diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-06 01:31:15 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-06 01:31:15 -0800 |
| commit | 901e226ba72f1d0b73b1ab8f18d4a704d288163d (patch) | |
| tree | e48daaa313ab99bc24f5406610c423f3556f8626 | |
| parent | 3f2de3f01bb2e24569b63f07ea21099ed6f36b04 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52479-0.txt | 6456 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52479-0.zip | bin | 144695 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52479-h.zip | bin | 252492 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52479-h/52479-h.htm | 7508 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52479-h/images/cover.jpg | bin | 80597 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52479-h/images/titlepage.png | bin | 11178 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/old/52479-8.txt | 6456 | ||||
| -rw-r--r-- | old/old/52479-8.zip | bin | 144469 -> 0 bytes |
11 files changed, 17 insertions, 20420 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..d3d68a3 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #52479 (https://www.gutenberg.org/ebooks/52479) diff --git a/old/52479-0.txt b/old/52479-0.txt deleted file mode 100644 index 6224564..0000000 --- a/old/52479-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6456 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Natuurfantazieën - -Author: G. Carelsen - -Release Date: July 2, 2016 [EBook #52479] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - NATUURFANTAZIEËN - - - DOOR - - G. CARELSEN - - Schrijfster van: Brieven van een Landmeisje, enz. - - - - HAARLEM - H. D. TJEENK WILLINK - 1881 - - - - - - - - -INHOUD. - - - blz. - - I. Een Nieuwjaars-wandelpraatje 1 - II. Meeuwen 6 - III. Bloemen voor het venster 16 - IV. Sprokkelmaand 26 - V. De lange lente 33 - VI. Bij een schaaltje kievitseieren 39 - VII. Rondom een molshoop 48 - VIII. Palm-Paschen 53 - IX. Tulpen 57 - X. Hei, 't was in de Mei! 63 - XI. Een Engelsch landschap 68 - XII. In den bloeienden boomgaard 74 - XIII. Bouquetten 78 - XIV. Een dubbele boodschap 82 - XV. Een boschtooneeltje 88 - XVI. Op de bloemmarkt 98 - XVII. Aan de Noordzee 102 - XVIII. Een kastanjeboom 111 - XIX. Een inlandsche arend 115 - XX. Eene linde 118 - XXI. Tapijtbedden 124 - XXII. De poëzie van het groenten-schoonmaken 129 - XXIII. Korenbloemen 135 - XXIV. Een bergtocht 140 - XXV. Ouwerwetsche bloemen 148 - XXVI. Augustus 154 - XXVII. Bloemen langs den weg 160 - XXVIII. De lotos 165 - XXIX. Ons wier-eiland 170 - XXX. Najaarsbloemen 179 - XXXI. Een tragedie in den moestuin 187 - XXXII. Een natuurkalender 191 - XXXIII. Jacht en wild 197 - XXXIV. Gesloten? 205 - XXXV. Wintervogels 209 - XXXVI. Vóór of achter den ploeg 217 - XXXVII. Groenblijvende boomen 225 - XXXVIII. Een oudejaarswandeling 231 - - - - - - - - -I. - -EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE. - - -Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles goeds toe, lezers -en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon.... - -Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel willen dat ik -veler menschen pad "met bloemen kon bestrooien", zooals de aloude -spreekwijs luidt. Maar in de gegevene omstandigheden kan ik niet meer -doen dan: hopen dat ik hier en daar iemand een verkwikkelijken indruk -bezorgen moge door de lezing van dit boekje. - -"Natuurfantazieën" heb ik het genoemd. Nu is "Natuur" een -van die groote woorden, welke, evenals hooge boomen, veel wind -vangen,--namelijk veel "wind van leering"; het is een woord waarvan men -dikwijls niet recht weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er -soms een nauwere, soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven, -b. v. nu eens de geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den -mensch, hetzij geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik -dus maar dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den eenvoudigen en -voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het minstens -ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de wolken, de aarde en -het water, de bloemen en het groen, de vogels en de vlinders rondom -ons,--zij zijn de aanleiding tot deze mijn bescheiden "fantazieën". - -Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad bewonen, -wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen tot -de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning ten -volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst -van wandelen te verstaan. - -Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het wandelen -op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de "vrije -natuur". Doch als alle anderen dient zij beoefend te worden, eer -men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te gebruiken, -dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet geleerd -heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik van -zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig -aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den -slag niet van hebben. - -Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en beschikkingen maakt, -kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen om, naarmate de -omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik zou bijna durven -zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en dan vergunnen. "De -meeste kwalen en verdrietelijkheden komen tegenwoordig van de zenuwen, -en de zenuwen komen van de boeken." Ziedaar de zeker niet zeer -wetenschappelijk geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking, -waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer -beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel -wandelt, minder gevaar loopt van onder "de boeken" begraven te worden -dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, desnoods met -inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe langer hoe meer -blijken goede medicijn te wezen voor "de zenuwen",--zoo doet elk wèl -die daartoe zijne maatregelen neemt. - -Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? Rückert heeft eens, in -een al of niet gemeende vlaag van menschen-verachting, den zonderlingen -raad gegeven, de menschen te vermijden en zich zooveel mogelijk onder -bloemen te bewegen; "dan zullen", voegt hij er ten slotte goedmoedig -bij, "de bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die -niet beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!" Nu hoop ik -hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen -van "de menschen" te verachten of te haten; maar voor ieder onzer -komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke instellingen, -maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen gebukt gaan, -er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, op het -punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf te verslappen, -hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan weet ik dat de -dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met "bloemen",--in -het algemeen met de "natuur",--als een weldadig middel aanbeveelt. - -En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen schuld hebben, -maar die ons voor een wijl doen duizelen, eer wij ons recht rekenschap -weten te geven van hetgeen er gebeurd is en hetgeen ons te doen -staat,--ook dan is de stille omgang met die "natuur" een weldaad. Wij -moeten dan van haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven: -geen antwoord van haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn; -ons niet verbeelden, dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet, -zij troost niet onmiddellijk; maar dà à rin ligt voor een groot deel -haar genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder -afleiding van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust -en verzoening te geraken. - - - -Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat er niets te -wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste helft van 't -jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat Januari minder -koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, boschrijk landschap -meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige binnendijk met -een rij knotwilgen tot eenig sieraad.--Doch,... zal ik vertellen -hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van heb leeren -waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te loopen, in weer -en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een landstreek zoo -arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid laat denken: -een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. Doch bij -gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en als er -dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de verte, -en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den gezichteinder, -en oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten ontsnappen. En -ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te zien kreeg, -wel zoo'n genot van ieder kleurenspel en lichteffect gehad zou -hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die schijnbaar zoo -onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst gunstige seizoen om -te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de mogelijke wandelwegen -rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te hebben plat getreden, -zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In dat geval wensch ik u -toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens wat verder rond te -kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere schaal. Doch juist met -het oog daarop zou ik lust hebben u eenige vragen te doen als: Zijt -gij goede vrienden met de boomen die in uw nabijheid groeien? Welke -vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek hebt gij in de buurt de -mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij om dezen tijd van -'t jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat een mees of een geel -kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u gisteren voorbij -vloog? En hoelang zou 't nog duren eer de kwastjes, waarmee nu reeds -de elzen zijn behangen, zich tot stuifmeelbloemen ontwikkelen? - -Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat. - - - - - - - - -II. - -MEEUWEN. - - -Wij zaten vroeg in 't voorjaar aan de open tafel in een Amsterdamsch -logement. - -Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier wat de Franschen -daarvoor plegen te zeggen: "On parlait la pluie et le beau temps." - -"Mooi weer vandaag!" - -"Het zal niet lang zoo blijven." - -"Waarom niet?" - -"Er zit zoo'n bank in 't westen." - -"Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien vliegen." - -"Dat geeft regen!" - -"Dat geeft sneeuw!" - -"Dat geeft nachtvorst!" - -"Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op één punt zweven, dat -is altijd een goed teeken." - -"Als zij duiken, dat is een slecht teeken." - -"'t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, om haar voêr te zoeken." - -"Wat zouden zij dan eten?" - -"Insekten en visschen." - -"Ik geloof niet aan meeuwen." - -"Ik wel." - -"Wat gelooft u er dan van?" - -"Wel, dat ze weêrwijzers zijn." - -"Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen is er storm op -zee. Ze waarschuwen de schepen." - -"Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een ander dier." - -Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan met deze -heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel mogelijk op -hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik niet weet, -welk soort men daar op het oogenblik vóór had. De kenners maken een -groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of kapmeeuwen. De -laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de jaargetijden -wisselt, zoodat zij 's zomers een zwart kapje schijnen op te hebben, -zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. Zij nestelen in het -riet, aan de boorden van meren, rivieren en plassen, vliegen hier -van April tot September rond en gaan dan naar warmer streken. Zij -leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, door o. a. groote -hoeveelheden meikevers te vernietigen. - -De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij zijn -trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het -winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en -eerst als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker -afzakken, en ons zeestrand, den buitenkant van onze dijken en duinen -bevolken. Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van -den winter een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar -barre, zeer onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling -in de natuur, zijn loon meebrengt. - -Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar al te goed -kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een vuilwordende -laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch landschap al -wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, doordien water, -land en zwerk éénzelfde vervelende tint hebben. De zee echter is dan -nog niet bevroren; haar zoutgehalte en haar altijddurende beweging -houden dit lang tegen; en de duinen... zijn dezelfden die zij in -Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat opgewaaide sneeuw, -die hun niet slecht staat. Als in elk ander jaargetijde, bieden zij -ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke ontspanning aan voor -den langs rechte vaarten en vlakke dijken afgematten blik. - -Op 't strand kunnen wij ons vermeien in 't aanschouwen van dat -zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee noemt; en -het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in 't oog. Een paar -zwarte stipjes op het water doen zich weldra als zwemmende zeeëenden -kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of wat plevieren en -strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien zijn ook hier -natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te zien. Maar -de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al zeer -gemeenzaam met haar moeten wezen, om op een afstand uit te maken, -of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of wel -"Burgemeesters" zijn; doch om het algemeene meeuwkarakter aan haar te -herkennen, behoeft men juist niet "wetenschappelijk gevormd" te wezen. - -Met lust blijft onze blik rusten op die licht-blauwgrijze groep. Welk -een leven en beweging, welk een verscheidenheid van stand en -houding! Juist dit maakt een troep meeuwen zoo behagelijk om aan te -zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo van-alle-markten-t'huis--men -zou bijna zeggen, zoo "veelzijdig ontwikkeld" zijn. Zij kunnen, wat -slechts weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en -goed zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend -als zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het -kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn -zij blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en -vaste woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort -te bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik -nimmer zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de -meeuwen, wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en -bevalligheid tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen; -welk een kracht in het zweven en "staan"! Misschien werkt de zilvertint -iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te maken, maar -stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en bewegingen te -danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op het water, -hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, ofwel -bijna onbeweeglijk boven op de golven dobberen, zoo licht en luchtig -of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin van duikelen, zoo -als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich omlaag buigt, -terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen niet; maar zij -zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder water te duiken, -als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog gekregen hebben; -en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook over haar heen -slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er zich minder -behaaglijk om voelen. Maar 't zij zwemmend, of vliegend of dobberend, -zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog een onafscheidbaar -deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten dit. Stelt u een -"zeestuk" zonder meeuwen voor: gij zult er iets op missen, al weet gij -niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit Heine's "Meereslieder", -en zij verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden. - -Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten vliegen, aan -ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die vraag meent -of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er "ja" op te -antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in kleinen getale ook hier te -lande broeden, en dus als het ware hier, wat de oud-Hollanders kantoren -of factorijen plachten te noemen, aangelegd hebben; doch de groote -menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. Het echte land der -meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, en de op diezelfde -breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een der mooiste soorten, -de drieteenige meeuw, zoo genoemd om de eenvoudige reden, dat zij -slechts drie, door twee zwemvliezen vereenigde teenen, en niet ook -nog, als anderen, een kort, achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij -zwerft in 't gure jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier, -en zelfs aan de fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit -beneden de 58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze -als de eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart -en blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet alleen -tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig noorsch -landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen afwerpen, -wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. In enkele -streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is men -het eens, dat dit te "visschig" is om lekker te wezen. Trouwens -dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend van -visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid: -zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven -dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar -ik nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of -deze niet ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou -mij zeer bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel, -met grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of -op vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls -zeer moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa -der meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde -vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den ganschen -zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van -een plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half -Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten, -ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar -komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug, -waarvan de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert. - -Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, toen hij -voor 't eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog kreeg. "Toen -ik mij gereed maakte voor mijne reis naar Lapland," vertelt hij, -"had ik een aantal beschrijvingen van deze vogelkoloniën gelezen, -en ik twijfelde volstrekt niet aan hare betrouwbaarheid. Maar nooit -zal ik den Julidag vergeten, waarop ik Kaap Svarhollt (niet ver van de -Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst een "vogelberg" aanschouwde. Wat -ik zag was een kolossale muur, als het ware een reusachtige lei, -met duizenden witte puntjes overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein -had een van zijn geweren voor mij met los kruit geladen, om de vogels -te verschrikken. Zoodra dit was afgeschoten, maakten zich die witte -puntjes voor een deel van hun donkeren achtergrond los, naderden, en -bleken de gedaante van vogels, van sierlijke meeuwtjes te hebben, en -verspreidden zich over de zee; maar in zulk eene ontelbare menigte, dat -zij mij aan een sneeuwval deden denken, die plotseling was losgeraakt -en nu in groote vlokken ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter -beeld voor, dan dat het gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De -zee was er mede bedekt zoover mijne goede oogen reikten; en ondanks -dit alles scheen de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was -nu overtuigd, dat vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik -moest zelf erkennen, dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld -van te geven aan iemand die het zelf niet gezien heeft." - -Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts afzakken, -en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich hier -geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks -genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog -slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns -of Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens -alle meeuwvogels "Visschenpikkers"). Ook hun lastige vijanden, -de roofmeeuwen of zoogenaamde "Jagers", volgen haar zuidwaarts, al -hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen als tehuis in den -broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote schrik der broedende -menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste moeite kost, -de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; 's winters daarentegen -geldt de roof slechts den een of anderen door hen veroverden buit. De -"Jagers" namelijk hebben de gewoonte om andere meeuwvogels zoolang -te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, hun vaak reeds half -verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en die dan met groote -behendigheid op te vangen eer zij den grond of het water bereikt. Nog -een anderen harer noordsche landgenooten, den eigenlijken Stormvogel, -treffen zij hier somtijds aan, maar toch slechts in kleinen getale; -van dezen echter hebben zij niets kwaads te vreezen. - -Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van koude terug -vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan men zeer -wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een genoegelijk -leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, ons -te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure -jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor -de natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries -zulk een angst en afkeer hebben. "Nu ja," zal men zeggen, "daarvoor -zijn het zwemvogels." Doch is niet juist dit het belangrijke bij -ons natuurgenot: na te gaan wà t een zwemvogel tot zwemvogel maakt -en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat is het dat het -kleed der meeuwen en der eenden zoo waterproof doet zijn; en wat -stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge vlucht eens vogels -en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? Vlechtwerk moge -geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al zij het slechts -vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht geven het -zoo te noemen. - -Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude, -die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun -vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen -en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: 't is als er -storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk, -onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of -wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk -maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet -gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid -der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs -vele volwassenen hun "humeur" niet boven dergelijke invloeden kunnen -verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene "redelooze meeuw" -daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen -de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem -wonende, hoorde ik dan vertellen, dat "de Zandvoorders hun duiven -loslieten". Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de -rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar -niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater -ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe -vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen -amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar -zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds -een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet -ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen, -die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander -dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo -heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur, -een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer -Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den -wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de -meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en, -in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam -wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar. - - - - - - - - -III. - -BLOEMEN VOOR HET VENSTER. - - -Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne -wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij -het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als -sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig -te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe -vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij -brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets -anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen, -waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde -die er voor bloemen heerscht. - -Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen -het feestelijke van onze feesten,......... - -Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot -en klein, vooral voor 't venster, zelden aan "een bloemetje" -ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt -doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige, -gezellige, verkwikkelijke menschen, "gelukkig voor zich zelven en -een ander," zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan -vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun -eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich -doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk, -vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting, -zoo goed als een gordijn, een chassinet of "horretje". Maar terwijl -eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter -blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes -uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een -stuursch: "Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken",--verbiedt -dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en -groet als 't ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf -de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl -er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat -nader bekijken. - -Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de -Begonia's. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze -variëteiten, van de "ouderwetsche" eenvoudigsten, met donkerroode -bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen -en zilver. - -Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,--drie dingen trekken -bij alle Begonia's, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten -eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad, -waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben, -wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee -helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten, -hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de -plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede: -de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de -anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen -zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen, -vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate -zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde -aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer -in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij -elkaar staan.--Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de -jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit -Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas, -geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene -hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds -in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot -het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt -niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst. - -Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange, -dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen -verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan -denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk -drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan -ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein -zijn als de, minst in 't oogloopende, witte, van de oudste soorten, -of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez, -zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de -fraaie "bolbegonia's" over; de gewonen zijn en blijven in de eerste -plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren. - -Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche -bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte -bladeren--wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid -dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is--doen zich aan -het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al -te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen -wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig -aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of -veranda's, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer -sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den -tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een -dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den -bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste -van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den -regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons -de kleurenwisseling van 't loof alleen normaal doet voorkomen gedurende -den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?-- - -Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort -de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden, -teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met -zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven -uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene -menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven -op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot -haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid -tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen -zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen, -gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf -afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien, -zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de -bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel, -afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den -stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo -spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo'n kroontje van hare -plant loslaat in volle kleur en frischheid,--'t is kinderachtig, -maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan -vast te willen maken. - -Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula's op den kouden -grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of -"Primulaveeren", of "Bakkruidjes", zooals de tuinlui ze plegen te -noemen; de "Primevères" der Franschen en de "Primroses" der Engelschen. - -En dan hebben wij ook inlandsche Primula's, sleutelbloemen die hier -in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige -bosschen en herkent ze dan aan haar "faux-air" van de in den tuin -gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen -dan hier; althans ze bloeit onder den naam van "cowslips" in negen -van de tien engelsche romans.-- - -Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel -haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer- -dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de -kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen, -beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene -plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het, -daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of -men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben. - -Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt -daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied -dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat -al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets -aan, wat men in een mensch "gemaakt" zou noemen. Misschien ligt die -indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg -had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid -heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden -werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve -aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend -struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij -te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar -vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen, -zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen -dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te -zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps, -iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes, -zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen -der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van -een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van -top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak -daar recht vrede mee hebben. - -De kamer-winter-Azalea's doen mij altijd dubbel verlangen naar -een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit: -de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar -vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat -aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen -achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel, -hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden -en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen, -haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere -steeltjes,--dit alles geeft aan het geheel een veel losser en -sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de -andere heeft is... haar heerlijke geur!-- - -Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of -ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind -eene "winterroos" hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op -aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien -tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe. - -Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze "rood en wit bloeien", -en haar geur, volgens Geibel's gloeiende regelen, "gelijk een adem -uit het paradijs over de velden rondwaart!" En ziet dan nog eens -uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in -'t geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos -te lijken? - -'t Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud, -in het doodsch. - -Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle -wintergroen kenmerkt. "Wintergroen" is het door zijn zware opperhuid, -die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als -menschen, die in 't geestelijke "een hard huidje" hebben. In kleur -en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen -eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig -doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad -alles wat inwendig voorvalt. - -Doet ons de opperhuid van 't groene blad aan leder denken,--die van -het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren -dan ook juist in hun Camellia dat "wasachtig" aanzien. Het zou -misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant -heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat -leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in -een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer -onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als -menschen aankeken? - -De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat -men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite -slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien; -en, mits 't een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang, -onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen 't groen laten hangen. Een -gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De -schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft; -de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere -nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat -het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En -haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het -uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder -dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in -die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en -langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag -geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed -doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft -nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen. - -Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak -uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke -eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo -schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de -gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het -fijne tintenspel nog daargelaten,--is niet ieder rozenblad, in vorm -en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen -is toe? - -En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia, -met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of -de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende -lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid -harer twee en drie ongelijke kelkslippen! - -Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!... - -Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde -boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij -dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene -roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen; -als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;--en alle -doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van -het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering -kunnen brengen. - -Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien -sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden -opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst -gun, niet altijd aan 't vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste, -maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk. - - - - - - - - -IV. - -SPROKKELMAAND. - - - -Zoo luidt sinds eeuwen Februari's bijnaam; en in oude almanakken ziet -men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen, -met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken, -om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar -te zamelen. - -"Waar men hout hakt vallen spaanders", zegt het spreekwoord; en niets -is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid, -dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn -er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die -graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos -zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een -boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins -"door merg en been", als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke -hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden, -anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den -aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop -der jaren als het ware een individu is geworden, een "iemand", zonder -wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen; -een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield -voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken, -in 't voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw, -in 't najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des -winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is 't ons vaak of er -een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber -werk verrichten. En is dit niet min of meer 't geval met alle boomen: -brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk, -iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke -Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die, -om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens -denken aan de arabische spreuk: - - - Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen. - - -Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden -aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van -sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge -boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur -gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge -aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder -aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen -van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in -de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig -beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,--omdat men er -meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen, -of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag -geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den -duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje -is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een -boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die -linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit -zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen -wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele -wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste -van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt, -en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En -wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat -een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft, -dat zij "ongezond zijn"? Ik weet een stad, waar vroeger overal, -langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede -punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden, -en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien -men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben, -zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten -wachten tot zij weder groot zijn!--En dan komt het maar al te dikwijls -voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is, -iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt -het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom, -een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat, -op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover -vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in -hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller, -zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels -bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag -men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht -aan haar lot overlaten, als met een "après nous le déluge"? En is -er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in -'t zien opgroeien van wat men heeft aangelegd? - -Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend -is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel -jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus -Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te -doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke -reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer -deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen -trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, "in jammer en in lijden", -en riep "Maria-Moeder, de reine maagd" tot getuige, dat hij gedaan had -wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet, -de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een -wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En -hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat -er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser -doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn -wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met -Wagner's blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem -gedane wonder genot late hebben,--de dorre stok met groene blaadjes -staat daar als lieflijk beeld van de "eeuwige genade", die meer is dan -"straffende gerechtigheid". - -Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die -een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg -geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien -ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in -Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij -namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar -waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt, -zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met -een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming -aan op een vorstigen Februaridag, en moesten "gekuild" worden tot -de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een -stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden, -om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar, -en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en -daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen -liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors, -om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden -beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer -een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van -gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan -dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en -wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van -'t geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste -blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor -iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne -eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid -geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar -de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is -het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij -tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang, -of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij -niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel, -hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten, -bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in -het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds -bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde -jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige -landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon "groen -gewelf" zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van -leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen -in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken -geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein -geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij -Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van -de prachtige houtpartijen rondom 's Graveland bestond niets, totdat -vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde; -en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad -had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer -groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans "de schoonste -beukenlaan van Nederland", de veelgeprezen laan van Middachten is.... - -De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt: - - - "maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht". - - - - - - - - -V. - -DE LANGE LENTE. - - -Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner, -onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die -ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht -had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de -kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders -antwoord: "Voor de lange lange lente."--Eens op een bar kouden dag, -terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij -niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was--werd er -altijd bij verteld--vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor -haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij -gaf hem de zij. Toen haar man t'huis kwam, en zij hem vertelde wat er -gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange -lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger. - -De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot -verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente -zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de -lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden -ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet -zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te -hebben. 't Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht -is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik -antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en "goed voer en -een warmen stal" zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere -dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse -speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: "Maart heet Lentemaand; -een mooie lente met die Maartsche buien!" Maar men kan het, omgekeerd, -ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren: - - - "Mars, qui rit, malgré ses averses, - Prépare en secret le printemps." - - -In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist -uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij -de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit -opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten. - -Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe "Maartsche lucht" die -velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor -teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor "de Maartsche -bleek"? 't Is haar rijkdom aan ozon. 't Is omdat, in dezen tijd van het -jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht -hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,--om 't even of -hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden -worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel -iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo -schadelijk; zij "pakt hen erg aan" en maakt hen eer verkouden; maar -voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien--neen, -zij het slechts op een gewonen, grauwen--Maartdag één uur goed -doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en -zijn helderheid, hoe "sterk" de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens -te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen -bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen: -de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de -lente eensklaps komt, en "het groen" in een paar dagen "uitloopt", -dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en -dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen -dichter, "tusschen hare buien door lachend, in 't geheim de lente -gereed maakte." Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar, -dat vergoedt zij ruimschoots in stilte. - -Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme -lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles, -wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn -uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden -dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden, -diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo -was het in het voorjaar van 't beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch -bloemkweeker, "geholpen door de Muzen" aldus in een vriendenkring -zijn nood klaagde: - - - OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN. - - Een oude wrok is dus in Zephyrus' gebleven? - Hij schijnt nog niet voldaan met Hyacinthus' leven! - Neen, zijne gramschap treft op nieuw 't onnozel bloed - Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed. - Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten, - Uit Phebus' lieveling tot ons vermaak gesproten. - Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal! - Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval? - Eerst werd Andromeda door 't monsterdier verslonden; - Geen Perseus werd haar ten verlosser toegezonden. - De stevige Atlas, die den ganschen hemel torscht, - Moest bukken voor 't geweld van hagel, sneeuw en vorst. - Pomona gaf den geest! Vertumnus is verdwenen. - Helpt, Goden, mijn verlies in Frankrijk's kroon beweenen! - Fleury is heengereisd, die arme kardinaal! - Colossus viel ter neer; met hem mijn Prins Royaal. - Ach, brave Cicero, gij buktet voor tirannen; - Met u zijn Vrijheid en Het Roomsche Regt verbannen. - Formosa Helena is wederom geschaakt, - En Paris met zijn buit te zaam omkoud' geraakt. - De groote Goliath boog voor 't geweld der steenen, - Maar Koning David's dood moest ik meteen beweenen. - Mijn Ganimedes lag door 's winters hand geveld, - En werd door Arcas naar het starrendak verzeld. - Twee Roomsche keizers zijn, (Vitellius was de eene, - Augustus d'andere), met Nisa laas! verdwenen. - Zelfs Scheba's Koningin, met Koning Salomon - Zijn door 't geweld verdrukt, dat Juno zelfs verwon. - De Morgenster was heen, de Maagd van Dordt geschonden, - De Kroon van Salomon en Hollands Staat verslonden. - Mijn Philomela werd met Theseus omgebracht; - Polyxena op 't graf van Peleus' zoon geslacht. - Hier zag ik Icarus naar d'Eridaan gezonden; - Den dappren Hector aan Achilles' lijk gebonden. - Le Roi des fleurs stierf weg, door hagel (niet van lood), - Regina hield haar man gezelschap in den dood. - De Graaf van Egmond liet in mijn gezigt het leven; - Ik heb Honorius den laatsten snik zien geven. - Hier zag ik Hannibal, daar Cesar ondergaan, - Met Palamedes en Ulyssus is 't gedaan! - De trotsche Phaëton viel met den Zonnewagen; - Parmenio werd kort hierna in 't veld verslagen. - 'k Zag Agamemnon in zijn eigen bloed gesmoord, - En Clytemnestra naast Orestes snood vermoord, - Hier moest ik Orondaat, daar Statira beweenen, - Ginds is mij Pyramus en Thisbe's geest verschenen. - De groote Jupiter vloog met den Arend heen, - De Zilvren Maan werd bleek; en Phebus' glans verdween. - Ik zag Patroclus naast zijn vriend Achilles sneven, - Vorst Priamus den geest aan Pyrrhus' voeten geven, - Het Hert is op den loop, en Pegasus op hol; - Wat van Monarq' du Monde, een allerbesten bol, - Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan staren,-- - (De droes nam mij het paard,--zou hij den ruiter sparen?) - De Sultan is verreisd; King George meê van kant, - En met den Ooijevaar naar 't onbekende land! - 'k Heb Thalia en Mars, en Hercules zien vellen;... - Waar is, o Goôn, de schaar die 'k eertijds konde tellen? - Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld verkwist? - Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist! - - -'t Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook in het jaar 1740. En -daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op onze 52 1/2° N.B., -in den kouden grond planten wil kweeken, die in de Levant t'huis -behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar werpe niet ten slotte de -schuld op ons klimaat! - - - - - - - - -VI. - -BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN. - - -De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft vandaag vakantie weten te -bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij daarvoor aan den -burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het een der eerste -mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes kievitseieren wou -gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik geloof nog meer dan -in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die laatste punten geen -kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste heel bijzonder veel -goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol eieren t'huis komt, -en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn bekwaamheid. Als hij een -"kieft" ziet vliegen, kan hij niet alleen zien waar diens nest is, -maar ook hoeveel eieren daarin liggen, en of er vuilen bij zijn. Hij -heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij in de geheimen van dat vak te -onderrichten; en ik heb ook een en ander van de theorie onthouden, maar -de praktijk heb ik nimmer goed beet kunnen krijgen. Eens heb ik een -nestje met drie eieren gevonden; maar het was meer geluk dan wijsheid -dat ik die niet stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten. - -Intusschen is 't mij vaak een waar genot geweest, om, toen ik nog in -zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen vergezellen. De -kievit is een weidevogel. "De kievit," zegt Brehm ergens, "behoort -bij het karakter van het hollandsche landschap, evenals de alpenkraai -bij het zwitsersche, en de struisvogel bij dat van de woestijn. Hij -doet onwillekeurig denken aan slooten en vaarten, aan zwartbonte -[1] koeien, aan windmolens en buitenplaatsen." De vraag is, of men -dit niet evengoed kon zeggen van andere vogels; de kievit is daarbij -niet aan ons vaderland gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare -Kiebitze bij menigte; in Engeland is de Peewit geen zeldzaamheid, -en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in omloop: - - - Qui n'a pas mangé de vanneau, - N'a pas mangé de bon morceau. - - -(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen wij ons met hun -eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en grof!) - -Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze nederlandsche -vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de weiden. April is -grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor zijn, het gras heeft -zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; en een voormiddag -zwervens door die groene velden levert zijne eigenaardige genoegens -op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van stevig schoeisel, en -ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op lente-zoelheid te -rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp in de vlakte, -waar zijn lange, breede stroom slechts op groote afstanden door een -paar huizen of een boschje wordt gebroken. Overigens, hoe eentonig -dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, zijn er allerlei -onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het alleen maar in -de vogelenwereld. - -Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een stadstuin te bepalen, -zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. Let, om te beginnen, -eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den paal van 't hek zit, -waar wij door moeten. In gedaante en bewegingen komt hij geheel overeen -met het welbekende parelgrijze kwikstaartje; slechts de gele kleur, -het helderst aan het kopje, onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen -uit het zuiden; zijn wijfje zal wel in de buurt zijn, want men ontmoet -altijd een paar bij elkander. De witte kwikstaart nestelt in de boomen -of, evenals de musschen, op het dak; de gele daarentegen houdt zich -lager bij den grond. Hij bouwt geen nestje; hij richt slechts een -kuiltje daarvoor in. Zulks kan men trouwens van al de vogels zeggen, -die met hem de weide bewonen: zij geven zich veel minder moeite voor -hun nesten dan de zangers der bosschen. Daar hebt gij, van zangers -gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij ooit een leeuwerikken-nestje, -met een stuk of drie eitjes of onbeholpen vederlooze jonkjes er -in? Men moet een geoefend oog hebben om het te ontdekken: het is niet -dieper dan duizend andere oneffenheden op een eenigszins hobbeligen -bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en zorgen vrouw Leeuwerik -heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en zoo kwaad als het gaat -bij elkander te houden; terwijl haar mannetje omhoog meezingt in het -concert, en door de geheele wereld gevierd wordt:--zooals trouwens -in meer kunstenaarsgezinnen het geval is. - -De muzikale talenten zijn overigens niet sterk vertegenwoordigd -in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij vliegend, hetzij -loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer weinig -welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: Grutto, -Tureluur, Kievit, eene klanknabootsing is. Het klagend, eentonig -geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat grauw -is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, een -weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper, -nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van -wulpen, tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren, -waarop zij veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is -iets minder eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen -zeggen, dat hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog -een beetje verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des -avonds, alles overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op -denzelfden toon herhaald: Kare-kare-karekiet-kare! Dat is het liedje -(?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets dunner -en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, een -tusschending tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; en, -meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het -vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns getroffen heeft, -kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt het ons altijd -van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de Vecht bij -Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een rietstengel -geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten schreeuwen, -met een kracht, die, als men het diertje niet kende, stellig naar -ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen zoeken. - -Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, die ik -hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de -merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat, -die zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij -die gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent "haren", -die "te berge rijzen"? Zoo gaat het met de veeren van den kemphaan, -of liever van een soort van manteltje, dat hem om de schouders en, bij -wijze van schild, voor de borst hangt. In gewonen toestand liggen deze -veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij slechts zijn hals wat verdikken; -maar zoodra hij zich tot vechten gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen -hem, op Texel, niet onaardig den naam van "kraagmaker" bezorgt. Dit -vechten geschiedt in den paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een -wijfje, soms ook om een insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder -eenige zichtbare reden, uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd -heeft altijd twee aan twee plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht, -het aangewezen zinnebeeld van het duel. Hun wapen is hun lange weeke -snavel, die in de hitte van 't gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren -bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen -wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van -beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood -ten gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen: -zij loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit. - -Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen persoon; en terwijl -onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat inspekteeren, willen wij -hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. Het is altijd raadzaam -om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker mede te nemen, ten einde -tegemoet te komen aan de schuwheid van de vogels, die wij nooit dicht -genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn meest in het oogvallend -kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder heeft hij de grootte -van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van een ekster, ofschoon -een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en zwart, met beurtelings -groenen en purperen weerschijn: alleen komt er aan de zijden een -weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft volstrekt niets van -den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo kort, dat hij slechts -eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. Zijn bek daarentegen is -geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn gansche levenswijze -samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang genoeg zijn om hem -dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te doen herkennen, -zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op hoe hij, bij -het vliegen, de pooten achteruit steekt, in plaats van ze onder 't -lichaam op te trekken.--Een raar ding toch, dat vliegen. Is het niet -iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een dier zóó dun zijn, -dat zij bijna geen gewicht hebben, en bijna geen ruimte beslaan; -en daarentegen zijne voorpooten zóó sterk ontwikkeld en met dons en -gesloten vederen begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen -van een schip? Dat daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem -vergunnen zich naar willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij -dus van nature de inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche -moeite aan een luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert -door het luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden, -en die wij hem, sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden, -nog altijd niet hebben leeren nadoen!... - - - "Ik wou dat ik een vogel was, - Een vogeltje met veêren." - - -Zoo zingen de kinderen, en onder alle schoolversjes is dit een -dergenen, waarmee hun jong hart het meest instemt; en ondanks al zijn -eigene bewegelijkheid kan een kind lang achtereen oplettend naar -een vogel kijken, en eindelooze vragen doen omtrent het geheim van -zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in den regel niet mee -in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, "en een mensch is -nu eenmaal geen vogel," luidt zijn afdoend antwoord. Is dat vooruitgang -in ons geestesleven? Is dat toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen -in jaren?... Wee dengenen die geen vragen meer doen! - -Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij vliegen samen -op een kleinen afstand om ons heen. Zij maken allerlei verschillende -bewegingen, voeren als het ware een ballet in de lucht uit, en roepen -allerhande variatiën op het thema kie-vit. Van vragen-doen gesproken: -wat beteekent die taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien -zij op dit oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben -dan ook alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het -nest reeds ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier -eitjes er in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij -toont ons hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet -hem echter niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons, -die in dit vak nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een -welverdiend verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af -te leiden door naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne -menschensluwheid kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de -arme dieren is, dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te -goed hebben. Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans, -daarvan op nieuw beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter -kan zich zoo warm maken over de "wonderschoone Meimaand" als de -kievitten doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening -en menschelijke wetten begrepen. Vanaf 1 Mei toch is het zoeken van -eieren verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet -altijd werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is -er dus voor hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij -zestien dagen noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij zich -bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen -hoog gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is -verder, niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken -te verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld -bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken -zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer -dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood, -bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet -men hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden, -en als het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als -zij in grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo'n vijand aan te -vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals -zij dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk -gezicht is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend, -en dienen door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad, -den anderen vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers -is die ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei -of een ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek, -in September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen, -naar het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart, -eerst bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug. - - - - - - - - -VII. - -RONDOM EEN MOLSHOOP. - - -"Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het -gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen -spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en -den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe -beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke -lente."--Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen, -die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk's werken -zullen uitmaken. - -Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld; -benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er -beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en -ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken! - -Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan, -in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de -plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan -paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De -paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels -nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij -die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens -vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te -vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet -zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken -in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die -pooten zijn voor ons 't belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm, -èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In -onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol, -gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om -te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar -merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen -tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander -maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen, -die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken; -en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin -die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar -het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te -maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen; -mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk -tot de "molshoopen", welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer -paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij -is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun -deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn -bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop -voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar! - -Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?--'t Hangt er -van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga, -zorg ik, dat ik met een volle t'huis kom; maar houd onderwijl mijn -oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op -het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid -afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren -die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het -eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en -geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten; -en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en -met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet -deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou -mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend! - -Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op -mij uitoefent?--Het was een tuinman uit de buurt. Hij was 't, die mij -de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in 't voorbijgaan, -ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit -verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen -ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet -spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste -geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als -over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare "griezeltjes", die ik -om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte -en die gele "spikkels" van de weide leerde kennen en liefhebben; die -mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag: -"hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?", en mij de pret van "'t -kaarsjes blazen" dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit -een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte -zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in -'t seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij, -aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder -aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten.... - -In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het -beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat -voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het -teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede -het "onpraktisch" karakter van zijn lessen. De jongens hollen door, -beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur -ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen -wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn -duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel -uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit -niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee, -dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd -vele beesten en gewassen "uit elkaar te leeren kennen", als wel om -hen "in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode", die -hen helpen kan "een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de -mensch in de wereld inneemt", enz. De ander echter blijft van oordeel, -dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest -heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen -rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat -gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden -degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het -niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan -onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen, -dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap, -en tusschen de "methode" van verschillende scholen; maar ik heb alle -reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want--om slechts bij de -weide-"stippels", die wij straks bespraken, te blijven:--indien ik met -belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de -vorm der meeldraden van de "boldragende ranonkel" tot bewijs dient; -indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de -roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried's laatste -bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan -voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad -vertellen,--dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is, -die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft! - - - - - - - - -VIII. - -PALM-PASCHEN. - - -"Pallem-pallem-paschen!..." klinkt het jaarlijks alom in -kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een -voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg -inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van -een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken, -en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij -zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan -zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun -"Pallem-pallem-paschen!"... met nog eenige moeielijk verstaanbare -klanken er achter. - -Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die "het van dergelijke klanten -moeten hebben", kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen, -bekend maken. 't Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate -dat het groot en weelderig is,--waaraan een sinaasappel en een paar -appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en -papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van -den welbekenden buks- of palmboom. - -Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord -had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien -naam van "palm" gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst -tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal -grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde ("een-zaadlobbige" -[2]) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten -aan de Bildt van ouds den naam van "Palmmarkt" dragen, staat de -Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den -Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in -het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de -eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen, -vertegenwoordigen het daverend "Hosanna", dat in zeker onvergetelijk -drama zoo kort aan het "Kruist hem" voorafging! - -Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin -verhaald wordt hoe in 't Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte -palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de -kardinaals voor 't altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in -andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters -met olijventakken in de handen; hoe men zich in 't gebergte vaak -met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte -wilgenteentjes dienst doen.--Ook bij ons in 't Noorden moest -natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd, -een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt -men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan -nauwlijks uitgebot. 't Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo -slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes -vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor -'t doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven; -en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk -te krijgen. Eenmaal geregeld "palmdienst" doende, kreeg hij den -naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk -gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht -"onreine geesten" te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van -'t volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere -tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden -verspreiden, verhindert niet dat "palmboompjes" tot de meest algemeene -huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door, -palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen -'t inslaan van den bliksem. - -Den ganschen winter door kroop hier en daar in 't bosch, in tuinen, -en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met -vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de -eenige verdienste was,--dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds -kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een -paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van -'t loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men -aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En -indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich -door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is 't niet -vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, 't zij in -vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der -bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets -bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te -weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf -het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga -dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch -om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er -haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar -zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En -zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde -voor die teedere gave. - - - - - - - - -IX. - -TULPEN. - - -Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der fantazie, half als zeer -gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, tot eene natuurlijke -rangschikking der planten te geraken, een standen-verdeeling van -de "Ingezetenen des Plantenrijks" beproefd. In deze teekenachtige -indeeling, die op naïeve wijs den stempel van haar tijd draagt, en -in onze demokratisch-wetenschappelijke eeuw, om meer dan eene reden, -met een glimlach ontvangen zou worden, noemde hij: - -"De Palmen, Vorsten, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en -ongetakt blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is). - -"De kruiden des Velds, (een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei -gestalte), de Edelen. - -"De Boomen, die de bosschen uitmaken, de Staten. (Men vindt ze -omringd door hunne dienaars en beschut door een wacht van Soldaten, -namelijk die doornachtige gewassen, welke zich dikwijls om de stammen -en takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan Tafelschuimers, -namelijk de woekerplanten.) - -"De Grasplanten, het Landvolk (de kracht en steun des Rijks, die, hoe -meer zij besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.) - -"De Varens, Werklieden (die 't zaad op den rug dragen). - -"De Mossen, Slaven (met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die -schraal zijn en honger lijden, moetende zich behelpen op plaatsen, -welke voor de anderen ongeschikt zijn.) - -"De Wieren, Duikelaars, (bijna ongekleed, zonder optooisel of -fraaiheid.) - -"De Paddestoelen, het Uitschot des Rijks, (dat zich niet toelegt dan -op stelen en rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als -'t ware in den nacht, als de anderen slapen)." - -Op dit tooneel nu figureeren de Bolplanten als "Hovelingen, -pralende met heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het -Rijk te strekken."--Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die -schitterende Leliën en Tulpen, Ixia's en Narcissen, al die prachtige -soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die bevallige -Scilla's, Frittellaria's en Cyclamens. En ondanks hun rijkdom van -verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend gemeenschappelijk -karakter. - -Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die schijndoode -bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk terugtrekt, -alsof 't in een zaadkorrel ware? Die zich laat drogen, verzenden, -op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met behulp van een -weinigje vochtige aarde,--(Hyacinthen en Crocussen groeien reeds -alleen in water, en Colchicums hebben zelfs deze laatste voorwaarde -niet noodig,)--de bladrozet en bloemsteel ontspruiten, welke daarin -maanden lang als kiem, zonder merkbare ontwikkeling, opgesloten lagen! - -De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: lange lint- of -zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en overlangsche nerven, -zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende adertjes: in één -woord, gras in 't grof. Hoe al wat bollen draagt ook boven den grond -overeenkomst heeft, bewijst het voorbeeld van de uien; het zou mij -niet verwonderen, als iemand bij vergissing een tulpenbol en een -chalotte omruilde, en het blad van eene zoogenaamde zee-uie zou men -gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen doorgaan. - -Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in onveranderlijke -voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, in plaats -van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de tweemaal-drie -blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een Hyacinthen-nagel, -de sierlijke driehoekigheid der groote witte Irissen, die zwanen onder -de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan dien regel van -drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal (niet gevuld) is, -drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; of één driehoekig, -zooals in Tulpen. - -De hoorn des overvloeds, verborgen in den onuitputtelijken zak van -den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, reeds eer nog de dagen op -hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen in de huizen uit; en wel -van eene soort, die de oude grief,--dat zij "wel pronken, maar niet -geuren,"--het volkomenst logenstraft: de welriekende "ducjes" (Duc van -Toll.) Het zijn bescheiden tulpjes, althans wat haar omvang aangaat, -maar overigens in 't oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud, -zwart--(de duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische, -zooals zij b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom -van verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te -tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden -in drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes -samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook -het zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In -hun midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl, -op het driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den -bloei der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of -gevuld zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van -het vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes, -verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet -of men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan -bij menigte. - -Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond bloeien; en een -aantal liefhebbers vermeien zich in 't schouwspel dat "de bollenlanden" -rondom Haarlem en elders te zien geven. Veler smaak intusschen voelt -zich daartoe in het geheel niet aangetrokken. Zij vinden weinig moois -aan "zoo'n bloemenfabriek", en vergelijken de met vierkante vakken van -roode, witte, gele, bonte tulpen prijkende akkers bij het droogveld -van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot gelijk aan; -maar er valt dan ook van een "fabriek" niet anders te verwachten, -dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo doelmatig mogelijk -rangschikt, en de orde bij het planten en rooien hooger acht dan de -bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij echter hindert het, -als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, onbehaaglijkheid die in de -schikking op de bollenvelden heerscht, terugvind in parken en tuinen, -waar er geene verontschuldigende reden voor bestaat, waar zij louter -"voor het mooi" geplant zijn, en waar dus alles moest gedaan worden -om ze bevallig te doen uitkomen. - -Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in hooge mate te -"flatteeren", leerde ik een paar jaar geleden van het toeval. In een -rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, had een knecht, zonder -er veel bij te denken, een mand vol gezonde bollen uitgeplant. Er -stonden daarin echter ook--van boven geheel afgestorven--drie planten -van de welbekende reusachtige Beerenklauw (Heracleum giganteum). Toen -nu in 't volgend jaar de tulpen--het waren geen zeer vroegen--gingen -groeien, begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en -tegen dat de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de -laatsten juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder -ze te veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel -tusschen de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken; -het heldergroene loof der tulpen hing daar onder en daar over heen, -terwijl de witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er schitterend -boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer moeite -zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger opschieten; -en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, aan de meeste -bollenperken eigen. Het geheel was in één woord zóó teekenachtig, -èn wat lijnen èn wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan -de schoonheid die een tulp in haar natuurlijke omgeving--ik meen, in -haar vaderland--hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende -als model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig -dieper gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen, -zal men er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient -gedaan te worden dan in kweekerijen. - - - - - - - - -X. - -HEI! 'T WAS IN DE MEI! - - -De Mei is in het land! - -Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker achteruit gaat, -en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet geweest zijn dan -heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk gemaakt hadden -van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te dikwijls, bij -de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van "de zoete Meie," - - - "..............een kus, - Dien de zon geeft aan de aarde," - - -klinken bijna als eene bespotting van de hedendaagsche pinksterstormen. - -Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die in -ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens -vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog -een andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere -geslachten, of liever de traditioneele volksgeest, welke die legenden -en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan wij -zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de -hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen, -avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen, -of te meten? 't Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat ooit -eenige weelde--welke ook--naar hoeveelheid berekent! Ons beter -deel,--de dichter in ons,--weet wel anders. Hij weet dat daar geen -sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of korter, maar -van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu drie- of viermaal -heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of niets toe, mits -elk onzer slechts één oogenblik dien lach heeft weten op te vangen, -zóó dat hij ons door merg en been, door ziel en zinnen heendrong,--zóó -dat nog maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering, -en ons hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: Lente! - -De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de overlevering -brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, welke ons, -indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen, -jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen -altijd de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en -de lucht zoel geweest zijn juist op den 1sten of den 21sten Mei, -en de noordoostewind de takken op de Meiwagens ontzien hebben? Soms -wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. Maar het feest was -eenmaal dà à r; en verreweg de meeste feestgenooten waren sterk van huid -en zenuwen; en de hartstocht der werkelijkheid was niet altijd zoo -wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op zoo'n dag hun fantazie -beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den ouden regen of de maar al -te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet eens de moeite waard om -op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog gaat bij dergelijke -feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander publiek, dan 't -geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes te lezen! - -Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer zijn Meifeesten -weggelegd,--even plechtig als men 't zich van Druïden-priesters, even -jolig als men 't zich van middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits -hij zelf bereid zij, zal het Meiweer wel komen! Maar het komt -onverwachts. Somtijds springt het over de grenzen en komt in April -of in Juni: ook die gril moet men nemen zooals 't valt. - -Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw venster te -kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure dagen genoeg -aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, visites -doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als een -heiligendag. - -Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met een waas -van schoonheid overtogen,--zelfs de kaalste velden en de leelijkste -moerassen,--maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. Begin eens -ginds aan den stadswal, waar 't leven van natuur en maatschappij -elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met gras en jonge -lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al schrobbend zingen, -met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, waar gij 't oog hebt -op de tuinen in den omtrek, waar de hagedoorns bloeien, en waaruit u -nu de ééne, straks een andere geur te gemoet komt, die u doet denken -aan,--ja aan....? Gij weet het zelf niet...--zeker aan een vroegeren -Mei.--Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en verdiep u in het -duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: kruipend, zwemmend, -vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog wel lang niet -alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken u ieder -jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en u, -in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag: -waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen? - -Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de bloemen, die -wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het woord, en -vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van hetgeen -u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u zelven; -van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch bij -te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten -te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje -sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij -wat gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik--in elk geval -slechts in verbeelding bij u--ben een veilige vertrouwde. Vertel -mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en -teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord -de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld, -ik luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,--welnu, dan voel -ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van -bewustzijn te hebben, boven dat uit, wat zich reeds als denkbeeld weêr -laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? Stemt zij u tot juichen, -als om strijd met de vinken; of dringt zij u terug in u zelven? Bezielt -zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot werkzaamheid en leven, -die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult zij u met weemoed over -onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; in beiden kan een schat -van levenslust en van ontwikkeling besloten liggen. Met beiden zou ik u -geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. Die raad--ik meen wijding -voor de opgewektheid, ontspanning voor den weemoed--lag van oudsher -in samenstemming met de edelste, beminnelijkste aller fantazieën, -ooit aan de dichterziel der menschheid ontsproten: dankbaarheid -jegens een verborgen Maker, die de lente en hem die haar liefheeft, -naast elkander voortbracht. Verheug u, zoo de tooveresse Mei u doet -meedoen aan die "goddelijke dwaasheid", die hoogste geestelijke weelde! - -Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen gepraat heb, -heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor u. Gij -vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een bloeiend -eschdoorntakje...... - - - - - - - - -XI - -EEN ENGELSCH LANDSCHAP. - - -"H. M. de Koningin zal overmorgen haar kasteel te Windsor betrekken, -en aldaar eenige weken vertoeven." - -Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, zie ik reeds -in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het welbekende -teeken van H. M.'s tegenwoordigheid op het kasteel), en breidt zich -eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in al zijn -heerlijkheid voor mijne oogen uit. - -Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. Velen onzer -hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen gezien, maar dan -waren die doorgaans òf tot bouwvallen afgebrokkeld, òf tot gevangenis, -wapenhuis of iets dergelijks gedegradeerd. Een oud versterkt slot -echter, zoo geheel in zijn middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans -zoo goed onderhouden en keurig ingericht, als voor de woonplaats -van een der voornaamste europeesche hoven van onzen tijd betaamt, -vindt men niet licht ergens anders dan te Windsor. - -Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers voor eenige -fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras bezoeken, -en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de meubileering -der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling tusschen -het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig comfort -van H. M.'s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor verblijf houdt, is -natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer ingekrompen; maar -m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de meerdere levendigheid -en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje heerscht. Het is -dan bijzonder aardig, om van den hoogen "ronden toren", dien men ten -allen tijde mag beklimmen, op de ruime binnenplaats neer te zien, -de vuren in de bewoonde appartementen te zien flikkeren, de warmte -der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en voorrijders af en aan te -zien rijden, in één woord een blik te slaan in het groote huishouden -beneden. - -Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat sommigen -misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden kunnen -noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste -vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige -mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,--een afstand die -jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar -tot nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het -liefelijke van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken -van Londen zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid -van het engelsche landschap leent er zich geheel toe, om rondom de -hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet -in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk -bewoonde gedeelten van Europa's vasteland; oorspronkelijke wouden -vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten -zijn meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid -van alle natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het -gezellige, parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken -kenmerkt, en waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen -landbouw, hun dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar -één samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt, -spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke -zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen -heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing -in het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen, -en toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te -voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen -tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel -de weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van -volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland -groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt -van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij, -wij hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en- -zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen, -eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan -te treffen, vindt men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij ons, -zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht een -boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle kanten uit kan -groeien en zijn grootsten omvang bereiken: één blik op eenige engelsche -landschap-gravures kan ons toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen -ten achteren zijn. Dit een en ander kenschetst het karakteristieke -van hun landschappen. En indien men dan ten overvloede een rivier -als de Theems in het oog krijgt, niet breed, maar allersierlijkst -kronkelend.... Waarlijk de "country" rondom Londen is verrukkelijk; -en aan ieder die de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje -naar Windsor, als proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het -aangenaamst in "het schoone jaargetijde"; maar door den overvloed van -wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook -vroeg in 't voorjaar, laat in 't najaar, ja zelfs in het hartje van den -winter recht behaaglijk. 't Is inderdaad merkwaardig, hoeveel prachtige -ceders en naaldboomen er prijken op de grasvelden der parken; hoeveel -hulst, ligusters en eene eindelooze verscheidenheid van groenblijvende -boomen en heesters, (tot groenblijvende eiken toe), men in de tuinen -vindt; en welk een schat van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt, -zweeft, klimt en guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen, -hekken, huizen en heggen, "Ivy lodges" en "--cottages". Natuurlijk -hangt deze liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche -aristocratie, om bij voorkeur den winter op het land door te brengen, -en is zij vandaar gaande weg naar de lagere standen afgezakt. - -Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens onwillekeurig -terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in zoover het ons -een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de meeste, -later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een -halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks -den naam van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en -hotelstraat, welks ronding die van den muur van het slot volgt, -laten een niet onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken, -late zich de slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het -schoone witmarmeren praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin -van koning Leopold I van België).--Maar vlak tegenover Windsor, -door een fraaie Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel -grootere stadje Eton; en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton -het wereldberoemde college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben -niet, sinds verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte, -hebben niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle -mogelijke helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere -kringen spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te Eton -school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte -die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet, -eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond -mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw, -zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend -en niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de -half uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en -trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag middag; -de kweekelingen, Eton-boys, zooals zij in de wandeling genoemd worden, -liepen aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar -aan hun zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en -dassen... Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen? - - - - - - - - -XII. - -IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD. - - -Reeds vroeg in 't jaar, tegelijk met boschanemonen en muurbloemen -en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus Japonica. 't Was het -sieraad van de buurt, die welige drie voet hooge leiboom in zijn -schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den noordenwind, en -volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het schoone jaargetijde -in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst meer sprake -kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn gloed, -te treffender in dat seizoen der zachte tinten.--Dat het een peer- -of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er hier -in 't land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet juist -appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde -kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk -voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet -het loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks -de sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn -bouw datzelfde stokkerige, hoekige karakter, dat, zal men de verlakte -werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche -Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op -de knoopen der takken,--een plaag voor ieder, die er een bouquet van -wenscht te maken,--hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch -porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam "Ya-lo-ala": -zou dat misschien de vrucht zijn, die dit soort van appelboomen in -hun vaderland draagt? - -Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De perenboomen -zijn reeds "als met een wit laken overdekt"; en hun eigenaars -worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke gezicht, en -angst voor ieder oostenwindje dat vorst of "zwarte vlieg" zou kunnen -aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, dat deze bête noire geen -"vlieg" is, maar een kevertje.) En nog een dag of tien, en 't zachte -rood der appelbloesems zal, voorlooper van 't later rood der rozen, -aan duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven. - -Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen in de -pomologische wereld;--ja, lezer, ook een wereld op zich zelve, zoo -goed als de "groote", de parlementaire, de letterkundige, en andere -afzonderlijke werelden!--Denk aan de pereboomen in de boomgaarden -van onze boerderijen: echte knoestige boomen, met stammen en kronen, -waaronder menschen rondloopen en kinderen spelen, en schapen aan -een lijntje grazen kunnen. Denk aan de appelboomen, zooals zij in -Duitschland langs de wegen geplant zijn, om den wandelaar een schijn -van lommer, en den pachter op den koop toe een oogstje te bezorgen, -en die mevrouw De Stael, bij hare komst "en Allemagne", vervulden met -een grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen -zij hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef -hangen tot het rijp was!--En denk dan aan de "snoeren en palmetten", -de "spiraal- en vleugel-piramiden"; in één woord aan die zonderlinge -waaiers en ladders en rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker -ze invoerde, boompjes welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen, -dan aan hunne eigene eenvoudige stamgenooten herinneren. - -"En kies tusschen het oude en het nieuwe," had ik er haast -bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht kijken, valt er -niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. Doch daar men -nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om "het mooi" kweekt, maar -om de vruchten; en de "beredeneerde kweekwijze", omdat zij wezenlijk -onmiddellijk op natuurfeiten berust, op de grootte en de fijnheid van -die vruchten waarlijk gunstig werkt, valt daartegen niets afdoends meer -in te brengen. Wie voortaan eigen appelen en peren eten wil, kieze -uit de honderden op eene prijslijst voorkomende nummers die, waarvan -hij den geurigen smaak heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan -de namen hem bijzonder prikkelen, (als daar zijn: Adams pearmain; -Beefsteak; Newtons pippin; Weissbrod; Calville d'Eve; Républicain; -Drie torenpeer; Napoleon-Bon-Chrétien; Curé Belle Héloise; Pie IX; -Saint-Michel-Archange!) en ik wensch hem voorspoed op zijne plantage. - -Maar wie ééns in het jaar, ééns in de ééne veertien dagen gedurende -welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk al de weelde van den -teêren bloesem wil genieten, die brenge--waar hij ze slechts weet -te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen schuttingen en -bleekveldjes--een visite aan de oude, groote boomen van zijn kennis, -'t zij zij Juttepeer heeten of Sapperdegroentje, of de grofste -onbenoemde soort van "hand-" of "pot"-appel voortbrengen. Dan legere -men zich hier of daar in de nabijheid, en late zich beregenen door de -eerste afvallende blaadjes. En als dan toevallig aan de eene zijde -een sering en aan de andere een gouden-regen over eene heining heen -komt kijken,--het blonde kind der Alpen naast den geurigen zoon van -het Oosten,--dan zal het steeds nog te bezien staan wie van die drie, -zij of de vruchtboom, het meest tot ons lentegevoel bijbrengen. - - - - - - - - -XIII. - -BOUQUETTEN. - - -Wat moet toch een "bouquet", of, naar den nederlandschen naam, een -bloemruiker eigenlijk wel wezen? - -Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende bloemen, zoo -saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar eigenaardigheden zoo -voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het tegenwoordig doorgaans? - -Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge gewoonte -ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een -heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang, -een zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine -knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de -bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te -steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel -hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men alle bloemen, -die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken knoppen -meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op te letten of -de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: elk frisch puntje, zij -het van een nog zoo krom of verlept lot, is bruikbaar. Van lieverlede -nu is deze handgreep ook overgegaan op grooter en kostbaarder, uit -zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. Daar, uit den aard der -zaak, die rietbouquetten een vrij gladde oppervlakte krijgen, en de -bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te worden, (ten eerste om de -kortheid der stelen, en ten andere om de rietjes te bedekken), was men -vindingrijk genoeg, om van zoo'n vlak of bol een soort van mozaiek -te maken. Wij kennen allen de patronen, die bij dit knutselwerk het -meest in zwang zijn: b. v. ééne groote bloem in 't midden, dan een -kringetje groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur, -enz. Soms worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het -onlangs in een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25, -uit knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak -van rozenknoppen en rozen.--Eén bezwaar had zich voorgedaan: Terwijl -in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen werden, -bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk gaandeweg tot -een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij wat moeielijker -te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo zijn sinds vele -jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen randen, een -belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig minnaar, -die zijn bruid op haar verjaardag een "hand-" of "vaasbouquet" wil -sturen, zou dien niet gaarne zonder zoo'n geijkten witten driehoek zien -bezorgen, maar misschien zeer geërgerd wezen, als men hem vraagde, -waarom hij zulk een op een goedkoopje gefabriceerden bouquet had -besteld. En menig bruidje, dat zoo'n "porte-bouquet" aanneemt, en -niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak twijfelde, -beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met haar en -haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en weelde. - -Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de stijfheid -dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat die mode -mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch welbekeken -is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, maar ze is -gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met schoonheidsgevoel -in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner beschikking, zou -zeer licht iets beters "in de mode" kunnen brengen. Zeer geschikt zou -hij daartoe gebruik kunnen maken van den heerschenden eerbied voor al -wat oud-hollandsche kunst heet, zich beroepen op het oordeel onzer oude -schilders, en b.v. op de eerste de beste tentoonstelling, in een grijze -terra-cotta vaas van eenvoudig model, een groot bouquet à la van Huysum -ter tafel kunnen brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling -van schilderijen zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak -na kon volgen, vooral daar toch die hoofdzaak in niets anders bestaat, -dan in de eischen der natuur zelve. Zij--en van Huysum!--stellen op den -voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet alléén de -kleuren van haar kroontjes, maar ook de sierlijkheid, waarmee zij, op -haar stengel wiegend, zich verheffen of neerhangen; den rijkdom harer -vormen, in verband met de plant, die haar voortbracht; het kontrast -met het bij haar behoorend groen.--Het kost misschien meer bloemen en -meer zorg, in elk geval meer kunst-smaak, zulk een bouquet te maken, -dan een waarbij papier en riet te hulp komen. Daartoe toch kan men -slechts volkomen gave takken, trossen, pluimen nemen, en ten tweede is -die schikking niet gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer -alledaagsche slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en teêre, -levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig materiaal. Soms, -als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen weerspannig; en er -wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist zooveel te kiezen, -dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt blijft. Daarbij, -hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer gelegenheid voor fijne -schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor bontheid en hardheid.--Dit -alles zijn bezwaren, en maken een Bouquet van Huysum,--om ons aan dien -naam te houden,--tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt, -zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen: -ook van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat -bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid! - - - - - - - - -XIV. - -EEN DUBBELE BOODSCHAP. - - -Tot de vaste attributen van een eersten mooien zomerschen dag behooren -van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en vogelenzang, ook een zwerm -vroolijk dansende muggen, een van plant tot plant zwevende vlinder, -een sierlijk boven 't water heen en weer vliegend juffertje. En zoo -groot is de kracht der sympathie,--van de gemeenschappelijke vreugde -over 't mooie weer,--dat men bij zoo'n gelegenheid ieder spoor van -afkeer jegens deze dieren laat varen, en hen alleen als natuurgenooten, -als feestgenooten begroet! - -Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is nooit zoo -groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, zoogenaamd -"volkomen" toestand ontmoet, dan wanneer men in hun kruipend -tijdperk met hen te doen heeft. 't Is opmerkelijk, terwijl men in -den regel aan jonge zoogdieren,--jonge honden, katten, lammeren, -ja zelfs biggen,--vriendelijkheden pleegt te bewijzen, waarop zij -op hun ouden dag wijs doen van niet meer te rekenen, heeft tegenover -insekten juist het omgekeerde plaats. Van een rups heeft bijna elk een -afschuw; zoodra zij een "kapelletje" geworden is, behoort zij tot de -welkome, ja, dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een -gouden torretje algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar -indien men het bij ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen -had gekregen, zou men het al heel licht voor "een wurmpje" aangezien -en ter dood veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten -om zich te verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig -groen, purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene -schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil -houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t'huis behoort. - -Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men dat kleine -vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den honig -dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, dat -zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te -behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den -tuin of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven -gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk; -zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... "bloemenstof", -zooals mij eens verteld werd. - -Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche spijslijst der -verschillende insekten, om juist te weten welke van deze drie artikelen -daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. Maar wel -stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende ontdekking -omtrent de groote rol die de insekten in het leven van de plantenwereld -spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar deze dieren alleen op -zich zelven beschouwd werden, als nuttig of schadelijk, al naarmate zij -der menschelijke maatschappij onmiddellijk voor- of nadeel aanbrachten, -is toch in de laatste eeuw ten stelligste gebleken, dat er althans -bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot stand zou kunnen komen, -geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen insekten waren, die -daartoe een behulpzaam pootje boden. - -Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit zoo'n diepen -indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie al die kleine -vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds ik weet dat zij -op hunne tochten,--de eene bloem uit, en de andere weer in,--telkens -eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich zelven den kost opduiken, -en ten behoeve van de plantensoort, die zij bezoeken, het verkeer -tusschen de meeldraden en de stempeltjes bevorderen. - -Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er aan -zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben, -tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel -van het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort, -moet zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd -op dat kleine lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en -vruchtbeginsels bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja, -op verschillende exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde -bloem lang niet altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan -ook sinds een paar eeuwen dat het stuifmeel van de eene bloem in -de andere kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,--maar hoe zulks -geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den -dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is, -en de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht -ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken -dat er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij -de stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en de -stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder medewerking van -buiten onmogelijk was, dat die beide organen met elkander in aanraking -kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, die den Duitscher -Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp der insekten -brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer hoe meer -bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het overbrengen -van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor verschillende planten -ook verschillende diersoorten) geen uitzondering maar regel is. - -Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden vinden in -zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,--al zijn zij -nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna nooit -zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar -vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms, -als de plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men -er duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt -het doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet -kunnen zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig om -het stuifmeel van de acht langere en kortere meeldraden op het korte, -gespletene stempeltje te brengen? In 't groot heeft men hetzelfde, -tot schade van de proefnemers, ondervonden, toen men, eenige jaren -geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te voeren. De vanille -toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich in de wouden -van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en de kostbare -vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou men op -Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat voldeed -aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge staken -laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; maar -er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met telkens -nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. Eindelijk gaf -iemand daarvan de verklaring, op grond van Spengler's merkwaardige -ontdekking: het kleine vliegje, dat in Amerika, al honig zoekend, -onwillekeurig zijne diensten aan de plant bewees, was niet mee den -oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met menschenhanden aan -iedere vanillebloem te verrichten, was te omslachtig, en dus moest -die kultuur worden opgegeven. - -Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de Aucuba, met -haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van grootere en -kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei exemplaren bestaan: -met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat zij wel stuifmeel, -maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met zeer onaanzienlijke -paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie helder-roode vruchten -voortbrengen, mits er van elders stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes -gebracht worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken -vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer -provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba's bezat, maar die noch bloeiden -(nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. Het geval -was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke exemplaren -afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden waren. Een -plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar komen. Dien -zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige insekten -op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met een -grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe -aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde -aan het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was -het eene glorie te meer voor des ouden Spengler's nagedachtenis! - -Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe op zekeren dag -Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van vliegen bewonderde -die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant waarnam. Had die man, -met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, Spengler's wetenschap er -bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen zou die "fraisier" dan nog -bij hem opgewekt hebben! - - - - - - - - -XV. - -EEN BOSCHTOONEELTJE. - - -Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde gemoederen, want ziet, -"het jonge groen" is nu werkelijk daar! Wij wandelen op een landweg, -in een der schoonste gedeelten van Holland, als het ware in een koker -van groen: onder ons het welige gras, met zijn afwisseling van kleinere -plantjes, rondom ons laag en hooger kreupelhout, bloeiende heesters -en opgeschoten fluitekruid, en boven onze hoofden een gewelf van -lindentakken, niet gesnoeid of geleid, maar van nature zoo gegroeid. - -Het jonge groen! Welk een verscheidenheid van tinten en van vormen -ligt daar opgesloten in die woorden! Daar zijn, om 't dichtst bij te -beginnen, de kleine blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte -precies het fatsoen hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November -behouden zullen; zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt -niet meer van vorm te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens -en meisjes van ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd -reeds juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. Geheel anders -is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den knop komt, -dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die plooien -niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het elzengroen, -met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige omhulsels te -voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of wat rechtop -blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens goed wou -kijken hoe 't er in de wereld uitzag. En dan staan daar de berken; -zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de meeste -voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst treuzelen, -beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider jonge -bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in -het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat -later moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien; -die der populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden -af naar het midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en -dennen met lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen -naaldenschat, en strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel -uit, ten behoeve van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is "het -jonge groen"; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen, -en juichen om het mooie weer. - -Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje verzameld, en zijn, -al bloemen zoekend, van het ééne pad in het andere gedrenteld. Eerst -was het, op een open plek, de allerliefste blauwe eereprijs die ons -lokte; daarna viel ons een menigte van bloemen in het oog, melkwit met -groene strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar -door haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen -naam van "vogelmelk" dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een -helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met -de fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine "harlekijn". Wij -weten het niet recht, maar wij beginnen te vermoeden dat wij binnen -de omheining van een oude buitenplaats zijn; het nette onderhoud der -paden, de meer park- dan boschmatige aanleg versterkt ons telkens -meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er eenmaal, wij zullen -geen baldadigheden plegen, maar wagen het te blijven en door te loopen -"tot wij verjaagd worden". En wij wandelen door... tot wij plotseling -voor iets heel ongewoons staan.... - -Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van voren en -van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel van -hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een -boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een weinig meer -opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen geheel tot -tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van zodenbanken, -en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon beschut, -blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden van -het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of "foyer" -konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte greppels zorgden voor -het gevaar van modderachtigheid in het parterre. 't Spreekt van zelf -dat wij ons nederzetten op de banken, en dat een uit het gezelschap -op de groene "planken" ging staan declameeren; en dat voorts elk het -zijne zei over deze antiekiteit. - -"Hoe aardig!" riep de meerderheid, onder den eersten indruk. - -"Hoe kinderachtig!" zeiden enkelen. "Hoe popperig!" "Hoe -bekrompen!" "Hoe kleingeestig!" - -"De pruikentijd in levenden lijve!" bracht iemand in het midden. "De -bloeitijd van het dilettantisme op alle mogelijk gebied. Mij dunkt, -je hoort al in verbeelding de produkten van den een of anderen -prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche mythologie er bij haalt, -om den 50sten verjaardag van den heer van 't dorp, of de bruiloft -van diens dochter te vieren. Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!" - -Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het tooneeltje -heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren hagen -"als zoodanig", vond ik ze hier zoo geestig aangebracht, dat ik er -niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om den pruikentijd te -verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, wat betreft de -gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen vóór had. Het -valt mij in hoe Van Lennep die verdediging ergens heeft op zich -genomen, en ik kan niet laten iets van 't geen hij daaromtrent zegt, -in herinnering te brengen. - -"Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie in een staat van -diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige vrede, dien zij -had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen -en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht -had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, gerust -insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt -was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik weet dat niet; ik -zal mij althans wachten een geheele maatschappij... te veroordeelen; -ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Ik verzeker u, -dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte -dan thans; als men bouwde, al was het maar een onnoozel koepeltje, -dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik eigenlijk aanmerken -wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang -waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan banden te leggen; ieder -had het gevoel, dat, wanneer hij in een gezelschap werd toegelaten, -zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel -tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; en dan bleek het, -dat wie het meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en -zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf het -meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de politiek aangaat, spanning -tusschen de partijen in den staat was ontstaan, en somtijds lieden -van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten,--men had -de welvoegelijkheid, niet altijd en overal over politieke vraagpunten -te twisten. Enfin, men wist toen nog te "praten", wat de Franschen -causer noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en -door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf -in dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over dienstboden -en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer -onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker -waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen wordt door eene -goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden, en vooral -door de gestadig aangekweekte zucht om elkander aangenaam te wezen. Men -ontmoette in dien tijd, zoo goed als nu, menschen, die dom, enkelen -zelfs die vrij belachelijk waren; ook nu en dan bewees deze of gene, -dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; maar de dommen hadden -doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en -vormden alzoo als het ware "het publiek"; de belachelijken dienden tot -vermaak van de anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten -zich wat beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen -der ordentelijke menschen te worden geweerd. En noeme men nu die -toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men -wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender, -aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige -les en goed exempel aan zou kunnen nemen." - -Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets aan toe of af -te doen, te meer omdat het "tegenwoordig", waarover hij hier juffrouw -Stauffacher laat spreken, op zijne beurt alweer zoo lang geleden -is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd zekere maatschappelijke -deugden te weinig in tel zijn, in verhouding tot anderen. Zoo vraag -ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek voorbeeld te noemen, -of er niet werkelijk meer waarde voor de maatschappij ligt in de kunst -om met goed gevolg als ceremoniemeester op een feest te fungeeren, -dan in de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in -natuurkundige wetenschappen? - -Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een plaats als -leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij doet dit -liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend deelgenoot -in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu meer aan zijn -wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent geworden bij den -een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in die wetenschap -had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van wetenschap namelijk, -is zijne wereld; ik weet niet recht of hij specialiteit is in schei- -of wis-, plant- of dierkunde, of wel in datgene wat, buiten deze om, -"natuur"-kunde genoemd wordt; maar in hetgeen waar hij voor opkomt -munt hij uit. Doch voor hetgeen daar buiten ligt... is hij weinig -of niets. Hij "moet" een weinig achting toonen voor de andere -takken van menschelijke kennis, die op school gedoceerd worden, -en hij spreekt daar ook soms over; maar eigenlijk zijn zij hem als -een gesloten boek. Het ligt aan zijn ontwikkeling, misschien reeds -aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten doorstudeeren, had geen tijd -tot iets anders, en bewoog zich te huis altijd onder menschen, die -beneden hem stonden. Dit een en ander maakt hem thans teruggetrokken -en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de stoffelijke natuur heeft -ook aan zijne levensbeschouwing iets stoffelijks, laat ons gerust -zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de goedhartigheid zelve, durft -hij aan zijn gemoedsleven geen stem te geven in zijn oordeel over de -grootere vragen der menschheid, omdat hij gewoon is niets te eeren -dan: wiskunstig denken, toegepast op zinnelijke waarneming. Hij haalt -eigenlijk de schouders op over de stad zijner inwoning, omdat er... zoo -goed als niemand is met wien hij kan praten,--want hij bedoelt daarmede -praten over zijn speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe -eenzijdig zijne ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn -zou met lieden, die, al waren zij dan ook zijne minderen op 't punt -van natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat -verder noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is -schuw en verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen; -hij beweert, dat hij "boven die vormen verheven" is, en dat zij maar -overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half onbewust, -dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van gezelligen -omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim van die -huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een feest, -van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn plaats; -zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij zulks -als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er eigenlijk -aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een zwart of -spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn medegasten. - -Stel nu daartegenover een ander. Wat hij "van zijn vak" is doet weinig -ter zake; misschien ook leeraar, of bij voorbeeld koopman, lid van -de eene of andere firma, op wier kantoor hij dagelijks werkt, zooals -honderden anderen op hunne kantoren. Maar 's mans eigenaardigheid -ligt in iets anders: in zijn gezellige talenten. Reeds vroeg heeft -hij van een begaafde moeder, in een goeden kring, den grondslag beet -gekregen van zijn echte beschaving, die gedurende zijn opvoeding meer -en meer is ontwikkeld, en waardoor hij nu velen een niet te berekenen -vreugde bereidt. Want wie zal "berekenen" hoeveel levensvreugd er in de -wereld opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving -te leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie -zal meten hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking, -waarin een aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar -en hoog genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna -afwegen hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek, -de wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk -van een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een -man zooals ik bedoel "goud waard". Niet alleen dat hij zelf aardig -praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke -verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar -hij weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen -wakker te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij -uit botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te -maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten -die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de -hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen één -kunst of wetenschap iets meer dan "dilettant", heeft hij oog voor -het belangrijke in alles, en een grooten takt om daarvan partij te -trekken ten bate van het gezelschap. In tegenstelling met al wat er -afbrekends, verbrokkelends, ontledends is in onzen tijdgeest, heeft hij -eene groote mate van verbindende kracht. De gasten, die zich naar hun -gevoelen "vrij en ongedwongen" bewegen, werken onder zijne leiding -allen mede aan een welgevormd plan. Hij is geen "natuurkundige", -maar heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden, -als daar zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling -van rust en beweging. Hij laat zich niets op "wijsbegeerte" voorstaan, -maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te -genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan "pret". Hij -ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die bij elke feestelijkheid -kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen van bespot te worden, -als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt, en als hij teêre -snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens, die in de aanwezigen -rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij kent de weelde van -zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een mensch zich bedriegt, -die meent dat plechtigheid het tegendeel van vreugd is; hij voorziet -dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks ten goede zal komen -aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die vroolijkheid is -onder zijn bestuur zóó vroolijk, dat de deftigste lieden vergeten te -bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg is.... - -Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van het -boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan 't mijmeren in het jonge -groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van -ons wonderlijke menschenleven, dat "zoo velen medeleven, maar zoo -weinigen verstaan!" - - - - - - - - -XVI. - -OP DE BLOEMMARKT. - - -Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd niet, waar ik het -liefst de lente haren intocht zie houden: op haar eigen gebied, in -de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij dan eensklaps -tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg plekje en in -ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten teeken -van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van 't -vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van hartstocht -voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en stadsvesten -met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende vlierstruiken, -en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de bovenramen, -en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis, zoo ik -er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel aantrekkelijkheid -heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des vrijdags morgens, -zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit jaargetijde is -zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen; en mits wij -kans zien de al te gedienstige dragers een weinig van ons af te houden, -kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is 't een recht vermakelijke -tocht. Het zijn juist niet de "fijnste", nieuwste bloemen die hier -prijken, de glorie van de kweekkunst; maar het zijn meestal goede -kennissen die het ons genoegen doet in welstand te ontmoeten. - -Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen; welk een rijkdom -van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al heel wat uit -kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van haar grootte, -voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te krijgen: wij -weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar op die -blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt zijn -door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen, -omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij -helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene -eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen -uit de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden -lichte en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en -juist dienen moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen, -in gesloten gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het -hoogst groeien, en de Cineraria's en de Calceolaria's, en de Fuchsias, -en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze potten -laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode schakeeringen, -maar de meesten vuurrood. (Waterloo's, "Only showflowers" hoorde ik -ze eens niet onaardig noemen.) - -Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer Verbena's, -wier fraaiheid stellig beter gewaardeerd zou worden, als zij maar een -beetje geur hadden; Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia's, -wier helder goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat -zij uit het "goud-land" Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die een -nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die er onlangs -weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,--de gewone inlandsche -"smeerwortels" in gala-tenue; Verbascums, in het wild bekend onder den -naam van "stalkaars", en Achillea's onder dien van "hazegerf". Voorts -zijn er Antirrhinums, "leeuwenbekken",--in verschillende fijnere en -grovere tinten; Spiraea's, met haar sierlijke pluimen; groote dubbele -Paeonea's, waarvan ik niet recht weet wat ik het mooist vind: de -losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren; Reseda's tot boompjes -opgekweekt; Erythrina's met hun zonderlinge vruchten die, als zij van -den winter open zijn gesprongen, en de zwarte zaden helder tegen de -vuurroode binnenzijde afsteken, den niet onbegrijpelijken naam van -"koraalrozen" zullen dragen. Vooraan staan potjes met Violen, met -Vergeet-mij-niet, of de dikwijls in plaats daarvan verkochte kleine -blauwe Lobelia's, en allerlei "laag zaadgoed". En ter zijde van het -kleurig vierkant staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende -heesters, voornamelijk Thuya's, met een kluitje aarde in een stukje -mat gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij -elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo, -"om mei-wijn mee te maken"; en ten slotte graszoodjes, bestemd om -leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het vrije veld te -doen droomen. Landslui in gevangen staat worden licht goede vrinden: -dat zal misschien ook het geval zijn met zoo'n vogel en deze gras- -en klaverplantjes, wanneer zij van avond samen opgehangen worden in -een gang, die licht krijgt uit een dwarssteeg. - -Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts uit dankbaarheid -voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers meenemen: -grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten; -en die chineesche ginds,--dat zal de duurste wezen;--en ja, die -duizendschoonen,--dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge soms -deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel -ten onrechte ons influisteren, dat "ze pas van ochtend uit den grond -zijn genomen", en dus allicht geen wortel vatten zullen, neem ze toch -maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor al de rest. - - - - - - - - -XVII. - -AAN DE NOORDZEE. - - -Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te Zandvoort, en te -Domburg,--en wat wilt gij er nog meer bij noemen?--het "badseizoen" -weer begonnen, en de tijd aangebroken, waarop, althans aan de beide -eersten, verschillende natiën elkander aan ons strand ontmoeten. - -Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste tijd is Juli, -Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op het eind -van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, onze -zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen -bewoond door het oorspronkelijke visschersras,--de visscherskaste had -ik bijna gezegd,--waarvan het mij altijd verwondert, dat, ondanks de -voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het type -zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche -deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine -oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den -zuidwester, met uw blik, die zoo dof schijnt, maar zoo geestig zijn -kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm vreemden, onder wier -nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren zoo rustig uw -bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds zoo weinig als -het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige parfumerieën -u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen aard, zelfs al -verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of al leent gij -hun, als "badman" en "badvrouw", de hulp van uw gespierde armen. Laat -hen liever gevoelen dat zij iets van u hebben over te nemen. Want -waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in zooverre gezondheid de meerdere -is van ziekelijkheid; gij staat boven hen, zoover als inspanning en -arbeidslust staan boven niets-doen, leêgloopen en luieren! - -Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de dagverdeeling -van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald ziek.--Hoe -dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien ik bij nader -kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden van hun -werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan een -verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling, -nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het -eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals -men haar kan noemen,--welk een verfrissching gaat er niet reeds uit -van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor -geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt -zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon; -van ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken zin -en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om omtegaan met allerhande -menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te geven van hetgeen -men ziet en geniet. - -Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan uitoefenen, -die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk daarboven, -en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige heuvelen, slechts -met vaal helm begroeid, als afsluiting van 't landschap! Ginds in -de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan den horizont telt -gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de badgebouwen, -door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan den voet -der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u misschien -een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, zijn -de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch -van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat -is daar toch te zien, zou men haast vragen, 't welk het verblijf -aan zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen -kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal -derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben -om bevolkt te blijven? - -Vertoef er slechts één of twee dagen, en gij zult het voelen en -begrijpen. - -Vooreerst doet het de zee, door hetgeen zij niet is. Zij is namelijk -zóó geheel iets anders dan het tooneel van ons dagelijksch leven en -werken, dat haar aanblik ons reeds daardoor eene onvergelijkelijke -verfrissching bezorgt. Zij is niet het land, met al wat daarop groeit -en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch bestaan op de eene of andere -wijs is verbonden; ik had bijna gezegd, zij is niet de aarde. De -gansche zandige, flauwlijnige omlijsting helpt, juist doordien zij -niets te zien geeft,--niets dan zand en fletse gewassen,--slechts -mede om dien indruk te versterken. Het vage, golvende karakter van -alles om ons heen, geeft ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij -hier niet met menschenwerk te doen hebben; het dichtste bosch, de -wildste bergpartij doen ons niet zóó volop gevoelen, dat wij alléén -met "de natuur" zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is vast, -en de zee is eeuwig bewegelijk. - -En de zee treft ons ook wel degelijk door hetgeen zij wel is: door de -eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn en wolkenschaduwen -op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels op haar spiegel, -of het klotsen van de baren vóór, in en na een storm. En is er, -voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher bekoring verscholen -in haar eigene gestadige rijzing en daling,--in dien vloedgolf, -die zoo rustig komend en weer heengaand, getuigt van eene kracht, -waarbij de felste storm nog niets is? Is daar geen prikkel voor den -geest van elk die voelt en doordenkt, in al de verscheidenheid van -kleine aanspoelende voorwerpen,--eene doorloopende tentoonstelling, -die met elk getij vernieuwd wordt? Kan men open oogen hebben, en niet -reeds na weinig dagen eenig hart hebben gekregen voor die ongewone -dier- en plantenvormen, waarmede wij, desnoods onzes ondanks, in -kennis gebracht worden? - -En dan is er eindelijk het sterk sprekende contrast tusschen -die afzondering en eenzaamheid,--dat uit-de-wereld-zijn, dat men -hier gemakkelijker dan ergers kan bereiken,--en het bont gewoel -der badwereld op een paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze -scherpe tegenstelling, worden wij er ons diep van bewust, dat in het -leven van ieder menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar -aanvullende machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit -geheel het gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij -slechts willen, ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben. - -Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg opgestaan, -vroeger dan gij 't in de stad gewoon waart;--gij hebt gebaad of -wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan kijken, of -wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt gij met -een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste duinrij -getogen. De zee is kalm; het is een jour de dame: de zon schijnt -bijna door de dunne wolken heen. Maar het werken wil niet vlotten, -en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat t'huis, aanstaanden -winter, genoeg doen kunt. Het valt u moeielijk, uw blikken van de zee -af te houden. Indien gij Heine kent, lokt hij u in verbeelding naar -Norderney; zoo gij Schleiden hebt gelezen, vliegt gij met hem over -naar Helgoland: wie weet welke andere lievelingsdichters u ongemerkt -naar fransche, britsche, noorsche kusten heentrekken. Eensklaps -valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die een pas of wat van -u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de golven: op haar eigen -houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit een land waar palmen -groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een verongelukt schip? Waar -zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... En gij ziet er -gindsche visschers, die bezig zijn iets aan hun pink te timmeren, -eens op aan, hoeveel gevaren het zeeleven meebrengt; en gij krijgt -sympathie voor hunne avonturen. Onwillekeurig raapt gij af en toe een -schelp op of een horentje, afgelegde omhulsels van vergane zeedieren, -die in plaats van inwendig geraamte, slechts deze uitwendig op één -punt aan hen vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne -weekheid hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig -langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een -rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen -aan dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft, -hoe het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt -eer men het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit -een gevolg is van de "zoutzure magnesia", die er aan was blijven -hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en -hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten -er het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen. - -Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen -zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de -pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en -zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een -mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne van hebben. Gij -voelt u minder vrij dan 's morgens, maar hebt daartegenover het -voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er zijn er bij, -die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien zoudt, -stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was 't alleen maar om -te weten welke taal zij spreken; ontmoetingen, waarnaar gij wenscht, en -andere, nieuwe, die u misschien boven het hoofd hangen. Gij hebt reeds -heele, halve, groet- en aanspraakkennissen; en loopen er soms onder, -met wie gij liever niet tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,--de -talrijkheid van 't badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg -om die te ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; 't -is een prachtige avond geworden en 't blijft licht tot negen uur, -half tien toe. - -Doch eer het donker is, komt er één oogenblik, of liever één kwartier, -waarin de meeste gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar -één zij gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is, -als daar het drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet, -het oogenblik nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon -daalt merkbaar; en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij -haar in het aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare -verblindende stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten -afscheid groeten. Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op -het water. Daar duikt zij onder; nog een klein gedeelte en zij is -verdwenen. Maar alsof dan plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo -schitterend rood verft zich de plaats waar zij is neergezonken,--de -zee, zoo even donkergrijs, wordt paarlemoerwit en de nevelen, -waarvoor ons Noorden berucht is, doen zich dan eensklaps gelden als -de luchtgeesten uit een sprookje, en maken van het halve uitspansel -een kolossalen ongestreepten regenboog. Onwillekeurig zwijgt men. Ik -ken menschen, die nooit vroom zijn, dan alleen op zulke oogenblikken; -menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid of redeneering, gewoonlijk -alle godsvereering van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten -voor de geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in -stilte den raad des dichters volgen: - - - Laisse aller ta prière où ton âme l'envoie: - Ne t'inquiète pas, toute chose a sa voie, - Ne t'inquiète pas du chemin qu'elle prend! - - -Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na weinige minuten -verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij. - -Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel en sterk, -als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd heeft. Het -zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw spraakzaam. Het -is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de menschen zich -inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon veranderd. Een -groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang terug: het wordt -stiller op het strand en rondom ons, naarmate de duisternis valt, en -de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij in vertrouwelijkheid -of in verheffing, min of meer het alledaagsche overschrijden. - -Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers huiswaarts naar hun -grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan iemand vinden,--het -is een tref, maar als men 't treft, is het een groot voorrecht aan -een badplaats!--die het gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden -met een aardigheid; die de kleine feiten van den dag artistiek opvat, -of een oude anekdote handig weet te pas te brengen; die de kunst -verstaat, òf om zelf te vertellen, òf om het gezelschap aan de praat -te brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen, -dat het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren. - -Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche verscheidenheid, -wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of ander veld -van eer (om 't even van welke soort) verloren krachten, aan ons -noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun gezondheid -hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; en mogen -zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met nieuwe -plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch badman -behoeven te schamen! - - - - - - - - -XVIII. - -EEN KASTANJEBOOM. - - -Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij 't water, staat een wilde -kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een groote boom, die -zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals eiken, beuken, -iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk tusschenbeide -"nog bloeien ook". De kastanje pronkt zelfs met zijn bloei. Hij -draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet minder vertoon, dan -de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich zelven aan ons -voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er sprake is van -een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den titel van -fakkeldrager te voeren. - -Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het feest verheugd -en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer groote boomen, -die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even nagaan, hoe -hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te lengen. - -Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens eerlijk vragen, -of gij hem zoudt kennen in den winter, "bij winterdag", zooals -de buitenlui het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke -wrong in zijn stam--een wrong als van een reusachtig koord--toont -wel den kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten -dien wrong. Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen -gemeen. Doch wie hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal -aan zijne groote, breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend -door de kleverige harst, die ze reeds van den herfst af bedekt, -en ze, voor het oog en het gevoel beiden, een zeker waas van leven -geeft, in een seizoen waarin alle overige knoppen er dor en droog -uitzien. En niet minder opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder -elken knop zichtbare "kussentje", nl. het litteeken waar het oude -blad aan den tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan -de omringende bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine -stippels, al naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door -schraalheid, slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men -heeft hier namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van -elk blaadje, door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad -(een zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk -jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra -de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes, -de doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die -strengen vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van -een "drievoudig" aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die van een -"enkelvoudig" eikeblad ééne vinden.) - -Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins gunstige -omstandigheden, de kastanje aan "uitloopen" te denken. Nochtans -behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril bij, om -dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20sten "in volle groen" -te zien staan. De ontwikkeling van het "groen" toch gaat juist -bij den kastanje ongewoon langzaam: tusschen de eerste teekenen van -inwendige beweging en den vollen wasdom van het loof moet een geruime -tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, om het sterke contrast waar -te nemen tusschen de laatste dagen dat de boom in knop staat, als -een beeld van volle levenskracht en moed en ijver, en de armzalige -figuur, die hij maakt in het daaropvolgend tijdperk, wanneer al de -jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als de ooren van pasgeboren -lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, meer dan een week voordat -zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de lange stelen, die in -den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware blad, dat hen in -ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter rijzen zij omhoog -tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn zij uit hun -eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich uit als -groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand breed. - -En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt hoe zij -zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij volwassen, -en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te vallen: -als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. Het -zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de afzonderlijke -bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. Zij bestaan uit vier witte, -ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der twee grootsten is een klein -rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim een zeer licht roosachtige -tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, zooals bij verreweg de -meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat getuigen de bijen, -of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige minuten werkens, -uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren. - -In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een krommen stijl -gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes ontwikkelen. Een -blik op de honderden en duizenden bloemen doet een goeden oogst -verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun vollen groei -bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en October -een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik maken. Ik -heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij bereikbare -boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende vrucht -open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit -geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend, -na te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er -omgaat binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij -eerst drie kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee -groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur -aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen. - - - - - - - - -XIX. - -EEN INLANDSCHE AREND. - - -Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden spreekt, bedoelt -daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, die zich -door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de statigheid -van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid hunner -woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels verwierven, -tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge waardigheid, -en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten van zekere -"edele" eigenschappen te bezitten. En hetzij men daarbij dan het -meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den keizersarend, -(en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de kleinste -en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men zich -de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den -australischen kegelstaart voorstelt;--men meent in ieder geval vogels, -die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, hazen -en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm Nederland, -strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij ze gaan -zien in Artis. - -Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, des winters, -dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen steenarend -onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over onze -vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen eene -zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,--een uitzondering, -die door de verbazing welke zij opwekt, den regel bevestigt, dat -zulke reuzen bij ons niet t'huis behooren. Maar er is nog eene andere -soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met al datgene wat -een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls voorkomt: -de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, in onzen -tuin opgeraapt. - -Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op een, door een -wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een zoogenaamd -zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, biezen en -watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken hun geduld -geoefend: vijf jongen lagen in het nest. 't Waren leelijke diertjes met -hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; doch daar zij gelukkig -niet, zooals Andersen's beroemde zwaantje, onder jonge eenden verdwaald -waren, maar rustig onder moeders vleugels groot en mooi konden worden, -hadden zij daar weinig last van. De bescherming van de zijde der -ouders was intusschen wel noodig, zooals bleek uit het geval met den -arend. Sinds een dag of wat namelijk, hadden wij hoog in de lucht -een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls verscheidene minuten -onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals arenden plegen te -doen. Een paar malen, 's avonds bij zonsondergang en 's morgens zeer -vroeg, hadden wij een ongewoon geschreeuw gehoord, dat wij aan dien -vreemdeling toeschreven; en eens had het gegil der zwanen, die zich -anders zelden lieten hooren, ons doen vermoeden dat deze met hem slaags -waren. Daarna merkten wij niets meer van hem; maar een week later bleek -de onderstelling juist te zijn geweest, daar de indringer dood in het -riet werd gevonden, op een pas of tien afstands van het zwanennest. In -huis gehaald en goed bekeken, bleek hij tot de genoemde vischarenden -te behooren. Zijn kleur was, in het kort gezegd, wit met bruin, in -verschillende donkere schakeeringen; hij had, als alle roofvogels, -een krommen snavel en een zeer duidelijk herkenbare blauwachtige -washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het kruis staande teenen, -hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme nagels, zoodat men zich -gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk zijne aanvatting is voor -zijn slachtoffers. Wat dezen aangaat--ofschoon het in verscheidene -boeken staat, dat de vischarend zich uitsluitend met visch voedt en -andere dieren met rust laat, zoo was het toch voor ons boven allen -twijfel verheven, dat hij het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had -en toen door de ouden onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van -"Eendendooder", waaronder een onzer werklieden hem dadelijk herkende, -bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt mij -altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb -ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek, -maar slanker van bouw. - - - - - - - - -XX. - -EENE LINDE. - - - "Aldaer dat clare water spranc," - Daer stont een groene linde, - Daer de nachtegael sat en sanc - .........................." - - -De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine, -rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de -stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds -lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist -heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid--in -alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers -gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar; -men ziet het niet, maar men ruikt het. - -Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de -bloeiende linden, hetzij dan 's avonds, als "de nachtegaal" uit alle -macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de -lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik -alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam, -laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt, -de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn -er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang, -lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe 't komt dat gij zoo -onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij -sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de -geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke -vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en -herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten; -het is wreed zulk een stemming te storen!... - -Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden, -waarin die geur ontstaat. 't Is klein en flets van kleur: 't is in zijn -soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan 't ons -ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek -kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts -een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er -op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen -bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten -overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die, -heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. 't Behoefde slechts -wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw, -geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar -zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet -meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist -haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel, -zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de -jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer -goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand, -buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een -verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje, -en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan -deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. 't Is of het -vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden: -het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht -door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke -helften. Het adernet is bijna tot in 't oneindige verdeeld, zooals -vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde -is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en -zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander; -elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke -takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij -uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen. - -Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het -geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en -fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der -menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige -van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is -en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem -te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied -te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur -zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk -door menschenhand herwaarts overgebracht,--lindenbosschen komen -nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden -rijp,--is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft -ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet -in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar -in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke -leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers, -en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes -zou verliezen, indien niet rechts of links zoo'n aardig stukje -lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie -kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld -van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij -verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde [3] vertegenwoordigt -zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn, -daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom, -misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan: -de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk -karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet -ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien, -opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden -rusten in zijn schaduw! - -In de schaduw.--Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol -bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze -bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond, -was dat hier in het Noorden, "waar men toch al zoo weinig zonneschijn -heeft", zooveel hooge boomen gekweekt worden, "die het beetje, wat -er is, nog onderscheppen". Trouwens, op alle italiaansche prentjes, -met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. "'t Is omdat -wij den zonneschijn te lief hebben," was zijn uitleg daarvan. - -Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts -onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt, -dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen -wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten -door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op -de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar -heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen -glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is -des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond -van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een -landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. 't -Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis -aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in -welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar -verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde! - - - - - - - - -XXI. - -TAPIJTBEDDEN. - - -Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons prinsesje Pauline voor -de toekomst toewenschte, behoorde: - - - "Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u henen". - - -De meeste menschen weten dat van de meeste dingen volstrekt niet; -en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van kleederen bij -voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af of men iets -mooi vindt; niet schoonheid, maar "fatsoen" en "stand" zijn daarbij -vaak de openlijk erkende hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein -der kleeding behoeven wij ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou -eenvoudig even praten over het groepeeren van bloeiende planten. - -Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren heerschende -mode der "tapijtbedden" of "mozaiekperken"? - -Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend karakter van netheid, stijfheid -en hardheid, in dit alles niets onderdoende voor een keurig opgemaakt -schoteltje haringsla. Schitterend rood, helder geel, hard blauw, -blinkend wit spelen daarin gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen -zich nog harder dan zij zijn, door de combinatiën waarin zij naast -elkander geplaatst worden. Het spreekt van zelf, dat indien eenmaal -zuiverheid van uit bloemen gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke -contrasten zeer gezocht zijn, om de teekening effekt te doen maken; -en dat daarbij zekere hardheid bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs -waar men er in slaagt die te ontwijken, en met fijnere tinten te -werken dan in den regel het geval is, zondigt men daarbij toch altijd -in hooge mate tegen de natuurlijke schoonheid der planten, door ze tot -een vlakken groei te dwingen. De voor mozaiekperken gebruikte gewassen -zijn veelal dwergachtige planten, die van jongs af voor deze bestemming -gedresseerd zijn: zij groeien in de breedte, doordien men er bijtijds -den kop heeft uitgesneden. Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom -van vormen, die uit een bevallige vertakking voortvloeit; van een -sierlijk zwenken, buigen, zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was -zeker geen tapijtbed dat den italiaanschen dichter de gedachte ingaf: - - - Gij vlindertje in de bloemenperken, - Gij bloem die op den stengel wiegt,-- - Een vlinder is een bloem met vlerken, - Een bloem, een vlinder, die niet vliegt! - - -Wel verre van tot de gelijke van een levenden vlinder verheven te -worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een gebruik, waartoe men juist -zoo goed een hoopje steenen van verschillende kleuren kon bezigen! - -Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of kleinere -parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet raadplegen, -maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen tuinman -overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke -plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog -wordt, geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend -materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat -deze zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien -zij op eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd -was. En eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging -de tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den -Style-le-Nôtre en de tuinen van Versailles, die zij zoozeer bewonderen. - -Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te geven. Doch wat -aangaat den Style-le-Nôtre, in één geval slechts kan ik mij voorstellen -dat iemand van beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is: -wanneer men lang, te lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de -natuur alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de -bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan -door zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst -in natuurlijke groeikracht. Of wel,--wat geestelijk daarmee gelijk -staat,--wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als 't geen hij is: -de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit opzicht -beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag verwachten. De -lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel daaruit, dat zijne -degelijke bewonderaars hem 't meeste prijzen als: "zoozeer in harmonie -met den bouwtrant" van zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij -in eene andere grondstof herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus -geheel ondergeschikt gesteld aan de steen-architektuur. En is dit -niet juist in tegenspraak met het karakter van tuinen en parken: -het omheinde lapje grond, waarop de mensch zijn best doet, om te -midden van de aangroeiende steenwereld der steden iets te scheppen, -dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld herinnert? - -Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden tuinsmaak -nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht nemen. Na -eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij machte was, -den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den edeler inval, -om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te dringen, en haar -in overeenstemming daarmede te regeeren. Na Le Nôtre heerschte William -Kent. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene muren opgesnoeide -hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak uitgestrekte bloemperken, -kwam de "engelsche aanleg" met zijne aan de natuur zelve ontleende -schoonheden, met zijn heerlijke boomgroepen, zijn verrassende -wendingen, zijn wandelwegen, waarop men zich zoo vrij beweegt, -en zich nochtans onder de betoovering van echte kunst gevoelt; zijn -schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen samenwerken aan een -goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend hoe in betrekkelijk -zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur zich zoo sterk -heeft ontwikkeld,--zulk een sprong voorwaarts heeft gedaan van die -bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap! - -Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het mij, als -onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt te -willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar -het oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk, -in België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de -liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een -mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken, -waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar -aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een -aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen, -tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van -Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog -en geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois -de la Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein -als b. v. voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan -onwillekeurig af, of het geheel voor niet is, dat er een poos lang -een beter wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver -van Cassel, met zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn -in hetgeen wij somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de -mode maar altijd als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen -zich daardoor zoo duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen -niet meer durven vertrouwen? - -Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: iets van het betere -blijft altijd hangen! - - - - - - - - -XXII. - -DE POËZIE VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN. - - -Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen gestemd zijn, indien -het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de spijzen, die men -"groente" noemt, op tafel te krijgen, tenzij zij ze eerst met eigen -fijne handen dopten, sneden, schoonmaakten? Zeer velen noemen dit -eenvoudig "meidenwerk", dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven -zij, als 't ware, verheven zijn; en anderen, die er zich somwijlen meê -belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en daarom onvermijdelijken, -maar dan toch altijd zeer eentonigen, geestdoodenden, recht prozaïschen -arbeid, waarmeê zij zoo gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander, -meer harer beschaving waardig, werk te begeven. - -Prozaïsch?--Om te weten of er poëzie schuilt in het een of ander, ken -ik een zeer eenvoudig middeltje, dat meestal op den rechten weg brengt; -ik tracht mij duidelijk te herinneren hoe ik er over dacht als kind. - -Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog heel goed wat -ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands knieën -erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer "zoo mooi" -vond, die schokken, gaaf en glimmend als glacé-leer, en van binnen -nog veel zachter dan een lapje zijde. Ik weet hoe aardig ik het vond, -dat ik ze met zoo weinig kracht kon opendrukken; dat zij juist spleten -daar, waar die twee stijve, lichtgekleurde randjes elkaar raken. En -als de schok dan half geopend in mijn hand lag, met de beide helften -aan de andere zijde nog vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet -het inzicht op die zeven, acht of negen erwten, ieder met een kort -wit steeltje, beurtelings op ééne van de beide zijden bevestigd,--die -zich zoo gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte, -als "veel makke schapen in één stal". Elk nieuw seizoen bekeek ik ze -met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, dat een jaar lang -weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht lichtgroen, hoe -glad en teeder waren zij, "veel mooier nog dan eene rist matglazen -kralen", dacht ik, en dat was anders al het mooiste wat ik kende; -en achteraan herinner ik mij heel goed, iets gevoeld te hebben wat -ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te denken: zij waren meer -dan kralen, want zij leefden! - -Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik altijd had in -het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet waar? wordt -aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan het gewoon -is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij toeval, -op een étagère het huisraad, gereedschap, servies onzer ouders, -in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner afmetingen, weder te -vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een goed geproportioneerd -model van een molen of een brug onder de oogen kregen! Zoo troffen -mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek ze, ik bewonderde ze -elken winter, met evenveel verrukking als de gelijktijdig aangekomen -Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel verrukking, plus zekeren -eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze voorzichtig aanvatte, en -ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, om te zien of hunne -kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote bladeren van de -groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den aanleg hadden, -maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, "vleeziger" was, -zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te begrijpen hoe die witte, -malsche massa, die het hartje van het spruitje uitmaakt, bestemd -kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof te vergroeien: -ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, nieuwsgierig tegenover -het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en gevoelde dat ik voor iets -dieps en schoons stond! - -Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan porselein stengels; -aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze eerste indrukken -hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur zoo innig te -doen liefhebben. - -Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met elkander -gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw kinderjaren? - -En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo boeiden, -thans "prozaïsch" zijn geworden? Is het beneden onze waardigheid -oog en hart te hebben voor die kleinigheden, als daar zijn erwten -en hun steeltjes, het adernet van spruitjes, of de haren van een -raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u immers niet om veel opmerkzaamheid -te wijden aan pareltjes en diamanten en andere fraaie kleine zaken!--Of -is het dat wij sinds die eerste jaren reeds zooveel erwten, boonen, -kool en andijvie-bladen in de handen gehad hebben, dat wij afgestompt -zijn op het punt van hun belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het -schoon van hun détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van 't eerste -erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst -mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien -in zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets -gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen -jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan -de meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. Een kind -voelt onder 't boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een -boon toch wel voor een ding is; en wij zijn meestal tevreden met het -praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend anderen -vóór ons ligt als eetwaar. - -Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij zijn er aan gewoon -geraakt de natuur als onze wettige slavin te beschouwen en hare "ruwe" -voortbrengselen alleen maar te waardeeren in zoover zij onze zeden -en gebruiken, onze huishouding dienen. Als een kind een mand met -fraai gevormde, vriendelijk geschakeerde groenten "mooi" vindt, dan -is het in denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos -met speelgoed of iets anders; als volwassen vrouwen van een "mooie" -mand met sla of rapen spreken, dan is het meestal slechts uit eene -zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo goedkoop hebben -weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind geen zorgen heeft, -de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan aanzien, terwijl men -later zoo verdiept is in de zorgen voor het onderhoud des levens, -in het onmiddellijke platte "nut" der dingen, dat er geen greintje -hart meer overblijft voor hunne schoone zijde? Voor mijne meeste -lezeressen kan ik die reden niet vooronderstellen. - -De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, geloof ik, voor -de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde ontwikkeling. De -aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze kindsheid ingaf dat -"erwten meer zijn dan kralen, wijl zij leven", heeft geleden onder -zekere maatschappelijke conventies, die ons ten naastenbij wijs wilden -maken dat kralen integendeel meer zijn dan erwten, wijl kralen in -'t salon en erwten in de keuken t'huis behooren. En boonen, wortelen, -augurken "mooi"? Wat "mooi" is, dat beslist immers de mode? "Mooi" is -een hoed of mantel naar den laatsten smaak, een kostbaar meubel uit een -van de grootste magazijnen; "mooi" zijn heel veel waarlijk bevallige -dingen, maar ook b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte -schilderingen, al deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar -gebrek aan perspectief. Een groenteblad, dat door een kind bewonderd -wordt, trekt verder geen opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor 't -"mooi", maar om te eten. - -Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer slavinnen -geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden? - -Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een voorrecht achten -veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en daaronder ook het -schoonmaken van groenten, in den regel aan dienstboden te kunnen -overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer een mand met groenten -ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens te doorleven wat -gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer had met uw -kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. De rijkdom -der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, met uw -volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen! - - - - - - - - -XXIII. - -KORENBLOEMEN. - - - De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans, - Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans... - - -Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede ten gunste -van de "noodelooze" bloemen, verdient Ridder Constantijn Huygens' -nagedachtenis nog eene warmere vereering, dan die zich openbaart in 't -geven van zijn naam aan eene der meest bloem- en lommerlooze straten -van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel zeer of hij zelf lust gehad zou -hebben, daar te wonen. Hij zou ons spoedig mee getroond hebben naar -Hofwijk, of naar een of ander lievelingspad, waar hij zijn "gestolen -uren van wandelingh" placht te slijten, waar misschien werkelijk het -uitzicht op golvende akkers hem het eerst den titel "Korenbloemen" -voor zijn dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan -kunst gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten: - - - Hij meent geen' Korenbloem, die Terw saeyt; verr' van daer; - Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber waer. - De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder 't Koren, - Als Gasten, die in 't Mael der Gasten niet en hooren, - En komen ongenoodt, en schikken zich in 't best, - En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de rest. - Men leeds'er wel van daen, maer, soo sij 't Mael verblijden - Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden. - - -En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een ruikertje korenbloemen -hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al nagenoeg hetzelfde -gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog steeds bij -voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, leeuwenbekken en -bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, kamille, centauriën -en klaprozen.... - -Als er van "glans" gesproken wordt, komen de laatsten zeker wel het -eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur in de wereld, dan -dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan afsteken? Zij -leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, en 't -roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten zat, zich -losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die 't beschutte, -en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden van weer en wind -overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en derwaats zwerven, -schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun stengel zaten;... zij -dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, heb ik wel eens -hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij vereeuwigd -door 't penseel van elken schilder die zich min of meer gelukkig met -veldbloemen inlaat. Denkt u een "jardinière" zonder haar; denkt u -de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels van -het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als -onmisbaar middelpunt? - -Intusschen, onder "korenbloemen" verstaat men doorgaans niet -voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die welbekende bloemhoofdjes, -in welker buitenste randbloempjes, (welbezien slechts als peperhuisjes -opgerolde blaadjes), de schoone tint van eenigszins gebroken blauw -ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam van "korenblauw" -ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is van oudsher zekere poëzie -verbonden; als ware het bij overlevering hebben wij ze lief; dat elk -ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie veldbloem, is daarvan -wel het duidelijkste bewijs. - -Heeft zij dit voorrecht, dit prestige, indien ik het zoo noemen -mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere bijzondere -eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat ook een -aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de gave -van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in -haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving -is zij niets. Als "Centaureae Cyanae" in tuinen gekweekt worden, -vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking haar -oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want -doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of verbastert het -tot vuil-wit of vuil-paars),--gesteld al, dat de kleur zuiver blijft, -dan maken zij toch altijd een onverschilligen indruk. Het grove, -schrale, onbehaaglijke der stengels en der bladeren valt in den tuin -ieder in het oog; in 't veld verschuilt zich dat tusschen de halmen, -en alleen de bloemen komen uit "het golvend bosch" te voorschijn. - -En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur tusschen rogge -groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat de zandstreken -wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de schilderachtigste -gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan vereenzelvigt zich voor ons -de schoonheid van de korenbloem met die van het roggeveld.--En dat is? - -Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden bodem, bedekt -met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en gebroken -door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. Het -is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen, -hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van -een dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de -geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche -olmen. Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar -heerscht om u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging -brengt. Het is wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon -zijt daarop meer of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd -kleine kevers, wespen, torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen -en vliegen, en voor wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe -druk zij het hebben. Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in -en uitvliegt, of de patrijs, die juist, met hare jongen achter zich, -het ongelijke, half begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is -de haas, die eensklaps u voorbij schiet, en die u dan veel rosser -dunkt dan 's winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en -de menschenstemmen die daartusschen klinken op een afstand. Het -zijn de halfgekleede kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is -bovenal uw eigen stemming, het gevoel van ruimte, van frischheid, -en nochtans van gezelligheid; en het spel van uw eigen gedachten, -die beurtelings de verte en de diepte indwalen.... - -Als ge lang zoo'n korenbloem aanziet, dan is het alsof al die blauwe -buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat tafereel hoe langer -hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat kleine ding voor u -de vertegenwoordigster van een der lieflijkste landschappen.... of -liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat bij eenig kadaster, -dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er nooit een zal krijgen; -maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet met het oog van den -kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft! - - - - - - - - -XXIV. - -EEN BERGTOCHT. - - -Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis -naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een -badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het -op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde "Sächsische -Schweiz". Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden -naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig -dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij -Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen -Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes -in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename -herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo -goed als onbekend is, de "Weckelsdorfer Felsenstadt". - -Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap -had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel -moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten -op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven -aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die -voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was 't heerlijk dat -er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden -bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de -plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was -voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil -en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd -zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna -allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om "die Felsenpartie zu -machen". Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte -logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die -wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en -levendig, de kamers hadden zoo'n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo -lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te -goed aan een bord oostenrijksche soep;--onze leidsman had moeite om -ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: "Nu eerst naar de -rotsen,--het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag -staan, als wij ze goed zien zullen." Het aangenaam vooruitzicht -van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons -eindelijk gehoorzaam meegaan... naar "de rotsen". - -Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur -afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons -uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij -ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch -achter den rug hadden, zouden wij van zelf de "Felsenstadt" in het -oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk -verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene -zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks -tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen, -hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren -met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen -van het hout loonde de bezwaren van 't vervoer niet; en ook voor de -jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in -oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben -aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid -hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan "de Hussieten" -toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote -rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk -ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas. - -Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze -geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen -kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken -harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag -slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor -toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de -lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend -heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan -over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het -water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden -van jaren daar ongestoord aan 't werk waren geweest, hadden deze -rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er -doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen; -en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren, -vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden, -er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest, -dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel -gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer, -geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten -en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het -vertoonen van de "Felsenstadt" aan beëedigde gidsen verpacht,--en op -aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega's, -neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe. - -Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het -echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft -zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een -boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op -een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje -beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken; -klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift, -(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op -de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof -hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat -Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden, -ter wille van een echo,--aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de -menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste -gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is -en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is -schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes, -brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van 't landschap bij: -hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de -donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons -allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij -volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan -moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging -van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de -meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. "Daar -zijn de koornzakken,"--werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen, -"daar zijn de kazen", daar is "de kroon", "de wandelende pelgrim", -de "reuzenharp", de "schoorsteenveger"; ginds in de hoogte zit -"de broeiende kip." Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder -aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen -verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo -teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. "Kijk," riep eensklaps -een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen: -"daar staat Erasmus boven op dien top." "Sanct Johan von Nepomuc," -zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis, -en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die -botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het -is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon -van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man -met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over -het land uitgestrekt,--spreekt het niet van zelf, dat men hem als -den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt -echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit, -dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien "der Uhu", de uil, -heet!)--Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: "de wachtende -rotsbruid". Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij -zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal -in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend -wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk -van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten -hals in de verte naar iets uitziet. - -Weldra kwamen wij aan het "rotsamphitheater", een halfrond dal, -dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet -denken; in den somberen "grafkelder"; en eindelijk in den "Münster", -een prachtige grot, waar de tonen van 't genoemde orgel, ofschoon -zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren "de -lentetuin", met zijn frissche varensvegetatie, en "Italië". Dit laatste -heet nl. zoo, in tegenstelling van "Siberië", een kille kloof, waar -nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw -ligt;--daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme, -rondom beschutte, rijk begroeide "Italië". Eerst tegen 't vallen van -den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze -wandeling ten einde. Bij den ingang--thans voor ons den uitgang--stond -een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen, -bestemd voor "welkom t'huis"; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee -ze allen prijkten: "Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein." Vóór de -deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk -zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als -ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er -een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes -tot stand: - - - Wie zien wil, hoe een schutspatroon - Ontzag wekt en vertrouwen, - Lette op Johan von Nepomuk, - Door de eeuwen uitgehouwen. - - Wie voelen wil, wat wachten is, - Trots tijd, en storm, en regen, - Zie opwaarts naar de Steenen Bruid, - En vraag haar stillen zegen. - - Wie weten wil hoe grillig-grootsch - Natuur zich kan vertoonen, - Betreê de Weckelsdorfer "Stadt:" - Het zal de moeite loonen. - - -En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid -van deze zonderlinge rotsen mochten komen. - -Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden -morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij -Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door -de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de -Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid -aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het -begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange, -eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die -daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten -te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige -ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven -tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en -wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en -te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich -niet verwonderen dat de namen: "lange Gasse", "Prager Jesuïtengasse", -"Breslauer Wollmarkt" enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn -gekozen. - - - - - - - - -XXV. - -OUWERWETSCHE BLOEMEN. - - -In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet ik een hofje, waar -ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar keeren naar toe ga, -om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten naastenbij als alle andere -hofjes. Ofschoon midden in eene zeer volkrijke buurt gelegen, is het -als een zinnebeeld van rust en stilte. Als gij er binnen treedt, -en de zware ijzeren deur achter u toevalt, gevoelt gij u in eene -kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van de groengeverfde -deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de gordijntjes, -zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon bestemd te -wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige plooi: -zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als de rimpelige hand, -die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het loslaat. De katten -sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de lijsters in de kooien -schijnen zich onder dien invloed te voelen. De mijne zingt altijd: -"Wat wil je nou liever als vrede?" zeide mij eens een oud vrouwtje; -en ik moest erkennen dat althans "de maat precies uitkwam." Eerlijk -gezegd, het is er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens -tachtig jaar zal moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal -kunnen vinden. En als ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk, -en mijn gezichteinder verruim door het marktplein te zoeken,--dan haal -ik diep adem, en word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn -grootere en kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende, -kleingeestige menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de -dorre menschen, die aan onze fantazie haar goed recht van bestaan -en ontwikkeling betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten, -die ons trachten op te dringen dat de zonneschijn van het leven zijn -nevelen niet waard is... ik toch de wijde wereld nog niet moe ben! - -Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de tijdrekening -aangaat, scheidt de poort van 't hofje hetgeen daarbinnen van hetgeen -daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een berijmd opschrift, -uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks 150 jaar gesticht -is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het drievoudig -doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te vereeuwigen, -en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De bouwtrant -en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich ook -in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd -heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de -neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze overgrootmoeders -lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij spreekt u ook toe -uit de bloemen, welke daar bij voorkeur gekweekt worden. - -Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij tegenwoordig in Holland -nog een "juffertje in 't groen" (Nigella Damascena) vinden, met het -lichtblauw deel harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen; -of een "kooltje vuur" (Adonis autumnalis); of, om in dezelfde kleur -te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem (Lychnis -chalcedonica), in de wandeling "Konstantinopel" genoemd? Wie anders -kweekt nog als sierplant "bernagie" (Borago officinalis), met zijn -stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in -de weelde van er "gouden knoopjes" op na te houden? Waar anders dan -misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een "tuinder," die -zich bepaald op de klandisie van de oude vrouwtjes toelegt, krijgt -men zulk een rijkdom van schitterende duizendschoonen en welriekende -violieren te zien? Waar anders speelt de balsamine zulk een groote -rol? Ik meen èn de enkele, de klimplant, èn vooral de oost-indische -balsamine, met haar dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels -van een hyacinth rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt, -terwijl een bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt. - -Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed te doen aan -den geur der muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), wier geel mij nergens -zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo fluweelachtig -toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het vierkante -middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in plaats van -gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de randjes van -grasanjers in bloei; en dan staat op de rekjes voor de ramen, tusschen -een aantal kleine potjes met Sedums en Cacteën, een groote "ruiker" -ranonkels in een glas water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen -vaasje. Ruiken doen zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de -gedachte voor de hand ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te -maken zouden wezen; maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder -eenig temperend groen er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd -sieraad zoo binnen als buiten het venster der bestjes. Die rekjes -zijn dan verder gevuld met maagdepalm en bakkruidjes (de oudste -soort van Primula veris); en zoo er soms een maandroos bij staat, -dan is die stellig tegen een paar latjes opgebonden. - -Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het dan juist -niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna ieder -raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit zou -kunnen noemen, en wat ons af en toe een: "wel, is dat nu een... (dit -of dat)"? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met vreugde, hoe ik -daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem bespeurde, en mij -verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen naam. Blijkbaar -heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van zeer smalle -blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een doornenkroon -doen denken; en is men daarna in de andere inwendige bloemdeelen -het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. Hieraan -ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die haar -in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij -in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef steeds een -kasplant. Dat ik haar op het hofje ontdekte, was dan ook door een -bijzonder fortuintje. Zij was het eigendom van een vrouwtje van -brabantsche afkomst, die haar plant zóó geleid had, dat die een -soort van nisje vormde, waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als -éénige roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven, -hield zij die stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien -achtermiddag, trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald -"voor een verfrissching". - -En als men dan den blik weer van de vensters naar den algemeenen tuin -wendt, kan men daar kennis maken met de akoly (Aquilegia vulgaris), -met vijf spoortjes, op de wijze als oost-indische kers er een -heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde van den dag was, toen de -rederijkerskamer "De witte Akelye" een "zinnespel" vertoonde, ter -eere van ik weet niet recht welk voorval in den "prinsentijd". Daar -staan ook in al hare bescheidenheid de "menniste zusjes" (Saxifraga -umbrosa), wier ondeugende naam mede aan een vroegere periode doet -denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke politieke rol -speelden in de dagen der "Oranjeklanten". Onder den grooten pereboom -in 't midden, die ouderwetsche peren voortbrengt,--even geurig als -menige groote, nieuw veredelde,--groeit en bloeit een struik (Rubus -occidentalis), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die men -"kaapsche framboos" noemt, en ook zeldzaam elders meer aantreft; aan -gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in het najaar -zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den titel van -"Judaspenningen" in de zon gedroogd zullen worden. Ook worden daar -"steekneusjes" (Agrostemma coronaria) gekweekt, en wijnruit, en -rosemarijn, en een soort van salie met afwisselend roode en blauwe -schutblaadjes. Ik zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders -toch aan dien zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen; -namelijk of en hoe dat samenhangt met de Salvia officinalis, welke -in de middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat -een latijnsch spreekwoord luidde: "Waaraan zal een mensch sterven, -die nog salie in den tuin heeft?" - -Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt zijn? - -Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat zij hier niet -"aarden wilden".--Maar dat kunnen niet de éénige redenen zijn. Een -bejaard bloemist zei eens: "Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er -aan een plant wat te veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra -men daar geen kans meer op ziet, raakt zij er uit." Ik geloof dat -daar veel waars in is. De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten -te leveren, maakt de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het -dankbaarst leenen, hebben voor een tijd den boventoon. - -Doch op die wijze wordt het aantal der "in den smaak" zijnde bloemen -zeer beperkt; en wie waarlijk Flora liefheeft juist in hare eindelooze -verscheidenheid, dient zich dan schadeloos te stellen door af en toe de -"verouderden" in hare schuilhoeken op te gaan zoeken. - - - - - - - - -XXVI. - -AUGUSTUS. - - -Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en geschiedkundigen -voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van zouden leveren; -maar in mijn ooren doelt de naam Augustus voor onze achtste -maand steeds daarop, dat de volle majesteit en heerlijkheid van -'t zomerleven zich om dien tijd van 't jaar het meest in al haar -omvang openbaren.--Juni heet zomermaand; maar "voor den langsten dag -krijgen wij geen warmte", is eene in onze volksovertuiging opgenomen -zekerheid.--Thans, op 't eind van Juli, is de warmte eindelijk -gekomen.--De wind is oostelijk; de barometer teekent "bestendig"; het -"laat zich aanzien dat wij--("met de nieuwe maan", voegen sommigen -er bij)--het mooie weer een poosje zullen houden." De natuur rust op -haar lauweren van het groeien; de zonneschijn heeft nu slechts voor -het rijpen te zorgen. - -Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen namiddag. Gij hebt -u verscholen in de schaduw. Het diepe groen der iepen en der linden -komt te rijker uit, sinds het wordt afgewisseld door de frisscher tint -der jongste loten. De lucht is helder. Nu en dan snort u een hommel of -een juffertje voorbij; of een wielewaal vliegt van den eenen boom naar -den anderen, met de schalksche, zangerige vraag: "Klinkt mijn liedje -niet goed?"--De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, zoodra gij -u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij zich -in 't gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt niet veel, -maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe handen -buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van rust -in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... Dikwijls -komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige geest -gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er aan -die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd. - -Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in aangenaam -gezelschap,--ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, niet slechts -het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het bereik van -elkaars stemmen.... - -De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich voorgesteld hebben -den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. "Van den zomer" -zullen wij dit doen, en tot "van den zomer" zullen wij dat uitstellen, -heeft men elkander reeds sinds maanden hoopvol toegefluisterd: en al -die bezielende, veelbelovende plannen doelden op die lange dagen, -die voor zeer velen, te beginnen met de schoolkinderen, een korter -of langer vakantie, verlof, of "komkommertijd" mee plegen te brengen. - -Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een aantal menschen -met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig feest, waarvan -de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte de uitvoering -zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer verheugd heeft, -als zij eindelijk dáár is, ronduit gezegd, maar al te dikwijls -tegenvalt? Dat de één veel tijd besteedt aan plannen, om zich het -schoone jaargetijde het aangenaamst te maken, en nochtans tot geen -recht genot kan komen; en een ander, zij het dan ook met een beetje -schaamte, moet erkennen, dat hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm -en rustig, gezellig, "comfortable" en pleizierig vindt? - -Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd -verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij voor velen -eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de meeste -Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu -toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne -"onbestendigheid", zijne "guurheid", en het geringe aantal schoone -dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt naar warmte, en... als -dan op eens de thermometers zijn gerezen, beklaagt men zich daar al -heel gauw nog meer over, dan te voren over de kou. - -Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, beschaafde -Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming het -schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede vieren? - -Ik denk het allereerst aan onze dag- en nacht-verdeeling. Hoe zijn -wij er toch toe gekomen om, wonende op een breedtegraad waar zulk een -groot verschil is in zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven -nagenoeg het gansche jaar door één tijdsverdeeling te behouden, en -wel een die het beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel -toch der beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de -zon in Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s'avonds, -ook in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou -kunnen noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn -volle waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste -uren te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden, -de warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al -zwoegend doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een -handjevol genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag "zoo -kort", en het afscheid van de zon "reeds" dáár is, met kunstmatige -verlichting den tijd in te halen dien men des morgens heeft bedorven? - -Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, dat het -weder al "heel mooi" moet wezen eer wij ons met genoegen in de vrije -lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin zooveel beter ingericht -op koude dan op warmte, op zomer-morgens dikwijls meer tobt, mort, -zich over de natuur beklaagt,--dan op den guursten Novemberdag? - -Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van menschen, het -grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, besloten -tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens weer -straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den zonneschijn op -hunne ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de zon met eigen oogen -te zien op- of ondergaan. Is 't wonder, dat voor velen hunner de zomer -geen genot is, en dat zij,--misschien zonder het te weten,--hem daarom -liever maar voorbij wenschen, omdat er dan sprake is van een vrijheid -en een vreugde, die voor hen toch niet schijnen weggelegd te zijn? - -Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van arbeid, -die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche volken -bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot de zoo -noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor ook de -naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur ontrooft. Is -het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, indien hun -werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar onafgebroken -kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde omgeving -doet wenschen? - - - -Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer velen dwaas en -"overdreven" dunken; dingen onnatuurlijk noem, die men door de kracht -der gewoonte normaal is gaan vinden; zinspeel op idealen, die ik op -het oogenblik evenmin in praktijk kan brengen als gij. - -Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe ik elken zomer, -als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de aantrekkelijkheid -van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik daarbij telkens weder -aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit weet ik dat genoemd -klimaat zich niet naar ons zal schikken; en dat wij dus het wijst -zouden doen met ons naar zijn veranderingen, zijn nukken en grillen -te regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen -zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid -zoo onkwetsbaar mogelijk te maken. - - - - - - - - -XXVII. - -BLOEMEN LANGS DEN WEG. - - -Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer's lief heldinnetje de kunst -van "kruuzemunt"-zoeken na te doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het -met den neus gaan zoeken; evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke -kleine paarse lipbloemen, die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie, -dat men de blaadjes slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat -hun groei aangaat, heeft men slechts aan een doovenetel te denken... - -"Al die Munt en al dat Penningkruid langs de publieke wegen," zei -laatst iemand op een wandeling, "is maar een bespotting van den armen -drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn zak."--"Ja, -als je daaraan wilt beginnen," hervatte een ander: de Sleutelbloem -past op geen enkel slot; en wie den Helm voor hoofddeksel wou -gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd moeten hebben."--De -aardigheid was aanstekelijk, en de voorbeelden liggen slechts voor -het oprapen. "Aan het Vuurkruid", viel een derde in, "kunt ge niet -ééns een sigaar aansteken: waarvoor dient zoo'n ding dan?"--"Onder -al de Violen en Vioolachtigen is er geen enkele, waarop men, al was -'t ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen spelen."--"De -meeste Paddestoelen zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs voor -een pad."--"De kammetjes van 't Kamgras kunnen nooit een kapper van -nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als Salomo, in zijn tijd, -niet heel wat anders dan een Convallaria als Zegel gebruikt had."--"Al -die Slangenkoppen en die Addertongen, waarvan het, naar men zegt, -in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een -duinwandeling geven..."--"Is waar, 't is wel wat erg; en als gij -ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig, een broodje -met Ossentong bestelt, en de knecht u met een ruwbladerig plantje aan -komt dragen, dan ken ik u volkomen het recht toe, om hem een uil of -een brutalen spotvogel te noemen!" - -Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke namen. Wat -dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers, -Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren, -en Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen, -waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen -over den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij -herdersbeursjes vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat -van de eene of andere Philis te bergen!--Soms is er aan die wilde -planten een legende verbonden, en dan heeten zij naar den eenen -of anderen heilige; soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij -voorbeeld die van "kamperfoelie", blijkbaar verbasterd van het fransche -"chêvre-feuille"! Soms weer zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van -"duivelsgaren" voor verschillende zeer lastige slingerplanten.--Doch -hetzij hun zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze -mooi mogen vinden of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven -altijd veel liever dan de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de -bedoeling van de tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet -zoozeer is om meer geleerden te vormen, als wel om in alle menschen -meer oog en hart voor de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan -moet op de populaire wetenschap ook niet door latijnsche terminologie -een te "geleerde" stempel worden gedrukt. En indien een groot aantal -plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog toe -het "volk" ze, als van geen bijzonder praktisch belang, onopgemerkt -voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk niet, ze een -volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door botanisch -onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet dood, -verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar! Indien -de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of -andere zijde verruimt, moet zij--de taal--dan niet meegaan en zich -voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij hun -latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders; -de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen -op na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het -levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van Herderstasch. Ziet -eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de oude Dodonaeus het -voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus uitteekende, -en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik, en aan de -andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen karakteriseerde: - -"Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in 't eerste uyt syne wortel -sommighe langhworpighe bladeren, rondsomme diep gekerft,--langhs der -aerden verspreydt; daer nae krijghet dunne; somtijds veelachtighe -recht op staende steelkens, in andere zijd-steelkens dickwijls -verdeyldt, met dierghelijcke, maer kleynder bladeren beset; op het -top van dewelcke kleyne witte bloemkens voordtkomen, gheschicktelijck -gevoeght: als die vergaen sijn, komen daeraen kleyne, platte, kantighe -hauwkens, bij haer steelken oft aen haer oorspronck wat smaller en -wat meer ineenghedrongen dan nae bovenwaerts, waer zij breeder zijn, -kleyne borsekens oft teskens eenighsins ghelyckende, nae de welcke -dit cruydt synen naem voert. In de teskens steeckt het saet.(!) De -wortel is langhachtigh, wit, met sommighe veselinghen.--Het groeyt, -bloeyt, ende maekt syn saet ryp den geheelen somer door." - -Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten zeggen. De -voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn verdwenen -en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten; maar -de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille; -en de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid; -en de basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in -open plaatsen tusschen het hakhout; en hoe meer men er op let, hoe -meer verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels -in de weide glinsteren, dan zijn 't, in plaats van madeliefjes, -witte klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur -vergoedt meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een -handvol van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering: -misschien vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij -weet,.... dat brengt geluk aan! - - - - - - - - -XXVIII. - -DE LOTOS. - - -Onlangs had er een botanisch verkeerd à propos plaats zooals heel licht -gebeuren kan, wanneer twee of meer planten, in den loop der tijden, -aan denzelfden naam gekomen zijn. Het was tusschen een geleerde, die -zich nooit veel met bloemen ingelaten had, maar des te meer met oude -dichtkunst, en een dertienjarig meisje, dat juist dezen zomer, als -H. B. school-leerlinge, haar eerste veld liep op plantkundig gebied. - -"Je hebt het tegenwoordig zoo druk over planten," zei de doctor in -de letteren; "maar weet je wat ik graag eens zien zou: een Lotosbloem." - ---"Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze niet?" - ---"Ze zouden mij zoo interesseeren om de poëzie, die er aan is -verbonden. Je denkt dan zoo om een stil waterlandschap met een -weelderigen plantengroei bij maanlicht." En hij vertelde een en ander -van de "Lotophagi, de veelbebesproken Lotoseters", en beweerde dat -hij er zelf wel eens even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou -willen wezen. - ---"Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of schapen," schertste -'t meisje; "menschen zullen ze toch wel niet eten." - ---"Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze waarschijnlijk nog wel." - ---"Ik ga er een halen," besloot zij. - ---"Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?" vroeg hij lachend. - ---"Neen, vlak bij uw huis." - ---"Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht bij" mompelde hij -ongeloovig. En halfluid reciteerde hij: - - - "Die Lotosblume ängstigt - Sich vor der Sonne Pracht, - Und mit gesenktem Haupte - Erwartet sie träumend die Nacht." - - -Binnen weinige minuten was zij terug met een plantje van een paar palm -hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en fraaie botergele bloempjes. - ---"Is dat een Lotos?" riep de doctor, "'t Lijkt wel een gouden-regen!" - ---"Een gouden-regen!" herhaalde nu het meisje op haar beurt, met al -de verbazing van iemand, voor wie zóó'n vergissing sinds zes weken -een onmogelijkheid was. "'t Is een Lotus corniculatus, een gehoornde -Rolklaver." - ---"Nu, dan zal ik het voortaan voor jou plezier een land-Lotus noemen, -juffrouw Flora," eindigde de litterator vriendelijk.--Maar wat hij -had wenschen te zien was een Nymphea-Lotus, dat sieraad van den Nijl, -die met hare indische zuster, de Nymphea Nelumbo, als "Lotosbloem" -zulk een voorname rol speelt in de aloude poëzie van Indië en van -Egypte. En hij verhaalde daaromtrent verscheiden mythen en legenden, -die haar lieve oogen deden glinsteren. - - - -"Mijnheer," zei twee maanden later juffrouw Flora, zooals hij haar -sedert dien tijd voortdurend noemde, "nu weet ik waar u iets te zien -kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! In den Amsterdamschen -"Hortus" bloeit de Victoria regia. Ik heb er een prent van gezien, -en dacht dadelijk aan uw indische vertellingen." - ---"Welnu, dan zullen wij er samen eens heengaan. Wat wil je liever: -bij dag, of bij avond met gaslicht." - ---"Neen, bij dag!" koos haar rein instinkt; "'t is wel waar, -zij bloeit het mooist bij avond, maar bij gaslicht, dat vind ik -zoo.... onnatuurlijk." - -Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij op klaarlichten -dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als een leeuw in -zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in roodachtigen -toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou verwachten. En -men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. Een was er -omgedraaid, opdat men 't sterke adernet in oogenschouw zou kunnen -nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een jongen -van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de bloemen -met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn een -gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.--En eer zij -uit den Hortus gingen, waren hun ook dadelpalmen, suikerriet, een -koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, al hetwelk -zeer hunne belangstelling opwekte. - -Toen zij 't hek uit waren, zwegen zij beiden. - -"Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen land zien," zei -het meisje het eerst. - -"Ja," antwoordde de dokter, "'t is heel mooi voor de wetenschap, -zoo'n inrichting; maar je waardeert de planten eigenlijk maar half, -als ze zoo uit haar element gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat -de Victoria op een Lotos lijkt, maar het wou mij toch niet lukken -om mij in zoo'n kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges -te verplaatsen." - - - -In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een -buitenpartij. 't Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog zich. - -"Juffrouw Flora," zei de dokter, haar op den schouder tikkend, -"ga eens even mee: ik heb wat moois ontdekt." En langs een paar -verborgen paadjes troonde hij haar mede naar een open plekje in het -bosch, waar zij eene kleine watervlakte in het oog kreeg, 't Was een -verlaten vijver, die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had, -maar thans geheel aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste -gedeelte was hij door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde -kastanjes en een treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans -het licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide -riet, zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en -staken gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en links bloeiden, -nauwelijks zichtbaar, Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever. - ---"Ziet gij wat daar drijft?" vroeg hij, terwijl zij van de helling -op het water nederzagen. - ---"Ja, Nymphaea's, gewone witte waterrozen, Victoria Regia's in -'t klein!" voegde zij er glimlachend aan toe. - ---"Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat Lotosbloemen moeten maken!" - ---"Maar die zijn zooveel grooter en hebben lange dunne stelen, en -ontsluiten zich eerst 's avonds," bracht het meisje, dat intusschen -meer geleerd had, in het midden.... - -Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar dezelfde -uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee deze -bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde bladeren rusten, -die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken.... - - - - - - - - -XXIX. - -ONS WIER-EILAND. - - -Allen die zeggen--en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen 't -daarom niet--dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten -het bereik van spoor en stoomboot, ("van de gewone touristen-route -af", zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche -eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen -telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het -stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo -kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op -zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar -Vlieland, Terschelling, Wieringen... - -Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois -voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op -een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap -heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het -Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de -velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij "La Belle -Alliance". Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas -de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich -plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen -niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes -gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als -de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons -aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten -kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee -uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het -geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is -betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur -gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een -uur of wat zijn strand; zoo is 't gegaan sinds honderden van jaren, -en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand. - -Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van -eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van -verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in -zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een -kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland, -dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts -een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog -punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk -anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij -hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine -zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel -doordrongen van 't bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u -van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen, -de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u -heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug -houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt, -gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven -boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! 't Is hier -volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait; -gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de -wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven, -zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats -van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet -gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te -midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan -meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in -'t weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst, -en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre -de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de -hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij -aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op -het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen, -of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet -zoo'n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar, -dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar "nou" en "hoor", -en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast, -met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen -niet ongemoeid laat,--men zou zich in een zuidoostelijker deel van -ons land wanen! - -Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen -te blijven. "Op een eiland te zitten", is op zich zelf voor -negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is -niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling -en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of -verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat 's lands regeering er ook zoo -over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd 't geschiktste -punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen -waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal -af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen -zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een -kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan, -uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf -dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever, -te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi, -de rotganzenvangst en de wier-industrie. - -Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen -wou schrijven. - -Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige -plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug -van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de -zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier -eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen -eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische -verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het -plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima), -dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door -verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen. - -Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg--met de -postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna -Paulowna-polder afvaart,--landen wij aan de kleine havenplaats, de -Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het -hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het -langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor -'t grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed; -somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen; -deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde -knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze; -en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen -dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen -hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant. - -Zoo wij nu dicht bij 't eiland komen--en wij moeten er een eind ver -langs zeilen--rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa -is, waar wij tegen aankijken, "'t Lijkt de krijtkust van Engeland wel," -oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten -van "dien hoogen wal met loodrechte spleten". Om met dit laatste te -beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte -der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier -voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds -zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter -bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in -deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die -dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het -eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt -beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust -van "Albion" deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier! - -Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot -eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten -tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden, -en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen -met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit, -en daarbij zijn zij trouwens 't best te vergelijken. Hun overeenkomst -met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde -kleurverhoudingen: dà à r heeft men te doen met oorspronkelijk wit -krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten -slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een -zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk -lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en -Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen -lapje tapijt over den grauwen muur afhing! - -Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,--de aanlegplaats aan de Houkes is -juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een -ander schip ingenomen,--komen wij aan wal, en bij den eersten stap -vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen -bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot -het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks -aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,--altijd weer met "wier", -(met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo -maar blijven noemen). 't Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop -wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist -bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen -met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk -af,--want het wortelt in den bodem der zee,--en verzamelen het zoodra -het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte -voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard -bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen, -te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het -natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij. - -Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die -het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak -daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld -en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van -den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en -geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het -verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename -eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de -velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg -wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten, -want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht, -die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde -visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het -onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen, -waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij -men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken. - -Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag: -wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij -achteruitgaat, dat "het vet van den ketel is", en dat er weinig -of niets meer aan te verdienen is, wegens "de hooge pachtgelden" -en "de groote concurrentie". 't Zal allicht waar zijn, dat er -persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de -geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor -betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust -heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje -van nijverheid niet kwijnt.--Doch ons is het niet om de statistiek, -maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en -dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart -wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in -geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen -vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van -het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel -groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt: -veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij -elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook -beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en -verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet -ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt; -weldra zal het bij een koopman "in drogerijen en verfwaren" terecht -komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen! - - - - - - - - -XXX. - -NAJAARSBLOEMEN. - - -'t Is September; en uw tuin, die in de laatste weken misschien -wat had geleden, hetzij door de hitte der hondsdagen, hetzij door -de Margriet-regens, of door de stormen, die doorgaans het ernstige -korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol bloemen. Maandrozen -hervatten met moed haren bloei; en onder 't lage zaadgoed ziet ge -menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, om mee te werken -aan de opgefrischte decoratie. - -Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de Phlox -Drummondi. Phlox, Vlambloem; volgens haar naam dient zij rood te wezen, -en dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende -de laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er -takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis -waarin men van "roode" kool spreekt, ook het zachtste en zonnigste -rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het donkerste -amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert hier en -daar in volle reinheid een groepje witte; en de overgangen vormen -de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er bovenop ligt; -soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de lichte), -terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van fluweelachtigheid -hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje op ontdekt. Een -en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe dun de roode, -witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun bouw veel meer -samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een weinig moeite -kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van het overige -weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar doorschijnend; -en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de tint der -daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is een -hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer eene -ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen één -iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene Phlox lijkt. Vijf -ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf blaadjes kunnen -doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste organen zijn -verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig maken, maar hij -den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend ledig voor -kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model voor "een -bloemetje" bij uitnemendheid; doch hoeveel wonderlijke konterfeitsels -er ook van gemaakt mogen worden, in werkelijkheid zijn zij daar niet -minder mooi om. - -Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de struikachtige -overblijvende soort,--in 't grooter, zwaarder, steviger, geheel op de -Ph. Drummondi gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men -beproefd uit Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien -zij nergens in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd -jaar geleden [4] aanleiding tot de volgende merkwaardige opmerking: - -"Indien het eerste Oir van alle gewassen in 't Paradijs gevormd -ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is geweest, zoo zou het zeer -onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden over den Aardbodem, deze -Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan in Noord-Amerika alleen; -terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van een dergelijk klimaat -en grond." - -(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens te lezen -hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en schreef.) - -Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, behoort de -Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig gezind. 't -Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het voornaamste -sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger soort. Zij -houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en bloeit -heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen zij, -tweehonderd jaar geleden, reeds "in de tuinen der liefhebberen als -een gemeen gewas bekend" stond. De tijd van hare invoering (juist -niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet precies meer te bepalen, -en zij schijnt dan ook in het minst geen bezwaren tegen ons klimaat -te hebben. Gij plant haar in het voorjaar aan den ingang van een -prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij licht en water genoeg heeft, en -behoeft haar overigens volstrekt niet te helpen; en binnen weinig weken -is zij boven, en hangt u van het dak van het prieel af toe te knikken, -dat het een lust is om te zien. Hoe zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk -heeft aangelegd om zich omhoog te werken? Hoe men ook onderzoeken moge, -er is aan haar gladden stengel geen spoor van hechtworteltjes, zooals -aan de klimop, te ontdekken; en ook nergens ranken of klawieren van -eenigerlei soort. Ach, zij heeft die niet noodig. Zij is zoo vlug, -en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare bladstelen, waarmee zij zich -behendig telkens aan den eersten steun den besten vasthoudt, om dan -dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij zien dat aan met al het -welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt praktische, redzame lui bij -hun arbeid bespieden, die met geringe middelen en weinig gereedschap -toch altijd weten klaar te komen,--in tegenstelling met het heir van -slechte schrijvers, wie het altijd weer aan inkt en pennen, en van -onbeholpen naaisters, wie het altijd aan haar naalden hapert! - -Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte bloemen -voortgebracht: Kapuzinen noemen ze de Duitschers, wegens den vorm -van den gespoorden, gelen kelk, die aan een middeleeuwsche kap doet -denken, zooals waarmede men vaak monniken of wel kaboutermannetjes -ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere oranje, waarom de -O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot sarring van -"Keezen" moedwillig tentoongesteld te worden, is in de laatste jaren -met allerlei schakeeringen van geel tot bijna zwart toe afgewisseld -geworden, maar behoudt toch den boventoon; en zoo vormen die massa -"schildvormige bladeren en bloedroode bloemen", jaar in jaar uit, -datgene wat Linnaeus aan "tropeeën der ouden" deed denken, toen hij -dit plantengeslacht met den naam Tropaeolum bestempelde! Mij dunkt, -men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan fantazie, er blijkbaar -zeker artistiek genot in schepte, den hem toestroomenden schat van heel -en half bekende en onbekende planten zoo schilderachtig mogelijk te -benoemen. Dat wij van O.-I. "kers" spreken, geldt natuurlijk niet de -vruchten, die in 't minst niet op kersen gelijken, maar stellig den -aangenaam prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden -smaak. - -En dan zijn er stokrozen. - -"O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; 't is ten minste goed, -dat de mode die afgeschaft heeft!" - -Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof en leelijk zijn, -als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver bederft, namelijk -van haar natuurlijk karakter berooft en er, door verdubbeling, iets -van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar zij zijn niet -leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar natuur mogen -opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van "grootstbloemige -der Malvaceën". Sinds Mei heb ik een perkje met stokrozen onder het -oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden zich aan ieder plantje een -stuk of tien groote, heldergroene bladeren, die voorshands laag bij -den grond bleven, maar zich daar meer en meer uitspreidden. Op 't -laatst van Juni begon zich in het midden een groene kegel te vormen; -zachtjes aan verhief zich deze, en vertoonde zich als eene dikke, -dichte aar, bezet met een groot aantal bloemknoppen. Hoeveel, was -nog onmogelijk te bepalen; want ofschoon de onderste reeds duidelijk -afzonderlijke lichaampjes waren,--het puntje van de aar, een weinig -omgebogen, was eigenlijk nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De -aar had hierdoor uit den aard der zaak eene kegelvormige gedaante, -die zij onder 't voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk -groeide. Naarmate nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel -langzaam aan. Och, zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat -wordt zij, ja, indien men haar uit al te groote zorg een soort van -steun wil geven, haar opbindt tegen een groen stokje, met een rood -of geel puntje. Zij heeft dien steun niet noodig. Haar eigen "stok" -is sterk en krachtig en houtachtig genoeg; en toch niet "houterig" -in leelijken zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij -zoo hoog begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden, -verbreeding noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in -den naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel -aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk -genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn -'t geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan de -bloem een dubbelen kelk voorspelt? - -Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een blad, dat, ook -weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot versiering van -de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste bloemen. Het -waren roode, van het helderste rozerood. De vijf bladen zijn zoo -dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen te vormen; -en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou dat ik -ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch stijf, -noch grof, noch leelijk hadt gevonden. - -In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven Dahlia's. Na de -zonnebloemen, die hier en daar als gele monster-madelieven rondom -boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, de lucht van kwade -dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de grootstbloemige onder onze -najaarsplanten. 't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat zij met een -kleine, flets-oranjebloem hier aankwam, en de geleerden het een tijd -lang oneens waren, of zij haar den naam van Dahlia of van Georgine -zouden laten behouden. Hier te lande heeft de eerste, in Duitschland -de tweede naam gezegepraald; maar intusschen had het aanzien van de -plant in kwestie reeds vrij wat veranderingen ondergaan. Vooreerst -was zij verdubbeld, ja bijna geheel "gevuld" geworden, en ten andere -was zij met haar sterken aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze -mislukte pogingen om haar ook zuiver blauw te doen worden nu niet -meegerekend) een dankbaar materiaal voor den tuinbouw. Geur heeft zij -volstrekt niet; haar eenige aantrekkelijkheid bestaat als decoratie -in het groot, en op verren afstand is zij niet onaardig. Maar om -van dichtbij bekeken te worden...? Ook aan deze planten heeft de -verdubbeling, wat de sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed -gedaan; en men behoeft nog geen modemaakster van beroep te zijn, -om bij een gevulde Dahlia maar al te gauw aan eene zwaar geplooide -rozet van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke -bloempjes voor omgevouwen lussen gelden.--De anders niet onaardige -term "bloemkorfje", dien de plantkunde bij dergelijke "samengestelde" -bloemen gebruikt, verliest in geval van vulling allen zin. De kleine -bloempjes, die oorspronkelijk in 't korfje zaten, zijn verdwenen en -het niet onbevallige randje is een plompe bal geworden. - -Het is opmerkelijk, dat, laat in 't najaar, de "samengestelde" bloemen -ons in den regel 't langste bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel -hooren. Vooreerst toch behooren daartoe verschillende soorten, wier -weefsel van nature vrij droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde -stroo- of zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes -van een teerder maaksel zijn,--Goudsbloemen, Sanvitalia's enz.--hebben -in haar bloembodem en haar omwindsel (in één woord in datgene wat in -de wandeling haar "hartje" heet) een steun, welken men aan bloemen -zonder zulk een hartje nimmer kan verschaffen. - -Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als alles in -uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, Zinnia's, -Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen en verweering -het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer om gewaardeerd -te worden. - - - - - - - - -XXXI. - -EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN. - - -Elk die in dit seizoen een "tuinder" in zijn tuin bezoekt, kan zeker -wezen klachten te vernemen over de erbarmelijke wijs, waarop de -rupsen in de kool huishouden; en de groenlui in de stad hebben niet -altijd ongelijk, wanneer zij dit als reden opgeven voor het "opslaan" -van genoemd artikel. - -Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in hetgeen er in -de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven zijn van -zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, die -dan ook gewoonlijk "koolwitje" genoemd wordt. Het wijfje van dien -vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij der bladeren van -kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; ieder diertje -dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien komen deze -eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week lang -gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. Omstreeks -den achtsten dag vervellen zij voor 't eerst, en beginnen zich dan -over de geheele plant te verspreiden. De jonge rupsen zijn bijzonder -gulzig; dag en nacht eten zij voort; men heeft opgemerkt dat zij -in zeker aantal uren steeds het dubbele van haar eigen gewicht aan -voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn zij volwassen, en -zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. Wie nu daartoe -een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of schutting, heeft -gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt haar huid af, -en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene pop, met zeer -vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien dagen barst op -nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht in. - -Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine koolplanten in den -tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een heerlijke gelegenheid -tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo verschijnt in den nazomer -een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne beurt zijne gulzigheid bot -viert. Indien men nu stelt, dat in het voorjaar 10 vrouwelijke kapellen -zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben voortgebracht, dan is het niet -te veel gerekend, indien een vierde daarvan weder wijfjes zijn, en -deze in September 100,000 nakomelingen leveren. Het is dan waarlijk -wonder, dat er nog iets van onze kolen overschiet;--de bladstelen en -een gedeelte van de hartbladeren blijven meestal gespaard. - -Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om van de musschen -en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het koolwitje -heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog veel -geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte, -een zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche doorschijnende -vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren leggen in het -lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven dan ten koste -van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij zijn de -slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn voorzien -van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou groeten. Dat -is de zoogenaamde "legboor", en bestaat uit drie borstelige haren, -die te zamen een holle buis vormen, en door middel waarvan zij haar -eieren onder de huid van haar slachtoffers brengen. - -De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, legt dikwijls -meer dan 30 eitjes in den rug van ééne rups. Ondanks de pijn, die -dit haar zeker moet veroorzaken, en het uitkomen en groeien van de -made, blijft de rups toch doorgaans leven tot zij aan verpoppen toe -is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met niet geringe moeite, een -schutting of een boom. Alvorens zij er dan echter in slaagt om haar -vel af te stroopen, wordt dit door de maden doorgebeten, die dan alle -te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan hare zijden naar buiten -komen kruipen. De nu stervende rups valt dan meestal op den grond; -en op haar plaats vindt men de jonge woekerdieren, bezig met zich -in te spinnen, ten einde, ieder in een geel cocon, maar te zamen in -het spinsel dat de rups reeds was begonnen te maken, haar poptijd -door te brengen op het plekje, dat deze voor zich zelve uitgezocht -had. Ziedaar de 100,000ste opvoering van een ieder jaar terugkeerend -treurspel.--Het naspel wisselt af. Misschien zal het ditmaal daarin -bestaan, dat het gansche cocon in den loop van den winter door een -boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge -wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld, -grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste -zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel -gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te -kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge -praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die -veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert, -maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt... - - - - - - - - -XXXII. - -EEN NATUURKALENDER - - -"De hoeveelste is het van daag?" - -"De 28ste, Neef, de 28ste October." - -"Bloeien er nog Heliotropen?" - -"Ja zeker. Woudt u een takje hebben?" - -En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een -aan. 't Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in -dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren. - -"Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?" - -"Ja, neef." - -"En Aubergine, hoe noem je dat in 't hollandsch?" - -"O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt -u zoo aan 't fransch vandaag?" - -Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en -had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al -wat fransch was. - -"Wel, die fransche kalender......" - -"Wat meent u?" - -"Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse, -Ventôse?" - -"Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen -te maken?" - -"Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark, -of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag -van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten -wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon -wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t'huis -hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen, -27 April...." En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen. - -"Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat, -hoe zal ik zeggen, officiëel?" - -"Wel, het hoorde bij den kalender. 't Was in plaats van de -heiligendagen. Wij hadden 't uit een zwitsersch almanakje; als je -goed zoekt, kan je 't misschien nog wel vinden....." - - - -De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, om er een -tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik het -bedoelde boekje. Het was een Helvetischer Revolutionsalmanach für -das Jahr 1800, welks inhoud begon met een dubbelen kalender, in de -"oude" en de "fransche" tijdrekening. [5] - - -Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: mij kwam ze -gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan het weêr -ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen Juli-gloed in het woord -Thermidor, en ligt er niet een sombere Novemberdag verscholen tusschen -de letters Brumaire?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800 -niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: Primidi, Duodi, -enz. Doch wat ik nooit gehoord had, was dat men, bij het schrappen -van al wat naar kerkelijke plechtigheid zweemde, in de leegte, door -het wegvallen der heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige -wijze had trachten te gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de -heiligen waren bloemen, enz. in de plaats gekomen. En daar in den -ouden heiligen-kalender geregeld iedere dag een patroon gehad had, -zoo was nu ook voor elken dag een plant of iets anders gekozen. Niet -altijd bloemen. "Vooreerst", zei neef, "waren die in den winter niet -gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals -b. v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten -de bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere -produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de -zaak zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der décade een -huisdier, en voor den tienden dag een of ander landbouwgereedschap -gesteld was." Dit nu zou alles netjes rondgeloopen hebben, indien het -aantal dagen van het jaar juist in tienen deelbaar was geweest. Maar -de zesendertigste décade eindigde met den 30sten Fructidor, (17 -September); en vóór den 1sten Vendemiaire--het republikeinsche jaar -begon met 20 September,--moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit -bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de -zoogenaamde jours complémentaires. Deze waren niet gewijd aan bloemen, -noch aan aarde, noch aan steen, noch aan werktuigen, noch aan dieren; -zij vormden geheel afzonderlijk eene halve décade op zich zelve, -en heetten eenvoudig naar de beruchte Septemberfeesten: 1 Fête de -la Vertu; 2 Fête du Génie; 3 Fête du Travail; 4 Fête de l'Opinion; -5 Fête de la Récompense. [6] - -Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet's hart werd er -jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. "Op den 1sten -September", vertelde hij, "gooiden wij altijd naar noten, en ergerden -ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén -dag in 't jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat -was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat -was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze -'t heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25 -en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen..." - -"Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan," beproefde ik. - -"Ja, 't was wel fransch, maar 't was toch aardig!" - -En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de -nagedachtenis dier fransche republikeinen,--ik omdat ik hun tijd -niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen -lagen,--verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven -dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de -staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op -allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te -recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en -bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met -het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is -geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in -dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In -alles moest verandering komen; geen onderdeel van 't dagelijksch -leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan -scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had -meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk -een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis, -sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op 't tapijt gebracht; -hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen, -eggen, zeissen, ossen, als 't aktief ingrijpend element, midden -tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd -door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden! - -Maar 't merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij -die "jours complémentaires". Ligt daarin niet de indruk van eene -bekentenis,--en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer -onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender -bekentenis,--dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om -haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en -bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens, -spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant, -nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken -geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen? - - - - - - - - -XXXIII. - -JACHT EN WILD. - - -Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in Duitschland geologie -ging studeeren, omdat er in ons land "geen geologie is". Hij doelde -daarmede natuurlijk niet op een gebrek in de studie der nederlandsche -deskundigen, maar op een gebrek aan belangrijkheid en rijkdom van -delfstoffen in onze aangeslibde gronden. Evenzeer zou ik mij best -kunnen begrijpen dat iemand naar een ander land ging jagen, "omdat -hier geen jacht is". Of noemt gij dat bijvoorbeeld jagen, als een -man in de kracht van zijn leven, dag in dag uit, met een hond en een -polsdrager achter zich, door Hollands moerassige rietvelden drentelt, -af en toe een snipje schiet, den hond roept om het te apporteeren, -zijn prooitje met hoogsteigene hand het kopje inknijpt en dan -'s avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, als men opmerkt hoe de -jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere boeren, jaarlijks -voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen overhebben, die -een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, dan moet men -wel vooronderstellen dat er groote bekoorlijkheid ligt in die jacht -zonder gevaar, dat overwinnen zonder strijd, dat zegepralen over -zulke onnoozele slachtoffers. - -Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die aantrekkelijkheid -minder bestaat in het dooden of verminken dier dieren, als wel in -hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij verbonden is: -de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen aanvangt, het -dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van zulk een -dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder anderen, -en dat is wellicht nog de beste zijde van 't geval, is de grootste -prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer kleine "wilde" -landgenooten, in 't beloeren van hun listen, en het leeren kennen -van hun vlugheid en hun sluwheid. En werkelijk zijn het gewoonlijk -alleen jagers, die in hunne gewoonten goed te huis zijn. - -Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en morgen -"afgehaald" zal worden, hoe zou die zijn leven wel gesleten -hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool eet; -maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met Lampe, -zooals hij in de "dierfabel" van Reintje-de-Vos heet. Ik moet dan -ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op een familiaren -voet te komen met iemand, die zoo schuchter en achterdochtig is -als hij.--Toch is hij, bij al zijn beruchte lafheid, een aardig, -lustig diertje. Sla hem slechts gade in het voorjaar. Nauwelijks is de -jachttijd om, waarin hij zooveel angsten doorstaan heeft, en de winter, -waarin hij dikwijls zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde -raad, geheel onder de sneeuw woelt,--of hij vat den moed weer op en -krijgt op nieuw lust in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij -zich een wijfje; en een maand later, als de meeste vogels nog aan geen -nestenbouwen denken, is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin -drie of vier jongen rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De -aanstaande moeder krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland, -en belegde dat met wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare -eigen haren. Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met -de meeste zorg voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die -zich, als zij ze vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve -houdt ze doorgaans een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich, -door te klappen met de ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte -zien kunnen, is niet te verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk -voor het daglicht geschikt te wezen, want hun oogleden zijn te kort, -dan dat zij ze ooit geheel zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij -slapen, staan dezen dus altijd half open. Vandaar wellicht het woord -"hazeslaapje"; terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede -gleuf, die zich tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna -geheel in tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft -tot den term "hazelip". Zoodra de jongen kunnen loopen en mee kunnen -eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en weldra -heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En daar -die van 't eerste nest in 't najaar meestal zelven reeds weer jongen -hebben, kan er van één hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een -duizendtal afstammen. - -Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn leven bedreigen, -heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de haas overdag -rustig in zijn leger,--zooals hij in den regel schijnt te doen, om -slechts des nachts op zijne zaken uit te gaan,--dan heeft hij eene -heerlijke bescherming in de vaalbruine kleur van zijn pels. Dit schijnt -hij wel te weten; want hij blijft gewoonlijk doodstil liggen, wanneer -hij een mensch aan hoort komen, drukt zich dicht tegen den grond -aan, en beloert, zonder zich te verroeren, iedere beweging van den -onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer de vijand zeer dicht bij is, en -hem dreigt aan te vallen, springt hij eensklaps op, en maakt zich uit -de voeten. Gaat hij, als het gevaar voorbij is, naar zijn rustplaats -terug, dan loopt hij daar nooit regelrecht naar toe, maar maakt -eerst eenige dwarssprongen in de buurt, als om zijn eigenlijk doel, -voor ieder die er naar mocht kijken, te verbergen. Een haas echter, -die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, weet dat daarmede niet valt -te gekken; en dat ook het kunstje van het stil-liggen hem tegenover -de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort hij dus het gevreesde -schieten of wel het blaffen van een zijner aartsvijanden, dan schrikt -hij, zet zich op de achterpooten, en besluit tot de vlucht. Een groot -voordeel voor hem is het, als hij bij die vlucht tegen eene hoogte -op kan rennen, want zijn voorpooten (of "loopers"!) zijn langer dan -zijn achterloopers: daardoor klimt hij gemakkelijker dan hij daalt, -en maakt in het laatste geval dikwijls een buiteling. Merkt hij nu -echter, dat ondanks al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen -zijn, dan heeft hij nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling -een geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak -schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval -heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij -dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op -hem maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande -listen en lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den -ouderdom van acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden -indien menschen, wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen -ongemoeid lieten, zoo blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog -een groot aantal onze velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en -heiden, hun leven naar hun zin genieten. - -En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, die, zooals -ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge hazen -zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie volkomen -van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de praktijk te -vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen beter raad -te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe vergelijkingen -tusschen ooren en pooten, en wordt wijs. - -En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan gebraden. Anderen -kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine borstvlek de haantjes -te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen levend gezien, wat ons -anderen niet licht overkomt, Zij weten hoe het "hoen", zooals zij den -patrijs plegen te noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote -overeenkomst heeft met kippen en andere hoendervogels,--te beginnen -reeds daarmee, dat het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte -loopen kan, in plaats van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst -een paar weken in het nest te blijven liggen. Het huislijk leven der -patrijzen is daarom echter niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg -in het voorjaar vechten de mannetjes hevig, om ieder een wijfje te -bemachtigen. In een van droge grashalmen voorziene uitholling van -den grond worden de groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel -bestaat wel uit tien of twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen -tegelijk plegen uit te broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste -vogels het geval is. Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege -wegloopen. De oude haan houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt -bij gevaar het broedend wijfje, dat dan het nest loopende verlaat, -en eerst op een goeden afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de -buurt zijn, worden de jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de -ouden daar heen geleid, en vinden dan in de dikke gele mierenlarven -een uitgezocht voedsel. Zij kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij -nacht, gevaar of slecht weer neemt de moeder hen onder hare vleugels, -juist als eene hen hare kuikens; de bouw en vorm van het diertje -heeft dan ook iets zeer hoenderachtigs. - -En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat hooge soort van -pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn geworden. Haar -aangezicht heeft iets... anders dan dat van alle andere vogels; -en als men ze goed aankijkt, begint men er langzamerhand achter -te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver naar boven en -naar achteren staan,--iets wat ook aan menschengezichten zoo iets -vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer dan een streep buiten -de normale maat.--Haar snavel is nog langer dan de kop zelf; en -als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of meer week is, -van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig verdikt, en, -althans bij de watersnippen, met een klein puntje omgebogen. Zij -kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om water-insekten en -weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde natuurlijk van groot -voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk naar den kop toe -staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen kennen, doordien -haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen bekleed zijn. Zij -broedt hier te lande slechts bij uitzondering, ofschoon zij zulks -niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. v. in Lithauen -wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt zij slechts -op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust dan bij -voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine boschjes, -en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag gericht, een -eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in het hout -te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de vorige, -voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt veelvuldig -in Noord-Brabant en Groningen, aan lage, vochtige plaatsen; maar -ook haar aantal wordt jaarlijks zeer vermeerderd in den trektijd, -die voor deze soort twee malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het -najaar. Van Augustus tot het einde van October namelijk, trekken -er een groot aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April -noord-oostwaarts. Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag -vindt men haar tegen den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd -worden, laten zij eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen -dan vrij hoog op. Zij laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat -aan het blaten van een schaap doet denken; dit schijnt niet door de -keel, maar door de snel trillende beweging der staart- en slagpennen -voortgebracht te worden. Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen; -zelfs azen zij op bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen -der boomen ophouden, nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal -vier eieren, en de broedtijd duurt ongeveer 16 dagen. - -Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der dierkundige -wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel voornamelijk door -jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige beschouwing kunnen -maken over de omstandigheid, dat de beste kenners van het wild ook -tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen dergelijke -dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, die in -eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een aangeschoten -eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk ongewoon gedruisch -deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen. - - - - - - - - -XXXIV. - -GESLOTEN? - - -Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke kleine Chansons, -hoe hij, den eersten November naar den "boschtempel" gaande, waar -hij den ganschen zomer door met zooveel dichterlijke stichting "de -dienst" placht bij te wonen, den toegang onverwachts versperd vond -door verdorde bladeren en afgewaaide takken en breede modderplassen; en -dat een uil, die hem zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem -vriendelijk terecht wees met de inlichting: "Fermé pour réparations." - -Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd volhielden -bloemen in het vrije veld te willen zoeken! - -Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de bijzonderheden -van Hugo's teekenachtig natuurtafereeltje, dan zien wij in en om -die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof iets, wat hij -niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij voor te -stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere -Zwammen, die juist in dezen tijd van 't jaar te voorschijn komen, -die gedeeltelijk op den grond, gedeeltelijk op het natte hout en op -de half vergane bladeren groeien, en die half een gevolg, half mede -eene oorzaak zijn van hunne spoedige ontbinding en van de duffe lucht, -die wij rondom ons waarnemen. - -En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan één opzicht. Wij -zullen ons maar aan den geijkten term van Bedektbloeienden houden. - -Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort geleden, op de -achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal kaneelbruine stippels -vertoonden, in regelmatige figuren rondom de nerven en insnijdingen -gerangschikt? Zeker is het, dat van de verschijning dezer stippels de -vermenigvuldiging der plant, of, zooals het hier heet, "sporenvorming" -afhangt. Zoo'n bloei schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt -echter reeds een weinig minder vreemd, zoodra wij kennis maken met -die soorten van varens, (b. v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum -Spicant), die er tweeërlei veeren op nahouden, waarvan de ééne niet -bloeien en de andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij -daarbij denken aan den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen, -door Goethe dichterlijk geschetst in zijn Metamorphose der Pflanzen. - -En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan zelfs -een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer- -of bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen, -op hunne dunne steeltjes tusschen 't groen ziet steken. Bij het -korstmos--die platte, vlakke korsten op boomstammen en muren--valt -het alweer iets moeilijker; toch bloeit ook dit op zijne wijze. En -let eens op uw Selaginella, uwe kamer-"mosplant", (eigenlijk geen -mos); ga eens na of aan de uiteinden dier stengeltjes, van boven -met een dubbele rij kleine, van onderen met een dubbele rij grootere -blaadjes bezet, niet op zekere tijden van het jaar groene bolletjes, -zoo groot als speldeknoppen, voorkomen?... Dan bloeit zij. - -Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het plantenrijk, komen -wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, enz. Ook -dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in het -najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig, -plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan, -tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten, -dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur, -hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat -rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer, -na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt. - -Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En de sporen, -die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts behoeven te -ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld op zich -zelve in het plantenrijk. - -Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos een gewoon -boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, dat het -opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één laagje cellen -bestaat;--indien wij in het algemeen bedenken, dat in die lagere, -die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, reeds al de -bladvormen voorkomen, die zich later onder de zichtbaarbloeiende -gewassen hebben gereproduceerd;--indien wij eenen blik slaan in de -keurige bijzonderheden van dien "bedekten" bloei, zooals zij in de -afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot -te zien zijn,--dan.... Doch dat wordt een zaak voor 't mikroskoop in -de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te blijven. - - - - - - - - -XXXV. - -WINTERVOGELS. - - -Het is een algemeen heerschend volksgeloof,--bij den eersten den besten -boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op -nemen,--dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe -dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens -duidelijk uit, dat men 's winters hier te lande nooit een koekoek, -en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens, -men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben, -om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat -den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld, -dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen -behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen -"heimwärts", huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt -niet juist: want onder iemands t'huis, zijn "heim", zijn vaderland, -verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen, -die 's zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts -in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt, -wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat -het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst -weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde -plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan -het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij -troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te -koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken -die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger -gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en -op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden. - -Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor -een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De -groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen, -afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om -den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende -plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in -de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van -trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de -boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel -van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt, -van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in -hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht, -wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te -houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen -hebben,--bij voorbeeld op den vlakken grond,--dan dringen daar, -zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in. - -Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er -ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf -houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen, -zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan -hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort -daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke -verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend, -dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was, -met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte -van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend -herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor 't -eerst de zachte stem van 't kleine dier weer hoor. - -Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen -lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen -staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel -opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes, -tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar -korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in -het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de -schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te -bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den -tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden -ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... 't Is waar, -in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,--anders durf ik niet zeggen -hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.--Op deze behoefte aan dierlijk -voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende -jongens, "dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet -weeken". Ondanks deze goede bedoeling om 't haar lekker te maken, -wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte -of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners -mogen vallen. - -De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen -toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft, -voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;--hetgeen -zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie -van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor, -in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw, -en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid -bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste -boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid -te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof -ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht -het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen, -erwten enz, er wel verbruikt worden door de "onnutte" snavels van zoo'n -aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering -vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen, -loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren -gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of -van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken -dat zij gedurende den schralen tijd veel eten. - -Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee -bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan, -"een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen". Hij neemt dan -soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte -wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en, -met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die -donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet -te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet -trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft -zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het -water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun -langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was; -en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van 't seizoen, -dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den -snavel aan de vetklier gebracht te hebben. - -Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje, -dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart -en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn -langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is -een echte visscher,--de "Martin-pêcheur" der Franschen,--en zit met -een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer, -dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der -zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste -plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin -moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en -rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar -al te zeer aantrekt: "l'oiseau bleu" wordt waarlijk zoo dikwijls te -vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten -glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt! - -Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes, -die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat -dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik -des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien -zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn, -natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch -de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte, -schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft, -om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van -zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals -andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes -met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts -aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele "pluimagie",--zooals -onze overgrootouders den vederdos noemden,--een zeer los karakter -krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder 't malen veel meer -leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier -plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als -de uilen 's nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel -muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle -andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting -dadelijk in 't oog springen. - -Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering -van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,--het vindt allicht zijn -voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der -beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst -en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze -heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld -spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels, -door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten -broeden, de sperwer,--een havik in het klein,--is een echte roofvogel -en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt -wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en -zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer, -want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor -vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk -deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij -een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer; -bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen -beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt -dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor -hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was, -van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken -voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder -dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken. - - - - - - - - -XXXVI. - -VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG. - - -Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan -heeft, die den titel droeg van "Graaf van Rome". Maar er is eene -oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje -een teekenachtig avontuur wordt verteld. - -De graaf van Rome dan, "een man van eer en ridderlijke deugden", -wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten -naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen; -zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht -daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles -behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van -een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng -liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij, -die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den -ploeg moest trekken: - - - "am pflug da must er ziehen - viel lenger denn jar und tag," - - -zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd -van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte -om genade en vrijheid; doch de koning "zwoer bij zijne kroon", dat -hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om -kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen "in -diep leed" de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: "laat ik mijne -vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan -geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome." Zoo -gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de -vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren; -en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien -"in 't geheim", en "het hart werd haar koud wegens den toestand van -haren heer". Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen; -dat het voor een vrouw niet paste "over de wilde zee" te varen; -maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra -echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat -zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene -tonsuur scheren; en daar zij "lezen, schrijven en nog heel veel meer -doen" kon, en ook in 't snarenspel bedreven was, hing zij de harp -en de luit op zijde en--reisde zoo den bode na. De zeereis duurde -drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten, -begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig -en met welgevallen te luisteren. "Zij herkende hem wel, maar hij haar -niet". Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te -gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen; -hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan -land gestapt waren, samen verder, "over bergen en door diepe dalen"; en -zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak, -de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was. - -Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar -spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong "veel vreugdevolle -woorden"; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit -beter gehoord hadden. Zij werd onthaald "op wildbraad en op visch", -verheugde zich "in haar binnenste" dat "hare zaak zoo goed stond", en -speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk, -en al de heidenen, ('s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen. - -Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij -treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich, -dan zich "dood te moeten werken". De vrouw intusschen, in hare -vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en -haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom -zij op den toren van 't kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg -in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk -kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in 't spelen, en -bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen, -wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem -"eene gouden kroon en een schepel vol goud", en verzocht hem die -niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig, -dat "zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen", en hij zulk -loon niet begeerde. "Maar", voegde hij er bij, "om één geschenk wil -ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen, -noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het -veld den ploeg trekt." De koning antwoordde beleefd: "Heer, neem dien, -als gij hem verkiest"; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor -den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad: -"bedank den avonturier, die u verlost heeft." - -Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij -geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en -dat "de avonturier" zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte -tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd -was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee -zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging -wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en -belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en -wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor -had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar -opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het -hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals -zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik -de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep: - - - "das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!" - - -Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk -moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt -en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een -soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek -een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het -hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.--Ik -denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg -zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste -sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder -winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar -ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari, -als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het -eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des -te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke -streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag -belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig -geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog -zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen, -rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen -getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter -een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te -voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af, -van den eenen akker op den anderen, in 't gezelschap van musschen en -kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... 't -Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat -stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een -schilderachtige figuur hij is in deze omgeving. - -Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet -nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen -onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een -man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient -daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen -machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels; -en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom -te hebben, als iemand die zich op "rechtlijnig teekenen" toelegt. - -"Maar 't is een erg eentonig werk", dus brengt misschien iemand in -het midden; "en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze -wijze wordt gesleten." - -Hoor eens,--is dan mijn antwoord, de "Graaf van Rome" werd zelf -voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet -te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,--slaven, -lijfeigenen,--trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe -grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die -moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen -landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans, -bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt, -maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig -zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger, -die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn -lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard, -waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden -arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink -bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken -arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij -ploegt in 't najaar, opdat de omgeworpen grond zou "doorvriezen", -d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de -opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten -en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze -tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in 't voorjaar, -maar dan is het wegens tegenspoed in 't werk. In de lente en den zomer -doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien, -als hij die kunst verstaat,--want ook dat is een kunst, of voor het -minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers; -ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er -altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,--vooral -waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en -welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik -bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee "dobbelgewassen", -die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden -om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk -tot bouwland te maken, (ze te "scheuren"). - -En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg -vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in -de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel -aanbrengen--in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt -de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote -sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van -den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van -den "vooruitgang" verzekeren van ja. De vrienden van den "goeden ouden -tijd" schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de -gevaren die de stoom meebrengt,--in zoover deze door sterke verdeeling -van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten -van menschen dreigt te maken--zetten een waarschuwend gezicht. Laat -ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk -hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om -dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen: -van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij -geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding -te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan, -beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan. - - - - - - - - -XXXVII. - -GROENBLIJVENDE BOOMEN. - - -Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, zat ik in den trein -met twee bejaarde freules. Zij waren door een dikken livreiknecht in -den wagen en aan haar bagage geholpen, en begonnen zich al spoedig -over te geven aan 't genot van den tocht. Het was mooi weer en het -landschap deed dat goed uitkomen. Ik kreeg een soort van sympathie -voor mijne reisgenooten, ten eerste om haar warme geestdrift en -bewondering voor al het schoons dat wij voorbijvlogen, en ten tweede -omdat zij zich, ondanks de nederlandsche etiquette, niet ontzagen -die bewondering tegenover mij, onbekende, te uiten. Wij spoorden -nu door bosschen en dan weder over de heide; en eensklaps, nadat -wij een paar minuten tusschen hooge dennen heengetrokken en aan een -gehakte opening gekomen waren, riep eene van de dames in verrukking: -"Och, Keetje, kijk die snoeperige Conifeertjes, daar vlak bij dat -sparrenbosch!" Zij meende blijkbaar de twee- of driejarige dennen -zelven, die hier van de vrijgekomen lucht en ruimte gebruik maakten, -om zich krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb -kunnen weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige -buurvrouw. Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon -en begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder "Conifeertjes" -door sommigen verstaan worden: niet al te groote, groenblijvende, -pyramidale boompjes;--(een zin waarin, zooals ik later bemerkte, -het woord dikwijls op prijscouranten voorkomt). - -Tot dergelijke "Conifeertjes" zullen wij ons thans terug dienen te -trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In stadstuintjes, vooral -in de zeer kleinen, (vóór aan de straat, achter een ijzeren hekje), -plegen zij een groote rol te spelen, en vormen daar wat de Engelschen -hun "shrubbery" noemen. - -Op Hulst, Jeneverbes, Taxis en misschien nog een paar anderen na, die -hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de meeste van die groene -dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd vaderland afkomstig. Om -met de eigenlijke Conifeeren (Kegeldragers) te beginnen: van onze -eigen spar en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante -soorten uit den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een Pinus Cembra, -wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die van onzen -gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van zuidelijk -Europa. Daarnaast prijkt een echt Cedertje "van den Libanon". Die -kleine Balsempijnboom of Hemlockspar, zooals hij tegenwoordig hier -genoemd wordt, komt uit Virginië. De Cypres vertegenwoordigt ons -de grieksche rouwplechtigheden; en die Araucaria met hare stijve, -breede, geschubde armen,--is 't wezenlijk een levend boompje of een -kapstok?--hoort in Brazilië tehuis. Uw Thuya is een Noord-amerikaan, -ofschoon reeds sinds lang hier burger geworden, en met den naam -van "Arbor vitae" vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van -"Levensboom" hoort spreken, daaronder heel iets anders vermoedt dan -de Thuya's, die de nederige rol vervullen van, op zijn binnenplaats, -het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch worden werkelijk -slechts deze er mede bedoeld. - -In uw groene heesterperkje staan intusschen ook verscheidene -niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander loof-karakter. De -Aucubas, met haar gevlekte laurierachtige bladeren, komen uit Japan, -evenals de bonte Evonymus, een groenblijvende nabestaande van ons -Papenhout. De Ledum groeit in 't wild in Polen en Bohemen; de Arbutus -Unedo in Italië en 't Zuiden van Frankrijk; de Kalmia, die, bij goede -verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig bruidskleed -zal prijken, in Noord-Amerika. - -Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe meer wij deze -trouwe winter-heestertjes waardeeren. Doch ook: hoe winterachtiger het -om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen doen verlangen naar hun -vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het landschap. Ik spreek nu -niet voornamelijk van de "eeuwiggroene myrthen en laurieren" en hun -zuidelijker klimaat. Ik wensch onze noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en -de afwisseling, die zij in het natuurschoon en in het maatschappelijk -leven aanbrengt, volstrekt niet te ontvluchten; maar juist omdat die -witte vlokken zoo goed staan op de takken van dien kleinen spar voor -'t venster, doen zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan -naar streken, waar men ze in 't groot op groote sparren kan bewonderen -in niet alleen groote, maar grootsche verhoudingen. - -Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen hoekje, een smal -dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het dal de rivier -zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te beslissen, -maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij onafscheidelijk aan -elkaar verbonden. Ook ten opzichte van 't geen de menschenwereld -aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker in 't geheel niet -bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige ding zich zeer hulpvaardig -tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu dient het dal tot woonplaats -aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf de voortbrengselen van -het bergland verwerkt. Het waterrad drijft "molens" van allerhande -soort en grootte, o. a. een paar papier- en glasfabrieken. Ook levert -het riviertje het geheele jaar door overvloed van bruikbaar water, -en op den koop toe forellen en krabben. Bevaarbaar is het nooit, -maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; in 't voorjaar, als de sneeuw in -het gebergte begint weg te dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals -alle anderen; doch de plaats der meeste huizen is wel zóó gekozen, -dat die tegen hare mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een -en ander geeft aan dit valleitje iets behagelijks en menschelijks, -zonder daarom aan den diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te -schaden. Die indruk wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte -der bergen ter rechter en ter linkerzijde, en door de kronkelingen van -rivier en dal, meestal ook vóór en achter,--zoodat men schijnbaar -geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar slechts -vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot boven, -begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per spoor -die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken van -'t gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station uitgestapt, -nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, ontmoetten wij, -op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout dan sparren, -dennen, Weymouthspijnen, enz. - -De meesten onzer weten zich zoo'n dal te herinneren, hetzij in -den Harz, het Schwarzwald of misschien in Zwitserland; en roepen -zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste partijen voor den -geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er intusschen -wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er onwillekeurig -naar bergpaden, om, als 't ons al te bang om 't hart mocht worden, -spoedig den gezichteinder te kunnen verruimen. En als wij op een -mooien zomerdag daar nederzaten, kwam dikwijls de gedachte in ons -op: "Hoe somber moet het hier des winters zijn!" Dan rekenden wij -echter buiten de sneeuw, die ten eerste een groot deel van de door -ons vermoede wintereenzaamheid en afgeslotenheid wegneemt, door -het vlug en vroolijk sleêverkeer, en ten andere de somberheid der -groene bergwanden breekt door haar tintelend wit.--Denkt u een mooien -Februaridag, met vorst maar zonder wind. Op elken boom ligt zooveel -sneeuw als hij maar dragen kan zonder te breken: de veerkracht van de -breede takken wordt op een zware proef gesteld; zij buigen dóór onder -hunnen reinen last. De spitse toppen van de sparren en de vlakke kroon -der dennen wisselen elkander sierlijk af tegen den blauwen ether; -en al de duizend groene twijgjes, die tegen de sneeuw afsteken, -bewaren 't landschap voor eentonigheid. 't Is Vrouwendag: er zal een -groote sledevaart gehouden worden. De zon beschijnt en koestert u, -en betoovert de sneeuw; en haar stralen dringen door in de diepte der -bosschen, en lokken hier en daar een kudde herten naar hun zoom. Gij -glijdt voort in een ijlende vaart, maar toch niet zóó snel, of gij -kunt de schoonheid om u heen naar hartelust genieten. En zoo de dag -al kort is, des avonds komt de maan op, en verlicht den terugtocht -op haar wijze.... Wie dat eens in vollen glans heeft bijgewoond, -vergeet het niet gemakkelijk. - - - - - - - - -XXXVIII. - -EEN OUDEJAARSWANDELING. - - -Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om ons heen ziet er -verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en de nachten -zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en slapen. - -Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou hebben, ook maar -op die manier te overwinteren, en eerst met de lente weer voor den -dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u dikwijls sombere, -neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop gij meer kans -hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer ontvankelijk -zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts één greintje -veerkracht in ons over is, herstellen wij ons doorgaans dadelijk in -het besef, dat een mensch meer is dan een visch of een marmot. Ik -voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor de opwekkelijke prikkels -van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij altijd, als ik op het punt -ben mij door mist of "waterkou" te laten nederdrukken. Vaak, als het -leven mij op de eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte -slechts in 't oog kon krijgen, één blik op den blauwen hemel met zijn -lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn dat ik -geboren was, al ware het alleen maar voor 't plezier van deze schoone -tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij dreigde mee te -slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek van uitval -niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in onzen geest -gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht boven deze -wet verheffen. - -Men heeft van oudsher veel gesproken over de scheppingskracht van den -menschelijken geest. Zij stelde hem in staat om ruwe grondstoffen -voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en om telkens meer -verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken arbeid uit te -vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke welvaart. Door -de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de wereld hem te -zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad der kunst. Hij -verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel, en noemde -dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de menschelijke -scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen edeler, geen die -hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al de dwaasheden en -troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer geluk schenkt, -dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de onvolkomenheden -van al wat hij kent, toch aan zekere volmaaktheid te gelooven. - -Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar, en er zijn -dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen gemoedsleven doordringt, -en verzoening zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders -slechts met afleiding behelpt. Ook in dit bosch zingt "ieder vogeltje -zooals het gebekt is." In elk mensch die over deze dingen nadenkt, doet -de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst naar volmaking -zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze laatste wandeling -tracht weer te geven, hoe mijn "geloofsbelijdenis" zou uitvallen, -zoo ik die, als van ouds, in "twaalf artikelen" moest samenvatten. Van -weten is hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet. - - - -Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk bezorgen. - -Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin, waarmede wij -onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de omstandigheden, -al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze krachten en -talenten--in harmonie weten te brengen. - -Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting, is in -dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit -volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere -beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver -beneden zijn ideaal;--nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is -voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne -eigene kracht, vaardigheid, "inspiratie" te kort schiet. - -Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek streven, naast -zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, nog een ander, hooger -voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van harmonie. - -Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat hetwelk -ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo harmonieus -mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het grootere, -passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en machteloos -gevoel), ook op harmonie moet berusten. - -Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al struikelend en -opstaand, en met schade en schande en inspanning ervarende, op -welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand komt,--word -ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des te rijker is -naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in verwerkt worden, -en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste botsingen, -welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar een meer -samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij behooren. - -Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met mijne -persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al het -lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,--niet het minst de botsing -tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht van -verval en vergankelijkheid,--er, om een muzikaal beeld te gebruiken, -vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich slechts -bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie. - -Alleen echter op ééne voorwaarde kan ik in mijn "dissonant"schap -berusten:--dat ik nl. den mogelijken Kunstenaar van de "symfonie" mag -vermoeden, Hem vereeren en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar -te wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn -steun te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid -mij pijnigt. - -Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden Maker niet -berust op eenigerlei wetenschappelijke kennis van zijn wezen; maar -ik ben boven alles dankbaar voor de kunst, die mij in staat stelt de -gedachte aan Hem te scheppen. - -Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan schoonheidswetten -onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit gebied is -wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,--tot dogmatiek -verstijft,--ontaardt de poëzie van 't religieuse leven. De eerbied -zelf voor mijnen onbekenden Maker leert mij ten zijnen opzichte -bescheidenheid. - -Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne levensopvatting en -mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte godsdiensten. "Gelijk -het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt ..." ook mijn -ziel, op mijne wijze, naar den Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij -bewust ben te behooren. En indien de geschiedenis verhaalt van iemand, -in wien het gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was, -dat hij in gemoede kon getuigen: "Ik ben niet alleen, want de Vader -is met mij," dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met -zulk eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht, -zeer wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande -uit eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit van -joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord. - -Het behoort tot mijn verdriet in 't leven, dat er op het gebied van -vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig gezelligheid heerscht in -de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na aan 't hart ligt, zoo -weinig verkeer is onder levende menschen, en men zich grootendeels -moet vergenoegen met menschengeest-extrakt,--nl. uit boeken. - -Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een wanklank, die -opgelost wordt,--of worden zal,--gedeeltelijk door ons eigen toedoen: -daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig naga, wat er in zijn -beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de diepte van zijn -geestelijk leven omgaat. - - - -En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje: - - - - Gelukkig Nieuwejaar! - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Men bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene -uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche -soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken zijn. - -[2] Ik verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk -een paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter -van één- en twee-zaadlobbige planten in volwassen toestand uitgedrukt -wordt; zoodat men niet telkens, om het sterksprekend onderscheid -tusschen deze beide afdeelingen van het plantenrijk aan te duiden, -zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode van iederen boom behoeft -terug te gaan! - -[3] Te Dortmund in Westfalen staat,--stond althans voor een paar jaar -nog,--een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het spoorterrein, -tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is een punt -waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet inéénloopen), -was een heuvel uitgespaard van een voet of drie in het vierkant; -en daarop stond een steenen bank, waarop weleer veemgericht gehouden -werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde, met nog slechts één -levenden tak. - -[4] Houttuyn. "Natuurlijke historie." - -[5] In dezer voege: - - Jänner. Nivôse. - - Mittwoch 1 Neujahr. | Primidi 11 Poix. - Donnerstag 2 Mel D. | Duodi 12 Thérebent. - Freitag 3 Enoch. | Tridi 13 Argile. - Samstag 4 Gottfried. | Quatridi 14 Marne. - Sonntag 5 Simeon. | Quintidi 15 Lapin. - -[6] Ik heb later nog meer jaargangen van dien almanak in handen -gekregen. De natuur-heiligen-kalender bleef alle jaar hetzelfde. Het -speet mij er geen van een schrikkeljaar machtig te kunnen worden, -om na te gaan hoe in dat geval voorzien werd. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN *** - -***** This file should be named 52479-0.txt or 52479-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52479/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
\ No newline at end of file diff --git a/old/52479-0.zip b/old/52479-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index e16e7e8..0000000 --- a/old/52479-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/52479-h.zip b/old/52479-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index d7dc952..0000000 --- a/old/52479-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/52479-h/52479-h.htm b/old/52479-h/52479-h.htm deleted file mode 100644 index d5f7c1b..0000000 --- a/old/52479-h/52479-h.htm +++ /dev/null @@ -1,7508 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" -"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Natuurfantazieën</title> - -<style type="text/css"> - -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument -{ -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.abbr { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0em 0.05em 0 0; -padding: 0px; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.advertisment { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0%; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0%; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indextoc { -text-align: center; -} -.transcribernote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.correctiontable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0% 7em 0%; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em 0% 2em 0%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0% 0em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -td.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0px solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -.cellDoubleUp { -border: 0px solid black !important; -width: 1em; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0% .5em 0%; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0% 0 0%; -} -span.hemistich { -color: white; -} -.versenum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum -{ -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -}.pagenum, .linenum { -speak: none; -} -</style> - -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd21e2810 -{ -padding-left:0.5em; padding-right:0.5em; -} -.xd21e2811 -{ -padding-right:1em; -} -.xd21e2812 -{ -border-left:1px solid black; padding-left:1em; -} -.xd21e2815 -{ -text-align:center;border-left:0; -} -.xd21e99width -{ -width:512px; -} -.xd21e105width -{ -width:461px; -} -.xd21e133 -{ -text-align:center;font-size:small; -} -.xd21e808 -{ -font-style:italic; -} -.xd21e1934 -{ -text-indent:2em; -} -.xd21e2808 -{ -border-collapse:collapse; -} -.xd21e3365 -{ -text-align:center; -} -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Natuurfantazieën - -Author: G. Carelsen - -Release Date: July 2, 2016 [EBook #52479] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e99width"><img src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="512" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e105width"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="461" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">NATUURFANTAZIEËN</div> -</div> -<div class="byline">DOOR<br> -<span class="docAuthor">G. CARELSEN</span><br> -Schrijfster van: Brieven van een Landmeisje, enz.</div> -<div class="docImprint">HAARLEM<br> -H. D. TJEENK WILLINK<br> -<span class="docDate">1881</span></div> -</div> -<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd21e133">Stoomdrukkerij van Gebr. van Asperen van -der Velde, te Haarlem. <span class="pagenum">[<a id="xd21e135" href="#xd21e135" name="xd21e135">III</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"></td> -<td class="tocPageNum">blz.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">I.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1" id="xd21e149" name="xd21e149">Een Nieuwjaars-wandelpraatje</a></td> -<td class="tocPageNum">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2" id="xd21e158" name="xd21e158">Meeuwen</a></td> -<td class="tocPageNum">6</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">III.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3" id="xd21e167" name="xd21e167">Bloemen voor het venster</a></td> -<td class="tocPageNum">16</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4" id="xd21e176" name="xd21e176">Sprokkelmaand</a></td> -<td class="tocPageNum">26</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">V.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5" id="xd21e185" name="xd21e185">De lange lente</a></td> -<td class="tocPageNum">33</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch6" id="xd21e194" name="xd21e194">Bij een schaaltje kievitseieren</a></td> -<td class="tocPageNum">39</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch7" id="xd21e203" name="xd21e203">Rondom een molshoop</a></td> -<td class="tocPageNum">48</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch8" id="xd21e212" name="xd21e212">Palm-Paschen</a></td> -<td class="tocPageNum">53</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch9" id="xd21e221" name="xd21e221">Tulpen</a></td> -<td class="tocPageNum">57</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">X.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch10" id="xd21e230" name="xd21e230">Hei, ’t was in de Mei!</a></td> -<td class="tocPageNum">63</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch11" id="xd21e240" name="xd21e240">Een Engelsch landschap</a></td> -<td class="tocPageNum">68</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch12" id="xd21e249" name="xd21e249">In den bloeienden boomgaard</a></td> -<td class="tocPageNum">74</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch13" id="xd21e258" name="xd21e258">Bouquetten</a></td> -<td class="tocPageNum">78</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch14" id="xd21e267" name="xd21e267">Een dubbele boodschap</a></td> -<td class="tocPageNum">82</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch15" id="xd21e276" name="xd21e276">Een boschtooneeltje</a></td> -<td class="tocPageNum">88</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch16" id="xd21e285" name="xd21e285">Op de bloemmarkt</a></td> -<td class="tocPageNum">98</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch17" id="xd21e294" name="xd21e294">Aan de Noordzee</a></td> -<td class="tocPageNum">102</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch18" id="xd21e303" name="xd21e303">Een kastanjeboom</a></td> -<td class="tocPageNum">111</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch19" id="xd21e312" name="xd21e312">Een inlandsche arend</a></td> -<td class="tocPageNum">115</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch20" id="xd21e321" name="xd21e321">Eene linde</a></td> -<td class="tocPageNum">118</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch21" id="xd21e330" name="xd21e330">Tapijtbedden</a></td> -<td class="tocPageNum">124</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch22" id="xd21e340" name="xd21e340">De poëzie van het groenten-schoonmaken</a> <span class="pagenum">[<a id="xd21e345" href="#xd21e345" name="xd21e345">IV</a>]</span></td> -<td class="tocPageNum">129</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch23" id="xd21e350" name="xd21e350">Korenbloemen</a></td> -<td class="tocPageNum">135</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch24" id="xd21e359" name="xd21e359">Een bergtocht</a></td> -<td class="tocPageNum">140</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch25" id="xd21e368" name="xd21e368">Ouwerwetsche bloemen</a></td> -<td class="tocPageNum">148</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch26" id="xd21e377" name="xd21e377">Augustus</a></td> -<td class="tocPageNum">154</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch27" id="xd21e386" name="xd21e386">Bloemen langs den weg</a></td> -<td class="tocPageNum">160</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch28" id="xd21e395" name="xd21e395">De lotos</a></td> -<td class="tocPageNum">165</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch29" id="xd21e404" name="xd21e404">Ons wier-eiland</a></td> -<td class="tocPageNum">170</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch30" id="xd21e413" name="xd21e413">Najaarsbloemen</a></td> -<td class="tocPageNum">179</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch31" id="xd21e422" name="xd21e422">Een tragedie in den moestuin</a></td> -<td class="tocPageNum">187</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch32" id="xd21e431" name="xd21e431">Een natuurkalender</a></td> -<td class="tocPageNum">191</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch33" id="xd21e441" name="xd21e441">Jacht en wild</a></td> -<td class="tocPageNum">197</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch34" id="xd21e450" name="xd21e450">Gesloten?</a></td> -<td class="tocPageNum">205</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch35" id="xd21e459" name="xd21e459">Wintervogels</a></td> -<td class="tocPageNum">209</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch36" id="xd21e468" name="xd21e468">Vóór of achter den ploeg</a></td> -<td class="tocPageNum">217</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch37" id="xd21e477" name="xd21e477">Groenblijvende boomen</a></td> -<td class="tocPageNum">225</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch38" id="xd21e486" name="xd21e486">Een oudejaarswandeling</a></td> -<td class="tocPageNum">231</td> -</tr> -</table> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name="pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e149">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles -goeds toe, lezers en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon....</p> -<p class="par">Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel -willen dat ik veler menschen pad „met bloemen kon -bestrooien”, zooals de aloude spreekwijs luidt. Maar in de -gegevene omstandigheden kan ik niet meer doen dan: hopen dat ik hier en -daar iemand een verkwikkelijken indruk bezorgen moge door de lezing van -dit boekje.</p> -<p class="par">„<i>Natuurfantazieën</i>” heb ik het -genoemd. Nu is „Natuur” een van die groote woorden, welke, -evenals hooge boomen, veel wind vangen,—namelijk veel „wind -van leering”; het is een woord waarvan men dikwijls niet recht -weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er soms een nauwere, -soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven, b. v. nu eens de -geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den mensch, hetzij -geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik dus maar -dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den <span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name="pb2">2</a>]</span>eenvoudigen -en voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het -minstens ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de -wolken, de aarde en het water, de bloemen en het groen, de vogels en de -vlinders rondom ons,—zij zijn de aanleiding tot deze mijn -bescheiden „fantazieën”.</p> -<p class="par">Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad -bewonen, wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen -tot de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning -ten volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst -van wandelen te verstaan.</p> -<p class="par">Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het -wandelen op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de -„vrije natuur”. Doch als alle anderen dient zij beoefend te -worden, eer men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te -gebruiken, dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet -geleerd heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik -van zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig -aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den slag -niet van hebben.</p> -<p class="par">Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en -beschikkingen maakt, kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen -om, naarmate de omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik -zou bijna durven zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en -dan vergunnen. „De meeste kwalen en verdrietelijkheden komen -tegenwoordig van de zenuwen, en de zenuwen komen van de boeken.” -Ziedaar de zeker niet zeer wetenschappelijk <span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name="pb3">3</a>]</span>geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking, -waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer -beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel -wandelt, minder gevaar loopt van onder „de boeken” begraven -te worden dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, -desnoods met inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe -langer hoe meer blijken goede medicijn te wezen voor „de -zenuwen”,—zoo doet elk wèl die daartoe zijne -maatregelen neemt.</p> -<p class="par">Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? -Rückert heeft eens, in een al of niet gemeende vlaag van -menschen-verachting, den zonderlingen raad gegeven, de menschen te -vermijden en zich zooveel mogelijk onder bloemen te bewegen; „dan -zullen”, voegt hij er ten slotte goedmoedig bij, „de -bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die niet -beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!” Nu hoop ik -hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen -van „de menschen” te verachten of te haten; maar voor ieder -onzer komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke -instellingen, maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen -gebukt gaan, er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, -op het punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf -te verslappen, hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan -weet ik dat de dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met -„bloemen”,—in het algemeen met de -„natuur”,—als een weldadig middel aanbeveelt.</p> -<p class="par">En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen -<span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>schuld hebben, maar die ons voor een wijl doen -duizelen, eer wij ons recht rekenschap weten te geven van hetgeen er -gebeurd is en hetgeen ons te doen staat,—ook dan is de stille -omgang met die „natuur” een weldaad. Wij moeten dan van -haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven: geen antwoord van -haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn; ons niet verbeelden, -dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet, zij troost niet -onmiddellijk; maar dààrin ligt voor een groot deel haar -genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder afleiding -van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust en verzoening -te geraken.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat -er niets te wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste -helft van ’t jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat -Januari minder koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, -boschrijk landschap meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige -binnendijk met een rij knotwilgen tot eenig sieraad.—Doch,... zal -ik vertellen hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van -heb leeren waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te -loopen, in weer en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een -landstreek zoo arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid -laat denken: een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. -Doch bij gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en -als er dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de -verte, en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den -gezichteinder, en <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name="pb5">5</a>]</span>oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten -ontsnappen. En ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te -zien kreeg, wel zoo’n genot van ieder kleurenspel en lichteffect -gehad zou hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die -schijnbaar zoo onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst -gunstige seizoen om te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de -mogelijke wandelwegen rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te -hebben plat getreden, zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In -dat geval wensch ik u toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens -wat verder rond te kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere -schaal. Doch juist met het oog daarop zou ik lust hebben u eenige -vragen te doen als: Zijt gij goede vrienden met de boomen die in uw -nabijheid groeien? Welke vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek -hebt gij in de buurt de mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij -om dezen tijd van ’t jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat -een mees of een geel kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u -gisteren voorbij vloog? En hoelang zou ’t nog duren eer de -kwastjes, waarmee nu reeds de elzen zijn behangen, zich tot -stuifmeelbloemen ontwikkelen?</p> -<p class="par">Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat. -<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e158">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">MEEUWEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wij zaten vroeg in ’t voorjaar aan de open -tafel in een Amsterdamsch logement.</p> -<p class="par">Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier -wat de Franschen daarvoor plegen te zeggen: „<i lang="fr">On -parlait la pluie et le beau temps.</i>”</p> -<p class="par">„Mooi weer vandaag!”</p> -<p class="par">„Het zal niet lang zoo blijven.”</p> -<p class="par">„Waarom niet?”</p> -<p class="par">„Er zit zoo’n bank in ’t -westen.”</p> -<p class="par">„Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien -vliegen.”</p> -<p class="par">„Dat geeft regen!”</p> -<p class="par">„Dat geeft sneeuw!”</p> -<p class="par">„Dat geeft nachtvorst!”</p> -<p class="par">„Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op -één punt zweven, dat is altijd een goed -teeken.”</p> -<p class="par">„Als zij duiken, dat is een slecht -teeken.”</p> -<p class="par">„’t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, -om haar voêr te zoeken.” <span class="pagenum">[<a id="pb7" -href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span></p> -<p class="par">„Wat zouden zij dan eten?”</p> -<p class="par">„Insekten en visschen.”</p> -<p class="par">„Ik geloof niet aan meeuwen.”</p> -<p class="par">„Ik wel.”</p> -<p class="par">„Wat gelooft u er dan van?”</p> -<p class="par">„Wel, dat ze weêrwijzers zijn.”</p> -<p class="par">„Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen -is er storm op zee. Ze waarschuwen de schepen.”</p> -<p class="par">„Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een -ander dier.”</p> -<p class="par">Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan -met deze heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel -mogelijk op hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik -niet weet, welk soort men daar op het oogenblik vóór had. -De kenners maken een groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of -kapmeeuwen. De laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de -jaargetijden wisselt, zoodat zij ’s zomers een zwart kapje -schijnen op te hebben, zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. -Zij nestelen in het riet, aan de boorden van meren, rivieren en -plassen, vliegen hier van April tot September rond en gaan dan naar -warmer streken. Zij leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, -door o. a. groote hoeveelheden meikevers te vernietigen.</p> -<p class="par">De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij -zijn trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het -winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en eerst -als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker afzakken, -en ons zeestrand, <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>den buitenkant van onze dijken en duinen bevolken. -Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van den winter -een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar barre, zeer -onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling in de natuur, -zijn loon meebrengt.</p> -<p class="par">Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar -al te goed kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een -vuilwordende laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch -landschap al wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, -doordien water, land en zwerk éénzelfde vervelende tint -hebben. De zee echter is dan nog niet bevroren; haar zoutgehalte en -haar altijddurende beweging houden dit lang tegen; en de duinen... zijn -dezelfden die zij in Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat -opgewaaide sneeuw, die hun niet slecht staat. Als in elk ander -jaargetijde, bieden zij ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke -ontspanning aan voor den langs rechte vaarten en vlakke dijken -afgematten blik.</p> -<p class="par">Op ’t strand kunnen wij ons vermeien in ’t -aanschouwen van dat zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee -noemt; en het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in ’t -oog. Een paar zwarte stipjes op het water doen zich weldra als -zwemmende zeeëenden kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of -wat plevieren en strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien -zijn ook hier natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te -zien. Maar de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al -zeer gemeenzaam met haar moeten <span class="pagenum">[<a id="pb9" -href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span>wezen, om op een afstand uit te -maken, of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of -wel „Burgemeesters” zijn; doch om het algemeene -meeuwkarakter aan haar te herkennen, behoeft men juist niet -„wetenschappelijk gevormd” te wezen.</p> -<p class="par">Met lust blijft onze blik rusten op die -licht-blauwgrijze groep. Welk een leven en beweging, welk een -verscheidenheid van stand en houding! Juist dit maakt een troep meeuwen -zoo behagelijk om aan te zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo -van-alle-markten-t’huis—men zou bijna zeggen, zoo -„veelzijdig ontwikkeld” zijn. Zij kunnen, wat slechts -weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en goed -zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend als -zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het -kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn zij -blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en vaste -woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort te -bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik nimmer -zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de meeuwen, -wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en bevalligheid -tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen; welk een -kracht in het zweven en „staan”! Misschien werkt de -zilvertint iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te -maken, maar stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en -bewegingen te danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op -het water, hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, -ofwel bijna onbeweeglijk <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>boven op de golven dobberen, zoo -licht en luchtig of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin -van duikelen, zoo als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich -omlaag buigt, terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen -niet; maar zij zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder -water te duiken, als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog -gekregen hebben; en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook -over haar heen slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er -zich minder behaaglijk om voelen. Maar ’t zij zwemmend, of -vliegend of dobberend, zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog -een onafscheidbaar deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten -dit. Stelt u een „zeestuk” zonder meeuwen voor: gij zult er -iets op missen, al weet gij niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit -Heine’s „<i lang="de">Meereslieder</i>”, en zij -verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden.</p> -<p class="par">Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten -vliegen, aan ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die -vraag meent of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er -„ja” op te antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in -kleinen getale ook hier te lande broeden, en dus als het ware hier, wat -de oud-Hollanders kantoren of factorijen plachten te noemen, aangelegd -hebben; doch de groote menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. -Het echte land der meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, -en de op diezelfde breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een -der mooiste soorten, de drieteenige meeuw, zoo genoemd <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span>om de -eenvoudige reden, dat zij slechts drie, door twee zwemvliezen -vereenigde teenen, en niet ook nog, als anderen, een kort, -achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij zwerft in ’t gure -jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier, en zelfs aan de -fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit beneden de -58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze als de -eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart en -blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet -alleen tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig -noorsch landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen -afwerpen, wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. -In enkele streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is -men het eens, dat dit te „visschig” is om lekker te wezen. -Trouwens dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend -van visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid: -zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven -dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar ik -nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of deze niet -ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou mij zeer -bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel, met -grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of op -vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls zeer -moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa der -meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde -vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span>ganschen -zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van een -plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half -Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten, -ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar -komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug, waarvan -de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert.</p> -<p class="par">Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, -toen hij voor ’t eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog -kreeg. „Toen ik mij gereed maakte voor mijne reis naar -Lapland,” vertelt hij, „had ik een aantal beschrijvingen -van deze vogelkoloniën gelezen, en ik twijfelde volstrekt niet aan -hare betrouwbaarheid. Maar nooit zal ik den Julidag vergeten, waarop ik -Kaap Svarhollt (niet ver van de Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst -een „vogelberg” aanschouwde. Wat ik zag was een kolossale -muur, als het ware een reusachtige lei, met duizenden witte puntjes -overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein had een van zijn geweren voor -mij met los kruit geladen, om de vogels te verschrikken. Zoodra dit was -afgeschoten, maakten zich die witte puntjes voor een deel van hun -donkeren achtergrond los, naderden, en bleken de gedaante van vogels, -van sierlijke meeuwtjes te hebben, en verspreidden zich over de zee; -maar in zulk eene ontelbare menigte, dat zij mij aan een sneeuwval -deden denken, die plotseling was losgeraakt en nu in groote vlokken -ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter beeld voor, dan dat het -gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De zee was er mede bedekt -zoover mijne <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>goede oogen reikten; en ondanks dit alles scheen -de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was nu overtuigd, dat -vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik moest zelf erkennen, -dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld van te geven aan iemand -die het zelf niet gezien heeft.”</p> -<p class="par">Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts -afzakken, en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich -hier geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks -genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog -slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns of -Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens alle -meeuwvogels „Visschenpikkers”). Ook hun lastige vijanden, -de roofmeeuwen of zoogenaamde „Jagers”, volgen haar -zuidwaarts, al hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen -als tehuis in den broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote -schrik der broedende menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste -moeite kost, de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; ’s -winters daarentegen geldt de roof slechts den een of anderen door hen -veroverden buit. De „Jagers” namelijk hebben de gewoonte om -andere meeuwvogels zoolang te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, -hun vaak reeds half verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en -die dan met groote behendigheid op te vangen eer zij den grond of het -water bereikt. Nog een anderen harer noordsche landgenooten, den -eigenlijken Stormvogel, treffen zij hier somtijds aan, maar toch -slechts in kleinen getale; van dezen echter hebben zij niets kwaads te -vreezen. <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span></p> -<p class="par">Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van -koude terug vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan -men zeer wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een -genoegelijk leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, -ons te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure -jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor de -natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries zulk -een angst en afkeer hebben. „Nu ja,” zal men zeggen, -„daarvoor zijn het zwemvogels.” Doch is niet juist dit het -belangrijke bij ons natuurgenot: na te gaan wàt een zwemvogel -tot zwemvogel maakt en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat -is het dat het kleed der meeuwen en der eenden zoo <i>waterproof</i> -doet zijn; en wat stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge -vlucht eens vogels en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? -Vlechtwerk moge geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al -zij het slechts vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht -geven het zoo te noemen.</p> -<p class="par">Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de -koude, die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun -vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te -hinderen en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: ’t is -als er storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk, -onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of wel dat -de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk maakt, -òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet -gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span>aan de -luidruchtigheid der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, -indien zelfs vele volwassenen hun „humeur” niet boven -dergelijke invloeden kunnen verheffen, zou men zich dan verwonderen dat -eene „redelooze meeuw” daar niet tegen bestand is? Hoe het -zij, bij sterken zeewind komen de meeuwen landwaarts in haar troost -zoeken; als kind, te Haarlem wonende, hoorde ik dan vertellen, dat -„de Zandvoorders hun duiven loslieten”. Zij houden, om een -zeer voor de hand liggende reden, de rivieren en groote kanalen; maar -in ons plasrijk land zal het haar niet licht overkomen, dat zij een -geheele dagreis lang geen vischwater ontmoeten. Zoo komt het dat zij -zich in bijna al onze steden af en toe vertoonen, niet het minst in de -hoofdstad zelve, en dan de stedelingen amuseeren of hun weerkundige -talenten prikkelen. Zij schijnen het daar zeer naar hun zin te hebben, -zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds een uur lang boven dezelfde -gracht blijven zweven. Veel visch weet ik niet of die grachten haar -leveren, maar dan zeker andere dingen, die dat gemis vergoeden. Haar -smaak is ook niet afkeerig van ander dierlijk voedsel, vooral indien -het uit een goede keuken komt. Zoo heeft men mij verhaald, dat zich -iederen morgen, op een vast uur, een troep meeuwen vereenigt voor het -welbekende huis van den heer Zomerdijk Bussink, en daar loert op -hetgeen er voor hen aan den wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan -men gerust zeggen dat de meeuwen goed op de hoogte zijn van de -Amsterdamsche adressen, en, in aanmerking van het hierboven vermelde -gesprek, dat zij Amsterdam wèl zoo goed kennen als vele -Amsterdammers haar. <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" -name="pb16">16</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e167">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">BLOEMEN VOOR HET VENSTER.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast -zeggen: ja, elk op zijne wijze. In bijna ieders leven spelen zij, -allicht zonder dat hij het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm -treft men ze aan als sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als -het ware instinktmatig te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven -ieder ander staan. Hoe vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze -aan een jarige; gij brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan -zieken, als gij niets anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of -meer gelukkige wijzen, waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel -van de algemeene liefde die er voor bloemen heerscht.</p> -<p class="par">Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; -zij verhoogen het feestelijke van onze feesten,.........</p> -<p class="par">Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij -groot en klein, vooral voor ’t venster, zelden aan „een -bloemetje” ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de -ramen maakt doorgaans een lieflijken indruk. <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span>Het doet -denken aan die prettige, gezellige, verkwikkelijke menschen, -„gelukkig voor zich zelven en een ander,” zooals men ze -pleegt te noemen, die zich zoozeer aan vriendelijkheid gewend hebben, -dat zij, ook wanneer zij slechts met hun eigen zaken bezig zijn, altijd -een geest van welwillendheid van zich doen afstralen. Zulk een rij -planten voor een raam toch is eigenlijk, vooral aan de straatzijde, -niets anders dan een middel tot afsluiting, zoo goed als een gordijn, -een chassinet of „horretje”. Maar terwijl eene neerhangende -lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter blauw, groen of zwart -ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes uitgespannen haakwerk -u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een stuursch: -„<i>Verboden toegang voor nieuwsgierige -blikken</i>”,—verbiedt dat plantenhorretje volstrekt niets: -het lokt zelfs uwe oogen, en groet als ’t ware den voorbijganger, -terwijl het tegelijk van zelf de mogelijkheid van onbescheiden blikken -voorkomt. Laat ons, terwijl er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar -van die kamerplanten wat nader bekijken.</p> -<p class="par">Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur -de <i>Begonia’s</i>. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in -eindelooze variëteiten, van de „ouderwetsche” -eenvoudigsten, met donkerroode bladeren, af, tot aan de nieuwsten met -hun pracht van rood, groen en zilver.</p> -<p class="par">Hoeveel zij overigens onderling mogen -verschillen,—drie dingen trekken bij alle Begonia’s, ook -vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten eerste de -scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad, -waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben, -wordt men hier aanstonds getroffen door <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>de ongelijkheid der twee -helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten, -hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de plant -dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede: de -zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de -anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen -zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen, -vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de -bladeren, naarmate zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; -en dat hetzelfde aantal haren, over eene grootere oppervlakte -verspreid, niet zoozeer in het oog valt, als wanneer zij, op een -kleiner ruimte, dichter bij elkaar staan.—Ten derde, hare rijke -kleurschakeering. Vele van de jongere afstammelingen hebben met het, -voor een paar honderd jaar uit Amerika overgebrachte, en naar zekeren -Pater <i>Begon</i> vernoemde gewas, geen grooter overeenkomst dan b.v. -een theeroos <i>Ali-Pacha</i> met eene hondsroos uit de duinen. -Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds in haar vaderland, dus -geheel van nature, eene sterke neiging tot het vormen van -verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt niet dat zij in dit -opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.</p> -<p class="par">Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan -hare lange, dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de -plant komen verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er -altijd aan denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen -met (elk drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig -oplettendheid kan ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij -<span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>die bloemen zoo klein zijn als de, minst in -’t oogloopende, witte, van de oudste soorten, of zoo groot als -die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez, zij zijn en -blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de fraaie -„bolbegonia’s” over; de gewonen zijn en blijven in de -eerste plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar -bladeren.</p> -<p class="par">Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche -bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte -bladeren—wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid -dragen, zooals veelal bij <i>bleek</i>-bonten het geval is—doen -zich aan het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich -maar al te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, -willen wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. -Bevallig aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules -of veranda’s, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls -een zeer sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting -in den tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van -een dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den -bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste -van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den -regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons -de kleurenwisseling van ’t loof alleen normaal doet voorkomen -gedurende den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is -afgeloopen?—</p> -<p class="par">Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters -begroeten, behoort de Primula Sinensis. Ook zij heeft een <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>schoonen, sterksprekenden, teekenachtigen -bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met zeven uitgetande -lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven uitgegroeid en -trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene menigte knoppen! -Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven op een gezamenlijken -langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot haar volle lengte -opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid tot den vorm van -een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen zich de witte, -rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen, gaaf en zuiver -kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf afzonderlijke, -als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien, zijn die allen -aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de bloem uitgebloeid -is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel, afvalt. Jammer van -het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den stam verwelken of -ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo spoedig mogelijk te -verwijderen; doch als zoo’n kroontje van hare plant loslaat in -volle kleur en frischheid,—’t is kinderachtig, maar ik -betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan vast te -willen maken.</p> -<p class="par">Binnen weinig weken zullen sterker, grover -Primula’s op den kouden grond in bloei staan. Het zijn onze goede -Sleutelbloemen, of „Primulaveeren”, of -„Bakkruidjes”, zooals de tuinlui ze plegen te noemen; de -„<span lang="fr">Primevères</span>” der Franschen en -de „<span lang="en">Primroses</span>” der Engelschen.</p> -<p class="par">En dan hebben wij ook inlandsche Primula’s, -sleutelbloemen die hier in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in -weiden of vochtige bosschen en herkent ze dan aan haar -„<span lang="fr">faux-air</span>” van de in den tuin -gekweekten. Eéne <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>soort schijnt in Engeland minder -zeldzaam te wezen dan hier; althans ze bloeit onder den naam van -„<span lang="en">cowslips</span>” in negen van de tien -engelsche romans.—</p> -<p class="par">Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, -door geheel haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een -zomer- dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de -kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen, -beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene -plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het, -daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of -men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.</p> -<p class="par">Deze is dan ook geheel een <span class="corr" id="xd21e695" title="Bron: voortbrensgelder">voortbrengsel der</span> -industrie, en draagt daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier -blijkbaar meer geschied dan acclimatiseeren; men heeft trachten te -veredelen, en wel op een wat al te krachtige en... geheel willekeurige -manier. Dit geeft er iets aan, wat men in een mensch -„gemaakt” zou noemen. Misschien ligt die indruk vooreerst -daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg had om een -heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid heeft; en dat -de losse takken tot een koepel of een bol gesneden werden, een vorm, -die wel past voor een linde, welke daartoe zelve aanleiding geeft, maar -volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend struikje. En wij spraken -straks van bladplanten: hier hebben wij te doen met een -tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar vaderland de bloemen -der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen, zou het mij zeer -verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen -dreigden <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span>te verdringen, als hier het ideaal der kweekers -schijnt te zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets -plomps, iets onbehouwens in die roode of witte -bloem-klompen-op-stokjes, zooals zij jaarlijks bij -bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen der nijverheid, bekroond -worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van een plant; maar goud is ook -een sieraad, en toch, als iemand zich van top tot teen met goud wou -gaan behangen, zou geen beschaafde smaak daar recht vrede mee -hebben.</p> -<p class="par">De kamer-winter-Azalea’s doen mij altijd dubbel -verlangen naar een andere soort, die hier des zomers op den kouden -grond bloeit: de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, -want haar vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte -zee. Wat aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de -indischen achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, -zwavelgeel, hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange -meeldraden en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen -hangen, haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar -langere steeltjes,—dit alles geeft aan het geheel een veel losser -en sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de -andere heeft is... haar heerlijke geur!—</p> -<p class="par">Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een -Camellia. Of ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door -een kind eene „winterroos” hooren noemen, en toen heb ik -haar daar goed op aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk -had; en sinds dien tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een -roos toe.</p> -<p class="par">Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze „rood -<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>en wit bloeien”, en haar geur, volgens -Geibel’s gloeiende regelen, „gelijk een adem uit het -paradijs over de velden rondwaart!” En ziet dan nog eens uw -Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in -’t geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos -te lijken?</p> -<p class="par">’t Is als een mislukt portret: het origineel in -het hard, in het koud, in het doodsch.</p> -<p class="par">Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, -glimmende, dat alle wintergroen kenmerkt. „Wintergroen” is -het door zijn zware opperhuid, die het minder gevoelig maakt voor -indrukken van buiten: het is als menschen, die in ’t geestelijke -„een hard huidje” hebben. In kleur en vorm en houding mist -het al de teederheid, aan echt rozegroen eigen. Men ziet niet eens het -adernet, dat in dit laatste zoo bevallig doorschijnt: de -lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad alles wat -inwendig voorvalt.</p> -<p class="par">Doet ons de opperhuid van ’t groene blad aan leder -denken,—die van het bloemblad herinnert aan een laagje was. De -liefhebbers waardeeren dan ook juist in hun Camellia dat -„wasachtig” aanzien. Het zou misschien ook op zich zelf -niet leelijk wezen; de bekende Wasplant heeft ontegenzeggelijk haar -schoonheid; maar alweder... het staat leelijk in een bloem, die op een -roos lijkt. Waart gij ooit in een wassenbeelden-spel, en vondt gij op -den duur niet iets zeer onbehagelijks en griezeligs in die wassen -gezichten, die u <i>als menschen</i> aankeken?</p> -<p class="par">De proef op de som, waar het de meerderheid der roos -geldt, is, dat men de Camellia veel gemakkelijker <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name="pb24">24</a>]</span>na kan -maken. Geef u de moeite slechts om uw <span class="corr" id="xd21e721" -title="Bron: amelliastruik">Camelliastruik</span> uit glad, zwaar -papier te doen bloeien; en, mits ’t een beetje handig wordt -gedaan, kunt gij dagen lang, onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen -’t groen laten hangen. Een gemaakte roos daarentegen zal niet -licht een geoefend oog bedriegen. De schoonheid eener roos brengt mede, -dat men zien kan dat zij leeft; de teere grondstof, waaruit zij gebouwd -is, kan door geene grovere nagebootst worden; haar inwendig weefsel is -te zichtbaar, dan dat het ons niet terstond treft, indien wij daar de -lijnen van missen. En haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien -haar bijna bij het uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, -verwelken... Zonder dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die -bewegelijkheid, in die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia -bloeit langzamer en langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als -onveranderd: wie <span class="corr" id="xd21e724" title="Bron: van daag">vandaag</span> geen lust heeft om naar haar te kijken, -kan het morgen even goed doen. De roos daarentegen eischt dat men zich -haaste en... men heeft nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.</p> -<p class="par">Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover -de vlak uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der -vorstelijke eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar -geheel zoo schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, -die de gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? -Het fijne tintenspel nog daargelaten,—is niet ieder rozenblad, in -vorm en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het -uitgevallen is toe?</p> -<p class="par">En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen -<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span>der Camellia, met haar kelk van als dakpannen over -elkaar liggende schubben; of de door het instinkt van alle eeuwen als -zinnebeeld van ontluikende lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk -tot in de onregelmatigheid harer twee en drie ongelijke -kelkslippen!</p> -<p class="par">Maar één ding is toch waar: een Camellia -heeft geen doornen!...</p> -<p class="par">Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een -Camellia zich daarop beroemde boven rozen, dan zou ik even innig lachen -of boos worden, als bij dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de -menschenwereld! Eene roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia -als genie van fatsoen; als zonneschijn van gemeen daglicht; als -poëzie van proza;—en alle doornen (vraag excuus, botanist, -jawel, stekels!) uit de rozetuinen van het Oosten en het Westen, hebben -daarin tot nog toe geen verandering kunnen brengen.</p> -<p class="par">Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, -ergert misschien sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de -huiskamer te worden opgenomen, en daar de plantenwereld te -vertegenwoordigen, het liefst gun, niet altijd aan ’t vreemdste -of het nieuwste of het kostbaarste, maar aan... de edelste gestalten -uit dat rijk. <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e176">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">SPROKKELMAAND.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Zoo luidt sinds eeuwen Februari’s bijnaam; -en in oude almanakken ziet men dan ook geregeld, op het tweede prentje, -een paar arme kinderen, met een bundeltje hout op den rug, doode takjes -oprapen of afbreken, om den voorraad, waarvan moeders haard moet -branden, bij elkaar te zamelen.</p> -<p class="par">„Waar men hout hakt vallen spaanders”, zegt -het spreekwoord; en niets is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen -tak van nijverheid, dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. -Intusschen zijn er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve -ook toe, die graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen -schadeloos zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij -daardoor een boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd -eenigszins „door merg en been”, als ik een mooien boom zie -rooien. Het eigenlijke hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of -wat gehakt worden, anders zouden de stammen elkander verdringen; en het -<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span>is er van den aanvang af voor bestemd. Maar -wanneer er een boom valt, die in den loop der jaren als het ware een -individu is geworden, een „iemand”, zonder wien wij ons de -buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen; een, zij het dan -onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield voor onze woning, -of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken, in ’t voorjaar -met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw, in ’t najaar -met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des winters met zijn -ijskegels of rijptooi... dan is ’t ons vaak of er een moord -gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber werk -verrichten. En is dit niet min of meer ’t geval met alle boomen: -brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk, iets -bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke Nederland -hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die, om welke -oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens denken aan -de arabische spreuk:</p> -<div class="blockquote"> -<p class="par first">Wie een boom velt, dien vloeken zijne -kleinkinderen.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen -worden aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van -sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge boomen. -In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur gedaan -wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge -aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder aan -te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen van -zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in de -toekomst eenige vergoeding? Op <span class="pagenum">[<a id="pb28" -href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>hoe menig landgoed is een statig -beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke -redenen,—omdat men er meer dadelijk voordeel in zag, op die -gronden tabak of aardappelen, of wie weet welk ander veldgewas te -kweeken; terwijl het nog de vraag geweest zou zijn, of zij, bij een -goede exploitatie, als bosch, op den duur niet meer opgebracht zouden -hebben! Voor hoe menig kasteeltje is de schoone oprijlaan vernietigd, -omdat de heerenhuizing tot een boerderij vernederd werd; en de boer die -eiken of die iepen of die linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld -verhinderden, van uit zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens -knotwilgen of uitgeloopen wilgenstronken zijn er voor in de plaats -gekomen! En dan, op hoevele wandelplaatsen zijn de hooge boomen -gaandeweg verdwenen ten gunste van de stijve mozaiekbedden-mode, die -geen schaduw om zich duldt, en het lieflijk <i lang="fr">clair-obscur</i> uit onze tuinen en parken verdrijft! En wordt -niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat een of -ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft, dat zij -„ongezond zijn”? Ik weet een stad, waar vroeger overal, -langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede punten -van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden, en waar die -thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien men eens van -deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben, zal men ze -van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten wachten tot -zij weder groot zijn!—En dan komt het maar al te dikwijls voor, -dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is, iemand -afschrikt om er meê te <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>beginnen. Dat is jammer. Vooreerst -duurt het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom, -een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat, op -onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover vezels -vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in hoogere, -droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller, zoodat de -planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels bereikt heeft. -Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag men goedsmoeds, -als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht aan haar lot -overlaten, als met een „<i lang="fr">après nous le -déluge</i>”? En is er, onafhankelijk van alle andere -overwegingen, niet een weelde in ’t zien opgroeien van wat men -heeft aangelegd?</p> -<p class="par">Gun dat ik de geschiedenis van onze -<i>Tannhäuser-allee</i> vertel. Bekend is de legende van den -duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel jaar in den -Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus Urbanus -vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te doen voor -zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke reden, -onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer deze -stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen trok -Tannhäuser de heilige stad weder uit, „in jammer en in -lijden”, en riep „Maria-Moeder, de reine maagd” tot -getuige, dat hij gedaan had wat hij kon, om weder als haar dienaar te -worden aangenomen. En ziet, de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke -barmhartigheid, deed een wonder: den derden dag begon de stok groene -blaadjes te krijgen. En hetzij men nu, met de <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span>oude -ballade, de tragische opvatting volge, dat er twee boden uitgezonden -werden naar alle landen, waar Tannhäuser doorgegaan was, maar dat -men hem nergens vond, omdat hij, in zijn wanhoop, weder in den -Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met Wagner’s blijmoediger -opera, den ridder werkelijk van het voor hem gedane wonder genot late -hebben,—de dorre stok met groene blaadjes staat daar als lieflijk -beeld van de „eeuwige genade”, die meer is dan -„straffende gerechtigheid”.</p> -<p class="par">Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge -iepen, die een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen -grintweg geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van -dien ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in -Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij -namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar -waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt, -zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met een -bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming aan op -een vorstigen Februaridag, en moesten „gekuild” worden tot -de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een stevige -noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden, om te zorgen -dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar, en de zomer -moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en daar -uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen liep met -een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors, om te -beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden -beweerden, dat een <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" -name="pb31">31</a>]</span>boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit -weer een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van -gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan -dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam -en wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding -van ’t geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer -de beste blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met -name voor iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze -hunne eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid -geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar de -koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is het -voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij tot op -gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang, of zij -hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij niet veel -van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel, -hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten, -bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in -het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds -bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde jaar -was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige landweg -tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon „groen -gewelf” zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd -van leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen -in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken -geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein -geweest in hunnen <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" -name="pb32">32</a>]</span>jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan -bij Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; -van de prachtige houtpartijen rondom ’s Graveland bestond niets, -totdat vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne -aanplantingen waagde; en als in zekeren winter, zeker iemand in -Gelderland geen lust gehad had, om twee paar rijen beuken te planten, -die hijzelf stellig nimmer groot zou zien, dan was er nooit gekomen, -wat thans „de schoonste beukenlaan van Nederland”, de -veelgeprezen laan van Middachten is....</p> -<p class="par">De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische -spreuk luidt:</p> -<div class="blockquote"> -<p class="par first">„maar wie een boom plant, dien zegent het -nageslacht”.</p> -</div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e185">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">DE LANGE LENTE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn -kindertijd herinner, onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de -oude kindermeid die ze vertelde, is er een van een daglooner die een -varken geslacht had, en daarvan den geheelen winter ééne -zij spek bewaarde. Als de kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk -bewaard werd, dan luidde vaders antwoord: „Voor de lange lange -lente.<span class="corr" id="xd21e795" title="Niet in bron">”</span>—Eens op een bar kouden dag, terwijl -de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij niet een -stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was—werd er altijd -bij verteld—vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor -haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij -gaf hem de zij. Toen haar man t’huis kwam, en zij hem vertelde -wat er gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de -lange lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den -honger.</p> -<p class="par">De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u -<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>niet tot verhongering zal doemen. Overigens geloof -ik, dat het niet de lente zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar -wel het wachten op de lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin -zieken en gezonden ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, -maar daarom nog niet zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar -geen kracht schijnt te hebben. ’t Is vooral de maand Maart, die -in dit opzicht zeer berucht is; en op al het kwaad dat men van haar -pleegt te vertellen, moet ik antwoorden, dat zij zonder twijfel een -dikken mantel en „goed voer en een warmen stal” zeer op -prijs doet stellen. Doch zooals alle andere dingen, kan men Maart ook -van twee kanten bekijken. Men kan <i lang="fr">à la baisse</i> -speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: „Maart heet -Lentemaand; een mooie lente met die Maartsche buien!” Maar men -kan het, omgekeerd, ook <i lang="fr">à la hausse doen</i>, en -met een keurig versje van Gautier verzekeren:</p> -<div lang="fr" class="lgouter xd21e808"> -<p class="line">„Mars, qui rit, malgré ses averses,</p> -<p class="line">Prépare en secret le printemps.”</p> -</div> -<p class="par first">In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar -karakter zeer juist uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of -verwachten, dat zij de lente is, maar slechts dat zij de lente -<span class="ex">voorbereidt</span>. En in dit opzicht twijfel ik ook -dit jaar niet aan hare goede diensten.</p> -<p class="par">Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe -„Maartsche lucht” die velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat -maakt deze zoo geducht voor teêre, verwende gestellen, maar -tevens zoo beroemd voor „de Maartsche bleek”? ’t Is -haar rijkdom aan <span class="ex">ozon</span>. ’t Is omdat, in -dezen tijd van het jaar, <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>de zonnestralen hare sterkste -oplossende en verbindende kracht hebben, en die kracht naar alle zijden -doen gelden,—om ’t even of hun een stuk linnen of -menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden worden. Guur en bar als -zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel iets anders dan -Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo schadelijk; -zij „pakt hen erg aan” en maakt hen eer verkouden; maar -voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een -mooien—neen, zij het slechts op een gewonen, -grauwen—Maartdag één uur goed doorgeloopen heeft, -voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en zijn helderheid, hoe -„sterk” de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens te zien -hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen bloeien, -en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen: de -groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de lente -eensklaps komt, en „het groen” in een paar dagen -„uitloopt”, dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo -snel geschieden kan; en dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen -zij, volgens onzen dichter, „tusschen hare buien door lachend, in -’t geheim de lente gereed maakte.” Geloof maar, wat zij -kwaad doet in het openbaar, dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.</p> -<p class="par">Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter -aan de arme lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand -legt op alles, wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. -Maar dat zijn uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan -altijd bevinden dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een -<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>toestand lijden, diegenen zijn, die eigentlijk in -ons klimaat niet thuis behooren. Zoo was het in het voorjaar van -’t beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch bloemkweeker, -„geholpen door de Muzen” aldus in een vriendenkring zijn -nood klaagde:</p> -<div class="lgouter"> -<h4>OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN.</h4> -<p class="line">Een oude wrok is dus in <i>Zephyrus’</i> -gebleven?</p> -<p class="line">Hij schijnt nog niet voldaan met -<i>Hyacinthus’</i> leven!</p> -<p class="line">Neen, zijne gramschap treft op nieuw ’t onnozel -bloed</p> -<p class="line">Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed.</p> -<p class="line">Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten,</p> -<p class="line">Uit <i>Phebus’</i> lieveling tot ons vermaak -gesproten.</p> -<p class="line">Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal!</p> -<p class="line">Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval?</p> -<p class="line">Eerst werd <i>Andromeda</i> door ’t monsterdier -verslonden;</p> -<p class="line">Geen <i>Perseus</i> werd haar ten verlosser -toegezonden.</p> -<p class="line">De stevige <i>Atlas</i>, die den ganschen hemel -torscht,</p> -<p class="line">Moest bukken voor ’t geweld van hagel, sneeuw en -vorst.</p> -<p class="line"><i>Pomona</i> gaf den geest! <i>Vertumnus</i> is -verdwenen.</p> -<p class="line">Helpt, Goden, mijn verlies in <i>Frankrijk’s -kroon</i> beweenen!</p> -<p class="line"><i>Fleury</i> is heengereisd, die arme kardinaal!</p> -<p class="line"><i>Colossus</i> viel ter neer; met hem mijn <i>Prins -Royaal</i>.</p> -<p class="line">Ach, brave <i>Cicero</i>, gij buktet voor tirannen;</p> -<p class="line">Met u zijn <i>Vrijheid</i> en <i>Het Roomsche Regt</i> -verbannen.</p> -<p class="line"><i>Formosa Helena</i> is wederom geschaakt,</p> -<p class="line">En <i>Paris</i> met zijn buit te zaam omkoud’ -geraakt.</p> -<p class="line">De groote <i>Goliath</i> boog voor ’t geweld der -steenen,</p> -<p class="line">Maar <i>Koning David’s</i> dood moest ik meteen -beweenen.</p> -<p class="line">Mijn <i>Ganimedes</i> lag door ’s winters hand -geveld,</p> -<p class="line">En werd door <i>Arcas</i> naar het starrendak -verzeld.</p> -<p class="line">Twee Roomsche keizers zijn, (<i>Vitellius</i> was de -eene,</p> -<p class="line"><i>Augustus</i> d’andere), met <i>Nisa</i> laas! -verdwenen. <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span></p> -<p class="line">Zelfs <i>Scheba’s Koningin</i>, met <i>Koning -Salomon</i></p> -<p class="line">Zijn door ’t geweld verdrukt, dat <i>Juno</i> -zelfs verwon.</p> -<p class="line">De <i>Morgenster</i> was heen, de <i>Maagd van -Dordt</i> geschonden,</p> -<p class="line">De <i>Kroon van Salomon</i> en <i>Hollands Staat</i> -verslonden.</p> -<p class="line">Mijn <i>Philomela</i> werd met <i>Theseus</i> -omgebracht;</p> -<p class="line"><i>Polyxena</i> op ’t graf van -<i>Peleus’</i> zoon geslacht.</p> -<p class="line">Hier zag ik <i>Icarus</i> naar d’Eridaan -gezonden;</p> -<p class="line">Den dappren <i>Hector</i> aan <i>Achilles’</i> -lijk gebonden.</p> -<p class="line"><i lang="fr">Le Roi des fleurs</i> stierf weg, door -hagel (niet van lood),</p> -<p class="line"><i>Regina</i> hield haar man gezelschap in den -dood.</p> -<p class="line">De <i>Graaf van Egmond</i> liet in mijn gezigt het -leven;</p> -<p class="line">Ik heb <i>Honorius</i> den laatsten snik zien -geven.</p> -<p class="line">Hier zag ik <i>Hannibal</i>, daar <i>Cesar</i> -ondergaan,</p> -<p class="line">Met <i>Palamedes</i> en <i>Ulyssus</i> is ’t -gedaan!</p> -<p class="line">De trotsche <i>Phaëton</i> viel met den -<i>Zonnewagen</i>;</p> -<p class="line"><i>Parmenio</i> werd kort hierna in ’t veld -verslagen.</p> -<p class="line">’k Zag <i>Agamemnon</i> in zijn eigen bloed -gesmoord,</p> -<p class="line">En <i>Clytemnestra</i> naast <i>Orestes</i> snood -vermoord,</p> -<p class="line">Hier moest ik <i>Orondaat</i>, daar <i>Statira</i> -beweenen,</p> -<p class="line">Ginds is mij <i>Pyramus</i> en <i>Thisbe’s</i> -geest verschenen.</p> -<p class="line">De groote <i>Jupiter</i> vloog met den <i>Arend</i> -heen,</p> -<p class="line">De <i>Zilvren Maan</i> werd bleek; en -<i>Phebus’</i> glans verdween.</p> -<p class="line">Ik zag <i>Patroclus</i> naast zijn vriend -<i>Achilles</i> sneven,</p> -<p class="line">Vorst <i>Priamus</i> den geest aan -<i>Pyrrhus’</i> voeten geven,</p> -<p class="line">Het <i>Hert</i> is op den loop, en <i>Pegasus</i> op -hol;</p> -<p class="line">Wat van <i>Monarq’ du Monde</i>, een allerbesten -bol,</p> -<p class="line">Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan -staren,—</p> -<p class="line">(De droes nam mij het paard,—zou hij den ruiter -sparen?)</p> -<p class="line">De <i>Sultan</i> is verreisd; <i>King George</i> -meê van kant,</p> -<p class="line">En met den <i>Ooijevaar</i> naar ’t onbekende -land!</p> -<p class="line">’k Heb <i>Thalia</i> en <i>Mars</i>, en -<i>Hercules</i> zien vellen;...</p> -<p class="line">Waar is, o Goôn, de schaar die ’k eertijds -konde tellen?</p> -<p class="line">Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld -verkwist?</p> -<p class="line">Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist!</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span></p> -<p class="par">’t Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook -in het jaar 1740. En daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op -onze 52½° N.B., in den kouden grond planten wil kweeken, die -in de Levant t’huis behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar -werpe niet ten slotte de schuld op ons klimaat! <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e194">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft -<span class="corr" id="xd21e1179" title="Bron: van daag">vandaag</span> -vakantie weten te bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij -daarvoor aan den burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het -een der eerste mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes -kievitseieren wou gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik -geloof nog meer dan in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die -laatste punten geen kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste -heel bijzonder veel goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol -eieren t’huis komt, en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn -bekwaamheid. Als hij een „kieft” ziet vliegen, kan hij niet -alleen zien waar diens nest is, maar ook hoeveel eieren daarin liggen, -en of er vuilen bij zijn. Hij heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij -in de geheimen van dat vak te onderrichten; en ik heb ook een en ander -van de theorie onthouden, maar de praktijk heb ik nimmer goed beet -kunnen krijgen. Eens heb ik een nestje met drie eieren gevonden; maar -<span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span>het was meer geluk dan wijsheid dat ik die niet -stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten.</p> -<p class="par">Intusschen is ’t mij vaak een waar genot geweest, -om, toen ik nog in zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen -vergezellen. De kievit is een weidevogel. „De kievit,” zegt -Brehm ergens, „behoort bij het karakter van het hollandsche -landschap, evenals de alpenkraai bij het zwitsersche, en de struisvogel -bij dat van de woestijn. Hij doet onwillekeurig denken aan slooten en -vaarten, aan zwartbonte<a class="noteref" id="xd21e1186src" href="#xd21e1186" name="xd21e1186src">1</a> koeien, aan windmolens en -buitenplaatsen.” De vraag is, of men dit niet evengoed kon zeggen -van andere vogels; de kievit is daarbij niet aan ons vaderland -gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare <i lang="de">Kiebitze</i> -bij menigte; in Engeland is de <i lang="fr">Peewit</i> geen -zeldzaamheid, en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in -omloop:</p> -<div lang="fr" class="lgouter xd21e808"> -<p class="line">Qui n’a pas mangé de vanneau,</p> -<p class="line">N’a pas mangé de bon morceau.</p> -</div> -<p class="par first">(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen -wij ons met hun eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en -grof!)</p> -<p class="par">Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze -nederlandsche vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de -weiden. April is grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor -zijn, het gras heeft zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; -en een voormiddag <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" -name="pb41">41</a>]</span>zwervens door die groene velden levert zijne -eigenaardige genoegens op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van -stevig schoeisel, en ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op -lente-zoelheid te rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp -in de vlakte, waar zijn lange, breede stroom slechts op groote -afstanden door een paar huizen of een boschje wordt gebroken. -Overigens, hoe eentonig dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, -zijn er allerlei onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het -alleen maar in de vogelenwereld.</p> -<p class="par">Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een -stadstuin te bepalen, zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. -Let, om te beginnen, eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den -paal van ’t hek zit, waar wij door moeten. In gedaante en -bewegingen komt hij geheel overeen met het welbekende parelgrijze -kwikstaartje; slechts de gele kleur, het helderst aan het kopje, -onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen uit het zuiden; zijn wijfje zal -wel in de buurt zijn, want men ontmoet altijd een paar bij elkander. De -witte kwikstaart nestelt in de boomen of, evenals de musschen, op het -dak; de gele daarentegen houdt zich lager bij den grond. Hij -<span class="ex">bouwt</span> geen nestje; hij <span class="ex">richt</span> slechts een kuiltje daarvoor in. Zulks kan men -trouwens van al de vogels zeggen, die met hem de weide bewonen: zij -geven zich veel minder moeite voor hun nesten dan de zangers der -bosschen. Daar hebt gij, van zangers gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij -ooit een leeuwerikken-nestje, met een stuk of drie eitjes of onbeholpen -vederlooze jonkjes er in? Men moet een geoefend oog hebben om het te -ontdekken: het is niet <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" -name="pb42">42</a>]</span>dieper dan duizend andere oneffenheden op een -eenigszins hobbeligen bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en -zorgen vrouw Leeuwerik heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en -zoo kwaad als het gaat bij elkander te houden; terwijl haar mannetje -omhoog meezingt in het concert, en door de geheele wereld gevierd -wordt:—zooals trouwens in meer kunstenaarsgezinnen het geval -is.</p> -<p class="par">De muzikale talenten zijn overigens niet sterk -vertegenwoordigd in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij -vliegend, hetzij loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer -weinig welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: -<span class="ex">Grutto</span>, <span class="ex">Tureluur</span>, -<span class="ex">Kievit</span>, eene klanknabootsing is. Het klagend, -eentonig geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat -grauw is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, -een weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper, -nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van wulpen, -tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren, waarop zij -veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is iets minder -eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen zeggen, dat -hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog een beetje -verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des avonds, alles -overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op denzelfden toon -herhaald: <span class="ex">Kare-kare-karekiet-kare!</span> Dat is het -liedje (?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets -dunner en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, -een tusschending <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span>tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; -en, meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het -vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns -getroffen heeft, kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt -het ons altijd van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de -Vecht bij Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een -rietstengel geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten -schreeuwen, met een kracht, die, als men het diertje niet kende, -stellig naar ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen -zoeken.</p> -<p class="par">Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, -die ik hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de -merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat, die -zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij die -gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent -„haren”, die „te berge rijzen”? Zoo gaat het -met de veeren van den kemphaan, of liever van een soort van manteltje, -dat hem om de schouders en, bij wijze van schild, voor de borst hangt. -In gewonen toestand liggen deze veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij -slechts zijn hals wat verdikken; maar zoodra hij zich tot vechten -gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen hem, op Texel, niet onaardig den -naam van „kraagmaker” bezorgt. Dit vechten geschiedt in den -paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een wijfje, soms ook om een -insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder eenige zichtbare reden, -uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd heeft altijd twee aan twee -plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht, het aangewezen -zinnebeeld <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>van het duel. Hun wapen is hun lange weeke snavel, -die in de hitte van ’t gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren -bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen -wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van -beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood ten -gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen: zij -loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit.</p> -<p class="par">Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen -persoon; en terwijl onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat -inspekteeren, willen wij hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. -Het is altijd raadzaam om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker -mede te nemen, ten einde tegemoet te komen aan de schuwheid van de -vogels, die wij nooit dicht genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn -meest in het oogvallend kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder -heeft hij de grootte van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van -een ekster, ofschoon een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en -zwart, met beurtelings groenen en purperen weerschijn: alleen komt er -aan de zijden een weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft -volstrekt niets van den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo -kort, dat hij slechts eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. -Zijn bek daarentegen is geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn -gansche levenswijze samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang -genoeg zijn om hem dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te -doen herkennen, zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op -hoe hij, bij het vliegen, de <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span>pooten achteruit steekt, in plaats -van ze onder ’t lichaam op te trekken.—Een raar ding toch, -dat vliegen. Is het niet iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een -dier zóó dun zijn, dat zij bijna geen gewicht hebben, en -bijna geen ruimte beslaan; en daarentegen zijne voorpooten -zóó sterk ontwikkeld en met dons en gesloten vederen -begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen van een schip? Dat -daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem vergunnen zich naar -willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij dus van nature de -inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche moeite aan een -luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert door het -luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden, en die wij hem, -sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden, nog altijd niet -hebben leeren nadoen!...</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">„Ik wou dat ik een vogel was,</p> -<p class="line">Een vogeltje met veêren.”</p> -</div> -<p class="par first">Zoo zingen de kinderen, en onder alle -schoolversjes is dit een dergenen, waarmee hun jong hart het meest -instemt; en ondanks al zijn eigene bewegelijkheid kan een kind lang -achtereen oplettend naar een vogel kijken, en eindelooze vragen doen -omtrent het geheim van zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in -den regel niet mee in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, -„en een mensch is nu eenmaal geen vogel,” luidt zijn -afdoend antwoord. Is dat vooruitgang in ons geestesleven? Is dat -toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen in jaren?... Wee dengenen -die geen vragen meer doen!</p> -<p class="par">Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij -<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span>vliegen samen op een kleinen afstand om ons heen. -Zij maken allerlei verschillende bewegingen, voeren als het ware een -ballet in de lucht uit, en roepen allerhande variatiën op het -thema <i>kie-vit</i>. Van vragen-doen gesproken: wat beteekent die -taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien zij op dit -oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben dan ook -alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het nest reeds -ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier eitjes er -in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij toont ons -hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet hem echter -niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons, die in dit vak -nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een welverdiend -verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af te leiden door -naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne menschensluwheid -kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de arme dieren is, -dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te goed hebben. -Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans, daarvan op nieuw -beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter kan zich zoo warm -maken over de „wonderschoone Meimaand” als de kievitten -doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening en -menschelijke wetten begrepen. <span class="corr" id="xd21e1255" title="Bron: Van af">Vanaf</span> 1 Mei toch is het zoeken van eieren -verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet altijd -werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is er dus voor -hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij zestien dagen -noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span>zich -bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen hoog -gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is verder, -niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken te -verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld -bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken -zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer -dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood, -bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet men -hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden, en als -het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als zij in -grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo’n vijand aan te -vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals zij -dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk gezicht -is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend, en dienen -door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad, den anderen -vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers is die -ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei of een -ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek, in -September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen, naar -het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart, eerst -bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug. -<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e1186" href="#xd21e1186src" name="xd21e1186">1</a></span> Men -bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene -uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche -soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken -zijn. <a class="fnarrow" href="#xd21e1186src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e203">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">RONDOM EEN MOLSHOOP.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">„Het <span class="corr" id="xd21e1268" -title="Bron: kruit">kruid</span> schiet op in den lommer van het -geboomte, welig als het gras op het veld; en de witte madelieven en de -gele paardebloemen spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw -van den winter en den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden -uitspreken, hoe beide krachtige seizoenen samensmelten in de -beminnelijke, maagdelijke lente.”—Dus heet het in een van -die keurige natuurtafereelen, die steeds de grootste en blijvende -schoonheid van Hofdijk’s werken zullen uitmaken.</p> -<p class="par">Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een -gespikkeld veld; benevens lust en rust om er u in te vermeien; -gezondheid om er beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een -vrijen en ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!</p> -<p class="par">Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje -zingen gaan, in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar -de plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan -paardebloemenplanten, en het <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>drukst gefrequenteerd door mollen. De -paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels nog -in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij die -gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens vrij -onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te -vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet -zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken -in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die -pooten zijn voor ons ’t belangrijkst, èn om hun -zonderlingen vorm, èn... omdat zij het zijn die middellijk de -molsla leveren. In onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, -heeft een mol, gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en -twee handen om te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben -behalve haar merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de -bijbehoorende armen tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen -zijn. Een en ander maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol -wroet gangen, die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te -vergelijken; en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in -letterlijken zin die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig -plan, waarnaar het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig -mogelijk te maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen -doorgedrongen; mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de -oppervlakte, namelijk tot de „molshoopen”, welke hij gaande -weg omhoogwerpt. En hoe meer paardebloemen-loten zich daarin dan -ontwikkelen, hoe liever het mij is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de -mollen, uit het oogpunt van hun <span class="pagenum">[<a id="pb50" -href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span>deugd als insectenvernielers, -gaf ik telkens in verbeelding mijn bijval uit het oogpunt van molsla, -en koester een vernieuwde hoop voor mijn oogst van het aanstaande -voorjaar!</p> -<p class="par">Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk -is?—’t Hangt er van af hoe men het doet. Als ik met een -leege mand op molsla uitga, zorg ik, dat ik met een volle t’huis -kom; maar houd onderwijl mijn oogen open voor hetgeen er nog behalve -molshoopen en paardebloemen op het veld te zien is. Eerlijk gesproken -word ik dikwijls van mijn arbeid afgeleid door.... Ja door? Door den -leeuwerik omhoog; door kikkereieren die in een greppel drijven; door -het stuifmeel der wilgen; door het eerste plantje hondsdraf, dat ik een -heel jaar lang niet had gezien en geroken. Bij elken stap ontmoet ik -oude kennissen, die ik moet groeten; en somtijds ook nieuwe: kruiden, -dieren, die mij onbekend zijn, en met welke ik trachten moet kennis te -maken. Want indien ik dat niet deed, indien ik ze met half gesloten oog -voorbij liep,.... ik zou mij schamen, al ware het slechts voor de -nagedachtens van ouden Hend!</p> -<p class="par">Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan -voor invloed op mij uitoefent?—Het was een tuinman uit de buurt. -Hij was ’t, die mij de eerste lessen in de botanie gaf, en -bijwijlen, in ’t voorbijgaan, ook in de entomologie. Hij zou -verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit verteld werd, en toch was het de -waarheid. Hij was het, die mij, toen ik vijf, zes jaar was, uren -achtereen rondom zich in den tuin liet spelen; die mij, al spittend, -zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste geduld te woord stond, zoo -over de geheimen van zijn eigen arbeid, als <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>over -honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare „griezeltjes”, -die ik om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die -witte en die gele „spikkels” van de weide leerde kennen en -liefhebben; die mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de -zonderlinge vraag: „hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk -had?”, en mij de pret van „’t kaarsjes blazen” -dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit een paardebloem -afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte zijde -gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in ’t -seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij, aan -de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder aan de -plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....</p> -<p class="par">In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het -beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat -voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het -teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede het -„onpraktisch” karakter van zijn lessen. De jongens hollen -door, beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur -ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men -heen wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op -zijn duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, -een tortel uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit -laatste feit niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost -zich daarmee, dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun -korten leertijd vele beesten en gewassen „uit elkaar te leeren -kennen”, als wel om hen „in te wijden <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span>in een -goede natuurwetenschappelijke methode”, die hen helpen kan -„een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de mensch in -de wereld inneemt”, enz. De ander echter blijft van oordeel, dat -een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest heeft, -in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen rondom -zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat gezonde en -nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden degelijke -menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het niet onaardig -hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan onderwijl wel -eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen, dat er zooveel -onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap, en tusschen de -„methode” van verschillende scholen; maar ik heb alle reden -om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want—om slechts bij de -weide-„stippels”, die wij straks bespraken, te -blijven:—indien ik met belangstelling de botanische ontdekkingen -bijhoud, waarbij o. a. de vorm der meeldraden van de „boldragende -ranonkel” tot bewijs dient; indien ik oog en hart heb voor de -schilderachtige legende, die de roode puntjes van de madelieven als met -Held Siegfried’s laatste bloed bezoedeld voorstelt; als, in -één woord, mijn ooren open staan voor al wat dichters en -geleerden van dergelijk klein veldsieraad vertellen,—dan dank ik -dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is, die mij met die bloemen -zelven <i>gemeenzaam</i> en <i>bevriend</i> gemaakt heeft! <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e212">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">VIII.</h2> -<h2 class="main">PALM-PASCHEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">„Pallem-pallem-paschen!...” klinkt het -jaarlijks alom in kleine steden en in de achterbuurten van de -grooteren, op een voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de -straat of steeg inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een -optocht van een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes -gestoken, en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner -dan zij zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan -zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun -„Pallem-pallem-paschen!”... met nog eenige moeielijk -verstaanbare klanken er achter.</p> -<p class="par">Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die „het -van dergelijke klanten moeten hebben”, kunt gij u nader met het -voorwerp dat zij droegen, bekend maken. ’t Is vervaardigd uit -twee of meer stokjes, al naarmate dat het groot en weelderig -is,—waaraan een sinaasappel en een paar appelen bevestigd zijn, -en verder koekjes, prentjes, suikergoed en papiervlaggetjes, en -tusschen alles <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name="pb54">54</a>]</span>in, de glinsterende blaadjes van den welbekenden -buks- of palmboom.</p> -<p class="par">Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de -palmtakjes gehoord had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen -hoe zij aan dien naam van „palm” gekomen zijn. Zeker is er -al zeer weinig overeenkomst tusschen dezen noord-europeeschen heester, -en de niet alleen tienmaal grootere, maar daarbij geheel anders -gebouwde („een-zaadlobbige”<a class="noteref" id="xd21e1309src" href="#xd21e1309" name="xd21e1309src">1</a>) reuzen van -het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten aan de Bildt van -ouds den naam van „Palmmarkt” dragen, staat de <i>Buxus -sempervirens</i> algemeen als palmboom bekend, wegens.... den -Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in het -klein een eerste tafereel van het <i>Passiespel</i> op te voeren; en de -eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen, -vertegenwoordigen het daverend „<i>Hosanna</i>”, dat in -zeker onvergetelijk drama zoo kort aan het „<i>Kruist -hem</i>” voorafging!</p> -<p class="par">Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van -Göthe, waarin verhaald wordt hoe in ’t Vatikaan, te Rome, op -Palmzondag, <i>echte palmtakken</i> gebruikt worden, om daar mee te -wuiven, wanneer de kardinaals voor ’t altaar buigen en oude -psalmen zingen; hoe in andere kerken diezelfde <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span>psalmen -ook gezongen worden, door priesters met olijventakken in de handen; hoe -men zich in ’t gebergte vaak met hulst moet behelpen; en hoe -elders in de vlakte ten slotte wilgenteentjes dienst doen.—Ook -bij ons in ’t Noorden moest natuurlijk, zoodra het vieren van de -palmprocessie ingevoerd werd, een of ander soort van <i>groen</i> -voorhanden wezen. Maar welk groen vindt men hier doorgaans in de week -vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan nauwlijks -uitgebot. ’t Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo slap. -Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes vallen. -De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor ’t -doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven; en, -was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk te -krijgen. Eenmaal geregeld „palmdienst” doende, kreeg hij -den naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk -gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht -„onreine geesten” te verdrijven, werd hij algemeen een -lieveling van ’t volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt -sieraad in kleinere tuinen; en de onaangename geur, dien zij in -grootere hoeveelheden verspreiden, verhindert niet dat -„palmboompjes” tot de meest algemeene huisplanten behooren. -Zoo ziet men ook, het geheele jaar door, palmtakjes boven -wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen ’t inslaan van -den bliksem.</p> -<p class="par">Den ganschen winter door kroop hier en daar in ’t -bosch, in tuinen, en misschien ook in uw bloementafel, een -onaanzienlijk plantje, met vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene -blaadjes, en waarvan de eenige verdienste <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span>was,—dat die -blaadjes groen bleven. Thans, sinds kort, zijn er jongere, lichtgroenen -bijgekomen; en eindelijk ook een paar kleine porseleinblauwe bloemen. -Zou het door de gelijkenis van ’t loof met dat van den tot palm -gepromoveerden Buxus wezen, dat men aan dit bescheiden plantje den naam -van Maagdepalm gegeven heeft? En indien men daarbij bedenkt, hoe goed -de ranken van dit kruid zich door hare buigzaamheid tot kransenvlechten -leenen, dan is ’t niet vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld -van trouw, ’t zij in vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht -bracht daar de kleur der bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem -heeft van oudsher iets bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het -hemelsblauw schijnt te weerspiegelen, of om haar gelijkenis met -menschelijke oogen? Ik durf het niet te zeggen. Doch als gij eene -blonde bruid mocht hebben, ga dan den eersten mooien lentezondag de -beste, met haar naar het bosch om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en -zoo gij die vindt, vlecht er haar dan een krans van. Misschien, zal die -haar heil aanbrengen. Maar zeker zal hij mooi staan bij het goud of -lichtbruin van haar haren. En zij zou al heel koel of nuffig moeten -wezen, als zij niet iets voelde voor die teedere gave. <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e1309" href="#xd21e1309src" name="xd21e1309">1</a></span> Ik -verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk een -paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter van -één- en twee-zaadlobbige planten in <i>volwassen -toestand</i> uitgedrukt wordt; zoodat men niet telkens, om het -sterksprekend onderscheid tusschen deze beide afdeelingen van het -plantenrijk aan te duiden, zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode -van iederen boom behoeft terug te gaan! <a class="fnarrow" href="#xd21e1309src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e221">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">TULPEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der -fantazie, half als zeer gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, -tot eene natuurlijke rangschikking der planten te geraken, een -standen-verdeeling van de „Ingezetenen des Plantenrijks” -beproefd. In deze teekenachtige indeeling, die op naïeve wijs den -stempel van haar tijd draagt, en in onze demokratisch-wetenschappelijke -eeuw, om meer dan eene reden, met een glimlach ontvangen zou worden, -noemde hij:</p> -<p class="par">„De <span class="ex">Palmen</span>, -<i>Vorsten</i>, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en ongetakt -blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is).</p> -<p class="par">„De <span class="ex">kruiden des Velds</span>, -(een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei gestalte), de -<i>Edelen</i>.</p> -<p class="par">„De <span class="ex">Boomen</span>, die de -bosschen uitmaken, de <i>Staten</i>. (Men vindt ze omringd door hunne -dienaars en beschut door een wacht van <i>Soldaten</i>, namelijk die -<span class="ex">doornachtige</span> gewassen, welke zich dikwijls om -de stammen en <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan -<i>Tafelschuimers</i>, namelijk de <span class="ex">woekerplanten</span>.)</p> -<p class="par">„De <span class="ex">Grasplanten</span>, het -<i>Landvolk</i> (de kracht en steun des Rijks, die, hoe meer zij -besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.)</p> -<p class="par">„De <span class="ex">Varens</span>, -<i>Werklieden</i> (die ’t zaad op den rug dragen).</p> -<p class="par">„De <span class="ex">Mossen</span>, <i>Slaven</i> -(met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die schraal zijn en honger -lijden, moetende zich behelpen op plaatsen, welke voor de anderen -ongeschikt zijn.)</p> -<p class="par">„De <span class="ex">Wieren</span>, -<i>Duikelaars</i>, (bijna ongekleed, zonder optooisel of -fraaiheid.)</p> -<p class="par">„De <span class="ex">Paddestoelen</span>, het -<i>Uitschot des Rijks</i>, (dat zich niet toelegt dan op stelen en -rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als ’t ware in -den nacht, als de anderen slapen).”</p> -<p class="par">Op dit tooneel nu figureeren de <span class="ex">Bolplanten</span> als „<i>Hovelingen</i>, pralende met -heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het Rijk te -strekken.”—Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die -schitterende Leliën en Tulpen, Ixia’s en Narcissen, al die -prachtige soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die -bevallige Scilla’s, Frittellaria’s en Cyclamens. En ondanks -hun rijkdom van verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend -gemeenschappelijk karakter.</p> -<p class="par">Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die -schijndoode bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk -terugtrekt, alsof ’t in een zaadkorrel ware? Die zich laat -drogen, verzenden, op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met -behulp van een weinigje vochtige <span class="pagenum">[<a id="pb59" -href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>aarde,—(Hyacinthen en -Crocussen groeien reeds alleen in water, en Colchicums hebben zelfs -deze laatste voorwaarde niet noodig,)—de bladrozet en bloemsteel -ontspruiten, welke daarin maanden lang als kiem, zonder merkbare -ontwikkeling, opgesloten lagen!</p> -<p class="par">De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: -lange lint- of zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en -overlangsche nerven, zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende -adertjes: in één woord, gras in ’t grof. Hoe al wat -bollen draagt ook boven den grond overeenkomst heeft, bewijst het -voorbeeld van de uien; het zou mij niet verwonderen, als iemand bij -vergissing een tulpenbol en een chalotte omruilde, en het blad van eene -zoogenaamde zee-uie zou men gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen -doorgaan.</p> -<p class="par">Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in -onveranderlijke voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, -in plaats van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de -tweemaal-drie blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een -Hyacinthen-nagel, de sierlijke <span class="corr" id="xd21e1445" title="Bron: diehoekigheid">driehoekigheid</span> der groote witte Irissen, -die zwanen onder de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan -dien regel van drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal -(niet gevuld) is, drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; -of één driehoekig, zooals in Tulpen.</p> -<p class="par">De hoorn des overvloeds, verborgen in den -onuitputtelijken zak van den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, -reeds eer nog de dagen op hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen -in de huizen uit; en wel van eene <span class="pagenum">[<a id="pb60" -href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>soort, die de oude -grief,—dat zij „wel pronken, maar niet -geuren,”—het volkomenst logenstraft: de welriekende -„ducjes” (<i>Duc van Toll.</i>) Het zijn bescheiden -tulpjes, althans wat haar omvang aangaat, maar overigens in ’t -oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud, zwart—(de -duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische, zooals zij -b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom van -verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te -tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden in -drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes -samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook het -zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In hun -midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl, op het -driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den bloei -der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of gevuld -zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van het -vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes, -verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet of -men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan bij -menigte.</p> -<p class="par">Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond -bloeien; en een aantal liefhebbers vermeien zich in ’t schouwspel -dat „de bollenlanden” rondom Haarlem en elders te zien -geven. Veler smaak intusschen voelt zich daartoe in het geheel niet -aangetrokken. Zij vinden weinig moois aan „zoo’n -bloemenfabriek”, en vergelijken de met vierkante vakken van -roode, witte, gele, bonte tulpen <span class="pagenum">[<a id="pb61" -href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>prijkende akkers bij het -droogveld van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot -gelijk aan; maar er valt dan ook van een „fabriek” niet -anders te verwachten, dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo -doelmatig mogelijk rangschikt, en de orde bij het planten en rooien -hooger acht dan de bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij -echter hindert het, als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, -onbehaaglijkheid die in de schikking op de bollenvelden heerscht, -terugvind in parken en tuinen, waar er geene verontschuldigende reden -voor bestaat, waar zij louter „voor het mooi” geplant zijn, -en waar dus alles moest gedaan worden om ze bevallig te doen -uitkomen.</p> -<p class="par">Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in -hooge mate te „flatteeren”, leerde ik een paar jaar geleden -van het toeval. In een rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, -had een knecht, zonder er veel bij te denken, een mand vol gezonde -bollen uitgeplant. Er stonden daarin echter ook—van boven geheel -afgestorven—drie planten van de welbekende reusachtige -Beerenklauw (<i>Heracleum giganteum</i>). Toen nu in ’t volgend -jaar de tulpen—het waren geen zeer vroegen—gingen groeien, -begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en tegen dat -de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de laatsten -juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder ze te -veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel tusschen -de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken; het heldergroene -loof der tulpen hing daar onder en daar over heen, terwijl de -<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er -schitterend boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer -moeite zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger -opschieten; en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, -aan de meeste bollenperken eigen. Het geheel was in één -woord zóó teekenachtig, èn wat lijnen èn -wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan de schoonheid die -een tulp in haar natuurlijke omgeving—ik meen, in haar -vaderland—hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende als -model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig dieper -gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen, zal men -er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient gedaan te -worden dan in kweekerijen. <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e230">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 class="main">HEI! ’T WAS IN DE MEI!</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De Mei is in het land!</p> -<p class="par">Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker -achteruit gaat, en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet -geweest zijn dan heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk -gemaakt hadden van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te -dikwijls, bij de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van -„de zoete Meie,”</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">„..............een kus,</p> -<p class="line">Dien de zon geeft aan de aarde,”</p> -</div> -<p class="par first">klinken bijna als eene bespotting van de -hedendaagsche pinksterstormen.</p> -<p class="par">Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die -in ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens -vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog een -andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere -geslachten, of liever <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" -name="pb64">64</a>]</span>de traditioneele volksgeest, welke die -legenden en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan -wij zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de -hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen, -avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen, of -te meten? ’t Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat -ooit eenige weelde—welke ook—naar hoeveelheid berekent! Ons -beter deel,—de dichter in ons,—weet wel anders. Hij weet -dat daar geen sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of -korter, maar van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu -drie- of viermaal heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of -niets toe, mits elk onzer slechts één oogenblik dien lach -heeft weten op te vangen, zóó dat hij ons door merg en -been, door ziel en zinnen heendrong,—zóó dat nog -maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering, en ons -hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: -Lente!</p> -<p class="par">De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de -overlevering brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, -welke ons, indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen, -jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen altijd -de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en de lucht -zoel geweest zijn juist op den 1<sup>sten</sup> of den -21<sup>sten</sup> Mei, en de noordoostewind de takken op de Meiwagens -ontzien hebben? Soms wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. -Maar het feest was eenmaal dààr; en verreweg de meeste -feestgenooten waren sterk van huid en zenuwen; en de hartstocht<a id="xd21e1495" name="xd21e1495"></a> der werkelijkheid was niet altijd -<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>zoo wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op -zoo’n dag hun fantazie beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den -ouden regen of de maar al te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet -eens de moeite waard om op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog -gaat bij dergelijke feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander -publiek, dan ’t geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes -te lezen!</p> -<p class="par">Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer -zijn Meifeesten weggelegd,—even plechtig als men ’t zich -van Druïden-priesters, even jolig als men ’t zich van -middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits hij zelf bereid zij, zal het -Meiweer wel komen! Maar het komt onverwachts. Somtijds springt het over -de grenzen en komt in April of in Juni: ook die gril moet men nemen -zooals ’t valt.</p> -<p class="par">Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw -venster te kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure -dagen genoeg aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, -visites doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als -een heiligendag.</p> -<p class="par">Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met -een waas van schoonheid overtogen,—zelfs de kaalste velden en de -leelijkste moerassen,—maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. -Begin eens ginds aan den stadswal, waar ’t leven van natuur en -maatschappij elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met -gras en jonge lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al -schrobbend zingen, met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, -waar gij ’t oog hebt op de tuinen in den omtrek, waar de -hagedoorns bloeien, en waaruit u nu de ééne, straks een -<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name="pb66">66</a>]</span>andere geur te gemoet komt, die u doet denken -aan,—ja aan....? Gij weet het zelf niet...—zeker aan een -vroegeren Mei.—Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en -verdiep u in het duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: -kruipend, zwemmend, vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog -wel lang niet alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken -u ieder jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en -u, in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag: -waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen?</p> -<p class="par">Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de -bloemen, die wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het -woord, en vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van -hetgeen u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u -zelven; van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch -bij te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten -te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje -sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij wat -gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik—in elk geval -slechts in verbeelding bij u—ben een veilige vertrouwde. Vertel -mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en -teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord -de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld, ik -luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,—welnu, dan voel -ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van -bewustzijn te hebben, boven dat uit, <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>wat zich reeds als -denkbeeld weêr laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? -Stemt zij u tot juichen, als om strijd met de vinken; of dringt zij u -terug in u zelven? Bezielt zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot -werkzaamheid en leven, die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult -zij u met weemoed over onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; -in beiden kan een schat van levenslust en van ontwikkeling besloten -liggen. Met beiden zou ik u geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. -Die raad—ik meen wijding voor de opgewektheid, ontspanning voor -den weemoed—lag van oudsher in samenstemming met de edelste, -beminnelijkste aller fantazieën, ooit aan de dichterziel der -menschheid ontsproten: dankbaarheid jegens een verborgen Maker, die de -lente en hem die haar liefheeft, naast elkander voortbracht. Verheug u, -zoo de tooveresse Mei u doet meedoen aan die „goddelijke -dwaasheid”, die hoogste geestelijke weelde!</p> -<p class="par">Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen -gepraat heb, heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor -u. Gij vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een -bloeiend eschdoorntakje...... <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e240">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XI</h2> -<h2 class="main">EEN ENGELSCH LANDSCHAP.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">„H. M. de Koningin zal overmorgen haar -kasteel te Windsor betrekken, en aldaar eenige weken -vertoeven.”</p> -<p class="par">Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, -zie ik reeds in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het -welbekende teeken van H. M.’s tegenwoordigheid op het kasteel), -en breidt zich eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in -al zijn heerlijkheid voor mijne oogen uit.</p> -<p class="par">Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. -Velen onzer hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen -gezien, maar dan waren die doorgaans òf tot bouwvallen -afgebrokkeld, òf tot gevangenis, wapenhuis of iets dergelijks -gedegradeerd. Een oud versterkt slot echter, zoo geheel in zijn -middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans zoo goed onderhouden en -keurig ingericht, als voor de woonplaats van een der voornaamste -europeesche hoven van onzen tijd betaamt, vindt men niet licht ergens -anders dan te Windsor. <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" -name="pb69">69</a>]</span></p> -<p class="par">Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers -voor eenige fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras -bezoeken, en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de -meubileering der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling -tusschen het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig -comfort van H. M.’s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor -verblijf houdt, is natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer -ingekrompen; maar m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de -meerdere levendigheid en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje -heerscht. Het is dan bijzonder aardig, om van den hoogen „ronden -toren”, dien men ten allen tijde mag beklimmen, op de ruime -binnenplaats neer te zien, de vuren in de bewoonde appartementen te -zien flikkeren, de warmte der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en -voorrijders af en aan te zien rijden, in één woord een -blik te slaan in het groote huishouden beneden.</p> -<p class="par">Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat -sommigen misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden -kunnen noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste -vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige -mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,—een afstand die -jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar tot -nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het liefelijke -van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken van Londen -zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid van het -engelsche landschap leent er zich geheel toe, om <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span>rondom -de hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet -in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk -bewoonde gedeelten van Europa’s vasteland; oorspronkelijke wouden -vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten zijn -meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid van alle -natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het gezellige, -parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken kenmerkt, en -waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen landbouw, hun -dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar één -samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt, -spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke -zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen -heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing in -het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen, en -toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te -voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen -tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel de -weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van -volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland -groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt -van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij, wij -hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en- -zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen, -eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan -te treffen, vindt <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" -name="pb71">71</a>]</span>men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij -ons, zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht -een boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle -kanten uit kan groeien en zijn grootsten omvang bereiken: -één blik op eenige engelsche landschap-gravures kan ons -toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen ten achteren zijn. Dit een -en ander kenschetst het karakteristieke van hun landschappen. En indien -men dan ten overvloede een rivier als de Theems in het oog krijgt, niet -breed, maar allersierlijkst kronkelend.... Waarlijk de „<i lang="en">country</i>” rondom Londen is verrukkelijk; en aan ieder die -de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje naar Windsor, als -proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het aangenaamst in -„het schoone jaargetijde”; maar door den overvloed van -wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook -vroeg in ’t voorjaar, laat in ’t najaar, ja zelfs in het -hartje van den winter recht behaaglijk. ’t Is inderdaad -merkwaardig, hoeveel prachtige ceders en naaldboomen er prijken op de -grasvelden der parken; hoeveel hulst, ligusters en eene eindelooze -verscheidenheid van groenblijvende boomen en heesters, (tot -groenblijvende eiken toe), men in de tuinen vindt; en welk een schat -van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt, zweeft, klimt en -guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen, hekken, huizen en -heggen, „<i lang="en">Ivy lodges</i>” en -„—<i lang="en">cottages</i>”. Natuurlijk hangt deze -liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche aristocratie, om -bij voorkeur den winter op het land door te brengen, en is zij vandaar -gaande weg naar de lagere standen afgezakt.</p> -<p class="par">Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens -onwillekeurig <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in -zoover het ons een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de -meeste, later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een -halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks den naam -van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en hotelstraat, -welks ronding die van den muur van het slot volgt, laten een niet -onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken, late zich de -slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het schoone witmarmeren -praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin van koning Leopold I -van België).—Maar vlak tegenover Windsor, door een fraaie -Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel grootere stadje Eton; -en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton het wereldberoemde -college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben niet, sinds -verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte, hebben -niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle mogelijke -helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere kringen -spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te <i>Eton</i> -school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte -die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet, -eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond -mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw, -zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend en -niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de half -uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en -trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag -<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name="pb73">73</a>]</span>middag; de kweekelingen, <i lang="en">Eton-boys</i>, zooals zij in de wandeling genoemd worden, liepen -aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar aan hun -zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en dassen... -Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen? <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e249">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XII.</h2> -<h2 class="main">IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Reeds vroeg in ’t jaar, tegelijk met -boschanemonen en muurbloemen en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus -Japonica. ’t Was het sieraad van de buurt, die welige drie voet -hooge leiboom in zijn schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den -noordenwind, en volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het -schoone jaargetijde in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst -meer sprake kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn -gloed, te treffender in dat seizoen der zachte tinten.—Dat het -een peer- of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er -hier in ’t land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet -juist appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde -kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk -voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet het -loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks de -sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn bouw -datzelfde stokkerige, <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" -name="pb75">75</a>]</span>hoekige karakter, dat, zal men de verlakte -werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche -Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op de -knoopen der takken,—een plaag voor ieder, die er een bouquet van -wenscht te maken,—hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch -porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam -„<i>Ya-lo-ala</i>”: zou dat misschien de vrucht zijn, die -dit soort van appelboomen in hun vaderland draagt?</p> -<p class="par">Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De -perenboomen zijn reeds „als met een wit laken overdekt”; en -hun eigenaars worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke -gezicht, en angst voor ieder oostenwindje dat vorst of „zwarte -vlieg” zou kunnen aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, -dat deze bête noire geen „vlieg” is, maar een -kevertje.) En nog een dag of tien, en ’t zachte rood der -appelbloesems zal, voorlooper van ’t later rood der rozen, aan -duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven.</p> -<p class="par">Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen -in de pomologische wereld;—ja, lezer, ook een wereld op zich -zelve, zoo goed als de „groote”, de parlementaire, de -letterkundige, en andere afzonderlijke werelden!—Denk aan de -pereboomen in de boomgaarden van onze boerderijen: echte knoestige -boomen, met stammen en kronen, waaronder menschen rondloopen en -kinderen spelen, en schapen aan een lijntje grazen kunnen. Denk aan de -appelboomen, zooals zij in Duitschland langs de wegen geplant zijn, om -den wandelaar een schijn van lommer, en den pachter op den koop toe een -oogstje te bezorgen, <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" -name="pb76">76</a>]</span>en die mevrouw De Stael, bij hare komst -„<i lang="fr">en Allemagne</i>”, vervulden met een -grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen zij -hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef -hangen tot het rijp was!—En denk dan aan de „snoeren en -palmetten”, de „spiraal- en vleugel-piramiden”; in -één woord aan die zonderlinge waaiers en ladders en -rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker ze invoerde, boompjes -welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen, dan aan hunne eigene -eenvoudige stamgenooten herinneren.</p> -<p class="par">„En kies tusschen het oude en het nieuwe,” -had ik er haast bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht -kijken, valt er niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. -Doch daar men nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om „het -mooi” kweekt, maar om de vruchten; en de „beredeneerde -kweekwijze”, omdat zij wezenlijk onmiddellijk op natuurfeiten -berust, op de grootte en de fijnheid van die vruchten waarlijk gunstig -werkt, valt daartegen niets afdoends meer in te brengen. Wie voortaan -eigen appelen en peren eten wil, kieze uit de honderden op eene -prijslijst voorkomende nummers die, waarvan hij den geurigen smaak -heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan de namen hem bijzonder -prikkelen, (als daar zijn: <i lang="en">Adams pearmain</i>; <i lang="en">Beefsteak</i>; <i lang="en">Newtons pippin</i>; <i lang="de">Weissbrod</i>; <i lang="fr">Calville d’Eve</i>; <i lang="fr">Républicain</i>; <i>Drie torenpeer</i>; <i lang="fr">Napoleon-Bon-Chrétien</i>; <i lang="fr">Curé Belle -Héloise</i>; <i lang="fr">Pie IX</i>; <i lang="fr">Saint-Michel-Archange</i>!) en ik wensch hem voorspoed op zijne -plantage.</p> -<p class="par">Maar wie ééns in het jaar, -ééns in de ééne veertien dagen gedurende -welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>al de -weelde van den teêren bloesem wil genieten, die brenge—waar -hij ze slechts weet te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen -schuttingen en bleekveldjes—een visite aan de oude, groote boomen -van zijn kennis, ’t zij zij <i>Juttepeer</i> heeten of -<i>Sapperdegroentje</i>, of de grofste onbenoemde soort van -„hand-” of „pot”-appel voortbrengen. Dan legere -men zich hier of daar in <span class="corr" id="xd21e1625" title="Bron: val- de">de</span> nabijheid, en late zich beregenen door de -eerste <span class="corr" id="xd21e1628" title="Bron: af- lende">afvallende</span> blaadjes. En als dan toevallig aan -de eene zijde een sering en aan de andere een gouden-regen over eene -heining heen komt kijken,—het blonde kind der Alpen naast den -geurigen zoon van het Oosten,—dan zal het steeds nog te bezien -staan wie van die drie, zij of de vruchtboom, het meest tot ons -lentegevoel bijbrengen. <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e258">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XIII.</h2> -<h2 class="main">BOUQUETTEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wat moet toch een „bouquet”, of, naar -den nederlandschen naam, een bloemruiker eigenlijk wel wezen?</p> -<p class="par">Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende -bloemen, zoo saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar -eigenaardigheden zoo voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het -tegenwoordig doorgaans?</p> -<p class="par">Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge -gewoonte ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een -heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang, een -zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine -knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de -bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te -steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel -hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men <i>alle</i> -bloemen, die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken -knoppen meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op -te letten of de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span>elk -frisch puntje, zij het van een nog zoo krom of verlept lot, is -bruikbaar. Van lieverlede nu is deze handgreep ook overgegaan op -grooter en kostbaarder, uit zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. -Daar, uit den aard der zaak, die rietbouquetten een vrij gladde -oppervlakte krijgen, en de bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te -worden, (ten eerste om de kortheid der stelen, en ten andere om de -rietjes te bedekken), was men vindingrijk genoeg, om van zoo’n -vlak of bol een soort van mozaiek te maken. Wij kennen allen de -patronen, die bij dit knutselwerk het meest in zwang zijn: b. v. -ééne groote bloem in ’t midden, dan een kringetje -groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur, enz. Soms -worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het onlangs in -een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25, uit -knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak van -rozenknoppen en rozen.—Eén bezwaar had zich voorgedaan: -Terwijl in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen -werden, bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk -gaandeweg tot een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij -wat moeielijker te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo -zijn sinds vele jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen -randen, een belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig -minnaar, die zijn bruid op haar verjaardag een „hand-” of -„vaasbouquet” wil sturen, zou dien niet gaarne zonder -zoo’n geijkten witten driehoek zien bezorgen, maar misschien zeer -geërgerd wezen, als men hem vraagde, waarom hij zulk een <i>op een -goedkoopje</i> gefabriceerden bouquet <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>had besteld. En menig -bruidje, dat zoo’n „<i lang="fr">porte-bouquet</i>” -aanneemt, en niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak -twijfelde, beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met -haar en haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en -weelde.</p> -<p class="par">Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de -stijfheid dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat -die mode mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch -welbekeken is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, -maar ze is gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met -schoonheidsgevoel in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner -beschikking, zou zeer licht iets beters „in de mode” kunnen -brengen. Zeer geschikt zou hij daartoe gebruik kunnen maken van den -heerschenden eerbied voor al wat oud-hollandsche kunst heet, zich -beroepen op het oordeel onzer oude schilders, en b.v. op de eerste de -beste tentoonstelling, in een grijze terra-cotta vaas van eenvoudig -model, een groot bouquet <i>à la van Huysum</i> ter tafel kunnen -brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling van schilderijen -zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak na kon volgen, -vooral daar toch die <i>hoofdzaak</i> in niets anders bestaat, dan in -de eischen der natuur zelve. Zij—en van Huysum!—stellen op -den voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet -alléén de kleuren van haar kroontjes, maar ook de -sierlijkheid, waarmee zij, op haar stengel wiegend, zich verheffen of -neerhangen; den rijkdom harer vormen, in verband met de plant, die haar -voortbracht; het kontrast met het bij haar behoorend groen.—Het -kost misschien <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span>meer bloemen en meer zorg, in elk geval meer -kunst-smaak, zulk een bouquet te maken, dan een waarbij papier en riet -te hulp komen. Daartoe toch kan men slechts volkomen gave takken, -trossen, pluimen nemen, en ten tweede is die schikking niet -gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer alledaagsche -slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en -teêre, levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig -materiaal. Soms, als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen -weerspannig; en er wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist -zooveel te kiezen, dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt -blijft. Daarbij, hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer -gelegenheid voor fijne schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor -bontheid en hardheid.—Dit alles zijn bezwaren, en maken een -<i>Bouquet van Huysum</i>,—om ons aan dien naam te -houden,—tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt, -zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen: ook -van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat -bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid! -<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e267">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XIV.</h2> -<h2 class="main">EEN DUBBELE BOODSCHAP.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Tot de vaste attributen van een eersten mooien -zomerschen dag behooren van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en -vogelenzang, ook een zwerm vroolijk dansende muggen, een van plant tot -plant zwevende vlinder, een sierlijk boven ’t water heen en weer -vliegend juffertje. En zoo groot is de kracht der sympathie,—van -de gemeenschappelijke vreugde over ’t mooie weer,—dat men -bij zoo’n gelegenheid ieder spoor van afkeer jegens deze dieren -laat varen, en hen alleen als natuurgenooten, als feestgenooten -begroet!</p> -<p class="par">Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is -nooit zoo groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, -zoogenaamd „volkomen” toestand ontmoet, dan wanneer men in -hun kruipend tijdperk met hen te doen heeft. ’t Is opmerkelijk, -terwijl men in den regel aan jonge zoogdieren,—jonge honden, -katten, lammeren, ja zelfs biggen,—vriendelijkheden pleegt te -bewijzen, waarop zij op hun ouden dag wijs doen van niet <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span>meer te -rekenen, heeft tegenover insekten juist het omgekeerde plaats. Van een -rups heeft bijna elk een afschuw; zoodra zij een -„kapelletje” geworden is, behoort zij tot de welkome, ja, -dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een gouden torretje -algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar indien men het bij -ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen had gekregen, zou men -het al heel licht voor „een wurmpje” aangezien en ter dood -veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten om zich te -verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig groen, -purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene -schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil -houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t’huis -behoort.</p> -<p class="par">Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men -dat kleine vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den -honig dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, -dat zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te -behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den tuin -of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven -gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk; -zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... -„bloemenstof”, zooals mij eens verteld werd.</p> -<p class="par">Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche -spijslijst der verschillende insekten, om juist te weten welke van deze -drie artikelen daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. -Maar wel stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende -ontdekking <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span>omtrent de groote rol die de insekten in het leven -van de plantenwereld spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar -deze dieren alleen op zich zelven beschouwd werden, als nuttig of -schadelijk, al naarmate zij der menschelijke maatschappij onmiddellijk -voor- of nadeel aanbrachten, is toch in de laatste eeuw ten stelligste -gebleken, dat er althans bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot -stand zou kunnen komen, geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen -insekten waren, die daartoe een behulpzaam pootje boden.</p> -<p class="par">Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit -zoo’n diepen indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie -al die kleine vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds -ik weet dat zij op hunne tochten,—de eene bloem uit, en de andere -weer in,—telkens eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich -zelven den kost opduiken, en ten behoeve van de plantensoort, die zij -bezoeken, het verkeer tusschen de meeldraden en de stempeltjes -bevorderen.</p> -<p class="par">Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er -aan zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben, -tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel van -het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort, moet -zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd op dat kleine -lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en vruchtbeginsels -bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja, op verschillende -exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde bloem lang niet -altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan ook sinds een paar -eeuwen <i>dat</i> het <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" -name="pb85">85</a>]</span>stuifmeel van de eene bloem in de andere -kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,—maar <i>hoe</i> zulks -geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den -dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is, en -de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht -ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken dat -er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij de -stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en -de stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder -medewerking van buiten onmogelijk was, dat die beide organen met -elkander in aanraking kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, -die den Duitscher Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp -der insekten brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer -hoe meer bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het -overbrengen van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor -verschillende planten ook verschillende diersoorten) geen uitzondering -maar regel is.</p> -<p class="par">Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden -vinden in zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,—al -zijn zij nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna -nooit zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar -vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms, als de -plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men er -duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt het -doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet kunnen -zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig -<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span>om het stuifmeel van de acht langere en kortere -meeldraden op het korte, gespletene stempeltje te brengen? In ’t -groot heeft men hetzelfde, tot schade van de proefnemers, ondervonden, -toen men, eenige jaren geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te -voeren. De vanille toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich -in de wouden van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en -de kostbare vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou -men op Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat -voldeed aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge -staken laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; -maar er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met -telkens nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. -Eindelijk gaf iemand daarvan de verklaring, op grond van -Spengler’s merkwaardige ontdekking: het kleine vliegje, dat in -Amerika, al honig zoekend, onwillekeurig zijne diensten aan de plant -bewees, was niet mee den oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met -menschenhanden aan iedere vanillebloem te verrichten, was te -omslachtig, en dus moest die kultuur worden opgegeven.</p> -<p class="par">Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de -Aucuba, met haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van -grootere en kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei -exemplaren bestaan: met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat -zij wel stuifmeel, maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met -zeer onaanzienlijke paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie -helder-roode vruchten voortbrengen, mits er van elders <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes gebracht -worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken -vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer -provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba’s bezat, maar die noch -bloeiden (nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. -Het geval was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke -exemplaren afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden -waren. Een plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar -komen. Dien zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige -insekten op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met -een grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe -aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde aan -het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was het eene -glorie te meer voor des ouden Spengler’s nagedachtenis!</p> -<p class="par">Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe -op zekeren dag Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van -vliegen bewonderde die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant -waarnam. Had die man, met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, -Spengler’s wetenschap er bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen -zou die „<i>fraisier</i>” dan nog bij hem opgewekt hebben! -<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e276">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XV.</h2> -<h2 class="main">EEN BOSCHTOONEELTJE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde -gemoederen, want ziet, „het jonge groen” is nu werkelijk -daar! Wij wandelen op een landweg, in een der schoonste gedeelten van -Holland, als het ware in een koker van groen: onder ons het welige -gras, met zijn afwisseling van kleinere plantjes, rondom ons laag en -hooger kreupelhout, bloeiende heesters en opgeschoten fluitekruid, en -boven onze hoofden een gewelf van lindentakken, niet gesnoeid of -geleid, maar van nature zoo gegroeid.</p> -<p class="par">Het <span class="ex">jonge groen</span>! Welk een -verscheidenheid van tinten en van vormen ligt daar opgesloten in die -woorden! Daar zijn, om ’t dichtst bij te beginnen, de kleine -blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte precies het fatsoen -hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November behouden zullen; -zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt niet meer van vorm -te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens en meisjes van -ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd reeds -<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span>juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. -Geheel anders is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den -knop komt, dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die -plooien niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het -elzengroen, met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige -omhulsels te voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of -wat rechtop blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens -goed wou kijken hoe ’t er in de wereld uitzag. En dan staan daar -de berken; zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de -meeste voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst -treuzelen, beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider -jonge bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in -het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat later -moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien; die der -populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden af naar het -midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en dennen met -lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen naaldenschat, en -strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel uit, ten behoeve -van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is „het jonge -groen”; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen, en -juichen om het mooie weer.</p> -<p class="par">Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje -verzameld, en zijn, al bloemen zoekend, van het ééne pad -in het andere gedrenteld. Eerst was het, op een open plek, de -allerliefste blauwe eereprijs die ons lokte; daarna viel ons een -menigte van bloemen in het oog, melkwit met <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>groene -strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar door -haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen naam van -„vogelmelk” dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een -helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met de -fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine -„harlekijn”. Wij weten het niet recht, maar wij beginnen te -vermoeden dat wij binnen de omheining van een oude buitenplaats zijn; -het nette onderhoud der paden, de meer park- dan boschmatige aanleg -versterkt ons telkens meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er -eenmaal, wij zullen geen baldadigheden plegen, maar wagen het te -blijven en door te loopen „tot wij verjaagd worden”. En wij -wandelen door... tot wij plotseling voor iets heel ongewoons -staan....</p> -<p class="par">Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van -voren en van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel -van hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een -boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een -weinig meer opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen -geheel tot tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van -zodenbanken, en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon -beschut, blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden -van het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of -„foyer” konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte -greppels zorgden voor het gevaar van modderachtigheid in het parterre. -’t Spreekt van zelf dat wij ons nederzetten op de banken, en dat -een uit het gezelschap op de groene „planken” ging staan -<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>declameeren; en dat voorts elk het zijne zei over -deze antiekiteit.</p> -<p class="par">„Hoe aardig!” riep de meerderheid, onder den -eersten indruk.</p> -<p class="par">„Hoe kinderachtig!” zeiden enkelen. -„Hoe popperig!” „Hoe bekrompen!” „Hoe -kleingeestig!”</p> -<p class="par">„De pruikentijd in levenden lijve!” bracht -iemand in het midden. <span class="corr" id="xd21e1742" title="Niet in bron">„</span>De bloeitijd van het dilettantisme op alle -mogelijk gebied. Mij dunkt, je hoort al in verbeelding de produkten van -den een of anderen prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche -mythologie er bij haalt, om den 50<sup>sten</sup> verjaardag van den -heer van ’t dorp, of de bruiloft van diens dochter te vieren. -Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!”</p> -<p class="par">Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het -tooneeltje heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren -hagen „als zoodanig”, vond ik ze hier zoo geestig -aangebracht, dat ik er niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om -den pruikentijd te verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, -wat betreft de gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen -vóór had. Het valt mij in hoe Van Lennep die verdediging -ergens heeft op zich genomen, en ik kan niet laten iets van ’t -geen hij daaromtrent zegt, in herinnering te brengen.</p> -<p class="par">„Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie -in een staat van diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige -vrede, dien zij had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te -verzamelen en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle -veerkracht had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, -gerust <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>insluimerende op den roem der voorvaderen, in een -toestand geraakt was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik -weet dat niet; ik zal mij althans wachten een geheele maatschappij... -te veroordeelen; ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. -Ik verzeker u, dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer -degelijkheid heerschte dan thans; als men bouwde, al was het maar een -onnoozel koepeltje, dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik -eigenlijk aanmerken wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel -aangenamer in den omgang waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan -banden te leggen; ieder had het gevoel, dat, wanneer hij in een -gezelschap werd toegelaten, zulks onder de stilzwijgende voorwaarde -was, dat hij zijn aandeel tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; -en dan bleek het, dat wie het meest zijn best deed om anderen -welgevallig te zijn en zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, -ook doorgaans zelf het meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de -politiek aangaat, spanning tusschen de partijen in den staat was -ontstaan, en somtijds lieden van verschillende kleur elkaar in -gezelschappen ontmoetten,—men had de welvoegelijkheid, niet -altijd en overal over politieke vraagpunten te twisten. Enfin, men wist -toen nog te „praten”, wat de Franschen <i>causer</i> -noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en door het -verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf in -dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over -dienstboden en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over -zeer onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een -zeker waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen -<span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>wordt door eene goede opvoeding, door den omgang -met hoogbeschaafde lieden, en vooral door de gestadig aangekweekte -zucht om elkander aangenaam te wezen. Men ontmoette in dien tijd, zoo -goed als nu, menschen, die dom, enkelen zelfs die vrij belachelijk -waren; ook nu en dan bewees deze of gene, dat zijn hart niet op de -rechte plaats zat; maar de dommen hadden doorgaans van jongs af geleerd -te zwijgen en toe te luisteren, en vormden alzoo als het ware -„het publiek”; de belachelijken dienden tot vermaak van de -anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten zich wat beter -voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen der ordentelijke -menschen te worden geweerd. En noeme men nu die toenmalige maatschappij -oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men wil; ik voor mij weet, -dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender, aangenamer en -vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige les en goed -exempel aan zou kunnen nemen.”</p> -<p class="par">Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets -aan toe of af te doen, te meer omdat het „tegenwoordig”, -waarover hij hier juffrouw Stauffacher laat spreken, op zijne beurt -alweer zoo lang geleden is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd -zekere maatschappelijke deugden te weinig in tel zijn, in verhouding -tot anderen. Zoo vraag ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek -voorbeeld te noemen, of er niet werkelijk meer waarde voor de -maatschappij ligt in de kunst om met goed gevolg als ceremoniemeester -op een feest te fungeeren, dan in de bevoegdheid tot het geven van -middelbaar onderwijs in natuurkundige wetenschappen? <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span></p> -<p class="par">Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een -plaats als leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij -doet dit liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend -deelgenoot in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu -meer aan zijn wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent -geworden bij den een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in -die wetenschap had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van -wetenschap namelijk, is zijne wereld; ik weet niet recht of hij -specialiteit is in schei- of wis-, plant- of dierkunde, of wel in -datgene wat, buiten deze om, „natuur”-kunde genoemd wordt; -maar in hetgeen waar hij voor opkomt munt hij uit. Doch voor hetgeen -daar buiten ligt... is hij weinig of niets. Hij „moet” een -weinig achting toonen voor de andere takken van menschelijke kennis, -die op school gedoceerd worden, en hij spreekt daar ook soms over; maar -eigenlijk zijn zij hem als een gesloten boek. Het ligt aan zijn -ontwikkeling, misschien reeds aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten -doorstudeeren, had geen tijd tot iets anders, en bewoog zich te huis -altijd onder menschen, die beneden hem stonden. Dit een en ander maakt -hem thans teruggetrokken en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de -stoffelijke natuur heeft ook aan zijne levensbeschouwing iets -stoffelijks, laat ons gerust zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de -goedhartigheid zelve, durft hij aan zijn gemoedsleven geen stem te -geven in zijn oordeel over de grootere vragen der menschheid, omdat hij -gewoon is niets te eeren dan: wiskunstig denken, toegepast op -zinnelijke waarneming. Hij haalt eigenlijk de schouders op over de stad -zijner <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>inwoning, omdat er... zoo goed als niemand is met -wien hij kan praten,—want hij bedoelt daarmede praten over zijn -speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe eenzijdig zijne -ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn zou met lieden, -die, al waren zij dan ook zijne minderen op ’t punt van -natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat verder -noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is schuw en -verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen; hij -beweert, dat hij „boven die vormen verheven” is, en dat zij -maar overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half -onbewust, dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van -gezelligen omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim -van die huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een -feest, van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn -plaats; zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij -zulks als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er -eigenlijk aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een -zwart of spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn -medegasten.</p> -<p class="par">Stel nu daartegenover een ander. Wat hij „van zijn -vak” is doet weinig ter zake; misschien ook leeraar, of bij -voorbeeld koopman, lid van de eene of andere firma, op wier kantoor hij -dagelijks werkt, zooals honderden anderen op hunne kantoren. Maar -’s mans eigenaardigheid ligt in iets anders: in zijn gezellige -talenten. Reeds vroeg heeft hij van een begaafde moeder, in een goeden -kring, den grondslag beet gekregen van zijn echte beschaving, die -gedurende <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>zijn opvoeding meer en meer is ontwikkeld, en -waardoor hij nu velen een niet te berekenen vreugde bereidt. Want wie -zal „berekenen” hoeveel levensvreugd er in de wereld -opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving te -leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie zal meten -hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking, waarin een -aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar en hoog -genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna afwegen -hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek, de -wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk van -een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een man zooals -ik bedoel „goud waard”. Niet alleen dat hij zelf aardig -praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke -verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar hij -weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen wakker -te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij uit -botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te -maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten -die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de -hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen -één kunst of wetenschap iets meer dan -„dilettant”, heeft hij oog voor het belangrijke in alles, -en een grooten takt om daarvan partij te trekken ten bate van het -gezelschap. In tegenstelling met al wat er afbrekends, <span class="corr" id="xd21e1771" title="Bron: verbokkelends">verbrokkelends</span>, ontledends is in onzen -tijdgeest, heeft hij eene groote mate van verbindende kracht. De -gasten, die zich naar hun gevoelen <span class="pagenum">[<a id="pb97" -href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span>„vrij en -ongedwongen” bewegen, werken onder zijne leiding allen mede aan -een welgevormd plan. Hij is geen „natuurkundige”, maar -heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden, als daar -zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling van rust en -beweging. Hij laat zich niets op „wijsbegeerte” voorstaan, -maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te -genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan -„pret”. Hij ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die -bij elke feestelijkheid kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen -van bespot te worden, als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt, -en als hij teêre snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens, -die in de aanwezigen rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij -kent de weelde van zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een -mensch zich bedriegt, die meent dat plechtigheid het tegendeel van -vreugd is; hij voorziet dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks -ten goede zal komen aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die -vroolijkheid is onder zijn bestuur zóó vroolijk, dat de -deftigste lieden vergeten te bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg -is....</p> -<p class="par">Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van -het boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan ’t mijmeren in het -jonge groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van -ons wonderlijke menschenleven, dat „zoo velen medeleven, maar zoo -weinigen verstaan!” <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e285">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XVI.</h2> -<h2 class="main">OP DE BLOEMMARKT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd -niet, waar ik het liefst de lente haren intocht zie houden: op haar -eigen gebied, in de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij -dan eensklaps tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg -plekje en in ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten -teeken van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van -’t vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van -hartstocht voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en -stadsvesten met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende -vlierstruiken, en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de -bovenramen, en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis, -zoo ik er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel -aantrekkelijkheid heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des -vrijdags morgens, zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit -jaargetijde is zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen; -en mits wij kans zien de <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>al te gedienstige dragers een weinig -van ons af te houden, kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is -’t een recht vermakelijke tocht. Het zijn juist niet de -„fijnste”, nieuwste bloemen die hier prijken, de glorie van -de kweekkunst; maar het zijn meestal goede kennissen die het ons -genoegen doet in welstand te ontmoeten.</p> -<p class="par">Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen; -welk een rijkdom van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al -heel wat uit kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van -haar grootte, voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te -krijgen: wij weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar -op die blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt -zijn door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen, -omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij -helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene -eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen uit -de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden lichte -en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en juist dienen -moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen, in gesloten -gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het hoogst -groeien, en de Cineraria’s en de Calceolaria’s, en de -Fuchsias, en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze -potten laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode -schakeeringen, maar de meesten vuurrood. (Waterloo’s, -„<i lang="en">Only showflowers</i>” hoorde ik ze eens niet -onaardig noemen.<a id="xd21e1793" name="xd21e1793"></a>)</p> -<p class="par">Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer -<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span>Verbena’s, wier fraaiheid stellig beter -gewaardeerd zou worden, als zij maar een beetje geur hadden; -Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia’s, wier helder -goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat zij uit het -„goud-land” Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die -een nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die -er onlangs weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,—de -gewone inlandsche „smeerwortels” in gala-tenue; Verbascums, -in het wild bekend onder den naam van „stalkaars”, en -Achillea’s onder dien van „hazegerf”. Voorts zijn er -Antirrhinums, „leeuwenbekken”,—in verschillende -fijnere en grovere tinten; Spiraea’s, met haar sierlijke pluimen; -groote dubbele Paeonea’s, waarvan ik niet recht weet wat ik het -mooist vind: de losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren; -Reseda’s tot boompjes opgekweekt; Erythrina’s met hun -zonderlinge vruchten die, als zij van den winter open zijn gesprongen, -en de zwarte zaden helder tegen de vuurroode binnenzijde afsteken, den -niet onbegrijpelijken naam van „koraalrozen” zullen dragen. -Vooraan staan potjes met Violen, met Vergeet-mij-niet, of de dikwijls -in plaats daarvan verkochte kleine blauwe Lobelia’s, en allerlei -„laag zaadgoed”. En ter zijde van het kleurig vierkant -staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende heesters, -voornamelijk Thuya’s, met een kluitje aarde in een stukje mat -gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij -elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo, -„om mei-wijn mee te maken”; en ten slotte graszoodjes, -bestemd om leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het -vrije veld te doen droomen. Landslui <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>in gevangen staat -worden licht goede vrinden: dat zal misschien ook het geval zijn met -zoo’n vogel en deze gras- en klaverplantjes, wanneer zij van -avond samen opgehangen worden in een gang, die licht krijgt uit een -dwarssteeg.</p> -<p class="par">Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts -uit dankbaarheid voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers -meenemen: grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten; -en die chineesche ginds,—dat zal de duurste wezen;—en ja, -die duizendschoonen,—dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge -soms deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel -ten onrechte ons influisteren, dat „ze pas van ochtend uit den -grond zijn genomen”, en dus allicht geen wortel vatten zullen, -neem ze toch maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor -al de rest. <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e294">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XVII.</h2> -<h2 class="main">AAN DE NOORDZEE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te -Zandvoort, en te Domburg,—en wat wilt gij er nog meer bij -noemen?—het „badseizoen” weer begonnen, en de tijd -aangebroken, waarop, althans aan de beide eersten, verschillende -natiën elkander aan ons strand ontmoeten.</p> -<p class="par">Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste -tijd is Juli, Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op -het eind van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, -onze zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen -bewoond door het oorspronkelijke visschersras,—de visscherskaste -had ik bijna gezegd,—waarvan het mij altijd verwondert, dat, -ondanks de voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het -type zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche -deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine -oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den -zuidwester, met uw blik, die zoo <span class="pagenum">[<a id="pb103" -href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>dof <i>schijnt</i>, maar zoo -geestig <i>zijn</i> kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm -vreemden, onder wier nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren -zoo rustig uw bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds -zoo weinig als het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige -parfumerieën u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen -aard, zelfs al verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of -al leent gij hun, als „badman” en „badvrouw”, -de hulp van uw gespierde armen. Laat hen liever gevoelen dat zij iets -van u hebben over te nemen. Want waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in -zooverre gezondheid de meerdere is van ziekelijkheid; gij staat boven -hen, zoover als inspanning en arbeidslust staan boven niets-doen, -leêgloopen en luieren!</p> -<p class="par">Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de -dagverdeeling van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald -ziek.—Hoe dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien -ik bij nader kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden -van hun werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan -een verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling, -nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het -eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals men -haar kan noemen,—welk een verfrissching gaat er niet reeds uit -van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor -geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt -zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon; van -ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken -<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>zin en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om -omtegaan met allerhande menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te -geven van hetgeen men ziet en geniet.</p> -<p class="par">Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan -uitoefenen, die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk -daarboven, en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige -heuvelen, slechts met vaal helm begroeid, als afsluiting van ’t -landschap! Ginds in de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan -den horizont telt gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de -badgebouwen, door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan -den voet der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u -misschien een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, -zijn de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch -van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat is -daar toch te zien, zou men haast vragen, ’t welk het verblijf aan -zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen -kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal -derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben om -bevolkt te blijven?</p> -<p class="par">Vertoef er slechts één of twee dagen, en -gij zult het voelen en begrijpen.</p> -<p class="par">Vooreerst doet het de zee, <i>door hetgeen zij niet -is</i>. Zij is namelijk zóó geheel iets anders dan het -tooneel van ons dagelijksch leven en werken, dat haar aanblik ons reeds -daardoor eene onvergelijkelijke verfrissching bezorgt. Zij is niet het -land, met al wat daarop groeit en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch -bestaan op de eene of <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>andere wijs is verbonden; ik had -bijna gezegd, zij is niet de aarde. De gansche zandige, flauwlijnige -omlijsting helpt, juist doordien zij niets te zien geeft,—niets -dan zand en fletse gewassen,—slechts mede om dien indruk te -versterken. Het vage, golvende karakter van alles om ons heen, geeft -ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij hier niet met menschenwerk te -doen hebben; het dichtste bosch, de wildste bergpartij doen ons niet -zóó volop gevoelen, dat wij alléén met -„de natuur” zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is -vast, en de zee is eeuwig bewegelijk.</p> -<p class="par">En de zee treft ons ook wel degelijk <i>door hetgeen zij -wel is</i>: door de eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn -en wolkenschaduwen op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels -op haar spiegel, of het klotsen van de baren vóór, in en -na een storm. En is er, voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher -bekoring verscholen in haar eigene gestadige rijzing en -daling,—in dien vloedgolf, die zoo rustig komend en weer -heengaand, getuigt van eene kracht, waarbij de felste storm nog niets -is? Is daar geen prikkel voor den geest van elk die voelt en doordenkt, -in al de verscheidenheid van kleine aanspoelende voorwerpen,—eene -doorloopende tentoonstelling, die met elk getij vernieuwd wordt? Kan -men open oogen hebben, en niet reeds na weinig dagen eenig hart hebben -gekregen voor die ongewone dier- en plantenvormen, waarmede wij, -desnoods onzes ondanks, in kennis gebracht worden?</p> -<p class="par">En dan is er eindelijk <i>het sterk sprekende -contrast</i> tusschen die afzondering en eenzaamheid,—dat -uit-de-wereld-zijn, dat men hier gemakkelijker dan ergers kan -bereiken,<span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name="pb106">106</a>]</span>—en het bont gewoel der badwereld op een -paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze scherpe tegenstelling, -worden wij er ons diep van bewust, dat in het leven van ieder -menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar aanvullende -machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit geheel het -gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij slechts willen, -ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben.</p> -<p class="par">Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg -opgestaan, vroeger dan gij ’t in de stad gewoon waart;—gij -hebt gebaad of wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan -kijken, of wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt -gij met een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste -duinrij getogen. De zee is kalm; het is een <i lang="fr">jour de -dame</i>: de zon schijnt bijna door de dunne wolken heen. Maar het -werken wil niet vlotten, en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat -t’huis, aanstaanden winter, genoeg doen kunt. Het valt u -moeielijk, uw blikken van de zee af te houden. Indien gij Heine kent, -lokt hij u in verbeelding naar Norderney; zoo gij Schleiden hebt -gelezen, vliegt gij met hem over naar Helgoland: wie weet welke andere -lievelingsdichters u ongemerkt naar fransche, britsche, noorsche kusten -heentrekken. Eensklaps valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die -een pas of wat van u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de -golven: op haar eigen houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit -een land waar palmen groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een -verongelukt schip? Waar zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... -En gij ziet er gindsche visschers, die bezig <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span>zijn -iets aan hun pink te timmeren, eens op aan, hoeveel gevaren het -zeeleven meebrengt; en gij krijgt sympathie voor hunne avonturen. -Onwillekeurig raapt gij af en toe een schelp op of een horentje, -afgelegde omhulsels van vergane zeedieren, die in plaats van inwendig -geraamte, slechts deze uitwendig op één punt aan hen -vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne weekheid -hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig -langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een -rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen aan -dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft, hoe -het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt eer men -het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit een gevolg -is van de „zoutzure magnesia”, die er aan was blijven -hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en -hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten er -het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen.</p> -<p class="par">Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen -zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de -pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en -zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een -mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne -van hebben. Gij voelt u minder vrij dan ’s morgens, maar hebt -daartegenover het voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er -zijn er bij, die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien -zoudt, stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was ’t -alleen maar om te weten welke taal <span class="pagenum">[<a id="pb108" -href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>zij spreken; ontmoetingen, -waarnaar gij wenscht, en andere, nieuwe, die u misschien boven het -hoofd hangen. Gij hebt reeds heele, halve, groet- en -aanspraakkennissen; en loopen er soms onder, met wie gij liever niet -tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,—de talrijkheid van -’t badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg om die te -ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; ’t is een -prachtige avond geworden en ’t blijft licht tot negen uur, half -tien toe.</p> -<p class="par">Doch eer het donker is, komt er één -oogenblik, of liever één kwartier, waarin de meeste -gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar één zij -gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is, als daar het -drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet, het oogenblik -nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon daalt merkbaar; -en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij haar in het -aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare verblindende -stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten afscheid groeten. -Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op het water. Daar duikt -zij onder; nog een klein gedeelte en zij is verdwenen. Maar alsof dan -plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo schitterend rood verft zich -de plaats waar zij is neergezonken,—de zee, zoo even donkergrijs, -wordt paarlemoerwit en de nevelen, waarvoor ons Noorden berucht is, -doen zich dan eensklaps gelden als de luchtgeesten uit een sprookje, en -maken van het halve uitspansel een kolossalen ongestreepten regenboog. -Onwillekeurig zwijgt men. Ik ken menschen, die nooit vroom zijn, dan -alleen op zulke oogenblikken; menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid -<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>of redeneering, gewoonlijk alle godsvereering -van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten voor de -geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in stilte den -raad des dichters volgen:</p> -<div lang="fr" class="lgouter xd21e808"> -<p class="line">Laisse aller ta prière où ton âme -l’envoie:</p> -<p class="line">Ne t’inquiète pas, toute chose a sa -voie,</p> -<p class="line">Ne t’inquiète pas du chemin qu’elle -prend!</p> -</div> -<p class="par first">Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na -weinige minuten verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij.</p> -<p class="par">Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel -en sterk, als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd -heeft. Het zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw -spraakzaam. Het is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de -menschen zich inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon -veranderd. Een groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang -terug: het wordt stiller op het strand en rondom ons, naarmate de -duisternis valt, en de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij -in vertrouwelijkheid of in verheffing, min of meer het alledaagsche -overschrijden.</p> -<p class="par">Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers -huiswaarts naar hun grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan -iemand vinden,—het is een tref, maar als men ’t treft, is -het een groot voorrecht aan een badplaats!—die het -gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden met een aardigheid; die de -kleine feiten van den dag artistiek opvat, of een oude anekdote handig -weet te pas te brengen; die de kunst verstaat, òf om zelf te -vertellen, òf <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" -name="pb110">110</a>]</span>om het gezelschap aan de praat te -brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen, dat -het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren.</p> -<p class="par">Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche -verscheidenheid, wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of -ander veld van eer (om ’t even van welke soort) verloren -krachten, aan ons noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun -gezondheid hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; -en mogen zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met -nieuwe plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch -badman behoeven te schamen! <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e303">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XVIII.</h2> -<h2 class="main">EEN KASTANJEBOOM.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij ’t -water, staat een wilde kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een -groote boom, die zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals -eiken, beuken, iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk -tusschenbeide „nog bloeien ook”. De kastanje pronkt zelfs -met zijn bloei. Hij draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet -minder vertoon, dan de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich -zelven aan ons voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er -sprake is van een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den -titel van fakkeldrager te voeren.</p> -<p class="par">Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het -feest verheugd en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer -groote boomen, die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even -nagaan, hoe hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te -lengen.</p> -<p class="par">Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens -eerlijk vragen, of gij hem zoudt kennen in den winter, <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>„bij winterdag”, zooals de buitenlui -het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke wrong in zijn -stam—een wrong als van een reusachtig koord—toont wel den -kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten dien wrong. -Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen gemeen. Doch wie -hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal aan zijne groote, -breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend door de <span class="corr" id="xd21e1895" title="Bron: klevorige">kleverige</span> harst, -die ze reeds van den herfst af bedekt, en ze, voor het oog en het -gevoel beiden, een zeker waas van leven geeft, in een seizoen waarin -alle overige knoppen er dor en droog uitzien. En niet minder -opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder elken knop zichtbare -„kussentje”, nl. het litteeken waar het oude blad aan den -tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan de omringende -bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine stippels, al -naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door schraalheid, -slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men heeft hier -namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van elk blaadje, -door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad (een -zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk -jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra -de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes, de -doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die strengen -vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van een -„drievoudig” aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die -van een „enkelvoudig” eikeblad ééne vinden.) -<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p> -<p class="par">Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins -gunstige omstandigheden, de kastanje aan „uitloopen” te -denken. Nochtans behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril -bij, om dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20<sup>sten</sup> -„in volle groen” te zien staan. De ontwikkeling van het -„groen” toch gaat juist bij den kastanje ongewoon langzaam: -tusschen de eerste teekenen van inwendige beweging en den vollen wasdom -van het loof moet een geruime tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, -om het sterke contrast waar te nemen tusschen de laatste dagen dat de -boom in knop staat, als een beeld van volle levenskracht en moed en -ijver, en de armzalige figuur, die hij maakt in het daaropvolgend -tijdperk, wanneer al de jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als -de ooren van pasgeboren lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, -meer dan een week voordat zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de -lange stelen, die in den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware -blad, dat hen in ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter -rijzen zij omhoog tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn -zij uit hun eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich -uit als groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand -breed.</p> -<p class="par">En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt -hoe zij zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij -volwassen, en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te -vallen: als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. -Het zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de -afzonderlijke bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span>Zij -bestaan uit vier witte, ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der -twee grootsten is een klein rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim -een zeer licht roosachtige tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, -zooals bij verreweg de meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat -getuigen de bijen, of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige -minuten werkens, uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren.</p> -<p class="par">In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een -krommen stijl gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes -ontwikkelen. Een blik op de honderden en duizenden bloemen doet een -goeden oogst verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun -vollen groei bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en -October een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik -maken. Ik heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij -bereikbare boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende -vrucht open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit -geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend, na -te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er omgaat -binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij eerst drie -kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee -groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur -aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen. <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e312">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XIX.</h2> -<h2 class="main">EEN INLANDSCHE AREND.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden -spreekt, bedoelt daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, -die zich door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de -statigheid van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid -hunner woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels -verwierven, tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge -waardigheid, en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten -van zekere „edele” eigenschappen te bezitten. En hetzij men -daarbij dan het meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den -keizersarend, (en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de -kleinste en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men -zich de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den -australischen kegelstaart voorstelt;—men meent in ieder geval -vogels, die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, -hazen en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm -Nederland, strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij -ze gaan zien in Artis. <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span></p> -<p class="par">Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, -des winters, dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen -steenarend onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over -onze vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen -eene zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,—een -uitzondering, die door de verbazing welke zij opwekt, den regel -bevestigt, dat zulke reuzen bij ons niet t’huis behooren. Maar er -is nog eene andere soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met -al datgene wat een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls -voorkomt: de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, -in onzen tuin opgeraapt.</p> -<p class="par">Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op -een, door een wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een -zoogenaamd zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, -biezen en watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken -hun geduld geoefend: vijf jongen lagen in het nest. ’t Waren -leelijke diertjes met hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; -doch daar zij gelukkig niet, zooals Andersen’s beroemde zwaantje, -onder jonge eenden verdwaald waren, maar rustig onder moeders vleugels -groot en mooi konden worden, hadden zij daar weinig last van. De -bescherming van de zijde der ouders was intusschen wel noodig, zooals -bleek uit het geval met den arend. Sinds een dag of wat namelijk, -hadden wij hoog in de lucht een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls -verscheidene minuten onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals -arenden plegen te doen. Een paar malen, ’s avonds <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span>bij -zonsondergang en ’s morgens zeer vroeg, hadden wij een ongewoon -geschreeuw gehoord, dat wij aan dien vreemdeling toeschreven; en eens -had het gegil der zwanen, die zich anders zelden lieten hooren, ons -doen vermoeden dat deze met hem slaags waren. Daarna merkten wij niets -meer van hem; maar een week later bleek de onderstelling juist te zijn -geweest, daar de indringer dood in het riet werd gevonden, op een pas -of tien afstands van het zwanennest. In huis gehaald en goed bekeken, -bleek hij tot de genoemde vischarenden te behooren. Zijn kleur was, in -het kort gezegd, wit met bruin, in verschillende donkere schakeeringen; -hij had, als alle roofvogels, een krommen snavel en een zeer duidelijk -herkenbare blauwachtige washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het -kruis staande teenen, hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme -nagels, zoodat men zich gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk -zijne aanvatting is voor zijn slachtoffers. Wat dezen -aangaat—ofschoon het in verscheidene boeken staat, dat de -vischarend zich uitsluitend met visch voedt en andere dieren met rust -laat, zoo was het toch voor ons boven allen twijfel verheven, dat hij -het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had en toen door de ouden -onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van -„Eendendooder”, waaronder een onzer werklieden hem dadelijk -herkende, bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt -mij altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb -ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek, maar -slanker van bouw. <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" -name="pb118">118</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e321">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XX.</h2> -<h2 class="main">EENE LINDE.</h2> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„Aldaer dat clare water spranc,”</p> -<p class="line xd21e1934">Daer stont een groene linde,</p> -<p class="line">Daer de nachtegael sat en sanc</p> -<p class="line xd21e1934">..........................”</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed -aan de lichtbruine, rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze -dubbeltjes langs de stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de -populier hebben reeds sinds lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, -maar wie het niet wist heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk -hebben gebloeid—in alle stilte. Alleen van den kastanje hebben -alle voorbijgangers gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van -de linde daar; men ziet het niet, maar men <span class="ex">ruikt</span> het.</p> -<p class="par">Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een -wandeling onder de bloeiende linden, hetzij dan ’s avonds, als -„de nachtegaal” uit alle macht in zijne laagste takken -<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>zingt, hetzij des daags, wanneer de lijster -juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik alles, en -geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam, laat uw geest -zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt, de zomermaand, de -Juni. Het is <span class="ex">deze</span> Juni, en o wonder! het zijn -er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang, lang -geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe ’t komt dat gij zoo -onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij -sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de -geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke -vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en -herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten; het -is wreed zulk een stemming te storen!...</p> -<p class="par">Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de -duizenden, waarin die geur ontstaat. ’t Is klein en flets van -kleur: ’t is in zijn soort al even onaanzienlijk als het -vaalbruin vogeltje, waarvan ’t ons ieder jaar op nieuw -verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek kan voortbrengen. -Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts een los bloemdek of -éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er op na -plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen bloem, met -kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten overvloede een -paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die, heel trouw, tot de -vruchtjes toe blijven bewaken. ’t Behoefde slechts wat -schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw, geel, -paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar zou de -linde zelve <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>er ons liever om wezen, indien haar <i>groen</i> -niet meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist -haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel, -zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de -jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer -goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand, buigt -de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een verdikking, -die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje, en waaruit -tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan deze slanke -stelen plooien zich de hartvormige bladeren. ’t Is of het -vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden: -het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt -recht door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke -helften. Het adernet is bijna tot in ’t oneindige verdeeld, -zooals vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de -bovenzijde is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. -Zoo goed en zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast -elkander; elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden -van zulke takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan -eene vrij uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.</p> -<p class="par"><i>Linde</i>, <i>de zachte</i>, is haar naam. Zacht is -haar loof; zacht is het geruisch van den wind door haar takken; zacht -is haar geur; zacht en fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van -oudsher een lieveling der menschen, onder alle min of meer germaansche -volken. Zij was getuige van het maatschappelijk leven der opvolgende -geslachten. <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span>De eik is en blijft een boschboom, met de -eigenaardigheden van dien; om hem te zien in al zijn schoonheid, dient -men hem op zijn eigen gebied te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst -daar, waar de natuur zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk -oorspronkelijk door menschenhand herwaarts -overgebracht,—lindenbosschen komen nergens voor in deze streken, -en haar zaden worden bij ons zelden rijp,—is aan de menschelijke -woonplaatsen gehecht gebleven, heeft ze beschermd, beschut, versierd, -hun lief en leed gedeeld. Ziet in de dorpen. De <i>dorpslinde</i> is in -Duitschland en hier en daar in Nederland een levende antiekiteit, wier -gemis eene pijnlijke leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente -of des zomers, en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze -stadsgezichtjes zou verliezen, indien niet rechts of links zoo’n -aardig stukje lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar -een mooie kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een -beeld van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt -zij verheerlijkt als de boom der liefde; als <i>veemlinde</i><a class="noteref" id="xd21e1973src" href="#xd21e1973" name="xd21e1973src">1</a> -vertegenwoordigt zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; -waar linden zijn, daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het -<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span>oog begroet haar daarom, misschien onbewust, met -een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan: de knoestigheid van haren -stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk karakter; de kleine blaadjes, -welke uit die knoesten aan zijn voet ontspruiten, maken hem des te -behaaglijker. Het is of zij daar groeien, opdat kleine kinderen er mee -zouden spelen, terwijl oudere lieden rusten in zijn schaduw!</p> -<p class="par">In de schaduw.—Onlangs sprak ik met een Italiaan. -Hij was vol bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze -bloemheesters, onze bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij -eigenlijk vrij gek vond, was dat hier in het Noorden, „waar men -toch al zoo weinig zonneschijn heeft”, zooveel hooge boomen -gekweekt worden, „die het beetje, wat er is, nog -onderscheppen”. Trouwens, op alle italiaansche prentjes, met de -meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. „’t Is -omdat wij den zonneschijn te lief hebben,” was zijn uitleg -daarvan.</p> -<p class="par">Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan -slechts onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon -wordt, dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei -wijzen wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes -doorgelaten door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje -platweg op de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen -heeft haar heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, -den vollen glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de -zonnestralen is des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een -achtergrond <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span>van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en -rijkdom is er in een landschap <i>met</i> dan <i>zonder</i> boomen!... -Ik ben nooit in Italië geweest. ’t Kan zijn dat men daar -lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis aan hout vergoeden. -Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in welken vorm dan ook! -Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar verder groene takken -omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde! <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e1973" href="#xd21e1973src" name="xd21e1973">1</a></span> Te -Dortmund in Westfalen staat,—stond althans voor een paar jaar -nog,—een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het -spoorterrein, tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is -een punt waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet -inéénloopen), was een heuvel uitgespaard van een voet of -drie in het vierkant; en daarop stond een steenen bank, waarop weleer -veemgericht gehouden werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde, -met nog slechts één levenden tak<span class="corr" id="xd21e1975" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd21e1973src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e330">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXI.</h2> -<h2 class="main">TAPIJTBEDDEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons -prinsesje Pauline voor de toekomst toewenschte, behoorde:</p> -<div class="blockquote"> -<p class="par first">„Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u -henen”.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">De meeste menschen weten dat van de meeste dingen -volstrekt niet; en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van -kleederen bij voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af -of men iets mooi vindt; niet schoonheid, maar „fatsoen” en -„stand” zijn daarbij vaak de openlijk erkende -hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein der kleeding behoeven wij -ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou eenvoudig even praten over het -groepeeren van bloeiende planten.</p> -<p class="par">Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren -heerschende mode der „tapijtbedden” of -„mozaiekperken”?</p> -<p class="par">Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend -karakter van netheid, stijfheid en hardheid, in dit alles niets -onderdoende <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name="pb125">125</a>]</span>voor een keurig opgemaakt schoteltje haringsla. -Schitterend rood, helder geel, hard blauw, blinkend wit spelen daarin -gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen zich nog harder dan zij zijn, door -de combinatiën waarin zij naast elkander geplaatst worden. Het -spreekt van zelf, dat indien eenmaal zuiverheid van uit bloemen -gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke contrasten zeer gezocht zijn, -om de teekening effekt te doen maken; en dat daarbij zekere hardheid -bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs waar men er in slaagt die te -ontwijken, en met fijnere tinten te werken dan in den regel het geval -is, zondigt men daarbij toch altijd in hooge mate tegen de natuurlijke -schoonheid der planten, door ze tot een vlakken groei te dwingen. De -voor mozaiekperken gebruikte gewassen zijn veelal dwergachtige planten, -die van jongs af voor deze bestemming gedresseerd zijn: zij groeien in -de breedte, doordien men er bijtijds den kop heeft uitgesneden. -Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom van vormen, die uit een -bevallige vertakking voortvloeit; van een sierlijk zwenken, buigen, -zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was zeker geen tapijtbed dat -den italiaanschen dichter de gedachte ingaf:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Gij vlindertje in de bloemenperken,</p> -<p class="line">Gij bloem die op den stengel wiegt,—</p> -<p class="line">Een vlinder is een bloem met vlerken,</p> -<p class="line">Een bloem, een vlinder, die niet vliegt!</p> -</div> -<p class="par first">Wel verre van tot de gelijke van een levenden -vlinder verheven te worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een -gebruik, waartoe men juist zoo goed een hoopje steenen van -verschillende kleuren kon bezigen! <span class="pagenum">[<a id="pb126" -href="#pb126" name="pb126">126</a>]</span></p> -<p class="par">Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of -kleinere parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet -raadplegen, maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen -tuinman overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke -plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog wordt, -geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend -materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat deze -zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien zij op -eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd was. En -eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging de -tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den <i lang="fr">Style-le-Nôtre</i> en de tuinen van Versailles, die zij -zoozeer bewonderen.</p> -<p class="par">Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te -geven. Doch wat aangaat den <i lang="fr">Style-le-Nôtre</i>, in -één geval slechts kan ik mij voorstellen dat iemand van -beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is: wanneer men lang, te -lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de natuur -alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de -bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan door -zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst in -natuurlijke groeikracht. Of wel,—wat geestelijk daarmee gelijk -staat,—wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als ’t geen -hij is: de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit -opzicht beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag -verwachten. De lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel -daaruit, dat zijne degelijke bewonderaars <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name="pb127">127</a>]</span>hem ’t meeste -prijzen als: „zoozeer in harmonie met den bouwtrant” van -zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij in eene andere grondstof -herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus geheel ondergeschikt gesteld -aan de steen-architektuur. En is dit niet juist in tegenspraak met het -karakter van tuinen en parken: het omheinde lapje grond, waarop de -mensch zijn best doet, om te midden van de aangroeiende steenwereld der -steden iets te scheppen, dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld -herinnert?</p> -<p class="par">Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden -tuinsmaak nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht -nemen. Na eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij -machte was, den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den -edeler inval, om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te -dringen, en haar in overeenstemming daarmede te regeeren. Na -<span class="ex" lang="fr">Le Nôtre</span> heerschte <span class="ex">William Kent</span>. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene -muren opgesnoeide hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak -uitgestrekte bloemperken, kwam de „engelsche aanleg” met -zijne aan de natuur zelve ontleende schoonheden, met zijn heerlijke -boomgroepen, zijn verrassende wendingen, zijn wandelwegen, waarop men -zich zoo vrij beweegt, en zich nochtans onder de betoovering van echte -kunst gevoelt; zijn schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen -samenwerken aan een goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend -hoe in betrekkelijk zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur -zich zoo sterk heeft ontwikkeld,—zulk een sprong voorwaarts heeft -gedaan van die bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap! -<span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p> -<p class="par">Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het -mij, als onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt -te willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar het -oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk, in -België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de -liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een -mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken, -waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar -aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een -aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen, -tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van -Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog en -geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois de la -Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein als b. v. -voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan onwillekeurig -af, of het geheel <i>voor niet</i> is, dat er een poos lang een beter -wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver van Cassel, met -zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn in hetgeen wij -somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de mode maar altijd -als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen zich daardoor zoo -duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen niet meer durven -vertrouwen?</p> -<p class="par">Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: -<i>iets</i> van het betere blijft altijd hangen! <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e340">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXII.</h2> -<h2 class="main">DE <span class="corr" id="xd21e2063" title="Bron: POEZIE">POËZIE</span> VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen -gestemd zijn, indien het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de -spijzen, die men „groente” noemt, op tafel te krijgen, -tenzij zij ze eerst met eigen fijne handen dopten, sneden, -schoonmaakten? Zeer velen noemen dit eenvoudig -„meidenwerk”, dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven -zij, als ’t ware, verheven zijn; en anderen, die er zich -somwijlen meê belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en -daarom onvermijdelijken, maar dan toch altijd zeer eentonigen, -geestdoodenden, recht prozaïschen arbeid, waarmeê zij zoo -gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander, meer harer beschaving -waardig, werk te begeven.</p> -<p class="par">Prozaïsch?—Om te weten of er poëzie -schuilt in het een of ander, ken ik een zeer eenvoudig middeltje, dat -meestal op den rechten weg brengt; ik tracht mij duidelijk te -herinneren hoe ik er over dacht als kind. <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p> -<p class="par">Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog -heel goed wat ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands -knieën erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer -„zoo mooi” vond, die schokken, gaaf en glimmend als -glacé-leer, en van binnen nog veel zachter dan een lapje zijde. -Ik weet hoe aardig ik het vond, dat ik ze met zoo weinig kracht kon -opendrukken; dat zij juist spleten daar, waar die twee stijve, -lichtgekleurde randjes elkaar raken. En als de schok dan half geopend -in mijn hand lag, met de beide helften aan de andere zijde nog -vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet het inzicht op die zeven, -acht of negen erwten, ieder met een kort wit steeltje, beurtelings op -ééne van de beide zijden bevestigd,—die zich zoo -gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte, als -„veel makke schapen in één stal”. Elk nieuw -seizoen bekeek ik ze met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, -dat een jaar lang weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht -lichtgroen, hoe glad en teeder waren zij, „veel mooier nog dan -eene rist matglazen kralen”, dacht ik, en dat was anders al het -mooiste wat ik kende; en achteraan herinner ik mij heel goed, iets -gevoeld te hebben wat ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te -denken: zij waren <i>meer</i> dan kralen, want zij <i>leefden</i>!</p> -<p class="par">Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik -altijd had in het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet -waar? wordt aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan -het gewoon is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij -toeval, op een étagère het huisraad, gereedschap, servies -onzer ouders, <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span>in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner -afmetingen, weder te vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een -goed geproportioneerd model van een molen of een brug onder de oogen -kregen! Zoo troffen mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek -ze, ik bewonderde ze elken winter, met evenveel verrukking als de -gelijktijdig aangekomen Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel -verrukking, plus zekeren eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze -voorzichtig aanvatte, en ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, -om te zien of hunne kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote -bladeren van de groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den -aanleg hadden, maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, -„vleeziger” was, zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te -begrijpen hoe die witte, malsche massa, die het hartje van het spruitje -uitmaakt, bestemd kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof -te vergroeien: ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, -nieuwsgierig tegenover het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en -gevoelde dat ik voor iets dieps en schoons stond!</p> -<p class="par">Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan -porselein stengels; aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze -eerste indrukken hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur -zoo innig te doen liefhebben.</p> -<p class="par">Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met -elkander gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw -kinderjaren?</p> -<p class="par">En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo -boeiden, thans „prozaïsch” zijn geworden? Is het -beneden onze waardigheid oog en hart te hebben voor <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span>die -kleinigheden, als daar zijn erwten en hun steeltjes, het adernet van -spruitjes, of de haren van een raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u -immers niet om veel opmerkzaamheid te wijden aan pareltjes en diamanten -en andere fraaie kleine zaken!—Of is het dat wij sinds die eerste -jaren reeds zooveel erwten, boonen, kool en andijvie-bladen in de -handen gehad hebben, dat wij afgestompt zijn op het punt van hun -belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het schoon van hun -détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van ’t eerste -erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst -mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien in -zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets -gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen -jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan de -meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. <i>Een kind</i> -voelt onder ’t boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een -boon toch wel voor een ding is; en <i>wij</i> zijn meestal tevreden met -het praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend -anderen vóór ons ligt als eetwaar.</p> -<p class="par">Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij -zijn er aan gewoon geraakt de natuur als onze wettige slavin te -beschouwen en hare „ruwe” voortbrengselen alleen maar te -waardeeren in zoover zij onze zeden en gebruiken, onze huishouding -dienen. Als een kind een mand met fraai gevormde, vriendelijk -geschakeerde groenten „mooi” vindt, dan is het in -denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos met speelgoed -of iets anders; als volwassen vrouwen van een „mooie” mand -<span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>met sla of rapen spreken, dan is het meestal -slechts uit eene zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo -goedkoop hebben weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind -geen zorgen heeft, de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan -aanzien, terwijl men later zoo verdiept is in de zorgen voor het -onderhoud des levens, in het onmiddellijke platte „nut” der -dingen, dat er geen greintje hart meer overblijft voor hunne schoone -zijde? Voor mijne meeste lezeressen kan ik die reden niet -vooronderstellen.</p> -<p class="par">De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, -geloof ik, voor de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde -ontwikkeling. De aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze -kindsheid ingaf dat „erwten meer zijn dan kralen, wijl zij -leven”, heeft geleden onder zekere maatschappelijke conventies, -die ons ten naastenbij wijs wilden maken dat kralen integendeel meer -zijn dan erwten, wijl kralen in ’t salon en erwten in de keuken -t’huis behooren. En boonen, wortelen, augurken -„mooi”? Wat „mooi” is, dat beslist immers de -mode? „Mooi” is een hoed of mantel naar den laatsten smaak, -een kostbaar meubel uit een van de grootste magazijnen; -„mooi” zijn heel veel waarlijk bevallige dingen, maar ook -b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte schilderingen, al -deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar gebrek aan perspectief. -Een groenteblad, dat door een kind bewonderd wordt, trekt verder geen -opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor ’t „mooi”, -maar om te eten.</p> -<p class="par">Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer -slavinnen geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden? <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span></p> -<p class="par">Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een -voorrecht achten veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en -daaronder ook het schoonmaken van groenten, in den regel aan -dienstboden te kunnen overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer -een mand met groenten ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens -te doorleven wat gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer -had met uw kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. -De rijkdom der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, -met uw volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen! -<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e350">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIII.</h2> -<h2 class="main">KORENBLOEMEN.</h2> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">De bloem is noodeloos in ’t koren, en -nochtans,</p> -<p class="line">Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw’ -een glans...</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede -ten gunste van de „noodelooze” bloemen, verdient Ridder -Constantijn Huygens’ nagedachtenis nog eene warmere vereering, -dan die zich openbaart in ’t geven van zijn naam aan eene der -meest bloem- en lommerlooze straten van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel -zeer of hij zelf lust gehad zou hebben, daar te wonen. Hij zou ons -spoedig mee getroond hebben naar Hofwijk, of naar een of ander -lievelingspad, waar hij zijn „gestolen uren van wandelingh” -placht te slijten, waar misschien werkelijk het uitzicht op golvende -akkers hem het eerst den titel „Korenbloemen” voor zijn -dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan kunst -gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten: -<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name="pb136">136</a>]</span></p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Hij meent geen’ Korenbloem, die Terw saeyt; -verr’ van daer;</p> -<p class="line">Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber -waer.</p> -<p class="line">De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder -’t Koren,</p> -<p class="line">Als Gasten, die in ’t Mael der Gasten niet en -hooren,</p> -<p class="line">En komen ongenoodt, en schikken zich in ’t -best,</p> -<p class="line">En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de -rest.</p> -<p class="line">Men leeds’er wel van daen, maer, soo sij ’t -Mael verblijden</p> -<p class="line">Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden.</p> -</div> -<p class="par first">En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een -ruikertje korenbloemen hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al -nagenoeg hetzelfde gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog -steeds bij voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, -leeuwenbekken en bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, -kamille, <span class="corr" id="xd21e2143" title="Bron: centaurien">centauriën</span> en klaprozen....</p> -<p class="par">Als er van „glans” gesproken wordt, komen de -laatsten zeker wel het eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur -in de wereld, dan dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan -afsteken? Zij leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, -en ’t roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten -zat, zich losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die -’t beschutte, en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden -van weer en wind overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en -derwaats zwerven, schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun -stengel zaten;... zij dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, -heb ik wel eens hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij -vereeuwigd door ’t penseel van elken schilder die zich min of -meer gelukkig met veldbloemen inlaat. Denkt <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span>u -een „<span lang="fr">jardinière</span>” zonder haar; -denkt u de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels -van het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als -onmisbaar middelpunt?</p> -<p class="par">Intusschen, onder „korenbloemen” verstaat -men doorgaans niet voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die -welbekende bloemhoofdjes, in welker buitenste randbloempjes, (welbezien -slechts als peperhuisjes opgerolde blaadjes), de schoone tint van -eenigszins gebroken blauw ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam -van „korenblauw” ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is -van oudsher zekere poëzie verbonden; als ware het bij overlevering -hebben wij ze lief; dat elk ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie -veldbloem, is daarvan wel het duidelijkste bewijs.</p> -<p class="par">Heeft zij dit voorrecht, dit <i>prestige</i>, indien ik -het zoo noemen mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere -bijzondere eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat -ook een aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de -gave van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in -haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving is zij -niets. Als „<i>Centaureae Cyanae</i>” in tuinen gekweekt -worden, vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking -haar oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want -doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of -verbastert het tot vuil-wit of vuil-paars),—gesteld al, dat de -kleur zuiver blijft, dan maken zij toch altijd een onverschilligen -indruk. Het grove, schrale, onbehaaglijke der stengels en <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name="pb138">138</a>]</span>der -bladeren valt in den tuin ieder in het oog; in ’t veld verschuilt -zich dat tusschen de halmen, en alleen de bloemen komen uit „het -golvend bosch” te voorschijn.</p> -<p class="par">En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur -tusschen rogge groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat -de zandstreken wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de -schilderachtigste gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan -vereenzelvigt zich voor ons de schoonheid van de korenbloem met die van -het roggeveld.—En dat is?</p> -<p class="par">Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden -bodem, bedekt met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en -gebroken door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. -Het is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen, -hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van een -dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de -geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche olmen. -Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar heerscht om -u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging brengt. Het is -wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon zijt daarop meer -of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd kleine kevers, wespen, -torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen en vliegen, en voor -wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe druk zij het hebben. -Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in en uitvliegt, of de -patrijs, die juist, met hare jongen achter zich, het ongelijke, half -begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is de haas, die eensklaps u -voorbij schiet, en die u dan <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span>veel rosser dunkt dan ’s -winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en de menschenstemmen -die daartusschen klinken op een afstand. Het zijn de halfgekleede -kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is bovenal uw eigen stemming, -het gevoel van ruimte, van frischheid, en nochtans van gezelligheid; en -het spel van uw eigen gedachten, die beurtelings de verte en de diepte -indwalen....</p> -<p class="par">Als ge lang zoo’n korenbloem aanziet, dan is het -alsof al die blauwe buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat -tafereel hoe langer hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat -kleine ding voor u de vertegenwoordigster van een der lieflijkste -landschappen.... of liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat -bij eenig kadaster, dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er -nooit een zal krijgen; maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet -met het oog van den kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft! -<span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e359">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIV.</h2> -<h2 class="main">EEN BERGTOCHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene -eigen reis naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst -aan een badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan -het op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde -„<i lang="de">Sächsische Schweiz</i>”. Mij voerden -bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden naar een ander hoekje, -ook in het noorden van Boheme, maar een weinig dieper landwaarts in. -Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij Trautenau, een welvarend -stadje, bekend door de worsteling tusschen Pruisen en Oostenrijkers in -1866; en van daar maakten wij tochtjes in den omtrek. Eén -daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename herinneringen, maar -gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo goed als onbekend is, -de „<i lang="de">Weckelsdorfer Felsenstadt</i>”.</p> -<p class="par">Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; -één van het gezelschap had den weg vooraf bestudeerd, en -wij overigen lieten ons leiden. Wel moesten wij een keer <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>of -vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten op een -trein die <span class="corr" id="xd21e2192" title="Bron: telaat">te -laat</span> kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven aan een -station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die voor -stationskoffiehuis diende; maar met dat al was ’t heerlijk dat er -spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden -bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de -plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was -voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil en -eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd zij -gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna allen -gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om „<i lang="de">die -Felsenpartie zu machen</i>”. Ook het aardige, vroolijke, geheel -op den zomer ingerichte logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek -namen, bleek op die wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het -was er druk en levendig, de kamers hadden zoo’n mooi uitzicht, de -eetzaal was zoo lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij -deden ons te goed aan een bord oostenrijksche soep;—onze leidsman -had moeite om ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: -„Nu eerst naar de rotsen,—het is nog een half uur gaans en -de zon mag niet te laag staan, als wij ze goed zien zullen.” Het -aangenaam vooruitzicht van des avonds in die zelfde zaal terug te -zullen komen, deed ons eindelijk gehoorzaam meegaan... naar „de -rotsen”.</p> -<p class="par">Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een -half uur afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het -ons uitleggen. Wij wandelden door een <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span>welvarend, -heuvelachtig (laat mij ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; -ginds, als wij dat bosch achter den rug hadden, zouden wij van zelf de -„<i lang="de">Felsenstadt</i>” in het oog krijgen. Tusschen -de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk verheft zich, midden in -eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene zandsteenformatie van een -paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks tachtig jaar werd zij -bijna niet door menschen bezocht. De rotsen, hare zonderling gapende -kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren met een zoo goed als -ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen van het hout loonde de -bezwaren van ’t vervoer niet; en ook voor de jacht werd deze -steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in oorlogstijden -schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben aan wanhopige -vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid hier en daar -zichtbaar, worden in den regel aan „de Hussieten” -toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote rol -spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk ook -de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te -pas.</p> -<p class="par">Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond -er in deze geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand -voorstellen kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn -oorspronkelijken harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van -meepraten: ik zag slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen -kaal en daardoor toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen -weldra de lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend -heiligdom der natuur binnendringende, <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>verstomd hadden -gestaan over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het -water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden van -jaren daar ongestoord aan ’t werk waren geweest, hadden deze -rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er -doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere -geworpen; en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk -boetseeren, vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee -bezighouden, er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was -geweest, dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand -veel gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den -landheer, geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen -afsluiten en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd -toen het vertoonen van de „Felsenstadt” aan beëedigde -gidsen verpacht,—en op aanbeveling van Baedeker en zijne -plaatselijk-boheemsche collega’s, neemt in de laatste jaren het -aantal bezoekers elken zomer toe.</p> -<p class="par">Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan -het echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft -zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een -boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op een -gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje -beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken; -klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift, -(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op de -rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof hebben -om op de meest <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span>indrukwekkende plaatsen een verflauwd <i>Stabat -Mater</i> te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden, -ter wille van een echo,—aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft -de menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de -meeste gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze -rotsvorming is en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De -plantengroei is schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare -valleitjes, brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van ’t -landschap bij: hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige -blokken, de donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap -verwisselt. Ons allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging -vóór, wij volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan -links, en niemand dacht aan moeworden. Indien men spreekt van een -eenigszins vervelende inmenging van menschen, dan bestaat die misschien -daarin, dat de gidsen aan de meeste eenigszins in het oogvallende -rotsstukken namen geven. „Daar zijn de -koornzakken,”—werd ons reeds kort bij den ingang -aangewezen, „daar zijn de kazen”, daar is „de -kroon”, „de wandelende pelgrim”, de -„reuzenharp”, de „schoorsteenveger”; ginds in -de hoogte zit „de broeiende kip.” Ik moet eerlijk bekennen -dat dit mij minder aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan -onze eigen verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de -figuren zoo teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. -„Kijk,” riep eensklaps een van het gezelschap, toen wij een -bocht van een smal dal omgingen: „daar staat Erasmus boven op -dien top.” „Sanct Johan von Nepomuc,” zei de gids, -die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis, en wees plechtig -naar de hoogte. <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" -name="pb145">145</a>]</span>Er werd hartelijk gelachen om die botsing -van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het is waarlijk -niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon van Boheme -meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man met toga en -baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over -het land uitgestrekt,—spreekt het niet van zelf, dat <span class="corr" id="xd21e2218" title="Bron: met">men</span> hem als den heilige -moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt echter bij die -gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit, dat dezelfde -rotspunt, van de andere zijde gezien „<i lang="de">der -Uhu</i>”, de uil, heet!)—Iets verder maakte ons de gids -opmerkzaam op: „de wachtende rotsbruid”. Ditmaal was het -goed dat hij ons voorthielp, want wij zouden de aardige figuur niet -gezien hebben; toen wij haar eenmaal in het oog kregen, trof ons allen -dat zinnebeeld van verlangend wachten. Een driehoekige rotspunt -namelijk maakt geheel den indruk van een lange vrouw, die, vlak op den -bergrug gezeten, met uitgerekten hals in de verte naar iets -uitziet.</p> -<p class="par">Weldra kwamen wij aan het -„rotsamphitheater”, een halfrond dal, dat werkelijk aan de -afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet denken; in den somberen -„grafkelder”; en eindelijk in den -„Münster”, een prachtige grot, waar de tonen van -’t genoemde orgel, ofschoon zwak, niet slecht klonken. Een paar -allerliefste plekjes waren „de lentetuin”, met zijn -frissche varensvegetatie, en „Italië”. Dit laatste -heet nl. zoo, in tegenstelling van „Siberië”, een -kille kloof, waar nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche -jaar door sneeuw ligt;—daaruit tredende, komt men dan -onmiddellijk in het warme, rondom <span class="pagenum">[<a id="pb146" -href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span>beschutte, rijk begroeide -„Italië”. Eerst tegen ’t vallen van den avond, -juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze wandeling -ten einde. Bij den ingang—thans voor ons den uitgang—stond -een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen, -bestemd voor „welkom t’huis”; getuige de gemoedelijke -woorden, waarmee ze allen prijkten: „<i lang="de">Auch in -Weckelsdorf gedachte ich Dein.</i>” Vóór de deur, -op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk zochten wij -daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als ergens anders -in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er een versje in -te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes tot stand:</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Wie zien wil, hoe een schutspatroon</p> -<p class="line xd21e1934">Ontzag wekt en vertrouwen,</p> -<p class="line">Lette op Johan von Nepomuk,</p> -<p class="line xd21e1934">Door de eeuwen uitgehouwen.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Wie voelen wil, wat wachten is,</p> -<p class="line xd21e1934">Trots tijd, en storm, en regen,</p> -<p class="line">Zie opwaarts naar de Steenen Bruid,</p> -<p class="line xd21e1934">En vraag haar stillen zegen.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Wie weten wil hoe grillig-grootsch</p> -<p class="line xd21e1934">Natuur zich kan vertoonen,</p> -<p class="line">Betreê de Weckelsdorfer „Stadt:”</p> -<p class="line xd21e1934">Het zal de moeite loonen.</p> -</div> -</div> -<p class="par first">En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die -ooit in de nabijheid van deze zonderlinge rotsen mochten komen.</p> -<p class="par">Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij -den volgenden morgen de zaak nog eens even van <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span>de -Adersbachsche zijde bekijken. Bij Adersbach nl. is nog een tweede -toegang, en vandaar uit wordt men door de andere helft van het -rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de Weckelsdorfsche helft de -beste, daar zij veel meer verscheidenheid aanbiedt. De Adersbachsche -kant heeft dit vóór, dat werkelijk het begrip van -<i>stad</i> daar het meest tot zijn recht komt. In de lange, eentonige, -slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die daardoorheen -leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten te loopen. De -rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige ellen afstands, -gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven tusschen gemaakt, -die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en wie dan den donker -grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en te Dresden het grootste -oude deel der steden opgetrokken is, zal zich niet verwonderen dat de -namen: <span lang="de">„lange Gasse”, „Prager -Jesuïtengasse”, „Breslauer Wollmarkt”</span> -enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn gekozen. <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e368">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXV.</h2> -<h2 class="main">OUWERWETSCHE BLOEMEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet -ik een hofje, waar ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar -keeren naar toe ga, om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten -naastenbij als alle andere hofjes. Ofschoon midden in eene zeer -volkrijke buurt gelegen, is het als een zinnebeeld van rust en stilte. -Als gij er binnen treedt, en de zware ijzeren deur achter u toevalt, -gevoelt gij u in eene kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van -de groengeverfde deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de -gordijntjes, zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon -bestemd te wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige -plooi: zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als -de rimpelige hand, die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het -loslaat. De katten sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de -lijsters in de kooien schijnen zich onder dien invloed te voelen. De -mijne zingt altijd: „Wat wil je nou liever als vrede?” -zeide mij eens een oud vrouwtje; en <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span>ik moest erkennen dat -althans „de maat precies uitkwam.” Eerlijk gezegd, het is -er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens tachtig jaar zal -moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal kunnen vinden. En als -ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk, en mijn gezichteinder -verruim door het marktplein te zoeken,—dan haal ik diep adem, en -word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn grootere en -kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende, kleingeestige -menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de dorre menschen, die -aan onze fantazie haar goed recht van bestaan en ontwikkeling -betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten, die ons trachten op te -dringen dat de zonneschijn van het leven zijn nevelen niet waard is... -ik toch de wijde wereld nog niet moe ben!</p> -<p class="par">Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de -tijdrekening aangaat, scheidt de poort van ’t hofje hetgeen -daarbinnen van hetgeen daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een -berijmd opschrift, uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks -150 jaar gesticht is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het -drievoudig doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te -vereeuwigen, en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De -bouwtrant en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich -ook in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd -heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de -neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze -overgrootmoeders lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij -spreekt u ook toe uit de <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span>bloemen, welke daar bij voorkeur -gekweekt worden.</p> -<p class="par">Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij -tegenwoordig in Holland nog een „juffertje in ’t -groen” (<i>Nigella Damascena</i>) vinden, met het lichtblauw deel -harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen; of een -„kooltje vuur” (<i>Adonis autumnalis</i>); of, om in -dezelfde kleur te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem -(<i>Lychnis chalcedonica</i>), in de wandeling -„Konstantinopel” genoemd? Wie anders kweekt nog als -sierplant „bernagie” (<i>Borago officinalis</i>), met zijn -stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in de -weelde van er „gouden knoopjes” op na te houden? Waar -anders dan misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een -„tuinder,” die zich bepaald op de klandisie van de oude -vrouwtjes toelegt, krijgt men zulk een rijkdom van schitterende -duizendschoonen en welriekende violieren te zien? Waar anders speelt de -balsamine zulk een groote rol? Ik meen èn de enkele, de -klimplant, èn vooral de oost-indische balsamine, met haar -dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels van een hyacinth -rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt, terwijl een -bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt.</p> -<p class="par">Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed -te doen aan den geur der muurbloemen (<i>Cheiranthus Cheiri</i>), wier -geel mij nergens zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo -fluweelachtig toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het -vierkante middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in -plaats van gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de -randjes van grasanjers in bloei; <span class="pagenum">[<a id="pb151" -href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>en dan staat op de rekjes -voor de ramen, tusschen een aantal kleine potjes met Sedums en -Cacteën, een groote „ruiker” ranonkels in een glas -water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen vaasje. Ruiken doen -zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de gedachte voor de hand -ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te maken zouden wezen; -maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder eenig temperend groen -er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd sieraad zoo binnen als -buiten het venster der bestjes. Die rekjes zijn dan verder gevuld met -maagdepalm en bakkruidjes (de oudste soort van <i>Primula veris</i>); -en zoo er soms een maandroos bij staat, dan is die stellig tegen een -paar latjes opgebonden.</p> -<p class="par">Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het -dan juist niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna -ieder raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit -zou kunnen noemen, en wat ons af en toe een: „wel, is dat nu -een... (dit of dat)”? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met -vreugde, hoe ik daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem -bespeurde, en mij verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen -naam. Blijkbaar heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van -zeer smalle blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een -doornenkroon doen denken; en is men daarna in de andere inwendige -bloemdeelen het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. -Hieraan ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die -haar in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij -in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span>steeds een kasplant. Dat ik haar op het hofje -ontdekte, was dan ook door een bijzonder fortuintje. Zij was het -eigendom van een vrouwtje van brabantsche afkomst, die haar plant -zóó geleid had, dat die een soort van nisje vormde, -waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als éénige -roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven, hield zij die -stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien achtermiddag, -trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald „voor een -verfrissching”.</p> -<p class="par">En als men dan den blik weer van de vensters naar den -algemeenen tuin wendt, kan men daar kennis maken met de akoly -(<i>Aquilegia vulgaris</i>), met vijf spoortjes, op de wijze als -oost-indische kers er een heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde -van den dag was, toen de rederijkerskamer „<i>De witte -Akelye</i>” een „zinnespel” vertoonde, ter eere van -ik weet niet recht welk voorval in den „prinsentijd”. Daar -staan ook in al hare bescheidenheid de „menniste zusjes” -(<i>Saxifraga umbrosa</i>), wier ondeugende naam mede aan een vroegere -periode doet denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke -politieke rol speelden in de dagen der „Oranjeklanten”. -Onder den grooten pereboom in ’t midden, die ouderwetsche peren -voortbrengt,—even geurig als menige groote, nieuw -veredelde,—groeit en bloeit een struik (<i>Rubus -occidentalis</i>), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die -men „kaapsche framboos” noemt, en ook zeldzaam elders meer -aantreft; aan gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in -het najaar zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den -titel van „Judaspenningen” in de zon gedroogd zullen -worden. Ook worden <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" -name="pb153">153</a>]</span>daar „steekneusjes” -(<i>Agrostemma coronaria</i>) gekweekt, en wijnruit, en rosemarijn, en -een soort van salie met afwisselend roode en blauwe schutblaadjes. Ik -zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders toch aan dien -zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen; namelijk of en hoe -dat samenhangt met de <i>Salvia officinalis</i>, welke in de -middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat een -latijnsch spreekwoord luidde: „Waaraan zal een mensch sterven, -die nog salie in den tuin heeft?”</p> -<p class="par">Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt -zijn?</p> -<p class="par">Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat -zij hier niet „aarden wilden”.—Maar dat kunnen niet -de éénige redenen zijn. Een bejaard bloemist zei eens: -„Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er aan een plant wat te -veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra men daar geen kans meer -op ziet, raakt zij er uit.” Ik geloof dat daar veel waars in is. -De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten te leveren, maakt -de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het dankbaarst leenen, -hebben voor een tijd den boventoon.</p> -<p class="par">Doch op die wijze wordt het aantal der „in den -smaak” zijnde bloemen zeer beperkt; en wie waarlijk Flora -liefheeft juist in hare eindelooze verscheidenheid, dient zich dan -schadeloos te stellen door af en toe de „verouderden” in -hare schuilhoeken op te gaan zoeken. <span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e377">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVI.</h2> -<h2 class="main">AUGUSTUS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en -geschiedkundigen voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van -zouden leveren; maar in mijn ooren doelt de naam <i>Augustus</i> voor -onze achtste maand steeds daarop, dat de volle majesteit en -heerlijkheid van ’t zomerleven zich om dien tijd van ’t -jaar het meest in al haar omvang openbaren.—Juni heet zomermaand; -maar „voor den langsten dag krijgen wij geen warmte”, is -eene in onze volksovertuiging opgenomen zekerheid.—Thans, op -’t eind van Juli, is de warmte eindelijk gekomen.—De wind -is oostelijk; de barometer teekent „bestendig”; het -„laat zich aanzien dat wij—(„met de nieuwe -maan”, voegen sommigen er bij)—het mooie weer een poosje -zullen houden.” De natuur rust op haar lauweren van het groeien; -de zonneschijn heeft nu slechts voor het rijpen te zorgen.</p> -<p class="par">Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen -<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name="pb155">155</a>]</span>namiddag. Gij hebt u verscholen in de schaduw. -Het diepe groen der iepen en der linden komt te rijker uit, sinds het -wordt afgewisseld door de frisscher tint der jongste loten. De lucht is -helder. Nu en dan snort u een hommel of een juffertje voorbij; of een -wielewaal vliegt van den eenen boom naar den anderen, met de -schalksche, zangerige vraag: „<i>Klinkt mijn liedje niet -goed?</i>”—De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, -zoodra gij u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij -zich in ’t gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt -niet veel, maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe -handen buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van -rust in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... -Dikwijls komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige -geest gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er -aan die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd.</p> -<p class="par">Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in -aangenaam gezelschap,—ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, -niet slechts het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het -bereik van elkaars stemmen....</p> -<p class="par">De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich -voorgesteld hebben den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. -„Van den zomer” zullen wij dit doen, en tot „van den -zomer” zullen wij dat uitstellen, heeft men elkander reeds sinds -maanden hoopvol toegefluisterd: en al die bezielende, veelbelovende -plannen doelden op die lange dagen, die voor zeer velen, te beginnen -met de schoolkinderen, een korter of langer vakantie, <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span>verlof, of „komkommertijd” mee -plegen te brengen.</p> -<p class="par">Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een -aantal menschen met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig -feest, waarvan de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte -de uitvoering zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer -verheugd heeft, als zij eindelijk dáár is, ronduit -gezegd, maar al te dikwijls tegenvalt? Dat de één veel -tijd besteedt aan plannen, om zich het schoone jaargetijde het -aangenaamst te maken, en nochtans tot geen recht genot kan komen; en -een ander, zij het dan ook met een beetje schaamte, moet erkennen, dat -hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm en rustig, gezellig, -„comfortable” en pleizierig vindt?</p> -<p class="par">Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd -verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij -voor velen eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de -meeste Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu -toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne -„onbestendigheid”, zijne „guurheid”, en het -geringe aantal schoone dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt -naar warmte, en... als dan op eens de thermometers zijn gerezen, -beklaagt men zich daar al heel gauw nog meer over, dan te voren over de -kou.</p> -<p class="par">Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, -beschaafde Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming -het schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede -vieren?</p> -<p class="par">Ik denk het allereerst aan onze dag- en -nacht-verdeeling. Hoe zijn wij er toch toe gekomen om, wonende op een -<span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span>breedtegraad waar zulk een groot verschil is in -zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven nagenoeg het gansche jaar -door één tijdsverdeeling te behouden, en wel een die het -beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel toch der -beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de zon in -Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s’avonds, ook -in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou kunnen -noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn volle -waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste uren -te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden, de -warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al zwoegend -doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een handjevol -genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag „zoo -kort”, en het afscheid van de zon „reeds” -dáár is, met kunstmatige verlichting den tijd in te halen -dien men des morgens heeft bedorven?</p> -<p class="par">Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, -dat het weder al „heel mooi” moet wezen eer wij ons met -genoegen in de vrije lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin -zooveel beter ingericht op koude dan op warmte, op zomer-morgens -dikwijls meer tobt, mort, zich over de natuur beklaagt,—dan op -den guursten Novemberdag?</p> -<p class="par">Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van -menschen, het grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, -besloten tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens -weer straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den -zonneschijn op hunne <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" -name="pb158">158</a>]</span>ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de -zon met eigen oogen te zien op- of ondergaan. Is ’t wonder, dat -voor velen hunner de zomer geen genot is, en dat zij,—misschien -zonder het te weten,—hem daarom liever maar voorbij wenschen, -omdat er dan sprake is van een vrijheid en een vreugde, die voor hen -toch niet schijnen weggelegd te zijn?</p> -<p class="par">Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van -arbeid, die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche -volken bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot -de zoo noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor -ook de naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur -ontrooft. Is het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, -indien hun werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar -onafgebroken kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde -omgeving doet wenschen?</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer -velen dwaas en „overdreven” dunken; dingen onnatuurlijk -noem, die men door de kracht der gewoonte normaal is gaan vinden; -zinspeel op idealen, die ik op het oogenblik evenmin in praktijk kan -brengen als gij.</p> -<p class="par">Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe -ik elken zomer, als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de -aantrekkelijkheid van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik -daarbij telkens weder aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit -weet ik dat genoemd klimaat zich niet naar ons zal schikken; en -<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name="pb159">159</a>]</span>dat wij dus het wijst zouden doen met <i>ons</i> -naar <i>zijn</i> veranderingen, <i>zijn</i> nukken en grillen te -regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen -zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid zoo -onkwetsbaar mogelijk te maken. <span class="pagenum">[<a id="pb160" -href="#pb160" name="pb160">160</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e386">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVII.</h2> -<h2 class="main">BLOEMEN LANGS DEN WEG.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer’s -lief heldinnetje de kunst van „kruuzemunt”-zoeken na te -doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het met den neus gaan zoeken; -evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke kleine paarse lipbloemen, -die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie, dat men de blaadjes -slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat hun groei aangaat, -heeft men slechts aan een doovenetel te denken...</p> -<p class="par">„Al die <span class="ex">Munt</span> en al dat -<span class="ex">Penningkruid</span> langs de publieke wegen,” -zei laatst iemand op een wandeling, „is maar een bespotting van -den armen drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn -zak.”—„Ja, als je daaraan wilt beginnen,” -hervatte een ander: de <span class="ex">Sleutelbloem</span> past op -geen enkel slot; en wie den <span class="ex">Helm</span> voor -hoofddeksel wou gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd -moeten hebben.”—De aardigheid was aanstekelijk, -<span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span>en de voorbeelden liggen slechts voor het -oprapen. „Aan het <span class="ex">Vuurkruid</span>”, viel -een derde in, „kunt ge niet ééns een sigaar -aansteken: waarvoor dient zoo’n ding -dan?”—„Onder al de <span class="ex">Violen</span> en -<span class="ex">Vioolachtigen</span> is er geen enkele, waarop men, al -was ’t ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen -spelen.”—„De meeste <span class="ex">Paddestoelen</span> zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs -voor een pad.”—„De <span class="ex">kammetjes</span> -van ’t <span class="ex">Kamgras</span> kunnen nooit een kapper -van nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als <span class="ex">Salomo</span>, in zijn tijd, niet heel wat anders dan een -Convallaria als <span class="ex">Zegel</span> gebruikt -had.”—„Al die <span class="ex">Slangenkoppen</span> -en die <span class="ex">Addertongen</span>, waarvan het, naar men zegt, -in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een -duinwandeling geven...”—„Is waar, ’t is wel wat -erg; en als gij ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig, -een broodje met <span class="ex">Ossentong</span> bestelt, en de knecht -u met een ruwbladerig plantje aan komt dragen, dan ken ik u volkomen -het recht toe, om hem een uil of een brutalen spotvogel te -noemen!”</p> -<p class="par">Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke -namen. Wat dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers, -Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren, en -Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen, -waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen over -den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij herdersbeursjes -vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat van de eene of andere -Philis te bergen!—Soms is er aan die wilde planten een legende -verbonden, en dan heeten zij naar <span class="pagenum">[<a id="pb162" -href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span>den eenen of anderen heilige; -soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij voorbeeld die van -„kamperfoelie”, blijkbaar verbasterd van het fransche -„<span lang="fr">chêvre-feuille</span>”! Soms weer -zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van „duivelsgaren” -voor verschillende zeer lastige slingerplanten.—Doch hetzij hun -zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze mooi mogen vinden -of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven altijd veel liever dan -de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de bedoeling van de -tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet zoozeer is om meer -geleerden te vormen, als wel om in alle menschen meer oog en hart voor -de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan moet op de populaire -wetenschap ook niet door latijnsche terminologie een te -„geleerde” stempel worden gedrukt. En indien een groot -aantal plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog -toe het „volk” ze, als van geen bijzonder praktisch belang, -onopgemerkt voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk -niet, ze een volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door -botanisch onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet -dood, verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar! -Indien de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of -andere zijde verruimt, moet zij—de taal—dan niet meegaan en -zich voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij -hun latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders; -de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen op -na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het -<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span>levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van -Herderstasch. Ziet eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de -oude Dodonaeus het voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus -uitteekende, en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik, -en aan de andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen -karakteriseerde:</p> -<p lang="nl" class="par">„Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in -’t eerste uyt syne wortel sommighe langhworpighe bladeren, -rondsomme diep gekerft,—langhs der aerden verspreydt; daer nae -krijghet dunne; somtijds veelachtighe recht op staende steelkens, in -andere zijd-steelkens dickwijls verdeyldt, met dierghelijcke, maer -kleynder bladeren beset; op het top van dewelcke kleyne witte bloemkens -voordtkomen, gheschicktelijck gevoeght: als die vergaen sijn, komen -daeraen kleyne, platte, kantighe hauwkens, bij haer steelken oft aen -haer oorspronck wat smaller en wat meer ineenghedrongen dan nae -bovenwaerts, waer zij breeder zijn, kleyne borsekens oft teskens -eenighsins ghelyckende, nae de welcke dit cruydt synen naem voert. In -de teskens steeckt het saet.(!) De wortel is langhachtigh, wit, met -sommighe veselinghen.—Het groeyt, bloeyt, ende maekt syn saet ryp -den geheelen somer door.”</p> -<p class="par">Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten -zeggen. De voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn -verdwenen en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten; -maar de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille; en -de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid; en de -basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in open plaatsen -tusschen het hakhout; en <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span>hoe meer men er op let, hoe meer -verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels in de weide -glinsteren, dan zijn ’t, in plaats van madeliefjes, witte -klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur vergoedt -meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een handvol -van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering: misschien -vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij weet,.... dat -brengt geluk aan! <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" -name="pb165">165</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e395">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVIII.</h2> -<h2 class="main">DE LOTOS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Onlangs had er een botanisch verkeerd à -propos plaats zooals heel licht gebeuren kan, wanneer twee of meer -planten, in den loop der tijden, aan denzelfden naam gekomen zijn. Het -was tusschen een geleerde, die zich nooit veel met bloemen ingelaten -had, maar des te meer met oude dichtkunst, en een dertienjarig meisje, -dat juist dezen zomer, als H. B. school-leerlinge, haar eerste veld -liep op plantkundig gebied.</p> -<p class="par">„Je hebt het tegenwoordig zoo druk over -planten,” zei de doctor in de letteren; „maar weet je wat -ik graag eens zien zou: een Lotosbloem.”</p> -<p class="par">—„Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze -niet?”</p> -<p class="par">—„Ze zouden mij zoo interesseeren om de -poëzie, die er aan is verbonden. Je denkt dan zoo om een stil -waterlandschap met een weelderigen plantengroei bij maanlicht.” -En hij vertelde een en ander van de „Lotophagi, de -veelbebesproken Lotoseters”, en beweerde dat hij er zelf wel eens -even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou willen wezen. -<span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p> -<p class="par">—„Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of -schapen,” schertste ’t meisje; „menschen zullen ze -toch wel niet eten.”</p> -<p class="par">—„Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze -waarschijnlijk nog wel.”</p> -<p class="par">—„Ik ga er een halen,” besloot -zij.</p> -<p class="par">—„Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?” -vroeg hij lachend.</p> -<p class="par">—„Neen, vlak bij uw huis.”</p> -<p class="par">—„Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht -bij” mompelde hij ongeloovig. En halfluid reciteerde hij:</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line"><span class="corr" id="xd21e2506" title="Niet in bron">„</span>Die Lotosblume ängstigt</p> -<p class="line">Sich vor der Sonne Pracht,</p> -<p class="line">Und mit gesenktem <span class="corr" id="xd21e2513" -title="Bron: Häupte">Haupte</span></p> -<p class="line">Erwartet sie träumend die Nacht.”</p> -</div> -<p class="par first">Binnen weinige minuten was zij terug met een -plantje van een paar palm hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en -fraaie botergele bloempjes.</p> -<p class="par">—„Is dat een Lotos?” riep de doctor, -„’t Lijkt wel een gouden-regen!”</p> -<p class="par">—„Een gouden-regen!” herhaalde nu het -meisje op haar beurt, met al de verbazing van iemand, voor wie -zóó’n vergissing sinds zes weken een onmogelijkheid -was. „’t Is een <i>Lotus corniculatus</i>, een gehoornde -Rolklaver.”</p> -<p class="par">—„Nu, dan zal ik het voortaan voor jou -plezier een land-Lotus noemen, juffrouw Flora,” eindigde de -litterator vriendelijk.—Maar wat hij had wenschen te zien was een -<i>Nymphea-Lotus</i>, dat sieraad van den Nijl, die met hare indische -zuster, de <i>Nymphea Nelumbo</i>, als „Lotosbloem” -<span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name="pb167">167</a>]</span>zulk een voorname rol speelt in de aloude -poëzie van Indië en van Egypte. En hij verhaalde daaromtrent -verscheiden mythen en legenden, die haar lieve oogen deden -glinsteren.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">„Mijnheer,” zei twee maanden later juffrouw -Flora, zooals hij haar sedert dien tijd voortdurend noemde, „nu -weet ik waar u iets te zien kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! -In den Amsterdamschen „Hortus” bloeit de <i>Victoria -regia</i>. Ik heb er een prent van gezien, en dacht dadelijk aan uw -indische vertellingen.”</p> -<p class="par">—„Welnu, dan zullen wij er samen eens -heengaan. Wat wil je liever: bij dag, of bij avond met -gaslicht.”</p> -<p class="par">—„Neen, bij dag!” koos haar rein -instinkt; „’t is wel waar, zij bloeit het mooist bij avond, -maar bij gaslicht, dat vind ik zoo.... onnatuurlijk.”</p> -<p class="par">Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij -op klaarlichten dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als -een leeuw in zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in -roodachtigen toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou -verwachten. En men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. -Een was er omgedraaid, opdat men ’t sterke adernet in oogenschouw -zou kunnen nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een -jongen van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de -bloemen met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn -een gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.—En eer -zij uit den Hortus gingen, <span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span>waren hun ook dadelpalmen, -suikerriet, een koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, -al hetwelk zeer hunne belangstelling opwekte.</p> -<p class="par">Toen zij ’t hek uit waren, zwegen zij beiden.</p> -<p class="par">„Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen -land zien,” zei het meisje het eerst.</p> -<p class="par">„Ja,” antwoordde de dokter, „’t -is heel mooi voor de wetenschap, zoo’n inrichting; maar je -waardeert de planten eigenlijk maar half, als ze zoo uit haar element -gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat de Victoria op een Lotos -lijkt, maar het wou mij toch niet lukken om mij in zoo’n -kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges te -verplaatsen.”</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een -buitenpartij. ’t Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog -zich.</p> -<p class="par">„Juffrouw Flora,” zei de dokter, haar op den -schouder tikkend, „ga eens even mee: ik heb wat moois -ontdekt.<span class="corr" id="xd21e2565" title="Niet in bron">”</span> En langs een paar verborgen paadjes -troonde hij haar mede naar een open plekje in het bosch, waar zij eene -kleine watervlakte in het oog kreeg, ’t Was een verlaten vijver, -die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had, maar thans geheel -aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste gedeelte was hij -door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde kastanjes en een -treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans het -licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide riet, -zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en staken -gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span>links bloeiden, nauwelijks zichtbaar, -Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever.</p> -<p class="par">—„Ziet gij wat daar drijft?” vroeg -hij, terwijl zij van de helling op het water nederzagen.</p> -<p class="par">—„Ja, Nymphaea’s, gewone witte -waterrozen, Victoria Regia’s in ’t klein!” voegde zij -er glimlachend aan toe.</p> -<p class="par">—„Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat -Lotosbloemen moeten maken!<span class="corr" id="xd21e2576" title="Niet in bron">”</span></p> -<p class="par">—„Maar die zijn zooveel grooter en hebben -lange dunne stelen, en ontsluiten zich eerst ’s avonds,” -bracht het meisje, dat intusschen meer geleerd had, in het -midden....</p> -<p class="par">Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar -dezelfde uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee -deze bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde -bladeren rusten, die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken.... -<span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e404">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIX.</h2> -<h2 class="main">ONS WIER-EILAND.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Allen die zeggen—en het meenen, want velen, -die het zeggen, meenen ’t daarom niet—dat zij zoo gaarne -eens een uitstapje zouden maken buiten het bereik van spoor en -stoomboot, („van de gewone touristen-route af”, zooals het -doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche eilanden aan. Texel -sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen telegraafkabel; en -de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het stoombootje <i>Ada van -Holland</i>, brengt u daar, trots weer en wind, zoo kalmpjes heen, dat -gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op zee zijt, en van niets -droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar Vlieland, Terschelling, -Wieringen...</p> -<p class="par">Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel -moois voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op -een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap -heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het -Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de -velden van <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span>Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij -„<span class="ex" lang="fr">La Belle Alliance</span>”. -Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas de groote -vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich plotseling te -bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen niet door -rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes gescheiden -zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als de oude kerken -van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons aan herinneren, dat -wij hier niet te doen hebben met ingedijkten kleiachtigen grond, maar -met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee uitstekende duinreeks. Dit -toch is de eenige reden van bestaan van het geheele eiland. Zijn -bescherming en versterking door menschenhand is betrekkelijk gering. -Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur gemaakt is; de vloed -spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een uur of wat zijn -strand; zoo is ’t gegaan sinds honderden van jaren, en nergens -stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.</p> -<p class="par">Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een -bezoek van eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort -van verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in -zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een -kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland, -dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts een -paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog punt -staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk anders -kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij hebt, zoo -al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine <span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span>zorgen en beredderingen van den overtocht -meegemaakt, en zijt geheel doordrongen van ’t bewustzijn, dat een -armpje van den oceaan u van het vasteland scheidt. En ten overvloede -zijn daar de meeuwen, de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend -af en toe over u heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als -gij den duinrug houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, -rondwandelt, gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog -verheven boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! ’t -Is hier volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait; -gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de -wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven, -zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats -van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet gij -hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te midden -van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan meestal -aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in ’t -weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst, en -de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre de -rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de -hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij aan -de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op het oude -vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen, of het -water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet -zoo’n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar, -dunne lippen en zeer lichtblauwe <span class="pagenum">[<a id="pb173" -href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span>oogen, met haar -„nou” en „hoor”, en haar <span class="ex">ge</span>-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de -verfkwast, met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de -boomstammen niet ongemoeid laat,—men zou zich in een -zuidoostelijker deel van ons land wanen!</p> -<p class="par">Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op -Wieringen te blijven. „Op een eiland te zitten”, is op zich -zelf voor negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en -het is niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, -ontwikkeling en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur -zouden winnen of verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat ’s -lands regeering er ook zoo over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het -indertijd ’t geschiktste punt voor eene quarantaineplaats achtte; -(de zwarte quarantainegebouwen waren, tot voor een paar jaar, het -eerste wat men van den vasten wal af te zien kreeg); en nu die -inrichting is opgeheven en de loodsen zijn afgebroken, werd het -leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een kruitmagazijn! Maar zoo gij -er slechts kort vertoeft, raad ik u aan, uw tijd goed tot rondkijken te -gebruiken, zoo mogelijk al de vijf dorpen: Westerland, Hippolitushoef, -het Stroe, Oosterland en den Oever, te bezoeken, en u een en ander te -laten vertellen van de eendenkooi, de rotganzenvangst en de -wier-industrie.</p> -<p class="par">Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk -over Wieringen wou schrijven.</p> -<p class="par">Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte -voor ijverige plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen -op den rug van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal -en de zeekool, die <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" -name="pb174">174</a>]</span>hun naam gestand doen, doorloopt de -plantengroei hier eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere -standplaatsen eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke -botanische verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen -met het plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (<i>Zostera -maritima</i><span class="corr" id="xd21e2620" title="Bron: ,)">),</span> dat, onder den naam van wier of zeewier, het -geheele land door verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te -vullen.</p> -<p class="par">Indien wij het eiland naderen langs den geijkten -weg—met de postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis -in den Anna Paulowna-polder afvaart,—landen wij aan de kleine -havenplaats, de Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de -reis doen in het hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een -handvol van het langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het -bestaat voor ’t grootste deel uit lange groene bladeren van een -halven duim breed; somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere -stengels in handen; deze kan men de bloemstengels noemen, want de -langwerpig-ronde knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de -bloeiwijze; en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze -bewijzen dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te -doen hebben. De <i>Zostera</i> is geen alge, maar een -zichtbaarbloeiende plant.</p> -<p class="par">Zoo wij nu dicht bij ’t eiland komen—en wij -moeten er een eind ver langs zeilen—rijst de vraag in ons op, wat -toch die rotsachtige massa is, waar wij tegen aankijken, -„’t Lijkt de krijtkust van Engeland wel,” oppert -iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten van -„dien hoogen wal met loodrechte spleten”. <span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span>Om -met dit laatste te beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, -waarmeê een gedeelte der noord- en oostzijde van het eiland -beschermd is, doch in dier voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan -stroomen. Zooals ik reeds zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt -niet zoo krachtig ter bescherming op, als aan de kusten van den vasten -wal; slechts het in deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de -Waard-Nieuwland, die dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk -karakter van het eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. -Het overige wordt beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de -verte aan de kust van „Albion” deed denken, is.... een -verweerde dijk van louter wier!</p> -<p class="par">Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen -verhard en tot eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op -sommige punten tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud -geworden, en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige -worstelingen met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij -in zee uit, en daarbij zijn zij trouwens ’t best te vergelijken. -Hun overeenkomst met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen -slechts in omgekeerde kleurverhoudingen: dààr heeft men -te doen met oorspronkelijk wit krijt, dat grootendeels begroeid en -bezoedeld is, en daardoor ten slotte slechts enkele helder witte -plekken over heeft; hier is het een zwartbruine grondstof, die door -verweering en begroeiing, gedeeltelijk lichter gevlekt en wit -uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en Augustus de -moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen lapje tapijt -over den grauwen muur afhing! <span class="pagenum">[<a id="pb176" -href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p> -<p class="par">Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,—de -aanlegplaats aan de Houkes is juist niet van de netst betimmerden, en -werd meestal reeds door een ander schip ingenomen,—komen wij aan -wal, en bij den eersten stap vermaken wij ons onwillekeurig over de -veerkracht van den veenachtigen bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog -te wezen, ook in verhouding tot het land en de huizen aan zijn voet. -Hij werd tot nog toe jaarlijks aangehoogd, om hem in goeden staat te -houden,—altijd weer met „wier”, (met of zonder verlof -der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo maar blijven noemen). -’t Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop wij staan, het -aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist bezig een pas -gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen met zeissen in -kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk af,—want het -wortelt in den bodem der zee,—en verzamelen het zoodra het aan de -oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte voorraad ligt -op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard bespannen, komt -het halen; want de groote zaak is nu het te drogen, te zuiveren, voor -den handel geschikt te maken. En droog kan het natuurlijk niet worden, -tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.</p> -<p class="par">Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de -bewerking die het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in -hoofdzaak daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten -afgespoeld en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm -van den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en -geschud, evenals men met hooi pleegt te <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span>doen. Op die wijs is -het verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename -eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de -velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg wordt -het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten, want zij -zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht, die het -verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde visch -riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het -onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen, -waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij men -er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.</p> -<p class="par">Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de -vraag: wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij -achteruitgaat, dat „het vet van den ketel is”, en dat er -weinig of niets meer aan te verdienen is, wegens „de hooge -pachtgelden” en „de groote concurrentie”. ’t -Zal allicht waar zijn, dat er persoonlijk niet zooveel meer op te -winnen is als vroeger, toen de geheele wiermaaierij vrij was, terwijl -nu het recht daartoe voor betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. -Maar dat men nochtans lust heeft die pacht te aanvaarden, is op -zichzelf een teeken, dat dit takje van nijverheid niet -kwijnt.—Doch ons is het niet om de statistiek, maar slechts om de -teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en dus werpen wij alleen -nog maar een blik op gindsche kisten met zwart wier, die voor de -aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in geenen deele noemen, -maar het is in zijn <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" -name="pb178">178</a>]</span>soort netjes opgedaan. Geen vuil, geen -onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van het wollegras, -dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel groeit. Kisten zijn -het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt: veel meer zijn het -balen, aan alle zijden door een paar planken bij elkaar gehouden. Dit -is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook beter dan gesloten kisten, -met het oog op gevaar van broeien en verstikken. In een opzettelijk -daartoe opgericht gebouwtje, niet ver van de landingsplaats, wordt het -wier samengeperst en verpakt; weldra zal het bij een koopman „in -drogerijen en verfwaren” terecht komen.... Wie het daar ziet -liggen, denke even aan Wieringen! <span class="pagenum">[<a id="pb179" -href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e413">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXX.</h2> -<h2 class="main">NAJAARSBLOEMEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">’t Is September; en uw tuin, die in de -laatste weken misschien wat had geleden, hetzij door de hitte der -hondsdagen, hetzij door de Margriet-regens, of door de stormen, die -doorgaans het ernstige korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol -bloemen. Maandrozen hervatten met moed haren bloei; en onder ’t -lage zaadgoed ziet ge menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, -om mee te werken aan de opgefrischte decoratie.</p> -<p class="par">Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de -Phlox Drummondi. <span class="ex">Phlox</span>, <span class="ex">Vlambloem</span>; volgens haar naam dient zij rood te wezen, en -dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende de -laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er -takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis -waarin men van „roode” kool spreekt, ook het zachtste en -zonnigste rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het -donkerste amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert -hier en daar in volle <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name="pb180">180</a>]</span>reinheid een groepje witte; en de -overgangen vormen de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er -bovenop ligt; soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de -lichte), terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van -fluweelachtigheid hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje -op ontdekt. Een en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe -dun de roode, witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun -bouw veel meer samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een -weinig moeite kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van -het overige weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar -doorschijnend; en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de -tint der daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is -een hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer -eene ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen -één iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene -Phlox lijkt. Vijf ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf -blaadjes kunnen doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste -organen zijn verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig -maken, maar hij den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend -ledig voor kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model -voor „een bloemetje” bij uitnemendheid; doch hoeveel -wonderlijke konterfeitsels er ook van gemaakt mogen worden, in -werkelijkheid zijn zij daar niet minder mooi om.</p> -<p class="par">Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de -struikachtige overblijvende soort,—in ’t grooter, -<span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>zwaarder, steviger, geheel op de Ph. Drummondi -gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men beproefd uit -Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien zij nergens -in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd jaar -geleden<a class="noteref" id="xd21e2668src" href="#xd21e2668" name="xd21e2668src">1</a> aanleiding tot de volgende merkwaardige -opmerking:</p> -<p class="par">„Indien het eerste Oir van alle gewassen in -’t Paradijs gevormd ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is -geweest, zoo zou het zeer onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden -over den Aardbodem, deze Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan -in Noord-Amerika alleen; terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van -een dergelijk klimaat en grond.”</p> -<p class="par">(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens -te lezen hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en -schreef.)</p> -<p class="par">Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, -behoort de Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig -gezind. ’t Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het -voornaamste sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger -soort. Zij houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en -bloeit heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen -zij, tweehonderd jaar geleden, reeds „in de tuinen der -liefhebberen als een gemeen gewas bekend” stond. De tijd van hare -invoering (juist niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet -precies meer te bepalen, en zij schijnt dan ook in het minst geen -bezwaren tegen ons klimaat <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span>te hebben. Gij plant haar in het -voorjaar aan den ingang van een prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij -licht en water genoeg heeft, en behoeft haar overigens volstrekt niet -te helpen; en binnen weinig weken is zij boven, en hangt u van het dak -van het prieel af toe te knikken, dat het een lust is om te zien. Hoe -zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk heeft aangelegd om zich omhoog te -werken? Hoe men ook onderzoeken moge, er is aan haar gladden stengel -geen spoor van hechtworteltjes, zooals aan de klimop, te ontdekken; en -ook nergens ranken of klawieren van eenigerlei soort. Ach, zij heeft -die niet noodig. Zij is zoo vlug, en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare -bladstelen, waarmee zij zich behendig telkens aan den eersten steun den -besten vasthoudt, om dan dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij -zien dat aan met al het welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt -praktische, redzame lui bij hun arbeid bespieden, die met geringe -middelen en weinig gereedschap toch altijd weten klaar te -komen,—in tegenstelling met het heir van slechte schrijvers, wie -het altijd weer aan inkt en pennen, en van onbeholpen naaisters, wie -het altijd aan haar naalden hapert!</p> -<p class="par">Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte -bloemen voortgebracht: <span class="ex">Kapuzinen</span> noemen ze de -Duitschers, wegens den vorm van den gespoorden, gelen kelk, die aan een -middeleeuwsche kap doet denken, zooals waarmede men vaak monniken of -wel kaboutermannetjes ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere -oranje, waarom de O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot -sarring van „Keezen” moedwillig tentoongesteld te worden, -is in de laatste jaren met allerlei schakeeringen van geel <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>tot -bijna zwart toe afgewisseld geworden, maar behoudt toch den boventoon; -en zoo vormen die massa „schildvormige bladeren en bloedroode -bloemen”, jaar in jaar uit, datgene wat Linnaeus aan -„tropeeën der ouden” deed denken, toen hij dit -plantengeslacht met den naam <span class="ex">Tropaeolum</span> -bestempelde! Mij dunkt, men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan -fantazie, er blijkbaar zeker artistiek genot in schepte, den hem -toestroomenden schat van heel en half bekende en onbekende planten zoo -schilderachtig mogelijk te benoemen. Dat wij van O.-I. -„kers” spreken, geldt natuurlijk niet de vruchten, die in -’t minst niet op kersen gelijken, maar stellig den aangenaam -prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden smaak.</p> -<p class="par">En dan zijn er stokrozen.</p> -<p class="par">„O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; -’t is ten minste goed, dat de mode die afgeschaft -heeft!”</p> -<p class="par">Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof -en leelijk zijn, als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver -bederft, namelijk van haar natuurlijk karakter berooft en er, door -verdubbeling, iets van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar -zij zijn niet leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar -natuur mogen opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van -„grootstbloemige der Malvaceën”. Sinds Mei heb ik een -perkje met stokrozen onder het oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden -zich aan ieder plantje een stuk of tien groote, heldergroene bladeren, -die voorshands laag bij den grond bleven, maar zich daar meer en meer -uitspreidden. Op ’t laatst van Juni begon zich in het midden een -groene <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name="pb184">184</a>]</span>kegel te vormen; zachtjes aan verhief zich deze, -en vertoonde zich als eene dikke, dichte aar, bezet met een groot -aantal bloemknoppen. Hoeveel, was nog onmogelijk te bepalen; want -ofschoon de onderste reeds duidelijk afzonderlijke lichaampjes -waren,—het puntje van de aar, een weinig omgebogen, was eigenlijk -nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De aar had hierdoor uit den -aard der zaak eene kegelvormige gedaante, die zij onder ’t -voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk groeide. Naarmate -nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel langzaam aan. Och, -zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat wordt zij, ja, indien men -haar uit al te groote zorg een soort van steun wil geven, haar opbindt -tegen een groen stokje, met een rood of geel puntje. Zij heeft dien -steun niet noodig. Haar eigen „stok” is sterk en krachtig -en houtachtig genoeg; en toch niet „houterig” in leelijken -zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij zoo hoog -begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden, verbreeding -noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in den -naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel -aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk -genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn -’t geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan -de bloem een dubbelen kelk voorspelt?</p> -<p class="par">Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een -blad, dat, ook weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot -versiering van de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste -bloemen. Het waren <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" -name="pb185">185</a>]</span>roode, van het helderste rozerood. De vijf -bladen zijn zoo dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen -te vormen; en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou -dat ik ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch -stijf, noch grof, noch leelijk hadt gevonden.</p> -<p class="par">In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven -Dahlia’s. Na de zonnebloemen, die hier en daar als gele -monster-madelieven rondom boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, -de lucht van kwade dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de -grootstbloemige onder onze najaarsplanten. ’t Is nog niet zoo -heel lang geleden, dat zij met een kleine, flets-oranjebloem hier -aankwam, en de geleerden het een tijd lang oneens waren, of zij haar -den naam van Dahlia of van Georgine zouden laten behouden. Hier te -lande heeft de eerste, in Duitschland de tweede naam gezegepraald; maar -intusschen had het aanzien van de plant in kwestie reeds vrij wat -veranderingen ondergaan. Vooreerst was zij verdubbeld, ja bijna geheel -„gevuld” geworden, en ten andere was zij met haar sterken -aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze mislukte pogingen om haar ook -zuiver blauw te doen worden nu niet meegerekend) een dankbaar materiaal -voor den tuinbouw. Geur heeft zij volstrekt niet; haar eenige -aantrekkelijkheid bestaat als decoratie in het groot, en op verren -afstand is zij niet onaardig. Maar om van dichtbij bekeken te -worden...? Ook aan deze planten heeft de verdubbeling, wat de -sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed gedaan; en men behoeft nog -geen modemaakster van beroep te zijn, om bij een gevulde Dahlia -<span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span>maar al te gauw aan eene zwaar geplooide rozet -van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke bloempjes -voor omgevouwen lussen gelden.—De anders niet onaardige term -„bloemkorfje”, dien de plantkunde bij dergelijke -„samengestelde” bloemen gebruikt, verliest in geval van -vulling allen zin. De kleine bloempjes, die oorspronkelijk in ’t -korfje zaten, zijn verdwenen en het niet onbevallige randje is een -plompe bal geworden.</p> -<p class="par">Het is opmerkelijk, dat, laat in ’t najaar, de -„samengestelde” bloemen ons in den regel ’t langste -bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel hooren. Vooreerst toch -behooren daartoe verschillende soorten, wier weefsel van nature vrij -droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde stroo- of -zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes van een -teerder maaksel zijn,—Goudsbloemen, Sanvitalia’s -enz.—hebben in haar bloembodem en haar omwindsel (in -één woord in datgene wat in de wandeling haar -„hartje” heet) een steun, welken men aan bloemen zonder -zulk een hartje nimmer kan verschaffen.</p> -<p class="par">Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als -alles in uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, -Zinnia’s, Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen -en verweering het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer -om gewaardeerd te worden. <span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e2668" href="#xd21e2668src" name="xd21e2668">1</a></span> -Houttuyn. „Natuurlijke historie.” <a class="fnarrow" -href="#xd21e2668src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e422">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXI.</h2> -<h2 class="main">EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Elk die in dit seizoen een „tuinder” -in zijn tuin bezoekt, kan zeker wezen klachten te vernemen over de -erbarmelijke wijs, waarop de rupsen in de kool huishouden; en de -groenlui in de stad hebben niet altijd ongelijk, wanneer zij dit als -reden opgeven voor het „opslaan” van genoemd artikel.</p> -<p class="par">Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in -hetgeen er in de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven -zijn van zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, -die dan ook gewoonlijk „koolwitje” genoemd wordt. Het -wijfje van dien vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij -der bladeren van kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; -ieder diertje dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien -komen deze eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week -lang gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. -Omstreeks den achtsten dag vervellen zij voor ’t eerst, en -beginnen zich dan over de <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span>geheele plant te verspreiden. De -jonge rupsen zijn bijzonder gulzig; dag en nacht eten zij voort; men -heeft opgemerkt dat zij in zeker aantal uren steeds het dubbele van -haar eigen gewicht aan voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn -zij volwassen, en zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. -Wie nu daartoe een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of -schutting, heeft gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt -haar huid af, en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene -pop, met zeer vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien -dagen barst op nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht -in.</p> -<p class="par">Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine -koolplanten in den tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een -heerlijke gelegenheid tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo -verschijnt in den nazomer een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne -beurt zijne gulzigheid bot viert. Indien men nu stelt, dat in het -voorjaar 10 vrouwelijke kapellen zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben -voortgebracht, dan is het niet te veel gerekend, indien een vierde -daarvan weder wijfjes zijn, en deze in September 100,000 nakomelingen -leveren. Het is dan waarlijk wonder, dat er nog iets van onze kolen -overschiet;—de bladstelen en een gedeelte van de hartbladeren -blijven meestal gespaard.</p> -<p class="par">Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om -van de musschen en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het -koolwitje heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog -veel geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte, -een <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span>zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche -doorschijnende vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren -leggen in het lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven -dan ten koste van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij -zijn de slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn -voorzien van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou -groeten. Dat is de zoogenaamde „legboor”, en bestaat uit -drie borstelige haren, die te zamen een holle buis vormen, en door -middel waarvan zij haar eieren onder de huid van haar slachtoffers -brengen.</p> -<p class="par">De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, -legt dikwijls meer dan 30 eitjes in den rug van ééne -rups. Ondanks de pijn, die dit haar zeker moet veroorzaken, en het -uitkomen en groeien van de made, blijft de rups toch doorgaans leven -tot zij aan verpoppen toe is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met -niet geringe moeite, een schutting of een boom. Alvorens zij er dan -echter in slaagt om haar vel af te stroopen, wordt dit door de maden -doorgebeten, die dan alle te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan -hare zijden naar buiten komen kruipen. De nu stervende rups valt dan -meestal op den grond; en op haar plaats vindt men de jonge -woekerdieren, bezig met zich in te spinnen, ten einde, ieder in een -geel cocon, maar te zamen in het spinsel dat de rups reeds was begonnen -te maken, haar poptijd door te brengen op het plekje, dat deze voor -zich zelve uitgezocht had. Ziedaar de 100,000<sup>ste</sup> opvoering -van een ieder jaar terugkeerend treurspel.—Het naspel wisselt af. -Misschien zal het ditmaal daarin bestaan, dat het gansche <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span>cocon in den loop van den winter door een -boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge -wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld, -grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste -zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel -gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te -kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge -praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die -veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert, -maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt... -<span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e431">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXII.</h2> -<h2 class="main">EEN NATUURKALENDER</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">„De hoeveelste is het van daag?”</p> -<p class="par">„De 28ste, Neef, de 28ste October.”</p> -<p class="par">„Bloeien er nog <span class="ex">Heliotropen</span>?”</p> -<p class="par">„Ja zeker. Woudt u een takje hebben?”</p> -<p class="par">En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef -Piet een aan. ’t Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, -zoo als in dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen -opleveren.</p> -<p class="par">„<span class="ex">Citrouilles</span>, dat zijn -immers pompoenen?”</p> -<p class="par">„Ja, neef.”</p> -<p class="par">„En <span class="ex">Aubergine</span>, hoe noem je -dat in ’t hollandsch?”</p> -<p class="par">„O, dat is <span class="ex">Datura</span>. -Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt u zoo aan ’t -fransch vandaag?”</p> -<p class="par">Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den -franschen tijd en had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel -gehad aan al wat fransch was.</p> -<p class="par">„Wel, die fransche kalender......”</p> -<p class="par">„Wat meent u?”</p> -<p class="par">„Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: -<i lang="fr">Nivôse<span class="corr" id="xd21e2782" title="Niet in bron">,</span> Pluviôse, Ventôse</i>?” -<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name="pb192">192</a>]</span></p> -<p class="par">„<i lang="fr">Germinal, Floréal, -Prairial</i>.... Maar wat heeft die met bloemen te maken?”</p> -<p class="par">„Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een -beest, of een hark, of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October -was de verjaardag van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de -Heliotrope. Dat wisten wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, -die zoo droomerig kon wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij -op den papaverdag t’huis hoorde, maar zij trof op de aardbei. -Moeder had de Lelietjes-van-dalen, 27 April....” En neef -verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.</p> -<p class="par">„Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf -bedacht, of was dat, hoe zal ik zeggen, officiëel?”</p> -<p class="par">„Wel, het hoorde bij den kalender. ’t Was in -plaats van de heiligendagen. Wij hadden ’t uit een zwitsersch -almanakje; als je goed zoekt, kan je ’t misschien nog wel -vinden.....”</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, -om er een tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik -het bedoelde boekje. Het was een <i lang="de">Helvetischer -Revolutionsalmanach für das Jahr 1800</i>, welks inhoud begon met -een dubbelen kalender, in de „oude” en de -„fransche” tijdrekening.<a class="noteref" id="xd21e2805src" href="#xd21e2805" name="xd21e2805src">1</a> <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span></p> -<p class="par">Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: -mij kwam ze gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan -het weêr ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen -Juli-gloed in het woord <i lang="fr">Thermidor</i>, en ligt er niet een -sombere Novemberdag verscholen tusschen de letters <i lang="fr">Brumaire</i>?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800 -niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: <i lang="fr">Primidi</i>, <i lang="fr">Duodi</i>, enz. Doch wat ik nooit -gehoord had, was dat men, bij het schrappen van al wat naar kerkelijke -plechtigheid zweemde, in de leegte, door het wegvallen der -heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige wijze had trachten te -gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de heiligen waren bloemen, -enz. in de plaats gekomen. En daar in den ouden heiligen-kalender -geregeld iedere dag een patroon gehad had, zoo was nu ook voor elken -dag een plant of iets anders gekozen. Niet altijd bloemen. -„Vooreerst”, zei neef, „waren die in den winter niet -gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals b. -v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten de -bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere -produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de zaak -zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der <span class="ex" -lang="fr">décade</span> een huisdier, en voor den tienden dag -een of ander landbouwgereedschap gesteld was.” Dit nu zou alles -netjes rondgeloopen hebben, indien het aantal dagen van het jaar juist -in tienen deelbaar was geweest. Maar de zesendertigste décade -eindigde met den 30<sup>sten</sup> Fructidor, (17 September); en -vóór den 1<sup>sten</sup> Vendemiaire—het -republikeinsche jaar begon met 20 September,—<span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit -bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de -zoogenaamde <i lang="fr">jours complémentaires</i>. Deze waren -niet gewijd aan bloemen, noch aan aarde, noch aan steen, noch aan -werktuigen, noch aan dieren; zij vormden geheel afzonderlijk eene halve -décade op zich zelve, en heetten eenvoudig naar de beruchte -Septemberfeesten: 1 <i lang="fr">Fête de la Vertu</i>; 2 <i lang="fr">Fête du Génie</i>; 3 <i lang="fr">Fête du -Travail</i>; 4 <i lang="fr">Fête de l’Opinion</i>; 5 -<i lang="fr">Fête de la Récompense</i>.<a class="noteref" -id="xd21e2933src" href="#xd21e2933" name="xd21e2933src">2</a></p> -<p class="par">Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef -Piet’s hart werd er jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen -bij hem boven. „Op den 1<sup>sten</sup> September”, -vertelde hij, „gooiden wij altijd naar noten, en ergerden ons als -ze nog niet rijp waren, want het was <i lang="fr">le jour des noix</i>. -Eén dag in ’t jaar werd de poes getrakteerd, omdat het -<i lang="fr">le jour du chat</i> was. Dat viel... O, neen, dat was de -hond, die viel op Kerstmis. Dat was de ergernis van tante Leentje. Goed -luthersch als zij was, vond ze ’t heel best, dat de heiligendagen -afgeschaft werden; maar dat op 25 en 26 December <i lang="fr">Cire</i> -en <i lang="fr">Chien</i> stond, dat kon ze niet velen...”</p> -<p class="par">„Er is iets frisch, iets oorspronkelijks -aan,” beproefde ik.</p> -<p class="par">„Ja, ’t was wel fransch, maar ’t was -toch aardig!”</p> -<p class="par">En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover -de nagedachtenis dier fransche republikeinen,—ik omdat ik hun -tijd niet gekend had, hij, omdat er thans <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name="pb195">195</a>]</span>zooveel jaren -tusschen lagen,—verdiepten ons naar hartelust in het tintelende -leven dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de -staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op -allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te -recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en -bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met -het samenstellen van een wetboek, waaruit later het <i lang="fr">Code -Napoléon</i> is geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet -de geest dier dagen in dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven -of genialen kalender. In alles moest verandering komen; geen onderdeel -van ’t dagelijksch leven was te gering om in de plotselinge -hervorming te deelen; aan scheppingskracht ontbrak het niet, en een -oorspronkelijke inval had meer dan in gewone tijden kans van -toegejuicht te worden. Met welk een kunstgevoel is hier partij -getrokken van het beetje natuurkennis, sinds gisteren of eergisteren -door Rousseau op ’t tapijt gebracht; hoeveel ruwe, maar -karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen, eggen, zeissen, -ossen, als ’t aktief ingrijpend element, midden tusschen de van -wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd door delfstoffen, -boomen en bloeiende kruiden!</p> -<p class="par">Maar ’t merkwaardigste van alles zijn en blijven -toch voor mij die „<i lang="fr">jours -complémentaires</i>”. Ligt daarin niet de indruk van eene -bekentenis,—en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer -onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender -bekentenis,—dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om -<span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span>haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij -en boven boomen en bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en -karren, wagens, spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook -aan ons verwant, nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den -menschelijken geest aangaat: in den eenen of anderen vorm <span class="ex">geestelijke idealen</span>? <span class="pagenum">[<a id="pb197" -href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e2805" href="#xd21e2805src" name="xd21e2805">1</a></span> In dezer -voege:</p> -<div class="table" lang="de"> -<table class="xd21e2808"> -<thead> -<tr class="label"> -<td colspan="3" class="xd21e2815 cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">Jänner.</td> -<td lang="fr" colspan="3" class="xd21e2815 xd21e2812 cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom"> -Nivôse.</td> -</tr> -</thead> -<tbody> -<tr> -<td class="cellLeft">Mittwoch</td> -<td class="xd21e2810">1</td> -<td class="xd21e2811">Neujahr.</td> -<td lang="fr" class="xd21e2812">Primidi</td> -<td class="xd21e2810">11</td> -<td lang="fr" class="cellRight">Poix.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Donnerstag</td> -<td class="xd21e2810">2</td> -<td class="xd21e2811">Mel D.</td> -<td lang="fr" class="xd21e2812">Duodi</td> -<td class="xd21e2810">12</td> -<td lang="fr" class="cellRight">Thérebent.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Freitag</td> -<td class="xd21e2810">3</td> -<td class="xd21e2811">Enoch.</td> -<td lang="fr" class="xd21e2812">Tridi</td> -<td class="xd21e2810">13</td> -<td lang="fr" class="cellRight">Argile.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Samstag</td> -<td class="xd21e2810">4</td> -<td class="xd21e2811">Gottfried.</td> -<td lang="fr" class="xd21e2812">Quatridi</td> -<td class="xd21e2810">14</td> -<td lang="fr" class="cellRight">Marne.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">Sonntag</td> -<td class="xd21e2810 cellBottom">5</td> -<td class="xd21e2811 cellBottom">Simeon.</td> -<td lang="fr" class="xd21e2812 cellBottom">Quintidi</td> -<td class="xd21e2810 cellBottom">15</td> -<td lang="fr" class="cellRight cellBottom">Lapin.</td> -</tr> -</tbody> -</table> -</div> -<p class="par"> <a class="fnarrow" href="#xd21e2805src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e2933" href="#xd21e2933src" name="xd21e2933">2</a></span> Ik heb -later nog meer jaargangen van dien almanak in handen gekregen. De -natuur-heiligen-kalender bleef alle jaar hetzelfde. Het speet mij er -geen van een schrikkeljaar machtig te kunnen worden, om na te gaan hoe -in dat geval voorzien werd. <a class="fnarrow" href="#xd21e2933src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e441">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXIII.</h2> -<h2 class="main">JACHT EN WILD.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in -Duitschland geologie ging studeeren, omdat er in ons land „geen -geologie is”. Hij doelde daarmede natuurlijk niet op een gebrek -in de studie der nederlandsche deskundigen, maar op een gebrek aan -belangrijkheid en rijkdom van delfstoffen in onze aangeslibde gronden. -Evenzeer zou ik mij best kunnen begrijpen dat iemand naar een ander -land ging jagen, „omdat hier geen jacht is”. Of noemt gij -dat bijvoorbeeld jagen, als een man in de kracht van zijn leven, dag in -dag uit, met een hond en een polsdrager achter zich, door Hollands -moerassige rietvelden drentelt, af en toe een snipje schiet, den hond -roept om het te apporteeren, zijn prooitje met hoogsteigene hand het -kopje inknijpt en dan ’s avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, -als men opmerkt hoe de jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere -boeren, jaarlijks voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen -overhebben, die een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, -<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name="pb198">198</a>]</span>dan moet men wel vooronderstellen dat er groote -bekoorlijkheid ligt in die jacht zonder gevaar, dat overwinnen zonder -strijd, dat zegepralen over zulke onnoozele slachtoffers.</p> -<p class="par">Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die -aantrekkelijkheid minder bestaat in het dooden of verminken dier -dieren, als wel in hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij -verbonden is: de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen -aanvangt, het dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van -zulk een dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder -anderen, en dat is wellicht nog de beste zijde van ’t geval, is -de grootste prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer -kleine „wilde” landgenooten, in ’t beloeren van hun -listen, en het leeren kennen van hun vlugheid en hun sluwheid. En -werkelijk zijn het gewoonlijk alleen jagers, die in hunne gewoonten -goed te huis zijn.</p> -<p class="par">Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en -morgen „afgehaald” zal worden, hoe zou die zijn leven wel -gesleten hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool -eet; maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met -Lampe, zooals hij in de „dierfabel” van Reintje-de-Vos -heet. Ik moet dan ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op -een familiaren voet te komen met iemand, die zoo schuchter en -achterdochtig is als hij.—Toch is hij, bij al zijn beruchte -lafheid, een aardig, lustig diertje. Sla hem slechts gade in het -voorjaar. Nauwelijks is de jachttijd om, waarin hij zooveel angsten -doorstaan heeft, en de <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name="pb199">199</a>]</span>winter, waarin hij dikwijls -zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde raad, geheel onder de -sneeuw woelt,—of hij vat den moed weer op en krijgt op nieuw lust -in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij zich een wijfje; en -een maand later, als de meeste vogels nog aan geen nestenbouwen denken, -is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin drie of vier jongen -rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De aanstaande moeder -krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland, en belegde dat met -wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare eigen haren. -Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met de meeste zorg -voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die zich, als zij ze -vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve houdt ze doorgaans -een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich, door te klappen met de -ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte zien kunnen, is niet te -verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk voor het daglicht geschikt -te wezen, want hun oogleden zijn te kort, dan dat zij ze ooit geheel -zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij slapen, staan dezen dus altijd -half open. Vandaar wellicht het woord „hazeslaapje”; -terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede gleuf, die zich -tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna geheel in -tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft tot den -term „hazelip”. Zoodra de jongen kunnen loopen en mee -kunnen eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en -weldra heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En -daar die van ’t eerste nest in ’t najaar meestal zelven -reeds <span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>weer jongen hebben, kan er van één -hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een duizendtal afstammen.</p> -<p class="par">Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn -leven bedreigen, heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de -haas overdag rustig in zijn leger,—zooals hij in den regel -schijnt te doen, om slechts des nachts op zijne zaken uit te -gaan,—dan heeft hij eene heerlijke bescherming in de vaalbruine -kleur van zijn pels. Dit schijnt hij wel te weten; want hij blijft -gewoonlijk doodstil liggen, wanneer hij een mensch aan hoort komen, -drukt zich dicht tegen den grond aan, en beloert, zonder zich te -verroeren, iedere beweging van den onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer -de vijand zeer dicht bij is, en hem dreigt aan te vallen, springt hij -eensklaps op, en maakt zich uit de voeten. Gaat hij, als het gevaar -voorbij is, naar zijn rustplaats terug, dan loopt hij daar nooit -regelrecht naar toe, maar maakt eerst eenige dwarssprongen in de buurt, -als om zijn eigenlijk doel, voor ieder die er naar mocht kijken, te -verbergen. Een haas echter, die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, -weet dat daarmede niet valt te gekken; en dat ook het kunstje van het -stil-liggen hem tegenover de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort -hij dus het gevreesde schieten of wel het blaffen van een zijner -aartsvijanden, dan schrikt hij, zet zich op de achterpooten, en besluit -tot de vlucht. Een groot voordeel voor hem is het, als hij bij die -vlucht tegen eene hoogte op kan rennen, want zijn voorpooten (of -„loopers”!) zijn langer dan zijn achterloopers: daardoor -klimt hij gemakkelijker dan hij daalt, en maakt in het laatste geval -dikwijls een buiteling. <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name="pb201">201</a>]</span>Merkt hij nu echter, dat ondanks -al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen zijn, dan heeft hij -nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling een -geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak -schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval -heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij -dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op hem -maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande listen en -lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den ouderdom van -acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden indien menschen, -wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen ongemoeid lieten, zoo -blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog een groot aantal onze -velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en heiden, hun leven naar -hun zin genieten.</p> -<p class="par">En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, -die, zooals ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge -hazen zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie -volkomen van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de -praktijk te vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen -beter raad te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe -vergelijkingen tusschen ooren en pooten, en wordt wijs.</p> -<p class="par">En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan -gebraden. Anderen kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine -borstvlek de haantjes te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen -levend gezien, wat ons anderen <span class="pagenum">[<a id="pb202" -href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span>niet licht overkomt, Zij -weten hoe het „hoen”, zooals zij den patrijs plegen te -noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote overeenkomst heeft met -kippen en andere hoendervogels,—te beginnen reeds daarmee, dat -het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte loopen kan, in plaats -van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst een paar weken in het nest -te blijven liggen. Het huislijk leven der patrijzen is daarom echter -niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg in het voorjaar vechten de -mannetjes hevig, om ieder een wijfje te bemachtigen. In een van droge -grashalmen voorziene <span class="corr" id="xd21e3003" title="Bron: uitholing">uitholling</span> van den grond worden de -groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel bestaat wel uit tien of -twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen tegelijk plegen uit te -broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste vogels het geval is. -Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege wegloopen. De oude haan -houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt bij gevaar het broedend -wijfje, dat dan het nest loopende verlaat, en eerst op een goeden -afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de buurt zijn, worden de -jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de ouden daar heen geleid, -en vinden dan in de dikke gele mierenlarven een uitgezocht voedsel. Zij -kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij nacht, gevaar of slecht weer -neemt de moeder hen onder hare vleugels, juist als eene hen hare -kuikens; de bouw en vorm van het diertje heeft dan ook iets zeer -hoenderachtigs.</p> -<p class="par">En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat -hooge soort van pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn -geworden. Haar aangezicht heeft iets... <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span>anders dan dat van -alle andere vogels; en als men ze goed aankijkt, begint men er -langzamerhand achter te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver -naar boven en naar achteren staan,—iets wat ook aan -menschengezichten zoo iets vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer -dan een streep buiten de normale maat.—Haar snavel is nog langer -dan de kop zelf; en als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of -meer week is, van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig -verdikt, en, althans bij de watersnippen, met een klein puntje -omgebogen. Zij kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om -water-insekten en weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde -natuurlijk van groot voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk -naar den kop toe staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen -kennen, doordien haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen -bekleed zijn. Zij broedt hier te lande slechts bij uitzondering, -ofschoon zij zulks niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. -v. in Lithauen wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt -zij slechts op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust -dan bij voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine -boschjes, en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag -gericht, een eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in -het hout te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de -vorige, voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt -veelvuldig in <span class="corr" id="xd21e3010" title="Bron: Noordbraband">Noord-Brabant</span> en Groningen, aan lage, -vochtige plaatsen; maar ook haar aantal wordt jaarlijks zeer -vermeerderd in den trektijd, die voor deze soort <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span>twee -malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het najaar. Van -Augustus tot het einde van October namelijk, trekken er een groot -aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April noord-oostwaarts. -Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag vindt men haar tegen -den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd worden, laten zij -eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen dan vrij hoog op. Zij -laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat aan het blaten van een -schaap doet denken; dit schijnt niet door de keel, maar door de snel -trillende beweging der staart- en slagpennen voortgebracht te worden. -Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen; zelfs azen zij op -bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen der boomen ophouden, -nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal vier eieren, en de -broedtijd duurt ongeveer 16 dagen.</p> -<p class="par">Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der -dierkundige wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel -voornamelijk door jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige -beschouwing kunnen maken over de omstandigheid, dat de beste kenners -van het wild ook tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen -dergelijke dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, -die in eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een -aangeschoten eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk -ongewoon gedruisch deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen. -<span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e450">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXIV.</h2> -<h2 class="main">GESLOTEN?</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke -kleine <i lang="fr">Chansons</i>, hoe hij, den eersten November naar -den „boschtempel” gaande, waar hij den ganschen zomer door -met zooveel dichterlijke stichting „de dienst” placht bij -te wonen, den toegang onverwachts versperd vond door verdorde bladeren -en afgewaaide takken en breede modderplassen; en dat een uil, die hem -zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem vriendelijk terecht -wees met de inlichting: „<i lang="fr">Fermé pour -réparations</i>.<span class="corr" id="xd21e3032" title="Niet in bron">”</span></p> -<p class="par">Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd -volhielden bloemen in het vrije veld te willen zoeken!</p> -<p class="par">Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de -bijzonderheden van Hugo’s teekenachtig natuurtafereeltje, dan -zien wij in en om die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof -iets, wat hij niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij -voor te stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere -<span class="ex">Zwammen</span>, die juist in dezen tijd van ’t -jaar te voorschijn komen, <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name="pb206">206</a>]</span>die gedeeltelijk op den grond, -gedeeltelijk op het natte hout en op de half vergane bladeren groeien, -en die half een gevolg, half mede eene oorzaak zijn van hunne spoedige -ontbinding en van de duffe lucht, die wij rondom ons waarnemen.</p> -<p class="par">En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan -één opzicht. Wij zullen ons maar aan den geijkten term -van <span class="ex">Bedektbloeienden</span> houden.</p> -<p class="par">Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort -geleden, op de achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal -kaneelbruine stippels vertoonden, in regelmatige figuren rondom de -nerven en insnijdingen gerangschikt? Zeker is het, dat van de -verschijning dezer stippels de vermenigvuldiging der plant, of, zooals -het hier heet, „sporenvorming” afhangt. Zoo’n bloei -schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt echter reeds een weinig -minder vreemd, zoodra wij kennis maken met die soorten van varens, (b. -v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum Spicant), die er tweeërlei -veeren op nahouden, waarvan de ééne niet bloeien en de -andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij daarbij denken aan -den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen, door Goethe -dichterlijk geschetst in zijn <i>Metamorphose der Pflanzen</i>.</p> -<p class="par">En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan -zelfs een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer- of -bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen, op hunne -dunne steeltjes tusschen ’t groen ziet steken. Bij het -korstmos—die platte, vlakke korsten op boomstammen en -muren—valt het alweer iets <span class="pagenum">[<a id="pb207" -href="#pb207" name="pb207">207</a>]</span>moeilijker; toch bloeit ook -dit op zijne wijze. En let eens op uw Selaginella, uwe -kamer-„mosplant”, (eigenlijk geen mos); ga eens na of aan -de uiteinden dier stengeltjes, van boven met een dubbele rij kleine, -van onderen met een dubbele rij grootere blaadjes bezet, niet op zekere -tijden van het jaar groene bolletjes, zoo groot als speldeknoppen, -voorkomen?... Dan bloeit zij.</p> -<p class="par">Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het -plantenrijk, komen wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, -enz. Ook dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in -het najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig, -plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan, -tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten, -dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur, -hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat -rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer, -na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt.</p> -<p class="par">Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En -de sporen, die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts -behoeven te ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld -op zich zelve in het plantenrijk.</p> -<p class="par">Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos -een gewoon boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, -dat het opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één -laagje cellen bestaat;—indien wij in het algemeen bedenken, dat -in die lagere, die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, -reeds al de bladvormen voorkomen, die zich later onder de -zichtbaarbloeiende <span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" -name="pb208">208</a>]</span>gewassen hebben -gereproduceerd;—indien wij eenen blik slaan in de keurige -bijzonderheden van dien „bedekten” bloei, zooals zij in de -afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot te -zien zijn,—dan.... Doch dat wordt een zaak voor ’t -mikroskoop in de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te -blijven. <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e459">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXV.</h2> -<h2 class="main">WINTERVOGELS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Het is een algemeen heerschend -volksgeloof,—bij den eersten den besten boerenjongen in de eerste -de beste provincie kan men er de proef op nemen,—dat de koekoek -gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe dat denkbeeld in de wereld -moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens duidelijk uit, dat men -’s winters hier te lande nooit een koekoek, en zomers slechts -zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens, men moet al heel weinig in -de natuur rondom zich gekeken hebben, om niet te weten dat ieder -seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat den zomer aangaat, twijfelt -niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld, dat de terugkomst van de -ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen behoort, en evenzeer dat op -zeker punt van het najaar, de zwaluwen „<i lang="de"><span class="corr" id="xd21e3075" title="Bron: heimwarts">heimwärts</span></i>”, huiswaarts, -trekken, al is die uitdrukking volstrekt niet juist: want onder iemands -t’huis, zijn „<i>heim</i>”, zijn vaderland, verstaat -men toch doorgaans zijn geboorteplaats, <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span>en de zwaluwen, die -’s zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts in -het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt, wat een -trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat het een vogel -is, die in de lente hier komt en ons in den herfst weer verlaat. Zij -vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde plaats grijpt. De -zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan het sterkste -voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij troepen in onze -velden, voordat het hun in noordelijker streken te koud wordt. Daarbij -komt, dat zoogenaamde <span class="ex">standvogels</span>, nl. zulken -die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger -gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en -op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke -eigenaardigheden.</p> -<p class="par">Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of -kruimels voor een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op -af? De groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen, -afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om den -hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende plaats, -en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in de sneeuw -afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van trouwens alle -kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de boomen, ingericht. -Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel van een spier, die -strak over de knie- en enkelgewrichten loopt, van zelf de teenen samen: -zonder dat zou het hun, (denk ons eens in hunne plaats!) waarlijk vrij -moeielijk vallen, zich dag en nacht, wakend en slapend, aan de -<span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name="pb211">211</a>]</span>dunne takjes, waarop zij wonen, vast te houden. -Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen -hebben,—bij voorbeeld op den vlakken grond,—dan dringen -daar, zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep -in.</p> -<p class="par">Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het -gezelschap. Zaagt gij er ooit een in het hartje van den zomer? Waar de -roodborstjes dan verblijf houden, durf ik niet zeggen, maar stellig -niet rondom onze huizen, zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen -veel menigvuldiger dan hier: <i lang="en">Robin <span class="corr" id="xd21e3094" title="Bron: Readbreast">Redbreast</span></i> in de sneeuw -tegen een venster pikkend, behoort daar tot de onmisbare figuranten op -de kerstmisprentjes. De talrijke verhalen omtrent roodborstjes, die in -de kamer vrij rondvliegend, dus volkomen mak, overwinterden en -nochtans, als de lente daar was, met ongeduld afscheid namen, wijzen op -eene sterksprekende gewoonte van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is -het altijd een welbekend herfst-signaal, als ik, op den een of anderen -Octoberdag, voor ’t eerst de zachte stem van ’t kleine dier -weer hoor.</p> -<p class="par">Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes -vleesch meezen lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, -in vrijen staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij -wel opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes, -tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar korten -dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in het hout te -boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de schors verscholen -insekten, <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name="pb212">212</a>]</span>of voornamelijk hun eieren en larven te -bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den -tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden -ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... ’t Is -waar, in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,—anders durf ik -niet zeggen <span class="corr" id="xd21e3101" title="Bron: hoever">hoe -ver</span> haar bescheidenheid gaan zou.—Op deze behoefte aan -dierlijk voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle -vogel-opvoedende jongens, „dat je, als je meezen brood wilt -geven, het in melk moet weeken”. Ondanks deze goede bedoeling om -’t haar lekker te maken, wensch ik alle kool- en pimpelmeezen -toe, dat haar aardige zwarte of blauwe kopjes nooit in handen van die -brood-weekende weldoeners mogen vallen.</p> -<p class="par">De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn -duiven. Dezen toch behooren tot de meest consequente <span class="corr" -id="xd21e3106" title="Bron: vegetariers">vegetariërs</span>. Nog -nooit heeft, voor zoover ik weet, een duif een ander beest -vermoord;—hetgeen zeker ook niet strooken zou met hare algemeen -bekende reputatie van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist -daardoor, in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den -tuinbouw, en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van -dichterlijkheid bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die -de hoogste boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van -uitgeroeid te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen -er, geloof ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders -mocht het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel -boonen, erwten enz, er wel verbruikt worden door de -„onnutte” snavels van <span class="pagenum">[<a id="pb213" -href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span>zoo’n aantal groote -vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering vertoonen, vrij -slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen, loopen waggelend als -op winterpootjes, of zitten diep in de veeren gedoken op de zwarte -druipende takken van de berken der parken of van de olmen onzer -hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken dat zij gedurende den -schralen tijd veel eten.</p> -<p class="par">Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de -Zuiderzee bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren -kan, „een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen”. Hij -neemt dan soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de -witte wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; -en, met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van -die donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw -niet te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, -weet trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft -zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het -water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun -langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was; en -namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van ’t seizoen, -dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den snavel -aan de vetklier gebracht te hebben.</p> -<p class="par">Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het -ijsvogeltje, dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn -korten staart en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker -uitkomen door zijn langen snavel, <span class="pagenum">[<a id="pb214" -href="#pb214" name="pb214">214</a>]</span>die reeds aanwijst van welk -voedsel hij leeft. Hij is een echte visscher,—de „<i lang="fr"><span class="corr" id="xd21e3118" title="Bron: Martin-pécheur">Martin-pêcheur</span></i>” -der Franschen,—en zit met een geduld, een Leidschen hengelaar -waardig, den lieven langen zomer, dag in dag uit hier of daar aan een -slootkant; maar uit den aard der zaak komt hij het meest te voorschijn -in den winter, als zijn beste plekjes door de vorst zijn bedorven, en -hij aan de bijten zijn fortuin moet beproeven. Ongelukkig wordt de -mooie blauwe kleur van kop en rug hem dan doorgaans noodlottig, -doordien zij den voorbijganger maar al te zeer aantrekt: -„<span lang="fr">l’oiseau bleu</span>” wordt waarlijk -zoo dikwijls te vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen -hem te laten glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo -verlokkelijk aanbiedt!</p> -<p class="par">Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken -aan de uiltjes, die wij thans lichter dan des zomers hier en daar -ontmoeten, omdat dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. -Meermalen heb ik des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen -boomtak te zien zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een -kleine uil te zijn, natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap -verzonken. Doch de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem -aanraakte, schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men -behoeft, om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw -van zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals -andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat -de baartjes met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij -uilenveeren slechts aan ééne zijde het geval, waardoor de -geheele „pluimagie”,—zooals onze overgrootouders -<span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span>den vederdos noemden,—een zeer los -karakter krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder ’t malen -veel meer leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft -hier plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat -als de uilen ’s nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker -zooveel muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit -alle andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een -eierenketting dadelijk in ’t oog springen.</p> -<p class="par">Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke -verandering van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,—het -vindt allicht zijn voortduring, zoo niet zijn grond, in de -oppervlakkige gelijkenis der beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de -gegolfde teekening op borst en buik, doen hen in de verte op elkaar -gelijken. Ook hun leefwijze heeft iets van elkander. Doch de rol, die -zij in de vogelwereld spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor -vele kleine vogels, door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn -jongen uit te laten broeden, de sperwer,—een havik in het -klein,—is een echte roofvogel en verslindt ze bij menigte. Wie de -kleine zangers in zijn buurt wenscht te beschermen, dient den sperwers -den oorlog aan te doen, en zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In -zeker opzicht is dit jammer, want hun huislijk leven is waarlijk recht -voorbeeldig. Het is voor vele vogelkenners eene zeer dankbare studie -geweest, <span class="corr" id="xd21e3130" title="Bron: nategaan">na te -gaan</span> welk deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost -nemen. Bij een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje -neer; bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen -brengen beiden te zamen <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>den jongen voedsel aan. Bij de -sperwers nu geschiedt dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat -voedsel behoorlijk voor hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, -wier moeder gedood was, van honger zien sterven, ofschoon zij omringd -waren door een rijken voorraad van levensmiddelen, die de vader hun -toevoerde, doch zonder dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te -maken. <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name="pb217">217</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e468">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVI.</h2> -<h2 class="main">VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid -iemand bestaan heeft, die den titel droeg van „Graaf van -Rome”. Maar er is eene oud-duitsche ballade, waarin van zulk een -personage en zijn vrouwtje een teekenachtig avontuur wordt verteld.</p> -<p class="par">De graaf van Rome dan, „een man van eer en -ridderlijke deugden”, wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen -en een der kruistochten naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de -gravin, had hier veel tegen; zij deed alle moeite om hem van zijn plan -af te brengen, maar mocht daarin niet slagen. De graaf vertrok. De -tocht was voor hem alles behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of -hij viel in handen van een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer -slecht behandelde en streng liet bewaken. Hij leed honger en ellende, -en het ergst was dat hij, die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon -was, dag aan dag den ploeg moest trekken:</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">„<span class="corr" id="xd21e3148" title="Bron: im">am</span> pflug da must er ziehen</p> -<p class="line"><span class="corr" id="xd21e3152" title="Bron: vil">viel</span> lenger <span class="corr" id="xd21e3155" title="Bron: dann">denn</span> jar und tag,”</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name="pb218">218</a>]</span></p> -<p class="par">zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning -aan het hoofd van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, -en smeekte om genade en vrijheid; doch de koning „zwoer bij zijne -kroon”, dat hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens -eigen vrouw er om kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en -hield toen „in diep leed” de volgende naief-zelfzuchtige -overpeinzing: „laat ik mijne vrouw komen, dan wordt haar smaad -aangedaan; moet ik hier blijven, dan geldt het mijn lijf; dus: ik wil -schrijven dat mijne vrouw kome.” Zoo gedacht, zoo gedaan. Er werd -een brief geschreven, waarin hij aan de vrouw duidelijk maakte, dat -niemand dan zij zijnen kommer kon keeren; en een bode ging er mee op -weg. De vrouw ontving den brief, las dien „in ’t -geheim”, en „het hart werd haar koud wegens den toestand -van haren heer”. Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon -komen; dat het voor een vrouw niet paste „over de wilde -zee” te varen; maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat -zij kon. Zoodra echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in -stilte al wat zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij -maken en eene tonsuur scheren; en daar zij „lezen, schrijven en -nog heel veel meer doen” kon, en ook in ’t snarenspel -bedreven was, hing zij de harp en de luit op zijde en—reisde zoo -den bode na. De zeereis duurde drie of vier dagen. Tot vermaak van zich -en hare tochtgenooten, begon zij midden op de zee muziek te maken; de -bode zat aandachtig en met welgevallen te luisteren. „Zij -herkende hem wel, maar hij haar niet”. Toen zij geëindigd -had, stelde hij haar voor, met hem mede te gaan naar zijn koning, die -haar <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>spel zeker rijkelijk zou beloonen; hij drong -daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan land -gestapt waren, samen verder, „over bergen en door diepe -dalen”; en zoo was de bode, zonder het te weten en met hare -weigering in den zak, de geleider en beschermer van de vrouw, om wie -hij uitgezonden was.</p> -<p class="par">Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd -wegens haar spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong -„veel vreugdevolle woorden”; en al de aanwezigen -verzekerden luide, dat zij het nooit beter gehoord hadden. Zij werd -onthaald „op wildbraad en op visch”, verheugde zich -„in haar binnenste” dat „hare zaak zoo goed -stond”, en speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het -geheele paleis klonk, en al de heidenen, (’s konings dienaren en -gasten) begonnen te dansen.</p> -<p class="par">Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw -gebracht; hij treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst -vóór zich, dan zich „dood te moeten werken”. -De vrouw intusschen, in hare vermomming, keek met alle opmerkzaamheid -naar haren man uit; en haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens -zag. Eindelijk klom zij op den toren van ’t kasteel, en werd hem -gewaar <i>voor den ploeg in het veld</i>. Zij schreide vele tranen, -omdat zij hem niet dadelijk kon helpen; maar zij was intusschen -onvermoeid in ’t spelen, en bleef vier weken op het slot. Toen -zij nu sprak van afscheid nemen, wilde men den muzikalen monnik -rijkelijk beloonen. Men bracht hem „eene gouden kroon en een -schepel vol goud”, en verzocht hem die niet te versmaden; maar de -monnik weigerde en zeide zeer nederig, dat „zijn orde hem niet -<span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span>vergunde zoo iets aan te nemen”, en hij -zulk loon niet begeerde. „Maar”, voegde hij er bij, -„om één geschenk wil ik u vragen: het is niet om -roodgeel goud, noch om edele steenen, noch om eenig ander goed, maar -alleen om den man, die ginds in het veld den ploeg trekt.” De -koning antwoordde beleefd: „Heer, neem dien, als gij hem -verkiest”; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor den -koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad: -„bedank den avonturier, die u verlost heeft.”</p> -<p class="par">Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, -ondanks al wat hij geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het -heilige graf; en dat „de avonturier” zijns weegs ging. Dat -de graaf, toen hij ten slotte tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen -werd, alsof er niets gebeurd was, maar zich zeer beklaagde over den -onvriendelijken brief, waarmee zij den zijne had beantwoord; en dat hij -van geene verontschuldiging wilde weten. Dat ten overvloede zijne -vrienden de vrouw aanklaagden en belasterden, omdat zij in zijne -afwezigheid van huis was geweest, en wel op zulk eene geheimzinnige -wijze, dat geen van de buren haar spoor had kunnen volgen. Dat het -vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar opstond, naar haar kamer -ging, de pij aan en den monnikskap over het hoofd trok, en de harp, de -luit en den bedelzak omhing, juist zooals zij zich in den vreemde aan -hem had vertoond; en dat bij dien aanblik de graaf opsprong van -blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">„das ist der abenteurer, der mich erlöset -hat!”</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p> -<p class="par">Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal -aanschouwelijk moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, -waarop een man, bijna naakt en met uitgerekte spieren, rondom zijn -lendenen is ingespannen voor een soort van wagentje met twee kleine -wieltjes, dat bij nader onderzoek een ploeg blijkt te zijn; terwijl een -ander, met een tulband op het hoofd en een stok in de hand, toezicht -over hem staat te houden.—Ik denk aan die voorstelling dikwijls, -als ik in werkelijkheid een ploeg zie, bespannen met twee flinke -paarden: een der schilderachtigste sieraden van een schoon -winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder winterschoonheid slechts -de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar ik bid u, versmaadt niet die -stille dagen in December of in Januari, als het niet vriest, maar ook -niet mist of stormt of regent, als het eigenlijk niets doet, doch de -boer daarvan gebruikt maakt om des te meer te doen! Denkt u een -heuvelachtige, eenigszins boschrijke streek; de reeds opkomende dunne -nevel van den korten namiddag belet u om vèr om u heen te zien, -en belooft een van die prachtig geschakeerde zonsondergangen, die juist -in dit jaargetij ons oog zoo kunnen verblijden. Links van u liggen -eenige roeden met rapen, rechts staat winterkoren te veld; de -hooibergen rondom de huizen getuigen ook van weiland in de buurt; en -ginds, af en toe achter een schuur of een paar boomen verscholen, en -dan eensklaps weer te voorschijn komende, legt rustig en bedaard de -ploeger zijnen weg af, van den eenen akker op den anderen, in ’t -gezelschap van musschen en kraaien, die in de versch opgeworpen aarde -op de jacht gaan.... ’t Is een welkom beeld van <span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span>bedrijvigheid en leven, te midden van dat stille -wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een -schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.</p> -<p class="par">Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij -hem niet nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid -verdienen onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak -verstaat, een man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. -Men dient daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere -handgrepen machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der -greppels; en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht -en krom te hebben, als iemand die zich op „rechtlijnig -teekenen” toelegt.</p> -<p class="par">„Maar ’t is een erg eentonig werk”, -dus brengt misschien iemand in het midden; „en ik heb medelijden -met een menschenleven dat op deze wijze wordt gesleten.”</p> -<p class="par">Hoor eens,—is dan mijn antwoord, de „Graaf -van Rome” werd zelf voor den ploeg gespannen; en in de dagen, -waarin dat verhaal heet te spelen, was zulks volstrekt geen -zeldzaamheid. Menschen,—slaven, lijfeigenen,—trokken den -ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe grof van vorm, was een -werktuig, uitgevonden tot verlichting van die moeilijke, maar -onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen landbouw, aan -alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans, bij de -hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt, maar -hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig zelf -is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger, die zijne -zaak meester is, arbeidt meer met zijn <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span>geest dan met zijn -lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard, -waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden -arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink -bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken -arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij -ploegt in ’t najaar, opdat de omgeworpen grond zou -„doorvriezen”, d. w. z. opdat door het bevriezen van de -vochtigheid, die er in is, de opgeworpen stukken ondergrond in -duizenderlei richting zouden barsten en zeer los worden. Hij ploegt in -den winter, voor zoover de vorstlooze tusschentijden het toelaten. Hij -ploegt soms nog laat in ’t voorjaar, maar dan is het wegens -tegenspoed in ’t werk. In de lente en den zomer doet diezelfde -arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien, als hij die kunst -verstaat,—want ook dat is een kunst, of voor het minst eene -behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers; ook zijne -handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er altijd handen -te weinig zijn om den boel binnen te halen,—vooral waar het -gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en welker zaad -dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik bedoel hier -b. v. koolzaad en karwei, die twee „dobbelgewassen”, die -zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden om in -hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk tot -bouwland te maken, (ze te „scheuren”).</p> -<p class="par">En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den -paardenploeg vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral -in de huishouding van kleinere boerderijen <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span>volstrekt geen voordeel aanbrengen—in -beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt de werkman -geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote sprong als -tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van den Graaf -van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van den -„vooruitgang” verzekeren van ja. De vrienden van den -„goeden ouden tijd” schudden het hoofd. Wie met Karl Marx -een open oog hebben voor de gevaren die de stoom meebrengt,—in -zoover deze door sterke verdeeling van arbeid alle menschen tot -specialiteiten, d. i. tot fragmenten van menschen dreigt te -maken—zetten een waarschuwend gezicht. Laat ons die twee punten -in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk hangt waarlijk niet -af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om dat gereedschap, en -nog vele andere dingen er bij, te beheerschen: van zijne opvoeding, van -zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij geleerd heeft zijn verstand, -zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding te gebruiken! De soort van -ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan, beide in letterlijken en in -figuurlijken zin, minder op aan. <span class="pagenum">[<a id="pb225" -href="#pb225" name="pb225">225</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e477">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVII.</h2> -<h2 class="main">GROENBLIJVENDE BOOMEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, -zat ik in den trein met twee bejaarde freules. Zij waren door een -dikken livreiknecht in den wagen en aan haar bagage geholpen, en -begonnen zich al spoedig over te geven aan ’t genot van den -tocht. Het was mooi weer en het landschap deed dat goed uitkomen. Ik -kreeg een soort van sympathie voor mijne reisgenooten, ten eerste om -haar warme geestdrift en bewondering voor al het schoons dat wij -voorbijvlogen, en ten tweede omdat zij zich, ondanks de nederlandsche -etiquette, niet ontzagen die bewondering tegenover mij, onbekende, te -uiten. Wij spoorden nu door bosschen en dan weder over de heide; en -eensklaps, nadat wij een paar minuten tusschen hooge dennen -heengetrokken en aan een gehakte opening gekomen waren, riep eene van -de dames in verrukking: „Och, Keetje, kijk die snoeperige -Conifeertjes, daar vlak bij dat sparrenbosch!” Zij meende -blijkbaar de twee- of driejarige dennen zelven, die hier van de -vrijgekomen lucht en ruimte gebruik <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name="pb226">226</a>]</span>maakten, om zich -krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb kunnen -weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige buurvrouw. -Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon en -begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder -„Conifeertjes” door sommigen verstaan worden: niet al te -groote, groenblijvende, pyramidale boompjes;—(een zin waarin, -zooals ik later bemerkte, het woord dikwijls op prijscouranten -voorkomt).</p> -<p class="par">Tot dergelijke „Conifeertjes” zullen wij ons -thans terug dienen te trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In -stadstuintjes, vooral in de zeer kleinen, (vóór aan de -straat, achter een ijzeren hekje), plegen zij een groote rol te spelen, -en vormen daar wat de Engelschen hun „<span class="ex" lang="en"><span class="corr" id="xd21e3208" title="Bron: shrubery">shrubbery</span></span>” noemen.</p> -<p class="par">Op <span class="ex">Hulst</span>, <span class="ex">Jeneverbes</span>, <span class="ex">Taxis</span> en misschien nog -een paar anderen na, die hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de -meeste van die groene dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd -vaderland afkomstig. Om met de eigenlijke <span class="ex">Conifeeren</span> (Kegeldragers) te beginnen: van onze eigen spar -en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante soorten uit -den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een <span class="ex">Pinus -Cembra</span>, wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die -van onzen gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van -zuidelijk Europa. Daarnaast prijkt een echt <span class="ex">Cedertje</span> „van den Libanon”. Die kleine -<span class="ex">Balsempijnboom</span> of <span class="ex">Hemlockspar</span>, zooals hij tegenwoordig hier genoemd wordt, -komt uit Virginië. De <span class="ex">Cypres</span> -vertegenwoordigt ons de grieksche rouwplechtigheden; <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span>en -die <span class="ex">Araucaria</span> met hare stijve, breede, -geschubde armen,—is ’t wezenlijk een levend boompje of een -kapstok?—hoort in Brazilië tehuis. Uw <span class="ex">Thuya</span> is een Noord-amerikaan, ofschoon reeds sinds lang -hier burger geworden, en met den naam van „Arbor vitae” -vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van „<span class="ex">Levensboom</span>” hoort spreken, daaronder heel iets anders -vermoedt dan de Thuya’s, die de nederige rol vervullen van, op -zijn binnenplaats, het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch -worden werkelijk slechts deze er mede bedoeld.</p> -<p class="par">In uw groene heesterperkje staan intusschen ook -verscheidene niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander -loof-karakter. De <span class="ex">Aucubas</span>, met haar gevlekte -laurierachtige bladeren, komen uit Japan, evenals de bonte <span class="ex">Evonymus</span>, een groenblijvende nabestaande van ons Papenhout. -De <span class="ex">Ledum</span> groeit in ’t wild in Polen en -Bohemen; de <span class="ex">Arbutus Unedo</span> in Italië en -’t Zuiden van Frankrijk; de <span class="ex">Kalmia</span>, die, -bij goede verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig -bruidskleed zal prijken, in Noord-Amerika.</p> -<p class="par">Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe -meer wij deze trouwe <i>winter</i>-heestertjes waardeeren. Doch ook: -hoe winterachtiger het om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen -doen verlangen naar hun vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het -landschap. Ik spreek nu niet voornamelijk van de „eeuwiggroene -myrthen en laurieren” en hun zuidelijker klimaat. Ik wensch onze -noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en de afwisseling, die zij in het -natuurschoon en in het maatschappelijk leven aanbrengt, volstrekt niet -te ontvluchten; maar juist <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span>omdat die witte vlokken zoo goed -staan op de takken van dien kleinen spar voor ’t venster, doen -zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan naar streken, waar -men ze in ’t groot op groote sparren kan bewonderen in niet -alleen groote, maar grootsche verhoudingen.</p> -<p class="par">Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen -hoekje, een smal dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het -dal de rivier zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te -beslissen, maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij -onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Ook ten opzichte van ’t -geen de menschenwereld aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker -in ’t geheel niet bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige -ding zich zeer hulpvaardig tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu -dient het dal tot woonplaats aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf -de voortbrengselen van het bergland verwerkt. Het waterrad drijft -„molens” van allerhande soort en grootte, o. a. een paar -papier- en glasfabrieken. Ook levert het riviertje het geheele jaar -door overvloed van bruikbaar water, en op den koop toe forellen en -krabben. Bevaarbaar is het nooit, maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; -in ’t voorjaar, als de sneeuw in het gebergte begint weg te -dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals alle anderen; doch de plaats -der meeste huizen <span class="corr" id="xd21e3279" title="Bron: in">is</span> wel zóó gekozen, dat die tegen hare -mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een en ander geeft aan dit -valleitje iets behagelijks en menschelijks, zonder daarom aan den -diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te schaden. Die indruk -wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte der bergen ter -rechter en ter linkerzijde, <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span>en door de kronkelingen van rivier -en dal, meestal ook vóór en achter,—zoodat men -schijnbaar geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar -slechts vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot -boven, begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per -spoor die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken -van ’t gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station -uitgestapt, nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, -ontmoetten wij, op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout -dan sparren, dennen, Weymouthspijnen, enz.</p> -<p class="par">De meesten onzer weten zich zoo’n dal te -herinneren, hetzij in den Harz, het Schwarzwald of misschien in -Zwitserland; en roepen zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste -partijen voor den geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er -intusschen wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er -onwillekeurig naar bergpaden, om, als ’t ons al te bang om -’t hart mocht worden, spoedig den gezichteinder te kunnen -verruimen. En als wij op een mooien zomerdag daar nederzaten, kwam -dikwijls de gedachte in ons op: „Hoe somber moet het hier des -winters zijn!” Dan rekenden wij echter buiten de sneeuw, die ten -eerste een groot deel van de door ons vermoede wintereenzaamheid en -afgeslotenheid wegneemt, door het vlug en vroolijk sleêverkeer, -en ten andere de somberheid der groene bergwanden breekt door haar -tintelend wit.—Denkt u een mooien Februaridag, met vorst maar -zonder wind. Op elken boom ligt zooveel sneeuw als hij maar dragen kan -zonder te breken: de veerkracht van de breede takken wordt op -<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name="pb230">230</a>]</span>een zware proef gesteld; zij buigen -dóór onder hunnen reinen last. De spitse toppen van de -sparren en de vlakke kroon der dennen wisselen elkander sierlijk af -tegen den blauwen ether; en al de duizend groene twijgjes, die tegen de -sneeuw afsteken, bewaren ’t landschap voor eentonigheid. ’t -Is Vrouwendag: er zal een groote sledevaart gehouden worden. De zon -beschijnt en koestert u, en betoovert de sneeuw; en haar stralen -dringen door in de diepte der bosschen, en lokken hier en daar een -kudde herten naar hun zoom. Gij glijdt voort in een ijlende vaart, maar -toch niet zóó snel, of gij kunt de schoonheid om u heen -naar hartelust genieten. En zoo de dag al kort is, des avonds komt de -maan op, en verlicht den terugtocht op haar wijze.... Wie dat eens in -vollen glans heeft bijgewoond, vergeet het niet gemakkelijk. -<span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e486">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVIII.</h2> -<h2 class="main">EEN OUDEJAARSWANDELING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om -ons heen ziet er verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en -de nachten zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en -slapen.</p> -<p class="par">Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou -hebben, ook maar op die manier te overwinteren, en eerst met de lente -weer voor den dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u -dikwijls sombere, neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop -gij meer kans hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer -ontvankelijk zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts -één greintje veerkracht in ons over is, herstellen wij -ons doorgaans dadelijk in het besef, dat een mensch meer is dan een -visch of een marmot. Ik voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor -de opwekkelijke prikkels van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij -altijd, als ik op het punt ben mij door mist of „waterkou” -te laten nederdrukken. Vaak, als het leven mij op <span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span>de -eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte slechts in -’t oog kon krijgen, één blik op den blauwen hemel -met zijn lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn -dat ik geboren was, al ware het alleen maar voor ’t plezier van -deze schoone tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij -dreigde mee te slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek -van uitval niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in -onzen geest gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht -boven deze wet verheffen.</p> -<p class="par">Men heeft van oudsher veel gesproken over de -scheppingskracht van den menschelijken geest. Zij stelde hem in staat -om ruwe grondstoffen voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en -om telkens meer verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken -arbeid uit te vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke -welvaart. Door de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de -wereld hem te zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad -der kunst. Hij verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel, -en noemde dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de -menschelijke scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen -edeler, geen die hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al -de dwaasheden en troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer -geluk schenkt, dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de -onvolkomenheden van al wat hij <i>kent</i>, toch aan zekere -volmaaktheid te <i>gelooven</i>.</p> -<p class="par">Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar, -en er zijn dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>gemoedsleven doordringt, en <i>verzoening</i> -zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders slechts met -<i>afleiding</i> behelpt. Ook in dit bosch zingt „ieder vogeltje -zooals het gebekt is.” In elk mensch die over deze dingen -nadenkt, doet de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst -naar volmaking zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze -laatste wandeling tracht weer te geven, hoe mijn -„geloofsbelijdenis” zou uitvallen, zoo ik die, als van -ouds, in „twaalf artikelen” moest samenvatten. Van weten is -hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk -bezorgen.</p> -<p class="par">Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin, -waarmede wij onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de -omstandigheden, al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze -krachten en talenten—in harmonie weten te brengen.</p> -<p class="par">Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting, -is in dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit -volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere -beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver -beneden zijn ideaal;—nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is -voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne -eigene kracht, vaardigheid, „inspiratie” te kort -schiet.</p> -<p class="par">Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek -streven, naast zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name="pb234">234</a>]</span>nog -een ander, hooger voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van -harmonie.</p> -<p class="par">Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat -hetwelk ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo -harmonieus mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het -grootere, passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en -machteloos gevoel), ook op harmonie moet berusten.</p> -<p class="par">Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al -struikelend en opstaand, en met schade en schande en inspanning -ervarende, op welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand -komt,—word ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des -te rijker is naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in -verwerkt worden, en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste -botsingen, welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar -een meer samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij -behooren.</p> -<p class="par">Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met -mijne persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al -het lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,—niet het minst de -botsing tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht -van verval en vergankelijkheid,—er, om een muzikaal beeld te -gebruiken, vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich -slechts bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie.</p> -<p class="par">Alleen echter op ééne voorwaarde kan ik in -mijn „dissonant”schap berusten:—dat ik nl. den -mogelijken Kunstenaar van de „symfonie” mag vermoeden, Hem -vereeren <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span>en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar te -wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn steun -te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid mij -pijnigt.</p> -<p class="par">Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden -Maker niet berust op eenigerlei wetenschappelijke <span class="ex">kennis</span> van zijn wezen; maar ik ben boven alles dankbaar -voor de <span class="ex">kunst</span>, die mij in staat stelt de -gedachte aan Hem te scheppen.</p> -<p class="par">Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan -schoonheidswetten onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit -gebied is wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,—tot -dogmatiek verstijft,—ontaardt de poëzie van ’t -religieuse leven. De eerbied zelf voor mijnen onbekenden Maker leert -mij ten zijnen opzichte bescheidenheid.</p> -<p class="par">Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne -levensopvatting en mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte -godsdiensten. „Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen, -zoo schreeuwt ...” ook mijn ziel, op mijne wijze, naar den -Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij bewust ben te behooren. En -indien de geschiedenis verhaalt van iemand, in wien het -gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was, dat hij in -gemoede kon getuigen: „Ik ben niet alleen, want de Vader is met -mij,” dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met zulk -eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht, zeer -wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande uit -eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span>van -joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord.</p> -<p class="par">Het behoort tot mijn verdriet in ’t leven, dat er -op het gebied van vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig -gezelligheid heerscht in de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na -aan ’t hart ligt, zoo weinig verkeer is onder levende menschen, -en men zich grootendeels moet vergenoegen met -menschengeest-extrakt,—nl. uit boeken.</p> -<p class="par">Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een -wanklank, die opgelost wordt,—of worden zal,—gedeeltelijk -door ons eigen toedoen: daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig -naga, wat er in zijn beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de -diepte van zijn geestelijk leven omgaat.</p> -<p class="tb"></p> -<p class="par"></p> -<p class="par">En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje:</p> -<p class="tb"></p> -<p class="par"></p> -<p class="par xd21e3365">Gelukkig Nieuwejaar!</p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="transcribernote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctiontable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e695">21</a></td> -<td class="width40 bottom">voortbrensgelder</td> -<td class="width40 bottom">voortbrengsel der</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e721">24</a></td> -<td class="width40 bottom">amelliastruik</td> -<td class="width40 bottom">Camelliastruik</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e724">24</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e1179">39</a></td> -<td class="width40 bottom">van daag</td> -<td class="width40 bottom">vandaag</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e795">33</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e2565">168</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2576">169</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3032">205</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1255">46</a></td> -<td class="width40 bottom">Van af</td> -<td class="width40 bottom">Vanaf</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1268">48</a></td> -<td class="width40 bottom">kruit</td> -<td class="width40 bottom">kruid</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1445">59</a></td> -<td class="width40 bottom">diehoekigheid</td> -<td class="width40 bottom">driehoekigheid</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1495">64</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1625">77</a></td> -<td class="width40 bottom">val- de</td> -<td class="width40 bottom">de</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1628">77</a></td> -<td class="width40 bottom">af- lende</td> -<td class="width40 bottom">afvallende</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1742">91</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e2506">166</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1771">96</a></td> -<td class="width40 bottom">verbokkelends</td> -<td class="width40 bottom">verbrokkelends</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1793">99</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1895">112</a></td> -<td class="width40 bottom">klevorige</td> -<td class="width40 bottom">kleverige</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1975">121</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2063">129</a></td> -<td class="width40 bottom">POEZIE</td> -<td class="width40 bottom">POËZIE</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2143">136</a></td> -<td class="width40 bottom">centaurien</td> -<td class="width40 bottom">centauriën</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2192">141</a></td> -<td class="width40 bottom">telaat</td> -<td class="width40 bottom">te laat</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2218">145</a></td> -<td class="width40 bottom">met</td> -<td class="width40 bottom">men</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2513">166</a></td> -<td class="width40 bottom">Häupte</td> -<td class="width40 bottom">Haupte</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2620">174</a></td> -<td class="width40 bottom">,)</td> -<td class="width40 bottom">),</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2782">191</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3003">202</a></td> -<td class="width40 bottom">uitholing</td> -<td class="width40 bottom">uitholling</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3010">203</a></td> -<td class="width40 bottom">Noordbraband</td> -<td class="width40 bottom">Noord-Brabant</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3075">209</a></td> -<td class="width40 bottom">heimwarts</td> -<td class="width40 bottom">heimwärts</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3094">211</a></td> -<td class="width40 bottom">Readbreast</td> -<td class="width40 bottom">Redbreast</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3101">212</a></td> -<td class="width40 bottom">hoever</td> -<td class="width40 bottom">hoe ver</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3106">212</a></td> -<td class="width40 bottom">vegetariers</td> -<td class="width40 bottom">vegetariërs</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3118">214</a></td> -<td class="width40 bottom">Martin-pécheur</td> -<td class="width40 bottom">Martin-pêcheur</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3130">215</a></td> -<td class="width40 bottom">nategaan</td> -<td class="width40 bottom">na te gaan</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3148">217</a></td> -<td class="width40 bottom">im</td> -<td class="width40 bottom">am</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3152">217</a></td> -<td class="width40 bottom">vil</td> -<td class="width40 bottom">viel</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3155">217</a></td> -<td class="width40 bottom">dann</td> -<td class="width40 bottom">denn</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3208">226</a></td> -<td class="width40 bottom">shrubery</td> -<td class="width40 bottom">shrubbery</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3279">228</a></td> -<td class="width40 bottom">in</td> -<td class="width40 bottom">is</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN *** - -***** This file should be named 52479-h.htm or 52479-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52479/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/52479-h/images/cover.jpg b/old/52479-h/images/cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 6bc15c1..0000000 --- a/old/52479-h/images/cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52479-h/images/titlepage.png b/old/52479-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 2ee3e49..0000000 --- a/old/52479-h/images/titlepage.png +++ /dev/null diff --git a/old/old/52479-8.txt b/old/old/52479-8.txt deleted file mode 100644 index 7786534..0000000 --- a/old/old/52479-8.txt +++ /dev/null @@ -1,6456 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Natuurfantazieën - -Author: G. Carelsen - -Release Date: July 2, 2016 [EBook #52479] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - NATUURFANTAZIEËN - - - DOOR - - G. CARELSEN - - Schrijfster van: Brieven van een Landmeisje, enz. - - - - HAARLEM - H. D. TJEENK WILLINK - 1881 - - - - - - - - -INHOUD. - - - blz. - - I. Een Nieuwjaars-wandelpraatje 1 - II. Meeuwen 6 - III. Bloemen voor het venster 16 - IV. Sprokkelmaand 26 - V. De lange lente 33 - VI. Bij een schaaltje kievitseieren 39 - VII. Rondom een molshoop 48 - VIII. Palm-Paschen 53 - IX. Tulpen 57 - X. Hei, 't was in de Mei! 63 - XI. Een Engelsch landschap 68 - XII. In den bloeienden boomgaard 74 - XIII. Bouquetten 78 - XIV. Een dubbele boodschap 82 - XV. Een boschtooneeltje 88 - XVI. Op de bloemmarkt 98 - XVII. Aan de Noordzee 102 - XVIII. Een kastanjeboom 111 - XIX. Een inlandsche arend 115 - XX. Eene linde 118 - XXI. Tapijtbedden 124 - XXII. De poëzie van het groenten-schoonmaken 129 - XXIII. Korenbloemen 135 - XXIV. Een bergtocht 140 - XXV. Ouwerwetsche bloemen 148 - XXVI. Augustus 154 - XXVII. Bloemen langs den weg 160 - XXVIII. De lotos 165 - XXIX. Ons wier-eiland 170 - XXX. Najaarsbloemen 179 - XXXI. Een tragedie in den moestuin 187 - XXXII. Een natuurkalender 191 - XXXIII. Jacht en wild 197 - XXXIV. Gesloten? 205 - XXXV. Wintervogels 209 - XXXVI. Vóór of achter den ploeg 217 - XXXVII. Groenblijvende boomen 225 - XXXVIII. Een oudejaarswandeling 231 - - - - - - - - -I. - -EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE. - - -Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles goeds toe, lezers -en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon.... - -Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel willen dat ik -veler menschen pad "met bloemen kon bestrooien", zooals de aloude -spreekwijs luidt. Maar in de gegevene omstandigheden kan ik niet meer -doen dan: hopen dat ik hier en daar iemand een verkwikkelijken indruk -bezorgen moge door de lezing van dit boekje. - -"Natuurfantazieën" heb ik het genoemd. Nu is "Natuur" een -van die groote woorden, welke, evenals hooge boomen, veel wind -vangen,--namelijk veel "wind van leering"; het is een woord waarvan men -dikwijls niet recht weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er -soms een nauwere, soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven, -b. v. nu eens de geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den -mensch, hetzij geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik -dus maar dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den eenvoudigen en -voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het minstens -ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de wolken, de aarde en -het water, de bloemen en het groen, de vogels en de vlinders rondom -ons,--zij zijn de aanleiding tot deze mijn bescheiden "fantazieën". - -Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad bewonen, -wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen tot -de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning ten -volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst -van wandelen te verstaan. - -Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het wandelen -op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de "vrije -natuur". Doch als alle anderen dient zij beoefend te worden, eer -men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te gebruiken, -dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet geleerd -heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik van -zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig -aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den -slag niet van hebben. - -Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en beschikkingen maakt, -kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen om, naarmate de -omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik zou bijna durven -zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en dan vergunnen. "De -meeste kwalen en verdrietelijkheden komen tegenwoordig van de zenuwen, -en de zenuwen komen van de boeken." Ziedaar de zeker niet zeer -wetenschappelijk geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking, -waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer -beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel -wandelt, minder gevaar loopt van onder "de boeken" begraven te worden -dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, desnoods met -inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe langer hoe meer -blijken goede medicijn te wezen voor "de zenuwen",--zoo doet elk wèl -die daartoe zijne maatregelen neemt. - -Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? Rückert heeft eens, in -een al of niet gemeende vlaag van menschen-verachting, den zonderlingen -raad gegeven, de menschen te vermijden en zich zooveel mogelijk onder -bloemen te bewegen; "dan zullen", voegt hij er ten slotte goedmoedig -bij, "de bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die -niet beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!" Nu hoop ik -hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen -van "de menschen" te verachten of te haten; maar voor ieder onzer -komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke instellingen, -maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen gebukt gaan, -er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, op het -punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf te verslappen, -hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan weet ik dat de -dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met "bloemen",--in -het algemeen met de "natuur",--als een weldadig middel aanbeveelt. - -En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen schuld hebben, -maar die ons voor een wijl doen duizelen, eer wij ons recht rekenschap -weten te geven van hetgeen er gebeurd is en hetgeen ons te doen -staat,--ook dan is de stille omgang met die "natuur" een weldaad. Wij -moeten dan van haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven: -geen antwoord van haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn; -ons niet verbeelden, dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet, -zij troost niet onmiddellijk; maar dààrin ligt voor een groot deel -haar genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder -afleiding van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust -en verzoening te geraken. - - - -Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat er niets te -wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste helft van 't -jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat Januari minder -koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, boschrijk landschap -meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige binnendijk met -een rij knotwilgen tot eenig sieraad.--Doch,... zal ik vertellen -hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van heb leeren -waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te loopen, in weer -en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een landstreek zoo -arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid laat denken: -een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. Doch bij -gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en als er -dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de verte, -en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den gezichteinder, -en oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten ontsnappen. En -ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te zien kreeg, -wel zoo'n genot van ieder kleurenspel en lichteffect gehad zou -hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die schijnbaar zoo -onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst gunstige seizoen om -te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de mogelijke wandelwegen -rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te hebben plat getreden, -zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In dat geval wensch ik u -toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens wat verder rond te -kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere schaal. Doch juist met -het oog daarop zou ik lust hebben u eenige vragen te doen als: Zijt -gij goede vrienden met de boomen die in uw nabijheid groeien? Welke -vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek hebt gij in de buurt de -mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij om dezen tijd van -'t jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat een mees of een geel -kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u gisteren voorbij -vloog? En hoelang zou 't nog duren eer de kwastjes, waarmee nu reeds -de elzen zijn behangen, zich tot stuifmeelbloemen ontwikkelen? - -Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat. - - - - - - - - -II. - -MEEUWEN. - - -Wij zaten vroeg in 't voorjaar aan de open tafel in een Amsterdamsch -logement. - -Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier wat de Franschen -daarvoor plegen te zeggen: "On parlait la pluie et le beau temps." - -"Mooi weer vandaag!" - -"Het zal niet lang zoo blijven." - -"Waarom niet?" - -"Er zit zoo'n bank in 't westen." - -"Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien vliegen." - -"Dat geeft regen!" - -"Dat geeft sneeuw!" - -"Dat geeft nachtvorst!" - -"Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op één punt zweven, dat -is altijd een goed teeken." - -"Als zij duiken, dat is een slecht teeken." - -"'t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, om haar voêr te zoeken." - -"Wat zouden zij dan eten?" - -"Insekten en visschen." - -"Ik geloof niet aan meeuwen." - -"Ik wel." - -"Wat gelooft u er dan van?" - -"Wel, dat ze weêrwijzers zijn." - -"Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen is er storm op -zee. Ze waarschuwen de schepen." - -"Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een ander dier." - -Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan met deze -heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel mogelijk op -hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik niet weet, -welk soort men daar op het oogenblik vóór had. De kenners maken een -groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of kapmeeuwen. De -laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de jaargetijden -wisselt, zoodat zij 's zomers een zwart kapje schijnen op te hebben, -zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. Zij nestelen in het -riet, aan de boorden van meren, rivieren en plassen, vliegen hier -van April tot September rond en gaan dan naar warmer streken. Zij -leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, door o. a. groote -hoeveelheden meikevers te vernietigen. - -De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij zijn -trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het -winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en -eerst als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker -afzakken, en ons zeestrand, den buitenkant van onze dijken en duinen -bevolken. Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van -den winter een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar -barre, zeer onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling -in de natuur, zijn loon meebrengt. - -Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar al te goed -kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een vuilwordende -laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch landschap al -wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, doordien water, -land en zwerk éénzelfde vervelende tint hebben. De zee echter is dan -nog niet bevroren; haar zoutgehalte en haar altijddurende beweging -houden dit lang tegen; en de duinen... zijn dezelfden die zij in -Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat opgewaaide sneeuw, -die hun niet slecht staat. Als in elk ander jaargetijde, bieden zij -ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke ontspanning aan voor -den langs rechte vaarten en vlakke dijken afgematten blik. - -Op 't strand kunnen wij ons vermeien in 't aanschouwen van dat -zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee noemt; en -het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in 't oog. Een paar -zwarte stipjes op het water doen zich weldra als zwemmende zeeëenden -kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of wat plevieren en -strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien zijn ook hier -natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te zien. Maar -de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al zeer -gemeenzaam met haar moeten wezen, om op een afstand uit te maken, -of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of wel -"Burgemeesters" zijn; doch om het algemeene meeuwkarakter aan haar te -herkennen, behoeft men juist niet "wetenschappelijk gevormd" te wezen. - -Met lust blijft onze blik rusten op die licht-blauwgrijze groep. Welk -een leven en beweging, welk een verscheidenheid van stand en -houding! Juist dit maakt een troep meeuwen zoo behagelijk om aan te -zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo van-alle-markten-t'huis--men -zou bijna zeggen, zoo "veelzijdig ontwikkeld" zijn. Zij kunnen, wat -slechts weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en -goed zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend -als zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het -kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn -zij blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en -vaste woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort -te bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik -nimmer zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de -meeuwen, wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en -bevalligheid tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen; -welk een kracht in het zweven en "staan"! Misschien werkt de zilvertint -iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te maken, maar -stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en bewegingen te -danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op het water, -hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, ofwel -bijna onbeweeglijk boven op de golven dobberen, zoo licht en luchtig -of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin van duikelen, zoo -als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich omlaag buigt, -terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen niet; maar zij -zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder water te duiken, -als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog gekregen hebben; -en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook over haar heen -slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er zich minder -behaaglijk om voelen. Maar 't zij zwemmend, of vliegend of dobberend, -zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog een onafscheidbaar -deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten dit. Stelt u een -"zeestuk" zonder meeuwen voor: gij zult er iets op missen, al weet gij -niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit Heine's "Meereslieder", -en zij verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden. - -Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten vliegen, aan -ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die vraag meent -of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er "ja" op te -antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in kleinen getale ook hier te -lande broeden, en dus als het ware hier, wat de oud-Hollanders kantoren -of factorijen plachten te noemen, aangelegd hebben; doch de groote -menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. Het echte land der -meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, en de op diezelfde -breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een der mooiste soorten, -de drieteenige meeuw, zoo genoemd om de eenvoudige reden, dat zij -slechts drie, door twee zwemvliezen vereenigde teenen, en niet ook -nog, als anderen, een kort, achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij -zwerft in 't gure jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier, -en zelfs aan de fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit -beneden de 58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze -als de eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart -en blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet alleen -tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig noorsch -landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen afwerpen, -wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. In enkele -streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is men -het eens, dat dit te "visschig" is om lekker te wezen. Trouwens -dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend van -visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid: -zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven -dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar -ik nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of -deze niet ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou -mij zeer bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel, -met grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of -op vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls -zeer moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa -der meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde -vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den ganschen -zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van -een plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half -Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten, -ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar -komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug, -waarvan de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert. - -Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, toen hij -voor 't eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog kreeg. "Toen -ik mij gereed maakte voor mijne reis naar Lapland," vertelt hij, -"had ik een aantal beschrijvingen van deze vogelkoloniën gelezen, -en ik twijfelde volstrekt niet aan hare betrouwbaarheid. Maar nooit -zal ik den Julidag vergeten, waarop ik Kaap Svarhollt (niet ver van de -Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst een "vogelberg" aanschouwde. Wat -ik zag was een kolossale muur, als het ware een reusachtige lei, -met duizenden witte puntjes overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein -had een van zijn geweren voor mij met los kruit geladen, om de vogels -te verschrikken. Zoodra dit was afgeschoten, maakten zich die witte -puntjes voor een deel van hun donkeren achtergrond los, naderden, en -bleken de gedaante van vogels, van sierlijke meeuwtjes te hebben, en -verspreidden zich over de zee; maar in zulk eene ontelbare menigte, dat -zij mij aan een sneeuwval deden denken, die plotseling was losgeraakt -en nu in groote vlokken ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter -beeld voor, dan dat het gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De -zee was er mede bedekt zoover mijne goede oogen reikten; en ondanks -dit alles scheen de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was -nu overtuigd, dat vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik -moest zelf erkennen, dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld -van te geven aan iemand die het zelf niet gezien heeft." - -Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts afzakken, -en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich hier -geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks -genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog -slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns -of Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens -alle meeuwvogels "Visschenpikkers"). Ook hun lastige vijanden, -de roofmeeuwen of zoogenaamde "Jagers", volgen haar zuidwaarts, al -hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen als tehuis in den -broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote schrik der broedende -menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste moeite kost, -de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; 's winters daarentegen -geldt de roof slechts den een of anderen door hen veroverden buit. De -"Jagers" namelijk hebben de gewoonte om andere meeuwvogels zoolang -te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, hun vaak reeds half -verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en die dan met groote -behendigheid op te vangen eer zij den grond of het water bereikt. Nog -een anderen harer noordsche landgenooten, den eigenlijken Stormvogel, -treffen zij hier somtijds aan, maar toch slechts in kleinen getale; -van dezen echter hebben zij niets kwaads te vreezen. - -Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van koude terug -vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan men zeer -wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een genoegelijk -leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, ons -te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure -jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor -de natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries -zulk een angst en afkeer hebben. "Nu ja," zal men zeggen, "daarvoor -zijn het zwemvogels." Doch is niet juist dit het belangrijke bij -ons natuurgenot: na te gaan wàt een zwemvogel tot zwemvogel maakt -en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat is het dat het -kleed der meeuwen en der eenden zoo waterproof doet zijn; en wat -stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge vlucht eens vogels -en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? Vlechtwerk moge -geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al zij het slechts -vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht geven het -zoo te noemen. - -Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude, -die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun -vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen -en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: 't is als er -storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk, -onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of -wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk -maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet -gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid -der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs -vele volwassenen hun "humeur" niet boven dergelijke invloeden kunnen -verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene "redelooze meeuw" -daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen -de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem -wonende, hoorde ik dan vertellen, dat "de Zandvoorders hun duiven -loslieten". Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de -rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar -niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater -ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe -vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen -amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar -zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds -een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet -ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen, -die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander -dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo -heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur, -een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer -Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den -wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de -meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en, -in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam -wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar. - - - - - - - - -III. - -BLOEMEN VOOR HET VENSTER. - - -Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne -wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij -het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als -sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig -te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe -vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij -brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets -anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen, -waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde -die er voor bloemen heerscht. - -Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen -het feestelijke van onze feesten,......... - -Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot -en klein, vooral voor 't venster, zelden aan "een bloemetje" -ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt -doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige, -gezellige, verkwikkelijke menschen, "gelukkig voor zich zelven en -een ander," zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan -vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun -eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich -doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk, -vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting, -zoo goed als een gordijn, een chassinet of "horretje". Maar terwijl -eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter -blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes -uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een -stuursch: "Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken",--verbiedt -dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en -groet als 't ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf -de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl -er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat -nader bekijken. - -Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de -Begonia's. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze -variëteiten, van de "ouderwetsche" eenvoudigsten, met donkerroode -bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen -en zilver. - -Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,--drie dingen trekken -bij alle Begonia's, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten -eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad, -waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben, -wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee -helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten, -hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de -plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede: -de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de -anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen -zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen, -vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate -zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde -aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer -in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij -elkaar staan.--Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de -jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit -Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas, -geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene -hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds -in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot -het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt -niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst. - -Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange, -dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen -verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan -denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk -drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan -ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein -zijn als de, minst in 't oogloopende, witte, van de oudste soorten, -of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez, -zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de -fraaie "bolbegonia's" over; de gewonen zijn en blijven in de eerste -plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren. - -Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche -bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte -bladeren--wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid -dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is--doen zich aan -het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al -te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen -wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig -aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of -veranda's, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer -sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den -tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een -dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den -bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste -van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den -regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons -de kleurenwisseling van 't loof alleen normaal doet voorkomen gedurende -den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?-- - -Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort -de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden, -teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met -zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven -uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene -menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven -op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot -haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid -tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen -zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen, -gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf -afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien, -zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de -bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel, -afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den -stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo -spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo'n kroontje van hare -plant loslaat in volle kleur en frischheid,--'t is kinderachtig, -maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan -vast te willen maken. - -Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula's op den kouden -grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of -"Primulaveeren", of "Bakkruidjes", zooals de tuinlui ze plegen te -noemen; de "Primevères" der Franschen en de "Primroses" der Engelschen. - -En dan hebben wij ook inlandsche Primula's, sleutelbloemen die hier -in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige -bosschen en herkent ze dan aan haar "faux-air" van de in den tuin -gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen -dan hier; althans ze bloeit onder den naam van "cowslips" in negen -van de tien engelsche romans.-- - -Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel -haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer- -dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de -kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen, -beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene -plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het, -daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of -men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben. - -Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt -daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied -dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat -al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets -aan, wat men in een mensch "gemaakt" zou noemen. Misschien ligt die -indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg -had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid -heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden -werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve -aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend -struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij -te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar -vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen, -zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen -dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te -zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps, -iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes, -zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen -der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van -een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van -top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak -daar recht vrede mee hebben. - -De kamer-winter-Azalea's doen mij altijd dubbel verlangen naar -een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit: -de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar -vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat -aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen -achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel, -hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden -en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen, -haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere -steeltjes,--dit alles geeft aan het geheel een veel losser en -sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de -andere heeft is... haar heerlijke geur!-- - -Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of -ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind -eene "winterroos" hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op -aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien -tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe. - -Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze "rood en wit bloeien", -en haar geur, volgens Geibel's gloeiende regelen, "gelijk een adem -uit het paradijs over de velden rondwaart!" En ziet dan nog eens -uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in -'t geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos -te lijken? - -'t Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud, -in het doodsch. - -Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle -wintergroen kenmerkt. "Wintergroen" is het door zijn zware opperhuid, -die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als -menschen, die in 't geestelijke "een hard huidje" hebben. In kleur -en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen -eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig -doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad -alles wat inwendig voorvalt. - -Doet ons de opperhuid van 't groene blad aan leder denken,--die van -het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren -dan ook juist in hun Camellia dat "wasachtig" aanzien. Het zou -misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant -heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat -leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in -een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer -onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als -menschen aankeken? - -De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat -men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite -slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien; -en, mits 't een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang, -onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen 't groen laten hangen. Een -gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De -schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft; -de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere -nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat -het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En -haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het -uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder -dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in -die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en -langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag -geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed -doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft -nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen. - -Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak -uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke -eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo -schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de -gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het -fijne tintenspel nog daargelaten,--is niet ieder rozenblad, in vorm -en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen -is toe? - -En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia, -met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of -de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende -lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid -harer twee en drie ongelijke kelkslippen! - -Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!... - -Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde -boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij -dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene -roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen; -als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;--en alle -doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van -het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering -kunnen brengen. - -Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien -sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden -opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst -gun, niet altijd aan 't vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste, -maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk. - - - - - - - - -IV. - -SPROKKELMAAND. - - - -Zoo luidt sinds eeuwen Februari's bijnaam; en in oude almanakken ziet -men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen, -met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken, -om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar -te zamelen. - -"Waar men hout hakt vallen spaanders", zegt het spreekwoord; en niets -is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid, -dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn -er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die -graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos -zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een -boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins -"door merg en been", als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke -hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden, -anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den -aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop -der jaren als het ware een individu is geworden, een "iemand", zonder -wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen; -een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield -voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken, -in 't voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw, -in 't najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des -winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is 't ons vaak of er -een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber -werk verrichten. En is dit niet min of meer 't geval met alle boomen: -brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk, -iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke -Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die, -om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens -denken aan de arabische spreuk: - - - Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen. - - -Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden -aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van -sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge -boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur -gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge -aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder -aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen -van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in -de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig -beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,--omdat men er -meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen, -of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag -geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den -duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje -is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een -boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die -linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit -zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen -wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele -wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste -van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt, -en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En -wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat -een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft, -dat zij "ongezond zijn"? Ik weet een stad, waar vroeger overal, -langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede -punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden, -en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien -men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben, -zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten -wachten tot zij weder groot zijn!--En dan komt het maar al te dikwijls -voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is, -iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt -het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom, -een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat, -op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover -vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in -hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller, -zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels -bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag -men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht -aan haar lot overlaten, als met een "après nous le déluge"? En is -er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in -'t zien opgroeien van wat men heeft aangelegd? - -Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend -is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel -jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus -Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te -doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke -reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer -deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen -trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, "in jammer en in lijden", -en riep "Maria-Moeder, de reine maagd" tot getuige, dat hij gedaan had -wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet, -de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een -wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En -hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat -er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser -doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn -wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met -Wagner's blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem -gedane wonder genot late hebben,--de dorre stok met groene blaadjes -staat daar als lieflijk beeld van de "eeuwige genade", die meer is dan -"straffende gerechtigheid". - -Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die -een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg -geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien -ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in -Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij -namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar -waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt, -zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met -een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming -aan op een vorstigen Februaridag, en moesten "gekuild" worden tot -de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een -stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden, -om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar, -en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en -daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen -liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors, -om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden -beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer -een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van -gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan -dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en -wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van -'t geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste -blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor -iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne -eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid -geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar -de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is -het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij -tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang, -of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij -niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel, -hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten, -bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in -het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds -bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde -jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige -landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon "groen -gewelf" zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van -leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen -in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken -geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein -geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij -Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van -de prachtige houtpartijen rondom 's Graveland bestond niets, totdat -vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde; -en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad -had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer -groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans "de schoonste -beukenlaan van Nederland", de veelgeprezen laan van Middachten is.... - -De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt: - - - "maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht". - - - - - - - - -V. - -DE LANGE LENTE. - - -Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner, -onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die -ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht -had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de -kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders -antwoord: "Voor de lange lange lente."--Eens op een bar kouden dag, -terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij -niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was--werd er -altijd bij verteld--vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor -haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij -gaf hem de zij. Toen haar man t'huis kwam, en zij hem vertelde wat er -gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange -lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger. - -De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot -verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente -zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de -lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden -ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet -zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te -hebben. 't Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht -is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik -antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en "goed voer en -een warmen stal" zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere -dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse -speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: "Maart heet Lentemaand; -een mooie lente met die Maartsche buien!" Maar men kan het, omgekeerd, -ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren: - - - "Mars, qui rit, malgré ses averses, - Prépare en secret le printemps." - - -In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist -uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij -de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit -opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten. - -Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe "Maartsche lucht" die -velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor -teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor "de Maartsche -bleek"? 't Is haar rijkdom aan ozon. 't Is omdat, in dezen tijd van het -jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht -hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,--om 't even of -hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden -worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel -iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo -schadelijk; zij "pakt hen erg aan" en maakt hen eer verkouden; maar -voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien--neen, -zij het slechts op een gewonen, grauwen--Maartdag één uur goed -doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en -zijn helderheid, hoe "sterk" de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens -te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen -bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen: -de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de -lente eensklaps komt, en "het groen" in een paar dagen "uitloopt", -dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en -dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen -dichter, "tusschen hare buien door lachend, in 't geheim de lente -gereed maakte." Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar, -dat vergoedt zij ruimschoots in stilte. - -Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme -lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles, -wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn -uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden -dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden, -diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo -was het in het voorjaar van 't beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch -bloemkweeker, "geholpen door de Muzen" aldus in een vriendenkring -zijn nood klaagde: - - - OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN. - - Een oude wrok is dus in Zephyrus' gebleven? - Hij schijnt nog niet voldaan met Hyacinthus' leven! - Neen, zijne gramschap treft op nieuw 't onnozel bloed - Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed. - Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten, - Uit Phebus' lieveling tot ons vermaak gesproten. - Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal! - Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval? - Eerst werd Andromeda door 't monsterdier verslonden; - Geen Perseus werd haar ten verlosser toegezonden. - De stevige Atlas, die den ganschen hemel torscht, - Moest bukken voor 't geweld van hagel, sneeuw en vorst. - Pomona gaf den geest! Vertumnus is verdwenen. - Helpt, Goden, mijn verlies in Frankrijk's kroon beweenen! - Fleury is heengereisd, die arme kardinaal! - Colossus viel ter neer; met hem mijn Prins Royaal. - Ach, brave Cicero, gij buktet voor tirannen; - Met u zijn Vrijheid en Het Roomsche Regt verbannen. - Formosa Helena is wederom geschaakt, - En Paris met zijn buit te zaam omkoud' geraakt. - De groote Goliath boog voor 't geweld der steenen, - Maar Koning David's dood moest ik meteen beweenen. - Mijn Ganimedes lag door 's winters hand geveld, - En werd door Arcas naar het starrendak verzeld. - Twee Roomsche keizers zijn, (Vitellius was de eene, - Augustus d'andere), met Nisa laas! verdwenen. - Zelfs Scheba's Koningin, met Koning Salomon - Zijn door 't geweld verdrukt, dat Juno zelfs verwon. - De Morgenster was heen, de Maagd van Dordt geschonden, - De Kroon van Salomon en Hollands Staat verslonden. - Mijn Philomela werd met Theseus omgebracht; - Polyxena op 't graf van Peleus' zoon geslacht. - Hier zag ik Icarus naar d'Eridaan gezonden; - Den dappren Hector aan Achilles' lijk gebonden. - Le Roi des fleurs stierf weg, door hagel (niet van lood), - Regina hield haar man gezelschap in den dood. - De Graaf van Egmond liet in mijn gezigt het leven; - Ik heb Honorius den laatsten snik zien geven. - Hier zag ik Hannibal, daar Cesar ondergaan, - Met Palamedes en Ulyssus is 't gedaan! - De trotsche Phaëton viel met den Zonnewagen; - Parmenio werd kort hierna in 't veld verslagen. - 'k Zag Agamemnon in zijn eigen bloed gesmoord, - En Clytemnestra naast Orestes snood vermoord, - Hier moest ik Orondaat, daar Statira beweenen, - Ginds is mij Pyramus en Thisbe's geest verschenen. - De groote Jupiter vloog met den Arend heen, - De Zilvren Maan werd bleek; en Phebus' glans verdween. - Ik zag Patroclus naast zijn vriend Achilles sneven, - Vorst Priamus den geest aan Pyrrhus' voeten geven, - Het Hert is op den loop, en Pegasus op hol; - Wat van Monarq' du Monde, een allerbesten bol, - Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan staren,-- - (De droes nam mij het paard,--zou hij den ruiter sparen?) - De Sultan is verreisd; King George meê van kant, - En met den Ooijevaar naar 't onbekende land! - 'k Heb Thalia en Mars, en Hercules zien vellen;... - Waar is, o Goôn, de schaar die 'k eertijds konde tellen? - Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld verkwist? - Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist! - - -'t Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook in het jaar 1740. En -daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op onze 52 1/2° N.B., -in den kouden grond planten wil kweeken, die in de Levant t'huis -behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar werpe niet ten slotte de -schuld op ons klimaat! - - - - - - - - -VI. - -BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN. - - -De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft vandaag vakantie weten te -bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij daarvoor aan den -burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het een der eerste -mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes kievitseieren wou -gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik geloof nog meer dan -in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die laatste punten geen -kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste heel bijzonder veel -goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol eieren t'huis komt, -en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn bekwaamheid. Als hij een -"kieft" ziet vliegen, kan hij niet alleen zien waar diens nest is, -maar ook hoeveel eieren daarin liggen, en of er vuilen bij zijn. Hij -heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij in de geheimen van dat vak te -onderrichten; en ik heb ook een en ander van de theorie onthouden, maar -de praktijk heb ik nimmer goed beet kunnen krijgen. Eens heb ik een -nestje met drie eieren gevonden; maar het was meer geluk dan wijsheid -dat ik die niet stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten. - -Intusschen is 't mij vaak een waar genot geweest, om, toen ik nog in -zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen vergezellen. De -kievit is een weidevogel. "De kievit," zegt Brehm ergens, "behoort -bij het karakter van het hollandsche landschap, evenals de alpenkraai -bij het zwitsersche, en de struisvogel bij dat van de woestijn. Hij -doet onwillekeurig denken aan slooten en vaarten, aan zwartbonte -[1] koeien, aan windmolens en buitenplaatsen." De vraag is, of men -dit niet evengoed kon zeggen van andere vogels; de kievit is daarbij -niet aan ons vaderland gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare -Kiebitze bij menigte; in Engeland is de Peewit geen zeldzaamheid, -en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in omloop: - - - Qui n'a pas mangé de vanneau, - N'a pas mangé de bon morceau. - - -(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen wij ons met hun -eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en grof!) - -Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze nederlandsche -vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de weiden. April is -grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor zijn, het gras heeft -zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; en een voormiddag -zwervens door die groene velden levert zijne eigenaardige genoegens -op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van stevig schoeisel, en -ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op lente-zoelheid te -rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp in de vlakte, -waar zijn lange, breede stroom slechts op groote afstanden door een -paar huizen of een boschje wordt gebroken. Overigens, hoe eentonig -dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, zijn er allerlei -onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het alleen maar in -de vogelenwereld. - -Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een stadstuin te bepalen, -zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. Let, om te beginnen, -eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den paal van 't hek zit, -waar wij door moeten. In gedaante en bewegingen komt hij geheel overeen -met het welbekende parelgrijze kwikstaartje; slechts de gele kleur, -het helderst aan het kopje, onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen -uit het zuiden; zijn wijfje zal wel in de buurt zijn, want men ontmoet -altijd een paar bij elkander. De witte kwikstaart nestelt in de boomen -of, evenals de musschen, op het dak; de gele daarentegen houdt zich -lager bij den grond. Hij bouwt geen nestje; hij richt slechts een -kuiltje daarvoor in. Zulks kan men trouwens van al de vogels zeggen, -die met hem de weide bewonen: zij geven zich veel minder moeite voor -hun nesten dan de zangers der bosschen. Daar hebt gij, van zangers -gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij ooit een leeuwerikken-nestje, -met een stuk of drie eitjes of onbeholpen vederlooze jonkjes er -in? Men moet een geoefend oog hebben om het te ontdekken: het is niet -dieper dan duizend andere oneffenheden op een eenigszins hobbeligen -bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en zorgen vrouw Leeuwerik -heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en zoo kwaad als het gaat -bij elkander te houden; terwijl haar mannetje omhoog meezingt in het -concert, en door de geheele wereld gevierd wordt:--zooals trouwens -in meer kunstenaarsgezinnen het geval is. - -De muzikale talenten zijn overigens niet sterk vertegenwoordigd -in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij vliegend, hetzij -loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer weinig -welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: Grutto, -Tureluur, Kievit, eene klanknabootsing is. Het klagend, eentonig -geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat grauw -is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, een -weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper, -nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van -wulpen, tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren, -waarop zij veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is -iets minder eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen -zeggen, dat hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog -een beetje verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des -avonds, alles overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op -denzelfden toon herhaald: Kare-kare-karekiet-kare! Dat is het liedje -(?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets dunner -en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, een -tusschending tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; en, -meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het -vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns getroffen heeft, -kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt het ons altijd -van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de Vecht bij -Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een rietstengel -geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten schreeuwen, -met een kracht, die, als men het diertje niet kende, stellig naar -ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen zoeken. - -Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, die ik -hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de -merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat, -die zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij -die gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent "haren", -die "te berge rijzen"? Zoo gaat het met de veeren van den kemphaan, -of liever van een soort van manteltje, dat hem om de schouders en, bij -wijze van schild, voor de borst hangt. In gewonen toestand liggen deze -veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij slechts zijn hals wat verdikken; -maar zoodra hij zich tot vechten gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen -hem, op Texel, niet onaardig den naam van "kraagmaker" bezorgt. Dit -vechten geschiedt in den paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een -wijfje, soms ook om een insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder -eenige zichtbare reden, uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd -heeft altijd twee aan twee plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht, -het aangewezen zinnebeeld van het duel. Hun wapen is hun lange weeke -snavel, die in de hitte van 't gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren -bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen -wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van -beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood -ten gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen: -zij loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit. - -Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen persoon; en terwijl -onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat inspekteeren, willen wij -hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. Het is altijd raadzaam -om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker mede te nemen, ten einde -tegemoet te komen aan de schuwheid van de vogels, die wij nooit dicht -genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn meest in het oogvallend -kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder heeft hij de grootte -van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van een ekster, ofschoon -een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en zwart, met beurtelings -groenen en purperen weerschijn: alleen komt er aan de zijden een -weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft volstrekt niets van -den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo kort, dat hij slechts -eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. Zijn bek daarentegen is -geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn gansche levenswijze -samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang genoeg zijn om hem -dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te doen herkennen, -zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op hoe hij, bij -het vliegen, de pooten achteruit steekt, in plaats van ze onder 't -lichaam op te trekken.--Een raar ding toch, dat vliegen. Is het niet -iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een dier zóó dun zijn, -dat zij bijna geen gewicht hebben, en bijna geen ruimte beslaan; -en daarentegen zijne voorpooten zóó sterk ontwikkeld en met dons en -gesloten vederen begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen -van een schip? Dat daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem -vergunnen zich naar willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij -dus van nature de inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche -moeite aan een luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert -door het luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden, -en die wij hem, sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden, -nog altijd niet hebben leeren nadoen!... - - - "Ik wou dat ik een vogel was, - Een vogeltje met veêren." - - -Zoo zingen de kinderen, en onder alle schoolversjes is dit een -dergenen, waarmee hun jong hart het meest instemt; en ondanks al zijn -eigene bewegelijkheid kan een kind lang achtereen oplettend naar -een vogel kijken, en eindelooze vragen doen omtrent het geheim van -zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in den regel niet mee -in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, "en een mensch is -nu eenmaal geen vogel," luidt zijn afdoend antwoord. Is dat vooruitgang -in ons geestesleven? Is dat toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen -in jaren?... Wee dengenen die geen vragen meer doen! - -Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij vliegen samen -op een kleinen afstand om ons heen. Zij maken allerlei verschillende -bewegingen, voeren als het ware een ballet in de lucht uit, en roepen -allerhande variatiën op het thema kie-vit. Van vragen-doen gesproken: -wat beteekent die taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien -zij op dit oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben -dan ook alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het -nest reeds ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier -eitjes er in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij -toont ons hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet -hem echter niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons, -die in dit vak nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een -welverdiend verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af -te leiden door naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne -menschensluwheid kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de -arme dieren is, dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te -goed hebben. Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans, -daarvan op nieuw beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter -kan zich zoo warm maken over de "wonderschoone Meimaand" als de -kievitten doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening -en menschelijke wetten begrepen. Vanaf 1 Mei toch is het zoeken van -eieren verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet -altijd werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is -er dus voor hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij -zestien dagen noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij zich -bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen -hoog gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is -verder, niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken -te verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld -bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken -zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer -dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood, -bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet -men hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden, -en als het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als -zij in grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo'n vijand aan te -vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals -zij dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk -gezicht is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend, -en dienen door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad, -den anderen vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers -is die ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei -of een ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek, -in September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen, -naar het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart, -eerst bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug. - - - - - - - - -VII. - -RONDOM EEN MOLSHOOP. - - -"Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het -gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen -spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en -den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe -beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke -lente."--Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen, -die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk's werken -zullen uitmaken. - -Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld; -benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er -beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en -ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken! - -Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan, -in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de -plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan -paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De -paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels -nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij -die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens -vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te -vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet -zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken -in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die -pooten zijn voor ons 't belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm, -èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In -onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol, -gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om -te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar -merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen -tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander -maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen, -die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken; -en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin -die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar -het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te -maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen; -mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk -tot de "molshoopen", welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer -paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij -is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun -deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn -bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop -voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar! - -Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?--'t Hangt er -van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga, -zorg ik, dat ik met een volle t'huis kom; maar houd onderwijl mijn -oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op -het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid -afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren -die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het -eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en -geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten; -en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en -met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet -deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou -mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend! - -Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op -mij uitoefent?--Het was een tuinman uit de buurt. Hij was 't, die mij -de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in 't voorbijgaan, -ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit -verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen -ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet -spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste -geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als -over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare "griezeltjes", die ik -om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte -en die gele "spikkels" van de weide leerde kennen en liefhebben; die -mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag: -"hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?", en mij de pret van "'t -kaarsjes blazen" dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit -een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte -zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in -'t seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij, -aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder -aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten.... - -In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het -beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat -voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het -teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede -het "onpraktisch" karakter van zijn lessen. De jongens hollen door, -beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur -ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen -wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn -duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel -uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit -niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee, -dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd -vele beesten en gewassen "uit elkaar te leeren kennen", als wel om -hen "in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode", die -hen helpen kan "een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de -mensch in de wereld inneemt", enz. De ander echter blijft van oordeel, -dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest -heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen -rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat -gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden -degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het -niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan -onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen, -dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap, -en tusschen de "methode" van verschillende scholen; maar ik heb alle -reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want--om slechts bij de -weide-"stippels", die wij straks bespraken, te blijven:--indien ik met -belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de -vorm der meeldraden van de "boldragende ranonkel" tot bewijs dient; -indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de -roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried's laatste -bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan -voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad -vertellen,--dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is, -die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft! - - - - - - - - -VIII. - -PALM-PASCHEN. - - -"Pallem-pallem-paschen!..." klinkt het jaarlijks alom in -kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een -voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg -inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van -een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken, -en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij -zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan -zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun -"Pallem-pallem-paschen!"... met nog eenige moeielijk verstaanbare -klanken er achter. - -Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die "het van dergelijke klanten -moeten hebben", kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen, -bekend maken. 't Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate -dat het groot en weelderig is,--waaraan een sinaasappel en een paar -appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en -papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van -den welbekenden buks- of palmboom. - -Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord -had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien -naam van "palm" gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst -tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal -grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde ("een-zaadlobbige" -[2]) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten -aan de Bildt van ouds den naam van "Palmmarkt" dragen, staat de -Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den -Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in -het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de -eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen, -vertegenwoordigen het daverend "Hosanna", dat in zeker onvergetelijk -drama zoo kort aan het "Kruist hem" voorafging! - -Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin -verhaald wordt hoe in 't Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte -palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de -kardinaals voor 't altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in -andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters -met olijventakken in de handen; hoe men zich in 't gebergte vaak -met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte -wilgenteentjes dienst doen.--Ook bij ons in 't Noorden moest -natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd, -een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt -men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan -nauwlijks uitgebot. 't Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo -slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes -vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor -'t doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven; -en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk -te krijgen. Eenmaal geregeld "palmdienst" doende, kreeg hij den -naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk -gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht -"onreine geesten" te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van -'t volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere -tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden -verspreiden, verhindert niet dat "palmboompjes" tot de meest algemeene -huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door, -palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen -'t inslaan van den bliksem. - -Den ganschen winter door kroop hier en daar in 't bosch, in tuinen, -en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met -vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de -eenige verdienste was,--dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds -kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een -paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van -'t loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men -aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En -indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich -door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is 't niet -vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, 't zij in -vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der -bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets -bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te -weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf -het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga -dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch -om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er -haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar -zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En -zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde -voor die teedere gave. - - - - - - - - -IX. - -TULPEN. - - -Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der fantazie, half als zeer -gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, tot eene natuurlijke -rangschikking der planten te geraken, een standen-verdeeling van -de "Ingezetenen des Plantenrijks" beproefd. In deze teekenachtige -indeeling, die op naïeve wijs den stempel van haar tijd draagt, en -in onze demokratisch-wetenschappelijke eeuw, om meer dan eene reden, -met een glimlach ontvangen zou worden, noemde hij: - -"De Palmen, Vorsten, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en -ongetakt blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is). - -"De kruiden des Velds, (een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei -gestalte), de Edelen. - -"De Boomen, die de bosschen uitmaken, de Staten. (Men vindt ze -omringd door hunne dienaars en beschut door een wacht van Soldaten, -namelijk die doornachtige gewassen, welke zich dikwijls om de stammen -en takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan Tafelschuimers, -namelijk de woekerplanten.) - -"De Grasplanten, het Landvolk (de kracht en steun des Rijks, die, hoe -meer zij besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.) - -"De Varens, Werklieden (die 't zaad op den rug dragen). - -"De Mossen, Slaven (met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die -schraal zijn en honger lijden, moetende zich behelpen op plaatsen, -welke voor de anderen ongeschikt zijn.) - -"De Wieren, Duikelaars, (bijna ongekleed, zonder optooisel of -fraaiheid.) - -"De Paddestoelen, het Uitschot des Rijks, (dat zich niet toelegt dan -op stelen en rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als -'t ware in den nacht, als de anderen slapen)." - -Op dit tooneel nu figureeren de Bolplanten als "Hovelingen, -pralende met heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het -Rijk te strekken."--Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die -schitterende Leliën en Tulpen, Ixia's en Narcissen, al die prachtige -soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die bevallige -Scilla's, Frittellaria's en Cyclamens. En ondanks hun rijkdom van -verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend gemeenschappelijk -karakter. - -Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die schijndoode -bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk terugtrekt, -alsof 't in een zaadkorrel ware? Die zich laat drogen, verzenden, -op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met behulp van een -weinigje vochtige aarde,--(Hyacinthen en Crocussen groeien reeds -alleen in water, en Colchicums hebben zelfs deze laatste voorwaarde -niet noodig,)--de bladrozet en bloemsteel ontspruiten, welke daarin -maanden lang als kiem, zonder merkbare ontwikkeling, opgesloten lagen! - -De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: lange lint- of -zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en overlangsche nerven, -zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende adertjes: in één -woord, gras in 't grof. Hoe al wat bollen draagt ook boven den grond -overeenkomst heeft, bewijst het voorbeeld van de uien; het zou mij -niet verwonderen, als iemand bij vergissing een tulpenbol en een -chalotte omruilde, en het blad van eene zoogenaamde zee-uie zou men -gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen doorgaan. - -Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in onveranderlijke -voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, in plaats -van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de tweemaal-drie -blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een Hyacinthen-nagel, -de sierlijke driehoekigheid der groote witte Irissen, die zwanen onder -de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan dien regel van -drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal (niet gevuld) is, -drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; of één driehoekig, -zooals in Tulpen. - -De hoorn des overvloeds, verborgen in den onuitputtelijken zak van -den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, reeds eer nog de dagen op -hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen in de huizen uit; en wel -van eene soort, die de oude grief,--dat zij "wel pronken, maar niet -geuren,"--het volkomenst logenstraft: de welriekende "ducjes" (Duc van -Toll.) Het zijn bescheiden tulpjes, althans wat haar omvang aangaat, -maar overigens in 't oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud, -zwart--(de duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische, -zooals zij b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom -van verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te -tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden -in drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes -samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook -het zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In -hun midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl, -op het driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den -bloei der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of -gevuld zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van -het vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes, -verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet -of men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan -bij menigte. - -Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond bloeien; en een -aantal liefhebbers vermeien zich in 't schouwspel dat "de bollenlanden" -rondom Haarlem en elders te zien geven. Veler smaak intusschen voelt -zich daartoe in het geheel niet aangetrokken. Zij vinden weinig moois -aan "zoo'n bloemenfabriek", en vergelijken de met vierkante vakken van -roode, witte, gele, bonte tulpen prijkende akkers bij het droogveld -van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot gelijk aan; -maar er valt dan ook van een "fabriek" niet anders te verwachten, -dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo doelmatig mogelijk -rangschikt, en de orde bij het planten en rooien hooger acht dan de -bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij echter hindert het, -als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, onbehaaglijkheid die in de -schikking op de bollenvelden heerscht, terugvind in parken en tuinen, -waar er geene verontschuldigende reden voor bestaat, waar zij louter -"voor het mooi" geplant zijn, en waar dus alles moest gedaan worden -om ze bevallig te doen uitkomen. - -Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in hooge mate te -"flatteeren", leerde ik een paar jaar geleden van het toeval. In een -rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, had een knecht, zonder -er veel bij te denken, een mand vol gezonde bollen uitgeplant. Er -stonden daarin echter ook--van boven geheel afgestorven--drie planten -van de welbekende reusachtige Beerenklauw (Heracleum giganteum). Toen -nu in 't volgend jaar de tulpen--het waren geen zeer vroegen--gingen -groeien, begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en -tegen dat de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de -laatsten juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder -ze te veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel -tusschen de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken; -het heldergroene loof der tulpen hing daar onder en daar over heen, -terwijl de witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er schitterend -boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer moeite -zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger opschieten; -en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, aan de meeste -bollenperken eigen. Het geheel was in één woord zóó teekenachtig, -èn wat lijnen èn wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan -de schoonheid die een tulp in haar natuurlijke omgeving--ik meen, in -haar vaderland--hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende -als model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig -dieper gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen, -zal men er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient -gedaan te worden dan in kweekerijen. - - - - - - - - -X. - -HEI! 'T WAS IN DE MEI! - - -De Mei is in het land! - -Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker achteruit gaat, -en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet geweest zijn dan -heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk gemaakt hadden -van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te dikwijls, bij -de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van "de zoete Meie," - - - "..............een kus, - Dien de zon geeft aan de aarde," - - -klinken bijna als eene bespotting van de hedendaagsche pinksterstormen. - -Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die in -ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens -vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog -een andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere -geslachten, of liever de traditioneele volksgeest, welke die legenden -en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan wij -zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de -hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen, -avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen, -of te meten? 't Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat ooit -eenige weelde--welke ook--naar hoeveelheid berekent! Ons beter -deel,--de dichter in ons,--weet wel anders. Hij weet dat daar geen -sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of korter, maar -van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu drie- of viermaal -heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of niets toe, mits -elk onzer slechts één oogenblik dien lach heeft weten op te vangen, -zóó dat hij ons door merg en been, door ziel en zinnen heendrong,--zóó -dat nog maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering, -en ons hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: Lente! - -De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de overlevering -brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, welke ons, -indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen, -jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen -altijd de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en -de lucht zoel geweest zijn juist op den 1sten of den 21sten Mei, -en de noordoostewind de takken op de Meiwagens ontzien hebben? Soms -wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. Maar het feest was -eenmaal dààr; en verreweg de meeste feestgenooten waren sterk van huid -en zenuwen; en de hartstocht der werkelijkheid was niet altijd zoo -wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op zoo'n dag hun fantazie -beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den ouden regen of de maar al -te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet eens de moeite waard om -op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog gaat bij dergelijke -feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander publiek, dan 't -geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes te lezen! - -Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer zijn Meifeesten -weggelegd,--even plechtig als men 't zich van Druïden-priesters, even -jolig als men 't zich van middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits -hij zelf bereid zij, zal het Meiweer wel komen! Maar het komt -onverwachts. Somtijds springt het over de grenzen en komt in April -of in Juni: ook die gril moet men nemen zooals 't valt. - -Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw venster te -kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure dagen genoeg -aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, visites -doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als een -heiligendag. - -Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met een waas -van schoonheid overtogen,--zelfs de kaalste velden en de leelijkste -moerassen,--maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. Begin eens -ginds aan den stadswal, waar 't leven van natuur en maatschappij -elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met gras en jonge -lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al schrobbend zingen, -met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, waar gij 't oog hebt -op de tuinen in den omtrek, waar de hagedoorns bloeien, en waaruit u -nu de ééne, straks een andere geur te gemoet komt, die u doet denken -aan,--ja aan....? Gij weet het zelf niet...--zeker aan een vroegeren -Mei.--Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en verdiep u in het -duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: kruipend, zwemmend, -vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog wel lang niet -alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken u ieder -jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en u, -in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag: -waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen? - -Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de bloemen, die -wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het woord, en -vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van hetgeen -u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u zelven; -van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch bij -te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten -te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje -sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij -wat gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik--in elk geval -slechts in verbeelding bij u--ben een veilige vertrouwde. Vertel -mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en -teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord -de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld, -ik luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,--welnu, dan voel -ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van -bewustzijn te hebben, boven dat uit, wat zich reeds als denkbeeld weêr -laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? Stemt zij u tot juichen, -als om strijd met de vinken; of dringt zij u terug in u zelven? Bezielt -zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot werkzaamheid en leven, -die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult zij u met weemoed over -onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; in beiden kan een schat -van levenslust en van ontwikkeling besloten liggen. Met beiden zou ik u -geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. Die raad--ik meen wijding -voor de opgewektheid, ontspanning voor den weemoed--lag van oudsher -in samenstemming met de edelste, beminnelijkste aller fantazieën, -ooit aan de dichterziel der menschheid ontsproten: dankbaarheid -jegens een verborgen Maker, die de lente en hem die haar liefheeft, -naast elkander voortbracht. Verheug u, zoo de tooveresse Mei u doet -meedoen aan die "goddelijke dwaasheid", die hoogste geestelijke weelde! - -Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen gepraat heb, -heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor u. Gij -vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een bloeiend -eschdoorntakje...... - - - - - - - - -XI - -EEN ENGELSCH LANDSCHAP. - - -"H. M. de Koningin zal overmorgen haar kasteel te Windsor betrekken, -en aldaar eenige weken vertoeven." - -Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, zie ik reeds -in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het welbekende -teeken van H. M.'s tegenwoordigheid op het kasteel), en breidt zich -eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in al zijn -heerlijkheid voor mijne oogen uit. - -Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. Velen onzer -hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen gezien, maar dan -waren die doorgaans òf tot bouwvallen afgebrokkeld, òf tot gevangenis, -wapenhuis of iets dergelijks gedegradeerd. Een oud versterkt slot -echter, zoo geheel in zijn middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans -zoo goed onderhouden en keurig ingericht, als voor de woonplaats -van een der voornaamste europeesche hoven van onzen tijd betaamt, -vindt men niet licht ergens anders dan te Windsor. - -Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers voor eenige -fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras bezoeken, -en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de meubileering -der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling tusschen -het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig comfort -van H. M.'s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor verblijf houdt, is -natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer ingekrompen; maar -m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de meerdere levendigheid -en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje heerscht. Het is -dan bijzonder aardig, om van den hoogen "ronden toren", dien men ten -allen tijde mag beklimmen, op de ruime binnenplaats neer te zien, -de vuren in de bewoonde appartementen te zien flikkeren, de warmte -der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en voorrijders af en aan te -zien rijden, in één woord een blik te slaan in het groote huishouden -beneden. - -Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat sommigen -misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden kunnen -noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste -vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige -mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,--een afstand die -jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar -tot nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het -liefelijke van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken -van Londen zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid -van het engelsche landschap leent er zich geheel toe, om rondom de -hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet -in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk -bewoonde gedeelten van Europa's vasteland; oorspronkelijke wouden -vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten -zijn meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid -van alle natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het -gezellige, parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken -kenmerkt, en waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen -landbouw, hun dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar -één samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt, -spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke -zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen -heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing -in het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen, -en toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te -voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen -tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel -de weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van -volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland -groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt -van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij, -wij hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en- -zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen, -eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan -te treffen, vindt men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij ons, -zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht een -boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle kanten uit kan -groeien en zijn grootsten omvang bereiken: één blik op eenige engelsche -landschap-gravures kan ons toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen -ten achteren zijn. Dit een en ander kenschetst het karakteristieke -van hun landschappen. En indien men dan ten overvloede een rivier -als de Theems in het oog krijgt, niet breed, maar allersierlijkst -kronkelend.... Waarlijk de "country" rondom Londen is verrukkelijk; -en aan ieder die de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje -naar Windsor, als proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het -aangenaamst in "het schoone jaargetijde"; maar door den overvloed van -wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook -vroeg in 't voorjaar, laat in 't najaar, ja zelfs in het hartje van den -winter recht behaaglijk. 't Is inderdaad merkwaardig, hoeveel prachtige -ceders en naaldboomen er prijken op de grasvelden der parken; hoeveel -hulst, ligusters en eene eindelooze verscheidenheid van groenblijvende -boomen en heesters, (tot groenblijvende eiken toe), men in de tuinen -vindt; en welk een schat van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt, -zweeft, klimt en guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen, -hekken, huizen en heggen, "Ivy lodges" en "--cottages". Natuurlijk -hangt deze liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche -aristocratie, om bij voorkeur den winter op het land door te brengen, -en is zij vandaar gaande weg naar de lagere standen afgezakt. - -Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens onwillekeurig -terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in zoover het ons -een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de meeste, -later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een -halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks -den naam van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en -hotelstraat, welks ronding die van den muur van het slot volgt, -laten een niet onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken, -late zich de slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het -schoone witmarmeren praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin -van koning Leopold I van België).--Maar vlak tegenover Windsor, -door een fraaie Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel -grootere stadje Eton; en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton -het wereldberoemde college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben -niet, sinds verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte, -hebben niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle -mogelijke helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere -kringen spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te Eton -school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte -die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet, -eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond -mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw, -zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend -en niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de -half uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en -trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag middag; -de kweekelingen, Eton-boys, zooals zij in de wandeling genoemd worden, -liepen aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar -aan hun zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en -dassen... Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen? - - - - - - - - -XII. - -IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD. - - -Reeds vroeg in 't jaar, tegelijk met boschanemonen en muurbloemen -en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus Japonica. 't Was het -sieraad van de buurt, die welige drie voet hooge leiboom in zijn -schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den noordenwind, en -volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het schoone jaargetijde -in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst meer sprake -kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn gloed, -te treffender in dat seizoen der zachte tinten.--Dat het een peer- -of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er hier -in 't land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet juist -appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde -kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk -voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet -het loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks -de sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn -bouw datzelfde stokkerige, hoekige karakter, dat, zal men de verlakte -werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche -Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op -de knoopen der takken,--een plaag voor ieder, die er een bouquet van -wenscht te maken,--hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch -porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam "Ya-lo-ala": -zou dat misschien de vrucht zijn, die dit soort van appelboomen in -hun vaderland draagt? - -Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De perenboomen -zijn reeds "als met een wit laken overdekt"; en hun eigenaars -worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke gezicht, en -angst voor ieder oostenwindje dat vorst of "zwarte vlieg" zou kunnen -aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, dat deze bête noire geen -"vlieg" is, maar een kevertje.) En nog een dag of tien, en 't zachte -rood der appelbloesems zal, voorlooper van 't later rood der rozen, -aan duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven. - -Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen in de -pomologische wereld;--ja, lezer, ook een wereld op zich zelve, zoo -goed als de "groote", de parlementaire, de letterkundige, en andere -afzonderlijke werelden!--Denk aan de pereboomen in de boomgaarden -van onze boerderijen: echte knoestige boomen, met stammen en kronen, -waaronder menschen rondloopen en kinderen spelen, en schapen aan -een lijntje grazen kunnen. Denk aan de appelboomen, zooals zij in -Duitschland langs de wegen geplant zijn, om den wandelaar een schijn -van lommer, en den pachter op den koop toe een oogstje te bezorgen, -en die mevrouw De Stael, bij hare komst "en Allemagne", vervulden met -een grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen -zij hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef -hangen tot het rijp was!--En denk dan aan de "snoeren en palmetten", -de "spiraal- en vleugel-piramiden"; in één woord aan die zonderlinge -waaiers en ladders en rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker -ze invoerde, boompjes welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen, -dan aan hunne eigene eenvoudige stamgenooten herinneren. - -"En kies tusschen het oude en het nieuwe," had ik er haast -bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht kijken, valt er -niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. Doch daar men -nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om "het mooi" kweekt, maar -om de vruchten; en de "beredeneerde kweekwijze", omdat zij wezenlijk -onmiddellijk op natuurfeiten berust, op de grootte en de fijnheid van -die vruchten waarlijk gunstig werkt, valt daartegen niets afdoends meer -in te brengen. Wie voortaan eigen appelen en peren eten wil, kieze -uit de honderden op eene prijslijst voorkomende nummers die, waarvan -hij den geurigen smaak heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan -de namen hem bijzonder prikkelen, (als daar zijn: Adams pearmain; -Beefsteak; Newtons pippin; Weissbrod; Calville d'Eve; Républicain; -Drie torenpeer; Napoleon-Bon-Chrétien; Curé Belle Héloise; Pie IX; -Saint-Michel-Archange!) en ik wensch hem voorspoed op zijne plantage. - -Maar wie ééns in het jaar, ééns in de ééne veertien dagen gedurende -welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk al de weelde van den -teêren bloesem wil genieten, die brenge--waar hij ze slechts weet -te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen schuttingen en -bleekveldjes--een visite aan de oude, groote boomen van zijn kennis, -'t zij zij Juttepeer heeten of Sapperdegroentje, of de grofste -onbenoemde soort van "hand-" of "pot"-appel voortbrengen. Dan legere -men zich hier of daar in de nabijheid, en late zich beregenen door de -eerste afvallende blaadjes. En als dan toevallig aan de eene zijde -een sering en aan de andere een gouden-regen over eene heining heen -komt kijken,--het blonde kind der Alpen naast den geurigen zoon van -het Oosten,--dan zal het steeds nog te bezien staan wie van die drie, -zij of de vruchtboom, het meest tot ons lentegevoel bijbrengen. - - - - - - - - -XIII. - -BOUQUETTEN. - - -Wat moet toch een "bouquet", of, naar den nederlandschen naam, een -bloemruiker eigenlijk wel wezen? - -Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende bloemen, zoo -saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar eigenaardigheden zoo -voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het tegenwoordig doorgaans? - -Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge gewoonte -ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een -heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang, -een zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine -knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de -bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te -steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel -hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men alle bloemen, -die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken knoppen -meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op te letten of -de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: elk frisch puntje, zij -het van een nog zoo krom of verlept lot, is bruikbaar. Van lieverlede -nu is deze handgreep ook overgegaan op grooter en kostbaarder, uit -zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. Daar, uit den aard der -zaak, die rietbouquetten een vrij gladde oppervlakte krijgen, en de -bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te worden, (ten eerste om de -kortheid der stelen, en ten andere om de rietjes te bedekken), was men -vindingrijk genoeg, om van zoo'n vlak of bol een soort van mozaiek -te maken. Wij kennen allen de patronen, die bij dit knutselwerk het -meest in zwang zijn: b. v. ééne groote bloem in 't midden, dan een -kringetje groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur, -enz. Soms worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het -onlangs in een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25, -uit knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak -van rozenknoppen en rozen.--Eén bezwaar had zich voorgedaan: Terwijl -in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen werden, -bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk gaandeweg tot -een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij wat moeielijker -te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo zijn sinds vele -jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen randen, een -belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig minnaar, -die zijn bruid op haar verjaardag een "hand-" of "vaasbouquet" wil -sturen, zou dien niet gaarne zonder zoo'n geijkten witten driehoek zien -bezorgen, maar misschien zeer geërgerd wezen, als men hem vraagde, -waarom hij zulk een op een goedkoopje gefabriceerden bouquet had -besteld. En menig bruidje, dat zoo'n "porte-bouquet" aanneemt, en -niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak twijfelde, -beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met haar en -haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en weelde. - -Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de stijfheid -dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat die mode -mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch welbekeken -is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, maar ze is -gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met schoonheidsgevoel -in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner beschikking, zou -zeer licht iets beters "in de mode" kunnen brengen. Zeer geschikt zou -hij daartoe gebruik kunnen maken van den heerschenden eerbied voor al -wat oud-hollandsche kunst heet, zich beroepen op het oordeel onzer oude -schilders, en b.v. op de eerste de beste tentoonstelling, in een grijze -terra-cotta vaas van eenvoudig model, een groot bouquet à la van Huysum -ter tafel kunnen brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling -van schilderijen zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak -na kon volgen, vooral daar toch die hoofdzaak in niets anders bestaat, -dan in de eischen der natuur zelve. Zij--en van Huysum!--stellen op den -voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet alléén de -kleuren van haar kroontjes, maar ook de sierlijkheid, waarmee zij, op -haar stengel wiegend, zich verheffen of neerhangen; den rijkdom harer -vormen, in verband met de plant, die haar voortbracht; het kontrast -met het bij haar behoorend groen.--Het kost misschien meer bloemen en -meer zorg, in elk geval meer kunst-smaak, zulk een bouquet te maken, -dan een waarbij papier en riet te hulp komen. Daartoe toch kan men -slechts volkomen gave takken, trossen, pluimen nemen, en ten tweede is -die schikking niet gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer -alledaagsche slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en teêre, -levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig materiaal. Soms, -als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen weerspannig; en er -wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist zooveel te kiezen, -dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt blijft. Daarbij, -hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer gelegenheid voor fijne -schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor bontheid en hardheid.--Dit -alles zijn bezwaren, en maken een Bouquet van Huysum,--om ons aan dien -naam te houden,--tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt, -zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen: -ook van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat -bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid! - - - - - - - - -XIV. - -EEN DUBBELE BOODSCHAP. - - -Tot de vaste attributen van een eersten mooien zomerschen dag behooren -van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en vogelenzang, ook een zwerm -vroolijk dansende muggen, een van plant tot plant zwevende vlinder, -een sierlijk boven 't water heen en weer vliegend juffertje. En zoo -groot is de kracht der sympathie,--van de gemeenschappelijke vreugde -over 't mooie weer,--dat men bij zoo'n gelegenheid ieder spoor van -afkeer jegens deze dieren laat varen, en hen alleen als natuurgenooten, -als feestgenooten begroet! - -Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is nooit zoo -groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, zoogenaamd -"volkomen" toestand ontmoet, dan wanneer men in hun kruipend -tijdperk met hen te doen heeft. 't Is opmerkelijk, terwijl men in -den regel aan jonge zoogdieren,--jonge honden, katten, lammeren, -ja zelfs biggen,--vriendelijkheden pleegt te bewijzen, waarop zij -op hun ouden dag wijs doen van niet meer te rekenen, heeft tegenover -insekten juist het omgekeerde plaats. Van een rups heeft bijna elk een -afschuw; zoodra zij een "kapelletje" geworden is, behoort zij tot de -welkome, ja, dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een -gouden torretje algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar -indien men het bij ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen -had gekregen, zou men het al heel licht voor "een wurmpje" aangezien -en ter dood veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten -om zich te verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig -groen, purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene -schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil -houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t'huis behoort. - -Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men dat kleine -vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den honig -dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, dat -zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te -behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den -tuin of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven -gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk; -zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... "bloemenstof", -zooals mij eens verteld werd. - -Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche spijslijst der -verschillende insekten, om juist te weten welke van deze drie artikelen -daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. Maar wel -stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende ontdekking -omtrent de groote rol die de insekten in het leven van de plantenwereld -spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar deze dieren alleen op -zich zelven beschouwd werden, als nuttig of schadelijk, al naarmate zij -der menschelijke maatschappij onmiddellijk voor- of nadeel aanbrachten, -is toch in de laatste eeuw ten stelligste gebleken, dat er althans -bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot stand zou kunnen komen, -geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen insekten waren, die -daartoe een behulpzaam pootje boden. - -Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit zoo'n diepen -indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie al die kleine -vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds ik weet dat zij -op hunne tochten,--de eene bloem uit, en de andere weer in,--telkens -eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich zelven den kost opduiken, -en ten behoeve van de plantensoort, die zij bezoeken, het verkeer -tusschen de meeldraden en de stempeltjes bevorderen. - -Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er aan -zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben, -tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel -van het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort, -moet zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd -op dat kleine lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en -vruchtbeginsels bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja, -op verschillende exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde -bloem lang niet altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan -ook sinds een paar eeuwen dat het stuifmeel van de eene bloem in -de andere kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,--maar hoe zulks -geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den -dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is, -en de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht -ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken -dat er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij -de stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en de -stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder medewerking van -buiten onmogelijk was, dat die beide organen met elkander in aanraking -kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, die den Duitscher -Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp der insekten -brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer hoe meer -bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het overbrengen -van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor verschillende planten -ook verschillende diersoorten) geen uitzondering maar regel is. - -Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden vinden in -zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,--al zijn zij -nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna nooit -zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar -vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms, -als de plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men -er duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt -het doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet -kunnen zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig om -het stuifmeel van de acht langere en kortere meeldraden op het korte, -gespletene stempeltje te brengen? In 't groot heeft men hetzelfde, -tot schade van de proefnemers, ondervonden, toen men, eenige jaren -geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te voeren. De vanille -toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich in de wouden -van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en de kostbare -vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou men op -Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat voldeed -aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge staken -laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; maar -er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met telkens -nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. Eindelijk gaf -iemand daarvan de verklaring, op grond van Spengler's merkwaardige -ontdekking: het kleine vliegje, dat in Amerika, al honig zoekend, -onwillekeurig zijne diensten aan de plant bewees, was niet mee den -oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met menschenhanden aan -iedere vanillebloem te verrichten, was te omslachtig, en dus moest -die kultuur worden opgegeven. - -Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de Aucuba, met -haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van grootere en -kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei exemplaren bestaan: -met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat zij wel stuifmeel, -maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met zeer onaanzienlijke -paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie helder-roode vruchten -voortbrengen, mits er van elders stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes -gebracht worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken -vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer -provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba's bezat, maar die noch bloeiden -(nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. Het geval -was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke exemplaren -afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden waren. Een -plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar komen. Dien -zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige insekten -op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met een -grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe -aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde -aan het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was -het eene glorie te meer voor des ouden Spengler's nagedachtenis! - -Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe op zekeren dag -Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van vliegen bewonderde -die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant waarnam. Had die man, -met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, Spengler's wetenschap er -bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen zou die "fraisier" dan nog -bij hem opgewekt hebben! - - - - - - - - -XV. - -EEN BOSCHTOONEELTJE. - - -Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde gemoederen, want ziet, -"het jonge groen" is nu werkelijk daar! Wij wandelen op een landweg, -in een der schoonste gedeelten van Holland, als het ware in een koker -van groen: onder ons het welige gras, met zijn afwisseling van kleinere -plantjes, rondom ons laag en hooger kreupelhout, bloeiende heesters -en opgeschoten fluitekruid, en boven onze hoofden een gewelf van -lindentakken, niet gesnoeid of geleid, maar van nature zoo gegroeid. - -Het jonge groen! Welk een verscheidenheid van tinten en van vormen -ligt daar opgesloten in die woorden! Daar zijn, om 't dichtst bij te -beginnen, de kleine blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte -precies het fatsoen hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November -behouden zullen; zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt -niet meer van vorm te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens -en meisjes van ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd -reeds juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. Geheel anders -is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den knop komt, -dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die plooien -niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het elzengroen, -met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige omhulsels te -voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of wat rechtop -blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens goed wou -kijken hoe 't er in de wereld uitzag. En dan staan daar de berken; -zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de meeste -voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst treuzelen, -beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider jonge -bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in -het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat -later moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien; -die der populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden -af naar het midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en -dennen met lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen -naaldenschat, en strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel -uit, ten behoeve van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is "het -jonge groen"; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen, -en juichen om het mooie weer. - -Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje verzameld, en zijn, -al bloemen zoekend, van het ééne pad in het andere gedrenteld. Eerst -was het, op een open plek, de allerliefste blauwe eereprijs die ons -lokte; daarna viel ons een menigte van bloemen in het oog, melkwit met -groene strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar -door haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen -naam van "vogelmelk" dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een -helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met -de fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine "harlekijn". Wij -weten het niet recht, maar wij beginnen te vermoeden dat wij binnen -de omheining van een oude buitenplaats zijn; het nette onderhoud der -paden, de meer park- dan boschmatige aanleg versterkt ons telkens -meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er eenmaal, wij zullen -geen baldadigheden plegen, maar wagen het te blijven en door te loopen -"tot wij verjaagd worden". En wij wandelen door... tot wij plotseling -voor iets heel ongewoons staan.... - -Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van voren en -van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel van -hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een -boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een weinig meer -opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen geheel tot -tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van zodenbanken, -en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon beschut, -blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden van -het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of "foyer" -konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte greppels zorgden voor -het gevaar van modderachtigheid in het parterre. 't Spreekt van zelf -dat wij ons nederzetten op de banken, en dat een uit het gezelschap -op de groene "planken" ging staan declameeren; en dat voorts elk het -zijne zei over deze antiekiteit. - -"Hoe aardig!" riep de meerderheid, onder den eersten indruk. - -"Hoe kinderachtig!" zeiden enkelen. "Hoe popperig!" "Hoe -bekrompen!" "Hoe kleingeestig!" - -"De pruikentijd in levenden lijve!" bracht iemand in het midden. "De -bloeitijd van het dilettantisme op alle mogelijk gebied. Mij dunkt, -je hoort al in verbeelding de produkten van den een of anderen -prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche mythologie er bij haalt, -om den 50sten verjaardag van den heer van 't dorp, of de bruiloft -van diens dochter te vieren. Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!" - -Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het tooneeltje -heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren hagen -"als zoodanig", vond ik ze hier zoo geestig aangebracht, dat ik er -niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om den pruikentijd te -verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, wat betreft de -gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen vóór had. Het -valt mij in hoe Van Lennep die verdediging ergens heeft op zich -genomen, en ik kan niet laten iets van 't geen hij daaromtrent zegt, -in herinnering te brengen. - -"Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie in een staat van -diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige vrede, dien zij -had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen -en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht -had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, gerust -insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt -was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik weet dat niet; ik -zal mij althans wachten een geheele maatschappij... te veroordeelen; -ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Ik verzeker u, -dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte -dan thans; als men bouwde, al was het maar een onnoozel koepeltje, -dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik eigenlijk aanmerken -wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang -waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan banden te leggen; ieder -had het gevoel, dat, wanneer hij in een gezelschap werd toegelaten, -zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel -tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; en dan bleek het, -dat wie het meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en -zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf het -meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de politiek aangaat, spanning -tusschen de partijen in den staat was ontstaan, en somtijds lieden -van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten,--men had -de welvoegelijkheid, niet altijd en overal over politieke vraagpunten -te twisten. Enfin, men wist toen nog te "praten", wat de Franschen -causer noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en -door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf -in dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over dienstboden -en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer -onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker -waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen wordt door eene -goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden, en vooral -door de gestadig aangekweekte zucht om elkander aangenaam te wezen. Men -ontmoette in dien tijd, zoo goed als nu, menschen, die dom, enkelen -zelfs die vrij belachelijk waren; ook nu en dan bewees deze of gene, -dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; maar de dommen hadden -doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en -vormden alzoo als het ware "het publiek"; de belachelijken dienden tot -vermaak van de anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten -zich wat beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen -der ordentelijke menschen te worden geweerd. En noeme men nu die -toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men -wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender, -aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige -les en goed exempel aan zou kunnen nemen." - -Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets aan toe of af -te doen, te meer omdat het "tegenwoordig", waarover hij hier juffrouw -Stauffacher laat spreken, op zijne beurt alweer zoo lang geleden -is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd zekere maatschappelijke -deugden te weinig in tel zijn, in verhouding tot anderen. Zoo vraag -ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek voorbeeld te noemen, -of er niet werkelijk meer waarde voor de maatschappij ligt in de kunst -om met goed gevolg als ceremoniemeester op een feest te fungeeren, -dan in de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in -natuurkundige wetenschappen? - -Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een plaats als -leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij doet dit -liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend deelgenoot -in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu meer aan zijn -wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent geworden bij den -een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in die wetenschap -had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van wetenschap namelijk, -is zijne wereld; ik weet niet recht of hij specialiteit is in schei- -of wis-, plant- of dierkunde, of wel in datgene wat, buiten deze om, -"natuur"-kunde genoemd wordt; maar in hetgeen waar hij voor opkomt -munt hij uit. Doch voor hetgeen daar buiten ligt... is hij weinig -of niets. Hij "moet" een weinig achting toonen voor de andere -takken van menschelijke kennis, die op school gedoceerd worden, -en hij spreekt daar ook soms over; maar eigenlijk zijn zij hem als -een gesloten boek. Het ligt aan zijn ontwikkeling, misschien reeds -aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten doorstudeeren, had geen tijd -tot iets anders, en bewoog zich te huis altijd onder menschen, die -beneden hem stonden. Dit een en ander maakt hem thans teruggetrokken -en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de stoffelijke natuur heeft -ook aan zijne levensbeschouwing iets stoffelijks, laat ons gerust -zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de goedhartigheid zelve, durft -hij aan zijn gemoedsleven geen stem te geven in zijn oordeel over de -grootere vragen der menschheid, omdat hij gewoon is niets te eeren -dan: wiskunstig denken, toegepast op zinnelijke waarneming. Hij haalt -eigenlijk de schouders op over de stad zijner inwoning, omdat er... zoo -goed als niemand is met wien hij kan praten,--want hij bedoelt daarmede -praten over zijn speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe -eenzijdig zijne ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn -zou met lieden, die, al waren zij dan ook zijne minderen op 't punt -van natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat -verder noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is -schuw en verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen; -hij beweert, dat hij "boven die vormen verheven" is, en dat zij maar -overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half onbewust, -dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van gezelligen -omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim van die -huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een feest, -van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn plaats; -zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij zulks -als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er eigenlijk -aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een zwart of -spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn medegasten. - -Stel nu daartegenover een ander. Wat hij "van zijn vak" is doet weinig -ter zake; misschien ook leeraar, of bij voorbeeld koopman, lid van -de eene of andere firma, op wier kantoor hij dagelijks werkt, zooals -honderden anderen op hunne kantoren. Maar 's mans eigenaardigheid -ligt in iets anders: in zijn gezellige talenten. Reeds vroeg heeft -hij van een begaafde moeder, in een goeden kring, den grondslag beet -gekregen van zijn echte beschaving, die gedurende zijn opvoeding meer -en meer is ontwikkeld, en waardoor hij nu velen een niet te berekenen -vreugde bereidt. Want wie zal "berekenen" hoeveel levensvreugd er in de -wereld opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving -te leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie -zal meten hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking, -waarin een aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar -en hoog genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna -afwegen hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek, -de wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk -van een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een -man zooals ik bedoel "goud waard". Niet alleen dat hij zelf aardig -praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke -verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar -hij weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen -wakker te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij -uit botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te -maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten -die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de -hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen één -kunst of wetenschap iets meer dan "dilettant", heeft hij oog voor -het belangrijke in alles, en een grooten takt om daarvan partij te -trekken ten bate van het gezelschap. In tegenstelling met al wat er -afbrekends, verbrokkelends, ontledends is in onzen tijdgeest, heeft hij -eene groote mate van verbindende kracht. De gasten, die zich naar hun -gevoelen "vrij en ongedwongen" bewegen, werken onder zijne leiding -allen mede aan een welgevormd plan. Hij is geen "natuurkundige", -maar heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden, -als daar zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling -van rust en beweging. Hij laat zich niets op "wijsbegeerte" voorstaan, -maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te -genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan "pret". Hij -ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die bij elke feestelijkheid -kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen van bespot te worden, -als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt, en als hij teêre -snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens, die in de aanwezigen -rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij kent de weelde van -zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een mensch zich bedriegt, -die meent dat plechtigheid het tegendeel van vreugd is; hij voorziet -dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks ten goede zal komen -aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die vroolijkheid is -onder zijn bestuur zóó vroolijk, dat de deftigste lieden vergeten te -bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg is.... - -Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van het -boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan 't mijmeren in het jonge -groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van -ons wonderlijke menschenleven, dat "zoo velen medeleven, maar zoo -weinigen verstaan!" - - - - - - - - -XVI. - -OP DE BLOEMMARKT. - - -Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd niet, waar ik het -liefst de lente haren intocht zie houden: op haar eigen gebied, in -de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij dan eensklaps -tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg plekje en in -ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten teeken -van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van 't -vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van hartstocht -voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en stadsvesten -met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende vlierstruiken, -en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de bovenramen, -en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis, zoo ik -er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel aantrekkelijkheid -heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des vrijdags morgens, -zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit jaargetijde is -zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen; en mits wij -kans zien de al te gedienstige dragers een weinig van ons af te houden, -kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is 't een recht vermakelijke -tocht. Het zijn juist niet de "fijnste", nieuwste bloemen die hier -prijken, de glorie van de kweekkunst; maar het zijn meestal goede -kennissen die het ons genoegen doet in welstand te ontmoeten. - -Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen; welk een rijkdom -van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al heel wat uit -kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van haar grootte, -voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te krijgen: wij -weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar op die -blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt zijn -door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen, -omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij -helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene -eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen -uit de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden -lichte en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en -juist dienen moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen, -in gesloten gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het -hoogst groeien, en de Cineraria's en de Calceolaria's, en de Fuchsias, -en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze potten -laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode schakeeringen, -maar de meesten vuurrood. (Waterloo's, "Only showflowers" hoorde ik -ze eens niet onaardig noemen.) - -Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer Verbena's, -wier fraaiheid stellig beter gewaardeerd zou worden, als zij maar een -beetje geur hadden; Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia's, -wier helder goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat -zij uit het "goud-land" Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die een -nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die er onlangs -weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,--de gewone inlandsche -"smeerwortels" in gala-tenue; Verbascums, in het wild bekend onder den -naam van "stalkaars", en Achillea's onder dien van "hazegerf". Voorts -zijn er Antirrhinums, "leeuwenbekken",--in verschillende fijnere en -grovere tinten; Spiraea's, met haar sierlijke pluimen; groote dubbele -Paeonea's, waarvan ik niet recht weet wat ik het mooist vind: de -losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren; Reseda's tot boompjes -opgekweekt; Erythrina's met hun zonderlinge vruchten die, als zij van -den winter open zijn gesprongen, en de zwarte zaden helder tegen de -vuurroode binnenzijde afsteken, den niet onbegrijpelijken naam van -"koraalrozen" zullen dragen. Vooraan staan potjes met Violen, met -Vergeet-mij-niet, of de dikwijls in plaats daarvan verkochte kleine -blauwe Lobelia's, en allerlei "laag zaadgoed". En ter zijde van het -kleurig vierkant staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende -heesters, voornamelijk Thuya's, met een kluitje aarde in een stukje -mat gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij -elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo, -"om mei-wijn mee te maken"; en ten slotte graszoodjes, bestemd om -leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het vrije veld te -doen droomen. Landslui in gevangen staat worden licht goede vrinden: -dat zal misschien ook het geval zijn met zoo'n vogel en deze gras- -en klaverplantjes, wanneer zij van avond samen opgehangen worden in -een gang, die licht krijgt uit een dwarssteeg. - -Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts uit dankbaarheid -voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers meenemen: -grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten; -en die chineesche ginds,--dat zal de duurste wezen;--en ja, die -duizendschoonen,--dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge soms -deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel -ten onrechte ons influisteren, dat "ze pas van ochtend uit den grond -zijn genomen", en dus allicht geen wortel vatten zullen, neem ze toch -maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor al de rest. - - - - - - - - -XVII. - -AAN DE NOORDZEE. - - -Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te Zandvoort, en te -Domburg,--en wat wilt gij er nog meer bij noemen?--het "badseizoen" -weer begonnen, en de tijd aangebroken, waarop, althans aan de beide -eersten, verschillende natiën elkander aan ons strand ontmoeten. - -Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste tijd is Juli, -Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op het eind -van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, onze -zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen -bewoond door het oorspronkelijke visschersras,--de visscherskaste had -ik bijna gezegd,--waarvan het mij altijd verwondert, dat, ondanks de -voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het type -zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche -deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine -oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den -zuidwester, met uw blik, die zoo dof schijnt, maar zoo geestig zijn -kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm vreemden, onder wier -nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren zoo rustig uw -bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds zoo weinig als -het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige parfumerieën -u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen aard, zelfs al -verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of al leent gij -hun, als "badman" en "badvrouw", de hulp van uw gespierde armen. Laat -hen liever gevoelen dat zij iets van u hebben over te nemen. Want -waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in zooverre gezondheid de meerdere -is van ziekelijkheid; gij staat boven hen, zoover als inspanning en -arbeidslust staan boven niets-doen, leêgloopen en luieren! - -Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de dagverdeeling -van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald ziek.--Hoe -dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien ik bij nader -kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden van hun -werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan een -verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling, -nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het -eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals -men haar kan noemen,--welk een verfrissching gaat er niet reeds uit -van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor -geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt -zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon; -van ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken zin -en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om omtegaan met allerhande -menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te geven van hetgeen -men ziet en geniet. - -Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan uitoefenen, -die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk daarboven, -en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige heuvelen, slechts -met vaal helm begroeid, als afsluiting van 't landschap! Ginds in -de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan den horizont telt -gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de badgebouwen, -door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan den voet -der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u misschien -een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, zijn -de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch -van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat -is daar toch te zien, zou men haast vragen, 't welk het verblijf -aan zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen -kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal -derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben -om bevolkt te blijven? - -Vertoef er slechts één of twee dagen, en gij zult het voelen en -begrijpen. - -Vooreerst doet het de zee, door hetgeen zij niet is. Zij is namelijk -zóó geheel iets anders dan het tooneel van ons dagelijksch leven en -werken, dat haar aanblik ons reeds daardoor eene onvergelijkelijke -verfrissching bezorgt. Zij is niet het land, met al wat daarop groeit -en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch bestaan op de eene of andere -wijs is verbonden; ik had bijna gezegd, zij is niet de aarde. De -gansche zandige, flauwlijnige omlijsting helpt, juist doordien zij -niets te zien geeft,--niets dan zand en fletse gewassen,--slechts -mede om dien indruk te versterken. Het vage, golvende karakter van -alles om ons heen, geeft ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij -hier niet met menschenwerk te doen hebben; het dichtste bosch, de -wildste bergpartij doen ons niet zóó volop gevoelen, dat wij alléén -met "de natuur" zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is vast, -en de zee is eeuwig bewegelijk. - -En de zee treft ons ook wel degelijk door hetgeen zij wel is: door de -eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn en wolkenschaduwen -op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels op haar spiegel, -of het klotsen van de baren vóór, in en na een storm. En is er, -voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher bekoring verscholen -in haar eigene gestadige rijzing en daling,--in dien vloedgolf, -die zoo rustig komend en weer heengaand, getuigt van eene kracht, -waarbij de felste storm nog niets is? Is daar geen prikkel voor den -geest van elk die voelt en doordenkt, in al de verscheidenheid van -kleine aanspoelende voorwerpen,--eene doorloopende tentoonstelling, -die met elk getij vernieuwd wordt? Kan men open oogen hebben, en niet -reeds na weinig dagen eenig hart hebben gekregen voor die ongewone -dier- en plantenvormen, waarmede wij, desnoods onzes ondanks, in -kennis gebracht worden? - -En dan is er eindelijk het sterk sprekende contrast tusschen -die afzondering en eenzaamheid,--dat uit-de-wereld-zijn, dat men -hier gemakkelijker dan ergers kan bereiken,--en het bont gewoel -der badwereld op een paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze -scherpe tegenstelling, worden wij er ons diep van bewust, dat in het -leven van ieder menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar -aanvullende machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit -geheel het gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij -slechts willen, ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben. - -Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg opgestaan, -vroeger dan gij 't in de stad gewoon waart;--gij hebt gebaad of -wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan kijken, of -wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt gij met -een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste duinrij -getogen. De zee is kalm; het is een jour de dame: de zon schijnt -bijna door de dunne wolken heen. Maar het werken wil niet vlotten, -en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat t'huis, aanstaanden -winter, genoeg doen kunt. Het valt u moeielijk, uw blikken van de zee -af te houden. Indien gij Heine kent, lokt hij u in verbeelding naar -Norderney; zoo gij Schleiden hebt gelezen, vliegt gij met hem over -naar Helgoland: wie weet welke andere lievelingsdichters u ongemerkt -naar fransche, britsche, noorsche kusten heentrekken. Eensklaps -valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die een pas of wat van -u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de golven: op haar eigen -houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit een land waar palmen -groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een verongelukt schip? Waar -zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... En gij ziet er -gindsche visschers, die bezig zijn iets aan hun pink te timmeren, -eens op aan, hoeveel gevaren het zeeleven meebrengt; en gij krijgt -sympathie voor hunne avonturen. Onwillekeurig raapt gij af en toe een -schelp op of een horentje, afgelegde omhulsels van vergane zeedieren, -die in plaats van inwendig geraamte, slechts deze uitwendig op één -punt aan hen vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne -weekheid hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig -langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een -rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen -aan dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft, -hoe het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt -eer men het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit -een gevolg is van de "zoutzure magnesia", die er aan was blijven -hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en -hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten -er het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen. - -Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen -zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de -pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en -zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een -mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne van hebben. Gij -voelt u minder vrij dan 's morgens, maar hebt daartegenover het -voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er zijn er bij, -die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien zoudt, -stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was 't alleen maar om -te weten welke taal zij spreken; ontmoetingen, waarnaar gij wenscht, en -andere, nieuwe, die u misschien boven het hoofd hangen. Gij hebt reeds -heele, halve, groet- en aanspraakkennissen; en loopen er soms onder, -met wie gij liever niet tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,--de -talrijkheid van 't badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg -om die te ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; 't -is een prachtige avond geworden en 't blijft licht tot negen uur, -half tien toe. - -Doch eer het donker is, komt er één oogenblik, of liever één kwartier, -waarin de meeste gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar -één zij gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is, -als daar het drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet, -het oogenblik nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon -daalt merkbaar; en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij -haar in het aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare -verblindende stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten -afscheid groeten. Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op -het water. Daar duikt zij onder; nog een klein gedeelte en zij is -verdwenen. Maar alsof dan plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo -schitterend rood verft zich de plaats waar zij is neergezonken,--de -zee, zoo even donkergrijs, wordt paarlemoerwit en de nevelen, -waarvoor ons Noorden berucht is, doen zich dan eensklaps gelden als -de luchtgeesten uit een sprookje, en maken van het halve uitspansel -een kolossalen ongestreepten regenboog. Onwillekeurig zwijgt men. Ik -ken menschen, die nooit vroom zijn, dan alleen op zulke oogenblikken; -menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid of redeneering, gewoonlijk -alle godsvereering van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten -voor de geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in -stilte den raad des dichters volgen: - - - Laisse aller ta prière où ton âme l'envoie: - Ne t'inquiète pas, toute chose a sa voie, - Ne t'inquiète pas du chemin qu'elle prend! - - -Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na weinige minuten -verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij. - -Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel en sterk, -als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd heeft. Het -zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw spraakzaam. Het -is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de menschen zich -inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon veranderd. Een -groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang terug: het wordt -stiller op het strand en rondom ons, naarmate de duisternis valt, en -de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij in vertrouwelijkheid -of in verheffing, min of meer het alledaagsche overschrijden. - -Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers huiswaarts naar hun -grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan iemand vinden,--het -is een tref, maar als men 't treft, is het een groot voorrecht aan -een badplaats!--die het gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden -met een aardigheid; die de kleine feiten van den dag artistiek opvat, -of een oude anekdote handig weet te pas te brengen; die de kunst -verstaat, òf om zelf te vertellen, òf om het gezelschap aan de praat -te brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen, -dat het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren. - -Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche verscheidenheid, -wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of ander veld -van eer (om 't even van welke soort) verloren krachten, aan ons -noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun gezondheid -hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; en mogen -zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met nieuwe -plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch badman -behoeven te schamen! - - - - - - - - -XVIII. - -EEN KASTANJEBOOM. - - -Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij 't water, staat een wilde -kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een groote boom, die -zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals eiken, beuken, -iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk tusschenbeide -"nog bloeien ook". De kastanje pronkt zelfs met zijn bloei. Hij -draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet minder vertoon, dan -de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich zelven aan ons -voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er sprake is van -een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den titel van -fakkeldrager te voeren. - -Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het feest verheugd -en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer groote boomen, -die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even nagaan, hoe -hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te lengen. - -Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens eerlijk vragen, -of gij hem zoudt kennen in den winter, "bij winterdag", zooals -de buitenlui het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke -wrong in zijn stam--een wrong als van een reusachtig koord--toont -wel den kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten -dien wrong. Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen -gemeen. Doch wie hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal -aan zijne groote, breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend -door de kleverige harst, die ze reeds van den herfst af bedekt, -en ze, voor het oog en het gevoel beiden, een zeker waas van leven -geeft, in een seizoen waarin alle overige knoppen er dor en droog -uitzien. En niet minder opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder -elken knop zichtbare "kussentje", nl. het litteeken waar het oude -blad aan den tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan -de omringende bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine -stippels, al naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door -schraalheid, slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men -heeft hier namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van -elk blaadje, door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad -(een zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk -jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra -de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes, -de doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die -strengen vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van -een "drievoudig" aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die van een -"enkelvoudig" eikeblad ééne vinden.) - -Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins gunstige -omstandigheden, de kastanje aan "uitloopen" te denken. Nochtans -behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril bij, om -dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20sten "in volle groen" -te zien staan. De ontwikkeling van het "groen" toch gaat juist -bij den kastanje ongewoon langzaam: tusschen de eerste teekenen van -inwendige beweging en den vollen wasdom van het loof moet een geruime -tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, om het sterke contrast waar -te nemen tusschen de laatste dagen dat de boom in knop staat, als -een beeld van volle levenskracht en moed en ijver, en de armzalige -figuur, die hij maakt in het daaropvolgend tijdperk, wanneer al de -jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als de ooren van pasgeboren -lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, meer dan een week voordat -zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de lange stelen, die in -den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware blad, dat hen in -ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter rijzen zij omhoog -tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn zij uit hun -eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich uit als -groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand breed. - -En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt hoe zij -zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij volwassen, -en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te vallen: -als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. Het -zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de afzonderlijke -bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. Zij bestaan uit vier witte, -ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der twee grootsten is een klein -rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim een zeer licht roosachtige -tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, zooals bij verreweg de -meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat getuigen de bijen, -of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige minuten werkens, -uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren. - -In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een krommen stijl -gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes ontwikkelen. Een -blik op de honderden en duizenden bloemen doet een goeden oogst -verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun vollen groei -bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en October -een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik maken. Ik -heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij bereikbare -boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende vrucht -open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit -geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend, -na te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er -omgaat binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij -eerst drie kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee -groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur -aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen. - - - - - - - - -XIX. - -EEN INLANDSCHE AREND. - - -Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden spreekt, bedoelt -daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, die zich -door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de statigheid -van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid hunner -woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels verwierven, -tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge waardigheid, -en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten van zekere -"edele" eigenschappen te bezitten. En hetzij men daarbij dan het -meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den keizersarend, -(en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de kleinste -en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men zich -de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den -australischen kegelstaart voorstelt;--men meent in ieder geval vogels, -die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, hazen -en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm Nederland, -strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij ze gaan -zien in Artis. - -Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, des winters, -dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen steenarend -onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over onze -vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen eene -zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,--een uitzondering, -die door de verbazing welke zij opwekt, den regel bevestigt, dat -zulke reuzen bij ons niet t'huis behooren. Maar er is nog eene andere -soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met al datgene wat -een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls voorkomt: -de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, in onzen -tuin opgeraapt. - -Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op een, door een -wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een zoogenaamd -zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, biezen en -watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken hun geduld -geoefend: vijf jongen lagen in het nest. 't Waren leelijke diertjes met -hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; doch daar zij gelukkig -niet, zooals Andersen's beroemde zwaantje, onder jonge eenden verdwaald -waren, maar rustig onder moeders vleugels groot en mooi konden worden, -hadden zij daar weinig last van. De bescherming van de zijde der -ouders was intusschen wel noodig, zooals bleek uit het geval met den -arend. Sinds een dag of wat namelijk, hadden wij hoog in de lucht -een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls verscheidene minuten -onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals arenden plegen te -doen. Een paar malen, 's avonds bij zonsondergang en 's morgens zeer -vroeg, hadden wij een ongewoon geschreeuw gehoord, dat wij aan dien -vreemdeling toeschreven; en eens had het gegil der zwanen, die zich -anders zelden lieten hooren, ons doen vermoeden dat deze met hem slaags -waren. Daarna merkten wij niets meer van hem; maar een week later bleek -de onderstelling juist te zijn geweest, daar de indringer dood in het -riet werd gevonden, op een pas of tien afstands van het zwanennest. In -huis gehaald en goed bekeken, bleek hij tot de genoemde vischarenden -te behooren. Zijn kleur was, in het kort gezegd, wit met bruin, in -verschillende donkere schakeeringen; hij had, als alle roofvogels, -een krommen snavel en een zeer duidelijk herkenbare blauwachtige -washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het kruis staande teenen, -hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme nagels, zoodat men zich -gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk zijne aanvatting is voor -zijn slachtoffers. Wat dezen aangaat--ofschoon het in verscheidene -boeken staat, dat de vischarend zich uitsluitend met visch voedt en -andere dieren met rust laat, zoo was het toch voor ons boven allen -twijfel verheven, dat hij het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had -en toen door de ouden onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van -"Eendendooder", waaronder een onzer werklieden hem dadelijk herkende, -bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt mij -altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb -ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek, -maar slanker van bouw. - - - - - - - - -XX. - -EENE LINDE. - - - "Aldaer dat clare water spranc," - Daer stont een groene linde, - Daer de nachtegael sat en sanc - .........................." - - -De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine, -rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de -stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds -lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist -heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid--in -alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers -gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar; -men ziet het niet, maar men ruikt het. - -Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de -bloeiende linden, hetzij dan 's avonds, als "de nachtegaal" uit alle -macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de -lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik -alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam, -laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt, -de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn -er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang, -lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe 't komt dat gij zoo -onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij -sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de -geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke -vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en -herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten; -het is wreed zulk een stemming te storen!... - -Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden, -waarin die geur ontstaat. 't Is klein en flets van kleur: 't is in zijn -soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan 't ons -ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek -kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts -een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er -op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen -bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten -overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die, -heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. 't Behoefde slechts -wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw, -geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar -zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet -meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist -haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel, -zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de -jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer -goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand, -buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een -verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje, -en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan -deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. 't Is of het -vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden: -het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht -door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke -helften. Het adernet is bijna tot in 't oneindige verdeeld, zooals -vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde -is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en -zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander; -elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke -takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij -uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen. - -Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het -geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en -fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der -menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige -van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is -en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem -te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied -te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur -zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk -door menschenhand herwaarts overgebracht,--lindenbosschen komen -nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden -rijp,--is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft -ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet -in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar -in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke -leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers, -en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes -zou verliezen, indien niet rechts of links zoo'n aardig stukje -lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie -kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld -van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij -verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde [3] vertegenwoordigt -zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn, -daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom, -misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan: -de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk -karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet -ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien, -opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden -rusten in zijn schaduw! - -In de schaduw.--Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol -bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze -bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond, -was dat hier in het Noorden, "waar men toch al zoo weinig zonneschijn -heeft", zooveel hooge boomen gekweekt worden, "die het beetje, wat -er is, nog onderscheppen". Trouwens, op alle italiaansche prentjes, -met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. "'t Is omdat -wij den zonneschijn te lief hebben," was zijn uitleg daarvan. - -Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts -onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt, -dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen -wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten -door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op -de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar -heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen -glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is -des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond -van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een -landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. 't -Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis -aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in -welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar -verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde! - - - - - - - - -XXI. - -TAPIJTBEDDEN. - - -Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons prinsesje Pauline voor -de toekomst toewenschte, behoorde: - - - "Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u henen". - - -De meeste menschen weten dat van de meeste dingen volstrekt niet; -en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van kleederen bij -voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af of men iets -mooi vindt; niet schoonheid, maar "fatsoen" en "stand" zijn daarbij -vaak de openlijk erkende hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein -der kleeding behoeven wij ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou -eenvoudig even praten over het groepeeren van bloeiende planten. - -Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren heerschende -mode der "tapijtbedden" of "mozaiekperken"? - -Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend karakter van netheid, stijfheid -en hardheid, in dit alles niets onderdoende voor een keurig opgemaakt -schoteltje haringsla. Schitterend rood, helder geel, hard blauw, -blinkend wit spelen daarin gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen -zich nog harder dan zij zijn, door de combinatiën waarin zij naast -elkander geplaatst worden. Het spreekt van zelf, dat indien eenmaal -zuiverheid van uit bloemen gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke -contrasten zeer gezocht zijn, om de teekening effekt te doen maken; -en dat daarbij zekere hardheid bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs -waar men er in slaagt die te ontwijken, en met fijnere tinten te -werken dan in den regel het geval is, zondigt men daarbij toch altijd -in hooge mate tegen de natuurlijke schoonheid der planten, door ze tot -een vlakken groei te dwingen. De voor mozaiekperken gebruikte gewassen -zijn veelal dwergachtige planten, die van jongs af voor deze bestemming -gedresseerd zijn: zij groeien in de breedte, doordien men er bijtijds -den kop heeft uitgesneden. Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom -van vormen, die uit een bevallige vertakking voortvloeit; van een -sierlijk zwenken, buigen, zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was -zeker geen tapijtbed dat den italiaanschen dichter de gedachte ingaf: - - - Gij vlindertje in de bloemenperken, - Gij bloem die op den stengel wiegt,-- - Een vlinder is een bloem met vlerken, - Een bloem, een vlinder, die niet vliegt! - - -Wel verre van tot de gelijke van een levenden vlinder verheven te -worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een gebruik, waartoe men juist -zoo goed een hoopje steenen van verschillende kleuren kon bezigen! - -Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of kleinere -parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet raadplegen, -maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen tuinman -overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke -plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog -wordt, geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend -materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat -deze zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien -zij op eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd -was. En eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging -de tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den -Style-le-Nôtre en de tuinen van Versailles, die zij zoozeer bewonderen. - -Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te geven. Doch wat -aangaat den Style-le-Nôtre, in één geval slechts kan ik mij voorstellen -dat iemand van beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is: -wanneer men lang, te lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de -natuur alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de -bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan -door zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst -in natuurlijke groeikracht. Of wel,--wat geestelijk daarmee gelijk -staat,--wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als 't geen hij is: -de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit opzicht -beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag verwachten. De -lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel daaruit, dat zijne -degelijke bewonderaars hem 't meeste prijzen als: "zoozeer in harmonie -met den bouwtrant" van zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij -in eene andere grondstof herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus -geheel ondergeschikt gesteld aan de steen-architektuur. En is dit -niet juist in tegenspraak met het karakter van tuinen en parken: -het omheinde lapje grond, waarop de mensch zijn best doet, om te -midden van de aangroeiende steenwereld der steden iets te scheppen, -dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld herinnert? - -Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden tuinsmaak -nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht nemen. Na -eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij machte was, -den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den edeler inval, -om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te dringen, en haar -in overeenstemming daarmede te regeeren. Na Le Nôtre heerschte William -Kent. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene muren opgesnoeide -hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak uitgestrekte bloemperken, -kwam de "engelsche aanleg" met zijne aan de natuur zelve ontleende -schoonheden, met zijn heerlijke boomgroepen, zijn verrassende -wendingen, zijn wandelwegen, waarop men zich zoo vrij beweegt, -en zich nochtans onder de betoovering van echte kunst gevoelt; zijn -schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen samenwerken aan een -goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend hoe in betrekkelijk -zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur zich zoo sterk -heeft ontwikkeld,--zulk een sprong voorwaarts heeft gedaan van die -bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap! - -Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het mij, als -onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt te -willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar -het oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk, -in België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de -liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een -mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken, -waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar -aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een -aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen, -tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van -Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog -en geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois -de la Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein -als b. v. voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan -onwillekeurig af, of het geheel voor niet is, dat er een poos lang -een beter wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver -van Cassel, met zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn -in hetgeen wij somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de -mode maar altijd als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen -zich daardoor zoo duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen -niet meer durven vertrouwen? - -Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: iets van het betere -blijft altijd hangen! - - - - - - - - -XXII. - -DE POËZIE VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN. - - -Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen gestemd zijn, indien -het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de spijzen, die men -"groente" noemt, op tafel te krijgen, tenzij zij ze eerst met eigen -fijne handen dopten, sneden, schoonmaakten? Zeer velen noemen dit -eenvoudig "meidenwerk", dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven -zij, als 't ware, verheven zijn; en anderen, die er zich somwijlen meê -belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en daarom onvermijdelijken, -maar dan toch altijd zeer eentonigen, geestdoodenden, recht prozaïschen -arbeid, waarmeê zij zoo gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander, -meer harer beschaving waardig, werk te begeven. - -Prozaïsch?--Om te weten of er poëzie schuilt in het een of ander, ken -ik een zeer eenvoudig middeltje, dat meestal op den rechten weg brengt; -ik tracht mij duidelijk te herinneren hoe ik er over dacht als kind. - -Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog heel goed wat -ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands knieën -erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer "zoo mooi" -vond, die schokken, gaaf en glimmend als glacé-leer, en van binnen -nog veel zachter dan een lapje zijde. Ik weet hoe aardig ik het vond, -dat ik ze met zoo weinig kracht kon opendrukken; dat zij juist spleten -daar, waar die twee stijve, lichtgekleurde randjes elkaar raken. En -als de schok dan half geopend in mijn hand lag, met de beide helften -aan de andere zijde nog vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet -het inzicht op die zeven, acht of negen erwten, ieder met een kort -wit steeltje, beurtelings op ééne van de beide zijden bevestigd,--die -zich zoo gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte, -als "veel makke schapen in één stal". Elk nieuw seizoen bekeek ik ze -met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, dat een jaar lang -weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht lichtgroen, hoe -glad en teeder waren zij, "veel mooier nog dan eene rist matglazen -kralen", dacht ik, en dat was anders al het mooiste wat ik kende; -en achteraan herinner ik mij heel goed, iets gevoeld te hebben wat -ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te denken: zij waren meer -dan kralen, want zij leefden! - -Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik altijd had in -het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet waar? wordt -aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan het gewoon -is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij toeval, -op een étagère het huisraad, gereedschap, servies onzer ouders, -in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner afmetingen, weder te -vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een goed geproportioneerd -model van een molen of een brug onder de oogen kregen! Zoo troffen -mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek ze, ik bewonderde ze -elken winter, met evenveel verrukking als de gelijktijdig aangekomen -Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel verrukking, plus zekeren -eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze voorzichtig aanvatte, en -ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, om te zien of hunne -kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote bladeren van de -groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den aanleg hadden, -maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, "vleeziger" was, -zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te begrijpen hoe die witte, -malsche massa, die het hartje van het spruitje uitmaakt, bestemd -kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof te vergroeien: -ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, nieuwsgierig tegenover -het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en gevoelde dat ik voor iets -dieps en schoons stond! - -Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan porselein stengels; -aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze eerste indrukken -hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur zoo innig te -doen liefhebben. - -Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met elkander -gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw kinderjaren? - -En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo boeiden, -thans "prozaïsch" zijn geworden? Is het beneden onze waardigheid -oog en hart te hebben voor die kleinigheden, als daar zijn erwten -en hun steeltjes, het adernet van spruitjes, of de haren van een -raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u immers niet om veel opmerkzaamheid -te wijden aan pareltjes en diamanten en andere fraaie kleine zaken!--Of -is het dat wij sinds die eerste jaren reeds zooveel erwten, boonen, -kool en andijvie-bladen in de handen gehad hebben, dat wij afgestompt -zijn op het punt van hun belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het -schoon van hun détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van 't eerste -erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst -mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien -in zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets -gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen -jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan -de meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. Een kind -voelt onder 't boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een -boon toch wel voor een ding is; en wij zijn meestal tevreden met het -praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend anderen -vóór ons ligt als eetwaar. - -Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij zijn er aan gewoon -geraakt de natuur als onze wettige slavin te beschouwen en hare "ruwe" -voortbrengselen alleen maar te waardeeren in zoover zij onze zeden -en gebruiken, onze huishouding dienen. Als een kind een mand met -fraai gevormde, vriendelijk geschakeerde groenten "mooi" vindt, dan -is het in denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos -met speelgoed of iets anders; als volwassen vrouwen van een "mooie" -mand met sla of rapen spreken, dan is het meestal slechts uit eene -zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo goedkoop hebben -weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind geen zorgen heeft, -de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan aanzien, terwijl men -later zoo verdiept is in de zorgen voor het onderhoud des levens, -in het onmiddellijke platte "nut" der dingen, dat er geen greintje -hart meer overblijft voor hunne schoone zijde? Voor mijne meeste -lezeressen kan ik die reden niet vooronderstellen. - -De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, geloof ik, voor -de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde ontwikkeling. De -aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze kindsheid ingaf dat -"erwten meer zijn dan kralen, wijl zij leven", heeft geleden onder -zekere maatschappelijke conventies, die ons ten naastenbij wijs wilden -maken dat kralen integendeel meer zijn dan erwten, wijl kralen in -'t salon en erwten in de keuken t'huis behooren. En boonen, wortelen, -augurken "mooi"? Wat "mooi" is, dat beslist immers de mode? "Mooi" is -een hoed of mantel naar den laatsten smaak, een kostbaar meubel uit een -van de grootste magazijnen; "mooi" zijn heel veel waarlijk bevallige -dingen, maar ook b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte -schilderingen, al deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar -gebrek aan perspectief. Een groenteblad, dat door een kind bewonderd -wordt, trekt verder geen opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor 't -"mooi", maar om te eten. - -Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer slavinnen -geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden? - -Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een voorrecht achten -veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en daaronder ook het -schoonmaken van groenten, in den regel aan dienstboden te kunnen -overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer een mand met groenten -ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens te doorleven wat -gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer had met uw -kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. De rijkdom -der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, met uw -volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen! - - - - - - - - -XXIII. - -KORENBLOEMEN. - - - De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans, - Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans... - - -Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede ten gunste -van de "noodelooze" bloemen, verdient Ridder Constantijn Huygens' -nagedachtenis nog eene warmere vereering, dan die zich openbaart in 't -geven van zijn naam aan eene der meest bloem- en lommerlooze straten -van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel zeer of hij zelf lust gehad zou -hebben, daar te wonen. Hij zou ons spoedig mee getroond hebben naar -Hofwijk, of naar een of ander lievelingspad, waar hij zijn "gestolen -uren van wandelingh" placht te slijten, waar misschien werkelijk het -uitzicht op golvende akkers hem het eerst den titel "Korenbloemen" -voor zijn dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan -kunst gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten: - - - Hij meent geen' Korenbloem, die Terw saeyt; verr' van daer; - Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber waer. - De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder 't Koren, - Als Gasten, die in 't Mael der Gasten niet en hooren, - En komen ongenoodt, en schikken zich in 't best, - En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de rest. - Men leeds'er wel van daen, maer, soo sij 't Mael verblijden - Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden. - - -En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een ruikertje korenbloemen -hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al nagenoeg hetzelfde -gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog steeds bij -voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, leeuwenbekken en -bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, kamille, centauriën -en klaprozen.... - -Als er van "glans" gesproken wordt, komen de laatsten zeker wel het -eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur in de wereld, dan -dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan afsteken? Zij -leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, en 't -roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten zat, zich -losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die 't beschutte, -en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden van weer en wind -overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en derwaats zwerven, -schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun stengel zaten;... zij -dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, heb ik wel eens -hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij vereeuwigd -door 't penseel van elken schilder die zich min of meer gelukkig met -veldbloemen inlaat. Denkt u een "jardinière" zonder haar; denkt u -de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels van -het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als -onmisbaar middelpunt? - -Intusschen, onder "korenbloemen" verstaat men doorgaans niet -voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die welbekende bloemhoofdjes, -in welker buitenste randbloempjes, (welbezien slechts als peperhuisjes -opgerolde blaadjes), de schoone tint van eenigszins gebroken blauw -ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam van "korenblauw" -ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is van oudsher zekere poëzie -verbonden; als ware het bij overlevering hebben wij ze lief; dat elk -ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie veldbloem, is daarvan -wel het duidelijkste bewijs. - -Heeft zij dit voorrecht, dit prestige, indien ik het zoo noemen -mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere bijzondere -eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat ook een -aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de gave -van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in -haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving -is zij niets. Als "Centaureae Cyanae" in tuinen gekweekt worden, -vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking haar -oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want -doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of verbastert het -tot vuil-wit of vuil-paars),--gesteld al, dat de kleur zuiver blijft, -dan maken zij toch altijd een onverschilligen indruk. Het grove, -schrale, onbehaaglijke der stengels en der bladeren valt in den tuin -ieder in het oog; in 't veld verschuilt zich dat tusschen de halmen, -en alleen de bloemen komen uit "het golvend bosch" te voorschijn. - -En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur tusschen rogge -groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat de zandstreken -wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de schilderachtigste -gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan vereenzelvigt zich voor ons -de schoonheid van de korenbloem met die van het roggeveld.--En dat is? - -Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden bodem, bedekt -met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en gebroken -door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. Het -is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen, -hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van -een dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de -geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche -olmen. Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar -heerscht om u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging -brengt. Het is wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon -zijt daarop meer of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd -kleine kevers, wespen, torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen -en vliegen, en voor wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe -druk zij het hebben. Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in -en uitvliegt, of de patrijs, die juist, met hare jongen achter zich, -het ongelijke, half begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is -de haas, die eensklaps u voorbij schiet, en die u dan veel rosser -dunkt dan 's winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en -de menschenstemmen die daartusschen klinken op een afstand. Het -zijn de halfgekleede kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is -bovenal uw eigen stemming, het gevoel van ruimte, van frischheid, -en nochtans van gezelligheid; en het spel van uw eigen gedachten, -die beurtelings de verte en de diepte indwalen.... - -Als ge lang zoo'n korenbloem aanziet, dan is het alsof al die blauwe -buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat tafereel hoe langer -hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat kleine ding voor u -de vertegenwoordigster van een der lieflijkste landschappen.... of -liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat bij eenig kadaster, -dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er nooit een zal krijgen; -maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet met het oog van den -kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft! - - - - - - - - -XXIV. - -EEN BERGTOCHT. - - -Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis -naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een -badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het -op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde "Sächsische -Schweiz". Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden -naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig -dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij -Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen -Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes -in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename -herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo -goed als onbekend is, de "Weckelsdorfer Felsenstadt". - -Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap -had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel -moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten -op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven -aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die -voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was 't heerlijk dat -er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden -bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de -plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was -voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil -en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd -zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna -allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om "die Felsenpartie zu -machen". Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte -logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die -wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en -levendig, de kamers hadden zoo'n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo -lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te -goed aan een bord oostenrijksche soep;--onze leidsman had moeite om -ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: "Nu eerst naar de -rotsen,--het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag -staan, als wij ze goed zien zullen." Het aangenaam vooruitzicht -van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons -eindelijk gehoorzaam meegaan... naar "de rotsen". - -Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur -afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons -uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij -ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch -achter den rug hadden, zouden wij van zelf de "Felsenstadt" in het -oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk -verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene -zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks -tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen, -hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren -met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen -van het hout loonde de bezwaren van 't vervoer niet; en ook voor de -jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in -oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben -aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid -hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan "de Hussieten" -toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote -rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk -ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas. - -Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze -geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen -kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken -harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag -slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor -toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de -lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend -heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan -over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het -water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden -van jaren daar ongestoord aan 't werk waren geweest, hadden deze -rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er -doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen; -en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren, -vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden, -er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest, -dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel -gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer, -geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten -en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het -vertoonen van de "Felsenstadt" aan beëedigde gidsen verpacht,--en op -aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega's, -neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe. - -Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het -echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft -zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een -boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op -een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje -beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken; -klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift, -(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op -de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof -hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat -Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden, -ter wille van een echo,--aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de -menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste -gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is -en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is -schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes, -brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van 't landschap bij: -hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de -donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons -allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij -volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan -moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging -van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de -meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. "Daar -zijn de koornzakken,"--werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen, -"daar zijn de kazen", daar is "de kroon", "de wandelende pelgrim", -de "reuzenharp", de "schoorsteenveger"; ginds in de hoogte zit -"de broeiende kip." Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder -aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen -verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo -teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. "Kijk," riep eensklaps -een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen: -"daar staat Erasmus boven op dien top." "Sanct Johan von Nepomuc," -zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis, -en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die -botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het -is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon -van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man -met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over -het land uitgestrekt,--spreekt het niet van zelf, dat men hem als -den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt -echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit, -dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien "der Uhu", de uil, -heet!)--Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: "de wachtende -rotsbruid". Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij -zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal -in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend -wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk -van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten -hals in de verte naar iets uitziet. - -Weldra kwamen wij aan het "rotsamphitheater", een halfrond dal, -dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet -denken; in den somberen "grafkelder"; en eindelijk in den "Münster", -een prachtige grot, waar de tonen van 't genoemde orgel, ofschoon -zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren "de -lentetuin", met zijn frissche varensvegetatie, en "Italië". Dit laatste -heet nl. zoo, in tegenstelling van "Siberië", een kille kloof, waar -nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw -ligt;--daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme, -rondom beschutte, rijk begroeide "Italië". Eerst tegen 't vallen van -den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze -wandeling ten einde. Bij den ingang--thans voor ons den uitgang--stond -een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen, -bestemd voor "welkom t'huis"; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee -ze allen prijkten: "Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein." Vóór de -deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk -zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als -ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er -een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes -tot stand: - - - Wie zien wil, hoe een schutspatroon - Ontzag wekt en vertrouwen, - Lette op Johan von Nepomuk, - Door de eeuwen uitgehouwen. - - Wie voelen wil, wat wachten is, - Trots tijd, en storm, en regen, - Zie opwaarts naar de Steenen Bruid, - En vraag haar stillen zegen. - - Wie weten wil hoe grillig-grootsch - Natuur zich kan vertoonen, - Betreê de Weckelsdorfer "Stadt:" - Het zal de moeite loonen. - - -En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid -van deze zonderlinge rotsen mochten komen. - -Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden -morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij -Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door -de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de -Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid -aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het -begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange, -eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die -daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten -te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige -ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven -tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en -wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en -te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich -niet verwonderen dat de namen: "lange Gasse", "Prager Jesuïtengasse", -"Breslauer Wollmarkt" enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn -gekozen. - - - - - - - - -XXV. - -OUWERWETSCHE BLOEMEN. - - -In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet ik een hofje, waar -ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar keeren naar toe ga, -om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten naastenbij als alle andere -hofjes. Ofschoon midden in eene zeer volkrijke buurt gelegen, is het -als een zinnebeeld van rust en stilte. Als gij er binnen treedt, -en de zware ijzeren deur achter u toevalt, gevoelt gij u in eene -kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van de groengeverfde -deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de gordijntjes, -zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon bestemd te -wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige plooi: -zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als de rimpelige hand, -die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het loslaat. De katten -sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de lijsters in de kooien -schijnen zich onder dien invloed te voelen. De mijne zingt altijd: -"Wat wil je nou liever als vrede?" zeide mij eens een oud vrouwtje; -en ik moest erkennen dat althans "de maat precies uitkwam." Eerlijk -gezegd, het is er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens -tachtig jaar zal moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal -kunnen vinden. En als ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk, -en mijn gezichteinder verruim door het marktplein te zoeken,--dan haal -ik diep adem, en word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn -grootere en kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende, -kleingeestige menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de -dorre menschen, die aan onze fantazie haar goed recht van bestaan -en ontwikkeling betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten, -die ons trachten op te dringen dat de zonneschijn van het leven zijn -nevelen niet waard is... ik toch de wijde wereld nog niet moe ben! - -Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de tijdrekening -aangaat, scheidt de poort van 't hofje hetgeen daarbinnen van hetgeen -daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een berijmd opschrift, -uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks 150 jaar gesticht -is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het drievoudig -doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te vereeuwigen, -en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De bouwtrant -en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich ook -in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd -heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de -neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze overgrootmoeders -lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij spreekt u ook toe -uit de bloemen, welke daar bij voorkeur gekweekt worden. - -Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij tegenwoordig in Holland -nog een "juffertje in 't groen" (Nigella Damascena) vinden, met het -lichtblauw deel harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen; -of een "kooltje vuur" (Adonis autumnalis); of, om in dezelfde kleur -te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem (Lychnis -chalcedonica), in de wandeling "Konstantinopel" genoemd? Wie anders -kweekt nog als sierplant "bernagie" (Borago officinalis), met zijn -stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in -de weelde van er "gouden knoopjes" op na te houden? Waar anders dan -misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een "tuinder," die -zich bepaald op de klandisie van de oude vrouwtjes toelegt, krijgt -men zulk een rijkdom van schitterende duizendschoonen en welriekende -violieren te zien? Waar anders speelt de balsamine zulk een groote -rol? Ik meen èn de enkele, de klimplant, èn vooral de oost-indische -balsamine, met haar dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels -van een hyacinth rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt, -terwijl een bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt. - -Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed te doen aan -den geur der muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), wier geel mij nergens -zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo fluweelachtig -toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het vierkante -middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in plaats van -gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de randjes van -grasanjers in bloei; en dan staat op de rekjes voor de ramen, tusschen -een aantal kleine potjes met Sedums en Cacteën, een groote "ruiker" -ranonkels in een glas water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen -vaasje. Ruiken doen zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de -gedachte voor de hand ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te -maken zouden wezen; maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder -eenig temperend groen er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd -sieraad zoo binnen als buiten het venster der bestjes. Die rekjes -zijn dan verder gevuld met maagdepalm en bakkruidjes (de oudste -soort van Primula veris); en zoo er soms een maandroos bij staat, -dan is die stellig tegen een paar latjes opgebonden. - -Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het dan juist -niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna ieder -raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit zou -kunnen noemen, en wat ons af en toe een: "wel, is dat nu een... (dit -of dat)"? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met vreugde, hoe ik -daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem bespeurde, en mij -verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen naam. Blijkbaar -heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van zeer smalle -blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een doornenkroon -doen denken; en is men daarna in de andere inwendige bloemdeelen -het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. Hieraan -ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die haar -in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij -in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef steeds een -kasplant. Dat ik haar op het hofje ontdekte, was dan ook door een -bijzonder fortuintje. Zij was het eigendom van een vrouwtje van -brabantsche afkomst, die haar plant zóó geleid had, dat die een -soort van nisje vormde, waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als -éénige roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven, -hield zij die stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien -achtermiddag, trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald -"voor een verfrissching". - -En als men dan den blik weer van de vensters naar den algemeenen tuin -wendt, kan men daar kennis maken met de akoly (Aquilegia vulgaris), -met vijf spoortjes, op de wijze als oost-indische kers er een -heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde van den dag was, toen de -rederijkerskamer "De witte Akelye" een "zinnespel" vertoonde, ter -eere van ik weet niet recht welk voorval in den "prinsentijd". Daar -staan ook in al hare bescheidenheid de "menniste zusjes" (Saxifraga -umbrosa), wier ondeugende naam mede aan een vroegere periode doet -denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke politieke rol -speelden in de dagen der "Oranjeklanten". Onder den grooten pereboom -in 't midden, die ouderwetsche peren voortbrengt,--even geurig als -menige groote, nieuw veredelde,--groeit en bloeit een struik (Rubus -occidentalis), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die men -"kaapsche framboos" noemt, en ook zeldzaam elders meer aantreft; aan -gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in het najaar -zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den titel van -"Judaspenningen" in de zon gedroogd zullen worden. Ook worden daar -"steekneusjes" (Agrostemma coronaria) gekweekt, en wijnruit, en -rosemarijn, en een soort van salie met afwisselend roode en blauwe -schutblaadjes. Ik zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders -toch aan dien zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen; -namelijk of en hoe dat samenhangt met de Salvia officinalis, welke -in de middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat -een latijnsch spreekwoord luidde: "Waaraan zal een mensch sterven, -die nog salie in den tuin heeft?" - -Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt zijn? - -Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat zij hier niet -"aarden wilden".--Maar dat kunnen niet de éénige redenen zijn. Een -bejaard bloemist zei eens: "Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er -aan een plant wat te veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra -men daar geen kans meer op ziet, raakt zij er uit." Ik geloof dat -daar veel waars in is. De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten -te leveren, maakt de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het -dankbaarst leenen, hebben voor een tijd den boventoon. - -Doch op die wijze wordt het aantal der "in den smaak" zijnde bloemen -zeer beperkt; en wie waarlijk Flora liefheeft juist in hare eindelooze -verscheidenheid, dient zich dan schadeloos te stellen door af en toe de -"verouderden" in hare schuilhoeken op te gaan zoeken. - - - - - - - - -XXVI. - -AUGUSTUS. - - -Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en geschiedkundigen -voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van zouden leveren; -maar in mijn ooren doelt de naam Augustus voor onze achtste -maand steeds daarop, dat de volle majesteit en heerlijkheid van -'t zomerleven zich om dien tijd van 't jaar het meest in al haar -omvang openbaren.--Juni heet zomermaand; maar "voor den langsten dag -krijgen wij geen warmte", is eene in onze volksovertuiging opgenomen -zekerheid.--Thans, op 't eind van Juli, is de warmte eindelijk -gekomen.--De wind is oostelijk; de barometer teekent "bestendig"; het -"laat zich aanzien dat wij--("met de nieuwe maan", voegen sommigen -er bij)--het mooie weer een poosje zullen houden." De natuur rust op -haar lauweren van het groeien; de zonneschijn heeft nu slechts voor -het rijpen te zorgen. - -Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen namiddag. Gij hebt -u verscholen in de schaduw. Het diepe groen der iepen en der linden -komt te rijker uit, sinds het wordt afgewisseld door de frisscher tint -der jongste loten. De lucht is helder. Nu en dan snort u een hommel of -een juffertje voorbij; of een wielewaal vliegt van den eenen boom naar -den anderen, met de schalksche, zangerige vraag: "Klinkt mijn liedje -niet goed?"--De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, zoodra gij -u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij zich -in 't gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt niet veel, -maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe handen -buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van rust -in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... Dikwijls -komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige geest -gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er aan -die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd. - -Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in aangenaam -gezelschap,--ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, niet slechts -het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het bereik van -elkaars stemmen.... - -De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich voorgesteld hebben -den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. "Van den zomer" -zullen wij dit doen, en tot "van den zomer" zullen wij dat uitstellen, -heeft men elkander reeds sinds maanden hoopvol toegefluisterd: en al -die bezielende, veelbelovende plannen doelden op die lange dagen, -die voor zeer velen, te beginnen met de schoolkinderen, een korter -of langer vakantie, verlof, of "komkommertijd" mee plegen te brengen. - -Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een aantal menschen -met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig feest, waarvan -de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte de uitvoering -zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer verheugd heeft, -als zij eindelijk dáár is, ronduit gezegd, maar al te dikwijls -tegenvalt? Dat de één veel tijd besteedt aan plannen, om zich het -schoone jaargetijde het aangenaamst te maken, en nochtans tot geen -recht genot kan komen; en een ander, zij het dan ook met een beetje -schaamte, moet erkennen, dat hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm -en rustig, gezellig, "comfortable" en pleizierig vindt? - -Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd -verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij voor velen -eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de meeste -Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu -toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne -"onbestendigheid", zijne "guurheid", en het geringe aantal schoone -dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt naar warmte, en... als -dan op eens de thermometers zijn gerezen, beklaagt men zich daar al -heel gauw nog meer over, dan te voren over de kou. - -Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, beschaafde -Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming het -schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede vieren? - -Ik denk het allereerst aan onze dag- en nacht-verdeeling. Hoe zijn -wij er toch toe gekomen om, wonende op een breedtegraad waar zulk een -groot verschil is in zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven -nagenoeg het gansche jaar door één tijdsverdeeling te behouden, en -wel een die het beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel -toch der beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de -zon in Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s'avonds, -ook in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou -kunnen noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn -volle waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste -uren te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden, -de warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al -zwoegend doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een -handjevol genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag "zoo -kort", en het afscheid van de zon "reeds" dáár is, met kunstmatige -verlichting den tijd in te halen dien men des morgens heeft bedorven? - -Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, dat het -weder al "heel mooi" moet wezen eer wij ons met genoegen in de vrije -lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin zooveel beter ingericht -op koude dan op warmte, op zomer-morgens dikwijls meer tobt, mort, -zich over de natuur beklaagt,--dan op den guursten Novemberdag? - -Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van menschen, het -grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, besloten -tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens weer -straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den zonneschijn op -hunne ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de zon met eigen oogen -te zien op- of ondergaan. Is 't wonder, dat voor velen hunner de zomer -geen genot is, en dat zij,--misschien zonder het te weten,--hem daarom -liever maar voorbij wenschen, omdat er dan sprake is van een vrijheid -en een vreugde, die voor hen toch niet schijnen weggelegd te zijn? - -Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van arbeid, -die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche volken -bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot de zoo -noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor ook de -naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur ontrooft. Is -het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, indien hun -werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar onafgebroken -kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde omgeving -doet wenschen? - - - -Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer velen dwaas en -"overdreven" dunken; dingen onnatuurlijk noem, die men door de kracht -der gewoonte normaal is gaan vinden; zinspeel op idealen, die ik op -het oogenblik evenmin in praktijk kan brengen als gij. - -Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe ik elken zomer, -als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de aantrekkelijkheid -van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik daarbij telkens weder -aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit weet ik dat genoemd -klimaat zich niet naar ons zal schikken; en dat wij dus het wijst -zouden doen met ons naar zijn veranderingen, zijn nukken en grillen -te regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen -zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid -zoo onkwetsbaar mogelijk te maken. - - - - - - - - -XXVII. - -BLOEMEN LANGS DEN WEG. - - -Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer's lief heldinnetje de kunst -van "kruuzemunt"-zoeken na te doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het -met den neus gaan zoeken; evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke -kleine paarse lipbloemen, die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie, -dat men de blaadjes slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat -hun groei aangaat, heeft men slechts aan een doovenetel te denken... - -"Al die Munt en al dat Penningkruid langs de publieke wegen," zei -laatst iemand op een wandeling, "is maar een bespotting van den armen -drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn zak."--"Ja, -als je daaraan wilt beginnen," hervatte een ander: de Sleutelbloem -past op geen enkel slot; en wie den Helm voor hoofddeksel wou -gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd moeten hebben."--De -aardigheid was aanstekelijk, en de voorbeelden liggen slechts voor -het oprapen. "Aan het Vuurkruid", viel een derde in, "kunt ge niet -ééns een sigaar aansteken: waarvoor dient zoo'n ding dan?"--"Onder -al de Violen en Vioolachtigen is er geen enkele, waarop men, al was -'t ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen spelen."--"De -meeste Paddestoelen zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs voor -een pad."--"De kammetjes van 't Kamgras kunnen nooit een kapper van -nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als Salomo, in zijn tijd, -niet heel wat anders dan een Convallaria als Zegel gebruikt had."--"Al -die Slangenkoppen en die Addertongen, waarvan het, naar men zegt, -in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een -duinwandeling geven..."--"Is waar, 't is wel wat erg; en als gij -ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig, een broodje -met Ossentong bestelt, en de knecht u met een ruwbladerig plantje aan -komt dragen, dan ken ik u volkomen het recht toe, om hem een uil of -een brutalen spotvogel te noemen!" - -Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke namen. Wat -dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers, -Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren, -en Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen, -waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen -over den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij -herdersbeursjes vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat -van de eene of andere Philis te bergen!--Soms is er aan die wilde -planten een legende verbonden, en dan heeten zij naar den eenen -of anderen heilige; soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij -voorbeeld die van "kamperfoelie", blijkbaar verbasterd van het fransche -"chêvre-feuille"! Soms weer zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van -"duivelsgaren" voor verschillende zeer lastige slingerplanten.--Doch -hetzij hun zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze -mooi mogen vinden of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven -altijd veel liever dan de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de -bedoeling van de tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet -zoozeer is om meer geleerden te vormen, als wel om in alle menschen -meer oog en hart voor de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan -moet op de populaire wetenschap ook niet door latijnsche terminologie -een te "geleerde" stempel worden gedrukt. En indien een groot aantal -plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog toe -het "volk" ze, als van geen bijzonder praktisch belang, onopgemerkt -voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk niet, ze een -volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door botanisch -onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet dood, -verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar! Indien -de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of -andere zijde verruimt, moet zij--de taal--dan niet meegaan en zich -voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij hun -latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders; -de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen -op na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het -levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van Herderstasch. Ziet -eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de oude Dodonaeus het -voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus uitteekende, -en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik, en aan de -andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen karakteriseerde: - -"Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in 't eerste uyt syne wortel -sommighe langhworpighe bladeren, rondsomme diep gekerft,--langhs der -aerden verspreydt; daer nae krijghet dunne; somtijds veelachtighe -recht op staende steelkens, in andere zijd-steelkens dickwijls -verdeyldt, met dierghelijcke, maer kleynder bladeren beset; op het -top van dewelcke kleyne witte bloemkens voordtkomen, gheschicktelijck -gevoeght: als die vergaen sijn, komen daeraen kleyne, platte, kantighe -hauwkens, bij haer steelken oft aen haer oorspronck wat smaller en -wat meer ineenghedrongen dan nae bovenwaerts, waer zij breeder zijn, -kleyne borsekens oft teskens eenighsins ghelyckende, nae de welcke -dit cruydt synen naem voert. In de teskens steeckt het saet.(!) De -wortel is langhachtigh, wit, met sommighe veselinghen.--Het groeyt, -bloeyt, ende maekt syn saet ryp den geheelen somer door." - -Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten zeggen. De -voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn verdwenen -en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten; maar -de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille; -en de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid; -en de basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in -open plaatsen tusschen het hakhout; en hoe meer men er op let, hoe -meer verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels -in de weide glinsteren, dan zijn 't, in plaats van madeliefjes, -witte klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur -vergoedt meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een -handvol van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering: -misschien vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij -weet,.... dat brengt geluk aan! - - - - - - - - -XXVIII. - -DE LOTOS. - - -Onlangs had er een botanisch verkeerd à propos plaats zooals heel licht -gebeuren kan, wanneer twee of meer planten, in den loop der tijden, -aan denzelfden naam gekomen zijn. Het was tusschen een geleerde, die -zich nooit veel met bloemen ingelaten had, maar des te meer met oude -dichtkunst, en een dertienjarig meisje, dat juist dezen zomer, als -H. B. school-leerlinge, haar eerste veld liep op plantkundig gebied. - -"Je hebt het tegenwoordig zoo druk over planten," zei de doctor in -de letteren; "maar weet je wat ik graag eens zien zou: een Lotosbloem." - ---"Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze niet?" - ---"Ze zouden mij zoo interesseeren om de poëzie, die er aan is -verbonden. Je denkt dan zoo om een stil waterlandschap met een -weelderigen plantengroei bij maanlicht." En hij vertelde een en ander -van de "Lotophagi, de veelbebesproken Lotoseters", en beweerde dat -hij er zelf wel eens even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou -willen wezen. - ---"Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of schapen," schertste -'t meisje; "menschen zullen ze toch wel niet eten." - ---"Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze waarschijnlijk nog wel." - ---"Ik ga er een halen," besloot zij. - ---"Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?" vroeg hij lachend. - ---"Neen, vlak bij uw huis." - ---"Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht bij" mompelde hij -ongeloovig. En halfluid reciteerde hij: - - - "Die Lotosblume ängstigt - Sich vor der Sonne Pracht, - Und mit gesenktem Haupte - Erwartet sie träumend die Nacht." - - -Binnen weinige minuten was zij terug met een plantje van een paar palm -hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en fraaie botergele bloempjes. - ---"Is dat een Lotos?" riep de doctor, "'t Lijkt wel een gouden-regen!" - ---"Een gouden-regen!" herhaalde nu het meisje op haar beurt, met al -de verbazing van iemand, voor wie zóó'n vergissing sinds zes weken -een onmogelijkheid was. "'t Is een Lotus corniculatus, een gehoornde -Rolklaver." - ---"Nu, dan zal ik het voortaan voor jou plezier een land-Lotus noemen, -juffrouw Flora," eindigde de litterator vriendelijk.--Maar wat hij -had wenschen te zien was een Nymphea-Lotus, dat sieraad van den Nijl, -die met hare indische zuster, de Nymphea Nelumbo, als "Lotosbloem" -zulk een voorname rol speelt in de aloude poëzie van Indië en van -Egypte. En hij verhaalde daaromtrent verscheiden mythen en legenden, -die haar lieve oogen deden glinsteren. - - - -"Mijnheer," zei twee maanden later juffrouw Flora, zooals hij haar -sedert dien tijd voortdurend noemde, "nu weet ik waar u iets te zien -kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! In den Amsterdamschen -"Hortus" bloeit de Victoria regia. Ik heb er een prent van gezien, -en dacht dadelijk aan uw indische vertellingen." - ---"Welnu, dan zullen wij er samen eens heengaan. Wat wil je liever: -bij dag, of bij avond met gaslicht." - ---"Neen, bij dag!" koos haar rein instinkt; "'t is wel waar, -zij bloeit het mooist bij avond, maar bij gaslicht, dat vind ik -zoo.... onnatuurlijk." - -Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij op klaarlichten -dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als een leeuw in -zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in roodachtigen -toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou verwachten. En -men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. Een was er -omgedraaid, opdat men 't sterke adernet in oogenschouw zou kunnen -nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een jongen -van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de bloemen -met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn een -gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.--En eer zij -uit den Hortus gingen, waren hun ook dadelpalmen, suikerriet, een -koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, al hetwelk -zeer hunne belangstelling opwekte. - -Toen zij 't hek uit waren, zwegen zij beiden. - -"Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen land zien," zei -het meisje het eerst. - -"Ja," antwoordde de dokter, "'t is heel mooi voor de wetenschap, -zoo'n inrichting; maar je waardeert de planten eigenlijk maar half, -als ze zoo uit haar element gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat -de Victoria op een Lotos lijkt, maar het wou mij toch niet lukken -om mij in zoo'n kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges -te verplaatsen." - - - -In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een -buitenpartij. 't Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog zich. - -"Juffrouw Flora," zei de dokter, haar op den schouder tikkend, -"ga eens even mee: ik heb wat moois ontdekt." En langs een paar -verborgen paadjes troonde hij haar mede naar een open plekje in het -bosch, waar zij eene kleine watervlakte in het oog kreeg, 't Was een -verlaten vijver, die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had, -maar thans geheel aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste -gedeelte was hij door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde -kastanjes en een treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans -het licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide -riet, zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en -staken gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en links bloeiden, -nauwelijks zichtbaar, Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever. - ---"Ziet gij wat daar drijft?" vroeg hij, terwijl zij van de helling -op het water nederzagen. - ---"Ja, Nymphaea's, gewone witte waterrozen, Victoria Regia's in -'t klein!" voegde zij er glimlachend aan toe. - ---"Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat Lotosbloemen moeten maken!" - ---"Maar die zijn zooveel grooter en hebben lange dunne stelen, en -ontsluiten zich eerst 's avonds," bracht het meisje, dat intusschen -meer geleerd had, in het midden.... - -Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar dezelfde -uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee deze -bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde bladeren rusten, -die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken.... - - - - - - - - -XXIX. - -ONS WIER-EILAND. - - -Allen die zeggen--en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen 't -daarom niet--dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten -het bereik van spoor en stoomboot, ("van de gewone touristen-route -af", zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche -eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen -telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het -stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo -kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op -zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar -Vlieland, Terschelling, Wieringen... - -Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois -voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op -een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap -heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het -Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de -velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij "La Belle -Alliance". Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas -de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich -plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen -niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes -gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als -de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons -aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten -kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee -uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het -geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is -betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur -gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een -uur of wat zijn strand; zoo is 't gegaan sinds honderden van jaren, -en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand. - -Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van -eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van -verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in -zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een -kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland, -dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts -een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog -punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk -anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij -hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine -zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel -doordrongen van 't bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u -van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen, -de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u -heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug -houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt, -gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven -boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! 't Is hier -volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait; -gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de -wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven, -zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats -van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet -gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te -midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan -meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in -'t weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst, -en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre -de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de -hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij -aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op -het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen, -of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet -zoo'n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar, -dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar "nou" en "hoor", -en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast, -met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen -niet ongemoeid laat,--men zou zich in een zuidoostelijker deel van -ons land wanen! - -Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen -te blijven. "Op een eiland te zitten", is op zich zelf voor -negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is -niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling -en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of -verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat 's lands regeering er ook zoo -over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd 't geschiktste -punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen -waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal -af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen -zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een -kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan, -uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf -dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever, -te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi, -de rotganzenvangst en de wier-industrie. - -Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen -wou schrijven. - -Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige -plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug -van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de -zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier -eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen -eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische -verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het -plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima), -dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door -verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen. - -Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg--met de -postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna -Paulowna-polder afvaart,--landen wij aan de kleine havenplaats, de -Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het -hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het -langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor -'t grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed; -somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen; -deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde -knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze; -en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen -dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen -hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant. - -Zoo wij nu dicht bij 't eiland komen--en wij moeten er een eind ver -langs zeilen--rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa -is, waar wij tegen aankijken, "'t Lijkt de krijtkust van Engeland wel," -oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten -van "dien hoogen wal met loodrechte spleten". Om met dit laatste te -beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte -der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier -voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds -zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter -bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in -deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die -dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het -eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt -beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust -van "Albion" deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier! - -Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot -eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten -tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden, -en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen -met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit, -en daarbij zijn zij trouwens 't best te vergelijken. Hun overeenkomst -met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde -kleurverhoudingen: dààr heeft men te doen met oorspronkelijk wit -krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten -slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een -zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk -lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en -Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen -lapje tapijt over den grauwen muur afhing! - -Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,--de aanlegplaats aan de Houkes is -juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een -ander schip ingenomen,--komen wij aan wal, en bij den eersten stap -vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen -bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot -het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks -aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,--altijd weer met "wier", -(met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo -maar blijven noemen). 't Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop -wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist -bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen -met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk -af,--want het wortelt in den bodem der zee,--en verzamelen het zoodra -het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte -voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard -bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen, -te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het -natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij. - -Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die -het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak -daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld -en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van -den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en -geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het -verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename -eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de -velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg -wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten, -want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht, -die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde -visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het -onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen, -waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij -men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken. - -Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag: -wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij -achteruitgaat, dat "het vet van den ketel is", en dat er weinig -of niets meer aan te verdienen is, wegens "de hooge pachtgelden" -en "de groote concurrentie". 't Zal allicht waar zijn, dat er -persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de -geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor -betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust -heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje -van nijverheid niet kwijnt.--Doch ons is het niet om de statistiek, -maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en -dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart -wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in -geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen -vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van -het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel -groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt: -veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij -elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook -beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en -verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet -ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt; -weldra zal het bij een koopman "in drogerijen en verfwaren" terecht -komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen! - - - - - - - - -XXX. - -NAJAARSBLOEMEN. - - -'t Is September; en uw tuin, die in de laatste weken misschien -wat had geleden, hetzij door de hitte der hondsdagen, hetzij door -de Margriet-regens, of door de stormen, die doorgaans het ernstige -korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol bloemen. Maandrozen -hervatten met moed haren bloei; en onder 't lage zaadgoed ziet ge -menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, om mee te werken -aan de opgefrischte decoratie. - -Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de Phlox -Drummondi. Phlox, Vlambloem; volgens haar naam dient zij rood te wezen, -en dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende -de laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er -takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis -waarin men van "roode" kool spreekt, ook het zachtste en zonnigste -rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het donkerste -amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert hier en -daar in volle reinheid een groepje witte; en de overgangen vormen -de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er bovenop ligt; -soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de lichte), -terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van fluweelachtigheid -hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje op ontdekt. Een -en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe dun de roode, -witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun bouw veel meer -samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een weinig moeite -kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van het overige -weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar doorschijnend; -en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de tint der -daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is een -hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer eene -ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen één -iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene Phlox lijkt. Vijf -ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf blaadjes kunnen -doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste organen zijn -verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig maken, maar hij -den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend ledig voor -kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model voor "een -bloemetje" bij uitnemendheid; doch hoeveel wonderlijke konterfeitsels -er ook van gemaakt mogen worden, in werkelijkheid zijn zij daar niet -minder mooi om. - -Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de struikachtige -overblijvende soort,--in 't grooter, zwaarder, steviger, geheel op de -Ph. Drummondi gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men -beproefd uit Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien -zij nergens in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd -jaar geleden [4] aanleiding tot de volgende merkwaardige opmerking: - -"Indien het eerste Oir van alle gewassen in 't Paradijs gevormd -ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is geweest, zoo zou het zeer -onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden over den Aardbodem, deze -Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan in Noord-Amerika alleen; -terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van een dergelijk klimaat -en grond." - -(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens te lezen -hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en schreef.) - -Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, behoort de -Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig gezind. 't -Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het voornaamste -sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger soort. Zij -houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en bloeit -heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen zij, -tweehonderd jaar geleden, reeds "in de tuinen der liefhebberen als -een gemeen gewas bekend" stond. De tijd van hare invoering (juist -niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet precies meer te bepalen, -en zij schijnt dan ook in het minst geen bezwaren tegen ons klimaat -te hebben. Gij plant haar in het voorjaar aan den ingang van een -prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij licht en water genoeg heeft, en -behoeft haar overigens volstrekt niet te helpen; en binnen weinig weken -is zij boven, en hangt u van het dak van het prieel af toe te knikken, -dat het een lust is om te zien. Hoe zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk -heeft aangelegd om zich omhoog te werken? Hoe men ook onderzoeken moge, -er is aan haar gladden stengel geen spoor van hechtworteltjes, zooals -aan de klimop, te ontdekken; en ook nergens ranken of klawieren van -eenigerlei soort. Ach, zij heeft die niet noodig. Zij is zoo vlug, -en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare bladstelen, waarmee zij zich -behendig telkens aan den eersten steun den besten vasthoudt, om dan -dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij zien dat aan met al het -welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt praktische, redzame lui bij -hun arbeid bespieden, die met geringe middelen en weinig gereedschap -toch altijd weten klaar te komen,--in tegenstelling met het heir van -slechte schrijvers, wie het altijd weer aan inkt en pennen, en van -onbeholpen naaisters, wie het altijd aan haar naalden hapert! - -Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte bloemen -voortgebracht: Kapuzinen noemen ze de Duitschers, wegens den vorm -van den gespoorden, gelen kelk, die aan een middeleeuwsche kap doet -denken, zooals waarmede men vaak monniken of wel kaboutermannetjes -ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere oranje, waarom de -O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot sarring van -"Keezen" moedwillig tentoongesteld te worden, is in de laatste jaren -met allerlei schakeeringen van geel tot bijna zwart toe afgewisseld -geworden, maar behoudt toch den boventoon; en zoo vormen die massa -"schildvormige bladeren en bloedroode bloemen", jaar in jaar uit, -datgene wat Linnaeus aan "tropeeën der ouden" deed denken, toen hij -dit plantengeslacht met den naam Tropaeolum bestempelde! Mij dunkt, -men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan fantazie, er blijkbaar -zeker artistiek genot in schepte, den hem toestroomenden schat van heel -en half bekende en onbekende planten zoo schilderachtig mogelijk te -benoemen. Dat wij van O.-I. "kers" spreken, geldt natuurlijk niet de -vruchten, die in 't minst niet op kersen gelijken, maar stellig den -aangenaam prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden -smaak. - -En dan zijn er stokrozen. - -"O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; 't is ten minste goed, -dat de mode die afgeschaft heeft!" - -Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof en leelijk zijn, -als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver bederft, namelijk -van haar natuurlijk karakter berooft en er, door verdubbeling, iets -van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar zij zijn niet -leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar natuur mogen -opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van "grootstbloemige -der Malvaceën". Sinds Mei heb ik een perkje met stokrozen onder het -oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden zich aan ieder plantje een -stuk of tien groote, heldergroene bladeren, die voorshands laag bij -den grond bleven, maar zich daar meer en meer uitspreidden. Op 't -laatst van Juni begon zich in het midden een groene kegel te vormen; -zachtjes aan verhief zich deze, en vertoonde zich als eene dikke, -dichte aar, bezet met een groot aantal bloemknoppen. Hoeveel, was -nog onmogelijk te bepalen; want ofschoon de onderste reeds duidelijk -afzonderlijke lichaampjes waren,--het puntje van de aar, een weinig -omgebogen, was eigenlijk nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De -aar had hierdoor uit den aard der zaak eene kegelvormige gedaante, -die zij onder 't voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk -groeide. Naarmate nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel -langzaam aan. Och, zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat -wordt zij, ja, indien men haar uit al te groote zorg een soort van -steun wil geven, haar opbindt tegen een groen stokje, met een rood -of geel puntje. Zij heeft dien steun niet noodig. Haar eigen "stok" -is sterk en krachtig en houtachtig genoeg; en toch niet "houterig" -in leelijken zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij -zoo hoog begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden, -verbreeding noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in -den naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel -aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk -genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn -'t geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan de -bloem een dubbelen kelk voorspelt? - -Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een blad, dat, ook -weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot versiering van -de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste bloemen. Het -waren roode, van het helderste rozerood. De vijf bladen zijn zoo -dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen te vormen; -en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou dat ik -ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch stijf, -noch grof, noch leelijk hadt gevonden. - -In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven Dahlia's. Na de -zonnebloemen, die hier en daar als gele monster-madelieven rondom -boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, de lucht van kwade -dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de grootstbloemige onder onze -najaarsplanten. 't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat zij met een -kleine, flets-oranjebloem hier aankwam, en de geleerden het een tijd -lang oneens waren, of zij haar den naam van Dahlia of van Georgine -zouden laten behouden. Hier te lande heeft de eerste, in Duitschland -de tweede naam gezegepraald; maar intusschen had het aanzien van de -plant in kwestie reeds vrij wat veranderingen ondergaan. Vooreerst -was zij verdubbeld, ja bijna geheel "gevuld" geworden, en ten andere -was zij met haar sterken aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze -mislukte pogingen om haar ook zuiver blauw te doen worden nu niet -meegerekend) een dankbaar materiaal voor den tuinbouw. Geur heeft zij -volstrekt niet; haar eenige aantrekkelijkheid bestaat als decoratie -in het groot, en op verren afstand is zij niet onaardig. Maar om -van dichtbij bekeken te worden...? Ook aan deze planten heeft de -verdubbeling, wat de sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed -gedaan; en men behoeft nog geen modemaakster van beroep te zijn, -om bij een gevulde Dahlia maar al te gauw aan eene zwaar geplooide -rozet van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke -bloempjes voor omgevouwen lussen gelden.--De anders niet onaardige -term "bloemkorfje", dien de plantkunde bij dergelijke "samengestelde" -bloemen gebruikt, verliest in geval van vulling allen zin. De kleine -bloempjes, die oorspronkelijk in 't korfje zaten, zijn verdwenen en -het niet onbevallige randje is een plompe bal geworden. - -Het is opmerkelijk, dat, laat in 't najaar, de "samengestelde" bloemen -ons in den regel 't langste bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel -hooren. Vooreerst toch behooren daartoe verschillende soorten, wier -weefsel van nature vrij droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde -stroo- of zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes -van een teerder maaksel zijn,--Goudsbloemen, Sanvitalia's enz.--hebben -in haar bloembodem en haar omwindsel (in één woord in datgene wat in -de wandeling haar "hartje" heet) een steun, welken men aan bloemen -zonder zulk een hartje nimmer kan verschaffen. - -Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als alles in -uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, Zinnia's, -Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen en verweering -het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer om gewaardeerd -te worden. - - - - - - - - -XXXI. - -EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN. - - -Elk die in dit seizoen een "tuinder" in zijn tuin bezoekt, kan zeker -wezen klachten te vernemen over de erbarmelijke wijs, waarop de -rupsen in de kool huishouden; en de groenlui in de stad hebben niet -altijd ongelijk, wanneer zij dit als reden opgeven voor het "opslaan" -van genoemd artikel. - -Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in hetgeen er in -de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven zijn van -zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, die -dan ook gewoonlijk "koolwitje" genoemd wordt. Het wijfje van dien -vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij der bladeren van -kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; ieder diertje -dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien komen deze -eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week lang -gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. Omstreeks -den achtsten dag vervellen zij voor 't eerst, en beginnen zich dan -over de geheele plant te verspreiden. De jonge rupsen zijn bijzonder -gulzig; dag en nacht eten zij voort; men heeft opgemerkt dat zij -in zeker aantal uren steeds het dubbele van haar eigen gewicht aan -voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn zij volwassen, en -zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. Wie nu daartoe -een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of schutting, heeft -gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt haar huid af, -en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene pop, met zeer -vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien dagen barst op -nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht in. - -Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine koolplanten in den -tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een heerlijke gelegenheid -tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo verschijnt in den nazomer -een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne beurt zijne gulzigheid bot -viert. Indien men nu stelt, dat in het voorjaar 10 vrouwelijke kapellen -zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben voortgebracht, dan is het niet -te veel gerekend, indien een vierde daarvan weder wijfjes zijn, en -deze in September 100,000 nakomelingen leveren. Het is dan waarlijk -wonder, dat er nog iets van onze kolen overschiet;--de bladstelen en -een gedeelte van de hartbladeren blijven meestal gespaard. - -Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om van de musschen -en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het koolwitje -heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog veel -geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte, -een zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche doorschijnende -vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren leggen in het -lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven dan ten koste -van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij zijn de -slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn voorzien -van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou groeten. Dat -is de zoogenaamde "legboor", en bestaat uit drie borstelige haren, -die te zamen een holle buis vormen, en door middel waarvan zij haar -eieren onder de huid van haar slachtoffers brengen. - -De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, legt dikwijls -meer dan 30 eitjes in den rug van ééne rups. Ondanks de pijn, die -dit haar zeker moet veroorzaken, en het uitkomen en groeien van de -made, blijft de rups toch doorgaans leven tot zij aan verpoppen toe -is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met niet geringe moeite, een -schutting of een boom. Alvorens zij er dan echter in slaagt om haar -vel af te stroopen, wordt dit door de maden doorgebeten, die dan alle -te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan hare zijden naar buiten -komen kruipen. De nu stervende rups valt dan meestal op den grond; -en op haar plaats vindt men de jonge woekerdieren, bezig met zich -in te spinnen, ten einde, ieder in een geel cocon, maar te zamen in -het spinsel dat de rups reeds was begonnen te maken, haar poptijd -door te brengen op het plekje, dat deze voor zich zelve uitgezocht -had. Ziedaar de 100,000ste opvoering van een ieder jaar terugkeerend -treurspel.--Het naspel wisselt af. Misschien zal het ditmaal daarin -bestaan, dat het gansche cocon in den loop van den winter door een -boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge -wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld, -grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste -zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel -gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te -kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge -praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die -veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert, -maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt... - - - - - - - - -XXXII. - -EEN NATUURKALENDER - - -"De hoeveelste is het van daag?" - -"De 28ste, Neef, de 28ste October." - -"Bloeien er nog Heliotropen?" - -"Ja zeker. Woudt u een takje hebben?" - -En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een -aan. 't Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in -dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren. - -"Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?" - -"Ja, neef." - -"En Aubergine, hoe noem je dat in 't hollandsch?" - -"O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt -u zoo aan 't fransch vandaag?" - -Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en -had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al -wat fransch was. - -"Wel, die fransche kalender......" - -"Wat meent u?" - -"Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse, -Ventôse?" - -"Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen -te maken?" - -"Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark, -of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag -van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten -wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon -wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t'huis -hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen, -27 April...." En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen. - -"Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat, -hoe zal ik zeggen, officiëel?" - -"Wel, het hoorde bij den kalender. 't Was in plaats van de -heiligendagen. Wij hadden 't uit een zwitsersch almanakje; als je -goed zoekt, kan je 't misschien nog wel vinden....." - - - -De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, om er een -tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik het -bedoelde boekje. Het was een Helvetischer Revolutionsalmanach für -das Jahr 1800, welks inhoud begon met een dubbelen kalender, in de -"oude" en de "fransche" tijdrekening. [5] - - -Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: mij kwam ze -gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan het weêr -ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen Juli-gloed in het woord -Thermidor, en ligt er niet een sombere Novemberdag verscholen tusschen -de letters Brumaire?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800 -niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: Primidi, Duodi, -enz. Doch wat ik nooit gehoord had, was dat men, bij het schrappen -van al wat naar kerkelijke plechtigheid zweemde, in de leegte, door -het wegvallen der heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige -wijze had trachten te gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de -heiligen waren bloemen, enz. in de plaats gekomen. En daar in den -ouden heiligen-kalender geregeld iedere dag een patroon gehad had, -zoo was nu ook voor elken dag een plant of iets anders gekozen. Niet -altijd bloemen. "Vooreerst", zei neef, "waren die in den winter niet -gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals -b. v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten -de bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere -produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de -zaak zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der décade een -huisdier, en voor den tienden dag een of ander landbouwgereedschap -gesteld was." Dit nu zou alles netjes rondgeloopen hebben, indien het -aantal dagen van het jaar juist in tienen deelbaar was geweest. Maar -de zesendertigste décade eindigde met den 30sten Fructidor, (17 -September); en vóór den 1sten Vendemiaire--het republikeinsche jaar -begon met 20 September,--moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit -bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de -zoogenaamde jours complémentaires. Deze waren niet gewijd aan bloemen, -noch aan aarde, noch aan steen, noch aan werktuigen, noch aan dieren; -zij vormden geheel afzonderlijk eene halve décade op zich zelve, -en heetten eenvoudig naar de beruchte Septemberfeesten: 1 Fête de -la Vertu; 2 Fête du Génie; 3 Fête du Travail; 4 Fête de l'Opinion; -5 Fête de la Récompense. [6] - -Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet's hart werd er -jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. "Op den 1sten -September", vertelde hij, "gooiden wij altijd naar noten, en ergerden -ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén -dag in 't jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat -was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat -was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze -'t heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25 -en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen..." - -"Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan," beproefde ik. - -"Ja, 't was wel fransch, maar 't was toch aardig!" - -En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de -nagedachtenis dier fransche republikeinen,--ik omdat ik hun tijd -niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen -lagen,--verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven -dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de -staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op -allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te -recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en -bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met -het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is -geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in -dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In -alles moest verandering komen; geen onderdeel van 't dagelijksch -leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan -scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had -meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk -een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis, -sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op 't tapijt gebracht; -hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen, -eggen, zeissen, ossen, als 't aktief ingrijpend element, midden -tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd -door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden! - -Maar 't merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij -die "jours complémentaires". Ligt daarin niet de indruk van eene -bekentenis,--en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer -onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender -bekentenis,--dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om -haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en -bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens, -spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant, -nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken -geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen? - - - - - - - - -XXXIII. - -JACHT EN WILD. - - -Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in Duitschland geologie -ging studeeren, omdat er in ons land "geen geologie is". Hij doelde -daarmede natuurlijk niet op een gebrek in de studie der nederlandsche -deskundigen, maar op een gebrek aan belangrijkheid en rijkdom van -delfstoffen in onze aangeslibde gronden. Evenzeer zou ik mij best -kunnen begrijpen dat iemand naar een ander land ging jagen, "omdat -hier geen jacht is". Of noemt gij dat bijvoorbeeld jagen, als een -man in de kracht van zijn leven, dag in dag uit, met een hond en een -polsdrager achter zich, door Hollands moerassige rietvelden drentelt, -af en toe een snipje schiet, den hond roept om het te apporteeren, -zijn prooitje met hoogsteigene hand het kopje inknijpt en dan -'s avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, als men opmerkt hoe de -jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere boeren, jaarlijks -voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen overhebben, die -een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, dan moet men -wel vooronderstellen dat er groote bekoorlijkheid ligt in die jacht -zonder gevaar, dat overwinnen zonder strijd, dat zegepralen over -zulke onnoozele slachtoffers. - -Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die aantrekkelijkheid -minder bestaat in het dooden of verminken dier dieren, als wel in -hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij verbonden is: -de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen aanvangt, het -dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van zulk een -dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder anderen, -en dat is wellicht nog de beste zijde van 't geval, is de grootste -prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer kleine "wilde" -landgenooten, in 't beloeren van hun listen, en het leeren kennen -van hun vlugheid en hun sluwheid. En werkelijk zijn het gewoonlijk -alleen jagers, die in hunne gewoonten goed te huis zijn. - -Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en morgen -"afgehaald" zal worden, hoe zou die zijn leven wel gesleten -hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool eet; -maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met Lampe, -zooals hij in de "dierfabel" van Reintje-de-Vos heet. Ik moet dan -ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op een familiaren -voet te komen met iemand, die zoo schuchter en achterdochtig is -als hij.--Toch is hij, bij al zijn beruchte lafheid, een aardig, -lustig diertje. Sla hem slechts gade in het voorjaar. Nauwelijks is de -jachttijd om, waarin hij zooveel angsten doorstaan heeft, en de winter, -waarin hij dikwijls zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde -raad, geheel onder de sneeuw woelt,--of hij vat den moed weer op en -krijgt op nieuw lust in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij -zich een wijfje; en een maand later, als de meeste vogels nog aan geen -nestenbouwen denken, is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin -drie of vier jongen rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De -aanstaande moeder krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland, -en belegde dat met wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare -eigen haren. Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met -de meeste zorg voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die -zich, als zij ze vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve -houdt ze doorgaans een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich, -door te klappen met de ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte -zien kunnen, is niet te verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk -voor het daglicht geschikt te wezen, want hun oogleden zijn te kort, -dan dat zij ze ooit geheel zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij -slapen, staan dezen dus altijd half open. Vandaar wellicht het woord -"hazeslaapje"; terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede -gleuf, die zich tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna -geheel in tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft -tot den term "hazelip". Zoodra de jongen kunnen loopen en mee kunnen -eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en weldra -heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En daar -die van 't eerste nest in 't najaar meestal zelven reeds weer jongen -hebben, kan er van één hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een -duizendtal afstammen. - -Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn leven bedreigen, -heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de haas overdag -rustig in zijn leger,--zooals hij in den regel schijnt te doen, om -slechts des nachts op zijne zaken uit te gaan,--dan heeft hij eene -heerlijke bescherming in de vaalbruine kleur van zijn pels. Dit schijnt -hij wel te weten; want hij blijft gewoonlijk doodstil liggen, wanneer -hij een mensch aan hoort komen, drukt zich dicht tegen den grond -aan, en beloert, zonder zich te verroeren, iedere beweging van den -onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer de vijand zeer dicht bij is, en -hem dreigt aan te vallen, springt hij eensklaps op, en maakt zich uit -de voeten. Gaat hij, als het gevaar voorbij is, naar zijn rustplaats -terug, dan loopt hij daar nooit regelrecht naar toe, maar maakt -eerst eenige dwarssprongen in de buurt, als om zijn eigenlijk doel, -voor ieder die er naar mocht kijken, te verbergen. Een haas echter, -die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, weet dat daarmede niet valt -te gekken; en dat ook het kunstje van het stil-liggen hem tegenover -de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort hij dus het gevreesde -schieten of wel het blaffen van een zijner aartsvijanden, dan schrikt -hij, zet zich op de achterpooten, en besluit tot de vlucht. Een groot -voordeel voor hem is het, als hij bij die vlucht tegen eene hoogte -op kan rennen, want zijn voorpooten (of "loopers"!) zijn langer dan -zijn achterloopers: daardoor klimt hij gemakkelijker dan hij daalt, -en maakt in het laatste geval dikwijls een buiteling. Merkt hij nu -echter, dat ondanks al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen -zijn, dan heeft hij nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling -een geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak -schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval -heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij -dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op -hem maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande -listen en lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den -ouderdom van acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden -indien menschen, wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen -ongemoeid lieten, zoo blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog -een groot aantal onze velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en -heiden, hun leven naar hun zin genieten. - -En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, die, zooals -ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge hazen -zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie volkomen -van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de praktijk te -vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen beter raad -te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe vergelijkingen -tusschen ooren en pooten, en wordt wijs. - -En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan gebraden. Anderen -kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine borstvlek de haantjes -te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen levend gezien, wat ons -anderen niet licht overkomt, Zij weten hoe het "hoen", zooals zij den -patrijs plegen te noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote -overeenkomst heeft met kippen en andere hoendervogels,--te beginnen -reeds daarmee, dat het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte -loopen kan, in plaats van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst -een paar weken in het nest te blijven liggen. Het huislijk leven der -patrijzen is daarom echter niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg -in het voorjaar vechten de mannetjes hevig, om ieder een wijfje te -bemachtigen. In een van droge grashalmen voorziene uitholling van -den grond worden de groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel -bestaat wel uit tien of twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen -tegelijk plegen uit te broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste -vogels het geval is. Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege -wegloopen. De oude haan houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt -bij gevaar het broedend wijfje, dat dan het nest loopende verlaat, -en eerst op een goeden afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de -buurt zijn, worden de jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de -ouden daar heen geleid, en vinden dan in de dikke gele mierenlarven -een uitgezocht voedsel. Zij kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij -nacht, gevaar of slecht weer neemt de moeder hen onder hare vleugels, -juist als eene hen hare kuikens; de bouw en vorm van het diertje -heeft dan ook iets zeer hoenderachtigs. - -En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat hooge soort van -pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn geworden. Haar -aangezicht heeft iets... anders dan dat van alle andere vogels; -en als men ze goed aankijkt, begint men er langzamerhand achter -te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver naar boven en -naar achteren staan,--iets wat ook aan menschengezichten zoo iets -vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer dan een streep buiten -de normale maat.--Haar snavel is nog langer dan de kop zelf; en -als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of meer week is, -van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig verdikt, en, -althans bij de watersnippen, met een klein puntje omgebogen. Zij -kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om water-insekten en -weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde natuurlijk van groot -voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk naar den kop toe -staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen kennen, doordien -haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen bekleed zijn. Zij -broedt hier te lande slechts bij uitzondering, ofschoon zij zulks -niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. v. in Lithauen -wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt zij slechts -op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust dan bij -voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine boschjes, -en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag gericht, een -eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in het hout -te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de vorige, -voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt veelvuldig -in Noord-Brabant en Groningen, aan lage, vochtige plaatsen; maar -ook haar aantal wordt jaarlijks zeer vermeerderd in den trektijd, -die voor deze soort twee malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het -najaar. Van Augustus tot het einde van October namelijk, trekken -er een groot aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April -noord-oostwaarts. Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag -vindt men haar tegen den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd -worden, laten zij eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen -dan vrij hoog op. Zij laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat -aan het blaten van een schaap doet denken; dit schijnt niet door de -keel, maar door de snel trillende beweging der staart- en slagpennen -voortgebracht te worden. Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen; -zelfs azen zij op bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen -der boomen ophouden, nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal -vier eieren, en de broedtijd duurt ongeveer 16 dagen. - -Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der dierkundige -wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel voornamelijk door -jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige beschouwing kunnen -maken over de omstandigheid, dat de beste kenners van het wild ook -tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen dergelijke -dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, die in -eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een aangeschoten -eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk ongewoon gedruisch -deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen. - - - - - - - - -XXXIV. - -GESLOTEN? - - -Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke kleine Chansons, -hoe hij, den eersten November naar den "boschtempel" gaande, waar -hij den ganschen zomer door met zooveel dichterlijke stichting "de -dienst" placht bij te wonen, den toegang onverwachts versperd vond -door verdorde bladeren en afgewaaide takken en breede modderplassen; en -dat een uil, die hem zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem -vriendelijk terecht wees met de inlichting: "Fermé pour réparations." - -Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd volhielden -bloemen in het vrije veld te willen zoeken! - -Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de bijzonderheden -van Hugo's teekenachtig natuurtafereeltje, dan zien wij in en om -die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof iets, wat hij -niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij voor te -stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere -Zwammen, die juist in dezen tijd van 't jaar te voorschijn komen, -die gedeeltelijk op den grond, gedeeltelijk op het natte hout en op -de half vergane bladeren groeien, en die half een gevolg, half mede -eene oorzaak zijn van hunne spoedige ontbinding en van de duffe lucht, -die wij rondom ons waarnemen. - -En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan één opzicht. Wij -zullen ons maar aan den geijkten term van Bedektbloeienden houden. - -Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort geleden, op de -achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal kaneelbruine stippels -vertoonden, in regelmatige figuren rondom de nerven en insnijdingen -gerangschikt? Zeker is het, dat van de verschijning dezer stippels de -vermenigvuldiging der plant, of, zooals het hier heet, "sporenvorming" -afhangt. Zoo'n bloei schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt -echter reeds een weinig minder vreemd, zoodra wij kennis maken met -die soorten van varens, (b. v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum -Spicant), die er tweeërlei veeren op nahouden, waarvan de ééne niet -bloeien en de andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij -daarbij denken aan den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen, -door Goethe dichterlijk geschetst in zijn Metamorphose der Pflanzen. - -En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan zelfs -een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer- -of bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen, -op hunne dunne steeltjes tusschen 't groen ziet steken. Bij het -korstmos--die platte, vlakke korsten op boomstammen en muren--valt -het alweer iets moeilijker; toch bloeit ook dit op zijne wijze. En -let eens op uw Selaginella, uwe kamer-"mosplant", (eigenlijk geen -mos); ga eens na of aan de uiteinden dier stengeltjes, van boven -met een dubbele rij kleine, van onderen met een dubbele rij grootere -blaadjes bezet, niet op zekere tijden van het jaar groene bolletjes, -zoo groot als speldeknoppen, voorkomen?... Dan bloeit zij. - -Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het plantenrijk, komen -wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, enz. Ook -dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in het -najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig, -plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan, -tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten, -dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur, -hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat -rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer, -na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt. - -Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En de sporen, -die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts behoeven te -ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld op zich -zelve in het plantenrijk. - -Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos een gewoon -boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, dat het -opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één laagje cellen -bestaat;--indien wij in het algemeen bedenken, dat in die lagere, -die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, reeds al de -bladvormen voorkomen, die zich later onder de zichtbaarbloeiende -gewassen hebben gereproduceerd;--indien wij eenen blik slaan in de -keurige bijzonderheden van dien "bedekten" bloei, zooals zij in de -afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot -te zien zijn,--dan.... Doch dat wordt een zaak voor 't mikroskoop in -de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te blijven. - - - - - - - - -XXXV. - -WINTERVOGELS. - - -Het is een algemeen heerschend volksgeloof,--bij den eersten den besten -boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op -nemen,--dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe -dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens -duidelijk uit, dat men 's winters hier te lande nooit een koekoek, -en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens, -men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben, -om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat -den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld, -dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen -behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen -"heimwärts", huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt -niet juist: want onder iemands t'huis, zijn "heim", zijn vaderland, -verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen, -die 's zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts -in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt, -wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat -het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst -weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde -plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan -het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij -troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te -koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken -die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger -gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en -op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden. - -Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor -een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De -groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen, -afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om -den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende -plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in -de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van -trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de -boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel -van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt, -van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in -hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht, -wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te -houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen -hebben,--bij voorbeeld op den vlakken grond,--dan dringen daar, -zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in. - -Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er -ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf -houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen, -zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan -hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort -daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke -verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend, -dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was, -met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte -van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend -herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor 't -eerst de zachte stem van 't kleine dier weer hoor. - -Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen -lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen -staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel -opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes, -tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar -korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in -het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de -schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te -bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den -tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden -ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... 't Is waar, -in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,--anders durf ik niet zeggen -hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.--Op deze behoefte aan dierlijk -voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende -jongens, "dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet -weeken". Ondanks deze goede bedoeling om 't haar lekker te maken, -wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte -of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners -mogen vallen. - -De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen -toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft, -voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;--hetgeen -zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie -van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor, -in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw, -en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid -bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste -boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid -te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof -ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht -het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen, -erwten enz, er wel verbruikt worden door de "onnutte" snavels van zoo'n -aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering -vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen, -loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren -gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of -van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken -dat zij gedurende den schralen tijd veel eten. - -Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee -bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan, -"een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen". Hij neemt dan -soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte -wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en, -met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die -donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet -te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet -trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft -zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het -water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun -langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was; -en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van 't seizoen, -dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den -snavel aan de vetklier gebracht te hebben. - -Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje, -dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart -en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn -langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is -een echte visscher,--de "Martin-pêcheur" der Franschen,--en zit met -een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer, -dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der -zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste -plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin -moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en -rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar -al te zeer aantrekt: "l'oiseau bleu" wordt waarlijk zoo dikwijls te -vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten -glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt! - -Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes, -die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat -dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik -des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien -zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn, -natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch -de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte, -schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft, -om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van -zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals -andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes -met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts -aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele "pluimagie",--zooals -onze overgrootouders den vederdos noemden,--een zeer los karakter -krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder 't malen veel meer -leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier -plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als -de uilen 's nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel -muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle -andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting -dadelijk in 't oog springen. - -Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering -van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,--het vindt allicht zijn -voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der -beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst -en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze -heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld -spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels, -door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten -broeden, de sperwer,--een havik in het klein,--is een echte roofvogel -en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt -wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en -zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer, -want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor -vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk -deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij -een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer; -bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen -beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt -dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor -hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was, -van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken -voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder -dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken. - - - - - - - - -XXXVI. - -VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG. - - -Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan -heeft, die den titel droeg van "Graaf van Rome". Maar er is eene -oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje -een teekenachtig avontuur wordt verteld. - -De graaf van Rome dan, "een man van eer en ridderlijke deugden", -wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten -naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen; -zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht -daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles -behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van -een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng -liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij, -die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den -ploeg moest trekken: - - - "am pflug da must er ziehen - viel lenger denn jar und tag," - - -zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd -van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte -om genade en vrijheid; doch de koning "zwoer bij zijne kroon", dat -hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om -kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen "in -diep leed" de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: "laat ik mijne -vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan -geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome." Zoo -gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de -vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren; -en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien -"in 't geheim", en "het hart werd haar koud wegens den toestand van -haren heer". Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen; -dat het voor een vrouw niet paste "over de wilde zee" te varen; -maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra -echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat -zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene -tonsuur scheren; en daar zij "lezen, schrijven en nog heel veel meer -doen" kon, en ook in 't snarenspel bedreven was, hing zij de harp -en de luit op zijde en--reisde zoo den bode na. De zeereis duurde -drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten, -begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig -en met welgevallen te luisteren. "Zij herkende hem wel, maar hij haar -niet". Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te -gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen; -hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan -land gestapt waren, samen verder, "over bergen en door diepe dalen"; en -zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak, -de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was. - -Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar -spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong "veel vreugdevolle -woorden"; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit -beter gehoord hadden. Zij werd onthaald "op wildbraad en op visch", -verheugde zich "in haar binnenste" dat "hare zaak zoo goed stond", en -speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk, -en al de heidenen, ('s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen. - -Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij -treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich, -dan zich "dood te moeten werken". De vrouw intusschen, in hare -vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en -haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom -zij op den toren van 't kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg -in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk -kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in 't spelen, en -bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen, -wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem -"eene gouden kroon en een schepel vol goud", en verzocht hem die -niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig, -dat "zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen", en hij zulk -loon niet begeerde. "Maar", voegde hij er bij, "om één geschenk wil -ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen, -noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het -veld den ploeg trekt." De koning antwoordde beleefd: "Heer, neem dien, -als gij hem verkiest"; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor -den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad: -"bedank den avonturier, die u verlost heeft." - -Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij -geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en -dat "de avonturier" zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte -tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd -was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee -zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging -wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en -belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en -wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor -had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar -opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het -hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals -zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik -de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep: - - - "das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!" - - -Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk -moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt -en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een -soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek -een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het -hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.--Ik -denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg -zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste -sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder -winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar -ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari, -als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het -eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des -te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke -streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag -belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig -geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog -zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen, -rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen -getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter -een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te -voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af, -van den eenen akker op den anderen, in 't gezelschap van musschen en -kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... 't -Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat -stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een -schilderachtige figuur hij is in deze omgeving. - -Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet -nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen -onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een -man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient -daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen -machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels; -en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom -te hebben, als iemand die zich op "rechtlijnig teekenen" toelegt. - -"Maar 't is een erg eentonig werk", dus brengt misschien iemand in -het midden; "en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze -wijze wordt gesleten." - -Hoor eens,--is dan mijn antwoord, de "Graaf van Rome" werd zelf -voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet -te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,--slaven, -lijfeigenen,--trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe -grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die -moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen -landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans, -bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt, -maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig -zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger, -die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn -lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard, -waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden -arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink -bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken -arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij -ploegt in 't najaar, opdat de omgeworpen grond zou "doorvriezen", -d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de -opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten -en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze -tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in 't voorjaar, -maar dan is het wegens tegenspoed in 't werk. In de lente en den zomer -doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien, -als hij die kunst verstaat,--want ook dat is een kunst, of voor het -minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers; -ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er -altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,--vooral -waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en -welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik -bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee "dobbelgewassen", -die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden -om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk -tot bouwland te maken, (ze te "scheuren"). - -En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg -vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in -de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel -aanbrengen--in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt -de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote -sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van -den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van -den "vooruitgang" verzekeren van ja. De vrienden van den "goeden ouden -tijd" schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de -gevaren die de stoom meebrengt,--in zoover deze door sterke verdeeling -van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten -van menschen dreigt te maken--zetten een waarschuwend gezicht. Laat -ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk -hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om -dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen: -van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij -geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding -te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan, -beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan. - - - - - - - - -XXXVII. - -GROENBLIJVENDE BOOMEN. - - -Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, zat ik in den trein -met twee bejaarde freules. Zij waren door een dikken livreiknecht in -den wagen en aan haar bagage geholpen, en begonnen zich al spoedig -over te geven aan 't genot van den tocht. Het was mooi weer en het -landschap deed dat goed uitkomen. Ik kreeg een soort van sympathie -voor mijne reisgenooten, ten eerste om haar warme geestdrift en -bewondering voor al het schoons dat wij voorbijvlogen, en ten tweede -omdat zij zich, ondanks de nederlandsche etiquette, niet ontzagen -die bewondering tegenover mij, onbekende, te uiten. Wij spoorden -nu door bosschen en dan weder over de heide; en eensklaps, nadat -wij een paar minuten tusschen hooge dennen heengetrokken en aan een -gehakte opening gekomen waren, riep eene van de dames in verrukking: -"Och, Keetje, kijk die snoeperige Conifeertjes, daar vlak bij dat -sparrenbosch!" Zij meende blijkbaar de twee- of driejarige dennen -zelven, die hier van de vrijgekomen lucht en ruimte gebruik maakten, -om zich krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb -kunnen weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige -buurvrouw. Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon -en begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder "Conifeertjes" -door sommigen verstaan worden: niet al te groote, groenblijvende, -pyramidale boompjes;--(een zin waarin, zooals ik later bemerkte, -het woord dikwijls op prijscouranten voorkomt). - -Tot dergelijke "Conifeertjes" zullen wij ons thans terug dienen te -trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In stadstuintjes, vooral -in de zeer kleinen, (vóór aan de straat, achter een ijzeren hekje), -plegen zij een groote rol te spelen, en vormen daar wat de Engelschen -hun "shrubbery" noemen. - -Op Hulst, Jeneverbes, Taxis en misschien nog een paar anderen na, die -hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de meeste van die groene -dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd vaderland afkomstig. Om -met de eigenlijke Conifeeren (Kegeldragers) te beginnen: van onze -eigen spar en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante -soorten uit den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een Pinus Cembra, -wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die van onzen -gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van zuidelijk -Europa. Daarnaast prijkt een echt Cedertje "van den Libanon". Die -kleine Balsempijnboom of Hemlockspar, zooals hij tegenwoordig hier -genoemd wordt, komt uit Virginië. De Cypres vertegenwoordigt ons -de grieksche rouwplechtigheden; en die Araucaria met hare stijve, -breede, geschubde armen,--is 't wezenlijk een levend boompje of een -kapstok?--hoort in Brazilië tehuis. Uw Thuya is een Noord-amerikaan, -ofschoon reeds sinds lang hier burger geworden, en met den naam -van "Arbor vitae" vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van -"Levensboom" hoort spreken, daaronder heel iets anders vermoedt dan -de Thuya's, die de nederige rol vervullen van, op zijn binnenplaats, -het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch worden werkelijk -slechts deze er mede bedoeld. - -In uw groene heesterperkje staan intusschen ook verscheidene -niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander loof-karakter. De -Aucubas, met haar gevlekte laurierachtige bladeren, komen uit Japan, -evenals de bonte Evonymus, een groenblijvende nabestaande van ons -Papenhout. De Ledum groeit in 't wild in Polen en Bohemen; de Arbutus -Unedo in Italië en 't Zuiden van Frankrijk; de Kalmia, die, bij goede -verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig bruidskleed -zal prijken, in Noord-Amerika. - -Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe meer wij deze -trouwe winter-heestertjes waardeeren. Doch ook: hoe winterachtiger het -om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen doen verlangen naar hun -vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het landschap. Ik spreek nu -niet voornamelijk van de "eeuwiggroene myrthen en laurieren" en hun -zuidelijker klimaat. Ik wensch onze noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en -de afwisseling, die zij in het natuurschoon en in het maatschappelijk -leven aanbrengt, volstrekt niet te ontvluchten; maar juist omdat die -witte vlokken zoo goed staan op de takken van dien kleinen spar voor -'t venster, doen zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan -naar streken, waar men ze in 't groot op groote sparren kan bewonderen -in niet alleen groote, maar grootsche verhoudingen. - -Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen hoekje, een smal -dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het dal de rivier -zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te beslissen, -maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij onafscheidelijk aan -elkaar verbonden. Ook ten opzichte van 't geen de menschenwereld -aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker in 't geheel niet -bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige ding zich zeer hulpvaardig -tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu dient het dal tot woonplaats -aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf de voortbrengselen van -het bergland verwerkt. Het waterrad drijft "molens" van allerhande -soort en grootte, o. a. een paar papier- en glasfabrieken. Ook levert -het riviertje het geheele jaar door overvloed van bruikbaar water, -en op den koop toe forellen en krabben. Bevaarbaar is het nooit, -maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; in 't voorjaar, als de sneeuw in -het gebergte begint weg te dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals -alle anderen; doch de plaats der meeste huizen is wel zóó gekozen, -dat die tegen hare mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een -en ander geeft aan dit valleitje iets behagelijks en menschelijks, -zonder daarom aan den diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te -schaden. Die indruk wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte -der bergen ter rechter en ter linkerzijde, en door de kronkelingen van -rivier en dal, meestal ook vóór en achter,--zoodat men schijnbaar -geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar slechts -vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot boven, -begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per spoor -die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken van -'t gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station uitgestapt, -nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, ontmoetten wij, -op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout dan sparren, -dennen, Weymouthspijnen, enz. - -De meesten onzer weten zich zoo'n dal te herinneren, hetzij in -den Harz, het Schwarzwald of misschien in Zwitserland; en roepen -zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste partijen voor den -geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er intusschen -wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er onwillekeurig -naar bergpaden, om, als 't ons al te bang om 't hart mocht worden, -spoedig den gezichteinder te kunnen verruimen. En als wij op een -mooien zomerdag daar nederzaten, kwam dikwijls de gedachte in ons -op: "Hoe somber moet het hier des winters zijn!" Dan rekenden wij -echter buiten de sneeuw, die ten eerste een groot deel van de door -ons vermoede wintereenzaamheid en afgeslotenheid wegneemt, door -het vlug en vroolijk sleêverkeer, en ten andere de somberheid der -groene bergwanden breekt door haar tintelend wit.--Denkt u een mooien -Februaridag, met vorst maar zonder wind. Op elken boom ligt zooveel -sneeuw als hij maar dragen kan zonder te breken: de veerkracht van de -breede takken wordt op een zware proef gesteld; zij buigen dóór onder -hunnen reinen last. De spitse toppen van de sparren en de vlakke kroon -der dennen wisselen elkander sierlijk af tegen den blauwen ether; -en al de duizend groene twijgjes, die tegen de sneeuw afsteken, -bewaren 't landschap voor eentonigheid. 't Is Vrouwendag: er zal een -groote sledevaart gehouden worden. De zon beschijnt en koestert u, -en betoovert de sneeuw; en haar stralen dringen door in de diepte der -bosschen, en lokken hier en daar een kudde herten naar hun zoom. Gij -glijdt voort in een ijlende vaart, maar toch niet zóó snel, of gij -kunt de schoonheid om u heen naar hartelust genieten. En zoo de dag -al kort is, des avonds komt de maan op, en verlicht den terugtocht -op haar wijze.... Wie dat eens in vollen glans heeft bijgewoond, -vergeet het niet gemakkelijk. - - - - - - - - -XXXVIII. - -EEN OUDEJAARSWANDELING. - - -Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om ons heen ziet er -verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en de nachten -zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en slapen. - -Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou hebben, ook maar -op die manier te overwinteren, en eerst met de lente weer voor den -dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u dikwijls sombere, -neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop gij meer kans -hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer ontvankelijk -zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts één greintje -veerkracht in ons over is, herstellen wij ons doorgaans dadelijk in -het besef, dat een mensch meer is dan een visch of een marmot. Ik -voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor de opwekkelijke prikkels -van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij altijd, als ik op het punt -ben mij door mist of "waterkou" te laten nederdrukken. Vaak, als het -leven mij op de eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte -slechts in 't oog kon krijgen, één blik op den blauwen hemel met zijn -lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn dat ik -geboren was, al ware het alleen maar voor 't plezier van deze schoone -tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij dreigde mee te -slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek van uitval -niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in onzen geest -gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht boven deze -wet verheffen. - -Men heeft van oudsher veel gesproken over de scheppingskracht van den -menschelijken geest. Zij stelde hem in staat om ruwe grondstoffen -voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en om telkens meer -verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken arbeid uit te -vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke welvaart. Door -de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de wereld hem te -zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad der kunst. Hij -verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel, en noemde -dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de menschelijke -scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen edeler, geen die -hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al de dwaasheden en -troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer geluk schenkt, -dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de onvolkomenheden -van al wat hij kent, toch aan zekere volmaaktheid te gelooven. - -Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar, en er zijn -dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen gemoedsleven doordringt, -en verzoening zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders -slechts met afleiding behelpt. Ook in dit bosch zingt "ieder vogeltje -zooals het gebekt is." In elk mensch die over deze dingen nadenkt, doet -de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst naar volmaking -zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze laatste wandeling -tracht weer te geven, hoe mijn "geloofsbelijdenis" zou uitvallen, -zoo ik die, als van ouds, in "twaalf artikelen" moest samenvatten. Van -weten is hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet. - - - -Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk bezorgen. - -Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin, waarmede wij -onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de omstandigheden, -al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze krachten en -talenten--in harmonie weten te brengen. - -Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting, is in -dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit -volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere -beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver -beneden zijn ideaal;--nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is -voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne -eigene kracht, vaardigheid, "inspiratie" te kort schiet. - -Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek streven, naast -zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, nog een ander, hooger -voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van harmonie. - -Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat hetwelk -ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo harmonieus -mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het grootere, -passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en machteloos -gevoel), ook op harmonie moet berusten. - -Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al struikelend en -opstaand, en met schade en schande en inspanning ervarende, op -welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand komt,--word -ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des te rijker is -naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in verwerkt worden, -en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste botsingen, -welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar een meer -samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij behooren. - -Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met mijne -persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al het -lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,--niet het minst de botsing -tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht van -verval en vergankelijkheid,--er, om een muzikaal beeld te gebruiken, -vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich slechts -bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie. - -Alleen echter op ééne voorwaarde kan ik in mijn "dissonant"schap -berusten:--dat ik nl. den mogelijken Kunstenaar van de "symfonie" mag -vermoeden, Hem vereeren en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar -te wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn -steun te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid -mij pijnigt. - -Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden Maker niet -berust op eenigerlei wetenschappelijke kennis van zijn wezen; maar -ik ben boven alles dankbaar voor de kunst, die mij in staat stelt de -gedachte aan Hem te scheppen. - -Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan schoonheidswetten -onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit gebied is -wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,--tot dogmatiek -verstijft,--ontaardt de poëzie van 't religieuse leven. De eerbied -zelf voor mijnen onbekenden Maker leert mij ten zijnen opzichte -bescheidenheid. - -Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne levensopvatting en -mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte godsdiensten. "Gelijk -het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt ..." ook mijn -ziel, op mijne wijze, naar den Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij -bewust ben te behooren. En indien de geschiedenis verhaalt van iemand, -in wien het gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was, -dat hij in gemoede kon getuigen: "Ik ben niet alleen, want de Vader -is met mij," dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met -zulk eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht, -zeer wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande -uit eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit van -joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord. - -Het behoort tot mijn verdriet in 't leven, dat er op het gebied van -vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig gezelligheid heerscht in -de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na aan 't hart ligt, zoo -weinig verkeer is onder levende menschen, en men zich grootendeels -moet vergenoegen met menschengeest-extrakt,--nl. uit boeken. - -Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een wanklank, die -opgelost wordt,--of worden zal,--gedeeltelijk door ons eigen toedoen: -daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig naga, wat er in zijn -beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de diepte van zijn -geestelijk leven omgaat. - - - -En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje: - - - - Gelukkig Nieuwejaar! - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Men bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene -uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche -soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken zijn. - -[2] Ik verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk -een paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter -van één- en twee-zaadlobbige planten in volwassen toestand uitgedrukt -wordt; zoodat men niet telkens, om het sterksprekend onderscheid -tusschen deze beide afdeelingen van het plantenrijk aan te duiden, -zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode van iederen boom behoeft -terug te gaan! - -[3] Te Dortmund in Westfalen staat,--stond althans voor een paar jaar -nog,--een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het spoorterrein, -tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is een punt -waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet inéénloopen), -was een heuvel uitgespaard van een voet of drie in het vierkant; -en daarop stond een steenen bank, waarop weleer veemgericht gehouden -werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde, met nog slechts één -levenden tak. - -[4] Houttuyn. "Natuurlijke historie." - -[5] In dezer voege: - - Jänner. Nivôse. - - Mittwoch 1 Neujahr. | Primidi 11 Poix. - Donnerstag 2 Mel D. | Duodi 12 Thérebent. - Freitag 3 Enoch. | Tridi 13 Argile. - Samstag 4 Gottfried. | Quatridi 14 Marne. - Sonntag 5 Simeon. | Quintidi 15 Lapin. - -[6] Ik heb later nog meer jaargangen van dien almanak in handen -gekregen. De natuur-heiligen-kalender bleef alle jaar hetzelfde. Het -speet mij er geen van een schrikkeljaar machtig te kunnen worden, -om na te gaan hoe in dat geval voorzien werd. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN *** - -***** This file should be named 52479-8.txt or 52479-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52479/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/old/52479-8.zip b/old/old/52479-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 66e70e5..0000000 --- a/old/old/52479-8.zip +++ /dev/null |
