summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/52479-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/52479-0.txt')
-rw-r--r--old/52479-0.txt6456
1 files changed, 0 insertions, 6456 deletions
diff --git a/old/52479-0.txt b/old/52479-0.txt
deleted file mode 100644
index 6224564..0000000
--- a/old/52479-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6456 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Natuurfantazieën
-
-Author: G. Carelsen
-
-Release Date: July 2, 2016 [EBook #52479]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- NATUURFANTAZIEËN
-
-
- DOOR
-
- G. CARELSEN
-
- Schrijfster van: Brieven van een Landmeisje, enz.
-
-
-
- HAARLEM
- H. D. TJEENK WILLINK
- 1881
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- blz.
-
- I. Een Nieuwjaars-wandelpraatje 1
- II. Meeuwen 6
- III. Bloemen voor het venster 16
- IV. Sprokkelmaand 26
- V. De lange lente 33
- VI. Bij een schaaltje kievitseieren 39
- VII. Rondom een molshoop 48
- VIII. Palm-Paschen 53
- IX. Tulpen 57
- X. Hei, 't was in de Mei! 63
- XI. Een Engelsch landschap 68
- XII. In den bloeienden boomgaard 74
- XIII. Bouquetten 78
- XIV. Een dubbele boodschap 82
- XV. Een boschtooneeltje 88
- XVI. Op de bloemmarkt 98
- XVII. Aan de Noordzee 102
- XVIII. Een kastanjeboom 111
- XIX. Een inlandsche arend 115
- XX. Eene linde 118
- XXI. Tapijtbedden 124
- XXII. De poëzie van het groenten-schoonmaken 129
- XXIII. Korenbloemen 135
- XXIV. Een bergtocht 140
- XXV. Ouwerwetsche bloemen 148
- XXVI. Augustus 154
- XXVII. Bloemen langs den weg 160
- XXVIII. De lotos 165
- XXIX. Ons wier-eiland 170
- XXX. Najaarsbloemen 179
- XXXI. Een tragedie in den moestuin 187
- XXXII. Een natuurkalender 191
- XXXIII. Jacht en wild 197
- XXXIV. Gesloten? 205
- XXXV. Wintervogels 209
- XXXVI. Vóór of achter den ploeg 217
- XXXVII. Groenblijvende boomen 225
- XXXVIII. Een oudejaarswandeling 231
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.
-
-
-Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles goeds toe, lezers
-en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon....
-
-Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel willen dat ik
-veler menschen pad "met bloemen kon bestrooien", zooals de aloude
-spreekwijs luidt. Maar in de gegevene omstandigheden kan ik niet meer
-doen dan: hopen dat ik hier en daar iemand een verkwikkelijken indruk
-bezorgen moge door de lezing van dit boekje.
-
-"Natuurfantazieën" heb ik het genoemd. Nu is "Natuur" een
-van die groote woorden, welke, evenals hooge boomen, veel wind
-vangen,--namelijk veel "wind van leering"; het is een woord waarvan men
-dikwijls niet recht weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er
-soms een nauwere, soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven,
-b. v. nu eens de geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den
-mensch, hetzij geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik
-dus maar dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den eenvoudigen en
-voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het minstens
-ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de wolken, de aarde en
-het water, de bloemen en het groen, de vogels en de vlinders rondom
-ons,--zij zijn de aanleiding tot deze mijn bescheiden "fantazieën".
-
-Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad bewonen,
-wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen tot
-de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning ten
-volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst
-van wandelen te verstaan.
-
-Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het wandelen
-op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de "vrije
-natuur". Doch als alle anderen dient zij beoefend te worden, eer
-men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te gebruiken,
-dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet geleerd
-heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik van
-zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig
-aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den
-slag niet van hebben.
-
-Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en beschikkingen maakt,
-kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen om, naarmate de
-omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik zou bijna durven
-zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en dan vergunnen. "De
-meeste kwalen en verdrietelijkheden komen tegenwoordig van de zenuwen,
-en de zenuwen komen van de boeken." Ziedaar de zeker niet zeer
-wetenschappelijk geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking,
-waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer
-beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel
-wandelt, minder gevaar loopt van onder "de boeken" begraven te worden
-dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, desnoods met
-inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe langer hoe meer
-blijken goede medicijn te wezen voor "de zenuwen",--zoo doet elk wèl
-die daartoe zijne maatregelen neemt.
-
-Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? Rückert heeft eens, in
-een al of niet gemeende vlaag van menschen-verachting, den zonderlingen
-raad gegeven, de menschen te vermijden en zich zooveel mogelijk onder
-bloemen te bewegen; "dan zullen", voegt hij er ten slotte goedmoedig
-bij, "de bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die
-niet beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!" Nu hoop ik
-hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen
-van "de menschen" te verachten of te haten; maar voor ieder onzer
-komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke instellingen,
-maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen gebukt gaan,
-er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, op het
-punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf te verslappen,
-hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan weet ik dat de
-dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met "bloemen",--in
-het algemeen met de "natuur",--als een weldadig middel aanbeveelt.
-
-En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen schuld hebben,
-maar die ons voor een wijl doen duizelen, eer wij ons recht rekenschap
-weten te geven van hetgeen er gebeurd is en hetgeen ons te doen
-staat,--ook dan is de stille omgang met die "natuur" een weldaad. Wij
-moeten dan van haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven:
-geen antwoord van haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn;
-ons niet verbeelden, dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet,
-zij troost niet onmiddellijk; maar dààrin ligt voor een groot deel
-haar genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder
-afleiding van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust
-en verzoening te geraken.
-
-
-
-Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat er niets te
-wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste helft van 't
-jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat Januari minder
-koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, boschrijk landschap
-meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige binnendijk met
-een rij knotwilgen tot eenig sieraad.--Doch,... zal ik vertellen
-hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van heb leeren
-waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te loopen, in weer
-en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een landstreek zoo
-arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid laat denken:
-een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. Doch bij
-gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en als er
-dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de verte,
-en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den gezichteinder,
-en oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten ontsnappen. En
-ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te zien kreeg,
-wel zoo'n genot van ieder kleurenspel en lichteffect gehad zou
-hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die schijnbaar zoo
-onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst gunstige seizoen om
-te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de mogelijke wandelwegen
-rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te hebben plat getreden,
-zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In dat geval wensch ik u
-toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens wat verder rond te
-kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere schaal. Doch juist met
-het oog daarop zou ik lust hebben u eenige vragen te doen als: Zijt
-gij goede vrienden met de boomen die in uw nabijheid groeien? Welke
-vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek hebt gij in de buurt de
-mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij om dezen tijd van
-'t jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat een mees of een geel
-kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u gisteren voorbij
-vloog? En hoelang zou 't nog duren eer de kwastjes, waarmee nu reeds
-de elzen zijn behangen, zich tot stuifmeelbloemen ontwikkelen?
-
-Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-MEEUWEN.
-
-
-Wij zaten vroeg in 't voorjaar aan de open tafel in een Amsterdamsch
-logement.
-
-Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier wat de Franschen
-daarvoor plegen te zeggen: "On parlait la pluie et le beau temps."
-
-"Mooi weer vandaag!"
-
-"Het zal niet lang zoo blijven."
-
-"Waarom niet?"
-
-"Er zit zoo'n bank in 't westen."
-
-"Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien vliegen."
-
-"Dat geeft regen!"
-
-"Dat geeft sneeuw!"
-
-"Dat geeft nachtvorst!"
-
-"Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op één punt zweven, dat
-is altijd een goed teeken."
-
-"Als zij duiken, dat is een slecht teeken."
-
-"'t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, om haar voêr te zoeken."
-
-"Wat zouden zij dan eten?"
-
-"Insekten en visschen."
-
-"Ik geloof niet aan meeuwen."
-
-"Ik wel."
-
-"Wat gelooft u er dan van?"
-
-"Wel, dat ze weêrwijzers zijn."
-
-"Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen is er storm op
-zee. Ze waarschuwen de schepen."
-
-"Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een ander dier."
-
-Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan met deze
-heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel mogelijk op
-hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik niet weet,
-welk soort men daar op het oogenblik vóór had. De kenners maken een
-groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of kapmeeuwen. De
-laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de jaargetijden
-wisselt, zoodat zij 's zomers een zwart kapje schijnen op te hebben,
-zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. Zij nestelen in het
-riet, aan de boorden van meren, rivieren en plassen, vliegen hier
-van April tot September rond en gaan dan naar warmer streken. Zij
-leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, door o. a. groote
-hoeveelheden meikevers te vernietigen.
-
-De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij zijn
-trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het
-winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en
-eerst als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker
-afzakken, en ons zeestrand, den buitenkant van onze dijken en duinen
-bevolken. Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van
-den winter een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar
-barre, zeer onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling
-in de natuur, zijn loon meebrengt.
-
-Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar al te goed
-kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een vuilwordende
-laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch landschap al
-wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, doordien water,
-land en zwerk éénzelfde vervelende tint hebben. De zee echter is dan
-nog niet bevroren; haar zoutgehalte en haar altijddurende beweging
-houden dit lang tegen; en de duinen... zijn dezelfden die zij in
-Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat opgewaaide sneeuw,
-die hun niet slecht staat. Als in elk ander jaargetijde, bieden zij
-ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke ontspanning aan voor
-den langs rechte vaarten en vlakke dijken afgematten blik.
-
-Op 't strand kunnen wij ons vermeien in 't aanschouwen van dat
-zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee noemt; en
-het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in 't oog. Een paar
-zwarte stipjes op het water doen zich weldra als zwemmende zeeëenden
-kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of wat plevieren en
-strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien zijn ook hier
-natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te zien. Maar
-de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al zeer
-gemeenzaam met haar moeten wezen, om op een afstand uit te maken,
-of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of wel
-"Burgemeesters" zijn; doch om het algemeene meeuwkarakter aan haar te
-herkennen, behoeft men juist niet "wetenschappelijk gevormd" te wezen.
-
-Met lust blijft onze blik rusten op die licht-blauwgrijze groep. Welk
-een leven en beweging, welk een verscheidenheid van stand en
-houding! Juist dit maakt een troep meeuwen zoo behagelijk om aan te
-zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo van-alle-markten-t'huis--men
-zou bijna zeggen, zoo "veelzijdig ontwikkeld" zijn. Zij kunnen, wat
-slechts weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en
-goed zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend
-als zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het
-kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn
-zij blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en
-vaste woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort
-te bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik
-nimmer zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de
-meeuwen, wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en
-bevalligheid tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen;
-welk een kracht in het zweven en "staan"! Misschien werkt de zilvertint
-iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te maken, maar
-stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en bewegingen te
-danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op het water,
-hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, ofwel
-bijna onbeweeglijk boven op de golven dobberen, zoo licht en luchtig
-of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin van duikelen, zoo
-als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich omlaag buigt,
-terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen niet; maar zij
-zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder water te duiken,
-als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog gekregen hebben;
-en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook over haar heen
-slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er zich minder
-behaaglijk om voelen. Maar 't zij zwemmend, of vliegend of dobberend,
-zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog een onafscheidbaar
-deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten dit. Stelt u een
-"zeestuk" zonder meeuwen voor: gij zult er iets op missen, al weet gij
-niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit Heine's "Meereslieder",
-en zij verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden.
-
-Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten vliegen, aan
-ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die vraag meent
-of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er "ja" op te
-antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in kleinen getale ook hier te
-lande broeden, en dus als het ware hier, wat de oud-Hollanders kantoren
-of factorijen plachten te noemen, aangelegd hebben; doch de groote
-menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. Het echte land der
-meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, en de op diezelfde
-breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een der mooiste soorten,
-de drieteenige meeuw, zoo genoemd om de eenvoudige reden, dat zij
-slechts drie, door twee zwemvliezen vereenigde teenen, en niet ook
-nog, als anderen, een kort, achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij
-zwerft in 't gure jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier,
-en zelfs aan de fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit
-beneden de 58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze
-als de eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart
-en blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet alleen
-tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig noorsch
-landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen afwerpen,
-wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. In enkele
-streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is men
-het eens, dat dit te "visschig" is om lekker te wezen. Trouwens
-dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend van
-visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid:
-zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven
-dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar
-ik nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of
-deze niet ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou
-mij zeer bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel,
-met grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of
-op vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls
-zeer moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa
-der meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde
-vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den ganschen
-zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van
-een plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half
-Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten,
-ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar
-komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug,
-waarvan de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert.
-
-Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, toen hij
-voor 't eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog kreeg. "Toen
-ik mij gereed maakte voor mijne reis naar Lapland," vertelt hij,
-"had ik een aantal beschrijvingen van deze vogelkoloniën gelezen,
-en ik twijfelde volstrekt niet aan hare betrouwbaarheid. Maar nooit
-zal ik den Julidag vergeten, waarop ik Kaap Svarhollt (niet ver van de
-Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst een "vogelberg" aanschouwde. Wat
-ik zag was een kolossale muur, als het ware een reusachtige lei,
-met duizenden witte puntjes overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein
-had een van zijn geweren voor mij met los kruit geladen, om de vogels
-te verschrikken. Zoodra dit was afgeschoten, maakten zich die witte
-puntjes voor een deel van hun donkeren achtergrond los, naderden, en
-bleken de gedaante van vogels, van sierlijke meeuwtjes te hebben, en
-verspreidden zich over de zee; maar in zulk eene ontelbare menigte, dat
-zij mij aan een sneeuwval deden denken, die plotseling was losgeraakt
-en nu in groote vlokken ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter
-beeld voor, dan dat het gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De
-zee was er mede bedekt zoover mijne goede oogen reikten; en ondanks
-dit alles scheen de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was
-nu overtuigd, dat vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik
-moest zelf erkennen, dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld
-van te geven aan iemand die het zelf niet gezien heeft."
-
-Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts afzakken,
-en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich hier
-geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks
-genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog
-slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns
-of Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens
-alle meeuwvogels "Visschenpikkers"). Ook hun lastige vijanden,
-de roofmeeuwen of zoogenaamde "Jagers", volgen haar zuidwaarts, al
-hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen als tehuis in den
-broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote schrik der broedende
-menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste moeite kost,
-de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; 's winters daarentegen
-geldt de roof slechts den een of anderen door hen veroverden buit. De
-"Jagers" namelijk hebben de gewoonte om andere meeuwvogels zoolang
-te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, hun vaak reeds half
-verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en die dan met groote
-behendigheid op te vangen eer zij den grond of het water bereikt. Nog
-een anderen harer noordsche landgenooten, den eigenlijken Stormvogel,
-treffen zij hier somtijds aan, maar toch slechts in kleinen getale;
-van dezen echter hebben zij niets kwaads te vreezen.
-
-Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van koude terug
-vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan men zeer
-wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een genoegelijk
-leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, ons
-te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure
-jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor
-de natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries
-zulk een angst en afkeer hebben. "Nu ja," zal men zeggen, "daarvoor
-zijn het zwemvogels." Doch is niet juist dit het belangrijke bij
-ons natuurgenot: na te gaan wàt een zwemvogel tot zwemvogel maakt
-en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat is het dat het
-kleed der meeuwen en der eenden zoo waterproof doet zijn; en wat
-stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge vlucht eens vogels
-en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? Vlechtwerk moge
-geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al zij het slechts
-vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht geven het
-zoo te noemen.
-
-Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude,
-die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun
-vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen
-en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: 't is als er
-storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk,
-onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of
-wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk
-maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet
-gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid
-der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs
-vele volwassenen hun "humeur" niet boven dergelijke invloeden kunnen
-verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene "redelooze meeuw"
-daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen
-de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem
-wonende, hoorde ik dan vertellen, dat "de Zandvoorders hun duiven
-loslieten". Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de
-rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar
-niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater
-ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe
-vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen
-amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar
-zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds
-een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet
-ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen,
-die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander
-dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo
-heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur,
-een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer
-Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den
-wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de
-meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en,
-in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam
-wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-BLOEMEN VOOR HET VENSTER.
-
-
-Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne
-wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij
-het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als
-sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig
-te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe
-vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij
-brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets
-anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen,
-waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde
-die er voor bloemen heerscht.
-
-Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen
-het feestelijke van onze feesten,.........
-
-Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot
-en klein, vooral voor 't venster, zelden aan "een bloemetje"
-ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt
-doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige,
-gezellige, verkwikkelijke menschen, "gelukkig voor zich zelven en
-een ander," zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan
-vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun
-eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich
-doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk,
-vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting,
-zoo goed als een gordijn, een chassinet of "horretje". Maar terwijl
-eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter
-blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes
-uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een
-stuursch: "Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken",--verbiedt
-dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en
-groet als 't ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf
-de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl
-er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat
-nader bekijken.
-
-Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de
-Begonia's. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze
-variëteiten, van de "ouderwetsche" eenvoudigsten, met donkerroode
-bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen
-en zilver.
-
-Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,--drie dingen trekken
-bij alle Begonia's, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten
-eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad,
-waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben,
-wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee
-helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten,
-hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de
-plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede:
-de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de
-anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen
-zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen,
-vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate
-zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde
-aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer
-in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij
-elkaar staan.--Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de
-jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit
-Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas,
-geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene
-hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds
-in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot
-het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt
-niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.
-
-Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange,
-dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen
-verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan
-denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk
-drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan
-ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein
-zijn als de, minst in 't oogloopende, witte, van de oudste soorten,
-of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez,
-zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de
-fraaie "bolbegonia's" over; de gewonen zijn en blijven in de eerste
-plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren.
-
-Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche
-bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte
-bladeren--wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid
-dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is--doen zich aan
-het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al
-te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen
-wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig
-aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of
-veranda's, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer
-sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den
-tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een
-dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den
-bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste
-van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den
-regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons
-de kleurenwisseling van 't loof alleen normaal doet voorkomen gedurende
-den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?--
-
-Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort
-de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden,
-teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met
-zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven
-uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene
-menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven
-op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot
-haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid
-tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen
-zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen,
-gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf
-afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien,
-zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de
-bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel,
-afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den
-stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo
-spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo'n kroontje van hare
-plant loslaat in volle kleur en frischheid,--'t is kinderachtig,
-maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan
-vast te willen maken.
-
-Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula's op den kouden
-grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of
-"Primulaveeren", of "Bakkruidjes", zooals de tuinlui ze plegen te
-noemen; de "Primevères" der Franschen en de "Primroses" der Engelschen.
-
-En dan hebben wij ook inlandsche Primula's, sleutelbloemen die hier
-in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige
-bosschen en herkent ze dan aan haar "faux-air" van de in den tuin
-gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen
-dan hier; althans ze bloeit onder den naam van "cowslips" in negen
-van de tien engelsche romans.--
-
-Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel
-haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer-
-dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de
-kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen,
-beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene
-plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het,
-daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of
-men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.
-
-Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt
-daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied
-dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat
-al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets
-aan, wat men in een mensch "gemaakt" zou noemen. Misschien ligt die
-indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg
-had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid
-heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden
-werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve
-aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend
-struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij
-te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar
-vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen,
-zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen
-dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te
-zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps,
-iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes,
-zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen
-der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van
-een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van
-top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak
-daar recht vrede mee hebben.
-
-De kamer-winter-Azalea's doen mij altijd dubbel verlangen naar
-een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit:
-de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar
-vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat
-aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen
-achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel,
-hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden
-en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen,
-haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere
-steeltjes,--dit alles geeft aan het geheel een veel losser en
-sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de
-andere heeft is... haar heerlijke geur!--
-
-Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of
-ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind
-eene "winterroos" hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op
-aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien
-tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe.
-
-Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze "rood en wit bloeien",
-en haar geur, volgens Geibel's gloeiende regelen, "gelijk een adem
-uit het paradijs over de velden rondwaart!" En ziet dan nog eens
-uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in
-'t geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos
-te lijken?
-
-'t Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud,
-in het doodsch.
-
-Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle
-wintergroen kenmerkt. "Wintergroen" is het door zijn zware opperhuid,
-die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als
-menschen, die in 't geestelijke "een hard huidje" hebben. In kleur
-en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen
-eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig
-doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad
-alles wat inwendig voorvalt.
-
-Doet ons de opperhuid van 't groene blad aan leder denken,--die van
-het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren
-dan ook juist in hun Camellia dat "wasachtig" aanzien. Het zou
-misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant
-heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat
-leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in
-een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer
-onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als
-menschen aankeken?
-
-De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat
-men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite
-slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien;
-en, mits 't een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang,
-onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen 't groen laten hangen. Een
-gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De
-schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft;
-de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere
-nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat
-het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En
-haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het
-uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder
-dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in
-die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en
-langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag
-geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed
-doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft
-nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.
-
-Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak
-uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke
-eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo
-schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de
-gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het
-fijne tintenspel nog daargelaten,--is niet ieder rozenblad, in vorm
-en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen
-is toe?
-
-En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia,
-met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of
-de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende
-lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid
-harer twee en drie ongelijke kelkslippen!
-
-Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!...
-
-Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde
-boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij
-dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene
-roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen;
-als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;--en alle
-doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van
-het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering
-kunnen brengen.
-
-Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien
-sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden
-opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst
-gun, niet altijd aan 't vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste,
-maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-SPROKKELMAAND.
-
-
-
-Zoo luidt sinds eeuwen Februari's bijnaam; en in oude almanakken ziet
-men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen,
-met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken,
-om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar
-te zamelen.
-
-"Waar men hout hakt vallen spaanders", zegt het spreekwoord; en niets
-is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid,
-dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn
-er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die
-graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos
-zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een
-boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins
-"door merg en been", als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke
-hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden,
-anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den
-aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop
-der jaren als het ware een individu is geworden, een "iemand", zonder
-wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen;
-een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield
-voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken,
-in 't voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw,
-in 't najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des
-winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is 't ons vaak of er
-een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber
-werk verrichten. En is dit niet min of meer 't geval met alle boomen:
-brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk,
-iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke
-Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die,
-om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens
-denken aan de arabische spreuk:
-
-
- Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen.
-
-
-Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden
-aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van
-sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge
-boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur
-gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge
-aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder
-aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen
-van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in
-de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig
-beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,--omdat men er
-meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen,
-of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag
-geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den
-duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje
-is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een
-boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die
-linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit
-zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen
-wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele
-wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste
-van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt,
-en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En
-wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat
-een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft,
-dat zij "ongezond zijn"? Ik weet een stad, waar vroeger overal,
-langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede
-punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden,
-en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien
-men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben,
-zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten
-wachten tot zij weder groot zijn!--En dan komt het maar al te dikwijls
-voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is,
-iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt
-het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom,
-een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat,
-op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover
-vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in
-hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller,
-zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels
-bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag
-men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht
-aan haar lot overlaten, als met een "après nous le déluge"? En is
-er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in
-'t zien opgroeien van wat men heeft aangelegd?
-
-Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend
-is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel
-jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus
-Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te
-doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke
-reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer
-deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen
-trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, "in jammer en in lijden",
-en riep "Maria-Moeder, de reine maagd" tot getuige, dat hij gedaan had
-wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet,
-de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een
-wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En
-hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat
-er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser
-doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn
-wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met
-Wagner's blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem
-gedane wonder genot late hebben,--de dorre stok met groene blaadjes
-staat daar als lieflijk beeld van de "eeuwige genade", die meer is dan
-"straffende gerechtigheid".
-
-Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die
-een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg
-geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien
-ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in
-Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij
-namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar
-waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt,
-zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met
-een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming
-aan op een vorstigen Februaridag, en moesten "gekuild" worden tot
-de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een
-stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden,
-om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar,
-en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en
-daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen
-liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors,
-om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden
-beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer
-een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van
-gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan
-dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en
-wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van
-'t geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste
-blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor
-iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne
-eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid
-geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar
-de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is
-het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij
-tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang,
-of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij
-niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel,
-hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten,
-bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in
-het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds
-bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde
-jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige
-landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon "groen
-gewelf" zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van
-leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen
-in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken
-geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein
-geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij
-Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van
-de prachtige houtpartijen rondom 's Graveland bestond niets, totdat
-vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde;
-en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad
-had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer
-groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans "de schoonste
-beukenlaan van Nederland", de veelgeprezen laan van Middachten is....
-
-De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt:
-
-
- "maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht".
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE LANGE LENTE.
-
-
-Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner,
-onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die
-ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht
-had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de
-kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders
-antwoord: "Voor de lange lange lente."--Eens op een bar kouden dag,
-terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij
-niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was--werd er
-altijd bij verteld--vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor
-haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij
-gaf hem de zij. Toen haar man t'huis kwam, en zij hem vertelde wat er
-gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange
-lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger.
-
-De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot
-verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente
-zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de
-lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden
-ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet
-zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te
-hebben. 't Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht
-is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik
-antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en "goed voer en
-een warmen stal" zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere
-dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse
-speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: "Maart heet Lentemaand;
-een mooie lente met die Maartsche buien!" Maar men kan het, omgekeerd,
-ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren:
-
-
- "Mars, qui rit, malgré ses averses,
- Prépare en secret le printemps."
-
-
-In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist
-uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij
-de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit
-opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten.
-
-Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe "Maartsche lucht" die
-velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor
-teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor "de Maartsche
-bleek"? 't Is haar rijkdom aan ozon. 't Is omdat, in dezen tijd van het
-jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht
-hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,--om 't even of
-hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden
-worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel
-iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo
-schadelijk; zij "pakt hen erg aan" en maakt hen eer verkouden; maar
-voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien--neen,
-zij het slechts op een gewonen, grauwen--Maartdag één uur goed
-doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en
-zijn helderheid, hoe "sterk" de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens
-te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen
-bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen:
-de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de
-lente eensklaps komt, en "het groen" in een paar dagen "uitloopt",
-dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en
-dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen
-dichter, "tusschen hare buien door lachend, in 't geheim de lente
-gereed maakte." Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar,
-dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.
-
-Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme
-lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles,
-wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn
-uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden
-dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden,
-diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo
-was het in het voorjaar van 't beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch
-bloemkweeker, "geholpen door de Muzen" aldus in een vriendenkring
-zijn nood klaagde:
-
-
- OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN.
-
- Een oude wrok is dus in Zephyrus' gebleven?
- Hij schijnt nog niet voldaan met Hyacinthus' leven!
- Neen, zijne gramschap treft op nieuw 't onnozel bloed
- Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed.
- Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten,
- Uit Phebus' lieveling tot ons vermaak gesproten.
- Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal!
- Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval?
- Eerst werd Andromeda door 't monsterdier verslonden;
- Geen Perseus werd haar ten verlosser toegezonden.
- De stevige Atlas, die den ganschen hemel torscht,
- Moest bukken voor 't geweld van hagel, sneeuw en vorst.
- Pomona gaf den geest! Vertumnus is verdwenen.
- Helpt, Goden, mijn verlies in Frankrijk's kroon beweenen!
- Fleury is heengereisd, die arme kardinaal!
- Colossus viel ter neer; met hem mijn Prins Royaal.
- Ach, brave Cicero, gij buktet voor tirannen;
- Met u zijn Vrijheid en Het Roomsche Regt verbannen.
- Formosa Helena is wederom geschaakt,
- En Paris met zijn buit te zaam omkoud' geraakt.
- De groote Goliath boog voor 't geweld der steenen,
- Maar Koning David's dood moest ik meteen beweenen.
- Mijn Ganimedes lag door 's winters hand geveld,
- En werd door Arcas naar het starrendak verzeld.
- Twee Roomsche keizers zijn, (Vitellius was de eene,
- Augustus d'andere), met Nisa laas! verdwenen.
- Zelfs Scheba's Koningin, met Koning Salomon
- Zijn door 't geweld verdrukt, dat Juno zelfs verwon.
- De Morgenster was heen, de Maagd van Dordt geschonden,
- De Kroon van Salomon en Hollands Staat verslonden.
- Mijn Philomela werd met Theseus omgebracht;
- Polyxena op 't graf van Peleus' zoon geslacht.
- Hier zag ik Icarus naar d'Eridaan gezonden;
- Den dappren Hector aan Achilles' lijk gebonden.
- Le Roi des fleurs stierf weg, door hagel (niet van lood),
- Regina hield haar man gezelschap in den dood.
- De Graaf van Egmond liet in mijn gezigt het leven;
- Ik heb Honorius den laatsten snik zien geven.
- Hier zag ik Hannibal, daar Cesar ondergaan,
- Met Palamedes en Ulyssus is 't gedaan!
- De trotsche Phaëton viel met den Zonnewagen;
- Parmenio werd kort hierna in 't veld verslagen.
- 'k Zag Agamemnon in zijn eigen bloed gesmoord,
- En Clytemnestra naast Orestes snood vermoord,
- Hier moest ik Orondaat, daar Statira beweenen,
- Ginds is mij Pyramus en Thisbe's geest verschenen.
- De groote Jupiter vloog met den Arend heen,
- De Zilvren Maan werd bleek; en Phebus' glans verdween.
- Ik zag Patroclus naast zijn vriend Achilles sneven,
- Vorst Priamus den geest aan Pyrrhus' voeten geven,
- Het Hert is op den loop, en Pegasus op hol;
- Wat van Monarq' du Monde, een allerbesten bol,
- Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan staren,--
- (De droes nam mij het paard,--zou hij den ruiter sparen?)
- De Sultan is verreisd; King George meê van kant,
- En met den Ooijevaar naar 't onbekende land!
- 'k Heb Thalia en Mars, en Hercules zien vellen;...
- Waar is, o Goôn, de schaar die 'k eertijds konde tellen?
- Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld verkwist?
- Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist!
-
-
-'t Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook in het jaar 1740. En
-daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op onze 52 1/2° N.B.,
-in den kouden grond planten wil kweeken, die in de Levant t'huis
-behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar werpe niet ten slotte de
-schuld op ons klimaat!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.
-
-
-De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft vandaag vakantie weten te
-bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij daarvoor aan den
-burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het een der eerste
-mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes kievitseieren wou
-gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik geloof nog meer dan
-in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die laatste punten geen
-kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste heel bijzonder veel
-goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol eieren t'huis komt,
-en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn bekwaamheid. Als hij een
-"kieft" ziet vliegen, kan hij niet alleen zien waar diens nest is,
-maar ook hoeveel eieren daarin liggen, en of er vuilen bij zijn. Hij
-heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij in de geheimen van dat vak te
-onderrichten; en ik heb ook een en ander van de theorie onthouden, maar
-de praktijk heb ik nimmer goed beet kunnen krijgen. Eens heb ik een
-nestje met drie eieren gevonden; maar het was meer geluk dan wijsheid
-dat ik die niet stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten.
-
-Intusschen is 't mij vaak een waar genot geweest, om, toen ik nog in
-zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen vergezellen. De
-kievit is een weidevogel. "De kievit," zegt Brehm ergens, "behoort
-bij het karakter van het hollandsche landschap, evenals de alpenkraai
-bij het zwitsersche, en de struisvogel bij dat van de woestijn. Hij
-doet onwillekeurig denken aan slooten en vaarten, aan zwartbonte
-[1] koeien, aan windmolens en buitenplaatsen." De vraag is, of men
-dit niet evengoed kon zeggen van andere vogels; de kievit is daarbij
-niet aan ons vaderland gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare
-Kiebitze bij menigte; in Engeland is de Peewit geen zeldzaamheid,
-en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in omloop:
-
-
- Qui n'a pas mangé de vanneau,
- N'a pas mangé de bon morceau.
-
-
-(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen wij ons met hun
-eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en grof!)
-
-Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze nederlandsche
-vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de weiden. April is
-grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor zijn, het gras heeft
-zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; en een voormiddag
-zwervens door die groene velden levert zijne eigenaardige genoegens
-op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van stevig schoeisel, en
-ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op lente-zoelheid te
-rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp in de vlakte,
-waar zijn lange, breede stroom slechts op groote afstanden door een
-paar huizen of een boschje wordt gebroken. Overigens, hoe eentonig
-dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, zijn er allerlei
-onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het alleen maar in
-de vogelenwereld.
-
-Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een stadstuin te bepalen,
-zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. Let, om te beginnen,
-eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den paal van 't hek zit,
-waar wij door moeten. In gedaante en bewegingen komt hij geheel overeen
-met het welbekende parelgrijze kwikstaartje; slechts de gele kleur,
-het helderst aan het kopje, onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen
-uit het zuiden; zijn wijfje zal wel in de buurt zijn, want men ontmoet
-altijd een paar bij elkander. De witte kwikstaart nestelt in de boomen
-of, evenals de musschen, op het dak; de gele daarentegen houdt zich
-lager bij den grond. Hij bouwt geen nestje; hij richt slechts een
-kuiltje daarvoor in. Zulks kan men trouwens van al de vogels zeggen,
-die met hem de weide bewonen: zij geven zich veel minder moeite voor
-hun nesten dan de zangers der bosschen. Daar hebt gij, van zangers
-gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij ooit een leeuwerikken-nestje,
-met een stuk of drie eitjes of onbeholpen vederlooze jonkjes er
-in? Men moet een geoefend oog hebben om het te ontdekken: het is niet
-dieper dan duizend andere oneffenheden op een eenigszins hobbeligen
-bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en zorgen vrouw Leeuwerik
-heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en zoo kwaad als het gaat
-bij elkander te houden; terwijl haar mannetje omhoog meezingt in het
-concert, en door de geheele wereld gevierd wordt:--zooals trouwens
-in meer kunstenaarsgezinnen het geval is.
-
-De muzikale talenten zijn overigens niet sterk vertegenwoordigd
-in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij vliegend, hetzij
-loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer weinig
-welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: Grutto,
-Tureluur, Kievit, eene klanknabootsing is. Het klagend, eentonig
-geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat grauw
-is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, een
-weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper,
-nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van
-wulpen, tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren,
-waarop zij veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is
-iets minder eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen
-zeggen, dat hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog
-een beetje verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des
-avonds, alles overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op
-denzelfden toon herhaald: Kare-kare-karekiet-kare! Dat is het liedje
-(?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets dunner
-en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, een
-tusschending tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; en,
-meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het
-vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns getroffen heeft,
-kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt het ons altijd
-van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de Vecht bij
-Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een rietstengel
-geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten schreeuwen,
-met een kracht, die, als men het diertje niet kende, stellig naar
-ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen zoeken.
-
-Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, die ik
-hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de
-merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat,
-die zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij
-die gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent "haren",
-die "te berge rijzen"? Zoo gaat het met de veeren van den kemphaan,
-of liever van een soort van manteltje, dat hem om de schouders en, bij
-wijze van schild, voor de borst hangt. In gewonen toestand liggen deze
-veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij slechts zijn hals wat verdikken;
-maar zoodra hij zich tot vechten gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen
-hem, op Texel, niet onaardig den naam van "kraagmaker" bezorgt. Dit
-vechten geschiedt in den paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een
-wijfje, soms ook om een insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder
-eenige zichtbare reden, uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd
-heeft altijd twee aan twee plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht,
-het aangewezen zinnebeeld van het duel. Hun wapen is hun lange weeke
-snavel, die in de hitte van 't gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren
-bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen
-wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van
-beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood
-ten gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen:
-zij loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit.
-
-Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen persoon; en terwijl
-onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat inspekteeren, willen wij
-hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. Het is altijd raadzaam
-om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker mede te nemen, ten einde
-tegemoet te komen aan de schuwheid van de vogels, die wij nooit dicht
-genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn meest in het oogvallend
-kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder heeft hij de grootte
-van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van een ekster, ofschoon
-een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en zwart, met beurtelings
-groenen en purperen weerschijn: alleen komt er aan de zijden een
-weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft volstrekt niets van
-den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo kort, dat hij slechts
-eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. Zijn bek daarentegen is
-geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn gansche levenswijze
-samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang genoeg zijn om hem
-dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te doen herkennen,
-zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op hoe hij, bij
-het vliegen, de pooten achteruit steekt, in plaats van ze onder 't
-lichaam op te trekken.--Een raar ding toch, dat vliegen. Is het niet
-iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een dier zóó dun zijn,
-dat zij bijna geen gewicht hebben, en bijna geen ruimte beslaan;
-en daarentegen zijne voorpooten zóó sterk ontwikkeld en met dons en
-gesloten vederen begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen
-van een schip? Dat daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem
-vergunnen zich naar willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij
-dus van nature de inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche
-moeite aan een luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert
-door het luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden,
-en die wij hem, sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden,
-nog altijd niet hebben leeren nadoen!...
-
-
- "Ik wou dat ik een vogel was,
- Een vogeltje met veêren."
-
-
-Zoo zingen de kinderen, en onder alle schoolversjes is dit een
-dergenen, waarmee hun jong hart het meest instemt; en ondanks al zijn
-eigene bewegelijkheid kan een kind lang achtereen oplettend naar
-een vogel kijken, en eindelooze vragen doen omtrent het geheim van
-zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in den regel niet mee
-in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, "en een mensch is
-nu eenmaal geen vogel," luidt zijn afdoend antwoord. Is dat vooruitgang
-in ons geestesleven? Is dat toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen
-in jaren?... Wee dengenen die geen vragen meer doen!
-
-Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij vliegen samen
-op een kleinen afstand om ons heen. Zij maken allerlei verschillende
-bewegingen, voeren als het ware een ballet in de lucht uit, en roepen
-allerhande variatiën op het thema kie-vit. Van vragen-doen gesproken:
-wat beteekent die taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien
-zij op dit oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben
-dan ook alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het
-nest reeds ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier
-eitjes er in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij
-toont ons hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet
-hem echter niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons,
-die in dit vak nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een
-welverdiend verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af
-te leiden door naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne
-menschensluwheid kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de
-arme dieren is, dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te
-goed hebben. Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans,
-daarvan op nieuw beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter
-kan zich zoo warm maken over de "wonderschoone Meimaand" als de
-kievitten doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening
-en menschelijke wetten begrepen. Vanaf 1 Mei toch is het zoeken van
-eieren verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet
-altijd werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is
-er dus voor hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij
-zestien dagen noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij zich
-bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen
-hoog gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is
-verder, niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken
-te verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld
-bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken
-zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer
-dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood,
-bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet
-men hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden,
-en als het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als
-zij in grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo'n vijand aan te
-vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals
-zij dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk
-gezicht is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend,
-en dienen door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad,
-den anderen vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers
-is die ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei
-of een ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek,
-in September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen,
-naar het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart,
-eerst bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-RONDOM EEN MOLSHOOP.
-
-
-"Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het
-gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen
-spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en
-den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe
-beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke
-lente."--Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen,
-die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk's werken
-zullen uitmaken.
-
-Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld;
-benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er
-beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en
-ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!
-
-Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan,
-in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de
-plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan
-paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De
-paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels
-nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij
-die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens
-vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te
-vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet
-zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken
-in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die
-pooten zijn voor ons 't belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm,
-èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In
-onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol,
-gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om
-te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar
-merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen
-tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander
-maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen,
-die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken;
-en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin
-die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar
-het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te
-maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen;
-mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk
-tot de "molshoopen", welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer
-paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij
-is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun
-deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn
-bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop
-voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar!
-
-Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?--'t Hangt er
-van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga,
-zorg ik, dat ik met een volle t'huis kom; maar houd onderwijl mijn
-oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op
-het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid
-afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren
-die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het
-eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en
-geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten;
-en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en
-met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet
-deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou
-mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend!
-
-Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op
-mij uitoefent?--Het was een tuinman uit de buurt. Hij was 't, die mij
-de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in 't voorbijgaan,
-ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit
-verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen
-ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet
-spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste
-geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als
-over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare "griezeltjes", die ik
-om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte
-en die gele "spikkels" van de weide leerde kennen en liefhebben; die
-mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag:
-"hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?", en mij de pret van "'t
-kaarsjes blazen" dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit
-een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte
-zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in
-'t seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij,
-aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder
-aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....
-
-In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het
-beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat
-voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het
-teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede
-het "onpraktisch" karakter van zijn lessen. De jongens hollen door,
-beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur
-ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen
-wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn
-duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel
-uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit
-niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee,
-dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd
-vele beesten en gewassen "uit elkaar te leeren kennen", als wel om
-hen "in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode", die
-hen helpen kan "een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de
-mensch in de wereld inneemt", enz. De ander echter blijft van oordeel,
-dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest
-heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen
-rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat
-gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden
-degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het
-niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan
-onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen,
-dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap,
-en tusschen de "methode" van verschillende scholen; maar ik heb alle
-reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want--om slechts bij de
-weide-"stippels", die wij straks bespraken, te blijven:--indien ik met
-belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de
-vorm der meeldraden van de "boldragende ranonkel" tot bewijs dient;
-indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de
-roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried's laatste
-bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan
-voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad
-vertellen,--dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is,
-die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-PALM-PASCHEN.
-
-
-"Pallem-pallem-paschen!..." klinkt het jaarlijks alom in
-kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een
-voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg
-inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van
-een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken,
-en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij
-zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan
-zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun
-"Pallem-pallem-paschen!"... met nog eenige moeielijk verstaanbare
-klanken er achter.
-
-Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die "het van dergelijke klanten
-moeten hebben", kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen,
-bekend maken. 't Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate
-dat het groot en weelderig is,--waaraan een sinaasappel en een paar
-appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en
-papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van
-den welbekenden buks- of palmboom.
-
-Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord
-had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien
-naam van "palm" gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst
-tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal
-grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde ("een-zaadlobbige"
-[2]) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten
-aan de Bildt van ouds den naam van "Palmmarkt" dragen, staat de
-Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den
-Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in
-het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de
-eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen,
-vertegenwoordigen het daverend "Hosanna", dat in zeker onvergetelijk
-drama zoo kort aan het "Kruist hem" voorafging!
-
-Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin
-verhaald wordt hoe in 't Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte
-palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de
-kardinaals voor 't altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in
-andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters
-met olijventakken in de handen; hoe men zich in 't gebergte vaak
-met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte
-wilgenteentjes dienst doen.--Ook bij ons in 't Noorden moest
-natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd,
-een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt
-men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan
-nauwlijks uitgebot. 't Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo
-slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes
-vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor
-'t doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven;
-en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk
-te krijgen. Eenmaal geregeld "palmdienst" doende, kreeg hij den
-naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk
-gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht
-"onreine geesten" te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van
-'t volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere
-tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden
-verspreiden, verhindert niet dat "palmboompjes" tot de meest algemeene
-huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door,
-palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen
-'t inslaan van den bliksem.
-
-Den ganschen winter door kroop hier en daar in 't bosch, in tuinen,
-en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met
-vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de
-eenige verdienste was,--dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds
-kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een
-paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van
-'t loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men
-aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En
-indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich
-door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is 't niet
-vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, 't zij in
-vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der
-bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets
-bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te
-weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf
-het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga
-dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch
-om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er
-haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar
-zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En
-zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde
-voor die teedere gave.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-TULPEN.
-
-
-Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der fantazie, half als zeer
-gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, tot eene natuurlijke
-rangschikking der planten te geraken, een standen-verdeeling van
-de "Ingezetenen des Plantenrijks" beproefd. In deze teekenachtige
-indeeling, die op naïeve wijs den stempel van haar tijd draagt, en
-in onze demokratisch-wetenschappelijke eeuw, om meer dan eene reden,
-met een glimlach ontvangen zou worden, noemde hij:
-
-"De Palmen, Vorsten, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en
-ongetakt blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is).
-
-"De kruiden des Velds, (een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei
-gestalte), de Edelen.
-
-"De Boomen, die de bosschen uitmaken, de Staten. (Men vindt ze
-omringd door hunne dienaars en beschut door een wacht van Soldaten,
-namelijk die doornachtige gewassen, welke zich dikwijls om de stammen
-en takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan Tafelschuimers,
-namelijk de woekerplanten.)
-
-"De Grasplanten, het Landvolk (de kracht en steun des Rijks, die, hoe
-meer zij besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.)
-
-"De Varens, Werklieden (die 't zaad op den rug dragen).
-
-"De Mossen, Slaven (met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die
-schraal zijn en honger lijden, moetende zich behelpen op plaatsen,
-welke voor de anderen ongeschikt zijn.)
-
-"De Wieren, Duikelaars, (bijna ongekleed, zonder optooisel of
-fraaiheid.)
-
-"De Paddestoelen, het Uitschot des Rijks, (dat zich niet toelegt dan
-op stelen en rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als
-'t ware in den nacht, als de anderen slapen)."
-
-Op dit tooneel nu figureeren de Bolplanten als "Hovelingen,
-pralende met heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het
-Rijk te strekken."--Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die
-schitterende Leliën en Tulpen, Ixia's en Narcissen, al die prachtige
-soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die bevallige
-Scilla's, Frittellaria's en Cyclamens. En ondanks hun rijkdom van
-verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend gemeenschappelijk
-karakter.
-
-Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die schijndoode
-bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk terugtrekt,
-alsof 't in een zaadkorrel ware? Die zich laat drogen, verzenden,
-op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met behulp van een
-weinigje vochtige aarde,--(Hyacinthen en Crocussen groeien reeds
-alleen in water, en Colchicums hebben zelfs deze laatste voorwaarde
-niet noodig,)--de bladrozet en bloemsteel ontspruiten, welke daarin
-maanden lang als kiem, zonder merkbare ontwikkeling, opgesloten lagen!
-
-De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: lange lint- of
-zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en overlangsche nerven,
-zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende adertjes: in één
-woord, gras in 't grof. Hoe al wat bollen draagt ook boven den grond
-overeenkomst heeft, bewijst het voorbeeld van de uien; het zou mij
-niet verwonderen, als iemand bij vergissing een tulpenbol en een
-chalotte omruilde, en het blad van eene zoogenaamde zee-uie zou men
-gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen doorgaan.
-
-Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in onveranderlijke
-voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, in plaats
-van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de tweemaal-drie
-blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een Hyacinthen-nagel,
-de sierlijke driehoekigheid der groote witte Irissen, die zwanen onder
-de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan dien regel van
-drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal (niet gevuld) is,
-drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; of één driehoekig,
-zooals in Tulpen.
-
-De hoorn des overvloeds, verborgen in den onuitputtelijken zak van
-den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, reeds eer nog de dagen op
-hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen in de huizen uit; en wel
-van eene soort, die de oude grief,--dat zij "wel pronken, maar niet
-geuren,"--het volkomenst logenstraft: de welriekende "ducjes" (Duc van
-Toll.) Het zijn bescheiden tulpjes, althans wat haar omvang aangaat,
-maar overigens in 't oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud,
-zwart--(de duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische,
-zooals zij b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom
-van verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te
-tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden
-in drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes
-samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook
-het zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In
-hun midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl,
-op het driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den
-bloei der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of
-gevuld zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van
-het vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes,
-verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet
-of men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan
-bij menigte.
-
-Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond bloeien; en een
-aantal liefhebbers vermeien zich in 't schouwspel dat "de bollenlanden"
-rondom Haarlem en elders te zien geven. Veler smaak intusschen voelt
-zich daartoe in het geheel niet aangetrokken. Zij vinden weinig moois
-aan "zoo'n bloemenfabriek", en vergelijken de met vierkante vakken van
-roode, witte, gele, bonte tulpen prijkende akkers bij het droogveld
-van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot gelijk aan;
-maar er valt dan ook van een "fabriek" niet anders te verwachten,
-dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo doelmatig mogelijk
-rangschikt, en de orde bij het planten en rooien hooger acht dan de
-bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij echter hindert het,
-als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, onbehaaglijkheid die in de
-schikking op de bollenvelden heerscht, terugvind in parken en tuinen,
-waar er geene verontschuldigende reden voor bestaat, waar zij louter
-"voor het mooi" geplant zijn, en waar dus alles moest gedaan worden
-om ze bevallig te doen uitkomen.
-
-Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in hooge mate te
-"flatteeren", leerde ik een paar jaar geleden van het toeval. In een
-rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, had een knecht, zonder
-er veel bij te denken, een mand vol gezonde bollen uitgeplant. Er
-stonden daarin echter ook--van boven geheel afgestorven--drie planten
-van de welbekende reusachtige Beerenklauw (Heracleum giganteum). Toen
-nu in 't volgend jaar de tulpen--het waren geen zeer vroegen--gingen
-groeien, begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en
-tegen dat de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de
-laatsten juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder
-ze te veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel
-tusschen de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken;
-het heldergroene loof der tulpen hing daar onder en daar over heen,
-terwijl de witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er schitterend
-boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer moeite
-zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger opschieten;
-en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, aan de meeste
-bollenperken eigen. Het geheel was in één woord zóó teekenachtig,
-èn wat lijnen èn wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan
-de schoonheid die een tulp in haar natuurlijke omgeving--ik meen, in
-haar vaderland--hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende
-als model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig
-dieper gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen,
-zal men er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient
-gedaan te worden dan in kweekerijen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-HEI! 'T WAS IN DE MEI!
-
-
-De Mei is in het land!
-
-Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker achteruit gaat,
-en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet geweest zijn dan
-heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk gemaakt hadden
-van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te dikwijls, bij
-de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van "de zoete Meie,"
-
-
- "..............een kus,
- Dien de zon geeft aan de aarde,"
-
-
-klinken bijna als eene bespotting van de hedendaagsche pinksterstormen.
-
-Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die in
-ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens
-vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog
-een andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere
-geslachten, of liever de traditioneele volksgeest, welke die legenden
-en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan wij
-zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de
-hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen,
-avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen,
-of te meten? 't Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat ooit
-eenige weelde--welke ook--naar hoeveelheid berekent! Ons beter
-deel,--de dichter in ons,--weet wel anders. Hij weet dat daar geen
-sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of korter, maar
-van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu drie- of viermaal
-heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of niets toe, mits
-elk onzer slechts één oogenblik dien lach heeft weten op te vangen,
-zóó dat hij ons door merg en been, door ziel en zinnen heendrong,--zóó
-dat nog maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering,
-en ons hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: Lente!
-
-De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de overlevering
-brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, welke ons,
-indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen,
-jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen
-altijd de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en
-de lucht zoel geweest zijn juist op den 1sten of den 21sten Mei,
-en de noordoostewind de takken op de Meiwagens ontzien hebben? Soms
-wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. Maar het feest was
-eenmaal dààr; en verreweg de meeste feestgenooten waren sterk van huid
-en zenuwen; en de hartstocht der werkelijkheid was niet altijd zoo
-wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op zoo'n dag hun fantazie
-beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den ouden regen of de maar al
-te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet eens de moeite waard om
-op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog gaat bij dergelijke
-feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander publiek, dan 't
-geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes te lezen!
-
-Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer zijn Meifeesten
-weggelegd,--even plechtig als men 't zich van Druïden-priesters, even
-jolig als men 't zich van middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits
-hij zelf bereid zij, zal het Meiweer wel komen! Maar het komt
-onverwachts. Somtijds springt het over de grenzen en komt in April
-of in Juni: ook die gril moet men nemen zooals 't valt.
-
-Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw venster te
-kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure dagen genoeg
-aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, visites
-doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als een
-heiligendag.
-
-Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met een waas
-van schoonheid overtogen,--zelfs de kaalste velden en de leelijkste
-moerassen,--maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. Begin eens
-ginds aan den stadswal, waar 't leven van natuur en maatschappij
-elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met gras en jonge
-lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al schrobbend zingen,
-met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, waar gij 't oog hebt
-op de tuinen in den omtrek, waar de hagedoorns bloeien, en waaruit u
-nu de ééne, straks een andere geur te gemoet komt, die u doet denken
-aan,--ja aan....? Gij weet het zelf niet...--zeker aan een vroegeren
-Mei.--Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en verdiep u in het
-duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: kruipend, zwemmend,
-vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog wel lang niet
-alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken u ieder
-jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en u,
-in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag:
-waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen?
-
-Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de bloemen, die
-wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het woord, en
-vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van hetgeen
-u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u zelven;
-van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch bij
-te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten
-te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje
-sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij
-wat gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik--in elk geval
-slechts in verbeelding bij u--ben een veilige vertrouwde. Vertel
-mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en
-teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord
-de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld,
-ik luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,--welnu, dan voel
-ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van
-bewustzijn te hebben, boven dat uit, wat zich reeds als denkbeeld weêr
-laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? Stemt zij u tot juichen,
-als om strijd met de vinken; of dringt zij u terug in u zelven? Bezielt
-zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot werkzaamheid en leven,
-die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult zij u met weemoed over
-onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; in beiden kan een schat
-van levenslust en van ontwikkeling besloten liggen. Met beiden zou ik u
-geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. Die raad--ik meen wijding
-voor de opgewektheid, ontspanning voor den weemoed--lag van oudsher
-in samenstemming met de edelste, beminnelijkste aller fantazieën,
-ooit aan de dichterziel der menschheid ontsproten: dankbaarheid
-jegens een verborgen Maker, die de lente en hem die haar liefheeft,
-naast elkander voortbracht. Verheug u, zoo de tooveresse Mei u doet
-meedoen aan die "goddelijke dwaasheid", die hoogste geestelijke weelde!
-
-Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen gepraat heb,
-heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor u. Gij
-vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een bloeiend
-eschdoorntakje......
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI
-
-EEN ENGELSCH LANDSCHAP.
-
-
-"H. M. de Koningin zal overmorgen haar kasteel te Windsor betrekken,
-en aldaar eenige weken vertoeven."
-
-Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, zie ik reeds
-in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het welbekende
-teeken van H. M.'s tegenwoordigheid op het kasteel), en breidt zich
-eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in al zijn
-heerlijkheid voor mijne oogen uit.
-
-Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. Velen onzer
-hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen gezien, maar dan
-waren die doorgaans òf tot bouwvallen afgebrokkeld, òf tot gevangenis,
-wapenhuis of iets dergelijks gedegradeerd. Een oud versterkt slot
-echter, zoo geheel in zijn middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans
-zoo goed onderhouden en keurig ingericht, als voor de woonplaats
-van een der voornaamste europeesche hoven van onzen tijd betaamt,
-vindt men niet licht ergens anders dan te Windsor.
-
-Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers voor eenige
-fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras bezoeken,
-en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de meubileering
-der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling tusschen
-het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig comfort
-van H. M.'s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor verblijf houdt, is
-natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer ingekrompen; maar
-m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de meerdere levendigheid
-en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje heerscht. Het is
-dan bijzonder aardig, om van den hoogen "ronden toren", dien men ten
-allen tijde mag beklimmen, op de ruime binnenplaats neer te zien,
-de vuren in de bewoonde appartementen te zien flikkeren, de warmte
-der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en voorrijders af en aan te
-zien rijden, in één woord een blik te slaan in het groote huishouden
-beneden.
-
-Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat sommigen
-misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden kunnen
-noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste
-vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige
-mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,--een afstand die
-jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar
-tot nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het
-liefelijke van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken
-van Londen zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid
-van het engelsche landschap leent er zich geheel toe, om rondom de
-hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet
-in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk
-bewoonde gedeelten van Europa's vasteland; oorspronkelijke wouden
-vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten
-zijn meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid
-van alle natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het
-gezellige, parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken
-kenmerkt, en waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen
-landbouw, hun dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar
-één samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt,
-spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke
-zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen
-heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing
-in het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen,
-en toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te
-voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen
-tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel
-de weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van
-volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland
-groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt
-van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij,
-wij hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en-
-zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen,
-eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan
-te treffen, vindt men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij ons,
-zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht een
-boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle kanten uit kan
-groeien en zijn grootsten omvang bereiken: één blik op eenige engelsche
-landschap-gravures kan ons toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen
-ten achteren zijn. Dit een en ander kenschetst het karakteristieke
-van hun landschappen. En indien men dan ten overvloede een rivier
-als de Theems in het oog krijgt, niet breed, maar allersierlijkst
-kronkelend.... Waarlijk de "country" rondom Londen is verrukkelijk;
-en aan ieder die de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje
-naar Windsor, als proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het
-aangenaamst in "het schoone jaargetijde"; maar door den overvloed van
-wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook
-vroeg in 't voorjaar, laat in 't najaar, ja zelfs in het hartje van den
-winter recht behaaglijk. 't Is inderdaad merkwaardig, hoeveel prachtige
-ceders en naaldboomen er prijken op de grasvelden der parken; hoeveel
-hulst, ligusters en eene eindelooze verscheidenheid van groenblijvende
-boomen en heesters, (tot groenblijvende eiken toe), men in de tuinen
-vindt; en welk een schat van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt,
-zweeft, klimt en guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen,
-hekken, huizen en heggen, "Ivy lodges" en "--cottages". Natuurlijk
-hangt deze liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche
-aristocratie, om bij voorkeur den winter op het land door te brengen,
-en is zij vandaar gaande weg naar de lagere standen afgezakt.
-
-Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens onwillekeurig
-terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in zoover het ons
-een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de meeste,
-later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een
-halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks
-den naam van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en
-hotelstraat, welks ronding die van den muur van het slot volgt,
-laten een niet onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken,
-late zich de slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het
-schoone witmarmeren praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin
-van koning Leopold I van België).--Maar vlak tegenover Windsor,
-door een fraaie Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel
-grootere stadje Eton; en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton
-het wereldberoemde college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben
-niet, sinds verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte,
-hebben niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle
-mogelijke helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere
-kringen spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te Eton
-school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte
-die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet,
-eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond
-mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw,
-zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend
-en niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de
-half uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en
-trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag middag;
-de kweekelingen, Eton-boys, zooals zij in de wandeling genoemd worden,
-liepen aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar
-aan hun zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en
-dassen... Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen?
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD.
-
-
-Reeds vroeg in 't jaar, tegelijk met boschanemonen en muurbloemen
-en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus Japonica. 't Was het
-sieraad van de buurt, die welige drie voet hooge leiboom in zijn
-schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den noordenwind, en
-volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het schoone jaargetijde
-in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst meer sprake
-kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn gloed,
-te treffender in dat seizoen der zachte tinten.--Dat het een peer-
-of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er hier
-in 't land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet juist
-appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde
-kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk
-voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet
-het loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks
-de sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn
-bouw datzelfde stokkerige, hoekige karakter, dat, zal men de verlakte
-werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche
-Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op
-de knoopen der takken,--een plaag voor ieder, die er een bouquet van
-wenscht te maken,--hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch
-porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam "Ya-lo-ala":
-zou dat misschien de vrucht zijn, die dit soort van appelboomen in
-hun vaderland draagt?
-
-Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De perenboomen
-zijn reeds "als met een wit laken overdekt"; en hun eigenaars
-worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke gezicht, en
-angst voor ieder oostenwindje dat vorst of "zwarte vlieg" zou kunnen
-aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, dat deze bête noire geen
-"vlieg" is, maar een kevertje.) En nog een dag of tien, en 't zachte
-rood der appelbloesems zal, voorlooper van 't later rood der rozen,
-aan duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven.
-
-Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen in de
-pomologische wereld;--ja, lezer, ook een wereld op zich zelve, zoo
-goed als de "groote", de parlementaire, de letterkundige, en andere
-afzonderlijke werelden!--Denk aan de pereboomen in de boomgaarden
-van onze boerderijen: echte knoestige boomen, met stammen en kronen,
-waaronder menschen rondloopen en kinderen spelen, en schapen aan
-een lijntje grazen kunnen. Denk aan de appelboomen, zooals zij in
-Duitschland langs de wegen geplant zijn, om den wandelaar een schijn
-van lommer, en den pachter op den koop toe een oogstje te bezorgen,
-en die mevrouw De Stael, bij hare komst "en Allemagne", vervulden met
-een grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen
-zij hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef
-hangen tot het rijp was!--En denk dan aan de "snoeren en palmetten",
-de "spiraal- en vleugel-piramiden"; in één woord aan die zonderlinge
-waaiers en ladders en rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker
-ze invoerde, boompjes welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen,
-dan aan hunne eigene eenvoudige stamgenooten herinneren.
-
-"En kies tusschen het oude en het nieuwe," had ik er haast
-bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht kijken, valt er
-niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. Doch daar men
-nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om "het mooi" kweekt, maar
-om de vruchten; en de "beredeneerde kweekwijze", omdat zij wezenlijk
-onmiddellijk op natuurfeiten berust, op de grootte en de fijnheid van
-die vruchten waarlijk gunstig werkt, valt daartegen niets afdoends meer
-in te brengen. Wie voortaan eigen appelen en peren eten wil, kieze
-uit de honderden op eene prijslijst voorkomende nummers die, waarvan
-hij den geurigen smaak heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan
-de namen hem bijzonder prikkelen, (als daar zijn: Adams pearmain;
-Beefsteak; Newtons pippin; Weissbrod; Calville d'Eve; Républicain;
-Drie torenpeer; Napoleon-Bon-Chrétien; Curé Belle Héloise; Pie IX;
-Saint-Michel-Archange!) en ik wensch hem voorspoed op zijne plantage.
-
-Maar wie ééns in het jaar, ééns in de ééne veertien dagen gedurende
-welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk al de weelde van den
-teêren bloesem wil genieten, die brenge--waar hij ze slechts weet
-te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen schuttingen en
-bleekveldjes--een visite aan de oude, groote boomen van zijn kennis,
-'t zij zij Juttepeer heeten of Sapperdegroentje, of de grofste
-onbenoemde soort van "hand-" of "pot"-appel voortbrengen. Dan legere
-men zich hier of daar in de nabijheid, en late zich beregenen door de
-eerste afvallende blaadjes. En als dan toevallig aan de eene zijde
-een sering en aan de andere een gouden-regen over eene heining heen
-komt kijken,--het blonde kind der Alpen naast den geurigen zoon van
-het Oosten,--dan zal het steeds nog te bezien staan wie van die drie,
-zij of de vruchtboom, het meest tot ons lentegevoel bijbrengen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-BOUQUETTEN.
-
-
-Wat moet toch een "bouquet", of, naar den nederlandschen naam, een
-bloemruiker eigenlijk wel wezen?
-
-Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende bloemen, zoo
-saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar eigenaardigheden zoo
-voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het tegenwoordig doorgaans?
-
-Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge gewoonte
-ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een
-heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang,
-een zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine
-knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de
-bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te
-steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel
-hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men alle bloemen,
-die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken knoppen
-meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op te letten of
-de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: elk frisch puntje, zij
-het van een nog zoo krom of verlept lot, is bruikbaar. Van lieverlede
-nu is deze handgreep ook overgegaan op grooter en kostbaarder, uit
-zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. Daar, uit den aard der
-zaak, die rietbouquetten een vrij gladde oppervlakte krijgen, en de
-bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te worden, (ten eerste om de
-kortheid der stelen, en ten andere om de rietjes te bedekken), was men
-vindingrijk genoeg, om van zoo'n vlak of bol een soort van mozaiek
-te maken. Wij kennen allen de patronen, die bij dit knutselwerk het
-meest in zwang zijn: b. v. ééne groote bloem in 't midden, dan een
-kringetje groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur,
-enz. Soms worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het
-onlangs in een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25,
-uit knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak
-van rozenknoppen en rozen.--Eén bezwaar had zich voorgedaan: Terwijl
-in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen werden,
-bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk gaandeweg tot
-een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij wat moeielijker
-te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo zijn sinds vele
-jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen randen, een
-belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig minnaar,
-die zijn bruid op haar verjaardag een "hand-" of "vaasbouquet" wil
-sturen, zou dien niet gaarne zonder zoo'n geijkten witten driehoek zien
-bezorgen, maar misschien zeer geërgerd wezen, als men hem vraagde,
-waarom hij zulk een op een goedkoopje gefabriceerden bouquet had
-besteld. En menig bruidje, dat zoo'n "porte-bouquet" aanneemt, en
-niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak twijfelde,
-beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met haar en
-haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en weelde.
-
-Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de stijfheid
-dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat die mode
-mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch welbekeken
-is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, maar ze is
-gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met schoonheidsgevoel
-in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner beschikking, zou
-zeer licht iets beters "in de mode" kunnen brengen. Zeer geschikt zou
-hij daartoe gebruik kunnen maken van den heerschenden eerbied voor al
-wat oud-hollandsche kunst heet, zich beroepen op het oordeel onzer oude
-schilders, en b.v. op de eerste de beste tentoonstelling, in een grijze
-terra-cotta vaas van eenvoudig model, een groot bouquet à la van Huysum
-ter tafel kunnen brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling
-van schilderijen zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak
-na kon volgen, vooral daar toch die hoofdzaak in niets anders bestaat,
-dan in de eischen der natuur zelve. Zij--en van Huysum!--stellen op den
-voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet alléén de
-kleuren van haar kroontjes, maar ook de sierlijkheid, waarmee zij, op
-haar stengel wiegend, zich verheffen of neerhangen; den rijkdom harer
-vormen, in verband met de plant, die haar voortbracht; het kontrast
-met het bij haar behoorend groen.--Het kost misschien meer bloemen en
-meer zorg, in elk geval meer kunst-smaak, zulk een bouquet te maken,
-dan een waarbij papier en riet te hulp komen. Daartoe toch kan men
-slechts volkomen gave takken, trossen, pluimen nemen, en ten tweede is
-die schikking niet gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer
-alledaagsche slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en teêre,
-levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig materiaal. Soms,
-als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen weerspannig; en er
-wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist zooveel te kiezen,
-dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt blijft. Daarbij,
-hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer gelegenheid voor fijne
-schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor bontheid en hardheid.--Dit
-alles zijn bezwaren, en maken een Bouquet van Huysum,--om ons aan dien
-naam te houden,--tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt,
-zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen:
-ook van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat
-bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-EEN DUBBELE BOODSCHAP.
-
-
-Tot de vaste attributen van een eersten mooien zomerschen dag behooren
-van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en vogelenzang, ook een zwerm
-vroolijk dansende muggen, een van plant tot plant zwevende vlinder,
-een sierlijk boven 't water heen en weer vliegend juffertje. En zoo
-groot is de kracht der sympathie,--van de gemeenschappelijke vreugde
-over 't mooie weer,--dat men bij zoo'n gelegenheid ieder spoor van
-afkeer jegens deze dieren laat varen, en hen alleen als natuurgenooten,
-als feestgenooten begroet!
-
-Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is nooit zoo
-groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, zoogenaamd
-"volkomen" toestand ontmoet, dan wanneer men in hun kruipend
-tijdperk met hen te doen heeft. 't Is opmerkelijk, terwijl men in
-den regel aan jonge zoogdieren,--jonge honden, katten, lammeren,
-ja zelfs biggen,--vriendelijkheden pleegt te bewijzen, waarop zij
-op hun ouden dag wijs doen van niet meer te rekenen, heeft tegenover
-insekten juist het omgekeerde plaats. Van een rups heeft bijna elk een
-afschuw; zoodra zij een "kapelletje" geworden is, behoort zij tot de
-welkome, ja, dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een
-gouden torretje algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar
-indien men het bij ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen
-had gekregen, zou men het al heel licht voor "een wurmpje" aangezien
-en ter dood veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten
-om zich te verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig
-groen, purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene
-schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil
-houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t'huis behoort.
-
-Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men dat kleine
-vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den honig
-dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, dat
-zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te
-behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den
-tuin of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven
-gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk;
-zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... "bloemenstof",
-zooals mij eens verteld werd.
-
-Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche spijslijst der
-verschillende insekten, om juist te weten welke van deze drie artikelen
-daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. Maar wel
-stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende ontdekking
-omtrent de groote rol die de insekten in het leven van de plantenwereld
-spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar deze dieren alleen op
-zich zelven beschouwd werden, als nuttig of schadelijk, al naarmate zij
-der menschelijke maatschappij onmiddellijk voor- of nadeel aanbrachten,
-is toch in de laatste eeuw ten stelligste gebleken, dat er althans
-bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot stand zou kunnen komen,
-geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen insekten waren, die
-daartoe een behulpzaam pootje boden.
-
-Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit zoo'n diepen
-indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie al die kleine
-vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds ik weet dat zij
-op hunne tochten,--de eene bloem uit, en de andere weer in,--telkens
-eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich zelven den kost opduiken,
-en ten behoeve van de plantensoort, die zij bezoeken, het verkeer
-tusschen de meeldraden en de stempeltjes bevorderen.
-
-Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er aan
-zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben,
-tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel
-van het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort,
-moet zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd
-op dat kleine lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en
-vruchtbeginsels bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja,
-op verschillende exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde
-bloem lang niet altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan
-ook sinds een paar eeuwen dat het stuifmeel van de eene bloem in
-de andere kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,--maar hoe zulks
-geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den
-dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is,
-en de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht
-ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken
-dat er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij
-de stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en de
-stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder medewerking van
-buiten onmogelijk was, dat die beide organen met elkander in aanraking
-kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, die den Duitscher
-Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp der insekten
-brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer hoe meer
-bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het overbrengen
-van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor verschillende planten
-ook verschillende diersoorten) geen uitzondering maar regel is.
-
-Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden vinden in
-zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,--al zijn zij
-nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna nooit
-zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar
-vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms,
-als de plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men
-er duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt
-het doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet
-kunnen zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig om
-het stuifmeel van de acht langere en kortere meeldraden op het korte,
-gespletene stempeltje te brengen? In 't groot heeft men hetzelfde,
-tot schade van de proefnemers, ondervonden, toen men, eenige jaren
-geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te voeren. De vanille
-toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich in de wouden
-van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en de kostbare
-vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou men op
-Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat voldeed
-aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge staken
-laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; maar
-er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met telkens
-nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. Eindelijk gaf
-iemand daarvan de verklaring, op grond van Spengler's merkwaardige
-ontdekking: het kleine vliegje, dat in Amerika, al honig zoekend,
-onwillekeurig zijne diensten aan de plant bewees, was niet mee den
-oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met menschenhanden aan
-iedere vanillebloem te verrichten, was te omslachtig, en dus moest
-die kultuur worden opgegeven.
-
-Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de Aucuba, met
-haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van grootere en
-kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei exemplaren bestaan:
-met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat zij wel stuifmeel,
-maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met zeer onaanzienlijke
-paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie helder-roode vruchten
-voortbrengen, mits er van elders stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes
-gebracht worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken
-vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer
-provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba's bezat, maar die noch bloeiden
-(nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. Het geval
-was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke exemplaren
-afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden waren. Een
-plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar komen. Dien
-zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige insekten
-op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met een
-grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe
-aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde
-aan het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was
-het eene glorie te meer voor des ouden Spengler's nagedachtenis!
-
-Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe op zekeren dag
-Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van vliegen bewonderde
-die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant waarnam. Had die man,
-met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, Spengler's wetenschap er
-bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen zou die "fraisier" dan nog
-bij hem opgewekt hebben!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-EEN BOSCHTOONEELTJE.
-
-
-Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde gemoederen, want ziet,
-"het jonge groen" is nu werkelijk daar! Wij wandelen op een landweg,
-in een der schoonste gedeelten van Holland, als het ware in een koker
-van groen: onder ons het welige gras, met zijn afwisseling van kleinere
-plantjes, rondom ons laag en hooger kreupelhout, bloeiende heesters
-en opgeschoten fluitekruid, en boven onze hoofden een gewelf van
-lindentakken, niet gesnoeid of geleid, maar van nature zoo gegroeid.
-
-Het jonge groen! Welk een verscheidenheid van tinten en van vormen
-ligt daar opgesloten in die woorden! Daar zijn, om 't dichtst bij te
-beginnen, de kleine blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte
-precies het fatsoen hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November
-behouden zullen; zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt
-niet meer van vorm te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens
-en meisjes van ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd
-reeds juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. Geheel anders
-is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den knop komt,
-dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die plooien
-niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het elzengroen,
-met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige omhulsels te
-voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of wat rechtop
-blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens goed wou
-kijken hoe 't er in de wereld uitzag. En dan staan daar de berken;
-zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de meeste
-voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst treuzelen,
-beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider jonge
-bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in
-het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat
-later moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien;
-die der populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden
-af naar het midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en
-dennen met lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen
-naaldenschat, en strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel
-uit, ten behoeve van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is "het
-jonge groen"; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen,
-en juichen om het mooie weer.
-
-Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje verzameld, en zijn,
-al bloemen zoekend, van het ééne pad in het andere gedrenteld. Eerst
-was het, op een open plek, de allerliefste blauwe eereprijs die ons
-lokte; daarna viel ons een menigte van bloemen in het oog, melkwit met
-groene strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar
-door haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen
-naam van "vogelmelk" dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een
-helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met
-de fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine "harlekijn". Wij
-weten het niet recht, maar wij beginnen te vermoeden dat wij binnen
-de omheining van een oude buitenplaats zijn; het nette onderhoud der
-paden, de meer park- dan boschmatige aanleg versterkt ons telkens
-meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er eenmaal, wij zullen
-geen baldadigheden plegen, maar wagen het te blijven en door te loopen
-"tot wij verjaagd worden". En wij wandelen door... tot wij plotseling
-voor iets heel ongewoons staan....
-
-Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van voren en
-van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel van
-hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een
-boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een weinig meer
-opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen geheel tot
-tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van zodenbanken,
-en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon beschut,
-blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden van
-het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of "foyer"
-konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte greppels zorgden voor
-het gevaar van modderachtigheid in het parterre. 't Spreekt van zelf
-dat wij ons nederzetten op de banken, en dat een uit het gezelschap
-op de groene "planken" ging staan declameeren; en dat voorts elk het
-zijne zei over deze antiekiteit.
-
-"Hoe aardig!" riep de meerderheid, onder den eersten indruk.
-
-"Hoe kinderachtig!" zeiden enkelen. "Hoe popperig!" "Hoe
-bekrompen!" "Hoe kleingeestig!"
-
-"De pruikentijd in levenden lijve!" bracht iemand in het midden. "De
-bloeitijd van het dilettantisme op alle mogelijk gebied. Mij dunkt,
-je hoort al in verbeelding de produkten van den een of anderen
-prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche mythologie er bij haalt,
-om den 50sten verjaardag van den heer van 't dorp, of de bruiloft
-van diens dochter te vieren. Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!"
-
-Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het tooneeltje
-heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren hagen
-"als zoodanig", vond ik ze hier zoo geestig aangebracht, dat ik er
-niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om den pruikentijd te
-verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, wat betreft de
-gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen vóór had. Het
-valt mij in hoe Van Lennep die verdediging ergens heeft op zich
-genomen, en ik kan niet laten iets van 't geen hij daaromtrent zegt,
-in herinnering te brengen.
-
-"Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie in een staat van
-diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige vrede, dien zij
-had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen
-en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht
-had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, gerust
-insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt
-was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik weet dat niet; ik
-zal mij althans wachten een geheele maatschappij... te veroordeelen;
-ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Ik verzeker u,
-dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte
-dan thans; als men bouwde, al was het maar een onnoozel koepeltje,
-dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik eigenlijk aanmerken
-wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang
-waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan banden te leggen; ieder
-had het gevoel, dat, wanneer hij in een gezelschap werd toegelaten,
-zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel
-tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; en dan bleek het,
-dat wie het meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en
-zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf het
-meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de politiek aangaat, spanning
-tusschen de partijen in den staat was ontstaan, en somtijds lieden
-van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten,--men had
-de welvoegelijkheid, niet altijd en overal over politieke vraagpunten
-te twisten. Enfin, men wist toen nog te "praten", wat de Franschen
-causer noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en
-door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf
-in dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over dienstboden
-en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer
-onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker
-waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen wordt door eene
-goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden, en vooral
-door de gestadig aangekweekte zucht om elkander aangenaam te wezen. Men
-ontmoette in dien tijd, zoo goed als nu, menschen, die dom, enkelen
-zelfs die vrij belachelijk waren; ook nu en dan bewees deze of gene,
-dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; maar de dommen hadden
-doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en
-vormden alzoo als het ware "het publiek"; de belachelijken dienden tot
-vermaak van de anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten
-zich wat beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen
-der ordentelijke menschen te worden geweerd. En noeme men nu die
-toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men
-wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender,
-aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige
-les en goed exempel aan zou kunnen nemen."
-
-Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets aan toe of af
-te doen, te meer omdat het "tegenwoordig", waarover hij hier juffrouw
-Stauffacher laat spreken, op zijne beurt alweer zoo lang geleden
-is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd zekere maatschappelijke
-deugden te weinig in tel zijn, in verhouding tot anderen. Zoo vraag
-ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek voorbeeld te noemen,
-of er niet werkelijk meer waarde voor de maatschappij ligt in de kunst
-om met goed gevolg als ceremoniemeester op een feest te fungeeren,
-dan in de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in
-natuurkundige wetenschappen?
-
-Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een plaats als
-leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij doet dit
-liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend deelgenoot
-in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu meer aan zijn
-wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent geworden bij den
-een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in die wetenschap
-had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van wetenschap namelijk,
-is zijne wereld; ik weet niet recht of hij specialiteit is in schei-
-of wis-, plant- of dierkunde, of wel in datgene wat, buiten deze om,
-"natuur"-kunde genoemd wordt; maar in hetgeen waar hij voor opkomt
-munt hij uit. Doch voor hetgeen daar buiten ligt... is hij weinig
-of niets. Hij "moet" een weinig achting toonen voor de andere
-takken van menschelijke kennis, die op school gedoceerd worden,
-en hij spreekt daar ook soms over; maar eigenlijk zijn zij hem als
-een gesloten boek. Het ligt aan zijn ontwikkeling, misschien reeds
-aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten doorstudeeren, had geen tijd
-tot iets anders, en bewoog zich te huis altijd onder menschen, die
-beneden hem stonden. Dit een en ander maakt hem thans teruggetrokken
-en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de stoffelijke natuur heeft
-ook aan zijne levensbeschouwing iets stoffelijks, laat ons gerust
-zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de goedhartigheid zelve, durft
-hij aan zijn gemoedsleven geen stem te geven in zijn oordeel over de
-grootere vragen der menschheid, omdat hij gewoon is niets te eeren
-dan: wiskunstig denken, toegepast op zinnelijke waarneming. Hij haalt
-eigenlijk de schouders op over de stad zijner inwoning, omdat er... zoo
-goed als niemand is met wien hij kan praten,--want hij bedoelt daarmede
-praten over zijn speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe
-eenzijdig zijne ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn
-zou met lieden, die, al waren zij dan ook zijne minderen op 't punt
-van natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat
-verder noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is
-schuw en verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen;
-hij beweert, dat hij "boven die vormen verheven" is, en dat zij maar
-overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half onbewust,
-dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van gezelligen
-omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim van die
-huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een feest,
-van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn plaats;
-zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij zulks
-als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er eigenlijk
-aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een zwart of
-spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn medegasten.
-
-Stel nu daartegenover een ander. Wat hij "van zijn vak" is doet weinig
-ter zake; misschien ook leeraar, of bij voorbeeld koopman, lid van
-de eene of andere firma, op wier kantoor hij dagelijks werkt, zooals
-honderden anderen op hunne kantoren. Maar 's mans eigenaardigheid
-ligt in iets anders: in zijn gezellige talenten. Reeds vroeg heeft
-hij van een begaafde moeder, in een goeden kring, den grondslag beet
-gekregen van zijn echte beschaving, die gedurende zijn opvoeding meer
-en meer is ontwikkeld, en waardoor hij nu velen een niet te berekenen
-vreugde bereidt. Want wie zal "berekenen" hoeveel levensvreugd er in de
-wereld opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving
-te leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie
-zal meten hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking,
-waarin een aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar
-en hoog genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna
-afwegen hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek,
-de wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk
-van een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een
-man zooals ik bedoel "goud waard". Niet alleen dat hij zelf aardig
-praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke
-verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar
-hij weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen
-wakker te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij
-uit botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te
-maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten
-die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de
-hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen één
-kunst of wetenschap iets meer dan "dilettant", heeft hij oog voor
-het belangrijke in alles, en een grooten takt om daarvan partij te
-trekken ten bate van het gezelschap. In tegenstelling met al wat er
-afbrekends, verbrokkelends, ontledends is in onzen tijdgeest, heeft hij
-eene groote mate van verbindende kracht. De gasten, die zich naar hun
-gevoelen "vrij en ongedwongen" bewegen, werken onder zijne leiding
-allen mede aan een welgevormd plan. Hij is geen "natuurkundige",
-maar heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden,
-als daar zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling
-van rust en beweging. Hij laat zich niets op "wijsbegeerte" voorstaan,
-maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te
-genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan "pret". Hij
-ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die bij elke feestelijkheid
-kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen van bespot te worden,
-als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt, en als hij teêre
-snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens, die in de aanwezigen
-rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij kent de weelde van
-zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een mensch zich bedriegt,
-die meent dat plechtigheid het tegendeel van vreugd is; hij voorziet
-dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks ten goede zal komen
-aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die vroolijkheid is
-onder zijn bestuur zóó vroolijk, dat de deftigste lieden vergeten te
-bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg is....
-
-Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van het
-boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan 't mijmeren in het jonge
-groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van
-ons wonderlijke menschenleven, dat "zoo velen medeleven, maar zoo
-weinigen verstaan!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-OP DE BLOEMMARKT.
-
-
-Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd niet, waar ik het
-liefst de lente haren intocht zie houden: op haar eigen gebied, in
-de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij dan eensklaps
-tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg plekje en in
-ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten teeken
-van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van 't
-vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van hartstocht
-voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en stadsvesten
-met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende vlierstruiken,
-en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de bovenramen,
-en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis, zoo ik
-er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel aantrekkelijkheid
-heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des vrijdags morgens,
-zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit jaargetijde is
-zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen; en mits wij
-kans zien de al te gedienstige dragers een weinig van ons af te houden,
-kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is 't een recht vermakelijke
-tocht. Het zijn juist niet de "fijnste", nieuwste bloemen die hier
-prijken, de glorie van de kweekkunst; maar het zijn meestal goede
-kennissen die het ons genoegen doet in welstand te ontmoeten.
-
-Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen; welk een rijkdom
-van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al heel wat uit
-kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van haar grootte,
-voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te krijgen: wij
-weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar op die
-blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt zijn
-door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen,
-omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij
-helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene
-eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen
-uit de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden
-lichte en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en
-juist dienen moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen,
-in gesloten gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het
-hoogst groeien, en de Cineraria's en de Calceolaria's, en de Fuchsias,
-en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze potten
-laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode schakeeringen,
-maar de meesten vuurrood. (Waterloo's, "Only showflowers" hoorde ik
-ze eens niet onaardig noemen.)
-
-Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer Verbena's,
-wier fraaiheid stellig beter gewaardeerd zou worden, als zij maar een
-beetje geur hadden; Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia's,
-wier helder goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat
-zij uit het "goud-land" Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die een
-nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die er onlangs
-weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,--de gewone inlandsche
-"smeerwortels" in gala-tenue; Verbascums, in het wild bekend onder den
-naam van "stalkaars", en Achillea's onder dien van "hazegerf". Voorts
-zijn er Antirrhinums, "leeuwenbekken",--in verschillende fijnere en
-grovere tinten; Spiraea's, met haar sierlijke pluimen; groote dubbele
-Paeonea's, waarvan ik niet recht weet wat ik het mooist vind: de
-losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren; Reseda's tot boompjes
-opgekweekt; Erythrina's met hun zonderlinge vruchten die, als zij van
-den winter open zijn gesprongen, en de zwarte zaden helder tegen de
-vuurroode binnenzijde afsteken, den niet onbegrijpelijken naam van
-"koraalrozen" zullen dragen. Vooraan staan potjes met Violen, met
-Vergeet-mij-niet, of de dikwijls in plaats daarvan verkochte kleine
-blauwe Lobelia's, en allerlei "laag zaadgoed". En ter zijde van het
-kleurig vierkant staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende
-heesters, voornamelijk Thuya's, met een kluitje aarde in een stukje
-mat gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij
-elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo,
-"om mei-wijn mee te maken"; en ten slotte graszoodjes, bestemd om
-leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het vrije veld te
-doen droomen. Landslui in gevangen staat worden licht goede vrinden:
-dat zal misschien ook het geval zijn met zoo'n vogel en deze gras-
-en klaverplantjes, wanneer zij van avond samen opgehangen worden in
-een gang, die licht krijgt uit een dwarssteeg.
-
-Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts uit dankbaarheid
-voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers meenemen:
-grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten;
-en die chineesche ginds,--dat zal de duurste wezen;--en ja, die
-duizendschoonen,--dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge soms
-deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel
-ten onrechte ons influisteren, dat "ze pas van ochtend uit den grond
-zijn genomen", en dus allicht geen wortel vatten zullen, neem ze toch
-maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor al de rest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-AAN DE NOORDZEE.
-
-
-Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te Zandvoort, en te
-Domburg,--en wat wilt gij er nog meer bij noemen?--het "badseizoen"
-weer begonnen, en de tijd aangebroken, waarop, althans aan de beide
-eersten, verschillende natiën elkander aan ons strand ontmoeten.
-
-Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste tijd is Juli,
-Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op het eind
-van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, onze
-zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen
-bewoond door het oorspronkelijke visschersras,--de visscherskaste had
-ik bijna gezegd,--waarvan het mij altijd verwondert, dat, ondanks de
-voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het type
-zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche
-deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine
-oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den
-zuidwester, met uw blik, die zoo dof schijnt, maar zoo geestig zijn
-kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm vreemden, onder wier
-nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren zoo rustig uw
-bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds zoo weinig als
-het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige parfumerieën
-u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen aard, zelfs al
-verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of al leent gij
-hun, als "badman" en "badvrouw", de hulp van uw gespierde armen. Laat
-hen liever gevoelen dat zij iets van u hebben over te nemen. Want
-waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in zooverre gezondheid de meerdere
-is van ziekelijkheid; gij staat boven hen, zoover als inspanning en
-arbeidslust staan boven niets-doen, leêgloopen en luieren!
-
-Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de dagverdeeling
-van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald ziek.--Hoe
-dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien ik bij nader
-kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden van hun
-werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan een
-verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling,
-nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het
-eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals
-men haar kan noemen,--welk een verfrissching gaat er niet reeds uit
-van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor
-geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt
-zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon;
-van ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken zin
-en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om omtegaan met allerhande
-menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te geven van hetgeen
-men ziet en geniet.
-
-Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan uitoefenen,
-die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk daarboven,
-en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige heuvelen, slechts
-met vaal helm begroeid, als afsluiting van 't landschap! Ginds in
-de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan den horizont telt
-gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de badgebouwen,
-door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan den voet
-der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u misschien
-een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, zijn
-de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch
-van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat
-is daar toch te zien, zou men haast vragen, 't welk het verblijf
-aan zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen
-kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal
-derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben
-om bevolkt te blijven?
-
-Vertoef er slechts één of twee dagen, en gij zult het voelen en
-begrijpen.
-
-Vooreerst doet het de zee, door hetgeen zij niet is. Zij is namelijk
-zóó geheel iets anders dan het tooneel van ons dagelijksch leven en
-werken, dat haar aanblik ons reeds daardoor eene onvergelijkelijke
-verfrissching bezorgt. Zij is niet het land, met al wat daarop groeit
-en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch bestaan op de eene of andere
-wijs is verbonden; ik had bijna gezegd, zij is niet de aarde. De
-gansche zandige, flauwlijnige omlijsting helpt, juist doordien zij
-niets te zien geeft,--niets dan zand en fletse gewassen,--slechts
-mede om dien indruk te versterken. Het vage, golvende karakter van
-alles om ons heen, geeft ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij
-hier niet met menschenwerk te doen hebben; het dichtste bosch, de
-wildste bergpartij doen ons niet zóó volop gevoelen, dat wij alléén
-met "de natuur" zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is vast,
-en de zee is eeuwig bewegelijk.
-
-En de zee treft ons ook wel degelijk door hetgeen zij wel is: door de
-eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn en wolkenschaduwen
-op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels op haar spiegel,
-of het klotsen van de baren vóór, in en na een storm. En is er,
-voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher bekoring verscholen
-in haar eigene gestadige rijzing en daling,--in dien vloedgolf,
-die zoo rustig komend en weer heengaand, getuigt van eene kracht,
-waarbij de felste storm nog niets is? Is daar geen prikkel voor den
-geest van elk die voelt en doordenkt, in al de verscheidenheid van
-kleine aanspoelende voorwerpen,--eene doorloopende tentoonstelling,
-die met elk getij vernieuwd wordt? Kan men open oogen hebben, en niet
-reeds na weinig dagen eenig hart hebben gekregen voor die ongewone
-dier- en plantenvormen, waarmede wij, desnoods onzes ondanks, in
-kennis gebracht worden?
-
-En dan is er eindelijk het sterk sprekende contrast tusschen
-die afzondering en eenzaamheid,--dat uit-de-wereld-zijn, dat men
-hier gemakkelijker dan ergers kan bereiken,--en het bont gewoel
-der badwereld op een paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze
-scherpe tegenstelling, worden wij er ons diep van bewust, dat in het
-leven van ieder menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar
-aanvullende machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit
-geheel het gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij
-slechts willen, ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben.
-
-Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg opgestaan,
-vroeger dan gij 't in de stad gewoon waart;--gij hebt gebaad of
-wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan kijken, of
-wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt gij met
-een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste duinrij
-getogen. De zee is kalm; het is een jour de dame: de zon schijnt
-bijna door de dunne wolken heen. Maar het werken wil niet vlotten,
-en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat t'huis, aanstaanden
-winter, genoeg doen kunt. Het valt u moeielijk, uw blikken van de zee
-af te houden. Indien gij Heine kent, lokt hij u in verbeelding naar
-Norderney; zoo gij Schleiden hebt gelezen, vliegt gij met hem over
-naar Helgoland: wie weet welke andere lievelingsdichters u ongemerkt
-naar fransche, britsche, noorsche kusten heentrekken. Eensklaps
-valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die een pas of wat van
-u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de golven: op haar eigen
-houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit een land waar palmen
-groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een verongelukt schip? Waar
-zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... En gij ziet er
-gindsche visschers, die bezig zijn iets aan hun pink te timmeren,
-eens op aan, hoeveel gevaren het zeeleven meebrengt; en gij krijgt
-sympathie voor hunne avonturen. Onwillekeurig raapt gij af en toe een
-schelp op of een horentje, afgelegde omhulsels van vergane zeedieren,
-die in plaats van inwendig geraamte, slechts deze uitwendig op één
-punt aan hen vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne
-weekheid hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig
-langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een
-rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen
-aan dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft,
-hoe het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt
-eer men het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit
-een gevolg is van de "zoutzure magnesia", die er aan was blijven
-hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en
-hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten
-er het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen.
-
-Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen
-zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de
-pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en
-zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een
-mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne van hebben. Gij
-voelt u minder vrij dan 's morgens, maar hebt daartegenover het
-voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er zijn er bij,
-die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien zoudt,
-stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was 't alleen maar om
-te weten welke taal zij spreken; ontmoetingen, waarnaar gij wenscht, en
-andere, nieuwe, die u misschien boven het hoofd hangen. Gij hebt reeds
-heele, halve, groet- en aanspraakkennissen; en loopen er soms onder,
-met wie gij liever niet tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,--de
-talrijkheid van 't badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg
-om die te ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; 't
-is een prachtige avond geworden en 't blijft licht tot negen uur,
-half tien toe.
-
-Doch eer het donker is, komt er één oogenblik, of liever één kwartier,
-waarin de meeste gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar
-één zij gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is,
-als daar het drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet,
-het oogenblik nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon
-daalt merkbaar; en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij
-haar in het aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare
-verblindende stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten
-afscheid groeten. Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op
-het water. Daar duikt zij onder; nog een klein gedeelte en zij is
-verdwenen. Maar alsof dan plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo
-schitterend rood verft zich de plaats waar zij is neergezonken,--de
-zee, zoo even donkergrijs, wordt paarlemoerwit en de nevelen,
-waarvoor ons Noorden berucht is, doen zich dan eensklaps gelden als
-de luchtgeesten uit een sprookje, en maken van het halve uitspansel
-een kolossalen ongestreepten regenboog. Onwillekeurig zwijgt men. Ik
-ken menschen, die nooit vroom zijn, dan alleen op zulke oogenblikken;
-menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid of redeneering, gewoonlijk
-alle godsvereering van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten
-voor de geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in
-stilte den raad des dichters volgen:
-
-
- Laisse aller ta prière où ton âme l'envoie:
- Ne t'inquiète pas, toute chose a sa voie,
- Ne t'inquiète pas du chemin qu'elle prend!
-
-
-Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na weinige minuten
-verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij.
-
-Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel en sterk,
-als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd heeft. Het
-zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw spraakzaam. Het
-is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de menschen zich
-inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon veranderd. Een
-groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang terug: het wordt
-stiller op het strand en rondom ons, naarmate de duisternis valt, en
-de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij in vertrouwelijkheid
-of in verheffing, min of meer het alledaagsche overschrijden.
-
-Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers huiswaarts naar hun
-grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan iemand vinden,--het
-is een tref, maar als men 't treft, is het een groot voorrecht aan
-een badplaats!--die het gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden
-met een aardigheid; die de kleine feiten van den dag artistiek opvat,
-of een oude anekdote handig weet te pas te brengen; die de kunst
-verstaat, òf om zelf te vertellen, òf om het gezelschap aan de praat
-te brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen,
-dat het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren.
-
-Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche verscheidenheid,
-wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of ander veld
-van eer (om 't even van welke soort) verloren krachten, aan ons
-noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun gezondheid
-hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; en mogen
-zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met nieuwe
-plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch badman
-behoeven te schamen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-EEN KASTANJEBOOM.
-
-
-Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij 't water, staat een wilde
-kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een groote boom, die
-zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals eiken, beuken,
-iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk tusschenbeide
-"nog bloeien ook". De kastanje pronkt zelfs met zijn bloei. Hij
-draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet minder vertoon, dan
-de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich zelven aan ons
-voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er sprake is van
-een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den titel van
-fakkeldrager te voeren.
-
-Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het feest verheugd
-en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer groote boomen,
-die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even nagaan, hoe
-hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te lengen.
-
-Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens eerlijk vragen,
-of gij hem zoudt kennen in den winter, "bij winterdag", zooals
-de buitenlui het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke
-wrong in zijn stam--een wrong als van een reusachtig koord--toont
-wel den kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten
-dien wrong. Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen
-gemeen. Doch wie hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal
-aan zijne groote, breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend
-door de kleverige harst, die ze reeds van den herfst af bedekt,
-en ze, voor het oog en het gevoel beiden, een zeker waas van leven
-geeft, in een seizoen waarin alle overige knoppen er dor en droog
-uitzien. En niet minder opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder
-elken knop zichtbare "kussentje", nl. het litteeken waar het oude
-blad aan den tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan
-de omringende bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine
-stippels, al naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door
-schraalheid, slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men
-heeft hier namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van
-elk blaadje, door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad
-(een zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk
-jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra
-de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes,
-de doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die
-strengen vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van
-een "drievoudig" aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die van een
-"enkelvoudig" eikeblad ééne vinden.)
-
-Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins gunstige
-omstandigheden, de kastanje aan "uitloopen" te denken. Nochtans
-behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril bij, om
-dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20sten "in volle groen"
-te zien staan. De ontwikkeling van het "groen" toch gaat juist
-bij den kastanje ongewoon langzaam: tusschen de eerste teekenen van
-inwendige beweging en den vollen wasdom van het loof moet een geruime
-tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, om het sterke contrast waar
-te nemen tusschen de laatste dagen dat de boom in knop staat, als
-een beeld van volle levenskracht en moed en ijver, en de armzalige
-figuur, die hij maakt in het daaropvolgend tijdperk, wanneer al de
-jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als de ooren van pasgeboren
-lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, meer dan een week voordat
-zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de lange stelen, die in
-den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware blad, dat hen in
-ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter rijzen zij omhoog
-tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn zij uit hun
-eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich uit als
-groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand breed.
-
-En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt hoe zij
-zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij volwassen,
-en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te vallen:
-als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. Het
-zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de afzonderlijke
-bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. Zij bestaan uit vier witte,
-ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der twee grootsten is een klein
-rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim een zeer licht roosachtige
-tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, zooals bij verreweg de
-meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat getuigen de bijen,
-of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige minuten werkens,
-uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren.
-
-In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een krommen stijl
-gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes ontwikkelen. Een
-blik op de honderden en duizenden bloemen doet een goeden oogst
-verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun vollen groei
-bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en October
-een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik maken. Ik
-heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij bereikbare
-boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende vrucht
-open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit
-geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend,
-na te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er
-omgaat binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij
-eerst drie kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee
-groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur
-aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-EEN INLANDSCHE AREND.
-
-
-Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden spreekt, bedoelt
-daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, die zich
-door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de statigheid
-van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid hunner
-woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels verwierven,
-tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge waardigheid,
-en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten van zekere
-"edele" eigenschappen te bezitten. En hetzij men daarbij dan het
-meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den keizersarend,
-(en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de kleinste
-en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men zich
-de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den
-australischen kegelstaart voorstelt;--men meent in ieder geval vogels,
-die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, hazen
-en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm Nederland,
-strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij ze gaan
-zien in Artis.
-
-Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, des winters,
-dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen steenarend
-onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over onze
-vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen eene
-zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,--een uitzondering,
-die door de verbazing welke zij opwekt, den regel bevestigt, dat
-zulke reuzen bij ons niet t'huis behooren. Maar er is nog eene andere
-soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met al datgene wat
-een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls voorkomt:
-de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, in onzen
-tuin opgeraapt.
-
-Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op een, door een
-wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een zoogenaamd
-zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, biezen en
-watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken hun geduld
-geoefend: vijf jongen lagen in het nest. 't Waren leelijke diertjes met
-hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; doch daar zij gelukkig
-niet, zooals Andersen's beroemde zwaantje, onder jonge eenden verdwaald
-waren, maar rustig onder moeders vleugels groot en mooi konden worden,
-hadden zij daar weinig last van. De bescherming van de zijde der
-ouders was intusschen wel noodig, zooals bleek uit het geval met den
-arend. Sinds een dag of wat namelijk, hadden wij hoog in de lucht
-een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls verscheidene minuten
-onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals arenden plegen te
-doen. Een paar malen, 's avonds bij zonsondergang en 's morgens zeer
-vroeg, hadden wij een ongewoon geschreeuw gehoord, dat wij aan dien
-vreemdeling toeschreven; en eens had het gegil der zwanen, die zich
-anders zelden lieten hooren, ons doen vermoeden dat deze met hem slaags
-waren. Daarna merkten wij niets meer van hem; maar een week later bleek
-de onderstelling juist te zijn geweest, daar de indringer dood in het
-riet werd gevonden, op een pas of tien afstands van het zwanennest. In
-huis gehaald en goed bekeken, bleek hij tot de genoemde vischarenden
-te behooren. Zijn kleur was, in het kort gezegd, wit met bruin, in
-verschillende donkere schakeeringen; hij had, als alle roofvogels,
-een krommen snavel en een zeer duidelijk herkenbare blauwachtige
-washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het kruis staande teenen,
-hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme nagels, zoodat men zich
-gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk zijne aanvatting is voor
-zijn slachtoffers. Wat dezen aangaat--ofschoon het in verscheidene
-boeken staat, dat de vischarend zich uitsluitend met visch voedt en
-andere dieren met rust laat, zoo was het toch voor ons boven allen
-twijfel verheven, dat hij het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had
-en toen door de ouden onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van
-"Eendendooder", waaronder een onzer werklieden hem dadelijk herkende,
-bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt mij
-altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb
-ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek,
-maar slanker van bouw.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-EENE LINDE.
-
-
- "Aldaer dat clare water spranc,"
- Daer stont een groene linde,
- Daer de nachtegael sat en sanc
- .........................."
-
-
-De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine,
-rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de
-stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds
-lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist
-heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid--in
-alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers
-gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar;
-men ziet het niet, maar men ruikt het.
-
-Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de
-bloeiende linden, hetzij dan 's avonds, als "de nachtegaal" uit alle
-macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de
-lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik
-alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam,
-laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt,
-de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn
-er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang,
-lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe 't komt dat gij zoo
-onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij
-sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de
-geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke
-vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en
-herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten;
-het is wreed zulk een stemming te storen!...
-
-Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden,
-waarin die geur ontstaat. 't Is klein en flets van kleur: 't is in zijn
-soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan 't ons
-ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek
-kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts
-een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er
-op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen
-bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten
-overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die,
-heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. 't Behoefde slechts
-wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw,
-geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar
-zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet
-meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist
-haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel,
-zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de
-jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer
-goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand,
-buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een
-verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje,
-en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan
-deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. 't Is of het
-vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden:
-het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht
-door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke
-helften. Het adernet is bijna tot in 't oneindige verdeeld, zooals
-vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde
-is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en
-zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander;
-elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke
-takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij
-uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.
-
-Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het
-geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en
-fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der
-menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige
-van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is
-en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem
-te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied
-te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur
-zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk
-door menschenhand herwaarts overgebracht,--lindenbosschen komen
-nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden
-rijp,--is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft
-ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet
-in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar
-in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke
-leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers,
-en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes
-zou verliezen, indien niet rechts of links zoo'n aardig stukje
-lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie
-kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld
-van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij
-verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde [3] vertegenwoordigt
-zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn,
-daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom,
-misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan:
-de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk
-karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet
-ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien,
-opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden
-rusten in zijn schaduw!
-
-In de schaduw.--Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol
-bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze
-bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond,
-was dat hier in het Noorden, "waar men toch al zoo weinig zonneschijn
-heeft", zooveel hooge boomen gekweekt worden, "die het beetje, wat
-er is, nog onderscheppen". Trouwens, op alle italiaansche prentjes,
-met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. "'t Is omdat
-wij den zonneschijn te lief hebben," was zijn uitleg daarvan.
-
-Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts
-onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt,
-dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen
-wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten
-door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op
-de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar
-heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen
-glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is
-des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond
-van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een
-landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. 't
-Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis
-aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in
-welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar
-verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-TAPIJTBEDDEN.
-
-
-Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons prinsesje Pauline voor
-de toekomst toewenschte, behoorde:
-
-
- "Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u henen".
-
-
-De meeste menschen weten dat van de meeste dingen volstrekt niet;
-en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van kleederen bij
-voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af of men iets
-mooi vindt; niet schoonheid, maar "fatsoen" en "stand" zijn daarbij
-vaak de openlijk erkende hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein
-der kleeding behoeven wij ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou
-eenvoudig even praten over het groepeeren van bloeiende planten.
-
-Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren heerschende
-mode der "tapijtbedden" of "mozaiekperken"?
-
-Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend karakter van netheid, stijfheid
-en hardheid, in dit alles niets onderdoende voor een keurig opgemaakt
-schoteltje haringsla. Schitterend rood, helder geel, hard blauw,
-blinkend wit spelen daarin gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen
-zich nog harder dan zij zijn, door de combinatiën waarin zij naast
-elkander geplaatst worden. Het spreekt van zelf, dat indien eenmaal
-zuiverheid van uit bloemen gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke
-contrasten zeer gezocht zijn, om de teekening effekt te doen maken;
-en dat daarbij zekere hardheid bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs
-waar men er in slaagt die te ontwijken, en met fijnere tinten te
-werken dan in den regel het geval is, zondigt men daarbij toch altijd
-in hooge mate tegen de natuurlijke schoonheid der planten, door ze tot
-een vlakken groei te dwingen. De voor mozaiekperken gebruikte gewassen
-zijn veelal dwergachtige planten, die van jongs af voor deze bestemming
-gedresseerd zijn: zij groeien in de breedte, doordien men er bijtijds
-den kop heeft uitgesneden. Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom
-van vormen, die uit een bevallige vertakking voortvloeit; van een
-sierlijk zwenken, buigen, zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was
-zeker geen tapijtbed dat den italiaanschen dichter de gedachte ingaf:
-
-
- Gij vlindertje in de bloemenperken,
- Gij bloem die op den stengel wiegt,--
- Een vlinder is een bloem met vlerken,
- Een bloem, een vlinder, die niet vliegt!
-
-
-Wel verre van tot de gelijke van een levenden vlinder verheven te
-worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een gebruik, waartoe men juist
-zoo goed een hoopje steenen van verschillende kleuren kon bezigen!
-
-Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of kleinere
-parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet raadplegen,
-maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen tuinman
-overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke
-plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog
-wordt, geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend
-materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat
-deze zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien
-zij op eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd
-was. En eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging
-de tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den
-Style-le-Nôtre en de tuinen van Versailles, die zij zoozeer bewonderen.
-
-Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te geven. Doch wat
-aangaat den Style-le-Nôtre, in één geval slechts kan ik mij voorstellen
-dat iemand van beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is:
-wanneer men lang, te lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de
-natuur alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de
-bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan
-door zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst
-in natuurlijke groeikracht. Of wel,--wat geestelijk daarmee gelijk
-staat,--wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als 't geen hij is:
-de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit opzicht
-beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag verwachten. De
-lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel daaruit, dat zijne
-degelijke bewonderaars hem 't meeste prijzen als: "zoozeer in harmonie
-met den bouwtrant" van zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij
-in eene andere grondstof herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus
-geheel ondergeschikt gesteld aan de steen-architektuur. En is dit
-niet juist in tegenspraak met het karakter van tuinen en parken:
-het omheinde lapje grond, waarop de mensch zijn best doet, om te
-midden van de aangroeiende steenwereld der steden iets te scheppen,
-dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld herinnert?
-
-Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden tuinsmaak
-nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht nemen. Na
-eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij machte was,
-den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den edeler inval,
-om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te dringen, en haar
-in overeenstemming daarmede te regeeren. Na Le Nôtre heerschte William
-Kent. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene muren opgesnoeide
-hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak uitgestrekte bloemperken,
-kwam de "engelsche aanleg" met zijne aan de natuur zelve ontleende
-schoonheden, met zijn heerlijke boomgroepen, zijn verrassende
-wendingen, zijn wandelwegen, waarop men zich zoo vrij beweegt,
-en zich nochtans onder de betoovering van echte kunst gevoelt; zijn
-schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen samenwerken aan een
-goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend hoe in betrekkelijk
-zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur zich zoo sterk
-heeft ontwikkeld,--zulk een sprong voorwaarts heeft gedaan van die
-bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap!
-
-Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het mij, als
-onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt te
-willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar
-het oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk,
-in België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de
-liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een
-mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken,
-waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar
-aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een
-aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen,
-tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van
-Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog
-en geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois
-de la Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein
-als b. v. voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan
-onwillekeurig af, of het geheel voor niet is, dat er een poos lang
-een beter wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver
-van Cassel, met zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn
-in hetgeen wij somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de
-mode maar altijd als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen
-zich daardoor zoo duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen
-niet meer durven vertrouwen?
-
-Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: iets van het betere
-blijft altijd hangen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-DE POËZIE VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN.
-
-
-Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen gestemd zijn, indien
-het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de spijzen, die men
-"groente" noemt, op tafel te krijgen, tenzij zij ze eerst met eigen
-fijne handen dopten, sneden, schoonmaakten? Zeer velen noemen dit
-eenvoudig "meidenwerk", dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven
-zij, als 't ware, verheven zijn; en anderen, die er zich somwijlen meê
-belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en daarom onvermijdelijken,
-maar dan toch altijd zeer eentonigen, geestdoodenden, recht prozaïschen
-arbeid, waarmeê zij zoo gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander,
-meer harer beschaving waardig, werk te begeven.
-
-Prozaïsch?--Om te weten of er poëzie schuilt in het een of ander, ken
-ik een zeer eenvoudig middeltje, dat meestal op den rechten weg brengt;
-ik tracht mij duidelijk te herinneren hoe ik er over dacht als kind.
-
-Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog heel goed wat
-ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands knieën
-erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer "zoo mooi"
-vond, die schokken, gaaf en glimmend als glacé-leer, en van binnen
-nog veel zachter dan een lapje zijde. Ik weet hoe aardig ik het vond,
-dat ik ze met zoo weinig kracht kon opendrukken; dat zij juist spleten
-daar, waar die twee stijve, lichtgekleurde randjes elkaar raken. En
-als de schok dan half geopend in mijn hand lag, met de beide helften
-aan de andere zijde nog vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet
-het inzicht op die zeven, acht of negen erwten, ieder met een kort
-wit steeltje, beurtelings op ééne van de beide zijden bevestigd,--die
-zich zoo gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte,
-als "veel makke schapen in één stal". Elk nieuw seizoen bekeek ik ze
-met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, dat een jaar lang
-weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht lichtgroen, hoe
-glad en teeder waren zij, "veel mooier nog dan eene rist matglazen
-kralen", dacht ik, en dat was anders al het mooiste wat ik kende;
-en achteraan herinner ik mij heel goed, iets gevoeld te hebben wat
-ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te denken: zij waren meer
-dan kralen, want zij leefden!
-
-Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik altijd had in
-het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet waar? wordt
-aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan het gewoon
-is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij toeval,
-op een étagère het huisraad, gereedschap, servies onzer ouders,
-in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner afmetingen, weder te
-vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een goed geproportioneerd
-model van een molen of een brug onder de oogen kregen! Zoo troffen
-mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek ze, ik bewonderde ze
-elken winter, met evenveel verrukking als de gelijktijdig aangekomen
-Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel verrukking, plus zekeren
-eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze voorzichtig aanvatte, en
-ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, om te zien of hunne
-kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote bladeren van de
-groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den aanleg hadden,
-maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, "vleeziger" was,
-zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te begrijpen hoe die witte,
-malsche massa, die het hartje van het spruitje uitmaakt, bestemd
-kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof te vergroeien:
-ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, nieuwsgierig tegenover
-het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en gevoelde dat ik voor iets
-dieps en schoons stond!
-
-Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan porselein stengels;
-aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze eerste indrukken
-hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur zoo innig te
-doen liefhebben.
-
-Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met elkander
-gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw kinderjaren?
-
-En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo boeiden,
-thans "prozaïsch" zijn geworden? Is het beneden onze waardigheid
-oog en hart te hebben voor die kleinigheden, als daar zijn erwten
-en hun steeltjes, het adernet van spruitjes, of de haren van een
-raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u immers niet om veel opmerkzaamheid
-te wijden aan pareltjes en diamanten en andere fraaie kleine zaken!--Of
-is het dat wij sinds die eerste jaren reeds zooveel erwten, boonen,
-kool en andijvie-bladen in de handen gehad hebben, dat wij afgestompt
-zijn op het punt van hun belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het
-schoon van hun détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van 't eerste
-erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst
-mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien
-in zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets
-gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen
-jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan
-de meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. Een kind
-voelt onder 't boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een
-boon toch wel voor een ding is; en wij zijn meestal tevreden met het
-praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend anderen
-vóór ons ligt als eetwaar.
-
-Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij zijn er aan gewoon
-geraakt de natuur als onze wettige slavin te beschouwen en hare "ruwe"
-voortbrengselen alleen maar te waardeeren in zoover zij onze zeden
-en gebruiken, onze huishouding dienen. Als een kind een mand met
-fraai gevormde, vriendelijk geschakeerde groenten "mooi" vindt, dan
-is het in denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos
-met speelgoed of iets anders; als volwassen vrouwen van een "mooie"
-mand met sla of rapen spreken, dan is het meestal slechts uit eene
-zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo goedkoop hebben
-weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind geen zorgen heeft,
-de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan aanzien, terwijl men
-later zoo verdiept is in de zorgen voor het onderhoud des levens,
-in het onmiddellijke platte "nut" der dingen, dat er geen greintje
-hart meer overblijft voor hunne schoone zijde? Voor mijne meeste
-lezeressen kan ik die reden niet vooronderstellen.
-
-De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, geloof ik, voor
-de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde ontwikkeling. De
-aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze kindsheid ingaf dat
-"erwten meer zijn dan kralen, wijl zij leven", heeft geleden onder
-zekere maatschappelijke conventies, die ons ten naastenbij wijs wilden
-maken dat kralen integendeel meer zijn dan erwten, wijl kralen in
-'t salon en erwten in de keuken t'huis behooren. En boonen, wortelen,
-augurken "mooi"? Wat "mooi" is, dat beslist immers de mode? "Mooi" is
-een hoed of mantel naar den laatsten smaak, een kostbaar meubel uit een
-van de grootste magazijnen; "mooi" zijn heel veel waarlijk bevallige
-dingen, maar ook b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte
-schilderingen, al deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar
-gebrek aan perspectief. Een groenteblad, dat door een kind bewonderd
-wordt, trekt verder geen opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor 't
-"mooi", maar om te eten.
-
-Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer slavinnen
-geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden?
-
-Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een voorrecht achten
-veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en daaronder ook het
-schoonmaken van groenten, in den regel aan dienstboden te kunnen
-overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer een mand met groenten
-ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens te doorleven wat
-gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer had met uw
-kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. De rijkdom
-der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, met uw
-volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-KORENBLOEMEN.
-
-
- De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans,
- Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans...
-
-
-Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede ten gunste
-van de "noodelooze" bloemen, verdient Ridder Constantijn Huygens'
-nagedachtenis nog eene warmere vereering, dan die zich openbaart in 't
-geven van zijn naam aan eene der meest bloem- en lommerlooze straten
-van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel zeer of hij zelf lust gehad zou
-hebben, daar te wonen. Hij zou ons spoedig mee getroond hebben naar
-Hofwijk, of naar een of ander lievelingspad, waar hij zijn "gestolen
-uren van wandelingh" placht te slijten, waar misschien werkelijk het
-uitzicht op golvende akkers hem het eerst den titel "Korenbloemen"
-voor zijn dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan
-kunst gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten:
-
-
- Hij meent geen' Korenbloem, die Terw saeyt; verr' van daer;
- Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber waer.
- De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder 't Koren,
- Als Gasten, die in 't Mael der Gasten niet en hooren,
- En komen ongenoodt, en schikken zich in 't best,
- En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de rest.
- Men leeds'er wel van daen, maer, soo sij 't Mael verblijden
- Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden.
-
-
-En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een ruikertje korenbloemen
-hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al nagenoeg hetzelfde
-gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog steeds bij
-voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, leeuwenbekken en
-bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, kamille, centauriën
-en klaprozen....
-
-Als er van "glans" gesproken wordt, komen de laatsten zeker wel het
-eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur in de wereld, dan
-dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan afsteken? Zij
-leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, en 't
-roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten zat, zich
-losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die 't beschutte,
-en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden van weer en wind
-overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en derwaats zwerven,
-schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun stengel zaten;... zij
-dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, heb ik wel eens
-hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij vereeuwigd
-door 't penseel van elken schilder die zich min of meer gelukkig met
-veldbloemen inlaat. Denkt u een "jardinière" zonder haar; denkt u
-de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels van
-het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als
-onmisbaar middelpunt?
-
-Intusschen, onder "korenbloemen" verstaat men doorgaans niet
-voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die welbekende bloemhoofdjes,
-in welker buitenste randbloempjes, (welbezien slechts als peperhuisjes
-opgerolde blaadjes), de schoone tint van eenigszins gebroken blauw
-ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam van "korenblauw"
-ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is van oudsher zekere poëzie
-verbonden; als ware het bij overlevering hebben wij ze lief; dat elk
-ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie veldbloem, is daarvan
-wel het duidelijkste bewijs.
-
-Heeft zij dit voorrecht, dit prestige, indien ik het zoo noemen
-mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere bijzondere
-eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat ook een
-aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de gave
-van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in
-haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving
-is zij niets. Als "Centaureae Cyanae" in tuinen gekweekt worden,
-vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking haar
-oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want
-doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of verbastert het
-tot vuil-wit of vuil-paars),--gesteld al, dat de kleur zuiver blijft,
-dan maken zij toch altijd een onverschilligen indruk. Het grove,
-schrale, onbehaaglijke der stengels en der bladeren valt in den tuin
-ieder in het oog; in 't veld verschuilt zich dat tusschen de halmen,
-en alleen de bloemen komen uit "het golvend bosch" te voorschijn.
-
-En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur tusschen rogge
-groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat de zandstreken
-wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de schilderachtigste
-gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan vereenzelvigt zich voor ons
-de schoonheid van de korenbloem met die van het roggeveld.--En dat is?
-
-Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden bodem, bedekt
-met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en gebroken
-door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. Het
-is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen,
-hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van
-een dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de
-geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche
-olmen. Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar
-heerscht om u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging
-brengt. Het is wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon
-zijt daarop meer of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd
-kleine kevers, wespen, torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen
-en vliegen, en voor wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe
-druk zij het hebben. Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in
-en uitvliegt, of de patrijs, die juist, met hare jongen achter zich,
-het ongelijke, half begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is
-de haas, die eensklaps u voorbij schiet, en die u dan veel rosser
-dunkt dan 's winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en
-de menschenstemmen die daartusschen klinken op een afstand. Het
-zijn de halfgekleede kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is
-bovenal uw eigen stemming, het gevoel van ruimte, van frischheid,
-en nochtans van gezelligheid; en het spel van uw eigen gedachten,
-die beurtelings de verte en de diepte indwalen....
-
-Als ge lang zoo'n korenbloem aanziet, dan is het alsof al die blauwe
-buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat tafereel hoe langer
-hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat kleine ding voor u
-de vertegenwoordigster van een der lieflijkste landschappen.... of
-liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat bij eenig kadaster,
-dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er nooit een zal krijgen;
-maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet met het oog van den
-kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-EEN BERGTOCHT.
-
-
-Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis
-naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een
-badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het
-op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde "Sächsische
-Schweiz". Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden
-naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig
-dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij
-Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen
-Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes
-in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename
-herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo
-goed als onbekend is, de "Weckelsdorfer Felsenstadt".
-
-Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap
-had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel
-moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten
-op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven
-aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die
-voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was 't heerlijk dat
-er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden
-bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de
-plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was
-voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil
-en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd
-zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna
-allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om "die Felsenpartie zu
-machen". Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte
-logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die
-wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en
-levendig, de kamers hadden zoo'n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo
-lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te
-goed aan een bord oostenrijksche soep;--onze leidsman had moeite om
-ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: "Nu eerst naar de
-rotsen,--het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag
-staan, als wij ze goed zien zullen." Het aangenaam vooruitzicht
-van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons
-eindelijk gehoorzaam meegaan... naar "de rotsen".
-
-Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur
-afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons
-uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij
-ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch
-achter den rug hadden, zouden wij van zelf de "Felsenstadt" in het
-oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk
-verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene
-zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks
-tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen,
-hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren
-met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen
-van het hout loonde de bezwaren van 't vervoer niet; en ook voor de
-jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in
-oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben
-aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid
-hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan "de Hussieten"
-toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote
-rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk
-ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas.
-
-Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze
-geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen
-kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken
-harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag
-slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor
-toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de
-lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend
-heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan
-over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het
-water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden
-van jaren daar ongestoord aan 't werk waren geweest, hadden deze
-rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er
-doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen;
-en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren,
-vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden,
-er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest,
-dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel
-gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer,
-geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten
-en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het
-vertoonen van de "Felsenstadt" aan beëedigde gidsen verpacht,--en op
-aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega's,
-neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe.
-
-Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het
-echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft
-zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een
-boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op
-een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje
-beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken;
-klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift,
-(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op
-de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof
-hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat
-Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden,
-ter wille van een echo,--aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de
-menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste
-gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is
-en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is
-schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes,
-brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van 't landschap bij:
-hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de
-donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons
-allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij
-volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan
-moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging
-van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de
-meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. "Daar
-zijn de koornzakken,"--werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen,
-"daar zijn de kazen", daar is "de kroon", "de wandelende pelgrim",
-de "reuzenharp", de "schoorsteenveger"; ginds in de hoogte zit
-"de broeiende kip." Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder
-aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen
-verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo
-teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. "Kijk," riep eensklaps
-een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen:
-"daar staat Erasmus boven op dien top." "Sanct Johan von Nepomuc,"
-zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis,
-en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die
-botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het
-is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon
-van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man
-met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over
-het land uitgestrekt,--spreekt het niet van zelf, dat men hem als
-den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt
-echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit,
-dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien "der Uhu", de uil,
-heet!)--Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: "de wachtende
-rotsbruid". Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij
-zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal
-in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend
-wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk
-van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten
-hals in de verte naar iets uitziet.
-
-Weldra kwamen wij aan het "rotsamphitheater", een halfrond dal,
-dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet
-denken; in den somberen "grafkelder"; en eindelijk in den "Münster",
-een prachtige grot, waar de tonen van 't genoemde orgel, ofschoon
-zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren "de
-lentetuin", met zijn frissche varensvegetatie, en "Italië". Dit laatste
-heet nl. zoo, in tegenstelling van "Siberië", een kille kloof, waar
-nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw
-ligt;--daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme,
-rondom beschutte, rijk begroeide "Italië". Eerst tegen 't vallen van
-den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze
-wandeling ten einde. Bij den ingang--thans voor ons den uitgang--stond
-een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen,
-bestemd voor "welkom t'huis"; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee
-ze allen prijkten: "Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein." Vóór de
-deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk
-zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als
-ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er
-een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes
-tot stand:
-
-
- Wie zien wil, hoe een schutspatroon
- Ontzag wekt en vertrouwen,
- Lette op Johan von Nepomuk,
- Door de eeuwen uitgehouwen.
-
- Wie voelen wil, wat wachten is,
- Trots tijd, en storm, en regen,
- Zie opwaarts naar de Steenen Bruid,
- En vraag haar stillen zegen.
-
- Wie weten wil hoe grillig-grootsch
- Natuur zich kan vertoonen,
- Betreê de Weckelsdorfer "Stadt:"
- Het zal de moeite loonen.
-
-
-En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid
-van deze zonderlinge rotsen mochten komen.
-
-Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden
-morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij
-Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door
-de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de
-Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid
-aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het
-begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange,
-eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die
-daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten
-te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige
-ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven
-tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en
-wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en
-te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich
-niet verwonderen dat de namen: "lange Gasse", "Prager Jesuïtengasse",
-"Breslauer Wollmarkt" enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn
-gekozen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-OUWERWETSCHE BLOEMEN.
-
-
-In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet ik een hofje, waar
-ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar keeren naar toe ga,
-om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten naastenbij als alle andere
-hofjes. Ofschoon midden in eene zeer volkrijke buurt gelegen, is het
-als een zinnebeeld van rust en stilte. Als gij er binnen treedt,
-en de zware ijzeren deur achter u toevalt, gevoelt gij u in eene
-kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van de groengeverfde
-deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de gordijntjes,
-zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon bestemd te
-wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige plooi:
-zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als de rimpelige hand,
-die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het loslaat. De katten
-sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de lijsters in de kooien
-schijnen zich onder dien invloed te voelen. De mijne zingt altijd:
-"Wat wil je nou liever als vrede?" zeide mij eens een oud vrouwtje;
-en ik moest erkennen dat althans "de maat precies uitkwam." Eerlijk
-gezegd, het is er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens
-tachtig jaar zal moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal
-kunnen vinden. En als ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk,
-en mijn gezichteinder verruim door het marktplein te zoeken,--dan haal
-ik diep adem, en word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn
-grootere en kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende,
-kleingeestige menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de
-dorre menschen, die aan onze fantazie haar goed recht van bestaan
-en ontwikkeling betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten,
-die ons trachten op te dringen dat de zonneschijn van het leven zijn
-nevelen niet waard is... ik toch de wijde wereld nog niet moe ben!
-
-Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de tijdrekening
-aangaat, scheidt de poort van 't hofje hetgeen daarbinnen van hetgeen
-daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een berijmd opschrift,
-uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks 150 jaar gesticht
-is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het drievoudig
-doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te vereeuwigen,
-en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De bouwtrant
-en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich ook
-in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd
-heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de
-neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze overgrootmoeders
-lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij spreekt u ook toe
-uit de bloemen, welke daar bij voorkeur gekweekt worden.
-
-Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij tegenwoordig in Holland
-nog een "juffertje in 't groen" (Nigella Damascena) vinden, met het
-lichtblauw deel harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen;
-of een "kooltje vuur" (Adonis autumnalis); of, om in dezelfde kleur
-te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem (Lychnis
-chalcedonica), in de wandeling "Konstantinopel" genoemd? Wie anders
-kweekt nog als sierplant "bernagie" (Borago officinalis), met zijn
-stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in
-de weelde van er "gouden knoopjes" op na te houden? Waar anders dan
-misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een "tuinder," die
-zich bepaald op de klandisie van de oude vrouwtjes toelegt, krijgt
-men zulk een rijkdom van schitterende duizendschoonen en welriekende
-violieren te zien? Waar anders speelt de balsamine zulk een groote
-rol? Ik meen èn de enkele, de klimplant, èn vooral de oost-indische
-balsamine, met haar dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels
-van een hyacinth rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt,
-terwijl een bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt.
-
-Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed te doen aan
-den geur der muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), wier geel mij nergens
-zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo fluweelachtig
-toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het vierkante
-middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in plaats van
-gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de randjes van
-grasanjers in bloei; en dan staat op de rekjes voor de ramen, tusschen
-een aantal kleine potjes met Sedums en Cacteën, een groote "ruiker"
-ranonkels in een glas water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen
-vaasje. Ruiken doen zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de
-gedachte voor de hand ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te
-maken zouden wezen; maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder
-eenig temperend groen er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd
-sieraad zoo binnen als buiten het venster der bestjes. Die rekjes
-zijn dan verder gevuld met maagdepalm en bakkruidjes (de oudste
-soort van Primula veris); en zoo er soms een maandroos bij staat,
-dan is die stellig tegen een paar latjes opgebonden.
-
-Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het dan juist
-niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna ieder
-raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit zou
-kunnen noemen, en wat ons af en toe een: "wel, is dat nu een... (dit
-of dat)"? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met vreugde, hoe ik
-daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem bespeurde, en mij
-verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen naam. Blijkbaar
-heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van zeer smalle
-blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een doornenkroon
-doen denken; en is men daarna in de andere inwendige bloemdeelen
-het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. Hieraan
-ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die haar
-in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij
-in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef steeds een
-kasplant. Dat ik haar op het hofje ontdekte, was dan ook door een
-bijzonder fortuintje. Zij was het eigendom van een vrouwtje van
-brabantsche afkomst, die haar plant zóó geleid had, dat die een
-soort van nisje vormde, waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als
-éénige roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven,
-hield zij die stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien
-achtermiddag, trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald
-"voor een verfrissching".
-
-En als men dan den blik weer van de vensters naar den algemeenen tuin
-wendt, kan men daar kennis maken met de akoly (Aquilegia vulgaris),
-met vijf spoortjes, op de wijze als oost-indische kers er een
-heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde van den dag was, toen de
-rederijkerskamer "De witte Akelye" een "zinnespel" vertoonde, ter
-eere van ik weet niet recht welk voorval in den "prinsentijd". Daar
-staan ook in al hare bescheidenheid de "menniste zusjes" (Saxifraga
-umbrosa), wier ondeugende naam mede aan een vroegere periode doet
-denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke politieke rol
-speelden in de dagen der "Oranjeklanten". Onder den grooten pereboom
-in 't midden, die ouderwetsche peren voortbrengt,--even geurig als
-menige groote, nieuw veredelde,--groeit en bloeit een struik (Rubus
-occidentalis), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die men
-"kaapsche framboos" noemt, en ook zeldzaam elders meer aantreft; aan
-gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in het najaar
-zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den titel van
-"Judaspenningen" in de zon gedroogd zullen worden. Ook worden daar
-"steekneusjes" (Agrostemma coronaria) gekweekt, en wijnruit, en
-rosemarijn, en een soort van salie met afwisselend roode en blauwe
-schutblaadjes. Ik zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders
-toch aan dien zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen;
-namelijk of en hoe dat samenhangt met de Salvia officinalis, welke
-in de middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat
-een latijnsch spreekwoord luidde: "Waaraan zal een mensch sterven,
-die nog salie in den tuin heeft?"
-
-Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt zijn?
-
-Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat zij hier niet
-"aarden wilden".--Maar dat kunnen niet de éénige redenen zijn. Een
-bejaard bloemist zei eens: "Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er
-aan een plant wat te veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra
-men daar geen kans meer op ziet, raakt zij er uit." Ik geloof dat
-daar veel waars in is. De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten
-te leveren, maakt de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het
-dankbaarst leenen, hebben voor een tijd den boventoon.
-
-Doch op die wijze wordt het aantal der "in den smaak" zijnde bloemen
-zeer beperkt; en wie waarlijk Flora liefheeft juist in hare eindelooze
-verscheidenheid, dient zich dan schadeloos te stellen door af en toe de
-"verouderden" in hare schuilhoeken op te gaan zoeken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-AUGUSTUS.
-
-
-Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en geschiedkundigen
-voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van zouden leveren;
-maar in mijn ooren doelt de naam Augustus voor onze achtste
-maand steeds daarop, dat de volle majesteit en heerlijkheid van
-'t zomerleven zich om dien tijd van 't jaar het meest in al haar
-omvang openbaren.--Juni heet zomermaand; maar "voor den langsten dag
-krijgen wij geen warmte", is eene in onze volksovertuiging opgenomen
-zekerheid.--Thans, op 't eind van Juli, is de warmte eindelijk
-gekomen.--De wind is oostelijk; de barometer teekent "bestendig"; het
-"laat zich aanzien dat wij--("met de nieuwe maan", voegen sommigen
-er bij)--het mooie weer een poosje zullen houden." De natuur rust op
-haar lauweren van het groeien; de zonneschijn heeft nu slechts voor
-het rijpen te zorgen.
-
-Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen namiddag. Gij hebt
-u verscholen in de schaduw. Het diepe groen der iepen en der linden
-komt te rijker uit, sinds het wordt afgewisseld door de frisscher tint
-der jongste loten. De lucht is helder. Nu en dan snort u een hommel of
-een juffertje voorbij; of een wielewaal vliegt van den eenen boom naar
-den anderen, met de schalksche, zangerige vraag: "Klinkt mijn liedje
-niet goed?"--De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, zoodra gij
-u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij zich
-in 't gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt niet veel,
-maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe handen
-buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van rust
-in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... Dikwijls
-komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige geest
-gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er aan
-die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd.
-
-Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in aangenaam
-gezelschap,--ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, niet slechts
-het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het bereik van
-elkaars stemmen....
-
-De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich voorgesteld hebben
-den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. "Van den zomer"
-zullen wij dit doen, en tot "van den zomer" zullen wij dat uitstellen,
-heeft men elkander reeds sinds maanden hoopvol toegefluisterd: en al
-die bezielende, veelbelovende plannen doelden op die lange dagen,
-die voor zeer velen, te beginnen met de schoolkinderen, een korter
-of langer vakantie, verlof, of "komkommertijd" mee plegen te brengen.
-
-Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een aantal menschen
-met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig feest, waarvan
-de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte de uitvoering
-zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer verheugd heeft,
-als zij eindelijk dáár is, ronduit gezegd, maar al te dikwijls
-tegenvalt? Dat de één veel tijd besteedt aan plannen, om zich het
-schoone jaargetijde het aangenaamst te maken, en nochtans tot geen
-recht genot kan komen; en een ander, zij het dan ook met een beetje
-schaamte, moet erkennen, dat hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm
-en rustig, gezellig, "comfortable" en pleizierig vindt?
-
-Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd
-verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij voor velen
-eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de meeste
-Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu
-toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne
-"onbestendigheid", zijne "guurheid", en het geringe aantal schoone
-dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt naar warmte, en... als
-dan op eens de thermometers zijn gerezen, beklaagt men zich daar al
-heel gauw nog meer over, dan te voren over de kou.
-
-Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, beschaafde
-Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming het
-schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede vieren?
-
-Ik denk het allereerst aan onze dag- en nacht-verdeeling. Hoe zijn
-wij er toch toe gekomen om, wonende op een breedtegraad waar zulk een
-groot verschil is in zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven
-nagenoeg het gansche jaar door één tijdsverdeeling te behouden, en
-wel een die het beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel
-toch der beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de
-zon in Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s'avonds,
-ook in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou
-kunnen noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn
-volle waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste
-uren te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden,
-de warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al
-zwoegend doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een
-handjevol genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag "zoo
-kort", en het afscheid van de zon "reeds" dáár is, met kunstmatige
-verlichting den tijd in te halen dien men des morgens heeft bedorven?
-
-Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, dat het
-weder al "heel mooi" moet wezen eer wij ons met genoegen in de vrije
-lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin zooveel beter ingericht
-op koude dan op warmte, op zomer-morgens dikwijls meer tobt, mort,
-zich over de natuur beklaagt,--dan op den guursten Novemberdag?
-
-Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van menschen, het
-grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, besloten
-tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens weer
-straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den zonneschijn op
-hunne ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de zon met eigen oogen
-te zien op- of ondergaan. Is 't wonder, dat voor velen hunner de zomer
-geen genot is, en dat zij,--misschien zonder het te weten,--hem daarom
-liever maar voorbij wenschen, omdat er dan sprake is van een vrijheid
-en een vreugde, die voor hen toch niet schijnen weggelegd te zijn?
-
-Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van arbeid,
-die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche volken
-bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot de zoo
-noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor ook de
-naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur ontrooft. Is
-het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, indien hun
-werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar onafgebroken
-kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde omgeving
-doet wenschen?
-
-
-
-Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer velen dwaas en
-"overdreven" dunken; dingen onnatuurlijk noem, die men door de kracht
-der gewoonte normaal is gaan vinden; zinspeel op idealen, die ik op
-het oogenblik evenmin in praktijk kan brengen als gij.
-
-Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe ik elken zomer,
-als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de aantrekkelijkheid
-van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik daarbij telkens weder
-aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit weet ik dat genoemd
-klimaat zich niet naar ons zal schikken; en dat wij dus het wijst
-zouden doen met ons naar zijn veranderingen, zijn nukken en grillen
-te regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen
-zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid
-zoo onkwetsbaar mogelijk te maken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-BLOEMEN LANGS DEN WEG.
-
-
-Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer's lief heldinnetje de kunst
-van "kruuzemunt"-zoeken na te doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het
-met den neus gaan zoeken; evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke
-kleine paarse lipbloemen, die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie,
-dat men de blaadjes slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat
-hun groei aangaat, heeft men slechts aan een doovenetel te denken...
-
-"Al die Munt en al dat Penningkruid langs de publieke wegen," zei
-laatst iemand op een wandeling, "is maar een bespotting van den armen
-drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn zak."--"Ja,
-als je daaraan wilt beginnen," hervatte een ander: de Sleutelbloem
-past op geen enkel slot; en wie den Helm voor hoofddeksel wou
-gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd moeten hebben."--De
-aardigheid was aanstekelijk, en de voorbeelden liggen slechts voor
-het oprapen. "Aan het Vuurkruid", viel een derde in, "kunt ge niet
-ééns een sigaar aansteken: waarvoor dient zoo'n ding dan?"--"Onder
-al de Violen en Vioolachtigen is er geen enkele, waarop men, al was
-'t ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen spelen."--"De
-meeste Paddestoelen zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs voor
-een pad."--"De kammetjes van 't Kamgras kunnen nooit een kapper van
-nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als Salomo, in zijn tijd,
-niet heel wat anders dan een Convallaria als Zegel gebruikt had."--"Al
-die Slangenkoppen en die Addertongen, waarvan het, naar men zegt,
-in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een
-duinwandeling geven..."--"Is waar, 't is wel wat erg; en als gij
-ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig, een broodje
-met Ossentong bestelt, en de knecht u met een ruwbladerig plantje aan
-komt dragen, dan ken ik u volkomen het recht toe, om hem een uil of
-een brutalen spotvogel te noemen!"
-
-Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke namen. Wat
-dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers,
-Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren,
-en Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen,
-waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen
-over den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij
-herdersbeursjes vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat
-van de eene of andere Philis te bergen!--Soms is er aan die wilde
-planten een legende verbonden, en dan heeten zij naar den eenen
-of anderen heilige; soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij
-voorbeeld die van "kamperfoelie", blijkbaar verbasterd van het fransche
-"chêvre-feuille"! Soms weer zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van
-"duivelsgaren" voor verschillende zeer lastige slingerplanten.--Doch
-hetzij hun zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze
-mooi mogen vinden of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven
-altijd veel liever dan de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de
-bedoeling van de tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet
-zoozeer is om meer geleerden te vormen, als wel om in alle menschen
-meer oog en hart voor de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan
-moet op de populaire wetenschap ook niet door latijnsche terminologie
-een te "geleerde" stempel worden gedrukt. En indien een groot aantal
-plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog toe
-het "volk" ze, als van geen bijzonder praktisch belang, onopgemerkt
-voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk niet, ze een
-volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door botanisch
-onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet dood,
-verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar! Indien
-de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of
-andere zijde verruimt, moet zij--de taal--dan niet meegaan en zich
-voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij hun
-latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders;
-de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen
-op na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het
-levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van Herderstasch. Ziet
-eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de oude Dodonaeus het
-voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus uitteekende,
-en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik, en aan de
-andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen karakteriseerde:
-
-"Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in 't eerste uyt syne wortel
-sommighe langhworpighe bladeren, rondsomme diep gekerft,--langhs der
-aerden verspreydt; daer nae krijghet dunne; somtijds veelachtighe
-recht op staende steelkens, in andere zijd-steelkens dickwijls
-verdeyldt, met dierghelijcke, maer kleynder bladeren beset; op het
-top van dewelcke kleyne witte bloemkens voordtkomen, gheschicktelijck
-gevoeght: als die vergaen sijn, komen daeraen kleyne, platte, kantighe
-hauwkens, bij haer steelken oft aen haer oorspronck wat smaller en
-wat meer ineenghedrongen dan nae bovenwaerts, waer zij breeder zijn,
-kleyne borsekens oft teskens eenighsins ghelyckende, nae de welcke
-dit cruydt synen naem voert. In de teskens steeckt het saet.(!) De
-wortel is langhachtigh, wit, met sommighe veselinghen.--Het groeyt,
-bloeyt, ende maekt syn saet ryp den geheelen somer door."
-
-Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten zeggen. De
-voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn verdwenen
-en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten; maar
-de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille;
-en de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid;
-en de basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in
-open plaatsen tusschen het hakhout; en hoe meer men er op let, hoe
-meer verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels
-in de weide glinsteren, dan zijn 't, in plaats van madeliefjes,
-witte klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur
-vergoedt meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een
-handvol van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering:
-misschien vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij
-weet,.... dat brengt geluk aan!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-DE LOTOS.
-
-
-Onlangs had er een botanisch verkeerd à propos plaats zooals heel licht
-gebeuren kan, wanneer twee of meer planten, in den loop der tijden,
-aan denzelfden naam gekomen zijn. Het was tusschen een geleerde, die
-zich nooit veel met bloemen ingelaten had, maar des te meer met oude
-dichtkunst, en een dertienjarig meisje, dat juist dezen zomer, als
-H. B. school-leerlinge, haar eerste veld liep op plantkundig gebied.
-
-"Je hebt het tegenwoordig zoo druk over planten," zei de doctor in
-de letteren; "maar weet je wat ik graag eens zien zou: een Lotosbloem."
-
---"Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze niet?"
-
---"Ze zouden mij zoo interesseeren om de poëzie, die er aan is
-verbonden. Je denkt dan zoo om een stil waterlandschap met een
-weelderigen plantengroei bij maanlicht." En hij vertelde een en ander
-van de "Lotophagi, de veelbebesproken Lotoseters", en beweerde dat
-hij er zelf wel eens even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou
-willen wezen.
-
---"Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of schapen," schertste
-'t meisje; "menschen zullen ze toch wel niet eten."
-
---"Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze waarschijnlijk nog wel."
-
---"Ik ga er een halen," besloot zij.
-
---"Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?" vroeg hij lachend.
-
---"Neen, vlak bij uw huis."
-
---"Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht bij" mompelde hij
-ongeloovig. En halfluid reciteerde hij:
-
-
- "Die Lotosblume ängstigt
- Sich vor der Sonne Pracht,
- Und mit gesenktem Haupte
- Erwartet sie träumend die Nacht."
-
-
-Binnen weinige minuten was zij terug met een plantje van een paar palm
-hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en fraaie botergele bloempjes.
-
---"Is dat een Lotos?" riep de doctor, "'t Lijkt wel een gouden-regen!"
-
---"Een gouden-regen!" herhaalde nu het meisje op haar beurt, met al
-de verbazing van iemand, voor wie zóó'n vergissing sinds zes weken
-een onmogelijkheid was. "'t Is een Lotus corniculatus, een gehoornde
-Rolklaver."
-
---"Nu, dan zal ik het voortaan voor jou plezier een land-Lotus noemen,
-juffrouw Flora," eindigde de litterator vriendelijk.--Maar wat hij
-had wenschen te zien was een Nymphea-Lotus, dat sieraad van den Nijl,
-die met hare indische zuster, de Nymphea Nelumbo, als "Lotosbloem"
-zulk een voorname rol speelt in de aloude poëzie van Indië en van
-Egypte. En hij verhaalde daaromtrent verscheiden mythen en legenden,
-die haar lieve oogen deden glinsteren.
-
-
-
-"Mijnheer," zei twee maanden later juffrouw Flora, zooals hij haar
-sedert dien tijd voortdurend noemde, "nu weet ik waar u iets te zien
-kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! In den Amsterdamschen
-"Hortus" bloeit de Victoria regia. Ik heb er een prent van gezien,
-en dacht dadelijk aan uw indische vertellingen."
-
---"Welnu, dan zullen wij er samen eens heengaan. Wat wil je liever:
-bij dag, of bij avond met gaslicht."
-
---"Neen, bij dag!" koos haar rein instinkt; "'t is wel waar,
-zij bloeit het mooist bij avond, maar bij gaslicht, dat vind ik
-zoo.... onnatuurlijk."
-
-Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij op klaarlichten
-dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als een leeuw in
-zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in roodachtigen
-toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou verwachten. En
-men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. Een was er
-omgedraaid, opdat men 't sterke adernet in oogenschouw zou kunnen
-nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een jongen
-van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de bloemen
-met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn een
-gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.--En eer zij
-uit den Hortus gingen, waren hun ook dadelpalmen, suikerriet, een
-koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, al hetwelk
-zeer hunne belangstelling opwekte.
-
-Toen zij 't hek uit waren, zwegen zij beiden.
-
-"Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen land zien," zei
-het meisje het eerst.
-
-"Ja," antwoordde de dokter, "'t is heel mooi voor de wetenschap,
-zoo'n inrichting; maar je waardeert de planten eigenlijk maar half,
-als ze zoo uit haar element gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat
-de Victoria op een Lotos lijkt, maar het wou mij toch niet lukken
-om mij in zoo'n kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges
-te verplaatsen."
-
-
-
-In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een
-buitenpartij. 't Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog zich.
-
-"Juffrouw Flora," zei de dokter, haar op den schouder tikkend,
-"ga eens even mee: ik heb wat moois ontdekt." En langs een paar
-verborgen paadjes troonde hij haar mede naar een open plekje in het
-bosch, waar zij eene kleine watervlakte in het oog kreeg, 't Was een
-verlaten vijver, die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had,
-maar thans geheel aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste
-gedeelte was hij door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde
-kastanjes en een treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans
-het licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide
-riet, zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en
-staken gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en links bloeiden,
-nauwelijks zichtbaar, Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever.
-
---"Ziet gij wat daar drijft?" vroeg hij, terwijl zij van de helling
-op het water nederzagen.
-
---"Ja, Nymphaea's, gewone witte waterrozen, Victoria Regia's in
-'t klein!" voegde zij er glimlachend aan toe.
-
---"Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat Lotosbloemen moeten maken!"
-
---"Maar die zijn zooveel grooter en hebben lange dunne stelen, en
-ontsluiten zich eerst 's avonds," bracht het meisje, dat intusschen
-meer geleerd had, in het midden....
-
-Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar dezelfde
-uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee deze
-bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde bladeren rusten,
-die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken....
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-ONS WIER-EILAND.
-
-
-Allen die zeggen--en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen 't
-daarom niet--dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten
-het bereik van spoor en stoomboot, ("van de gewone touristen-route
-af", zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche
-eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen
-telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het
-stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo
-kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op
-zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar
-Vlieland, Terschelling, Wieringen...
-
-Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois
-voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op
-een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap
-heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het
-Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de
-velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij "La Belle
-Alliance". Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas
-de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich
-plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen
-niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes
-gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als
-de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons
-aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten
-kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee
-uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het
-geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is
-betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur
-gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een
-uur of wat zijn strand; zoo is 't gegaan sinds honderden van jaren,
-en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.
-
-Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van
-eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van
-verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in
-zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een
-kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland,
-dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts
-een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog
-punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk
-anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij
-hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine
-zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel
-doordrongen van 't bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u
-van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen,
-de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u
-heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug
-houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt,
-gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven
-boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! 't Is hier
-volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait;
-gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de
-wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven,
-zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats
-van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet
-gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te
-midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan
-meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in
-'t weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst,
-en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre
-de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de
-hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij
-aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op
-het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen,
-of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet
-zoo'n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar,
-dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar "nou" en "hoor",
-en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast,
-met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen
-niet ongemoeid laat,--men zou zich in een zuidoostelijker deel van
-ons land wanen!
-
-Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen
-te blijven. "Op een eiland te zitten", is op zich zelf voor
-negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is
-niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling
-en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of
-verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat 's lands regeering er ook zoo
-over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd 't geschiktste
-punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen
-waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal
-af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen
-zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een
-kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan,
-uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf
-dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever,
-te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi,
-de rotganzenvangst en de wier-industrie.
-
-Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen
-wou schrijven.
-
-Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige
-plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug
-van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de
-zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier
-eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen
-eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische
-verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het
-plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima),
-dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door
-verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen.
-
-Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg--met de
-postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna
-Paulowna-polder afvaart,--landen wij aan de kleine havenplaats, de
-Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het
-hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het
-langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor
-'t grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed;
-somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen;
-deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde
-knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze;
-en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen
-dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen
-hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant.
-
-Zoo wij nu dicht bij 't eiland komen--en wij moeten er een eind ver
-langs zeilen--rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa
-is, waar wij tegen aankijken, "'t Lijkt de krijtkust van Engeland wel,"
-oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten
-van "dien hoogen wal met loodrechte spleten". Om met dit laatste te
-beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte
-der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier
-voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds
-zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter
-bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in
-deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die
-dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het
-eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt
-beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust
-van "Albion" deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier!
-
-Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot
-eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten
-tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden,
-en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen
-met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit,
-en daarbij zijn zij trouwens 't best te vergelijken. Hun overeenkomst
-met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde
-kleurverhoudingen: dààr heeft men te doen met oorspronkelijk wit
-krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten
-slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een
-zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk
-lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en
-Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen
-lapje tapijt over den grauwen muur afhing!
-
-Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,--de aanlegplaats aan de Houkes is
-juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een
-ander schip ingenomen,--komen wij aan wal, en bij den eersten stap
-vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen
-bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot
-het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks
-aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,--altijd weer met "wier",
-(met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo
-maar blijven noemen). 't Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop
-wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist
-bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen
-met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk
-af,--want het wortelt in den bodem der zee,--en verzamelen het zoodra
-het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte
-voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard
-bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen,
-te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het
-natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.
-
-Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die
-het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak
-daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld
-en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van
-den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en
-geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het
-verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename
-eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de
-velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg
-wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten,
-want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht,
-die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde
-visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het
-onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen,
-waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij
-men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.
-
-Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag:
-wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij
-achteruitgaat, dat "het vet van den ketel is", en dat er weinig
-of niets meer aan te verdienen is, wegens "de hooge pachtgelden"
-en "de groote concurrentie". 't Zal allicht waar zijn, dat er
-persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de
-geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor
-betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust
-heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje
-van nijverheid niet kwijnt.--Doch ons is het niet om de statistiek,
-maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en
-dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart
-wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in
-geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen
-vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van
-het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel
-groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt:
-veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij
-elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook
-beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en
-verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet
-ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt;
-weldra zal het bij een koopman "in drogerijen en verfwaren" terecht
-komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-NAJAARSBLOEMEN.
-
-
-'t Is September; en uw tuin, die in de laatste weken misschien
-wat had geleden, hetzij door de hitte der hondsdagen, hetzij door
-de Margriet-regens, of door de stormen, die doorgaans het ernstige
-korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol bloemen. Maandrozen
-hervatten met moed haren bloei; en onder 't lage zaadgoed ziet ge
-menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, om mee te werken
-aan de opgefrischte decoratie.
-
-Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de Phlox
-Drummondi. Phlox, Vlambloem; volgens haar naam dient zij rood te wezen,
-en dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende
-de laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er
-takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis
-waarin men van "roode" kool spreekt, ook het zachtste en zonnigste
-rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het donkerste
-amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert hier en
-daar in volle reinheid een groepje witte; en de overgangen vormen
-de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er bovenop ligt;
-soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de lichte),
-terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van fluweelachtigheid
-hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje op ontdekt. Een
-en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe dun de roode,
-witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun bouw veel meer
-samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een weinig moeite
-kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van het overige
-weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar doorschijnend;
-en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de tint der
-daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is een
-hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer eene
-ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen één
-iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene Phlox lijkt. Vijf
-ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf blaadjes kunnen
-doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste organen zijn
-verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig maken, maar hij
-den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend ledig voor
-kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model voor "een
-bloemetje" bij uitnemendheid; doch hoeveel wonderlijke konterfeitsels
-er ook van gemaakt mogen worden, in werkelijkheid zijn zij daar niet
-minder mooi om.
-
-Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de struikachtige
-overblijvende soort,--in 't grooter, zwaarder, steviger, geheel op de
-Ph. Drummondi gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men
-beproefd uit Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien
-zij nergens in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd
-jaar geleden [4] aanleiding tot de volgende merkwaardige opmerking:
-
-"Indien het eerste Oir van alle gewassen in 't Paradijs gevormd
-ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is geweest, zoo zou het zeer
-onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden over den Aardbodem, deze
-Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan in Noord-Amerika alleen;
-terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van een dergelijk klimaat
-en grond."
-
-(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens te lezen
-hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en schreef.)
-
-Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, behoort de
-Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig gezind. 't
-Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het voornaamste
-sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger soort. Zij
-houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en bloeit
-heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen zij,
-tweehonderd jaar geleden, reeds "in de tuinen der liefhebberen als
-een gemeen gewas bekend" stond. De tijd van hare invoering (juist
-niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet precies meer te bepalen,
-en zij schijnt dan ook in het minst geen bezwaren tegen ons klimaat
-te hebben. Gij plant haar in het voorjaar aan den ingang van een
-prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij licht en water genoeg heeft, en
-behoeft haar overigens volstrekt niet te helpen; en binnen weinig weken
-is zij boven, en hangt u van het dak van het prieel af toe te knikken,
-dat het een lust is om te zien. Hoe zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk
-heeft aangelegd om zich omhoog te werken? Hoe men ook onderzoeken moge,
-er is aan haar gladden stengel geen spoor van hechtworteltjes, zooals
-aan de klimop, te ontdekken; en ook nergens ranken of klawieren van
-eenigerlei soort. Ach, zij heeft die niet noodig. Zij is zoo vlug,
-en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare bladstelen, waarmee zij zich
-behendig telkens aan den eersten steun den besten vasthoudt, om dan
-dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij zien dat aan met al het
-welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt praktische, redzame lui bij
-hun arbeid bespieden, die met geringe middelen en weinig gereedschap
-toch altijd weten klaar te komen,--in tegenstelling met het heir van
-slechte schrijvers, wie het altijd weer aan inkt en pennen, en van
-onbeholpen naaisters, wie het altijd aan haar naalden hapert!
-
-Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte bloemen
-voortgebracht: Kapuzinen noemen ze de Duitschers, wegens den vorm
-van den gespoorden, gelen kelk, die aan een middeleeuwsche kap doet
-denken, zooals waarmede men vaak monniken of wel kaboutermannetjes
-ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere oranje, waarom de
-O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot sarring van
-"Keezen" moedwillig tentoongesteld te worden, is in de laatste jaren
-met allerlei schakeeringen van geel tot bijna zwart toe afgewisseld
-geworden, maar behoudt toch den boventoon; en zoo vormen die massa
-"schildvormige bladeren en bloedroode bloemen", jaar in jaar uit,
-datgene wat Linnaeus aan "tropeeën der ouden" deed denken, toen hij
-dit plantengeslacht met den naam Tropaeolum bestempelde! Mij dunkt,
-men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan fantazie, er blijkbaar
-zeker artistiek genot in schepte, den hem toestroomenden schat van heel
-en half bekende en onbekende planten zoo schilderachtig mogelijk te
-benoemen. Dat wij van O.-I. "kers" spreken, geldt natuurlijk niet de
-vruchten, die in 't minst niet op kersen gelijken, maar stellig den
-aangenaam prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden
-smaak.
-
-En dan zijn er stokrozen.
-
-"O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; 't is ten minste goed,
-dat de mode die afgeschaft heeft!"
-
-Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof en leelijk zijn,
-als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver bederft, namelijk
-van haar natuurlijk karakter berooft en er, door verdubbeling, iets
-van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar zij zijn niet
-leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar natuur mogen
-opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van "grootstbloemige
-der Malvaceën". Sinds Mei heb ik een perkje met stokrozen onder het
-oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden zich aan ieder plantje een
-stuk of tien groote, heldergroene bladeren, die voorshands laag bij
-den grond bleven, maar zich daar meer en meer uitspreidden. Op 't
-laatst van Juni begon zich in het midden een groene kegel te vormen;
-zachtjes aan verhief zich deze, en vertoonde zich als eene dikke,
-dichte aar, bezet met een groot aantal bloemknoppen. Hoeveel, was
-nog onmogelijk te bepalen; want ofschoon de onderste reeds duidelijk
-afzonderlijke lichaampjes waren,--het puntje van de aar, een weinig
-omgebogen, was eigenlijk nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De
-aar had hierdoor uit den aard der zaak eene kegelvormige gedaante,
-die zij onder 't voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk
-groeide. Naarmate nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel
-langzaam aan. Och, zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat
-wordt zij, ja, indien men haar uit al te groote zorg een soort van
-steun wil geven, haar opbindt tegen een groen stokje, met een rood
-of geel puntje. Zij heeft dien steun niet noodig. Haar eigen "stok"
-is sterk en krachtig en houtachtig genoeg; en toch niet "houterig"
-in leelijken zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij
-zoo hoog begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden,
-verbreeding noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in
-den naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel
-aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk
-genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn
-'t geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan de
-bloem een dubbelen kelk voorspelt?
-
-Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een blad, dat, ook
-weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot versiering van
-de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste bloemen. Het
-waren roode, van het helderste rozerood. De vijf bladen zijn zoo
-dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen te vormen;
-en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou dat ik
-ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch stijf,
-noch grof, noch leelijk hadt gevonden.
-
-In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven Dahlia's. Na de
-zonnebloemen, die hier en daar als gele monster-madelieven rondom
-boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, de lucht van kwade
-dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de grootstbloemige onder onze
-najaarsplanten. 't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat zij met een
-kleine, flets-oranjebloem hier aankwam, en de geleerden het een tijd
-lang oneens waren, of zij haar den naam van Dahlia of van Georgine
-zouden laten behouden. Hier te lande heeft de eerste, in Duitschland
-de tweede naam gezegepraald; maar intusschen had het aanzien van de
-plant in kwestie reeds vrij wat veranderingen ondergaan. Vooreerst
-was zij verdubbeld, ja bijna geheel "gevuld" geworden, en ten andere
-was zij met haar sterken aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze
-mislukte pogingen om haar ook zuiver blauw te doen worden nu niet
-meegerekend) een dankbaar materiaal voor den tuinbouw. Geur heeft zij
-volstrekt niet; haar eenige aantrekkelijkheid bestaat als decoratie
-in het groot, en op verren afstand is zij niet onaardig. Maar om
-van dichtbij bekeken te worden...? Ook aan deze planten heeft de
-verdubbeling, wat de sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed
-gedaan; en men behoeft nog geen modemaakster van beroep te zijn,
-om bij een gevulde Dahlia maar al te gauw aan eene zwaar geplooide
-rozet van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke
-bloempjes voor omgevouwen lussen gelden.--De anders niet onaardige
-term "bloemkorfje", dien de plantkunde bij dergelijke "samengestelde"
-bloemen gebruikt, verliest in geval van vulling allen zin. De kleine
-bloempjes, die oorspronkelijk in 't korfje zaten, zijn verdwenen en
-het niet onbevallige randje is een plompe bal geworden.
-
-Het is opmerkelijk, dat, laat in 't najaar, de "samengestelde" bloemen
-ons in den regel 't langste bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel
-hooren. Vooreerst toch behooren daartoe verschillende soorten, wier
-weefsel van nature vrij droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde
-stroo- of zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes
-van een teerder maaksel zijn,--Goudsbloemen, Sanvitalia's enz.--hebben
-in haar bloembodem en haar omwindsel (in één woord in datgene wat in
-de wandeling haar "hartje" heet) een steun, welken men aan bloemen
-zonder zulk een hartje nimmer kan verschaffen.
-
-Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als alles in
-uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, Zinnia's,
-Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen en verweering
-het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer om gewaardeerd
-te worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN.
-
-
-Elk die in dit seizoen een "tuinder" in zijn tuin bezoekt, kan zeker
-wezen klachten te vernemen over de erbarmelijke wijs, waarop de
-rupsen in de kool huishouden; en de groenlui in de stad hebben niet
-altijd ongelijk, wanneer zij dit als reden opgeven voor het "opslaan"
-van genoemd artikel.
-
-Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in hetgeen er in
-de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven zijn van
-zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, die
-dan ook gewoonlijk "koolwitje" genoemd wordt. Het wijfje van dien
-vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij der bladeren van
-kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; ieder diertje
-dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien komen deze
-eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week lang
-gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. Omstreeks
-den achtsten dag vervellen zij voor 't eerst, en beginnen zich dan
-over de geheele plant te verspreiden. De jonge rupsen zijn bijzonder
-gulzig; dag en nacht eten zij voort; men heeft opgemerkt dat zij
-in zeker aantal uren steeds het dubbele van haar eigen gewicht aan
-voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn zij volwassen, en
-zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. Wie nu daartoe
-een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of schutting, heeft
-gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt haar huid af,
-en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene pop, met zeer
-vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien dagen barst op
-nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht in.
-
-Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine koolplanten in den
-tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een heerlijke gelegenheid
-tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo verschijnt in den nazomer
-een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne beurt zijne gulzigheid bot
-viert. Indien men nu stelt, dat in het voorjaar 10 vrouwelijke kapellen
-zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben voortgebracht, dan is het niet
-te veel gerekend, indien een vierde daarvan weder wijfjes zijn, en
-deze in September 100,000 nakomelingen leveren. Het is dan waarlijk
-wonder, dat er nog iets van onze kolen overschiet;--de bladstelen en
-een gedeelte van de hartbladeren blijven meestal gespaard.
-
-Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om van de musschen
-en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het koolwitje
-heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog veel
-geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte,
-een zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche doorschijnende
-vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren leggen in het
-lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven dan ten koste
-van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij zijn de
-slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn voorzien
-van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou groeten. Dat
-is de zoogenaamde "legboor", en bestaat uit drie borstelige haren,
-die te zamen een holle buis vormen, en door middel waarvan zij haar
-eieren onder de huid van haar slachtoffers brengen.
-
-De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, legt dikwijls
-meer dan 30 eitjes in den rug van ééne rups. Ondanks de pijn, die
-dit haar zeker moet veroorzaken, en het uitkomen en groeien van de
-made, blijft de rups toch doorgaans leven tot zij aan verpoppen toe
-is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met niet geringe moeite, een
-schutting of een boom. Alvorens zij er dan echter in slaagt om haar
-vel af te stroopen, wordt dit door de maden doorgebeten, die dan alle
-te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan hare zijden naar buiten
-komen kruipen. De nu stervende rups valt dan meestal op den grond;
-en op haar plaats vindt men de jonge woekerdieren, bezig met zich
-in te spinnen, ten einde, ieder in een geel cocon, maar te zamen in
-het spinsel dat de rups reeds was begonnen te maken, haar poptijd
-door te brengen op het plekje, dat deze voor zich zelve uitgezocht
-had. Ziedaar de 100,000ste opvoering van een ieder jaar terugkeerend
-treurspel.--Het naspel wisselt af. Misschien zal het ditmaal daarin
-bestaan, dat het gansche cocon in den loop van den winter door een
-boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge
-wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld,
-grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste
-zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel
-gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te
-kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge
-praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die
-veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert,
-maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt...
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-EEN NATUURKALENDER
-
-
-"De hoeveelste is het van daag?"
-
-"De 28ste, Neef, de 28ste October."
-
-"Bloeien er nog Heliotropen?"
-
-"Ja zeker. Woudt u een takje hebben?"
-
-En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een
-aan. 't Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in
-dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren.
-
-"Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?"
-
-"Ja, neef."
-
-"En Aubergine, hoe noem je dat in 't hollandsch?"
-
-"O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt
-u zoo aan 't fransch vandaag?"
-
-Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en
-had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al
-wat fransch was.
-
-"Wel, die fransche kalender......"
-
-"Wat meent u?"
-
-"Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse,
-Ventôse?"
-
-"Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen
-te maken?"
-
-"Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark,
-of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag
-van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten
-wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon
-wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t'huis
-hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen,
-27 April...." En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.
-
-"Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat,
-hoe zal ik zeggen, officiëel?"
-
-"Wel, het hoorde bij den kalender. 't Was in plaats van de
-heiligendagen. Wij hadden 't uit een zwitsersch almanakje; als je
-goed zoekt, kan je 't misschien nog wel vinden....."
-
-
-
-De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, om er een
-tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik het
-bedoelde boekje. Het was een Helvetischer Revolutionsalmanach für
-das Jahr 1800, welks inhoud begon met een dubbelen kalender, in de
-"oude" en de "fransche" tijdrekening. [5]
-
-
-Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: mij kwam ze
-gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan het weêr
-ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen Juli-gloed in het woord
-Thermidor, en ligt er niet een sombere Novemberdag verscholen tusschen
-de letters Brumaire?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800
-niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: Primidi, Duodi,
-enz. Doch wat ik nooit gehoord had, was dat men, bij het schrappen
-van al wat naar kerkelijke plechtigheid zweemde, in de leegte, door
-het wegvallen der heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige
-wijze had trachten te gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de
-heiligen waren bloemen, enz. in de plaats gekomen. En daar in den
-ouden heiligen-kalender geregeld iedere dag een patroon gehad had,
-zoo was nu ook voor elken dag een plant of iets anders gekozen. Niet
-altijd bloemen. "Vooreerst", zei neef, "waren die in den winter niet
-gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals
-b. v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten
-de bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere
-produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de
-zaak zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der décade een
-huisdier, en voor den tienden dag een of ander landbouwgereedschap
-gesteld was." Dit nu zou alles netjes rondgeloopen hebben, indien het
-aantal dagen van het jaar juist in tienen deelbaar was geweest. Maar
-de zesendertigste décade eindigde met den 30sten Fructidor, (17
-September); en vóór den 1sten Vendemiaire--het republikeinsche jaar
-begon met 20 September,--moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit
-bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de
-zoogenaamde jours complémentaires. Deze waren niet gewijd aan bloemen,
-noch aan aarde, noch aan steen, noch aan werktuigen, noch aan dieren;
-zij vormden geheel afzonderlijk eene halve décade op zich zelve,
-en heetten eenvoudig naar de beruchte Septemberfeesten: 1 Fête de
-la Vertu; 2 Fête du Génie; 3 Fête du Travail; 4 Fête de l'Opinion;
-5 Fête de la Récompense. [6]
-
-Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet's hart werd er
-jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. "Op den 1sten
-September", vertelde hij, "gooiden wij altijd naar noten, en ergerden
-ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén
-dag in 't jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat
-was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat
-was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze
-'t heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25
-en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen..."
-
-"Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan," beproefde ik.
-
-"Ja, 't was wel fransch, maar 't was toch aardig!"
-
-En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de
-nagedachtenis dier fransche republikeinen,--ik omdat ik hun tijd
-niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen
-lagen,--verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven
-dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de
-staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op
-allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te
-recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en
-bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met
-het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is
-geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in
-dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In
-alles moest verandering komen; geen onderdeel van 't dagelijksch
-leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan
-scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had
-meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk
-een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis,
-sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op 't tapijt gebracht;
-hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen,
-eggen, zeissen, ossen, als 't aktief ingrijpend element, midden
-tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd
-door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden!
-
-Maar 't merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij
-die "jours complémentaires". Ligt daarin niet de indruk van eene
-bekentenis,--en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer
-onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender
-bekentenis,--dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om
-haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en
-bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens,
-spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant,
-nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken
-geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen?
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-JACHT EN WILD.
-
-
-Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in Duitschland geologie
-ging studeeren, omdat er in ons land "geen geologie is". Hij doelde
-daarmede natuurlijk niet op een gebrek in de studie der nederlandsche
-deskundigen, maar op een gebrek aan belangrijkheid en rijkdom van
-delfstoffen in onze aangeslibde gronden. Evenzeer zou ik mij best
-kunnen begrijpen dat iemand naar een ander land ging jagen, "omdat
-hier geen jacht is". Of noemt gij dat bijvoorbeeld jagen, als een
-man in de kracht van zijn leven, dag in dag uit, met een hond en een
-polsdrager achter zich, door Hollands moerassige rietvelden drentelt,
-af en toe een snipje schiet, den hond roept om het te apporteeren,
-zijn prooitje met hoogsteigene hand het kopje inknijpt en dan
-'s avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, als men opmerkt hoe de
-jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere boeren, jaarlijks
-voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen overhebben, die
-een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, dan moet men
-wel vooronderstellen dat er groote bekoorlijkheid ligt in die jacht
-zonder gevaar, dat overwinnen zonder strijd, dat zegepralen over
-zulke onnoozele slachtoffers.
-
-Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die aantrekkelijkheid
-minder bestaat in het dooden of verminken dier dieren, als wel in
-hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij verbonden is:
-de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen aanvangt, het
-dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van zulk een
-dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder anderen,
-en dat is wellicht nog de beste zijde van 't geval, is de grootste
-prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer kleine "wilde"
-landgenooten, in 't beloeren van hun listen, en het leeren kennen
-van hun vlugheid en hun sluwheid. En werkelijk zijn het gewoonlijk
-alleen jagers, die in hunne gewoonten goed te huis zijn.
-
-Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en morgen
-"afgehaald" zal worden, hoe zou die zijn leven wel gesleten
-hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool eet;
-maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met Lampe,
-zooals hij in de "dierfabel" van Reintje-de-Vos heet. Ik moet dan
-ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op een familiaren
-voet te komen met iemand, die zoo schuchter en achterdochtig is
-als hij.--Toch is hij, bij al zijn beruchte lafheid, een aardig,
-lustig diertje. Sla hem slechts gade in het voorjaar. Nauwelijks is de
-jachttijd om, waarin hij zooveel angsten doorstaan heeft, en de winter,
-waarin hij dikwijls zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde
-raad, geheel onder de sneeuw woelt,--of hij vat den moed weer op en
-krijgt op nieuw lust in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij
-zich een wijfje; en een maand later, als de meeste vogels nog aan geen
-nestenbouwen denken, is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin
-drie of vier jongen rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De
-aanstaande moeder krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland,
-en belegde dat met wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare
-eigen haren. Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met
-de meeste zorg voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die
-zich, als zij ze vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve
-houdt ze doorgaans een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich,
-door te klappen met de ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte
-zien kunnen, is niet te verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk
-voor het daglicht geschikt te wezen, want hun oogleden zijn te kort,
-dan dat zij ze ooit geheel zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij
-slapen, staan dezen dus altijd half open. Vandaar wellicht het woord
-"hazeslaapje"; terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede
-gleuf, die zich tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna
-geheel in tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft
-tot den term "hazelip". Zoodra de jongen kunnen loopen en mee kunnen
-eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en weldra
-heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En daar
-die van 't eerste nest in 't najaar meestal zelven reeds weer jongen
-hebben, kan er van één hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een
-duizendtal afstammen.
-
-Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn leven bedreigen,
-heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de haas overdag
-rustig in zijn leger,--zooals hij in den regel schijnt te doen, om
-slechts des nachts op zijne zaken uit te gaan,--dan heeft hij eene
-heerlijke bescherming in de vaalbruine kleur van zijn pels. Dit schijnt
-hij wel te weten; want hij blijft gewoonlijk doodstil liggen, wanneer
-hij een mensch aan hoort komen, drukt zich dicht tegen den grond
-aan, en beloert, zonder zich te verroeren, iedere beweging van den
-onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer de vijand zeer dicht bij is, en
-hem dreigt aan te vallen, springt hij eensklaps op, en maakt zich uit
-de voeten. Gaat hij, als het gevaar voorbij is, naar zijn rustplaats
-terug, dan loopt hij daar nooit regelrecht naar toe, maar maakt
-eerst eenige dwarssprongen in de buurt, als om zijn eigenlijk doel,
-voor ieder die er naar mocht kijken, te verbergen. Een haas echter,
-die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, weet dat daarmede niet valt
-te gekken; en dat ook het kunstje van het stil-liggen hem tegenover
-de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort hij dus het gevreesde
-schieten of wel het blaffen van een zijner aartsvijanden, dan schrikt
-hij, zet zich op de achterpooten, en besluit tot de vlucht. Een groot
-voordeel voor hem is het, als hij bij die vlucht tegen eene hoogte
-op kan rennen, want zijn voorpooten (of "loopers"!) zijn langer dan
-zijn achterloopers: daardoor klimt hij gemakkelijker dan hij daalt,
-en maakt in het laatste geval dikwijls een buiteling. Merkt hij nu
-echter, dat ondanks al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen
-zijn, dan heeft hij nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling
-een geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak
-schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval
-heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij
-dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op
-hem maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande
-listen en lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den
-ouderdom van acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden
-indien menschen, wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen
-ongemoeid lieten, zoo blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog
-een groot aantal onze velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en
-heiden, hun leven naar hun zin genieten.
-
-En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, die, zooals
-ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge hazen
-zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie volkomen
-van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de praktijk te
-vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen beter raad
-te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe vergelijkingen
-tusschen ooren en pooten, en wordt wijs.
-
-En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan gebraden. Anderen
-kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine borstvlek de haantjes
-te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen levend gezien, wat ons
-anderen niet licht overkomt, Zij weten hoe het "hoen", zooals zij den
-patrijs plegen te noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote
-overeenkomst heeft met kippen en andere hoendervogels,--te beginnen
-reeds daarmee, dat het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte
-loopen kan, in plaats van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst
-een paar weken in het nest te blijven liggen. Het huislijk leven der
-patrijzen is daarom echter niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg
-in het voorjaar vechten de mannetjes hevig, om ieder een wijfje te
-bemachtigen. In een van droge grashalmen voorziene uitholling van
-den grond worden de groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel
-bestaat wel uit tien of twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen
-tegelijk plegen uit te broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste
-vogels het geval is. Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege
-wegloopen. De oude haan houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt
-bij gevaar het broedend wijfje, dat dan het nest loopende verlaat,
-en eerst op een goeden afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de
-buurt zijn, worden de jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de
-ouden daar heen geleid, en vinden dan in de dikke gele mierenlarven
-een uitgezocht voedsel. Zij kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij
-nacht, gevaar of slecht weer neemt de moeder hen onder hare vleugels,
-juist als eene hen hare kuikens; de bouw en vorm van het diertje
-heeft dan ook iets zeer hoenderachtigs.
-
-En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat hooge soort van
-pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn geworden. Haar
-aangezicht heeft iets... anders dan dat van alle andere vogels;
-en als men ze goed aankijkt, begint men er langzamerhand achter
-te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver naar boven en
-naar achteren staan,--iets wat ook aan menschengezichten zoo iets
-vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer dan een streep buiten
-de normale maat.--Haar snavel is nog langer dan de kop zelf; en
-als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of meer week is,
-van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig verdikt, en,
-althans bij de watersnippen, met een klein puntje omgebogen. Zij
-kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om water-insekten en
-weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde natuurlijk van groot
-voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk naar den kop toe
-staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen kennen, doordien
-haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen bekleed zijn. Zij
-broedt hier te lande slechts bij uitzondering, ofschoon zij zulks
-niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. v. in Lithauen
-wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt zij slechts
-op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust dan bij
-voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine boschjes,
-en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag gericht, een
-eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in het hout
-te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de vorige,
-voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt veelvuldig
-in Noord-Brabant en Groningen, aan lage, vochtige plaatsen; maar
-ook haar aantal wordt jaarlijks zeer vermeerderd in den trektijd,
-die voor deze soort twee malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het
-najaar. Van Augustus tot het einde van October namelijk, trekken
-er een groot aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April
-noord-oostwaarts. Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag
-vindt men haar tegen den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd
-worden, laten zij eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen
-dan vrij hoog op. Zij laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat
-aan het blaten van een schaap doet denken; dit schijnt niet door de
-keel, maar door de snel trillende beweging der staart- en slagpennen
-voortgebracht te worden. Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen;
-zelfs azen zij op bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen
-der boomen ophouden, nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal
-vier eieren, en de broedtijd duurt ongeveer 16 dagen.
-
-Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der dierkundige
-wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel voornamelijk door
-jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige beschouwing kunnen
-maken over de omstandigheid, dat de beste kenners van het wild ook
-tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen dergelijke
-dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, die in
-eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een aangeschoten
-eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk ongewoon gedruisch
-deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-GESLOTEN?
-
-
-Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke kleine Chansons,
-hoe hij, den eersten November naar den "boschtempel" gaande, waar
-hij den ganschen zomer door met zooveel dichterlijke stichting "de
-dienst" placht bij te wonen, den toegang onverwachts versperd vond
-door verdorde bladeren en afgewaaide takken en breede modderplassen; en
-dat een uil, die hem zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem
-vriendelijk terecht wees met de inlichting: "Fermé pour réparations."
-
-Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd volhielden
-bloemen in het vrije veld te willen zoeken!
-
-Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de bijzonderheden
-van Hugo's teekenachtig natuurtafereeltje, dan zien wij in en om
-die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof iets, wat hij
-niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij voor te
-stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere
-Zwammen, die juist in dezen tijd van 't jaar te voorschijn komen,
-die gedeeltelijk op den grond, gedeeltelijk op het natte hout en op
-de half vergane bladeren groeien, en die half een gevolg, half mede
-eene oorzaak zijn van hunne spoedige ontbinding en van de duffe lucht,
-die wij rondom ons waarnemen.
-
-En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan één opzicht. Wij
-zullen ons maar aan den geijkten term van Bedektbloeienden houden.
-
-Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort geleden, op de
-achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal kaneelbruine stippels
-vertoonden, in regelmatige figuren rondom de nerven en insnijdingen
-gerangschikt? Zeker is het, dat van de verschijning dezer stippels de
-vermenigvuldiging der plant, of, zooals het hier heet, "sporenvorming"
-afhangt. Zoo'n bloei schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt
-echter reeds een weinig minder vreemd, zoodra wij kennis maken met
-die soorten van varens, (b. v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum
-Spicant), die er tweeërlei veeren op nahouden, waarvan de ééne niet
-bloeien en de andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij
-daarbij denken aan den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen,
-door Goethe dichterlijk geschetst in zijn Metamorphose der Pflanzen.
-
-En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan zelfs
-een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer-
-of bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen,
-op hunne dunne steeltjes tusschen 't groen ziet steken. Bij het
-korstmos--die platte, vlakke korsten op boomstammen en muren--valt
-het alweer iets moeilijker; toch bloeit ook dit op zijne wijze. En
-let eens op uw Selaginella, uwe kamer-"mosplant", (eigenlijk geen
-mos); ga eens na of aan de uiteinden dier stengeltjes, van boven
-met een dubbele rij kleine, van onderen met een dubbele rij grootere
-blaadjes bezet, niet op zekere tijden van het jaar groene bolletjes,
-zoo groot als speldeknoppen, voorkomen?... Dan bloeit zij.
-
-Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het plantenrijk, komen
-wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, enz. Ook
-dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in het
-najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig,
-plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan,
-tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten,
-dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur,
-hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat
-rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer,
-na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt.
-
-Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En de sporen,
-die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts behoeven te
-ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld op zich
-zelve in het plantenrijk.
-
-Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos een gewoon
-boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, dat het
-opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één laagje cellen
-bestaat;--indien wij in het algemeen bedenken, dat in die lagere,
-die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, reeds al de
-bladvormen voorkomen, die zich later onder de zichtbaarbloeiende
-gewassen hebben gereproduceerd;--indien wij eenen blik slaan in de
-keurige bijzonderheden van dien "bedekten" bloei, zooals zij in de
-afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot
-te zien zijn,--dan.... Doch dat wordt een zaak voor 't mikroskoop in
-de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te blijven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-WINTERVOGELS.
-
-
-Het is een algemeen heerschend volksgeloof,--bij den eersten den besten
-boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op
-nemen,--dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe
-dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens
-duidelijk uit, dat men 's winters hier te lande nooit een koekoek,
-en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens,
-men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben,
-om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat
-den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld,
-dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen
-behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen
-"heimwärts", huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt
-niet juist: want onder iemands t'huis, zijn "heim", zijn vaderland,
-verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen,
-die 's zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts
-in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt,
-wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat
-het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst
-weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde
-plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan
-het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij
-troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te
-koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken
-die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger
-gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en
-op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden.
-
-Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor
-een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De
-groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen,
-afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om
-den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende
-plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in
-de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van
-trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de
-boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel
-van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt,
-van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in
-hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht,
-wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te
-houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen
-hebben,--bij voorbeeld op den vlakken grond,--dan dringen daar,
-zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in.
-
-Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er
-ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf
-houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen,
-zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan
-hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort
-daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke
-verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend,
-dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was,
-met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte
-van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend
-herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor 't
-eerst de zachte stem van 't kleine dier weer hoor.
-
-Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen
-lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen
-staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel
-opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes,
-tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar
-korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in
-het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de
-schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te
-bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den
-tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden
-ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... 't Is waar,
-in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,--anders durf ik niet zeggen
-hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.--Op deze behoefte aan dierlijk
-voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende
-jongens, "dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet
-weeken". Ondanks deze goede bedoeling om 't haar lekker te maken,
-wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte
-of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners
-mogen vallen.
-
-De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen
-toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft,
-voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;--hetgeen
-zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie
-van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor,
-in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw,
-en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid
-bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste
-boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid
-te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof
-ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht
-het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen,
-erwten enz, er wel verbruikt worden door de "onnutte" snavels van zoo'n
-aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering
-vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen,
-loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren
-gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of
-van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken
-dat zij gedurende den schralen tijd veel eten.
-
-Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee
-bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan,
-"een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen". Hij neemt dan
-soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte
-wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en,
-met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die
-donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet
-te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet
-trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft
-zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het
-water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun
-langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was;
-en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van 't seizoen,
-dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den
-snavel aan de vetklier gebracht te hebben.
-
-Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje,
-dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart
-en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn
-langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is
-een echte visscher,--de "Martin-pêcheur" der Franschen,--en zit met
-een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer,
-dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der
-zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste
-plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin
-moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en
-rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar
-al te zeer aantrekt: "l'oiseau bleu" wordt waarlijk zoo dikwijls te
-vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten
-glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt!
-
-Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes,
-die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat
-dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik
-des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien
-zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn,
-natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch
-de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte,
-schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft,
-om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van
-zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals
-andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes
-met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts
-aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele "pluimagie",--zooals
-onze overgrootouders den vederdos noemden,--een zeer los karakter
-krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder 't malen veel meer
-leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier
-plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als
-de uilen 's nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel
-muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle
-andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting
-dadelijk in 't oog springen.
-
-Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering
-van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,--het vindt allicht zijn
-voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der
-beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst
-en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze
-heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld
-spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels,
-door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten
-broeden, de sperwer,--een havik in het klein,--is een echte roofvogel
-en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt
-wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en
-zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer,
-want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor
-vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk
-deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij
-een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer;
-bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen
-beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt
-dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor
-hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was,
-van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken
-voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder
-dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG.
-
-
-Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan
-heeft, die den titel droeg van "Graaf van Rome". Maar er is eene
-oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje
-een teekenachtig avontuur wordt verteld.
-
-De graaf van Rome dan, "een man van eer en ridderlijke deugden",
-wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten
-naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen;
-zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht
-daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles
-behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van
-een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng
-liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij,
-die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den
-ploeg moest trekken:
-
-
- "am pflug da must er ziehen
- viel lenger denn jar und tag,"
-
-
-zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd
-van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte
-om genade en vrijheid; doch de koning "zwoer bij zijne kroon", dat
-hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om
-kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen "in
-diep leed" de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: "laat ik mijne
-vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan
-geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome." Zoo
-gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de
-vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren;
-en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien
-"in 't geheim", en "het hart werd haar koud wegens den toestand van
-haren heer". Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen;
-dat het voor een vrouw niet paste "over de wilde zee" te varen;
-maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra
-echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat
-zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene
-tonsuur scheren; en daar zij "lezen, schrijven en nog heel veel meer
-doen" kon, en ook in 't snarenspel bedreven was, hing zij de harp
-en de luit op zijde en--reisde zoo den bode na. De zeereis duurde
-drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten,
-begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig
-en met welgevallen te luisteren. "Zij herkende hem wel, maar hij haar
-niet". Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te
-gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen;
-hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan
-land gestapt waren, samen verder, "over bergen en door diepe dalen"; en
-zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak,
-de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was.
-
-Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar
-spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong "veel vreugdevolle
-woorden"; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit
-beter gehoord hadden. Zij werd onthaald "op wildbraad en op visch",
-verheugde zich "in haar binnenste" dat "hare zaak zoo goed stond", en
-speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk,
-en al de heidenen, ('s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen.
-
-Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij
-treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich,
-dan zich "dood te moeten werken". De vrouw intusschen, in hare
-vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en
-haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom
-zij op den toren van 't kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg
-in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk
-kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in 't spelen, en
-bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen,
-wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem
-"eene gouden kroon en een schepel vol goud", en verzocht hem die
-niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig,
-dat "zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen", en hij zulk
-loon niet begeerde. "Maar", voegde hij er bij, "om één geschenk wil
-ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen,
-noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het
-veld den ploeg trekt." De koning antwoordde beleefd: "Heer, neem dien,
-als gij hem verkiest"; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor
-den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad:
-"bedank den avonturier, die u verlost heeft."
-
-Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij
-geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en
-dat "de avonturier" zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte
-tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd
-was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee
-zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging
-wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en
-belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en
-wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor
-had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar
-opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het
-hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals
-zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik
-de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:
-
-
- "das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!"
-
-
-Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk
-moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt
-en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een
-soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek
-een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het
-hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.--Ik
-denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg
-zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste
-sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder
-winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar
-ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari,
-als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het
-eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des
-te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke
-streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag
-belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig
-geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog
-zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen,
-rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen
-getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter
-een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te
-voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af,
-van den eenen akker op den anderen, in 't gezelschap van musschen en
-kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... 't
-Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat
-stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een
-schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.
-
-Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet
-nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen
-onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een
-man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient
-daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen
-machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels;
-en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom
-te hebben, als iemand die zich op "rechtlijnig teekenen" toelegt.
-
-"Maar 't is een erg eentonig werk", dus brengt misschien iemand in
-het midden; "en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze
-wijze wordt gesleten."
-
-Hoor eens,--is dan mijn antwoord, de "Graaf van Rome" werd zelf
-voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet
-te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,--slaven,
-lijfeigenen,--trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe
-grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die
-moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen
-landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans,
-bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt,
-maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig
-zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger,
-die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn
-lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard,
-waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden
-arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink
-bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken
-arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij
-ploegt in 't najaar, opdat de omgeworpen grond zou "doorvriezen",
-d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de
-opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten
-en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze
-tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in 't voorjaar,
-maar dan is het wegens tegenspoed in 't werk. In de lente en den zomer
-doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien,
-als hij die kunst verstaat,--want ook dat is een kunst, of voor het
-minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers;
-ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er
-altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,--vooral
-waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en
-welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik
-bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee "dobbelgewassen",
-die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden
-om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk
-tot bouwland te maken, (ze te "scheuren").
-
-En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg
-vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in
-de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel
-aanbrengen--in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt
-de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote
-sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van
-den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van
-den "vooruitgang" verzekeren van ja. De vrienden van den "goeden ouden
-tijd" schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de
-gevaren die de stoom meebrengt,--in zoover deze door sterke verdeeling
-van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten
-van menschen dreigt te maken--zetten een waarschuwend gezicht. Laat
-ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk
-hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om
-dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen:
-van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij
-geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding
-te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan,
-beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-GROENBLIJVENDE BOOMEN.
-
-
-Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, zat ik in den trein
-met twee bejaarde freules. Zij waren door een dikken livreiknecht in
-den wagen en aan haar bagage geholpen, en begonnen zich al spoedig
-over te geven aan 't genot van den tocht. Het was mooi weer en het
-landschap deed dat goed uitkomen. Ik kreeg een soort van sympathie
-voor mijne reisgenooten, ten eerste om haar warme geestdrift en
-bewondering voor al het schoons dat wij voorbijvlogen, en ten tweede
-omdat zij zich, ondanks de nederlandsche etiquette, niet ontzagen
-die bewondering tegenover mij, onbekende, te uiten. Wij spoorden
-nu door bosschen en dan weder over de heide; en eensklaps, nadat
-wij een paar minuten tusschen hooge dennen heengetrokken en aan een
-gehakte opening gekomen waren, riep eene van de dames in verrukking:
-"Och, Keetje, kijk die snoeperige Conifeertjes, daar vlak bij dat
-sparrenbosch!" Zij meende blijkbaar de twee- of driejarige dennen
-zelven, die hier van de vrijgekomen lucht en ruimte gebruik maakten,
-om zich krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb
-kunnen weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige
-buurvrouw. Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon
-en begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder "Conifeertjes"
-door sommigen verstaan worden: niet al te groote, groenblijvende,
-pyramidale boompjes;--(een zin waarin, zooals ik later bemerkte,
-het woord dikwijls op prijscouranten voorkomt).
-
-Tot dergelijke "Conifeertjes" zullen wij ons thans terug dienen te
-trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In stadstuintjes, vooral
-in de zeer kleinen, (vóór aan de straat, achter een ijzeren hekje),
-plegen zij een groote rol te spelen, en vormen daar wat de Engelschen
-hun "shrubbery" noemen.
-
-Op Hulst, Jeneverbes, Taxis en misschien nog een paar anderen na, die
-hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de meeste van die groene
-dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd vaderland afkomstig. Om
-met de eigenlijke Conifeeren (Kegeldragers) te beginnen: van onze
-eigen spar en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante
-soorten uit den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een Pinus Cembra,
-wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die van onzen
-gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van zuidelijk
-Europa. Daarnaast prijkt een echt Cedertje "van den Libanon". Die
-kleine Balsempijnboom of Hemlockspar, zooals hij tegenwoordig hier
-genoemd wordt, komt uit Virginië. De Cypres vertegenwoordigt ons
-de grieksche rouwplechtigheden; en die Araucaria met hare stijve,
-breede, geschubde armen,--is 't wezenlijk een levend boompje of een
-kapstok?--hoort in Brazilië tehuis. Uw Thuya is een Noord-amerikaan,
-ofschoon reeds sinds lang hier burger geworden, en met den naam
-van "Arbor vitae" vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van
-"Levensboom" hoort spreken, daaronder heel iets anders vermoedt dan
-de Thuya's, die de nederige rol vervullen van, op zijn binnenplaats,
-het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch worden werkelijk
-slechts deze er mede bedoeld.
-
-In uw groene heesterperkje staan intusschen ook verscheidene
-niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander loof-karakter. De
-Aucubas, met haar gevlekte laurierachtige bladeren, komen uit Japan,
-evenals de bonte Evonymus, een groenblijvende nabestaande van ons
-Papenhout. De Ledum groeit in 't wild in Polen en Bohemen; de Arbutus
-Unedo in Italië en 't Zuiden van Frankrijk; de Kalmia, die, bij goede
-verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig bruidskleed
-zal prijken, in Noord-Amerika.
-
-Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe meer wij deze
-trouwe winter-heestertjes waardeeren. Doch ook: hoe winterachtiger het
-om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen doen verlangen naar hun
-vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het landschap. Ik spreek nu
-niet voornamelijk van de "eeuwiggroene myrthen en laurieren" en hun
-zuidelijker klimaat. Ik wensch onze noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en
-de afwisseling, die zij in het natuurschoon en in het maatschappelijk
-leven aanbrengt, volstrekt niet te ontvluchten; maar juist omdat die
-witte vlokken zoo goed staan op de takken van dien kleinen spar voor
-'t venster, doen zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan
-naar streken, waar men ze in 't groot op groote sparren kan bewonderen
-in niet alleen groote, maar grootsche verhoudingen.
-
-Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen hoekje, een smal
-dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het dal de rivier
-zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te beslissen,
-maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij onafscheidelijk aan
-elkaar verbonden. Ook ten opzichte van 't geen de menschenwereld
-aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker in 't geheel niet
-bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige ding zich zeer hulpvaardig
-tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu dient het dal tot woonplaats
-aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf de voortbrengselen van
-het bergland verwerkt. Het waterrad drijft "molens" van allerhande
-soort en grootte, o. a. een paar papier- en glasfabrieken. Ook levert
-het riviertje het geheele jaar door overvloed van bruikbaar water,
-en op den koop toe forellen en krabben. Bevaarbaar is het nooit,
-maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; in 't voorjaar, als de sneeuw in
-het gebergte begint weg te dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals
-alle anderen; doch de plaats der meeste huizen is wel zóó gekozen,
-dat die tegen hare mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een
-en ander geeft aan dit valleitje iets behagelijks en menschelijks,
-zonder daarom aan den diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te
-schaden. Die indruk wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte
-der bergen ter rechter en ter linkerzijde, en door de kronkelingen van
-rivier en dal, meestal ook vóór en achter,--zoodat men schijnbaar
-geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar slechts
-vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot boven,
-begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per spoor
-die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken van
-'t gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station uitgestapt,
-nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, ontmoetten wij,
-op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout dan sparren,
-dennen, Weymouthspijnen, enz.
-
-De meesten onzer weten zich zoo'n dal te herinneren, hetzij in
-den Harz, het Schwarzwald of misschien in Zwitserland; en roepen
-zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste partijen voor den
-geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er intusschen
-wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er onwillekeurig
-naar bergpaden, om, als 't ons al te bang om 't hart mocht worden,
-spoedig den gezichteinder te kunnen verruimen. En als wij op een
-mooien zomerdag daar nederzaten, kwam dikwijls de gedachte in ons
-op: "Hoe somber moet het hier des winters zijn!" Dan rekenden wij
-echter buiten de sneeuw, die ten eerste een groot deel van de door
-ons vermoede wintereenzaamheid en afgeslotenheid wegneemt, door
-het vlug en vroolijk sleêverkeer, en ten andere de somberheid der
-groene bergwanden breekt door haar tintelend wit.--Denkt u een mooien
-Februaridag, met vorst maar zonder wind. Op elken boom ligt zooveel
-sneeuw als hij maar dragen kan zonder te breken: de veerkracht van de
-breede takken wordt op een zware proef gesteld; zij buigen dóór onder
-hunnen reinen last. De spitse toppen van de sparren en de vlakke kroon
-der dennen wisselen elkander sierlijk af tegen den blauwen ether;
-en al de duizend groene twijgjes, die tegen de sneeuw afsteken,
-bewaren 't landschap voor eentonigheid. 't Is Vrouwendag: er zal een
-groote sledevaart gehouden worden. De zon beschijnt en koestert u,
-en betoovert de sneeuw; en haar stralen dringen door in de diepte der
-bosschen, en lokken hier en daar een kudde herten naar hun zoom. Gij
-glijdt voort in een ijlende vaart, maar toch niet zóó snel, of gij
-kunt de schoonheid om u heen naar hartelust genieten. En zoo de dag
-al kort is, des avonds komt de maan op, en verlicht den terugtocht
-op haar wijze.... Wie dat eens in vollen glans heeft bijgewoond,
-vergeet het niet gemakkelijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-EEN OUDEJAARSWANDELING.
-
-
-Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om ons heen ziet er
-verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en de nachten
-zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en slapen.
-
-Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou hebben, ook maar
-op die manier te overwinteren, en eerst met de lente weer voor den
-dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u dikwijls sombere,
-neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop gij meer kans
-hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer ontvankelijk
-zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts één greintje
-veerkracht in ons over is, herstellen wij ons doorgaans dadelijk in
-het besef, dat een mensch meer is dan een visch of een marmot. Ik
-voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor de opwekkelijke prikkels
-van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij altijd, als ik op het punt
-ben mij door mist of "waterkou" te laten nederdrukken. Vaak, als het
-leven mij op de eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte
-slechts in 't oog kon krijgen, één blik op den blauwen hemel met zijn
-lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn dat ik
-geboren was, al ware het alleen maar voor 't plezier van deze schoone
-tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij dreigde mee te
-slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek van uitval
-niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in onzen geest
-gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht boven deze
-wet verheffen.
-
-Men heeft van oudsher veel gesproken over de scheppingskracht van den
-menschelijken geest. Zij stelde hem in staat om ruwe grondstoffen
-voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en om telkens meer
-verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken arbeid uit te
-vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke welvaart. Door
-de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de wereld hem te
-zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad der kunst. Hij
-verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel, en noemde
-dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de menschelijke
-scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen edeler, geen die
-hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al de dwaasheden en
-troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer geluk schenkt,
-dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de onvolkomenheden
-van al wat hij kent, toch aan zekere volmaaktheid te gelooven.
-
-Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar, en er zijn
-dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen gemoedsleven doordringt,
-en verzoening zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders
-slechts met afleiding behelpt. Ook in dit bosch zingt "ieder vogeltje
-zooals het gebekt is." In elk mensch die over deze dingen nadenkt, doet
-de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst naar volmaking
-zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze laatste wandeling
-tracht weer te geven, hoe mijn "geloofsbelijdenis" zou uitvallen,
-zoo ik die, als van ouds, in "twaalf artikelen" moest samenvatten. Van
-weten is hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet.
-
-
-
-Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk bezorgen.
-
-Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin, waarmede wij
-onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de omstandigheden,
-al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze krachten en
-talenten--in harmonie weten te brengen.
-
-Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting, is in
-dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit
-volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere
-beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver
-beneden zijn ideaal;--nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is
-voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne
-eigene kracht, vaardigheid, "inspiratie" te kort schiet.
-
-Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek streven, naast
-zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, nog een ander, hooger
-voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van harmonie.
-
-Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat hetwelk
-ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo harmonieus
-mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het grootere,
-passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en machteloos
-gevoel), ook op harmonie moet berusten.
-
-Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al struikelend en
-opstaand, en met schade en schande en inspanning ervarende, op
-welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand komt,--word
-ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des te rijker is
-naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in verwerkt worden,
-en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste botsingen,
-welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar een meer
-samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij behooren.
-
-Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met mijne
-persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al het
-lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,--niet het minst de botsing
-tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht van
-verval en vergankelijkheid,--er, om een muzikaal beeld te gebruiken,
-vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich slechts
-bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie.
-
-Alleen echter op ééne voorwaarde kan ik in mijn "dissonant"schap
-berusten:--dat ik nl. den mogelijken Kunstenaar van de "symfonie" mag
-vermoeden, Hem vereeren en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar
-te wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn
-steun te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid
-mij pijnigt.
-
-Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden Maker niet
-berust op eenigerlei wetenschappelijke kennis van zijn wezen; maar
-ik ben boven alles dankbaar voor de kunst, die mij in staat stelt de
-gedachte aan Hem te scheppen.
-
-Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan schoonheidswetten
-onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit gebied is
-wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,--tot dogmatiek
-verstijft,--ontaardt de poëzie van 't religieuse leven. De eerbied
-zelf voor mijnen onbekenden Maker leert mij ten zijnen opzichte
-bescheidenheid.
-
-Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne levensopvatting en
-mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte godsdiensten. "Gelijk
-het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt ..." ook mijn
-ziel, op mijne wijze, naar den Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij
-bewust ben te behooren. En indien de geschiedenis verhaalt van iemand,
-in wien het gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was,
-dat hij in gemoede kon getuigen: "Ik ben niet alleen, want de Vader
-is met mij," dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met
-zulk eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht,
-zeer wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande
-uit eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit van
-joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord.
-
-Het behoort tot mijn verdriet in 't leven, dat er op het gebied van
-vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig gezelligheid heerscht in
-de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na aan 't hart ligt, zoo
-weinig verkeer is onder levende menschen, en men zich grootendeels
-moet vergenoegen met menschengeest-extrakt,--nl. uit boeken.
-
-Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een wanklank, die
-opgelost wordt,--of worden zal,--gedeeltelijk door ons eigen toedoen:
-daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig naga, wat er in zijn
-beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de diepte van zijn
-geestelijk leven omgaat.
-
-
-
-En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje:
-
-
-
- Gelukkig Nieuwejaar!
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Men bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene
-uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche
-soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken zijn.
-
-[2] Ik verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk
-een paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter
-van één- en twee-zaadlobbige planten in volwassen toestand uitgedrukt
-wordt; zoodat men niet telkens, om het sterksprekend onderscheid
-tusschen deze beide afdeelingen van het plantenrijk aan te duiden,
-zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode van iederen boom behoeft
-terug te gaan!
-
-[3] Te Dortmund in Westfalen staat,--stond althans voor een paar jaar
-nog,--een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het spoorterrein,
-tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is een punt
-waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet inéénloopen),
-was een heuvel uitgespaard van een voet of drie in het vierkant;
-en daarop stond een steenen bank, waarop weleer veemgericht gehouden
-werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde, met nog slechts één
-levenden tak.
-
-[4] Houttuyn. "Natuurlijke historie."
-
-[5] In dezer voege:
-
- Jänner. Nivôse.
-
- Mittwoch 1 Neujahr. | Primidi 11 Poix.
- Donnerstag 2 Mel D. | Duodi 12 Thérebent.
- Freitag 3 Enoch. | Tridi 13 Argile.
- Samstag 4 Gottfried. | Quatridi 14 Marne.
- Sonntag 5 Simeon. | Quintidi 15 Lapin.
-
-[6] Ik heb later nog meer jaargangen van dien almanak in handen
-gekregen. De natuur-heiligen-kalender bleef alle jaar hetzelfde. Het
-speet mij er geen van een schrikkeljaar machtig te kunnen worden,
-om na te gaan hoe in dat geval voorzien werd.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Natuurfantazieën, by G. Carelsen
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUURFANTAZIEËN ***
-
-***** This file should be named 52479-0.txt or 52479-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52479/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. \ No newline at end of file