
-uitoefenen, die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk
-daarboven, en dat vale zandvlak daarv&oacute;&oacute;r, en die zandige
-heuvelen, slechts met vaal helm begroeid, als afsluiting van &rsquo;t
-landschap! Ginds in de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan
-den horizont telt gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de
-badgebouwen, door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan
-den voet der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u
-misschien een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren,
-zijn de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch
-van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat is
-daar toch te zien, zou men haast vragen, &rsquo;t welk het verblijf aan
-zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen
-kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal
-derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben om
-bevolkt te blijven?</p>
-<p class="par">Vertoef er slechts &eacute;&eacute;n of twee dagen, en
-gij zult het voelen en begrijpen.</p>
-<p class="par">Vooreerst doet het de zee, <i>door hetgeen zij niet
-is</i>. Zij is namelijk z&oacute;&oacute; geheel iets anders dan het
-tooneel van ons dagelijksch leven en werken, dat haar aanblik ons reeds
-daardoor eene onvergelijkelijke verfrissching bezorgt. Zij is niet het
-land, met al wat daarop groeit en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch
-bestaan op de eene of <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>andere wijs is verbonden; ik had
-bijna gezegd, zij is niet de aarde. De gansche zandige, flauwlijnige
-omlijsting helpt, juist doordien zij niets te zien geeft,&mdash;niets
-dan zand en fletse gewassen,&mdash;slechts mede om dien indruk te
-versterken. Het vage, golvende karakter van alles om ons heen, geeft
-ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij hier niet met menschenwerk te
-doen hebben; het dichtste bosch, de wildste bergpartij doen ons niet
-z&oacute;&oacute; volop gevoelen, dat wij all&eacute;&eacute;n met
-&bdquo;de natuur&rdquo; zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is
-vast, en de zee is eeuwig bewegelijk.</p>
-<p class="par">En de zee treft ons ook wel degelijk <i>door hetgeen zij
-wel is</i>: door de eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn
-en wolkenschaduwen op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels
-op haar spiegel, of het klotsen van de baren v&oacute;&oacute;r, in en
-na een storm. En is er, voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher
-bekoring verscholen in haar eigene gestadige rijzing en
-daling,&mdash;in dien vloedgolf, die zoo rustig komend en weer
-heengaand, getuigt van eene kracht, waarbij de felste storm nog niets
-is? Is daar geen prikkel voor den geest van elk die voelt en doordenkt,
-in al de verscheidenheid van kleine aanspoelende voorwerpen,&mdash;eene
-doorloopende tentoonstelling, die met elk getij vernieuwd wordt? Kan
-men open oogen hebben, en niet reeds na weinig dagen eenig hart hebben
-gekregen voor die ongewone dier- en plantenvormen, waarmede wij,
-desnoods onzes ondanks, in kennis gebracht worden?</p>
-<p class="par">En dan is er eindelijk <i>het sterk sprekende
-contrast</i> tusschen die afzondering en eenzaamheid,&mdash;dat
-uit-de-wereld-zijn, dat men hier gemakkelijker dan ergers kan
-bereiken,<span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name="pb106">106</a>]</span>&mdash;en het bont gewoel der badwereld op een
-paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze scherpe tegenstelling,
-worden wij er ons diep van bewust, dat in het leven van ieder
-menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar aanvullende
-machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit geheel het
-gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij slechts willen,
-ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben.</p>
-<p class="par">Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg
-opgestaan, vroeger dan gij &rsquo;t in de stad gewoon waart;&mdash;gij
-hebt gebaad of wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan
-kijken, of wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt
-gij met een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste
-duinrij getogen. De zee is kalm; het is een <i lang="fr">jour de
-dame</i>: de zon schijnt bijna door de dunne wolken heen. Maar het
-werken wil niet vlotten, en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat
-t&rsquo;huis, aanstaanden winter, genoeg doen kunt. Het valt u
-moeielijk, uw blikken van de zee af te houden. Indien gij Heine kent,
-lokt hij u in verbeelding naar Norderney; zoo gij Schleiden hebt
-gelezen, vliegt gij met hem over naar Helgoland: wie weet welke andere
-lievelingsdichters u ongemerkt naar fransche, britsche, noorsche kusten
-heentrekken. Eensklaps valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die
-een pas of wat van u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de
-golven: op haar eigen houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit
-een land waar palmen groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een
-verongelukt schip? Waar zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?...
-En gij ziet er gindsche visschers, die bezig <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span>zijn
-iets aan hun pink te timmeren, eens op aan, hoeveel gevaren het
-zeeleven meebrengt; en gij krijgt sympathie voor hunne avonturen.
-Onwillekeurig raapt gij af en toe een schelp op of een horentje,
-afgelegde omhulsels van vergane zeedieren, die in plaats van inwendig
-geraamte, slechts deze uitwendig op &eacute;&eacute;n punt aan hen
-vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne weekheid
-hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig
-langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een
-rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen aan
-dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft, hoe
-het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt eer men
-het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit een gevolg
-is van de &bdquo;zoutzure magnesia&rdquo;, die er aan was blijven
-hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en
-hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten er
-het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen.</p>
-<p class="par">Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen
-zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de
-pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en
-zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een
-mensch is z&oacute;&oacute; niet, of hij wil daar ook eens het zijne
-van hebben. Gij voelt u minder vrij dan &rsquo;s morgens, maar hebt
-daartegenover het voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er
-zijn er bij, die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien
-zoudt, stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was &rsquo;t
-alleen maar om te weten welke taal <span class="pagenum">[<a id="pb108"
-href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>zij spreken; ontmoetingen,
-waarnaar gij wenscht, en andere, nieuwe, die u misschien boven het
-hoofd hangen. Gij hebt reeds heele, halve, groet- en
-aanspraakkennissen; en loopen er soms onder, met wie gij liever niet
-tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,&mdash;de talrijkheid van
-&rsquo;t badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg om die te
-ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; &rsquo;t is een
-prachtige avond geworden en &rsquo;t blijft licht tot negen uur, half
-tien toe.</p>
-<p class="par">Doch eer het donker is, komt er &eacute;&eacute;n
-oogenblik, of liever &eacute;&eacute;n kwartier, waarin de meeste
-gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar &eacute;&eacute;n zij
-gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is, als daar het
-drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet, het oogenblik
-nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon daalt merkbaar;
-en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij haar in het
-aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare verblindende
-stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten afscheid groeten.
-Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op het water. Daar duikt
-zij onder; nog een klein gedeelte en zij is verdwenen. Maar alsof dan
-plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo schitterend rood verft zich
-de plaats waar zij is neergezonken,&mdash;de zee, zoo even donkergrijs,
-wordt paarlemoerwit en de nevelen, waarvoor ons Noorden berucht is,
-doen zich dan eensklaps gelden als de luchtgeesten uit een sprookje, en
-maken van het halve uitspansel een kolossalen ongestreepten regenboog.
-Onwillekeurig zwijgt men. Ik ken menschen, die nooit vroom zijn, dan
-alleen op zulke oogenblikken; menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid
-<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>of redeneering, gewoonlijk alle godsvereering
-van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten voor de
-geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in stilte den
-raad des dichters volgen:</p>
-<div lang="fr" class="lgouter xd21e808">
-<p class="line">Laisse aller ta pri&egrave;re o&ugrave; ton &acirc;me
-l&rsquo;envoie:</p>
-<p class="line">Ne t&rsquo;inqui&egrave;te pas, toute chose a sa
-voie,</p>
-<p class="line">Ne t&rsquo;inqui&egrave;te pas du chemin qu&rsquo;elle
-prend!</p>
-</div>
-<p class="par first">Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na
-weinige minuten verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij.</p>
-<p class="par">Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel
-en sterk, als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd
-heeft. Het zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw
-spraakzaam. Het is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de
-menschen zich inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon
-veranderd. Een groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang
-terug: het wordt stiller op het strand en rondom ons, naarmate de
-duisternis valt, en de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij
-in vertrouwelijkheid of in verheffing, min of meer het alledaagsche
-overschrijden.</p>
-<p class="par">Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers
-huiswaarts naar hun grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan
-iemand vinden,&mdash;het is een tref, maar als men &rsquo;t treft, is
-het een groot voorrecht aan een badplaats!&mdash;die het
-gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden met een aardigheid; die de
-kleine feiten van den dag artistiek opvat, of een oude anekdote handig
-weet te pas te brengen; die de kunst verstaat, &ograve;f om zelf te
-vertellen, &ograve;f <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110"
-name="pb110">110</a>]</span>om het gezelschap aan de praat te
-brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen, dat
-het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren.</p>
-<p class="par">Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche
-verscheidenheid, wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of
-ander veld van eer (om &rsquo;t even van welke soort) verloren
-krachten, aan ons noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun
-gezondheid hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden;
-en mogen zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met
-nieuwe plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch
-badman behoeven te schamen! <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e303">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XVIII.</h2>
-<h2 class="main">EEN KASTANJEBOOM.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij &rsquo;t
-water, staat een wilde kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een
-groote boom, die zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals
-eiken, beuken, iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk
-tusschenbeide &bdquo;nog bloeien ook&rdquo;. De kastanje pronkt zelfs
-met zijn bloei. Hij draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet
-minder vertoon, dan de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich
-zelven aan ons voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er
-sprake is van een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den
-titel van fakkeldrager te voeren.</p>
-<p class="par">Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het
-feest verheugd en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer
-groote boomen, die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even
-nagaan, hoe hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te
-lengen.</p>
-<p class="par">Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens
-eerlijk vragen, of gij hem zoudt kennen in den winter, <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>&bdquo;bij winterdag&rdquo;, zooals de buitenlui
-het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke wrong in zijn
-stam&mdash;een wrong als van een reusachtig koord&mdash;toont wel den
-kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten dien wrong.
-Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen gemeen. Doch wie
-hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal aan zijne groote,
-breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend door de <span class="corr" id="xd21e1895" title="Bron: klevorige">kleverige</span> harst,
-die ze reeds van den herfst af bedekt, en ze, voor het oog en het
-gevoel beiden, een zeker waas van leven geeft, in een seizoen waarin
-alle overige knoppen er dor en droog uitzien. En niet minder
-opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder elken knop zichtbare
-&bdquo;kussentje&rdquo;, nl. het litteeken waar het oude blad aan den
-tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan de omringende
-bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine stippels, al
-naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door schraalheid,
-slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men heeft hier
-namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van elk blaadje,
-door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad (een
-zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk
-jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra
-de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes, de
-doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die strengen
-vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van een
-&bdquo;drievoudig&rdquo; aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die
-van een &bdquo;enkelvoudig&rdquo; eikeblad &eacute;&eacute;ne vinden.)
-<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p>
-<p class="par">Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins
-gunstige omstandigheden, de kastanje aan &bdquo;uitloopen&rdquo; te
-denken. Nochtans behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril
-bij, om dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20<sup>sten</sup>
-&bdquo;in volle groen&rdquo; te zien staan. De ontwikkeling van het
-&bdquo;groen&rdquo; toch gaat juist bij den kastanje ongewoon langzaam:
-tusschen de eerste teekenen van inwendige beweging en den vollen wasdom
-van het loof moet een geruime tijd verloopen. Bijzonder aardig is het,
-om het sterke contrast waar te nemen tusschen de laatste dagen dat de
-boom in knop staat, als een beeld van volle levenskracht en moed en
-ijver, en de armzalige figuur, die hij maakt in het daaropvolgend
-tijdperk, wanneer al de jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als
-de ooren van pasgeboren lammeren. Het duurt, zelfs bij warm we&ecirc;r,
-meer dan een week voordat zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de
-lange stelen, die in den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware
-blad, dat hen in ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter
-rijzen zij omhoog tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn
-zij uit hun eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich
-uit als groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand
-breed.</p>
-<p class="par">En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt
-hoe zij zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij
-volwassen, en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te
-vallen: als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken.
-Het zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de
-afzonderlijke bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span>Zij
-bestaan uit vier witte, ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der
-twee grootsten is een klein rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim
-een zeer licht roosachtige tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet,
-zooals bij verreweg de meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat
-getuigen de bijen, of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige
-minuten werkens, uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren.</p>
-<p class="par">In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een
-krommen stijl gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes
-ontwikkelen. Een blik op de honderden en duizenden bloemen doet een
-goeden oogst verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun
-vollen groei bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en
-October een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik
-maken. Ik heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij
-bereikbare boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende
-vrucht open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit
-geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend, na
-te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er omgaat
-binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij eerst drie
-kastanjes belooft, maar er meestal slechts &eacute;&eacute;ne of twee
-groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur
-aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen. <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e312">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XIX.</h2>
-<h2 class="main">EEN INLANDSCHE AREND.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden
-spreekt, bedoelt daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners,
-die zich door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de
-statigheid van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid
-hunner woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels
-verwierven, tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge
-waardigheid, en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten
-van zekere &bdquo;edele&rdquo; eigenschappen te bezitten. En hetzij men
-daarbij dan het meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den
-keizersarend, (en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de
-kleinste en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men
-zich de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den
-australischen kegelstaart voorstelt;&mdash;men meent in ieder geval
-vogels, die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren,
-hazen en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm
-Nederland, strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij
-ze gaan zien in Artis. <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span></p>
-<p class="par">Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het,
-des winters, dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen
-steenarend onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over
-onze vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen
-eene zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,&mdash;een
-uitzondering, die door de verbazing welke zij opwekt, den regel
-bevestigt, dat zulke reuzen bij ons niet t&rsquo;huis behooren. Maar er
-is nog eene andere soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met
-al datgene wat een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls
-voorkomt: de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden,
-in onzen tuin opgeraapt.</p>
-<p class="par">Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op
-een, door een wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een
-zoogenaamd zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet,
-biezen en watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken
-hun geduld geoefend: vijf jongen lagen in het nest. &rsquo;t Waren
-leelijke diertjes met hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes;
-doch daar zij gelukkig niet, zooals Andersen&rsquo;s beroemde zwaantje,
-onder jonge eenden verdwaald waren, maar rustig onder moeders vleugels
-groot en mooi konden worden, hadden zij daar weinig last van. De
-bescherming van de zijde der ouders was intusschen wel noodig, zooals
-bleek uit het geval met den arend. Sinds een dag of wat namelijk,
-hadden wij hoog in de lucht een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls
-verscheidene minuten onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals
-arenden plegen te doen. Een paar malen, &rsquo;s avonds <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span>bij
-zonsondergang en &rsquo;s morgens zeer vroeg, hadden wij een ongewoon
-geschreeuw gehoord, dat wij aan dien vreemdeling toeschreven; en eens
-had het gegil der zwanen, die zich anders zelden lieten hooren, ons
-doen vermoeden dat deze met hem slaags waren. Daarna merkten wij niets
-meer van hem; maar een week later bleek de onderstelling juist te zijn
-geweest, daar de indringer dood in het riet werd gevonden, op een pas
-of tien afstands van het zwanennest. In huis gehaald en goed bekeken,
-bleek hij tot de genoemde vischarenden te behooren. Zijn kleur was, in
-het kort gezegd, wit met bruin, in verschillende donkere schakeeringen;
-hij had, als alle roofvogels, een krommen snavel en een zeer duidelijk
-herkenbare blauwachtige washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het
-kruis staande teenen, hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme
-nagels, zoodat men zich gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk
-zijne aanvatting is voor zijn slachtoffers. Wat dezen
-aangaat&mdash;ofschoon het in verscheidene boeken staat, dat de
-vischarend zich uitsluitend met visch voedt en andere dieren met rust
-laat, zoo was het toch voor ons boven allen twijfel verheven, dat hij
-het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had en toen door de ouden
-onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van
-&bdquo;Eendendooder&rdquo;, waaronder een onzer werklieden hem dadelijk
-herkende, bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt
-mij altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb
-ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek, maar
-slanker van bouw. <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118"
-name="pb118">118</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e321">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XX.</h2>
-<h2 class="main">EENE LINDE.</h2>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Aldaer dat clare water spranc,&rdquo;</p>
-<p class="line xd21e1934">Daer stont een groene linde,</p>
-<p class="line">Daer de nachtegael sat en sanc</p>
-<p class="line xd21e1934">..........................&rdquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed
-aan de lichtbruine, rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze
-dubbeltjes langs de stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de
-populier hebben reeds sinds lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen,
-maar wie het niet wist heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk
-hebben gebloeid&mdash;in alle stilte. Alleen van den kastanje hebben
-alle voorbijgangers gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van
-de linde daar; men ziet het niet, maar men <span class="ex">ruikt</span> het.</p>
-<p class="par">Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een
-wandeling onder de bloeiende linden, hetzij dan &rsquo;s avonds, als
-&bdquo;de nachtegaal&rdquo; uit alle macht in zijne laagste takken
-<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>zingt, hetzij des daags, wanneer de lijster
-juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik alles, en
-geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam, laat uw geest
-zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt, de zomermaand, de
-Juni. Het is <span class="ex">deze</span> Juni, en o wonder! het zijn
-er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang, lang
-geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe &rsquo;t komt dat gij zoo
-onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij
-sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de
-geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke
-vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en
-herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten; het
-is wreed zulk een stemming te storen!...</p>
-<p class="par">Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de
-duizenden, waarin die geur ontstaat. &rsquo;t Is klein en flets van
-kleur: &rsquo;t is in zijn soort al even onaanzienlijk als het
-vaalbruin vogeltje, waarvan &rsquo;t ons ieder jaar op nieuw
-verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek kan voortbrengen.
-Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts een los bloemdek of
-&eacute;&eacute;nslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er op na
-plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen bloem, met
-kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten overvloede een
-paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die, heel trouw, tot de
-vruchtjes toe blijven bewaken. &rsquo;t Behoefde slechts wat
-schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw, geel,
-paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar zou de
-linde zelve <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>er ons liever om wezen, indien haar <i>groen</i>
-niet meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist
-haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel,
-zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de
-jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer
-goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand, buigt
-de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een verdikking,
-die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje, en waaruit
-tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan deze slanke
-stelen plooien zich de hartvormige bladeren. &rsquo;t Is of het
-vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden:
-het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. E&eacute;ne nerf loopt
-recht door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke
-helften. Het adernet is bijna tot in &rsquo;t oneindige verdeeld,
-zooals vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de
-bovenzijde is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde.
-Zoo goed en zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast
-elkander; elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden
-van zulke takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan
-eene vrij uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.</p>
-<p class="par"><i>Linde</i>, <i>de zachte</i>, is haar naam. Zacht is
-haar loof; zacht is het geruisch van den wind door haar takken; zacht
-is haar geur; zacht en fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van
-oudsher een lieveling der menschen, onder alle min of meer germaansche
-volken. Zij was getuige van het maatschappelijk leven der opvolgende
-geslachten. <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span>De eik is en blijft een boschboom, met de
-eigenaardigheden van dien; om hem te zien in al zijn schoonheid, dient
-men hem op zijn eigen gebied te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst
-daar, waar de natuur zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk
-oorspronkelijk door menschenhand herwaarts
-overgebracht,&mdash;lindenbosschen komen nergens voor in deze streken,
-en haar zaden worden bij ons zelden rijp,&mdash;is aan de menschelijke
-woonplaatsen gehecht gebleven, heeft ze beschermd, beschut, versierd,
-hun lief en leed gedeeld. Ziet in de dorpen. De <i>dorpslinde</i> is in
-Duitschland en hier en daar in Nederland een levende antiekiteit, wier
-gemis eene pijnlijke leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente
-of des zomers, en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze
-stadsgezichtjes zou verliezen, indien niet rechts of links zoo&rsquo;n
-aardig stukje lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar
-een mooie kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een
-beeld van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt
-zij verheerlijkt als de boom der liefde; als <i>veemlinde</i><a class="noteref" id="xd21e1973src" href="#xd21e1973" name="xd21e1973src">1</a>
-vertegenwoordigt zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen;
-waar linden zijn, daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het
-<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span>oog begroet haar daarom, misschien onbewust, met
-een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan: de knoestigheid van haren
-stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk karakter; de kleine blaadjes,
-welke uit die knoesten aan zijn voet ontspruiten, maken hem des te
-behaaglijker. Het is of zij daar groeien, opdat kleine kinderen er mee
-zouden spelen, terwijl oudere lieden rusten in zijn schaduw!</p>
-<p class="par">In de schaduw.&mdash;Onlangs sprak ik met een Italiaan.
-Hij was vol bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze
-bloemheesters, onze bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij
-eigenlijk vrij gek vond, was dat hier in het Noorden, &bdquo;waar men
-toch al zoo weinig zonneschijn heeft&rdquo;, zooveel hooge boomen
-gekweekt worden, &bdquo;die het beetje, wat er is, nog
-onderscheppen&rdquo;. Trouwens, op alle italiaansche prentjes, met de
-meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. &bdquo;&rsquo;t Is
-omdat wij den zonneschijn te lief hebben,&rdquo; was zijn uitleg
-daarvan.</p>
-<p class="par">Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan
-slechts onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon
-wordt, dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei
-wijzen wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes
-doorgelaten door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje
-platweg op de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen
-heeft haar heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre,
-den vollen glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de
-zonnestralen is des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een
-achtergrond <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span>van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en
-rijkdom is er in een landschap <i>met</i> dan <i>zonder</i> boomen!...
-Ik ben nooit in Italië geweest. &rsquo;t Kan zijn dat men daar
-lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis aan hout vergoeden.
-Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in welken vorm dan ook!
-Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar verder groene takken
-omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde! <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e1973" href="#xd21e1973src" name="xd21e1973">1</a></span> Te
-Dortmund in Westfalen staat,&mdash;stond althans voor een paar jaar
-nog,&mdash;een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het
-spoorterrein, tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is
-een punt waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet
-in&eacute;&eacute;nloopen), was een heuvel uitgespaard van een voet of
-drie in het vierkant; en daarop stond een steenen bank, waarop weleer
-veemgericht gehouden werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde,
-met nog slechts &eacute;&eacute;n levenden tak<span class="corr" id="xd21e1975" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e1973src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e330">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXI.</h2>
-<h2 class="main">TAPIJTBEDDEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons
-prinsesje Pauline voor de toekomst toewenschte, behoorde:</p>
-<div class="blockquote">
-<p class="par first">&bdquo;Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u
-henen&rdquo;.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">De meeste menschen weten dat van de meeste dingen
-volstrekt niet; en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van
-kleederen bij voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af
-of men iets mooi vindt; niet schoonheid, maar &bdquo;fatsoen&rdquo; en
-&bdquo;stand&rdquo; zijn daarbij vaak de openlijk erkende
-hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein der kleeding behoeven wij
-ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou eenvoudig even praten over het
-groepeeren van bloeiende planten.</p>
-<p class="par">Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren
-heerschende mode der &bdquo;tapijtbedden&rdquo; of
-&bdquo;mozaiekperken&rdquo;?</p>
-<p class="par">Ziet ze v&oacute;&oacute;r u, in hun sterksprekend
-karakter van netheid, stijfheid en hardheid, in dit alles niets
-onderdoende <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name="pb125">125</a>]</span>voor een keurig opgemaakt schoteltje haringsla.
-Schitterend rood, helder geel, hard blauw, blinkend wit spelen daarin
-gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen zich nog harder dan zij zijn, door
-de combinatiën waarin zij naast elkander geplaatst worden. Het
-spreekt van zelf, dat indien eenmaal zuiverheid van uit bloemen
-gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke contrasten zeer gezocht zijn,
-om de teekening effekt te doen maken; en dat daarbij zekere hardheid
-bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs waar men er in slaagt die te
-ontwijken, en met fijnere tinten te werken dan in den regel het geval
-is, zondigt men daarbij toch altijd in hooge mate tegen de natuurlijke
-schoonheid der planten, door ze tot een vlakken groei te dwingen. De
-voor mozaiekperken gebruikte gewassen zijn veelal dwergachtige planten,
-die van jongs af voor deze bestemming gedresseerd zijn: zij groeien in
-de breedte, doordien men er bijtijds den kop heeft uitgesneden.
-Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom van vormen, die uit een
-bevallige vertakking voortvloeit; van een sierlijk zwenken, buigen,
-zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was zeker geen tapijtbed dat
-den italiaanschen dichter de gedachte ingaf:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Gij vlindertje in de bloemenperken,</p>
-<p class="line">Gij bloem die op den stengel wiegt,&mdash;</p>
-<p class="line">Een vlinder is een bloem met vlerken,</p>
-<p class="line">Een bloem, een vlinder, die niet vliegt!</p>
-</div>
-<p class="par first">Wel verre van tot de gelijke van een levenden
-vlinder verheven te worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een
-gebruik, waartoe men juist zoo goed een hoopje steenen van
-verschillende kleuren kon bezigen! <span class="pagenum">[<a id="pb126"
-href="#pb126" name="pb126">126</a>]</span></p>
-<p class="par">Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of
-kleinere parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet
-raadplegen, maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen
-tuinman overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke
-plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog wordt,
-geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend
-materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat deze
-zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien zij op
-eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd was. En
-eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging de
-tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den <i lang="fr">Style-le-N&ocirc;tre</i> en de tuinen van Versailles, die zij
-zoozeer bewonderen.</p>
-<p class="par">Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te
-geven. Doch wat aangaat den <i lang="fr">Style-le-N&ocirc;tre</i>, in
-&eacute;&eacute;n geval slechts kan ik mij voorstellen dat iemand van
-beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is: wanneer men lang, te
-lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de natuur
-all&eacute;&eacute;n het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de
-bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan door
-zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst in
-natuurlijke groeikracht. Of wel,&mdash;wat geestelijk daarmee gelijk
-staat,&mdash;wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als &rsquo;t geen
-hij is: de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit
-opzicht beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag
-verwachten. De lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel
-daaruit, dat zijne degelijke bewonderaars <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name="pb127">127</a>]</span>hem &rsquo;t meeste
-prijzen als: &bdquo;zoozeer in harmonie met den bouwtrant&rdquo; van
-zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij in eene andere grondstof
-herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus geheel ondergeschikt gesteld
-aan de steen-architektuur. En is dit niet juist in tegenspraak met het
-karakter van tuinen en parken: het omheinde lapje grond, waarop de
-mensch zijn best doet, om te midden van de aangroeiende steenwereld der
-steden iets te scheppen, dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld
-herinnert?</p>
-<p class="par">Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden
-tuinsmaak nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht
-nemen. Na eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij
-machte was, den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den
-edeler inval, om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te
-dringen, en haar in overeenstemming daarmede te regeeren. Na
-<span class="ex" lang="fr">Le N&ocirc;tre</span> heerschte <span class="ex">William Kent</span>. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene
-muren opgesnoeide hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak
-uitgestrekte bloemperken, kwam de &bdquo;engelsche aanleg&rdquo; met
-zijne aan de natuur zelve ontleende schoonheden, met zijn heerlijke
-boomgroepen, zijn verrassende wendingen, zijn wandelwegen, waarop men
-zich zoo vrij beweegt, en zich nochtans onder de betoovering van echte
-kunst gevoelt; zijn schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen
-samenwerken aan een goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend
-hoe in betrekkelijk zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur
-zich zoo sterk heeft ontwikkeld,&mdash;zulk een sprong voorwaarts heeft
-gedaan van die bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap!
-<span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p>
-<p class="par">Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het
-mij, als onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt
-te willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar het
-oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk, in
-België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de
-liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een
-mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken,
-waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar
-aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een
-aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen,
-tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van
-Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog en
-geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois de la
-Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein als b. v.
-voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan onwillekeurig
-af, of het geheel <i>voor niet</i> is, dat er een poos lang een beter
-wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver van Cassel, met
-zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn in hetgeen wij
-somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de mode maar altijd
-als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen zich daardoor zoo
-duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen niet meer durven
-vertrouwen?</p>
-<p class="par">Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied:
-<i>iets</i> van het betere blijft altijd hangen! <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e340">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXII.</h2>
-<h2 class="main">DE <span class="corr" id="xd21e2063" title="Bron: POEZIE">PO&Euml;ZIE</span> VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen
-gestemd zijn, indien het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de
-spijzen, die men &bdquo;groente&rdquo; noemt, op tafel te krijgen,
-tenzij zij ze eerst met eigen fijne handen dopten, sneden,
-schoonmaakten? Zeer velen noemen dit eenvoudig
-&bdquo;meidenwerk&rdquo;, dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven
-zij, als &rsquo;t ware, verheven zijn; en anderen, die er zich
-somwijlen me&ecirc; belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en
-daarom onvermijdelijken, maar dan toch altijd zeer eentonigen,
-geestdoodenden, recht proza&iuml;schen arbeid, waarme&ecirc; zij zoo
-gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander, meer harer beschaving
-waardig, werk te begeven.</p>
-<p class="par">Proza&iuml;sch?&mdash;Om te weten of er poëzie
-schuilt in het een of ander, ken ik een zeer eenvoudig middeltje, dat
-meestal op den rechten weg brengt; ik tracht mij duidelijk te
-herinneren hoe ik er over dacht als kind. <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p>
-<p class="par">Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog
-heel goed wat ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands
-knieën erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer
-&bdquo;zoo mooi&rdquo; vond, die schokken, gaaf en glimmend als
-glac&eacute;-leer, en van binnen nog veel zachter dan een lapje zijde.
-Ik weet hoe aardig ik het vond, dat ik ze met zoo weinig kracht kon
-opendrukken; dat zij juist spleten daar, waar die twee stijve,
-lichtgekleurde randjes elkaar raken. En als de schok dan half geopend
-in mijn hand lag, met de beide helften aan de andere zijde nog
-vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet het inzicht op die zeven,
-acht of negen erwten, ieder met een kort wit steeltje, beurtelings op
-&eacute;&eacute;ne van de beide zijden bevestigd,&mdash;die zich zoo
-gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte, als
-&bdquo;veel makke schapen in &eacute;&eacute;n stal&rdquo;. Elk nieuw
-seizoen bekeek ik ze met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed,
-dat een jaar lang weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht
-lichtgroen, hoe glad en teeder waren zij, &bdquo;veel mooier nog dan
-eene rist matglazen kralen&rdquo;, dacht ik, en dat was anders al het
-mooiste wat ik kende; en achteraan herinner ik mij heel goed, iets
-gevoeld te hebben wat ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te
-denken: zij waren <i>meer</i> dan kralen, want zij <i>leefden</i>!</p>
-<p class="par">Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik
-altijd had in het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet
-waar? wordt aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan
-het gewoon is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij
-toeval, op een &eacute;tag&egrave;re het huisraad, gereedschap, servies
-onzer ouders, <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span>in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner
-afmetingen, weder te vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een
-goed geproportioneerd model van een molen of een brug onder de oogen
-kregen! Zoo troffen mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek
-ze, ik bewonderde ze elken winter, met evenveel verrukking als de
-gelijktijdig aangekomen Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel
-verrukking, plus zekeren eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze
-voorzichtig aanvatte, en ze poogde los te maken zonder ze te scheuren,
-om te zien of hunne kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote
-bladeren van de groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den
-aanleg hadden, maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen,
-&bdquo;vleeziger&rdquo; was, zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te
-begrijpen hoe die witte, malsche massa, die het hartje van het spruitje
-uitmaakt, bestemd kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof
-te vergroeien: ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken,
-nieuwsgierig tegenover het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en
-gevoelde dat ik voor iets dieps en schoons stond!</p>
-<p class="par">Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan
-porselein stengels; aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze
-eerste indrukken hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur
-zoo innig te doen liefhebben.</p>
-<p class="par">Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met
-elkander gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw
-kinderjaren?</p>
-<p class="par">En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo
-boeiden, thans &bdquo;proza&iuml;sch&rdquo; zijn geworden? Is het
-beneden onze waardigheid oog en hart te hebben voor <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span>die
-kleinigheden, als daar zijn erwten en hun steeltjes, het adernet van
-spruitjes, of de haren van een raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u
-immers niet om veel opmerkzaamheid te wijden aan pareltjes en diamanten
-en andere fraaie kleine zaken!&mdash;Of is het dat wij sinds die eerste
-jaren reeds zooveel erwten, boonen, kool en andijvie-bladen in de
-handen gehad hebben, dat wij afgestompt zijn op het punt van hun
-belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het schoon van hun
-d&eacute;tails? Stelt gij dat kinderlijk genot van &rsquo;t eerste
-erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst
-mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien in
-zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets
-gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen
-jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan de
-meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. <i>Een kind</i>
-voelt onder &rsquo;t boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een
-boon toch wel voor een ding is; en <i>wij</i> zijn meestal tevreden met
-het praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend
-anderen v&oacute;&oacute;r ons ligt als eetwaar.</p>
-<p class="par">Wij zelven zijn proza&iuml;sch geworden, dat is het. Wij
-zijn er aan gewoon geraakt de natuur als onze wettige slavin te
-beschouwen en hare &bdquo;ruwe&rdquo; voortbrengselen alleen maar te
-waardeeren in zoover zij onze zeden en gebruiken, onze huishouding
-dienen. Als een kind een mand met fraai gevormde, vriendelijk
-geschakeerde groenten &bdquo;mooi&rdquo; vindt, dan is het in
-denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos met speelgoed
-of iets anders; als volwassen vrouwen van een &bdquo;mooie&rdquo; mand
-<span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>met sla of rapen spreken, dan is het meestal
-slechts uit eene zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo
-goedkoop hebben weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind
-geen zorgen heeft, de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan
-aanzien, terwijl men later zoo verdiept is in de zorgen voor het
-onderhoud des levens, in het onmiddellijke platte &bdquo;nut&rdquo; der
-dingen, dat er geen greintje hart meer overblijft voor hunne schoone
-zijde? Voor mijne meeste lezeressen kan ik die reden niet
-vooronderstellen.</p>
-<p class="par">De schuld van het eenzijdige proza&iuml;sch worden ligt,
-geloof ik, voor de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde
-ontwikkeling. De aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze
-kindsheid ingaf dat &bdquo;erwten meer zijn dan kralen, wijl zij
-leven&rdquo;, heeft geleden onder zekere maatschappelijke conventies,
-die ons ten naastenbij wijs wilden maken dat kralen integendeel meer
-zijn dan erwten, wijl kralen in &rsquo;t salon en erwten in de keuken
-t&rsquo;huis behooren. En boonen, wortelen, augurken
-&bdquo;mooi&rdquo;? Wat &bdquo;mooi&rdquo; is, dat beslist immers de
-mode? &bdquo;Mooi&rdquo; is een hoed of mantel naar den laatsten smaak,
-een kostbaar meubel uit een van de grootste magazijnen;
-&bdquo;mooi&rdquo; zijn heel veel waarlijk bevallige dingen, maar ook
-b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte schilderingen, al
-deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar gebrek aan perspectief.
-Een groenteblad, dat door een kind bewonderd wordt, trekt verder geen
-opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor &rsquo;t &bdquo;mooi&rdquo;,
-maar om te eten.</p>
-<p class="par">Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer
-slavinnen geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden? <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span></p>
-<p class="par">Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een
-voorrecht achten veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en
-daaronder ook het schoonmaken van groenten, in den regel aan
-dienstboden te kunnen overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer
-een mand met groenten ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens
-te doorleven wat gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer
-had met uw kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen.
-De rijkdom der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans,
-met uw volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen!
-<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e350">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIII.</h2>
-<h2 class="main">KORENBLOEMEN.</h2>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">De bloem is noodeloos in &rsquo;t koren, en
-nochtans,</p>
-<p class="line">Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw&rsquo;
-een glans...</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede
-ten gunste van de &bdquo;noodelooze&rdquo; bloemen, verdient Ridder
-Constantijn Huygens&rsquo; nagedachtenis nog eene warmere vereering,
-dan die zich openbaart in &rsquo;t geven van zijn naam aan eene der
-meest bloem- en lommerlooze straten van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel
-zeer of hij zelf lust gehad zou hebben, daar te wonen. Hij zou ons
-spoedig mee getroond hebben naar Hofwijk, of naar een of ander
-lievelingspad, waar hij zijn &bdquo;gestolen uren van wandelingh&rdquo;
-placht te slijten, waar misschien werkelijk het uitzicht op golvende
-akkers hem het eerst den titel &bdquo;Korenbloemen&rdquo; voor zijn
-dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan kunst
-gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten:
-<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name="pb136">136</a>]</span></p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">Hij meent geen&rsquo; Korenbloem, die Terw saeyt;
-verr&rsquo; van daer;</p>
-<p class="line">Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber
-waer.</p>
-<p class="line">De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder
-&rsquo;t Koren,</p>
-<p class="line">Als Gasten, die in &rsquo;t Mael der Gasten niet en
-hooren,</p>
-<p class="line">En komen ongenoodt, en schikken zich in &rsquo;t
-best,</p>
-<p class="line">En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de
-rest.</p>
-<p class="line">Men leeds&rsquo;er wel van daen, maer, soo sij &rsquo;t
-Mael verblijden</p>
-<p class="line">Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden.</p>
-</div>
-<p class="par first">En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een
-ruikertje korenbloemen hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al
-nagenoeg hetzelfde gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog
-steeds bij voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden,
-leeuwenbekken en bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen,
-kamille, <span class="corr" id="xd21e2143" title="Bron: centaurien">centauriën</span> en klaprozen....</p>
-<p class="par">Als er van &bdquo;glans&rdquo; gesproken wordt, komen de
-laatsten zeker wel het eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur
-in de wereld, dan dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan
-afsteken? Zij leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten,
-en &rsquo;t roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten
-zat, zich losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die
-&rsquo;t beschutte, en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden
-van weer en wind overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en
-derwaats zwerven, schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun
-stengel zaten;... zij dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen,
-heb ik wel eens hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij
-vereeuwigd door &rsquo;t penseel van elken schilder die zich min of
-meer gelukkig met veldbloemen inlaat. Denkt <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span>u
-een &bdquo;<span lang="fr">jardini&egrave;re</span>&rdquo; zonder haar;
-denkt u de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels
-van het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als
-onmisbaar middelpunt?</p>
-<p class="par">Intusschen, onder &bdquo;korenbloemen&rdquo; verstaat
-men doorgaans niet voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die
-welbekende bloemhoofdjes, in welker buitenste randbloempjes, (welbezien
-slechts als peperhuisjes opgerolde blaadjes), de schoone tint van
-eenigszins gebroken blauw ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam
-van &bdquo;korenblauw&rdquo; ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is
-van oudsher zekere poëzie verbonden; als ware het bij overlevering
-hebben wij ze lief; dat elk ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie
-veldbloem, is daarvan wel het duidelijkste bewijs.</p>
-<p class="par">Heeft zij dit voorrecht, dit <i>prestige</i>, indien ik
-het zoo noemen mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere
-bijzondere eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat
-ook een aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de
-gave van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in
-haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving is zij
-niets. Als &bdquo;<i>Centaureae Cyanae</i>&rdquo; in tuinen gekweekt
-worden, vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking
-haar oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want
-doorgaans wordt het blauw &ograve;f donkerder &ograve;f fletser, of
-verbastert het tot vuil-wit of vuil-paars),&mdash;gesteld al, dat de
-kleur zuiver blijft, dan maken zij toch altijd een onverschilligen
-indruk. Het grove, schrale, onbehaaglijke der stengels en <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name="pb138">138</a>]</span>der
-bladeren valt in den tuin ieder in het oog; in &rsquo;t veld verschuilt
-zich dat tusschen de halmen, en alleen de bloemen komen uit &bdquo;het
-golvend bosch&rdquo; te voorschijn.</p>
-<p class="par">En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur
-tusschen rogge groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat
-de zandstreken wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de
-schilderachtigste gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan
-vereenzelvigt zich voor ons de schoonheid van de korenbloem met die van
-het roggeveld.&mdash;En dat is?</p>
-<p class="par">Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden
-bodem, bedekt met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en
-gebroken door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen.
-Het is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen,
-hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van een
-dorp. Het is het mooie Juli-we&ecirc;r, de helderheid der lucht, de
-geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche olmen.
-Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar heerscht om
-u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging brengt. Het is
-wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon zijt daarop meer
-of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd kleine kevers, wespen,
-torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen en vliegen, en voor
-wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe druk zij het hebben.
-Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in en uitvliegt, of de
-patrijs, die juist, met hare jongen achter zich, het ongelijke, half
-begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is de haas, die eensklaps u
-voorbij schiet, en die u dan <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span>veel rosser dunkt dan &rsquo;s
-winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en de menschenstemmen
-die daartusschen klinken op een afstand. Het zijn de halfgekleede
-kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is bovenal uw eigen stemming,
-het gevoel van ruimte, van frischheid, en nochtans van gezelligheid; en
-het spel van uw eigen gedachten, die beurtelings de verte en de diepte
-indwalen....</p>
-<p class="par">Als ge lang zoo&rsquo;n korenbloem aanziet, dan is het
-alsof al die blauwe buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat
-tafereel hoe langer hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat
-kleine ding voor u de vertegenwoordigster van een der lieflijkste
-landschappen.... of liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat
-bij eenig kadaster, dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er
-nooit een zal krijgen; maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet
-met het oog van den kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft!
-<span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e359">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIV.</h2>
-<h2 class="main">EEN BERGTOCHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene
-eigen reis naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst
-aan een badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan
-het op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde
-&bdquo;<i lang="de">S&auml;chsische Schweiz</i>&rdquo;. Mij voerden
-bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden naar een ander hoekje,
-ook in het noorden van Boheme, maar een weinig dieper landwaarts in.
-Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij Trautenau, een welvarend
-stadje, bekend door de worsteling tusschen Pruisen en Oostenrijkers in
-1866; en van daar maakten wij tochtjes in den omtrek. E&eacute;n
-daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename herinneringen, maar
-gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo goed als onbekend is,
-de &bdquo;<i lang="de">Weckelsdorfer Felsenstadt</i>&rdquo;.</p>
-<p class="par">Op een mooien zondagochtend trokken wij uit;
-&eacute;&eacute;n van het gezelschap had den weg vooraf bestudeerd, en
-wij overigen lieten ons leiden. Wel moesten wij een keer <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>of
-vijf van lijn verwisselen; &eacute;&eacute;ns een uur wachten op een
-trein die <span class="corr" id="xd21e2192" title="Bron: telaat">te
-laat</span> kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven aan een
-station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die voor
-stationskoffiehuis diende; maar met dat al was &rsquo;t heerlijk dat er
-spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden
-bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de
-plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was
-voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil en
-eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd zij
-gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna allen
-gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om &bdquo;<i lang="de">die
-Felsenpartie zu machen</i>&rdquo;. Ook het aardige, vroolijke, geheel
-op den zomer ingerichte logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek
-namen, bleek op die wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het
-was er druk en levendig, de kamers hadden zoo&rsquo;n mooi uitzicht, de
-eetzaal was zoo lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij
-deden ons te goed aan een bord oostenrijksche soep;&mdash;onze leidsman
-had moeite om ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning:
-&bdquo;Nu eerst naar de rotsen,&mdash;het is nog een half uur gaans en
-de zon mag niet te laag staan, als wij ze goed zien zullen.&rdquo; Het
-aangenaam vooruitzicht van des avonds in die zelfde zaal terug te
-zullen komen, deed ons eindelijk gehoorzaam meegaan... naar &bdquo;de
-rotsen&rdquo;.</p>
-<p class="par">Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een
-half uur afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het
-ons uitleggen. Wij wandelden door een <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span>welvarend,
-heuvelachtig (laat mij ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap;
-ginds, als wij dat bosch achter den rug hadden, zouden wij van zelf de
-&bdquo;<i lang="de">Felsenstadt</i>&rdquo; in het oog krijgen. Tusschen
-de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk verheft zich, midden in
-eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene zandsteenformatie van een
-paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks tachtig jaar werd zij
-bijna niet door menschen bezocht. De rotsen, hare zonderling gapende
-kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren met een zoo goed als
-ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen van het hout loonde de
-bezwaren van &rsquo;t vervoer niet; en ook voor de jacht werd deze
-steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in oorlogstijden
-schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben aan wanhopige
-vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid hier en daar
-zichtbaar, worden in den regel aan &bdquo;de Hussieten&rdquo;
-toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote rol
-spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk ook
-de berggeest R&uuml;bezahl bij de legenden van de Felsenstadt te
-pas.</p>
-<p class="par">Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond
-er in deze geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand
-voorstellen kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn
-oorspronkelijken harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van
-meepraten: ik zag slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen
-kaal en daardoor toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen
-weldra de lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend
-heiligdom der natuur binnendringende, <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>verstomd hadden
-gestaan over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het
-water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden van
-jaren daar ongestoord aan &rsquo;t werk waren geweest, hadden deze
-rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er
-doorgesiepeld, en de wind had het &eacute;&eacute;ne stuk op het andere
-geworpen; en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk
-boetseeren, vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee
-bezighouden, er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was
-geweest, dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand
-veel gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den
-landheer, geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen
-afsluiten en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd
-toen het vertoonen van de &bdquo;Felsenstadt&rdquo; aan beëedigde
-gidsen verpacht,&mdash;en op aanbeveling van Baedeker en zijne
-plaatselijk-boheemsche collega&rsquo;s, neemt in de laatste jaren het
-aantal bezoekers elken zomer toe.</p>
-<p class="par">Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan
-het echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft
-zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een
-boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op een
-gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje
-beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken;
-klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift,
-(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op de
-rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof hebben
-om op de meest <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span>indrukwekkende plaatsen een verflauwd <i>Stabat
-Mater</i> te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden,
-ter wille van een echo,&mdash;aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft
-de menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de
-meeste gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze
-rotsvorming is en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De
-plantengroei is schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare
-valleitjes, brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van &rsquo;t
-landschap bij: hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige
-blokken, de donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap
-verwisselt. Ons allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging
-v&oacute;&oacute;r, wij volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan
-links, en niemand dacht aan moeworden. Indien men spreekt van een
-eenigszins vervelende inmenging van menschen, dan bestaat die misschien
-daarin, dat de gidsen aan de meeste eenigszins in het oogvallende
-rotsstukken namen geven. &bdquo;Daar zijn de
-koornzakken,&rdquo;&mdash;werd ons reeds kort bij den ingang
-aangewezen, &bdquo;daar zijn de kazen&rdquo;, daar is &bdquo;de
-kroon&rdquo;, &bdquo;de wandelende pelgrim&rdquo;, de
-&bdquo;reuzenharp&rdquo;, de &bdquo;schoorsteenveger&rdquo;; ginds in
-de hoogte zit &bdquo;de broeiende kip.&rdquo; Ik moet eerlijk bekennen
-dat dit mij minder aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan
-onze eigen verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de
-figuren zoo teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken.
-&bdquo;Kijk,&rdquo; riep eensklaps een van het gezelschap, toen wij een
-bocht van een smal dal omgingen: &bdquo;daar staat Erasmus boven op
-dien top.&rdquo; &bdquo;Sanct Johan von Nepomuc,&rdquo; zei de gids,
-die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis, en wees plechtig
-naar de hoogte. <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145"
-name="pb145">145</a>]</span>Er werd hartelijk gelachen om die botsing
-van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het is waarlijk
-niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon van Boheme
-meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man met toga en
-baret, met een boek in de &eacute;&eacute;ne hand, en de andere over
-het land uitgestrekt,&mdash;spreekt het niet van zelf, dat <span class="corr" id="xd21e2218" title="Bron: met">men</span> hem als den heilige
-moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt echter bij die
-gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit, dat dezelfde
-rotspunt, van de andere zijde gezien &bdquo;<i lang="de">der
-Uhu</i>&rdquo;, de uil, heet!)&mdash;Iets verder maakte ons de gids
-opmerkzaam op: &bdquo;de wachtende rotsbruid&rdquo;. Ditmaal was het
-goed dat hij ons voorthielp, want wij zouden de aardige figuur niet
-gezien hebben; toen wij haar eenmaal in het oog kregen, trof ons allen
-dat zinnebeeld van verlangend wachten. Een driehoekige rotspunt
-namelijk maakt geheel den indruk van een lange vrouw, die, vlak op den
-bergrug gezeten, met uitgerekten hals in de verte naar iets
-uitziet.</p>
-<p class="par">Weldra kwamen wij aan het
-&bdquo;rotsamphitheater&rdquo;, een halfrond dal, dat werkelijk aan de
-afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet denken; in den somberen
-&bdquo;grafkelder&rdquo;; en eindelijk in den
-&bdquo;M&uuml;nster&rdquo;, een prachtige grot, waar de tonen van
-&rsquo;t genoemde orgel, ofschoon zwak, niet slecht klonken. Een paar
-allerliefste plekjes waren &bdquo;de lentetuin&rdquo;, met zijn
-frissche varensvegetatie, en &bdquo;Italië&rdquo;. Dit laatste
-heet nl. zoo, in tegenstelling van &bdquo;Siberië&rdquo;, een
-kille kloof, waar nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche
-jaar door sneeuw ligt;&mdash;daaruit tredende, komt men dan
-onmiddellijk in het warme, rondom <span class="pagenum">[<a id="pb146"
-href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span>beschutte, rijk begroeide
-&bdquo;Italië&rdquo;. Eerst tegen &rsquo;t vallen van den avond,
-juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze wandeling
-ten einde. Bij den ingang&mdash;thans voor ons den uitgang&mdash;stond
-een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen,
-bestemd voor &bdquo;welkom t&rsquo;huis&rdquo;; getuige de gemoedelijke
-woorden, waarmee ze allen prijkten: &bdquo;<i lang="de">Auch in
-Weckelsdorf gedachte ich Dein.</i>&rdquo; V&oacute;&oacute;r de deur,
-op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk zochten wij
-daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als ergens anders
-in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er een versje in
-te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes tot stand:</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Wie zien wil, hoe een schutspatroon</p>
-<p class="line xd21e1934">Ontzag wekt en vertrouwen,</p>
-<p class="line">Lette op Johan von Nepomuk,</p>
-<p class="line xd21e1934">Door de eeuwen uitgehouwen.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Wie voelen wil, wat wachten is,</p>
-<p class="line xd21e1934">Trots tijd, en storm, en regen,</p>
-<p class="line">Zie opwaarts naar de Steenen Bruid,</p>
-<p class="line xd21e1934">En vraag haar stillen zegen.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Wie weten wil hoe grillig-grootsch</p>
-<p class="line xd21e1934">Natuur zich kan vertoonen,</p>
-<p class="line">Betre&ecirc; de Weckelsdorfer &bdquo;Stadt:&rdquo;</p>
-<p class="line xd21e1934">Het zal de moeite loonen.</p>
-</div>
-</div>
-<p class="par first">En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die
-ooit in de nabijheid van deze zonderlinge rotsen mochten komen.</p>
-<p class="par">Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij
-den volgenden morgen de zaak nog eens even van <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span>de
-Adersbachsche zijde bekijken. Bij Adersbach nl. is nog een tweede
-toegang, en vandaar uit wordt men door de andere helft van het
-rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de Weckelsdorfsche helft de
-beste, daar zij veel meer verscheidenheid aanbiedt. De Adersbachsche
-kant heeft dit v&oacute;&oacute;r, dat werkelijk het begrip van
-<i>stad</i> daar het meest tot zijn recht komt. In de lange, eentonige,
-slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die daardoorheen
-leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten te loopen. De
-rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige ellen afstands,
-gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven tusschen gemaakt,
-die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en wie dan den donker
-grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en te Dresden het grootste
-oude deel der steden opgetrokken is, zal zich niet verwonderen dat de
-namen: <span lang="de">&bdquo;lange Gasse&rdquo;, &bdquo;Prager
-Jesu&iuml;tengasse&rdquo;, &bdquo;Breslauer Wollmarkt&rdquo;</span>
-enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn gekozen. <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e368">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXV.</h2>
-<h2 class="main">OUWERWETSCHE BLOEMEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet
-ik een hofje, waar ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar
-keeren naar toe ga, om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten
-naastenbij als alle andere hofjes. Ofschoon midden in eene zeer
-volkrijke buurt gelegen, is het als een zinnebeeld van rust en stilte.
-Als gij er binnen treedt, en de zware ijzeren deur achter u toevalt,
-gevoelt gij u in eene kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van
-de groengeverfde deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de
-gordijntjes, zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon
-bestemd te wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige
-plooi: z&oacute;&oacute; goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als
-de rimpelige hand, die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het
-loslaat. De katten sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de
-lijsters in de kooien schijnen zich onder dien invloed te voelen. De
-mijne zingt altijd: &bdquo;Wat wil je nou liever als vrede?&rdquo;
-zeide mij eens een oud vrouwtje; en <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span>ik moest erkennen dat
-althans &bdquo;de maat precies uitkwam.&rdquo; Eerlijk gezegd, het is
-er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens tachtig jaar zal
-moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal kunnen vinden. En als
-ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk, en mijn gezichteinder
-verruim door het marktplein te zoeken,&mdash;dan haal ik diep adem, en
-word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn grootere en
-kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende, kleingeestige
-menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de dorre menschen, die
-aan onze fantazie haar goed recht van bestaan en ontwikkeling
-betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten, die ons trachten op te
-dringen dat de zonneschijn van het leven zijn nevelen niet waard is...
-ik toch de wijde wereld nog niet moe ben!</p>
-<p class="par">Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de
-tijdrekening aangaat, scheidt de poort van &rsquo;t hofje hetgeen
-daarbinnen van hetgeen daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een
-berijmd opschrift, uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks
-150 jaar gesticht is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het
-drievoudig doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te
-vereeuwigen, en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De
-bouwtrant en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich
-ook in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd
-heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de
-neepjesmutsen, nog van het model als waarme&ecirc; zich onze
-overgrootmoeders lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij
-spreekt u ook toe uit de <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span>bloemen, welke daar bij voorkeur
-gekweekt worden.</p>
-<p class="par">Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij
-tegenwoordig in Holland nog een &bdquo;juffertje in &rsquo;t
-groen&rdquo; (<i>Nigella Damascena</i>) vinden, met het lichtblauw deel
-harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen; of een
-&bdquo;kooltje vuur&rdquo; (<i>Adonis autumnalis</i>); of, om in
-dezelfde kleur te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem
-(<i>Lychnis chalcedonica</i>), in de wandeling
-&bdquo;Konstantinopel&rdquo; genoemd? Wie anders kweekt nog als
-sierplant &bdquo;bernagie&rdquo; (<i>Borago officinalis</i>), met zijn
-stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in de
-weelde van er &bdquo;gouden knoopjes&rdquo; op na te houden? Waar
-anders dan misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een
-&bdquo;tuinder,&rdquo; die zich bepaald op de klandisie van de oude
-vrouwtjes toelegt, krijgt men zulk een rijkdom van schitterende
-duizendschoonen en welriekende violieren te zien? Waar anders speelt de
-balsamine zulk een groote rol? Ik meen &egrave;n de enkele, de
-klimplant, &egrave;n vooral de oost-indische balsamine, met haar
-dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels van een hyacinth
-rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt, terwijl een
-bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt.</p>
-<p class="par">Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed
-te doen aan den geur der muurbloemen (<i>Cheiranthus Cheiri</i>), wier
-geel mij nergens zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo
-fluweelachtig toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het
-vierkante middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in
-plaats van gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de
-randjes van grasanjers in bloei; <span class="pagenum">[<a id="pb151"
-href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>en dan staat op de rekjes
-voor de ramen, tusschen een aantal kleine potjes met Sedums en
-Cacteën, een groote &bdquo;ruiker&rdquo; ranonkels in een glas
-water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen vaasje. Ruiken doen
-zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de gedachte voor de hand
-ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te maken zouden wezen;
-maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder eenig temperend groen
-er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd sieraad zoo binnen als
-buiten het venster der bestjes. Die rekjes zijn dan verder gevuld met
-maagdepalm en bakkruidjes (de oudste soort van <i>Primula veris</i>);
-en zoo er soms een maandroos bij staat, dan is die stellig tegen een
-paar latjes opgebonden.</p>
-<p class="par">Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het
-dan juist niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna
-ieder raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit
-zou kunnen noemen, en wat ons af en toe een: &bdquo;wel, is dat nu
-een... (dit of dat)&rdquo;? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met
-vreugde, hoe ik daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem
-bespeurde, en mij verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen
-naam. Blijkbaar heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van
-zeer smalle blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een
-doornenkroon doen denken; en is men daarna in de andere inwendige
-bloemdeelen het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken.
-Hieraan ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die
-haar in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij
-in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span>steeds een kasplant. Dat ik haar op het hofje
-ontdekte, was dan ook door een bijzonder fortuintje. Zij was het
-eigendom van een vrouwtje van brabantsche afkomst, die haar plant
-z&oacute;&oacute; geleid had, dat die een soort van nisje vormde,
-waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als &eacute;&eacute;nige
-roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven, hield zij die
-stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien achtermiddag,
-trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald &bdquo;voor een
-verfrissching&rdquo;.</p>
-<p class="par">En als men dan den blik weer van de vensters naar den
-algemeenen tuin wendt, kan men daar kennis maken met de akoly
-(<i>Aquilegia vulgaris</i>), met vijf spoortjes, op de wijze als
-oost-indische kers er een heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde
-van den dag was, toen de rederijkerskamer &bdquo;<i>De witte
-Akelye</i>&rdquo; een &bdquo;zinnespel&rdquo; vertoonde, ter eere van
-ik weet niet recht welk voorval in den &bdquo;prinsentijd&rdquo;. Daar
-staan ook in al hare bescheidenheid de &bdquo;menniste zusjes&rdquo;
-(<i>Saxifraga umbrosa</i>), wier ondeugende naam mede aan een vroegere
-periode doet denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke
-politieke rol speelden in de dagen der &bdquo;Oranjeklanten&rdquo;.
-Onder den grooten pereboom in &rsquo;t midden, die ouderwetsche peren
-voortbrengt,&mdash;even geurig als menige groote, nieuw
-veredelde,&mdash;groeit en bloeit een struik (<i>Rubus
-occidentalis</i>), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die
-men &bdquo;kaapsche framboos&rdquo; noemt, en ook zeldzaam elders meer
-aantreft; aan gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in
-het najaar zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den
-titel van &bdquo;Judaspenningen&rdquo; in de zon gedroogd zullen
-worden. Ook worden <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153"
-name="pb153">153</a>]</span>daar &bdquo;steekneusjes&rdquo;
-(<i>Agrostemma coronaria</i>) gekweekt, en wijnruit, en rosemarijn, en
-een soort van salie met afwisselend roode en blauwe schutblaadjes. Ik
-zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders toch aan dien
-zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen; namelijk of en hoe
-dat samenhangt met de <i>Salvia officinalis</i>, welke in de
-middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat een
-latijnsch spreekwoord luidde: &bdquo;Waaraan zal een mensch sterven,
-die nog salie in den tuin heeft?&rdquo;</p>
-<p class="par">Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt
-zijn?</p>
-<p class="par">Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat
-zij hier niet &bdquo;aarden wilden&rdquo;.&mdash;Maar dat kunnen niet
-de &eacute;&eacute;nige redenen zijn. Een bejaard bloemist zei eens:
-&bdquo;Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er aan een plant wat te
-veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra men daar geen kans meer
-op ziet, raakt zij er uit.&rdquo; Ik geloof dat daar veel waars in is.
-De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten te leveren, maakt
-de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het dankbaarst leenen,
-hebben voor een tijd den boventoon.</p>
-<p class="par">Doch op die wijze wordt het aantal der &bdquo;in den
-smaak&rdquo; zijnde bloemen zeer beperkt; en wie waarlijk Flora
-liefheeft juist in hare eindelooze verscheidenheid, dient zich dan
-schadeloos te stellen door af en toe de &bdquo;verouderden&rdquo; in
-hare schuilhoeken op te gaan zoeken. <span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e377">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXVI.</h2>
-<h2 class="main">AUGUSTUS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en
-geschiedkundigen voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van
-zouden leveren; maar in mijn ooren doelt de naam <i>Augustus</i> voor
-onze achtste maand steeds daarop, dat de volle majesteit en
-heerlijkheid van &rsquo;t zomerleven zich om dien tijd van &rsquo;t
-jaar het meest in al haar omvang openbaren.&mdash;Juni heet zomermaand;
-maar &bdquo;voor den langsten dag krijgen wij geen warmte&rdquo;, is
-eene in onze volksovertuiging opgenomen zekerheid.&mdash;Thans, op
-&rsquo;t eind van Juli, is de warmte eindelijk gekomen.&mdash;De wind
-is oostelijk; de barometer teekent &bdquo;bestendig&rdquo;; het
-&bdquo;laat zich aanzien dat wij&mdash;(&bdquo;met de nieuwe
-maan&rdquo;, voegen sommigen er bij)&mdash;het mooie weer een poosje
-zullen houden.&rdquo; De natuur rust op haar lauweren van het groeien;
-de zonneschijn heeft nu slechts voor het rijpen te zorgen.</p>
-<p class="par">Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen
-<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name="pb155">155</a>]</span>namiddag. Gij hebt u verscholen in de schaduw.
-Het diepe groen der iepen en der linden komt te rijker uit, sinds het
-wordt afgewisseld door de frisscher tint der jongste loten. De lucht is
-helder. Nu en dan snort u een hommel of een juffertje voorbij; of een
-wielewaal vliegt van den eenen boom naar den anderen, met de
-schalksche, zangerige vraag: &bdquo;<i>Klinkt mijn liedje niet
-goed?</i>&rdquo;&mdash;De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich,
-zoodra gij u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij
-zich in &rsquo;t gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt
-niet veel, maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe
-handen buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van
-rust in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam....
-Dikwijls komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige
-geest gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er
-aan die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd.</p>
-<p class="par">Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in
-aangenaam gezelschap,&mdash;ik meen werkelijk aangenaam gezelschap,
-niet slechts het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het
-bereik van elkaars stemmen....</p>
-<p class="par">De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich
-voorgesteld hebben den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten.
-&bdquo;Van den zomer&rdquo; zullen wij dit doen, en tot &bdquo;van den
-zomer&rdquo; zullen wij dat uitstellen, heeft men elkander reeds sinds
-maanden hoopvol toegefluisterd: en al die bezielende, veelbelovende
-plannen doelden op die lange dagen, die voor zeer velen, te beginnen
-met de schoolkinderen, een korter of langer vakantie, <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span>verlof, of &bdquo;komkommertijd&rdquo; mee
-plegen te brengen.</p>
-<p class="par">Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een
-aantal menschen met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig
-feest, waarvan de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte
-de uitvoering zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer
-verheugd heeft, als zij eindelijk d&aacute;&aacute;r is, ronduit
-gezegd, maar al te dikwijls tegenvalt? Dat de &eacute;&eacute;n veel
-tijd besteedt aan plannen, om zich het schoone jaargetijde het
-aangenaamst te maken, en nochtans tot geen recht genot kan komen; en
-een ander, zij het dan ook met een beetje schaamte, moet erkennen, dat
-hij eigenlijk den winter w&egrave;l zoo kalm en rustig, gezellig,
-&bdquo;comfortable&rdquo; en pleizierig vindt?</p>
-<p class="par">Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd
-verschillende redenen; doch er is er &eacute;&eacute;ne, die daarbij
-voor velen eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de
-meeste Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu
-toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne
-&bdquo;onbestendigheid&rdquo;, zijne &bdquo;guurheid&rdquo;, en het
-geringe aantal schoone dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt
-naar warmte, en... als dan op eens de thermometers zijn gerezen,
-beklaagt men zich daar al heel gauw nog meer over, dan te voren over de
-kou.</p>
-<p class="par">Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons,
-beschaafde Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming
-het schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede
-vieren?</p>
-<p class="par">Ik denk het allereerst aan onze dag- en
-nacht-verdeeling. Hoe zijn wij er toch toe gekomen om, wonende op een
-<span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span>breedtegraad waar zulk een groot verschil is in
-zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven nagenoeg het gansche jaar
-door &eacute;&eacute;n tijdsverdeeling te behouden, en wel een die het
-beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel toch der
-beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de zon in
-Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s&rsquo;avonds, ook
-in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou kunnen
-noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn volle
-waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste uren
-te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden, de
-warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al zwoegend
-doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een handjevol
-genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag &bdquo;zoo
-kort&rdquo;, en het afscheid van de zon &bdquo;reeds&rdquo;
-d&aacute;&aacute;r is, met kunstmatige verlichting den tijd in te halen
-dien men des morgens heeft bedorven?</p>
-<p class="par">Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn,
-dat het weder al &bdquo;heel mooi&rdquo; moet wezen eer wij ons met
-genoegen in de vrije lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin
-zooveel beter ingericht op koude dan op warmte, op zomer-morgens
-dikwijls meer tobt, mort, zich over de natuur beklaagt,&mdash;dan op
-den guursten Novemberdag?</p>
-<p class="par">Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van
-menschen, het grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel,
-besloten tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens
-weer straten, zoodat zij nauwelijks &eacute;&eacute;n uurtje daags den
-zonneschijn op hunne <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158"
-name="pb158">158</a>]</span>ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de
-zon met eigen oogen te zien op- of ondergaan. Is &rsquo;t wonder, dat
-voor velen hunner de zomer geen genot is, en dat zij,&mdash;misschien
-zonder het te weten,&mdash;hem daarom liever maar voorbij wenschen,
-omdat er dan sprake is van een vrijheid en een vreugde, die voor hen
-toch niet schijnen weggelegd te zijn?</p>
-<p class="par">Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van
-arbeid, die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche
-volken bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot
-de zoo noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor
-ook de naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur
-ontrooft. Is het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen,
-indien hun werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar
-onafgebroken kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde
-omgeving doet wenschen?</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer
-velen dwaas en &bdquo;overdreven&rdquo; dunken; dingen onnatuurlijk
-noem, die men door de kracht der gewoonte normaal is gaan vinden;
-zinspeel op idealen, die ik op het oogenblik evenmin in praktijk kan
-brengen als gij.</p>
-<p class="par">Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe
-ik elken zomer, als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de
-aantrekkelijkheid van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik
-daarbij telkens weder aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit
-weet ik dat genoemd klimaat zich niet naar ons zal schikken; en
-<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name="pb159">159</a>]</span>dat wij dus het wijst zouden doen met <i>ons</i>
-naar <i>zijn</i> veranderingen, <i>zijn</i> nukken en grillen te
-regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen
-zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid zoo
-onkwetsbaar mogelijk te maken. <span class="pagenum">[<a id="pb160"
-href="#pb160" name="pb160">160</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e386">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXVII.</h2>
-<h2 class="main">BLOEMEN LANGS DEN WEG.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer&rsquo;s
-lief heldinnetje de kunst van &bdquo;kruuzemunt&rdquo;-zoeken na te
-doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het met den neus gaan zoeken;
-evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke kleine paarse lipbloemen,
-die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie, dat men de blaadjes
-slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat hun groei aangaat,
-heeft men slechts aan een doovenetel te denken...</p>
-<p class="par">&bdquo;Al die <span class="ex">Munt</span> en al dat
-<span class="ex">Penningkruid</span> langs de publieke wegen,&rdquo;
-zei laatst iemand op een wandeling, &bdquo;is maar een bespotting van
-den armen drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn
-zak.&rdquo;&mdash;&bdquo;Ja, als je daaraan wilt beginnen,&rdquo;
-hervatte een ander: de <span class="ex">Sleutelbloem</span> past op
-geen enkel slot; en wie den <span class="ex">Helm</span> voor
-hoofddeksel wou gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd
-moeten hebben.&rdquo;&mdash;De aardigheid was aanstekelijk,
-<span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span>en de voorbeelden liggen slechts voor het
-oprapen. &bdquo;Aan het <span class="ex">Vuurkruid</span>&rdquo;, viel
-een derde in, &bdquo;kunt ge niet &eacute;&eacute;ns een sigaar
-aansteken: waarvoor dient zoo&rsquo;n ding
-dan?&rdquo;&mdash;&bdquo;Onder al de <span class="ex">Violen</span> en
-<span class="ex">Vioolachtigen</span> is er geen enkele, waarop men, al
-was &rsquo;t ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen
-spelen.&rdquo;&mdash;&bdquo;De meeste <span class="ex">Paddestoelen</span> zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs
-voor een pad.&rdquo;&mdash;&bdquo;De <span class="ex">kammetjes</span>
-van &rsquo;t <span class="ex">Kamgras</span> kunnen nooit een kapper
-van nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als <span class="ex">Salomo</span>, in zijn tijd, niet heel wat anders dan een
-Convallaria als <span class="ex">Zegel</span> gebruikt
-had.&rdquo;&mdash;&bdquo;Al die <span class="ex">Slangenkoppen</span>
-en die <span class="ex">Addertongen</span>, waarvan het, naar men zegt,
-in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een
-duinwandeling geven...&rdquo;&mdash;&bdquo;Is waar, &rsquo;t is wel wat
-erg; en als gij ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig,
-een broodje met <span class="ex">Ossentong</span> bestelt, en de knecht
-u met een ruwbladerig plantje aan komt dragen, dan ken ik u volkomen
-het recht toe, om hem een uil of een brutalen spotvogel te
-noemen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke
-namen. Wat dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers,
-Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren, en
-Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen,
-waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen over
-den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij herdersbeursjes
-vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat van de eene of andere
-Philis te bergen!&mdash;Soms is er aan die wilde planten een legende
-verbonden, en dan heeten zij naar <span class="pagenum">[<a id="pb162"
-href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span>den eenen of anderen heilige;
-soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij voorbeeld die van
-&bdquo;kamperfoelie&rdquo;, blijkbaar verbasterd van het fransche
-&bdquo;<span lang="fr">ch&ecirc;vre-feuille</span>&rdquo;! Soms weer
-zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van &bdquo;duivelsgaren&rdquo;
-voor verschillende zeer lastige slingerplanten.&mdash;Doch hetzij hun
-zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze mooi mogen vinden
-of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven altijd veel liever dan
-de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de bedoeling van de
-tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet zoozeer is om meer
-geleerden te vormen, als wel om in alle menschen meer oog en hart voor
-de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan moet op de populaire
-wetenschap ook niet door latijnsche terminologie een te
-&bdquo;geleerde&rdquo; stempel worden gedrukt. En indien een groot
-aantal plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog
-toe het &bdquo;volk&rdquo; ze, als van geen bijzonder praktisch belang,
-onopgemerkt voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk
-niet, ze een volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door
-botanisch onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet
-dood, verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar!
-Indien de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of
-andere zijde verruimt, moet zij&mdash;de taal&mdash;dan niet meegaan en
-zich voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij
-hun latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders;
-de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen op
-na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het
-<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span>levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van
-Herderstasch. Ziet eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de
-oude Dodonaeus het voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus
-uitteekende, en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik,
-en aan de andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen
-karakteriseerde:</p>
-<p lang="nl" class="par">&bdquo;Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in
-&rsquo;t eerste uyt syne wortel sommighe langhworpighe bladeren,
-rondsomme diep gekerft,&mdash;langhs der aerden verspreydt; daer nae
-krijghet dunne; somtijds veelachtighe recht op staende steelkens, in
-andere zijd-steelkens dickwijls verdeyldt, met dierghelijcke, maer
-kleynder bladeren beset; op het top van dewelcke kleyne witte bloemkens
-voordtkomen, gheschicktelijck gevoeght: als die vergaen sijn, komen
-daeraen kleyne, platte, kantighe hauwkens, bij haer steelken oft aen
-haer oorspronck wat smaller en wat meer ineenghedrongen dan nae
-bovenwaerts, waer zij breeder zijn, kleyne borsekens oft teskens
-eenighsins ghelyckende, nae de welcke dit cruydt synen naem voert. In
-de teskens steeckt het saet.(!) De wortel is langhachtigh, wit, met
-sommighe veselinghen.&mdash;Het groeyt, bloeyt, ende maekt syn saet ryp
-den geheelen somer door.&rdquo;</p>
-<p class="par">Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten
-zeggen. De voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn
-verdwenen en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten;
-maar de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille; en
-de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid; en de
-basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in open plaatsen
-tusschen het hakhout; en <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span>hoe meer men er op let, hoe meer
-verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels in de weide
-glinsteren, dan zijn &rsquo;t, in plaats van madeliefjes, witte
-klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur vergoedt
-meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een handvol
-van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering: misschien
-vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij weet,.... dat
-brengt geluk aan! <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165"
-name="pb165">165</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e395">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXVIII.</h2>
-<h2 class="main">DE LOTOS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Onlangs had er een botanisch verkeerd &agrave;
-propos plaats zooals heel licht gebeuren kan, wanneer twee of meer
-planten, in den loop der tijden, aan denzelfden naam gekomen zijn. Het
-was tusschen een geleerde, die zich nooit veel met bloemen ingelaten
-had, maar des te meer met oude dichtkunst, en een dertienjarig meisje,
-dat juist dezen zomer, als H. B. school-leerlinge, haar eerste veld
-liep op plantkundig gebied.</p>
-<p class="par">&bdquo;Je hebt het tegenwoordig zoo druk over
-planten,&rdquo; zei de doctor in de letteren; &bdquo;maar weet je wat
-ik graag eens zien zou: een Lotosbloem.&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze
-niet?&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Ze zouden mij zoo interesseeren om de
-poëzie, die er aan is verbonden. Je denkt dan zoo om een stil
-waterlandschap met een weelderigen plantengroei bij maanlicht.&rdquo;
-En hij vertelde een en ander van de &bdquo;Lotophagi, de
-veelbebesproken Lotoseters&rdquo;, en beweerde dat hij er zelf wel eens
-even, bij voorbeeld voor &eacute;&eacute;n nacht, een zou willen wezen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of
-schapen,&rdquo; schertste &rsquo;t meisje; &bdquo;menschen zullen ze
-toch wel niet eten.&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze
-waarschijnlijk nog wel.&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Ik ga er een halen,&rdquo; besloot
-zij.</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?&rdquo;
-vroeg hij lachend.</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Neen, vlak bij uw huis.&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht
-bij&rdquo; mompelde hij ongeloovig. En halfluid reciteerde hij:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line"><span class="corr" id="xd21e2506" title="Niet in bron">&bdquo;</span>Die Lotosblume &auml;ngstigt</p>
-<p class="line">Sich vor der Sonne Pracht,</p>
-<p class="line">Und mit gesenktem <span class="corr" id="xd21e2513"
-title="Bron: H&auml;upte">Haupte</span></p>
-<p class="line">Erwartet sie tr&auml;umend die Nacht.&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">Binnen weinige minuten was zij terug met een
-plantje van een paar palm hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en
-fraaie botergele bloempjes.</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Is dat een Lotos?&rdquo; riep de doctor,
-&bdquo;&rsquo;t Lijkt wel een gouden-regen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Een gouden-regen!&rdquo; herhaalde nu het
-meisje op haar beurt, met al de verbazing van iemand, voor wie
-z&oacute;&oacute;&rsquo;n vergissing sinds zes weken een onmogelijkheid
-was. &bdquo;&rsquo;t Is een <i>Lotus corniculatus</i>, een gehoornde
-Rolklaver.&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Nu, dan zal ik het voortaan voor jou
-plezier een land-Lotus noemen, juffrouw Flora,&rdquo; eindigde de
-litterator vriendelijk.&mdash;Maar wat hij had wenschen te zien was een
-<i>Nymphea-Lotus</i>, dat sieraad van den Nijl, die met hare indische
-zuster, de <i>Nymphea Nelumbo</i>, als &bdquo;Lotosbloem&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name="pb167">167</a>]</span>zulk een voorname rol speelt in de aloude
-poëzie van Indië en van Egypte. En hij verhaalde daaromtrent
-verscheiden mythen en legenden, die haar lieve oogen deden
-glinsteren.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">&bdquo;Mijnheer,&rdquo; zei twee maanden later juffrouw
-Flora, zooals hij haar sedert dien tijd voortdurend noemde, &bdquo;nu
-weet ik waar u iets te zien kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt!
-In den Amsterdamschen &bdquo;Hortus&rdquo; bloeit de <i>Victoria
-regia</i>. Ik heb er een prent van gezien, en dacht dadelijk aan uw
-indische vertellingen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Welnu, dan zullen wij er samen eens
-heengaan. Wat wil je liever: bij dag, of bij avond met
-gaslicht.&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Neen, bij dag!&rdquo; koos haar rein
-instinkt; &bdquo;&rsquo;t is wel waar, zij bloeit het mooist bij avond,
-maar bij gaslicht, dat vind ik zoo.... onnatuurlijk.&rdquo;</p>
-<p class="par">Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij
-op klaarlichten dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als
-een leeuw in zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in
-roodachtigen toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou
-verwachten. En men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen.
-Een was er omgedraaid, opdat men &rsquo;t sterke adernet in oogenschouw
-zou kunnen nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een
-jongen van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de
-bloemen met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn
-een gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.&mdash;En eer
-zij uit den Hortus gingen, <span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span>waren hun ook dadelpalmen,
-suikerriet, een koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen,
-al hetwelk zeer hunne belangstelling opwekte.</p>
-<p class="par">Toen zij &rsquo;t hek uit waren, zwegen zij beiden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen
-land zien,&rdquo; zei het meisje het eerst.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde de dokter, &bdquo;&rsquo;t
-is heel mooi voor de wetenschap, zoo&rsquo;n inrichting; maar je
-waardeert de planten eigenlijk maar half, als ze zoo uit haar element
-gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat de Victoria op een Lotos
-lijkt, maar het wou mij toch niet lukken om mij in zoo&rsquo;n
-kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges te
-verplaatsen.&rdquo;</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een
-buitenpartij. &rsquo;t Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog
-zich.</p>
-<p class="par">&bdquo;Juffrouw Flora,&rdquo; zei de dokter, haar op den
-schouder tikkend, &bdquo;ga eens even mee: ik heb wat moois
-ontdekt.<span class="corr" id="xd21e2565" title="Niet in bron">&rdquo;</span> En langs een paar verborgen paadjes
-troonde hij haar mede naar een open plekje in het bosch, waar zij eene
-kleine watervlakte in het oog kreeg, &rsquo;t Was een verlaten vijver,
-die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had, maar thans geheel
-aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste gedeelte was hij
-door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde kastanjes en een
-treurwilg ingesloten; aan &eacute;&eacute;ne zijde, van waar thans het
-licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide riet,
-zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en staken
-gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span>links bloeiden, nauwelijks zichtbaar,
-Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever.</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Ziet gij wat daar drijft?&rdquo; vroeg
-hij, terwijl zij van de helling op het water nederzagen.</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Ja, Nymphaea&rsquo;s, gewone witte
-waterrozen, Victoria Regia&rsquo;s in &rsquo;t klein!&rdquo; voegde zij
-er glimlachend aan toe.</p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat
-Lotosbloemen moeten maken!<span class="corr" id="xd21e2576" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par">&mdash;&bdquo;Maar die zijn zooveel grooter en hebben
-lange dunne stelen, en ontsluiten zich eerst &rsquo;s avonds,&rdquo;
-bracht het meisje, dat intusschen meer geleerd had, in het
-midden....</p>
-<p class="par">Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar
-dezelfde uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee
-deze bloemen, in dit we&ecirc;r, in dit licht, stil op hare ronde
-bladeren rusten, die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken....
-<span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e404">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIX.</h2>
-<h2 class="main">ONS WIER-EILAND.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Allen die zeggen&mdash;en het meenen, want velen,
-die het zeggen, meenen &rsquo;t daarom niet&mdash;dat zij zoo gaarne
-eens een uitstapje zouden maken buiten het bereik van spoor en
-stoomboot, (&bdquo;van de gewone touristen-route af&rdquo;, zooals het
-doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche eilanden aan. Texel
-sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen telegraafkabel; en
-de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het stoombootje <i>Ada van
-Holland</i>, brengt u daar, trots weer en wind, zoo kalmpjes heen, dat
-gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op zee zijt, en van niets
-droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar Vlieland, Terschelling,
-Wieringen...</p>
-<p class="par">Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel
-moois voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op
-een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap
-heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het
-Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de
-velden van <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span>Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij
-&bdquo;<span class="ex" lang="fr">La Belle Alliance</span>&rdquo;.
-Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas de groote
-vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich plotseling te
-bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen niet door
-rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes gescheiden
-zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als de oude kerken
-van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons aan herinneren, dat
-wij hier niet te doen hebben met ingedijkten kleiachtigen grond, maar
-met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee uitstekende duinreeks. Dit
-toch is de eenige reden van bestaan van het geheele eiland. Zijn
-bescherming en versterking door menschenhand is betrekkelijk gering.
-Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur gemaakt is; de vloed
-spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een uur of wat zijn
-strand; zoo is &rsquo;t gegaan sinds honderden van jaren, en nergens
-stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.</p>
-<p class="par">Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een
-bezoek van eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort
-van verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in
-zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een
-kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland,
-dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts een
-paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog punt
-staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk anders
-kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij hebt, zoo
-al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine <span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span>zorgen en beredderingen van den overtocht
-meegemaakt, en zijt geheel doordrongen van &rsquo;t bewustzijn, dat een
-armpje van den oceaan u van het vasteland scheidt. En ten overvloede
-zijn daar de meeuwen, de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend
-af en toe over u heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als
-gij den duinrug houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef,
-rondwandelt, gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog
-verheven boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! &rsquo;t
-Is hier volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait;
-gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de
-wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven,
-zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats
-van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet gij
-hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te midden
-van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan meestal
-aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in &rsquo;t
-weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst, en
-de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre de
-rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de
-hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij aan
-de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op het oude
-vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen, of het
-water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet
-zoo&rsquo;n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar,
-dunne lippen en zeer lichtblauwe <span class="pagenum">[<a id="pb173"
-href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span>oogen, met haar
-&bdquo;nou&rdquo; en &bdquo;hoor&rdquo;, en haar <span class="ex">ge</span>-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de
-verfkwast, met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de
-boomstammen niet ongemoeid laat,&mdash;men zou zich in een
-zuidoostelijker deel van ons land wanen!</p>
-<p class="par">Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op
-Wieringen te blijven. &bdquo;Op een eiland te zitten&rdquo;, is op zich
-zelf voor negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en
-het is niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving,
-ontwikkeling en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur
-zouden winnen of verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat &rsquo;s
-lands regeering er ook zoo over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het
-indertijd &rsquo;t geschiktste punt voor eene quarantaineplaats achtte;
-(de zwarte quarantainegebouwen waren, tot voor een paar jaar, het
-eerste wat men van den vasten wal af te zien kreeg); en nu die
-inrichting is opgeheven en de loodsen zijn afgebroken, werd het
-leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een kruitmagazijn! Maar zoo gij
-er slechts kort vertoeft, raad ik u aan, uw tijd goed tot rondkijken te
-gebruiken, zoo mogelijk al de vijf dorpen: Westerland, Hippolitushoef,
-het Stroe, Oosterland en den Oever, te bezoeken, en u een en ander te
-laten vertellen van de eendenkooi, de rotganzenvangst en de
-wier-industrie.</p>
-<p class="par">Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk
-over Wieringen wou schrijven.</p>
-<p class="par">Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte
-voor ijverige plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen
-op den rug van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal
-en de zeekool, die <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174"
-name="pb174">174</a>]</span>hun naam gestand doen, doorloopt de
-plantengroei hier eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere
-standplaatsen eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke
-botanische verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen
-met het plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (<i>Zostera
-maritima</i><span class="corr" id="xd21e2620" title="Bron: ,)">),</span> dat, onder den naam van wier of zeewier, het
-geheele land door verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te
-vullen.</p>
-<p class="par">Indien wij het eiland naderen langs den geijkten
-weg&mdash;met de postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis
-in den Anna Paulowna-polder afvaart,&mdash;landen wij aan de kleine
-havenplaats, de Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de
-reis doen in het hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een
-handvol van het langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het
-bestaat voor &rsquo;t grootste deel uit lange groene bladeren van een
-halven duim breed; somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere
-stengels in handen; deze kan men de bloemstengels noemen, want de
-langwerpig-ronde knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de
-bloeiwijze; en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze
-bewijzen dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te
-doen hebben. De <i>Zostera</i> is geen alge, maar een
-zichtbaarbloeiende plant.</p>
-<p class="par">Zoo wij nu dicht bij &rsquo;t eiland komen&mdash;en wij
-moeten er een eind ver langs zeilen&mdash;rijst de vraag in ons op, wat
-toch die rotsachtige massa is, waar wij tegen aankijken,
-&bdquo;&rsquo;t Lijkt de krijtkust van Engeland wel,&rdquo; oppert
-iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten van
-&bdquo;dien hoogen wal met loodrechte spleten&rdquo;. <span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span>Om
-met dit laatste te beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk,
-waarme&ecirc; een gedeelte der noord- en oostzijde van het eiland
-beschermd is, doch in dier voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan
-stroomen. Zooals ik reeds zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt
-niet zoo krachtig ter bescherming op, als aan de kusten van den vasten
-wal; slechts het in deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de
-Waard-Nieuwland, die dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk
-karakter van het eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien.
-Het overige wordt beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de
-verte aan de kust van &bdquo;Albion&rdquo; deed denken, is.... een
-verweerde dijk van louter wier!</p>
-<p class="par">Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen
-verhard en tot eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op
-sommige punten tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud
-geworden, en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige
-worstelingen met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij
-in zee uit, en daarbij zijn zij trouwens &rsquo;t best te vergelijken.
-Hun overeenkomst met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen
-slechts in omgekeerde kleurverhoudingen: d&agrave;&agrave;r heeft men
-te doen met oorspronkelijk wit krijt, dat grootendeels begroeid en
-bezoedeld is, en daardoor ten slotte slechts enkele helder witte
-plekken over heeft; hier is het een zwartbruine grondstof, die door
-verweering en begroeiing, gedeeltelijk lichter gevlekt en wit
-uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en Augustus de
-moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen lapje tapijt
-over den grauwen muur afhing! <span class="pagenum">[<a id="pb176"
-href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p>
-<p class="par">Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,&mdash;de
-aanlegplaats aan de Houkes is juist niet van de netst betimmerden, en
-werd meestal reeds door een ander schip ingenomen,&mdash;komen wij aan
-wal, en bij den eersten stap vermaken wij ons onwillekeurig over de
-veerkracht van den veenachtigen bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog
-te wezen, ook in verhouding tot het land en de huizen aan zijn voet.
-Hij werd tot nog toe jaarlijks aangehoogd, om hem in goeden staat te
-houden,&mdash;altijd weer met &bdquo;wier&rdquo;, (met of zonder verlof
-der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo maar blijven noemen).
-&rsquo;t Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop wij staan, het
-aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist bezig een pas
-gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen met zeissen in
-kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk af,&mdash;want het
-wortelt in den bodem der zee,&mdash;en verzamelen het zoodra het aan de
-oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte voorraad ligt
-op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard bespannen, komt
-het halen; want de groote zaak is nu het te drogen, te zuiveren, voor
-den handel geschikt te maken. En droog kan het natuurlijk niet worden,
-tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.</p>
-<p class="par">Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de
-bewerking die het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in
-hoofdzaak daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten
-afgespoeld en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm
-van den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en
-geschud, evenals men met hooi pleegt te <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span>doen. Op die wijs is
-het verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename
-eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de
-velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg wordt
-het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten, want zij
-zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht, die het
-verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde visch
-riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het
-onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen,
-waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij men
-er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.</p>
-<p class="par">Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de
-vraag: wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij
-achteruitgaat, dat &bdquo;het vet van den ketel is&rdquo;, en dat er
-weinig of niets meer aan te verdienen is, wegens &bdquo;de hooge
-pachtgelden&rdquo; en &bdquo;de groote concurrentie&rdquo;. &rsquo;t
-Zal allicht waar zijn, dat er persoonlijk niet zooveel meer op te
-winnen is als vroeger, toen de geheele wiermaaierij vrij was, terwijl
-nu het recht daartoe voor betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt.
-Maar dat men nochtans lust heeft die pacht te aanvaarden, is op
-zichzelf een teeken, dat dit takje van nijverheid niet
-kwijnt.&mdash;Doch ons is het niet om de statistiek, maar slechts om de
-teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en dus werpen wij alleen
-nog maar een blik op gindsche kisten met zwart wier, die voor de
-aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in geenen deele noemen,
-maar het is in zijn <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178"
-name="pb178">178</a>]</span>soort netjes opgedaan. Geen vuil, geen
-onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van het wollegras,
-dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel groeit. Kisten zijn
-het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt: veel meer zijn het
-balen, aan alle zijden door een paar planken bij elkaar gehouden. Dit
-is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook beter dan gesloten kisten,
-met het oog op gevaar van broeien en verstikken. In een opzettelijk
-daartoe opgericht gebouwtje, niet ver van de landingsplaats, wordt het
-wier samengeperst en verpakt; weldra zal het bij een koopman &bdquo;in
-drogerijen en verfwaren&rdquo; terecht komen.... Wie het daar ziet
-liggen, denke even aan Wieringen! <span class="pagenum">[<a id="pb179"
-href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e413">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXX.</h2>
-<h2 class="main">NAJAARSBLOEMEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&rsquo;t Is September; en uw tuin, die in de
-laatste weken misschien wat had geleden, hetzij door de hitte der
-hondsdagen, hetzij door de Margriet-regens, of door de stormen, die
-doorgaans het ernstige korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol
-bloemen. Maandrozen hervatten met moed haren bloei; en onder &rsquo;t
-lage zaadgoed ziet ge menig plantje vol levenslust het kopje opsteken,
-om mee te werken aan de opgefrischte decoratie.</p>
-<p class="par">Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de
-Phlox Drummondi. <span class="ex">Phlox</span>, <span class="ex">Vlambloem</span>; volgens haar naam dient zij rood te wezen, en
-dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende de
-laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er
-takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis
-waarin men van &bdquo;roode&rdquo; kool spreekt, ook het zachtste en
-zonnigste rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het
-donkerste amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert
-hier en daar in volle <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name="pb180">180</a>]</span>reinheid een groepje witte; en de
-overgangen vormen de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er
-bovenop ligt; soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de
-lichte), terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van
-fluweelachtigheid hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje
-op ontdekt. Een en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe
-dun de roode, witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun
-bouw veel meer samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een
-weinig moeite kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van
-het overige weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar
-doorschijnend; en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de
-tint der daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is
-een hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer
-eene ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen
-&eacute;&eacute;n iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene
-Phlox lijkt. Vijf ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf
-blaadjes kunnen doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste
-organen zijn verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig
-maken, maar hij den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend
-ledig voor kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model
-voor &bdquo;een bloemetje&rdquo; bij uitnemendheid; doch hoeveel
-wonderlijke konterfeitsels er ook van gemaakt mogen worden, in
-werkelijkheid zijn zij daar niet minder mooi om.</p>
-<p class="par">Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de
-struikachtige overblijvende soort,&mdash;in &rsquo;t grooter,
-<span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>zwaarder, steviger, geheel op de Ph. Drummondi
-gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men beproefd uit
-Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien zij nergens
-in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd jaar
-geleden<a class="noteref" id="xd21e2668src" href="#xd21e2668" name="xd21e2668src">1</a> aanleiding tot de volgende merkwaardige
-opmerking:</p>
-<p class="par">&bdquo;Indien het eerste Oir van alle gewassen in
-&rsquo;t Paradijs gevormd ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is
-geweest, zoo zou het zeer onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden
-over den Aardbodem, deze Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan
-in Noord-Amerika alleen; terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van
-een dergelijk klimaat en grond.&rdquo;</p>
-<p class="par">(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens
-te lezen hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en
-schreef.)</p>
-<p class="par">Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven,
-behoort de Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig
-gezind. &rsquo;t Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het
-voornaamste sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger
-soort. Zij houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en
-bloeit heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen
-zij, tweehonderd jaar geleden, reeds &bdquo;in de tuinen der
-liefhebberen als een gemeen gewas bekend&rdquo; stond. De tijd van hare
-invoering (juist niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet
-precies meer te bepalen, en zij schijnt dan ook in het minst geen
-bezwaren tegen ons klimaat <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span>te hebben. Gij plant haar in het
-voorjaar aan den ingang van een prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij
-licht en water genoeg heeft, en behoeft haar overigens volstrekt niet
-te helpen; en binnen weinig weken is zij boven, en hangt u van het dak
-van het prieel af toe te knikken, dat het een lust is om te zien. Hoe
-zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk heeft aangelegd om zich omhoog te
-werken? Hoe men ook onderzoeken moge, er is aan haar gladden stengel
-geen spoor van hechtworteltjes, zooals aan de klimop, te ontdekken; en
-ook nergens ranken of klawieren van eenigerlei soort. Ach, zij heeft
-die niet noodig. Zij is zoo vlug, en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare
-bladstelen, waarmee zij zich behendig telkens aan den eersten steun den
-besten vasthoudt, om dan dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij
-zien dat aan met al het welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt
-praktische, redzame lui bij hun arbeid bespieden, die met geringe
-middelen en weinig gereedschap toch altijd weten klaar te
-komen,&mdash;in tegenstelling met het heir van slechte schrijvers, wie
-het altijd weer aan inkt en pennen, en van onbeholpen naaisters, wie
-het altijd aan haar naalden hapert!</p>
-<p class="par">Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte
-bloemen voortgebracht: <span class="ex">Kapuzinen</span> noemen ze de
-Duitschers, wegens den vorm van den gespoorden, gelen kelk, die aan een
-middeleeuwsche kap doet denken, zooals waarmede men vaak monniken of
-wel kaboutermannetjes ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere
-oranje, waarom de O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot
-sarring van &bdquo;Keezen&rdquo; moedwillig tentoongesteld te worden,
-is in de laatste jaren met allerlei schakeeringen van geel <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>tot
-bijna zwart toe afgewisseld geworden, maar behoudt toch den boventoon;
-en zoo vormen die massa &bdquo;schildvormige bladeren en bloedroode
-bloemen&rdquo;, jaar in jaar uit, datgene wat Linnaeus aan
-&bdquo;tropeeën der ouden&rdquo; deed denken, toen hij dit
-plantengeslacht met den naam <span class="ex">Tropaeolum</span>
-bestempelde! Mij dunkt, men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan
-fantazie, er blijkbaar zeker artistiek genot in schepte, den hem
-toestroomenden schat van heel en half bekende en onbekende planten zoo
-schilderachtig mogelijk te benoemen. Dat wij van O.-I.
-&bdquo;kers&rdquo; spreken, geldt natuurlijk niet de vruchten, die in
-&rsquo;t minst niet op kersen gelijken, maar stellig den aangenaam
-prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden smaak.</p>
-<p class="par">En dan zijn er stokrozen.</p>
-<p class="par">&bdquo;O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen;
-&rsquo;t is ten minste goed, dat de mode die afgeschaft
-heeft!&rdquo;</p>
-<p class="par">Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof
-en leelijk zijn, als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver
-bederft, namelijk van haar natuurlijk karakter berooft en er, door
-verdubbeling, iets van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar
-zij zijn niet leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar
-natuur mogen opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van
-&bdquo;grootstbloemige der Malvaceën&rdquo;. Sinds Mei heb ik een
-perkje met stokrozen onder het oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden
-zich aan ieder plantje een stuk of tien groote, heldergroene bladeren,
-die voorshands laag bij den grond bleven, maar zich daar meer en meer
-uitspreidden. Op &rsquo;t laatst van Juni begon zich in het midden een
-groene <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name="pb184">184</a>]</span>kegel te vormen; zachtjes aan verhief zich deze,
-en vertoonde zich als eene dikke, dichte aar, bezet met een groot
-aantal bloemknoppen. Hoeveel, was nog onmogelijk te bepalen; want
-ofschoon de onderste reeds duidelijk afzonderlijke lichaampjes
-waren,&mdash;het puntje van de aar, een weinig omgebogen, was eigenlijk
-nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De aar had hierdoor uit den
-aard der zaak eene kegelvormige gedaante, die zij onder &rsquo;t
-voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk groeide. Naarmate
-nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel langzaam aan. Och,
-zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat wordt zij, ja, indien men
-haar uit al te groote zorg een soort van steun wil geven, haar opbindt
-tegen een groen stokje, met een rood of geel puntje. Zij heeft dien
-steun niet noodig. Haar eigen &bdquo;stok&rdquo; is sterk en krachtig
-en houtachtig genoeg; en toch niet &bdquo;houterig&rdquo; in leelijken
-zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij zoo hoog
-begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden, verbreeding
-noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in den
-naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel
-aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk
-genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn
-&rsquo;t geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan
-de bloem een dubbelen kelk voorspelt?</p>
-<p class="par">Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een
-blad, dat, ook weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot
-versiering van de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste
-bloemen. Het waren <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185"
-name="pb185">185</a>]</span>roode, van het helderste rozerood. De vijf
-bladen zijn zoo dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen
-te vormen; en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou
-dat ik ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch
-stijf, noch grof, noch leelijk hadt gevonden.</p>
-<p class="par">In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven
-Dahlia&rsquo;s. Na de zonnebloemen, die hier en daar als gele
-monster-madelieven rondom boerenwoningen pronken, om, zooals het heet,
-de lucht van kwade dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de
-grootstbloemige onder onze najaarsplanten. &rsquo;t Is nog niet zoo
-heel lang geleden, dat zij met een kleine, flets-oranjebloem hier
-aankwam, en de geleerden het een tijd lang oneens waren, of zij haar
-den naam van Dahlia of van Georgine zouden laten behouden. Hier te
-lande heeft de eerste, in Duitschland de tweede naam gezegepraald; maar
-intusschen had het aanzien van de plant in kwestie reeds vrij wat
-veranderingen ondergaan. Vooreerst was zij verdubbeld, ja bijna geheel
-&bdquo;gevuld&rdquo; geworden, en ten andere was zij met haar sterken
-aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze mislukte pogingen om haar ook
-zuiver blauw te doen worden nu niet meegerekend) een dankbaar materiaal
-voor den tuinbouw. Geur heeft zij volstrekt niet; haar eenige
-aantrekkelijkheid bestaat als decoratie in het groot, en op verren
-afstand is zij niet onaardig. Maar om van dichtbij bekeken te
-worden...? Ook aan deze planten heeft de verdubbeling, wat de
-sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed gedaan; en men behoeft nog
-geen modemaakster van beroep te zijn, om bij een gevulde Dahlia
-<span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span>maar al te gauw aan eene zwaar geplooide rozet
-van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke bloempjes
-voor omgevouwen lussen gelden.&mdash;De anders niet onaardige term
-&bdquo;bloemkorfje&rdquo;, dien de plantkunde bij dergelijke
-&bdquo;samengestelde&rdquo; bloemen gebruikt, verliest in geval van
-vulling allen zin. De kleine bloempjes, die oorspronkelijk in &rsquo;t
-korfje zaten, zijn verdwenen en het niet onbevallige randje is een
-plompe bal geworden.</p>
-<p class="par">Het is opmerkelijk, dat, laat in &rsquo;t najaar, de
-&bdquo;samengestelde&rdquo; bloemen ons in den regel &rsquo;t langste
-bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel hooren. Vooreerst toch
-behooren daartoe verschillende soorten, wier weefsel van nature vrij
-droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde stroo- of
-zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes van een
-teerder maaksel zijn,&mdash;Goudsbloemen, Sanvitalia&rsquo;s
-enz.&mdash;hebben in haar bloembodem en haar omwindsel (in
-&eacute;&eacute;n woord in datgene wat in de wandeling haar
-&bdquo;hartje&rdquo; heet) een steun, welken men aan bloemen zonder
-zulk een hartje nimmer kan verschaffen.</p>
-<p class="par">Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als
-alles in uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums,
-Zinnia&rsquo;s, Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen
-en verweering het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer
-om gewaardeerd te worden. <span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e2668" href="#xd21e2668src" name="xd21e2668">1</a></span>
-Houttuyn. &bdquo;Natuurlijke historie.&rdquo;&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e2668src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e422">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXI.</h2>
-<h2 class="main">EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Elk die in dit seizoen een &bdquo;tuinder&rdquo;
-in zijn tuin bezoekt, kan zeker wezen klachten te vernemen over de
-erbarmelijke wijs, waarop de rupsen in de kool huishouden; en de
-groenlui in de stad hebben niet altijd ongelijk, wanneer zij dit als
-reden opgeven voor het &bdquo;opslaan&rdquo; van genoemd artikel.</p>
-<p class="par">Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in
-hetgeen er in de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven
-zijn van zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels,
-die dan ook gewoonlijk &bdquo;koolwitje&rdquo; genoemd wordt. Het
-wijfje van dien vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij
-der bladeren van kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30;
-ieder diertje dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien
-komen deze eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week
-lang gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web.
-Omstreeks den achtsten dag vervellen zij voor &rsquo;t eerst, en
-beginnen zich dan over de <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span>geheele plant te verspreiden. De
-jonge rupsen zijn bijzonder gulzig; dag en nacht eten zij voort; men
-heeft opgemerkt dat zij in zeker aantal uren steeds het dubbele van
-haar eigen gewicht aan voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn
-zij volwassen, en zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen.
-Wie nu daartoe een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of
-schutting, heeft gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt
-haar huid af, en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene
-pop, met zeer vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien
-dagen barst op nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht
-in.</p>
-<p class="par">Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine
-koolplanten in den tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een
-heerlijke gelegenheid tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo
-verschijnt in den nazomer een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne
-beurt zijne gulzigheid bot viert. Indien men nu stelt, dat in het
-voorjaar 10 vrouwelijke kapellen zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben
-voortgebracht, dan is het niet te veel gerekend, indien een vierde
-daarvan weder wijfjes zijn, en deze in September 100,000 nakomelingen
-leveren. Het is dan waarlijk wonder, dat er nog iets van onze kolen
-overschiet;&mdash;de bladstelen en een gedeelte van de hartbladeren
-blijven meestal gespaard.</p>
-<p class="par">Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om
-van de musschen en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het
-koolwitje heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog
-veel geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte,
-een <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span>zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche
-doorschijnende vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren
-leggen in het lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven
-dan ten koste van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij
-zijn de slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn
-voorzien van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou
-groeten. Dat is de zoogenaamde &bdquo;legboor&rdquo;, en bestaat uit
-drie borstelige haren, die te zamen een holle buis vormen, en door
-middel waarvan zij haar eieren onder de huid van haar slachtoffers
-brengen.</p>
-<p class="par">De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast,
-legt dikwijls meer dan 30 eitjes in den rug van &eacute;&eacute;ne
-rups. Ondanks de pijn, die dit haar zeker moet veroorzaken, en het
-uitkomen en groeien van de made, blijft de rups toch doorgaans leven
-tot zij aan verpoppen toe is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met
-niet geringe moeite, een schutting of een boom. Alvorens zij er dan
-echter in slaagt om haar vel af te stroopen, wordt dit door de maden
-doorgebeten, die dan alle te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan
-hare zijden naar buiten komen kruipen. De nu stervende rups valt dan
-meestal op den grond; en op haar plaats vindt men de jonge
-woekerdieren, bezig met zich in te spinnen, ten einde, ieder in een
-geel cocon, maar te zamen in het spinsel dat de rups reeds was begonnen
-te maken, haar poptijd door te brengen op het plekje, dat deze voor
-zich zelve uitgezocht had. Ziedaar de 100,000<sup>ste</sup> opvoering
-van een ieder jaar terugkeerend treurspel.&mdash;Het naspel wisselt af.
-Misschien zal het ditmaal daarin bestaan, dat het gansche <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span>cocon in den loop van den winter door een
-boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge
-wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld,
-grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste
-zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel
-gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te
-kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge
-praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die
-veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert,
-maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt...
-<span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e431">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXII.</h2>
-<h2 class="main">EEN NATUURKALENDER</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;De hoeveelste is het van daag?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;De 28ste, Neef, de 28ste October.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Bloeien er nog <span class="ex">Heliotropen</span>?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja zeker. Woudt u een takje hebben?&rdquo;</p>
-<p class="par">En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef
-Piet een aan. &rsquo;t Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag,
-zoo als in dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen
-opleveren.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span class="ex">Citrouilles</span>, dat zijn
-immers pompoenen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, neef.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En <span class="ex">Aubergine</span>, hoe noem je
-dat in &rsquo;t hollandsch?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;O, dat is <span class="ex">Datura</span>.
-Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt u zoo aan &rsquo;t
-fransch vandaag?&rdquo;</p>
-<p class="par">Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den
-franschen tijd en had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel
-gehad aan al wat fransch was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, die fransche kalender......&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat meent u?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Je weet toch wel: die republikeinsche kalender:
-<i lang="fr">Niv&ocirc;se<span class="corr" id="xd21e2782" title="Niet in bron">,</span> Pluvi&ocirc;se, Vent&ocirc;se</i>?&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name="pb192">192</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;<i lang="fr">Germinal, Flor&eacute;al,
-Prairial</i>.... Maar wat heeft die met bloemen te maken?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een
-beest, of een hark, of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October
-was de verjaardag van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de
-Heliotrope. Dat wisten wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie,
-die zoo droomerig kon wezen, plaagden wij er altijd me&ecirc;, dat zij
-op den papaverdag t&rsquo;huis hoorde, maar zij trof op de aardbei.
-Moeder had de Lelietjes-van-dalen, 27 April....&rdquo; En neef
-verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf
-bedacht, of was dat, hoe zal ik zeggen, officiëel?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, het hoorde bij den kalender. &rsquo;t Was in
-plaats van de heiligendagen. Wij hadden &rsquo;t uit een zwitsersch
-almanakje; als je goed zoekt, kan je &rsquo;t misschien nog wel
-vinden.....&rdquo;</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt,
-om er een tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik
-het bedoelde boekje. Het was een <i lang="de">Helvetischer
-Revolutionsalmanach f&uuml;r das Jahr 1800</i>, welks inhoud begon met
-een dubbelen kalender, in de &bdquo;oude&rdquo; en de
-&bdquo;fransche&rdquo; tijdrekening.<a class="noteref" id="xd21e2805src" href="#xd21e2805" name="xd21e2805src">1</a> <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span></p>
-<p class="par">Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is:
-mij kwam ze gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan
-het we&ecirc;r ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen
-Juli-gloed in het woord <i lang="fr">Thermidor</i>, en ligt er niet een
-sombere Novemberdag verscholen tusschen de letters <i lang="fr">Brumaire</i>?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800
-niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: <i lang="fr">Primidi</i>, <i lang="fr">Duodi</i>, enz. Doch wat ik nooit
-gehoord had, was dat men, bij het schrappen van al wat naar kerkelijke
-plechtigheid zweemde, in de leegte, door het wegvallen der
-heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige wijze had trachten te
-gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de heiligen waren bloemen,
-enz. in de plaats gekomen. En daar in den ouden heiligen-kalender
-geregeld iedere dag een patroon gehad had, zoo was nu ook voor elken
-dag een plant of iets anders gekozen. Niet altijd bloemen.
-&bdquo;Vooreerst&rdquo;, zei neef, &bdquo;waren die in den winter niet
-gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals b.
-v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten de
-bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere
-produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de zaak
-zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der <span class="ex"
-lang="fr">d&eacute;cade</span> een huisdier, en voor den tienden dag
-een of ander landbouwgereedschap gesteld was.&rdquo; Dit nu zou alles
-netjes rondgeloopen hebben, indien het aantal dagen van het jaar juist
-in tienen deelbaar was geweest. Maar de zesendertigste d&eacute;cade
-eindigde met den 30<sup>sten</sup> Fructidor, (17 September); en
-v&oacute;&oacute;r den 1<sup>sten</sup> Vendemiaire&mdash;het
-republikeinsche jaar begon met 20 September,&mdash;<span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit
-bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de
-zoogenaamde <i lang="fr">jours compl&eacute;mentaires</i>. Deze waren
-niet gewijd aan bloemen, noch aan aarde, noch aan steen, noch aan
-werktuigen, noch aan dieren; zij vormden geheel afzonderlijk eene halve
-d&eacute;cade op zich zelve, en heetten eenvoudig naar de beruchte
-Septemberfeesten: 1 <i lang="fr">F&ecirc;te de la Vertu</i>; 2 <i lang="fr">F&ecirc;te du G&eacute;nie</i>; 3 <i lang="fr">F&ecirc;te du
-Travail</i>; 4 <i lang="fr">F&ecirc;te de l&rsquo;Opinion</i>; 5
-<i lang="fr">F&ecirc;te de la R&eacute;compense</i>.<a class="noteref"
-id="xd21e2933src" href="#xd21e2933" name="xd21e2933src">2</a></p>
-<p class="par">Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef
-Piet&rsquo;s hart werd er jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen
-bij hem boven. &bdquo;Op den 1<sup>sten</sup> September&rdquo;,
-vertelde hij, &bdquo;gooiden wij altijd naar noten, en ergerden ons als
-ze nog niet rijp waren, want het was <i lang="fr">le jour des noix</i>.
-E&eacute;n dag in &rsquo;t jaar werd de poes getrakteerd, omdat het
-<i lang="fr">le jour du chat</i> was. Dat viel... O, neen, dat was de
-hond, die viel op Kerstmis. Dat was de ergernis van tante Leentje. Goed
-luthersch als zij was, vond ze &rsquo;t heel best, dat de heiligendagen
-afgeschaft werden; maar dat op 25 en 26 December <i lang="fr">Cire</i>
-en <i lang="fr">Chien</i> stond, dat kon ze niet velen...&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Er is iets frisch, iets oorspronkelijks
-aan,&rdquo; beproefde ik.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, &rsquo;t was wel fransch, maar &rsquo;t was
-toch aardig!&rdquo;</p>
-<p class="par">En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover
-de nagedachtenis dier fransche republikeinen,&mdash;ik omdat ik hun
-tijd niet gekend had, hij, omdat er thans <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name="pb195">195</a>]</span>zooveel jaren
-tusschen lagen,&mdash;verdiepten ons naar hartelust in het tintelende
-leven dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de
-staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op
-allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te
-recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en
-bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met
-het samenstellen van een wetboek, waaruit later het <i lang="fr">Code
-Napol&eacute;on</i> is geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet
-de geest dier dagen in dezen, al naar ge het noemen wilt, na&iuml;even
-of genialen kalender. In alles moest verandering komen; geen onderdeel
-van &rsquo;t dagelijksch leven was te gering om in de plotselinge
-hervorming te deelen; aan scheppingskracht ontbrak het niet, en een
-oorspronkelijke inval had meer dan in gewone tijden kans van
-toegejuicht te worden. Met welk een kunstgevoel is hier partij
-getrokken van het beetje natuurkennis, sinds gisteren of eergisteren
-door Rousseau op &rsquo;t tapijt gebracht; hoeveel ruwe, maar
-karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen, eggen, zeissen,
-ossen, als &rsquo;t aktief ingrijpend element, midden tusschen de van
-wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd door delfstoffen,
-boomen en bloeiende kruiden!</p>
-<p class="par">Maar &rsquo;t merkwaardigste van alles zijn en blijven
-toch voor mij die &bdquo;<i lang="fr">jours
-compl&eacute;mentaires</i>&rdquo;. Ligt daarin niet de indruk van eene
-bekentenis,&mdash;en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer
-onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender
-bekentenis,&mdash;dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om
-<span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span>haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij
-en boven boomen en bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en
-karren, wagens, spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook
-aan ons verwant, nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den
-menschelijken geest aangaat: in den eenen of anderen vorm <span class="ex">geestelijke idealen</span>? <span class="pagenum">[<a id="pb197"
-href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e2805" href="#xd21e2805src" name="xd21e2805">1</a></span> In dezer
-voege:</p>
-<div class="table" lang="de">
-<table class="xd21e2808">
-<thead>
-<tr class="label">
-<td colspan="3" class="xd21e2815 cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">J&auml;nner.</td>
-<td lang="fr" colspan="3" class="xd21e2815 xd21e2812 cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">
-Niv&ocirc;se.</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Mittwoch</td>
-<td class="xd21e2810">1</td>
-<td class="xd21e2811">Neujahr.</td>
-<td lang="fr" class="xd21e2812">Primidi</td>
-<td class="xd21e2810">11</td>
-<td lang="fr" class="cellRight">Poix.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Donnerstag</td>
-<td class="xd21e2810">2</td>
-<td class="xd21e2811">Mel D.</td>
-<td lang="fr" class="xd21e2812">Duodi</td>
-<td class="xd21e2810">12</td>
-<td lang="fr" class="cellRight">Th&eacute;rebent.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Freitag</td>
-<td class="xd21e2810">3</td>
-<td class="xd21e2811">Enoch.</td>
-<td lang="fr" class="xd21e2812">Tridi</td>
-<td class="xd21e2810">13</td>
-<td lang="fr" class="cellRight">Argile.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Samstag</td>
-<td class="xd21e2810">4</td>
-<td class="xd21e2811">Gottfried.</td>
-<td lang="fr" class="xd21e2812">Quatridi</td>
-<td class="xd21e2810">14</td>
-<td lang="fr" class="cellRight">Marne.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Sonntag</td>
-<td class="xd21e2810 cellBottom">5</td>
-<td class="xd21e2811 cellBottom">Simeon.</td>
-<td lang="fr" class="xd21e2812 cellBottom">Quintidi</td>
-<td class="xd21e2810 cellBottom">15</td>
-<td lang="fr" class="cellRight cellBottom">Lapin.</td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div>
-<p class="par">&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e2805src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e2933" href="#xd21e2933src" name="xd21e2933">2</a></span> Ik heb
-later nog meer jaargangen van dien almanak in handen gekregen. De
-natuur-heiligen-kalender bleef alle jaar hetzelfde. Het speet mij er
-geen van een schrikkeljaar machtig te kunnen worden, om na te gaan hoe
-in dat geval voorzien werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e2933src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e441">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXIII.</h2>
-<h2 class="main">JACHT EN WILD.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in
-Duitschland geologie ging studeeren, omdat er in ons land &bdquo;geen
-geologie is&rdquo;. Hij doelde daarmede natuurlijk niet op een gebrek
-in de studie der nederlandsche deskundigen, maar op een gebrek aan
-belangrijkheid en rijkdom van delfstoffen in onze aangeslibde gronden.
-Evenzeer zou ik mij best kunnen begrijpen dat iemand naar een ander
-land ging jagen, &bdquo;omdat hier geen jacht is&rdquo;. Of noemt gij
-dat bijvoorbeeld jagen, als een man in de kracht van zijn leven, dag in
-dag uit, met een hond en een polsdrager achter zich, door Hollands
-moerassige rietvelden drentelt, af en toe een snipje schiet, den hond
-roept om het te apporteeren, zijn prooitje met hoogsteigene hand het
-kopje inknijpt en dan &rsquo;s avonds rhumatiek te huis komt?... Toch,
-als men opmerkt hoe de jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere
-boeren, jaarlijks voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen
-overhebben, die een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name="pb198">198</a>]</span>dan moet men wel vooronderstellen dat er groote
-bekoorlijkheid ligt in die jacht zonder gevaar, dat overwinnen zonder
-strijd, dat zegepralen over zulke onnoozele slachtoffers.</p>
-<p class="par">Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die
-aantrekkelijkheid minder bestaat in het dooden of verminken dier
-dieren, als wel in hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij
-verbonden is: de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen
-aanvangt, het dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van
-zulk een dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder
-anderen, en dat is wellicht nog de beste zijde van &rsquo;t geval, is
-de grootste prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer
-kleine &bdquo;wilde&rdquo; landgenooten, in &rsquo;t beloeren van hun
-listen, en het leeren kennen van hun vlugheid en hun sluwheid. En
-werkelijk zijn het gewoonlijk alleen jagers, die in hunne gewoonten
-goed te huis zijn.</p>
-<p class="par">Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en
-morgen &bdquo;afgehaald&rdquo; zal worden, hoe zou die zijn leven wel
-gesleten hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool
-eet; maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met
-Lampe, zooals hij in de &bdquo;dierfabel&rdquo; van Reintje-de-Vos
-heet. Ik moet dan ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op
-een familiaren voet te komen met iemand, die zoo schuchter en
-achterdochtig is als hij.&mdash;Toch is hij, bij al zijn beruchte
-lafheid, een aardig, lustig diertje. Sla hem slechts gade in het
-voorjaar. Nauwelijks is de jachttijd om, waarin hij zooveel angsten
-doorstaan heeft, en de <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name="pb199">199</a>]</span>winter, waarin hij dikwijls
-zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde raad, geheel onder de
-sneeuw woelt,&mdash;of hij vat den moed weer op en krijgt op nieuw lust
-in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij zich een wijfje; en
-een maand later, als de meeste vogels nog aan geen nestenbouwen denken,
-is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin drie of vier jongen
-rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De aanstaande moeder
-krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland, en belegde dat met
-wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare eigen haren.
-Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met de meeste zorg
-voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die zich, als zij ze
-vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve houdt ze doorgaans
-een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich, door te klappen met de
-ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte zien kunnen, is niet te
-verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk voor het daglicht geschikt
-te wezen, want hun oogleden zijn te kort, dan dat zij ze ooit geheel
-zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij slapen, staan dezen dus altijd
-half open. Vandaar wellicht het woord &bdquo;hazeslaapje&rdquo;;
-terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede gleuf, die zich
-tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna geheel in
-tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft tot den
-term &bdquo;hazelip&rdquo;. Zoodra de jongen kunnen loopen en mee
-kunnen eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en
-weldra heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En
-daar die van &rsquo;t eerste nest in &rsquo;t najaar meestal zelven
-reeds <span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>weer jongen hebben, kan er van &eacute;&eacute;n
-hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een duizendtal afstammen.</p>
-<p class="par">Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn
-leven bedreigen, heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de
-haas overdag rustig in zijn leger,&mdash;zooals hij in den regel
-schijnt te doen, om slechts des nachts op zijne zaken uit te
-gaan,&mdash;dan heeft hij eene heerlijke bescherming in de vaalbruine
-kleur van zijn pels. Dit schijnt hij wel te weten; want hij blijft
-gewoonlijk doodstil liggen, wanneer hij een mensch aan hoort komen,
-drukt zich dicht tegen den grond aan, en beloert, zonder zich te
-verroeren, iedere beweging van den onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer
-de vijand zeer dicht bij is, en hem dreigt aan te vallen, springt hij
-eensklaps op, en maakt zich uit de voeten. Gaat hij, als het gevaar
-voorbij is, naar zijn rustplaats terug, dan loopt hij daar nooit
-regelrecht naar toe, maar maakt eerst eenige dwarssprongen in de buurt,
-als om zijn eigenlijk doel, voor ieder die er naar mocht kijken, te
-verbergen. Een haas echter, die meermalen eene jacht heeft bijgewoond,
-weet dat daarmede niet valt te gekken; en dat ook het kunstje van het
-stil-liggen hem tegenover de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort
-hij dus het gevreesde schieten of wel het blaffen van een zijner
-aartsvijanden, dan schrikt hij, zet zich op de achterpooten, en besluit
-tot de vlucht. Een groot voordeel voor hem is het, als hij bij die
-vlucht tegen eene hoogte op kan rennen, want zijn voorpooten (of
-&bdquo;loopers&rdquo;!) zijn langer dan zijn achterloopers: daardoor
-klimt hij gemakkelijker dan hij daalt, en maakt in het laatste geval
-dikwijls een buiteling. <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name="pb201">201</a>]</span>Merkt hij nu echter, dat ondanks
-al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen zijn, dan heeft hij
-nog &eacute;&eacute;n middel over. Hij neemt namelijk plotseling een
-geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak
-schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval
-heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij
-dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op hem
-maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande listen en
-lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den ouderdom van
-acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden indien menschen,
-wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen ongemoeid lieten, zoo
-blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog een groot aantal onze
-velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en heiden, hun leven naar
-hun zin genieten.</p>
-<p class="par">En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn,
-die, zooals ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge
-hazen zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie
-volkomen van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de
-praktijk te vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen
-beter raad te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe
-vergelijkingen tusschen ooren en pooten, en wordt wijs.</p>
-<p class="par">En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan
-gebraden. Anderen kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine
-borstvlek de haantjes te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen
-levend gezien, wat ons anderen <span class="pagenum">[<a id="pb202"
-href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span>niet licht overkomt, Zij
-weten hoe het &bdquo;hoen&rdquo;, zooals zij den patrijs plegen te
-noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote overeenkomst heeft met
-kippen en andere hoendervogels,&mdash;te beginnen reeds daarmee, dat
-het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte loopen kan, in plaats
-van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst een paar weken in het nest
-te blijven liggen. Het huislijk leven der patrijzen is daarom echter
-niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg in het voorjaar vechten de
-mannetjes hevig, om ieder een wijfje te bemachtigen. In een van droge
-grashalmen voorziene <span class="corr" id="xd21e3003" title="Bron: uitholing">uitholling</span> van den grond worden de
-groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel bestaat wel uit tien of
-twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen tegelijk plegen uit te
-broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste vogels het geval is.
-Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege wegloopen. De oude haan
-houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt bij gevaar het broedend
-wijfje, dat dan het nest loopende verlaat, en eerst op een goeden
-afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de buurt zijn, worden de
-jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de ouden daar heen geleid,
-en vinden dan in de dikke gele mierenlarven een uitgezocht voedsel. Zij
-kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij nacht, gevaar of slecht weer
-neemt de moeder hen onder hare vleugels, juist als eene hen hare
-kuikens; de bouw en vorm van het diertje heeft dan ook iets zeer
-hoenderachtigs.</p>
-<p class="par">En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat
-hooge soort van pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn
-geworden. Haar aangezicht heeft iets... <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span>anders dan dat van
-alle andere vogels; en als men ze goed aankijkt, begint men er
-langzamerhand achter te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver
-naar boven en naar achteren staan,&mdash;iets wat ook aan
-menschengezichten zoo iets vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer
-dan een streep buiten de normale maat.&mdash;Haar snavel is nog langer
-dan de kop zelf; en als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of
-meer week is, van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig
-verdikt, en, althans bij de watersnippen, met een klein puntje
-omgebogen. Zij kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om
-water-insekten en weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde
-natuurlijk van groot voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk
-naar den kop toe staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen
-kennen, doordien haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen
-bekleed zijn. Zij broedt hier te lande slechts bij uitzondering,
-ofschoon zij zulks niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b.
-v. in Lithauen wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt
-zij slechts op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust
-dan bij voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine
-boschjes, en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag
-gericht, een eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in
-het hout te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de
-vorige, voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt
-veelvuldig in <span class="corr" id="xd21e3010" title="Bron: Noordbraband">Noord-Brabant</span> en Groningen, aan lage,
-vochtige plaatsen; maar ook haar aantal wordt jaarlijks zeer
-vermeerderd in den trektijd, die voor deze soort <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span>twee
-malen voorkomt, nl. in het v&oacute;&oacute;r- en in het najaar. Van
-Augustus tot het einde van October namelijk, trekken er een groot
-aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April noord-oostwaarts.
-Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag vindt men haar tegen
-den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd worden, laten zij
-eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen dan vrij hoog op. Zij
-laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat aan het blaten van een
-schaap doet denken; dit schijnt niet door de keel, maar door de snel
-trillende beweging der staart- en slagpennen voortgebracht te worden.
-Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen; zelfs azen zij op
-bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen der boomen ophouden,
-nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal vier eieren, en de
-broedtijd duurt ongeveer 16 dagen.</p>
-<p class="par">Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der
-dierkundige wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel
-voornamelijk door jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige
-beschouwing kunnen maken over de omstandigheid, dat de beste kenners
-van het wild ook tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen
-dergelijke dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend,
-die in eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een
-aangeschoten eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk
-ongewoon gedruisch deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e450">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXIV.</h2>
-<h2 class="main">GESLOTEN?</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke
-kleine <i lang="fr">Chansons</i>, hoe hij, den eersten November naar
-den &bdquo;boschtempel&rdquo; gaande, waar hij den ganschen zomer door
-met zooveel dichterlijke stichting &bdquo;de dienst&rdquo; placht bij
-te wonen, den toegang onverwachts versperd vond door verdorde bladeren
-en afgewaaide takken en breede modderplassen; en dat een uil, die hem
-zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem vriendelijk terecht
-wees met de inlichting: &bdquo;<i lang="fr">Ferm&eacute; pour
-r&eacute;parations</i>.<span class="corr" id="xd21e3032" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par">Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd
-volhielden bloemen in het vrije veld te willen zoeken!</p>
-<p class="par">Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de
-bijzonderheden van Hugo&rsquo;s teekenachtig natuurtafereeltje, dan
-zien wij in en om die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof
-iets, wat hij niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij
-voor te stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere
-<span class="ex">Zwammen</span>, die juist in dezen tijd van &rsquo;t
-jaar te voorschijn komen, <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name="pb206">206</a>]</span>die gedeeltelijk op den grond,
-gedeeltelijk op het natte hout en op de half vergane bladeren groeien,
-en die half een gevolg, half mede eene oorzaak zijn van hunne spoedige
-ontbinding en van de duffe lucht, die wij rondom ons waarnemen.</p>
-<p class="par">En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan
-&eacute;&eacute;n opzicht. Wij zullen ons maar aan den geijkten term
-van <span class="ex">Bedektbloeienden</span> houden.</p>
-<p class="par">Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort
-geleden, op de achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal
-kaneelbruine stippels vertoonden, in regelmatige figuren rondom de
-nerven en insnijdingen gerangschikt? Zeker is het, dat van de
-verschijning dezer stippels de vermenigvuldiging der plant, of, zooals
-het hier heet, &bdquo;sporenvorming&rdquo; afhangt. Zoo&rsquo;n bloei
-schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt echter reeds een weinig
-minder vreemd, zoodra wij kennis maken met die soorten van varens, (b.
-v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum Spicant), die er tweeërlei
-veeren op nahouden, waarvan de &eacute;&eacute;ne niet bloeien en de
-andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij daarbij denken aan
-den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen, door Goethe
-dichterlijk geschetst in zijn <i>Metamorphose der Pflanzen</i>.</p>
-<p class="par">En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan
-zelfs een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer- of
-bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen, op hunne
-dunne steeltjes tusschen &rsquo;t groen ziet steken. Bij het
-korstmos&mdash;die platte, vlakke korsten op boomstammen en
-muren&mdash;valt het alweer iets <span class="pagenum">[<a id="pb207"
-href="#pb207" name="pb207">207</a>]</span>moeilijker; toch bloeit ook
-dit op zijne wijze. En let eens op uw Selaginella, uwe
-kamer-&bdquo;mosplant&rdquo;, (eigenlijk geen mos); ga eens na of aan
-de uiteinden dier stengeltjes, van boven met een dubbele rij kleine,
-van onderen met een dubbele rij grootere blaadjes bezet, niet op zekere
-tijden van het jaar groene bolletjes, zoo groot als speldeknoppen,
-voorkomen?... Dan bloeit zij.</p>
-<p class="par">Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het
-plantenrijk, komen wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels,
-enz. Ook dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in
-het najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig,
-plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan,
-tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten,
-dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur,
-hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat
-rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer,
-na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt.</p>
-<p class="par">Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En
-de sporen, die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts
-behoeven te ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld
-op zich zelve in het plantenrijk.</p>
-<p class="par">Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos
-een gewoon boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk,
-dat het opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit &eacute;&eacute;n
-laagje cellen bestaat;&mdash;indien wij in het algemeen bedenken, dat
-in die lagere, die eergevormde plantenwereld, met name in de varens,
-reeds al de bladvormen voorkomen, die zich later onder de
-zichtbaarbloeiende <span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208"
-name="pb208">208</a>]</span>gewassen hebben
-gereproduceerd;&mdash;indien wij eenen blik slaan in de keurige
-bijzonderheden van dien &bdquo;bedekten&rdquo; bloei, zooals zij in de
-afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot te
-zien zijn,&mdash;dan.... Doch dat wordt een zaak voor &rsquo;t
-mikroskoop in de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te
-blijven. <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e459">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXV.</h2>
-<h2 class="main">WINTERVOGELS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het is een algemeen heerschend
-volksgeloof,&mdash;bij den eersten den besten boerenjongen in de eerste
-de beste provincie kan men er de proef op nemen,&mdash;dat de koekoek
-gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe dat denkbeeld in de wereld
-moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens duidelijk uit, dat men
-&rsquo;s winters hier te lande nooit een koekoek, en zomers slechts
-zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens, men moet al heel weinig in
-de natuur rondom zich gekeken hebben, om niet te weten dat ieder
-seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat den zomer aangaat, twijfelt
-niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld, dat de terugkomst van de
-ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen behoort, en evenzeer dat op
-zeker punt van het najaar, de zwaluwen &bdquo;<i lang="de"><span class="corr" id="xd21e3075" title="Bron: heimwarts">heimw&auml;rts</span></i>&rdquo;, huiswaarts,
-trekken, al is die uitdrukking volstrekt niet juist: want onder iemands
-t&rsquo;huis, zijn &bdquo;<i>heim</i>&rdquo;, zijn vaderland, verstaat
-men toch doorgaans zijn geboorteplaats, <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span>en de zwaluwen, die
-&rsquo;s zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts in
-het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt, wat een
-trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat het een vogel
-is, die in de lente hier komt en ons in den herfst weer verlaat. Zij
-vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde plaats grijpt. De
-zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan het sterkste
-voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij troepen in onze
-velden, voordat het hun in noordelijker streken te koud wordt. Daarbij
-komt, dat zoogenaamde <span class="ex">standvogels</span>, nl. zulken
-die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger
-gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en
-op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke
-eigenaardigheden.</p>
-<p class="par">Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of
-kruimels voor een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op
-af? De groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen,
-afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om den
-hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende plaats,
-en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in de sneeuw
-afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van trouwens alle
-kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de boomen, ingericht.
-Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel van een spier, die
-strak over de knie- en enkelgewrichten loopt, van zelf de teenen samen:
-zonder dat zou het hun, (denk ons eens in hunne plaats!) waarlijk vrij
-moeielijk vallen, zich dag en nacht, wakend en slapend, aan de
-<span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name="pb211">211</a>]</span>dunne takjes, waarop zij wonen, vast te houden.
-Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen
-hebben,&mdash;bij voorbeeld op den vlakken grond,&mdash;dan dringen
-daar, zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep
-in.</p>
-<p class="par">Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het
-gezelschap. Zaagt gij er ooit een in het hartje van den zomer? Waar de
-roodborstjes dan verblijf houden, durf ik niet zeggen, maar stellig
-niet rondom onze huizen, zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen
-veel menigvuldiger dan hier: <i lang="en">Robin <span class="corr" id="xd21e3094" title="Bron: Readbreast">Redbreast</span></i> in de sneeuw
-tegen een venster pikkend, behoort daar tot de onmisbare figuranten op
-de kerstmisprentjes. De talrijke verhalen omtrent roodborstjes, die in
-de kamer vrij rondvliegend, dus volkomen mak, overwinterden en
-nochtans, als de lente daar was, met ongeduld afscheid namen, wijzen op
-eene sterksprekende gewoonte van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is
-het altijd een welbekend herfst-signaal, als ik, op den een of anderen
-Octoberdag, voor &rsquo;t eerst de zachte stem van &rsquo;t kleine dier
-weer hoor.</p>
-<p class="par">Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes
-vleesch meezen lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn,
-in vrijen staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij
-wel opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes,
-tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar korten
-dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in het hout te
-boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de schors verscholen
-insekten, <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name="pb212">212</a>]</span>of voornamelijk hun eieren en larven te
-bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den
-tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden
-ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... &rsquo;t Is
-waar, in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,&mdash;anders durf ik
-niet zeggen <span class="corr" id="xd21e3101" title="Bron: hoever">hoe
-ver</span> haar bescheidenheid gaan zou.&mdash;Op deze behoefte aan
-dierlijk voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle
-vogel-opvoedende jongens, &bdquo;dat je, als je meezen brood wilt
-geven, het in melk moet weeken&rdquo;. Ondanks deze goede bedoeling om
-&rsquo;t haar lekker te maken, wensch ik alle kool- en pimpelmeezen
-toe, dat haar aardige zwarte of blauwe kopjes nooit in handen van die
-brood-weekende weldoeners mogen vallen.</p>
-<p class="par">De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn
-duiven. Dezen toch behooren tot de meest consequente <span class="corr"
-id="xd21e3106" title="Bron: vegetariers">vegetariërs</span>. Nog
-nooit heeft, voor zoover ik weet, een duif een ander beest
-vermoord;&mdash;hetgeen zeker ook niet strooken zou met hare algemeen
-bekende reputatie van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist
-daardoor, in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den
-tuinbouw, en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van
-dichterlijkheid bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die
-de hoogste boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van
-uitgeroeid te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen
-er, geloof ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders
-mocht het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel
-boonen, erwten enz, er wel verbruikt worden door de
-&bdquo;onnutte&rdquo; snavels van <span class="pagenum">[<a id="pb213"
-href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span>zoo&rsquo;n aantal groote
-vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering vertoonen, vrij
-slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen, loopen waggelend als
-op winterpootjes, of zitten diep in de veeren gedoken op de zwarte
-druipende takken van de berken der parken of van de olmen onzer
-hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken dat zij gedurende den
-schralen tijd veel eten.</p>
-<p class="par">Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de
-Zuiderzee bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren
-kan, &bdquo;een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen&rdquo;. Hij
-neemt dan soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de
-witte wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden;
-en, met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van
-die donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw
-niet te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn,
-weet trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft
-zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het
-water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun
-langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was; en
-namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van &rsquo;t seizoen,
-dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den snavel
-aan de vetklier gebracht te hebben.</p>
-<p class="par">Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het
-ijsvogeltje, dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn
-korten staart en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker
-uitkomen door zijn langen snavel, <span class="pagenum">[<a id="pb214"
-href="#pb214" name="pb214">214</a>]</span>die reeds aanwijst van welk
-voedsel hij leeft. Hij is een echte visscher,&mdash;de &bdquo;<i lang="fr"><span class="corr" id="xd21e3118" title="Bron: Martin-p&eacute;cheur">Martin-p&ecirc;cheur</span></i>&rdquo;
-der Franschen,&mdash;en zit met een geduld, een Leidschen hengelaar
-waardig, den lieven langen zomer, dag in dag uit hier of daar aan een
-slootkant; maar uit den aard der zaak komt hij het meest te voorschijn
-in den winter, als zijn beste plekjes door de vorst zijn bedorven, en
-hij aan de bijten zijn fortuin moet beproeven. Ongelukkig wordt de
-mooie blauwe kleur van kop en rug hem dan doorgaans noodlottig,
-doordien zij den voorbijganger maar al te zeer aantrekt:
-&bdquo;<span lang="fr">l&rsquo;oiseau bleu</span>&rdquo; wordt waarlijk
-zoo dikwijls te vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen
-hem te laten glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo
-verlokkelijk aanbiedt!</p>
-<p class="par">Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken
-aan de uiltjes, die wij thans lichter dan des zomers hier en daar
-ontmoeten, omdat dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt.
-Meermalen heb ik des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen
-boomtak te zien zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een
-kleine uil te zijn, natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap
-verzonken. Doch de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem
-aanraakte, schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men
-behoeft, om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw
-van zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals
-andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. z&oacute;&oacute; dat
-de baartjes met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij
-uilenveeren slechts aan &eacute;&eacute;ne zijde het geval, waardoor de
-geheele &bdquo;pluimagie&rdquo;,&mdash;zooals onze overgrootouders
-<span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span>den vederdos noemden,&mdash;een zeer los
-karakter krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder &rsquo;t malen
-veel meer leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft
-hier plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat
-als de uilen &rsquo;s nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker
-zooveel muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit
-alle andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een
-eierenketting dadelijk in &rsquo;t oog springen.</p>
-<p class="par">Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke
-verandering van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,&mdash;het
-vindt allicht zijn voortduring, zoo niet zijn grond, in de
-oppervlakkige gelijkenis der beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de
-gegolfde teekening op borst en buik, doen hen in de verte op elkaar
-gelijken. Ook hun leefwijze heeft iets van elkander. Doch de rol, die
-zij in de vogelwereld spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor
-vele kleine vogels, door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn
-jongen uit te laten broeden, de sperwer,&mdash;een havik in het
-klein,&mdash;is een echte roofvogel en verslindt ze bij menigte. Wie de
-kleine zangers in zijn buurt wenscht te beschermen, dient den sperwers
-den oorlog aan te doen, en zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In
-zeker opzicht is dit jammer, want hun huislijk leven is waarlijk recht
-voorbeeldig. Het is voor vele vogelkenners eene zeer dankbare studie
-geweest, <span class="corr" id="xd21e3130" title="Bron: nategaan">na te
-gaan</span> welk deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost
-nemen. Bij een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje
-neer; bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen
-brengen beiden te zamen <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>den jongen voedsel aan. Bij de
-sperwers nu geschiedt dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat
-voedsel behoorlijk voor hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes,
-wier moeder gedood was, van honger zien sterven, ofschoon zij omringd
-waren door een rijken voorraad van levensmiddelen, die de vader hun
-toevoerde, doch zonder dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te
-maken. <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name="pb217">217</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e468">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXVI.</h2>
-<h2 class="main">V&Oacute;&Oacute;R OF ACHTER DEN PLOEG.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid
-iemand bestaan heeft, die den titel droeg van &bdquo;Graaf van
-Rome&rdquo;. Maar er is eene oud-duitsche ballade, waarin van zulk een
-personage en zijn vrouwtje een teekenachtig avontuur wordt verteld.</p>
-<p class="par">De graaf van Rome dan, &bdquo;een man van eer en
-ridderlijke deugden&rdquo;, wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen
-en een der kruistochten naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de
-gravin, had hier veel tegen; zij deed alle moeite om hem van zijn plan
-af te brengen, maar mocht daarin niet slagen. De graaf vertrok. De
-tocht was voor hem alles behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of
-hij viel in handen van een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer
-slecht behandelde en streng liet bewaken. Hij leed honger en ellende,
-en het ergst was dat hij, die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon
-was, dag aan dag den ploeg moest trekken:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;<span class="corr" id="xd21e3148" title="Bron: im">am</span> pflug da must er ziehen</p>
-<p class="line"><span class="corr" id="xd21e3152" title="Bron: vil">viel</span> lenger <span class="corr" id="xd21e3155" title="Bron: dann">denn</span> jar und tag,&rdquo;</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name="pb218">218</a>]</span></p>
-<p class="par">zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning
-aan het hoofd van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet,
-en smeekte om genade en vrijheid; doch de koning &bdquo;zwoer bij zijne
-kroon&rdquo;, dat hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens
-eigen vrouw er om kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en
-hield toen &bdquo;in diep leed&rdquo; de volgende naief-zelfzuchtige
-overpeinzing: &bdquo;laat ik mijne vrouw komen, dan wordt haar smaad
-aangedaan; moet ik hier blijven, dan geldt het mijn lijf; dus: ik wil
-schrijven dat mijne vrouw kome.&rdquo; Zoo gedacht, zoo gedaan. Er werd
-een brief geschreven, waarin hij aan de vrouw duidelijk maakte, dat
-niemand dan zij zijnen kommer kon keeren; en een bode ging er mee op
-weg. De vrouw ontving den brief, las dien &bdquo;in &rsquo;t
-geheim&rdquo;, en &bdquo;het hart werd haar koud wegens den toestand
-van haren heer&rdquo;. Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon
-komen; dat het voor een vrouw niet paste &bdquo;over de wilde
-zee&rdquo; te varen; maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat
-zij kon. Zoodra echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in
-stilte al wat zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij
-maken en eene tonsuur scheren; en daar zij &bdquo;lezen, schrijven en
-nog heel veel meer doen&rdquo; kon, en ook in &rsquo;t snarenspel
-bedreven was, hing zij de harp en de luit op zijde en&mdash;reisde zoo
-den bode na. De zeereis duurde drie of vier dagen. Tot vermaak van zich
-en hare tochtgenooten, begon zij midden op de zee muziek te maken; de
-bode zat aandachtig en met welgevallen te luisteren. &bdquo;Zij
-herkende hem wel, maar hij haar niet&rdquo;. Toen zij geëindigd
-had, stelde hij haar voor, met hem mede te gaan naar zijn koning, die
-haar <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>spel zeker rijkelijk zou beloonen; hij drong
-daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan land
-gestapt waren, samen verder, &bdquo;over bergen en door diepe
-dalen&rdquo;; en zoo was de bode, zonder het te weten en met hare
-weigering in den zak, de geleider en beschermer van de vrouw, om wie
-hij uitgezonden was.</p>
-<p class="par">Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd
-wegens haar spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong
-&bdquo;veel vreugdevolle woorden&rdquo;; en al de aanwezigen
-verzekerden luide, dat zij het nooit beter gehoord hadden. Zij werd
-onthaald &bdquo;op wildbraad en op visch&rdquo;, verheugde zich
-&bdquo;in haar binnenste&rdquo; dat &bdquo;hare zaak zoo goed
-stond&rdquo;, en speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het
-geheele paleis klonk, en al de heidenen, (&rsquo;s konings dienaren en
-gasten) begonnen te dansen.</p>
-<p class="par">Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw
-gebracht; hij treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst
-v&oacute;&oacute;r zich, dan zich &bdquo;dood te moeten werken&rdquo;.
-De vrouw intusschen, in hare vermomming, keek met alle opmerkzaamheid
-naar haren man uit; en haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens
-zag. Eindelijk klom zij op den toren van &rsquo;t kasteel, en werd hem
-gewaar <i>voor den ploeg in het veld</i>. Zij schreide vele tranen,
-omdat zij hem niet dadelijk kon helpen; maar zij was intusschen
-onvermoeid in &rsquo;t spelen, en bleef vier weken op het slot. Toen
-zij nu sprak van afscheid nemen, wilde men den muzikalen monnik
-rijkelijk beloonen. Men bracht hem &bdquo;eene gouden kroon en een
-schepel vol goud&rdquo;, en verzocht hem die niet te versmaden; maar de
-monnik weigerde en zeide zeer nederig, dat &bdquo;zijn orde hem niet
-<span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span>vergunde zoo iets aan te nemen&rdquo;, en hij
-zulk loon niet begeerde. &bdquo;Maar&rdquo;, voegde hij er bij,
-&bdquo;om &eacute;&eacute;n geschenk wil ik u vragen: het is niet om
-roodgeel goud, noch om edele steenen, noch om eenig ander goed, maar
-alleen om den man, die ginds in het veld den ploeg trekt.&rdquo; De
-koning antwoordde beleefd: &bdquo;Heer, neem dien, als gij hem
-verkiest&rdquo;; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor den
-koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad:
-&bdquo;bedank den avonturier, die u verlost heeft.&rdquo;</p>
-<p class="par">Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf,
-ondanks al wat hij geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het
-heilige graf; en dat &bdquo;de avonturier&rdquo; zijns weegs ging. Dat
-de graaf, toen hij ten slotte tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen
-werd, alsof er niets gebeurd was, maar zich zeer beklaagde over den
-onvriendelijken brief, waarmee zij den zijne had beantwoord; en dat hij
-van geene verontschuldiging wilde weten. Dat ten overvloede zijne
-vrienden de vrouw aanklaagden en belasterden, omdat zij in zijne
-afwezigheid van huis was geweest, en wel op zulk eene geheimzinnige
-wijze, dat geen van de buren haar spoor had kunnen volgen. Dat het
-vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar opstond, naar haar kamer
-ging, de pij aan en den monnikskap over het hoofd trok, en de harp, de
-luit en den bedelzak omhing, juist zooals zij zich in den vreemde aan
-hem had vertoond; en dat bij dien aanblik de graaf opsprong van
-blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;das ist der abenteurer, der mich erl&ouml;set
-hat!&rdquo;</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p>
-<p class="par">Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal
-aanschouwelijk moeten maken, is &eacute;&eacute;n, zeer sterk sprekend,
-waarop een man, bijna naakt en met uitgerekte spieren, rondom zijn
-lendenen is ingespannen voor een soort van wagentje met twee kleine
-wieltjes, dat bij nader onderzoek een ploeg blijkt te zijn; terwijl een
-ander, met een tulband op het hoofd en een stok in de hand, toezicht
-over hem staat te houden.&mdash;Ik denk aan die voorstelling dikwijls,
-als ik in werkelijkheid een ploeg zie, bespannen met twee flinke
-paarden: een der schilderachtigste sieraden van een schoon
-winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder winterschoonheid slechts
-de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar ik bid u, versmaadt niet die
-stille dagen in December of in Januari, als het niet vriest, maar ook
-niet mist of stormt of regent, als het eigenlijk niets doet, doch de
-boer daarvan gebruikt maakt om des te meer te doen! Denkt u een
-heuvelachtige, eenigszins boschrijke streek; de reeds opkomende dunne
-nevel van den korten namiddag belet u om v&egrave;r om u heen te zien,
-en belooft een van die prachtig geschakeerde zonsondergangen, die juist
-in dit jaargetij ons oog zoo kunnen verblijden. Links van u liggen
-eenige roeden met rapen, rechts staat winterkoren te veld; de
-hooibergen rondom de huizen getuigen ook van weiland in de buurt; en
-ginds, af en toe achter een schuur of een paar boomen verscholen, en
-dan eensklaps weer te voorschijn komende, legt rustig en bedaard de
-ploeger zijnen weg af, van den eenen akker op den anderen, in &rsquo;t
-gezelschap van musschen en kraaien, die in de versch opgeworpen aarde
-op de jacht gaan.... &rsquo;t Is een welkom beeld van <span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span>bedrijvigheid en leven, te midden van dat stille
-wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een
-schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.</p>
-<p class="par">Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij
-hem niet nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid
-verdienen onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak
-verstaat, een man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk.
-Men dient daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere
-handgrepen machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der
-greppels; en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht
-en krom te hebben, als iemand die zich op &bdquo;rechtlijnig
-teekenen&rdquo; toelegt.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar &rsquo;t is een erg eentonig werk&rdquo;,
-dus brengt misschien iemand in het midden; &bdquo;en ik heb medelijden
-met een menschenleven dat op deze wijze wordt gesleten.&rdquo;</p>
-<p class="par">Hoor eens,&mdash;is dan mijn antwoord, de &bdquo;Graaf
-van Rome&rdquo; werd zelf voor den ploeg gespannen; en in de dagen,
-waarin dat verhaal heet te spelen, was zulks volstrekt geen
-zeldzaamheid. Menschen,&mdash;slaven, lijfeigenen,&mdash;trokken den
-ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe grof van vorm, was een
-werktuig, uitgevonden tot verlichting van die moeilijke, maar
-onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen landbouw, aan
-alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans, bij de
-hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt, maar
-hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig zelf
-is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger, die zijne
-zaak meester is, arbeidt meer met zijn <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span>geest dan met zijn
-lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard,
-waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden
-arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink
-bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken
-arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij
-ploegt in &rsquo;t najaar, opdat de omgeworpen grond zou
-&bdquo;doorvriezen&rdquo;, d. w. z. opdat door het bevriezen van de
-vochtigheid, die er in is, de opgeworpen stukken ondergrond in
-duizenderlei richting zouden barsten en zeer los worden. Hij ploegt in
-den winter, voor zoover de vorstlooze tusschentijden het toelaten. Hij
-ploegt soms nog laat in &rsquo;t voorjaar, maar dan is het wegens
-tegenspoed in &rsquo;t werk. In de lente en den zomer doet diezelfde
-arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien, als hij die kunst
-verstaat,&mdash;want ook dat is een kunst, of voor het minst eene
-behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers; ook zijne
-handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er altijd handen
-te weinig zijn om den boel binnen te halen,&mdash;vooral waar het
-gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en welker zaad
-dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik bedoel hier
-b. v. koolzaad en karwei, die twee &bdquo;dobbelgewassen&rdquo;, die
-zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden om in
-hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk tot
-bouwland te maken, (ze te &bdquo;scheuren&rdquo;).</p>
-<p class="par">En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den
-paardenploeg vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral
-in de huishouding van kleinere boerderijen <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span>volstrekt geen voordeel aanbrengen&mdash;in
-beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt de werkman
-geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote sprong als
-tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van den Graaf
-van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van den
-&bdquo;vooruitgang&rdquo; verzekeren van ja. De vrienden van den
-&bdquo;goeden ouden tijd&rdquo; schudden het hoofd. Wie met Karl Marx
-een open oog hebben voor de gevaren die de stoom meebrengt,&mdash;in
-zoover deze door sterke verdeeling van arbeid alle menschen tot
-specialiteiten, d. i. tot fragmenten van menschen dreigt te
-maken&mdash;zetten een waarschuwend gezicht. Laat ons die twee punten
-in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk hangt waarlijk niet
-af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om dat gereedschap, en
-nog vele andere dingen er bij, te beheerschen: van zijne opvoeding, van
-zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij geleerd heeft zijn verstand,
-zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding te gebruiken! De soort van
-ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan, beide in letterlijken en in
-figuurlijken zin, minder op aan. <span class="pagenum">[<a id="pb225"
-href="#pb225" name="pb225">225</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e477">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXVII.</h2>
-<h2 class="main">GROENBLIJVENDE BOOMEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Een maand of wat geleden door Gelderland reizende,
-zat ik in den trein met twee bejaarde freules. Zij waren door een
-dikken livreiknecht in den wagen en aan haar bagage geholpen, en
-begonnen zich al spoedig over te geven aan &rsquo;t genot van den
-tocht. Het was mooi weer en het landschap deed dat goed uitkomen. Ik
-kreeg een soort van sympathie voor mijne reisgenooten, ten eerste om
-haar warme geestdrift en bewondering voor al het schoons dat wij
-voorbijvlogen, en ten tweede omdat zij zich, ondanks de nederlandsche
-etiquette, niet ontzagen die bewondering tegenover mij, onbekende, te
-uiten. Wij spoorden nu door bosschen en dan weder over de heide; en
-eensklaps, nadat wij een paar minuten tusschen hooge dennen
-heengetrokken en aan een gehakte opening gekomen waren, riep eene van
-de dames in verrukking: &bdquo;Och, Keetje, kijk die snoeperige
-Conifeertjes, daar vlak bij dat sparrenbosch!&rdquo; Zij meende
-blijkbaar de twee- of driejarige dennen zelven, die hier van de
-vrijgekomen lucht en ruimte gebruik <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name="pb226">226</a>]</span>maakten, om zich
-krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb kunnen
-weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige buurvrouw.
-Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon en
-begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder
-&bdquo;Conifeertjes&rdquo; door sommigen verstaan worden: niet al te
-groote, groenblijvende, pyramidale boompjes;&mdash;(een zin waarin,
-zooals ik later bemerkte, het woord dikwijls op prijscouranten
-voorkomt).</p>
-<p class="par">Tot dergelijke &bdquo;Conifeertjes&rdquo; zullen wij ons
-thans terug dienen te trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In
-stadstuintjes, vooral in de zeer kleinen, (v&oacute;&oacute;r aan de
-straat, achter een ijzeren hekje), plegen zij een groote rol te spelen,
-en vormen daar wat de Engelschen hun &bdquo;<span class="ex" lang="en"><span class="corr" id="xd21e3208" title="Bron: shrubery">shrubbery</span></span>&rdquo; noemen.</p>
-<p class="par">Op <span class="ex">Hulst</span>, <span class="ex">Jeneverbes</span>, <span class="ex">Taxis</span> en misschien nog
-een paar anderen na, die hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de
-meeste van die groene dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd
-vaderland afkomstig. Om met de eigenlijke <span class="ex">Conifeeren</span> (Kegeldragers) te beginnen: van onze eigen spar
-en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante soorten uit
-den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een <span class="ex">Pinus
-Cembra</span>, wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die
-van onzen gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van
-zuidelijk Europa. Daarnaast prijkt een echt <span class="ex">Cedertje</span> &bdquo;van den Libanon&rdquo;. Die kleine
-<span class="ex">Balsempijnboom</span> of <span class="ex">Hemlockspar</span>, zooals hij tegenwoordig hier genoemd wordt,
-komt uit Virginië. De <span class="ex">Cypres</span>
-vertegenwoordigt ons de grieksche rouwplechtigheden; <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span>en
-die <span class="ex">Araucaria</span> met hare stijve, breede,
-geschubde armen,&mdash;is &rsquo;t wezenlijk een levend boompje of een
-kapstok?&mdash;hoort in Brazilië tehuis. Uw <span class="ex">Thuya</span> is een Noord-amerikaan, ofschoon reeds sinds lang
-hier burger geworden, en met den naam van &bdquo;Arbor vitae&rdquo;
-vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van &bdquo;<span class="ex">Levensboom</span>&rdquo; hoort spreken, daaronder heel iets anders
-vermoedt dan de Thuya&rsquo;s, die de nederige rol vervullen van, op
-zijn binnenplaats, het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch
-worden werkelijk slechts deze er mede bedoeld.</p>
-<p class="par">In uw groene heesterperkje staan intusschen ook
-verscheidene niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander
-loof-karakter. De <span class="ex">Aucubas</span>, met haar gevlekte
-laurierachtige bladeren, komen uit Japan, evenals de bonte <span class="ex">Evonymus</span>, een groenblijvende nabestaande van ons Papenhout.
-De <span class="ex">Ledum</span> groeit in &rsquo;t wild in Polen en
-Bohemen; de <span class="ex">Arbutus Unedo</span> in Italië en
-&rsquo;t Zuiden van Frankrijk; de <span class="ex">Kalmia</span>, die,
-bij goede verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig
-bruidskleed zal prijken, in Noord-Amerika.</p>
-<p class="par">Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe
-meer wij deze trouwe <i>winter</i>-heestertjes waardeeren. Doch ook:
-hoe winterachtiger het om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen
-doen verlangen naar hun vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het
-landschap. Ik spreek nu niet voornamelijk van de &bdquo;eeuwiggroene
-myrthen en laurieren&rdquo; en hun zuidelijker klimaat. Ik wensch onze
-noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en de afwisseling, die zij in het
-natuurschoon en in het maatschappelijk leven aanbrengt, volstrekt niet
-te ontvluchten; maar juist <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span>omdat die witte vlokken zoo goed
-staan op de takken van dien kleinen spar voor &rsquo;t venster, doen
-zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan naar streken, waar
-men ze in &rsquo;t groot op groote sparren kan bewonderen in niet
-alleen groote, maar grootsche verhoudingen.</p>
-<p class="par">Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen
-hoekje, een smal dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het
-dal de rivier zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te
-beslissen, maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij
-onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Ook ten opzichte van &rsquo;t
-geen de menschenwereld aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker
-in &rsquo;t geheel niet bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige
-ding zich zeer hulpvaardig tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu
-dient het dal tot woonplaats aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf
-de voortbrengselen van het bergland verwerkt. Het waterrad drijft
-&bdquo;molens&rdquo; van allerhande soort en grootte, o. a. een paar
-papier- en glasfabrieken. Ook levert het riviertje het geheele jaar
-door overvloed van bruikbaar water, en op den koop toe forellen en
-krabben. Bevaarbaar is het nooit, maar dan ook zeer zelden gevaarlijk;
-in &rsquo;t voorjaar, als de sneeuw in het gebergte begint weg te
-dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals alle anderen; doch de plaats
-der meeste huizen <span class="corr" id="xd21e3279" title="Bron: in">is</span> wel z&oacute;&oacute; gekozen, dat die tegen hare
-mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een en ander geeft aan dit
-valleitje iets behagelijks en menschelijks, zonder daarom aan den
-diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te schaden. Die indruk
-wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte der bergen ter
-rechter en ter linkerzijde, <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span>en door de kronkelingen van rivier
-en dal, meestal ook v&oacute;&oacute;r en achter,&mdash;zoodat men
-schijnbaar geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar
-slechts vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot
-boven, begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per
-spoor die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken
-van &rsquo;t gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station
-uitgestapt, nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken,
-ontmoetten wij, op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout
-dan sparren, dennen, Weymouthspijnen, enz.</p>
-<p class="par">De meesten onzer weten zich zoo&rsquo;n dal te
-herinneren, hetzij in den Harz, het Schwarzwald of misschien in
-Zwitserland; en roepen zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste
-partijen voor den geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er
-intusschen wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er
-onwillekeurig naar bergpaden, om, als &rsquo;t ons al te bang om
-&rsquo;t hart mocht worden, spoedig den gezichteinder te kunnen
-verruimen. En als wij op een mooien zomerdag daar nederzaten, kwam
-dikwijls de gedachte in ons op: &bdquo;Hoe somber moet het hier des
-winters zijn!&rdquo; Dan rekenden wij echter buiten de sneeuw, die ten
-eerste een groot deel van de door ons vermoede wintereenzaamheid en
-afgeslotenheid wegneemt, door het vlug en vroolijk sle&ecirc;verkeer,
-en ten andere de somberheid der groene bergwanden breekt door haar
-tintelend wit.&mdash;Denkt u een mooien Februaridag, met vorst maar
-zonder wind. Op elken boom ligt zooveel sneeuw als hij maar dragen kan
-zonder te breken: de veerkracht van de breede takken wordt op
-<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name="pb230">230</a>]</span>een zware proef gesteld; zij buigen
-d&oacute;&oacute;r onder hunnen reinen last. De spitse toppen van de
-sparren en de vlakke kroon der dennen wisselen elkander sierlijk af
-tegen den blauwen ether; en al de duizend groene twijgjes, die tegen de
-sneeuw afsteken, bewaren &rsquo;t landschap voor eentonigheid. &rsquo;t
-Is Vrouwendag: er zal een groote sledevaart gehouden worden. De zon
-beschijnt en koestert u, en betoovert de sneeuw; en haar stralen
-dringen door in de diepte der bosschen, en lokken hier en daar een
-kudde herten naar hun zoom. Gij glijdt voort in een ijlende vaart, maar
-toch niet z&oacute;&oacute; snel, of gij kunt de schoonheid om u heen
-naar hartelust genieten. En zoo de dag al kort is, des avonds komt de
-maan op, en verlicht den terugtocht op haar wijze.... Wie dat eens in
-vollen glans heeft bijgewoond, vergeet het niet gemakkelijk.
-<span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e486">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXVIII.</h2>
-<h2 class="main">EEN OUDEJAARSWANDELING.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om
-ons heen ziet er verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en
-de nachten zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en
-slapen.</p>
-<p class="par">Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou
-hebben, ook maar op die manier te overwinteren, en eerst met de lente
-weer voor den dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u
-dikwijls sombere, neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop
-gij meer kans hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer
-ontvankelijk zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts
-&eacute;&eacute;n greintje veerkracht in ons over is, herstellen wij
-ons doorgaans dadelijk in het besef, dat een mensch meer is dan een
-visch of een marmot. Ik voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor
-de opwekkelijke prikkels van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij
-altijd, als ik op het punt ben mij door mist of &bdquo;waterkou&rdquo;
-te laten nederdrukken. Vaak, als het leven mij op <span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span>de
-eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte slechts in
-&rsquo;t oog kon krijgen, &eacute;&eacute;n blik op den blauwen hemel
-met zijn lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn
-dat ik geboren was, al ware het alleen maar voor &rsquo;t plezier van
-deze schoone tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij
-dreigde mee te slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek
-van uitval niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in
-onzen geest gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht
-boven deze wet verheffen.</p>
-<p class="par">Men heeft van oudsher veel gesproken over de
-scheppingskracht van den menschelijken geest. Zij stelde hem in staat
-om ruwe grondstoffen voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en
-om telkens meer verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken
-arbeid uit te vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke
-welvaart. Door de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de
-wereld hem te zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad
-der kunst. Hij verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel,
-en noemde dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de
-menschelijke scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen
-edeler, geen die hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al
-de dwaasheden en troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer
-geluk schenkt, dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de
-onvolkomenheden van al wat hij <i>kent</i>, toch aan zekere
-volmaaktheid te <i>gelooven</i>.</p>
-<p class="par">Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar,
-en er zijn dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>gemoedsleven doordringt, en <i>verzoening</i>
-zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders slechts met
-<i>afleiding</i> behelpt. Ook in dit bosch zingt &bdquo;ieder vogeltje
-zooals het gebekt is.&rdquo; In elk mensch die over deze dingen
-nadenkt, doet de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst
-naar volmaking zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze
-laatste wandeling tracht weer te geven, hoe mijn
-&bdquo;geloofsbelijdenis&rdquo; zou uitvallen, zoo ik die, als van
-ouds, in &bdquo;twaalf artikelen&rdquo; moest samenvatten. Van weten is
-hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk
-bezorgen.</p>
-<p class="par">Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin,
-waarmede wij onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de
-omstandigheden, al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze
-krachten en talenten&mdash;in harmonie weten te brengen.</p>
-<p class="par">Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting,
-is in dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit
-volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere
-beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver
-beneden zijn ideaal;&mdash;nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is
-voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne
-eigene kracht, vaardigheid, &bdquo;inspiratie&rdquo; te kort
-schiet.</p>
-<p class="par">Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek
-streven, naast zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name="pb234">234</a>]</span>nog
-een ander, hooger voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van
-harmonie.</p>
-<p class="par">Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat
-hetwelk ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo
-harmonieus mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het
-grootere, passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en
-machteloos gevoel), ook op harmonie moet berusten.</p>
-<p class="par">Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al
-struikelend en opstaand, en met schade en schande en inspanning
-ervarende, op welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand
-komt,&mdash;word ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des
-te rijker is naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in
-verwerkt worden, en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste
-botsingen, welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar
-een meer samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij
-behooren.</p>
-<p class="par">Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met
-mijne persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al
-het lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,&mdash;niet het minst de
-botsing tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht
-van verval en vergankelijkheid,&mdash;er, om een muzikaal beeld te
-gebruiken, vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich
-slechts bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie.</p>
-<p class="par">Alleen echter op &eacute;&eacute;ne voorwaarde kan ik in
-mijn &bdquo;dissonant&rdquo;schap berusten:&mdash;dat ik nl. den
-mogelijken Kunstenaar van de &bdquo;symfonie&rdquo; mag vermoeden, Hem
-vereeren <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span>en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar te
-wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn steun
-te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid mij
-pijnigt.</p>
-<p class="par">Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden
-Maker niet berust op eenigerlei wetenschappelijke <span class="ex">kennis</span> van zijn wezen; maar ik ben boven alles dankbaar
-voor de <span class="ex">kunst</span>, die mij in staat stelt de
-gedachte aan Hem te scheppen.</p>
-<p class="par">Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan
-schoonheidswetten onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit
-gebied is wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,&mdash;tot
-dogmatiek verstijft,&mdash;ontaardt de poëzie van &rsquo;t
-religieuse leven. De eerbied zelf voor mijnen onbekenden Maker leert
-mij ten zijnen opzichte bescheidenheid.</p>
-<p class="par">Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne
-levensopvatting en mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte
-godsdiensten. &bdquo;Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen,
-zoo schreeuwt ...&rdquo; ook mijn ziel, op mijne wijze, naar den
-Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij bewust ben te behooren. En
-indien de geschiedenis verhaalt van iemand, in wien het
-gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was, dat hij in
-gemoede kon getuigen: &bdquo;Ik ben niet alleen, want de Vader is met
-mij,&rdquo; dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met zulk
-eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht, zeer
-wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande uit
-eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span>van
-joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord.</p>
-<p class="par">Het behoort tot mijn verdriet in &rsquo;t leven, dat er
-op het gebied van vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig
-gezelligheid heerscht in de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na
-aan &rsquo;t hart ligt, zoo weinig verkeer is onder levende menschen,
-en men zich grootendeels moet vergenoegen met
-menschengeest-extrakt,&mdash;nl. uit boeken.</p>
-<p class="par">Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een
-wanklank, die opgelost wordt,&mdash;of worden zal,&mdash;gedeeltelijk
-door ons eigen toedoen: daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig
-naga, wat er in zijn beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de
-diepte van zijn geestelijk leven omgaat.</p>
-<p class="tb"></p>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje:</p>
-<p class="tb"></p>
-<p class="par"></p>
-<p class="par xd21e3365">Gelukkig Nieuwejaar!</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="transcribernote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctiontable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e695">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">voortbrensgelder</td>
-<td class="width40 bottom">voortbrengsel der</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e721">24</a></td>
-<td class="width40 bottom">amelliastruik</td>
-<td class="width40 bottom">Camelliastruik</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e724">24</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e1179">39</a></td>
-<td class="width40 bottom">van daag</td>
-<td class="width40 bottom">vandaag</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e795">33</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2565">168</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2576">169</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3032">205</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1255">46</a></td>
-<td class="width40 bottom">Van af</td>
-<td class="width40 bottom">Vanaf</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1268">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">kruit</td>
-<td class="width40 bottom">kruid</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1445">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">diehoekigheid</td>
-<td class="width40 bottom">driehoekigheid</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1495">64</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1625">77</a></td>
-<td class="width40 bottom">val- de</td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1628">77</a></td>
-<td class="width40 bottom">af- lende</td>
-<td class="width40 bottom">afvallende</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1742">91</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2506">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1771">96</a></td>
-<td class="width40 bottom">verbokkelends</td>
-<td class="width40 bottom">verbrokkelends</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1793">99</a></td>
-<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1895">112</a></td>
-<td class="width40 bottom">klevorige</td>
-<td class="width40 bottom">kleverige</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1975">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2063">129</a></td>
-<td class="width40 bottom">POEZIE</td>
-<td class="width40 bottom">PO&Euml;ZIE</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2143">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">centaurien</td>
-<td class="width40 bottom">centauriën</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2192">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">telaat</td>
-<td class="width40 bottom">te laat</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2218">145</a></td>
-<td class="width40 bottom">met</td>
-<td class="width40 bottom">men</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2513">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">H&auml;upte</td>
-<td class="width40 bottom">Haupte</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2620">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">,)</td>
-<td class="width40 bottom">),</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2782">191</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3003">202</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitholing</td>
-<td class="width40 bottom">uitholling</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3010">203</a></td>
-<td class="width40 bottom">Noordbraband</td>
-<td class="width40 bottom">Noord-Brabant</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3075">209</a></td>
-<td class="width40 bottom">heimwarts</td>
-<td class="width40 bottom">heimw&auml;rts</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3094">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">Readbreast</td>
-<td class="width40 bottom">Redbreast</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3101">212</a></td>
-<td class="width40 bottom">hoever</td>
-<td class="width40 bottom">hoe ver</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3106">212</a></td>
-<td class="width40 bottom">vegetariers</td>
-<td class="width40 bottom">vegetariërs</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3118">214</a></td>
-<td class="width40 bottom">Martin-p&eacute;cheur</td>
-<td class="width40 bottom">Martin-p&ecirc;cheur</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3130">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">nategaan</td>
-<td class="width40 bottom">na te gaan</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3148">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">im</td>
-<td class="width40 bottom">am</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3152">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">vil</td>
-<td class="width40 bottom">viel</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3155">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">dann</td>
-<td class="width40 bottom">denn</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3208">226</a></td>
-<td class="width40 bottom">shrubery</td>
-<td class="width40 bottom">shrubbery</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3279">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">in</td>
-<td class="width40 bottom">is</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN ***
-
-***** This file should be named 52479-h.htm or 52479-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52479/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/52479-h/images/cover.jpg b/old/52479-h/images/cover.jpg
deleted file mode 100644
index 6bc15c1..0000000
--- a/old/52479-h/images/cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52479-h/images/titlepage.png b/old/52479-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 2ee3e49..0000000
--- a/old/52479-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/old/52479-8.txt b/old/old/52479-8.txt
deleted file mode 100644
index 7786534..0000000
--- a/old/old/52479-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6456 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Natuurfantazieën
-
-Author: G. Carelsen
-
-Release Date: July 2, 2016 [EBook #52479]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- NATUURFANTAZIEËN
-
-
- DOOR
-
- G. CARELSEN
-
- Schrijfster van: Brieven van een Landmeisje, enz.
-
-
-
- HAARLEM
- H. D. TJEENK WILLINK
- 1881
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- blz.
-
- I. Een Nieuwjaars-wandelpraatje 1
- II. Meeuwen 6
- III. Bloemen voor het venster 16
- IV. Sprokkelmaand 26
- V. De lange lente 33
- VI. Bij een schaaltje kievitseieren 39
- VII. Rondom een molshoop 48
- VIII. Palm-Paschen 53
- IX. Tulpen 57
- X. Hei, 't was in de Mei! 63
- XI. Een Engelsch landschap 68
- XII. In den bloeienden boomgaard 74
- XIII. Bouquetten 78
- XIV. Een dubbele boodschap 82
- XV. Een boschtooneeltje 88
- XVI. Op de bloemmarkt 98
- XVII. Aan de Noordzee 102
- XVIII. Een kastanjeboom 111
- XIX. Een inlandsche arend 115
- XX. Eene linde 118
- XXI. Tapijtbedden 124
- XXII. De poëzie van het groenten-schoonmaken 129
- XXIII. Korenbloemen 135
- XXIV. Een bergtocht 140
- XXV. Ouwerwetsche bloemen 148
- XXVI. Augustus 154
- XXVII. Bloemen langs den weg 160
- XXVIII. De lotos 165
- XXIX. Ons wier-eiland 170
- XXX. Najaarsbloemen 179
- XXXI. Een tragedie in den moestuin 187
- XXXII. Een natuurkalender 191
- XXXIII. Jacht en wild 197
- XXXIV. Gesloten? 205
- XXXV. Wintervogels 209
- XXXVI. Vóór of achter den ploeg 217
- XXXVII. Groenblijvende boomen 225
- XXXVIII. Een oudejaarswandeling 231
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.
-
-
-Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles goeds toe, lezers
-en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon....
-
-Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel willen dat ik
-veler menschen pad "met bloemen kon bestrooien", zooals de aloude
-spreekwijs luidt. Maar in de gegevene omstandigheden kan ik niet meer
-doen dan: hopen dat ik hier en daar iemand een verkwikkelijken indruk
-bezorgen moge door de lezing van dit boekje.
-
-"Natuurfantazieën" heb ik het genoemd. Nu is "Natuur" een
-van die groote woorden, welke, evenals hooge boomen, veel wind
-vangen,--namelijk veel "wind van leering"; het is een woord waarvan men
-dikwijls niet recht weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er
-soms een nauwere, soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven,
-b. v. nu eens de geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den
-mensch, hetzij geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik
-dus maar dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den eenvoudigen en
-voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het minstens
-ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de wolken, de aarde en
-het water, de bloemen en het groen, de vogels en de vlinders rondom
-ons,--zij zijn de aanleiding tot deze mijn bescheiden "fantazieën".
-
-Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad bewonen,
-wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen tot
-de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning ten
-volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst
-van wandelen te verstaan.
-
-Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het wandelen
-op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de "vrije
-natuur". Doch als alle anderen dient zij beoefend te worden, eer
-men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te gebruiken,
-dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet geleerd
-heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik van
-zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig
-aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den
-slag niet van hebben.
-
-Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en beschikkingen maakt,
-kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen om, naarmate de
-omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik zou bijna durven
-zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en dan vergunnen. "De
-meeste kwalen en verdrietelijkheden komen tegenwoordig van de zenuwen,
-en de zenuwen komen van de boeken." Ziedaar de zeker niet zeer
-wetenschappelijk geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking,
-waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer
-beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel
-wandelt, minder gevaar loopt van onder "de boeken" begraven te worden
-dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, desnoods met
-inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe langer hoe meer
-blijken goede medicijn te wezen voor "de zenuwen",--zoo doet elk wèl
-die daartoe zijne maatregelen neemt.
-
-Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? Rückert heeft eens, in
-een al of niet gemeende vlaag van menschen-verachting, den zonderlingen
-raad gegeven, de menschen te vermijden en zich zooveel mogelijk onder
-bloemen te bewegen; "dan zullen", voegt hij er ten slotte goedmoedig
-bij, "de bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die
-niet beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!" Nu hoop ik
-hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen
-van "de menschen" te verachten of te haten; maar voor ieder onzer
-komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke instellingen,
-maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen gebukt gaan,
-er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, op het
-punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf te verslappen,
-hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan weet ik dat de
-dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met "bloemen",--in
-het algemeen met de "natuur",--als een weldadig middel aanbeveelt.
-
-En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen schuld hebben,
-maar die ons voor een wijl doen duizelen, eer wij ons recht rekenschap
-weten te geven van hetgeen er gebeurd is en hetgeen ons te doen
-staat,--ook dan is de stille omgang met die "natuur" een weldaad. Wij
-moeten dan van haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven:
-geen antwoord van haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn;
-ons niet verbeelden, dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet,
-zij troost niet onmiddellijk; maar dààrin ligt voor een groot deel
-haar genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder
-afleiding van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust
-en verzoening te geraken.
-
-
-
-Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat er niets te
-wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste helft van 't
-jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat Januari minder
-koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, boschrijk landschap
-meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige binnendijk met
-een rij knotwilgen tot eenig sieraad.--Doch,... zal ik vertellen
-hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van heb leeren
-waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te loopen, in weer
-en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een landstreek zoo
-arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid laat denken:
-een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. Doch bij
-gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en als er
-dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de verte,
-en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den gezichteinder,
-en oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten ontsnappen. En
-ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te zien kreeg,
-wel zoo'n genot van ieder kleurenspel en lichteffect gehad zou
-hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die schijnbaar zoo
-onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst gunstige seizoen om
-te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de mogelijke wandelwegen
-rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te hebben plat getreden,
-zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In dat geval wensch ik u
-toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens wat verder rond te
-kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere schaal. Doch juist met
-het oog daarop zou ik lust hebben u eenige vragen te doen als: Zijt
-gij goede vrienden met de boomen die in uw nabijheid groeien? Welke
-vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek hebt gij in de buurt de
-mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij om dezen tijd van
-'t jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat een mees of een geel
-kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u gisteren voorbij
-vloog? En hoelang zou 't nog duren eer de kwastjes, waarmee nu reeds
-de elzen zijn behangen, zich tot stuifmeelbloemen ontwikkelen?
-
-Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-MEEUWEN.
-
-
-Wij zaten vroeg in 't voorjaar aan de open tafel in een Amsterdamsch
-logement.
-
-Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier wat de Franschen
-daarvoor plegen te zeggen: "On parlait la pluie et le beau temps."
-
-"Mooi weer vandaag!"
-
-"Het zal niet lang zoo blijven."
-
-"Waarom niet?"
-
-"Er zit zoo'n bank in 't westen."
-
-"Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien vliegen."
-
-"Dat geeft regen!"
-
-"Dat geeft sneeuw!"
-
-"Dat geeft nachtvorst!"
-
-"Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op één punt zweven, dat
-is altijd een goed teeken."
-
-"Als zij duiken, dat is een slecht teeken."
-
-"'t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, om haar voêr te zoeken."
-
-"Wat zouden zij dan eten?"
-
-"Insekten en visschen."
-
-"Ik geloof niet aan meeuwen."
-
-"Ik wel."
-
-"Wat gelooft u er dan van?"
-
-"Wel, dat ze weêrwijzers zijn."
-
-"Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen is er storm op
-zee. Ze waarschuwen de schepen."
-
-"Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een ander dier."
-
-Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan met deze
-heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel mogelijk op
-hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik niet weet,
-welk soort men daar op het oogenblik vóór had. De kenners maken een
-groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of kapmeeuwen. De
-laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de jaargetijden
-wisselt, zoodat zij 's zomers een zwart kapje schijnen op te hebben,
-zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. Zij nestelen in het
-riet, aan de boorden van meren, rivieren en plassen, vliegen hier
-van April tot September rond en gaan dan naar warmer streken. Zij
-leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, door o. a. groote
-hoeveelheden meikevers te vernietigen.
-
-De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij zijn
-trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het
-winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en
-eerst als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker
-afzakken, en ons zeestrand, den buitenkant van onze dijken en duinen
-bevolken. Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van
-den winter een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar
-barre, zeer onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling
-in de natuur, zijn loon meebrengt.
-
-Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar al te goed
-kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een vuilwordende
-laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch landschap al
-wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, doordien water,
-land en zwerk éénzelfde vervelende tint hebben. De zee echter is dan
-nog niet bevroren; haar zoutgehalte en haar altijddurende beweging
-houden dit lang tegen; en de duinen... zijn dezelfden die zij in
-Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat opgewaaide sneeuw,
-die hun niet slecht staat. Als in elk ander jaargetijde, bieden zij
-ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke ontspanning aan voor
-den langs rechte vaarten en vlakke dijken afgematten blik.
-
-Op 't strand kunnen wij ons vermeien in 't aanschouwen van dat
-zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee noemt; en
-het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in 't oog. Een paar
-zwarte stipjes op het water doen zich weldra als zwemmende zeeëenden
-kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of wat plevieren en
-strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien zijn ook hier
-natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te zien. Maar
-de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al zeer
-gemeenzaam met haar moeten wezen, om op een afstand uit te maken,
-of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of wel
-"Burgemeesters" zijn; doch om het algemeene meeuwkarakter aan haar te
-herkennen, behoeft men juist niet "wetenschappelijk gevormd" te wezen.
-
-Met lust blijft onze blik rusten op die licht-blauwgrijze groep. Welk
-een leven en beweging, welk een verscheidenheid van stand en
-houding! Juist dit maakt een troep meeuwen zoo behagelijk om aan te
-zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo van-alle-markten-t'huis--men
-zou bijna zeggen, zoo "veelzijdig ontwikkeld" zijn. Zij kunnen, wat
-slechts weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en
-goed zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend
-als zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het
-kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn
-zij blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en
-vaste woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort
-te bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik
-nimmer zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de
-meeuwen, wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en
-bevalligheid tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen;
-welk een kracht in het zweven en "staan"! Misschien werkt de zilvertint
-iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te maken, maar
-stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en bewegingen te
-danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op het water,
-hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, ofwel
-bijna onbeweeglijk boven op de golven dobberen, zoo licht en luchtig
-of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin van duikelen, zoo
-als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich omlaag buigt,
-terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen niet; maar zij
-zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder water te duiken,
-als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog gekregen hebben;
-en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook over haar heen
-slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er zich minder
-behaaglijk om voelen. Maar 't zij zwemmend, of vliegend of dobberend,
-zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog een onafscheidbaar
-deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten dit. Stelt u een
-"zeestuk" zonder meeuwen voor: gij zult er iets op missen, al weet gij
-niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit Heine's "Meereslieder",
-en zij verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden.
-
-Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten vliegen, aan
-ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die vraag meent
-of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er "ja" op te
-antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in kleinen getale ook hier te
-lande broeden, en dus als het ware hier, wat de oud-Hollanders kantoren
-of factorijen plachten te noemen, aangelegd hebben; doch de groote
-menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. Het echte land der
-meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, en de op diezelfde
-breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een der mooiste soorten,
-de drieteenige meeuw, zoo genoemd om de eenvoudige reden, dat zij
-slechts drie, door twee zwemvliezen vereenigde teenen, en niet ook
-nog, als anderen, een kort, achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij
-zwerft in 't gure jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier,
-en zelfs aan de fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit
-beneden de 58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze
-als de eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart
-en blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet alleen
-tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig noorsch
-landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen afwerpen,
-wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. In enkele
-streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is men
-het eens, dat dit te "visschig" is om lekker te wezen. Trouwens
-dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend van
-visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid:
-zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven
-dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar
-ik nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of
-deze niet ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou
-mij zeer bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel,
-met grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of
-op vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls
-zeer moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa
-der meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde
-vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den ganschen
-zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van
-een plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half
-Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten,
-ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar
-komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug,
-waarvan de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert.
-
-Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, toen hij
-voor 't eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog kreeg. "Toen
-ik mij gereed maakte voor mijne reis naar Lapland," vertelt hij,
-"had ik een aantal beschrijvingen van deze vogelkoloniën gelezen,
-en ik twijfelde volstrekt niet aan hare betrouwbaarheid. Maar nooit
-zal ik den Julidag vergeten, waarop ik Kaap Svarhollt (niet ver van de
-Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst een "vogelberg" aanschouwde. Wat
-ik zag was een kolossale muur, als het ware een reusachtige lei,
-met duizenden witte puntjes overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein
-had een van zijn geweren voor mij met los kruit geladen, om de vogels
-te verschrikken. Zoodra dit was afgeschoten, maakten zich die witte
-puntjes voor een deel van hun donkeren achtergrond los, naderden, en
-bleken de gedaante van vogels, van sierlijke meeuwtjes te hebben, en
-verspreidden zich over de zee; maar in zulk eene ontelbare menigte, dat
-zij mij aan een sneeuwval deden denken, die plotseling was losgeraakt
-en nu in groote vlokken ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter
-beeld voor, dan dat het gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De
-zee was er mede bedekt zoover mijne goede oogen reikten; en ondanks
-dit alles scheen de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was
-nu overtuigd, dat vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik
-moest zelf erkennen, dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld
-van te geven aan iemand die het zelf niet gezien heeft."
-
-Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts afzakken,
-en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich hier
-geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks
-genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog
-slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns
-of Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens
-alle meeuwvogels "Visschenpikkers"). Ook hun lastige vijanden,
-de roofmeeuwen of zoogenaamde "Jagers", volgen haar zuidwaarts, al
-hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen als tehuis in den
-broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote schrik der broedende
-menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste moeite kost,
-de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; 's winters daarentegen
-geldt de roof slechts den een of anderen door hen veroverden buit. De
-"Jagers" namelijk hebben de gewoonte om andere meeuwvogels zoolang
-te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, hun vaak reeds half
-verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en die dan met groote
-behendigheid op te vangen eer zij den grond of het water bereikt. Nog
-een anderen harer noordsche landgenooten, den eigenlijken Stormvogel,
-treffen zij hier somtijds aan, maar toch slechts in kleinen getale;
-van dezen echter hebben zij niets kwaads te vreezen.
-
-Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van koude terug
-vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan men zeer
-wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een genoegelijk
-leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, ons
-te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure
-jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor
-de natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries
-zulk een angst en afkeer hebben. "Nu ja," zal men zeggen, "daarvoor
-zijn het zwemvogels." Doch is niet juist dit het belangrijke bij
-ons natuurgenot: na te gaan wàt een zwemvogel tot zwemvogel maakt
-en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat is het dat het
-kleed der meeuwen en der eenden zoo waterproof doet zijn; en wat
-stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge vlucht eens vogels
-en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? Vlechtwerk moge
-geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al zij het slechts
-vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht geven het
-zoo te noemen.
-
-Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude,
-die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun
-vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen
-en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: 't is als er
-storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk,
-onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of
-wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk
-maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet
-gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid
-der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs
-vele volwassenen hun "humeur" niet boven dergelijke invloeden kunnen
-verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene "redelooze meeuw"
-daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen
-de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem
-wonende, hoorde ik dan vertellen, dat "de Zandvoorders hun duiven
-loslieten". Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de
-rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar
-niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater
-ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe
-vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen
-amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar
-zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds
-een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet
-ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen,
-die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander
-dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo
-heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur,
-een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer
-Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den
-wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de
-meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en,
-in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam
-wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-BLOEMEN VOOR HET VENSTER.
-
-
-Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne
-wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij
-het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als
-sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig
-te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe
-vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij
-brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets
-anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen,
-waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde
-die er voor bloemen heerscht.
-
-Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen
-het feestelijke van onze feesten,.........
-
-Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot
-en klein, vooral voor 't venster, zelden aan "een bloemetje"
-ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt
-doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige,
-gezellige, verkwikkelijke menschen, "gelukkig voor zich zelven en
-een ander," zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan
-vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun
-eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich
-doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk,
-vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting,
-zoo goed als een gordijn, een chassinet of "horretje". Maar terwijl
-eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter
-blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes
-uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een
-stuursch: "Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken",--verbiedt
-dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en
-groet als 't ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf
-de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl
-er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat
-nader bekijken.
-
-Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de
-Begonia's. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze
-variëteiten, van de "ouderwetsche" eenvoudigsten, met donkerroode
-bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen
-en zilver.
-
-Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,--drie dingen trekken
-bij alle Begonia's, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten
-eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad,
-waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben,
-wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee
-helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten,
-hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de
-plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede:
-de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de
-anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen
-zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen,
-vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate
-zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde
-aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer
-in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij
-elkaar staan.--Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de
-jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit
-Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas,
-geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene
-hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds
-in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot
-het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt
-niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.
-
-Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange,
-dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen
-verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan
-denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk
-drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan
-ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein
-zijn als de, minst in 't oogloopende, witte, van de oudste soorten,
-of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez,
-zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de
-fraaie "bolbegonia's" over; de gewonen zijn en blijven in de eerste
-plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren.
-
-Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche
-bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte
-bladeren--wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid
-dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is--doen zich aan
-het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al
-te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen
-wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig
-aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of
-veranda's, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer
-sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den
-tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een
-dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den
-bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste
-van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den
-regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons
-de kleurenwisseling van 't loof alleen normaal doet voorkomen gedurende
-den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?--
-
-Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort
-de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden,
-teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met
-zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven
-uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene
-menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven
-op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot
-haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid
-tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen
-zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen,
-gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf
-afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien,
-zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de
-bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel,
-afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den
-stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo
-spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo'n kroontje van hare
-plant loslaat in volle kleur en frischheid,--'t is kinderachtig,
-maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan
-vast te willen maken.
-
-Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula's op den kouden
-grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of
-"Primulaveeren", of "Bakkruidjes", zooals de tuinlui ze plegen te
-noemen; de "Primevères" der Franschen en de "Primroses" der Engelschen.
-
-En dan hebben wij ook inlandsche Primula's, sleutelbloemen die hier
-in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige
-bosschen en herkent ze dan aan haar "faux-air" van de in den tuin
-gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen
-dan hier; althans ze bloeit onder den naam van "cowslips" in negen
-van de tien engelsche romans.--
-
-Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel
-haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer-
-dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de
-kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen,
-beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene
-plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het,
-daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of
-men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.
-
-Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt
-daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied
-dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat
-al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets
-aan, wat men in een mensch "gemaakt" zou noemen. Misschien ligt die
-indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg
-had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid
-heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden
-werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve
-aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend
-struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij
-te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar
-vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen,
-zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen
-dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te
-zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps,
-iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes,
-zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen
-der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van
-een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van
-top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak
-daar recht vrede mee hebben.
-
-De kamer-winter-Azalea's doen mij altijd dubbel verlangen naar
-een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit:
-de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar
-vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat
-aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen
-achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel,
-hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden
-en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen,
-haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere
-steeltjes,--dit alles geeft aan het geheel een veel losser en
-sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de
-andere heeft is... haar heerlijke geur!--
-
-Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of
-ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind
-eene "winterroos" hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op
-aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien
-tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe.
-
-Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze "rood en wit bloeien",
-en haar geur, volgens Geibel's gloeiende regelen, "gelijk een adem
-uit het paradijs over de velden rondwaart!" En ziet dan nog eens
-uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in
-'t geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos
-te lijken?
-
-'t Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud,
-in het doodsch.
-
-Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle
-wintergroen kenmerkt. "Wintergroen" is het door zijn zware opperhuid,
-die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als
-menschen, die in 't geestelijke "een hard huidje" hebben. In kleur
-en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen
-eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig
-doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad
-alles wat inwendig voorvalt.
-
-Doet ons de opperhuid van 't groene blad aan leder denken,--die van
-het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren
-dan ook juist in hun Camellia dat "wasachtig" aanzien. Het zou
-misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant
-heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat
-leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in
-een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer
-onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als
-menschen aankeken?
-
-De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat
-men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite
-slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien;
-en, mits 't een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang,
-onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen 't groen laten hangen. Een
-gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De
-schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft;
-de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere
-nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat
-het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En
-haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het
-uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder
-dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in
-die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en
-langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag
-geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed
-doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft
-nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.
-
-Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak
-uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke
-eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo
-schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de
-gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het
-fijne tintenspel nog daargelaten,--is niet ieder rozenblad, in vorm
-en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen
-is toe?
-
-En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia,
-met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of
-de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende
-lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid
-harer twee en drie ongelijke kelkslippen!
-
-Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!...
-
-Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde
-boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij
-dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene
-roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen;
-als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;--en alle
-doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van
-het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering
-kunnen brengen.
-
-Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien
-sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden
-opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst
-gun, niet altijd aan 't vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste,
-maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-SPROKKELMAAND.
-
-
-
-Zoo luidt sinds eeuwen Februari's bijnaam; en in oude almanakken ziet
-men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen,
-met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken,
-om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar
-te zamelen.
-
-"Waar men hout hakt vallen spaanders", zegt het spreekwoord; en niets
-is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid,
-dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn
-er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die
-graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos
-zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een
-boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins
-"door merg en been", als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke
-hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden,
-anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den
-aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop
-der jaren als het ware een individu is geworden, een "iemand", zonder
-wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen;
-een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield
-voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken,
-in 't voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw,
-in 't najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des
-winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is 't ons vaak of er
-een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber
-werk verrichten. En is dit niet min of meer 't geval met alle boomen:
-brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk,
-iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke
-Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die,
-om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens
-denken aan de arabische spreuk:
-
-
- Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen.
-
-
-Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden
-aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van
-sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge
-boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur
-gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge
-aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder
-aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen
-van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in
-de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig
-beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,--omdat men er
-meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen,
-of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag
-geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den
-duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje
-is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een
-boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die
-linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit
-zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen
-wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele
-wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste
-van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt,
-en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En
-wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat
-een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft,
-dat zij "ongezond zijn"? Ik weet een stad, waar vroeger overal,
-langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede
-punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden,
-en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien
-men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben,
-zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten
-wachten tot zij weder groot zijn!--En dan komt het maar al te dikwijls
-voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is,
-iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt
-het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom,
-een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat,
-op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover
-vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in
-hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller,
-zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels
-bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag
-men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht
-aan haar lot overlaten, als met een "après nous le déluge"? En is
-er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in
-'t zien opgroeien van wat men heeft aangelegd?
-
-Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend
-is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel
-jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus
-Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te
-doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke
-reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer
-deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen
-trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, "in jammer en in lijden",
-en riep "Maria-Moeder, de reine maagd" tot getuige, dat hij gedaan had
-wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet,
-de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een
-wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En
-hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat
-er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser
-doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn
-wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met
-Wagner's blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem
-gedane wonder genot late hebben,--de dorre stok met groene blaadjes
-staat daar als lieflijk beeld van de "eeuwige genade", die meer is dan
-"straffende gerechtigheid".
-
-Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die
-een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg
-geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien
-ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in
-Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij
-namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar
-waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt,
-zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met
-een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming
-aan op een vorstigen Februaridag, en moesten "gekuild" worden tot
-de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een
-stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden,
-om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar,
-en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en
-daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen
-liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors,
-om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden
-beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer
-een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van
-gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan
-dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en
-wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van
-'t geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste
-blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor
-iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne
-eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid
-geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar
-de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is
-het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij
-tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang,
-of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij
-niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel,
-hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten,
-bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in
-het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds
-bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde
-jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige
-landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon "groen
-gewelf" zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van
-leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen
-in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken
-geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein
-geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij
-Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van
-de prachtige houtpartijen rondom 's Graveland bestond niets, totdat
-vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde;
-en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad
-had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer
-groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans "de schoonste
-beukenlaan van Nederland", de veelgeprezen laan van Middachten is....
-
-De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt:
-
-
- "maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht".
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE LANGE LENTE.
-
-
-Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner,
-onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die
-ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht
-had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de
-kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders
-antwoord: "Voor de lange lange lente."--Eens op een bar kouden dag,
-terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij
-niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was--werd er
-altijd bij verteld--vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor
-haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij
-gaf hem de zij. Toen haar man t'huis kwam, en zij hem vertelde wat er
-gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange
-lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger.
-
-De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot
-verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente
-zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de
-lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden
-ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet
-zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te
-hebben. 't Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht
-is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik
-antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en "goed voer en
-een warmen stal" zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere
-dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse
-speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: "Maart heet Lentemaand;
-een mooie lente met die Maartsche buien!" Maar men kan het, omgekeerd,
-ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren:
-
-
- "Mars, qui rit, malgré ses averses,
- Prépare en secret le printemps."
-
-
-In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist
-uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij
-de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit
-opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten.
-
-Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe "Maartsche lucht" die
-velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor
-teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor "de Maartsche
-bleek"? 't Is haar rijkdom aan ozon. 't Is omdat, in dezen tijd van het
-jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht
-hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,--om 't even of
-hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden
-worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel
-iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo
-schadelijk; zij "pakt hen erg aan" en maakt hen eer verkouden; maar
-voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien--neen,
-zij het slechts op een gewonen, grauwen--Maartdag één uur goed
-doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en
-zijn helderheid, hoe "sterk" de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens
-te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen
-bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen:
-de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de
-lente eensklaps komt, en "het groen" in een paar dagen "uitloopt",
-dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en
-dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen
-dichter, "tusschen hare buien door lachend, in 't geheim de lente
-gereed maakte." Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar,
-dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.
-
-Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme
-lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles,
-wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn
-uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden
-dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden,
-diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo
-was het in het voorjaar van 't beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch
-bloemkweeker, "geholpen door de Muzen" aldus in een vriendenkring
-zijn nood klaagde:
-
-
- OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN.
-
- Een oude wrok is dus in Zephyrus' gebleven?
- Hij schijnt nog niet voldaan met Hyacinthus' leven!
- Neen, zijne gramschap treft op nieuw 't onnozel bloed
- Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed.
- Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten,
- Uit Phebus' lieveling tot ons vermaak gesproten.
- Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal!
- Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval?
- Eerst werd Andromeda door 't monsterdier verslonden;
- Geen Perseus werd haar ten verlosser toegezonden.
- De stevige Atlas, die den ganschen hemel torscht,
- Moest bukken voor 't geweld van hagel, sneeuw en vorst.
- Pomona gaf den geest! Vertumnus is verdwenen.
- Helpt, Goden, mijn verlies in Frankrijk's kroon beweenen!
- Fleury is heengereisd, die arme kardinaal!
- Colossus viel ter neer; met hem mijn Prins Royaal.
- Ach, brave Cicero, gij buktet voor tirannen;
- Met u zijn Vrijheid en Het Roomsche Regt verbannen.
- Formosa Helena is wederom geschaakt,
- En Paris met zijn buit te zaam omkoud' geraakt.
- De groote Goliath boog voor 't geweld der steenen,
- Maar Koning David's dood moest ik meteen beweenen.
- Mijn Ganimedes lag door 's winters hand geveld,
- En werd door Arcas naar het starrendak verzeld.
- Twee Roomsche keizers zijn, (Vitellius was de eene,
- Augustus d'andere), met Nisa laas! verdwenen.
- Zelfs Scheba's Koningin, met Koning Salomon
- Zijn door 't geweld verdrukt, dat Juno zelfs verwon.
- De Morgenster was heen, de Maagd van Dordt geschonden,
- De Kroon van Salomon en Hollands Staat verslonden.
- Mijn Philomela werd met Theseus omgebracht;
- Polyxena op 't graf van Peleus' zoon geslacht.
- Hier zag ik Icarus naar d'Eridaan gezonden;
- Den dappren Hector aan Achilles' lijk gebonden.
- Le Roi des fleurs stierf weg, door hagel (niet van lood),
- Regina hield haar man gezelschap in den dood.
- De Graaf van Egmond liet in mijn gezigt het leven;
- Ik heb Honorius den laatsten snik zien geven.
- Hier zag ik Hannibal, daar Cesar ondergaan,
- Met Palamedes en Ulyssus is 't gedaan!
- De trotsche Phaëton viel met den Zonnewagen;
- Parmenio werd kort hierna in 't veld verslagen.
- 'k Zag Agamemnon in zijn eigen bloed gesmoord,
- En Clytemnestra naast Orestes snood vermoord,
- Hier moest ik Orondaat, daar Statira beweenen,
- Ginds is mij Pyramus en Thisbe's geest verschenen.
- De groote Jupiter vloog met den Arend heen,
- De Zilvren Maan werd bleek; en Phebus' glans verdween.
- Ik zag Patroclus naast zijn vriend Achilles sneven,
- Vorst Priamus den geest aan Pyrrhus' voeten geven,
- Het Hert is op den loop, en Pegasus op hol;
- Wat van Monarq' du Monde, een allerbesten bol,
- Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan staren,--
- (De droes nam mij het paard,--zou hij den ruiter sparen?)
- De Sultan is verreisd; King George meê van kant,
- En met den Ooijevaar naar 't onbekende land!
- 'k Heb Thalia en Mars, en Hercules zien vellen;...
- Waar is, o Goôn, de schaar die 'k eertijds konde tellen?
- Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld verkwist?
- Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist!
-
-
-'t Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook in het jaar 1740. En
-daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op onze 52 1/2° N.B.,
-in den kouden grond planten wil kweeken, die in de Levant t'huis
-behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar werpe niet ten slotte de
-schuld op ons klimaat!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.
-
-
-De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft vandaag vakantie weten te
-bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij daarvoor aan den
-burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het een der eerste
-mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes kievitseieren wou
-gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik geloof nog meer dan
-in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die laatste punten geen
-kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste heel bijzonder veel
-goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol eieren t'huis komt,
-en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn bekwaamheid. Als hij een
-"kieft" ziet vliegen, kan hij niet alleen zien waar diens nest is,
-maar ook hoeveel eieren daarin liggen, en of er vuilen bij zijn. Hij
-heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij in de geheimen van dat vak te
-onderrichten; en ik heb ook een en ander van de theorie onthouden, maar
-de praktijk heb ik nimmer goed beet kunnen krijgen. Eens heb ik een
-nestje met drie eieren gevonden; maar het was meer geluk dan wijsheid
-dat ik die niet stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten.
-
-Intusschen is 't mij vaak een waar genot geweest, om, toen ik nog in
-zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen vergezellen. De
-kievit is een weidevogel. "De kievit," zegt Brehm ergens, "behoort
-bij het karakter van het hollandsche landschap, evenals de alpenkraai
-bij het zwitsersche, en de struisvogel bij dat van de woestijn. Hij
-doet onwillekeurig denken aan slooten en vaarten, aan zwartbonte
-[1] koeien, aan windmolens en buitenplaatsen." De vraag is, of men
-dit niet evengoed kon zeggen van andere vogels; de kievit is daarbij
-niet aan ons vaderland gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare
-Kiebitze bij menigte; in Engeland is de Peewit geen zeldzaamheid,
-en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in omloop:
-
-
- Qui n'a pas mangé de vanneau,
- N'a pas mangé de bon morceau.
-
-
-(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen wij ons met hun
-eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en grof!)
-
-Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze nederlandsche
-vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de weiden. April is
-grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor zijn, het gras heeft
-zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; en een voormiddag
-zwervens door die groene velden levert zijne eigenaardige genoegens
-op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van stevig schoeisel, en
-ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op lente-zoelheid te
-rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp in de vlakte,
-waar zijn lange, breede stroom slechts op groote afstanden door een
-paar huizen of een boschje wordt gebroken. Overigens, hoe eentonig
-dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, zijn er allerlei
-onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het alleen maar in
-de vogelenwereld.
-
-Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een stadstuin te bepalen,
-zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. Let, om te beginnen,
-eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den paal van 't hek zit,
-waar wij door moeten. In gedaante en bewegingen komt hij geheel overeen
-met het welbekende parelgrijze kwikstaartje; slechts de gele kleur,
-het helderst aan het kopje, onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen
-uit het zuiden; zijn wijfje zal wel in de buurt zijn, want men ontmoet
-altijd een paar bij elkander. De witte kwikstaart nestelt in de boomen
-of, evenals de musschen, op het dak; de gele daarentegen houdt zich
-lager bij den grond. Hij bouwt geen nestje; hij richt slechts een
-kuiltje daarvoor in. Zulks kan men trouwens van al de vogels zeggen,
-die met hem de weide bewonen: zij geven zich veel minder moeite voor
-hun nesten dan de zangers der bosschen. Daar hebt gij, van zangers
-gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij ooit een leeuwerikken-nestje,
-met een stuk of drie eitjes of onbeholpen vederlooze jonkjes er
-in? Men moet een geoefend oog hebben om het te ontdekken: het is niet
-dieper dan duizend andere oneffenheden op een eenigszins hobbeligen
-bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en zorgen vrouw Leeuwerik
-heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en zoo kwaad als het gaat
-bij elkander te houden; terwijl haar mannetje omhoog meezingt in het
-concert, en door de geheele wereld gevierd wordt:--zooals trouwens
-in meer kunstenaarsgezinnen het geval is.
-
-De muzikale talenten zijn overigens niet sterk vertegenwoordigd
-in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij vliegend, hetzij
-loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer weinig
-welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: Grutto,
-Tureluur, Kievit, eene klanknabootsing is. Het klagend, eentonig
-geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat grauw
-is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, een
-weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper,
-nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van
-wulpen, tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren,
-waarop zij veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is
-iets minder eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen
-zeggen, dat hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog
-een beetje verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des
-avonds, alles overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op
-denzelfden toon herhaald: Kare-kare-karekiet-kare! Dat is het liedje
-(?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets dunner
-en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, een
-tusschending tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; en,
-meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het
-vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns getroffen heeft,
-kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt het ons altijd
-van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de Vecht bij
-Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een rietstengel
-geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten schreeuwen,
-met een kracht, die, als men het diertje niet kende, stellig naar
-ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen zoeken.
-
-Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, die ik
-hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de
-merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat,
-die zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij
-die gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent "haren",
-die "te berge rijzen"? Zoo gaat het met de veeren van den kemphaan,
-of liever van een soort van manteltje, dat hem om de schouders en, bij
-wijze van schild, voor de borst hangt. In gewonen toestand liggen deze
-veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij slechts zijn hals wat verdikken;
-maar zoodra hij zich tot vechten gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen
-hem, op Texel, niet onaardig den naam van "kraagmaker" bezorgt. Dit
-vechten geschiedt in den paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een
-wijfje, soms ook om een insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder
-eenige zichtbare reden, uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd
-heeft altijd twee aan twee plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht,
-het aangewezen zinnebeeld van het duel. Hun wapen is hun lange weeke
-snavel, die in de hitte van 't gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren
-bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen
-wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van
-beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood
-ten gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen:
-zij loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit.
-
-Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen persoon; en terwijl
-onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat inspekteeren, willen wij
-hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. Het is altijd raadzaam
-om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker mede te nemen, ten einde
-tegemoet te komen aan de schuwheid van de vogels, die wij nooit dicht
-genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn meest in het oogvallend
-kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder heeft hij de grootte
-van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van een ekster, ofschoon
-een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en zwart, met beurtelings
-groenen en purperen weerschijn: alleen komt er aan de zijden een
-weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft volstrekt niets van
-den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo kort, dat hij slechts
-eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. Zijn bek daarentegen is
-geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn gansche levenswijze
-samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang genoeg zijn om hem
-dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te doen herkennen,
-zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op hoe hij, bij
-het vliegen, de pooten achteruit steekt, in plaats van ze onder 't
-lichaam op te trekken.--Een raar ding toch, dat vliegen. Is het niet
-iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een dier zóó dun zijn,
-dat zij bijna geen gewicht hebben, en bijna geen ruimte beslaan;
-en daarentegen zijne voorpooten zóó sterk ontwikkeld en met dons en
-gesloten vederen begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen
-van een schip? Dat daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem
-vergunnen zich naar willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij
-dus van nature de inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche
-moeite aan een luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert
-door het luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden,
-en die wij hem, sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden,
-nog altijd niet hebben leeren nadoen!...
-
-
- "Ik wou dat ik een vogel was,
- Een vogeltje met veêren."
-
-
-Zoo zingen de kinderen, en onder alle schoolversjes is dit een
-dergenen, waarmee hun jong hart het meest instemt; en ondanks al zijn
-eigene bewegelijkheid kan een kind lang achtereen oplettend naar
-een vogel kijken, en eindelooze vragen doen omtrent het geheim van
-zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in den regel niet mee
-in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, "en een mensch is
-nu eenmaal geen vogel," luidt zijn afdoend antwoord. Is dat vooruitgang
-in ons geestesleven? Is dat toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen
-in jaren?... Wee dengenen die geen vragen meer doen!
-
-Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij vliegen samen
-op een kleinen afstand om ons heen. Zij maken allerlei verschillende
-bewegingen, voeren als het ware een ballet in de lucht uit, en roepen
-allerhande variatiën op het thema kie-vit. Van vragen-doen gesproken:
-wat beteekent die taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien
-zij op dit oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben
-dan ook alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het
-nest reeds ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier
-eitjes er in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij
-toont ons hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet
-hem echter niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons,
-die in dit vak nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een
-welverdiend verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af
-te leiden door naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne
-menschensluwheid kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de
-arme dieren is, dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te
-goed hebben. Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans,
-daarvan op nieuw beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter
-kan zich zoo warm maken over de "wonderschoone Meimaand" als de
-kievitten doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening
-en menschelijke wetten begrepen. Vanaf 1 Mei toch is het zoeken van
-eieren verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet
-altijd werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is
-er dus voor hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij
-zestien dagen noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij zich
-bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen
-hoog gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is
-verder, niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken
-te verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld
-bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken
-zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer
-dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood,
-bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet
-men hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden,
-en als het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als
-zij in grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo'n vijand aan te
-vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals
-zij dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk
-gezicht is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend,
-en dienen door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad,
-den anderen vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers
-is die ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei
-of een ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek,
-in September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen,
-naar het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart,
-eerst bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-RONDOM EEN MOLSHOOP.
-
-
-"Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het
-gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen
-spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en
-den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe
-beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke
-lente."--Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen,
-die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk's werken
-zullen uitmaken.
-
-Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld;
-benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er
-beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en
-ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!
-
-Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan,
-in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de
-plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan
-paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De
-paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels
-nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij
-die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens
-vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te
-vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet
-zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken
-in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die
-pooten zijn voor ons 't belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm,
-èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In
-onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol,
-gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om
-te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar
-merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen
-tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander
-maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen,
-die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken;
-en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin
-die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar
-het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te
-maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen;
-mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk
-tot de "molshoopen", welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer
-paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij
-is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun
-deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn
-bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop
-voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar!
-
-Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?--'t Hangt er
-van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga,
-zorg ik, dat ik met een volle t'huis kom; maar houd onderwijl mijn
-oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op
-het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid
-afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren
-die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het
-eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en
-geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten;
-en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en
-met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet
-deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou
-mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend!
-
-Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op
-mij uitoefent?--Het was een tuinman uit de buurt. Hij was 't, die mij
-de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in 't voorbijgaan,
-ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit
-verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen
-ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet
-spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste
-geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als
-over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare "griezeltjes", die ik
-om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte
-en die gele "spikkels" van de weide leerde kennen en liefhebben; die
-mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag:
-"hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?", en mij de pret van "'t
-kaarsjes blazen" dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit
-een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte
-zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in
-'t seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij,
-aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder
-aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....
-
-In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het
-beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat
-voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het
-teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede
-het "onpraktisch" karakter van zijn lessen. De jongens hollen door,
-beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur
-ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen
-wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn
-duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel
-uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit
-niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee,
-dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd
-vele beesten en gewassen "uit elkaar te leeren kennen", als wel om
-hen "in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode", die
-hen helpen kan "een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de
-mensch in de wereld inneemt", enz. De ander echter blijft van oordeel,
-dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest
-heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen
-rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat
-gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden
-degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het
-niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan
-onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen,
-dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap,
-en tusschen de "methode" van verschillende scholen; maar ik heb alle
-reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want--om slechts bij de
-weide-"stippels", die wij straks bespraken, te blijven:--indien ik met
-belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de
-vorm der meeldraden van de "boldragende ranonkel" tot bewijs dient;
-indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de
-roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried's laatste
-bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan
-voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad
-vertellen,--dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is,
-die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-PALM-PASCHEN.
-
-
-"Pallem-pallem-paschen!..." klinkt het jaarlijks alom in
-kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een
-voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg
-inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van
-een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken,
-en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij
-zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan
-zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun
-"Pallem-pallem-paschen!"... met nog eenige moeielijk verstaanbare
-klanken er achter.
-
-Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die "het van dergelijke klanten
-moeten hebben", kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen,
-bekend maken. 't Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate
-dat het groot en weelderig is,--waaraan een sinaasappel en een paar
-appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en
-papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van
-den welbekenden buks- of palmboom.
-
-Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord
-had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien
-naam van "palm" gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst
-tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal
-grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde ("een-zaadlobbige"
-[2]) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten
-aan de Bildt van ouds den naam van "Palmmarkt" dragen, staat de
-Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den
-Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in
-het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de
-eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen,
-vertegenwoordigen het daverend "Hosanna", dat in zeker onvergetelijk
-drama zoo kort aan het "Kruist hem" voorafging!
-
-Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin
-verhaald wordt hoe in 't Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte
-palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de
-kardinaals voor 't altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in
-andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters
-met olijventakken in de handen; hoe men zich in 't gebergte vaak
-met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte
-wilgenteentjes dienst doen.--Ook bij ons in 't Noorden moest
-natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd,
-een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt
-men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan
-nauwlijks uitgebot. 't Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo
-slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes
-vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor
-'t doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven;
-en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk
-te krijgen. Eenmaal geregeld "palmdienst" doende, kreeg hij den
-naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk
-gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht
-"onreine geesten" te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van
-'t volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere
-tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden
-verspreiden, verhindert niet dat "palmboompjes" tot de meest algemeene
-huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door,
-palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen
-'t inslaan van den bliksem.
-
-Den ganschen winter door kroop hier en daar in 't bosch, in tuinen,
-en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met
-vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de
-eenige verdienste was,--dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds
-kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een
-paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van
-'t loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men
-aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En
-indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich
-door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is 't niet
-vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, 't zij in
-vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der
-bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets
-bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te
-weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf
-het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga
-dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch
-om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er
-haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar
-zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En
-zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde
-voor die teedere gave.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-TULPEN.
-
-
-Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der fantazie, half als zeer
-gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, tot eene natuurlijke
-rangschikking der planten te geraken, een standen-verdeeling van
-de "Ingezetenen des Plantenrijks" beproefd. In deze teekenachtige
-indeeling, die op naïeve wijs den stempel van haar tijd draagt, en
-in onze demokratisch-wetenschappelijke eeuw, om meer dan eene reden,
-met een glimlach ontvangen zou worden, noemde hij:
-
-"De Palmen, Vorsten, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en
-ongetakt blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is).
-
-"De kruiden des Velds, (een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei
-gestalte), de Edelen.
-
-"De Boomen, die de bosschen uitmaken, de Staten. (Men vindt ze
-omringd door hunne dienaars en beschut door een wacht van Soldaten,
-namelijk die doornachtige gewassen, welke zich dikwijls om de stammen
-en takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan Tafelschuimers,
-namelijk de woekerplanten.)
-
-"De Grasplanten, het Landvolk (de kracht en steun des Rijks, die, hoe
-meer zij besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.)
-
-"De Varens, Werklieden (die 't zaad op den rug dragen).
-
-"De Mossen, Slaven (met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die
-schraal zijn en honger lijden, moetende zich behelpen op plaatsen,
-welke voor de anderen ongeschikt zijn.)
-
-"De Wieren, Duikelaars, (bijna ongekleed, zonder optooisel of
-fraaiheid.)
-
-"De Paddestoelen, het Uitschot des Rijks, (dat zich niet toelegt dan
-op stelen en rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als
-'t ware in den nacht, als de anderen slapen)."
-
-Op dit tooneel nu figureeren de Bolplanten als "Hovelingen,
-pralende met heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het
-Rijk te strekken."--Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die
-schitterende Leliën en Tulpen, Ixia's en Narcissen, al die prachtige
-soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die bevallige
-Scilla's, Frittellaria's en Cyclamens. En ondanks hun rijkdom van
-verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend gemeenschappelijk
-karakter.
-
-Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die schijndoode
-bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk terugtrekt,
-alsof 't in een zaadkorrel ware? Die zich laat drogen, verzenden,
-op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met behulp van een
-weinigje vochtige aarde,--(Hyacinthen en Crocussen groeien reeds
-alleen in water, en Colchicums hebben zelfs deze laatste voorwaarde
-niet noodig,)--de bladrozet en bloemsteel ontspruiten, welke daarin
-maanden lang als kiem, zonder merkbare ontwikkeling, opgesloten lagen!
-
-De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: lange lint- of
-zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en overlangsche nerven,
-zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende adertjes: in één
-woord, gras in 't grof. Hoe al wat bollen draagt ook boven den grond
-overeenkomst heeft, bewijst het voorbeeld van de uien; het zou mij
-niet verwonderen, als iemand bij vergissing een tulpenbol en een
-chalotte omruilde, en het blad van eene zoogenaamde zee-uie zou men
-gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen doorgaan.
-
-Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in onveranderlijke
-voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, in plaats
-van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de tweemaal-drie
-blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een Hyacinthen-nagel,
-de sierlijke driehoekigheid der groote witte Irissen, die zwanen onder
-de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan dien regel van
-drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal (niet gevuld) is,
-drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; of één driehoekig,
-zooals in Tulpen.
-
-De hoorn des overvloeds, verborgen in den onuitputtelijken zak van
-den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, reeds eer nog de dagen op
-hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen in de huizen uit; en wel
-van eene soort, die de oude grief,--dat zij "wel pronken, maar niet
-geuren,"--het volkomenst logenstraft: de welriekende "ducjes" (Duc van
-Toll.) Het zijn bescheiden tulpjes, althans wat haar omvang aangaat,
-maar overigens in 't oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud,
-zwart--(de duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische,
-zooals zij b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom
-van verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te
-tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden
-in drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes
-samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook
-het zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In
-hun midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl,
-op het driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den
-bloei der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of
-gevuld zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van
-het vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes,
-verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet
-of men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan
-bij menigte.
-
-Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond bloeien; en een
-aantal liefhebbers vermeien zich in 't schouwspel dat "de bollenlanden"
-rondom Haarlem en elders te zien geven. Veler smaak intusschen voelt
-zich daartoe in het geheel niet aangetrokken. Zij vinden weinig moois
-aan "zoo'n bloemenfabriek", en vergelijken de met vierkante vakken van
-roode, witte, gele, bonte tulpen prijkende akkers bij het droogveld
-van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot gelijk aan;
-maar er valt dan ook van een "fabriek" niet anders te verwachten,
-dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo doelmatig mogelijk
-rangschikt, en de orde bij het planten en rooien hooger acht dan de
-bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij echter hindert het,
-als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, onbehaaglijkheid die in de
-schikking op de bollenvelden heerscht, terugvind in parken en tuinen,
-waar er geene verontschuldigende reden voor bestaat, waar zij louter
-"voor het mooi" geplant zijn, en waar dus alles moest gedaan worden
-om ze bevallig te doen uitkomen.
-
-Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in hooge mate te
-"flatteeren", leerde ik een paar jaar geleden van het toeval. In een
-rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, had een knecht, zonder
-er veel bij te denken, een mand vol gezonde bollen uitgeplant. Er
-stonden daarin echter ook--van boven geheel afgestorven--drie planten
-van de welbekende reusachtige Beerenklauw (Heracleum giganteum). Toen
-nu in 't volgend jaar de tulpen--het waren geen zeer vroegen--gingen
-groeien, begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en
-tegen dat de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de
-laatsten juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder
-ze te veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel
-tusschen de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken;
-het heldergroene loof der tulpen hing daar onder en daar over heen,
-terwijl de witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er schitterend
-boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer moeite
-zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger opschieten;
-en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, aan de meeste
-bollenperken eigen. Het geheel was in één woord zóó teekenachtig,
-èn wat lijnen èn wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan
-de schoonheid die een tulp in haar natuurlijke omgeving--ik meen, in
-haar vaderland--hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende
-als model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig
-dieper gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen,
-zal men er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient
-gedaan te worden dan in kweekerijen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-HEI! 'T WAS IN DE MEI!
-
-
-De Mei is in het land!
-
-Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker achteruit gaat,
-en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet geweest zijn dan
-heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk gemaakt hadden
-van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te dikwijls, bij
-de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van "de zoete Meie,"
-
-
- "..............een kus,
- Dien de zon geeft aan de aarde,"
-
-
-klinken bijna als eene bespotting van de hedendaagsche pinksterstormen.
-
-Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die in
-ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens
-vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog
-een andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere
-geslachten, of liever de traditioneele volksgeest, welke die legenden
-en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan wij
-zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de
-hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen,
-avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen,
-of te meten? 't Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat ooit
-eenige weelde--welke ook--naar hoeveelheid berekent! Ons beter
-deel,--de dichter in ons,--weet wel anders. Hij weet dat daar geen
-sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of korter, maar
-van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu drie- of viermaal
-heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of niets toe, mits
-elk onzer slechts één oogenblik dien lach heeft weten op te vangen,
-zóó dat hij ons door merg en been, door ziel en zinnen heendrong,--zóó
-dat nog maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering,
-en ons hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: Lente!
-
-De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de overlevering
-brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, welke ons,
-indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen,
-jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen
-altijd de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en
-de lucht zoel geweest zijn juist op den 1sten of den 21sten Mei,
-en de noordoostewind de takken op de Meiwagens ontzien hebben? Soms
-wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. Maar het feest was
-eenmaal dààr; en verreweg de meeste feestgenooten waren sterk van huid
-en zenuwen; en de hartstocht der werkelijkheid was niet altijd zoo
-wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op zoo'n dag hun fantazie
-beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den ouden regen of de maar al
-te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet eens de moeite waard om
-op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog gaat bij dergelijke
-feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander publiek, dan 't
-geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes te lezen!
-
-Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer zijn Meifeesten
-weggelegd,--even plechtig als men 't zich van Druïden-priesters, even
-jolig als men 't zich van middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits
-hij zelf bereid zij, zal het Meiweer wel komen! Maar het komt
-onverwachts. Somtijds springt het over de grenzen en komt in April
-of in Juni: ook die gril moet men nemen zooals 't valt.
-
-Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw venster te
-kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure dagen genoeg
-aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, visites
-doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als een
-heiligendag.
-
-Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met een waas
-van schoonheid overtogen,--zelfs de kaalste velden en de leelijkste
-moerassen,--maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. Begin eens
-ginds aan den stadswal, waar 't leven van natuur en maatschappij
-elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met gras en jonge
-lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al schrobbend zingen,
-met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, waar gij 't oog hebt
-op de tuinen in den omtrek, waar de hagedoorns bloeien, en waaruit u
-nu de ééne, straks een andere geur te gemoet komt, die u doet denken
-aan,--ja aan....? Gij weet het zelf niet...--zeker aan een vroegeren
-Mei.--Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en verdiep u in het
-duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: kruipend, zwemmend,
-vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog wel lang niet
-alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken u ieder
-jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en u,
-in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag:
-waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen?
-
-Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de bloemen, die
-wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het woord, en
-vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van hetgeen
-u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u zelven;
-van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch bij
-te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten
-te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje
-sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij
-wat gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik--in elk geval
-slechts in verbeelding bij u--ben een veilige vertrouwde. Vertel
-mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en
-teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord
-de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld,
-ik luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,--welnu, dan voel
-ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van
-bewustzijn te hebben, boven dat uit, wat zich reeds als denkbeeld weêr
-laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? Stemt zij u tot juichen,
-als om strijd met de vinken; of dringt zij u terug in u zelven? Bezielt
-zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot werkzaamheid en leven,
-die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult zij u met weemoed over
-onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; in beiden kan een schat
-van levenslust en van ontwikkeling besloten liggen. Met beiden zou ik u
-geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. Die raad--ik meen wijding
-voor de opgewektheid, ontspanning voor den weemoed--lag van oudsher
-in samenstemming met de edelste, beminnelijkste aller fantazieën,
-ooit aan de dichterziel der menschheid ontsproten: dankbaarheid
-jegens een verborgen Maker, die de lente en hem die haar liefheeft,
-naast elkander voortbracht. Verheug u, zoo de tooveresse Mei u doet
-meedoen aan die "goddelijke dwaasheid", die hoogste geestelijke weelde!
-
-Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen gepraat heb,
-heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor u. Gij
-vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een bloeiend
-eschdoorntakje......
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI
-
-EEN ENGELSCH LANDSCHAP.
-
-
-"H. M. de Koningin zal overmorgen haar kasteel te Windsor betrekken,
-en aldaar eenige weken vertoeven."
-
-Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, zie ik reeds
-in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het welbekende
-teeken van H. M.'s tegenwoordigheid op het kasteel), en breidt zich
-eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in al zijn
-heerlijkheid voor mijne oogen uit.
-
-Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. Velen onzer
-hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen gezien, maar dan
-waren die doorgaans òf tot bouwvallen afgebrokkeld, òf tot gevangenis,
-wapenhuis of iets dergelijks gedegradeerd. Een oud versterkt slot
-echter, zoo geheel in zijn middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans
-zoo goed onderhouden en keurig ingericht, als voor de woonplaats
-van een der voornaamste europeesche hoven van onzen tijd betaamt,
-vindt men niet licht ergens anders dan te Windsor.
-
-Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers voor eenige
-fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras bezoeken,
-en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de meubileering
-der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling tusschen
-het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig comfort
-van H. M.'s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor verblijf houdt, is
-natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer ingekrompen; maar
-m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de meerdere levendigheid
-en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje heerscht. Het is
-dan bijzonder aardig, om van den hoogen "ronden toren", dien men ten
-allen tijde mag beklimmen, op de ruime binnenplaats neer te zien,
-de vuren in de bewoonde appartementen te zien flikkeren, de warmte
-der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en voorrijders af en aan te
-zien rijden, in één woord een blik te slaan in het groote huishouden
-beneden.
-
-Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat sommigen
-misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden kunnen
-noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste
-vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige
-mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,--een afstand die
-jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar
-tot nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het
-liefelijke van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken
-van Londen zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid
-van het engelsche landschap leent er zich geheel toe, om rondom de
-hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet
-in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk
-bewoonde gedeelten van Europa's vasteland; oorspronkelijke wouden
-vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten
-zijn meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid
-van alle natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het
-gezellige, parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken
-kenmerkt, en waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen
-landbouw, hun dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar
-één samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt,
-spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke
-zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen
-heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing
-in het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen,
-en toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te
-voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen
-tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel
-de weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van
-volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland
-groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt
-van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij,
-wij hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en-
-zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen,
-eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan
-te treffen, vindt men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij ons,
-zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht een
-boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle kanten uit kan
-groeien en zijn grootsten omvang bereiken: één blik op eenige engelsche
-landschap-gravures kan ons toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen
-ten achteren zijn. Dit een en ander kenschetst het karakteristieke
-van hun landschappen. En indien men dan ten overvloede een rivier
-als de Theems in het oog krijgt, niet breed, maar allersierlijkst
-kronkelend.... Waarlijk de "country" rondom Londen is verrukkelijk;
-en aan ieder die de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje
-naar Windsor, als proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het
-aangenaamst in "het schoone jaargetijde"; maar door den overvloed van
-wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook
-vroeg in 't voorjaar, laat in 't najaar, ja zelfs in het hartje van den
-winter recht behaaglijk. 't Is inderdaad merkwaardig, hoeveel prachtige
-ceders en naaldboomen er prijken op de grasvelden der parken; hoeveel
-hulst, ligusters en eene eindelooze verscheidenheid van groenblijvende
-boomen en heesters, (tot groenblijvende eiken toe), men in de tuinen
-vindt; en welk een schat van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt,
-zweeft, klimt en guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen,
-hekken, huizen en heggen, "Ivy lodges" en "--cottages". Natuurlijk
-hangt deze liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche
-aristocratie, om bij voorkeur den winter op het land door te brengen,
-en is zij vandaar gaande weg naar de lagere standen afgezakt.
-
-Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens onwillekeurig
-terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in zoover het ons
-een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de meeste,
-later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een
-halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks
-den naam van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en
-hotelstraat, welks ronding die van den muur van het slot volgt,
-laten een niet onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken,
-late zich de slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het
-schoone witmarmeren praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin
-van koning Leopold I van België).--Maar vlak tegenover Windsor,
-door een fraaie Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel
-grootere stadje Eton; en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton
-het wereldberoemde college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben
-niet, sinds verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte,
-hebben niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle
-mogelijke helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere
-kringen spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te Eton
-school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte
-die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet,
-eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond
-mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw,
-zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend
-en niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de
-half uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en
-trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag middag;
-de kweekelingen, Eton-boys, zooals zij in de wandeling genoemd worden,
-liepen aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar
-aan hun zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en
-dassen... Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen?
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD.
-
-
-Reeds vroeg in 't jaar, tegelijk met boschanemonen en muurbloemen
-en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus Japonica. 't Was het
-sieraad van de buurt, die welige drie voet hooge leiboom in zijn
-schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den noordenwind, en
-volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het schoone jaargetijde
-in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst meer sprake
-kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn gloed,
-te treffender in dat seizoen der zachte tinten.--Dat het een peer-
-of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er hier
-in 't land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet juist
-appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde
-kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk
-voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet
-het loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks
-de sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn
-bouw datzelfde stokkerige, hoekige karakter, dat, zal men de verlakte
-werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche
-Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op
-de knoopen der takken,--een plaag voor ieder, die er een bouquet van
-wenscht te maken,--hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch
-porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam "Ya-lo-ala":
-zou dat misschien de vrucht zijn, die dit soort van appelboomen in
-hun vaderland draagt?
-
-Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De perenboomen
-zijn reeds "als met een wit laken overdekt"; en hun eigenaars
-worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke gezicht, en
-angst voor ieder oostenwindje dat vorst of "zwarte vlieg" zou kunnen
-aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, dat deze bête noire geen
-"vlieg" is, maar een kevertje.) En nog een dag of tien, en 't zachte
-rood der appelbloesems zal, voorlooper van 't later rood der rozen,
-aan duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven.
-
-Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen in de
-pomologische wereld;--ja, lezer, ook een wereld op zich zelve, zoo
-goed als de "groote", de parlementaire, de letterkundige, en andere
-afzonderlijke werelden!--Denk aan de pereboomen in de boomgaarden
-van onze boerderijen: echte knoestige boomen, met stammen en kronen,
-waaronder menschen rondloopen en kinderen spelen, en schapen aan
-een lijntje grazen kunnen. Denk aan de appelboomen, zooals zij in
-Duitschland langs de wegen geplant zijn, om den wandelaar een schijn
-van lommer, en den pachter op den koop toe een oogstje te bezorgen,
-en die mevrouw De Stael, bij hare komst "en Allemagne", vervulden met
-een grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen
-zij hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef
-hangen tot het rijp was!--En denk dan aan de "snoeren en palmetten",
-de "spiraal- en vleugel-piramiden"; in één woord aan die zonderlinge
-waaiers en ladders en rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker
-ze invoerde, boompjes welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen,
-dan aan hunne eigene eenvoudige stamgenooten herinneren.
-
-"En kies tusschen het oude en het nieuwe," had ik er haast
-bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht kijken, valt er
-niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. Doch daar men
-nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om "het mooi" kweekt, maar
-om de vruchten; en de "beredeneerde kweekwijze", omdat zij wezenlijk
-onmiddellijk op natuurfeiten berust, op de grootte en de fijnheid van
-die vruchten waarlijk gunstig werkt, valt daartegen niets afdoends meer
-in te brengen. Wie voortaan eigen appelen en peren eten wil, kieze
-uit de honderden op eene prijslijst voorkomende nummers die, waarvan
-hij den geurigen smaak heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan
-de namen hem bijzonder prikkelen, (als daar zijn: Adams pearmain;
-Beefsteak; Newtons pippin; Weissbrod; Calville d'Eve; Républicain;
-Drie torenpeer; Napoleon-Bon-Chrétien; Curé Belle Héloise; Pie IX;
-Saint-Michel-Archange!) en ik wensch hem voorspoed op zijne plantage.
-
-Maar wie ééns in het jaar, ééns in de ééne veertien dagen gedurende
-welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk al de weelde van den
-teêren bloesem wil genieten, die brenge--waar hij ze slechts weet
-te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen schuttingen en
-bleekveldjes--een visite aan de oude, groote boomen van zijn kennis,
-'t zij zij Juttepeer heeten of Sapperdegroentje, of de grofste
-onbenoemde soort van "hand-" of "pot"-appel voortbrengen. Dan legere
-men zich hier of daar in de nabijheid, en late zich beregenen door de
-eerste afvallende blaadjes. En als dan toevallig aan de eene zijde
-een sering en aan de andere een gouden-regen over eene heining heen
-komt kijken,--het blonde kind der Alpen naast den geurigen zoon van
-het Oosten,--dan zal het steeds nog te bezien staan wie van die drie,
-zij of de vruchtboom, het meest tot ons lentegevoel bijbrengen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-BOUQUETTEN.
-
-
-Wat moet toch een "bouquet", of, naar den nederlandschen naam, een
-bloemruiker eigenlijk wel wezen?
-
-Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende bloemen, zoo
-saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar eigenaardigheden zoo
-voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het tegenwoordig doorgaans?
-
-Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge gewoonte
-ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een
-heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang,
-een zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine
-knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de
-bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te
-steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel
-hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men alle bloemen,
-die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken knoppen
-meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op te letten of
-de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: elk frisch puntje, zij
-het van een nog zoo krom of verlept lot, is bruikbaar. Van lieverlede
-nu is deze handgreep ook overgegaan op grooter en kostbaarder, uit
-zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. Daar, uit den aard der
-zaak, die rietbouquetten een vrij gladde oppervlakte krijgen, en de
-bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te worden, (ten eerste om de
-kortheid der stelen, en ten andere om de rietjes te bedekken), was men
-vindingrijk genoeg, om van zoo'n vlak of bol een soort van mozaiek
-te maken. Wij kennen allen de patronen, die bij dit knutselwerk het
-meest in zwang zijn: b. v. ééne groote bloem in 't midden, dan een
-kringetje groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur,
-enz. Soms worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het
-onlangs in een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25,
-uit knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak
-van rozenknoppen en rozen.--Eén bezwaar had zich voorgedaan: Terwijl
-in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen werden,
-bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk gaandeweg tot
-een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij wat moeielijker
-te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo zijn sinds vele
-jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen randen, een
-belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig minnaar,
-die zijn bruid op haar verjaardag een "hand-" of "vaasbouquet" wil
-sturen, zou dien niet gaarne zonder zoo'n geijkten witten driehoek zien
-bezorgen, maar misschien zeer geërgerd wezen, als men hem vraagde,
-waarom hij zulk een op een goedkoopje gefabriceerden bouquet had
-besteld. En menig bruidje, dat zoo'n "porte-bouquet" aanneemt, en
-niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak twijfelde,
-beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met haar en
-haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en weelde.
-
-Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de stijfheid
-dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat die mode
-mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch welbekeken
-is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, maar ze is
-gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met schoonheidsgevoel
-in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner beschikking, zou
-zeer licht iets beters "in de mode" kunnen brengen. Zeer geschikt zou
-hij daartoe gebruik kunnen maken van den heerschenden eerbied voor al
-wat oud-hollandsche kunst heet, zich beroepen op het oordeel onzer oude
-schilders, en b.v. op de eerste de beste tentoonstelling, in een grijze
-terra-cotta vaas van eenvoudig model, een groot bouquet à la van Huysum
-ter tafel kunnen brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling
-van schilderijen zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak
-na kon volgen, vooral daar toch die hoofdzaak in niets anders bestaat,
-dan in de eischen der natuur zelve. Zij--en van Huysum!--stellen op den
-voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet alléén de
-kleuren van haar kroontjes, maar ook de sierlijkheid, waarmee zij, op
-haar stengel wiegend, zich verheffen of neerhangen; den rijkdom harer
-vormen, in verband met de plant, die haar voortbracht; het kontrast
-met het bij haar behoorend groen.--Het kost misschien meer bloemen en
-meer zorg, in elk geval meer kunst-smaak, zulk een bouquet te maken,
-dan een waarbij papier en riet te hulp komen. Daartoe toch kan men
-slechts volkomen gave takken, trossen, pluimen nemen, en ten tweede is
-die schikking niet gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer
-alledaagsche slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en teêre,
-levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig materiaal. Soms,
-als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen weerspannig; en er
-wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist zooveel te kiezen,
-dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt blijft. Daarbij,
-hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer gelegenheid voor fijne
-schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor bontheid en hardheid.--Dit
-alles zijn bezwaren, en maken een Bouquet van Huysum,--om ons aan dien
-naam te houden,--tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt,
-zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen:
-ook van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat
-bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-EEN DUBBELE BOODSCHAP.
-
-
-Tot de vaste attributen van een eersten mooien zomerschen dag behooren
-van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en vogelenzang, ook een zwerm
-vroolijk dansende muggen, een van plant tot plant zwevende vlinder,
-een sierlijk boven 't water heen en weer vliegend juffertje. En zoo
-groot is de kracht der sympathie,--van de gemeenschappelijke vreugde
-over 't mooie weer,--dat men bij zoo'n gelegenheid ieder spoor van
-afkeer jegens deze dieren laat varen, en hen alleen als natuurgenooten,
-als feestgenooten begroet!
-
-Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is nooit zoo
-groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, zoogenaamd
-"volkomen" toestand ontmoet, dan wanneer men in hun kruipend
-tijdperk met hen te doen heeft. 't Is opmerkelijk, terwijl men in
-den regel aan jonge zoogdieren,--jonge honden, katten, lammeren,
-ja zelfs biggen,--vriendelijkheden pleegt te bewijzen, waarop zij
-op hun ouden dag wijs doen van niet meer te rekenen, heeft tegenover
-insekten juist het omgekeerde plaats. Van een rups heeft bijna elk een
-afschuw; zoodra zij een "kapelletje" geworden is, behoort zij tot de
-welkome, ja, dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een
-gouden torretje algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar
-indien men het bij ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen
-had gekregen, zou men het al heel licht voor "een wurmpje" aangezien
-en ter dood veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten
-om zich te verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig
-groen, purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene
-schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil
-houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t'huis behoort.
-
-Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men dat kleine
-vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den honig
-dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, dat
-zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te
-behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den
-tuin of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven
-gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk;
-zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... "bloemenstof",
-zooals mij eens verteld werd.
-
-Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche spijslijst der
-verschillende insekten, om juist te weten welke van deze drie artikelen
-daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. Maar wel
-stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende ontdekking
-omtrent de groote rol die de insekten in het leven van de plantenwereld
-spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar deze dieren alleen op
-zich zelven beschouwd werden, als nuttig of schadelijk, al naarmate zij
-der menschelijke maatschappij onmiddellijk voor- of nadeel aanbrachten,
-is toch in de laatste eeuw ten stelligste gebleken, dat er althans
-bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot stand zou kunnen komen,
-geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen insekten waren, die
-daartoe een behulpzaam pootje boden.
-
-Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit zoo'n diepen
-indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie al die kleine
-vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds ik weet dat zij
-op hunne tochten,--de eene bloem uit, en de andere weer in,--telkens
-eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich zelven den kost opduiken,
-en ten behoeve van de plantensoort, die zij bezoeken, het verkeer
-tusschen de meeldraden en de stempeltjes bevorderen.
-
-Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er aan
-zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben,
-tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel
-van het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort,
-moet zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd
-op dat kleine lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en
-vruchtbeginsels bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja,
-op verschillende exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde
-bloem lang niet altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan
-ook sinds een paar eeuwen dat het stuifmeel van de eene bloem in
-de andere kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,--maar hoe zulks
-geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den
-dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is,
-en de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht
-ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken
-dat er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij
-de stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en de
-stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder medewerking van
-buiten onmogelijk was, dat die beide organen met elkander in aanraking
-kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, die den Duitscher
-Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp der insekten
-brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer hoe meer
-bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het overbrengen
-van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor verschillende planten
-ook verschillende diersoorten) geen uitzondering maar regel is.
-
-Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden vinden in
-zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,--al zijn zij
-nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna nooit
-zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar
-vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms,
-als de plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men
-er duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt
-het doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet
-kunnen zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig om
-het stuifmeel van de acht langere en kortere meeldraden op het korte,
-gespletene stempeltje te brengen? In 't groot heeft men hetzelfde,
-tot schade van de proefnemers, ondervonden, toen men, eenige jaren
-geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te voeren. De vanille
-toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich in de wouden
-van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en de kostbare
-vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou men op
-Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat voldeed
-aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge staken
-laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; maar
-er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met telkens
-nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. Eindelijk gaf
-iemand daarvan de verklaring, op grond van Spengler's merkwaardige
-ontdekking: het kleine vliegje, dat in Amerika, al honig zoekend,
-onwillekeurig zijne diensten aan de plant bewees, was niet mee den
-oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met menschenhanden aan
-iedere vanillebloem te verrichten, was te omslachtig, en dus moest
-die kultuur worden opgegeven.
-
-Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de Aucuba, met
-haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van grootere en
-kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei exemplaren bestaan:
-met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat zij wel stuifmeel,
-maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met zeer onaanzienlijke
-paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie helder-roode vruchten
-voortbrengen, mits er van elders stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes
-gebracht worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken
-vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer
-provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba's bezat, maar die noch bloeiden
-(nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. Het geval
-was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke exemplaren
-afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden waren. Een
-plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar komen. Dien
-zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige insekten
-op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met een
-grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe
-aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde
-aan het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was
-het eene glorie te meer voor des ouden Spengler's nagedachtenis!
-
-Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe op zekeren dag
-Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van vliegen bewonderde
-die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant waarnam. Had die man,
-met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, Spengler's wetenschap er
-bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen zou die "fraisier" dan nog
-bij hem opgewekt hebben!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-EEN BOSCHTOONEELTJE.
-
-
-Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde gemoederen, want ziet,
-"het jonge groen" is nu werkelijk daar! Wij wandelen op een landweg,
-in een der schoonste gedeelten van Holland, als het ware in een koker
-van groen: onder ons het welige gras, met zijn afwisseling van kleinere
-plantjes, rondom ons laag en hooger kreupelhout, bloeiende heesters
-en opgeschoten fluitekruid, en boven onze hoofden een gewelf van
-lindentakken, niet gesnoeid of geleid, maar van nature zoo gegroeid.
-
-Het jonge groen! Welk een verscheidenheid van tinten en van vormen
-ligt daar opgesloten in die woorden! Daar zijn, om 't dichtst bij te
-beginnen, de kleine blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte
-precies het fatsoen hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November
-behouden zullen; zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt
-niet meer van vorm te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens
-en meisjes van ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd
-reeds juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. Geheel anders
-is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den knop komt,
-dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die plooien
-niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het elzengroen,
-met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige omhulsels te
-voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of wat rechtop
-blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens goed wou
-kijken hoe 't er in de wereld uitzag. En dan staan daar de berken;
-zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de meeste
-voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst treuzelen,
-beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider jonge
-bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in
-het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat
-later moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien;
-die der populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden
-af naar het midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en
-dennen met lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen
-naaldenschat, en strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel
-uit, ten behoeve van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is "het
-jonge groen"; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen,
-en juichen om het mooie weer.
-
-Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje verzameld, en zijn,
-al bloemen zoekend, van het ééne pad in het andere gedrenteld. Eerst
-was het, op een open plek, de allerliefste blauwe eereprijs die ons
-lokte; daarna viel ons een menigte van bloemen in het oog, melkwit met
-groene strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar
-door haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen
-naam van "vogelmelk" dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een
-helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met
-de fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine "harlekijn". Wij
-weten het niet recht, maar wij beginnen te vermoeden dat wij binnen
-de omheining van een oude buitenplaats zijn; het nette onderhoud der
-paden, de meer park- dan boschmatige aanleg versterkt ons telkens
-meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er eenmaal, wij zullen
-geen baldadigheden plegen, maar wagen het te blijven en door te loopen
-"tot wij verjaagd worden". En wij wandelen door... tot wij plotseling
-voor iets heel ongewoons staan....
-
-Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van voren en
-van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel van
-hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een
-boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een weinig meer
-opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen geheel tot
-tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van zodenbanken,
-en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon beschut,
-blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden van
-het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of "foyer"
-konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte greppels zorgden voor
-het gevaar van modderachtigheid in het parterre. 't Spreekt van zelf
-dat wij ons nederzetten op de banken, en dat een uit het gezelschap
-op de groene "planken" ging staan declameeren; en dat voorts elk het
-zijne zei over deze antiekiteit.
-
-"Hoe aardig!" riep de meerderheid, onder den eersten indruk.
-
-"Hoe kinderachtig!" zeiden enkelen. "Hoe popperig!" "Hoe
-bekrompen!" "Hoe kleingeestig!"
-
-"De pruikentijd in levenden lijve!" bracht iemand in het midden. "De
-bloeitijd van het dilettantisme op alle mogelijk gebied. Mij dunkt,
-je hoort al in verbeelding de produkten van den een of anderen
-prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche mythologie er bij haalt,
-om den 50sten verjaardag van den heer van 't dorp, of de bruiloft
-van diens dochter te vieren. Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!"
-
-Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het tooneeltje
-heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren hagen
-"als zoodanig", vond ik ze hier zoo geestig aangebracht, dat ik er
-niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om den pruikentijd te
-verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, wat betreft de
-gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen vóór had. Het
-valt mij in hoe Van Lennep die verdediging ergens heeft op zich
-genomen, en ik kan niet laten iets van 't geen hij daaromtrent zegt,
-in herinnering te brengen.
-
-"Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie in een staat van
-diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige vrede, dien zij
-had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen
-en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht
-had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, gerust
-insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt
-was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik weet dat niet; ik
-zal mij althans wachten een geheele maatschappij... te veroordeelen;
-ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Ik verzeker u,
-dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte
-dan thans; als men bouwde, al was het maar een onnoozel koepeltje,
-dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik eigenlijk aanmerken
-wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang
-waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan banden te leggen; ieder
-had het gevoel, dat, wanneer hij in een gezelschap werd toegelaten,
-zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel
-tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; en dan bleek het,
-dat wie het meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en
-zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf het
-meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de politiek aangaat, spanning
-tusschen de partijen in den staat was ontstaan, en somtijds lieden
-van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten,--men had
-de welvoegelijkheid, niet altijd en overal over politieke vraagpunten
-te twisten. Enfin, men wist toen nog te "praten", wat de Franschen
-causer noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en
-door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf
-in dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over dienstboden
-en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer
-onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker
-waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen wordt door eene
-goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden, en vooral
-door de gestadig aangekweekte zucht om elkander aangenaam te wezen. Men
-ontmoette in dien tijd, zoo goed als nu, menschen, die dom, enkelen
-zelfs die vrij belachelijk waren; ook nu en dan bewees deze of gene,
-dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; maar de dommen hadden
-doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en
-vormden alzoo als het ware "het publiek"; de belachelijken dienden tot
-vermaak van de anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten
-zich wat beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen
-der ordentelijke menschen te worden geweerd. En noeme men nu die
-toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men
-wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender,
-aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige
-les en goed exempel aan zou kunnen nemen."
-
-Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets aan toe of af
-te doen, te meer omdat het "tegenwoordig", waarover hij hier juffrouw
-Stauffacher laat spreken, op zijne beurt alweer zoo lang geleden
-is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd zekere maatschappelijke
-deugden te weinig in tel zijn, in verhouding tot anderen. Zoo vraag
-ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek voorbeeld te noemen,
-of er niet werkelijk meer waarde voor de maatschappij ligt in de kunst
-om met goed gevolg als ceremoniemeester op een feest te fungeeren,
-dan in de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in
-natuurkundige wetenschappen?
-
-Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een plaats als
-leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij doet dit
-liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend deelgenoot
-in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu meer aan zijn
-wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent geworden bij den
-een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in die wetenschap
-had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van wetenschap namelijk,
-is zijne wereld; ik weet niet recht of hij specialiteit is in schei-
-of wis-, plant- of dierkunde, of wel in datgene wat, buiten deze om,
-"natuur"-kunde genoemd wordt; maar in hetgeen waar hij voor opkomt
-munt hij uit. Doch voor hetgeen daar buiten ligt... is hij weinig
-of niets. Hij "moet" een weinig achting toonen voor de andere
-takken van menschelijke kennis, die op school gedoceerd worden,
-en hij spreekt daar ook soms over; maar eigenlijk zijn zij hem als
-een gesloten boek. Het ligt aan zijn ontwikkeling, misschien reeds
-aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten doorstudeeren, had geen tijd
-tot iets anders, en bewoog zich te huis altijd onder menschen, die
-beneden hem stonden. Dit een en ander maakt hem thans teruggetrokken
-en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de stoffelijke natuur heeft
-ook aan zijne levensbeschouwing iets stoffelijks, laat ons gerust
-zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de goedhartigheid zelve, durft
-hij aan zijn gemoedsleven geen stem te geven in zijn oordeel over de
-grootere vragen der menschheid, omdat hij gewoon is niets te eeren
-dan: wiskunstig denken, toegepast op zinnelijke waarneming. Hij haalt
-eigenlijk de schouders op over de stad zijner inwoning, omdat er... zoo
-goed als niemand is met wien hij kan praten,--want hij bedoelt daarmede
-praten over zijn speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe
-eenzijdig zijne ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn
-zou met lieden, die, al waren zij dan ook zijne minderen op 't punt
-van natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat
-verder noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is
-schuw en verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen;
-hij beweert, dat hij "boven die vormen verheven" is, en dat zij maar
-overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half onbewust,
-dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van gezelligen
-omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim van die
-huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een feest,
-van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn plaats;
-zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij zulks
-als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er eigenlijk
-aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een zwart of
-spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn medegasten.
-
-Stel nu daartegenover een ander. Wat hij "van zijn vak" is doet weinig
-ter zake; misschien ook leeraar, of bij voorbeeld koopman, lid van
-de eene of andere firma, op wier kantoor hij dagelijks werkt, zooals
-honderden anderen op hunne kantoren. Maar 's mans eigenaardigheid
-ligt in iets anders: in zijn gezellige talenten. Reeds vroeg heeft
-hij van een begaafde moeder, in een goeden kring, den grondslag beet
-gekregen van zijn echte beschaving, die gedurende zijn opvoeding meer
-en meer is ontwikkeld, en waardoor hij nu velen een niet te berekenen
-vreugde bereidt. Want wie zal "berekenen" hoeveel levensvreugd er in de
-wereld opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving
-te leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie
-zal meten hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking,
-waarin een aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar
-en hoog genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna
-afwegen hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek,
-de wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk
-van een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een
-man zooals ik bedoel "goud waard". Niet alleen dat hij zelf aardig
-praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke
-verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar
-hij weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen
-wakker te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij
-uit botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te
-maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten
-die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de
-hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen één
-kunst of wetenschap iets meer dan "dilettant", heeft hij oog voor
-het belangrijke in alles, en een grooten takt om daarvan partij te
-trekken ten bate van het gezelschap. In tegenstelling met al wat er
-afbrekends, verbrokkelends, ontledends is in onzen tijdgeest, heeft hij
-eene groote mate van verbindende kracht. De gasten, die zich naar hun
-gevoelen "vrij en ongedwongen" bewegen, werken onder zijne leiding
-allen mede aan een welgevormd plan. Hij is geen "natuurkundige",
-maar heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden,
-als daar zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling
-van rust en beweging. Hij laat zich niets op "wijsbegeerte" voorstaan,
-maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te
-genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan "pret". Hij
-ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die bij elke feestelijkheid
-kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen van bespot te worden,
-als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt, en als hij teêre
-snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens, die in de aanwezigen
-rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij kent de weelde van
-zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een mensch zich bedriegt,
-die meent dat plechtigheid het tegendeel van vreugd is; hij voorziet
-dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks ten goede zal komen
-aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die vroolijkheid is
-onder zijn bestuur zóó vroolijk, dat de deftigste lieden vergeten te
-bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg is....
-
-Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van het
-boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan 't mijmeren in het jonge
-groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van
-ons wonderlijke menschenleven, dat "zoo velen medeleven, maar zoo
-weinigen verstaan!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-OP DE BLOEMMARKT.
-
-
-Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd niet, waar ik het
-liefst de lente haren intocht zie houden: op haar eigen gebied, in
-de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij dan eensklaps
-tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg plekje en in
-ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten teeken
-van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van 't
-vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van hartstocht
-voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en stadsvesten
-met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende vlierstruiken,
-en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de bovenramen,
-en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis, zoo ik
-er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel aantrekkelijkheid
-heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des vrijdags morgens,
-zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit jaargetijde is
-zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen; en mits wij
-kans zien de al te gedienstige dragers een weinig van ons af te houden,
-kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is 't een recht vermakelijke
-tocht. Het zijn juist niet de "fijnste", nieuwste bloemen die hier
-prijken, de glorie van de kweekkunst; maar het zijn meestal goede
-kennissen die het ons genoegen doet in welstand te ontmoeten.
-
-Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen; welk een rijkdom
-van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al heel wat uit
-kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van haar grootte,
-voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te krijgen: wij
-weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar op die
-blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt zijn
-door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen,
-omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij
-helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene
-eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen
-uit de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden
-lichte en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en
-juist dienen moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen,
-in gesloten gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het
-hoogst groeien, en de Cineraria's en de Calceolaria's, en de Fuchsias,
-en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze potten
-laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode schakeeringen,
-maar de meesten vuurrood. (Waterloo's, "Only showflowers" hoorde ik
-ze eens niet onaardig noemen.)
-
-Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer Verbena's,
-wier fraaiheid stellig beter gewaardeerd zou worden, als zij maar een
-beetje geur hadden; Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia's,
-wier helder goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat
-zij uit het "goud-land" Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die een
-nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die er onlangs
-weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,--de gewone inlandsche
-"smeerwortels" in gala-tenue; Verbascums, in het wild bekend onder den
-naam van "stalkaars", en Achillea's onder dien van "hazegerf". Voorts
-zijn er Antirrhinums, "leeuwenbekken",--in verschillende fijnere en
-grovere tinten; Spiraea's, met haar sierlijke pluimen; groote dubbele
-Paeonea's, waarvan ik niet recht weet wat ik het mooist vind: de
-losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren; Reseda's tot boompjes
-opgekweekt; Erythrina's met hun zonderlinge vruchten die, als zij van
-den winter open zijn gesprongen, en de zwarte zaden helder tegen de
-vuurroode binnenzijde afsteken, den niet onbegrijpelijken naam van
-"koraalrozen" zullen dragen. Vooraan staan potjes met Violen, met
-Vergeet-mij-niet, of de dikwijls in plaats daarvan verkochte kleine
-blauwe Lobelia's, en allerlei "laag zaadgoed". En ter zijde van het
-kleurig vierkant staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende
-heesters, voornamelijk Thuya's, met een kluitje aarde in een stukje
-mat gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij
-elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo,
-"om mei-wijn mee te maken"; en ten slotte graszoodjes, bestemd om
-leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het vrije veld te
-doen droomen. Landslui in gevangen staat worden licht goede vrinden:
-dat zal misschien ook het geval zijn met zoo'n vogel en deze gras-
-en klaverplantjes, wanneer zij van avond samen opgehangen worden in
-een gang, die licht krijgt uit een dwarssteeg.
-
-Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts uit dankbaarheid
-voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers meenemen:
-grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten;
-en die chineesche ginds,--dat zal de duurste wezen;--en ja, die
-duizendschoonen,--dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge soms
-deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel
-ten onrechte ons influisteren, dat "ze pas van ochtend uit den grond
-zijn genomen", en dus allicht geen wortel vatten zullen, neem ze toch
-maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor al de rest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-AAN DE NOORDZEE.
-
-
-Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te Zandvoort, en te
-Domburg,--en wat wilt gij er nog meer bij noemen?--het "badseizoen"
-weer begonnen, en de tijd aangebroken, waarop, althans aan de beide
-eersten, verschillende natiën elkander aan ons strand ontmoeten.
-
-Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste tijd is Juli,
-Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op het eind
-van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, onze
-zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen
-bewoond door het oorspronkelijke visschersras,--de visscherskaste had
-ik bijna gezegd,--waarvan het mij altijd verwondert, dat, ondanks de
-voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het type
-zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche
-deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine
-oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den
-zuidwester, met uw blik, die zoo dof schijnt, maar zoo geestig zijn
-kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm vreemden, onder wier
-nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren zoo rustig uw
-bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds zoo weinig als
-het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige parfumerieën
-u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen aard, zelfs al
-verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of al leent gij
-hun, als "badman" en "badvrouw", de hulp van uw gespierde armen. Laat
-hen liever gevoelen dat zij iets van u hebben over te nemen. Want
-waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in zooverre gezondheid de meerdere
-is van ziekelijkheid; gij staat boven hen, zoover als inspanning en
-arbeidslust staan boven niets-doen, leêgloopen en luieren!
-
-Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de dagverdeeling
-van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald ziek.--Hoe
-dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien ik bij nader
-kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden van hun
-werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan een
-verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling,
-nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het
-eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals
-men haar kan noemen,--welk een verfrissching gaat er niet reeds uit
-van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor
-geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt
-zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon;
-van ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken zin
-en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om omtegaan met allerhande
-menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te geven van hetgeen
-men ziet en geniet.
-
-Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan uitoefenen,
-die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk daarboven,
-en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige heuvelen, slechts
-met vaal helm begroeid, als afsluiting van 't landschap! Ginds in
-de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan den horizont telt
-gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de badgebouwen,
-door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan den voet
-der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u misschien
-een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, zijn
-de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch
-van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat
-is daar toch te zien, zou men haast vragen, 't welk het verblijf
-aan zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen
-kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal
-derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben
-om bevolkt te blijven?
-
-Vertoef er slechts één of twee dagen, en gij zult het voelen en
-begrijpen.
-
-Vooreerst doet het de zee, door hetgeen zij niet is. Zij is namelijk
-zóó geheel iets anders dan het tooneel van ons dagelijksch leven en
-werken, dat haar aanblik ons reeds daardoor eene onvergelijkelijke
-verfrissching bezorgt. Zij is niet het land, met al wat daarop groeit
-en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch bestaan op de eene of andere
-wijs is verbonden; ik had bijna gezegd, zij is niet de aarde. De
-gansche zandige, flauwlijnige omlijsting helpt, juist doordien zij
-niets te zien geeft,--niets dan zand en fletse gewassen,--slechts
-mede om dien indruk te versterken. Het vage, golvende karakter van
-alles om ons heen, geeft ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij
-hier niet met menschenwerk te doen hebben; het dichtste bosch, de
-wildste bergpartij doen ons niet zóó volop gevoelen, dat wij alléén
-met "de natuur" zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is vast,
-en de zee is eeuwig bewegelijk.
-
-En de zee treft ons ook wel degelijk door hetgeen zij wel is: door de
-eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn en wolkenschaduwen
-op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels op haar spiegel,
-of het klotsen van de baren vóór, in en na een storm. En is er,
-voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher bekoring verscholen
-in haar eigene gestadige rijzing en daling,--in dien vloedgolf,
-die zoo rustig komend en weer heengaand, getuigt van eene kracht,
-waarbij de felste storm nog niets is? Is daar geen prikkel voor den
-geest van elk die voelt en doordenkt, in al de verscheidenheid van
-kleine aanspoelende voorwerpen,--eene doorloopende tentoonstelling,
-die met elk getij vernieuwd wordt? Kan men open oogen hebben, en niet
-reeds na weinig dagen eenig hart hebben gekregen voor die ongewone
-dier- en plantenvormen, waarmede wij, desnoods onzes ondanks, in
-kennis gebracht worden?
-
-En dan is er eindelijk het sterk sprekende contrast tusschen
-die afzondering en eenzaamheid,--dat uit-de-wereld-zijn, dat men
-hier gemakkelijker dan ergers kan bereiken,--en het bont gewoel
-der badwereld op een paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze
-scherpe tegenstelling, worden wij er ons diep van bewust, dat in het
-leven van ieder menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar
-aanvullende machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit
-geheel het gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij
-slechts willen, ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben.
-
-Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg opgestaan,
-vroeger dan gij 't in de stad gewoon waart;--gij hebt gebaad of
-wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan kijken, of
-wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt gij met
-een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste duinrij
-getogen. De zee is kalm; het is een jour de dame: de zon schijnt
-bijna door de dunne wolken heen. Maar het werken wil niet vlotten,
-en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat t'huis, aanstaanden
-winter, genoeg doen kunt. Het valt u moeielijk, uw blikken van de zee
-af te houden. Indien gij Heine kent, lokt hij u in verbeelding naar
-Norderney; zoo gij Schleiden hebt gelezen, vliegt gij met hem over
-naar Helgoland: wie weet welke andere lievelingsdichters u ongemerkt
-naar fransche, britsche, noorsche kusten heentrekken. Eensklaps
-valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die een pas of wat van
-u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de golven: op haar eigen
-houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit een land waar palmen
-groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een verongelukt schip? Waar
-zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... En gij ziet er
-gindsche visschers, die bezig zijn iets aan hun pink te timmeren,
-eens op aan, hoeveel gevaren het zeeleven meebrengt; en gij krijgt
-sympathie voor hunne avonturen. Onwillekeurig raapt gij af en toe een
-schelp op of een horentje, afgelegde omhulsels van vergane zeedieren,
-die in plaats van inwendig geraamte, slechts deze uitwendig op één
-punt aan hen vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne
-weekheid hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig
-langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een
-rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen
-aan dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft,
-hoe het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt
-eer men het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit
-een gevolg is van de "zoutzure magnesia", die er aan was blijven
-hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en
-hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten
-er het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen.
-
-Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen
-zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de
-pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en
-zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een
-mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne van hebben. Gij
-voelt u minder vrij dan 's morgens, maar hebt daartegenover het
-voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er zijn er bij,
-die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien zoudt,
-stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was 't alleen maar om
-te weten welke taal zij spreken; ontmoetingen, waarnaar gij wenscht, en
-andere, nieuwe, die u misschien boven het hoofd hangen. Gij hebt reeds
-heele, halve, groet- en aanspraakkennissen; en loopen er soms onder,
-met wie gij liever niet tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,--de
-talrijkheid van 't badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg
-om die te ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; 't
-is een prachtige avond geworden en 't blijft licht tot negen uur,
-half tien toe.
-
-Doch eer het donker is, komt er één oogenblik, of liever één kwartier,
-waarin de meeste gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar
-één zij gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is,
-als daar het drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet,
-het oogenblik nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon
-daalt merkbaar; en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij
-haar in het aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare
-verblindende stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten
-afscheid groeten. Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op
-het water. Daar duikt zij onder; nog een klein gedeelte en zij is
-verdwenen. Maar alsof dan plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo
-schitterend rood verft zich de plaats waar zij is neergezonken,--de
-zee, zoo even donkergrijs, wordt paarlemoerwit en de nevelen,
-waarvoor ons Noorden berucht is, doen zich dan eensklaps gelden als
-de luchtgeesten uit een sprookje, en maken van het halve uitspansel
-een kolossalen ongestreepten regenboog. Onwillekeurig zwijgt men. Ik
-ken menschen, die nooit vroom zijn, dan alleen op zulke oogenblikken;
-menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid of redeneering, gewoonlijk
-alle godsvereering van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten
-voor de geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in
-stilte den raad des dichters volgen:
-
-
- Laisse aller ta prière où ton âme l'envoie:
- Ne t'inquiète pas, toute chose a sa voie,
- Ne t'inquiète pas du chemin qu'elle prend!
-
-
-Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na weinige minuten
-verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij.
-
-Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel en sterk,
-als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd heeft. Het
-zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw spraakzaam. Het
-is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de menschen zich
-inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon veranderd. Een
-groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang terug: het wordt
-stiller op het strand en rondom ons, naarmate de duisternis valt, en
-de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij in vertrouwelijkheid
-of in verheffing, min of meer het alledaagsche overschrijden.
-
-Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers huiswaarts naar hun
-grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan iemand vinden,--het
-is een tref, maar als men 't treft, is het een groot voorrecht aan
-een badplaats!--die het gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden
-met een aardigheid; die de kleine feiten van den dag artistiek opvat,
-of een oude anekdote handig weet te pas te brengen; die de kunst
-verstaat, òf om zelf te vertellen, òf om het gezelschap aan de praat
-te brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen,
-dat het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren.
-
-Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche verscheidenheid,
-wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of ander veld
-van eer (om 't even van welke soort) verloren krachten, aan ons
-noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun gezondheid
-hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; en mogen
-zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met nieuwe
-plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch badman
-behoeven te schamen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-EEN KASTANJEBOOM.
-
-
-Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij 't water, staat een wilde
-kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een groote boom, die
-zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals eiken, beuken,
-iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk tusschenbeide
-"nog bloeien ook". De kastanje pronkt zelfs met zijn bloei. Hij
-draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet minder vertoon, dan
-de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich zelven aan ons
-voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er sprake is van
-een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den titel van
-fakkeldrager te voeren.
-
-Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het feest verheugd
-en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer groote boomen,
-die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even nagaan, hoe
-hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te lengen.
-
-Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens eerlijk vragen,
-of gij hem zoudt kennen in den winter, "bij winterdag", zooals
-de buitenlui het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke
-wrong in zijn stam--een wrong als van een reusachtig koord--toont
-wel den kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten
-dien wrong. Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen
-gemeen. Doch wie hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal
-aan zijne groote, breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend
-door de kleverige harst, die ze reeds van den herfst af bedekt,
-en ze, voor het oog en het gevoel beiden, een zeker waas van leven
-geeft, in een seizoen waarin alle overige knoppen er dor en droog
-uitzien. En niet minder opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder
-elken knop zichtbare "kussentje", nl. het litteeken waar het oude
-blad aan den tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan
-de omringende bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine
-stippels, al naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door
-schraalheid, slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men
-heeft hier namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van
-elk blaadje, door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad
-(een zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk
-jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra
-de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes,
-de doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die
-strengen vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van
-een "drievoudig" aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die van een
-"enkelvoudig" eikeblad ééne vinden.)
-
-Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins gunstige
-omstandigheden, de kastanje aan "uitloopen" te denken. Nochtans
-behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril bij, om
-dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20sten "in volle groen"
-te zien staan. De ontwikkeling van het "groen" toch gaat juist
-bij den kastanje ongewoon langzaam: tusschen de eerste teekenen van
-inwendige beweging en den vollen wasdom van het loof moet een geruime
-tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, om het sterke contrast waar
-te nemen tusschen de laatste dagen dat de boom in knop staat, als
-een beeld van volle levenskracht en moed en ijver, en de armzalige
-figuur, die hij maakt in het daaropvolgend tijdperk, wanneer al de
-jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als de ooren van pasgeboren
-lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, meer dan een week voordat
-zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de lange stelen, die in
-den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware blad, dat hen in
-ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter rijzen zij omhoog
-tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn zij uit hun
-eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich uit als
-groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand breed.
-
-En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt hoe zij
-zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij volwassen,
-en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te vallen:
-als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. Het
-zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de afzonderlijke
-bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. Zij bestaan uit vier witte,
-ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der twee grootsten is een klein
-rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim een zeer licht roosachtige
-tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, zooals bij verreweg de
-meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat getuigen de bijen,
-of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige minuten werkens,
-uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren.
-
-In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een krommen stijl
-gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes ontwikkelen. Een
-blik op de honderden en duizenden bloemen doet een goeden oogst
-verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun vollen groei
-bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en October
-een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik maken. Ik
-heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij bereikbare
-boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende vrucht
-open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit
-geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend,
-na te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er
-omgaat binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij
-eerst drie kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee
-groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur
-aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-EEN INLANDSCHE AREND.
-
-
-Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden spreekt, bedoelt
-daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, die zich
-door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de statigheid
-van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid hunner
-woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels verwierven,
-tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge waardigheid,
-en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten van zekere
-"edele" eigenschappen te bezitten. En hetzij men daarbij dan het
-meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den keizersarend,
-(en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de kleinste
-en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men zich
-de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den
-australischen kegelstaart voorstelt;--men meent in ieder geval vogels,
-die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, hazen
-en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm Nederland,
-strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij ze gaan
-zien in Artis.
-
-Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, des winters,
-dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen steenarend
-onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over onze
-vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen eene
-zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,--een uitzondering,
-die door de verbazing welke zij opwekt, den regel bevestigt, dat
-zulke reuzen bij ons niet t'huis behooren. Maar er is nog eene andere
-soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met al datgene wat
-een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls voorkomt:
-de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, in onzen
-tuin opgeraapt.
-
-Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op een, door een
-wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een zoogenaamd
-zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, biezen en
-watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken hun geduld
-geoefend: vijf jongen lagen in het nest. 't Waren leelijke diertjes met
-hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; doch daar zij gelukkig
-niet, zooals Andersen's beroemde zwaantje, onder jonge eenden verdwaald
-waren, maar rustig onder moeders vleugels groot en mooi konden worden,
-hadden zij daar weinig last van. De bescherming van de zijde der
-ouders was intusschen wel noodig, zooals bleek uit het geval met den
-arend. Sinds een dag of wat namelijk, hadden wij hoog in de lucht
-een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls verscheidene minuten
-onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals arenden plegen te
-doen. Een paar malen, 's avonds bij zonsondergang en 's morgens zeer
-vroeg, hadden wij een ongewoon geschreeuw gehoord, dat wij aan dien
-vreemdeling toeschreven; en eens had het gegil der zwanen, die zich
-anders zelden lieten hooren, ons doen vermoeden dat deze met hem slaags
-waren. Daarna merkten wij niets meer van hem; maar een week later bleek
-de onderstelling juist te zijn geweest, daar de indringer dood in het
-riet werd gevonden, op een pas of tien afstands van het zwanennest. In
-huis gehaald en goed bekeken, bleek hij tot de genoemde vischarenden
-te behooren. Zijn kleur was, in het kort gezegd, wit met bruin, in
-verschillende donkere schakeeringen; hij had, als alle roofvogels,
-een krommen snavel en een zeer duidelijk herkenbare blauwachtige
-washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het kruis staande teenen,
-hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme nagels, zoodat men zich
-gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk zijne aanvatting is voor
-zijn slachtoffers. Wat dezen aangaat--ofschoon het in verscheidene
-boeken staat, dat de vischarend zich uitsluitend met visch voedt en
-andere dieren met rust laat, zoo was het toch voor ons boven allen
-twijfel verheven, dat hij het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had
-en toen door de ouden onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van
-"Eendendooder", waaronder een onzer werklieden hem dadelijk herkende,
-bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt mij
-altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb
-ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek,
-maar slanker van bouw.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-EENE LINDE.
-
-
- "Aldaer dat clare water spranc,"
- Daer stont een groene linde,
- Daer de nachtegael sat en sanc
- .........................."
-
-
-De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine,
-rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de
-stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds
-lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist
-heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid--in
-alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers
-gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar;
-men ziet het niet, maar men ruikt het.
-
-Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de
-bloeiende linden, hetzij dan 's avonds, als "de nachtegaal" uit alle
-macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de
-lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik
-alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam,
-laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt,
-de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn
-er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang,
-lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe 't komt dat gij zoo
-onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij
-sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de
-geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke
-vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en
-herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten;
-het is wreed zulk een stemming te storen!...
-
-Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden,
-waarin die geur ontstaat. 't Is klein en flets van kleur: 't is in zijn
-soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan 't ons
-ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek
-kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts
-een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er
-op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen
-bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten
-overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die,
-heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. 't Behoefde slechts
-wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw,
-geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar
-zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet
-meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist
-haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel,
-zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de
-jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer
-goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand,
-buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een
-verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje,
-en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan
-deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. 't Is of het
-vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden:
-het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht
-door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke
-helften. Het adernet is bijna tot in 't oneindige verdeeld, zooals
-vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde
-is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en
-zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander;
-elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke
-takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij
-uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.
-
-Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het
-geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en
-fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der
-menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige
-van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is
-en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem
-te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied
-te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur
-zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk
-door menschenhand herwaarts overgebracht,--lindenbosschen komen
-nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden
-rijp,--is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft
-ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet
-in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar
-in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke
-leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers,
-en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes
-zou verliezen, indien niet rechts of links zoo'n aardig stukje
-lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie
-kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld
-van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij
-verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde [3] vertegenwoordigt
-zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn,
-daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom,
-misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan:
-de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk
-karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet
-ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien,
-opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden
-rusten in zijn schaduw!
-
-In de schaduw.--Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol
-bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze
-bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond,
-was dat hier in het Noorden, "waar men toch al zoo weinig zonneschijn
-heeft", zooveel hooge boomen gekweekt worden, "die het beetje, wat
-er is, nog onderscheppen". Trouwens, op alle italiaansche prentjes,
-met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. "'t Is omdat
-wij den zonneschijn te lief hebben," was zijn uitleg daarvan.
-
-Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts
-onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt,
-dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen
-wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten
-door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op
-de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar
-heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen
-glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is
-des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond
-van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een
-landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. 't
-Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis
-aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in
-welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar
-verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-TAPIJTBEDDEN.
-
-
-Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons prinsesje Pauline voor
-de toekomst toewenschte, behoorde:
-
-
- "Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u henen".
-
-
-De meeste menschen weten dat van de meeste dingen volstrekt niet;
-en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van kleederen bij
-voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af of men iets
-mooi vindt; niet schoonheid, maar "fatsoen" en "stand" zijn daarbij
-vaak de openlijk erkende hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein
-der kleeding behoeven wij ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou
-eenvoudig even praten over het groepeeren van bloeiende planten.
-
-Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren heerschende
-mode der "tapijtbedden" of "mozaiekperken"?
-
-Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend karakter van netheid, stijfheid
-en hardheid, in dit alles niets onderdoende voor een keurig opgemaakt
-schoteltje haringsla. Schitterend rood, helder geel, hard blauw,
-blinkend wit spelen daarin gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen
-zich nog harder dan zij zijn, door de combinatiën waarin zij naast
-elkander geplaatst worden. Het spreekt van zelf, dat indien eenmaal
-zuiverheid van uit bloemen gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke
-contrasten zeer gezocht zijn, om de teekening effekt te doen maken;
-en dat daarbij zekere hardheid bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs
-waar men er in slaagt die te ontwijken, en met fijnere tinten te
-werken dan in den regel het geval is, zondigt men daarbij toch altijd
-in hooge mate tegen de natuurlijke schoonheid der planten, door ze tot
-een vlakken groei te dwingen. De voor mozaiekperken gebruikte gewassen
-zijn veelal dwergachtige planten, die van jongs af voor deze bestemming
-gedresseerd zijn: zij groeien in de breedte, doordien men er bijtijds
-den kop heeft uitgesneden. Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom
-van vormen, die uit een bevallige vertakking voortvloeit; van een
-sierlijk zwenken, buigen, zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was
-zeker geen tapijtbed dat den italiaanschen dichter de gedachte ingaf:
-
-
- Gij vlindertje in de bloemenperken,
- Gij bloem die op den stengel wiegt,--
- Een vlinder is een bloem met vlerken,
- Een bloem, een vlinder, die niet vliegt!
-
-
-Wel verre van tot de gelijke van een levenden vlinder verheven te
-worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een gebruik, waartoe men juist
-zoo goed een hoopje steenen van verschillende kleuren kon bezigen!
-
-Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of kleinere
-parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet raadplegen,
-maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen tuinman
-overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke
-plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog
-wordt, geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend
-materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat
-deze zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien
-zij op eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd
-was. En eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging
-de tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den
-Style-le-Nôtre en de tuinen van Versailles, die zij zoozeer bewonderen.
-
-Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te geven. Doch wat
-aangaat den Style-le-Nôtre, in één geval slechts kan ik mij voorstellen
-dat iemand van beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is:
-wanneer men lang, te lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de
-natuur alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de
-bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan
-door zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst
-in natuurlijke groeikracht. Of wel,--wat geestelijk daarmee gelijk
-staat,--wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als 't geen hij is:
-de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit opzicht
-beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag verwachten. De
-lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel daaruit, dat zijne
-degelijke bewonderaars hem 't meeste prijzen als: "zoozeer in harmonie
-met den bouwtrant" van zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij
-in eene andere grondstof herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus
-geheel ondergeschikt gesteld aan de steen-architektuur. En is dit
-niet juist in tegenspraak met het karakter van tuinen en parken:
-het omheinde lapje grond, waarop de mensch zijn best doet, om te
-midden van de aangroeiende steenwereld der steden iets te scheppen,
-dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld herinnert?
-
-Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden tuinsmaak
-nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht nemen. Na
-eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij machte was,
-den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den edeler inval,
-om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te dringen, en haar
-in overeenstemming daarmede te regeeren. Na Le Nôtre heerschte William
-Kent. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene muren opgesnoeide
-hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak uitgestrekte bloemperken,
-kwam de "engelsche aanleg" met zijne aan de natuur zelve ontleende
-schoonheden, met zijn heerlijke boomgroepen, zijn verrassende
-wendingen, zijn wandelwegen, waarop men zich zoo vrij beweegt,
-en zich nochtans onder de betoovering van echte kunst gevoelt; zijn
-schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen samenwerken aan een
-goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend hoe in betrekkelijk
-zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur zich zoo sterk
-heeft ontwikkeld,--zulk een sprong voorwaarts heeft gedaan van die
-bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap!
-
-Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het mij, als
-onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt te
-willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar
-het oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk,
-in België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de
-liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een
-mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken,
-waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar
-aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een
-aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen,
-tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van
-Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog
-en geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois
-de la Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein
-als b. v. voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan
-onwillekeurig af, of het geheel voor niet is, dat er een poos lang
-een beter wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver
-van Cassel, met zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn
-in hetgeen wij somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de
-mode maar altijd als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen
-zich daardoor zoo duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen
-niet meer durven vertrouwen?
-
-Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: iets van het betere
-blijft altijd hangen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-DE POËZIE VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN.
-
-
-Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen gestemd zijn, indien
-het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de spijzen, die men
-"groente" noemt, op tafel te krijgen, tenzij zij ze eerst met eigen
-fijne handen dopten, sneden, schoonmaakten? Zeer velen noemen dit
-eenvoudig "meidenwerk", dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven
-zij, als 't ware, verheven zijn; en anderen, die er zich somwijlen meê
-belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en daarom onvermijdelijken,
-maar dan toch altijd zeer eentonigen, geestdoodenden, recht prozaïschen
-arbeid, waarmeê zij zoo gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander,
-meer harer beschaving waardig, werk te begeven.
-
-Prozaïsch?--Om te weten of er poëzie schuilt in het een of ander, ken
-ik een zeer eenvoudig middeltje, dat meestal op den rechten weg brengt;
-ik tracht mij duidelijk te herinneren hoe ik er over dacht als kind.
-
-Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog heel goed wat
-ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands knieën
-erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer "zoo mooi"
-vond, die schokken, gaaf en glimmend als glacé-leer, en van binnen
-nog veel zachter dan een lapje zijde. Ik weet hoe aardig ik het vond,
-dat ik ze met zoo weinig kracht kon opendrukken; dat zij juist spleten
-daar, waar die twee stijve, lichtgekleurde randjes elkaar raken. En
-als de schok dan half geopend in mijn hand lag, met de beide helften
-aan de andere zijde nog vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet
-het inzicht op die zeven, acht of negen erwten, ieder met een kort
-wit steeltje, beurtelings op ééne van de beide zijden bevestigd,--die
-zich zoo gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte,
-als "veel makke schapen in één stal". Elk nieuw seizoen bekeek ik ze
-met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, dat een jaar lang
-weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht lichtgroen, hoe
-glad en teeder waren zij, "veel mooier nog dan eene rist matglazen
-kralen", dacht ik, en dat was anders al het mooiste wat ik kende;
-en achteraan herinner ik mij heel goed, iets gevoeld te hebben wat
-ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te denken: zij waren meer
-dan kralen, want zij leefden!
-
-Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik altijd had in
-het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet waar? wordt
-aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan het gewoon
-is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij toeval,
-op een étagère het huisraad, gereedschap, servies onzer ouders,
-in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner afmetingen, weder te
-vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een goed geproportioneerd
-model van een molen of een brug onder de oogen kregen! Zoo troffen
-mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek ze, ik bewonderde ze
-elken winter, met evenveel verrukking als de gelijktijdig aangekomen
-Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel verrukking, plus zekeren
-eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze voorzichtig aanvatte, en
-ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, om te zien of hunne
-kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote bladeren van de
-groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den aanleg hadden,
-maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, "vleeziger" was,
-zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te begrijpen hoe die witte,
-malsche massa, die het hartje van het spruitje uitmaakt, bestemd
-kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof te vergroeien:
-ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, nieuwsgierig tegenover
-het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en gevoelde dat ik voor iets
-dieps en schoons stond!
-
-Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan porselein stengels;
-aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze eerste indrukken
-hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur zoo innig te
-doen liefhebben.
-
-Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met elkander
-gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw kinderjaren?
-
-En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo boeiden,
-thans "prozaïsch" zijn geworden? Is het beneden onze waardigheid
-oog en hart te hebben voor die kleinigheden, als daar zijn erwten
-en hun steeltjes, het adernet van spruitjes, of de haren van een
-raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u immers niet om veel opmerkzaamheid
-te wijden aan pareltjes en diamanten en andere fraaie kleine zaken!--Of
-is het dat wij sinds die eerste jaren reeds zooveel erwten, boonen,
-kool en andijvie-bladen in de handen gehad hebben, dat wij afgestompt
-zijn op het punt van hun belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het
-schoon van hun détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van 't eerste
-erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst
-mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien
-in zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets
-gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen
-jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan
-de meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. Een kind
-voelt onder 't boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een
-boon toch wel voor een ding is; en wij zijn meestal tevreden met het
-praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend anderen
-vóór ons ligt als eetwaar.
-
-Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij zijn er aan gewoon
-geraakt de natuur als onze wettige slavin te beschouwen en hare "ruwe"
-voortbrengselen alleen maar te waardeeren in zoover zij onze zeden
-en gebruiken, onze huishouding dienen. Als een kind een mand met
-fraai gevormde, vriendelijk geschakeerde groenten "mooi" vindt, dan
-is het in denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos
-met speelgoed of iets anders; als volwassen vrouwen van een "mooie"
-mand met sla of rapen spreken, dan is het meestal slechts uit eene
-zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo goedkoop hebben
-weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind geen zorgen heeft,
-de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan aanzien, terwijl men
-later zoo verdiept is in de zorgen voor het onderhoud des levens,
-in het onmiddellijke platte "nut" der dingen, dat er geen greintje
-hart meer overblijft voor hunne schoone zijde? Voor mijne meeste
-lezeressen kan ik die reden niet vooronderstellen.
-
-De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, geloof ik, voor
-de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde ontwikkeling. De
-aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze kindsheid ingaf dat
-"erwten meer zijn dan kralen, wijl zij leven", heeft geleden onder
-zekere maatschappelijke conventies, die ons ten naastenbij wijs wilden
-maken dat kralen integendeel meer zijn dan erwten, wijl kralen in
-'t salon en erwten in de keuken t'huis behooren. En boonen, wortelen,
-augurken "mooi"? Wat "mooi" is, dat beslist immers de mode? "Mooi" is
-een hoed of mantel naar den laatsten smaak, een kostbaar meubel uit een
-van de grootste magazijnen; "mooi" zijn heel veel waarlijk bevallige
-dingen, maar ook b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte
-schilderingen, al deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar
-gebrek aan perspectief. Een groenteblad, dat door een kind bewonderd
-wordt, trekt verder geen opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor 't
-"mooi", maar om te eten.
-
-Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer slavinnen
-geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden?
-
-Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een voorrecht achten
-veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en daaronder ook het
-schoonmaken van groenten, in den regel aan dienstboden te kunnen
-overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer een mand met groenten
-ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens te doorleven wat
-gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer had met uw
-kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. De rijkdom
-der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, met uw
-volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-KORENBLOEMEN.
-
-
- De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans,
- Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans...
-
-
-Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede ten gunste
-van de "noodelooze" bloemen, verdient Ridder Constantijn Huygens'
-nagedachtenis nog eene warmere vereering, dan die zich openbaart in 't
-geven van zijn naam aan eene der meest bloem- en lommerlooze straten
-van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel zeer of hij zelf lust gehad zou
-hebben, daar te wonen. Hij zou ons spoedig mee getroond hebben naar
-Hofwijk, of naar een of ander lievelingspad, waar hij zijn "gestolen
-uren van wandelingh" placht te slijten, waar misschien werkelijk het
-uitzicht op golvende akkers hem het eerst den titel "Korenbloemen"
-voor zijn dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan
-kunst gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten:
-
-
- Hij meent geen' Korenbloem, die Terw saeyt; verr' van daer;
- Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber waer.
- De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder 't Koren,
- Als Gasten, die in 't Mael der Gasten niet en hooren,
- En komen ongenoodt, en schikken zich in 't best,
- En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de rest.
- Men leeds'er wel van daen, maer, soo sij 't Mael verblijden
- Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden.
-
-
-En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een ruikertje korenbloemen
-hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al nagenoeg hetzelfde
-gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog steeds bij
-voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, leeuwenbekken en
-bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, kamille, centauriën
-en klaprozen....
-
-Als er van "glans" gesproken wordt, komen de laatsten zeker wel het
-eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur in de wereld, dan
-dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan afsteken? Zij
-leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, en 't
-roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten zat, zich
-losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die 't beschutte,
-en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden van weer en wind
-overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en derwaats zwerven,
-schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun stengel zaten;... zij
-dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, heb ik wel eens
-hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij vereeuwigd
-door 't penseel van elken schilder die zich min of meer gelukkig met
-veldbloemen inlaat. Denkt u een "jardinière" zonder haar; denkt u
-de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels van
-het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als
-onmisbaar middelpunt?
-
-Intusschen, onder "korenbloemen" verstaat men doorgaans niet
-voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die welbekende bloemhoofdjes,
-in welker buitenste randbloempjes, (welbezien slechts als peperhuisjes
-opgerolde blaadjes), de schoone tint van eenigszins gebroken blauw
-ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam van "korenblauw"
-ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is van oudsher zekere poëzie
-verbonden; als ware het bij overlevering hebben wij ze lief; dat elk
-ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie veldbloem, is daarvan
-wel het duidelijkste bewijs.
-
-Heeft zij dit voorrecht, dit prestige, indien ik het zoo noemen
-mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere bijzondere
-eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat ook een
-aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de gave
-van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in
-haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving
-is zij niets. Als "Centaureae Cyanae" in tuinen gekweekt worden,
-vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking haar
-oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want
-doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of verbastert het
-tot vuil-wit of vuil-paars),--gesteld al, dat de kleur zuiver blijft,
-dan maken zij toch altijd een onverschilligen indruk. Het grove,
-schrale, onbehaaglijke der stengels en der bladeren valt in den tuin
-ieder in het oog; in 't veld verschuilt zich dat tusschen de halmen,
-en alleen de bloemen komen uit "het golvend bosch" te voorschijn.
-
-En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur tusschen rogge
-groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat de zandstreken
-wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de schilderachtigste
-gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan vereenzelvigt zich voor ons
-de schoonheid van de korenbloem met die van het roggeveld.--En dat is?
-
-Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden bodem, bedekt
-met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en gebroken
-door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. Het
-is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen,
-hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van
-een dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de
-geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche
-olmen. Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar
-heerscht om u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging
-brengt. Het is wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon
-zijt daarop meer of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd
-kleine kevers, wespen, torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen
-en vliegen, en voor wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe
-druk zij het hebben. Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in
-en uitvliegt, of de patrijs, die juist, met hare jongen achter zich,
-het ongelijke, half begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is
-de haas, die eensklaps u voorbij schiet, en die u dan veel rosser
-dunkt dan 's winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en
-de menschenstemmen die daartusschen klinken op een afstand. Het
-zijn de halfgekleede kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is
-bovenal uw eigen stemming, het gevoel van ruimte, van frischheid,
-en nochtans van gezelligheid; en het spel van uw eigen gedachten,
-die beurtelings de verte en de diepte indwalen....
-
-Als ge lang zoo'n korenbloem aanziet, dan is het alsof al die blauwe
-buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat tafereel hoe langer
-hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat kleine ding voor u
-de vertegenwoordigster van een der lieflijkste landschappen.... of
-liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat bij eenig kadaster,
-dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er nooit een zal krijgen;
-maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet met het oog van den
-kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-EEN BERGTOCHT.
-
-
-Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis
-naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een
-badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het
-op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde "Sächsische
-Schweiz". Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden
-naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig
-dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij
-Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen
-Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes
-in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename
-herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo
-goed als onbekend is, de "Weckelsdorfer Felsenstadt".
-
-Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap
-had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel
-moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten
-op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven
-aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die
-voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was 't heerlijk dat
-er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden
-bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de
-plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was
-voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil
-en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd
-zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna
-allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om "die Felsenpartie zu
-machen". Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte
-logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die
-wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en
-levendig, de kamers hadden zoo'n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo
-lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te
-goed aan een bord oostenrijksche soep;--onze leidsman had moeite om
-ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: "Nu eerst naar de
-rotsen,--het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag
-staan, als wij ze goed zien zullen." Het aangenaam vooruitzicht
-van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons
-eindelijk gehoorzaam meegaan... naar "de rotsen".
-
-Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur
-afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons
-uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij
-ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch
-achter den rug hadden, zouden wij van zelf de "Felsenstadt" in het
-oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk
-verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene
-zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks
-tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen,
-hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren
-met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen
-van het hout loonde de bezwaren van 't vervoer niet; en ook voor de
-jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in
-oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben
-aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid
-hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan "de Hussieten"
-toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote
-rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk
-ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas.
-
-Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze
-geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen
-kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken
-harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag
-slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor
-toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de
-lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend
-heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan
-over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het
-water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden
-van jaren daar ongestoord aan 't werk waren geweest, hadden deze
-rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er
-doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen;
-en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren,
-vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden,
-er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest,
-dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel
-gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer,
-geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten
-en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het
-vertoonen van de "Felsenstadt" aan beëedigde gidsen verpacht,--en op
-aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega's,
-neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe.
-
-Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het
-echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft
-zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een
-boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op
-een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje
-beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken;
-klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift,
-(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op
-de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof
-hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat
-Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden,
-ter wille van een echo,--aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de
-menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste
-gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is
-en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is
-schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes,
-brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van 't landschap bij:
-hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de
-donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons
-allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij
-volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan
-moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging
-van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de
-meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. "Daar
-zijn de koornzakken,"--werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen,
-"daar zijn de kazen", daar is "de kroon", "de wandelende pelgrim",
-de "reuzenharp", de "schoorsteenveger"; ginds in de hoogte zit
-"de broeiende kip." Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder
-aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen
-verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo
-teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. "Kijk," riep eensklaps
-een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen:
-"daar staat Erasmus boven op dien top." "Sanct Johan von Nepomuc,"
-zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis,
-en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die
-botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het
-is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon
-van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man
-met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over
-het land uitgestrekt,--spreekt het niet van zelf, dat men hem als
-den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt
-echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit,
-dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien "der Uhu", de uil,
-heet!)--Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: "de wachtende
-rotsbruid". Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij
-zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal
-in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend
-wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk
-van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten
-hals in de verte naar iets uitziet.
-
-Weldra kwamen wij aan het "rotsamphitheater", een halfrond dal,
-dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet
-denken; in den somberen "grafkelder"; en eindelijk in den "Münster",
-een prachtige grot, waar de tonen van 't genoemde orgel, ofschoon
-zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren "de
-lentetuin", met zijn frissche varensvegetatie, en "Italië". Dit laatste
-heet nl. zoo, in tegenstelling van "Siberië", een kille kloof, waar
-nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw
-ligt;--daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme,
-rondom beschutte, rijk begroeide "Italië". Eerst tegen 't vallen van
-den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze
-wandeling ten einde. Bij den ingang--thans voor ons den uitgang--stond
-een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen,
-bestemd voor "welkom t'huis"; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee
-ze allen prijkten: "Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein." Vóór de
-deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk
-zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als
-ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er
-een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes
-tot stand:
-
-
- Wie zien wil, hoe een schutspatroon
- Ontzag wekt en vertrouwen,
- Lette op Johan von Nepomuk,
- Door de eeuwen uitgehouwen.
-
- Wie voelen wil, wat wachten is,
- Trots tijd, en storm, en regen,
- Zie opwaarts naar de Steenen Bruid,
- En vraag haar stillen zegen.
-
- Wie weten wil hoe grillig-grootsch
- Natuur zich kan vertoonen,
- Betreê de Weckelsdorfer "Stadt:"
- Het zal de moeite loonen.
-
-
-En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid
-van deze zonderlinge rotsen mochten komen.
-
-Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden
-morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij
-Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door
-de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de
-Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid
-aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het
-begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange,
-eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die
-daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten
-te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige
-ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven
-tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en
-wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en
-te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich
-niet verwonderen dat de namen: "lange Gasse", "Prager Jesuïtengasse",
-"Breslauer Wollmarkt" enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn
-gekozen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-OUWERWETSCHE BLOEMEN.
-
-
-In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet ik een hofje, waar
-ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar keeren naar toe ga,
-om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten naastenbij als alle andere
-hofjes. Ofschoon midden in eene zeer volkrijke buurt gelegen, is het
-als een zinnebeeld van rust en stilte. Als gij er binnen treedt,
-en de zware ijzeren deur achter u toevalt, gevoelt gij u in eene
-kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van de groengeverfde
-deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de gordijntjes,
-zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon bestemd te
-wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige plooi:
-zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als de rimpelige hand,
-die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het loslaat. De katten
-sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de lijsters in de kooien
-schijnen zich onder dien invloed te voelen. De mijne zingt altijd:
-"Wat wil je nou liever als vrede?" zeide mij eens een oud vrouwtje;
-en ik moest erkennen dat althans "de maat precies uitkwam." Eerlijk
-gezegd, het is er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens
-tachtig jaar zal moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal
-kunnen vinden. En als ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk,
-en mijn gezichteinder verruim door het marktplein te zoeken,--dan haal
-ik diep adem, en word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn
-grootere en kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende,
-kleingeestige menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de
-dorre menschen, die aan onze fantazie haar goed recht van bestaan
-en ontwikkeling betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten,
-die ons trachten op te dringen dat de zonneschijn van het leven zijn
-nevelen niet waard is... ik toch de wijde wereld nog niet moe ben!
-
-Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de tijdrekening
-aangaat, scheidt de poort van 't hofje hetgeen daarbinnen van hetgeen
-daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een berijmd opschrift,
-uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks 150 jaar gesticht
-is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het drievoudig
-doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te vereeuwigen,
-en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De bouwtrant
-en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich ook
-in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd
-heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de
-neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze overgrootmoeders
-lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij spreekt u ook toe
-uit de bloemen, welke daar bij voorkeur gekweekt worden.
-
-Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij tegenwoordig in Holland
-nog een "juffertje in 't groen" (Nigella Damascena) vinden, met het
-lichtblauw deel harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen;
-of een "kooltje vuur" (Adonis autumnalis); of, om in dezelfde kleur
-te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem (Lychnis
-chalcedonica), in de wandeling "Konstantinopel" genoemd? Wie anders
-kweekt nog als sierplant "bernagie" (Borago officinalis), met zijn
-stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in
-de weelde van er "gouden knoopjes" op na te houden? Waar anders dan
-misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een "tuinder," die
-zich bepaald op de klandisie van de oude vrouwtjes toelegt, krijgt
-men zulk een rijkdom van schitterende duizendschoonen en welriekende
-violieren te zien? Waar anders speelt de balsamine zulk een groote
-rol? Ik meen èn de enkele, de klimplant, èn vooral de oost-indische
-balsamine, met haar dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels
-van een hyacinth rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt,
-terwijl een bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt.
-
-Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed te doen aan
-den geur der muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), wier geel mij nergens
-zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo fluweelachtig
-toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het vierkante
-middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in plaats van
-gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de randjes van
-grasanjers in bloei; en dan staat op de rekjes voor de ramen, tusschen
-een aantal kleine potjes met Sedums en Cacteën, een groote "ruiker"
-ranonkels in een glas water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen
-vaasje. Ruiken doen zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de
-gedachte voor de hand ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te
-maken zouden wezen; maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder
-eenig temperend groen er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd
-sieraad zoo binnen als buiten het venster der bestjes. Die rekjes
-zijn dan verder gevuld met maagdepalm en bakkruidjes (de oudste
-soort van Primula veris); en zoo er soms een maandroos bij staat,
-dan is die stellig tegen een paar latjes opgebonden.
-
-Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het dan juist
-niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna ieder
-raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit zou
-kunnen noemen, en wat ons af en toe een: "wel, is dat nu een... (dit
-of dat)"? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met vreugde, hoe ik
-daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem bespeurde, en mij
-verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen naam. Blijkbaar
-heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van zeer smalle
-blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een doornenkroon
-doen denken; en is men daarna in de andere inwendige bloemdeelen
-het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. Hieraan
-ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die haar
-in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij
-in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef steeds een
-kasplant. Dat ik haar op het hofje ontdekte, was dan ook door een
-bijzonder fortuintje. Zij was het eigendom van een vrouwtje van
-brabantsche afkomst, die haar plant zóó geleid had, dat die een
-soort van nisje vormde, waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als
-éénige roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven,
-hield zij die stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien
-achtermiddag, trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald
-"voor een verfrissching".
-
-En als men dan den blik weer van de vensters naar den algemeenen tuin
-wendt, kan men daar kennis maken met de akoly (Aquilegia vulgaris),
-met vijf spoortjes, op de wijze als oost-indische kers er een
-heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde van den dag was, toen de
-rederijkerskamer "De witte Akelye" een "zinnespel" vertoonde, ter
-eere van ik weet niet recht welk voorval in den "prinsentijd". Daar
-staan ook in al hare bescheidenheid de "menniste zusjes" (Saxifraga
-umbrosa), wier ondeugende naam mede aan een vroegere periode doet
-denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke politieke rol
-speelden in de dagen der "Oranjeklanten". Onder den grooten pereboom
-in 't midden, die ouderwetsche peren voortbrengt,--even geurig als
-menige groote, nieuw veredelde,--groeit en bloeit een struik (Rubus
-occidentalis), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die men
-"kaapsche framboos" noemt, en ook zeldzaam elders meer aantreft; aan
-gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in het najaar
-zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den titel van
-"Judaspenningen" in de zon gedroogd zullen worden. Ook worden daar
-"steekneusjes" (Agrostemma coronaria) gekweekt, en wijnruit, en
-rosemarijn, en een soort van salie met afwisselend roode en blauwe
-schutblaadjes. Ik zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders
-toch aan dien zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen;
-namelijk of en hoe dat samenhangt met de Salvia officinalis, welke
-in de middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat
-een latijnsch spreekwoord luidde: "Waaraan zal een mensch sterven,
-die nog salie in den tuin heeft?"
-
-Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt zijn?
-
-Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat zij hier niet
-"aarden wilden".--Maar dat kunnen niet de éénige redenen zijn. Een
-bejaard bloemist zei eens: "Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er
-aan een plant wat te veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra
-men daar geen kans meer op ziet, raakt zij er uit." Ik geloof dat
-daar veel waars in is. De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten
-te leveren, maakt de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het
-dankbaarst leenen, hebben voor een tijd den boventoon.
-
-Doch op die wijze wordt het aantal der "in den smaak" zijnde bloemen
-zeer beperkt; en wie waarlijk Flora liefheeft juist in hare eindelooze
-verscheidenheid, dient zich dan schadeloos te stellen door af en toe de
-"verouderden" in hare schuilhoeken op te gaan zoeken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-AUGUSTUS.
-
-
-Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en geschiedkundigen
-voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van zouden leveren;
-maar in mijn ooren doelt de naam Augustus voor onze achtste
-maand steeds daarop, dat de volle majesteit en heerlijkheid van
-'t zomerleven zich om dien tijd van 't jaar het meest in al haar
-omvang openbaren.--Juni heet zomermaand; maar "voor den langsten dag
-krijgen wij geen warmte", is eene in onze volksovertuiging opgenomen
-zekerheid.--Thans, op 't eind van Juli, is de warmte eindelijk
-gekomen.--De wind is oostelijk; de barometer teekent "bestendig"; het
-"laat zich aanzien dat wij--("met de nieuwe maan", voegen sommigen
-er bij)--het mooie weer een poosje zullen houden." De natuur rust op
-haar lauweren van het groeien; de zonneschijn heeft nu slechts voor
-het rijpen te zorgen.
-
-Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen namiddag. Gij hebt
-u verscholen in de schaduw. Het diepe groen der iepen en der linden
-komt te rijker uit, sinds het wordt afgewisseld door de frisscher tint
-der jongste loten. De lucht is helder. Nu en dan snort u een hommel of
-een juffertje voorbij; of een wielewaal vliegt van den eenen boom naar
-den anderen, met de schalksche, zangerige vraag: "Klinkt mijn liedje
-niet goed?"--De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, zoodra gij
-u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij zich
-in 't gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt niet veel,
-maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe handen
-buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van rust
-in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... Dikwijls
-komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige geest
-gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er aan
-die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd.
-
-Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in aangenaam
-gezelschap,--ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, niet slechts
-het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het bereik van
-elkaars stemmen....
-
-De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich voorgesteld hebben
-den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. "Van den zomer"
-zullen wij dit doen, en tot "van den zomer" zullen wij dat uitstellen,
-heeft men elkander reeds sinds maanden hoopvol toegefluisterd: en al
-die bezielende, veelbelovende plannen doelden op die lange dagen,
-die voor zeer velen, te beginnen met de schoolkinderen, een korter
-of langer vakantie, verlof, of "komkommertijd" mee plegen te brengen.
-
-Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een aantal menschen
-met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig feest, waarvan
-de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte de uitvoering
-zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer verheugd heeft,
-als zij eindelijk dáár is, ronduit gezegd, maar al te dikwijls
-tegenvalt? Dat de één veel tijd besteedt aan plannen, om zich het
-schoone jaargetijde het aangenaamst te maken, en nochtans tot geen
-recht genot kan komen; en een ander, zij het dan ook met een beetje
-schaamte, moet erkennen, dat hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm
-en rustig, gezellig, "comfortable" en pleizierig vindt?
-
-Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd
-verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij voor velen
-eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de meeste
-Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu
-toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne
-"onbestendigheid", zijne "guurheid", en het geringe aantal schoone
-dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt naar warmte, en... als
-dan op eens de thermometers zijn gerezen, beklaagt men zich daar al
-heel gauw nog meer over, dan te voren over de kou.
-
-Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, beschaafde
-Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming het
-schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede vieren?
-
-Ik denk het allereerst aan onze dag- en nacht-verdeeling. Hoe zijn
-wij er toch toe gekomen om, wonende op een breedtegraad waar zulk een
-groot verschil is in zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven
-nagenoeg het gansche jaar door één tijdsverdeeling te behouden, en
-wel een die het beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel
-toch der beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de
-zon in Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s'avonds,
-ook in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou
-kunnen noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn
-volle waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste
-uren te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden,
-de warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al
-zwoegend doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een
-handjevol genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag "zoo
-kort", en het afscheid van de zon "reeds" dáár is, met kunstmatige
-verlichting den tijd in te halen dien men des morgens heeft bedorven?
-
-Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, dat het
-weder al "heel mooi" moet wezen eer wij ons met genoegen in de vrije
-lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin zooveel beter ingericht
-op koude dan op warmte, op zomer-morgens dikwijls meer tobt, mort,
-zich over de natuur beklaagt,--dan op den guursten Novemberdag?
-
-Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van menschen, het
-grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, besloten
-tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens weer
-straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den zonneschijn op
-hunne ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de zon met eigen oogen
-te zien op- of ondergaan. Is 't wonder, dat voor velen hunner de zomer
-geen genot is, en dat zij,--misschien zonder het te weten,--hem daarom
-liever maar voorbij wenschen, omdat er dan sprake is van een vrijheid
-en een vreugde, die voor hen toch niet schijnen weggelegd te zijn?
-
-Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van arbeid,
-die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche volken
-bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot de zoo
-noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor ook de
-naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur ontrooft. Is
-het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, indien hun
-werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar onafgebroken
-kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde omgeving
-doet wenschen?
-
-
-
-Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer velen dwaas en
-"overdreven" dunken; dingen onnatuurlijk noem, die men door de kracht
-der gewoonte normaal is gaan vinden; zinspeel op idealen, die ik op
-het oogenblik evenmin in praktijk kan brengen als gij.
-
-Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe ik elken zomer,
-als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de aantrekkelijkheid
-van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik daarbij telkens weder
-aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit weet ik dat genoemd
-klimaat zich niet naar ons zal schikken; en dat wij dus het wijst
-zouden doen met ons naar zijn veranderingen, zijn nukken en grillen
-te regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen
-zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid
-zoo onkwetsbaar mogelijk te maken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-BLOEMEN LANGS DEN WEG.
-
-
-Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer's lief heldinnetje de kunst
-van "kruuzemunt"-zoeken na te doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het
-met den neus gaan zoeken; evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke
-kleine paarse lipbloemen, die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie,
-dat men de blaadjes slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat
-hun groei aangaat, heeft men slechts aan een doovenetel te denken...
-
-"Al die Munt en al dat Penningkruid langs de publieke wegen," zei
-laatst iemand op een wandeling, "is maar een bespotting van den armen
-drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn zak."--"Ja,
-als je daaraan wilt beginnen," hervatte een ander: de Sleutelbloem
-past op geen enkel slot; en wie den Helm voor hoofddeksel wou
-gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd moeten hebben."--De
-aardigheid was aanstekelijk, en de voorbeelden liggen slechts voor
-het oprapen. "Aan het Vuurkruid", viel een derde in, "kunt ge niet
-ééns een sigaar aansteken: waarvoor dient zoo'n ding dan?"--"Onder
-al de Violen en Vioolachtigen is er geen enkele, waarop men, al was
-'t ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen spelen."--"De
-meeste Paddestoelen zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs voor
-een pad."--"De kammetjes van 't Kamgras kunnen nooit een kapper van
-nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als Salomo, in zijn tijd,
-niet heel wat anders dan een Convallaria als Zegel gebruikt had."--"Al
-die Slangenkoppen en die Addertongen, waarvan het, naar men zegt,
-in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een
-duinwandeling geven..."--"Is waar, 't is wel wat erg; en als gij
-ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig, een broodje
-met Ossentong bestelt, en de knecht u met een ruwbladerig plantje aan
-komt dragen, dan ken ik u volkomen het recht toe, om hem een uil of
-een brutalen spotvogel te noemen!"
-
-Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke namen. Wat
-dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers,
-Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren,
-en Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen,
-waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen
-over den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij
-herdersbeursjes vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat
-van de eene of andere Philis te bergen!--Soms is er aan die wilde
-planten een legende verbonden, en dan heeten zij naar den eenen
-of anderen heilige; soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij
-voorbeeld die van "kamperfoelie", blijkbaar verbasterd van het fransche
-"chêvre-feuille"! Soms weer zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van
-"duivelsgaren" voor verschillende zeer lastige slingerplanten.--Doch
-hetzij hun zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze
-mooi mogen vinden of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven
-altijd veel liever dan de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de
-bedoeling van de tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet
-zoozeer is om meer geleerden te vormen, als wel om in alle menschen
-meer oog en hart voor de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan
-moet op de populaire wetenschap ook niet door latijnsche terminologie
-een te "geleerde" stempel worden gedrukt. En indien een groot aantal
-plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog toe
-het "volk" ze, als van geen bijzonder praktisch belang, onopgemerkt
-voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk niet, ze een
-volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door botanisch
-onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet dood,
-verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar! Indien
-de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of
-andere zijde verruimt, moet zij--de taal--dan niet meegaan en zich
-voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij hun
-latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders;
-de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen
-op na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het
-levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van Herderstasch. Ziet
-eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de oude Dodonaeus het
-voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus uitteekende,
-en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik, en aan de
-andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen karakteriseerde:
-
-"Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in 't eerste uyt syne wortel
-sommighe langhworpighe bladeren, rondsomme diep gekerft,--langhs der
-aerden verspreydt; daer nae krijghet dunne; somtijds veelachtighe
-recht op staende steelkens, in andere zijd-steelkens dickwijls
-verdeyldt, met dierghelijcke, maer kleynder bladeren beset; op het
-top van dewelcke kleyne witte bloemkens voordtkomen, gheschicktelijck
-gevoeght: als die vergaen sijn, komen daeraen kleyne, platte, kantighe
-hauwkens, bij haer steelken oft aen haer oorspronck wat smaller en
-wat meer ineenghedrongen dan nae bovenwaerts, waer zij breeder zijn,
-kleyne borsekens oft teskens eenighsins ghelyckende, nae de welcke
-dit cruydt synen naem voert. In de teskens steeckt het saet.(!) De
-wortel is langhachtigh, wit, met sommighe veselinghen.--Het groeyt,
-bloeyt, ende maekt syn saet ryp den geheelen somer door."
-
-Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten zeggen. De
-voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn verdwenen
-en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten; maar
-de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille;
-en de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid;
-en de basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in
-open plaatsen tusschen het hakhout; en hoe meer men er op let, hoe
-meer verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels
-in de weide glinsteren, dan zijn 't, in plaats van madeliefjes,
-witte klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur
-vergoedt meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een
-handvol van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering:
-misschien vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij
-weet,.... dat brengt geluk aan!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-DE LOTOS.
-
-
-Onlangs had er een botanisch verkeerd à propos plaats zooals heel licht
-gebeuren kan, wanneer twee of meer planten, in den loop der tijden,
-aan denzelfden naam gekomen zijn. Het was tusschen een geleerde, die
-zich nooit veel met bloemen ingelaten had, maar des te meer met oude
-dichtkunst, en een dertienjarig meisje, dat juist dezen zomer, als
-H. B. school-leerlinge, haar eerste veld liep op plantkundig gebied.
-
-"Je hebt het tegenwoordig zoo druk over planten," zei de doctor in
-de letteren; "maar weet je wat ik graag eens zien zou: een Lotosbloem."
-
---"Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze niet?"
-
---"Ze zouden mij zoo interesseeren om de poëzie, die er aan is
-verbonden. Je denkt dan zoo om een stil waterlandschap met een
-weelderigen plantengroei bij maanlicht." En hij vertelde een en ander
-van de "Lotophagi, de veelbebesproken Lotoseters", en beweerde dat
-hij er zelf wel eens even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou
-willen wezen.
-
---"Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of schapen," schertste
-'t meisje; "menschen zullen ze toch wel niet eten."
-
---"Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze waarschijnlijk nog wel."
-
---"Ik ga er een halen," besloot zij.
-
---"Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?" vroeg hij lachend.
-
---"Neen, vlak bij uw huis."
-
---"Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht bij" mompelde hij
-ongeloovig. En halfluid reciteerde hij:
-
-
- "Die Lotosblume ängstigt
- Sich vor der Sonne Pracht,
- Und mit gesenktem Haupte
- Erwartet sie träumend die Nacht."
-
-
-Binnen weinige minuten was zij terug met een plantje van een paar palm
-hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en fraaie botergele bloempjes.
-
---"Is dat een Lotos?" riep de doctor, "'t Lijkt wel een gouden-regen!"
-
---"Een gouden-regen!" herhaalde nu het meisje op haar beurt, met al
-de verbazing van iemand, voor wie zóó'n vergissing sinds zes weken
-een onmogelijkheid was. "'t Is een Lotus corniculatus, een gehoornde
-Rolklaver."
-
---"Nu, dan zal ik het voortaan voor jou plezier een land-Lotus noemen,
-juffrouw Flora," eindigde de litterator vriendelijk.--Maar wat hij
-had wenschen te zien was een Nymphea-Lotus, dat sieraad van den Nijl,
-die met hare indische zuster, de Nymphea Nelumbo, als "Lotosbloem"
-zulk een voorname rol speelt in de aloude poëzie van Indië en van
-Egypte. En hij verhaalde daaromtrent verscheiden mythen en legenden,
-die haar lieve oogen deden glinsteren.
-
-
-
-"Mijnheer," zei twee maanden later juffrouw Flora, zooals hij haar
-sedert dien tijd voortdurend noemde, "nu weet ik waar u iets te zien
-kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! In den Amsterdamschen
-"Hortus" bloeit de Victoria regia. Ik heb er een prent van gezien,
-en dacht dadelijk aan uw indische vertellingen."
-
---"Welnu, dan zullen wij er samen eens heengaan. Wat wil je liever:
-bij dag, of bij avond met gaslicht."
-
---"Neen, bij dag!" koos haar rein instinkt; "'t is wel waar,
-zij bloeit het mooist bij avond, maar bij gaslicht, dat vind ik
-zoo.... onnatuurlijk."
-
-Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij op klaarlichten
-dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als een leeuw in
-zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in roodachtigen
-toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou verwachten. En
-men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. Een was er
-omgedraaid, opdat men 't sterke adernet in oogenschouw zou kunnen
-nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een jongen
-van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de bloemen
-met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn een
-gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.--En eer zij
-uit den Hortus gingen, waren hun ook dadelpalmen, suikerriet, een
-koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, al hetwelk
-zeer hunne belangstelling opwekte.
-
-Toen zij 't hek uit waren, zwegen zij beiden.
-
-"Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen land zien," zei
-het meisje het eerst.
-
-"Ja," antwoordde de dokter, "'t is heel mooi voor de wetenschap,
-zoo'n inrichting; maar je waardeert de planten eigenlijk maar half,
-als ze zoo uit haar element gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat
-de Victoria op een Lotos lijkt, maar het wou mij toch niet lukken
-om mij in zoo'n kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges
-te verplaatsen."
-
-
-
-In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een
-buitenpartij. 't Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog zich.
-
-"Juffrouw Flora," zei de dokter, haar op den schouder tikkend,
-"ga eens even mee: ik heb wat moois ontdekt." En langs een paar
-verborgen paadjes troonde hij haar mede naar een open plekje in het
-bosch, waar zij eene kleine watervlakte in het oog kreeg, 't Was een
-verlaten vijver, die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had,
-maar thans geheel aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste
-gedeelte was hij door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde
-kastanjes en een treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans
-het licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide
-riet, zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en
-staken gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en links bloeiden,
-nauwelijks zichtbaar, Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever.
-
---"Ziet gij wat daar drijft?" vroeg hij, terwijl zij van de helling
-op het water nederzagen.
-
---"Ja, Nymphaea's, gewone witte waterrozen, Victoria Regia's in
-'t klein!" voegde zij er glimlachend aan toe.
-
---"Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat Lotosbloemen moeten maken!"
-
---"Maar die zijn zooveel grooter en hebben lange dunne stelen, en
-ontsluiten zich eerst 's avonds," bracht het meisje, dat intusschen
-meer geleerd had, in het midden....
-
-Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar dezelfde
-uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee deze
-bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde bladeren rusten,
-die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken....
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-ONS WIER-EILAND.
-
-
-Allen die zeggen--en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen 't
-daarom niet--dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten
-het bereik van spoor en stoomboot, ("van de gewone touristen-route
-af", zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche
-eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen
-telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het
-stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo
-kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op
-zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar
-Vlieland, Terschelling, Wieringen...
-
-Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois
-voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op
-een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap
-heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het
-Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de
-velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij "La Belle
-Alliance". Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas
-de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich
-plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen
-niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes
-gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als
-de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons
-aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten
-kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee
-uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het
-geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is
-betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur
-gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een
-uur of wat zijn strand; zoo is 't gegaan sinds honderden van jaren,
-en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.
-
-Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van
-eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van
-verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in
-zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een
-kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland,
-dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts
-een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog
-punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk
-anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij
-hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine
-zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel
-doordrongen van 't bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u
-van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen,
-de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u
-heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug
-houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt,
-gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven
-boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! 't Is hier
-volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait;
-gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de
-wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven,
-zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats
-van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet
-gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te
-midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan
-meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in
-'t weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst,
-en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre
-de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de
-hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij
-aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op
-het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen,
-of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet
-zoo'n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar,
-dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar "nou" en "hoor",
-en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast,
-met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen
-niet ongemoeid laat,--men zou zich in een zuidoostelijker deel van
-ons land wanen!
-
-Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen
-te blijven. "Op een eiland te zitten", is op zich zelf voor
-negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is
-niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling
-en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of
-verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat 's lands regeering er ook zoo
-over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd 't geschiktste
-punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen
-waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal
-af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen
-zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een
-kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan,
-uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf
-dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever,
-te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi,
-de rotganzenvangst en de wier-industrie.
-
-Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen
-wou schrijven.
-
-Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige
-plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug
-van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de
-zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier
-eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen
-eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische
-verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het
-plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima),
-dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door
-verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen.
-
-Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg--met de
-postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna
-Paulowna-polder afvaart,--landen wij aan de kleine havenplaats, de
-Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het
-hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het
-langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor
-'t grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed;
-somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen;
-deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde
-knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze;
-en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen
-dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen
-hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant.
-
-Zoo wij nu dicht bij 't eiland komen--en wij moeten er een eind ver
-langs zeilen--rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa
-is, waar wij tegen aankijken, "'t Lijkt de krijtkust van Engeland wel,"
-oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten
-van "dien hoogen wal met loodrechte spleten". Om met dit laatste te
-beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte
-der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier
-voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds
-zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter
-bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in
-deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die
-dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het
-eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt
-beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust
-van "Albion" deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier!
-
-Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot
-eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten
-tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden,
-en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen
-met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit,
-en daarbij zijn zij trouwens 't best te vergelijken. Hun overeenkomst
-met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde
-kleurverhoudingen: dààr heeft men te doen met oorspronkelijk wit
-krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten
-slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een
-zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk
-lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en
-Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen
-lapje tapijt over den grauwen muur afhing!
-
-Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,--de aanlegplaats aan de Houkes is
-juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een
-ander schip ingenomen,--komen wij aan wal, en bij den eersten stap
-vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen
-bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot
-het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks
-aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,--altijd weer met "wier",
-(met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo
-maar blijven noemen). 't Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop
-wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist
-bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen
-met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk
-af,--want het wortelt in den bodem der zee,--en verzamelen het zoodra
-het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte
-voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard
-bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen,
-te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het
-natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.
-
-Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die
-het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak
-daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld
-en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van
-den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en
-geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het
-verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename
-eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de
-velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg
-wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten,
-want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht,
-die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde
-visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het
-onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen,
-waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij
-men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.
-
-Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag:
-wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij
-achteruitgaat, dat "het vet van den ketel is", en dat er weinig
-of niets meer aan te verdienen is, wegens "de hooge pachtgelden"
-en "de groote concurrentie". 't Zal allicht waar zijn, dat er
-persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de
-geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor
-betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust
-heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje
-van nijverheid niet kwijnt.--Doch ons is het niet om de statistiek,
-maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en
-dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart
-wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in
-geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen
-vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van
-het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel
-groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt:
-veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij
-elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook
-beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en
-verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet
-ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt;
-weldra zal het bij een koopman "in drogerijen en verfwaren" terecht
-komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-NAJAARSBLOEMEN.
-
-
-'t Is September; en uw tuin, die in de laatste weken misschien
-wat had geleden, hetzij door de hitte der hondsdagen, hetzij door
-de Margriet-regens, of door de stormen, die doorgaans het ernstige
-korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol bloemen. Maandrozen
-hervatten met moed haren bloei; en onder 't lage zaadgoed ziet ge
-menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, om mee te werken
-aan de opgefrischte decoratie.
-
-Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de Phlox
-Drummondi. Phlox, Vlambloem; volgens haar naam dient zij rood te wezen,
-en dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende
-de laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er
-takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis
-waarin men van "roode" kool spreekt, ook het zachtste en zonnigste
-rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het donkerste
-amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert hier en
-daar in volle reinheid een groepje witte; en de overgangen vormen
-de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er bovenop ligt;
-soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de lichte),
-terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van fluweelachtigheid
-hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje op ontdekt. Een
-en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe dun de roode,
-witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun bouw veel meer
-samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een weinig moeite
-kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van het overige
-weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar doorschijnend;
-en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de tint der
-daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is een
-hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer eene
-ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen één
-iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene Phlox lijkt. Vijf
-ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf blaadjes kunnen
-doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste organen zijn
-verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig maken, maar hij
-den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend ledig voor
-kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model voor "een
-bloemetje" bij uitnemendheid; doch hoeveel wonderlijke konterfeitsels
-er ook van gemaakt mogen worden, in werkelijkheid zijn zij daar niet
-minder mooi om.
-
-Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de struikachtige
-overblijvende soort,--in 't grooter, zwaarder, steviger, geheel op de
-Ph. Drummondi gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men
-beproefd uit Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien
-zij nergens in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd
-jaar geleden [4] aanleiding tot de volgende merkwaardige opmerking:
-
-"Indien het eerste Oir van alle gewassen in 't Paradijs gevormd
-ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is geweest, zoo zou het zeer
-onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden over den Aardbodem, deze
-Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan in Noord-Amerika alleen;
-terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van een dergelijk klimaat
-en grond."
-
-(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens te lezen
-hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en schreef.)
-
-Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, behoort de
-Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig gezind. 't
-Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het voornaamste
-sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger soort. Zij
-houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en bloeit
-heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen zij,
-tweehonderd jaar geleden, reeds "in de tuinen der liefhebberen als
-een gemeen gewas bekend" stond. De tijd van hare invoering (juist
-niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet precies meer te bepalen,
-en zij schijnt dan ook in het minst geen bezwaren tegen ons klimaat
-te hebben. Gij plant haar in het voorjaar aan den ingang van een
-prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij licht en water genoeg heeft, en
-behoeft haar overigens volstrekt niet te helpen; en binnen weinig weken
-is zij boven, en hangt u van het dak van het prieel af toe te knikken,
-dat het een lust is om te zien. Hoe zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk
-heeft aangelegd om zich omhoog te werken? Hoe men ook onderzoeken moge,
-er is aan haar gladden stengel geen spoor van hechtworteltjes, zooals
-aan de klimop, te ontdekken; en ook nergens ranken of klawieren van
-eenigerlei soort. Ach, zij heeft die niet noodig. Zij is zoo vlug,
-en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare bladstelen, waarmee zij zich
-behendig telkens aan den eersten steun den besten vasthoudt, om dan
-dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij zien dat aan met al het
-welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt praktische, redzame lui bij
-hun arbeid bespieden, die met geringe middelen en weinig gereedschap
-toch altijd weten klaar te komen,--in tegenstelling met het heir van
-slechte schrijvers, wie het altijd weer aan inkt en pennen, en van
-onbeholpen naaisters, wie het altijd aan haar naalden hapert!
-
-Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte bloemen
-voortgebracht: Kapuzinen noemen ze de Duitschers, wegens den vorm
-van den gespoorden, gelen kelk, die aan een middeleeuwsche kap doet
-denken, zooals waarmede men vaak monniken of wel kaboutermannetjes
-ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere oranje, waarom de
-O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot sarring van
-"Keezen" moedwillig tentoongesteld te worden, is in de laatste jaren
-met allerlei schakeeringen van geel tot bijna zwart toe afgewisseld
-geworden, maar behoudt toch den boventoon; en zoo vormen die massa
-"schildvormige bladeren en bloedroode bloemen", jaar in jaar uit,
-datgene wat Linnaeus aan "tropeeën der ouden" deed denken, toen hij
-dit plantengeslacht met den naam Tropaeolum bestempelde! Mij dunkt,
-men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan fantazie, er blijkbaar
-zeker artistiek genot in schepte, den hem toestroomenden schat van heel
-en half bekende en onbekende planten zoo schilderachtig mogelijk te
-benoemen. Dat wij van O.-I. "kers" spreken, geldt natuurlijk niet de
-vruchten, die in 't minst niet op kersen gelijken, maar stellig den
-aangenaam prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden
-smaak.
-
-En dan zijn er stokrozen.
-
-"O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; 't is ten minste goed,
-dat de mode die afgeschaft heeft!"
-
-Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof en leelijk zijn,
-als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver bederft, namelijk
-van haar natuurlijk karakter berooft en er, door verdubbeling, iets
-van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar zij zijn niet
-leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar natuur mogen
-opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van "grootstbloemige
-der Malvaceën". Sinds Mei heb ik een perkje met stokrozen onder het
-oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden zich aan ieder plantje een
-stuk of tien groote, heldergroene bladeren, die voorshands laag bij
-den grond bleven, maar zich daar meer en meer uitspreidden. Op 't
-laatst van Juni begon zich in het midden een groene kegel te vormen;
-zachtjes aan verhief zich deze, en vertoonde zich als eene dikke,
-dichte aar, bezet met een groot aantal bloemknoppen. Hoeveel, was
-nog onmogelijk te bepalen; want ofschoon de onderste reeds duidelijk
-afzonderlijke lichaampjes waren,--het puntje van de aar, een weinig
-omgebogen, was eigenlijk nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De
-aar had hierdoor uit den aard der zaak eene kegelvormige gedaante,
-die zij onder 't voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk
-groeide. Naarmate nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel
-langzaam aan. Och, zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat
-wordt zij, ja, indien men haar uit al te groote zorg een soort van
-steun wil geven, haar opbindt tegen een groen stokje, met een rood
-of geel puntje. Zij heeft dien steun niet noodig. Haar eigen "stok"
-is sterk en krachtig en houtachtig genoeg; en toch niet "houterig"
-in leelijken zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij
-zoo hoog begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden,
-verbreeding noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in
-den naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel
-aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk
-genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn
-'t geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan de
-bloem een dubbelen kelk voorspelt?
-
-Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een blad, dat, ook
-weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot versiering van
-de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste bloemen. Het
-waren roode, van het helderste rozerood. De vijf bladen zijn zoo
-dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen te vormen;
-en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou dat ik
-ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch stijf,
-noch grof, noch leelijk hadt gevonden.
-
-In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven Dahlia's. Na de
-zonnebloemen, die hier en daar als gele monster-madelieven rondom
-boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, de lucht van kwade
-dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de grootstbloemige onder onze
-najaarsplanten. 't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat zij met een
-kleine, flets-oranjebloem hier aankwam, en de geleerden het een tijd
-lang oneens waren, of zij haar den naam van Dahlia of van Georgine
-zouden laten behouden. Hier te lande heeft de eerste, in Duitschland
-de tweede naam gezegepraald; maar intusschen had het aanzien van de
-plant in kwestie reeds vrij wat veranderingen ondergaan. Vooreerst
-was zij verdubbeld, ja bijna geheel "gevuld" geworden, en ten andere
-was zij met haar sterken aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze
-mislukte pogingen om haar ook zuiver blauw te doen worden nu niet
-meegerekend) een dankbaar materiaal voor den tuinbouw. Geur heeft zij
-volstrekt niet; haar eenige aantrekkelijkheid bestaat als decoratie
-in het groot, en op verren afstand is zij niet onaardig. Maar om
-van dichtbij bekeken te worden...? Ook aan deze planten heeft de
-verdubbeling, wat de sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed
-gedaan; en men behoeft nog geen modemaakster van beroep te zijn,
-om bij een gevulde Dahlia maar al te gauw aan eene zwaar geplooide
-rozet van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke
-bloempjes voor omgevouwen lussen gelden.--De anders niet onaardige
-term "bloemkorfje", dien de plantkunde bij dergelijke "samengestelde"
-bloemen gebruikt, verliest in geval van vulling allen zin. De kleine
-bloempjes, die oorspronkelijk in 't korfje zaten, zijn verdwenen en
-het niet onbevallige randje is een plompe bal geworden.
-
-Het is opmerkelijk, dat, laat in 't najaar, de "samengestelde" bloemen
-ons in den regel 't langste bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel
-hooren. Vooreerst toch behooren daartoe verschillende soorten, wier
-weefsel van nature vrij droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde
-stroo- of zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes
-van een teerder maaksel zijn,--Goudsbloemen, Sanvitalia's enz.--hebben
-in haar bloembodem en haar omwindsel (in één woord in datgene wat in
-de wandeling haar "hartje" heet) een steun, welken men aan bloemen
-zonder zulk een hartje nimmer kan verschaffen.
-
-Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als alles in
-uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, Zinnia's,
-Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen en verweering
-het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer om gewaardeerd
-te worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN.
-
-
-Elk die in dit seizoen een "tuinder" in zijn tuin bezoekt, kan zeker
-wezen klachten te vernemen over de erbarmelijke wijs, waarop de
-rupsen in de kool huishouden; en de groenlui in de stad hebben niet
-altijd ongelijk, wanneer zij dit als reden opgeven voor het "opslaan"
-van genoemd artikel.
-
-Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in hetgeen er in
-de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven zijn van
-zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, die
-dan ook gewoonlijk "koolwitje" genoemd wordt. Het wijfje van dien
-vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij der bladeren van
-kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; ieder diertje
-dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien komen deze
-eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week lang
-gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. Omstreeks
-den achtsten dag vervellen zij voor 't eerst, en beginnen zich dan
-over de geheele plant te verspreiden. De jonge rupsen zijn bijzonder
-gulzig; dag en nacht eten zij voort; men heeft opgemerkt dat zij
-in zeker aantal uren steeds het dubbele van haar eigen gewicht aan
-voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn zij volwassen, en
-zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. Wie nu daartoe
-een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of schutting, heeft
-gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt haar huid af,
-en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene pop, met zeer
-vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien dagen barst op
-nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht in.
-
-Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine koolplanten in den
-tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een heerlijke gelegenheid
-tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo verschijnt in den nazomer
-een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne beurt zijne gulzigheid bot
-viert. Indien men nu stelt, dat in het voorjaar 10 vrouwelijke kapellen
-zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben voortgebracht, dan is het niet
-te veel gerekend, indien een vierde daarvan weder wijfjes zijn, en
-deze in September 100,000 nakomelingen leveren. Het is dan waarlijk
-wonder, dat er nog iets van onze kolen overschiet;--de bladstelen en
-een gedeelte van de hartbladeren blijven meestal gespaard.
-
-Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om van de musschen
-en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het koolwitje
-heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog veel
-geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte,
-een zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche doorschijnende
-vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren leggen in het
-lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven dan ten koste
-van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij zijn de
-slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn voorzien
-van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou groeten. Dat
-is de zoogenaamde "legboor", en bestaat uit drie borstelige haren,
-die te zamen een holle buis vormen, en door middel waarvan zij haar
-eieren onder de huid van haar slachtoffers brengen.
-
-De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, legt dikwijls
-meer dan 30 eitjes in den rug van ééne rups. Ondanks de pijn, die
-dit haar zeker moet veroorzaken, en het uitkomen en groeien van de
-made, blijft de rups toch doorgaans leven tot zij aan verpoppen toe
-is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met niet geringe moeite, een
-schutting of een boom. Alvorens zij er dan echter in slaagt om haar
-vel af te stroopen, wordt dit door de maden doorgebeten, die dan alle
-te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan hare zijden naar buiten
-komen kruipen. De nu stervende rups valt dan meestal op den grond;
-en op haar plaats vindt men de jonge woekerdieren, bezig met zich
-in te spinnen, ten einde, ieder in een geel cocon, maar te zamen in
-het spinsel dat de rups reeds was begonnen te maken, haar poptijd
-door te brengen op het plekje, dat deze voor zich zelve uitgezocht
-had. Ziedaar de 100,000ste opvoering van een ieder jaar terugkeerend
-treurspel.--Het naspel wisselt af. Misschien zal het ditmaal daarin
-bestaan, dat het gansche cocon in den loop van den winter door een
-boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge
-wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld,
-grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste
-zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel
-gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te
-kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge
-praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die
-veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert,
-maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt...
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-EEN NATUURKALENDER
-
-
-"De hoeveelste is het van daag?"
-
-"De 28ste, Neef, de 28ste October."
-
-"Bloeien er nog Heliotropen?"
-
-"Ja zeker. Woudt u een takje hebben?"
-
-En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een
-aan. 't Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in
-dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren.
-
-"Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?"
-
-"Ja, neef."
-
-"En Aubergine, hoe noem je dat in 't hollandsch?"
-
-"O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt
-u zoo aan 't fransch vandaag?"
-
-Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en
-had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al
-wat fransch was.
-
-"Wel, die fransche kalender......"
-
-"Wat meent u?"
-
-"Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse,
-Ventôse?"
-
-"Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen
-te maken?"
-
-"Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark,
-of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag
-van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten
-wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon
-wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t'huis
-hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen,
-27 April...." En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.
-
-"Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat,
-hoe zal ik zeggen, officiëel?"
-
-"Wel, het hoorde bij den kalender. 't Was in plaats van de
-heiligendagen. Wij hadden 't uit een zwitsersch almanakje; als je
-goed zoekt, kan je 't misschien nog wel vinden....."
-
-
-
-De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, om er een
-tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik het
-bedoelde boekje. Het was een Helvetischer Revolutionsalmanach für
-das Jahr 1800, welks inhoud begon met een dubbelen kalender, in de
-"oude" en de "fransche" tijdrekening. [5]
-
-
-Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: mij kwam ze
-gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan het weêr
-ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen Juli-gloed in het woord
-Thermidor, en ligt er niet een sombere Novemberdag verscholen tusschen
-de letters Brumaire?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800
-niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: Primidi, Duodi,
-enz. Doch wat ik nooit gehoord had, was dat men, bij het schrappen
-van al wat naar kerkelijke plechtigheid zweemde, in de leegte, door
-het wegvallen der heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige
-wijze had trachten te gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de
-heiligen waren bloemen, enz. in de plaats gekomen. En daar in den
-ouden heiligen-kalender geregeld iedere dag een patroon gehad had,
-zoo was nu ook voor elken dag een plant of iets anders gekozen. Niet
-altijd bloemen. "Vooreerst", zei neef, "waren die in den winter niet
-gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals
-b. v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten
-de bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere
-produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de
-zaak zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der décade een
-huisdier, en voor den tienden dag een of ander landbouwgereedschap
-gesteld was." Dit nu zou alles netjes rondgeloopen hebben, indien het
-aantal dagen van het jaar juist in tienen deelbaar was geweest. Maar
-de zesendertigste décade eindigde met den 30sten Fructidor, (17
-September); en vóór den 1sten Vendemiaire--het republikeinsche jaar
-begon met 20 September,--moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit
-bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de
-zoogenaamde jours complémentaires. Deze waren niet gewijd aan bloemen,
-noch aan aarde, noch aan steen, noch aan werktuigen, noch aan dieren;
-zij vormden geheel afzonderlijk eene halve décade op zich zelve,
-en heetten eenvoudig naar de beruchte Septemberfeesten: 1 Fête de
-la Vertu; 2 Fête du Génie; 3 Fête du Travail; 4 Fête de l'Opinion;
-5 Fête de la Récompense. [6]
-
-Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet's hart werd er
-jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. "Op den 1sten
-September", vertelde hij, "gooiden wij altijd naar noten, en ergerden
-ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén
-dag in 't jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat
-was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat
-was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze
-'t heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25
-en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen..."
-
-"Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan," beproefde ik.
-
-"Ja, 't was wel fransch, maar 't was toch aardig!"
-
-En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de
-nagedachtenis dier fransche republikeinen,--ik omdat ik hun tijd
-niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen
-lagen,--verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven
-dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de
-staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op
-allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te
-recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en
-bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met
-het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is
-geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in
-dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In
-alles moest verandering komen; geen onderdeel van 't dagelijksch
-leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan
-scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had
-meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk
-een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis,
-sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op 't tapijt gebracht;
-hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen,
-eggen, zeissen, ossen, als 't aktief ingrijpend element, midden
-tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd
-door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden!
-
-Maar 't merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij
-die "jours complémentaires". Ligt daarin niet de indruk van eene
-bekentenis,--en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer
-onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender
-bekentenis,--dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om
-haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en
-bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens,
-spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant,
-nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken
-geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen?
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-JACHT EN WILD.
-
-
-Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in Duitschland geologie
-ging studeeren, omdat er in ons land "geen geologie is". Hij doelde
-daarmede natuurlijk niet op een gebrek in de studie der nederlandsche
-deskundigen, maar op een gebrek aan belangrijkheid en rijkdom van
-delfstoffen in onze aangeslibde gronden. Evenzeer zou ik mij best
-kunnen begrijpen dat iemand naar een ander land ging jagen, "omdat
-hier geen jacht is". Of noemt gij dat bijvoorbeeld jagen, als een
-man in de kracht van zijn leven, dag in dag uit, met een hond en een
-polsdrager achter zich, door Hollands moerassige rietvelden drentelt,
-af en toe een snipje schiet, den hond roept om het te apporteeren,
-zijn prooitje met hoogsteigene hand het kopje inknijpt en dan
-'s avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, als men opmerkt hoe de
-jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere boeren, jaarlijks
-voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen overhebben, die
-een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, dan moet men
-wel vooronderstellen dat er groote bekoorlijkheid ligt in die jacht
-zonder gevaar, dat overwinnen zonder strijd, dat zegepralen over
-zulke onnoozele slachtoffers.
-
-Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die aantrekkelijkheid
-minder bestaat in het dooden of verminken dier dieren, als wel in
-hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij verbonden is:
-de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen aanvangt, het
-dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van zulk een
-dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder anderen,
-en dat is wellicht nog de beste zijde van 't geval, is de grootste
-prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer kleine "wilde"
-landgenooten, in 't beloeren van hun listen, en het leeren kennen
-van hun vlugheid en hun sluwheid. En werkelijk zijn het gewoonlijk
-alleen jagers, die in hunne gewoonten goed te huis zijn.
-
-Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en morgen
-"afgehaald" zal worden, hoe zou die zijn leven wel gesleten
-hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool eet;
-maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met Lampe,
-zooals hij in de "dierfabel" van Reintje-de-Vos heet. Ik moet dan
-ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op een familiaren
-voet te komen met iemand, die zoo schuchter en achterdochtig is
-als hij.--Toch is hij, bij al zijn beruchte lafheid, een aardig,
-lustig diertje. Sla hem slechts gade in het voorjaar. Nauwelijks is de
-jachttijd om, waarin hij zooveel angsten doorstaan heeft, en de winter,
-waarin hij dikwijls zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde
-raad, geheel onder de sneeuw woelt,--of hij vat den moed weer op en
-krijgt op nieuw lust in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij
-zich een wijfje; en een maand later, als de meeste vogels nog aan geen
-nestenbouwen denken, is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin
-drie of vier jongen rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De
-aanstaande moeder krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland,
-en belegde dat met wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare
-eigen haren. Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met
-de meeste zorg voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die
-zich, als zij ze vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve
-houdt ze doorgaans een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich,
-door te klappen met de ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte
-zien kunnen, is niet te verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk
-voor het daglicht geschikt te wezen, want hun oogleden zijn te kort,
-dan dat zij ze ooit geheel zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij
-slapen, staan dezen dus altijd half open. Vandaar wellicht het woord
-"hazeslaapje"; terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede
-gleuf, die zich tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna
-geheel in tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft
-tot den term "hazelip". Zoodra de jongen kunnen loopen en mee kunnen
-eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en weldra
-heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En daar
-die van 't eerste nest in 't najaar meestal zelven reeds weer jongen
-hebben, kan er van één hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een
-duizendtal afstammen.
-
-Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn leven bedreigen,
-heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de haas overdag
-rustig in zijn leger,--zooals hij in den regel schijnt te doen, om
-slechts des nachts op zijne zaken uit te gaan,--dan heeft hij eene
-heerlijke bescherming in de vaalbruine kleur van zijn pels. Dit schijnt
-hij wel te weten; want hij blijft gewoonlijk doodstil liggen, wanneer
-hij een mensch aan hoort komen, drukt zich dicht tegen den grond
-aan, en beloert, zonder zich te verroeren, iedere beweging van den
-onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer de vijand zeer dicht bij is, en
-hem dreigt aan te vallen, springt hij eensklaps op, en maakt zich uit
-de voeten. Gaat hij, als het gevaar voorbij is, naar zijn rustplaats
-terug, dan loopt hij daar nooit regelrecht naar toe, maar maakt
-eerst eenige dwarssprongen in de buurt, als om zijn eigenlijk doel,
-voor ieder die er naar mocht kijken, te verbergen. Een haas echter,
-die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, weet dat daarmede niet valt
-te gekken; en dat ook het kunstje van het stil-liggen hem tegenover
-de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort hij dus het gevreesde
-schieten of wel het blaffen van een zijner aartsvijanden, dan schrikt
-hij, zet zich op de achterpooten, en besluit tot de vlucht. Een groot
-voordeel voor hem is het, als hij bij die vlucht tegen eene hoogte
-op kan rennen, want zijn voorpooten (of "loopers"!) zijn langer dan
-zijn achterloopers: daardoor klimt hij gemakkelijker dan hij daalt,
-en maakt in het laatste geval dikwijls een buiteling. Merkt hij nu
-echter, dat ondanks al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen
-zijn, dan heeft hij nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling
-een geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak
-schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval
-heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij
-dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op
-hem maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande
-listen en lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den
-ouderdom van acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden
-indien menschen, wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen
-ongemoeid lieten, zoo blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog
-een groot aantal onze velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en
-heiden, hun leven naar hun zin genieten.
-
-En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, die, zooals
-ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge hazen
-zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie volkomen
-van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de praktijk te
-vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen beter raad
-te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe vergelijkingen
-tusschen ooren en pooten, en wordt wijs.
-
-En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan gebraden. Anderen
-kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine borstvlek de haantjes
-te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen levend gezien, wat ons
-anderen niet licht overkomt, Zij weten hoe het "hoen", zooals zij den
-patrijs plegen te noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote
-overeenkomst heeft met kippen en andere hoendervogels,--te beginnen
-reeds daarmee, dat het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte
-loopen kan, in plaats van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst
-een paar weken in het nest te blijven liggen. Het huislijk leven der
-patrijzen is daarom echter niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg
-in het voorjaar vechten de mannetjes hevig, om ieder een wijfje te
-bemachtigen. In een van droge grashalmen voorziene uitholling van
-den grond worden de groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel
-bestaat wel uit tien of twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen
-tegelijk plegen uit te broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste
-vogels het geval is. Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege
-wegloopen. De oude haan houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt
-bij gevaar het broedend wijfje, dat dan het nest loopende verlaat,
-en eerst op een goeden afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de
-buurt zijn, worden de jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de
-ouden daar heen geleid, en vinden dan in de dikke gele mierenlarven
-een uitgezocht voedsel. Zij kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij
-nacht, gevaar of slecht weer neemt de moeder hen onder hare vleugels,
-juist als eene hen hare kuikens; de bouw en vorm van het diertje
-heeft dan ook iets zeer hoenderachtigs.
-
-En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat hooge soort van
-pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn geworden. Haar
-aangezicht heeft iets... anders dan dat van alle andere vogels;
-en als men ze goed aankijkt, begint men er langzamerhand achter
-te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver naar boven en
-naar achteren staan,--iets wat ook aan menschengezichten zoo iets
-vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer dan een streep buiten
-de normale maat.--Haar snavel is nog langer dan de kop zelf; en
-als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of meer week is,
-van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig verdikt, en,
-althans bij de watersnippen, met een klein puntje omgebogen. Zij
-kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om water-insekten en
-weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde natuurlijk van groot
-voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk naar den kop toe
-staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen kennen, doordien
-haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen bekleed zijn. Zij
-broedt hier te lande slechts bij uitzondering, ofschoon zij zulks
-niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. v. in Lithauen
-wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt zij slechts
-op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust dan bij
-voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine boschjes,
-en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag gericht, een
-eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in het hout
-te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de vorige,
-voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt veelvuldig
-in Noord-Brabant en Groningen, aan lage, vochtige plaatsen; maar
-ook haar aantal wordt jaarlijks zeer vermeerderd in den trektijd,
-die voor deze soort twee malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het
-najaar. Van Augustus tot het einde van October namelijk, trekken
-er een groot aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April
-noord-oostwaarts. Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag
-vindt men haar tegen den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd
-worden, laten zij eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen
-dan vrij hoog op. Zij laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat
-aan het blaten van een schaap doet denken; dit schijnt niet door de
-keel, maar door de snel trillende beweging der staart- en slagpennen
-voortgebracht te worden. Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen;
-zelfs azen zij op bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen
-der boomen ophouden, nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal
-vier eieren, en de broedtijd duurt ongeveer 16 dagen.
-
-Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der dierkundige
-wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel voornamelijk door
-jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige beschouwing kunnen
-maken over de omstandigheid, dat de beste kenners van het wild ook
-tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen dergelijke
-dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, die in
-eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een aangeschoten
-eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk ongewoon gedruisch
-deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-GESLOTEN?
-
-
-Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke kleine Chansons,
-hoe hij, den eersten November naar den "boschtempel" gaande, waar
-hij den ganschen zomer door met zooveel dichterlijke stichting "de
-dienst" placht bij te wonen, den toegang onverwachts versperd vond
-door verdorde bladeren en afgewaaide takken en breede modderplassen; en
-dat een uil, die hem zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem
-vriendelijk terecht wees met de inlichting: "Fermé pour réparations."
-
-Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd volhielden
-bloemen in het vrije veld te willen zoeken!
-
-Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de bijzonderheden
-van Hugo's teekenachtig natuurtafereeltje, dan zien wij in en om
-die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof iets, wat hij
-niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij voor te
-stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere
-Zwammen, die juist in dezen tijd van 't jaar te voorschijn komen,
-die gedeeltelijk op den grond, gedeeltelijk op het natte hout en op
-de half vergane bladeren groeien, en die half een gevolg, half mede
-eene oorzaak zijn van hunne spoedige ontbinding en van de duffe lucht,
-die wij rondom ons waarnemen.
-
-En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan één opzicht. Wij
-zullen ons maar aan den geijkten term van Bedektbloeienden houden.
-
-Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort geleden, op de
-achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal kaneelbruine stippels
-vertoonden, in regelmatige figuren rondom de nerven en insnijdingen
-gerangschikt? Zeker is het, dat van de verschijning dezer stippels de
-vermenigvuldiging der plant, of, zooals het hier heet, "sporenvorming"
-afhangt. Zoo'n bloei schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt
-echter reeds een weinig minder vreemd, zoodra wij kennis maken met
-die soorten van varens, (b. v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum
-Spicant), die er tweeërlei veeren op nahouden, waarvan de ééne niet
-bloeien en de andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij
-daarbij denken aan den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen,
-door Goethe dichterlijk geschetst in zijn Metamorphose der Pflanzen.
-
-En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan zelfs
-een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer-
-of bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen,
-op hunne dunne steeltjes tusschen 't groen ziet steken. Bij het
-korstmos--die platte, vlakke korsten op boomstammen en muren--valt
-het alweer iets moeilijker; toch bloeit ook dit op zijne wijze. En
-let eens op uw Selaginella, uwe kamer-"mosplant", (eigenlijk geen
-mos); ga eens na of aan de uiteinden dier stengeltjes, van boven
-met een dubbele rij kleine, van onderen met een dubbele rij grootere
-blaadjes bezet, niet op zekere tijden van het jaar groene bolletjes,
-zoo groot als speldeknoppen, voorkomen?... Dan bloeit zij.
-
-Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het plantenrijk, komen
-wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, enz. Ook
-dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in het
-najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig,
-plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan,
-tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten,
-dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur,
-hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat
-rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer,
-na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt.
-
-Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En de sporen,
-die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts behoeven te
-ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld op zich
-zelve in het plantenrijk.
-
-Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos een gewoon
-boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, dat het
-opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één laagje cellen
-bestaat;--indien wij in het algemeen bedenken, dat in die lagere,
-die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, reeds al de
-bladvormen voorkomen, die zich later onder de zichtbaarbloeiende
-gewassen hebben gereproduceerd;--indien wij eenen blik slaan in de
-keurige bijzonderheden van dien "bedekten" bloei, zooals zij in de
-afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot
-te zien zijn,--dan.... Doch dat wordt een zaak voor 't mikroskoop in
-de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te blijven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-WINTERVOGELS.
-
-
-Het is een algemeen heerschend volksgeloof,--bij den eersten den besten
-boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op
-nemen,--dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe
-dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens
-duidelijk uit, dat men 's winters hier te lande nooit een koekoek,
-en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens,
-men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben,
-om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat
-den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld,
-dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen
-behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen
-"heimwärts", huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt
-niet juist: want onder iemands t'huis, zijn "heim", zijn vaderland,
-verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen,
-die 's zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts
-in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt,
-wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat
-het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst
-weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde
-plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan
-het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij
-troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te
-koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken
-die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger
-gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en
-op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden.
-
-Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor
-een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De
-groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen,
-afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om
-den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende
-plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in
-de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van
-trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de
-boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel
-van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt,
-van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in
-hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht,
-wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te
-houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen
-hebben,--bij voorbeeld op den vlakken grond,--dan dringen daar,
-zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in.
-
-Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er
-ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf
-houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen,
-zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan
-hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort
-daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke
-verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend,
-dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was,
-met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte
-van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend
-herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor 't
-eerst de zachte stem van 't kleine dier weer hoor.
-
-Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen
-lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen
-staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel
-opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes,
-tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar
-korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in
-het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de
-schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te
-bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den
-tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden
-ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... 't Is waar,
-in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,--anders durf ik niet zeggen
-hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.--Op deze behoefte aan dierlijk
-voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende
-jongens, "dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet
-weeken". Ondanks deze goede bedoeling om 't haar lekker te maken,
-wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte
-of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners
-mogen vallen.
-
-De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen
-toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft,
-voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;--hetgeen
-zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie
-van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor,
-in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw,
-en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid
-bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste
-boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid
-te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof
-ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht
-het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen,
-erwten enz, er wel verbruikt worden door de "onnutte" snavels van zoo'n
-aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering
-vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen,
-loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren
-gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of
-van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken
-dat zij gedurende den schralen tijd veel eten.
-
-Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee
-bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan,
-"een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen". Hij neemt dan
-soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte
-wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en,
-met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die
-donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet
-te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet
-trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft
-zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het
-water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun
-langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was;
-en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van 't seizoen,
-dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den
-snavel aan de vetklier gebracht te hebben.
-
-Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje,
-dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart
-en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn
-langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is
-een echte visscher,--de "Martin-pêcheur" der Franschen,--en zit met
-een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer,
-dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der
-zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste
-plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin
-moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en
-rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar
-al te zeer aantrekt: "l'oiseau bleu" wordt waarlijk zoo dikwijls te
-vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten
-glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt!
-
-Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes,
-die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat
-dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik
-des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien
-zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn,
-natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch
-de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte,
-schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft,
-om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van
-zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals
-andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes
-met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts
-aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele "pluimagie",--zooals
-onze overgrootouders den vederdos noemden,--een zeer los karakter
-krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder 't malen veel meer
-leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier
-plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als
-de uilen 's nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel
-muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle
-andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting
-dadelijk in 't oog springen.
-
-Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering
-van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,--het vindt allicht zijn
-voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der
-beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst
-en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze
-heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld
-spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels,
-door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten
-broeden, de sperwer,--een havik in het klein,--is een echte roofvogel
-en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt
-wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en
-zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer,
-want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor
-vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk
-deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij
-een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer;
-bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen
-beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt
-dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor
-hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was,
-van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken
-voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder
-dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG.
-
-
-Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan
-heeft, die den titel droeg van "Graaf van Rome". Maar er is eene
-oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje
-een teekenachtig avontuur wordt verteld.
-
-De graaf van Rome dan, "een man van eer en ridderlijke deugden",
-wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten
-naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen;
-zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht
-daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles
-behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van
-een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng
-liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij,
-die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den
-ploeg moest trekken:
-
-
- "am pflug da must er ziehen
- viel lenger denn jar und tag,"
-
-
-zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd
-van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte
-om genade en vrijheid; doch de koning "zwoer bij zijne kroon", dat
-hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om
-kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen "in
-diep leed" de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: "laat ik mijne
-vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan
-geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome." Zoo
-gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de
-vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren;
-en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien
-"in 't geheim", en "het hart werd haar koud wegens den toestand van
-haren heer". Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen;
-dat het voor een vrouw niet paste "over de wilde zee" te varen;
-maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra
-echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat
-zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene
-tonsuur scheren; en daar zij "lezen, schrijven en nog heel veel meer
-doen" kon, en ook in 't snarenspel bedreven was, hing zij de harp
-en de luit op zijde en--reisde zoo den bode na. De zeereis duurde
-drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten,
-begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig
-en met welgevallen te luisteren. "Zij herkende hem wel, maar hij haar
-niet". Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te
-gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen;
-hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan
-land gestapt waren, samen verder, "over bergen en door diepe dalen"; en
-zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak,
-de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was.
-
-Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar
-spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong "veel vreugdevolle
-woorden"; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit
-beter gehoord hadden. Zij werd onthaald "op wildbraad en op visch",
-verheugde zich "in haar binnenste" dat "hare zaak zoo goed stond", en
-speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk,
-en al de heidenen, ('s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen.
-
-Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij
-treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich,
-dan zich "dood te moeten werken". De vrouw intusschen, in hare
-vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en
-haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom
-zij op den toren van 't kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg
-in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk
-kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in 't spelen, en
-bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen,
-wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem
-"eene gouden kroon en een schepel vol goud", en verzocht hem die
-niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig,
-dat "zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen", en hij zulk
-loon niet begeerde. "Maar", voegde hij er bij, "om één geschenk wil
-ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen,
-noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het
-veld den ploeg trekt." De koning antwoordde beleefd: "Heer, neem dien,
-als gij hem verkiest"; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor
-den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad:
-"bedank den avonturier, die u verlost heeft."
-
-Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij
-geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en
-dat "de avonturier" zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte
-tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd
-was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee
-zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging
-wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en
-belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en
-wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor
-had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar
-opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het
-hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals
-zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik
-de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:
-
-
- "das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!"
-
-
-Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk
-moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt
-en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een
-soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek
-een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het
-hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.--Ik
-denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg
-zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste
-sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder
-winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar
-ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari,
-als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het
-eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des
-te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke
-streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag
-belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig
-geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog
-zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen,
-rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen
-getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter
-een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te
-voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af,
-van den eenen akker op den anderen, in 't gezelschap van musschen en
-kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... 't
-Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat
-stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een
-schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.
-
-Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet
-nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen
-onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een
-man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient
-daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen
-machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels;
-en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom
-te hebben, als iemand die zich op "rechtlijnig teekenen" toelegt.
-
-"Maar 't is een erg eentonig werk", dus brengt misschien iemand in
-het midden; "en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze
-wijze wordt gesleten."
-
-Hoor eens,--is dan mijn antwoord, de "Graaf van Rome" werd zelf
-voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet
-te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,--slaven,
-lijfeigenen,--trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe
-grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die
-moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen
-landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans,
-bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt,
-maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig
-zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger,
-die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn
-lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard,
-waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden
-arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink
-bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken
-arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij
-ploegt in 't najaar, opdat de omgeworpen grond zou "doorvriezen",
-d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de
-opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten
-en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze
-tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in 't voorjaar,
-maar dan is het wegens tegenspoed in 't werk. In de lente en den zomer
-doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien,
-als hij die kunst verstaat,--want ook dat is een kunst, of voor het
-minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers;
-ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er
-altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,--vooral
-waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en
-welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik
-bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee "dobbelgewassen",
-die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden
-om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk
-tot bouwland te maken, (ze te "scheuren").
-
-En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg
-vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in
-de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel
-aanbrengen--in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt
-de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote
-sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van
-den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van
-den "vooruitgang" verzekeren van ja. De vrienden van den "goeden ouden
-tijd" schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de
-gevaren die de stoom meebrengt,--in zoover deze door sterke verdeeling
-van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten
-van menschen dreigt te maken--zetten een waarschuwend gezicht. Laat
-ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk
-hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om
-dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen:
-van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij
-geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding
-te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan,
-beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-GROENBLIJVENDE BOOMEN.
-
-
-Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, zat ik in den trein
-met twee bejaarde freules. Zij waren door een dikken livreiknecht in
-den wagen en aan haar bagage geholpen, en begonnen zich al spoedig
-over te geven aan 't genot van den tocht. Het was mooi weer en het
-landschap deed dat goed uitkomen. Ik kreeg een soort van sympathie
-voor mijne reisgenooten, ten eerste om haar warme geestdrift en
-bewondering voor al het schoons dat wij voorbijvlogen, en ten tweede
-omdat zij zich, ondanks de nederlandsche etiquette, niet ontzagen
-die bewondering tegenover mij, onbekende, te uiten. Wij spoorden
-nu door bosschen en dan weder over de heide; en eensklaps, nadat
-wij een paar minuten tusschen hooge dennen heengetrokken en aan een
-gehakte opening gekomen waren, riep eene van de dames in verrukking:
-"Och, Keetje, kijk die snoeperige Conifeertjes, daar vlak bij dat
-sparrenbosch!" Zij meende blijkbaar de twee- of driejarige dennen
-zelven, die hier van de vrijgekomen lucht en ruimte gebruik maakten,
-om zich krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb
-kunnen weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige
-buurvrouw. Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon
-en begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder "Conifeertjes"
-door sommigen verstaan worden: niet al te groote, groenblijvende,
-pyramidale boompjes;--(een zin waarin, zooals ik later bemerkte,
-het woord dikwijls op prijscouranten voorkomt).
-
-Tot dergelijke "Conifeertjes" zullen wij ons thans terug dienen te
-trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In stadstuintjes, vooral
-in de zeer kleinen, (vóór aan de straat, achter een ijzeren hekje),
-plegen zij een groote rol te spelen, en vormen daar wat de Engelschen
-hun "shrubbery" noemen.
-
-Op Hulst, Jeneverbes, Taxis en misschien nog een paar anderen na, die
-hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de meeste van die groene
-dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd vaderland afkomstig. Om
-met de eigenlijke Conifeeren (Kegeldragers) te beginnen: van onze
-eigen spar en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante
-soorten uit den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een Pinus Cembra,
-wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die van onzen
-gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van zuidelijk
-Europa. Daarnaast prijkt een echt Cedertje "van den Libanon". Die
-kleine Balsempijnboom of Hemlockspar, zooals hij tegenwoordig hier
-genoemd wordt, komt uit Virginië. De Cypres vertegenwoordigt ons
-de grieksche rouwplechtigheden; en die Araucaria met hare stijve,
-breede, geschubde armen,--is 't wezenlijk een levend boompje of een
-kapstok?--hoort in Brazilië tehuis. Uw Thuya is een Noord-amerikaan,
-ofschoon reeds sinds lang hier burger geworden, en met den naam
-van "Arbor vitae" vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van
-"Levensboom" hoort spreken, daaronder heel iets anders vermoedt dan
-de Thuya's, die de nederige rol vervullen van, op zijn binnenplaats,
-het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch worden werkelijk
-slechts deze er mede bedoeld.
-
-In uw groene heesterperkje staan intusschen ook verscheidene
-niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander loof-karakter. De
-Aucubas, met haar gevlekte laurierachtige bladeren, komen uit Japan,
-evenals de bonte Evonymus, een groenblijvende nabestaande van ons
-Papenhout. De Ledum groeit in 't wild in Polen en Bohemen; de Arbutus
-Unedo in Italië en 't Zuiden van Frankrijk; de Kalmia, die, bij goede
-verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig bruidskleed
-zal prijken, in Noord-Amerika.
-
-Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe meer wij deze
-trouwe winter-heestertjes waardeeren. Doch ook: hoe winterachtiger het
-om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen doen verlangen naar hun
-vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het landschap. Ik spreek nu
-niet voornamelijk van de "eeuwiggroene myrthen en laurieren" en hun
-zuidelijker klimaat. Ik wensch onze noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en
-de afwisseling, die zij in het natuurschoon en in het maatschappelijk
-leven aanbrengt, volstrekt niet te ontvluchten; maar juist omdat die
-witte vlokken zoo goed staan op de takken van dien kleinen spar voor
-'t venster, doen zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan
-naar streken, waar men ze in 't groot op groote sparren kan bewonderen
-in niet alleen groote, maar grootsche verhoudingen.
-
-Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen hoekje, een smal
-dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het dal de rivier
-zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te beslissen,
-maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij onafscheidelijk aan
-elkaar verbonden. Ook ten opzichte van 't geen de menschenwereld
-aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker in 't geheel niet
-bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige ding zich zeer hulpvaardig
-tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu dient het dal tot woonplaats
-aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf de voortbrengselen van
-het bergland verwerkt. Het waterrad drijft "molens" van allerhande
-soort en grootte, o. a. een paar papier- en glasfabrieken. Ook levert
-het riviertje het geheele jaar door overvloed van bruikbaar water,
-en op den koop toe forellen en krabben. Bevaarbaar is het nooit,
-maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; in 't voorjaar, als de sneeuw in
-het gebergte begint weg te dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals
-alle anderen; doch de plaats der meeste huizen is wel zóó gekozen,
-dat die tegen hare mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een
-en ander geeft aan dit valleitje iets behagelijks en menschelijks,
-zonder daarom aan den diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te
-schaden. Die indruk wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte
-der bergen ter rechter en ter linkerzijde, en door de kronkelingen van
-rivier en dal, meestal ook vóór en achter,--zoodat men schijnbaar
-geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar slechts
-vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot boven,
-begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per spoor
-die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken van
-'t gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station uitgestapt,
-nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, ontmoetten wij,
-op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout dan sparren,
-dennen, Weymouthspijnen, enz.
-
-De meesten onzer weten zich zoo'n dal te herinneren, hetzij in
-den Harz, het Schwarzwald of misschien in Zwitserland; en roepen
-zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste partijen voor den
-geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er intusschen
-wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er onwillekeurig
-naar bergpaden, om, als 't ons al te bang om 't hart mocht worden,
-spoedig den gezichteinder te kunnen verruimen. En als wij op een
-mooien zomerdag daar nederzaten, kwam dikwijls de gedachte in ons
-op: "Hoe somber moet het hier des winters zijn!" Dan rekenden wij
-echter buiten de sneeuw, die ten eerste een groot deel van de door
-ons vermoede wintereenzaamheid en afgeslotenheid wegneemt, door
-het vlug en vroolijk sleêverkeer, en ten andere de somberheid der
-groene bergwanden breekt door haar tintelend wit.--Denkt u een mooien
-Februaridag, met vorst maar zonder wind. Op elken boom ligt zooveel
-sneeuw als hij maar dragen kan zonder te breken: de veerkracht van de
-breede takken wordt op een zware proef gesteld; zij buigen dóór onder
-hunnen reinen last. De spitse toppen van de sparren en de vlakke kroon
-der dennen wisselen elkander sierlijk af tegen den blauwen ether;
-en al de duizend groene twijgjes, die tegen de sneeuw afsteken,
-bewaren 't landschap voor eentonigheid. 't Is Vrouwendag: er zal een
-groote sledevaart gehouden worden. De zon beschijnt en koestert u,
-en betoovert de sneeuw; en haar stralen dringen door in de diepte der
-bosschen, en lokken hier en daar een kudde herten naar hun zoom. Gij
-glijdt voort in een ijlende vaart, maar toch niet zóó snel, of gij
-kunt de schoonheid om u heen naar hartelust genieten. En zoo de dag
-al kort is, des avonds komt de maan op, en verlicht den terugtocht
-op haar wijze.... Wie dat eens in vollen glans heeft bijgewoond,
-vergeet het niet gemakkelijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-EEN OUDEJAARSWANDELING.
-
-
-Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om ons heen ziet er
-verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en de nachten
-zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en slapen.
-
-Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou hebben, ook maar
-op die manier te overwinteren, en eerst met de lente weer voor den
-dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u dikwijls sombere,
-neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop gij meer kans
-hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer ontvankelijk
-zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts één greintje
-veerkracht in ons over is, herstellen wij ons doorgaans dadelijk in
-het besef, dat een mensch meer is dan een visch of een marmot. Ik
-voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor de opwekkelijke prikkels
-van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij altijd, als ik op het punt
-ben mij door mist of "waterkou" te laten nederdrukken. Vaak, als het
-leven mij op de eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte
-slechts in 't oog kon krijgen, één blik op den blauwen hemel met zijn
-lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn dat ik
-geboren was, al ware het alleen maar voor 't plezier van deze schoone
-tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij dreigde mee te
-slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek van uitval
-niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in onzen geest
-gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht boven deze
-wet verheffen.
-
-Men heeft van oudsher veel gesproken over de scheppingskracht van den
-menschelijken geest. Zij stelde hem in staat om ruwe grondstoffen
-voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en om telkens meer
-verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken arbeid uit te
-vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke welvaart. Door
-de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de wereld hem te
-zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad der kunst. Hij
-verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel, en noemde
-dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de menschelijke
-scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen edeler, geen die
-hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al de dwaasheden en
-troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer geluk schenkt,
-dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de onvolkomenheden
-van al wat hij kent, toch aan zekere volmaaktheid te gelooven.
-
-Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar, en er zijn
-dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen gemoedsleven doordringt,
-en verzoening zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders
-slechts met afleiding behelpt. Ook in dit bosch zingt "ieder vogeltje
-zooals het gebekt is." In elk mensch die over deze dingen nadenkt, doet
-de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst naar volmaking
-zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze laatste wandeling
-tracht weer te geven, hoe mijn "geloofsbelijdenis" zou uitvallen,
-zoo ik die, als van ouds, in "twaalf artikelen" moest samenvatten. Van
-weten is hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet.
-
-
-
-Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk bezorgen.
-
-Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin, waarmede wij
-onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de omstandigheden,
-al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze krachten en
-talenten--in harmonie weten te brengen.
-
-Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting, is in
-dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit
-volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere
-beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver
-beneden zijn ideaal;--nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is
-voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne
-eigene kracht, vaardigheid, "inspiratie" te kort schiet.
-
-Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek streven, naast
-zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, nog een ander, hooger
-voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van harmonie.
-
-Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat hetwelk
-ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo harmonieus
-mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het grootere,
-passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en machteloos
-gevoel), ook op harmonie moet berusten.
-
-Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al struikelend en
-opstaand, en met schade en schande en inspanning ervarende, op
-welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand komt,--word
-ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des te rijker is
-naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in verwerkt worden,
-en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste botsingen,
-welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar een meer
-samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij behooren.
-
-Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met mijne
-persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al het
-lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,--niet het minst de botsing
-tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht van
-verval en vergankelijkheid,--er, om een muzikaal beeld te gebruiken,
-vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich slechts
-bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie.
-
-Alleen echter op ééne voorwaarde kan ik in mijn "dissonant"schap
-berusten:--dat ik nl. den mogelijken Kunstenaar van de "symfonie" mag
-vermoeden, Hem vereeren en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar
-te wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn
-steun te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid
-mij pijnigt.
-
-Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden Maker niet
-berust op eenigerlei wetenschappelijke kennis van zijn wezen; maar
-ik ben boven alles dankbaar voor de kunst, die mij in staat stelt de
-gedachte aan Hem te scheppen.
-
-Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan schoonheidswetten
-onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit gebied is
-wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,--tot dogmatiek
-verstijft,--ontaardt de poëzie van 't religieuse leven. De eerbied
-zelf voor mijnen onbekenden Maker leert mij ten zijnen opzichte
-bescheidenheid.
-
-Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne levensopvatting en
-mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte godsdiensten. "Gelijk
-het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt ..." ook mijn
-ziel, op mijne wijze, naar den Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij
-bewust ben te behooren. En indien de geschiedenis verhaalt van iemand,
-in wien het gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was,
-dat hij in gemoede kon getuigen: "Ik ben niet alleen, want de Vader
-is met mij," dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met
-zulk eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht,
-zeer wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande
-uit eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit van
-joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord.
-
-Het behoort tot mijn verdriet in 't leven, dat er op het gebied van
-vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig gezelligheid heerscht in
-de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na aan 't hart ligt, zoo
-weinig verkeer is onder levende menschen, en men zich grootendeels
-moet vergenoegen met menschengeest-extrakt,--nl. uit boeken.
-
-Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een wanklank, die
-opgelost wordt,--of worden zal,--gedeeltelijk door ons eigen toedoen:
-daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig naga, wat er in zijn
-beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de diepte van zijn
-geestelijk leven omgaat.
-
-
-
-En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje:
-
-
-
- Gelukkig Nieuwejaar!
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Men bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene
-uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche
-soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken zijn.
-
-[2] Ik verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk
-een paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter
-van één- en twee-zaadlobbige planten in volwassen toestand uitgedrukt
-wordt; zoodat men niet telkens, om het sterksprekend onderscheid
-tusschen deze beide afdeelingen van het plantenrijk aan te duiden,
-zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode van iederen boom behoeft
-terug te gaan!
-
-[3] Te Dortmund in Westfalen staat,--stond althans voor een paar jaar
-nog,--een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het spoorterrein,
-tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is een punt
-waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet inéénloopen),
-was een heuvel uitgespaard van een voet of drie in het vierkant;
-en daarop stond een steenen bank, waarop weleer veemgericht gehouden
-werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde, met nog slechts één
-levenden tak.
-
-[4] Houttuyn. "Natuurlijke historie."
-
-[5] In dezer voege:
-
- Jänner. Nivôse.
-
- Mittwoch 1 Neujahr. | Primidi 11 Poix.
- Donnerstag 2 Mel D. | Duodi 12 Thérebent.
- Freitag 3 Enoch. | Tridi 13 Argile.
- Samstag 4 Gottfried. | Quatridi 14 Marne.
- Sonntag 5 Simeon. | Quintidi 15 Lapin.
-
-[6] Ik heb later nog meer jaargangen van dien almanak in handen
-gekregen. De natuur-heiligen-kalender bleef alle jaar hetzelfde. Het
-speet mij er geen van een schrikkeljaar machtig te kunnen worden,
-om na te gaan hoe in dat geval voorzien werd.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN ***
-
-***** This file should be named 52479-8.txt or 52479-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52479/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/old/52479-8.zip b/old/old/52479-8.zip
deleted file mode 100644
index 66e70e5..0000000
--- a/old/old/52479-8.zip
+++ /dev/null
Binary files differ