diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52476-8.txt | 3098 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52476-8.zip | bin | 59643 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52476-h.zip | bin | 242723 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52476-h/52476-h.htm | 3974 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52476-h/images/backcover.jpg | bin | 33635 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52476-h/images/book.png | bin | 218 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52476-h/images/card.png | bin | 249 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52476-h/images/cover.jpg | bin | 115920 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52476-h/images/external.png | bin | 172 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52476-h/images/spine.jpg | bin | 16810 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52476-h/images/titlepage.png | bin | 6750 -> 0 bytes |
14 files changed, 17 insertions, 7072 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..5b26f4b --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #52476 (https://www.gutenberg.org/ebooks/52476) diff --git a/old/52476-8.txt b/old/52476-8.txt deleted file mode 100644 index f24983a..0000000 --- a/old/52476-8.txt +++ /dev/null @@ -1,3098 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De Oogst, by Stijn Streuvels - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: De Oogst - -Author: Stijn Streuvels - -Release Date: July 2, 2016 [EBook #52476] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OOGST *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - DE OOGST - - DOOR - - STIJN STREUVELS - - - - VIERDE DRUK - - L. J. VEEN--AMSTERDAM - - - - - - - - - -Rik lag plat uitgestrekt in 't gras onder de linde en Wies zat, over de -knieën gebogen, op het bol van een gevelden eik. De jongens rookten hun -pijp in den avondstond. Nu en dan maar zegden zij, halfstil, een woord, -meest over dingen die ze wisten en evengoed ongezegd konden laten. Maar -zij trokken gestadig nieuwe kuilen blauwen rook uit hun pijp, die -opspiraalden uitdunnend, hoog in de lucht boven hun hoofd. Achter -de openstaande huisdeur in 't donker, wrocht Lida met moeder aan -'t schoonkuischen van schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar. - -Rik wendde dikwijls het hoofd naar het donker deurraam dat zwartvlekte -in den witten muur en hij dacht wel: - ---Waarom blijft Lida vanavond zoolang in huis? - -Hij voelde of had iets te kort of verlangde onbewust naar iemand die -moest komen gezelschap houden. Maar nog altijd ging het gleiertikken -van tellooren en kommen met gefoezel van halfduidelijke, zacht -gesproken woorden. Nu wisten de knapen niets meer en ze zwegen. - ---Waarom is Wies haar broeder en is Lida mijn zuster niet? dacht Rik. - -Als hij weer 't hoofd wendde stond het meisje in 't donker deurgat en -was aan 't afbreien van een langzwarte kous. De jongen rechtte zich -halfop met de handen en hij keek hoe zij met stillen tred naderde en -ging zitten rechtover hem, nevens Wies, op het bol van den eik. Hij -rustte het hoofd op de voorarmen en zóo, gemakkelijk uitgestrekt, bleef -hij haar liggen bezien. Hij voelde een nieuwe tevredenheid in haar -bijzijn: het invullen eener leemte, waarnaar hij lang gewenscht had. - ---Nu is het goed in den avond, zei hij stil. - -Niemand en antwoordde maar 't deed hem deugd dat ze nu zwegen, en -hij verlangde naar niets tenzij daar te mogen liggen en kijken naar -Lida en eenzaam smakken aan de welligheid die hij daarbinnen voelde -opkomen, iets als zwemmen in ongerimpeld water zonder einde. - -Zie, hoe de heldere mane daar zit boven in de lindekruin tusschen de -kromknoestige halfnaakte takken! de jonge bladeren vlekken zwart op -dat gouden veld lijk ongedurig, wemelende inkteklaters. Binnen huis -ging het geslof van Wies zijn moeder die daar in 't donker alleen -bleef;--anders en repte er geen geruchte in heel den omtrek. - -Rik bleef welvoldaan omdat zij allen zoover uitgepraat waren en niemand -een woord en vond dat 't zeggen weerd scheen. Hij luisterde naar het -tikken van Lida's overeenwerkende breinaalden. Daar van omlaag gezien, -zat heur wezen vol donkerte en op 't einde twijfelde hij of heur oogen -zoo vriendelijk stil in de zijne keken of dat ze halftoe op heur werk -waren gericht. De wellust kwam in hem op als een kriezeling zoo dat hij -de oogen neerwaards dwong en niet meer opkijken durfde. Daar in 't gras -nevens hem lag het bolleken zwarte wolsajette dat gestadig versnokte -en opsprong telkens heur klein vingerke den draad deed inkorten. - ---Morgen krijgen we weer een schoonen dag, fazelde Wies tusschen -de tanden. - ---De zomer komt vroeg, wederzegde Lida, en wat later: - -De smoor hangt uit, 't is versterking, zie, en zij rechtte het hoofd -en keek wijd uit over 't veld. - -Zoo koutten ze stilaan voort in schaarsche half ingehouden woorden, -over land en weêr en spel en leven, heel gewoon; lijk broêr en -zuster. Rik had ook iets willen inbrengen maar al zocht hij ook rond, -er was niets dat goed scheen. Zijn oogen snuisterden weer in de donkere -haarkroezeling om Lida's hoofd en naar hooger op; daar zocht hij in -den bleeken hemel naar de eerste sterren die, lijk pas ontstoken -kaarslichtjes, van langerhand kwamen uitpinken. Ginder te westen, -ver over de velden, tegen 't uitveegsel van 't vergane zonnegoud, -zwommen er witte wolkjes lijk groote bloemen zonder stengel. Daarbij -werd de stilte zoo rein dat 't staaltikken van Lida's naalden nu -duidelijk geruchte miek. - ---'t Is alsof wij gedrieën alleen op de wereld waren, dacht Rik, -en die wereld werd nu zoo vreeselijk wijd, zoo groot! en hij voelde -zich meêzwellen en zag hoe Wies en Lida daar en de gevelde boomstam, -eendlijk uitgroeiden. Nu en schafte noch en zocht hij meer van waar -die voldaanheid uitkwam die evenals de goede dauw, rijkelijk rond hem -neerviel. Hij dronk en zwolg zijn geluk als deugdelijke zeupen water -bij grooten dorst en lag daar te verlangen: naar meer, altijd meer en -dat het eeuwig zóo duren mocht! Daar rustte een zware goedheid op de -boomen, op het land hier, over al om dat huis bij Lida en Wies--elders -was 't de dood en daar dacht hij niet aan, nu. Naarmate het donkerde, -vernauwde die wijde kring in een goede omheining rondom hen. - -Lida liet haren brei in den schoot vallen; zij rok de armen hoog -uit en legde haar hoofd achterover geleund tegen den lindestam. De -deemstering vervaagde de lijnen van haar wezen en vulde de diepten -met wondere schaduwen. Rik zocht nog altijd om dingen te zeggen die -hij heel traag wilde laten neerleken in de stilte. Dat speelde rond -in zijn hoofd, maar zoo gauw hij 't in woorden wilde vastgrijpen, -hervormde dat zoo vreemd.... Wies zou lachen om zijn gezegde en Lida -verbaasd opkijken en hem ongeloovig bezien met wijde, vragende oogen; -lachen zou ze niet, dat was hij heel zeker, te meer dat 't nu zoo -stille, zonderling avond was. Ze zat beeldstijf te staren.--Waarom -hield zij die armen zoo hoog en haar lijf zoo uitgespannen?--Zij deed -dat veel en die houding bracht bij Rik zoo een naar gevoel vol onrust, -dat hij haar verstolen met half toegenepen oogen bezag, met vrees -dat ze hem betooveren zou. - ---Van den nacht zal ze mij weer berijden als een kwade mare, en toch -kon hij den wellust van haar zicht niet laten. - -Nu had hij haar, met een stil woord, willen doen verkijken uit die -verte, om dien langen blik naar zijn oogen te doen komen. - ---Hoor dien krekel, hier onder 't gras. - -Wies noch Lida en zegden daar iets op en ze luisterden of telden de -flauwe kriepgilletjes van dien krekel. En als dat luisteren weer zoo -uitgerokken lang duurde dan werden die kriepjes als zooveel scherpe -scheersneden die 't stilzwijgen in gelijke eindjes korf. Rik werd bang -op 't laatst, niet voor zichzelf, om de verdrietigheid of verveling, -maar hij vreesde voor 't gene die effene vlakstilte zou komen breken -en dat glazen kasteel ging doen invallen. Dan kwam onvoorziens uit -de opene huisdeur, zoo stoorscheurend gewoon, moeders:--Lida, we zijn -slapen, kom! - -Dat was het plotsinvallende teeken dat 't uit was voor vandaag. Lida -schoot wakker uit haren droom, liet de armen zinken en nu ging er -tusschen hun drieën een gesprek aan over de dingen uit 't dorp, -over 't werk; Rik vertelde van Dirk Koole die zou trouwen met een -vreemde; dat Pikkaert zondag laatst gevochten had tegen drie felle -boschkanters. Lida vroeg gewone dingen over Riene en Tielde--Rik -zijn zusters--en eindelijk rechtten zij zich alle drie tegelijk op, -rokken de leden uit al geeuwend en wenschten elkaar een goên avond. - ---Tot morgen, wist Lida nog en ze keerde weer zoo genegen haar hoofd -naar hem. Dan was zij met heur broêr in huis en Rik wandelde alleen -door den avond. Nu had zij duidelijk naar hem gekeken met haar donkere -oogen zoo vreemd vragend, dat hij al zijn bloed voelde verkruipen -en had willen huilen van geluk. Nu zou hij naar huis, maar eerst wat -zinnen nog over al 't geen er in zijn hoofd omwoelde. Hij stond daar -nog en hoorde hoe Lida met heur heldere belstem het gebed voorlas. Dat -ging lijk muziek over 't veld en dan eerst, als heur zangzeggend gebed -uit was en niets meer en roerde rondom, werd hij gewaar dat 't nacht -was bijkans en dat hij nu naar huis moest. O, hij droeg een rijkdom -en blijheid in zijn hoofd en dat danste over op al die zwaar zwarte -boomen daar en door heel den hemel onder 't groot blauw geluchte, -vol! Lida, Lida zag hem geern! Zijn leute moest hij uitjubelen in -een schallend koewachters "halarialo"! maar hij durfde de rust niet -breken rond zich en hij haastte en verlangde daar boven op zijnen -zolder te zijn, alleen om traag al de beeldschatten uit te pluizen, -te her-overdenken: al de woorden die ze zei, en met toegenepen oogen te -kijken op het gouden schemerbeeld dat in zijn hoofd geschilderd stond. - -Thuis viel er een smachtende adem op hem; zoo dof, ongezellig waren -hier al de dingen: moeder zat daar zoo suffig ineen gezonken met de -oogen vol vaak; de broers, zij lagen lang, moede uitgestrekt over den -vloer op tafel of banken, en Riene met Tielde, zijn zusters, zaten -onder den blaker van 't blikken lampje, te naaien. Hij zegde hun -allen een stillen goên avond en schreed den zoldersteeger op. Daar -sloot hij met zorg de deur om goed alleen te zijn en al het vreemde -ver van zich weg te hebben. En nu strekte hij lang zijn leden op het -stroobed, beet op de tanden en voelde een warme krijzeling over zijn -lijf loopen,--zijn beenen krimpten op en dan strekte hij zich weer -uit om kalm te smakken aan zijn gedachten. - -Hij zou nog bijlang niet slapen en zooveel hij kon, liggen denken. - ---Lida, Lida, Lida! "Tot morgen!" had ze hem gezeid!--Morgen mocht -hij weerkeeren, en zoo voort zou dat geluk in een ronde draaien en -nooit uit zijn! Morgen nog een avond. Later kon hem niet schelen. - ---Wacht, wat zal ik haar zeggen, morgen? waarom ben ik altijd zoo -beteuterd, verlegen als ik onder die linde lig en zij daar vóór me zit? - -O, er waren zooveel dingen die hij haar zeggen zou, maar zijn -opgemaakte voornemens vielen meestal uiteen als zij hem bekeek of -zelf aansprak, zoo dat 't gesprek voor een heelen avond op een ander -wegelken bleef.--Dat ze nu zei wat ze wilde, 't was hem altijd even -aangenaam en hij hield het zijne verduldig uitgesteld: later zou hij -wel tijd vinden, om haar heel zijn voorraad te vermonden. - -Hij wilde haar zien, enkelijk zien; daarom neep hij nu weer de -oogen dicht, duwde diep het hoofd in het kussen en ze kwam daar: -op den boomstam onder de linde, 's avonds; opweg naar de kerk, aan -'t putten van een emmer water, of stond gebogen aan 't groensel -plukken in den lochting. Hij zag haar levend met al de natuurlijke -plooiïngen van haar lijf, in haar gewoon doen, maar zoo onzeggelijk -schooner nu, beschenen met dien goudglans, veel anders dan bij dage -in de werkelijkheid. Nu wilde hij heur traag bekijken, heelegansch: -heur haar, oogen en mond, de lijn langs haar heup, den val van heur -nijdlijken blauw-netten voorschoot,--maar die dunne nevelsmoor kwam -heur weer omwinden, zoodat hij niets meer duidelijk herkennen kon. Hij -zag enkel heur twee zwartbruine oogen--de blik die hem vanavond zoo -doorkeken had--die blonken lijk twee lichtjes zoo zacht, en spreidden -een vreemde klaarte uit zoodat 't werd te zonneglinsteren onder de -linde met zoo'n wonderlijke wemeling daar in de bladeren. Groote -witte bloemen schoten overal tusschen--vlakronde zonnebloemen met -roodbeperelde herten, omkransd met geluwe vlamtongen en beneden -groeiden er hooge lischvlimmen met gloeiroode en witte kollebotten -die traag wiegelden. Daar midden in troonde Lida heel in blank en ze -zat daar stil op den bolleboom en keek meelijdend vriendelijk van uit -haar hoogte op hem neêr. Op 't laatst werd die lichtschittering te fel -voor zijne oogen en hij voelde zich wegvoeren op een rolwagentje met -zoetzingend spel, naar een ander land. Daar zwom hij in een grijze zee, -wijd overwelfd met groenigheid, waarachter een groote zon gedoken zat, -en een beeld ievers, maar 't was alles zoo overgroot dat hij verzwolg -in 't opademen van de veelte van genot. En zachte zonk hij neer in een -smachtend gevoel van kriewelende kitteling die hem zeer gelukkig miek. - -'s Morgens in die kletsheldere zonneklaarte lijk hij daar stond met -de drie koeien langs de gracht, zoo nuchter, dan werden de dingen van -gister heelemaal anders. Zie, ginder ver op 't glinstergroene veld, -in den zonneschijn, wrocht Lida met de andere boerenmeissens. Zij -speelden en schatergekten onder 't werk. Lida boog en rechtte haar -lijf--o, ze was de schoonste van al, maar zonder droomerij in de oogen: -de blijleutige deerne nu, vlug aan de hand, altijd brad en vroolijk, -met den klinkhelderen lach gereed op de lippen en de blinkend witte -pereltanden bloot. Dat was het blij werkelijke leven, nu. Die menschen -verstonden niets van zijn droomen en hij twijfelde of hij ook niet -een dutsachtige sul was? - -Het was zoo lastig met dien zwaren schat, gedoken rond te loopen -tusschen de menschen. Moeder schold hem om zijn droomen voor -luiaard en de groote broêrs gebaarden dat ze het keppekind niet en -kenden. Daarbij werd hij soms overvallen door een droef gedacht: -of er wel iets gemeens bestond tusschen hem en Lida? - -Was dat oogenspel wel vattelijk voor dat blijlevend meiske? en kon -ze bij éen van zijn woorden raden dat hij zot, razend zot van haar -was?--Lida dat werd soms doodeenvoudig de zuster van Wies, en Wies -die was zijn makker, en Lida ze knikte en koutte genegen omdat Rik -de makker van heur broer was; al 't andere wond hij zichzelf op en -haalde 't uit het oude boek van den zolder en uit zijn eigen zieke -gedachten. Dat miek hem neêrslachtig en wreed ongelukkig. Waarom -deed hij niet lijk Pol en Lieven en Jaak en zijn ander broers?--die -wrochten heel de week met blij gemoed zonder aan iets te droomen -en 's zondags gingen zij gearmd met hun deerne naar een of andere -kermis. Die vroegen er niet naar, of ze wisten toch zeker, geern -gezien te zijn. En Riene en Tielde, ze zongen heel de week en ze -hadden ook elk een jongen die haar halen kwam om te wandelen. - ---Ik zal heur zeggen.... Lida, 'k zie u geern--: haar nooit meer -bezien of wel er open naartoe gaan. Maar op den zelfden stond wist -hij wel en zeker het haar nooit te durven zeggen.--'t Best was: -alles uit zijn hoofd steken, lustig leven en aan niemand denken. Ze -was toch veel te hoog voor hem. - -Maar waarom bekijkt ze mij altijd zoo diep in de oogen? dacht hij, -doet ze dat zonder inzicht? zonder te weten dat het aanzet en me -betoovert? Waarom legt zij zich altijd in die deemstering zoo met de -armen uitgerokken achterovergeleund met halfopene oogen te glariën lijk -een luie kat? En dan monkelplooit ze weêr zoo aanvallig heur lippen. - ---Doet ze dat voor heur zelf of ook als ik er niet bij ben? En daar -hij heur bij dage ontmoette kon zij zoo vreeselijk gewoon groeten en -hoofsch lijk een vorstinne, op den kleinen koeier neerzien! of hem -ook in 't geheel niet opmerken, was 't dat ze met een buurmeisje aan -'t praten was over kleeren of tooisel. Dan viel ineens die gedroomde -innigheid weg. Als ze niet heelemaal de zijne wilde worden liet hij -haar liever af. En de hooggevierde Lida was een vreemde voor hem; -hij zou er niet meer naar omzien, 't was vast nu. Hij werd spijtig -om al de gedachten en genegenheid die hij aan heur verspilde; was -ze niet wreed ondankbaar en ijdel, daar zij hem niets van 't hare -wederzond? Wat gemeens bestond er tusschen hen beiden?--niets dan -wat simpel oogenlonksel! 't was al. - -Tot tegen den avond leed dat weg- en weerwerpen van beschuldiging -en verschoonen. - -Met 't stil wegzinken der zon welde de zachte weedom weer op. Dan kwam -zij zelf vóor hem staan en hij was weêr aan 't meêdrijven naar de oude -droomerij; door een lijntje van haar wezen, het dansen van een slutse -haarkrul in heuren hals, of de ronding en plooien van den voorschoot -om hare heupen, werd hij razend om haar sierlijke schoonheid, lam -geslagen, en al 't andere buiten haar: 't dorp met al de menschen en -moeder, verzonk en verdween voor hem in een duistere verte. - -'t Werk was nog niet geheel af, als hij weeral verlangde en zich -gedreven voelde naar buiten, bij de linde. - -Want, jammer genoeg, hij durfde daar elken avond niet gaan zitten -of voorbijgaan, dat zou te oogschijnlijk uitkomen dat hij Lida -vrijde en hij vreesde dat zulke mare in eens heel zijn geluk kon -uiteensmijten. Soms miek hij een vast besluit er in lang niet meer -heen te gaan; maar met den avond kwam de bekoring weerom sterker, -hij gaf stilaan toe, draaide rond en keerde tot hij toch op het -onweerstaanlijk plekje aankwam. En als 't gebeurde dat hij daar -niemand vond, ging hij gaan dompelen alleen in de velden en hij voelde -zich verlaten en droef. Die vereenzaming was hem te zwaar om dragen -alleen; hij moest iemand hebben waaraan hij vertrouwelijk zijn ziel kon -uitzeggen. Maar dat hij al rondzocht hij vond niemand: zijn broers dat -waren grove lummels die meestal met de bende uit gingen werken waar -er ievers een vaart te delven of groote hoopen aarde te verbeulen -was. Bij Riene en Tielde ook niet,--die en wisten er niets af van -'t geen hem lette. Lida alleen, maar 't was de Lida die in zijn hoofd -woonde--met haar sprak hij over al die wondere dingen, boven daar hij -in zijn bed te denken lag. Dan koutte hij vertrouwelijk even alsof ze -hem door den stillen avond waarlijk op dien afstand hooren kon;--en -'s anderendags, bij klaren dage, zag hij in haar donkere oogen dat -ze hem goed verstaan had. - -Morgen, als ik haar alleen vind, zal ik het haar wezenlijk zeggen, -dacht hij. Met één ding te eenegaar zou hij beginnen tot het, -op 't einde, al was klaar gelegd. Maar zoo gauw liet Wies hen -alleen of hij wierd benauwd om zijn woorden en hij zegde meestal -niets tenzij gewone dingen, zoo dom dat hij er spijt over voelde, -zoogauw ze gezegd waren. Ze moest een vreemd gedacht van hem hebben, -Lida, en z'en zou er wellicht nooit een woord af weten van al zijn -wonderlijke gevoelens. 't Ware best dat hij verre van hier weg was -en met andere menschen leefde. Er lag hier zoo'n gemoedelijke kalmte -over al de dingen.--Zie, die koeien daar hoe lam ze den kop rechtten -en voorttrakelden in den avond, en al dat rood van de zon achter de -tronken,.... z'en zal in lange nog niet zinken, dacht hij. De dagen, -ze winden zoo gezapig en de tijd spint zoo staag zijn kluwen uit! Als -hij nu liever voor zijn eigen genot beminde en verheugd was in 't -stille om haar schoone oogen, was dat geen geluk om bij te dansen! en -zag hij een einde aan zijn zaligheid!? De zonnewarmte kwam zoo goed en -'t groen van de versche lente stond overal uit. - -Moeder vroeg wat er heuren jongen scheelde, of hij ziek was, waarom hij -treurde? Maar z'en vermoedde niets, de goede vrouw, van zijn inwendige -doening. Eenigheid en wat rust, dat alleen miek hem gelukkig; als hij -maar ver weg kon kruipen waar hem geen mensch vinden kwam, en zitten -zinnen bij zichzelf, dan wenschte hij van niemand eenige hulp. En nu -ging dat veel beter thuis. Gister liepen al de grootste kerels van -'t dorp over straat en zij zongen. Toen Rik thuis kwam vond hij -Teune, Carpus, Klaas, Pol, Lieven, Jaak, die hun pakken mieken en -mede vertrokken naar een groot aardewerk ievers in 't noorden. Tegen -den avond was het dorp en 't huis heel stil en Rik was er blij om, -nu alleen te zijn met zijn zusters, in deugdelijke verenkeling. Nu -kon hij verstolen naar zijn zolder sluipen en daar heele stonden -zitten lezen in het oude boek met al die wondere dingen die hem zoowel -bevielen. Daar was een prentje in dat hij bovenal geern bekeek: in een -heerlijk priëeltje wandelden een slanke prins gearmd met een vorstinne -heel in wit; zij gingen zoo traag onder die heimelijke diepten vol -lommer van hooge boomen, en ze moesten zij toch malkaar aangename -dingen weten te vertellen. En die warme zonneklaarte scheen hem, -in dat lommerland, zonder einde. Dat zou hij Lida eens toonen later -en heur vragen of ze 't ook zoodanig mooi vond. - -Hij pluisde geern in zijn gedachten om te achterhalen hoe dat met -Lida begonnen en die koorts in hem gekomen was. Wanneer had ze den -eersten ooglonk geworpen die hem zoo ontstelde? Toen ze kind nog en -klein meiske was, had hij met haar gespeeld zonder eens te merken dat -z'er anders dan al de jongens uitzag. Later--en nu verdoolde hij in 't -menigvuldige der feiten--had hij beginnen verlangen om haar te zien en -te ontmoeten. Den eersten keer, 't was van in zijn zoldervenster dat -hij haar zag, en merkte: heur ranken, witten hals onder de glooiing -van de bruine haarkroezels--dan was zijn hert beginnen kloppen en -sedert dien ging Lida van heele dagen uit zijn gedachten niet meer, -en hij wenschte altijd tot het avond werd om haar te vinden bij Wies -onder de linde. - -Nu ook sleepte die dag zoo lang en 't was of wilde de zon, met langs -om min goeden wil, onder gaan; de avond kwam niet. - -Vandaag zou hij haar willen zien in 't klare licht. Heur beeld stond, -door 't altijd kijken met die deemstering tusschen haar en hem, zoo -wazig en onduidelijk in zijnen kop en hoe hij ook pijnde om de strepen -van haar wezen met zware lijnen te omtrekken, dat ging niet. Hij zou -haar lang bekijken om niets van 't geziene te vergeten. Daarom zette -hij, zoo aanstonds het schemeren begon, uit naar heur huis. Maar -hij hoorde, van ver nog, groot gerucht van veel stemmen onder den -boom, Lida zat er en Wies ook maar nog veel makkers uit het dorp. Hij -verkende Sneyer, Pinne, Fons Zeurkel, de drie Boelen, Krotse en Sieper -die vertelden van den oogst in 't Zuidland. Hij kwam stil bij geschoven -en liet hun luide stemmen gaan zonder naar iets te luisteren van 't -geen ze zegden. Gedoken bachten Sneyers rug keek hij naar Lida,--ze -zag er blijgestemd uit vandaag en lijk preusch daar alleen meisje te -zijn bij al die kerels. Tusschen de rookdrendels van den opvunzenden -tabak, keek haar aangezicht zoo lief en nu zag hij het heel duidelijk: -de wolle kroezeling zoo zwartbruin om haar wit voorhoofd--geen meisje -wist met zoo'n zwierigen wrong haar hoofd te sieren.--Dan volgde hij -de lijn langs haren neus, maar zijn zinnen verdoolden door een blik -uit haar diepe oogen, waar hij heel die wereld in zag! en ze wierd -weer de goede Lida, ál schoonheid, en hij dacht er niet meer aan, -te zoeken waar de toovering van heur wezen begon of eindigde. Zij -koutte leutig met de gasten die om het meest hun werkdaden vertelden -van 't verre land. Rik had maar een enkel ding opgemerkt uit heel hun -gesprek, 't was: dat groote Krauwel zijn ronde deed achter pikkers, -en dat al de makkers hem toegezegd hadden den oogst te gaan doen naar -'t Zuiden. Als 't donkerde zat Lida nadenkelijk voor zich uit te -staren en z'n zegde niets meer. - -Nu was ze weer het wazige schepsel met die rozige krullipjes en -den zonnigen glimlach, uit zijn droomen. Hij en hoorde noch en -zag niets meer rond haar. De laatste was hij die goên avond zei -en vertrok. Hij slenterde voldaan naar huis even als na een langen -blijdag vol leute. De velden geurden goed en de maan dreef zoo zacht, -zie, in een hemel hoe blauw! hoe groot! 't Was of al de dingen -voort waren, weggenomen, en hij daar alleen gelaten stond met dien -stillen avond. Bij den gevel thuis hoorde hij moeders stem luide aan -'t kijven. Als hij bij de deur bleef staan luisteren hoorde hij hoe -Tielde weende en moeder luide zei: - ---O, gij zot schepsel! wat gij denkt! Verschafel lacht met u, 'k -en wil bovendien niet dat ge nog naar hem omziet. Wat, hij zou u -vragen te trouwen!? O, gij simpel schaap! die dat gelooft! Weet ge -niet dat hij een begoede boerezoon is? en gij, Tielde Busschaert, -een meisje zonder iets? Waar zou ik het halen om u wat te geven? Uw -vader, de goede Segher, is zeven lange jaren ziek geweest en heeft -al opgeëten en vermeesterd wat we bezaten. En uw broers, wat brengen -zij naar huis? Wacht, kind, tot de trotsche Verschafel het weet, -hij zal zijn zotten zoon doodranselen! ha, ge luistert gij naar -jongens liflafferije! - -Tielde ademsnokte gedoken onder haar voorschoot toen Rik binnentrad -en moeder deed maar altijd voort:--Maar, hij vest u blauwe bloemkes -op; hij zal een tijd leute met u maken om u dan te laten zitten! en -u uitlachen, gij lichtekooi! zoek ievers een armen duts om honger -meê te lijden, dat zult ge wel vinden. Ha, 't was daarom, dat nieuw -kleed en al dat snuistergoed!? - -Rik was zeer aangedaan door dien onverwachten storm en hij ging -haastig naar zijnen zolder. - -Dat was nu weer een breuk in zijne droomen; dat viel lijk eene donkere -onweersvlaag over zijn geluk, en al 't ellendige van den werkelijken -gang stond daar vóor hem. Nu wist hij het eerst heel klaar: hij was -een arme jongen! - -In Tielde's verdriet en deelde hij niet veel, maar die woorden van -moeder sloegen hem diep--hij dacht voor den eersten keer: ik ben een -arme sul, zal Lida niet afhondig over haar schouder kijken naar den -jongen die ijdelhands op haar toekomt, en moeder Beucke ze zal mij -ongenadig van de deur gooien?! - -Wies was enkel zijn makker geweest en Lida was hem daarvoor genegen -wellicht. Maar moest ze eens gewaar worden wat hij eigenlijk -wilde!.... Daar stond nu ineens de groote scheidschreef tusschen -hen! Hij verdoemde vaders geldkostende ziekte en de slemperij van -zijn broêrs die hem arm mieken, en hij benijdde den goeden welstand -bij Lida. Hij had haar willen in nood zien en jankend van honger naar -hem om hulp komen. En hij dan, in staat een overvloedigen rijkdom -mildelijk rond haar uit te gieten; dan had hij die trotsdonkere oogen -zien smeeken en drukkelijk opkijken! Dat deed ze immers nooit. - -Maar 't was anders beschikt en hij kende geene uitkomst; 't ware best -geweest nu, kon hij maar gauw wegdommelen, aan niets meer denken en -ievers in een ver land weer wakker worden waar hij heur nooit meer -terug zag. - -'s Anderdaags was hij aleven slecht gestemd. "'t Moet uit zijn, dacht -hij, of later loopt het op een ongeluk."--En hij besloot weg te gaan. - -Een langen halven dag wachtte hij naar groote Krauwel, en als hij -hem eindelijk van zijn ronde zag thuis komen, ging hij er met vasten -stap naartoe: - ---Krauwel, wilt ge mij mee naar 't Zuidland? - -De groote kerel bekeek den jongen. - ---Hebde nog gepikt? - ---Ja, twee drie keers al. - ---In 't vreemde niet? - ---Neen, hier op 't Ganzenhof. - ---Weet-je wel jongen dat 't ginder brandt in de lucht en hard werk is!? - ---O, 'k kan daar tegen, vraag het maar aan Wies Beucke, die zal -'t u zeggen. - ---Kom dan, 't is voor de naaste weke en we trekken er diep in dees -jaar. - -Krauwel haalde een schroô papier uit den broekzak en teekende met -een potlood een kruisken onder aan de lijst.--Rik liep weltevreden -naar huis. - ---Moeder, mag ik meê den oogst gaan doen? - --- Wat, jongen, droomt ge? Blijf stil bij uw moeder, da's geen werk -voor u, ge zijt nog veel te jong. - ---Moeder, laat mij, Wies gaat ook en ik zal bij hem blijven. - -Hij overreedde moeder tot ze op 't einde ja zei en toestemde. - ---Nu, ga ik toonen wie ik ben, en hij rechtte zich in trotschen moed, -ik keer terug met mijn zakken vol geld--dan zullen we zien. Is er -niet genoeg, te naaste jaar haal ik er nog meer bij! Hij was vol goede -meeningen over zichzelf en vol hoop in 't geen komen moest. Maar Lida, -Lida, 't bleef en 't was overal Lida dat hij zag in alle dingen, -'s Avonds kwam hij onder de linde waar hij weer eenthoeveel jonge -pikkers vergaard vond. Hij ging eerst stil bij Wies en zei hem dat hij -mede den oogst deed; Lida raadde zijn zeggen en ze monkelde ongeloovig. - -De kerels die ginder reeds geweest waren en alles gezien hadden, -vertelden van de overgroote koornstukken daar, ho, wel tien dorpen vol, -al hemel en koorn om af te pikken, en dat z'er in geslegen hadden, -dag en nacht--en van de wreede zon! Sneyer had een man zien doodvallen -nevens hem, steendood!--Dan wisten ze nog veel over de boerenhoven -ginder waar de knechten elkaar niet kenden: zooveel waren er! - ---En de boer, dat is zooals een koning in zijn land, hij weet er geen -einde aan! wist Sieper. - -Rik luisterde benieuwd naar die wreede dingen, hij kreeg inwendig -vrees en toch voelde hij een groot verlangen meê te gaan doen in dat -geweldig werk, naar 't verre land. - ---Dan keer ik weer als een volslagen kerel en 'k mag meespreken overal. - -Wies en kon niet meer slapen, zoodanig verlangde hij. - ---Sa, jongen, zei hij en sloeg op Rik zijn schouder, ginder zullen -we ons armen en ons macht ontbinden en er ferm in losslaan. - -Als de anderen weg waren, bleven Rik met Lida en Wies nog wat zitten -rullen ondereen, lijk vroeger. - ---Lida, wat gaat ge hier alleene doen, en waaraan zult ge denken -eens dat we weg zijn? wilde Rik heur vragen, maar hij vroeg het -niet en vertrok dien avond weer zonder iets te zeggen van al het -gereedgemaakte. - ---Eer uit het land te gaan, den laatsten dag, zal ik het heur al -zeggen, dacht hij. - -Wies had hem gesproken van de groote winst ginder en hij verblijdde -zich reeds met 't voorgedacht van dien rijkdom. "Als ze mij dan nog -afwijst vertrek ik voor goed en niemand ziet mij nog terug!" - -Thuis was moeder in volle werk met zijn gereedschap; hij moest -nieuwe kleeren en veel versch goed hebben. Hier of elders en wierd -er van niets anders meer gesproken. De Pastor ging rond naar al -de huizen en vermaande de kerels om ginder goed op hun plichten te -letten en 't kwaad te vluchten, hetgeen ze allen met veel goeden wil -beloofden. Krauwel kwam ook nog om te zien of er niemand zijn woord -wilde intrekken en 't afreizen bepaalde hij nu voor vast: binnen -twee dagen. Niemand die nog wrocht, ze moesten te veel bij elkaar -gaan op bezoek en alles schikken, en vragen bij de "oude pikkers" wat -er meest noodig en best mede te dragen was. Zij gingen bij den smid -hun bootalm, pik en krauwels doen maken, naar de winkels om versch -goed en kleeren. De groote blauwe tweezakken werden volgepropt en -elkendeen verlangde om te vertrekken. - -Rik was 't meest bezig hoe hij van Lida zou afscheid nemen; vóór te -vertrekken naar ginder ver wilde hij toch gerust zijn en zeker moest -ze weten dat hij heur razend geern zag;--en hij brak zich maar gedurig -het hoofd om te vinden de manier hoe heur dat te bekennen. - ---Ik verlang te vertrekken, zegde hij, maar om een ding alleen zou ik -hier wel willen blijven. Omdat ze hem naar den naam van dat ding niet -vroeg durfde hij niet verder te spreken.--Maar ze lonkte toch met heur -oogen perkantig dat ze hem begreep,--dat deed hem het meeste deugd. - -Binst den nacht liepen Krauwel met zijn bende door 't dorp en zij -zongen overluide. Maar Rik was op moeders raad, vroeg gaan slapen. - ---'t Zal zeker wel de laatste keer zijn in lang dat ge dweersdoor -zult te rusten hebben, had ze hem gezeid. - -Nu lag hij in bed te luisteren naar 't wild gezang en de luide leute -van de gasten. - ---Moet ik mede met die druiste kerels?! dacht hij en er kwam een -groote vervaardheid bij hem op. - -Alevenwel stonden Wies met Sneyer, Broecke, Pinne en al de anderen 's -morgens voor den dag, gereed en blijgemoed te wachten op straat.--Van -alle kanten kwamen er nieuwe pikkers bij, zoo dat heel de plaatse vol -stond: krachtrijke kerels, sterk op de beenen in hun donkervloeren -broek en rooden ledenband, een blauw kielken dat los hing over -hun wreede schouders en een oud vilten hoed met neêrgetrokken rand -over hun wezen. Zij droegen den blauwgestreepten baalzak met kost en -gereedschap op den schouder en stonden geleund op den pikhaak, gerust -rond te kijken naar de bijkomenden. De moed en de veerdigheid blonk in -hun oogen en hun leden die rustten nu, toonden te meer de overdanige -krachten die ze meê droegen om wonderdaden te doen ginder verre. Ze -meumelden wat ondereen, ernstig; anderen plaagden malkaar en trappelden -rond vol onrust en verlangen. Veel vreemd volk liep over de bane: elk -wilde zijn kennissen zien en groeten. Moeder Busschaert was verslaafd -aan 't gereed brengen van Rik's laatste dingen.--Weder hij wilde of -niet er moest een potje versche boter met een schotel zwijnsvleesch -in zijn tweezak voor in 't eerste van de reis;--ze bracht hem nog -wijwater en hing hem een Lieve Vrouw-medaillieke en een kruisken over -den hals.--Dan kon ze 't niet meer ophouden, de tranen liepen over -haar wangen en ze keerde heur wezen om uit te snikken. "Heb goeden -moed jongen," stamelde ze, en de vrouw moest weer het hoofd wenden. - ---Heere God, 't is zoo ver te gaan, en zoo lastig; Pieter heeft daar -zijn ziekte en zijn dood gehaald. 't Was tijd. Met een krachtigen -zwaai gooide Rik den tweezak over den schouder en vertrok; moeder -en Riene en Tielde kwamen mede.--'t Eerst zocht hij rond tusschen al -het volk naar Wies,--ha! hij stond daar bij zijn moeder en Lida ook, -die luide aan 't kouten was tegen de makkers. - ---Nu, dacht hij, zal ik haar eens goed bekijken, 't is lange weg te -zijn, en 'k moet dat wel van buiten kennen om ginder in mijn eenigheid -haar heel te kunnen samenzetten en bij te houden.--Zou ik het haar -nu durven zeggen:--Lida 'k zie u geern en 'k zal ginder heel den tijd -op u peinzen; na den zomer ben ik hier weer. - -Zij bezagen elkaar en monkelden.--Z' had zich, met opzet voorzeker, -heel net opgeschikt van den morgen en scheen wonder welgemoed. - ---Ik moet er nu ook een ferme kerel uitzien, dacht Rik. - ---Zijt ge niet vervaard van het werk? vroeg ze hem. - ---Ho, al waar het nog zooveel? gekte hij en schoof met een duchtig -gebaar den hoed achteruit. - -Hij zou nu nog wel wat gezeid hebben, maar er stonden zooveel menschen -bij, en moeder hield hem gedurig in gesprek en Lida was zoo bezig -met heur broêr. - ---Krauwel is daar! Van achter den kerkhofmuur kwam de groote -Krauwel. Zonder spreken stapte hij tusschen zijn kerels en nam ze -goed in oogschouw; hij telde ze op en: "Niets vergeten gasten?!" - ---Neen, neen! riepen zij. - -Dan gaf hij teeken van vertrekken. Bendewijs, twee en twee of gedrieën, -gingen zij vooruit; velen gearmd met hun meisken en het hoofd gebogen, -vertelden al wat ze wisten voor lang; anderen nevens hun wijf, gaven -afscheidsplakjes aan de jongens. Wies en Rik met moeder en de zusters -stapten traag nevenseen. - ---Wies, jongen, zult ge toch goed, naar Rik letten? smeekte moeder, -de jongen is zoo teêr! - ---Betrouw er u op, Fiene, ik zal er zorg voor dragen en we komen de een -zonder den ander niet naar huis, zegde Wies om het vrouwke te troosten. - -Daar ging nu niet anders dan hun halfluid gekout en de zware tred -van al die vernagelde schoenen op de straatsteenen. Elk was bezig met -zijn volk. Aan 't kapellekruis bleven al de vrouwen staan,--tot daar -uitgeleid, was 't gebruik. Elkendeen riep een laatste "goê jongste, -geluk, en goên thuiskeer". Rik had de oogen op Lida,--ze wenschte hier -en daar een schertsenden groet naar de jonkheden die haar plaagden; -hij wachtte verlegen zijne beurt,--moeder bezag hem altijd en hij -werd ongemakkelijk. Een blijden oogslag ving hij, maar nu kreeg ze -weer dien trotschen wrong om de lippen en het fier draaien van den -hals dat hem ontstelde. - ---Ik ben weg, dacht hij, en hebbe niets gezegd, z'en weet niet, -en misschien.... - -Dan wendde hij nog eens het hoofd om moeder te groeten,--en daar -speurde hij even Lida weer op, die hem nu zoo schalks toewenkte met -haar oogen, als spotte zij om zijn kinderachtige bedutsdheid. Zie, -nu had hij willen terug naar heur toeloopen en al kunnen zeggen wat -hem op 't herte lag,--maar Wies vroeg hem: of hij iets vergeten had. - -Moeder bleef staan wachten om een laatsten groet van heuren jongen, -maar hij zag haar niet meer. - ---Wies, jongen, zei hij, wat moet ons dorp verlaten zijn en eenig -vol ledige vlekken, als we daar, zooveel groote gasten, uit weg zijn! - ---Da's niet, Rik, ze zullen wel leven zonder ons en we komen eens weer, -de zomer is zoo lang niet. - -Nog maar rechts waren zij den draai van de straat om, of al -het ernstige van vertrek en afscheid was vergeten en de leute -herbegon. Rommelaere haalde zijn trekorgel uit, de kerels stapten -op maat van den voois, grepen elkaar bij den arm, zwaaiden hoog den -pikhaak en zongen om het luidst: - - - Sa we gaan - ja we gaan - 't land uit! - Ja we gaan 't land uit. - Met goeden moed naar ginder verre! - Sa we gaan, - Ja we gaan - met ons pikke, met ons pikke, - ja, we gaan - ginder verre - al het koorn gaan afslaan! - - -Zoo stapten zij dapper 't dorp uit en een ander in, altijd voort den -heelen dag tot ze 's avonds in een ongekende streek reeds, bij een -vreemden boer slaping zochten. - -Rik voelde met bangheid dien afstand van huis vermeerderen; hij -trappelde meestal stommelings en gelaten mede in de bende met de -gedachten op het vreemde land waar hij naartoe ging en op al de -wreede dingen ervan die zijn makkers met onbeducht gemoed bespraken; -dan weer droomde hij op thuis en al wat er daar nu leefde in zijn -afwezigheid. Dat scheen hem nu een zoo stil, gelukkig oord, waar -hij in den laatsten, korten voorzomer heel zijn zaligheid verleefd -had. Al die avonden voelde hij met hun gelukzieke teederheid, en -hier op het onbekende, bloote land overviel hem eene groote treurnis -om dat vergaan genot.--Wat zullen ze met mij uitrichten? dacht hij, -en de groote dingen van den geweldigen zomer kwamen in hunne wreede -laaiing vóor hem staan. Boele had hem eendelijke standen verteld van -den zonnedans op een korenveld! Maar later haalde hij weer nieuwen -moed in 't sterk vertrouwen der makkers die nevens hem gingen. "Ha, -ha!" gekte Wies, "we zijn de twee jongsten, ze zullen ons wat sparen, -en als we 't niet meer uithouden, laten we ons vallen en gebaren ons -dood voor een halven dag!" - -De anderen stapten gejaagd met verlangen om 't werk te beginnen. - ---Daar kunnen we toch eens de armen loslaten! al de koornstukken hier -overkijken we, en eer 't spel in gang is ligt het al afgepikt! Ginder -is het anders,--koorn, al koorn zoo wijd als een zee! - -Rik keek vol bewondering die mannen in de oogen: dat werden nu al zijn -groote broeders en van hen verwachtte hij veel bijstand. De eene lange -dagreis volgde de andere: zij mieken de nachten kort en haastten zich -vroeg weg, altijd gejaagd om verder 't zuiden in. Over den blakken -heideweg geleken zij een zwarte woeling van menschen, uitgejaagde -landloopers op zoek naar geluk. Zij werden moede op 't laatst en -gerucht en gezang was lange reeds gestild; zij gingen zonder opkijken -en spraken zelden. Na al die dagen gaans zagen zij rechts en links, -bezijds de breede bane, een oneindigheid van magere vruchtvelden en -daarin, alhier, aldaar verzaaid, overal gelijke kerktorentjes uit een -troppeling lage huisjes opsteken. Verder waren de vlakten bloot en de -einder wijdde uit over onafzienlijke stukken vageland en moerassen. Zij -gingen dag uit dag in door de zelfde richting zonder talmen, aten op -'t getij langs den weg en sliepen in een schuur of onder den blooten -hemel. Bij dage werd de zon duchtig warm, de nachten niet te koud en -van langs om meer werden zij gewaar dat 't Zuidland niet ver meer -af was. Bij 't opklaren van een volgenden dag zagen zij de torens -van een stad achter den nevel;--volgens Krauwels zeggen moesten zij -die links laten liggen, later zouden zij er nog een veel grootere te -dweerschen hebben en daarachter.... lagen de velden waar er te maaien -en te pikken viel. - -'t Was met een groote benieuwdheid dat de pikkers die stad inkwamen; -zij keken zich de oogen uit in die rijke straten; verloren den adem -tusschen al die menschen en huizen. Zij hadden hier lang willen -vertoeven en al die wondere dingen her en her overkijken, maar de -drijf lag verder en Krauwel gebood goed bijeen te blijven om niemand -te verliezen. Achter de stad kwamen zij in een nieuw land; 't blauw -van den hemel hing er om zeggen veel hooger over een uitgestrektheid -vol vruchten: wijde koorns en haver en gerste en gras en dat alles -onafgelijnd zonder straten of scheidspalen, rechts en links de wijde -baan, bezet met vier reken groote boomen, 't was lijk onder den beuk -van een overgroote kerk dat ze gingen en tusschen de stammen staken -de hooge vensterramen waarachter heel die zonrijke wereld blootlag. - -Tenden den dag kwamen zij aan een hofsteê. - ---'t Is hier, zei Krauwel, dat we ons eerste werk beginnen, en hij -vertelde veel bijzonderheden over den boer waarmede zij meest allen -voor 't eerst zouden kennis maken. - -De mannen stonden afgemat en moede, bedremmeld te staren over een -veld maairijpe spaansche klaver. - -Zij gingen nog wat verder en voorbij het jonge koorn. - ---'t Zal een goede oogst zijn, meende Sieper, zie hoe 't allemaal -rechtop staat, als 't weer droog blijft, pikken we op halven tijd -den oogst af. - -Daarachter zagen zij de hooge daking van veel gebouwen en een -torentje opsteken. Krauwel ging alleen de groote hofpoort binnen en -de anderen legden hun vermoeide leden wat te rusten in 't lommer van -de boomen. Zij vermieken hun gekwetste voeten en bedienden elkaar -met de heelmiddels uit hunnen tweezak. Welhaast kwamen veel jongens -en meisjes en vrouwen van de hofsteê om de pikkers te zien die van -ver toegekomen waren. De boer kwam ook buiten mede met Krauwel. Een -lange magere vent met zwarte kwade oogen. Hij sprak luide in een -vreemde taal en deed barsche bewegingen met hoofd en armen. - ---Dat is de overeenkomst die hij maakt met Krauwel, voor ons werk, -zei Wies tegen Rik. - -De twee bleven op een afstand staan, en als, te langen laatste Krauwel -bevestigend het hoofd knikte en ze elkaar een duchtigen slag in de -hand gaven, naderden zij tot de makkers! De groote boer bezag al die -werkers, sprak nog wat over den toestand van den oogst en de klaver, -vertelde dat er over eenige weken een andere bende aangekomen was uit -'t zelfde land, en dat die nu aan 't werken waren in de beeten. Dan -keerde hij zonder ommezien weer naar zijn hof. - ---Zoo makkers begon Krauwel, we zijn ingespannen! morgen slaan we -den slag. Hij wist hun den loonprijs van hun arbeid uiteen te doen -en de regeling van het werk. - ---Hier deugt het niet te goed voor den oogst, jongens, we maaien hier -enkel de klaver en trekken 't land in voor 't koornwerk. - -Een klein meisje kwam hun den weg wijzen waar ze gingen eten en slapen -binst het verblijf. - -Het leidde hen achter de stalling, door de schuren en andere nauwe -stegen, tusschen gebouwen en aangetrekken, naar een groot laaglang -houten kot. Het meisje liet hen daar staan en vluchtte blij-lachend -weg. - ---Da's hier ons huis, gasten, zei Krauwel, elk kan hier vrij zijnen -hoek kiezen en zijnen polk om te slapen en hem houden voor goed; we -doen hier lijk de koeien op stal en als we ondereen vrede hebben zal -er ons buitendien geen mensen komen storen. Nu halen we ons gerief -strooiing uit de schuur en we maken ons bed op. De woonst was gauw -gereed en het stroo open geschud; aan het hoofdeind van elk leger -lagen de kleederen en de zak met gerief en alm. Dezen die vermoeid -waren strekten zich maar seffens neer en ronkten. Anderen zetten zich -vier en vier te kaarten of gingen buiten lanteren en rookten hun -pijp. Krauwel met Sieper gingen naar 't boerhuis om wijn te koopen -en brood; vleesch en aardappels zou men op 't hof voor hen koken en -thuis brengen, zoo was 't afgesproken. - -Wies en Rik zaten in eenen hoek te praten over 't geen ze gezien -hadden, en zij mieken ondereen gissingen over 't geen komen ging. - ---'k Ben blij, Wies, dat we er zijn.--Wat was die weg lang en we zijn -een wreed eind van huis af. - -Wies porde en tastte in zijnen zak achter zalf voor zijn gekwetste -voeten. - ---En moest er hier een van ons ziek worden? vroeg Rik weer. - ---Ja, die blijft hier in 't kot liggen tot hij geneest of dood gaat, en -Krauwel houdt hem het loon van de verloren werkuren af. Morgen zal 't -er op los gaan jongen, hoe meer we werken hoe meer we winnen. "Slaapt -als ge weer thuis zijt!" zal Krauwel zeggen. Verleden jaar hadden -we drie maanden dat we lijfsgenadig wrochten zonder slapen bijkans, -en dan hadden we vroeg gedaan ook: vóor kermiszondag waren we met -ons zakken vol geld alweer thuis. - ---Hoelang blijven we hier op d'hofsteê? vroeg Rik. - ---Ho, hier is 't enkel klaver maaien, en we pikken verder den -oogst.--Bij Quélin, daar zal 't een lang getij op 't zelfde gedoen -zijn,--'t is een hofsteê meerder dan heel ons dorp; ge zult de oogen -open zetten naar al dat koorn: zoo ver ge zien kunt al éen stuk zonder -straat of wegel daarin, en de boer komt daar stormelings doorgereden -te peerd als hij zien wil of we 't werk in geweten wel doen. - -Zoo keuvelden zij stil voort, halfluide en wat bevreemd nog in dat -groot donker kot met naakte berdelen weegen. - -Het vat wijn en een mande vol brooden werden ingebracht en al -de pikkers kwamen bij. Krauwel schonk hun een eerste proefteug, -waarna zich iedereen voor goed te slapen legde. De deur van het kot -bleef open om de koelte en door de opening sleepte een weifelachtige -klaartestreep binnen over die reeks uitgestrekte menschen die gerust -en onbekommerd lagen te ronken. - -Dien eersten nacht, zoo dicht bij het werk en onder dat gruwachtig -dak, overdeed Rik met een treurig landwee; hij lag bij zich zelf rond -te denken aan die verre dingen en hij overkeek in zijn angstigheid -de kerels die ook hun huis verlaten hadden en toch zoo gewillig den -slaap vonden. Hij lag heel alleen wakker, eenling in een onmeedoogende -vreemde streek.--Thuis gaat het nu alles gewoon weg, en is er wel -iemand op heel de wereld die om den armen Rik bekommerd is? dacht -hij. O, had hij maar de zekerheid gehad te weten dat hier achter of -rond dat akelig kot, zijn eigen huis stond en de mogelijkheid daar Lida -of ware het nu maar moeder of een van zijn zusters, te ontmoeten! Maar -'t was een volstrekte onbekendheid vol vreemde wezens die hem niet -aan en gingen. Niemand spreekt hier van huis of van de zijnen, dacht -Rik. Wies lacht met mij als ik van hen spreek en bij mij en wilt het -dorp me uit den kop niet. Lida is buiten wete van mijn groote kwaal -maar.... 'k zal heur eenen brief schrijven, dacht hij, op 't papier -met heur praten en al zeggen wat er mij deert. - -De vermoeidheid kwam hem overmeesteren; hij schreef zijn droomen in een -langen brief en daar achter 't open raam, bezoomd met druivenranken, -zag hij hoe Lida's kijbig wezen blij lonkte bij 't lezen van zijn -geschrift. - -Vroeg aan den dag werden de pikkers gewekt door overdanig gerammel en -gerucht op het boerenhof met veel hanengeschreeuw en peerdengetrappel -en geroep van knechten en meiden. De klaarte viel door 't open deurraam -en buiten zagen zij de groote zon die opstak en glinsterde boven -'t land. Zij moesten eene zeis gaan halen in de schuur en dan naar -'t klaverland, heel de bende. De boer leidde hen achter den wal, -bij een uitgestrekte vlakke zee van wiegende groen, bedauwpereld in -rijke weligheid. Dat moesten zij afmaaien. Zij lieten eerst nog een -stonde hun oogen gaan over de wijdte, bezagen elkaar en monkelden -weltevreden om den schoonen arbeid waaraan ze beginnen zouden.--Dan -onderzochten zij het alm, gingen op gelijken afstand in reken staan, en -in die landelijke morgenstilte dreelden zij vlijtig den wetsteen over -'t wreede staal dat 't scherregerrend kletsvijlde over heel de streek. - ---Nu beginnen we, makkers! zei Krauwel die om te proeven den eersten -slag met zijn zeis in de klaver sloeg. - ---Allo, laat ze spelen, het voeder staat malsch en recht, 't snijdt -lijk in de boter, 't is een plezier. Ze spogen in de handen en "zoef" -alhier, aldaar langs heel de rei ging de ronk van 't staal en de lange -klaver boog en viel effenaan plat tot aan den wortel afgeslagen. Met -'t eerste ontbinden van hun krachten voelden zij een gezapig geweld -in zich opkomen, een fierheid elkaar te zien: die lange rei mannen -hoog uitstekend over 't groen, daar zoo zwierig staan zwaaien op hun -lange beenen, half doorzwakt en met gelijken wrong het bovenlijf en -de breede schouders keerend, rond uitsmijten hun armen en 't blinkend -staal dat 't jonge groen omverre dreef eer ze 't raakten schier.--Een -bende volk daar, die lijk krijgers met hun alm 't uitzicht van een -groot land zou keeren! - -De zon stak hooger al en warmde duchtig, en nog altijd op denzelfden -maatslag waagden de mannen op hun wijde beenen, en de slag ronkte -zingend lijk een windruk die schoer over den grond en altijd nieuwe -strepen kaal sneed. Daarbij galmde het in de puurijle vroege zonnelucht -van blij getater en gezang: de vroolijke liedjes van thuis. Ze waren -hier in hun vrijvreugdige doening en voelden 't genot de leden uit te -laten zwieren en door hun vrijblijden kop gonsde het gezond jeugdig -levenssap dat met den nieuwen zomer overal opschoot. Zij stonden daar -sterk in hun eigen krachten, zonder zorg of kommernis of verlangen naar -iets, genoeg en voldaan met hun eigen zelf en rijk in hun eigen spraak -en gezang, overmachtig te midden die overweldige, vreemde menigte, -zoover van hun huisland. - -Boele zong uit zijn forsche keel het goede maaierslied en ginder -aan den overkant deed Sneyer al de kerels schaterlachen met zijn -zotgeestige spotspreuken. Rik zelf vergat al het droomtriestige -van gisteravond en hij werd meegesleept in de uitgelaten -blijmoedigheid. Dat was iets dat hij nooit gevoeld of genoten had, die -breede doening op het wijde land met al die makkers ondereen. En het -werk ging vlug en vroolijk. Hij en Wies en nog andere van de jongsten, -raapten het gemaaide groen in bundels, spreiden het met een handigen -wrong open op den knie en de bundel stond, even een spits torentje -aan den top met een herel toegebonden, te drogen in de zon. - -De maaiers stapten gestadig vooruit en sloegen eenbaarlijk; z'en -keken noch naar uur noch tijd van uitscheiden, schaars éen die met -de oogen den gang van de zon volgde in de lucht. 's Noens, als 't -klokske bengelde op 't hof, lieten zij de zeis vallen en spoedden op -een loopken naar hun kot. Daar vonden zij veel vleesch en de gekookte -aardappels dampend en vervochten er met knappen tand hunnen grooten -honger. Daarachter mochten zij een uur uitrusten tot Krauwel teeken gaf -van herbeginnen. En weerom was 't maaien tot den avond toe en zoo voort -veel dagen achtereen. Dan merkten zij eerst hoe hun staal in de klaver -gebeten had: een groote kale vlakte die nu volzet stond met gedroogde -gerzing als een slagveld vol kleine, ronde kapeltentjes. Maar vòor -hen bleef het altijd dezelfde groene, wiegende zee zonder einde. Op -'t laatst werden zij zich thuis te voelen en gewend op dat grootwijde -land, alleen onder den hoogen hemel met de schoone zon; 't was of -hadden ze ievers elders geen menschen meer of magen die wachtten naar -hun weerreis. Z'en vroegen niet voor wie ze wrochten of en verlangden -niet naar loon, het voldeed hun alleen dien vredigen slag te slaan -met de groene klaver en ze voelden hoe goed het was gerust te leven -bij elkaar. 's Avonds vooral kwam de leute boven; na den langen dag en -waren zij nooit te moe of te afgemat en voelden nog krachten over voor -'t spel. Daar stoeiden de jongsten lijk veulens over het geschoren -veld tusschen de tentjes rond achter malkaar en mieken spartelbeende -tuimelboomen om het vlugst. Rommelaere haalde dan zijn trekorgel uit -en speelde al de kermisdeuntjes van 't dorp. Sieper, Boele en Sneyer -en Wies met veel anderen zongen overluid de blijde liedjes mede. Als -'t hun te plezierig werd grepen zij elkaar in de leden en dansten zot -in de ronde. Tot ze moe en uitgeraasd zich afgelamd lieten neerzakken -bij de oudsten die uitgestrekt te rusten hun pijpe rookten. - ---Jongens, vermaande de oude Wiezeur, ge krijgt uw beste dagen eerst, -de zonne zal gaan gloeien en laat ons maar de zeis mangelen met de -pikke, ge zult de dansers zien hijgen! Maar de drieste kerels en lieten -er hun leute niet voor en wachtten zonder vrees het voorspelde branden. - -Sedert de nachten verzoelden en sliepen de maaiers binnen hun kot -niet meer, maar bleven buiten op 't veld uitgestrekt liggen slapen in -'t hooi. Hooge boven hun hoofden zaten en pinkelden de sterren in -den staalblauwen hemel,--die waren dezelfde van thuis op hun dorp -en met die makkers konden zij vrij droomen bachten moeders schuur, -in een zomermeerselken te slapen. - -Na veel dagen werken lag het groot klaverstuk plat en afgemaaid, maar -de boer leidde hen op een ander, even groot, en daar mochten zij op een -nieuw herbeginnen. De tijd keerde daar eentonig in zijn vereenzaming -zonder afgewisseld te worden door den wekelijkschen blijdag waaraan -de pikkers in hun land zoo gewend en verlangend waren. De zondag was -hier ongekend, ze wrochten heel den tijd tot tegen den avond en dan -kregen zij enkel den overschot van den dag om verzet te zoeken. En -zij mieken er vrij gebruik van! Op een vlucht waren zij van 't veld -naar hun kot en trokken er haastig hun beste vloeren broek en nieuwen -blauwen kiel aan. De meesten gingen om 't grootste plezier en veel -menschen te vinden, naar 't bijliggende dorp en deden er hun herte -deugd aan veel wijn en luide liedjes. - ---Waarom gaat-je niet meê met ons? vroeg Wies aan Rik, ge blijft hier -alleen staan droomen als ge daar al dat verzet kunt hebben! - -Rik had liever geen zondag gezien, dan dacht hij altijd veel meer aan -huis, voelde dubbele deernis in zijn beteuterd leven. Hij zag geern -al de makkers vertrekken zonder belust te zijn naar hun verzet;--het -beviel hem beter hier alleen rond te slenteren in de velden en op het -hof. 't Werd er zoo stil dan en rustig overal rond dien tijd. Daar -bleef hij soms staan lanterlullen onder eenen boom, speelde met een -stroohalm in 't zand lijk de jongens, of stond met den schouder tegen -den hoekmuur geleund te kijken naar de kiekens die hun laatste zaadjes -zochten voor het slapen gaan. - -Hij ging geern de groote stallen af in heel hun lengte vol koeien en -peerden. Daarna trantelde hij weer naar zijn kot gaan futteren in zijn -zak daar er veel kleinigheden van huis in staken. De zinkende avondzon -en al het goud en stofrood stemde hem altijd weemoedig. Hij dweepte met -Lida en vond dat het nu goed zou zijn haar te schrijven. Hij haalde -al het noodige uit en kwam in de klaarte zitten, buiten aan de deur -van 't kot. Het papier lag over een planksken op zijne knieën en hij -hield de potloodpenne gereed, maar hoe hij 't zou aanvangen het haar -te zeggen al dat er daar binnen zat, en vond hij niet. - ---Lida, ik ben hier alleen in den avond. We leven hier zoo een wonder -leven. Zoo ver van u en van huis. Lida, gij zit thuis, alleen, onder -den boom, in den avond. Op wien peinst ge nu? Ik zie u zitten alsof -ik bij u zate. Zoo klaar uwe oogen en heel uw wezen. Schoone voor -mij. Gij en gaat nooit uit mijn gedachten. Bij nachte ook niet. Dat ge -wist hoe geern ik u zie. Ik en durfde het u nooit zeggen zoo bevreesd -was ik dat gij mij stuur zoudt bekeken hebben en boos zijn op mij. - -Hij was nu werkelijk thuis en aan 't praten heel vertrouwelijk met -zijn wonder meisje, en hij voelde als bij waarheid al de deugd er -van over zich loopen. Zij zat daar stil te kijken, zoo vredevol met -die goede deemstering tusschen haar en hem. Wat werd het nu overzalig -aangenaam malkaar schaars te verkennen nog in die vallende donkerte. Nu -en spraken zij geen woord meer maar ze verstonden zoo goed al wat -ze te zeggen hadden. Geluk, geluk met een vrees, een angstigheid om -'t eindeke dat er moest mede gedaan maken. - -'t Was grimzwarte avond reeds als hij opschoot en wist dat 't al -leugens waren en zinnenbedrog? op zijn knieën lag het bladje wit -papier en daar en stond nog geen letter op geschreven. - -De pikkers kwamen half bedronken thuis bij benden en zij bralden -woest hun leute uit; zij vielen neêr op hun stroo en raasrulden nog -wat bij hun eigen tot ze geweldig aan 't snorken gingen. Sneyer en -Kretse waren gewond en bebloed; z'hadden, met nog twee pikkers uit een -anderen ploeg, tegen een heele bende inlanders gevochten en gesteken. - ---Zondag slaan we ze gruisdood, de spotters! we trekken er allemaal -naartoe! Zij zeuren in 't spel en z'hebben daarbij mijn geld gestolen -en mijn uurwerk, de deugnieten! vloekte Kretse. De roste dief! hij -zal lang achter zijn hoofd zoeken, 'k heb er op getimmerd met mijn -boothamer, lijk op een geblutste pikke! - ---We gaan erop los met ons pikke, Zondag; met ons pikke, -verdomme! hielp Sneyer. - -Zwijgen! beval Krauwel, Wies vertelde in 't stille aan Rik den toegang -van het wreed gevecht. De dorpelingen waren beginnen spotten met de -vreemde pikkers; dan hadden ze samen wat gespeeld, maar als Sneyer -vond dat ze zeurden en stolen, dan waren ze opgebriescht en erop -beginnen slaan en stampen: z'hadden met een halfdozijn pikkers heel -'t dorp omver gestooten. - ---Rik, 'k weet nog anders nieuws! 'k heb kennissen van tegen ons dorp -gevonden, een grooten ploeg pikkers, die zijn oostwaards op gaan -werken; voorzeker vinden wij ze bij 't overgaan naar boer Quélin's -koornvelden. Rik, slaapt ge reeds? - ---Ja, zei Rik, maar hij zinde altijd wat hij ging zetten in zijnen -brief. - -Den volgenden zondag zat hij weer op zijn blad papier te dubben. Maar -nu moest hij erdoor en hij vertelde in korte reken wat hij hier deed en -hoe hij leefde en de groeten van Wies en 't nieuws aan moeder en dat -'t met alleman wel ging, dat ze schoon weder hadden en niemand ziek -en was. In den ondersten hoek kwam het half weggedoken--een klein -woordeke maar--over zijn groote genegenheid. Lida zou wel vatten dat -'t heel ernstig en groot bij hem was, maar dat hij zwijgen moest -omdat elkendeen 't zou weten. - -Hij was niet tevreden over zijn brief, hij zou hem weeral scheuren -ware 't niet dat hij vreesde den volgenden nog slechter te maken. Hij -plooide hem in den omslag, sliep heel dien nacht bijkans niet van -onrust en 's morgens voor den dag stond hij gereed om den peerdeknecht -te spreken die den brief zou meêdragen en in de stad bestellen. Rik -sprak schoon aan den kerel, gaf hem wat stuivers voor den vrachtkost -en beval den brief toch wel zorg te dragen om hem niet te verliezen -of te vergeten. - ---Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier wel geborgen -onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem recht naar -'t posthuis, betaal er den stempel en hij is op weg!--Juu! - -De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den draai om, -hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden: - ---Die simpele jongen! met zijnen brief! 't is zeker naar zijn meiske -dat hij schrijft. Ware 't geen zonde Gods al dat geld te verteren -aan dat papierken?! - -Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde hem tusschen -de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond. - ---'k Zal wijn koopen met den jongen zijn stuivers, dacht hij, en hij -verdronk het geld in een kroeg onder weg. - -Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde omdat Lida -nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat hij -zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren -kostelijken glimlach. - -Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers een einde -te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat 't laatste áf was. - ---Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen in de vroegte uitzetten -naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel tegen de twee pikkers, zeg -hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn hof toe. - -'s Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met de boodschap. - -De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun werk af en heel -'t ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes lijk een overgroot -slagveld, op verren afstand gezien. - -De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, schonk hun -menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en blijgemoed aan -'t klappen gingen en boften met den boer als den besten van al de -werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld dien hij deed -reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch zoodat de -halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en Krauwel en -Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar zij wisten -niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer schonk -altijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde luide de zilverlingen, -vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug te komen en of ze -tevreden waren met de betaling. - -De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat en zei -eindelijk: - ---Ja, 't was sakkerbleu schoon geld, gauw, kerels strijkt ze maar -op! elk zijn deel. - ---Wilt ge nog eens hertellen? - ---Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, w'hebben recht gewrocht, -ge zult ons recht betalen. - -Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in een beurzeken -dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren blij, -de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten zij -bedrogen te zijn. - ---De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper als ze buitenkwamen, -maar, voort, verdommelinge, w'hebben toch goed geld, 't is het eerste, -we zullen er geluk mede hebben, 't is wel verdiend! - -Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien ze niet meer -drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, door de -dubbele dreef, naar 't zuiden. Zij zongen weer dat 't hellemde en -stapten met goeden moed. - ---We zullen niet ver te gaan hebben, meende Krauwel, zoo gauw ons -mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens zenden. - -Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen zij twee -groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden en -luidde tierden. - -'t Waren nog dezelfde peerden en knechten van verleden jaar en de -oude pikkers waren er blij om de vroegere kennissen te vinden. - -Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen kletsklakten -in de lucht, de peerden stormden door 't stuivend zand en 't plezier -begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de mannen zongen heftig -mede,--'t was of reden zij in triomf naar een groot feest. De hemel -zat zoo blauw en welfde wijd boven de goudkleisterende zon. Overal -waar de pikkers de oogen wendden was 't éen gouden zee van wiegelend -koorn: ze werden lijk dronken van de geweldige klaarte. Zij staken -de armen wijd uit, lieten het hoofd geneugtig achterover vallen en -wezen in de ronde als wilden zij het al overgrijpen. - ---'t Moet áf, 't moet áf, al het koorn moet áf! - -Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel voldaan over -zijn mannen. - -De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts een weg in, -dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te zien. - -Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek altijd verder en hij -meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg benauwdheid en gruwenis -van dat koorn, die vredige goudstroostalen met die spelende halmen -en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd vergeefs het einde -zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem danig vreeselijk. - ---Wies, hoe ver is 't nog?--Wies, waar voeren zij ons naar toe? we -zullen hier nooit meer uit geraken. - -Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld, hij greep Rik bij 't lijf -en danste rond op den wagen. - ---Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt u weg, jongen, -dan kunt ge de koeien wachten op d'hofsteê en niet pikken met ons, -de kerels begekken u voor 'nen truntaard. - -Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, 't was Quélin's -hofsteê! Ze reden de wijde poort binnen en kwamen op de opene plaats, -omheind langs vier zijden met huis en stalling en schuren. Van veel -kanten kwam er volk bij om de pikkers te groeten. Meest allen waren -goed gekend op 't hof. Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal -weergekeerd; de Boeles en Sneyer met verschillige anderen wel vier -maal, van Wies was 't tweede jaar. Die wisten hier goed den weg en -gingen zich gaan ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde -strootent achter 't hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun -bedding moesten zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en -daar werden de groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en -wijn zooveel ze drinken wilden. - ---Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, w'hebben maar korten -tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren moet de pikke spelen. - -Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden jaar, die hun -wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk ze moesten -beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar. - -De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als 't voort goed weder -blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben. - -Na het eten wandelden zij nog wat rond over 't hof. Hier voelden zij -zich aanstonds thuis en vrij in die groote doening. Rik en bekwam niet -van zijn verwondering, hij wandelde met Wies, en vroeg en taalde om -uitleg van al die dingen. - ---Dat volk en kent hier malkaar niet? 't is lijk een heele stad, Wies. - -Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe te slachten; -ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den versten hoek -wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk gespannen en bezig, -zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten en meiden liepen -in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm reden over 't -hof door een krioeling van hennen en kiekens en zwijnen en huppelende -kalvers. Wat een levende miereling en gewroetsel ondereen! - -Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een gedoen? En -daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen die -daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den openen -zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende achting -om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, en -hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij meende -te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover van -huis kwam doodbeulen. - -Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien en gingen op -hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in lang. - -'t Was volle nacht nog als zij weer op en recht stonden buiten de tent, -heel werkveerdig in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die -los om het lijf hing en hun breede borst en ronde armen bloot liet. - -Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en keek vragend in -de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een vlijtige maan in -'t groote bleekblauw boven hun hoofden. - ---Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien. - -Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en geen halmke van -'t koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een krekel en verre blies -een boschuil. - ---We zijn hier heel alleen, zei Kretse. - ---Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe zon, gekte Sneyer, -zie-je daar heur poorte opengaan? - -Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook uit het oosten -den hemel kleurde. - ---Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een armvol koornstalen. - -Dat was het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor 't goed begin, -spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen slag van de pikke en -'t ruischen van 't koorn dat viel. De mannen stonden wijd bedeeld in -een lange rei zoodat ze schaars elkander zien konden, elkeen gebogen -over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig voort. De dag klom al over -hunnen rug zonder dat ze opkeken of verademden. Stilaan kwam de zon -die de uchtendnerschheid kwam opzuipen en welhaast begon de hitte op -hun lijf te wegen. Met 't uitbersten van 't zweet voelden de pikkers -eerst hun volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het -hoofd recht hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij -van hen afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden -de armen door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn -vliedend terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met -een korten ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den -grond ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier -pooten aan 't wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en -overgoten door het teisterende hittelicht van de zon--altijd vooruit: -kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de pikke -bot stond. Dan gingen zij aan 't kloppen met den hamer en klabetterden -met den wetsteen over 't staal om met nieuwe snede te herbeginnen. - -Het bengelend noenklokje was het eenige verlossingsteeken. Dan sprongen -zij op en liepen om het zeerst naar het hof dat daar ingelommerd -rustte onder zijn groote boomen lijk de gelangde oase te midden een -vuurwoestenij.--Ge moet tenden uw bekomste eten, raadde de werkbaas -die daarbij stond. - -Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte goed en de -drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde hier op -'t hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als hij hun -gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met hen -te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte en -verfrissching in den vischvijver. Zij dompelden naakt lijk de puiden -op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen en bemorsd -weer boven en ze loechen om de aardigheid. - -Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er dan heftig weer -op los naar 't veld. - -Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land stond doorlaaid -van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur loodrecht uit de lucht -neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een bange beklemdheid -als zij dien hoogen barm op moesten en aan strijd vallen tegen al -die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en -gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de -oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres -te meerderen in den dikken muur van stroostalen die daar manhoogde, -en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef. - ---Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg Sneyer om te gekken, -nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in de Meerschblomme -of te spartelen in 't Scheldewater thuis bij avonde? - -Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers aardigheid;--de -zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo droog dat hun de -adem achterwege bleef en 't zweet lekewijs uit het vel droop. Wie -was de radelooze zot die nu met bier voor den dag kwam, dat lekker, -koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de Meerschblomme, -en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den hemel! Zie de -jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen. - -Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den bodem niet meer -onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van den dag niet en -zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen sloegen altijd -voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu en dan veegde -hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de oogen en loerde -links en rechts om te zien of er geen makkers nevens hem dood vielen. - ---Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil aan Labbe die -lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen zwaaide. - ---Ja, regenen, jongen, 't kan hier vijf weken lang water gieten aan -een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder uitscheiden, en dan kunnen -wij liggen rekken in ons tente en al ons geld opeten. 't Weer is goed, -knape, wat geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd. - ---Regenen, o, dat 't toch maar een dag regende! wenschte Rik; 'k en -weet niet wat ik al geef om een druppel water uit de lucht of een -wolklap vóor de zon! - -Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een hoongillende -teistering. - -Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen moed daar -hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van hitte, en -te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en thuis -en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord in -een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust -meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warm -en lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den nacht door moesten -zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat en verlamd dat -'t hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf niet en begaven; -hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en langde naar niets -meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel en zot: slapen, -slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers onder eenen -euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, toch rusten -mag!--dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij wilde evenals -de anderen, sterk blijven. - ---Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. Het scheen hem -onmogelijk dat 't nu nog warmer kon worden. 's Nachts en kregen zij -zelfs de deugddoende koelte niet meer; geen druppel dauw viel er nog -uit de verpulverde lucht. Het was als een tijd zonder dagen: een lange -eind gloeiende zonneschijn zonder avond of morgentroost. De donkerte -en de sterren, die voortijds zoo goed het hittevuur kwamen blusschen, -waren nu versulferd en de hemel sloeg open en toe, gescheurd door -benauwelijke bliksemschichten. Voor dag en klaarte kwam de nieuwe -hitte weer op zonder ievers trek of gat te vinden om uit te waaien -en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in een gestookten oven. Wanneer -komt er verlossing of koelte? of zullen we hier allemaal verbranden, -mijn God! En nievers een einde of uitkomen. De pikkers bleven altijd -ingesloten door die wreede omheining van koorn, 't werd of groeide -het effenaan weer uit den grond naarmate zij het hier vóor hun voeten -neerkapten. - -Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij vreesden dien -machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort in de bange -verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen aandoen. - -Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en overvallen van een -groote flauwte. 's Avonds volgde hij traag de bende naar 't strookot -en viel er onmachtig neer op zijn bed. - ---Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het nog eens klaar en -dag wordt! wenschte hij. - -Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer of 't slapen -was of waken 't geen hij deed. Hij woonde weer op zijn dorp, maar -durfde het niet gelooven. - -Hoe wonder: daar bij de linde stond hij te wachten naar Lida. Hij -zag haar komen in 't wit, klare zonnelicht en speurde zoo duidelijk -het neigen van heur leden en het wuiven van heur kleeren in haren -tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de nieuwe lente; -'t was er deugdelijk koel in het lommer onder de groene blâren. - -Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? Lida bleef -hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat hij haar -te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem soms -trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die hem -alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag en -heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn -arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzicht -zóo dat hij heur voorhoofd tegen het zijne voelde leunen. Haar twee -handen drukten zijn schouderblaars en hij neep de oogen toe omdat -hij haar straven blik en al de goedheid ervan niet dragen of zwelgen -kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde zijn leden; dat was de -kostelijke teug water--hoe frisch--na dien langen dorstigen dag. - ---Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien warmen zomer ging ik -versmachten zonder u. - -Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij prevelde hem in -het oor: - ---Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat ge nooddorst leedt, -ik wachtte u drinken te geven. - -Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet zich lui -achterover leunen en kruiste de handen om haar opgestoken knie welke -bevallig onder de plooien van haar kleeren uitlijnde. Ze waren gansch -alleen, het zomerde buiten maar hier hing de zalige zoelte in de -lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand in hun gezelschap -gestoord te worden. - ---Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we zullen hier lang -blijven wonen. - -Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme die riep, maar: - ---We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, he, Lida? - -Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol weemoed. - -Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit zijne oogen -en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid vóor hem, -Wies die schudde en schreeuwde: - ---Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar 't veld. In 't eerste -verschot, daar vlak vóor de werkelijkheid, ware hij liever dood geweest -om te kunnen voortleven in zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig -meê en volgde Wies. Hij voelde nog altijd de deugd en frischheid van -dat groot geluk door zijn lijf en hoopte vandaag met meer gemak de -hitte te dragen, verzekerd dat hij was van Lida's groote genegenheid -voor hem. Het moest nu, volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn -dat ze zijnen brief gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze -had gemonkeld om zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar: - ---Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij meisjes niet: -de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons; wij willen -'t al of niets en 't eerste loopt noodzakelijk uit op het andere. - ---Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte Sieper. - -Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg er dapper mede -om zijn achterblijven in te halen. - ---Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze blekte zoo rood -van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, kerels!--z' -heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar! - -Vlammende wit zat 't geluchte en daar tusschen de biggelende -halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van -gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den -nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten. - ---Nu zal 't eerst lustig worden, riep Sneyer. Ik en de zon! man voor -man, t'avond zien we wie er wint en prijs heeft, laat ze maar steken, -we kappen te harder! - -En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet slak. Zij -voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en bijten op -hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de pikke -bliksemglimde bij 't op- en neergaan, slag op slag. Met 't groeien van -de hitte ging er een razernij door hunne armen en ze hielden sterk de -leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten de tanden en lieten -het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer waagde Rik het hoofd -te heffen maar hij schrikte voor 't geen zijn oogen zagen. De zon was -de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker punt van den hemel, -maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en -vuur! 't regende geen hitte, 't waren net geteekende lekvlammen die -woelden hooge en kwamen spelen tusschen 't koorn, om en nevens hem -en over heel het afgeschoren land. - -De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij keek op heel de -rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een schorre keel. Hun -pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, maar de armen -zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen om 't lijf. - ---Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met mij gebeuren?! - -Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen en wrongen -slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralen kletterend, -machtig als feestvuur. - -Hij dook diep den kop in het koorn--dat, hoe wonderlijk, daar ongedeerd -in de vlamme staan wiegen bleef.--Hij wist zelf niet meer of hij nog -voortwrocht of sinds lang omver te rusten lag. - -De kerels hun lied klonk nog altijd even vereend en als hij weer opkeek -zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met naakte beenen -die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het schemerwankelde al -in het ronde, doordaverd van den sterken wind met ratelende slagen -soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo wonderlijk in -dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend bliksemlicht -doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar Krauwel om -hulp en bescheid in zijn benauwdheid maar de makkers stonden op uren -afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. De grond rende onder zijn -voeten weg en zijn ooren scheurden van vreeselijk geruchte. Dat was -het groote zonnefeest, de zomerdans, de wereld aan 't gruizelbotsen -tegen de zon die daar grijpelijk dicht, het koorn ontvlamde. - -Rik wist dat 't met hem gedaan was; daar kwam een vuurspits op hem -afkletsen en hij viel verdonderd achterover--dan, niets meer. - ---Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen. - ---Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den jongen die buiten -kennis lag te glariën naar de zon boven hem. - ---Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen zonneslag. - -Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even kwalijk, maar -hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem een teug wijn -in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn keel en liep -langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte borst. - ---De jongen was niet bestand tegen de zon, meende Krauwel 'k heb -het gevreesd. - -De pikkers werden op 't einde onverduldig; als zij zagen dat er geen -verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en lieten Wies bij -den zieken jongen. - ---Rik, recht u; 't zal beteren! Rik hoort ge mij nog? Rik, doe toch -eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw noodvriend; ge moogt hier -niet doodgaan zoover van huis. - -Rik roerde niet. - -Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en angst; hij -liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een koornstuik, -legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield zitten -wachten naar leven en beternis. - -Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden zoo moe en -pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en al de -leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren. - ---Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een groot verdriet -in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels over zijn -aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond tegen -den jongen zijn oor. - ---Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch 'nen keer! Zijne hand tastte -op Rik's bloote borst en telde de slagen. En zoo bleef hij wachten -naar hetgeen onvermijdelijk komen moest. Die slagen voelde hij van -langerhand uitgaan en achterblijven, hij zag het koude zweet uit zijn -wezen bersten en die oogen breken, en Rik lag daar uitgestrekt, de -magere Rik, zie, zijn beenderige borst en zijn smalle schouders, en -dat wollokkig kroezelhaar om dat wit hoofdeken, o, 't was zoo spijtig -om den lieven jongen, om die oogen die daar seffens nog zoo zachte, -lamzachte keken, hoe ze nu gebroken waren, en onziende. - -Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord van dat de -jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te staan. Hij -had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaap maar hij -voelde vrees en een groote vereering voor 't geen nu een lijk was, -en hij durfde den jongen niet aanraken. Hij keek rond om hulp. De -makkers wrochten onversaagd voort, maar ginder in een werveling van -stof kwam dweers door 't koorn, een ruiter aanstormen. - ---Quélin, Quélin komt af! riepen de gasten. Zij bogen dieper den kop -en wrochten zonder opzien. De groote Boer zat even een reus op zijn -eendlijken appelbaaiden hengst en hij keek over het land naar het -afgepikte koorn. Hij telde de werkers, bezag hun doening, draaide -de oogen naar Wies die bij zijnen makker zat, en naderbij komende, -zag hij dat de jongen dood was. - ---Is dit uw broêr? vroeg hij. - ---Mijn makker. - ---Hier seffens gevallen? - ---Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op. - ---Hoe heet de jongen? - ---Rik Busschaert. - ---Leeft zijn moeder nog? - ---Ja, Boer! - -Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een woord te spreken. - -Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel wezenlijk dood nu, -hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze op eenen goeden -heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls begekt te hebben -om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde wat een wreede -ijlte er in zijn leven zou komen door 't missen van dien kleinen knaap -die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen keek. Hij betastte -nog eens--hopeloos alevenwel--die handen en voeten, maar alle leven -was eruit. - -De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het lijk en Wies -moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een wagenspan -'t land opgereden met twee mannen; zij laadden den dooden Rik erop en -reden naar 't pachthof. Al de pikkers volgden; hun bruingebrande en -bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans niet. 't Was -erger dan uit een slachting dat ze kwamen, halfnaakt, met bloote -armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter den wagen. - ---De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper. - ---Heb-je 't nog zoo warm geweten, Krotse? - ---En wie zal de lustige mare doen aan den jongen zijne moeder! vroeg -Rommelaere. - -Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek voorgoed. - -Twee timmerlieden van 't hof mieken een bloothouten kist, zij wonden -Rik in een laken en legden hem erin. Dat gebeurde in de groote -donkere schuur bij den sching van twee lantaarns en in bijzijn van al -de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van de twee timmermans -aanstaarden. Als 't gedaan was las de oude Tremmel drie Onze Vaders en -de akten van Geloof, Hoop en Liefde;--al de bijstaanders antwoordden -mommelend. Wies hield het niet meer uit,--hij dook zich in den -donkersten hoek van de schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht -en weende jammerlijk, huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend -naar den jongen omzagen. - -In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in 't bijzijn van elkendeen; -Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en met zijn alm werd alles -ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de bewaking van eenieder. - -De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin om aan den Pastor -en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed hij mede met den -lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een vergelegen -dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de sterren. De -voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig door den -stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met een -blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na dien -langen lijkgang, uit te komen in een andere wereld of ievers in een -spookland zonder menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed -om dat onverwachte ongeluk. "De jongen moest zoover komen om dood en -zonder uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te worden!" - -Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp in. De voerman -droeg Quélin's getuigbrief bij den burgemeester die zijn toestemming -gaf Rik een plaats te geven bij de dooden. Daarmeê reden zij ter -kerk. Zij moesten daar wachten voor eene gesloten deur tot op het -laatst een pastor kwam die gebeden las over het lijk en nu werd -Rik naar 't kerkhof gevoerd. Een oude grafmaker dolf daar onder de -linden een diepen put en met hulp van den voerman liet hij de kist -erin neerzinken. - -'t Was uit. De wagen rotterde gelicht van de vracht weer naar huis -en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en op een dorp dat hij -nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder spreken. Niemand -die vroeg hoe 't met de begraving vergaan was. - ---Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht hij. - -Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en de hemel -gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af. - ---Ho! mannen, dáár is 't einde! riep groote Krauwel. Zij stonden allen -op de teenen, reikhalzend over 't koorn te kijken waar ze zagen dat -'t werkelijk uit was en een andere vrucht groeide. - -Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang verwachte -voorteeken van eene levensredding en zij kapten te heftiger om -aanstonds het einde te naken. - -Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en -opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten -arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze -land lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de -lengte; 't geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij hunne -groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij dansten -en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan kwamen zij af -van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der uitgaande zon, -heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten reuzen in -aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken omhoog -en tierden met volle kelen den overwinningskreet: - - - Het koorn is af, het koorn is af! - Al het koorn is af! - - -In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote stukken vleesch op, -schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt op het stroo in -de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven de glazen hoog -en zongen dat 't dreunde het zegelied: - - - 't Koorn is af, 't koorn is af! - Al het koorn is af! - - -Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet meer en verkenden en -machteloos en buiten zinnen in slaap verzonken. - -Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen enkelen keer: -hij zat eenzaam te droomen in zijnen donkeren hoek en dacht aan Rik. - -'s Anderdaags wrochten zij op 't zelfde veld en tastten het afgedane -koorn in groote schelven. De droge stuiken wierden verdregen, -losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar ze in kringen -gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, zwaar -massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele dreef -oogstkoorn die van 't veld tot aan de hofsteê stond. Het werk ging -nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken spelen en de -garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des avonds staakten -zij weer bij tijden den arbeid en 's zondags namen zij lijk vroeger, -hunne uren avondrust. De pikkers liepen de streek af, dansten op -voois van Rommelaere's orgel of gingen bij benden naar 't dorp gaan -drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de makkers -gaan en bleef liefst alleen. - -Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk verlangen om -thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid overviel hem -in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan anders niets -dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening verdroot hem, -hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de menschen staken hem -tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en vroegen naar zijn -lijden niet. Het ging hem heel goed als ze 's zondags allen weg waren -en hij de groote hofdoening verlaten en vrij voor zich alleen had. Dan -slenterde hij rond op den drijf naar iets dat hij nievers vinden kon: -iemand om mede te kouten over zijn verdriet en zijn verlangens;--maar -Rik was weg en anders was er geen ziel om zijnen nood te klagen. - -Het groot hof, anders in zoo'n woelige bedrijvigheid, geleek nu een -uitgestorven wereld en al dat leven lag nu vastgebonden in slaap. De -beesten loeiden meumelend halfluide op stal en de peerden trokken -gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en daar in de verte -ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor zich zijn werk -deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer toe. De avond -viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies voelde zich -van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend langs -de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in -zijn eenzaamheid. Daar lag hij te glariën in 't donkere. Een langen -tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn gedachten aan 't -vermeien waren met moeders keukengerief en te genieten van verledene -winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij nevens in een bijliggende -schuur, een oude schorre stem die trage neuriede: - - - Als de de zurkel schiet, 't is in de maand van Meie. - Schieten al de boerkens in een grooten lach. - Weg den hutsepot, karoten en pareie; - De gestampte taatjes komen voor den dag. - En als de pot weer overgaat, - Haalt de boer den stamper uit, - En als hij aan het stampen gaat - Dan zingt hij overluid: - Van de rompel de pompel de pom. - . . . . . . . . . . . . . - - -Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn herte klopte en -daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het vreemde land -getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle's heerdvuur aan den -koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest het nu zwart -donker zijn en fel winteren,--de goede winter! - -Die stem was heel grof, 't was het stil grommelen van een ouden vent -die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit liedje en klonk hem -zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij stil mede om er al -de deugd van te hebben, en hij twijfelde of 't toch echt gezongen -was en niet gedroomd. - -Het ging alsaan voort: - - - Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens, - En op iederen hoek een groote stuit voor elk, - En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens, - Kiezen zij de zulker voor de keernemelk, - En iedereen doet zijn buiksken wel, - Zeven schepkens meer of min - Daarvan maken zij geen spel - En dat gaat er zachtjes in. - Van de rompel de pompel de pom.... - . . . . . . . . . . . . . - - -Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van huis, meende Wies, maar -wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong ijlings recht, verlangde -dien vent te zien en vanbij zijn liedje te hooren. Hij sloop omzichtig -uit de schuur en naderde waar hij meende den zanger te vinden.--Ja, -'t was in de haverschuur, hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de -houten deurklink, stak zijn hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg, -maar hoog op den dilte, hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg: - ---Waarom bleef-je weer zoolang weg? - -En een meisjesstem die verlegen antwoordde: - ---'k Heb nu pas gedaan met 't stalwerk. - -Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te dralen in het -donker; 't moet een onbekende pikker zijn die hier zijn slaapsteê -zoekt, dacht Wies,--maar wie mag er bij hem zijn? 'k Wil toch -weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad binnen, tastte in 't -schemerdonker naar de ladder en met drie terden t'eenegader klouterde -hij den havertas op. Een brandende lantaarn hing er aan een dakrib -en in den rooden schijn daarvan zag hij, even een wonderheid uit -een kindervertelsel: een leelijken ouden vent rechtover een mooi, -mager meisje, die samen met de kaart speelden. Zij waren alle twee -verslonden zoodat Wies gerust kijken kon zonder dat z'het wisten: het -spel ging gestadig voort en zij kappelden, deelden en legden de kaarten -zonder spreken. Dat meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen -te verpaffen van benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in -'t hooi en heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig -bezig in zijn kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt. - -Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of 't best was -voorzichtig naar zijnen stroopolk te gaan of hooger opklimmen en dien -vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de zurkel was hij heel -vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder besluit toen eene beweging -van zijnen arm het stroo deed ritselen. De beide kaartspelers wendden -het hoofd en als zij Wies gezien hadden deden zij ongestoord met hun -spel voort, zonder nog verder naar hem om te zien. Nu klom hij gerust -boven, zette zich nevens hen te kijken, kwansuis met belangstelling -voor wie de winst was. - ---Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in den nacht, peinsde -Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg voor die zeldzame -doening,--bescheed durfde hij niet vragen. - -De oude zat op de knieën in 't stroo met een loshangend hemd aan dat -open splette op de borst en de mouwen opgerold. De lantaarn lichtte -en schauwde de diepe trekken van zijn hoekig wezen en glom over zijn -naakten schedel. Zijn slimme oogen staken in twee zwarte holten onder -stoppelharige wenkbrauwen en zij volgden nieuwsgierig elke kaart die -uitkwam. Zijn spel hield hij vast gesloten in de vereelte handen die -beefden en hij stak en herstak al dubbend tot hij er eindelijk éene -uitgreep, die hij met den knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit -wierp. Dan bleef hij met angstige verwondering zitten zien wat er op -zou vallen en zijn wezen klaarde of vertrok naarmate hij niet of al -tevreden was van 't spel. 't Geluk bleef voor 't meisje en 't kind -scheen er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote, -blauwe oogen verlegen naar den oude op als om verschooning: dat 't -niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het verlies; -zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het plankje die -hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al gramstoriger -als hij weer slechte kaarten kreeg. - -Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht in zijn eigen: -noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij niet goed zeggen -wat er wel aardigs aan was. - -De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met donker -haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over het -voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken, -dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel. - -Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en rein,--lijk bij kleine -jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom, meende hij.... of de goedheid -zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel toegaf om den oude ook eens te -laten winnen; 't geen hem monkelen deed zoodat zijn dunne lippen over -den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes -loensch op als ze 't niet merkte en zijn bevende hand foefelde met -een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de -kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat -hij er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook. - -Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig uiteen. - ---'t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij kunt gaan slapen. - -'t Meisje raapte 't spel op, trok de beenen recht, en ging zonder -spreken. - ---Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij zocht naar woorden om -met den oude in den klap te geraken. Daar viel hem dat liedje weer in. - -De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn arm eindelijk -opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies het: - ---Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers misschien? Ik heb -gehoord hoe ge ons liedjes zingt. - -De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd op naar den -jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de hurken zinken. - ---Kent ge Sjob Subbel?--zijt ge hier komen pikken?--Ik ben een oude -pikker. Van waar zijt ge? - -Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de Schelde. - ---Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob Subbel, en hij -noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die Wies heel -goed kende. - ---Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht Wies. - ---Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een jonge pikker! ha, -ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben ook jong geweest, -en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als Subbel dan zult ge -kunnen meêpraten en uw mollige handjes zullen verweerd en zwart zijn, -mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn lippen spletten wijd open -over zijn zwarte mondholte. - ---Veertig zomers, jongen, heb ik hier in den oogst gewrocht, maar nu is -'t uit, de knoken zijn stram en dat gaat niet meer. - ---Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien vent in zijn wezen, -dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en gereuveld was, en die -knuistige armen en handen waar de aders en pezen lijk zwarte koorden -uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden zoo machtig veel -arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en genegenheid voor -den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een lammeling vóor -hem zat. - ---Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg hij. - ---Ho, 'k ben hier ook thuis; ik wacht hier de schapen, lachte Sjob. Men -kan overal wel zijn waar men 't wel maakt. In den tijde verlangde en -haakte ik om weer te keeren telkens de boel hier áf was, maar da's -allemaal zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven. - ---En dat meisje, waarmeê ge hier kaartspeelt? waagde Wies verlegen. - ---Ha! da's mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies keek dom op en verstond -niet. - ---Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je weten: een wroeter.--Kent -ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we kweekten elf jongens, elf -jongens die aten lijk wolven en toch bleven ze altijd even mager. Sjob -moest het ook al bijsleuren en 't waren geen vette brokken, hoor. Met -werken alleen ging het niet: 's winters moesten ze wel soms de duimen -zuigen en hout knabbelen om den honger te paaien;--maar 's zomers was -'t goed, de jongens scharrelden wat bij op 't land en ik reisde uit -gaan pikken om de groote daghuur: Mele moest dan alleen het nest -bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan viel er wat overschot voor -een pot schuimend bier! 't Was heel hard gewonnen en gauw verteerd, -maar daarom en waren ze mij thuis niet dankelijk; de jongens staken -den muil op naar vader, en Mele had bij mijn wegzijn kennis gehouden -met Koolie den boomsnoeier,--dat wist ik van de gebuurs--en als ik -het waar vond wat ze mij zegden, ben ik in toorn geschoten, heb haar -duchtig gestampt om haar zondig begaan en ben zonder spreken voor goed -naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn vertelsel uit was, reikte naar -de lantaarn en stond recht, maar eer te vertrekken grommelde hij: - ---Dan heb ik gekennist met een nieuw wijf, hier in 't hof--en die is -dood en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in -mijn eenigheid. - -Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag alleen in -'t donker te zinnen over al het onverwachte dat even een spookzeisel -door zijn hoofd speelde. - -'s Anderendaags bij 't werk, vervolgden hem gedurig die twee wezens -van den donkeren haverdilte, en over 't hof lonkte hij benieuwd rond -om ievers die wondere Aga te zien. Bij schofttijd doorliep hij de -stallen en hoving en keuken overal waar hij meende meiden te kunnen -ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte. Als 't donker werd -sloop hij weer naar de schuur en klom op den havertas,--daar ook -was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het heel laat werd en nog -moest hij naar zijn strootent zonder Sjob of Aga te zien. Zoo kwam -hij veel avonden kijken, maar de kaartspelers waren voor goed weg. Op -'t einde ging hij 's avonds in de andere schuren zoeken en 't gelukte -dat hij hen vond zitten op eenen hooitas achter 't hof. - ---Zie, Aga, da's een jongen uit mijne streek, zegde Sjob. - -Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze voort met haar -spel zonder iets te zeggen. - -Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld aandeed om -kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de kaarten met -groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij eene rei -schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur arm -pakje losdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat op haar borst -gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob gretig opsnapte -en wegborg. In 't vervolg verloor Aga gestadig en het meisje telde al -heur centen voor den oude uit. Op 't laatst werd zij te beven over -heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en smeekend naar Sjob -die er niets af merkte en altijd maar met blij geweld zijn gelukkige -kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden met Aga en zou -haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde heur vader -te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen. Dien avond -speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en 's morgens eerst -gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag. Hij vroeg aan de -pikkers naar uitleg over Sjob Subbel maar de kerels die hem kenden, -haalden misachtend de schouders en mommelden op al zijn vragen: - ---Wel Subbel is een oude dronkaard. - -Van Aga durfde Wies hun niet spreken. - -Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en stonden weldra in -zware, ronde strootorens, machtig, groot, in vierdubbele rei gedreefd -van 't veld tot aan de hofstede toe, elk met een meitak in top. - -Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob of zijn -dochter nievers meer kaarten 's avonds. Binst het werk zag hij Aga -twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over 't hof ging, -maar hij kon er niet bij geraken. - ---Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden, besloot hij -eindelijk, en bleef bij de makkers en dacht aan de zaak niet meer. - ---'t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de pikkers, we kunnen al -stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp weerzien dees jaar. - -Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht hen in de -groote kamer bij Quélin en daar kwamen de groote gasten aan eene -tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer drukte hen éen -voor éen de hand lijk oude vrienden en wenschte hen geluk en blijde -thuiskomst met hun geld. - -Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als verblijde jongens -naar buiten vlug over 't hof, staken de armen in de lucht en gingen -welgemoed aan 't poetsen van kleeren en alm. Zij zetten zich neer, -bijeen, in hunne tent en telden de groote zilverstukken in den schoot, -lieten ze rinkelend door de handen glijden en bespraken onder malkaar -wat ze met al hun geld zouden koopen thuis. - -Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren broek en -blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan vieren -naar 't dorp. Ze zouden eerst 's anderendaags in de vroegte vertrekken. - -Wies wilde nu ook van 't verzet en hij trok welgezind mede met de -bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te worden: als de zon -weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat overweldigde hem van -vreugde. Onderweg zong en loech hij met de vrienden. - -'t Was maar zelden--tusschen eene vlaag van genot--dat hij het wee -voelde om den armen Rik en de herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om -die twee dingen zou het hem wel spijten hier weg te gaan;--maar -Rommelaere's orgel trok weer lustig en de pikkers waren verheugd -van zin: leve de goede wijn! de leute droegen zij in groote, ronde -zilverpenningen op het hert. - ---Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo dachten zij. Al de -kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis met andere pikkers -die ook den aftocht vierden, zongen overal hun liedjes en hieven de -glazen hoog. Al de menschen waren hun goede vrienden. - ---Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest meedrinken op hunne -gezondheid. - ---Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de schuld?! Daar is geld, -moet g'er nog meer hebben? Rijker dan de koning zijn we! en we laten -'t rollen! - - - 't Koorn is af! 't koorn is af! - Al het koorn is af! - - -De huizen begonnen te draaien in de straten waar zij doorgingen -en al de menschen die voorbij kwamen hadden den waggelstap. 't Was -donkernacht als z'er aan dachten naar 't hof te keeren. - -Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd wellustig -achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de zware -schoenen om de straatsteenen te gruizelen. - - - Wij zijn gezworen kameraden.... - . . . . . . . . . . . . . - - -zongen zij hier in een bende; - - - Jongens jongens, jongens, - We zijn nog niet dood, - bijlange nog niet dood, - 't en is geen nood, - Ja, we zijn nog niet dood! - - -ging het verder; en ginder in een ander straat, de achterblijvers: - - - 't Koorn is af, 't koorn is àf! - Al het koorn is àf! - - -en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van Rommelaere's -trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee en vielen er -vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen schreeuwden nog wat -en als 't uit was, woelden zij met armen en beenen tot de slaap hen -kwam overmeesteren. - ---De laatste nacht hier in 't donker kot, in 't vreemde land! morgen -opweg, overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan -raasden er nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond -en dan dommelde hij weg in foezelzwarten nacht. - -De groote stilte hing weer over 't hof en 't wijde land rondom en -alle dingen sliepen. - -Dat leed vrij lang toen Wies aan 't droomen ging: hij lag wakker met de -oogen open en luisterde naar lichte stappen die naderden. Hij ontgaf -het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen in 't stroo aan zijn -voeteind en dan trok hij de moede wimpers open om te kijken. En--ja, -daar lichtte een klein keersvlammeken bij de tentedeur. Hij betastte -zijn lijf om te weten of hij wel droomde, hij greep in 't stroo onder -zich maar kon het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag -hij Aga die een lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te -kijken. Zij overging heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond, -zette zij zich gehurkt bij hem neder. Hij was te moede en te lam -om dat wonderlijk of vreemd te vinden en hij liet alles maar vrij -geworden omdat 't allemaal zotte droomerijen waren, zoo dacht hij. - -Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde: - -Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den nacht -nog,--seffens komen er mannen al uw geld stelen, 'k Heb de dieven -afgeluisterd in vaders hooischuur. - -Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de duisternis. Wies keek -hoe het lanteernlichtje slingerde tegen 't zwartsel van Aga's kleeren. - -Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar te houden -aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop met -geweld naar beneden duwde. Op 't einde begon hij te twijfelen aan -'t gebeurde, 't dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem van dieven -sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de machtige stilte -toen alles dood en begraven lag in slaap. - -Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij doezelend naar -zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in een put dien -hij met de nagels in het zand klauwde. - ---De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, 't is donker, dat werd -zoo dom, en zijn zinnen voeren weg in de opperste rust. - -Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een grooten schreeuw. Een -kerel trapte hem op de beenen en door heel de tent was er groot gewoel -en geraas. De pikkers vloekten en vochten in 't donker. - ---Ei, 'k ben mijn geld gestolen! riep er een. - ---Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af! - ---Slaat dood! - -De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal. De worsteling -woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk vluchtte en -riep om hulp. - ---Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten! tierde Boele. Ik houd -er één, kerels, en hij gaat niet levend uit mijne handen! - ---Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het in gruis -sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in 't opene -aangezicht. - -Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte hielp hen -ongemerkt wegvluchten. - ---'k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei, makkers, hulpe, ze -vermoorden ons! - -Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen overeen op den -grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen en stampten waar -'t raken wilde en kwetsten elkaar zonder weten. - ---Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen leeren! - ---Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede in de leden. - ---Maar, sakker, nijp me niet dood, kermde Sneyer, 't is God van den -hemel, mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers -lagen ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede. - -Als 't klaar werd zaten ze daar, geblutst en bebloed, in de vuisten -te bijten van gramschap zonder speur van een enkelen roover. - ---Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere. - ---Ik ook, ik ook, riepen anderen. - -Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op d'hofsteê, -maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren; Quélin was vroeg -uitgereden en de meesterknecht wist niets om hen te troosten. - ---Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld hadt, wend u tot -de overheid van 't dorp. - -De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun vuist in 't wezen -slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande hen braaf te zijn: omdat -we hier alleene zonder verweer staan tegen heel het hof, raadde hij. - -Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken halen uit de -tent om aanstonds te vertrekken. - -Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder 't zand terug en de jongen -wandelde zwaarmoedig over 't hof. Hij lanterde tusschen stalling en -schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand te vinden. - ---Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan. Sedert de -gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot nog eens -te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde hem al -heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond op dien langen, dunnen -hals, en heur lijf zoo recht gedragen, halfuitgegroeid nog en slank -in heur korte kleeren, en die kinderoogen. die zoo vaag in de verte -keken. Hij dook zich achter den huisgevel en wachtte daar geduldig tot -hij haar zou zien uitkomen. 't Was een gedurig over en weer geloop -van meiden op de hooge steenen stoep, zij droegen de koperen ketels -vol dampwarme melk binnen en kwamen weer buiten met ander gerief. - -En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij zag hoe zij -traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de handen op den -rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo naderde zij -met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg was, sloop -Wies achter de stallen, hij hief het loshangend hekkenpoortje open, -loerde tusschen de boomlanen en vond haar in 't grasweidje onder de -hazelaars. Ze zat op de knieën gehurkt en blies de bloeiwol van een -melkwiedstaal, lijk de jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te -leven hebben. Wies bleef haar bezien zonder te durven naderen. Zij -zal wegvluchten, vreesde hij, als ze mij ziet. - -En ze zat daar zoo schoon dat 't hem in lang nog niet verdroten zou -hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij 't best zou beleggen -om haar schuchterheid niet te vervaren. - -Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had: - ---Aga, fluisterde hij. - -Ze wendde het hoofd, en bleef zitten. - -Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen en eindelijk: - ---Aga, zegde hij nog eens. - -Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop heel kaal in -de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend naar Wies wat -hij haar mocht te zeggen hebben. - ---Aga, g'hebt mij gister komen vermanen voor de dieven, da's heel goed, -zegde hij ingehouden, maar 'k was zoo moe en slaperig en 'k meende dat -'t in een goeden droom was als ge tot mij kwaamt. - -Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde lippen open en: - ---Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij, vertel me daar -iets van? en zij liet zich om goed te luisteren, gemakkelijk op het -gras neerzinken. - -Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een onzeggelijke welligheid -door zijn hert en hij jubelde inwendig om haar goedwillend vragen. Hij -vertelde van zijn huis en de Schelde en de groote meerschen, en van -moeder en van Lida zijn zuster en van de boeren ginder en 't goede -wintertij en van Rik zijn besten vriend--die nu dood is, besloot -hij triestig en hij merkte hoe 't meisje hem aan de lippen hing en -gezucht had om zijn laatste zeggen. Hij moest haar alles vertellen -over den jongen die de zon hier vermoord had. - ---Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga. - ---Ja zeker. - ---En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog zusters? en Lida, -ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar huis komt? - ---Zeker, herzei Wies. - ---En nu komt hij niet naar huis, en ge zult hun al dat kwade nieuws -vermonden? - -Wies zweeg, en zij ook. - -Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven; dat ze hier -alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over dat groot hof -liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen wachtte. Ze -noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van elk in -'t bijzonder veel en wondere dingen te vertellen. - ---Waarom gaat ge zoo 's nachts bij uw vader zitten? vroeg Wies. - ---Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en 's avonds speelt hij -geern met de kaart. - ---Doet ge dat ook geern, Aga? - ---Om vaders wil, ja. - ---En om wat speelt ge? - ---Om geld. - ---En vader wint altijd? - ---Ik laat hem geern winnen. - ---En als gij verliest? - ---Dan betaal ik,--met mijn huurgeld. - ---En als uw vader verliest? - ---Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan hou' ik de winste -schuldig tot ik weer verlies. - ---En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te betalen? - ---Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo scheld ik vader -kwijt,--ik durf hem niet slaan,--maar als ik verlies slaat hij -me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden, zegt hij, -en altijd voor dulsten spelen. - ---En wat doet uw vader met dat geld? - -Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het meisje vertelde -hem verder van zijn moeder en van Quélin en van eenen kwaden koewachter -die haar veel deed lijden en die alles doen dorst omdat hij haar te -sterk was. - -Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang uitgekout was. Er -ging eene groote verontweerdiging in hem op om de schandige doenwijze -van Subbel en hij voelde meêlijden met het arm schaap dat daar in zoo -'n schamele weerloosheid vóor hem zat. - -Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de geldbeurs van zijn hals -en liet er eenige zilvermunt rinkelend in Aga's schoot regenen. Dan -stormde hij weg, zonder ommezien, als een kwaaddoener. Hij jubelde -om de daad die hij begaan had. "Nu kan zij toch lang verliezen zonder -dulsten te krijgen van haar vader," dacht hij. - ---Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in zijn loopen, die dat -meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en dat verdrinkt hij -effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig meêlijden. - ---Indien 't de makkers moesten weten! en waarom hou ik me op met een -kinderkous! Maar 't was nu gedaan en hij was er blij om. - -De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder malkaar. - ---Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar vertel van mijn geld -dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een zwijntje koopen om -te winter vleesch te hebben. - ---Ik ben slechter, kermde Sneyer, 't is heel mijne huishuur die gaan -vliegen is; Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat -te gooien! - -Pinne zat g'hertig te lachen om al dat gekerm: - ---Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens! - ---En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen! Waarmee gaat gij -uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te trouwen? - ---G'ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen niemendal en we trouwen -algelijk! - ---Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen? wat gaan we -doen?--we kunnen niet zonder geld naar huis keeren. Willen we een -getij in de beeten gaan werken? - -De andere staken den neus op. - ---Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom moeten we allen op de -kermis te laat komen! zei er een. - ---'t Mijne hebben ze niet gevonden, de rakkers, bofte Boele, z'hadden -me anders de armen moeten afkappen; mijn geld draag ik onder de -oksels! ha! ha! - ---Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort, jongens, om de vijf -kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet hondig zijn, hoor! Hij -greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te midden de bende. Van -alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en seffens was er genoeg -om de bestolenen rijkelijk in te staan. - ---Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan elk het vijfde van -zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van den boer zijn -brood en dan zijn we er van onder. Grijpt toe, makkers! - -Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol met 't overschot -en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp in hun reiszak voor -onder weg. - -Heel de bende trok door de hofsteê; eenigen tierden en dreigden naar -de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of laten bestelen had;--de -anderen dachten aan niets en zongen luide hun blijdschap uit omdat -ze hier gedaan hadden en naar huis keerden. Zij schouderschokten in -'t voorbijgaan langs den opgestapelden oogst, deden hun gevoeg tegen -de groote schelven en zwaaiden de pik op den rug bij hun zwaren zak. Nu -waren zij de breede straat op, in benden gedeeld elk bij zijn makkers, -en ze koutten luide en leutig over den harden zomer en van al wat ze -verlangden weer te zien. - -Wies was de laatste en keek gedurig om naar de hofsteê. Al wenschte -hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu gevoelde hij dat hier entwat -achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd zou doen wenden, en waar hij -later veel met zijn gedachten zou naar terugkeeren. Omdat hij 't moest -verlaten kreeg het machtig koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid -en hij herdacht het kerkje ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu -liggen bleef als ze allen, zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik -zou anders nu meê zijn in den blijden gang.... maar de zon,--en dat -kisten in het wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft -te kijken naar den vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp. - ---'k En zal haar nooit meer zien, dacht hij. - -De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd voorwaards, -al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid had hun leden -gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom arme sukkelaars, -weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte bane uitgeschud. - -Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en gingen met -uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al het afgedane -werk in het lijf en de verwachting van nog veel vermoeienis eer ze -voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en deerde hen niet meer, -'t was feesttij nu ze de armen vrij mochten laten zwieren, enkel hun -rustend alm te dragen hadden en met de beenen maar grijpen moesten. - -Daar kwamen zij weer in de groote stad en 't was eene nieuwe verhemming -en vreugde. Ze slenterden door de straten, kiezend met de oogen in -al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en koopziende achter de -toogramen lag. - -Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de hand, dat -hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en dongen -bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed en -glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een -welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in -den blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid -op den rug. - -Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere straten kwamen -nog benden pikkers die meer naar oost of west van 't werk naar huis -keerden. Zoo groeide de drom tot een overgroot leger en zoo kortten -zij, gezellig koutend onder elkaar, te zamen denzelfden weg. Achter -een langen tijd landlooperije werd de oude streek weer kennelijk: -zij noemden bij den naam van 't dorp al de kerktorens die langs de -bane en verder in het landschap stonden. - -Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun zelfde -aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, onveranderd -van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het kennelijk -teeken, het lijf van het vaderland, nu was 't hun land dat ze onder de -voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, waar 't altijd -reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden de menschen nu hier -en daar langs den weg en wisselden blijde groeten, en zij telden bij -enkele dagreizen den tijd dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de -plaatse naderden klaarde hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes -aan. Wies ook zong meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last -van de droefmare die hij te vermonden had. - ---Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk eenen boer! tierden -zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in 't voorjaar? - -De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, overal omheind -met groote boomen--de oude popeliers! en hier en ginder vonden zij -kennissen op 't land die, met de late warmte nu maar hun koornstukje -aan 't pikken waren. - -Aan elke kruisstraat sloeg een deel van de bende een zijweg in en -ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde stilaan de groote -stoet tot de oude makkers alleen nog te gare bleven. - -Een groote zegeschreeuw ging op. - ---Zie, dáar onze kerktoren! - -De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten hadden, met -scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen tegeneen gedromd, -in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was gepint met den -grooten meitak voor de kermis. - -Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in 't land! De -vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen verslaafd op zoek om man -of broeder of kennis te ontmoeten en te verwelkomen. Maar de kerels -zaten verdeeld in de herbergen, overal: hier in de "Meerschblomme," -in den "Koekoek", in de "Veugelmuite" of elders. - -Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in 't loeiende -vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel brandewijn, en -nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd hadden, lijk een -goede lafenis door de keel. - - - Jongens, jongens, jongens, - We zijn nog niet dood. - Ja 't en is geen nood, - Bijlange nog niet dood! - - -ging het overal, en bij reken liepen de kerels gearmd door de straten -van 't eene bierhuis naar 't andere. Het kleine dorp, even nog zoo -rustig, was nu vol gewoel en beweging en leven. - - - Waar kan men beter zijn - . . . . . . . . . . . . . - Dan in ons moeders keuken! - - -Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te laten hooren. - -Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong te midden -den huisvloer. - ---Moeder, moeder, 'k ben hier! - -Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe en tenden, -op eenen stoel. - -Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies wel tien -keeren welkom. - ---O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg moeder en zij -sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, Lida, eten voor -den jongen. - -Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en eiers geklutst. - -Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken die hem zoo -verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en begon te -eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede moeder -hem overlaadde. - -Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde niets en hield het -hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al de kleinigheden -uit die heur broeder voor moeder en zuster meêbracht. En zij gebaarde -zich welgezind als 't een of 't ander buitengewoon beviel. - ---Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis zijt, zoo -onverwachts, zegde moeder, o, da's wel, en ze bekeek met behagen -heuren grooten jongen. - ---En de oogst was goed?--en warm was 't zeker ginder? O, w'hebben -het gezeid hier ondereen als de zon zoo laaide en gij ginder te -werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?--waar is Rik? vroeg ze -ineens,--nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te -zien.--Is hij naar huis, Wies? - -Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten wat hij -zou antwoorden. - ---Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.--En hij keert nooit meer -naar huis. - -Moeder bleef beeldstil gebogen staan over 't heerdvuur met omgewend -hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel waarmede zij de -melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn kleeren in de hand, -met open mond te wachten naar verderen uitleg over die plotselinge -kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat Wies zou voortzeggen -en de jongen stond recht en ging, om gerust gelaten te worden, in -'t achterhuis gaan staan. Lida kwam hem daar vinden; ze sleurde hem -voort bij de mouw naar buiten bij den gevel en: - ---Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de waarheid: wat is er met -Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den arm. - -Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij haar hoe -'t Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder altijd alleen -liep al droomend en treurde.... - ---Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde zij angstig. - ---In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen schreeuw, herbegon -Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, bijkans dood. - ---En dan?.... - ---Hij sprak nog een woord of twee en toen was hij dood voorgoed. Ze -voerden hem van 't land, naar een wagenkot, en we lazen binst dat de -timmerliên de kiste mieken; dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een -kerkhof en daar hielp ik hem begraven. - -Binst dat Wies vertelde zat Lida met 't wezen gedoken in haar -voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij zitten als -Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met meêlijden en hij -had er deugd in omdat zijn zuster weende;--hoe spijtig, dacht hij, -om den armen Rik dat hij niet weet hoe Lida verdriet heeft om hem! - -Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele stem van een -oud vrouwke: - ---Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen? - -Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder Busschaert -om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van 't gene -komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte achter 't huis, -over 't veld weg. Hij moest voort van hier en van al dien weedom, -hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder Busschaert's ongeluk, -en hij liep al wat hij kon om het jammerjanken niet te hooren. - -Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te zijn, bij moeder -en bij al de menschen die hem kenden, en hier was 't niet te vinden -'t geen hij zocht en verwachtte;--daar lagen de velden toegesmoord -rondom hem met een dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude, -goede leven was weg en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in -het verre land gebleven was. Hij had willen dwalen over het kerkhof -ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te zitten -wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest. - -Dat uitgaan in 't verre land, en die krachtige poging, al dat wroeten -zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; het verdoen van dien -lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren in 't ijle,--het -kwaad alleen bleef ervan over. - -In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om haar kind, -zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: dat -Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd -gestolen was en ginder verre begraven lag in 't vreemde land,--waar -zij nooit naartoe en kon. - -De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en hij doolde -voort, doelloos langs de smalle landwegelkes, eenzaam, ver van de -menschen en zot van droefheid. De koelte frischte zijnen koortsigen -kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist -niet of hij nog ooit zou durven naar huis keeren. - -Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door 't dorp en -vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht ging het luide -gebral, op tien plaatsen tegelijk: - - - 't Koorn is af, 't koorn is af! - àl het koorn is àf! - - -De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen die dronken. De -vrouwen kwamen knijzen om haar venten meê te krijgen naar huis, zij -trokken hen bij de mouw, tastten hun zakken af om 't geld te vinden, -maar de kerels grepen hun glas of een makker in de lenden, en zongen -omlangs hoe luider: - - - En nog naar huis niet gaan! - En nog naar huis niet gaan - Zoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan! - - -De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen zijnen reiszak en -sleurden hem blij tierend meê naar huis, benieuwd naar al de schoone -dingen die erin zaten. - -Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij: - - - Jongens, jongens, jongens, - we zijn nog niet dood! - - -De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en stampten -op mate: - - - Waar kan men beter zijn - . . . . . . . . . . . . . - Dan in ons moeders keuken! - - Wij zijn kontent - Met een pintje van vijf cent! - Laat ons drinken - Laat ons schinken - En laat ons vroolijk zijn! - - -Uit een afgelegene herberg ging het luide: - - - Wij drinken tot dat 't op is! - . . . . . . . . . . . . . - Als 't op is, dansen wij! - - -Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, neuriede een goede -broer zijn dronkaards-liedje voor een geslotene deur: - - - Moedere doet open, - Uwe zoon is hier, - Hij heeft hem zat gezopen - aan een glaasje bier. - - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of De Oogst, by Stijn Streuvels - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OOGST *** - -***** This file should be named 52476-8.txt or 52476-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52476/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/52476-8.zip b/old/52476-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 42c80a8..0000000 --- a/old/52476-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/52476-h.zip b/old/52476-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 16003be..0000000 --- a/old/52476-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/52476-h/52476-h.htm b/old/52476-h/52476-h.htm deleted file mode 100644 index 28e8093..0000000 --- a/old/52476-h/52476-h.htm +++ /dev/null @@ -1,3974 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" -"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2016-07-02T08:54:44Z. --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta name="generator" content= -"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> -<title>De Oogst</title> -<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii"> -<meta name="generator" content= -"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Stijn Streuvels"> -<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href= -"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Stijn Streuvels"> -<meta name="DC.Title" content="De Oogst"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument -{ -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.abbr { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0em 0.05em 0 0; -padding: 0px; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.advertisment { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0%; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0%; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indextoc { -text-align: center; -} -.transcribernote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.correctiontable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0% 7em 0%; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em 0% 2em 0%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0% 0em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -td.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0px solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -.cellDoubleUp { -border: 0px solid black !important; -width: 1em; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0% .5em 0%; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0% 0 0%; -} -span.hemistich { -color: white; -} -.versenum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover { -background-color: #FFDCDC; -}body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum -{ -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -}.pagenum, .linenum { -speak: none; -} -</style> - -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd21e95width -{ -width:499px; -} -.xd21e101 -{ -text-align:center; -} -.xd21e106width -{ -width:442px; -} -.xd21e126 -{ -text-align:center;font-size:small; -} -.xd21e442 -{ -text-indent:6em; -} -.xd21e998 -{ -text-indent:4em; -} -.xd21e1245 -{ -text-indent:2em; -} -.xd21e1734width -{ -width:110px; -} -.xd21e1741width -{ -width:488px; -} -@media handheld -{ -} -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of De Oogst, by Stijn Streuvels - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: De Oogst - -Author: Stijn Streuvels - -Release Date: July 2, 2016 [EBook #52476] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ASCII - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OOGST *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e95width"><img src="images/cover.jpg" alt= -"Oorspronkelijke voorkant." width="499" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd21e101">DE OOGST.</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e106width"><img src="images/titlepage.png" alt= -"Oorspronkelijke titelpagina." width="442" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">DE OOGST</div> -</div> -<div class="byline">DOOR<br> -<span class="docAuthor">STIJN STREUVELS</span></div> -<div class="docImprint">VIERDE DRUK<br> -L. J. VEEN—AMSTERDAM</div> -</div> -<div class="div1 imprint"> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd21e126">Typ. Zuid-Holl. Boek- en -Handelsdrukkerij. <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name= -"pb5">5</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div class="div1 story"> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Rik lag plat uitgestrekt in ’t gras onder de -linde en Wies zat, over de knieën gebogen, op het bol van een -gevelden eik. De jongens rookten hun pijp in den avondstond. Nu en dan -maar zegden zij, halfstil, een woord, meest over dingen die ze wisten -en evengoed ongezegd konden laten. Maar zij trokken gestadig nieuwe -kuilen blauwen rook uit hun pijp, die opspiraalden uitdunnend, hoog in -de lucht boven hun hoofd. Achter de openstaande huisdeur in ’t -donker, wrocht Lida met moeder aan ’t schoonkuischen van -schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar.</p> -<p class="par">Rik wendde dikwijls het hoofd naar het <span class= -"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span>donker -deurraam dat zwartvlekte in den witten muur en hij dacht wel:</p> -<p class="par">—Waarom blijft Lida vanavond zoolang in huis?</p> -<p class="par">Hij voelde of had iets te kort of verlangde onbewust -naar iemand die moest komen gezelschap houden. Maar nog altijd ging het -gleiertikken van tellooren en kommen met gefoezel van halfduidelijke, -zacht gesproken woorden. Nu wisten de knapen niets meer en ze -zwegen.</p> -<p class="par">—Waarom is Wies haar broeder en is Lida mijn -zuster niet? dacht Rik.</p> -<p class="par">Als hij weer ’t hoofd wendde stond het meisje in -’t donker deurgat en was aan ’t afbreien van een langzwarte -kous. De jongen rechtte zich halfop met de handen en hij keek hoe zij -met stillen tred naderde en ging zitten rechtover hem, nevens -<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name= -"pb7">7</a>]</span>Wies, op het bol van den eik. Hij rustte het hoofd -op de voorarmen en zóo, gemakkelijk uitgestrekt, bleef hij haar -liggen bezien. Hij voelde een nieuwe tevredenheid in haar bijzijn: het -invullen eener leemte, waarnaar hij lang gewenscht had.</p> -<p class="par">—Nu is het goed in den avond, zei hij stil.</p> -<p class="par">Niemand en antwoordde maar ’t deed hem deugd dat -ze nu zwegen, en hij verlangde naar niets tenzij daar te mogen liggen -en kijken naar Lida en eenzaam smakken aan de welligheid die hij -daarbinnen voelde opkomen, iets als zwemmen in ongerimpeld water zonder -einde.</p> -<p class="par">Zie, hoe de heldere mane daar zit boven in de lindekruin -tusschen de kromknoestige halfnaakte takken! de jonge bladeren vlekken -zwart op dat gouden veld lijk ongedurig, wemelende inkteklaters. Binnen -<span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name= -"pb8">8</a>]</span>huis ging het geslof van Wies zijn moeder die daar -in ’t donker alleen bleef;—anders en repte er geen geruchte -in heel den omtrek.</p> -<p class="par">Rik bleef welvoldaan omdat zij allen zoover uitgepraat -waren en niemand een woord en vond dat ’t zeggen weerd scheen. -Hij luisterde naar het tikken van Lida’s overeenwerkende -breinaalden. Daar van omlaag gezien, zat heur wezen vol donkerte en op -’t einde twijfelde hij of heur oogen zoo vriendelijk stil in de -zijne keken of dat ze halftoe op heur werk waren gericht. De wellust -kwam in hem op als een kriezeling zoo dat hij de oogen neerwaards dwong -en niet meer opkijken durfde. Daar in ’t gras nevens hem lag het -bolleken zwarte wolsajette dat gestadig versnokte en opsprong telkens -heur klein vingerke den draad deed inkorten. <span class= -"pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span></p> -<p class="par">—Morgen krijgen we weer een schoonen dag, fazelde -Wies tusschen de tanden.</p> -<p class="par">—De zomer komt vroeg, wederzegde Lida, en wat -later:</p> -<p class="par">De smoor hangt uit, ’t is versterking, zie, en zij -rechtte het hoofd en keek wijd uit over ’t veld.</p> -<p class="par">Zoo koutten ze stilaan voort in schaarsche half -ingehouden woorden, over land en weêr en spel en leven, heel -gewoon; lijk broêr en zuster. Rik had ook iets willen inbrengen -maar al zocht hij ook rond, er was niets dat goed scheen. Zijn oogen -snuisterden weer in de donkere haarkroezeling om Lida’s hoofd en -naar hooger op; daar zocht hij in den bleeken hemel naar de eerste -sterren die, lijk pas ontstoken kaarslichtjes, van langerhand kwamen -uitpinken. Ginder te westen, ver over de <span class="pagenum">[<a id= -"pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>velden, tegen ’t -uitveegsel van ’t vergane <span class="corr" id="xd21e169" title= -"Bron: zonnegond">zonnegoud</span>, zwommen er witte wolkjes lijk -groote bloemen zonder stengel. Daarbij werd de stilte zoo rein dat -’t staaltikken van Lida’s naalden nu duidelijk geruchte -miek.</p> -<p class="par">—’t Is alsof wij gedrieën alleen op de -wereld waren, dacht Rik, en die wereld werd nu zoo vreeselijk wijd, zoo -groot! en hij voelde zich meêzwellen en zag hoe Wies en Lida daar -en de gevelde boomstam, eendlijk uitgroeiden. Nu en schafte noch en -zocht hij meer van waar die voldaanheid uitkwam die evenals de goede -dauw, rijkelijk rond hem neerviel. Hij dronk en zwolg zijn geluk als -deugdelijke zeupen water bij grooten dorst en lag daar te verlangen: -naar meer, altijd meer en dat het eeuwig zóo duren mocht! Daar -rustte <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name= -"pb11">11</a>]</span>een zware goedheid op de boomen, op het land hier, -over al om dat huis bij Lida en Wies—elders was ’t de dood -en daar dacht hij niet aan, nu. Naarmate het donkerde, vernauwde die -wijde kring in een goede omheining rondom hen.</p> -<p class="par">Lida liet haren brei in den schoot vallen; zij rok de -armen hoog uit en legde haar hoofd achterover geleund tegen den -lindestam. De deemstering vervaagde de lijnen van haar wezen en vulde -de diepten met wondere schaduwen. Rik zocht nog altijd om dingen te -zeggen die hij heel traag wilde laten neerleken in de stilte. Dat -speelde rond in zijn hoofd, maar zoo gauw hij ’t in woorden wilde -vastgrijpen, hervormde dat zoo vreemd.... Wies zou lachen om zijn -gezegde en Lida verbaasd opkijken en hem ongeloovig bezien met -<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name= -"pb12">12</a>]</span>wijde, vragende oogen; lachen zou ze niet, dat was -hij heel zeker, te meer dat ’t nu zoo stille, zonderling avond -was. Ze zat beeldstijf te staren.—Waarom hield zij die armen zoo -hoog en haar lijf zoo uitgespannen?—Zij deed dat veel en die -houding bracht bij Rik zoo een naar gevoel vol onrust, dat hij haar -verstolen met half toegenepen oogen bezag, met vrees dat ze hem -betooveren zou.</p> -<p class="par">—Van den nacht zal ze mij weer berijden als een -kwade mare, en toch kon hij den wellust van haar zicht niet laten.</p> -<p class="par">Nu had hij haar, met een stil woord, willen doen -verkijken uit die verte, om dien langen blik naar zijn oogen te doen -komen.</p> -<p class="par">—Hoor dien krekel, hier onder ’t gras.</p> -<p class="par">Wies noch Lida en zegden daar iets op <span class= -"pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>en ze -luisterden of telden de flauwe kriepgilletjes van dien krekel. En als -dat luisteren weer zoo uitgerokken lang duurde dan werden die kriepjes -als zooveel scherpe scheersneden die ’t stilzwijgen in gelijke -eindjes korf. Rik werd bang op ’t laatst, niet voor zichzelf, om -de verdrietigheid of verveling, maar hij vreesde voor ’t gene die -effene vlakstilte zou komen breken en dat glazen kasteel ging doen -invallen. Dan kwam onvoorziens uit de opene huisdeur, zoo -stoorscheurend gewoon, moeders:—Lida, we zijn slapen, kom!</p> -<p class="par">Dat was het plotsinvallende teeken dat ’t uit was -voor vandaag. Lida schoot wakker uit haren droom, liet de armen zinken -en nu ging er tusschen hun drieën een gesprek aan over de dingen -uit ’t dorp, over ’t werk; Rik vertelde van Dirk Koole die -<span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name= -"pb14">14</a>]</span>zou trouwen met een vreemde; dat Pikkaert zondag -laatst gevochten had tegen drie felle boschkanters. Lida vroeg gewone -dingen over Riene en Tielde—Rik zijn zusters—en eindelijk -rechtten zij zich alle drie tegelijk op, rokken de leden uit al -geeuwend en wenschten elkaar een goên avond.</p> -<p class="par">—Tot morgen, wist Lida nog en ze keerde weer zoo -genegen haar hoofd naar hem. Dan was zij met heur broêr in huis -en Rik wandelde alleen door den avond. Nu had zij duidelijk naar hem -gekeken met haar donkere oogen zoo vreemd vragend, dat hij al zijn -bloed voelde verkruipen en had willen huilen van geluk. Nu zou hij naar -huis, maar eerst wat zinnen nog over al ’t geen er in zijn hoofd -omwoelde. Hij stond daar nog en <span class="pagenum">[<a id="pb15" -href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span>hoorde hoe Lida met heur heldere -belstem het gebed voorlas. Dat ging lijk muziek over ’t veld en -dan eerst, als heur zangzeggend gebed uit was en niets meer en roerde -rondom, werd hij gewaar dat ’t nacht was bijkans en dat hij nu -naar huis moest. O, hij droeg een rijkdom en blijheid in zijn hoofd en -dat danste over op al die zwaar zwarte boomen daar en door heel den -hemel onder ’t groot blauw geluchte, vol! Lida, Lida zag hem -geern! Zijn leute moest hij uitjubelen in een schallend koewachters -“halarialo”! maar hij durfde de rust niet breken rond zich -en hij haastte en verlangde daar boven op zijnen zolder te zijn, alleen -om traag al de beeldschatten uit te pluizen, te her-overdenken: al de -woorden die ze zei, en met toegenepen oogen te kijken op het gouden -schemerbeeld <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name= -"pb16">16</a>]</span>dat in zijn hoofd geschilderd stond.</p> -<p class="par">Thuis viel er een smachtende adem op hem; zoo dof, -ongezellig waren hier al de dingen: moeder zat daar zoo suffig ineen -gezonken met de oogen vol vaak; de broers, zij lagen lang, moede -uitgestrekt over den vloer op tafel of banken, en Riene met Tielde, -zijn zusters, zaten onder den blaker van ’t blikken lampje, te -naaien. Hij zegde hun allen een stillen goên avond en schreed den -zoldersteeger op. Daar sloot hij met zorg de deur om goed alleen te -zijn en al het vreemde ver van zich weg te hebben. En nu strekte hij -lang zijn leden op het stroobed, beet op de tanden en voelde een warme -krijzeling over zijn lijf loopen,—zijn beenen krimpten op en dan -strekte hij zich weer uit om kalm te smakken aan zijn gedachten. -<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name= -"pb17">17</a>]</span></p> -<p class="par">Hij zou nog bijlang niet slapen en zooveel hij kon, -liggen denken.</p> -<p class="par">—Lida, Lida, Lida! “Tot morgen!” had -ze hem gezeid!—Morgen mocht hij weerkeeren, en zoo voort zou dat -geluk in een ronde draaien en nooit uit zijn! Morgen nog een avond. -Later kon hem niet schelen.</p> -<p class="par">—Wacht, wat zal ik haar zeggen, morgen? waarom ben -ik altijd zoo beteuterd, verlegen als ik onder die linde lig en zij -daar vóór me zit?</p> -<p class="par">O, er waren zooveel dingen die hij haar zeggen zou, maar -zijn opgemaakte voornemens vielen meestal uiteen als zij hem bekeek of -zelf aansprak, zoo dat ’t gesprek voor een heelen avond op een -ander wegelken bleef.—Dat ze nu zei wat ze wilde, ’t was -hem altijd even aangenaam <span class="pagenum">[<a id="pb18" href= -"#pb18" name="pb18">18</a>]</span>en hij hield het zijne verduldig -uitgesteld: later zou hij wel tijd vinden, om haar heel zijn voorraad -te vermonden.</p> -<p class="par">Hij wilde haar zien, enkelijk zien; daarom neep hij nu -weer de oogen dicht, duwde diep het hoofd in het kussen en ze kwam -daar: op den boomstam onder de linde, ’s avonds; opweg naar de -kerk, aan ’t putten van een emmer water, of stond gebogen aan -’t groensel plukken in den lochting. Hij zag haar levend met al -de natuurlijke plooiïngen van haar lijf, in haar gewoon doen, maar -zoo onzeggelijk schooner nu, beschenen met dien goudglans, veel anders -dan bij dage in de werkelijkheid. Nu wilde hij heur traag bekijken, -heelegansch: heur haar, oogen en mond, de lijn langs haar heup, den val -van heur nijdlijken blauw-netten voorschoot,—maar die dunne -<span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name= -"pb19">19</a>]</span>nevelsmoor kwam heur weer omwinden, zoodat hij -niets meer duidelijk herkennen kon. Hij zag enkel heur twee zwartbruine -oogen—de blik die hem vanavond zoo doorkeken had—die -blonken lijk twee lichtjes zoo zacht, en spreidden een vreemde klaarte -uit zoodat ’t werd te zonneglinsteren onder de linde met -zoo’n wonderlijke wemeling daar in de bladeren. Groote witte -bloemen schoten overal tusschen—vlakronde zonnebloemen met -roodbeperelde herten, omkransd met geluwe vlamtongen en beneden -groeiden er hooge lischvlimmen met gloeiroode en witte kollebotten die -traag wiegelden. Daar midden in troonde Lida heel in blank en ze zat -daar stil op den bolleboom en keek meelijdend vriendelijk van uit haar -hoogte op hem neêr. Op ’t laatst werd die lichtschittering -te fel <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name= -"pb20">20</a>]</span>voor zijne oogen en hij voelde zich wegvoeren op -een rolwagentje met zoetzingend spel, naar een ander land. Daar zwom -hij in een grijze zee, wijd overwelfd met groenigheid, waarachter een -groote zon gedoken zat, en een beeld ievers, maar ’t was alles -zoo overgroot dat hij verzwolg in ’t opademen van de veelte van -genot. En zachte zonk hij neer in een smachtend gevoel van kriewelende -kitteling die hem zeer gelukkig miek.</p> -<p class="par">’s Morgens in die kletsheldere zonneklaarte lijk -hij daar stond met de drie koeien langs de gracht, zoo nuchter, dan -werden de dingen van gister heelemaal anders. Zie, ginder ver op -’t glinstergroene veld, in den zonneschijn, wrocht Lida met de -andere boerenmeissens. Zij speelden en schatergekten onder ’t -werk. <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name= -"pb21">21</a>]</span>Lida boog en rechtte haar lijf—o, ze was de -schoonste van al, maar zonder droomerij in de oogen: de blijleutige -deerne <span class="corr" id="xd21e224" title="Bron: nn">nu</span>, -vlug aan de hand, altijd brad en vroolijk, met den klinkhelderen lach -gereed op de lippen en de blinkend witte pereltanden bloot. Dat was het -blij werkelijke leven, nu. Die menschen verstonden niets van zijn -droomen en hij twijfelde of hij ook niet een dutsachtige sul was?</p> -<p class="par">Het was zoo lastig met dien zwaren schat, gedoken rond -te loopen tusschen de menschen. Moeder schold hem om zijn droomen voor -luiaard en de groote broêrs gebaarden dat ze het keppekind niet -en kenden. Daarbij werd hij soms overvallen door een droef gedacht: of -er wel iets gemeens bestond tusschen hem en Lida?</p> -<p class="par">Was dat oogenspel wel vattelijk voor <span class= -"pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span>dat -blijlevend meiske? en kon ze bij éen van zijn woorden raden dat -hij zot, razend zot van haar was?—Lida dat werd soms -doodeenvoudig de zuster van Wies, en Wies die was zijn makker, en Lida -ze knikte en koutte genegen omdat Rik de makker van heur broer was; al -’t andere wond hij zichzelf op en haalde ’t uit het oude -boek van den zolder en uit zijn eigen zieke gedachten. Dat miek hem -neêrslachtig en wreed ongelukkig. Waarom deed hij niet lijk Pol -en Lieven en Jaak en zijn ander broers?—die wrochten heel de week -met blij gemoed zonder aan iets te droomen en ’s zondags gingen -zij gearmd met hun deerne naar een of andere kermis. Die vroegen er -niet naar, of ze wisten toch zeker, geern gezien te zijn. En Riene en -Tielde, ze zongen heel de week en ze <span class="pagenum">[<a id= -"pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>hadden ook elk een jongen -die haar halen kwam om te wandelen.</p> -<p class="par">—Ik zal heur zeggen.... Lida, ’k zie u -geern—: haar nooit meer bezien of wel er open naartoe gaan. Maar -op den zelfden stond wist hij wel en zeker het haar nooit te durven -zeggen.—’t Best was: alles uit zijn hoofd steken, lustig -leven en aan niemand denken. Ze was toch veel te hoog voor hem.</p> -<p class="par">Maar waarom bekijkt ze mij altijd zoo diep in de oogen? -dacht hij, <span class="corr" id="xd21e239" title= -"Bron: Doet">doet</span> ze dat zonder inzicht? zonder te weten dat het -aanzet en me betoovert? Waarom legt zij zich altijd in die deemstering -zoo met de armen uitgerokken achterovergeleund met halfopene oogen te -glariën lijk een luie kat? En dan monkelplooit ze weêr zoo -aanvallig heur lippen. <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" -name="pb24">24</a>]</span></p> -<p class="par">—Doet ze dat voor heur zelf of ook als ik er niet -bij ben? En daar hij heur bij dage ontmoette kon zij zoo vreeselijk -gewoon groeten en hoofsch lijk een vorstinne, op den kleinen koeier -neerzien! of hem ook in ’t geheel niet opmerken, was ’t dat -ze met een buurmeisje aan ’t praten was over kleeren of tooisel. -Dan viel ineens die gedroomde innigheid weg. Als ze niet heelemaal de -zijne wilde worden liet hij haar liever af. En de hooggevierde Lida was -een vreemde voor hem; hij zou er niet meer naar omzien, ’t was -vast nu. Hij werd spijtig om al de gedachten en genegenheid die hij aan -heur verspilde; was ze niet wreed ondankbaar en ijdel, daar zij hem -niets van ’t hare wederzond? Wat gemeens bestond er tusschen hen -beiden?—niets dan wat simpel oogenlonksel! ’t was al. -<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name= -"pb25">25</a>]</span></p> -<p class="par">Tot tegen den avond leed dat weg- en weerwerpen van -beschuldiging en verschoonen.</p> -<p class="par">Met ’t stil wegzinken der zon welde de zachte -weedom weer op. Dan kwam zij zelf vóor hem staan en hij was -weêr aan ’t meêdrijven naar de oude droomerij; door -een lijntje van haar wezen, het dansen van een slutse haarkrul in -heuren hals, of de ronding en plooien van den voorschoot om hare -heupen, werd hij razend om haar sierlijke schoonheid, lam geslagen, en -al ’t andere buiten haar: ’t dorp met al de menschen en -moeder, verzonk en verdween voor hem in een duistere verte.</p> -<p class="par">’t Werk was nog niet geheel af, als hij weeral -verlangde en zich gedreven voelde naar buiten, bij de linde. -<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name= -"pb26">26</a>]</span></p> -<p class="par">Want, jammer genoeg, hij durfde daar elken avond niet -gaan zitten of voorbijgaan, dat zou te oogschijnlijk uitkomen dat hij -Lida vrijde en hij vreesde dat zulke mare in eens heel zijn geluk kon -uiteensmijten. Soms miek hij een vast besluit er in lang niet meer heen -te gaan; maar met den avond kwam de bekoring weerom sterker, hij gaf -stilaan toe, draaide rond en keerde tot hij toch op het onweerstaanlijk -plekje aankwam. En als ’t gebeurde dat hij daar niemand vond, -ging hij gaan dompelen alleen in de velden en hij voelde zich verlaten -en droef. Die vereenzaming was hem te zwaar om dragen alleen; hij moest -iemand hebben waaraan hij vertrouwelijk zijn ziel kon uitzeggen. Maar -dat hij al rondzocht hij vond niemand: zijn broers dat waren grove -lummels die <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name= -"pb27">27</a>]</span>meestal met de bende uit gingen werken waar er -ievers een vaart te delven of groote hoopen aarde te verbeulen was. Bij -Riene en Tielde ook niet,—die en wisten er niets af van ’t -geen hem lette. Lida alleen, maar ’t was de Lida die in zijn -hoofd woonde—met haar sprak hij over al die wondere dingen, boven -daar hij in zijn bed te denken lag. Dan koutte hij vertrouwelijk even -alsof ze hem door den stillen avond waarlijk op dien afstand hooren -kon;—en ’s anderendags, bij klaren dage, zag hij in haar -donkere oogen dat ze hem goed verstaan had.</p> -<p class="par">Morgen, als ik haar alleen vind, zal ik het haar -wezenlijk zeggen, dacht hij. Met één ding te eenegaar zou -hij beginnen tot het, op ’t einde, al was klaar gelegd. Maar zoo -gauw liet Wies hen alleen of hij <span class="pagenum">[<a id="pb28" -href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>wierd benauwd om zijn woorden en -hij zegde meestal niets tenzij gewone dingen, zoo dom dat hij er spijt -over voelde, zoogauw ze gezegd waren. Ze moest een vreemd gedacht van -hem hebben, Lida, en z’en zou er wellicht nooit een woord af -weten van al zijn wonderlijke gevoelens. ’t Ware best dat hij -verre van hier weg was en met andere menschen leefde. Er lag hier -zoo’n gemoedelijke kalmte over al de dingen.—Zie, die -koeien daar hoe lam ze den kop rechtten en voorttrakelden in den avond, -en al dat rood van de zon achter de tronken,.... z’en zal in -lange nog niet zinken, dacht hij. De dagen, ze winden zoo gezapig en de -tijd spint zoo staag zijn kluwen uit! Als hij nu liever voor zijn eigen -genot beminde en verheugd was in ’t stille om haar schoone oogen, -<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name= -"pb29">29</a>]</span>was dat geen geluk om bij te dansen! en zag hij -een einde aan zijn zaligheid!? De zonnewarmte kwam zoo goed en ’t -groen van de versche lente stond overal uit.</p> -<p class="par">Moeder vroeg wat er heuren jongen scheelde, of hij ziek -was, waarom hij treurde? Maar z’en vermoedde niets, de goede -vrouw, van zijn inwendige doening. Eenigheid en wat rust, dat alleen -miek hem gelukkig; als hij maar ver weg kon kruipen waar hem geen -mensch vinden kwam, en zitten zinnen bij zichzelf, dan wenschte hij van -niemand eenige hulp. En nu ging dat veel beter thuis. Gister liepen al -de grootste kerels van ’t dorp over straat en zij zongen. Toen -Rik thuis kwam vond hij Teune, Carpus, Klaas, Pol, Lieven, Jaak, die -hun pakken mieken en mede vertrokken naar een groot aardewerk ievers -<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name= -"pb30">30</a>]</span>in ’t noorden. Tegen den avond was het dorp -en ’t huis heel stil en Rik was er blij om, nu alleen te zijn met -zijn zusters, in deugdelijke verenkeling. Nu kon hij verstolen naar -zijn zolder sluipen en daar heele stonden zitten lezen in het oude boek -met al die wondere dingen die hem zoowel bevielen. Daar was een prentje -in dat hij bovenal geern bekeek: in een heerlijk priëeltje -wandelden een slanke prins gearmd met een vorstinne heel in wit; zij -gingen zoo traag onder die heimelijke diepten vol lommer van hooge -boomen, en ze moesten zij toch malkaar aangename dingen weten te -vertellen. En die warme zonneklaarte scheen hem, in dat lommerland, -zonder einde. Dat zou hij Lida eens toonen later en heur vragen of ze -’t ook zoodanig mooi vond. <span class="pagenum">[<a id="pb31" -href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span></p> -<p class="par">Hij pluisde geern in zijn gedachten om te achterhalen -hoe dat met Lida begonnen en die koorts in hem gekomen was. Wanneer had -ze den eersten ooglonk geworpen die hem zoo ontstelde? Toen ze kind nog -en klein meiske was, had hij met haar gespeeld zonder eens te merken -dat z’er anders dan al de jongens uitzag. Later—en nu -verdoolde hij in ’t menigvuldige der feiten—had hij -beginnen verlangen om haar te zien en te ontmoeten. Den eersten keer, -’t was van in zijn zoldervenster dat hij haar zag, en merkte: -heur ranken, witten hals onder de glooiing van de bruine -haarkroezels—dan was zijn hert beginnen kloppen en sedert dien -ging Lida van heele dagen uit zijn gedachten niet meer, en hij wenschte -altijd tot het avond werd om haar te vinden bij Wies onder de linde. -<span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name= -"pb32">32</a>]</span></p> -<p class="par">Nu ook sleepte die dag zoo lang en ’t was of wilde -de zon, met langs om min goeden wil, onder gaan; de avond kwam -niet.</p> -<p class="par">Vandaag zou hij haar willen zien in ’t klare -licht. Heur beeld stond, door ’t altijd kijken met die -deemstering tusschen haar en hem, zoo wazig en onduidelijk in zijnen -kop en hoe hij ook pijnde om de strepen van haar wezen met zware lijnen -te omtrekken, dat ging niet. Hij zou haar lang bekijken om niets van -’t geziene te vergeten. Daarom zette hij, zoo aanstonds het -schemeren begon, uit naar heur huis. Maar hij hoorde, van ver nog, -groot gerucht van veel stemmen onder den boom, Lida zat er en Wies ook -maar nog veel makkers uit het dorp. Hij verkende Sneyer, Pinne, Fons -Zeurkel, de drie Boelen, Krotse <span class="pagenum">[<a id="pb33" -href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span>en Sieper die vertelden van den -oogst in ’t Zuidland. Hij kwam stil bij geschoven en liet hun -luide stemmen gaan zonder naar iets te luisteren van ’t geen ze -zegden. Gedoken bachten Sneyers rug keek hij naar Lida,—ze zag er -blijgestemd uit vandaag en lijk preusch daar alleen meisje te zijn bij -al die kerels. Tusschen de rookdrendels van den opvunzenden tabak, keek -haar aangezicht zoo lief en nu zag hij het heel duidelijk: de wolle -kroezeling zoo zwartbruin om haar wit voorhoofd—geen meisje wist -met zoo’n zwierigen wrong haar hoofd te sieren.—Dan volgde -hij de lijn langs haren neus, maar zijn zinnen verdoolden door een blik -uit haar diepe oogen, waar hij heel die wereld in zag! en ze wierd weer -de goede Lida, ál schoonheid, en hij dacht er niet <span class= -"pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>meer -aan, te zoeken waar de toovering van heur wezen begon of eindigde. Zij -koutte leutig met de gasten die om het meest hun werkdaden vertelden -van ’t verre land. Rik had maar een enkel ding opgemerkt uit heel -hun gesprek, ’t was: dat groote Krauwel zijn ronde deed achter -pikkers, en dat al de makkers hem toegezegd hadden den oogst te gaan -doen naar ’t Zuiden. Als ’t donkerde zat Lida nadenkelijk -voor zich uit te staren en z’n zegde niets meer.</p> -<p class="par">Nu was ze weer het wazige schepsel met die rozige -krullipjes en den zonnigen glimlach, uit zijn droomen. Hij en hoorde -noch en zag niets meer rond haar. De laatste was hij die goên -avond zei en vertrok. Hij slenterde voldaan naar huis even als na een -langen blijdag vol leute. <span class="pagenum">[<a id="pb35" href= -"#pb35" name="pb35">35</a>]</span>De velden geurden goed en de maan -dreef zoo zacht, zie, in een hemel hoe blauw! hoe groot! ’t Was -of al de dingen voort waren, weggenomen, en hij daar alleen gelaten -stond met dien stillen avond. Bij den gevel thuis hoorde hij moeders -stem luide aan ’t kijven. Als hij bij de deur bleef staan -luisteren hoorde hij hoe Tielde weende en moeder luide zei:</p> -<p class="par">—O, gij zot schepsel! wat gij denkt! Verschafel -lacht met u, ’k en wil bovendien niet dat ge nog naar hem omziet. -Wat, hij zou u vragen te trouwen!? O, gij simpel schaap! die dat -gelooft! Weet ge niet dat hij een begoede boerezoon is? en gij, Tielde -Busschaert, een meisje zonder iets? Waar zou ik het halen om u wat te -geven? Uw vader, de goede Segher, is zeven lange jaren ziek geweest en -heeft <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name= -"pb36">36</a>]</span>al opgeëten en vermeesterd wat we bezaten. En -uw broers, wat brengen zij naar huis? Wacht, kind, tot de trotsche -Verschafel het weet, hij zal zijn zotten zoon doodranselen! ha, ge -luistert gij naar jongens liflafferije!</p> -<p class="par">Tielde ademsnokte gedoken onder haar voorschoot toen Rik -binnentrad en moeder deed maar altijd voort:—Maar, hij vest u -blauwe bloemkes op; hij zal een tijd leute met u maken om u dan te -laten zitten! en u uitlachen, gij lichtekooi! zoek ievers een armen -duts om honger meê te lijden, dat zult ge wel vinden. Ha, -’t was daarom, dat nieuw kleed en al dat snuistergoed!?</p> -<p class="par">Rik was zeer aangedaan door dien onverwachten storm en -hij ging haastig naar zijnen zolder. <span class="pagenum">[<a id= -"pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span></p> -<p class="par">Dat was nu weer een breuk in zijne droomen; dat viel -lijk eene donkere onweersvlaag over zijn geluk, en al ’t -ellendige van den werkelijken gang stond daar vóor hem. Nu wist -hij het eerst heel klaar: hij was een arme jongen!</p> -<p class="par">In Tielde’s verdriet en deelde hij niet veel, maar -die woorden van moeder sloegen hem diep—hij dacht voor den -eersten keer: ik ben een arme sul, zal Lida niet afhondig over haar -schouder kijken naar den jongen die ijdelhands op haar toekomt, en -moeder Beucke ze zal mij ongenadig van de deur gooien?!</p> -<p class="par">Wies was enkel zijn makker geweest en Lida was hem -daarvoor genegen wellicht. Maar moest ze eens gewaar worden wat hij -eigenlijk wilde!.... Daar stond nu ineens de groote scheidschreef -tusschen <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name= -"pb38">38</a>]</span>hen! Hij verdoemde vaders geldkostende ziekte en -de slemperij van zijn broêrs die hem arm mieken, en hij benijdde -den goeden welstand bij Lida. Hij had haar willen in nood zien en -jankend van honger naar hem om hulp komen. En hij dan, in staat een -overvloedigen rijkdom mildelijk rond haar uit te gieten; dan had hij -die trotsdonkere oogen zien smeeken en drukkelijk opkijken! Dat deed ze -immers nooit.</p> -<p class="par">Maar ’t was anders beschikt en hij kende geene -uitkomst; ’t ware best geweest nu, kon hij maar gauw wegdommelen, -aan niets meer denken en ievers in een ver land weer wakker worden waar -hij heur nooit meer terug zag.</p> -<p class="par">’s Anderdaags was hij aleven slecht gestemd. -“’t Moet uit zijn, dacht hij, of <span class= -"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>later -loopt het op een ongeluk.”—En hij besloot weg te gaan.</p> -<p class="par">Een langen halven dag wachtte hij naar groote Krauwel, -en als hij hem eindelijk van zijn ronde zag thuis komen, ging hij er -met vasten stap naartoe:</p> -<p class="par">—Krauwel, wilt ge mij mee naar ’t -Zuidland?</p> -<p class="par">De groote kerel bekeek den jongen.</p> -<p class="par">—Hebde nog gepikt?</p> -<p class="par">—Ja, twee drie keers al.</p> -<p class="par">—In ’t vreemde niet?</p> -<p class="par">—Neen, hier op ’t Ganzenhof.</p> -<p class="par">—Weet-je wel jongen dat ’t ginder brandt in -de lucht en hard werk is!?</p> -<p class="par">—O, ’k kan daar tegen, vraag het maar aan -Wies Beucke, die zal ’t u zeggen.</p> -<p class="par">—Kom dan, ’t is voor de naaste weke en we -trekken er diep in dees jaar. <span class="pagenum">[<a id="pb40" href= -"#pb40" name="pb40">40</a>]</span></p> -<p class="par">Krauwel haalde een schroô papier uit den broekzak -en teekende met een potlood een kruisken onder aan de lijst.—Rik -liep weltevreden naar huis.</p> -<p class="par">—Moeder, mag ik meê den oogst gaan doen?</p> -<p class="par">— Wat, jongen, droomt ge? Blijf stil bij uw -moeder, da’s geen werk voor u, ge zijt nog veel te jong.</p> -<p class="par">—Moeder, laat mij, Wies gaat ook en ik zal bij hem -blijven.</p> -<p class="par">Hij overreedde moeder tot ze op ’t einde ja zei en -toestemde.</p> -<p class="par">—Nu, ga ik toonen wie ik ben, en hij rechtte zich -in trotschen moed, ik keer terug met mijn zakken vol geld—dan -zullen we zien. Is er niet genoeg, te naaste jaar haal ik er nog meer -bij! Hij was vol goede meeningen over zichzelf en vol hoop <span class= -"pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span>in -’t geen komen moest. Maar Lida, Lida, ’t bleef en ’t -was overal Lida dat hij zag in alle dingen, ’s Avonds kwam hij -onder de linde waar hij weer eenthoeveel jonge pikkers vergaard vond. -Hij ging eerst stil bij Wies en zei hem dat hij mede den oogst deed; -Lida raadde zijn zeggen en ze monkelde ongeloovig.</p> -<p class="par">De kerels die ginder reeds geweest waren en alles gezien -hadden, vertelden van de overgroote koornstukken daar, ho, wel tien -dorpen vol, al hemel en koorn om af te pikken, en dat z’er in -geslegen hadden, dag en nacht—en van de wreede zon! Sneyer had -een man zien doodvallen nevens hem, steendood!—Dan wisten ze nog -veel over de boerenhoven ginder waar de knechten elkaar niet kenden: -zooveel waren er! <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" -name="pb42">42</a>]</span></p> -<p class="par">—En de boer, dat is zooals een koning in zijn -land, hij weet er geen einde aan! wist Sieper.</p> -<p class="par">Rik luisterde benieuwd naar die wreede dingen, hij kreeg -inwendig vrees en toch voelde hij een groot verlangen meê te gaan -doen in dat geweldig werk, naar ’t verre land.</p> -<p class="par">—Dan keer ik weer als een volslagen kerel en -’k mag meespreken overal.</p> -<p class="par">Wies en kon niet meer slapen, zoodanig verlangde -hij.</p> -<p class="par">—Sa, jongen, zei hij en sloeg op Rik zijn -schouder, ginder zullen we ons armen en ons macht ontbinden en er ferm -in losslaan.</p> -<p class="par">Als de anderen weg waren, bleven Rik met Lida en Wies -nog wat zitten rullen ondereen, lijk vroeger. <span class= -"pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span></p> -<p class="par">—Lida, wat gaat ge hier alleene doen, en waaraan -zult ge denken eens dat we weg zijn? wilde Rik heur vragen, maar hij -vroeg het niet en vertrok dien avond weer zonder iets te zeggen van al -het gereedgemaakte.</p> -<p class="par">—Eer uit het land te gaan, den laatsten dag, zal -ik het heur al zeggen, dacht hij.</p> -<p class="par">Wies had hem gesproken van de groote winst ginder en hij -verblijdde zich reeds met ’t voorgedacht van dien rijkdom. -“Als ze mij dan nog afwijst vertrek ik voor goed en niemand ziet -mij nog terug!”</p> -<p class="par">Thuis was moeder in volle werk met zijn gereedschap; hij -moest nieuwe kleeren en veel versch goed hebben. Hier of elders en -wierd er van niets anders meer gesproken. De Pastor ging rond naar al -de <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name= -"pb44">44</a>]</span>huizen en vermaande de kerels om ginder goed op -hun plichten te letten en ’t kwaad te vluchten, hetgeen ze allen -met veel goeden wil beloofden. Krauwel kwam ook nog om te zien of er -niemand zijn woord wilde intrekken en ’t afreizen bepaalde hij nu -voor vast: binnen twee dagen. Niemand die nog wrocht, ze moesten te -veel bij elkaar gaan op bezoek en alles schikken, en vragen bij de -“oude pikkers” wat er meest noodig en best mede te dragen -was. Zij gingen bij den smid hun bootalm, pik en krauwels doen maken, -naar de winkels om versch goed en kleeren. De groote blauwe tweezakken -werden volgepropt en elkendeen verlangde om te vertrekken.</p> -<p class="par">Rik was ’t meest bezig hoe hij van Lida zou -afscheid nemen; vóór te vertrekken naar ginder ver wilde -hij toch gerust zijn en <span class="pagenum">[<a id="pb45" href= -"#pb45" name="pb45">45</a>]</span>zeker moest ze weten dat hij heur -razend geern zag;—en hij brak zich maar gedurig het hoofd om te -vinden de manier hoe heur dat te bekennen.</p> -<p class="par">—Ik verlang te vertrekken, zegde hij, maar om een -ding alleen zou ik hier wel willen blijven. Omdat ze hem naar den naam -van dat ding niet vroeg durfde hij niet verder te spreken.—Maar -ze lonkte toch met heur oogen perkantig dat ze hem begreep,—dat -deed hem het meeste deugd.</p> -<p class="par">Binst den nacht liepen Krauwel met zijn bende door -’t dorp en zij zongen overluide. Maar Rik was op moeders raad, -vroeg gaan slapen.</p> -<p class="par">—’t Zal zeker wel de laatste keer zijn in -lang dat ge dweersdoor zult te rusten hebben, had ze hem gezeid.</p> -<p class="par">Nu lag hij in bed te luisteren naar ’t -<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name= -"pb46">46</a>]</span>wild gezang en de luide leute van de gasten.</p> -<p class="par">—Moet ik mede met die druiste kerels?! dacht hij -en er kwam een groote vervaardheid bij hem op.</p> -<p class="par">Alevenwel stonden Wies met Sneyer, Broecke, Pinne en al -de anderen ’s morgens voor den dag, gereed en blijgemoed te -wachten op straat.—Van alle kanten kwamen er nieuwe pikkers bij, -zoo dat heel de plaatse vol stond: krachtrijke kerels, sterk op de -beenen in hun donkervloeren broek en rooden ledenband, een blauw -kielken dat los hing over hun wreede schouders en een oud vilten hoed -met neêrgetrokken rand over hun wezen. Zij droegen den -blauwgestreepten baalzak met kost en gereedschap op den schouder en -stonden geleund op den pikhaak, gerust <span class="pagenum">[<a id= -"pb47" href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span>rond te kijken naar de -bijkomenden. De moed en de veerdigheid blonk in hun oogen en hun leden -die rustten nu, toonden te meer de overdanige krachten die ze meê -droegen om wonderdaden te doen ginder verre. Ze meumelden wat ondereen, -ernstig; anderen plaagden malkaar en trappelden rond vol onrust en -verlangen. Veel vreemd volk liep over de bane: elk wilde zijn kennissen -zien en groeten. Moeder Busschaert was verslaafd aan ’t gereed -brengen van Rik’s laatste dingen.—Weder hij wilde of niet -er moest een potje versche boter met een schotel zwijnsvleesch in zijn -tweezak voor in ’t eerste van de reis;—ze bracht hem nog -wijwater en hing hem een Lieve Vrouw-medaillieke en een kruisken over -den hals.—Dan kon ze ’t niet meer ophouden, <span class= -"pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span>de -tranen liepen over haar wangen en ze keerde heur wezen om uit te -snikken. “Heb goeden moed jongen,” stamelde ze, en de vrouw -moest weer het hoofd wenden.</p> -<p class="par">—Heere God, ’t is zoo ver te gaan, en zoo -lastig; Pieter heeft daar zijn ziekte en zijn dood gehaald. ’t -Was tijd. Met een krachtigen zwaai gooide Rik den tweezak over den -schouder en vertrok; moeder en Riene en Tielde kwamen -mede.—’t Eerst zocht hij rond tusschen al het volk naar -Wies,—ha! hij stond daar bij zijn moeder en Lida ook, die luide -aan ’t kouten was tegen de makkers.</p> -<p class="par">—Nu, dacht hij, zal ik haar eens goed bekijken, -’t is lange weg te zijn, en ’k moet dat wel van buiten -kennen om ginder in mijn eenigheid haar heel te kunnen samenzetten en -bij te houden.—Zou ik <span class="pagenum">[<a id="pb49" href= -"#pb49" name="pb49">49</a>]</span>het haar nu durven zeggen:—Lida -’k zie u geern en ’k zal ginder heel den tijd op u peinzen; -na den zomer ben ik hier weer.</p> -<p class="par">Zij bezagen elkaar en monkelden.—Z’ had -zich, met opzet voorzeker, heel net opgeschikt van den morgen en scheen -wonder welgemoed.</p> -<p class="par">—Ik moet er nu ook een ferme kerel uitzien, dacht -Rik.</p> -<p class="par">—Zijt ge niet vervaard van het werk? vroeg ze -hem.</p> -<p class="par">—Ho, al waar het nog zooveel? gekte hij en schoof -met een duchtig gebaar den hoed achteruit.</p> -<p class="par">Hij zou nu nog wel wat gezeid hebben, maar er stonden -zooveel menschen bij, en moeder hield hem gedurig in gesprek en Lida -was zoo bezig met heur broêr.</p> -<p class="par">—Krauwel is daar! Van achter den kerkhofmuur kwam -de groote Krauwel. <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" -name="pb50">50</a>]</span>Zonder spreken stapte hij tusschen zijn -kerels en nam ze goed in oogschouw; hij telde ze op en: “Niets -vergeten gasten?!”</p> -<p class="par">—Neen, neen! riepen zij.</p> -<p class="par">Dan gaf hij teeken van vertrekken. Bendewijs, twee en -twee of gedrieën, gingen zij vooruit; velen gearmd met hun meisken -en het hoofd gebogen, vertelden al wat ze wisten voor lang; anderen -nevens hun wijf, gaven afscheidsplakjes aan de jongens. Wies en Rik met -moeder en de zusters stapten traag nevenseen.</p> -<p class="par">—Wies, jongen, zult ge toch goed, naar Rik letten? -smeekte moeder, de jongen is zoo teêr!</p> -<p class="par">—Betrouw er u op, Fiene, ik zal er zorg voor -dragen en we komen de een zonder den ander niet naar huis, zegde Wies -om het vrouwke te troosten. <span class="pagenum">[<a id="pb51" href= -"#pb51" name="pb51">51</a>]</span></p> -<p class="par">Daar ging nu niet anders dan hun halfluid gekout en de -zware tred van al die vernagelde schoenen op de straatsteenen. Elk was -bezig met zijn volk. Aan ’t kapellekruis bleven al de vrouwen -staan,—tot daar uitgeleid, was ’t gebruik. Elkendeen riep -een laatste “goê jongste, geluk, en goên -thuiskeer”. Rik had de oogen op Lida,—ze wenschte hier en -daar een schertsenden groet naar de jonkheden die haar plaagden; hij -wachtte verlegen zijne beurt,—moeder bezag hem altijd en hij werd -ongemakkelijk. Een blijden oogslag ving hij, maar nu kreeg ze weer dien -trotschen wrong om de lippen en het fier draaien van den hals dat hem -ontstelde.</p> -<p class="par">—Ik ben weg, dacht hij, en hebbe niets gezegd, -z’en weet niet, en misschien.... <span class="pagenum">[<a id= -"pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span></p> -<p class="par">Dan wendde hij nog eens het hoofd om moeder te -groeten,—en daar speurde hij even Lida weer op, die hem nu zoo -schalks toewenkte met haar oogen, als spotte zij om zijn kinderachtige -bedutsdheid. Zie, nu had hij willen terug naar heur toeloopen en al -kunnen zeggen wat hem op ’t herte lag,—maar Wies vroeg hem: -of hij iets vergeten had.</p> -<p class="par">Moeder bleef staan wachten om een laatsten groet van -heuren jongen, maar hij zag haar niet meer.</p> -<p class="par">—Wies, jongen, zei hij, wat moet ons dorp verlaten -zijn en eenig vol ledige vlekken, als we daar, zooveel groote gasten, -uit weg zijn!</p> -<p class="par">—Da’s niet, Rik, ze zullen wel leven zonder -ons en we komen eens weer, de zomer is zoo lang niet. <span class= -"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></p> -<p class="par">Nog maar rechts waren zij den draai van de straat om, of -al het ernstige van vertrek en afscheid was vergeten en de leute -herbegon. Rommelaere haalde zijn trekorgel uit, de kerels stapten op -maat van den voois, grepen elkaar bij den arm, zwaaiden hoog den -pikhaak en zongen om het luidst:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd21e442">Sa we gaan</p> -<p class="line xd21e442">ja we gaan</p> -<p class="line xd21e442">’t land uit!</p> -<p class="line">Ja we gaan ’t land uit.</p> -<p class="line">Met goeden moed naar ginder verre!</p> -<p class="line xd21e442">Sa we gaan,</p> -<p class="line xd21e442">Ja we gaan</p> -<p class="line">met ons pikke, met ons pikke,</p> -<p class="line xd21e442">ja, we gaan</p> -<p class="line xd21e442">ginder verre</p> -<p class="line">al het koorn gaan afslaan!</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= -"pb54">54</a>]</span></p> -<p class="par">Zoo stapten zij dapper ’t dorp uit en een ander -in, altijd voort den heelen dag tot ze ’s avonds in een ongekende -streek reeds, bij een vreemden boer slaping zochten.</p> -<p class="par">Rik voelde met bangheid dien afstand van huis -vermeerderen; hij trappelde meestal stommelings en gelaten mede in de -bende met de gedachten op het vreemde land waar hij naartoe ging en op -al de wreede dingen ervan die zijn makkers met onbeducht gemoed -bespraken; dan weer droomde hij op thuis en al wat er daar nu leefde in -zijn afwezigheid. Dat scheen hem nu een zoo stil, gelukkig oord, waar -hij in den laatsten, korten voorzomer heel zijn zaligheid verleefd had. -Al die avonden voelde hij met hun gelukzieke teederheid, en hier op het -onbekende, bloote land <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" -name="pb55">55</a>]</span>overviel hem eene groote treurnis om dat -vergaan genot.—Wat zullen ze met mij uitrichten? dacht hij, en de -groote dingen van den geweldigen zomer kwamen in hunne wreede laaiing -vóor hem staan. Boele had hem eendelijke standen verteld van den -zonnedans op een korenveld! Maar later haalde hij weer nieuwen moed in -’t sterk vertrouwen der makkers die nevens hem gingen. “Ha, -ha!” gekte Wies, “we zijn de twee jongsten, ze zullen ons -wat sparen, en als we ’t niet meer uithouden, laten we ons vallen -en gebaren ons dood voor een halven dag!”</p> -<p class="par">De anderen stapten gejaagd met verlangen om ’t -werk te beginnen.</p> -<p class="par">—Daar kunnen we toch eens de armen loslaten! al de -koornstukken hier overkijken we, en eer ’t spel in gang is ligt -<span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name= -"pb56">56</a>]</span>het al afgepikt! Ginder is het -anders,—koorn, al koorn zoo wijd als een zee!</p> -<p class="par">Rik keek vol bewondering die mannen in de oogen: dat -werden nu al zijn groote broeders en van hen verwachtte hij veel -bijstand. De eene lange dagreis volgde de andere: zij mieken de nachten -kort en haastten zich vroeg weg, altijd gejaagd om verder ’t -zuiden in. Over den blakken heideweg geleken zij een zwarte woeling van -menschen, uitgejaagde landloopers op zoek naar geluk. Zij werden moede -op ’t laatst en gerucht en gezang was lange reeds gestild; zij -gingen zonder opkijken en spraken zelden. Na al die dagen gaans zagen -zij rechts en links, bezijds de breede bane, een oneindigheid van -magere vruchtvelden en daarin, alhier, aldaar verzaaid, overal gelijke -kerktorentjes uit een <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" -name="pb57">57</a>]</span>troppeling lage huisjes opsteken. Verder -waren de vlakten bloot en de einder wijdde uit over onafzienlijke -stukken vageland en moerassen. Zij gingen dag uit dag in door de zelfde -richting zonder talmen, aten op ’t getij langs den weg en sliepen -in een schuur of onder den blooten hemel. Bij dage werd de zon duchtig -warm, de nachten niet te koud en van langs om meer werden zij gewaar -dat ’t Zuidland niet ver meer af was. Bij ’t opklaren van -een volgenden dag zagen zij de torens van een stad achter den -nevel;—volgens Krauwels zeggen moesten zij die links laten -liggen, later zouden zij er nog een veel grootere te dweerschen hebben -en daarachter.... lagen de velden waar er te maaien en te pikken -viel.</p> -<p class="par">’t Was met een groote benieuwdheid <span class= -"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>dat de -pikkers die stad inkwamen; zij keken zich de oogen uit in die rijke -straten; verloren den adem tusschen al die menschen en huizen. Zij -hadden hier lang willen vertoeven en al die wondere dingen her en her -overkijken, maar de drijf lag verder en Krauwel gebood goed bijeen te -blijven om niemand te verliezen. Achter de stad kwamen zij in een nieuw -land; ’t blauw van den hemel hing er om zeggen veel hooger over -een uitgestrektheid vol vruchten: wijde koorns en haver en gerste en -gras en dat alles onafgelijnd zonder straten of scheidspalen, rechts en -links de wijde baan, bezet met vier reken groote boomen, ’t was -lijk onder den beuk van een overgroote kerk dat ze gingen en tusschen -de stammen staken de hooge vensterramen waarachter heel die zonrijke -wereld blootlag. <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name= -"pb59">59</a>]</span></p> -<p class="par">Tenden den dag kwamen zij aan een hofsteê.</p> -<p class="par">—’t Is hier, zei Krauwel, dat we ons eerste -werk beginnen, en hij vertelde veel bijzonderheden over den boer -waarmede zij meest allen voor ’t eerst zouden kennis maken.</p> -<p class="par">De mannen stonden afgemat en moede, bedremmeld te staren -over een veld maairijpe spaansche klaver.</p> -<p class="par">Zij gingen nog wat verder en voorbij het jonge -koorn.</p> -<p class="par">—’t Zal een goede oogst zijn, meende Sieper, -zie hoe ’t allemaal rechtop staat, als ’t weer droog -blijft, pikken we op halven tijd den oogst af.</p> -<p class="par">Daarachter zagen zij de hooge daking van veel gebouwen -en een torentje opsteken. Krauwel ging alleen de groote <span class= -"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>hofpoort -binnen en de anderen legden hun vermoeide leden wat te rusten in -’t lommer van de boomen. Zij vermieken hun gekwetste voeten en -bedienden elkaar met de heelmiddels uit hunnen tweezak. Welhaast kwamen -veel jongens en meisjes en vrouwen van de hofsteê om de pikkers -te zien die van ver toegekomen waren. De boer kwam ook buiten mede met -Krauwel. Een lange magere vent met zwarte kwade oogen. Hij sprak luide -in een vreemde taal en deed barsche bewegingen met hoofd en armen.</p> -<p class="par">—Dat is de overeenkomst die hij maakt met Krauwel, -voor ons werk, zei Wies tegen Rik.</p> -<p class="par">De twee bleven op een afstand staan, en als, te langen -laatste Krauwel bevestigend het hoofd knikte en ze elkaar <span class= -"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>een -duchtigen slag in de hand gaven, naderden zij tot de makkers! De groote -boer bezag al die werkers, sprak nog wat over den toestand van den -oogst en de klaver, vertelde dat er over eenige weken een andere bende -aangekomen was uit ’t zelfde land, en dat die nu aan ’t -werken waren in de beeten. Dan keerde hij zonder ommezien weer naar -zijn hof.</p> -<p class="par">—Zoo makkers begon Krauwel, we zijn ingespannen! -morgen slaan we den slag. Hij wist hun den loonprijs van hun arbeid -uiteen te doen en de regeling van het werk.</p> -<p class="par">—Hier deugt het niet te goed voor den oogst, -jongens, we maaien hier enkel de klaver en trekken ’t land in -voor ’t koornwerk.</p> -<p class="par">Een klein meisje kwam hun den weg <span class= -"pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>wijzen -waar ze gingen eten en slapen binst het verblijf.</p> -<p class="par">Het <span class="corr" id="xd21e518" title= -"Bron: leide">leidde</span> hen achter de stalling, door de schuren en -andere nauwe stegen, tusschen gebouwen en aangetrekken, naar een groot -laaglang houten kot. Het meisje liet hen daar staan en vluchtte -blij-lachend weg.</p> -<p class="par">—Da’s hier ons huis, gasten, zei Krauwel, -elk kan hier vrij zijnen hoek kiezen en zijnen polk om te slapen en hem -houden voor goed; we doen hier lijk de koeien op stal en als we -ondereen vrede hebben zal er ons buitendien geen mensen komen storen. -Nu halen we ons gerief strooiing uit de schuur en we maken ons bed op. -De woonst was gauw gereed en het stroo open geschud; aan het hoofdeind -van elk leger lagen de kleederen en de <span class="pagenum">[<a id= -"pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span>zak met gerief en alm. -Dezen die vermoeid waren strekten zich maar seffens neer en ronkten. -Anderen zetten zich vier en vier te kaarten of gingen buiten lanteren -en rookten hun pijp. Krauwel met Sieper gingen naar ’t boerhuis -om wijn te koopen en brood; vleesch en aardappels zou men op ’t -hof voor hen koken en thuis brengen, zoo was ’t afgesproken.</p> -<p class="par">Wies en Rik zaten in eenen hoek te praten over ’t -geen ze gezien hadden, en zij mieken ondereen gissingen over ’t -geen komen ging.</p> -<p class="par">—’k Ben blij, Wies, dat we er -zijn.—Wat was die weg lang en we zijn een wreed eind van huis -af.</p> -<p class="par">Wies porde en tastte in zijnen zak achter zalf voor zijn -gekwetste voeten.</p> -<p class="par">—En moest er hier een van ons ziek worden? vroeg -Rik weer. <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name= -"pb64">64</a>]</span></p> -<p class="par">—Ja, die blijft hier in ’t kot liggen tot -hij geneest of dood gaat, en Krauwel houdt hem het loon van de verloren -werkuren af. Morgen zal ’t er op los gaan jongen, hoe meer we -werken hoe meer we winnen. “Slaapt als ge weer thuis zijt!” -zal Krauwel zeggen. Verleden jaar hadden we drie maanden dat we -lijfsgenadig wrochten zonder slapen bijkans, en dan hadden we vroeg -gedaan ook: vóor kermiszondag waren we met ons zakken vol geld -alweer thuis.</p> -<p class="par">—Hoelang blijven we hier op d’hofsteê? -vroeg Rik.</p> -<p class="par">—Ho, hier is ’t enkel klaver maaien, en we -pikken verder den oogst.—Bij Quélin, daar zal ’t een -lang getij op ’t zelfde gedoen zijn,—’t is een -hofsteê meerder dan heel ons dorp; ge zult de <span class= -"pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>oogen -open zetten naar al dat koorn: zoo ver ge zien kunt al éen stuk -zonder straat of wegel daarin, en de boer komt daar stormelings -doorgereden te peerd als hij zien wil of we ’t werk in geweten -wel doen.</p> -<p class="par">Zoo keuvelden zij stil voort, halfluide en wat bevreemd -nog in dat groot donker kot met naakte berdelen weegen.</p> -<p class="par">Het vat wijn en een mande vol brooden werden ingebracht -en al de pikkers kwamen bij. Krauwel schonk hun een eerste proefteug, -waarna zich iedereen voor goed te slapen legde. De deur van het kot -bleef open om de koelte en door de opening sleepte een weifelachtige -klaartestreep binnen over die reeks uitgestrekte menschen die gerust en -onbekommerd lagen te ronken.</p> -<p class="par">Dien eersten nacht, zoo dicht bij het werk en onder dat -gruwachtig dak, <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= -"pb66">66</a>]</span>overdeed Rik met een treurig landwee; hij lag bij -zich zelf rond te denken aan die verre dingen en hij overkeek in zijn -angstigheid de kerels die ook hun huis verlaten hadden en toch zoo -gewillig den slaap vonden. Hij lag heel alleen wakker, eenling in een -onmeedoogende vreemde streek.—Thuis gaat het nu alles gewoon weg, -en is er wel iemand op heel de wereld die om den armen Rik bekommerd -is? dacht hij. O, had hij maar de zekerheid gehad te weten dat hier -achter of rond dat akelig kot, zijn eigen huis stond en de mogelijkheid -daar Lida of ware het nu maar moeder of een van zijn zusters, te -ontmoeten! Maar ’t was een volstrekte onbekendheid vol vreemde -wezens die hem niet aan en gingen. Niemand spreekt hier van huis of van -de zijnen, dacht Rik. <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" -name="pb67">67</a>]</span>Wies lacht met mij als ik van hen spreek en -bij mij en wilt het dorp me uit den kop niet. Lida is buiten wete van -mijn groote kwaal maar.... ’k zal heur eenen brief schrijven, -dacht hij, op ’t papier met heur praten en al zeggen wat er mij -deert.</p> -<p class="par">De vermoeidheid kwam hem overmeesteren; hij schreef zijn -droomen in een langen brief en daar achter ’t open raam, bezoomd -met druivenranken, zag hij hoe Lida’s kijbig wezen blij lonkte -bij ’t lezen van zijn geschrift.</p> -<p class="par">Vroeg aan den dag werden de pikkers gewekt door -overdanig gerammel en gerucht op het boerenhof met veel hanengeschreeuw -en peerdengetrappel en geroep van knechten en meiden. De klaarte viel -door ’t open deurraam en buiten zagen zij de groote zon die -opstak en glinsterde boven ’t land. <span class="pagenum">[<a id= -"pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span>Zij moesten eene zeis -gaan halen in de schuur en dan naar ’t klaverland, heel de bende. -De boer leidde hen achter den wal, bij een uitgestrekte vlakke zee van -wiegende groen, bedauwpereld in rijke weligheid. Dat moesten zij -afmaaien. Zij lieten eerst nog een stonde hun oogen gaan over de -wijdte, bezagen elkaar en monkelden weltevreden om den schoonen arbeid -waaraan ze beginnen zouden.—Dan onderzochten zij het alm, gingen -op gelijken afstand in reken staan, en in die landelijke morgenstilte -dreelden zij vlijtig den wetsteen over ’t wreede staal dat -’t scherregerrend kletsvijlde over heel de streek.</p> -<p class="par">—Nu beginnen we, makkers! zei Krauwel die om te -proeven den eersten slag met zijn zeis in de klaver sloeg.</p> -<p class="par">—Allo, laat ze spelen, het voeder staat -<span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name= -"pb69">69</a>]</span>malsch en recht, ’t snijdt lijk in de boter, -’t is een plezier. Ze spogen in de handen en “zoef” -alhier, aldaar langs heel de rei ging de ronk van ’t staal en de -lange klaver boog en viel effenaan plat tot aan den wortel afgeslagen. -Met ’t eerste ontbinden van hun krachten voelden zij een gezapig -geweld in zich opkomen, een fierheid elkaar te zien: die lange rei -mannen hoog uitstekend over ’t groen, daar zoo zwierig staan -zwaaien op hun lange beenen, half doorzwakt en met gelijken wrong het -bovenlijf en de breede schouders keerend, rond uitsmijten hun armen en -’t blinkend staal dat ’t jonge groen omverre dreef eer ze -’t raakten schier.—Een bende volk daar, die lijk krijgers -met hun alm ’t uitzicht van een groot land zou keeren! -<span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name= -"pb70">70</a>]</span></p> -<p class="par">De zon stak hooger al en warmde duchtig, en nog altijd -op denzelfden maatslag waagden de mannen op hun wijde beenen, en de -slag ronkte zingend lijk een windruk die schoer over den grond en -altijd nieuwe strepen kaal sneed. Daarbij galmde het in de puurijle -vroege zonnelucht van blij getater en gezang: de vroolijke liedjes van -thuis. Ze waren hier in hun vrijvreugdige doening en voelden ’t -genot de leden uit te laten zwieren en door hun vrijblijden kop gonsde -het gezond jeugdig levenssap dat met den nieuwen zomer overal opschoot. -Zij stonden daar sterk in hun eigen krachten, zonder zorg of kommernis -of verlangen naar iets, genoeg en voldaan met hun eigen zelf en rijk in -hun eigen spraak en gezang, overmachtig te midden die overweldige, -vreemde menigte, zoover van hun huisland. <span class="pagenum">[<a id= -"pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span></p> -<p class="par">Boele zong uit zijn forsche keel het goede maaierslied -en ginder aan den overkant deed Sneyer al de kerels schaterlachen met -zijn zotgeestige spotspreuken. Rik zelf vergat al het droomtriestige -van gisteravond en hij werd meegesleept in de uitgelaten -blijmoedigheid. Dat was iets dat hij nooit gevoeld of genoten had, die -breede doening op het wijde land met al die makkers ondereen. En het -werk ging vlug en vroolijk. Hij en Wies en nog andere van de jongsten, -raapten het gemaaide groen in bundels, spreiden het met een handigen -wrong open op den knie en de bundel stond, even een spits torentje aan -den top met een herel toegebonden, te drogen in de zon.</p> -<p class="par">De maaiers stapten gestadig vooruit en sloegen -eenbaarlijk; z’en keken noch naar <span class="pagenum">[<a id= -"pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>uur noch tijd van -uitscheiden, schaars éen die met de oogen den gang van de zon -volgde in de lucht. ’s Noens, als ’t klokske bengelde op -’t hof, lieten zij de zeis vallen en spoedden op een loopken naar -hun kot. Daar vonden zij veel vleesch en de gekookte aardappels dampend -en vervochten er met knappen tand hunnen grooten honger. Daarachter -mochten zij een uur uitrusten tot Krauwel teeken gaf van herbeginnen. -En weerom was ’t maaien tot den avond toe en zoo voort veel dagen -achtereen. Dan merkten zij eerst hoe hun staal in de klaver gebeten -had: een groote kale vlakte die nu volzet stond met gedroogde gerzing -als een slagveld vol kleine, ronde kapeltentjes. Maar vòor hen -bleef het altijd dezelfde groene, wiegende zee zonder einde. Op -’t laatst werden zij <span class="pagenum">[<a id="pb73" href= -"#pb73" name="pb73">73</a>]</span>zich thuis te voelen en gewend op dat -grootwijde land, alleen onder den hoogen hemel met de schoone zon; -’t was of hadden ze ievers elders geen menschen meer of magen die -wachtten naar hun weerreis. Z’en vroegen niet voor wie ze -wrochten of en verlangden niet naar loon, het voldeed hun alleen dien -vredigen slag te slaan met de groene klaver en ze voelden hoe goed het -was gerust te leven bij elkaar. ’s Avonds vooral kwam de leute -boven; na den langen dag en waren zij nooit te moe of te afgemat en -voelden nog krachten over voor ’t spel. Daar stoeiden de jongsten -lijk veulens over het geschoren veld tusschen de tentjes rond achter -malkaar en mieken spartelbeende tuimelboomen om het vlugst. Rommelaere -haalde dan zijn trekorgel uit en speelde <span class="pagenum">[<a id= -"pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>al de kermisdeuntjes van -’t dorp. Sieper, Boele en Sneyer en Wies met veel anderen zongen -overluid de blijde liedjes mede. Als ’t hun te plezierig werd -grepen zij elkaar in de leden en dansten zot in de ronde. Tot ze moe en -uitgeraasd zich afgelamd lieten neerzakken bij de oudsten die -uitgestrekt te rusten hun pijpe rookten.</p> -<p class="par">—Jongens, vermaande de oude Wiezeur, ge krijgt uw -beste dagen eerst, de zonne zal gaan gloeien en laat ons maar de zeis -mangelen met de pikke, ge zult de dansers zien hijgen! Maar de drieste -kerels en lieten er hun leute niet voor en wachtten zonder vrees het -voorspelde branden.</p> -<p class="par">Sedert de nachten verzoelden en sliepen de maaiers -binnen hun kot niet meer, maar bleven buiten op ’t veld -uitgestrekt liggen slapen in ’t hooi. Hooge boven hun -<span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name= -"pb75">75</a>]</span>hoofden zaten en pinkelden de sterren in den -staalblauwen hemel,—die waren dezelfde van thuis op hun dorp en -met die makkers konden zij vrij droomen bachten moeders schuur, in een -zomermeerselken te slapen.</p> -<p class="par">Na veel dagen werken lag het groot klaverstuk plat en -afgemaaid, maar de boer leidde hen op een ander, even groot, en daar -mochten zij op een nieuw herbeginnen. De tijd keerde daar eentonig in -zijn vereenzaming zonder afgewisseld te worden door den wekelijkschen -blijdag waaraan de pikkers in <span class="corr" id="xd21e588" title= -"Bron: hnn">hun</span> land zoo gewend en verlangend waren. De zondag -was hier ongekend, ze wrochten heel den tijd tot tegen den avond en dan -kregen zij enkel den overschot van den dag om verzet te zoeken. En zij -mieken er vrij <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name= -"pb76">76</a>]</span>gebruik van! Op een vlucht waren zij van ’t -veld naar hun kot en trokken er haastig hun beste vloeren broek en -nieuwen blauwen kiel aan. De meesten gingen om ’t grootste -plezier en veel menschen te vinden, naar ’t bijliggende dorp en -deden er hun herte deugd aan veel wijn en luide liedjes.</p> -<p class="par">—Waarom gaat-je niet meê met ons? vroeg Wies -aan Rik, ge blijft hier alleen staan droomen als ge daar al dat verzet -kunt hebben!</p> -<p class="par">Rik had liever geen zondag gezien, dan dacht hij altijd -veel meer aan huis, voelde dubbele deernis in zijn beteuterd leven. Hij -zag geern al de makkers vertrekken zonder belust te zijn naar hun -verzet;—het beviel hem beter hier alleen rond te slenteren in de -velden en op het hof. ’t Werd er zoo stil dan en rustig overal -<span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name= -"pb77">77</a>]</span>rond dien tijd. Daar bleef hij soms staan -lanterlullen onder eenen boom, speelde met een stroohalm in ’t -zand lijk de jongens, of stond met den schouder tegen den hoekmuur -geleund te kijken naar de kiekens die hun laatste zaadjes zochten voor -het slapen gaan.</p> -<p class="par">Hij ging geern de groote stallen af in heel hun lengte -vol koeien en peerden. Daarna trantelde hij weer naar zijn kot gaan -futteren in zijn zak daar er veel kleinigheden van huis in staken. De -zinkende avondzon en al het goud en stofrood stemde hem altijd -weemoedig. Hij dweepte met Lida en vond dat het nu goed zou zijn haar -te schrijven. Hij haalde al het noodige uit en kwam in de klaarte -zitten, buiten aan de deur van ’t kot. Het papier lag over een -planksken op zijne knieën <span class="pagenum">[<a id="pb78" -href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span>en hij hield de potloodpenne -gereed, maar hoe hij ’t zou aanvangen het haar te zeggen al dat -er daar binnen zat, en vond hij niet.</p> -<p class="par">—Lida, ik ben hier alleen in den avond. We leven -hier zoo een wonder leven. Zoo ver van u en van huis. Lida, gij zit -thuis, alleen, onder den boom, in den avond. Op wien peinst ge nu? Ik -zie u zitten alsof ik bij u zate. Zoo klaar uwe oogen en heel uw wezen. -Schoone voor mij. Gij en gaat nooit uit mijn gedachten. Bij nachte ook -niet. Dat ge wist hoe geern ik u zie. Ik en durfde het u nooit zeggen -zoo bevreesd was ik dat gij mij stuur zoudt bekeken hebben en boos zijn -op mij.</p> -<p class="par">Hij was nu werkelijk thuis en aan ’t praten heel -vertrouwelijk met zijn wonder meisje, en hij voelde als bij waarheid al -de deugd er van over zich loopen. Zij zat <span class="pagenum">[<a id= -"pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span>daar stil te kijken, zoo -vredevol met die goede deemstering tusschen haar en hem. Wat werd het -nu overzalig aangenaam malkaar schaars te verkennen nog in die vallende -donkerte. Nu en spraken zij geen woord meer maar ze verstonden zoo goed -al wat ze te zeggen hadden. Geluk, geluk met een vrees, een angstigheid -om ’t eindeke dat er moest mede gedaan maken.</p> -<p class="par">’t Was grimzwarte avond reeds als hij opschoot en -wist dat ’t al leugens waren en zinnenbedrog? op zijn knieën -lag het bladje wit papier en daar en stond nog geen letter op -geschreven.</p> -<p class="par">De pikkers kwamen half bedronken thuis bij benden en zij -bralden woest hun leute uit; zij vielen neêr op hun stroo en -raasrulden nog wat bij hun eigen tot ze geweldig <span class= -"pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>aan -’t snorken gingen. Sneyer en Kretse waren gewond en bebloed; -z’hadden, met nog twee pikkers uit een anderen ploeg, tegen een -heele bende inlanders gevochten en gesteken.</p> -<p class="par">—Zondag slaan we ze gruisdood, de spotters! we -trekken er allemaal naartoe! Zij zeuren in ’t spel en -z’hebben daarbij mijn geld gestolen en mijn uurwerk, de -deugnieten! vloekte Kretse. De roste dief! hij zal lang achter zijn -hoofd zoeken, ’k heb er op getimmerd met mijn boothamer, lijk op -een geblutste pikke!</p> -<p class="par">—We gaan erop los met ons pikke, Zondag; met ons -pikke, verdomme! hielp Sneyer.</p> -<p class="par">Zwijgen! beval Krauwel, Wies vertelde in ’t stille -aan Rik den toegang van het wreed gevecht. De dorpelingen <span class= -"pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span>waren -beginnen spotten met de vreemde pikkers; dan hadden ze samen wat -gespeeld, maar als Sneyer vond dat ze zeurden en stolen, dan waren ze -opgebriescht en erop beginnen slaan en stampen: z’hadden met een -halfdozijn pikkers heel ’t dorp omver gestooten.</p> -<p class="par">—Rik, ’k weet nog anders nieuws! ’k -heb kennissen van tegen ons dorp gevonden, een grooten ploeg pikkers, -die zijn oostwaards op gaan werken; voorzeker vinden wij ze bij -’t overgaan naar boer Quélin’s koornvelden. Rik, -slaapt ge reeds?</p> -<p class="par">—Ja, zei Rik, maar hij zinde altijd wat hij ging -zetten in zijnen brief.</p> -<p class="par">Den volgenden zondag zat hij weer op zijn blad papier te -dubben. Maar nu moest hij erdoor en hij vertelde in korte reken wat hij -hier deed en hoe hij leefde en <span class="pagenum">[<a id="pb82" -href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span>de groeten van Wies en ’t -nieuws aan moeder en dat ’t met alleman wel ging, dat ze schoon -weder hadden en niemand ziek en was. In den ondersten hoek kwam het -half weggedoken—een klein woordeke maar—over zijn groote -genegenheid. Lida zou wel vatten dat ’t heel ernstig en groot bij -hem was, maar dat hij zwijgen moest omdat elkendeen ’t zou -weten.</p> -<p class="par">Hij was niet tevreden over zijn brief, hij zou hem -weeral scheuren ware ’t niet dat hij vreesde den volgenden nog -slechter te maken. Hij plooide hem in den omslag, sliep heel dien nacht -bijkans niet van onrust en ’s morgens voor den dag stond hij -gereed om den peerdeknecht te spreken die den brief zou meêdragen -en in de stad bestellen. Rik sprak schoon aan den kerel, gaf hem wat -stuivers voor den vrachtkost <span class="pagenum">[<a id="pb83" href= -"#pb83" name="pb83">83</a>]</span>en beval den brief toch wel zorg te -dragen om hem niet te verliezen of te vergeten.</p> -<p class="par">—Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier -wel geborgen onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem -recht naar ’t posthuis, betaal er den stempel en hij is op -weg!—Juu!</p> -<p class="par">De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den -draai om, hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:</p> -<p class="par">—Die simpele jongen! met zijnen brief! ’t is -zeker naar zijn meiske dat hij schrijft. Ware ’t geen zonde Gods -al dat geld te verteren aan dat papierken?!</p> -<p class="par">Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde -hem tusschen de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.</p> -<p class="par">—’k Zal wijn koopen met den jongen -<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name= -"pb84">84</a>]</span>zijn stuivers, dacht hij, en hij verdronk het geld -in een kroeg onder weg.</p> -<p class="par">Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde -omdat Lida nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat -hij zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren -kostelijken glimlach.</p> -<p class="par">Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers -een einde te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat ’t -laatste áf was.</p> -<p class="par">—Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen -in de vroegte uitzetten naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel -tegen de twee pikkers, zeg hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn -hof toe.</p> -<p class="par">’s Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met -de boodschap. <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name= -"pb85">85</a>]</span></p> -<p class="par">De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun -werk af en heel ’t ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes -lijk een overgroot slagveld, op verren afstand gezien.</p> -<p class="par">De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, -schonk hun menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en -blijgemoed aan ’t klappen gingen en boften met den boer als den -besten van al de werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld -dien hij deed reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch -zoodat de halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en -Krauwel en Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar -zij wisten niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer -schonk <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name= -"pb86">86</a>]</span>altijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde -luide de zilverlingen, vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug -te komen en of ze tevreden waren met de betaling.</p> -<p class="par">De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat -en zei eindelijk:</p> -<p class="par">—Ja, ’t was sakkerbleu schoon geld, gauw, -kerels strijkt ze maar op! elk zijn deel.</p> -<p class="par">—Wilt ge nog eens hertellen?</p> -<p class="par">—Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, -w’hebben recht gewrocht, ge zult ons recht betalen.</p> -<p class="par">Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in -een beurzeken dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren -blij, de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten -zij bedrogen te zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" -name="pb87">87</a>]</span></p> -<p class="par">—De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper -als ze buitenkwamen, maar, voort, verdommelinge, w’hebben toch -goed geld, ’t is het eerste, we zullen er geluk mede hebben, -’t is wel verdiend!</p> -<p class="par">Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien -ze niet meer drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, -door de dubbele dreef, naar ’t zuiden. Zij zongen weer dat -’t hellemde en stapten met goeden moed.</p> -<p class="par">—We zullen niet ver te gaan hebben, meende -Krauwel, zoo gauw ons mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens -zenden.</p> -<p class="par">Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen -zij twee groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden -en luidde tierden.</p> -<p class="par">’t Waren nog dezelfde peerden en knechten -<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= -"pb88">88</a>]</span>van verleden jaar en de oude pikkers waren er blij -om de vroegere kennissen te vinden.</p> -<p class="par">Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen -kletsklakten in de lucht, de peerden stormden door ’t stuivend -zand en ’t plezier begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de -mannen zongen heftig mede,—’t was of reden zij in triomf -naar een groot feest. De hemel zat zoo blauw en welfde wijd boven de -goudkleisterende zon. Overal waar de pikkers de oogen wendden was -’t éen gouden zee van wiegelend koorn: ze werden lijk -dronken van de geweldige klaarte. Zij staken de armen wijd uit, lieten -het hoofd geneugtig achterover vallen en wezen in de ronde als wilden -zij het al overgrijpen.</p> -<p class="par">—’t Moet áf, ’t moet áf, -al het koorn moet áf! <span class="pagenum">[<a id="pb89" href= -"#pb89" name="pb89">89</a>]</span></p> -<p class="par">Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel -voldaan over zijn mannen.</p> -<p class="par">De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts -een weg in, dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te -zien.</p> -<p class="par">Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek -altijd verder en hij meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg -benauwdheid en gruwenis van dat koorn, die vredige goudstroostalen met -die spelende halmen en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd -vergeefs het einde zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem -danig vreeselijk.</p> -<p class="par">—Wies, hoe ver is ’t nog?—Wies, waar -voeren zij ons naar toe? we zullen hier nooit meer uit geraken.</p> -<p class="par">Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld, <span class= -"pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>hij -greep Rik bij ’t lijf en danste rond op den wagen.</p> -<p class="par">—Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt -u weg, jongen, dan kunt ge de koeien wachten op d’hofsteê -en niet pikken met ons, de kerels begekken u voor ’nen -truntaard.</p> -<p class="par">Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, -’t was Quélin’s hofsteê! Ze reden de wijde -poort binnen en kwamen op de opene plaats, omheind langs vier zijden -met huis en stalling en schuren. Van veel kanten kwam er volk bij om de -pikkers te groeten. Meest allen waren goed gekend op ’t hof. -Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal weergekeerd; de Boeles en -Sneyer met verschillige anderen wel <span class="corr" id="xd21e710" -title="Bron: viermaal">vier maal</span>, van Wies was ’t tweede -jaar. Die wisten hier goed den weg en gingen zich <span class= -"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>gaan -ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde strootent achter -’t hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun bedding moesten -zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en daar werden de -groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en wijn zooveel ze -drinken wilden.</p> -<p class="par">—Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, -w’hebben maar korten tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren -moet de pikke spelen.</p> -<p class="par">Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden -jaar, die hun wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk -ze moesten beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.</p> -<p class="par">De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als ’t -voort goed weder blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben. -<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name= -"pb92">92</a>]</span></p> -<p class="par">Na het eten wandelden zij nog wat rond over ’t -hof. Hier voelden zij zich aanstonds thuis en vrij in die groote -doening. Rik en bekwam niet van zijn verwondering, hij wandelde met -Wies, en vroeg en taalde om uitleg van al die dingen.</p> -<p class="par">—Dat volk en kent hier malkaar niet? ’t is -lijk een heele stad, Wies.</p> -<p class="par">Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe -te slachten; ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den -versten hoek wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk -gespannen en bezig, zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten -en meiden liepen in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm -reden over ’t hof door een krioeling van hennen en kiekens en -zwijnen en huppelende kalvers<span class="corr" id="xd21e728" title= -"Niet in bron">.</span> Wat een <span class="pagenum">[<a id="pb93" -href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>levende miereling en gewroetsel -ondereen!</p> -<p class="par">Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een -gedoen? En daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen -die daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den -openen zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende -achting om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, -en hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij -meende te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover -van huis kwam doodbeulen.</p> -<p class="par">Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien -en gingen op hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in -lang.</p> -<p class="par">’t Was volle nacht nog als zij weer op -<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name= -"pb94">94</a>]</span>en recht stonden buiten de tent, heel werkveerdig -in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die los om het lijf hing -en hun breede borst en ronde armen bloot liet.</p> -<p class="par">Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en -keek vragend in de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een -vlijtige maan in ’t groote bleekblauw boven hun hoofden.</p> -<p class="par">—Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.</p> -<p class="par">Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en -geen halmke van ’t koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een -krekel en verre blies een boschuil.</p> -<p class="par">—We zijn hier heel alleen, zei Kretse.</p> -<p class="par">—Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe -zon, gekte <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name= -"pb95">95</a>]</span>Sneyer, zie-je daar heur poorte opengaan?</p> -<p class="par">Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook -uit het oosten den hemel kleurde.</p> -<p class="par">—Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een -armvol koornstalen.</p> -<p class="par"><span class="corr" id="xd21e759" title= -"Bron: Das">Dat</span> was het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor -’t goed begin, spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen -slag van de pikke en ’t ruischen van ’t koorn dat viel. De -mannen stonden wijd bedeeld in een lange rei zoodat ze schaars elkander -zien konden, elkeen gebogen over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig -voort. De dag klom al over hunnen rug zonder dat ze opkeken of -verademden. Stilaan kwam de zon die de uchtendnerschheid kwam opzuipen -en welhaast begon de hitte op hun lijf te wegen. Met ’t -uitbersten <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name= -"pb96">96</a>]</span>van ’t zweet voelden de pikkers eerst hun -volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het hoofd recht -hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij van hen -afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden de armen -door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn vliedend -terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met een korten -ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den grond -ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier pooten -aan ’t wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en -overgoten door het teisterende hittelicht van de zon—altijd -vooruit: kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de -pikke bot stond. Dan gingen zij aan ’t kloppen met den hamer en -klabetterden <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name= -"pb97">97</a>]</span>met den wetsteen over ’t staal om met nieuwe -snede te herbeginnen.</p> -<p class="par">Het bengelend noenklokje was het eenige -verlossingsteeken. Dan sprongen zij op en liepen om het zeerst naar het -hof dat daar ingelommerd rustte onder zijn groote boomen lijk de -gelangde oase te midden een vuurwoestenij.—Ge moet tenden uw -bekomste eten, raadde de werkbaas die daarbij stond.</p> -<p class="par">Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte -goed en de drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde -hier op ’t hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als -hij hun gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met -hen te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte -en verfrissching in den vischvijver. Zij dompelden <span class= -"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>naakt -lijk de puiden op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen -en bemorsd weer boven en ze loechen om de aardigheid.</p> -<p class="par">Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er -dan heftig weer op los naar ’t veld.</p> -<p class="par">Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land -stond doorlaaid van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur -loodrecht uit de lucht neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een -bange beklemdheid als zij dien <span class="corr" id="xd21e777" title= -"Bron: boogen">hoogen</span> barm op moesten en aan strijd vallen tegen -al die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en -gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de -oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres te -meerderen in den dikken muur van <span class="pagenum">[<a id="pb99" -href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>stroostalen die daar manhoogde, -en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef.</p> -<p class="par">—Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg -Sneyer om te gekken, nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in -de Meerschblomme of te spartelen in ’t Scheldewater thuis bij -avonde?</p> -<p class="par">Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers -aardigheid;—de zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo -droog dat hun de adem achterwege bleef en ’t zweet lekewijs uit -het vel droop. Wie was de radelooze zot die nu met bier voor den dag -kwam, dat lekker, koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de -Meerschblomme, en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den -hemel! Zie de jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen. -<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name= -"pb100">100</a>]</span></p> -<p class="par">Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den -bodem niet meer onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van -den dag niet en zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen -sloegen altijd voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu -en dan veegde hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de -oogen en loerde links en rechts om te zien of er geen makkers nevens -hem dood vielen.</p> -<p class="par">—Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil -aan Labbe die lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen -zwaaide.</p> -<p class="par">—Ja, regenen, jongen, ’t kan hier vijf weken -lang water gieten aan een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder -uitscheiden, en dan kunnen wij liggen rekken <span class= -"pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>in -ons tente en al ons geld opeten. ’t Weer is goed, knape, wat -geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.</p> -<p class="par">—Regenen, o, dat ’t toch maar een dag -regende! wenschte Rik; ’k en weet niet wat ik al geef om een -druppel water uit de lucht of een wolklap vóor de zon!</p> -<p class="par">Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een -hoongillende teistering.</p> -<p class="par">Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen -moed daar hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van -hitte, en te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en -thuis en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord -in een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust -meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warm -<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name= -"pb102">102</a>]</span>en lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den -nacht door moesten zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat -en verlamd dat ’t hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf -niet en begaven; hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en -langde naar niets meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel -en zot: slapen, slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers -onder eenen euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, -toch rusten mag!—dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij -wilde evenals de anderen, sterk blijven.</p> -<p class="par">—Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. -Het scheen hem onmogelijk dat ’t nu nog warmer kon worden. -’s Nachts en kregen zij zelfs de deugddoende koelte niet meer; -geen druppel dauw viel er nog <span class="pagenum">[<a id="pb103" -href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>uit de verpulverde lucht. Het -was als een tijd zonder dagen: een lange eind gloeiende zonneschijn -zonder avond of morgentroost. De donkerte en de sterren, die voortijds -zoo goed het hittevuur kwamen blusschen, waren nu versulferd en de -hemel sloeg open en toe, gescheurd door benauwelijke bliksemschichten. -Voor dag en klaarte kwam de nieuwe hitte weer op zonder ievers trek of -gat te vinden om uit te waaien en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in -een gestookten oven. Wanneer komt er verlossing of koelte? of zullen we -hier allemaal verbranden, mijn God! En nievers een einde of uitkomen. -De pikkers bleven altijd ingesloten door die wreede omheining van -koorn, ’t werd of groeide het effenaan weer uit den grond -naarmate zij het hier vóor hun voeten neerkapten. <span class= -"pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span></p> -<p class="par">Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij -vreesden dien machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort -in de bange verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen -aandoen.</p> -<p class="par">Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en -overvallen van een groote flauwte. ’s Avonds volgde hij traag de -bende naar ’t strookot en viel er onmachtig neer op zijn bed.</p> -<p class="par">—Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het -nog eens klaar en dag wordt! wenschte hij.</p> -<p class="par">Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer -of ’t slapen was of waken ’t geen hij deed. Hij woonde weer -op zijn dorp, maar durfde het niet gelooven.</p> -<p class="par">Hoe wonder: daar bij de linde stond hij <span class= -"pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>te -wachten naar Lida. Hij zag haar komen in ’t wit, klare zonnelicht -en speurde zoo duidelijk het neigen van heur leden en het wuiven van -heur kleeren in haren tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de -nieuwe lente; ’t was er deugdelijk koel in het lommer onder de -groene blâren.</p> -<p class="par">Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? -Lida bleef hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat -hij haar te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem -soms trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die -hem alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag -en heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn -arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzicht -<span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name= -"pb106">106</a>]</span>zóo dat hij heur voorhoofd tegen het -zijne voelde leunen. Haar twee handen drukten zijn schouderblaars en -hij neep de oogen toe omdat hij haar straven blik en al de goedheid -ervan niet dragen of zwelgen kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde -zijn leden; dat was de kostelijke teug water—hoe frisch—na -dien langen dorstigen dag.</p> -<p class="par">—Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien -warmen zomer ging ik versmachten zonder u.</p> -<p class="par">Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij -prevelde hem in het oor:</p> -<p class="par">—Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat -ge nooddorst leedt, ik wachtte u drinken te geven.</p> -<p class="par">Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet -zich lui achterover leunen <span class="pagenum">[<a id="pb107" href= -"#pb107" name="pb107">107</a>]</span>en kruiste de handen om haar -opgestoken knie welke bevallig onder de plooien van haar kleeren -uitlijnde. Ze waren gansch alleen, het zomerde buiten maar hier hing de -zalige zoelte in de lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand -in hun gezelschap gestoord te worden.</p> -<p class="par">—Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we -zullen hier lang blijven wonen.</p> -<p class="par">Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme -die riep, maar:</p> -<p class="par">—We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, -he, Lida?</p> -<p class="par">Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol -weemoed.</p> -<p class="par">Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit -zijne oogen en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid -vóor hem, Wies die schudde en schreeuwde: <span class= -"pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span></p> -<p class="par">—Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar -’t veld. In ’t eerste verschot, daar vlak vóor de -werkelijkheid, ware hij liever dood geweest om te kunnen voortleven in -zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig meê en volgde Wies. Hij -voelde nog altijd de deugd en frischheid van dat groot geluk door zijn -lijf en hoopte vandaag met meer gemak de hitte te dragen, verzekerd dat -hij was van Lida’s groote genegenheid voor hem. Het moest nu, -volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn dat ze zijnen brief -gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze had gemonkeld om -zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:</p> -<p class="par">—Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij -meisjes niet: de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons; -<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name= -"pb109">109</a>]</span>wij willen ’t al of niets en ’t -eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.</p> -<p class="par">—Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte -Sieper<span class="corr" id="xd21e855" title="Bron: ,">.</span></p> -<p class="par">Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg -er dapper mede om zijn achterblijven in te halen.</p> -<p class="par">—Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze -blekte zoo rood van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, -kerels!—z’ heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!</p> -<p class="par">Vlammende wit zat ’t geluchte en daar tusschen de -biggelende halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een -haarkrans van gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze -nam den nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten. -<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name= -"pb110">110</a>]</span></p> -<p class="par">—Nu zal ’t eerst lustig worden, riep Sneyer. -Ik en de zon! man voor man, t’avond zien we wie er wint en prijs -heeft, laat ze maar steken, we kappen te harder!</p> -<p class="par">En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet -slak. Zij voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en -bijten op hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de -pikke bliksemglimde bij ’t op- en neergaan, slag op slag. Met -’t groeien van de hitte ging er een razernij door hunne armen en -ze hielden sterk de leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten -de tanden en lieten het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer -waagde Rik het hoofd te heffen maar hij schrikte voor ’t geen -zijn oogen zagen. De zon was de bijtend ronde gloeibol niet meer in een -zeker punt <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name= -"pb111">111</a>]</span>van den hemel, maar heel de groote luchtkoepel -stond in laaie vlam, al hemel en vuur! ’t regende geen hitte, -’t waren net geteekende lekvlammen die woelden hooge en kwamen -spelen tusschen ’t koorn, om en nevens hem en over heel het -afgeschoren land.</p> -<p class="par">De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij -keek op heel de rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een -schorre keel. Hun pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, -maar de armen zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen -om ’t lijf.</p> -<p class="par">—Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met -mij gebeuren?!</p> -<p class="par">Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen -en wrongen slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralen -<span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name= -"pb112">112</a>]</span>kletterend, machtig als feestvuur.</p> -<p class="par">Hij dook diep den kop in het koorn—dat, hoe -wonderlijk, daar ongedeerd in de vlamme staan wiegen bleef.—Hij -wist zelf niet meer of hij nog voortwrocht of sinds lang omver te -rusten lag.</p> -<p class="par">De kerels hun lied klonk nog <span class="corr" id= -"xd21e884" title="Bron: altijk">altijd</span> even vereend en als hij -weer opkeek zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met -naakte beenen die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het -schemerwankelde al in het ronde, doordaverd van den sterken wind met -ratelende slagen soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo -wonderlijk in dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend -bliksemlicht doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar -Krauwel om hulp en bescheid in zijn benauwdheid <span class= -"pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span>maar -de makkers stonden op uren afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. -De grond rende onder zijn voeten weg en zijn ooren scheurden van -vreeselijk geruchte. Dat was het groote zonnefeest, de zomerdans, de -wereld aan ’t gruizelbotsen tegen de zon die daar grijpelijk -dicht, het koorn ontvlamde.</p> -<p class="par">Rik wist dat ’t met hem gedaan was; daar kwam een -vuurspits op hem afkletsen en hij viel verdonderd achterover—dan, -niets meer.</p> -<p class="par">—Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.</p> -<p class="par">—Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den -jongen die buiten kennis lag te glariën naar de zon boven hem.</p> -<p class="par">—Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen -zonneslag. <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= -"pb114">114</a>]</span></p> -<p class="par">Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even -kwalijk, maar hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem -een teug wijn in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn -keel en liep langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte -borst.</p> -<p class="par">—De jongen was niet bestand tegen de zon, meende -Krauwel ’k heb het gevreesd.</p> -<p class="par">De pikkers werden op ’t einde onverduldig; als zij -zagen dat er geen verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en -lieten Wies bij den zieken jongen.</p> -<p class="par">—Rik, recht u; ’t zal beteren! Rik hoort ge -mij nog? Rik, doe toch eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw -noodvriend; ge moogt hier niet doodgaan zoover van huis.</p> -<p class="par">Rik roerde niet. <span class="pagenum">[<a id="pb115" -href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span></p> -<p class="par">Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en -angst; hij liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een -koornstuik, legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield -zitten wachten naar leven en beternis.</p> -<p class="par">Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden -zoo moe en pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en -al de leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.</p> -<p class="par">—Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een -groot verdriet in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels -over zijn aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond -tegen den jongen zijn oor.</p> -<p class="par">—Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch ’nen -keer! Zijne hand tastte op Rik’s <span class="pagenum">[<a id= -"pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span>bloote borst en telde -de slagen. En zoo bleef hij wachten naar hetgeen onvermijdelijk komen -moest. Die slagen voelde hij van langerhand uitgaan en achterblijven, -hij zag het koude zweet uit zijn wezen bersten en die oogen breken, en -Rik lag daar uitgestrekt, de magere Rik, zie, zijn beenderige borst en -zijn smalle schouders, en dat wollokkig kroezelhaar om dat wit -hoofdeken, o, ’t was zoo spijtig om den lieven jongen, om die -oogen die daar seffens nog zoo zachte, lamzachte keken, hoe ze nu -gebroken waren, en onziende.</p> -<p class="par">Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord -van dat de jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te -staan. Hij had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaap -<span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name= -"pb117">117</a>]</span>maar hij voelde vrees en een groote vereering -voor ’t geen nu een lijk was, en hij durfde den jongen niet -aanraken. Hij keek rond om hulp. De makkers wrochten onversaagd voort, -maar ginder in een werveling van stof kwam dweers door ’t koorn, -een ruiter aanstormen.</p> -<p class="par">—Quélin, Quélin komt af! riepen de -gasten. Zij bogen dieper den kop en wrochten zonder opzien. De groote -Boer zat even een reus op zijn eendlijken appelbaaiden hengst en hij -keek over het land naar het afgepikte koorn. Hij telde de werkers, -bezag hun doening, draaide de oogen naar Wies die bij zijnen makker -zat, en naderbij komende, zag hij dat de jongen dood was.</p> -<p class="par">—Is dit uw broêr? vroeg hij.</p> -<p class="par">—Mijn makker.</p> -<p class="par">—Hier seffens gevallen? <span class= -"pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span></p> -<p class="par">—Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.</p> -<p class="par">—Hoe heet de jongen?</p> -<p class="par">—Rik Busschaert.</p> -<p class="par">—Leeft zijn moeder nog?</p> -<p class="par">—Ja, Boer!</p> -<p class="par">Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een -woord te spreken.</p> -<p class="par">Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel -wezenlijk dood nu, hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze -op eenen goeden heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls -begekt te hebben om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde -wat een wreede ijlte er in zijn leven zou komen door ’t missen -van dien kleinen knaap die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen -keek. Hij betastte nog eens—hopeloos alevenwel—<span class= -"pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>die -handen en voeten, maar alle leven was eruit.</p> -<p class="par">De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het -lijk en Wies moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een -wagenspan ’t land opgereden met twee <span class="corr" id= -"xd21e952" title="Bron: manen">mannen</span>; zij laadden den dooden -Rik erop en reden naar ’t pachthof. Al de pikkers volgden; hun -bruingebrande en bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans -niet. ’t Was erger dan uit een slachting dat ze kwamen, -halfnaakt, met bloote armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter -den wagen.</p> -<p class="par">—De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.</p> -<p class="par">—Heb-je ’t nog zoo warm geweten, Krotse?</p> -<p class="par">—En wie zal de lustige mare doen aan <span class= -"pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>den -jongen zijne moeder! vroeg Rommelaere.</p> -<p class="par">Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek -voorgoed.</p> -<p class="par">Twee timmerlieden van ’t hof mieken een -bloothouten kist, zij wonden Rik in een laken en legden hem erin. Dat -gebeurde in de groote donkere schuur bij den sching van twee lantaarns -en in bijzijn van al de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van -de twee timmermans aanstaarden. Als ’t gedaan was las de oude -Tremmel drie Onze Vaders en de akten van Geloof, Hoop en -Liefde;—al de bijstaanders antwoordden mommelend. Wies hield het -niet meer uit,—hij dook zich in den donkersten hoek van de -schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht en weende jammerlijk, -huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend naar den jongen omzagen. -<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name= -"pb121">121</a>]</span></p> -<p class="par">In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in ’t -bijzijn van elkendeen; Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en -met zijn alm werd alles ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de -bewaking van eenieder.</p> -<p class="par">De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin -om aan den Pastor en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed -hij mede met den lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een -vergelegen dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de -sterren. De voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig -door den stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met -een blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na -dien langen lijkgang, uit te komen in een andere <span class= -"pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name= -"pb122">122</a>]</span>wereld of ievers in een spookland zonder -menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed om dat onverwachte -ongeluk. “De jongen moest zoover komen om dood en zonder -uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te -worden!”</p> -<p class="par">Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp -in. De voerman droeg Quélin’s getuigbrief bij den -burgemeester die zijn toestemming gaf Rik een plaats te geven bij de -dooden. Daarmeê reden zij ter kerk. Zij moesten daar wachten voor -eene gesloten deur tot op het laatst een pastor kwam die gebeden las -over het lijk en nu werd Rik naar ’t kerkhof gevoerd. Een oude -grafmaker dolf daar onder de linden een diepen put en met hulp van den -voerman liet hij de kist erin neerzinken. <span class="pagenum">[<a id= -"pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span></p> -<p class="par">’t Was uit. De wagen rotterde gelicht van de -vracht weer naar huis en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en -op een dorp dat hij nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder -spreken. Niemand die vroeg hoe ’t met de begraving vergaan -was.</p> -<p class="par">—Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht -hij.</p> -<p class="par">Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en -de hemel gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.</p> -<p class="par">—Ho! mannen, dáár is ’t einde! -riep groote Krauwel. Zij stonden allen op de teenen, reikhalzend over -’t koorn te kijken waar ze zagen dat ’t werkelijk uit was -en een andere vrucht groeide.</p> -<p class="par">Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang -verwachte voorteeken van <span class="pagenum">[<a id="pb124" href= -"#pb124" name="pb124">124</a>]</span>eene levensredding en zij kapten -te heftiger om aanstonds het einde te naken.</p> -<p class="par">Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en -opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten -arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze land -lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de -lengte; ’t geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij -hunne groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij -dansten en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan -kwamen zij af van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der -uitgaande zon, heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten -reuzen in aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken -omhoog <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name= -"pb125">125</a>]</span>en tierden met volle kelen den -overwinningskreet:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Het koorn is af, het koorn is af!</p> -<p class="line xd21e998">Al het koorn is af!</p> -</div> -<p class="par first">In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote -stukken vleesch op, schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt -op het stroo in de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven -de glazen hoog en zongen dat ’t dreunde het zegelied:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’t Koorn is af, ’t koorn is af!</p> -<p class="line xd21e998">Al het koorn is af!</p> -</div> -<p class="par first">Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet -meer en verkenden en machteloos en buiten zinnen in slaap -verzonken.</p> -<p class="par">Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen -enkelen keer: hij zat <span class="pagenum">[<a id="pb126" href= -"#pb126" name="pb126">126</a>]</span>eenzaam te droomen in zijnen -donkeren hoek en dacht aan Rik.</p> -<p class="par">’s Anderdaags wrochten zij op ’t zelfde veld -en tastten het afgedane koorn in groote schelven. De droge stuiken -wierden verdregen, losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar -ze in kringen gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, -zwaar massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele -dreef oogstkoorn die van ’t veld tot aan de hofsteê stond. -Het werk ging nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken -spelen en de garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des -avonds staakten zij weer bij tijden den arbeid en ’s zondags -namen zij lijk vroeger, hunne uren avondrust. De pikkers liepen de -streek af, dansten op voois van Rommelaere’s <span class= -"pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name= -"pb127">127</a>]</span>orgel of gingen bij benden naar ’t dorp -gaan drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de -makkers gaan en bleef liefst alleen.</p> -<p class="par">Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk -verlangen om thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid -overviel hem in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan -anders niets dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening -verdroot hem, hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de -menschen staken hem tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en -vroegen naar zijn lijden niet. Het ging hem heel goed als ze ’s -zondags allen weg waren en hij de groote hofdoening verlaten en vrij -voor zich alleen had. Dan slenterde hij rond op den drijf naar iets dat -hij <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name= -"pb128">128</a>]</span>nievers vinden kon: iemand om mede te kouten -over zijn verdriet en zijn verlangens;—maar Rik was weg en anders -was er geen ziel om zijnen nood te klagen.</p> -<p class="par">Het groot hof, anders in zoo’n woelige -bedrijvigheid, geleek nu een uitgestorven wereld en al dat leven lag nu -vastgebonden in slaap. De beesten loeiden meumelend halfluide op stal -en de peerden trokken gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en -daar in de verte ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor -zich zijn werk deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer -toe. De avond viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies -voelde zich van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend -langs de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in -zijn eenzaamheid. <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" -name="pb129">129</a>]</span>Daar lag hij te glariën in ’t -donkere. Een langen tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn -gedachten aan ’t vermeien waren met moeders keukengerief en te -genieten van verledene winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij -nevens in een bijliggende schuur, een oude schorre stem die trage -neuriede:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Als de de zurkel schiet, ’t is in de maand van -Meie.</p> -<p class="line">Schieten al de boerkens in een grooten lach.</p> -<p class="line">Weg den hutsepot, karoten en pareie;</p> -<p class="line">De gestampte taatjes komen voor den dag.</p> -<p class="line">En als de pot weer overgaat,</p> -<p class="line">Haalt de boer den stamper uit,</p> -<p class="line">En als hij aan het stampen gaat</p> -<p class="line">Dan zingt hij overluid:</p> -<p class="line">Van de rompel de pompel de pom.</p> -<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name= -"pb130">130</a>]</span></p> -<p class="par">Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn -herte klopte en daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het -vreemde land getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle’s -heerdvuur aan den koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest -het nu zwart donker zijn en fel winteren,—de goede winter!</p> -<p class="par">Die stem was heel grof, ’t was het stil grommelen -van een ouden vent die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit -liedje en klonk hem zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij -stil mede om er al de deugd van te hebben, en hij twijfelde of ’t -toch echt gezongen was en niet gedroomd.</p> -<p class="par">Het ging alsaan voort: <span class="pagenum">[<a id= -"pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span></p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,</p> -<p class="line">En op iederen hoek een groote stuit voor elk,</p> -<p class="line">En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,</p> -<p class="line">Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,</p> -<p class="line">En iedereen doet zijn buiksken wel,</p> -<p class="line">Zeven schepkens meer of min</p> -<p class="line">Daarvan maken zij geen spel</p> -<p class="line">En dat gaat er zachtjes in.</p> -<p class="line">Van de rompel de pompel de pom....</p> -<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p> -</div> -<p class="par first">Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van -huis, meende Wies, maar wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong -ijlings recht, verlangde dien vent te zien en vanbij zijn liedje te -hooren. Hij sloop omzichtig uit de schuur en naderde waar <span class= -"pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span>hij -meende den zanger te vinden.—Ja, ’t was in de haverschuur, -hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de houten deurklink, stak zijn -hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg, maar hoog op den dilte, -hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:</p> -<p class="par">—Waarom bleef-je weer zoolang weg?</p> -<p class="par">En een meisjesstem die verlegen antwoordde:</p> -<p class="par">—’k Heb nu pas gedaan met ’t -stalwerk.</p> -<p class="par">Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te -dralen in het donker; ’t moet een onbekende pikker zijn die hier -zijn slaapsteê zoekt, dacht Wies,—maar wie mag er bij hem -zijn? ’k Wil toch weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad -binnen, tastte in ’t schemerdonker naar de ladder en met drie -terden t’eenegader <span class="pagenum">[<a id="pb133" href= -"#pb133" name="pb133">133</a>]</span>klouterde hij den havertas op. Een -brandende lantaarn hing er aan een dakrib en in den rooden schijn -daarvan zag hij, even een wonderheid uit een kindervertelsel: een -leelijken ouden vent rechtover een mooi, mager meisje, die samen met de -kaart speelden. Zij waren alle twee verslonden zoodat Wies gerust -kijken kon zonder dat z’het wisten: het spel ging gestadig voort -en zij kappelden, deelden en legden de kaarten zonder spreken. Dat -meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen te verpaffen van -benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in ’t hooi en -heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig bezig in zijn -kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.</p> -<p class="par">Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of -’t best was voorzichtig naar <span class="pagenum">[<a id="pb134" -href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span>zijnen stroopolk te gaan of -hooger opklimmen en dien vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de -zurkel was hij heel vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder -besluit toen eene beweging van zijnen arm het stroo deed ritselen. De -beide kaartspelers wendden het hoofd en als zij Wies gezien hadden -deden zij ongestoord met hun spel voort, zonder nog verder naar hem om -te zien. Nu klom hij gerust boven, zette zich nevens hen te kijken, -kwansuis met belangstelling voor wie de winst was.</p> -<p class="par">—Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in -den nacht, peinsde Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg -voor die zeldzame doening,—bescheed durfde hij niet vragen.</p> -<p class="par">De oude zat op de knieën in ’t stroo met een -loshangend hemd aan dat open <span class="pagenum">[<a id="pb135" href= -"#pb135" name="pb135">135</a>]</span>splette op de borst en de mouwen -opgerold. De lantaarn lichtte en schauwde de diepe trekken van zijn -hoekig wezen en glom over zijn naakten schedel. Zijn slimme oogen -staken in twee zwarte holten onder stoppelharige wenkbrauwen en zij -volgden nieuwsgierig elke kaart die uitkwam. Zijn spel hield hij vast -gesloten in de vereelte handen die beefden en hij stak en herstak al -dubbend tot hij er eindelijk éene uitgreep, die hij met den -knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit wierp. Dan bleef hij met -angstige verwondering zitten zien wat er op zou vallen en zijn wezen -klaarde of vertrok naarmate hij niet of al tevreden was van ’t -spel. ’t Geluk bleef voor ’t meisje en ’t kind scheen -er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote, blauwe -oogen verlegen naar <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" -name="pb136">136</a>]</span>den oude op als om verschooning: dat -’t niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het -verlies; zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het -plankje die hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al -gramstoriger als hij weer slechte kaarten kreeg.</p> -<p class="par">Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht -in zijn eigen: noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij -niet goed zeggen wat er wel aardigs aan was.</p> -<p class="par">De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met -donker haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over -het voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken, -dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel. -<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name= -"pb137">137</a>]</span></p> -<p class="par">Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en -rein,—lijk bij kleine jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom, -meende hij.... of de goedheid zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel -toegaf om den oude ook eens te laten winnen; ’t geen hem -<span class="corr" id="xd21e1111" title= -"Bron: monkelden">monkelen</span> deed zoodat zijn dunne lippen over -den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes -loensch op als ze ’t niet merkte en zijn bevende hand foefelde -met een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de -kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat hij -er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook.</p> -<p class="par">Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig -uiteen.</p> -<p class="par">—’t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij -kunt gaan slapen. <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" -name="pb138">138</a>]</span></p> -<p class="par">’t Meisje raapte ’t spel op, trok de beenen -recht, en ging zonder spreken.</p> -<p class="par">—Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij -zocht naar woorden om met den oude in den klap te geraken. Daar viel -hem dat liedje weer in.</p> -<p class="par">De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn -arm eindelijk opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies -het:</p> -<p class="par">—Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers -misschien? Ik heb gehoord hoe ge ons liedjes zingt.</p> -<p class="par">De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd -op naar den jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de -hurken zinken.</p> -<p class="par">—Kent ge Sjob Subbel?—zijt ge hier komen -pikken?—Ik ben een oude pikker. Van waar zijt ge? <span class= -"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p> -<p class="par">Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de -Schelde.</p> -<p class="par">—Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob -Subbel, en hij noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die -Wies heel goed kende.</p> -<p class="par">—Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht -Wies.</p> -<p class="par">—Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een -jonge pikker! ha, ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben -ook jong geweest, en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als -Subbel dan zult ge kunnen meêpraten en uw mollige handjes zullen -verweerd en zwart zijn, mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn -lippen spletten wijd open over zijn zwarte mondholte.</p> -<p class="par">—Veertig zomers, jongen, heb ik hier <span class= -"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span>in -den oogst gewrocht, maar nu is ’t uit, de knoken zijn stram en -dat gaat niet meer.</p> -<p class="par">—Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien -vent in zijn wezen, dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en -gereuveld was, en die knuistige armen en handen waar de aders en pezen -lijk zwarte koorden uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden -zoo machtig veel arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en -genegenheid voor den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een -lammeling vóor hem zat.</p> -<p class="par">—Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg -hij.</p> -<p class="par">—Ho, ’k ben hier ook thuis; ik wacht hier de -schapen, <span class="corr" id="xd21e1151" title= -"Bron: lachtte">lachte</span> Sjob. Men kan overal wel zijn waar men -’t wel maakt. In den tijde verlangde en haakte ik om <span class= -"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>weer -te keeren telkens de boel hier áf was, maar da’s allemaal -zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven.</p> -<p class="par">—En dat meisje, waarmeê ge hier kaartspeelt? -waagde Wies verlegen.</p> -<p class="par">—Ha! da’s mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies -keek dom op en verstond niet.</p> -<p class="par">—Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je -weten: een wroeter.—Kent ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we -kweekten elf jongens, elf jongens die aten lijk wolven en toch bleven -ze altijd even mager. Sjob moest het ook al bijsleuren en ’t -waren geen vette brokken, hoor. Met werken alleen ging het niet: -’s winters moesten ze wel soms de duimen zuigen en hout knabbelen -om den honger te paaien;—maar ’s zomers was ’t goed, -de jongens scharrelden wat bij op ’t land en ik <span class= -"pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name= -"pb142">142</a>]</span>reisde uit gaan pikken om de groote daghuur: -Mele moest dan alleen het nest bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan -viel er wat overschot voor een pot schuimend bier! ’t Was heel -hard gewonnen en gauw verteerd, maar daarom en waren ze mij thuis niet -dankelijk; de jongens staken den muil op naar vader, en Mele had bij -mijn wegzijn kennis gehouden met Koolie den boomsnoeier,—dat wist -ik van de gebuurs—en als ik het waar vond wat ze mij zegden, ben -ik in toorn geschoten, heb haar duchtig gestampt om haar zondig begaan -en ben zonder spreken voor goed naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn -vertelsel uit was, reikte naar de lantaarn en stond recht, maar eer te -vertrekken grommelde hij:</p> -<p class="par">—Dan heb ik gekennist met een nieuw <span class= -"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name= -"pb143">143</a>]</span>wijf, hier in ’t hof—en die is dood -en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in mijn -eenigheid.</p> -<p class="par">Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag -alleen in ’t donker te zinnen over al het onverwachte dat even -een spookzeisel door zijn hoofd speelde.</p> -<p class="par">’s Anderendaags bij ’t werk, vervolgden hem -gedurig die twee wezens van den donkeren haverdilte, en over ’t -hof lonkte hij benieuwd rond om ievers die wondere Aga te zien. Bij -schofttijd doorliep hij de stallen en hoving en keuken overal waar hij -meende meiden te kunnen ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte. -Als ’t donker werd sloop hij weer naar de schuur en klom op den -havertas,—daar ook was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het -heel laat werd en nog moest hij <span class="pagenum">[<a id="pb144" -href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span>naar zijn strootent zonder -Sjob of Aga te zien. Zoo kwam hij veel avonden kijken, maar de -kaartspelers waren voor goed weg. Op ’t einde ging hij ’s -avonds in de andere schuren zoeken en ’t gelukte dat hij hen vond -zitten op eenen hooitas achter ’t hof.</p> -<p class="par">—Zie, Aga, da’s een jongen uit mijne streek, -zegde Sjob.</p> -<p class="par">Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze -voort met haar spel zonder iets te zeggen.</p> -<p class="par">Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld -aandeed om kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de -kaarten met groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij -eene rei schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur -arm pakje <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name= -"pb145">145</a>]</span>losdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat -op haar borst gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob -gretig opsnapte en wegborg. In ’t vervolg verloor Aga gestadig en -het meisje telde al heur centen voor den oude uit. Op ’t laatst -werd zij te beven over heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en -smeekend naar Sjob die er niets af merkte en altijd maar met blij -geweld zijn gelukkige kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden -met Aga en zou haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde -heur vader te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen. -Dien avond speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en -’s morgens eerst gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag. -Hij vroeg aan de pikkers naar uitleg over <span class="pagenum">[<a id= -"pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span>Sjob Subbel maar de -kerels die hem kenden, haalden misachtend de schouders en mommelden op -al zijn vragen:</p> -<p class="par">—Wel Subbel is een oude dronkaard.</p> -<p class="par">Van Aga durfde Wies hun niet spreken.</p> -<p class="par">Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en -stonden weldra in zware, ronde strootorens, machtig, groot, in -vierdubbele rei gedreefd van ’t veld tot aan de hofstede toe, elk -met een meitak in top.</p> -<p class="par">Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob -of zijn dochter nievers meer kaarten ’s avonds. Binst het werk -zag hij Aga twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over -’t hof ging, maar hij kon er niet bij geraken.</p> -<p class="par">—Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden, -besloot hij eindelijk, en <span class="pagenum">[<a id="pb147" href= -"#pb147" name="pb147">147</a>]</span>bleef bij de makkers en dacht aan -de zaak niet meer.</p> -<p class="par">—’t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de -pikkers, we kunnen al stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp -weerzien dees jaar.</p> -<p class="par">Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht -hen in de groote kamer bij Quélin en daar kwamen de groote -gasten aan eene tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer -drukte hen éen voor éen de hand lijk oude vrienden en -wenschte hen geluk en blijde thuiskomst met hun geld.</p> -<p class="par">Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als -verblijde jongens naar buiten vlug over ’t hof, staken de armen -in de lucht en gingen welgemoed aan ’t poetsen van kleeren en -alm. Zij zetten zich neer, <span class="pagenum">[<a id="pb148" href= -"#pb148" name="pb148">148</a>]</span>bijeen, in hunne tent en telden de -groote zilverstukken in den schoot, lieten ze rinkelend door de handen -glijden en bespraken onder malkaar wat ze met al hun geld zouden koopen -thuis.</p> -<p class="par">Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren -broek en blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan -vieren naar ’t dorp. Ze zouden eerst ’s anderendaags in de -vroegte vertrekken.</p> -<p class="par">Wies wilde nu ook van ’t verzet en hij trok -welgezind mede met de bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te -worden: als de zon weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat -overweldigde hem van vreugde. Onderweg zong en loech hij met de -vrienden.</p> -<p class="par">’t Was maar zelden—tusschen eene vlaag van -genot—dat hij het wee voelde <span class="pagenum">[<a id="pb149" -href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span>om den armen Rik en de -herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om die twee dingen zou het hem wel -spijten hier weg te gaan;—maar Rommelaere’s orgel trok weer -lustig en de pikkers waren verheugd van zin: leve de goede wijn! de -leute droegen zij in groote, ronde zilverpenningen op het hert.</p> -<p class="par">—Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo -dachten zij. Al de kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis -met andere pikkers die ook den aftocht vierden, zongen overal hun -liedjes en hieven de glazen hoog. Al de menschen waren hun goede -vrienden.</p> -<p class="par">—Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest -meedrinken op hunne gezondheid.</p> -<p class="par">—Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de -schuld?! Daar is geld, moet <span class="pagenum">[<a id="pb150" href= -"#pb150" name="pb150">150</a>]</span>g’er nog meer hebben? Rijker -dan de koning zijn we! en we laten ’t rollen!</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’t Koorn is af! ’t koorn is af!</p> -<p class="line xd21e998">Al het koorn is af!</p> -</div> -<p class="par first">De huizen begonnen te draaien in de straten waar -zij doorgingen en al de menschen die voorbij kwamen hadden den -waggelstap. ’t Was donkernacht als z’er aan dachten naar -’t hof te keeren.</p> -<p class="par">Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd -wellustig achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de -zware schoenen om de straatsteenen te gruizelen.</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Wij zijn gezworen kameraden....</p> -<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p> -</div> -<p class="par first">zongen zij hier in een bende; <span class= -"pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span></p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Jongens jongens, jongens,</p> -<p class="line">We zijn nog niet dood,</p> -<p class="line xd21e1245">bijlange nog niet dood,</p> -<p class="line xd21e1245">’t en is geen nood,</p> -<p class="line xd21e1245">Ja, we zijn nog niet dood!</p> -</div> -<p class="par first">ging het verder; en ginder in een ander straat, de -achterblijvers:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’t Koorn is af, ’t koorn is àf!</p> -<p class="line xd21e998">Al het koorn is àf!</p> -</div> -<p class="par first">en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van -Rommelaere’s trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee -en vielen er vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen -schreeuwden nog wat en als ’t uit was, woelden zij met armen en -beenen tot de slaap hen kwam overmeesteren.</p> -<p class="par">—De laatste nacht hier in ’t donker -<span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name= -"pb152">152</a>]</span>kot, in ’t vreemde land! morgen opweg, -overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan raasden er -nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond en dan -dommelde hij weg in foezelzwarten nacht.</p> -<p class="par">De groote stilte hing weer over ’t hof en ’t -wijde land rondom en alle dingen sliepen.</p> -<p class="par">Dat leed vrij lang toen Wies aan ’t droomen ging: -hij lag wakker met de oogen open en luisterde naar lichte stappen die -naderden. Hij ontgaf het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen -in ’t stroo aan zijn voeteind en dan trok hij de moede wimpers -open om te kijken. En—ja, daar lichtte een klein keersvlammeken -bij de tentedeur. Hij betastte zijn lijf om te weten of hij wel -droomde, hij greep in <span class="pagenum">[<a id="pb153" href= -"#pb153" name="pb153">153</a>]</span>’t stroo onder zich maar kon -het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag hij Aga die een -lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te kijken. Zij overging -heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond, zette zij zich gehurkt bij -hem neder. Hij was te moede en te lam om dat wonderlijk of vreemd te -vinden en hij liet alles maar vrij geworden omdat ’t allemaal -zotte droomerijen waren, zoo dacht hij.</p> -<p class="par">Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde:</p> -<p class="par">Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den -nacht nog,—seffens komen er mannen al uw geld stelen, ’k -Heb de dieven afgeluisterd in vaders hooischuur.</p> -<p class="par">Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de -duisternis. Wies keek hoe het <span class="pagenum">[<a id="pb154" -href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span>lanteernlichtje slingerde -tegen ’t zwartsel van Aga’s kleeren.</p> -<p class="par">Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar -te houden aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop -met geweld naar beneden duwde. Op ’t einde begon hij te twijfelen -aan ’t gebeurde, ’t dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem -van dieven sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de -machtige stilte toen alles dood en begraven lag in slaap.</p> -<p class="par">Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij -doezelend naar zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in -een put dien hij met de nagels in het zand klauwde.</p> -<p class="par">—De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, ’t -is donker, dat werd zoo dom, <span class="pagenum">[<a id="pb155" href= -"#pb155" name="pb155">155</a>]</span>en zijn zinnen voeren weg in de -opperste rust.</p> -<p class="par">Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een -grooten schreeuw. Een kerel trapte hem op de beenen en door heel de -tent was er groot gewoel en geraas. De pikkers vloekten en vochten in -’t donker<span class="corr" id="xd21e1289" title= -"Niet in bron">.</span></p> -<p class="par">—Ei, ’k ben mijn geld gestolen! riep er -een.</p> -<p class="par">—Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af!</p> -<p class="par">—Slaat dood!</p> -<p class="par">De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal. -De worsteling woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk -vluchtte en riep om hulp.</p> -<p class="par">—Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten! -tierde Boele. Ik houd er één, kerels, en hij gaat niet -levend uit mijne handen! <span class="pagenum">[<a id="pb156" href= -"#pb156" name="pb156">156</a>]</span></p> -<p class="par">—Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het -in gruis sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in -’t opene aangezicht.</p> -<p class="par">Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte -hielp hen ongemerkt wegvluchten.</p> -<p class="par">—’k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei, -makkers, hulpe, ze vermoorden ons!</p> -<p class="par">Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen -overeen op den grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen -en stampten waar ’t raken wilde en kwetsten elkaar zonder -weten.</p> -<p class="par">—Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen -leeren!</p> -<p class="par">—Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede -in de leden.</p> -<p class="par">—Maar, sakker, nijp me niet dood, <span class= -"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name= -"pb157">157</a>]</span>kermde Sneyer, ’t is God van den hemel, -mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers lagen -ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede.</p> -<p class="par">Als ’t klaar werd zaten ze daar, geblutst en -bebloed, in de vuisten te bijten van gramschap zonder speur van een -enkelen roover.</p> -<p class="par">—Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere.</p> -<p class="par">—Ik ook, ik ook, riepen anderen.</p> -<p class="par">Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op -d’hofsteê, maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren; -Quélin was vroeg uitgereden en de meesterknecht wist niets om -hen te troosten.</p> -<p class="par">—Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld -hadt, wend u tot de overheid van ’t dorp. <span class= -"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span></p> -<p class="par">De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun -vuist in ’t wezen slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande -hen braaf te zijn: omdat we hier alleene zonder verweer staan tegen -heel het hof, raadde hij.</p> -<p class="par">Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken -halen uit de tent om aanstonds te vertrekken.</p> -<p class="par">Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder ’t zand -terug en de jongen wandelde zwaarmoedig over ’t hof. Hij lanterde -tusschen stalling en schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand -te vinden.</p> -<p class="par">—Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan. -Sedert de gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot -nog eens te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde -hem <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name= -"pb159">159</a>]</span>al heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond -op dien langen, dunnen hals, en heur lijf zoo recht gedragen, -halfuitgegroeid nog en slank in heur korte kleeren, en die kinderoogen. -die zoo vaag in de verte keken. Hij dook zich achter den huisgevel en -wachtte daar geduldig tot hij haar zou zien uitkomen. ’t Was een -gedurig over en weer geloop van meiden op de hooge steenen stoep, zij -droegen de koperen ketels vol dampwarme melk binnen en kwamen weer -buiten met ander gerief.</p> -<p class="par">En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij -zag hoe zij traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de -handen op den rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo -naderde zij met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg -was, sloop Wies achter <span class="pagenum">[<a id="pb160" href= -"#pb160" name="pb160">160</a>]</span>de stallen, hij hief het -loshangend hekkenpoortje open, loerde tusschen de boomlanen en vond -haar in ’t grasweidje onder de hazelaars. Ze zat op de -knieën gehurkt en blies de bloeiwol van een melkwiedstaal, lijk de -jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te leven hebben. Wies bleef -haar bezien zonder te durven naderen. Zij zal wegvluchten, vreesde hij, -als ze mij ziet.</p> -<p class="par">En ze zat daar zoo schoon dat ’t hem in lang nog -niet verdroten zou hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij -’t best zou beleggen om haar schuchterheid niet te vervaren.</p> -<p class="par">Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had:</p> -<p class="par">—Aga, fluisterde hij.</p> -<p class="par">Ze wendde het hoofd, en bleef zitten.</p> -<p class="par">Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen -en eindelijk: <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name= -"pb161">161</a>]</span></p> -<p class="par">—Aga, zegde hij nog eens.</p> -<p class="par">Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop -heel kaal in de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend -naar Wies wat hij haar mocht te zeggen hebben.</p> -<p class="par">—Aga, g’hebt mij gister komen vermanen voor -de dieven, da’s heel goed, zegde hij ingehouden, maar ’k -was zoo moe en slaperig en ’k meende dat ’t in een goeden -droom was als ge tot mij kwaamt.</p> -<p class="par">Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde -lippen open en:</p> -<p class="par">—Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij, -vertel me daar iets van? en zij liet zich om goed te luisteren, -gemakkelijk op het gras neerzinken.</p> -<p class="par">Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een -onzeggelijke welligheid door zijn <span class="pagenum">[<a id="pb162" -href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span>hert en hij jubelde inwendig -om haar goedwillend vragen. Hij vertelde van zijn huis en de Schelde en -de groote meerschen, en van moeder en van Lida zijn zuster en van de -boeren ginder en ’t goede wintertij en van Rik zijn besten -vriend—die nu dood is, besloot hij triestig en hij merkte hoe -’t meisje hem aan de lippen hing en gezucht had om zijn laatste -zeggen. Hij moest haar alles vertellen over den jongen die de zon hier -vermoord had.</p> -<p class="par">—Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga.</p> -<p class="par">—Ja zeker.</p> -<p class="par">—En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog -zusters? en Lida, ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar -huis komt?</p> -<p class="par">—Zeker, herzei Wies.</p> -<p class="par">—En nu komt hij niet naar huis, en <span class= -"pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span>ge -zult hun al dat kwade nieuws vermonden?</p> -<p class="par">Wies zweeg, en zij ook.</p> -<p class="par">Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven; -dat ze hier alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over -dat groot hof liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen -wachtte. Ze noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van -elk in ’t bijzonder veel en wondere dingen te vertellen.</p> -<p class="par">—Waarom gaat ge zoo ’s nachts bij uw vader -zitten? vroeg Wies.</p> -<p class="par">—Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en -’s avonds speelt hij geern met de kaart.</p> -<p class="par">—Doet ge dat ook geern, Aga?</p> -<p class="par">—Om vaders wil, ja. <span class="pagenum">[<a id= -"pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p> -<p class="par">—En om wat speelt ge?</p> -<p class="par">—Om geld.</p> -<p class="par">—En vader wint altijd?</p> -<p class="par">—Ik laat hem geern winnen.</p> -<p class="par">—En als gij verliest?</p> -<p class="par">—Dan betaal ik,—met mijn huurgeld.</p> -<p class="par">—En als uw vader verliest?</p> -<p class="par">—Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan -hou’ ik de winste schuldig tot ik weer verlies.</p> -<p class="par">—En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te -betalen?</p> -<p class="par">—Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo -scheld ik vader kwijt,—ik durf hem niet slaan,—maar als ik -verlies slaat hij me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden, -zegt hij, en altijd voor dulsten spelen.</p> -<p class="par">—En wat doet uw vader met dat geld? <span class= -"pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span></p> -<p class="par">Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het -meisje vertelde hem verder van zijn moeder en van Quélin en van -eenen kwaden koewachter die haar veel deed lijden en die alles doen -dorst omdat hij haar te sterk was.</p> -<p class="par">Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang -uitgekout was. Er ging eene groote verontweerdiging in hem op om de -schandige doenwijze van Subbel en hij voelde meêlijden met het -arm schaap dat daar in zoo ’n schamele weerloosheid vóor -hem zat.</p> -<p class="par">Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de -geldbeurs van zijn hals en liet er eenige zilvermunt rinkelend in -Aga’s schoot regenen. Dan stormde hij weg, zonder ommezien, als -een kwaaddoener. Hij jubelde om de daad die hij begaan had. “Nu -kan <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name= -"pb166">166</a>]</span>zij toch lang verliezen zonder dulsten te -krijgen van haar vader,” dacht hij.</p> -<p class="par">—Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in -zijn loopen, die dat meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en -dat verdrinkt hij effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig -meêlijden.</p> -<p class="par">—Indien ’t de makkers moesten weten! en -waarom hou ik me op met een kinderkous! Maar ’t was nu gedaan en -hij was er blij om.</p> -<p class="par">De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder -malkaar.</p> -<p class="par">—Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar -vertel van mijn geld dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een -zwijntje koopen om te winter vleesch te hebben.</p> -<p class="par">—Ik ben slechter, kermde Sneyer, ’t -<span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name= -"pb167">167</a>]</span>is heel mijne huishuur die gaan vliegen is; -Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat te gooien!</p> -<p class="par">Pinne zat g’hertig te lachen om al dat gekerm:</p> -<p class="par">—Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens!</p> -<p class="par">—En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen! -Waarmee gaat gij uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te -trouwen?</p> -<p class="par">—G’ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen -niemendal en we trouwen algelijk!</p> -<p class="par">—Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen? -wat gaan we doen?—we kunnen niet zonder geld naar huis keeren. -Willen we een getij in de beeten gaan werken?</p> -<p class="par">De andere staken den neus op. <span class= -"pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span></p> -<p class="par">—Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom -moeten we allen op de kermis te laat komen! zei er een.</p> -<p class="par">—’t Mijne hebben ze niet gevonden, de -rakkers, bofte Boele, z’hadden me anders de armen moeten -afkappen; mijn geld draag ik onder de oksels! ha! ha!</p> -<p class="par">—Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort, -jongens, om de vijf kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet -hondig zijn, hoor! Hij greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te -midden de bende. Van alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en -seffens was er genoeg om de bestolenen rijkelijk in te staan.</p> -<p class="par">—Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan -elk het vijfde van zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van -den boer zijn brood en dan zijn <span class="pagenum">[<a id="pb169" -href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span>we er van onder. Grijpt toe, -makkers!</p> -<p class="par">Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol -met ’t overschot en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp -in hun reiszak voor onder weg.</p> -<p class="par">Heel de bende trok door de hofsteê; eenigen -tierden en dreigden naar de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of -laten bestelen had;—de anderen dachten aan niets en zongen luide -hun blijdschap uit omdat ze hier gedaan hadden en naar huis keerden. -Zij schouderschokten in ’t voorbijgaan langs den opgestapelden -oogst, deden hun gevoeg tegen de groote schelven en zwaaiden de pik op -den rug bij hun zwaren zak. Nu waren zij de breede straat op, in benden -gedeeld elk bij zijn makkers, en ze koutten luide en leutig over den -harden zomer en van al wat ze verlangden weer te zien. <span class= -"pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p> -<p class="par">Wies was de laatste en keek gedurig om naar de -hofsteê. Al wenschte hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu -gevoelde hij dat hier entwat achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd -zou doen wenden, en waar hij later veel met zijn gedachten zou naar -terugkeeren. Omdat hij ’t moest verlaten kreeg het machtig -koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid en hij herdacht het kerkje -ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu liggen bleef als ze allen, -zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik zou anders nu meê -zijn in den blijden gang.... maar de zon,—en dat kisten in het -wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft te kijken naar den -vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp.</p> -<p class="par">—’k En zal haar nooit meer zien, dacht hij. -<span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name= -"pb171">171</a>]</span></p> -<p class="par">De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd -voorwaards, al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid -had hun leden gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom -arme sukkelaars, weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte -bane uitgeschud.</p> -<p class="par">Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en -gingen met uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al -het afgedane werk in het lijf en de verwachting van nog veel -vermoeienis eer ze voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en -deerde hen niet meer, ’t was feesttij nu ze de armen vrij mochten -laten zwieren, enkel hun rustend alm te dragen hadden en met de beenen -maar grijpen moesten. <span class="pagenum">[<a id="pb172" href= -"#pb172" name="pb172">172</a>]</span></p> -<p class="par">Daar kwamen zij weer in de groote stad en ’t was -eene nieuwe verhemming en vreugde. Ze slenterden door de straten, -kiezend met de oogen in al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en -koopziende achter de toogramen lag.</p> -<p class="par">Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de -hand, dat hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en -dongen bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed -en glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een -welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in den -blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid op den -rug.</p> -<p class="par">Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere -straten kwamen nog <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" -name="pb173">173</a>]</span>benden pikkers die meer naar oost of west -van ’t werk naar huis keerden. Zoo groeide de drom tot een -overgroot leger en zoo kortten zij, gezellig koutend onder elkaar, te -zamen denzelfden weg. Achter een langen tijd landlooperije werd de oude -streek weer kennelijk: zij noemden bij den naam van ’t dorp al de -kerktorens die langs de bane en verder in het landschap stonden.</p> -<p class="par">Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun -zelfde aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, -onveranderd van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het -kennelijk teeken, het lijf van het vaderland, nu was ’t hun land -dat ze onder de voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, -waar ’t altijd reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden -de <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name= -"pb174">174</a>]</span>menschen nu hier en daar langs den weg en -wisselden blijde groeten, en zij telden bij enkele dagreizen den tijd -dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de plaatse naderden klaarde -hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes aan. Wies ook zong -meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last van de droefmare -die hij te vermonden had.</p> -<p class="par">—Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk -eenen boer! tierden zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in -’t voorjaar?</p> -<p class="par">De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, -overal omheind met groote boomen—de oude popeliers! en hier en -ginder vonden zij kennissen op ’t land die, met de late warmte nu -maar hun koornstukje aan ’t pikken waren.</p> -<p class="par">Aan elke kruisstraat sloeg een deel van <span class= -"pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span>de -bende een zijweg in en ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde -stilaan de groote stoet tot de oude makkers alleen nog te gare -bleven.</p> -<p class="par">Een groote zegeschreeuw ging op.</p> -<p class="par">—Zie, dáar onze kerktoren!</p> -<p class="par">De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten -hadden, met scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen -tegeneen gedromd, in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was -gepint met den grooten meitak voor de kermis.</p> -<p class="par">Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in -’t land! De vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen -verslaafd op zoek om man of broeder of kennis te ontmoeten en te -verwelkomen. Maar de kerels zaten verdeeld in de herbergen, overal: -hier in de “Meerschblomme,” <span class="pagenum">[<a id= -"pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span>in den -“Koekoek”, in de “Veugelmuite” of elders.</p> -<p class="par">Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in -’t loeiende vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel -brandewijn, en nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd -hadden, lijk een goede lafenis door de keel.</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Jongens, jongens, jongens,</p> -<p class="line">We zijn nog niet dood.</p> -<p class="line">Ja ’t en is geen nood,</p> -<p class="line">Bijlange nog niet dood!</p> -</div> -<p class="par first">ging het overal, en bij reken liepen de kerels -gearmd door de straten van ’t eene bierhuis naar ’t andere. -Het kleine dorp, even nog zoo rustig, was nu vol gewoel en beweging en -leven. <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name= -"pb177">177</a>]</span></p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Waar kan men beter zijn</p> -<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p> -<p class="line">Dan in ons moeders keuken!</p> -</div> -<p class="par first">Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te -laten hooren.</p> -<p class="par">Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong -te midden den huisvloer.</p> -<p class="par">—Moeder, moeder, ’k ben hier!</p> -<p class="par">Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe -en tenden, op eenen stoel.</p> -<p class="par">Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies -wel tien keeren welkom.</p> -<p class="par">—O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg -moeder en zij sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, -Lida, eten voor den jongen.</p> -<p class="par">Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en -eiers geklutst. <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" -name="pb178">178</a>]</span></p> -<p class="par">Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken -die hem zoo verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en -begon te eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede -moeder hem overlaadde.</p> -<p class="par">Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde -niets en hield het hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al -de kleinigheden uit die heur broeder voor moeder en zuster -meêbracht. En zij gebaarde zich welgezind als ’t een of -’t ander buitengewoon beviel.</p> -<p class="par">—Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis -zijt, zoo onverwachts, zegde moeder, o, da’s wel, en ze bekeek -met behagen heuren grooten jongen.</p> -<p class="par">—En de oogst was goed?—en warm was ’t -zeker ginder? O, w’hebben het <span class="pagenum">[<a id= -"pb179" href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span>gezeid hier -<span class="corr" id="xd21e1561" title= -"Bron: ondereon">ondereen</span> als de zon zoo laaide en gij ginder te -werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?—waar is Rik? vroeg ze -ineens,—nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te -zien.—Is hij naar huis, Wies?</p> -<p class="par">Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten -wat hij zou antwoorden.</p> -<p class="par">—Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.—En hij -keert nooit meer naar huis.</p> -<p class="par">Moeder bleef beeldstil gebogen staan over ’t -heerdvuur met omgewend hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel -waarmede zij de melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn -kleeren in de hand, met open mond te wachten naar verderen uitleg over -die plotselinge kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat -Wies zou voortzeggen en de jongen stond <span class="pagenum">[<a id= -"pb180" href="#pb180" name="pb180">180</a>]</span>recht en ging, om -gerust gelaten te worden, in ’t achterhuis gaan staan. Lida kwam -hem daar vinden; ze sleurde hem voort bij de mouw naar buiten bij den -gevel en:</p> -<p class="par">—Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de -waarheid: wat is er met Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den -arm.</p> -<p class="par">Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij -haar hoe ’t Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder -altijd alleen liep al droomend en treurde....</p> -<p class="par">—Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde -zij angstig.</p> -<p class="par">—In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen -schreeuw, herbegon Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, -bijkans dood.</p> -<p class="par">—En dan?....</p> -<p class="par">—Hij sprak nog een woord of twee en <span class= -"pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>toen -was hij dood voorgoed. Ze voerden hem van ’t land, naar een -wagenkot, en we lazen binst dat de timmerliên de kiste mieken; -dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een kerkhof en daar hielp ik hem -begraven.</p> -<p class="par">Binst dat Wies vertelde zat Lida met ’t wezen -gedoken in haar voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij -zitten als Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met -meêlijden en hij had er deugd in omdat zijn zuster -weende;—hoe spijtig, dacht hij, om den armen Rik dat hij niet -weet hoe Lida verdriet heeft om hem!</p> -<p class="par">Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele -stem van een oud vrouwke:</p> -<p class="par">—Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen? -<span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name= -"pb182">182</a>]</span></p> -<p class="par">Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder -Busschaert om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van -’t gene komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte -achter ’t huis, over ’t veld weg. Hij moest voort van hier -en van al dien weedom, hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder -Busschaert’s ongeluk, en hij liep al wat hij kon om het -jammerjanken niet te hooren.</p> -<p class="par">Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te -zijn, bij moeder en bij al de menschen die hem kenden, en hier was -’t niet te vinden ’t geen hij zocht en -verwachtte;—daar lagen de velden toegesmoord rondom hem met een -dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude, goede leven was weg -en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in het verre -<span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name= -"pb183">183</a>]</span>land gebleven was. Hij had willen dwalen over -het kerkhof ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te -zitten wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.</p> -<p class="par">Dat uitgaan in ’t verre land, en die krachtige -poging, al dat wroeten zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; -het verdoen van dien lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren -in ’t ijle,—het kwaad alleen bleef ervan over.</p> -<p class="par">In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om -haar kind, zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: -dat Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd -gestolen was en ginder verre begraven lag in ’t vreemde -land,—waar zij nooit naartoe en kon. <span class= -"pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name="pb184">184</a>]</span></p> -<p class="par">De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en -hij doolde voort, doelloos langs de <span class="corr" id="xd21e1607" -title="Bron: smale">smalle</span> landwegelkes, eenzaam, ver van de -menschen en zot van droefheid. De koelte <span class="corr" id= -"xd21e1610" title="Bron: frischtte">frischte</span> zijnen koortsigen -kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist niet -of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.</p> -<p class="par">Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door -’t dorp en vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht -ging het luide gebral, op tien plaatsen tegelijk:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">’t Koorn is af, ’t koorn is af!</p> -<p class="line xd21e998">àl het koorn is àf!</p> -</div> -<p class="par first">De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen -die dronken. De vrouwen <span class="pagenum">[<a id="pb185" href= -"#pb185" name="pb185">185</a>]</span>kwamen knijzen om haar venten -meê te krijgen naar huis, zij trokken hen bij de mouw, tastten -hun zakken af om ’t geld te vinden, maar de kerels grepen hun -glas of een makker in de lenden, en zongen omlangs hoe luider:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line xd21e998">En nog naar huis niet gaan!</p> -<p class="line xd21e998">En nog naar huis niet gaan</p> -<p class="line">Zoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!</p> -</div> -<p class="par first">De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen -zijnen reiszak en sleurden hem blij tierend meê naar huis, -benieuwd naar al de schoone dingen die erin zaten.</p> -<p class="par">Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Jongens, jongens, jongens,</p> -<p class="line xd21e1245">we zijn nog niet dood!</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name= -"pb186">186</a>]</span></p> -<p class="par">De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en -stampten op mate:</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line xd21e1245">Waar kan men beter zijn</p> -<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p> -<p class="line">Dan in ons moeders keuken!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line xd21e998">Wij zijn kontent</p> -<p class="line">Met een pintje van vijf cent!</p> -<p class="line xd21e1245">Laat ons drinken</p> -<p class="line xd21e1245">Laat ons schinken</p> -<p class="line xd21e1245">En laat ons vroolijk zijn!</p> -</div> -</div> -<p class="par first">Uit een afgelegene herberg ging het luide:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Wij drinken tot dat ’t op is!</p> -<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p> -<p class="line">Als ’t op is, dansen wij!</p> -</div> -<p class="par first">Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, -neuriede een goede broer zijn <span class="pagenum">[<a id="pb187" -href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span>dronkaards-liedje voor een -geslotene deur:</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Moedere doet open,</p> -<p class="line">Uwe zoon is hier,</p> -<p class="line">Hij heeft hem zat gezopen</p> -<p class="line">aan een glaasje bier.</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name= -"pb188">188</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1 ads"> -<div class="divBody"> -<p class="par first">In VEEN’s GELE BIBLIOTHEEK verschijnt:</p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop"><span class="sc">Anna de Savornin -Lohman</span></td> -<td class="cellRight cellTop"><b>Mara-Liefde</b>.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><span class="sc">Stijn Streuvels</span></td> -<td class="cellRight"><b>De Oogst</b>.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><span class="sc">Melati van Java</span></td> -<td class="cellRight"><b>In Extremis</b>.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom"><span class="sc">Louis -Couperus</span></td> -<td class="cellRight cellBottom"><b>Fidessa</b>.</td> -</tr> -</table> -</div> -<p class="par"><b>Prijs fl. 0.50 gebonden.</b></p> -</div> -</div> -<div class="div1 cover"> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e1734width"><img src="images/spine.jpg" alt= -"Oorspronkelijke rug." width="110" height="720"></div> -<p class="par"></p> -<p class="par"> </p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd21e1741width"><img src="images/backcover.jpg" alt= -"Oorspronkelijke achterkant." width="488" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="transcribernote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen -overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het -kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de -<a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href= -"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg -Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e41" -title="Externe link" href= -"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> -<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line -gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd21e41" title= -"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke -schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn -stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn -verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het -einde van dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2016-01-01 Begonnen.</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn -dat deze links voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctiontable" summary= -"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e169">10</a></td> -<td class="width40 bottom">zonnegond</td> -<td class="width40 bottom">zonnegoud</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e224">21</a></td> -<td class="width40 bottom">nn</td> -<td class="width40 bottom">nu</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e239">23</a></td> -<td class="width40 bottom">Doet</td> -<td class="width40 bottom">doet</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e518">62</a></td> -<td class="width40 bottom">leide</td> -<td class="width40 bottom">leidde</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e588">75</a></td> -<td class="width40 bottom">hnn</td> -<td class="width40 bottom">hun</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e710">90</a></td> -<td class="width40 bottom">viermaal</td> -<td class="width40 bottom">vier maal</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e728">92</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e1289">155</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e759">95</a></td> -<td class="width40 bottom">Das</td> -<td class="width40 bottom">Dat</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e777">98</a></td> -<td class="width40 bottom">boogen</td> -<td class="width40 bottom">hoogen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e855">109</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e884">112</a></td> -<td class="width40 bottom">altijk</td> -<td class="width40 bottom">altijd</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e952">119</a></td> -<td class="width40 bottom">manen</td> -<td class="width40 bottom">mannen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1111">137</a></td> -<td class="width40 bottom">monkelden</td> -<td class="width40 bottom">monkelen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1151">140</a></td> -<td class="width40 bottom">lachtte</td> -<td class="width40 bottom">lachte</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1561">179</a></td> -<td class="width40 bottom">ondereon</td> -<td class="width40 bottom">ondereen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1607">184</a></td> -<td class="width40 bottom">smale</td> -<td class="width40 bottom">smalle</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1610">184</a></td> -<td class="width40 bottom">frischtte</td> -<td class="width40 bottom">frischte</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of De Oogst, by Stijn Streuvels - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OOGST *** - -***** This file should be named 52476-h.htm or 52476-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52476/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/52476-h/images/backcover.jpg b/old/52476-h/images/backcover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a681aa1..0000000 --- a/old/52476-h/images/backcover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52476-h/images/book.png b/old/52476-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8c9ee4f..0000000 --- a/old/52476-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/52476-h/images/card.png b/old/52476-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1ffbe1a..0000000 --- a/old/52476-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/52476-h/images/cover.jpg b/old/52476-h/images/cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 70313e8..0000000 --- a/old/52476-h/images/cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52476-h/images/external.png b/old/52476-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ba4f205..0000000 --- a/old/52476-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/52476-h/images/spine.jpg b/old/52476-h/images/spine.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0a2f8c4..0000000 --- a/old/52476-h/images/spine.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52476-h/images/titlepage.png b/old/52476-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 4484172..0000000 --- a/old/52476-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
