summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-06 01:27:33 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-06 01:27:33 -0800
commita501de58a4e1ffd86bfdeccb919ac4b16e54fb4a (patch)
treed49b48e8cc63ed2df3dea63e89ff4ecf5fee78a6
parent9a5e97f8f7ef36612ec2de165f9e05d64d6e2bb4 (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/52476-8.txt3098
-rw-r--r--old/52476-8.zipbin59643 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52476-h.zipbin242723 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52476-h/52476-h.htm3974
-rw-r--r--old/52476-h/images/backcover.jpgbin33635 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52476-h/images/book.pngbin218 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52476-h/images/card.pngbin249 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52476-h/images/cover.jpgbin115920 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52476-h/images/external.pngbin172 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52476-h/images/spine.jpgbin16810 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52476-h/images/titlepage.pngbin6750 -> 0 bytes
14 files changed, 17 insertions, 7072 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..5b26f4b
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #52476 (https://www.gutenberg.org/ebooks/52476)
diff --git a/old/52476-8.txt b/old/52476-8.txt
deleted file mode 100644
index f24983a..0000000
--- a/old/52476-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3098 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of De Oogst, by Stijn Streuvels
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: De Oogst
-
-Author: Stijn Streuvels
-
-Release Date: July 2, 2016 [EBook #52476]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OOGST ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- DE OOGST
-
- DOOR
-
- STIJN STREUVELS
-
-
-
- VIERDE DRUK
-
- L. J. VEEN--AMSTERDAM
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Rik lag plat uitgestrekt in 't gras onder de linde en Wies zat, over de
-knieën gebogen, op het bol van een gevelden eik. De jongens rookten hun
-pijp in den avondstond. Nu en dan maar zegden zij, halfstil, een woord,
-meest over dingen die ze wisten en evengoed ongezegd konden laten. Maar
-zij trokken gestadig nieuwe kuilen blauwen rook uit hun pijp, die
-opspiraalden uitdunnend, hoog in de lucht boven hun hoofd. Achter
-de openstaande huisdeur in 't donker, wrocht Lida met moeder aan
-'t schoonkuischen van schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar.
-
-Rik wendde dikwijls het hoofd naar het donker deurraam dat zwartvlekte
-in den witten muur en hij dacht wel:
-
---Waarom blijft Lida vanavond zoolang in huis?
-
-Hij voelde of had iets te kort of verlangde onbewust naar iemand die
-moest komen gezelschap houden. Maar nog altijd ging het gleiertikken
-van tellooren en kommen met gefoezel van halfduidelijke, zacht
-gesproken woorden. Nu wisten de knapen niets meer en ze zwegen.
-
---Waarom is Wies haar broeder en is Lida mijn zuster niet? dacht Rik.
-
-Als hij weer 't hoofd wendde stond het meisje in 't donker deurgat en
-was aan 't afbreien van een langzwarte kous. De jongen rechtte zich
-halfop met de handen en hij keek hoe zij met stillen tred naderde en
-ging zitten rechtover hem, nevens Wies, op het bol van den eik. Hij
-rustte het hoofd op de voorarmen en zóo, gemakkelijk uitgestrekt, bleef
-hij haar liggen bezien. Hij voelde een nieuwe tevredenheid in haar
-bijzijn: het invullen eener leemte, waarnaar hij lang gewenscht had.
-
---Nu is het goed in den avond, zei hij stil.
-
-Niemand en antwoordde maar 't deed hem deugd dat ze nu zwegen, en
-hij verlangde naar niets tenzij daar te mogen liggen en kijken naar
-Lida en eenzaam smakken aan de welligheid die hij daarbinnen voelde
-opkomen, iets als zwemmen in ongerimpeld water zonder einde.
-
-Zie, hoe de heldere mane daar zit boven in de lindekruin tusschen de
-kromknoestige halfnaakte takken! de jonge bladeren vlekken zwart op
-dat gouden veld lijk ongedurig, wemelende inkteklaters. Binnen huis
-ging het geslof van Wies zijn moeder die daar in 't donker alleen
-bleef;--anders en repte er geen geruchte in heel den omtrek.
-
-Rik bleef welvoldaan omdat zij allen zoover uitgepraat waren en niemand
-een woord en vond dat 't zeggen weerd scheen. Hij luisterde naar het
-tikken van Lida's overeenwerkende breinaalden. Daar van omlaag gezien,
-zat heur wezen vol donkerte en op 't einde twijfelde hij of heur oogen
-zoo vriendelijk stil in de zijne keken of dat ze halftoe op heur werk
-waren gericht. De wellust kwam in hem op als een kriezeling zoo dat hij
-de oogen neerwaards dwong en niet meer opkijken durfde. Daar in 't gras
-nevens hem lag het bolleken zwarte wolsajette dat gestadig versnokte
-en opsprong telkens heur klein vingerke den draad deed inkorten.
-
---Morgen krijgen we weer een schoonen dag, fazelde Wies tusschen
-de tanden.
-
---De zomer komt vroeg, wederzegde Lida, en wat later:
-
-De smoor hangt uit, 't is versterking, zie, en zij rechtte het hoofd
-en keek wijd uit over 't veld.
-
-Zoo koutten ze stilaan voort in schaarsche half ingehouden woorden,
-over land en weêr en spel en leven, heel gewoon; lijk broêr en
-zuster. Rik had ook iets willen inbrengen maar al zocht hij ook rond,
-er was niets dat goed scheen. Zijn oogen snuisterden weer in de donkere
-haarkroezeling om Lida's hoofd en naar hooger op; daar zocht hij in
-den bleeken hemel naar de eerste sterren die, lijk pas ontstoken
-kaarslichtjes, van langerhand kwamen uitpinken. Ginder te westen,
-ver over de velden, tegen 't uitveegsel van 't vergane zonnegoud,
-zwommen er witte wolkjes lijk groote bloemen zonder stengel. Daarbij
-werd de stilte zoo rein dat 't staaltikken van Lida's naalden nu
-duidelijk geruchte miek.
-
---'t Is alsof wij gedrieën alleen op de wereld waren, dacht Rik,
-en die wereld werd nu zoo vreeselijk wijd, zoo groot! en hij voelde
-zich meêzwellen en zag hoe Wies en Lida daar en de gevelde boomstam,
-eendlijk uitgroeiden. Nu en schafte noch en zocht hij meer van waar
-die voldaanheid uitkwam die evenals de goede dauw, rijkelijk rond hem
-neerviel. Hij dronk en zwolg zijn geluk als deugdelijke zeupen water
-bij grooten dorst en lag daar te verlangen: naar meer, altijd meer en
-dat het eeuwig zóo duren mocht! Daar rustte een zware goedheid op de
-boomen, op het land hier, over al om dat huis bij Lida en Wies--elders
-was 't de dood en daar dacht hij niet aan, nu. Naarmate het donkerde,
-vernauwde die wijde kring in een goede omheining rondom hen.
-
-Lida liet haren brei in den schoot vallen; zij rok de armen hoog
-uit en legde haar hoofd achterover geleund tegen den lindestam. De
-deemstering vervaagde de lijnen van haar wezen en vulde de diepten
-met wondere schaduwen. Rik zocht nog altijd om dingen te zeggen die
-hij heel traag wilde laten neerleken in de stilte. Dat speelde rond
-in zijn hoofd, maar zoo gauw hij 't in woorden wilde vastgrijpen,
-hervormde dat zoo vreemd.... Wies zou lachen om zijn gezegde en Lida
-verbaasd opkijken en hem ongeloovig bezien met wijde, vragende oogen;
-lachen zou ze niet, dat was hij heel zeker, te meer dat 't nu zoo
-stille, zonderling avond was. Ze zat beeldstijf te staren.--Waarom
-hield zij die armen zoo hoog en haar lijf zoo uitgespannen?--Zij deed
-dat veel en die houding bracht bij Rik zoo een naar gevoel vol onrust,
-dat hij haar verstolen met half toegenepen oogen bezag, met vrees
-dat ze hem betooveren zou.
-
---Van den nacht zal ze mij weer berijden als een kwade mare, en toch
-kon hij den wellust van haar zicht niet laten.
-
-Nu had hij haar, met een stil woord, willen doen verkijken uit die
-verte, om dien langen blik naar zijn oogen te doen komen.
-
---Hoor dien krekel, hier onder 't gras.
-
-Wies noch Lida en zegden daar iets op en ze luisterden of telden de
-flauwe kriepgilletjes van dien krekel. En als dat luisteren weer zoo
-uitgerokken lang duurde dan werden die kriepjes als zooveel scherpe
-scheersneden die 't stilzwijgen in gelijke eindjes korf. Rik werd bang
-op 't laatst, niet voor zichzelf, om de verdrietigheid of verveling,
-maar hij vreesde voor 't gene die effene vlakstilte zou komen breken
-en dat glazen kasteel ging doen invallen. Dan kwam onvoorziens uit
-de opene huisdeur, zoo stoorscheurend gewoon, moeders:--Lida, we zijn
-slapen, kom!
-
-Dat was het plotsinvallende teeken dat 't uit was voor vandaag. Lida
-schoot wakker uit haren droom, liet de armen zinken en nu ging er
-tusschen hun drieën een gesprek aan over de dingen uit 't dorp,
-over 't werk; Rik vertelde van Dirk Koole die zou trouwen met een
-vreemde; dat Pikkaert zondag laatst gevochten had tegen drie felle
-boschkanters. Lida vroeg gewone dingen over Riene en Tielde--Rik
-zijn zusters--en eindelijk rechtten zij zich alle drie tegelijk op,
-rokken de leden uit al geeuwend en wenschten elkaar een goên avond.
-
---Tot morgen, wist Lida nog en ze keerde weer zoo genegen haar hoofd
-naar hem. Dan was zij met heur broêr in huis en Rik wandelde alleen
-door den avond. Nu had zij duidelijk naar hem gekeken met haar donkere
-oogen zoo vreemd vragend, dat hij al zijn bloed voelde verkruipen
-en had willen huilen van geluk. Nu zou hij naar huis, maar eerst wat
-zinnen nog over al 't geen er in zijn hoofd omwoelde. Hij stond daar
-nog en hoorde hoe Lida met heur heldere belstem het gebed voorlas. Dat
-ging lijk muziek over 't veld en dan eerst, als heur zangzeggend gebed
-uit was en niets meer en roerde rondom, werd hij gewaar dat 't nacht
-was bijkans en dat hij nu naar huis moest. O, hij droeg een rijkdom
-en blijheid in zijn hoofd en dat danste over op al die zwaar zwarte
-boomen daar en door heel den hemel onder 't groot blauw geluchte,
-vol! Lida, Lida zag hem geern! Zijn leute moest hij uitjubelen in
-een schallend koewachters "halarialo"! maar hij durfde de rust niet
-breken rond zich en hij haastte en verlangde daar boven op zijnen
-zolder te zijn, alleen om traag al de beeldschatten uit te pluizen,
-te her-overdenken: al de woorden die ze zei, en met toegenepen oogen te
-kijken op het gouden schemerbeeld dat in zijn hoofd geschilderd stond.
-
-Thuis viel er een smachtende adem op hem; zoo dof, ongezellig waren
-hier al de dingen: moeder zat daar zoo suffig ineen gezonken met de
-oogen vol vaak; de broers, zij lagen lang, moede uitgestrekt over den
-vloer op tafel of banken, en Riene met Tielde, zijn zusters, zaten
-onder den blaker van 't blikken lampje, te naaien. Hij zegde hun
-allen een stillen goên avond en schreed den zoldersteeger op. Daar
-sloot hij met zorg de deur om goed alleen te zijn en al het vreemde
-ver van zich weg te hebben. En nu strekte hij lang zijn leden op het
-stroobed, beet op de tanden en voelde een warme krijzeling over zijn
-lijf loopen,--zijn beenen krimpten op en dan strekte hij zich weer
-uit om kalm te smakken aan zijn gedachten.
-
-Hij zou nog bijlang niet slapen en zooveel hij kon, liggen denken.
-
---Lida, Lida, Lida! "Tot morgen!" had ze hem gezeid!--Morgen mocht
-hij weerkeeren, en zoo voort zou dat geluk in een ronde draaien en
-nooit uit zijn! Morgen nog een avond. Later kon hem niet schelen.
-
---Wacht, wat zal ik haar zeggen, morgen? waarom ben ik altijd zoo
-beteuterd, verlegen als ik onder die linde lig en zij daar vóór me zit?
-
-O, er waren zooveel dingen die hij haar zeggen zou, maar zijn
-opgemaakte voornemens vielen meestal uiteen als zij hem bekeek of
-zelf aansprak, zoo dat 't gesprek voor een heelen avond op een ander
-wegelken bleef.--Dat ze nu zei wat ze wilde, 't was hem altijd even
-aangenaam en hij hield het zijne verduldig uitgesteld: later zou hij
-wel tijd vinden, om haar heel zijn voorraad te vermonden.
-
-Hij wilde haar zien, enkelijk zien; daarom neep hij nu weer de
-oogen dicht, duwde diep het hoofd in het kussen en ze kwam daar:
-op den boomstam onder de linde, 's avonds; opweg naar de kerk, aan
-'t putten van een emmer water, of stond gebogen aan 't groensel
-plukken in den lochting. Hij zag haar levend met al de natuurlijke
-plooiïngen van haar lijf, in haar gewoon doen, maar zoo onzeggelijk
-schooner nu, beschenen met dien goudglans, veel anders dan bij dage
-in de werkelijkheid. Nu wilde hij heur traag bekijken, heelegansch:
-heur haar, oogen en mond, de lijn langs haar heup, den val van heur
-nijdlijken blauw-netten voorschoot,--maar die dunne nevelsmoor kwam
-heur weer omwinden, zoodat hij niets meer duidelijk herkennen kon. Hij
-zag enkel heur twee zwartbruine oogen--de blik die hem vanavond zoo
-doorkeken had--die blonken lijk twee lichtjes zoo zacht, en spreidden
-een vreemde klaarte uit zoodat 't werd te zonneglinsteren onder de
-linde met zoo'n wonderlijke wemeling daar in de bladeren. Groote
-witte bloemen schoten overal tusschen--vlakronde zonnebloemen met
-roodbeperelde herten, omkransd met geluwe vlamtongen en beneden
-groeiden er hooge lischvlimmen met gloeiroode en witte kollebotten
-die traag wiegelden. Daar midden in troonde Lida heel in blank en ze
-zat daar stil op den bolleboom en keek meelijdend vriendelijk van uit
-haar hoogte op hem neêr. Op 't laatst werd die lichtschittering te fel
-voor zijne oogen en hij voelde zich wegvoeren op een rolwagentje met
-zoetzingend spel, naar een ander land. Daar zwom hij in een grijze zee,
-wijd overwelfd met groenigheid, waarachter een groote zon gedoken zat,
-en een beeld ievers, maar 't was alles zoo overgroot dat hij verzwolg
-in 't opademen van de veelte van genot. En zachte zonk hij neer in een
-smachtend gevoel van kriewelende kitteling die hem zeer gelukkig miek.
-
-'s Morgens in die kletsheldere zonneklaarte lijk hij daar stond met
-de drie koeien langs de gracht, zoo nuchter, dan werden de dingen van
-gister heelemaal anders. Zie, ginder ver op 't glinstergroene veld,
-in den zonneschijn, wrocht Lida met de andere boerenmeissens. Zij
-speelden en schatergekten onder 't werk. Lida boog en rechtte haar
-lijf--o, ze was de schoonste van al, maar zonder droomerij in de oogen:
-de blijleutige deerne nu, vlug aan de hand, altijd brad en vroolijk,
-met den klinkhelderen lach gereed op de lippen en de blinkend witte
-pereltanden bloot. Dat was het blij werkelijke leven, nu. Die menschen
-verstonden niets van zijn droomen en hij twijfelde of hij ook niet
-een dutsachtige sul was?
-
-Het was zoo lastig met dien zwaren schat, gedoken rond te loopen
-tusschen de menschen. Moeder schold hem om zijn droomen voor
-luiaard en de groote broêrs gebaarden dat ze het keppekind niet en
-kenden. Daarbij werd hij soms overvallen door een droef gedacht:
-of er wel iets gemeens bestond tusschen hem en Lida?
-
-Was dat oogenspel wel vattelijk voor dat blijlevend meiske? en kon
-ze bij éen van zijn woorden raden dat hij zot, razend zot van haar
-was?--Lida dat werd soms doodeenvoudig de zuster van Wies, en Wies
-die was zijn makker, en Lida ze knikte en koutte genegen omdat Rik
-de makker van heur broer was; al 't andere wond hij zichzelf op en
-haalde 't uit het oude boek van den zolder en uit zijn eigen zieke
-gedachten. Dat miek hem neêrslachtig en wreed ongelukkig. Waarom
-deed hij niet lijk Pol en Lieven en Jaak en zijn ander broers?--die
-wrochten heel de week met blij gemoed zonder aan iets te droomen
-en 's zondags gingen zij gearmd met hun deerne naar een of andere
-kermis. Die vroegen er niet naar, of ze wisten toch zeker, geern
-gezien te zijn. En Riene en Tielde, ze zongen heel de week en ze
-hadden ook elk een jongen die haar halen kwam om te wandelen.
-
---Ik zal heur zeggen.... Lida, 'k zie u geern--: haar nooit meer
-bezien of wel er open naartoe gaan. Maar op den zelfden stond wist
-hij wel en zeker het haar nooit te durven zeggen.--'t Best was:
-alles uit zijn hoofd steken, lustig leven en aan niemand denken. Ze
-was toch veel te hoog voor hem.
-
-Maar waarom bekijkt ze mij altijd zoo diep in de oogen? dacht hij,
-doet ze dat zonder inzicht? zonder te weten dat het aanzet en me
-betoovert? Waarom legt zij zich altijd in die deemstering zoo met de
-armen uitgerokken achterovergeleund met halfopene oogen te glariën lijk
-een luie kat? En dan monkelplooit ze weêr zoo aanvallig heur lippen.
-
---Doet ze dat voor heur zelf of ook als ik er niet bij ben? En daar
-hij heur bij dage ontmoette kon zij zoo vreeselijk gewoon groeten en
-hoofsch lijk een vorstinne, op den kleinen koeier neerzien! of hem
-ook in 't geheel niet opmerken, was 't dat ze met een buurmeisje aan
-'t praten was over kleeren of tooisel. Dan viel ineens die gedroomde
-innigheid weg. Als ze niet heelemaal de zijne wilde worden liet hij
-haar liever af. En de hooggevierde Lida was een vreemde voor hem;
-hij zou er niet meer naar omzien, 't was vast nu. Hij werd spijtig
-om al de gedachten en genegenheid die hij aan heur verspilde; was
-ze niet wreed ondankbaar en ijdel, daar zij hem niets van 't hare
-wederzond? Wat gemeens bestond er tusschen hen beiden?--niets dan
-wat simpel oogenlonksel! 't was al.
-
-Tot tegen den avond leed dat weg- en weerwerpen van beschuldiging
-en verschoonen.
-
-Met 't stil wegzinken der zon welde de zachte weedom weer op. Dan kwam
-zij zelf vóor hem staan en hij was weêr aan 't meêdrijven naar de oude
-droomerij; door een lijntje van haar wezen, het dansen van een slutse
-haarkrul in heuren hals, of de ronding en plooien van den voorschoot
-om hare heupen, werd hij razend om haar sierlijke schoonheid, lam
-geslagen, en al 't andere buiten haar: 't dorp met al de menschen en
-moeder, verzonk en verdween voor hem in een duistere verte.
-
-'t Werk was nog niet geheel af, als hij weeral verlangde en zich
-gedreven voelde naar buiten, bij de linde.
-
-Want, jammer genoeg, hij durfde daar elken avond niet gaan zitten
-of voorbijgaan, dat zou te oogschijnlijk uitkomen dat hij Lida
-vrijde en hij vreesde dat zulke mare in eens heel zijn geluk kon
-uiteensmijten. Soms miek hij een vast besluit er in lang niet meer
-heen te gaan; maar met den avond kwam de bekoring weerom sterker,
-hij gaf stilaan toe, draaide rond en keerde tot hij toch op het
-onweerstaanlijk plekje aankwam. En als 't gebeurde dat hij daar
-niemand vond, ging hij gaan dompelen alleen in de velden en hij voelde
-zich verlaten en droef. Die vereenzaming was hem te zwaar om dragen
-alleen; hij moest iemand hebben waaraan hij vertrouwelijk zijn ziel kon
-uitzeggen. Maar dat hij al rondzocht hij vond niemand: zijn broers dat
-waren grove lummels die meestal met de bende uit gingen werken waar
-er ievers een vaart te delven of groote hoopen aarde te verbeulen
-was. Bij Riene en Tielde ook niet,--die en wisten er niets af van
-'t geen hem lette. Lida alleen, maar 't was de Lida die in zijn hoofd
-woonde--met haar sprak hij over al die wondere dingen, boven daar hij
-in zijn bed te denken lag. Dan koutte hij vertrouwelijk even alsof ze
-hem door den stillen avond waarlijk op dien afstand hooren kon;--en
-'s anderendags, bij klaren dage, zag hij in haar donkere oogen dat
-ze hem goed verstaan had.
-
-Morgen, als ik haar alleen vind, zal ik het haar wezenlijk zeggen,
-dacht hij. Met één ding te eenegaar zou hij beginnen tot het,
-op 't einde, al was klaar gelegd. Maar zoo gauw liet Wies hen
-alleen of hij wierd benauwd om zijn woorden en hij zegde meestal
-niets tenzij gewone dingen, zoo dom dat hij er spijt over voelde,
-zoogauw ze gezegd waren. Ze moest een vreemd gedacht van hem hebben,
-Lida, en z'en zou er wellicht nooit een woord af weten van al zijn
-wonderlijke gevoelens. 't Ware best dat hij verre van hier weg was
-en met andere menschen leefde. Er lag hier zoo'n gemoedelijke kalmte
-over al de dingen.--Zie, die koeien daar hoe lam ze den kop rechtten
-en voorttrakelden in den avond, en al dat rood van de zon achter de
-tronken,.... z'en zal in lange nog niet zinken, dacht hij. De dagen,
-ze winden zoo gezapig en de tijd spint zoo staag zijn kluwen uit! Als
-hij nu liever voor zijn eigen genot beminde en verheugd was in 't
-stille om haar schoone oogen, was dat geen geluk om bij te dansen! en
-zag hij een einde aan zijn zaligheid!? De zonnewarmte kwam zoo goed en
-'t groen van de versche lente stond overal uit.
-
-Moeder vroeg wat er heuren jongen scheelde, of hij ziek was, waarom hij
-treurde? Maar z'en vermoedde niets, de goede vrouw, van zijn inwendige
-doening. Eenigheid en wat rust, dat alleen miek hem gelukkig; als hij
-maar ver weg kon kruipen waar hem geen mensch vinden kwam, en zitten
-zinnen bij zichzelf, dan wenschte hij van niemand eenige hulp. En nu
-ging dat veel beter thuis. Gister liepen al de grootste kerels van
-'t dorp over straat en zij zongen. Toen Rik thuis kwam vond hij
-Teune, Carpus, Klaas, Pol, Lieven, Jaak, die hun pakken mieken en
-mede vertrokken naar een groot aardewerk ievers in 't noorden. Tegen
-den avond was het dorp en 't huis heel stil en Rik was er blij om,
-nu alleen te zijn met zijn zusters, in deugdelijke verenkeling. Nu
-kon hij verstolen naar zijn zolder sluipen en daar heele stonden
-zitten lezen in het oude boek met al die wondere dingen die hem zoowel
-bevielen. Daar was een prentje in dat hij bovenal geern bekeek: in een
-heerlijk priëeltje wandelden een slanke prins gearmd met een vorstinne
-heel in wit; zij gingen zoo traag onder die heimelijke diepten vol
-lommer van hooge boomen, en ze moesten zij toch malkaar aangename
-dingen weten te vertellen. En die warme zonneklaarte scheen hem,
-in dat lommerland, zonder einde. Dat zou hij Lida eens toonen later
-en heur vragen of ze 't ook zoodanig mooi vond.
-
-Hij pluisde geern in zijn gedachten om te achterhalen hoe dat met
-Lida begonnen en die koorts in hem gekomen was. Wanneer had ze den
-eersten ooglonk geworpen die hem zoo ontstelde? Toen ze kind nog en
-klein meiske was, had hij met haar gespeeld zonder eens te merken dat
-z'er anders dan al de jongens uitzag. Later--en nu verdoolde hij in 't
-menigvuldige der feiten--had hij beginnen verlangen om haar te zien en
-te ontmoeten. Den eersten keer, 't was van in zijn zoldervenster dat
-hij haar zag, en merkte: heur ranken, witten hals onder de glooiing
-van de bruine haarkroezels--dan was zijn hert beginnen kloppen en
-sedert dien ging Lida van heele dagen uit zijn gedachten niet meer,
-en hij wenschte altijd tot het avond werd om haar te vinden bij Wies
-onder de linde.
-
-Nu ook sleepte die dag zoo lang en 't was of wilde de zon, met langs
-om min goeden wil, onder gaan; de avond kwam niet.
-
-Vandaag zou hij haar willen zien in 't klare licht. Heur beeld stond,
-door 't altijd kijken met die deemstering tusschen haar en hem, zoo
-wazig en onduidelijk in zijnen kop en hoe hij ook pijnde om de strepen
-van haar wezen met zware lijnen te omtrekken, dat ging niet. Hij zou
-haar lang bekijken om niets van 't geziene te vergeten. Daarom zette
-hij, zoo aanstonds het schemeren begon, uit naar heur huis. Maar
-hij hoorde, van ver nog, groot gerucht van veel stemmen onder den
-boom, Lida zat er en Wies ook maar nog veel makkers uit het dorp. Hij
-verkende Sneyer, Pinne, Fons Zeurkel, de drie Boelen, Krotse en Sieper
-die vertelden van den oogst in 't Zuidland. Hij kwam stil bij geschoven
-en liet hun luide stemmen gaan zonder naar iets te luisteren van 't
-geen ze zegden. Gedoken bachten Sneyers rug keek hij naar Lida,--ze
-zag er blijgestemd uit vandaag en lijk preusch daar alleen meisje te
-zijn bij al die kerels. Tusschen de rookdrendels van den opvunzenden
-tabak, keek haar aangezicht zoo lief en nu zag hij het heel duidelijk:
-de wolle kroezeling zoo zwartbruin om haar wit voorhoofd--geen meisje
-wist met zoo'n zwierigen wrong haar hoofd te sieren.--Dan volgde hij
-de lijn langs haren neus, maar zijn zinnen verdoolden door een blik
-uit haar diepe oogen, waar hij heel die wereld in zag! en ze wierd
-weer de goede Lida, ál schoonheid, en hij dacht er niet meer aan,
-te zoeken waar de toovering van heur wezen begon of eindigde. Zij
-koutte leutig met de gasten die om het meest hun werkdaden vertelden
-van 't verre land. Rik had maar een enkel ding opgemerkt uit heel hun
-gesprek, 't was: dat groote Krauwel zijn ronde deed achter pikkers,
-en dat al de makkers hem toegezegd hadden den oogst te gaan doen naar
-'t Zuiden. Als 't donkerde zat Lida nadenkelijk voor zich uit te
-staren en z'n zegde niets meer.
-
-Nu was ze weer het wazige schepsel met die rozige krullipjes en
-den zonnigen glimlach, uit zijn droomen. Hij en hoorde noch en
-zag niets meer rond haar. De laatste was hij die goên avond zei
-en vertrok. Hij slenterde voldaan naar huis even als na een langen
-blijdag vol leute. De velden geurden goed en de maan dreef zoo zacht,
-zie, in een hemel hoe blauw! hoe groot! 't Was of al de dingen
-voort waren, weggenomen, en hij daar alleen gelaten stond met dien
-stillen avond. Bij den gevel thuis hoorde hij moeders stem luide aan
-'t kijven. Als hij bij de deur bleef staan luisteren hoorde hij hoe
-Tielde weende en moeder luide zei:
-
---O, gij zot schepsel! wat gij denkt! Verschafel lacht met u, 'k
-en wil bovendien niet dat ge nog naar hem omziet. Wat, hij zou u
-vragen te trouwen!? O, gij simpel schaap! die dat gelooft! Weet ge
-niet dat hij een begoede boerezoon is? en gij, Tielde Busschaert,
-een meisje zonder iets? Waar zou ik het halen om u wat te geven? Uw
-vader, de goede Segher, is zeven lange jaren ziek geweest en heeft
-al opgeëten en vermeesterd wat we bezaten. En uw broers, wat brengen
-zij naar huis? Wacht, kind, tot de trotsche Verschafel het weet,
-hij zal zijn zotten zoon doodranselen! ha, ge luistert gij naar
-jongens liflafferije!
-
-Tielde ademsnokte gedoken onder haar voorschoot toen Rik binnentrad
-en moeder deed maar altijd voort:--Maar, hij vest u blauwe bloemkes
-op; hij zal een tijd leute met u maken om u dan te laten zitten! en
-u uitlachen, gij lichtekooi! zoek ievers een armen duts om honger
-meê te lijden, dat zult ge wel vinden. Ha, 't was daarom, dat nieuw
-kleed en al dat snuistergoed!?
-
-Rik was zeer aangedaan door dien onverwachten storm en hij ging
-haastig naar zijnen zolder.
-
-Dat was nu weer een breuk in zijne droomen; dat viel lijk eene donkere
-onweersvlaag over zijn geluk, en al 't ellendige van den werkelijken
-gang stond daar vóor hem. Nu wist hij het eerst heel klaar: hij was
-een arme jongen!
-
-In Tielde's verdriet en deelde hij niet veel, maar die woorden van
-moeder sloegen hem diep--hij dacht voor den eersten keer: ik ben een
-arme sul, zal Lida niet afhondig over haar schouder kijken naar den
-jongen die ijdelhands op haar toekomt, en moeder Beucke ze zal mij
-ongenadig van de deur gooien?!
-
-Wies was enkel zijn makker geweest en Lida was hem daarvoor genegen
-wellicht. Maar moest ze eens gewaar worden wat hij eigenlijk
-wilde!.... Daar stond nu ineens de groote scheidschreef tusschen
-hen! Hij verdoemde vaders geldkostende ziekte en de slemperij van
-zijn broêrs die hem arm mieken, en hij benijdde den goeden welstand
-bij Lida. Hij had haar willen in nood zien en jankend van honger naar
-hem om hulp komen. En hij dan, in staat een overvloedigen rijkdom
-mildelijk rond haar uit te gieten; dan had hij die trotsdonkere oogen
-zien smeeken en drukkelijk opkijken! Dat deed ze immers nooit.
-
-Maar 't was anders beschikt en hij kende geene uitkomst; 't ware best
-geweest nu, kon hij maar gauw wegdommelen, aan niets meer denken en
-ievers in een ver land weer wakker worden waar hij heur nooit meer
-terug zag.
-
-'s Anderdaags was hij aleven slecht gestemd. "'t Moet uit zijn, dacht
-hij, of later loopt het op een ongeluk."--En hij besloot weg te gaan.
-
-Een langen halven dag wachtte hij naar groote Krauwel, en als hij
-hem eindelijk van zijn ronde zag thuis komen, ging hij er met vasten
-stap naartoe:
-
---Krauwel, wilt ge mij mee naar 't Zuidland?
-
-De groote kerel bekeek den jongen.
-
---Hebde nog gepikt?
-
---Ja, twee drie keers al.
-
---In 't vreemde niet?
-
---Neen, hier op 't Ganzenhof.
-
---Weet-je wel jongen dat 't ginder brandt in de lucht en hard werk is!?
-
---O, 'k kan daar tegen, vraag het maar aan Wies Beucke, die zal
-'t u zeggen.
-
---Kom dan, 't is voor de naaste weke en we trekken er diep in dees
-jaar.
-
-Krauwel haalde een schroô papier uit den broekzak en teekende met
-een potlood een kruisken onder aan de lijst.--Rik liep weltevreden
-naar huis.
-
---Moeder, mag ik meê den oogst gaan doen?
-
--- Wat, jongen, droomt ge? Blijf stil bij uw moeder, da's geen werk
-voor u, ge zijt nog veel te jong.
-
---Moeder, laat mij, Wies gaat ook en ik zal bij hem blijven.
-
-Hij overreedde moeder tot ze op 't einde ja zei en toestemde.
-
---Nu, ga ik toonen wie ik ben, en hij rechtte zich in trotschen moed,
-ik keer terug met mijn zakken vol geld--dan zullen we zien. Is er
-niet genoeg, te naaste jaar haal ik er nog meer bij! Hij was vol goede
-meeningen over zichzelf en vol hoop in 't geen komen moest. Maar Lida,
-Lida, 't bleef en 't was overal Lida dat hij zag in alle dingen,
-'s Avonds kwam hij onder de linde waar hij weer eenthoeveel jonge
-pikkers vergaard vond. Hij ging eerst stil bij Wies en zei hem dat hij
-mede den oogst deed; Lida raadde zijn zeggen en ze monkelde ongeloovig.
-
-De kerels die ginder reeds geweest waren en alles gezien hadden,
-vertelden van de overgroote koornstukken daar, ho, wel tien dorpen vol,
-al hemel en koorn om af te pikken, en dat z'er in geslegen hadden,
-dag en nacht--en van de wreede zon! Sneyer had een man zien doodvallen
-nevens hem, steendood!--Dan wisten ze nog veel over de boerenhoven
-ginder waar de knechten elkaar niet kenden: zooveel waren er!
-
---En de boer, dat is zooals een koning in zijn land, hij weet er geen
-einde aan! wist Sieper.
-
-Rik luisterde benieuwd naar die wreede dingen, hij kreeg inwendig
-vrees en toch voelde hij een groot verlangen meê te gaan doen in dat
-geweldig werk, naar 't verre land.
-
---Dan keer ik weer als een volslagen kerel en 'k mag meespreken overal.
-
-Wies en kon niet meer slapen, zoodanig verlangde hij.
-
---Sa, jongen, zei hij en sloeg op Rik zijn schouder, ginder zullen
-we ons armen en ons macht ontbinden en er ferm in losslaan.
-
-Als de anderen weg waren, bleven Rik met Lida en Wies nog wat zitten
-rullen ondereen, lijk vroeger.
-
---Lida, wat gaat ge hier alleene doen, en waaraan zult ge denken
-eens dat we weg zijn? wilde Rik heur vragen, maar hij vroeg het
-niet en vertrok dien avond weer zonder iets te zeggen van al het
-gereedgemaakte.
-
---Eer uit het land te gaan, den laatsten dag, zal ik het heur al
-zeggen, dacht hij.
-
-Wies had hem gesproken van de groote winst ginder en hij verblijdde
-zich reeds met 't voorgedacht van dien rijkdom. "Als ze mij dan nog
-afwijst vertrek ik voor goed en niemand ziet mij nog terug!"
-
-Thuis was moeder in volle werk met zijn gereedschap; hij moest
-nieuwe kleeren en veel versch goed hebben. Hier of elders en wierd
-er van niets anders meer gesproken. De Pastor ging rond naar al
-de huizen en vermaande de kerels om ginder goed op hun plichten te
-letten en 't kwaad te vluchten, hetgeen ze allen met veel goeden wil
-beloofden. Krauwel kwam ook nog om te zien of er niemand zijn woord
-wilde intrekken en 't afreizen bepaalde hij nu voor vast: binnen
-twee dagen. Niemand die nog wrocht, ze moesten te veel bij elkaar
-gaan op bezoek en alles schikken, en vragen bij de "oude pikkers" wat
-er meest noodig en best mede te dragen was. Zij gingen bij den smid
-hun bootalm, pik en krauwels doen maken, naar de winkels om versch
-goed en kleeren. De groote blauwe tweezakken werden volgepropt en
-elkendeen verlangde om te vertrekken.
-
-Rik was 't meest bezig hoe hij van Lida zou afscheid nemen; vóór te
-vertrekken naar ginder ver wilde hij toch gerust zijn en zeker moest
-ze weten dat hij heur razend geern zag;--en hij brak zich maar gedurig
-het hoofd om te vinden de manier hoe heur dat te bekennen.
-
---Ik verlang te vertrekken, zegde hij, maar om een ding alleen zou ik
-hier wel willen blijven. Omdat ze hem naar den naam van dat ding niet
-vroeg durfde hij niet verder te spreken.--Maar ze lonkte toch met heur
-oogen perkantig dat ze hem begreep,--dat deed hem het meeste deugd.
-
-Binst den nacht liepen Krauwel met zijn bende door 't dorp en zij
-zongen overluide. Maar Rik was op moeders raad, vroeg gaan slapen.
-
---'t Zal zeker wel de laatste keer zijn in lang dat ge dweersdoor
-zult te rusten hebben, had ze hem gezeid.
-
-Nu lag hij in bed te luisteren naar 't wild gezang en de luide leute
-van de gasten.
-
---Moet ik mede met die druiste kerels?! dacht hij en er kwam een
-groote vervaardheid bij hem op.
-
-Alevenwel stonden Wies met Sneyer, Broecke, Pinne en al de anderen 's
-morgens voor den dag, gereed en blijgemoed te wachten op straat.--Van
-alle kanten kwamen er nieuwe pikkers bij, zoo dat heel de plaatse vol
-stond: krachtrijke kerels, sterk op de beenen in hun donkervloeren
-broek en rooden ledenband, een blauw kielken dat los hing over
-hun wreede schouders en een oud vilten hoed met neêrgetrokken rand
-over hun wezen. Zij droegen den blauwgestreepten baalzak met kost en
-gereedschap op den schouder en stonden geleund op den pikhaak, gerust
-rond te kijken naar de bijkomenden. De moed en de veerdigheid blonk in
-hun oogen en hun leden die rustten nu, toonden te meer de overdanige
-krachten die ze meê droegen om wonderdaden te doen ginder verre. Ze
-meumelden wat ondereen, ernstig; anderen plaagden malkaar en trappelden
-rond vol onrust en verlangen. Veel vreemd volk liep over de bane: elk
-wilde zijn kennissen zien en groeten. Moeder Busschaert was verslaafd
-aan 't gereed brengen van Rik's laatste dingen.--Weder hij wilde of
-niet er moest een potje versche boter met een schotel zwijnsvleesch
-in zijn tweezak voor in 't eerste van de reis;--ze bracht hem nog
-wijwater en hing hem een Lieve Vrouw-medaillieke en een kruisken over
-den hals.--Dan kon ze 't niet meer ophouden, de tranen liepen over
-haar wangen en ze keerde heur wezen om uit te snikken. "Heb goeden
-moed jongen," stamelde ze, en de vrouw moest weer het hoofd wenden.
-
---Heere God, 't is zoo ver te gaan, en zoo lastig; Pieter heeft daar
-zijn ziekte en zijn dood gehaald. 't Was tijd. Met een krachtigen
-zwaai gooide Rik den tweezak over den schouder en vertrok; moeder
-en Riene en Tielde kwamen mede.--'t Eerst zocht hij rond tusschen al
-het volk naar Wies,--ha! hij stond daar bij zijn moeder en Lida ook,
-die luide aan 't kouten was tegen de makkers.
-
---Nu, dacht hij, zal ik haar eens goed bekijken, 't is lange weg te
-zijn, en 'k moet dat wel van buiten kennen om ginder in mijn eenigheid
-haar heel te kunnen samenzetten en bij te houden.--Zou ik het haar
-nu durven zeggen:--Lida 'k zie u geern en 'k zal ginder heel den tijd
-op u peinzen; na den zomer ben ik hier weer.
-
-Zij bezagen elkaar en monkelden.--Z' had zich, met opzet voorzeker,
-heel net opgeschikt van den morgen en scheen wonder welgemoed.
-
---Ik moet er nu ook een ferme kerel uitzien, dacht Rik.
-
---Zijt ge niet vervaard van het werk? vroeg ze hem.
-
---Ho, al waar het nog zooveel? gekte hij en schoof met een duchtig
-gebaar den hoed achteruit.
-
-Hij zou nu nog wel wat gezeid hebben, maar er stonden zooveel menschen
-bij, en moeder hield hem gedurig in gesprek en Lida was zoo bezig
-met heur broêr.
-
---Krauwel is daar! Van achter den kerkhofmuur kwam de groote
-Krauwel. Zonder spreken stapte hij tusschen zijn kerels en nam ze
-goed in oogschouw; hij telde ze op en: "Niets vergeten gasten?!"
-
---Neen, neen! riepen zij.
-
-Dan gaf hij teeken van vertrekken. Bendewijs, twee en twee of gedrieën,
-gingen zij vooruit; velen gearmd met hun meisken en het hoofd gebogen,
-vertelden al wat ze wisten voor lang; anderen nevens hun wijf, gaven
-afscheidsplakjes aan de jongens. Wies en Rik met moeder en de zusters
-stapten traag nevenseen.
-
---Wies, jongen, zult ge toch goed, naar Rik letten? smeekte moeder,
-de jongen is zoo teêr!
-
---Betrouw er u op, Fiene, ik zal er zorg voor dragen en we komen de een
-zonder den ander niet naar huis, zegde Wies om het vrouwke te troosten.
-
-Daar ging nu niet anders dan hun halfluid gekout en de zware tred
-van al die vernagelde schoenen op de straatsteenen. Elk was bezig met
-zijn volk. Aan 't kapellekruis bleven al de vrouwen staan,--tot daar
-uitgeleid, was 't gebruik. Elkendeen riep een laatste "goê jongste,
-geluk, en goên thuiskeer". Rik had de oogen op Lida,--ze wenschte hier
-en daar een schertsenden groet naar de jonkheden die haar plaagden;
-hij wachtte verlegen zijne beurt,--moeder bezag hem altijd en hij
-werd ongemakkelijk. Een blijden oogslag ving hij, maar nu kreeg ze
-weer dien trotschen wrong om de lippen en het fier draaien van den
-hals dat hem ontstelde.
-
---Ik ben weg, dacht hij, en hebbe niets gezegd, z'en weet niet,
-en misschien....
-
-Dan wendde hij nog eens het hoofd om moeder te groeten,--en daar
-speurde hij even Lida weer op, die hem nu zoo schalks toewenkte met
-haar oogen, als spotte zij om zijn kinderachtige bedutsdheid. Zie,
-nu had hij willen terug naar heur toeloopen en al kunnen zeggen wat
-hem op 't herte lag,--maar Wies vroeg hem: of hij iets vergeten had.
-
-Moeder bleef staan wachten om een laatsten groet van heuren jongen,
-maar hij zag haar niet meer.
-
---Wies, jongen, zei hij, wat moet ons dorp verlaten zijn en eenig
-vol ledige vlekken, als we daar, zooveel groote gasten, uit weg zijn!
-
---Da's niet, Rik, ze zullen wel leven zonder ons en we komen eens weer,
-de zomer is zoo lang niet.
-
-Nog maar rechts waren zij den draai van de straat om, of al
-het ernstige van vertrek en afscheid was vergeten en de leute
-herbegon. Rommelaere haalde zijn trekorgel uit, de kerels stapten
-op maat van den voois, grepen elkaar bij den arm, zwaaiden hoog den
-pikhaak en zongen om het luidst:
-
-
- Sa we gaan
- ja we gaan
- 't land uit!
- Ja we gaan 't land uit.
- Met goeden moed naar ginder verre!
- Sa we gaan,
- Ja we gaan
- met ons pikke, met ons pikke,
- ja, we gaan
- ginder verre
- al het koorn gaan afslaan!
-
-
-Zoo stapten zij dapper 't dorp uit en een ander in, altijd voort den
-heelen dag tot ze 's avonds in een ongekende streek reeds, bij een
-vreemden boer slaping zochten.
-
-Rik voelde met bangheid dien afstand van huis vermeerderen; hij
-trappelde meestal stommelings en gelaten mede in de bende met de
-gedachten op het vreemde land waar hij naartoe ging en op al de
-wreede dingen ervan die zijn makkers met onbeducht gemoed bespraken;
-dan weer droomde hij op thuis en al wat er daar nu leefde in zijn
-afwezigheid. Dat scheen hem nu een zoo stil, gelukkig oord, waar
-hij in den laatsten, korten voorzomer heel zijn zaligheid verleefd
-had. Al die avonden voelde hij met hun gelukzieke teederheid, en
-hier op het onbekende, bloote land overviel hem eene groote treurnis
-om dat vergaan genot.--Wat zullen ze met mij uitrichten? dacht hij,
-en de groote dingen van den geweldigen zomer kwamen in hunne wreede
-laaiing vóor hem staan. Boele had hem eendelijke standen verteld van
-den zonnedans op een korenveld! Maar later haalde hij weer nieuwen
-moed in 't sterk vertrouwen der makkers die nevens hem gingen. "Ha,
-ha!" gekte Wies, "we zijn de twee jongsten, ze zullen ons wat sparen,
-en als we 't niet meer uithouden, laten we ons vallen en gebaren ons
-dood voor een halven dag!"
-
-De anderen stapten gejaagd met verlangen om 't werk te beginnen.
-
---Daar kunnen we toch eens de armen loslaten! al de koornstukken hier
-overkijken we, en eer 't spel in gang is ligt het al afgepikt! Ginder
-is het anders,--koorn, al koorn zoo wijd als een zee!
-
-Rik keek vol bewondering die mannen in de oogen: dat werden nu al zijn
-groote broeders en van hen verwachtte hij veel bijstand. De eene lange
-dagreis volgde de andere: zij mieken de nachten kort en haastten zich
-vroeg weg, altijd gejaagd om verder 't zuiden in. Over den blakken
-heideweg geleken zij een zwarte woeling van menschen, uitgejaagde
-landloopers op zoek naar geluk. Zij werden moede op 't laatst en
-gerucht en gezang was lange reeds gestild; zij gingen zonder opkijken
-en spraken zelden. Na al die dagen gaans zagen zij rechts en links,
-bezijds de breede bane, een oneindigheid van magere vruchtvelden en
-daarin, alhier, aldaar verzaaid, overal gelijke kerktorentjes uit een
-troppeling lage huisjes opsteken. Verder waren de vlakten bloot en de
-einder wijdde uit over onafzienlijke stukken vageland en moerassen. Zij
-gingen dag uit dag in door de zelfde richting zonder talmen, aten op
-'t getij langs den weg en sliepen in een schuur of onder den blooten
-hemel. Bij dage werd de zon duchtig warm, de nachten niet te koud en
-van langs om meer werden zij gewaar dat 't Zuidland niet ver meer
-af was. Bij 't opklaren van een volgenden dag zagen zij de torens
-van een stad achter den nevel;--volgens Krauwels zeggen moesten zij
-die links laten liggen, later zouden zij er nog een veel grootere te
-dweerschen hebben en daarachter.... lagen de velden waar er te maaien
-en te pikken viel.
-
-'t Was met een groote benieuwdheid dat de pikkers die stad inkwamen;
-zij keken zich de oogen uit in die rijke straten; verloren den adem
-tusschen al die menschen en huizen. Zij hadden hier lang willen
-vertoeven en al die wondere dingen her en her overkijken, maar de
-drijf lag verder en Krauwel gebood goed bijeen te blijven om niemand
-te verliezen. Achter de stad kwamen zij in een nieuw land; 't blauw
-van den hemel hing er om zeggen veel hooger over een uitgestrektheid
-vol vruchten: wijde koorns en haver en gerste en gras en dat alles
-onafgelijnd zonder straten of scheidspalen, rechts en links de wijde
-baan, bezet met vier reken groote boomen, 't was lijk onder den beuk
-van een overgroote kerk dat ze gingen en tusschen de stammen staken
-de hooge vensterramen waarachter heel die zonrijke wereld blootlag.
-
-Tenden den dag kwamen zij aan een hofsteê.
-
---'t Is hier, zei Krauwel, dat we ons eerste werk beginnen, en hij
-vertelde veel bijzonderheden over den boer waarmede zij meest allen
-voor 't eerst zouden kennis maken.
-
-De mannen stonden afgemat en moede, bedremmeld te staren over een
-veld maairijpe spaansche klaver.
-
-Zij gingen nog wat verder en voorbij het jonge koorn.
-
---'t Zal een goede oogst zijn, meende Sieper, zie hoe 't allemaal
-rechtop staat, als 't weer droog blijft, pikken we op halven tijd
-den oogst af.
-
-Daarachter zagen zij de hooge daking van veel gebouwen en een
-torentje opsteken. Krauwel ging alleen de groote hofpoort binnen en
-de anderen legden hun vermoeide leden wat te rusten in 't lommer van
-de boomen. Zij vermieken hun gekwetste voeten en bedienden elkaar
-met de heelmiddels uit hunnen tweezak. Welhaast kwamen veel jongens
-en meisjes en vrouwen van de hofsteê om de pikkers te zien die van
-ver toegekomen waren. De boer kwam ook buiten mede met Krauwel. Een
-lange magere vent met zwarte kwade oogen. Hij sprak luide in een
-vreemde taal en deed barsche bewegingen met hoofd en armen.
-
---Dat is de overeenkomst die hij maakt met Krauwel, voor ons werk,
-zei Wies tegen Rik.
-
-De twee bleven op een afstand staan, en als, te langen laatste Krauwel
-bevestigend het hoofd knikte en ze elkaar een duchtigen slag in de
-hand gaven, naderden zij tot de makkers! De groote boer bezag al die
-werkers, sprak nog wat over den toestand van den oogst en de klaver,
-vertelde dat er over eenige weken een andere bende aangekomen was uit
-'t zelfde land, en dat die nu aan 't werken waren in de beeten. Dan
-keerde hij zonder ommezien weer naar zijn hof.
-
---Zoo makkers begon Krauwel, we zijn ingespannen! morgen slaan we
-den slag. Hij wist hun den loonprijs van hun arbeid uiteen te doen
-en de regeling van het werk.
-
---Hier deugt het niet te goed voor den oogst, jongens, we maaien hier
-enkel de klaver en trekken 't land in voor 't koornwerk.
-
-Een klein meisje kwam hun den weg wijzen waar ze gingen eten en slapen
-binst het verblijf.
-
-Het leidde hen achter de stalling, door de schuren en andere nauwe
-stegen, tusschen gebouwen en aangetrekken, naar een groot laaglang
-houten kot. Het meisje liet hen daar staan en vluchtte blij-lachend
-weg.
-
---Da's hier ons huis, gasten, zei Krauwel, elk kan hier vrij zijnen
-hoek kiezen en zijnen polk om te slapen en hem houden voor goed; we
-doen hier lijk de koeien op stal en als we ondereen vrede hebben zal
-er ons buitendien geen mensen komen storen. Nu halen we ons gerief
-strooiing uit de schuur en we maken ons bed op. De woonst was gauw
-gereed en het stroo open geschud; aan het hoofdeind van elk leger
-lagen de kleederen en de zak met gerief en alm. Dezen die vermoeid
-waren strekten zich maar seffens neer en ronkten. Anderen zetten zich
-vier en vier te kaarten of gingen buiten lanteren en rookten hun
-pijp. Krauwel met Sieper gingen naar 't boerhuis om wijn te koopen
-en brood; vleesch en aardappels zou men op 't hof voor hen koken en
-thuis brengen, zoo was 't afgesproken.
-
-Wies en Rik zaten in eenen hoek te praten over 't geen ze gezien
-hadden, en zij mieken ondereen gissingen over 't geen komen ging.
-
---'k Ben blij, Wies, dat we er zijn.--Wat was die weg lang en we zijn
-een wreed eind van huis af.
-
-Wies porde en tastte in zijnen zak achter zalf voor zijn gekwetste
-voeten.
-
---En moest er hier een van ons ziek worden? vroeg Rik weer.
-
---Ja, die blijft hier in 't kot liggen tot hij geneest of dood gaat, en
-Krauwel houdt hem het loon van de verloren werkuren af. Morgen zal 't
-er op los gaan jongen, hoe meer we werken hoe meer we winnen. "Slaapt
-als ge weer thuis zijt!" zal Krauwel zeggen. Verleden jaar hadden
-we drie maanden dat we lijfsgenadig wrochten zonder slapen bijkans,
-en dan hadden we vroeg gedaan ook: vóor kermiszondag waren we met
-ons zakken vol geld alweer thuis.
-
---Hoelang blijven we hier op d'hofsteê? vroeg Rik.
-
---Ho, hier is 't enkel klaver maaien, en we pikken verder den
-oogst.--Bij Quélin, daar zal 't een lang getij op 't zelfde gedoen
-zijn,--'t is een hofsteê meerder dan heel ons dorp; ge zult de oogen
-open zetten naar al dat koorn: zoo ver ge zien kunt al éen stuk zonder
-straat of wegel daarin, en de boer komt daar stormelings doorgereden
-te peerd als hij zien wil of we 't werk in geweten wel doen.
-
-Zoo keuvelden zij stil voort, halfluide en wat bevreemd nog in dat
-groot donker kot met naakte berdelen weegen.
-
-Het vat wijn en een mande vol brooden werden ingebracht en al
-de pikkers kwamen bij. Krauwel schonk hun een eerste proefteug,
-waarna zich iedereen voor goed te slapen legde. De deur van het kot
-bleef open om de koelte en door de opening sleepte een weifelachtige
-klaartestreep binnen over die reeks uitgestrekte menschen die gerust
-en onbekommerd lagen te ronken.
-
-Dien eersten nacht, zoo dicht bij het werk en onder dat gruwachtig
-dak, overdeed Rik met een treurig landwee; hij lag bij zich zelf rond
-te denken aan die verre dingen en hij overkeek in zijn angstigheid
-de kerels die ook hun huis verlaten hadden en toch zoo gewillig den
-slaap vonden. Hij lag heel alleen wakker, eenling in een onmeedoogende
-vreemde streek.--Thuis gaat het nu alles gewoon weg, en is er wel
-iemand op heel de wereld die om den armen Rik bekommerd is? dacht
-hij. O, had hij maar de zekerheid gehad te weten dat hier achter of
-rond dat akelig kot, zijn eigen huis stond en de mogelijkheid daar Lida
-of ware het nu maar moeder of een van zijn zusters, te ontmoeten! Maar
-'t was een volstrekte onbekendheid vol vreemde wezens die hem niet
-aan en gingen. Niemand spreekt hier van huis of van de zijnen, dacht
-Rik. Wies lacht met mij als ik van hen spreek en bij mij en wilt het
-dorp me uit den kop niet. Lida is buiten wete van mijn groote kwaal
-maar.... 'k zal heur eenen brief schrijven, dacht hij, op 't papier
-met heur praten en al zeggen wat er mij deert.
-
-De vermoeidheid kwam hem overmeesteren; hij schreef zijn droomen in een
-langen brief en daar achter 't open raam, bezoomd met druivenranken,
-zag hij hoe Lida's kijbig wezen blij lonkte bij 't lezen van zijn
-geschrift.
-
-Vroeg aan den dag werden de pikkers gewekt door overdanig gerammel en
-gerucht op het boerenhof met veel hanengeschreeuw en peerdengetrappel
-en geroep van knechten en meiden. De klaarte viel door 't open deurraam
-en buiten zagen zij de groote zon die opstak en glinsterde boven
-'t land. Zij moesten eene zeis gaan halen in de schuur en dan naar
-'t klaverland, heel de bende. De boer leidde hen achter den wal,
-bij een uitgestrekte vlakke zee van wiegende groen, bedauwpereld in
-rijke weligheid. Dat moesten zij afmaaien. Zij lieten eerst nog een
-stonde hun oogen gaan over de wijdte, bezagen elkaar en monkelden
-weltevreden om den schoonen arbeid waaraan ze beginnen zouden.--Dan
-onderzochten zij het alm, gingen op gelijken afstand in reken staan, en
-in die landelijke morgenstilte dreelden zij vlijtig den wetsteen over
-'t wreede staal dat 't scherregerrend kletsvijlde over heel de streek.
-
---Nu beginnen we, makkers! zei Krauwel die om te proeven den eersten
-slag met zijn zeis in de klaver sloeg.
-
---Allo, laat ze spelen, het voeder staat malsch en recht, 't snijdt
-lijk in de boter, 't is een plezier. Ze spogen in de handen en "zoef"
-alhier, aldaar langs heel de rei ging de ronk van 't staal en de lange
-klaver boog en viel effenaan plat tot aan den wortel afgeslagen. Met
-'t eerste ontbinden van hun krachten voelden zij een gezapig geweld
-in zich opkomen, een fierheid elkaar te zien: die lange rei mannen
-hoog uitstekend over 't groen, daar zoo zwierig staan zwaaien op hun
-lange beenen, half doorzwakt en met gelijken wrong het bovenlijf en
-de breede schouders keerend, rond uitsmijten hun armen en 't blinkend
-staal dat 't jonge groen omverre dreef eer ze 't raakten schier.--Een
-bende volk daar, die lijk krijgers met hun alm 't uitzicht van een
-groot land zou keeren!
-
-De zon stak hooger al en warmde duchtig, en nog altijd op denzelfden
-maatslag waagden de mannen op hun wijde beenen, en de slag ronkte
-zingend lijk een windruk die schoer over den grond en altijd nieuwe
-strepen kaal sneed. Daarbij galmde het in de puurijle vroege zonnelucht
-van blij getater en gezang: de vroolijke liedjes van thuis. Ze waren
-hier in hun vrijvreugdige doening en voelden 't genot de leden uit te
-laten zwieren en door hun vrijblijden kop gonsde het gezond jeugdig
-levenssap dat met den nieuwen zomer overal opschoot. Zij stonden daar
-sterk in hun eigen krachten, zonder zorg of kommernis of verlangen naar
-iets, genoeg en voldaan met hun eigen zelf en rijk in hun eigen spraak
-en gezang, overmachtig te midden die overweldige, vreemde menigte,
-zoover van hun huisland.
-
-Boele zong uit zijn forsche keel het goede maaierslied en ginder
-aan den overkant deed Sneyer al de kerels schaterlachen met zijn
-zotgeestige spotspreuken. Rik zelf vergat al het droomtriestige
-van gisteravond en hij werd meegesleept in de uitgelaten
-blijmoedigheid. Dat was iets dat hij nooit gevoeld of genoten had, die
-breede doening op het wijde land met al die makkers ondereen. En het
-werk ging vlug en vroolijk. Hij en Wies en nog andere van de jongsten,
-raapten het gemaaide groen in bundels, spreiden het met een handigen
-wrong open op den knie en de bundel stond, even een spits torentje
-aan den top met een herel toegebonden, te drogen in de zon.
-
-De maaiers stapten gestadig vooruit en sloegen eenbaarlijk; z'en
-keken noch naar uur noch tijd van uitscheiden, schaars éen die met
-de oogen den gang van de zon volgde in de lucht. 's Noens, als 't
-klokske bengelde op 't hof, lieten zij de zeis vallen en spoedden op
-een loopken naar hun kot. Daar vonden zij veel vleesch en de gekookte
-aardappels dampend en vervochten er met knappen tand hunnen grooten
-honger. Daarachter mochten zij een uur uitrusten tot Krauwel teeken gaf
-van herbeginnen. En weerom was 't maaien tot den avond toe en zoo voort
-veel dagen achtereen. Dan merkten zij eerst hoe hun staal in de klaver
-gebeten had: een groote kale vlakte die nu volzet stond met gedroogde
-gerzing als een slagveld vol kleine, ronde kapeltentjes. Maar vòor
-hen bleef het altijd dezelfde groene, wiegende zee zonder einde. Op
-'t laatst werden zij zich thuis te voelen en gewend op dat grootwijde
-land, alleen onder den hoogen hemel met de schoone zon; 't was of
-hadden ze ievers elders geen menschen meer of magen die wachtten naar
-hun weerreis. Z'en vroegen niet voor wie ze wrochten of en verlangden
-niet naar loon, het voldeed hun alleen dien vredigen slag te slaan
-met de groene klaver en ze voelden hoe goed het was gerust te leven
-bij elkaar. 's Avonds vooral kwam de leute boven; na den langen dag en
-waren zij nooit te moe of te afgemat en voelden nog krachten over voor
-'t spel. Daar stoeiden de jongsten lijk veulens over het geschoren
-veld tusschen de tentjes rond achter malkaar en mieken spartelbeende
-tuimelboomen om het vlugst. Rommelaere haalde dan zijn trekorgel uit
-en speelde al de kermisdeuntjes van 't dorp. Sieper, Boele en Sneyer
-en Wies met veel anderen zongen overluid de blijde liedjes mede. Als
-'t hun te plezierig werd grepen zij elkaar in de leden en dansten zot
-in de ronde. Tot ze moe en uitgeraasd zich afgelamd lieten neerzakken
-bij de oudsten die uitgestrekt te rusten hun pijpe rookten.
-
---Jongens, vermaande de oude Wiezeur, ge krijgt uw beste dagen eerst,
-de zonne zal gaan gloeien en laat ons maar de zeis mangelen met de
-pikke, ge zult de dansers zien hijgen! Maar de drieste kerels en lieten
-er hun leute niet voor en wachtten zonder vrees het voorspelde branden.
-
-Sedert de nachten verzoelden en sliepen de maaiers binnen hun kot
-niet meer, maar bleven buiten op 't veld uitgestrekt liggen slapen in
-'t hooi. Hooge boven hun hoofden zaten en pinkelden de sterren in
-den staalblauwen hemel,--die waren dezelfde van thuis op hun dorp
-en met die makkers konden zij vrij droomen bachten moeders schuur,
-in een zomermeerselken te slapen.
-
-Na veel dagen werken lag het groot klaverstuk plat en afgemaaid, maar
-de boer leidde hen op een ander, even groot, en daar mochten zij op een
-nieuw herbeginnen. De tijd keerde daar eentonig in zijn vereenzaming
-zonder afgewisseld te worden door den wekelijkschen blijdag waaraan
-de pikkers in hun land zoo gewend en verlangend waren. De zondag was
-hier ongekend, ze wrochten heel den tijd tot tegen den avond en dan
-kregen zij enkel den overschot van den dag om verzet te zoeken. En
-zij mieken er vrij gebruik van! Op een vlucht waren zij van 't veld
-naar hun kot en trokken er haastig hun beste vloeren broek en nieuwen
-blauwen kiel aan. De meesten gingen om 't grootste plezier en veel
-menschen te vinden, naar 't bijliggende dorp en deden er hun herte
-deugd aan veel wijn en luide liedjes.
-
---Waarom gaat-je niet meê met ons? vroeg Wies aan Rik, ge blijft hier
-alleen staan droomen als ge daar al dat verzet kunt hebben!
-
-Rik had liever geen zondag gezien, dan dacht hij altijd veel meer aan
-huis, voelde dubbele deernis in zijn beteuterd leven. Hij zag geern
-al de makkers vertrekken zonder belust te zijn naar hun verzet;--het
-beviel hem beter hier alleen rond te slenteren in de velden en op het
-hof. 't Werd er zoo stil dan en rustig overal rond dien tijd. Daar
-bleef hij soms staan lanterlullen onder eenen boom, speelde met een
-stroohalm in 't zand lijk de jongens, of stond met den schouder tegen
-den hoekmuur geleund te kijken naar de kiekens die hun laatste zaadjes
-zochten voor het slapen gaan.
-
-Hij ging geern de groote stallen af in heel hun lengte vol koeien en
-peerden. Daarna trantelde hij weer naar zijn kot gaan futteren in zijn
-zak daar er veel kleinigheden van huis in staken. De zinkende avondzon
-en al het goud en stofrood stemde hem altijd weemoedig. Hij dweepte met
-Lida en vond dat het nu goed zou zijn haar te schrijven. Hij haalde
-al het noodige uit en kwam in de klaarte zitten, buiten aan de deur
-van 't kot. Het papier lag over een planksken op zijne knieën en hij
-hield de potloodpenne gereed, maar hoe hij 't zou aanvangen het haar
-te zeggen al dat er daar binnen zat, en vond hij niet.
-
---Lida, ik ben hier alleen in den avond. We leven hier zoo een wonder
-leven. Zoo ver van u en van huis. Lida, gij zit thuis, alleen, onder
-den boom, in den avond. Op wien peinst ge nu? Ik zie u zitten alsof
-ik bij u zate. Zoo klaar uwe oogen en heel uw wezen. Schoone voor
-mij. Gij en gaat nooit uit mijn gedachten. Bij nachte ook niet. Dat ge
-wist hoe geern ik u zie. Ik en durfde het u nooit zeggen zoo bevreesd
-was ik dat gij mij stuur zoudt bekeken hebben en boos zijn op mij.
-
-Hij was nu werkelijk thuis en aan 't praten heel vertrouwelijk met
-zijn wonder meisje, en hij voelde als bij waarheid al de deugd er
-van over zich loopen. Zij zat daar stil te kijken, zoo vredevol met
-die goede deemstering tusschen haar en hem. Wat werd het nu overzalig
-aangenaam malkaar schaars te verkennen nog in die vallende donkerte. Nu
-en spraken zij geen woord meer maar ze verstonden zoo goed al wat
-ze te zeggen hadden. Geluk, geluk met een vrees, een angstigheid om
-'t eindeke dat er moest mede gedaan maken.
-
-'t Was grimzwarte avond reeds als hij opschoot en wist dat 't al
-leugens waren en zinnenbedrog? op zijn knieën lag het bladje wit
-papier en daar en stond nog geen letter op geschreven.
-
-De pikkers kwamen half bedronken thuis bij benden en zij bralden
-woest hun leute uit; zij vielen neêr op hun stroo en raasrulden nog
-wat bij hun eigen tot ze geweldig aan 't snorken gingen. Sneyer en
-Kretse waren gewond en bebloed; z'hadden, met nog twee pikkers uit een
-anderen ploeg, tegen een heele bende inlanders gevochten en gesteken.
-
---Zondag slaan we ze gruisdood, de spotters! we trekken er allemaal
-naartoe! Zij zeuren in 't spel en z'hebben daarbij mijn geld gestolen
-en mijn uurwerk, de deugnieten! vloekte Kretse. De roste dief! hij
-zal lang achter zijn hoofd zoeken, 'k heb er op getimmerd met mijn
-boothamer, lijk op een geblutste pikke!
-
---We gaan erop los met ons pikke, Zondag; met ons pikke,
-verdomme! hielp Sneyer.
-
-Zwijgen! beval Krauwel, Wies vertelde in 't stille aan Rik den toegang
-van het wreed gevecht. De dorpelingen waren beginnen spotten met de
-vreemde pikkers; dan hadden ze samen wat gespeeld, maar als Sneyer
-vond dat ze zeurden en stolen, dan waren ze opgebriescht en erop
-beginnen slaan en stampen: z'hadden met een halfdozijn pikkers heel
-'t dorp omver gestooten.
-
---Rik, 'k weet nog anders nieuws! 'k heb kennissen van tegen ons dorp
-gevonden, een grooten ploeg pikkers, die zijn oostwaards op gaan
-werken; voorzeker vinden wij ze bij 't overgaan naar boer Quélin's
-koornvelden. Rik, slaapt ge reeds?
-
---Ja, zei Rik, maar hij zinde altijd wat hij ging zetten in zijnen
-brief.
-
-Den volgenden zondag zat hij weer op zijn blad papier te dubben. Maar
-nu moest hij erdoor en hij vertelde in korte reken wat hij hier deed en
-hoe hij leefde en de groeten van Wies en 't nieuws aan moeder en dat
-'t met alleman wel ging, dat ze schoon weder hadden en niemand ziek
-en was. In den ondersten hoek kwam het half weggedoken--een klein
-woordeke maar--over zijn groote genegenheid. Lida zou wel vatten dat
-'t heel ernstig en groot bij hem was, maar dat hij zwijgen moest
-omdat elkendeen 't zou weten.
-
-Hij was niet tevreden over zijn brief, hij zou hem weeral scheuren
-ware 't niet dat hij vreesde den volgenden nog slechter te maken. Hij
-plooide hem in den omslag, sliep heel dien nacht bijkans niet van
-onrust en 's morgens voor den dag stond hij gereed om den peerdeknecht
-te spreken die den brief zou meêdragen en in de stad bestellen. Rik
-sprak schoon aan den kerel, gaf hem wat stuivers voor den vrachtkost
-en beval den brief toch wel zorg te dragen om hem niet te verliezen
-of te vergeten.
-
---Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier wel geborgen
-onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem recht naar
-'t posthuis, betaal er den stempel en hij is op weg!--Juu!
-
-De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den draai om,
-hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:
-
---Die simpele jongen! met zijnen brief! 't is zeker naar zijn meiske
-dat hij schrijft. Ware 't geen zonde Gods al dat geld te verteren
-aan dat papierken?!
-
-Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde hem tusschen
-de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.
-
---'k Zal wijn koopen met den jongen zijn stuivers, dacht hij, en hij
-verdronk het geld in een kroeg onder weg.
-
-Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde omdat Lida
-nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat hij
-zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren
-kostelijken glimlach.
-
-Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers een einde
-te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat 't laatste áf was.
-
---Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen in de vroegte uitzetten
-naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel tegen de twee pikkers, zeg
-hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn hof toe.
-
-'s Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met de boodschap.
-
-De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun werk af en heel
-'t ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes lijk een overgroot
-slagveld, op verren afstand gezien.
-
-De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, schonk hun
-menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en blijgemoed aan
-'t klappen gingen en boften met den boer als den besten van al de
-werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld dien hij deed
-reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch zoodat de
-halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en Krauwel en
-Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar zij wisten
-niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer schonk
-altijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde luide de zilverlingen,
-vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug te komen en of ze
-tevreden waren met de betaling.
-
-De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat en zei
-eindelijk:
-
---Ja, 't was sakkerbleu schoon geld, gauw, kerels strijkt ze maar
-op! elk zijn deel.
-
---Wilt ge nog eens hertellen?
-
---Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, w'hebben recht gewrocht,
-ge zult ons recht betalen.
-
-Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in een beurzeken
-dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren blij,
-de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten zij
-bedrogen te zijn.
-
---De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper als ze buitenkwamen,
-maar, voort, verdommelinge, w'hebben toch goed geld, 't is het eerste,
-we zullen er geluk mede hebben, 't is wel verdiend!
-
-Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien ze niet meer
-drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, door de
-dubbele dreef, naar 't zuiden. Zij zongen weer dat 't hellemde en
-stapten met goeden moed.
-
---We zullen niet ver te gaan hebben, meende Krauwel, zoo gauw ons
-mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens zenden.
-
-Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen zij twee
-groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden en
-luidde tierden.
-
-'t Waren nog dezelfde peerden en knechten van verleden jaar en de
-oude pikkers waren er blij om de vroegere kennissen te vinden.
-
-Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen kletsklakten
-in de lucht, de peerden stormden door 't stuivend zand en 't plezier
-begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de mannen zongen heftig
-mede,--'t was of reden zij in triomf naar een groot feest. De hemel
-zat zoo blauw en welfde wijd boven de goudkleisterende zon. Overal
-waar de pikkers de oogen wendden was 't éen gouden zee van wiegelend
-koorn: ze werden lijk dronken van de geweldige klaarte. Zij staken
-de armen wijd uit, lieten het hoofd geneugtig achterover vallen en
-wezen in de ronde als wilden zij het al overgrijpen.
-
---'t Moet áf, 't moet áf, al het koorn moet áf!
-
-Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel voldaan over
-zijn mannen.
-
-De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts een weg in,
-dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te zien.
-
-Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek altijd verder en hij
-meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg benauwdheid en gruwenis
-van dat koorn, die vredige goudstroostalen met die spelende halmen
-en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd vergeefs het einde
-zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem danig vreeselijk.
-
---Wies, hoe ver is 't nog?--Wies, waar voeren zij ons naar toe? we
-zullen hier nooit meer uit geraken.
-
-Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld, hij greep Rik bij 't lijf
-en danste rond op den wagen.
-
---Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt u weg, jongen,
-dan kunt ge de koeien wachten op d'hofsteê en niet pikken met ons,
-de kerels begekken u voor 'nen truntaard.
-
-Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, 't was Quélin's
-hofsteê! Ze reden de wijde poort binnen en kwamen op de opene plaats,
-omheind langs vier zijden met huis en stalling en schuren. Van veel
-kanten kwam er volk bij om de pikkers te groeten. Meest allen waren
-goed gekend op 't hof. Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal
-weergekeerd; de Boeles en Sneyer met verschillige anderen wel vier
-maal, van Wies was 't tweede jaar. Die wisten hier goed den weg en
-gingen zich gaan ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde
-strootent achter 't hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun
-bedding moesten zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en
-daar werden de groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en
-wijn zooveel ze drinken wilden.
-
---Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, w'hebben maar korten
-tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren moet de pikke spelen.
-
-Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden jaar, die hun
-wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk ze moesten
-beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.
-
-De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als 't voort goed weder
-blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben.
-
-Na het eten wandelden zij nog wat rond over 't hof. Hier voelden zij
-zich aanstonds thuis en vrij in die groote doening. Rik en bekwam niet
-van zijn verwondering, hij wandelde met Wies, en vroeg en taalde om
-uitleg van al die dingen.
-
---Dat volk en kent hier malkaar niet? 't is lijk een heele stad, Wies.
-
-Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe te slachten;
-ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den versten hoek
-wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk gespannen en bezig,
-zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten en meiden liepen
-in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm reden over 't
-hof door een krioeling van hennen en kiekens en zwijnen en huppelende
-kalvers. Wat een levende miereling en gewroetsel ondereen!
-
-Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een gedoen? En
-daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen die
-daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den openen
-zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende achting
-om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, en
-hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij meende
-te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover van
-huis kwam doodbeulen.
-
-Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien en gingen op
-hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in lang.
-
-'t Was volle nacht nog als zij weer op en recht stonden buiten de tent,
-heel werkveerdig in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die
-los om het lijf hing en hun breede borst en ronde armen bloot liet.
-
-Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en keek vragend in
-de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een vlijtige maan in
-'t groote bleekblauw boven hun hoofden.
-
---Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.
-
-Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en geen halmke van
-'t koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een krekel en verre blies
-een boschuil.
-
---We zijn hier heel alleen, zei Kretse.
-
---Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe zon, gekte Sneyer,
-zie-je daar heur poorte opengaan?
-
-Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook uit het oosten
-den hemel kleurde.
-
---Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een armvol koornstalen.
-
-Dat was het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor 't goed begin,
-spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen slag van de pikke en
-'t ruischen van 't koorn dat viel. De mannen stonden wijd bedeeld in
-een lange rei zoodat ze schaars elkander zien konden, elkeen gebogen
-over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig voort. De dag klom al over
-hunnen rug zonder dat ze opkeken of verademden. Stilaan kwam de zon
-die de uchtendnerschheid kwam opzuipen en welhaast begon de hitte op
-hun lijf te wegen. Met 't uitbersten van 't zweet voelden de pikkers
-eerst hun volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het
-hoofd recht hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij
-van hen afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden
-de armen door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn
-vliedend terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met
-een korten ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den
-grond ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier
-pooten aan 't wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en
-overgoten door het teisterende hittelicht van de zon--altijd vooruit:
-kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de pikke
-bot stond. Dan gingen zij aan 't kloppen met den hamer en klabetterden
-met den wetsteen over 't staal om met nieuwe snede te herbeginnen.
-
-Het bengelend noenklokje was het eenige verlossingsteeken. Dan sprongen
-zij op en liepen om het zeerst naar het hof dat daar ingelommerd
-rustte onder zijn groote boomen lijk de gelangde oase te midden een
-vuurwoestenij.--Ge moet tenden uw bekomste eten, raadde de werkbaas
-die daarbij stond.
-
-Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte goed en de
-drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde hier op
-'t hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als hij hun
-gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met hen
-te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte en
-verfrissching in den vischvijver. Zij dompelden naakt lijk de puiden
-op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen en bemorsd
-weer boven en ze loechen om de aardigheid.
-
-Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er dan heftig weer
-op los naar 't veld.
-
-Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land stond doorlaaid
-van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur loodrecht uit de lucht
-neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een bange beklemdheid
-als zij dien hoogen barm op moesten en aan strijd vallen tegen al
-die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en
-gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de
-oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres
-te meerderen in den dikken muur van stroostalen die daar manhoogde,
-en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef.
-
---Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg Sneyer om te gekken,
-nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in de Meerschblomme
-of te spartelen in 't Scheldewater thuis bij avonde?
-
-Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers aardigheid;--de
-zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo droog dat hun de
-adem achterwege bleef en 't zweet lekewijs uit het vel droop. Wie
-was de radelooze zot die nu met bier voor den dag kwam, dat lekker,
-koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de Meerschblomme,
-en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den hemel! Zie de
-jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen.
-
-Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den bodem niet meer
-onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van den dag niet en
-zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen sloegen altijd
-voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu en dan veegde
-hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de oogen en loerde
-links en rechts om te zien of er geen makkers nevens hem dood vielen.
-
---Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil aan Labbe die
-lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen zwaaide.
-
---Ja, regenen, jongen, 't kan hier vijf weken lang water gieten aan
-een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder uitscheiden, en dan kunnen
-wij liggen rekken in ons tente en al ons geld opeten. 't Weer is goed,
-knape, wat geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.
-
---Regenen, o, dat 't toch maar een dag regende! wenschte Rik; 'k en
-weet niet wat ik al geef om een druppel water uit de lucht of een
-wolklap vóor de zon!
-
-Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een hoongillende
-teistering.
-
-Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen moed daar
-hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van hitte, en
-te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en thuis
-en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord in
-een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust
-meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warm
-en lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den nacht door moesten
-zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat en verlamd dat
-'t hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf niet en begaven;
-hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en langde naar niets
-meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel en zot: slapen,
-slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers onder eenen
-euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, toch rusten
-mag!--dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij wilde evenals
-de anderen, sterk blijven.
-
---Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. Het scheen hem
-onmogelijk dat 't nu nog warmer kon worden. 's Nachts en kregen zij
-zelfs de deugddoende koelte niet meer; geen druppel dauw viel er nog
-uit de verpulverde lucht. Het was als een tijd zonder dagen: een lange
-eind gloeiende zonneschijn zonder avond of morgentroost. De donkerte
-en de sterren, die voortijds zoo goed het hittevuur kwamen blusschen,
-waren nu versulferd en de hemel sloeg open en toe, gescheurd door
-benauwelijke bliksemschichten. Voor dag en klaarte kwam de nieuwe
-hitte weer op zonder ievers trek of gat te vinden om uit te waaien
-en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in een gestookten oven. Wanneer
-komt er verlossing of koelte? of zullen we hier allemaal verbranden,
-mijn God! En nievers een einde of uitkomen. De pikkers bleven altijd
-ingesloten door die wreede omheining van koorn, 't werd of groeide
-het effenaan weer uit den grond naarmate zij het hier vóor hun voeten
-neerkapten.
-
-Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij vreesden dien
-machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort in de bange
-verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen aandoen.
-
-Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en overvallen van een
-groote flauwte. 's Avonds volgde hij traag de bende naar 't strookot
-en viel er onmachtig neer op zijn bed.
-
---Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het nog eens klaar en
-dag wordt! wenschte hij.
-
-Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer of 't slapen
-was of waken 't geen hij deed. Hij woonde weer op zijn dorp, maar
-durfde het niet gelooven.
-
-Hoe wonder: daar bij de linde stond hij te wachten naar Lida. Hij
-zag haar komen in 't wit, klare zonnelicht en speurde zoo duidelijk
-het neigen van heur leden en het wuiven van heur kleeren in haren
-tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de nieuwe lente;
-'t was er deugdelijk koel in het lommer onder de groene blâren.
-
-Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? Lida bleef
-hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat hij haar
-te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem soms
-trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die hem
-alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag en
-heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn
-arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzicht
-zóo dat hij heur voorhoofd tegen het zijne voelde leunen. Haar twee
-handen drukten zijn schouderblaars en hij neep de oogen toe omdat
-hij haar straven blik en al de goedheid ervan niet dragen of zwelgen
-kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde zijn leden; dat was de
-kostelijke teug water--hoe frisch--na dien langen dorstigen dag.
-
---Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien warmen zomer ging ik
-versmachten zonder u.
-
-Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij prevelde hem in
-het oor:
-
---Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat ge nooddorst leedt,
-ik wachtte u drinken te geven.
-
-Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet zich lui
-achterover leunen en kruiste de handen om haar opgestoken knie welke
-bevallig onder de plooien van haar kleeren uitlijnde. Ze waren gansch
-alleen, het zomerde buiten maar hier hing de zalige zoelte in de
-lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand in hun gezelschap
-gestoord te worden.
-
---Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we zullen hier lang
-blijven wonen.
-
-Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme die riep, maar:
-
---We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, he, Lida?
-
-Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol weemoed.
-
-Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit zijne oogen
-en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid vóor hem,
-Wies die schudde en schreeuwde:
-
---Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar 't veld. In 't eerste
-verschot, daar vlak vóor de werkelijkheid, ware hij liever dood geweest
-om te kunnen voortleven in zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig
-meê en volgde Wies. Hij voelde nog altijd de deugd en frischheid van
-dat groot geluk door zijn lijf en hoopte vandaag met meer gemak de
-hitte te dragen, verzekerd dat hij was van Lida's groote genegenheid
-voor hem. Het moest nu, volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn
-dat ze zijnen brief gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze
-had gemonkeld om zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:
-
---Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij meisjes niet:
-de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons; wij willen
-'t al of niets en 't eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.
-
---Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte Sieper.
-
-Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg er dapper mede
-om zijn achterblijven in te halen.
-
---Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze blekte zoo rood
-van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, kerels!--z'
-heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!
-
-Vlammende wit zat 't geluchte en daar tusschen de biggelende
-halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van
-gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den
-nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten.
-
---Nu zal 't eerst lustig worden, riep Sneyer. Ik en de zon! man voor
-man, t'avond zien we wie er wint en prijs heeft, laat ze maar steken,
-we kappen te harder!
-
-En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet slak. Zij
-voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en bijten op
-hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de pikke
-bliksemglimde bij 't op- en neergaan, slag op slag. Met 't groeien van
-de hitte ging er een razernij door hunne armen en ze hielden sterk de
-leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten de tanden en lieten
-het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer waagde Rik het hoofd
-te heffen maar hij schrikte voor 't geen zijn oogen zagen. De zon was
-de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker punt van den hemel,
-maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en
-vuur! 't regende geen hitte, 't waren net geteekende lekvlammen die
-woelden hooge en kwamen spelen tusschen 't koorn, om en nevens hem
-en over heel het afgeschoren land.
-
-De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij keek op heel de
-rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een schorre keel. Hun
-pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, maar de armen
-zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen om 't lijf.
-
---Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met mij gebeuren?!
-
-Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen en wrongen
-slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralen kletterend,
-machtig als feestvuur.
-
-Hij dook diep den kop in het koorn--dat, hoe wonderlijk, daar ongedeerd
-in de vlamme staan wiegen bleef.--Hij wist zelf niet meer of hij nog
-voortwrocht of sinds lang omver te rusten lag.
-
-De kerels hun lied klonk nog altijd even vereend en als hij weer opkeek
-zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met naakte beenen
-die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het schemerwankelde al
-in het ronde, doordaverd van den sterken wind met ratelende slagen
-soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo wonderlijk in
-dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend bliksemlicht
-doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar Krauwel om
-hulp en bescheid in zijn benauwdheid maar de makkers stonden op uren
-afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. De grond rende onder zijn
-voeten weg en zijn ooren scheurden van vreeselijk geruchte. Dat was
-het groote zonnefeest, de zomerdans, de wereld aan 't gruizelbotsen
-tegen de zon die daar grijpelijk dicht, het koorn ontvlamde.
-
-Rik wist dat 't met hem gedaan was; daar kwam een vuurspits op hem
-afkletsen en hij viel verdonderd achterover--dan, niets meer.
-
---Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.
-
---Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den jongen die buiten
-kennis lag te glariën naar de zon boven hem.
-
---Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen zonneslag.
-
-Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even kwalijk, maar
-hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem een teug wijn
-in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn keel en liep
-langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte borst.
-
---De jongen was niet bestand tegen de zon, meende Krauwel 'k heb
-het gevreesd.
-
-De pikkers werden op 't einde onverduldig; als zij zagen dat er geen
-verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en lieten Wies bij
-den zieken jongen.
-
---Rik, recht u; 't zal beteren! Rik hoort ge mij nog? Rik, doe toch
-eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw noodvriend; ge moogt hier
-niet doodgaan zoover van huis.
-
-Rik roerde niet.
-
-Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en angst; hij
-liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een koornstuik,
-legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield zitten
-wachten naar leven en beternis.
-
-Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden zoo moe en
-pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en al de
-leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.
-
---Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een groot verdriet
-in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels over zijn
-aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond tegen
-den jongen zijn oor.
-
---Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch 'nen keer! Zijne hand tastte
-op Rik's bloote borst en telde de slagen. En zoo bleef hij wachten
-naar hetgeen onvermijdelijk komen moest. Die slagen voelde hij van
-langerhand uitgaan en achterblijven, hij zag het koude zweet uit zijn
-wezen bersten en die oogen breken, en Rik lag daar uitgestrekt, de
-magere Rik, zie, zijn beenderige borst en zijn smalle schouders, en
-dat wollokkig kroezelhaar om dat wit hoofdeken, o, 't was zoo spijtig
-om den lieven jongen, om die oogen die daar seffens nog zoo zachte,
-lamzachte keken, hoe ze nu gebroken waren, en onziende.
-
-Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord van dat de
-jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te staan. Hij
-had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaap maar hij
-voelde vrees en een groote vereering voor 't geen nu een lijk was,
-en hij durfde den jongen niet aanraken. Hij keek rond om hulp. De
-makkers wrochten onversaagd voort, maar ginder in een werveling van
-stof kwam dweers door 't koorn, een ruiter aanstormen.
-
---Quélin, Quélin komt af! riepen de gasten. Zij bogen dieper den kop
-en wrochten zonder opzien. De groote Boer zat even een reus op zijn
-eendlijken appelbaaiden hengst en hij keek over het land naar het
-afgepikte koorn. Hij telde de werkers, bezag hun doening, draaide
-de oogen naar Wies die bij zijnen makker zat, en naderbij komende,
-zag hij dat de jongen dood was.
-
---Is dit uw broêr? vroeg hij.
-
---Mijn makker.
-
---Hier seffens gevallen?
-
---Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.
-
---Hoe heet de jongen?
-
---Rik Busschaert.
-
---Leeft zijn moeder nog?
-
---Ja, Boer!
-
-Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een woord te spreken.
-
-Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel wezenlijk dood nu,
-hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze op eenen goeden
-heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls begekt te hebben
-om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde wat een wreede
-ijlte er in zijn leven zou komen door 't missen van dien kleinen knaap
-die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen keek. Hij betastte
-nog eens--hopeloos alevenwel--die handen en voeten, maar alle leven
-was eruit.
-
-De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het lijk en Wies
-moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een wagenspan
-'t land opgereden met twee mannen; zij laadden den dooden Rik erop en
-reden naar 't pachthof. Al de pikkers volgden; hun bruingebrande en
-bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans niet. 't Was
-erger dan uit een slachting dat ze kwamen, halfnaakt, met bloote
-armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter den wagen.
-
---De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.
-
---Heb-je 't nog zoo warm geweten, Krotse?
-
---En wie zal de lustige mare doen aan den jongen zijne moeder! vroeg
-Rommelaere.
-
-Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek voorgoed.
-
-Twee timmerlieden van 't hof mieken een bloothouten kist, zij wonden
-Rik in een laken en legden hem erin. Dat gebeurde in de groote
-donkere schuur bij den sching van twee lantaarns en in bijzijn van al
-de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van de twee timmermans
-aanstaarden. Als 't gedaan was las de oude Tremmel drie Onze Vaders en
-de akten van Geloof, Hoop en Liefde;--al de bijstaanders antwoordden
-mommelend. Wies hield het niet meer uit,--hij dook zich in den
-donkersten hoek van de schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht
-en weende jammerlijk, huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend
-naar den jongen omzagen.
-
-In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in 't bijzijn van elkendeen;
-Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en met zijn alm werd alles
-ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de bewaking van eenieder.
-
-De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin om aan den Pastor
-en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed hij mede met den
-lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een vergelegen
-dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de sterren. De
-voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig door den
-stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met een
-blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na dien
-langen lijkgang, uit te komen in een andere wereld of ievers in een
-spookland zonder menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed
-om dat onverwachte ongeluk. "De jongen moest zoover komen om dood en
-zonder uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te worden!"
-
-Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp in. De voerman
-droeg Quélin's getuigbrief bij den burgemeester die zijn toestemming
-gaf Rik een plaats te geven bij de dooden. Daarmeê reden zij ter
-kerk. Zij moesten daar wachten voor eene gesloten deur tot op het
-laatst een pastor kwam die gebeden las over het lijk en nu werd
-Rik naar 't kerkhof gevoerd. Een oude grafmaker dolf daar onder de
-linden een diepen put en met hulp van den voerman liet hij de kist
-erin neerzinken.
-
-'t Was uit. De wagen rotterde gelicht van de vracht weer naar huis
-en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en op een dorp dat hij
-nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder spreken. Niemand
-die vroeg hoe 't met de begraving vergaan was.
-
---Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht hij.
-
-Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en de hemel
-gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.
-
---Ho! mannen, dáár is 't einde! riep groote Krauwel. Zij stonden allen
-op de teenen, reikhalzend over 't koorn te kijken waar ze zagen dat
-'t werkelijk uit was en een andere vrucht groeide.
-
-Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang verwachte
-voorteeken van eene levensredding en zij kapten te heftiger om
-aanstonds het einde te naken.
-
-Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en
-opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten
-arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze
-land lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de
-lengte; 't geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij hunne
-groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij dansten
-en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan kwamen zij af
-van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der uitgaande zon,
-heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten reuzen in
-aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken omhoog
-en tierden met volle kelen den overwinningskreet:
-
-
- Het koorn is af, het koorn is af!
- Al het koorn is af!
-
-
-In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote stukken vleesch op,
-schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt op het stroo in
-de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven de glazen hoog
-en zongen dat 't dreunde het zegelied:
-
-
- 't Koorn is af, 't koorn is af!
- Al het koorn is af!
-
-
-Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet meer en verkenden en
-machteloos en buiten zinnen in slaap verzonken.
-
-Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen enkelen keer:
-hij zat eenzaam te droomen in zijnen donkeren hoek en dacht aan Rik.
-
-'s Anderdaags wrochten zij op 't zelfde veld en tastten het afgedane
-koorn in groote schelven. De droge stuiken wierden verdregen,
-losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar ze in kringen
-gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, zwaar
-massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele dreef
-oogstkoorn die van 't veld tot aan de hofsteê stond. Het werk ging
-nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken spelen en de
-garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des avonds staakten
-zij weer bij tijden den arbeid en 's zondags namen zij lijk vroeger,
-hunne uren avondrust. De pikkers liepen de streek af, dansten op
-voois van Rommelaere's orgel of gingen bij benden naar 't dorp gaan
-drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de makkers
-gaan en bleef liefst alleen.
-
-Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk verlangen om
-thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid overviel hem
-in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan anders niets
-dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening verdroot hem,
-hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de menschen staken hem
-tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en vroegen naar zijn
-lijden niet. Het ging hem heel goed als ze 's zondags allen weg waren
-en hij de groote hofdoening verlaten en vrij voor zich alleen had. Dan
-slenterde hij rond op den drijf naar iets dat hij nievers vinden kon:
-iemand om mede te kouten over zijn verdriet en zijn verlangens;--maar
-Rik was weg en anders was er geen ziel om zijnen nood te klagen.
-
-Het groot hof, anders in zoo'n woelige bedrijvigheid, geleek nu een
-uitgestorven wereld en al dat leven lag nu vastgebonden in slaap. De
-beesten loeiden meumelend halfluide op stal en de peerden trokken
-gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en daar in de verte
-ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor zich zijn werk
-deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer toe. De avond
-viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies voelde zich
-van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend langs
-de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in
-zijn eenzaamheid. Daar lag hij te glariën in 't donkere. Een langen
-tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn gedachten aan 't
-vermeien waren met moeders keukengerief en te genieten van verledene
-winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij nevens in een bijliggende
-schuur, een oude schorre stem die trage neuriede:
-
-
- Als de de zurkel schiet, 't is in de maand van Meie.
- Schieten al de boerkens in een grooten lach.
- Weg den hutsepot, karoten en pareie;
- De gestampte taatjes komen voor den dag.
- En als de pot weer overgaat,
- Haalt de boer den stamper uit,
- En als hij aan het stampen gaat
- Dan zingt hij overluid:
- Van de rompel de pompel de pom.
- . . . . . . . . . . . . .
-
-
-Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn herte klopte en
-daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het vreemde land
-getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle's heerdvuur aan den
-koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest het nu zwart
-donker zijn en fel winteren,--de goede winter!
-
-Die stem was heel grof, 't was het stil grommelen van een ouden vent
-die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit liedje en klonk hem
-zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij stil mede om er al
-de deugd van te hebben, en hij twijfelde of 't toch echt gezongen
-was en niet gedroomd.
-
-Het ging alsaan voort:
-
-
- Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,
- En op iederen hoek een groote stuit voor elk,
- En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,
- Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,
- En iedereen doet zijn buiksken wel,
- Zeven schepkens meer of min
- Daarvan maken zij geen spel
- En dat gaat er zachtjes in.
- Van de rompel de pompel de pom....
- . . . . . . . . . . . . .
-
-
-Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van huis, meende Wies, maar
-wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong ijlings recht, verlangde
-dien vent te zien en vanbij zijn liedje te hooren. Hij sloop omzichtig
-uit de schuur en naderde waar hij meende den zanger te vinden.--Ja,
-'t was in de haverschuur, hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de
-houten deurklink, stak zijn hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg,
-maar hoog op den dilte, hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:
-
---Waarom bleef-je weer zoolang weg?
-
-En een meisjesstem die verlegen antwoordde:
-
---'k Heb nu pas gedaan met 't stalwerk.
-
-Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te dralen in het
-donker; 't moet een onbekende pikker zijn die hier zijn slaapsteê
-zoekt, dacht Wies,--maar wie mag er bij hem zijn? 'k Wil toch
-weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad binnen, tastte in 't
-schemerdonker naar de ladder en met drie terden t'eenegader klouterde
-hij den havertas op. Een brandende lantaarn hing er aan een dakrib
-en in den rooden schijn daarvan zag hij, even een wonderheid uit
-een kindervertelsel: een leelijken ouden vent rechtover een mooi,
-mager meisje, die samen met de kaart speelden. Zij waren alle twee
-verslonden zoodat Wies gerust kijken kon zonder dat z'het wisten: het
-spel ging gestadig voort en zij kappelden, deelden en legden de kaarten
-zonder spreken. Dat meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen
-te verpaffen van benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in
-'t hooi en heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig
-bezig in zijn kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.
-
-Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of 't best was
-voorzichtig naar zijnen stroopolk te gaan of hooger opklimmen en dien
-vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de zurkel was hij heel
-vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder besluit toen eene beweging
-van zijnen arm het stroo deed ritselen. De beide kaartspelers wendden
-het hoofd en als zij Wies gezien hadden deden zij ongestoord met hun
-spel voort, zonder nog verder naar hem om te zien. Nu klom hij gerust
-boven, zette zich nevens hen te kijken, kwansuis met belangstelling
-voor wie de winst was.
-
---Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in den nacht, peinsde
-Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg voor die zeldzame
-doening,--bescheed durfde hij niet vragen.
-
-De oude zat op de knieën in 't stroo met een loshangend hemd aan dat
-open splette op de borst en de mouwen opgerold. De lantaarn lichtte
-en schauwde de diepe trekken van zijn hoekig wezen en glom over zijn
-naakten schedel. Zijn slimme oogen staken in twee zwarte holten onder
-stoppelharige wenkbrauwen en zij volgden nieuwsgierig elke kaart die
-uitkwam. Zijn spel hield hij vast gesloten in de vereelte handen die
-beefden en hij stak en herstak al dubbend tot hij er eindelijk éene
-uitgreep, die hij met den knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit
-wierp. Dan bleef hij met angstige verwondering zitten zien wat er op
-zou vallen en zijn wezen klaarde of vertrok naarmate hij niet of al
-tevreden was van 't spel. 't Geluk bleef voor 't meisje en 't kind
-scheen er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote,
-blauwe oogen verlegen naar den oude op als om verschooning: dat 't
-niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het verlies;
-zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het plankje die
-hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al gramstoriger
-als hij weer slechte kaarten kreeg.
-
-Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht in zijn eigen:
-noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij niet goed zeggen
-wat er wel aardigs aan was.
-
-De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met donker
-haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over het
-voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken,
-dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel.
-
-Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en rein,--lijk bij kleine
-jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom, meende hij.... of de goedheid
-zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel toegaf om den oude ook eens te
-laten winnen; 't geen hem monkelen deed zoodat zijn dunne lippen over
-den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes
-loensch op als ze 't niet merkte en zijn bevende hand foefelde met
-een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de
-kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat
-hij er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook.
-
-Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig uiteen.
-
---'t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij kunt gaan slapen.
-
-'t Meisje raapte 't spel op, trok de beenen recht, en ging zonder
-spreken.
-
---Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij zocht naar woorden om
-met den oude in den klap te geraken. Daar viel hem dat liedje weer in.
-
-De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn arm eindelijk
-opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies het:
-
---Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers misschien? Ik heb
-gehoord hoe ge ons liedjes zingt.
-
-De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd op naar den
-jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de hurken zinken.
-
---Kent ge Sjob Subbel?--zijt ge hier komen pikken?--Ik ben een oude
-pikker. Van waar zijt ge?
-
-Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de Schelde.
-
---Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob Subbel, en hij
-noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die Wies heel
-goed kende.
-
---Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht Wies.
-
---Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een jonge pikker! ha,
-ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben ook jong geweest,
-en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als Subbel dan zult ge
-kunnen meêpraten en uw mollige handjes zullen verweerd en zwart zijn,
-mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn lippen spletten wijd open
-over zijn zwarte mondholte.
-
---Veertig zomers, jongen, heb ik hier in den oogst gewrocht, maar nu is
-'t uit, de knoken zijn stram en dat gaat niet meer.
-
---Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien vent in zijn wezen,
-dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en gereuveld was, en die
-knuistige armen en handen waar de aders en pezen lijk zwarte koorden
-uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden zoo machtig veel
-arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en genegenheid voor
-den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een lammeling vóor
-hem zat.
-
---Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg hij.
-
---Ho, 'k ben hier ook thuis; ik wacht hier de schapen, lachte Sjob. Men
-kan overal wel zijn waar men 't wel maakt. In den tijde verlangde en
-haakte ik om weer te keeren telkens de boel hier áf was, maar da's
-allemaal zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven.
-
---En dat meisje, waarmeê ge hier kaartspeelt? waagde Wies verlegen.
-
---Ha! da's mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies keek dom op en verstond
-niet.
-
---Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je weten: een wroeter.--Kent
-ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we kweekten elf jongens, elf
-jongens die aten lijk wolven en toch bleven ze altijd even mager. Sjob
-moest het ook al bijsleuren en 't waren geen vette brokken, hoor. Met
-werken alleen ging het niet: 's winters moesten ze wel soms de duimen
-zuigen en hout knabbelen om den honger te paaien;--maar 's zomers was
-'t goed, de jongens scharrelden wat bij op 't land en ik reisde uit
-gaan pikken om de groote daghuur: Mele moest dan alleen het nest
-bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan viel er wat overschot voor
-een pot schuimend bier! 't Was heel hard gewonnen en gauw verteerd,
-maar daarom en waren ze mij thuis niet dankelijk; de jongens staken
-den muil op naar vader, en Mele had bij mijn wegzijn kennis gehouden
-met Koolie den boomsnoeier,--dat wist ik van de gebuurs--en als ik
-het waar vond wat ze mij zegden, ben ik in toorn geschoten, heb haar
-duchtig gestampt om haar zondig begaan en ben zonder spreken voor goed
-naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn vertelsel uit was, reikte naar
-de lantaarn en stond recht, maar eer te vertrekken grommelde hij:
-
---Dan heb ik gekennist met een nieuw wijf, hier in 't hof--en die is
-dood en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in
-mijn eenigheid.
-
-Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag alleen in
-'t donker te zinnen over al het onverwachte dat even een spookzeisel
-door zijn hoofd speelde.
-
-'s Anderendaags bij 't werk, vervolgden hem gedurig die twee wezens
-van den donkeren haverdilte, en over 't hof lonkte hij benieuwd rond
-om ievers die wondere Aga te zien. Bij schofttijd doorliep hij de
-stallen en hoving en keuken overal waar hij meende meiden te kunnen
-ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte. Als 't donker werd
-sloop hij weer naar de schuur en klom op den havertas,--daar ook
-was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het heel laat werd en nog
-moest hij naar zijn strootent zonder Sjob of Aga te zien. Zoo kwam
-hij veel avonden kijken, maar de kaartspelers waren voor goed weg. Op
-'t einde ging hij 's avonds in de andere schuren zoeken en 't gelukte
-dat hij hen vond zitten op eenen hooitas achter 't hof.
-
---Zie, Aga, da's een jongen uit mijne streek, zegde Sjob.
-
-Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze voort met haar
-spel zonder iets te zeggen.
-
-Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld aandeed om
-kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de kaarten met
-groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij eene rei
-schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur arm
-pakje losdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat op haar borst
-gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob gretig opsnapte
-en wegborg. In 't vervolg verloor Aga gestadig en het meisje telde al
-heur centen voor den oude uit. Op 't laatst werd zij te beven over
-heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en smeekend naar Sjob
-die er niets af merkte en altijd maar met blij geweld zijn gelukkige
-kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden met Aga en zou
-haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde heur vader
-te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen. Dien avond
-speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en 's morgens eerst
-gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag. Hij vroeg aan de
-pikkers naar uitleg over Sjob Subbel maar de kerels die hem kenden,
-haalden misachtend de schouders en mommelden op al zijn vragen:
-
---Wel Subbel is een oude dronkaard.
-
-Van Aga durfde Wies hun niet spreken.
-
-Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en stonden weldra in
-zware, ronde strootorens, machtig, groot, in vierdubbele rei gedreefd
-van 't veld tot aan de hofstede toe, elk met een meitak in top.
-
-Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob of zijn
-dochter nievers meer kaarten 's avonds. Binst het werk zag hij Aga
-twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over 't hof ging,
-maar hij kon er niet bij geraken.
-
---Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden, besloot hij
-eindelijk, en bleef bij de makkers en dacht aan de zaak niet meer.
-
---'t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de pikkers, we kunnen al
-stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp weerzien dees jaar.
-
-Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht hen in de
-groote kamer bij Quélin en daar kwamen de groote gasten aan eene
-tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer drukte hen éen
-voor éen de hand lijk oude vrienden en wenschte hen geluk en blijde
-thuiskomst met hun geld.
-
-Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als verblijde jongens
-naar buiten vlug over 't hof, staken de armen in de lucht en gingen
-welgemoed aan 't poetsen van kleeren en alm. Zij zetten zich neer,
-bijeen, in hunne tent en telden de groote zilverstukken in den schoot,
-lieten ze rinkelend door de handen glijden en bespraken onder malkaar
-wat ze met al hun geld zouden koopen thuis.
-
-Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren broek en
-blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan vieren
-naar 't dorp. Ze zouden eerst 's anderendaags in de vroegte vertrekken.
-
-Wies wilde nu ook van 't verzet en hij trok welgezind mede met de
-bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te worden: als de zon
-weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat overweldigde hem van
-vreugde. Onderweg zong en loech hij met de vrienden.
-
-'t Was maar zelden--tusschen eene vlaag van genot--dat hij het wee
-voelde om den armen Rik en de herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om
-die twee dingen zou het hem wel spijten hier weg te gaan;--maar
-Rommelaere's orgel trok weer lustig en de pikkers waren verheugd
-van zin: leve de goede wijn! de leute droegen zij in groote, ronde
-zilverpenningen op het hert.
-
---Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo dachten zij. Al de
-kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis met andere pikkers
-die ook den aftocht vierden, zongen overal hun liedjes en hieven de
-glazen hoog. Al de menschen waren hun goede vrienden.
-
---Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest meedrinken op hunne
-gezondheid.
-
---Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de schuld?! Daar is geld,
-moet g'er nog meer hebben? Rijker dan de koning zijn we! en we laten
-'t rollen!
-
-
- 't Koorn is af! 't koorn is af!
- Al het koorn is af!
-
-
-De huizen begonnen te draaien in de straten waar zij doorgingen
-en al de menschen die voorbij kwamen hadden den waggelstap. 't Was
-donkernacht als z'er aan dachten naar 't hof te keeren.
-
-Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd wellustig
-achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de zware
-schoenen om de straatsteenen te gruizelen.
-
-
- Wij zijn gezworen kameraden....
- . . . . . . . . . . . . .
-
-
-zongen zij hier in een bende;
-
-
- Jongens jongens, jongens,
- We zijn nog niet dood,
- bijlange nog niet dood,
- 't en is geen nood,
- Ja, we zijn nog niet dood!
-
-
-ging het verder; en ginder in een ander straat, de achterblijvers:
-
-
- 't Koorn is af, 't koorn is àf!
- Al het koorn is àf!
-
-
-en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van Rommelaere's
-trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee en vielen er
-vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen schreeuwden nog wat
-en als 't uit was, woelden zij met armen en beenen tot de slaap hen
-kwam overmeesteren.
-
---De laatste nacht hier in 't donker kot, in 't vreemde land! morgen
-opweg, overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan
-raasden er nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond
-en dan dommelde hij weg in foezelzwarten nacht.
-
-De groote stilte hing weer over 't hof en 't wijde land rondom en
-alle dingen sliepen.
-
-Dat leed vrij lang toen Wies aan 't droomen ging: hij lag wakker met de
-oogen open en luisterde naar lichte stappen die naderden. Hij ontgaf
-het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen in 't stroo aan zijn
-voeteind en dan trok hij de moede wimpers open om te kijken. En--ja,
-daar lichtte een klein keersvlammeken bij de tentedeur. Hij betastte
-zijn lijf om te weten of hij wel droomde, hij greep in 't stroo onder
-zich maar kon het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag
-hij Aga die een lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te
-kijken. Zij overging heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond,
-zette zij zich gehurkt bij hem neder. Hij was te moede en te lam
-om dat wonderlijk of vreemd te vinden en hij liet alles maar vrij
-geworden omdat 't allemaal zotte droomerijen waren, zoo dacht hij.
-
-Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde:
-
-Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den nacht
-nog,--seffens komen er mannen al uw geld stelen, 'k Heb de dieven
-afgeluisterd in vaders hooischuur.
-
-Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de duisternis. Wies keek
-hoe het lanteernlichtje slingerde tegen 't zwartsel van Aga's kleeren.
-
-Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar te houden
-aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop met
-geweld naar beneden duwde. Op 't einde begon hij te twijfelen aan
-'t gebeurde, 't dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem van dieven
-sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de machtige stilte
-toen alles dood en begraven lag in slaap.
-
-Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij doezelend naar
-zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in een put dien
-hij met de nagels in het zand klauwde.
-
---De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, 't is donker, dat werd
-zoo dom, en zijn zinnen voeren weg in de opperste rust.
-
-Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een grooten schreeuw. Een
-kerel trapte hem op de beenen en door heel de tent was er groot gewoel
-en geraas. De pikkers vloekten en vochten in 't donker.
-
---Ei, 'k ben mijn geld gestolen! riep er een.
-
---Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af!
-
---Slaat dood!
-
-De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal. De worsteling
-woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk vluchtte en
-riep om hulp.
-
---Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten! tierde Boele. Ik houd
-er één, kerels, en hij gaat niet levend uit mijne handen!
-
---Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het in gruis
-sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in 't opene
-aangezicht.
-
-Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte hielp hen
-ongemerkt wegvluchten.
-
---'k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei, makkers, hulpe, ze
-vermoorden ons!
-
-Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen overeen op den
-grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen en stampten waar
-'t raken wilde en kwetsten elkaar zonder weten.
-
---Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen leeren!
-
---Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede in de leden.
-
---Maar, sakker, nijp me niet dood, kermde Sneyer, 't is God van den
-hemel, mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers
-lagen ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede.
-
-Als 't klaar werd zaten ze daar, geblutst en bebloed, in de vuisten
-te bijten van gramschap zonder speur van een enkelen roover.
-
---Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere.
-
---Ik ook, ik ook, riepen anderen.
-
-Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op d'hofsteê,
-maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren; Quélin was vroeg
-uitgereden en de meesterknecht wist niets om hen te troosten.
-
---Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld hadt, wend u tot
-de overheid van 't dorp.
-
-De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun vuist in 't wezen
-slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande hen braaf te zijn: omdat
-we hier alleene zonder verweer staan tegen heel het hof, raadde hij.
-
-Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken halen uit de
-tent om aanstonds te vertrekken.
-
-Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder 't zand terug en de jongen
-wandelde zwaarmoedig over 't hof. Hij lanterde tusschen stalling en
-schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand te vinden.
-
---Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan. Sedert de
-gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot nog eens
-te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde hem al
-heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond op dien langen, dunnen
-hals, en heur lijf zoo recht gedragen, halfuitgegroeid nog en slank
-in heur korte kleeren, en die kinderoogen. die zoo vaag in de verte
-keken. Hij dook zich achter den huisgevel en wachtte daar geduldig tot
-hij haar zou zien uitkomen. 't Was een gedurig over en weer geloop
-van meiden op de hooge steenen stoep, zij droegen de koperen ketels
-vol dampwarme melk binnen en kwamen weer buiten met ander gerief.
-
-En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij zag hoe zij
-traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de handen op den
-rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo naderde zij
-met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg was, sloop
-Wies achter de stallen, hij hief het loshangend hekkenpoortje open,
-loerde tusschen de boomlanen en vond haar in 't grasweidje onder de
-hazelaars. Ze zat op de knieën gehurkt en blies de bloeiwol van een
-melkwiedstaal, lijk de jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te
-leven hebben. Wies bleef haar bezien zonder te durven naderen. Zij
-zal wegvluchten, vreesde hij, als ze mij ziet.
-
-En ze zat daar zoo schoon dat 't hem in lang nog niet verdroten zou
-hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij 't best zou beleggen
-om haar schuchterheid niet te vervaren.
-
-Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had:
-
---Aga, fluisterde hij.
-
-Ze wendde het hoofd, en bleef zitten.
-
-Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen en eindelijk:
-
---Aga, zegde hij nog eens.
-
-Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop heel kaal in
-de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend naar Wies wat
-hij haar mocht te zeggen hebben.
-
---Aga, g'hebt mij gister komen vermanen voor de dieven, da's heel goed,
-zegde hij ingehouden, maar 'k was zoo moe en slaperig en 'k meende dat
-'t in een goeden droom was als ge tot mij kwaamt.
-
-Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde lippen open en:
-
---Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij, vertel me daar
-iets van? en zij liet zich om goed te luisteren, gemakkelijk op het
-gras neerzinken.
-
-Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een onzeggelijke welligheid
-door zijn hert en hij jubelde inwendig om haar goedwillend vragen. Hij
-vertelde van zijn huis en de Schelde en de groote meerschen, en van
-moeder en van Lida zijn zuster en van de boeren ginder en 't goede
-wintertij en van Rik zijn besten vriend--die nu dood is, besloot
-hij triestig en hij merkte hoe 't meisje hem aan de lippen hing en
-gezucht had om zijn laatste zeggen. Hij moest haar alles vertellen
-over den jongen die de zon hier vermoord had.
-
---Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga.
-
---Ja zeker.
-
---En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog zusters? en Lida,
-ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar huis komt?
-
---Zeker, herzei Wies.
-
---En nu komt hij niet naar huis, en ge zult hun al dat kwade nieuws
-vermonden?
-
-Wies zweeg, en zij ook.
-
-Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven; dat ze hier
-alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over dat groot hof
-liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen wachtte. Ze
-noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van elk in
-'t bijzonder veel en wondere dingen te vertellen.
-
---Waarom gaat ge zoo 's nachts bij uw vader zitten? vroeg Wies.
-
---Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en 's avonds speelt hij
-geern met de kaart.
-
---Doet ge dat ook geern, Aga?
-
---Om vaders wil, ja.
-
---En om wat speelt ge?
-
---Om geld.
-
---En vader wint altijd?
-
---Ik laat hem geern winnen.
-
---En als gij verliest?
-
---Dan betaal ik,--met mijn huurgeld.
-
---En als uw vader verliest?
-
---Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan hou' ik de winste
-schuldig tot ik weer verlies.
-
---En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te betalen?
-
---Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo scheld ik vader
-kwijt,--ik durf hem niet slaan,--maar als ik verlies slaat hij
-me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden, zegt hij,
-en altijd voor dulsten spelen.
-
---En wat doet uw vader met dat geld?
-
-Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het meisje vertelde
-hem verder van zijn moeder en van Quélin en van eenen kwaden koewachter
-die haar veel deed lijden en die alles doen dorst omdat hij haar te
-sterk was.
-
-Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang uitgekout was. Er
-ging eene groote verontweerdiging in hem op om de schandige doenwijze
-van Subbel en hij voelde meêlijden met het arm schaap dat daar in zoo
-'n schamele weerloosheid vóor hem zat.
-
-Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de geldbeurs van zijn hals
-en liet er eenige zilvermunt rinkelend in Aga's schoot regenen. Dan
-stormde hij weg, zonder ommezien, als een kwaaddoener. Hij jubelde
-om de daad die hij begaan had. "Nu kan zij toch lang verliezen zonder
-dulsten te krijgen van haar vader," dacht hij.
-
---Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in zijn loopen, die dat
-meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en dat verdrinkt hij
-effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig meêlijden.
-
---Indien 't de makkers moesten weten! en waarom hou ik me op met een
-kinderkous! Maar 't was nu gedaan en hij was er blij om.
-
-De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder malkaar.
-
---Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar vertel van mijn geld
-dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een zwijntje koopen om
-te winter vleesch te hebben.
-
---Ik ben slechter, kermde Sneyer, 't is heel mijne huishuur die gaan
-vliegen is; Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat
-te gooien!
-
-Pinne zat g'hertig te lachen om al dat gekerm:
-
---Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens!
-
---En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen! Waarmee gaat gij
-uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te trouwen?
-
---G'ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen niemendal en we trouwen
-algelijk!
-
---Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen? wat gaan we
-doen?--we kunnen niet zonder geld naar huis keeren. Willen we een
-getij in de beeten gaan werken?
-
-De andere staken den neus op.
-
---Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom moeten we allen op de
-kermis te laat komen! zei er een.
-
---'t Mijne hebben ze niet gevonden, de rakkers, bofte Boele, z'hadden
-me anders de armen moeten afkappen; mijn geld draag ik onder de
-oksels! ha! ha!
-
---Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort, jongens, om de vijf
-kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet hondig zijn, hoor! Hij
-greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te midden de bende. Van
-alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en seffens was er genoeg
-om de bestolenen rijkelijk in te staan.
-
---Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan elk het vijfde van
-zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van den boer zijn
-brood en dan zijn we er van onder. Grijpt toe, makkers!
-
-Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol met 't overschot
-en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp in hun reiszak voor
-onder weg.
-
-Heel de bende trok door de hofsteê; eenigen tierden en dreigden naar
-de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of laten bestelen had;--de
-anderen dachten aan niets en zongen luide hun blijdschap uit omdat
-ze hier gedaan hadden en naar huis keerden. Zij schouderschokten in
-'t voorbijgaan langs den opgestapelden oogst, deden hun gevoeg tegen
-de groote schelven en zwaaiden de pik op den rug bij hun zwaren zak. Nu
-waren zij de breede straat op, in benden gedeeld elk bij zijn makkers,
-en ze koutten luide en leutig over den harden zomer en van al wat ze
-verlangden weer te zien.
-
-Wies was de laatste en keek gedurig om naar de hofsteê. Al wenschte
-hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu gevoelde hij dat hier entwat
-achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd zou doen wenden, en waar hij
-later veel met zijn gedachten zou naar terugkeeren. Omdat hij 't moest
-verlaten kreeg het machtig koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid
-en hij herdacht het kerkje ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu
-liggen bleef als ze allen, zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik
-zou anders nu meê zijn in den blijden gang.... maar de zon,--en dat
-kisten in het wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft
-te kijken naar den vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp.
-
---'k En zal haar nooit meer zien, dacht hij.
-
-De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd voorwaards,
-al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid had hun leden
-gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom arme sukkelaars,
-weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte bane uitgeschud.
-
-Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en gingen met
-uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al het afgedane
-werk in het lijf en de verwachting van nog veel vermoeienis eer ze
-voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en deerde hen niet meer,
-'t was feesttij nu ze de armen vrij mochten laten zwieren, enkel hun
-rustend alm te dragen hadden en met de beenen maar grijpen moesten.
-
-Daar kwamen zij weer in de groote stad en 't was eene nieuwe verhemming
-en vreugde. Ze slenterden door de straten, kiezend met de oogen in
-al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en koopziende achter de
-toogramen lag.
-
-Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de hand, dat
-hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en dongen
-bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed en
-glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een
-welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in
-den blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid
-op den rug.
-
-Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere straten kwamen
-nog benden pikkers die meer naar oost of west van 't werk naar huis
-keerden. Zoo groeide de drom tot een overgroot leger en zoo kortten
-zij, gezellig koutend onder elkaar, te zamen denzelfden weg. Achter
-een langen tijd landlooperije werd de oude streek weer kennelijk:
-zij noemden bij den naam van 't dorp al de kerktorens die langs de
-bane en verder in het landschap stonden.
-
-Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun zelfde
-aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, onveranderd
-van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het kennelijk
-teeken, het lijf van het vaderland, nu was 't hun land dat ze onder de
-voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, waar 't altijd
-reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden de menschen nu hier
-en daar langs den weg en wisselden blijde groeten, en zij telden bij
-enkele dagreizen den tijd dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de
-plaatse naderden klaarde hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes
-aan. Wies ook zong meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last
-van de droefmare die hij te vermonden had.
-
---Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk eenen boer! tierden
-zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in 't voorjaar?
-
-De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, overal omheind
-met groote boomen--de oude popeliers! en hier en ginder vonden zij
-kennissen op 't land die, met de late warmte nu maar hun koornstukje
-aan 't pikken waren.
-
-Aan elke kruisstraat sloeg een deel van de bende een zijweg in en
-ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde stilaan de groote
-stoet tot de oude makkers alleen nog te gare bleven.
-
-Een groote zegeschreeuw ging op.
-
---Zie, dáar onze kerktoren!
-
-De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten hadden, met
-scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen tegeneen gedromd,
-in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was gepint met den
-grooten meitak voor de kermis.
-
-Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in 't land! De
-vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen verslaafd op zoek om man
-of broeder of kennis te ontmoeten en te verwelkomen. Maar de kerels
-zaten verdeeld in de herbergen, overal: hier in de "Meerschblomme,"
-in den "Koekoek", in de "Veugelmuite" of elders.
-
-Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in 't loeiende
-vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel brandewijn, en
-nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd hadden, lijk een
-goede lafenis door de keel.
-
-
- Jongens, jongens, jongens,
- We zijn nog niet dood.
- Ja 't en is geen nood,
- Bijlange nog niet dood!
-
-
-ging het overal, en bij reken liepen de kerels gearmd door de straten
-van 't eene bierhuis naar 't andere. Het kleine dorp, even nog zoo
-rustig, was nu vol gewoel en beweging en leven.
-
-
- Waar kan men beter zijn
- . . . . . . . . . . . . .
- Dan in ons moeders keuken!
-
-
-Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te laten hooren.
-
-Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong te midden
-den huisvloer.
-
---Moeder, moeder, 'k ben hier!
-
-Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe en tenden,
-op eenen stoel.
-
-Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies wel tien
-keeren welkom.
-
---O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg moeder en zij
-sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, Lida, eten voor
-den jongen.
-
-Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en eiers geklutst.
-
-Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken die hem zoo
-verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en begon te
-eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede moeder
-hem overlaadde.
-
-Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde niets en hield het
-hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al de kleinigheden
-uit die heur broeder voor moeder en zuster meêbracht. En zij gebaarde
-zich welgezind als 't een of 't ander buitengewoon beviel.
-
---Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis zijt, zoo
-onverwachts, zegde moeder, o, da's wel, en ze bekeek met behagen
-heuren grooten jongen.
-
---En de oogst was goed?--en warm was 't zeker ginder? O, w'hebben
-het gezeid hier ondereen als de zon zoo laaide en gij ginder te
-werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?--waar is Rik? vroeg ze
-ineens,--nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te
-zien.--Is hij naar huis, Wies?
-
-Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten wat hij
-zou antwoorden.
-
---Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.--En hij keert nooit meer
-naar huis.
-
-Moeder bleef beeldstil gebogen staan over 't heerdvuur met omgewend
-hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel waarmede zij de
-melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn kleeren in de hand,
-met open mond te wachten naar verderen uitleg over die plotselinge
-kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat Wies zou voortzeggen
-en de jongen stond recht en ging, om gerust gelaten te worden, in
-'t achterhuis gaan staan. Lida kwam hem daar vinden; ze sleurde hem
-voort bij de mouw naar buiten bij den gevel en:
-
---Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de waarheid: wat is er met
-Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den arm.
-
-Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij haar hoe
-'t Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder altijd alleen
-liep al droomend en treurde....
-
---Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde zij angstig.
-
---In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen schreeuw, herbegon
-Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, bijkans dood.
-
---En dan?....
-
---Hij sprak nog een woord of twee en toen was hij dood voorgoed. Ze
-voerden hem van 't land, naar een wagenkot, en we lazen binst dat de
-timmerliên de kiste mieken; dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een
-kerkhof en daar hielp ik hem begraven.
-
-Binst dat Wies vertelde zat Lida met 't wezen gedoken in haar
-voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij zitten als
-Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met meêlijden en hij
-had er deugd in omdat zijn zuster weende;--hoe spijtig, dacht hij,
-om den armen Rik dat hij niet weet hoe Lida verdriet heeft om hem!
-
-Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele stem van een
-oud vrouwke:
-
---Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen?
-
-Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder Busschaert
-om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van 't gene
-komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte achter 't huis,
-over 't veld weg. Hij moest voort van hier en van al dien weedom,
-hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder Busschaert's ongeluk,
-en hij liep al wat hij kon om het jammerjanken niet te hooren.
-
-Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te zijn, bij moeder
-en bij al de menschen die hem kenden, en hier was 't niet te vinden
-'t geen hij zocht en verwachtte;--daar lagen de velden toegesmoord
-rondom hem met een dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude,
-goede leven was weg en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in
-het verre land gebleven was. Hij had willen dwalen over het kerkhof
-ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te zitten
-wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.
-
-Dat uitgaan in 't verre land, en die krachtige poging, al dat wroeten
-zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; het verdoen van dien
-lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren in 't ijle,--het
-kwaad alleen bleef ervan over.
-
-In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om haar kind,
-zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: dat
-Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd
-gestolen was en ginder verre begraven lag in 't vreemde land,--waar
-zij nooit naartoe en kon.
-
-De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en hij doolde
-voort, doelloos langs de smalle landwegelkes, eenzaam, ver van de
-menschen en zot van droefheid. De koelte frischte zijnen koortsigen
-kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist
-niet of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.
-
-Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door 't dorp en
-vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht ging het luide
-gebral, op tien plaatsen tegelijk:
-
-
- 't Koorn is af, 't koorn is af!
- àl het koorn is àf!
-
-
-De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen die dronken. De
-vrouwen kwamen knijzen om haar venten meê te krijgen naar huis, zij
-trokken hen bij de mouw, tastten hun zakken af om 't geld te vinden,
-maar de kerels grepen hun glas of een makker in de lenden, en zongen
-omlangs hoe luider:
-
-
- En nog naar huis niet gaan!
- En nog naar huis niet gaan
- Zoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!
-
-
-De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen zijnen reiszak en
-sleurden hem blij tierend meê naar huis, benieuwd naar al de schoone
-dingen die erin zaten.
-
-Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:
-
-
- Jongens, jongens, jongens,
- we zijn nog niet dood!
-
-
-De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en stampten
-op mate:
-
-
- Waar kan men beter zijn
- . . . . . . . . . . . . .
- Dan in ons moeders keuken!
-
- Wij zijn kontent
- Met een pintje van vijf cent!
- Laat ons drinken
- Laat ons schinken
- En laat ons vroolijk zijn!
-
-
-Uit een afgelegene herberg ging het luide:
-
-
- Wij drinken tot dat 't op is!
- . . . . . . . . . . . . .
- Als 't op is, dansen wij!
-
-
-Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, neuriede een goede
-broer zijn dronkaards-liedje voor een geslotene deur:
-
-
- Moedere doet open,
- Uwe zoon is hier,
- Hij heeft hem zat gezopen
- aan een glaasje bier.
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of De Oogst, by Stijn Streuvels
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OOGST ***
-
-***** This file should be named 52476-8.txt or 52476-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52476/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/52476-8.zip b/old/52476-8.zip
deleted file mode 100644
index 42c80a8..0000000
--- a/old/52476-8.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52476-h.zip b/old/52476-h.zip
deleted file mode 100644
index 16003be..0000000
--- a/old/52476-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52476-h/52476-h.htm b/old/52476-h/52476-h.htm
deleted file mode 100644
index 28e8093..0000000
--- a/old/52476-h/52476-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,3974 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
-"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2016-07-02T08:54:44Z. -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta name="generator" content=
-"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
-<title>De Oogst</title>
-<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii">
-<meta name="generator" content=
-"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Stijn Streuvels">
-<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href=
-"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Stijn Streuvels">
-<meta name="DC.Title" content="De Oogst">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css">
-body {
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-font-size: 100%;
-line-height: 1.2em;
-text-align: left;
-}
-.div0 {
-padding-top: 5.6em;
-}
-.div1 {
-padding-top: 4.8em;
-}
-.div2 {
-padding-top: 3.6em;
-}
-.div3, .div4, .div5 {
-padding-top: 2.4em;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument
-{
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-padding-top: 2.4em;
-padding-bottom: 1.6em;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-.pagenum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.abbr {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-height: 1px;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-width: 45%;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5em;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-line-height: 1em;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.40em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.71em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0em 0.05em 0 0;
-padding: 0px;
-line-height: 0.8em;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.advertisment {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-a.noteref, a.pseudonoteref {
-font-size: 80%;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .label, .par.footnote .label {
-float: left;
-width: 2em;
-height: 12pt;
-display: block;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0%;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0%;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.indextoc {
-text-align: center;
-}
-.transcribernote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.correctiontable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0% 7em 0%;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 3.5em;
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0% 0em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTop, .figBottom {
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-td.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0px solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0px solid black !important;
-width: 1em;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0% .5em 0%;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0% 0 0%;
-}
-span.hemistich {
-color: white;
-}
-.versenum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink {
-background-repeat: no-repeat;
-background-position: right center;
-}
-.pglink {
-background-image: url(images/book.png);
-padding-right: 18px;
-}
-.catlink {
-background-image: url(images/card.png);
-padding-right: 17px;
-}
-.exlink, .wplink, .biblink, .seclink {
-background-image: url(images/external.png);
-padding-right: 13px;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, .h1 {
-padding-bottom: 5em;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
-{
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteref:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}.pagenum, .linenum {
-speak: none;
-}
-</style>
-
-<style type="text/css">
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd21e95width
-{
-width:499px;
-}
-.xd21e101
-{
-text-align:center;
-}
-.xd21e106width
-{
-width:442px;
-}
-.xd21e126
-{
-text-align:center;font-size:small;
-}
-.xd21e442
-{
-text-indent:6em;
-}
-.xd21e998
-{
-text-indent:4em;
-}
-.xd21e1245
-{
-text-indent:2em;
-}
-.xd21e1734width
-{
-width:110px;
-}
-.xd21e1741width
-{
-width:488px;
-}
-@media handheld
-{
-}
-</style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-The Project Gutenberg EBook of De Oogst, by Stijn Streuvels
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: De Oogst
-
-Author: Stijn Streuvels
-
-Release Date: July 2, 2016 [EBook #52476]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ASCII
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OOGST ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-<div class="front">
-<div class="div1 cover">
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e95width"><img src="images/cover.jpg" alt=
-"Oorspronkelijke voorkant." width="499" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle">
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e101">DE OOGST.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage">
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e106width"><img src="images/titlepage.png" alt=
-"Oorspronkelijke titelpagina." width="442" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">DE OOGST</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">STIJN STREUVELS</span></div>
-<div class="docImprint">VIERDE DRUK<br>
-L. J. VEEN&mdash;AMSTERDAM</div>
-</div>
-<div class="div1 imprint">
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e126">Typ. Zuid-Holl. Boek- en
-Handelsdrukkerij. <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name=
-"pb5">5</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div class="div1 story">
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Rik lag plat uitgestrekt in &rsquo;t gras onder de
-linde en Wies zat, over de knie&euml;n gebogen, op het bol van een
-gevelden eik. De jongens rookten hun pijp in den avondstond. Nu en dan
-maar zegden zij, halfstil, een woord, meest over dingen die ze wisten
-en evengoed ongezegd konden laten. Maar zij trokken gestadig nieuwe
-kuilen blauwen rook uit hun pijp, die opspiraalden uitdunnend, hoog in
-de lucht boven hun hoofd. Achter de openstaande huisdeur in &rsquo;t
-donker, wrocht Lida met moeder aan &rsquo;t schoonkuischen van
-schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar.</p>
-<p class="par">Rik wendde dikwijls het hoofd naar het <span class=
-"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span>donker
-deurraam dat zwartvlekte in den witten muur en hij dacht wel:</p>
-<p class="par">&mdash;Waarom blijft Lida vanavond zoolang in huis?</p>
-<p class="par">Hij voelde of had iets te kort of verlangde onbewust
-naar iemand die moest komen gezelschap houden. Maar nog altijd ging het
-gleiertikken van tellooren en kommen met gefoezel van halfduidelijke,
-zacht gesproken woorden. Nu wisten de knapen niets meer en ze
-zwegen.</p>
-<p class="par">&mdash;Waarom is Wies haar broeder en is Lida mijn
-zuster niet? dacht Rik.</p>
-<p class="par">Als hij weer &rsquo;t hoofd wendde stond het meisje in
-&rsquo;t donker deurgat en was aan &rsquo;t afbreien van een langzwarte
-kous. De jongen rechtte zich halfop met de handen en hij keek hoe zij
-met stillen tred naderde en ging zitten rechtover hem, nevens
-<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name=
-"pb7">7</a>]</span>Wies, op het bol van den eik. Hij rustte het hoofd
-op de voorarmen en z&oacute;o, gemakkelijk uitgestrekt, bleef hij haar
-liggen bezien. Hij voelde een nieuwe tevredenheid in haar bijzijn: het
-invullen eener leemte, waarnaar hij lang gewenscht had.</p>
-<p class="par">&mdash;Nu is het goed in den avond, zei hij stil.</p>
-<p class="par">Niemand en antwoordde maar &rsquo;t deed hem deugd dat
-ze nu zwegen, en hij verlangde naar niets tenzij daar te mogen liggen
-en kijken naar Lida en eenzaam smakken aan de welligheid die hij
-daarbinnen voelde opkomen, iets als zwemmen in ongerimpeld water zonder
-einde.</p>
-<p class="par">Zie, hoe de heldere mane daar zit boven in de lindekruin
-tusschen de kromknoestige halfnaakte takken! de jonge bladeren vlekken
-zwart op dat gouden veld lijk ongedurig, wemelende inkteklaters. Binnen
-<span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name=
-"pb8">8</a>]</span>huis ging het geslof van Wies zijn moeder die daar
-in &rsquo;t donker alleen bleef;&mdash;anders en repte er geen geruchte
-in heel den omtrek.</p>
-<p class="par">Rik bleef welvoldaan omdat zij allen zoover uitgepraat
-waren en niemand een woord en vond dat &rsquo;t zeggen weerd scheen.
-Hij luisterde naar het tikken van Lida&rsquo;s overeenwerkende
-breinaalden. Daar van omlaag gezien, zat heur wezen vol donkerte en op
-&rsquo;t einde twijfelde hij of heur oogen zoo vriendelijk stil in de
-zijne keken of dat ze halftoe op heur werk waren gericht. De wellust
-kwam in hem op als een kriezeling zoo dat hij de oogen neerwaards dwong
-en niet meer opkijken durfde. Daar in &rsquo;t gras nevens hem lag het
-bolleken zwarte wolsajette dat gestadig versnokte en opsprong telkens
-heur klein vingerke den draad deed inkorten. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Morgen krijgen we weer een schoonen dag, fazelde
-Wies tusschen de tanden.</p>
-<p class="par">&mdash;De zomer komt vroeg, wederzegde Lida, en wat
-later:</p>
-<p class="par">De smoor hangt uit, &rsquo;t is versterking, zie, en zij
-rechtte het hoofd en keek wijd uit over &rsquo;t veld.</p>
-<p class="par">Zoo koutten ze stilaan voort in schaarsche half
-ingehouden woorden, over land en we&ecirc;r en spel en leven, heel
-gewoon; lijk bro&ecirc;r en zuster. Rik had ook iets willen inbrengen
-maar al zocht hij ook rond, er was niets dat goed scheen. Zijn oogen
-snuisterden weer in de donkere haarkroezeling om Lida&rsquo;s hoofd en
-naar hooger op; daar zocht hij in den bleeken hemel naar de eerste
-sterren die, lijk pas ontstoken kaarslichtjes, van langerhand kwamen
-uitpinken. Ginder te westen, ver over de <span class="pagenum">[<a id=
-"pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>velden, tegen &rsquo;t
-uitveegsel van &rsquo;t vergane <span class="corr" id="xd21e169" title=
-"Bron: zonnegond">zonnegoud</span>, zwommen er witte wolkjes lijk
-groote bloemen zonder stengel. Daarbij werd de stilte zoo rein dat
-&rsquo;t staaltikken van Lida&rsquo;s naalden nu duidelijk geruchte
-miek.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;t Is alsof wij gedrie&euml;n alleen op de
-wereld waren, dacht Rik, en die wereld werd nu zoo vreeselijk wijd, zoo
-groot! en hij voelde zich me&ecirc;zwellen en zag hoe Wies en Lida daar
-en de gevelde boomstam, eendlijk uitgroeiden. Nu en schafte noch en
-zocht hij meer van waar die voldaanheid uitkwam die evenals de goede
-dauw, rijkelijk rond hem neerviel. Hij dronk en zwolg zijn geluk als
-deugdelijke zeupen water bij grooten dorst en lag daar te verlangen:
-naar meer, altijd meer en dat het eeuwig z&oacute;o duren mocht! Daar
-rustte <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name=
-"pb11">11</a>]</span>een zware goedheid op de boomen, op het land hier,
-over al om dat huis bij Lida en Wies&mdash;elders was &rsquo;t de dood
-en daar dacht hij niet aan, nu. Naarmate het donkerde, vernauwde die
-wijde kring in een goede omheining rondom hen.</p>
-<p class="par">Lida liet haren brei in den schoot vallen; zij rok de
-armen hoog uit en legde haar hoofd achterover geleund tegen den
-lindestam. De deemstering vervaagde de lijnen van haar wezen en vulde
-de diepten met wondere schaduwen. Rik zocht nog altijd om dingen te
-zeggen die hij heel traag wilde laten neerleken in de stilte. Dat
-speelde rond in zijn hoofd, maar zoo gauw hij &rsquo;t in woorden wilde
-vastgrijpen, hervormde dat zoo vreemd.... Wies zou lachen om zijn
-gezegde en Lida verbaasd opkijken en hem ongeloovig bezien met
-<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name=
-"pb12">12</a>]</span>wijde, vragende oogen; lachen zou ze niet, dat was
-hij heel zeker, te meer dat &rsquo;t nu zoo stille, zonderling avond
-was. Ze zat beeldstijf te staren.&mdash;Waarom hield zij die armen zoo
-hoog en haar lijf zoo uitgespannen?&mdash;Zij deed dat veel en die
-houding bracht bij Rik zoo een naar gevoel vol onrust, dat hij haar
-verstolen met half toegenepen oogen bezag, met vrees dat ze hem
-betooveren zou.</p>
-<p class="par">&mdash;Van den nacht zal ze mij weer berijden als een
-kwade mare, en toch kon hij den wellust van haar zicht niet laten.</p>
-<p class="par">Nu had hij haar, met een stil woord, willen doen
-verkijken uit die verte, om dien langen blik naar zijn oogen te doen
-komen.</p>
-<p class="par">&mdash;Hoor dien krekel, hier onder &rsquo;t gras.</p>
-<p class="par">Wies noch Lida en zegden daar iets op <span class=
-"pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>en ze
-luisterden of telden de flauwe kriepgilletjes van dien krekel. En als
-dat luisteren weer zoo uitgerokken lang duurde dan werden die kriepjes
-als zooveel scherpe scheersneden die &rsquo;t stilzwijgen in gelijke
-eindjes korf. Rik werd bang op &rsquo;t laatst, niet voor zichzelf, om
-de verdrietigheid of verveling, maar hij vreesde voor &rsquo;t gene die
-effene vlakstilte zou komen breken en dat glazen kasteel ging doen
-invallen. Dan kwam onvoorziens uit de opene huisdeur, zoo
-stoorscheurend gewoon, moeders:&mdash;Lida, we zijn slapen, kom!</p>
-<p class="par">Dat was het plotsinvallende teeken dat &rsquo;t uit was
-voor vandaag. Lida schoot wakker uit haren droom, liet de armen zinken
-en nu ging er tusschen hun drie&euml;n een gesprek aan over de dingen
-uit &rsquo;t dorp, over &rsquo;t werk; Rik vertelde van Dirk Koole die
-<span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
-"pb14">14</a>]</span>zou trouwen met een vreemde; dat Pikkaert zondag
-laatst gevochten had tegen drie felle boschkanters. Lida vroeg gewone
-dingen over Riene en Tielde&mdash;Rik zijn zusters&mdash;en eindelijk
-rechtten zij zich alle drie tegelijk op, rokken de leden uit al
-geeuwend en wenschten elkaar een go&ecirc;n avond.</p>
-<p class="par">&mdash;Tot morgen, wist Lida nog en ze keerde weer zoo
-genegen haar hoofd naar hem. Dan was zij met heur bro&ecirc;r in huis
-en Rik wandelde alleen door den avond. Nu had zij duidelijk naar hem
-gekeken met haar donkere oogen zoo vreemd vragend, dat hij al zijn
-bloed voelde verkruipen en had willen huilen van geluk. Nu zou hij naar
-huis, maar eerst wat zinnen nog over al &rsquo;t geen er in zijn hoofd
-omwoelde. Hij stond daar nog en <span class="pagenum">[<a id="pb15"
-href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span>hoorde hoe Lida met heur heldere
-belstem het gebed voorlas. Dat ging lijk muziek over &rsquo;t veld en
-dan eerst, als heur zangzeggend gebed uit was en niets meer en roerde
-rondom, werd hij gewaar dat &rsquo;t nacht was bijkans en dat hij nu
-naar huis moest. O, hij droeg een rijkdom en blijheid in zijn hoofd en
-dat danste over op al die zwaar zwarte boomen daar en door heel den
-hemel onder &rsquo;t groot blauw geluchte, vol! Lida, Lida zag hem
-geern! Zijn leute moest hij uitjubelen in een schallend koewachters
-&ldquo;halarialo&rdquo;! maar hij durfde de rust niet breken rond zich
-en hij haastte en verlangde daar boven op zijnen zolder te zijn, alleen
-om traag al de beeldschatten uit te pluizen, te her-overdenken: al de
-woorden die ze zei, en met toegenepen oogen te kijken op het gouden
-schemerbeeld <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name=
-"pb16">16</a>]</span>dat in zijn hoofd geschilderd stond.</p>
-<p class="par">Thuis viel er een smachtende adem op hem; zoo dof,
-ongezellig waren hier al de dingen: moeder zat daar zoo suffig ineen
-gezonken met de oogen vol vaak; de broers, zij lagen lang, moede
-uitgestrekt over den vloer op tafel of banken, en Riene met Tielde,
-zijn zusters, zaten onder den blaker van &rsquo;t blikken lampje, te
-naaien. Hij zegde hun allen een stillen go&ecirc;n avond en schreed den
-zoldersteeger op. Daar sloot hij met zorg de deur om goed alleen te
-zijn en al het vreemde ver van zich weg te hebben. En nu strekte hij
-lang zijn leden op het stroobed, beet op de tanden en voelde een warme
-krijzeling over zijn lijf loopen,&mdash;zijn beenen krimpten op en dan
-strekte hij zich weer uit om kalm te smakken aan zijn gedachten.
-<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name=
-"pb17">17</a>]</span></p>
-<p class="par">Hij zou nog bijlang niet slapen en zooveel hij kon,
-liggen denken.</p>
-<p class="par">&mdash;Lida, Lida, Lida! &ldquo;Tot morgen!&rdquo; had
-ze hem gezeid!&mdash;Morgen mocht hij weerkeeren, en zoo voort zou dat
-geluk in een ronde draaien en nooit uit zijn! Morgen nog een avond.
-Later kon hem niet schelen.</p>
-<p class="par">&mdash;Wacht, wat zal ik haar zeggen, morgen? waarom ben
-ik altijd zoo beteuterd, verlegen als ik onder die linde lig en zij
-daar v&oacute;&oacute;r me zit?</p>
-<p class="par">O, er waren zooveel dingen die hij haar zeggen zou, maar
-zijn opgemaakte voornemens vielen meestal uiteen als zij hem bekeek of
-zelf aansprak, zoo dat &rsquo;t gesprek voor een heelen avond op een
-ander wegelken bleef.&mdash;Dat ze nu zei wat ze wilde, &rsquo;t was
-hem altijd even aangenaam <span class="pagenum">[<a id="pb18" href=
-"#pb18" name="pb18">18</a>]</span>en hij hield het zijne verduldig
-uitgesteld: later zou hij wel tijd vinden, om haar heel zijn voorraad
-te vermonden.</p>
-<p class="par">Hij wilde haar zien, enkelijk zien; daarom neep hij nu
-weer de oogen dicht, duwde diep het hoofd in het kussen en ze kwam
-daar: op den boomstam onder de linde, &rsquo;s avonds; opweg naar de
-kerk, aan &rsquo;t putten van een emmer water, of stond gebogen aan
-&rsquo;t groensel plukken in den lochting. Hij zag haar levend met al
-de natuurlijke plooi&iuml;ngen van haar lijf, in haar gewoon doen, maar
-zoo onzeggelijk schooner nu, beschenen met dien goudglans, veel anders
-dan bij dage in de werkelijkheid. Nu wilde hij heur traag bekijken,
-heelegansch: heur haar, oogen en mond, de lijn langs haar heup, den val
-van heur nijdlijken blauw-netten voorschoot,&mdash;maar die dunne
-<span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name=
-"pb19">19</a>]</span>nevelsmoor kwam heur weer omwinden, zoodat hij
-niets meer duidelijk herkennen kon. Hij zag enkel heur twee zwartbruine
-oogen&mdash;de blik die hem vanavond zoo doorkeken had&mdash;die
-blonken lijk twee lichtjes zoo zacht, en spreidden een vreemde klaarte
-uit zoodat &rsquo;t werd te zonneglinsteren onder de linde met
-zoo&rsquo;n wonderlijke wemeling daar in de bladeren. Groote witte
-bloemen schoten overal tusschen&mdash;vlakronde zonnebloemen met
-roodbeperelde herten, omkransd met geluwe vlamtongen en beneden
-groeiden er hooge lischvlimmen met gloeiroode en witte kollebotten die
-traag wiegelden. Daar midden in troonde Lida heel in blank en ze zat
-daar stil op den bolleboom en keek meelijdend vriendelijk van uit haar
-hoogte op hem ne&ecirc;r. Op &rsquo;t laatst werd die lichtschittering
-te fel <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name=
-"pb20">20</a>]</span>voor zijne oogen en hij voelde zich wegvoeren op
-een rolwagentje met zoetzingend spel, naar een ander land. Daar zwom
-hij in een grijze zee, wijd overwelfd met groenigheid, waarachter een
-groote zon gedoken zat, en een beeld ievers, maar &rsquo;t was alles
-zoo overgroot dat hij verzwolg in &rsquo;t opademen van de veelte van
-genot. En zachte zonk hij neer in een smachtend gevoel van kriewelende
-kitteling die hem zeer gelukkig miek.</p>
-<p class="par">&rsquo;s Morgens in die kletsheldere zonneklaarte lijk
-hij daar stond met de drie koeien langs de gracht, zoo nuchter, dan
-werden de dingen van gister heelemaal anders. Zie, ginder ver op
-&rsquo;t glinstergroene veld, in den zonneschijn, wrocht Lida met de
-andere boerenmeissens. Zij speelden en schatergekten onder &rsquo;t
-werk. <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name=
-"pb21">21</a>]</span>Lida boog en rechtte haar lijf&mdash;o, ze was de
-schoonste van al, maar zonder droomerij in de oogen: de blijleutige
-deerne <span class="corr" id="xd21e224" title="Bron: nn">nu</span>,
-vlug aan de hand, altijd brad en vroolijk, met den klinkhelderen lach
-gereed op de lippen en de blinkend witte pereltanden bloot. Dat was het
-blij werkelijke leven, nu. Die menschen verstonden niets van zijn
-droomen en hij twijfelde of hij ook niet een dutsachtige sul was?</p>
-<p class="par">Het was zoo lastig met dien zwaren schat, gedoken rond
-te loopen tusschen de menschen. Moeder schold hem om zijn droomen voor
-luiaard en de groote bro&ecirc;rs gebaarden dat ze het keppekind niet
-en kenden. Daarbij werd hij soms overvallen door een droef gedacht: of
-er wel iets gemeens bestond tusschen hem en Lida?</p>
-<p class="par">Was dat oogenspel wel vattelijk voor <span class=
-"pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span>dat
-blijlevend meiske? en kon ze bij &eacute;en van zijn woorden raden dat
-hij zot, razend zot van haar was?&mdash;Lida dat werd soms
-doodeenvoudig de zuster van Wies, en Wies die was zijn makker, en Lida
-ze knikte en koutte genegen omdat Rik de makker van heur broer was; al
-&rsquo;t andere wond hij zichzelf op en haalde &rsquo;t uit het oude
-boek van den zolder en uit zijn eigen zieke gedachten. Dat miek hem
-ne&ecirc;rslachtig en wreed ongelukkig. Waarom deed hij niet lijk Pol
-en Lieven en Jaak en zijn ander broers?&mdash;die wrochten heel de week
-met blij gemoed zonder aan iets te droomen en &rsquo;s zondags gingen
-zij gearmd met hun deerne naar een of andere kermis. Die vroegen er
-niet naar, of ze wisten toch zeker, geern gezien te zijn. En Riene en
-Tielde, ze zongen heel de week en ze <span class="pagenum">[<a id=
-"pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>hadden ook elk een jongen
-die haar halen kwam om te wandelen.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik zal heur zeggen.... Lida, &rsquo;k zie u
-geern&mdash;: haar nooit meer bezien of wel er open naartoe gaan. Maar
-op den zelfden stond wist hij wel en zeker het haar nooit te durven
-zeggen.&mdash;&rsquo;t Best was: alles uit zijn hoofd steken, lustig
-leven en aan niemand denken. Ze was toch veel te hoog voor hem.</p>
-<p class="par">Maar waarom bekijkt ze mij altijd zoo diep in de oogen?
-dacht hij, <span class="corr" id="xd21e239" title=
-"Bron: Doet">doet</span> ze dat zonder inzicht? zonder te weten dat het
-aanzet en me betoovert? Waarom legt zij zich altijd in die deemstering
-zoo met de armen uitgerokken achterovergeleund met halfopene oogen te
-glari&euml;n lijk een luie kat? En dan monkelplooit ze we&ecirc;r zoo
-aanvallig heur lippen. <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24"
-name="pb24">24</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Doet ze dat voor heur zelf of ook als ik er niet
-bij ben? En daar hij heur bij dage ontmoette kon zij zoo vreeselijk
-gewoon groeten en hoofsch lijk een vorstinne, op den kleinen koeier
-neerzien! of hem ook in &rsquo;t geheel niet opmerken, was &rsquo;t dat
-ze met een buurmeisje aan &rsquo;t praten was over kleeren of tooisel.
-Dan viel ineens die gedroomde innigheid weg. Als ze niet heelemaal de
-zijne wilde worden liet hij haar liever af. En de hooggevierde Lida was
-een vreemde voor hem; hij zou er niet meer naar omzien, &rsquo;t was
-vast nu. Hij werd spijtig om al de gedachten en genegenheid die hij aan
-heur verspilde; was ze niet wreed ondankbaar en ijdel, daar zij hem
-niets van &rsquo;t hare wederzond? Wat gemeens bestond er tusschen hen
-beiden?&mdash;niets dan wat simpel oogenlonksel! &rsquo;t was al.
-<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name=
-"pb25">25</a>]</span></p>
-<p class="par">Tot tegen den avond leed dat weg- en weerwerpen van
-beschuldiging en verschoonen.</p>
-<p class="par">Met &rsquo;t stil wegzinken der zon welde de zachte
-weedom weer op. Dan kwam zij zelf v&oacute;or hem staan en hij was
-we&ecirc;r aan &rsquo;t me&ecirc;drijven naar de oude droomerij; door
-een lijntje van haar wezen, het dansen van een slutse haarkrul in
-heuren hals, of de ronding en plooien van den voorschoot om hare
-heupen, werd hij razend om haar sierlijke schoonheid, lam geslagen, en
-al &rsquo;t andere buiten haar: &rsquo;t dorp met al de menschen en
-moeder, verzonk en verdween voor hem in een duistere verte.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Werk was nog niet geheel af, als hij weeral
-verlangde en zich gedreven voelde naar buiten, bij de linde.
-<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name=
-"pb26">26</a>]</span></p>
-<p class="par">Want, jammer genoeg, hij durfde daar elken avond niet
-gaan zitten of voorbijgaan, dat zou te oogschijnlijk uitkomen dat hij
-Lida vrijde en hij vreesde dat zulke mare in eens heel zijn geluk kon
-uiteensmijten. Soms miek hij een vast besluit er in lang niet meer heen
-te gaan; maar met den avond kwam de bekoring weerom sterker, hij gaf
-stilaan toe, draaide rond en keerde tot hij toch op het onweerstaanlijk
-plekje aankwam. En als &rsquo;t gebeurde dat hij daar niemand vond,
-ging hij gaan dompelen alleen in de velden en hij voelde zich verlaten
-en droef. Die vereenzaming was hem te zwaar om dragen alleen; hij moest
-iemand hebben waaraan hij vertrouwelijk zijn ziel kon uitzeggen. Maar
-dat hij al rondzocht hij vond niemand: zijn broers dat waren grove
-lummels die <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name=
-"pb27">27</a>]</span>meestal met de bende uit gingen werken waar er
-ievers een vaart te delven of groote hoopen aarde te verbeulen was. Bij
-Riene en Tielde ook niet,&mdash;die en wisten er niets af van &rsquo;t
-geen hem lette. Lida alleen, maar &rsquo;t was de Lida die in zijn
-hoofd woonde&mdash;met haar sprak hij over al die wondere dingen, boven
-daar hij in zijn bed te denken lag. Dan koutte hij vertrouwelijk even
-alsof ze hem door den stillen avond waarlijk op dien afstand hooren
-kon;&mdash;en &rsquo;s anderendags, bij klaren dage, zag hij in haar
-donkere oogen dat ze hem goed verstaan had.</p>
-<p class="par">Morgen, als ik haar alleen vind, zal ik het haar
-wezenlijk zeggen, dacht hij. Met &eacute;&eacute;n ding te eenegaar zou
-hij beginnen tot het, op &rsquo;t einde, al was klaar gelegd. Maar zoo
-gauw liet Wies hen alleen of hij <span class="pagenum">[<a id="pb28"
-href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>wierd benauwd om zijn woorden en
-hij zegde meestal niets tenzij gewone dingen, zoo dom dat hij er spijt
-over voelde, zoogauw ze gezegd waren. Ze moest een vreemd gedacht van
-hem hebben, Lida, en z&rsquo;en zou er wellicht nooit een woord af
-weten van al zijn wonderlijke gevoelens. &rsquo;t Ware best dat hij
-verre van hier weg was en met andere menschen leefde. Er lag hier
-zoo&rsquo;n gemoedelijke kalmte over al de dingen.&mdash;Zie, die
-koeien daar hoe lam ze den kop rechtten en voorttrakelden in den avond,
-en al dat rood van de zon achter de tronken,.... z&rsquo;en zal in
-lange nog niet zinken, dacht hij. De dagen, ze winden zoo gezapig en de
-tijd spint zoo staag zijn kluwen uit! Als hij nu liever voor zijn eigen
-genot beminde en verheugd was in &rsquo;t stille om haar schoone oogen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name=
-"pb29">29</a>]</span>was dat geen geluk om bij te dansen! en zag hij
-een einde aan zijn zaligheid!? De zonnewarmte kwam zoo goed en &rsquo;t
-groen van de versche lente stond overal uit.</p>
-<p class="par">Moeder vroeg wat er heuren jongen scheelde, of hij ziek
-was, waarom hij treurde? Maar z&rsquo;en vermoedde niets, de goede
-vrouw, van zijn inwendige doening. Eenigheid en wat rust, dat alleen
-miek hem gelukkig; als hij maar ver weg kon kruipen waar hem geen
-mensch vinden kwam, en zitten zinnen bij zichzelf, dan wenschte hij van
-niemand eenige hulp. En nu ging dat veel beter thuis. Gister liepen al
-de grootste kerels van &rsquo;t dorp over straat en zij zongen. Toen
-Rik thuis kwam vond hij Teune, Carpus, Klaas, Pol, Lieven, Jaak, die
-hun pakken mieken en mede vertrokken naar een groot aardewerk ievers
-<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name=
-"pb30">30</a>]</span>in &rsquo;t noorden. Tegen den avond was het dorp
-en &rsquo;t huis heel stil en Rik was er blij om, nu alleen te zijn met
-zijn zusters, in deugdelijke verenkeling. Nu kon hij verstolen naar
-zijn zolder sluipen en daar heele stonden zitten lezen in het oude boek
-met al die wondere dingen die hem zoowel bevielen. Daar was een prentje
-in dat hij bovenal geern bekeek: in een heerlijk pri&euml;eltje
-wandelden een slanke prins gearmd met een vorstinne heel in wit; zij
-gingen zoo traag onder die heimelijke diepten vol lommer van hooge
-boomen, en ze moesten zij toch malkaar aangename dingen weten te
-vertellen. En die warme zonneklaarte scheen hem, in dat lommerland,
-zonder einde. Dat zou hij Lida eens toonen later en heur vragen of ze
-&rsquo;t ook zoodanig mooi vond. <span class="pagenum">[<a id="pb31"
-href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span></p>
-<p class="par">Hij pluisde geern in zijn gedachten om te achterhalen
-hoe dat met Lida begonnen en die koorts in hem gekomen was. Wanneer had
-ze den eersten ooglonk geworpen die hem zoo ontstelde? Toen ze kind nog
-en klein meiske was, had hij met haar gespeeld zonder eens te merken
-dat z&rsquo;er anders dan al de jongens uitzag. Later&mdash;en nu
-verdoolde hij in &rsquo;t menigvuldige der feiten&mdash;had hij
-beginnen verlangen om haar te zien en te ontmoeten. Den eersten keer,
-&rsquo;t was van in zijn zoldervenster dat hij haar zag, en merkte:
-heur ranken, witten hals onder de glooiing van de bruine
-haarkroezels&mdash;dan was zijn hert beginnen kloppen en sedert dien
-ging Lida van heele dagen uit zijn gedachten niet meer, en hij wenschte
-altijd tot het avond werd om haar te vinden bij Wies onder de linde.
-<span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name=
-"pb32">32</a>]</span></p>
-<p class="par">Nu ook sleepte die dag zoo lang en &rsquo;t was of wilde
-de zon, met langs om min goeden wil, onder gaan; de avond kwam
-niet.</p>
-<p class="par">Vandaag zou hij haar willen zien in &rsquo;t klare
-licht. Heur beeld stond, door &rsquo;t altijd kijken met die
-deemstering tusschen haar en hem, zoo wazig en onduidelijk in zijnen
-kop en hoe hij ook pijnde om de strepen van haar wezen met zware lijnen
-te omtrekken, dat ging niet. Hij zou haar lang bekijken om niets van
-&rsquo;t geziene te vergeten. Daarom zette hij, zoo aanstonds het
-schemeren begon, uit naar heur huis. Maar hij hoorde, van ver nog,
-groot gerucht van veel stemmen onder den boom, Lida zat er en Wies ook
-maar nog veel makkers uit het dorp. Hij verkende Sneyer, Pinne, Fons
-Zeurkel, de drie Boelen, Krotse <span class="pagenum">[<a id="pb33"
-href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span>en Sieper die vertelden van den
-oogst in &rsquo;t Zuidland. Hij kwam stil bij geschoven en liet hun
-luide stemmen gaan zonder naar iets te luisteren van &rsquo;t geen ze
-zegden. Gedoken bachten Sneyers rug keek hij naar Lida,&mdash;ze zag er
-blijgestemd uit vandaag en lijk preusch daar alleen meisje te zijn bij
-al die kerels. Tusschen de rookdrendels van den opvunzenden tabak, keek
-haar aangezicht zoo lief en nu zag hij het heel duidelijk: de wolle
-kroezeling zoo zwartbruin om haar wit voorhoofd&mdash;geen meisje wist
-met zoo&rsquo;n zwierigen wrong haar hoofd te sieren.&mdash;Dan volgde
-hij de lijn langs haren neus, maar zijn zinnen verdoolden door een blik
-uit haar diepe oogen, waar hij heel die wereld in zag! en ze wierd weer
-de goede Lida, &aacute;l schoonheid, en hij dacht er niet <span class=
-"pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>meer
-aan, te zoeken waar de toovering van heur wezen begon of eindigde. Zij
-koutte leutig met de gasten die om het meest hun werkdaden vertelden
-van &rsquo;t verre land. Rik had maar een enkel ding opgemerkt uit heel
-hun gesprek, &rsquo;t was: dat groote Krauwel zijn ronde deed achter
-pikkers, en dat al de makkers hem toegezegd hadden den oogst te gaan
-doen naar &rsquo;t Zuiden. Als &rsquo;t donkerde zat Lida nadenkelijk
-voor zich uit te staren en z&rsquo;n zegde niets meer.</p>
-<p class="par">Nu was ze weer het wazige schepsel met die rozige
-krullipjes en den zonnigen glimlach, uit zijn droomen. Hij en hoorde
-noch en zag niets meer rond haar. De laatste was hij die go&ecirc;n
-avond zei en vertrok. Hij slenterde voldaan naar huis even als na een
-langen blijdag vol leute. <span class="pagenum">[<a id="pb35" href=
-"#pb35" name="pb35">35</a>]</span>De velden geurden goed en de maan
-dreef zoo zacht, zie, in een hemel hoe blauw! hoe groot! &rsquo;t Was
-of al de dingen voort waren, weggenomen, en hij daar alleen gelaten
-stond met dien stillen avond. Bij den gevel thuis hoorde hij moeders
-stem luide aan &rsquo;t kijven. Als hij bij de deur bleef staan
-luisteren hoorde hij hoe Tielde weende en moeder luide zei:</p>
-<p class="par">&mdash;O, gij zot schepsel! wat gij denkt! Verschafel
-lacht met u, &rsquo;k en wil bovendien niet dat ge nog naar hem omziet.
-Wat, hij zou u vragen te trouwen!? O, gij simpel schaap! die dat
-gelooft! Weet ge niet dat hij een begoede boerezoon is? en gij, Tielde
-Busschaert, een meisje zonder iets? Waar zou ik het halen om u wat te
-geven? Uw vader, de goede Segher, is zeven lange jaren ziek geweest en
-heeft <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name=
-"pb36">36</a>]</span>al opge&euml;ten en vermeesterd wat we bezaten. En
-uw broers, wat brengen zij naar huis? Wacht, kind, tot de trotsche
-Verschafel het weet, hij zal zijn zotten zoon doodranselen! ha, ge
-luistert gij naar jongens liflafferije!</p>
-<p class="par">Tielde ademsnokte gedoken onder haar voorschoot toen Rik
-binnentrad en moeder deed maar altijd voort:&mdash;Maar, hij vest u
-blauwe bloemkes op; hij zal een tijd leute met u maken om u dan te
-laten zitten! en u uitlachen, gij lichtekooi! zoek ievers een armen
-duts om honger me&ecirc; te lijden, dat zult ge wel vinden. Ha,
-&rsquo;t was daarom, dat nieuw kleed en al dat snuistergoed!?</p>
-<p class="par">Rik was zeer aangedaan door dien onverwachten storm en
-hij ging haastig naar zijnen zolder. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span></p>
-<p class="par">Dat was nu weer een breuk in zijne droomen; dat viel
-lijk eene donkere onweersvlaag over zijn geluk, en al &rsquo;t
-ellendige van den werkelijken gang stond daar v&oacute;or hem. Nu wist
-hij het eerst heel klaar: hij was een arme jongen!</p>
-<p class="par">In Tielde&rsquo;s verdriet en deelde hij niet veel, maar
-die woorden van moeder sloegen hem diep&mdash;hij dacht voor den
-eersten keer: ik ben een arme sul, zal Lida niet afhondig over haar
-schouder kijken naar den jongen die ijdelhands op haar toekomt, en
-moeder Beucke ze zal mij ongenadig van de deur gooien?!</p>
-<p class="par">Wies was enkel zijn makker geweest en Lida was hem
-daarvoor genegen wellicht. Maar moest ze eens gewaar worden wat hij
-eigenlijk wilde!.... Daar stond nu ineens de groote scheidschreef
-tusschen <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name=
-"pb38">38</a>]</span>hen! Hij verdoemde vaders geldkostende ziekte en
-de slemperij van zijn bro&ecirc;rs die hem arm mieken, en hij benijdde
-den goeden welstand bij Lida. Hij had haar willen in nood zien en
-jankend van honger naar hem om hulp komen. En hij dan, in staat een
-overvloedigen rijkdom mildelijk rond haar uit te gieten; dan had hij
-die trotsdonkere oogen zien smeeken en drukkelijk opkijken! Dat deed ze
-immers nooit.</p>
-<p class="par">Maar &rsquo;t was anders beschikt en hij kende geene
-uitkomst; &rsquo;t ware best geweest nu, kon hij maar gauw wegdommelen,
-aan niets meer denken en ievers in een ver land weer wakker worden waar
-hij heur nooit meer terug zag.</p>
-<p class="par">&rsquo;s Anderdaags was hij aleven slecht gestemd.
-&ldquo;&rsquo;t Moet uit zijn, dacht hij, of <span class=
-"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>later
-loopt het op een ongeluk.&rdquo;&mdash;En hij besloot weg te gaan.</p>
-<p class="par">Een langen halven dag wachtte hij naar groote Krauwel,
-en als hij hem eindelijk van zijn ronde zag thuis komen, ging hij er
-met vasten stap naartoe:</p>
-<p class="par">&mdash;Krauwel, wilt ge mij mee naar &rsquo;t
-Zuidland?</p>
-<p class="par">De groote kerel bekeek den jongen.</p>
-<p class="par">&mdash;Hebde nog gepikt?</p>
-<p class="par">&mdash;Ja, twee drie keers al.</p>
-<p class="par">&mdash;In &rsquo;t vreemde niet?</p>
-<p class="par">&mdash;Neen, hier op &rsquo;t Ganzenhof.</p>
-<p class="par">&mdash;Weet-je wel jongen dat &rsquo;t ginder brandt in
-de lucht en hard werk is!?</p>
-<p class="par">&mdash;O, &rsquo;k kan daar tegen, vraag het maar aan
-Wies Beucke, die zal &rsquo;t u zeggen.</p>
-<p class="par">&mdash;Kom dan, &rsquo;t is voor de naaste weke en we
-trekken er diep in dees jaar. <span class="pagenum">[<a id="pb40" href=
-"#pb40" name="pb40">40</a>]</span></p>
-<p class="par">Krauwel haalde een schro&ocirc; papier uit den broekzak
-en teekende met een potlood een kruisken onder aan de lijst.&mdash;Rik
-liep weltevreden naar huis.</p>
-<p class="par">&mdash;Moeder, mag ik me&ecirc; den oogst gaan doen?</p>
-<p class="par">&mdash; Wat, jongen, droomt ge? Blijf stil bij uw
-moeder, da&rsquo;s geen werk voor u, ge zijt nog veel te jong.</p>
-<p class="par">&mdash;Moeder, laat mij, Wies gaat ook en ik zal bij hem
-blijven.</p>
-<p class="par">Hij overreedde moeder tot ze op &rsquo;t einde ja zei en
-toestemde.</p>
-<p class="par">&mdash;Nu, ga ik toonen wie ik ben, en hij rechtte zich
-in trotschen moed, ik keer terug met mijn zakken vol geld&mdash;dan
-zullen we zien. Is er niet genoeg, te naaste jaar haal ik er nog meer
-bij! Hij was vol goede meeningen over zichzelf en vol hoop <span class=
-"pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span>in
-&rsquo;t geen komen moest. Maar Lida, Lida, &rsquo;t bleef en &rsquo;t
-was overal Lida dat hij zag in alle dingen, &rsquo;s Avonds kwam hij
-onder de linde waar hij weer eenthoeveel jonge pikkers vergaard vond.
-Hij ging eerst stil bij Wies en zei hem dat hij mede den oogst deed;
-Lida raadde zijn zeggen en ze monkelde ongeloovig.</p>
-<p class="par">De kerels die ginder reeds geweest waren en alles gezien
-hadden, vertelden van de overgroote koornstukken daar, ho, wel tien
-dorpen vol, al hemel en koorn om af te pikken, en dat z&rsquo;er in
-geslegen hadden, dag en nacht&mdash;en van de wreede zon! Sneyer had
-een man zien doodvallen nevens hem, steendood!&mdash;Dan wisten ze nog
-veel over de boerenhoven ginder waar de knechten elkaar niet kenden:
-zooveel waren er! <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42"
-name="pb42">42</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;En de boer, dat is zooals een koning in zijn
-land, hij weet er geen einde aan! wist Sieper.</p>
-<p class="par">Rik luisterde benieuwd naar die wreede dingen, hij kreeg
-inwendig vrees en toch voelde hij een groot verlangen me&ecirc; te gaan
-doen in dat geweldig werk, naar &rsquo;t verre land.</p>
-<p class="par">&mdash;Dan keer ik weer als een volslagen kerel en
-&rsquo;k mag meespreken overal.</p>
-<p class="par">Wies en kon niet meer slapen, zoodanig verlangde
-hij.</p>
-<p class="par">&mdash;Sa, jongen, zei hij en sloeg op Rik zijn
-schouder, ginder zullen we ons armen en ons macht ontbinden en er ferm
-in losslaan.</p>
-<p class="par">Als de anderen weg waren, bleven Rik met Lida en Wies
-nog wat zitten rullen ondereen, lijk vroeger. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Lida, wat gaat ge hier alleene doen, en waaraan
-zult ge denken eens dat we weg zijn? wilde Rik heur vragen, maar hij
-vroeg het niet en vertrok dien avond weer zonder iets te zeggen van al
-het gereedgemaakte.</p>
-<p class="par">&mdash;Eer uit het land te gaan, den laatsten dag, zal
-ik het heur al zeggen, dacht hij.</p>
-<p class="par">Wies had hem gesproken van de groote winst ginder en hij
-verblijdde zich reeds met &rsquo;t voorgedacht van dien rijkdom.
-&ldquo;Als ze mij dan nog afwijst vertrek ik voor goed en niemand ziet
-mij nog terug!&rdquo;</p>
-<p class="par">Thuis was moeder in volle werk met zijn gereedschap; hij
-moest nieuwe kleeren en veel versch goed hebben. Hier of elders en
-wierd er van niets anders meer gesproken. De Pastor ging rond naar al
-de <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name=
-"pb44">44</a>]</span>huizen en vermaande de kerels om ginder goed op
-hun plichten te letten en &rsquo;t kwaad te vluchten, hetgeen ze allen
-met veel goeden wil beloofden. Krauwel kwam ook nog om te zien of er
-niemand zijn woord wilde intrekken en &rsquo;t afreizen bepaalde hij nu
-voor vast: binnen twee dagen. Niemand die nog wrocht, ze moesten te
-veel bij elkaar gaan op bezoek en alles schikken, en vragen bij de
-&ldquo;oude pikkers&rdquo; wat er meest noodig en best mede te dragen
-was. Zij gingen bij den smid hun bootalm, pik en krauwels doen maken,
-naar de winkels om versch goed en kleeren. De groote blauwe tweezakken
-werden volgepropt en elkendeen verlangde om te vertrekken.</p>
-<p class="par">Rik was &rsquo;t meest bezig hoe hij van Lida zou
-afscheid nemen; v&oacute;&oacute;r te vertrekken naar ginder ver wilde
-hij toch gerust zijn en <span class="pagenum">[<a id="pb45" href=
-"#pb45" name="pb45">45</a>]</span>zeker moest ze weten dat hij heur
-razend geern zag;&mdash;en hij brak zich maar gedurig het hoofd om te
-vinden de manier hoe heur dat te bekennen.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik verlang te vertrekken, zegde hij, maar om een
-ding alleen zou ik hier wel willen blijven. Omdat ze hem naar den naam
-van dat ding niet vroeg durfde hij niet verder te spreken.&mdash;Maar
-ze lonkte toch met heur oogen perkantig dat ze hem begreep,&mdash;dat
-deed hem het meeste deugd.</p>
-<p class="par">Binst den nacht liepen Krauwel met zijn bende door
-&rsquo;t dorp en zij zongen overluide. Maar Rik was op moeders raad,
-vroeg gaan slapen.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;t Zal zeker wel de laatste keer zijn in
-lang dat ge dweersdoor zult te rusten hebben, had ze hem gezeid.</p>
-<p class="par">Nu lag hij in bed te luisteren naar &rsquo;t
-<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name=
-"pb46">46</a>]</span>wild gezang en de luide leute van de gasten.</p>
-<p class="par">&mdash;Moet ik mede met die druiste kerels?! dacht hij
-en er kwam een groote vervaardheid bij hem op.</p>
-<p class="par">Alevenwel stonden Wies met Sneyer, Broecke, Pinne en al
-de anderen &rsquo;s morgens voor den dag, gereed en blijgemoed te
-wachten op straat.&mdash;Van alle kanten kwamen er nieuwe pikkers bij,
-zoo dat heel de plaatse vol stond: krachtrijke kerels, sterk op de
-beenen in hun donkervloeren broek en rooden ledenband, een blauw
-kielken dat los hing over hun wreede schouders en een oud vilten hoed
-met ne&ecirc;rgetrokken rand over hun wezen. Zij droegen den
-blauwgestreepten baalzak met kost en gereedschap op den schouder en
-stonden geleund op den pikhaak, gerust <span class="pagenum">[<a id=
-"pb47" href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span>rond te kijken naar de
-bijkomenden. De moed en de veerdigheid blonk in hun oogen en hun leden
-die rustten nu, toonden te meer de overdanige krachten die ze me&ecirc;
-droegen om wonderdaden te doen ginder verre. Ze meumelden wat ondereen,
-ernstig; anderen plaagden malkaar en trappelden rond vol onrust en
-verlangen. Veel vreemd volk liep over de bane: elk wilde zijn kennissen
-zien en groeten. Moeder Busschaert was verslaafd aan &rsquo;t gereed
-brengen van Rik&rsquo;s laatste dingen.&mdash;Weder hij wilde of niet
-er moest een potje versche boter met een schotel zwijnsvleesch in zijn
-tweezak voor in &rsquo;t eerste van de reis;&mdash;ze bracht hem nog
-wijwater en hing hem een Lieve Vrouw-medaillieke en een kruisken over
-den hals.&mdash;Dan kon ze &rsquo;t niet meer ophouden, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span>de
-tranen liepen over haar wangen en ze keerde heur wezen om uit te
-snikken. &ldquo;Heb goeden moed jongen,&rdquo; stamelde ze, en de vrouw
-moest weer het hoofd wenden.</p>
-<p class="par">&mdash;Heere God, &rsquo;t is zoo ver te gaan, en zoo
-lastig; Pieter heeft daar zijn ziekte en zijn dood gehaald. &rsquo;t
-Was tijd. Met een krachtigen zwaai gooide Rik den tweezak over den
-schouder en vertrok; moeder en Riene en Tielde kwamen
-mede.&mdash;&rsquo;t Eerst zocht hij rond tusschen al het volk naar
-Wies,&mdash;ha! hij stond daar bij zijn moeder en Lida ook, die luide
-aan &rsquo;t kouten was tegen de makkers.</p>
-<p class="par">&mdash;Nu, dacht hij, zal ik haar eens goed bekijken,
-&rsquo;t is lange weg te zijn, en &rsquo;k moet dat wel van buiten
-kennen om ginder in mijn eenigheid haar heel te kunnen samenzetten en
-bij te houden.&mdash;Zou ik <span class="pagenum">[<a id="pb49" href=
-"#pb49" name="pb49">49</a>]</span>het haar nu durven zeggen:&mdash;Lida
-&rsquo;k zie u geern en &rsquo;k zal ginder heel den tijd op u peinzen;
-na den zomer ben ik hier weer.</p>
-<p class="par">Zij bezagen elkaar en monkelden.&mdash;Z&rsquo; had
-zich, met opzet voorzeker, heel net opgeschikt van den morgen en scheen
-wonder welgemoed.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik moet er nu ook een ferme kerel uitzien, dacht
-Rik.</p>
-<p class="par">&mdash;Zijt ge niet vervaard van het werk? vroeg ze
-hem.</p>
-<p class="par">&mdash;Ho, al waar het nog zooveel? gekte hij en schoof
-met een duchtig gebaar den hoed achteruit.</p>
-<p class="par">Hij zou nu nog wel wat gezeid hebben, maar er stonden
-zooveel menschen bij, en moeder hield hem gedurig in gesprek en Lida
-was zoo bezig met heur bro&ecirc;r.</p>
-<p class="par">&mdash;Krauwel is daar! Van achter den kerkhofmuur kwam
-de groote Krauwel. <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50"
-name="pb50">50</a>]</span>Zonder spreken stapte hij tusschen zijn
-kerels en nam ze goed in oogschouw; hij telde ze op en: &ldquo;Niets
-vergeten gasten?!&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;Neen, neen! riepen zij.</p>
-<p class="par">Dan gaf hij teeken van vertrekken. Bendewijs, twee en
-twee of gedrie&euml;n, gingen zij vooruit; velen gearmd met hun meisken
-en het hoofd gebogen, vertelden al wat ze wisten voor lang; anderen
-nevens hun wijf, gaven afscheidsplakjes aan de jongens. Wies en Rik met
-moeder en de zusters stapten traag nevenseen.</p>
-<p class="par">&mdash;Wies, jongen, zult ge toch goed, naar Rik letten?
-smeekte moeder, de jongen is zoo te&ecirc;r!</p>
-<p class="par">&mdash;Betrouw er u op, Fiene, ik zal er zorg voor
-dragen en we komen de een zonder den ander niet naar huis, zegde Wies
-om het vrouwke te troosten. <span class="pagenum">[<a id="pb51" href=
-"#pb51" name="pb51">51</a>]</span></p>
-<p class="par">Daar ging nu niet anders dan hun halfluid gekout en de
-zware tred van al die vernagelde schoenen op de straatsteenen. Elk was
-bezig met zijn volk. Aan &rsquo;t kapellekruis bleven al de vrouwen
-staan,&mdash;tot daar uitgeleid, was &rsquo;t gebruik. Elkendeen riep
-een laatste &ldquo;go&ecirc; jongste, geluk, en go&ecirc;n
-thuiskeer&rdquo;. Rik had de oogen op Lida,&mdash;ze wenschte hier en
-daar een schertsenden groet naar de jonkheden die haar plaagden; hij
-wachtte verlegen zijne beurt,&mdash;moeder bezag hem altijd en hij werd
-ongemakkelijk. Een blijden oogslag ving hij, maar nu kreeg ze weer dien
-trotschen wrong om de lippen en het fier draaien van den hals dat hem
-ontstelde.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik ben weg, dacht hij, en hebbe niets gezegd,
-z&rsquo;en weet niet, en misschien.... <span class="pagenum">[<a id=
-"pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span></p>
-<p class="par">Dan wendde hij nog eens het hoofd om moeder te
-groeten,&mdash;en daar speurde hij even Lida weer op, die hem nu zoo
-schalks toewenkte met haar oogen, als spotte zij om zijn kinderachtige
-bedutsdheid. Zie, nu had hij willen terug naar heur toeloopen en al
-kunnen zeggen wat hem op &rsquo;t herte lag,&mdash;maar Wies vroeg hem:
-of hij iets vergeten had.</p>
-<p class="par">Moeder bleef staan wachten om een laatsten groet van
-heuren jongen, maar hij zag haar niet meer.</p>
-<p class="par">&mdash;Wies, jongen, zei hij, wat moet ons dorp verlaten
-zijn en eenig vol ledige vlekken, als we daar, zooveel groote gasten,
-uit weg zijn!</p>
-<p class="par">&mdash;Da&rsquo;s niet, Rik, ze zullen wel leven zonder
-ons en we komen eens weer, de zomer is zoo lang niet. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></p>
-<p class="par">Nog maar rechts waren zij den draai van de straat om, of
-al het ernstige van vertrek en afscheid was vergeten en de leute
-herbegon. Rommelaere haalde zijn trekorgel uit, de kerels stapten op
-maat van den voois, grepen elkaar bij den arm, zwaaiden hoog den
-pikhaak en zongen om het luidst:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd21e442">Sa we gaan</p>
-<p class="line xd21e442">ja we gaan</p>
-<p class="line xd21e442">&rsquo;t land uit!</p>
-<p class="line">Ja we gaan &rsquo;t land uit.</p>
-<p class="line">Met goeden moed naar ginder verre!</p>
-<p class="line xd21e442">Sa we gaan,</p>
-<p class="line xd21e442">Ja we gaan</p>
-<p class="line">met ons pikke, met ons pikke,</p>
-<p class="line xd21e442">ja, we gaan</p>
-<p class="line xd21e442">ginder verre</p>
-<p class="line">al het koorn gaan afslaan!</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name=
-"pb54">54</a>]</span></p>
-<p class="par">Zoo stapten zij dapper &rsquo;t dorp uit en een ander
-in, altijd voort den heelen dag tot ze &rsquo;s avonds in een ongekende
-streek reeds, bij een vreemden boer slaping zochten.</p>
-<p class="par">Rik voelde met bangheid dien afstand van huis
-vermeerderen; hij trappelde meestal stommelings en gelaten mede in de
-bende met de gedachten op het vreemde land waar hij naartoe ging en op
-al de wreede dingen ervan die zijn makkers met onbeducht gemoed
-bespraken; dan weer droomde hij op thuis en al wat er daar nu leefde in
-zijn afwezigheid. Dat scheen hem nu een zoo stil, gelukkig oord, waar
-hij in den laatsten, korten voorzomer heel zijn zaligheid verleefd had.
-Al die avonden voelde hij met hun gelukzieke teederheid, en hier op het
-onbekende, bloote land <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55"
-name="pb55">55</a>]</span>overviel hem eene groote treurnis om dat
-vergaan genot.&mdash;Wat zullen ze met mij uitrichten? dacht hij, en de
-groote dingen van den geweldigen zomer kwamen in hunne wreede laaiing
-v&oacute;or hem staan. Boele had hem eendelijke standen verteld van den
-zonnedans op een korenveld! Maar later haalde hij weer nieuwen moed in
-&rsquo;t sterk vertrouwen der makkers die nevens hem gingen. &ldquo;Ha,
-ha!&rdquo; gekte Wies, &ldquo;we zijn de twee jongsten, ze zullen ons
-wat sparen, en als we &rsquo;t niet meer uithouden, laten we ons vallen
-en gebaren ons dood voor een halven dag!&rdquo;</p>
-<p class="par">De anderen stapten gejaagd met verlangen om &rsquo;t
-werk te beginnen.</p>
-<p class="par">&mdash;Daar kunnen we toch eens de armen loslaten! al de
-koornstukken hier overkijken we, en eer &rsquo;t spel in gang is ligt
-<span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name=
-"pb56">56</a>]</span>het al afgepikt! Ginder is het
-anders,&mdash;koorn, al koorn zoo wijd als een zee!</p>
-<p class="par">Rik keek vol bewondering die mannen in de oogen: dat
-werden nu al zijn groote broeders en van hen verwachtte hij veel
-bijstand. De eene lange dagreis volgde de andere: zij mieken de nachten
-kort en haastten zich vroeg weg, altijd gejaagd om verder &rsquo;t
-zuiden in. Over den blakken heideweg geleken zij een zwarte woeling van
-menschen, uitgejaagde landloopers op zoek naar geluk. Zij werden moede
-op &rsquo;t laatst en gerucht en gezang was lange reeds gestild; zij
-gingen zonder opkijken en spraken zelden. Na al die dagen gaans zagen
-zij rechts en links, bezijds de breede bane, een oneindigheid van
-magere vruchtvelden en daarin, alhier, aldaar verzaaid, overal gelijke
-kerktorentjes uit een <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57"
-name="pb57">57</a>]</span>troppeling lage huisjes opsteken. Verder
-waren de vlakten bloot en de einder wijdde uit over onafzienlijke
-stukken vageland en moerassen. Zij gingen dag uit dag in door de zelfde
-richting zonder talmen, aten op &rsquo;t getij langs den weg en sliepen
-in een schuur of onder den blooten hemel. Bij dage werd de zon duchtig
-warm, de nachten niet te koud en van langs om meer werden zij gewaar
-dat &rsquo;t Zuidland niet ver meer af was. Bij &rsquo;t opklaren van
-een volgenden dag zagen zij de torens van een stad achter den
-nevel;&mdash;volgens Krauwels zeggen moesten zij die links laten
-liggen, later zouden zij er nog een veel grootere te dweerschen hebben
-en daarachter.... lagen de velden waar er te maaien en te pikken
-viel.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Was met een groote benieuwdheid <span class=
-"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>dat de
-pikkers die stad inkwamen; zij keken zich de oogen uit in die rijke
-straten; verloren den adem tusschen al die menschen en huizen. Zij
-hadden hier lang willen vertoeven en al die wondere dingen her en her
-overkijken, maar de drijf lag verder en Krauwel gebood goed bijeen te
-blijven om niemand te verliezen. Achter de stad kwamen zij in een nieuw
-land; &rsquo;t blauw van den hemel hing er om zeggen veel hooger over
-een uitgestrektheid vol vruchten: wijde koorns en haver en gerste en
-gras en dat alles onafgelijnd zonder straten of scheidspalen, rechts en
-links de wijde baan, bezet met vier reken groote boomen, &rsquo;t was
-lijk onder den beuk van een overgroote kerk dat ze gingen en tusschen
-de stammen staken de hooge vensterramen waarachter heel die zonrijke
-wereld blootlag. <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name=
-"pb59">59</a>]</span></p>
-<p class="par">Tenden den dag kwamen zij aan een hofste&ecirc;.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;t Is hier, zei Krauwel, dat we ons eerste
-werk beginnen, en hij vertelde veel bijzonderheden over den boer
-waarmede zij meest allen voor &rsquo;t eerst zouden kennis maken.</p>
-<p class="par">De mannen stonden afgemat en moede, bedremmeld te staren
-over een veld maairijpe spaansche klaver.</p>
-<p class="par">Zij gingen nog wat verder en voorbij het jonge
-koorn.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;t Zal een goede oogst zijn, meende Sieper,
-zie hoe &rsquo;t allemaal rechtop staat, als &rsquo;t weer droog
-blijft, pikken we op halven tijd den oogst af.</p>
-<p class="par">Daarachter zagen zij de hooge daking van veel gebouwen
-en een torentje opsteken. Krauwel ging alleen de groote <span class=
-"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>hofpoort
-binnen en de anderen legden hun vermoeide leden wat te rusten in
-&rsquo;t lommer van de boomen. Zij vermieken hun gekwetste voeten en
-bedienden elkaar met de heelmiddels uit hunnen tweezak. Welhaast kwamen
-veel jongens en meisjes en vrouwen van de hofste&ecirc; om de pikkers
-te zien die van ver toegekomen waren. De boer kwam ook buiten mede met
-Krauwel. Een lange magere vent met zwarte kwade oogen. Hij sprak luide
-in een vreemde taal en deed barsche bewegingen met hoofd en armen.</p>
-<p class="par">&mdash;Dat is de overeenkomst die hij maakt met Krauwel,
-voor ons werk, zei Wies tegen Rik.</p>
-<p class="par">De twee bleven op een afstand staan, en als, te langen
-laatste Krauwel bevestigend het hoofd knikte en ze elkaar <span class=
-"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>een
-duchtigen slag in de hand gaven, naderden zij tot de makkers! De groote
-boer bezag al die werkers, sprak nog wat over den toestand van den
-oogst en de klaver, vertelde dat er over eenige weken een andere bende
-aangekomen was uit &rsquo;t zelfde land, en dat die nu aan &rsquo;t
-werken waren in de beeten. Dan keerde hij zonder ommezien weer naar
-zijn hof.</p>
-<p class="par">&mdash;Zoo makkers begon Krauwel, we zijn ingespannen!
-morgen slaan we den slag. Hij wist hun den loonprijs van hun arbeid
-uiteen te doen en de regeling van het werk.</p>
-<p class="par">&mdash;Hier deugt het niet te goed voor den oogst,
-jongens, we maaien hier enkel de klaver en trekken &rsquo;t land in
-voor &rsquo;t koornwerk.</p>
-<p class="par">Een klein meisje kwam hun den weg <span class=
-"pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>wijzen
-waar ze gingen eten en slapen binst het verblijf.</p>
-<p class="par">Het <span class="corr" id="xd21e518" title=
-"Bron: leide">leidde</span> hen achter de stalling, door de schuren en
-andere nauwe stegen, tusschen gebouwen en aangetrekken, naar een groot
-laaglang houten kot. Het meisje liet hen daar staan en vluchtte
-blij-lachend weg.</p>
-<p class="par">&mdash;Da&rsquo;s hier ons huis, gasten, zei Krauwel,
-elk kan hier vrij zijnen hoek kiezen en zijnen polk om te slapen en hem
-houden voor goed; we doen hier lijk de koeien op stal en als we
-ondereen vrede hebben zal er ons buitendien geen mensen komen storen.
-Nu halen we ons gerief strooiing uit de schuur en we maken ons bed op.
-De woonst was gauw gereed en het stroo open geschud; aan het hoofdeind
-van elk leger lagen de kleederen en de <span class="pagenum">[<a id=
-"pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span>zak met gerief en alm.
-Dezen die vermoeid waren strekten zich maar seffens neer en ronkten.
-Anderen zetten zich vier en vier te kaarten of gingen buiten lanteren
-en rookten hun pijp. Krauwel met Sieper gingen naar &rsquo;t boerhuis
-om wijn te koopen en brood; vleesch en aardappels zou men op &rsquo;t
-hof voor hen koken en thuis brengen, zoo was &rsquo;t afgesproken.</p>
-<p class="par">Wies en Rik zaten in eenen hoek te praten over &rsquo;t
-geen ze gezien hadden, en zij mieken ondereen gissingen over &rsquo;t
-geen komen ging.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;k Ben blij, Wies, dat we er
-zijn.&mdash;Wat was die weg lang en we zijn een wreed eind van huis
-af.</p>
-<p class="par">Wies porde en tastte in zijnen zak achter zalf voor zijn
-gekwetste voeten.</p>
-<p class="par">&mdash;En moest er hier een van ons ziek worden? vroeg
-Rik weer. <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name=
-"pb64">64</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Ja, die blijft hier in &rsquo;t kot liggen tot
-hij geneest of dood gaat, en Krauwel houdt hem het loon van de verloren
-werkuren af. Morgen zal &rsquo;t er op los gaan jongen, hoe meer we
-werken hoe meer we winnen. &ldquo;Slaapt als ge weer thuis zijt!&rdquo;
-zal Krauwel zeggen. Verleden jaar hadden we drie maanden dat we
-lijfsgenadig wrochten zonder slapen bijkans, en dan hadden we vroeg
-gedaan ook: v&oacute;or kermiszondag waren we met ons zakken vol geld
-alweer thuis.</p>
-<p class="par">&mdash;Hoelang blijven we hier op d&rsquo;hofste&ecirc;?
-vroeg Rik.</p>
-<p class="par">&mdash;Ho, hier is &rsquo;t enkel klaver maaien, en we
-pikken verder den oogst.&mdash;Bij Qu&eacute;lin, daar zal &rsquo;t een
-lang getij op &rsquo;t zelfde gedoen zijn,&mdash;&rsquo;t is een
-hofste&ecirc; meerder dan heel ons dorp; ge zult de <span class=
-"pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>oogen
-open zetten naar al dat koorn: zoo ver ge zien kunt al &eacute;en stuk
-zonder straat of wegel daarin, en de boer komt daar stormelings
-doorgereden te peerd als hij zien wil of we &rsquo;t werk in geweten
-wel doen.</p>
-<p class="par">Zoo keuvelden zij stil voort, halfluide en wat bevreemd
-nog in dat groot donker kot met naakte berdelen weegen.</p>
-<p class="par">Het vat wijn en een mande vol brooden werden ingebracht
-en al de pikkers kwamen bij. Krauwel schonk hun een eerste proefteug,
-waarna zich iedereen voor goed te slapen legde. De deur van het kot
-bleef open om de koelte en door de opening sleepte een weifelachtige
-klaartestreep binnen over die reeks uitgestrekte menschen die gerust en
-onbekommerd lagen te ronken.</p>
-<p class="par">Dien eersten nacht, zoo dicht bij het werk en onder dat
-gruwachtig dak, <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name=
-"pb66">66</a>]</span>overdeed Rik met een treurig landwee; hij lag bij
-zich zelf rond te denken aan die verre dingen en hij overkeek in zijn
-angstigheid de kerels die ook hun huis verlaten hadden en toch zoo
-gewillig den slaap vonden. Hij lag heel alleen wakker, eenling in een
-onmeedoogende vreemde streek.&mdash;Thuis gaat het nu alles gewoon weg,
-en is er wel iemand op heel de wereld die om den armen Rik bekommerd
-is? dacht hij. O, had hij maar de zekerheid gehad te weten dat hier
-achter of rond dat akelig kot, zijn eigen huis stond en de mogelijkheid
-daar Lida of ware het nu maar moeder of een van zijn zusters, te
-ontmoeten! Maar &rsquo;t was een volstrekte onbekendheid vol vreemde
-wezens die hem niet aan en gingen. Niemand spreekt hier van huis of van
-de zijnen, dacht Rik. <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67"
-name="pb67">67</a>]</span>Wies lacht met mij als ik van hen spreek en
-bij mij en wilt het dorp me uit den kop niet. Lida is buiten wete van
-mijn groote kwaal maar.... &rsquo;k zal heur eenen brief schrijven,
-dacht hij, op &rsquo;t papier met heur praten en al zeggen wat er mij
-deert.</p>
-<p class="par">De vermoeidheid kwam hem overmeesteren; hij schreef zijn
-droomen in een langen brief en daar achter &rsquo;t open raam, bezoomd
-met druivenranken, zag hij hoe Lida&rsquo;s kijbig wezen blij lonkte
-bij &rsquo;t lezen van zijn geschrift.</p>
-<p class="par">Vroeg aan den dag werden de pikkers gewekt door
-overdanig gerammel en gerucht op het boerenhof met veel hanengeschreeuw
-en peerdengetrappel en geroep van knechten en meiden. De klaarte viel
-door &rsquo;t open deurraam en buiten zagen zij de groote zon die
-opstak en glinsterde boven &rsquo;t land. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span>Zij moesten eene zeis
-gaan halen in de schuur en dan naar &rsquo;t klaverland, heel de bende.
-De boer leidde hen achter den wal, bij een uitgestrekte vlakke zee van
-wiegende groen, bedauwpereld in rijke weligheid. Dat moesten zij
-afmaaien. Zij lieten eerst nog een stonde hun oogen gaan over de
-wijdte, bezagen elkaar en monkelden weltevreden om den schoonen arbeid
-waaraan ze beginnen zouden.&mdash;Dan onderzochten zij het alm, gingen
-op gelijken afstand in reken staan, en in die landelijke morgenstilte
-dreelden zij vlijtig den wetsteen over &rsquo;t wreede staal dat
-&rsquo;t scherregerrend kletsvijlde over heel de streek.</p>
-<p class="par">&mdash;Nu beginnen we, makkers! zei Krauwel die om te
-proeven den eersten slag met zijn zeis in de klaver sloeg.</p>
-<p class="par">&mdash;Allo, laat ze spelen, het voeder staat
-<span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name=
-"pb69">69</a>]</span>malsch en recht, &rsquo;t snijdt lijk in de boter,
-&rsquo;t is een plezier. Ze spogen in de handen en &ldquo;zoef&rdquo;
-alhier, aldaar langs heel de rei ging de ronk van &rsquo;t staal en de
-lange klaver boog en viel effenaan plat tot aan den wortel afgeslagen.
-Met &rsquo;t eerste ontbinden van hun krachten voelden zij een gezapig
-geweld in zich opkomen, een fierheid elkaar te zien: die lange rei
-mannen hoog uitstekend over &rsquo;t groen, daar zoo zwierig staan
-zwaaien op hun lange beenen, half doorzwakt en met gelijken wrong het
-bovenlijf en de breede schouders keerend, rond uitsmijten hun armen en
-&rsquo;t blinkend staal dat &rsquo;t jonge groen omverre dreef eer ze
-&rsquo;t raakten schier.&mdash;Een bende volk daar, die lijk krijgers
-met hun alm &rsquo;t uitzicht van een groot land zou keeren!
-<span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name=
-"pb70">70</a>]</span></p>
-<p class="par">De zon stak hooger al en warmde duchtig, en nog altijd
-op denzelfden maatslag waagden de mannen op hun wijde beenen, en de
-slag ronkte zingend lijk een windruk die schoer over den grond en
-altijd nieuwe strepen kaal sneed. Daarbij galmde het in de puurijle
-vroege zonnelucht van blij getater en gezang: de vroolijke liedjes van
-thuis. Ze waren hier in hun vrijvreugdige doening en voelden &rsquo;t
-genot de leden uit te laten zwieren en door hun vrijblijden kop gonsde
-het gezond jeugdig levenssap dat met den nieuwen zomer overal opschoot.
-Zij stonden daar sterk in hun eigen krachten, zonder zorg of kommernis
-of verlangen naar iets, genoeg en voldaan met hun eigen zelf en rijk in
-hun eigen spraak en gezang, overmachtig te midden die overweldige,
-vreemde menigte, zoover van hun huisland. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span></p>
-<p class="par">Boele zong uit zijn forsche keel het goede maaierslied
-en ginder aan den overkant deed Sneyer al de kerels schaterlachen met
-zijn zotgeestige spotspreuken. Rik zelf vergat al het droomtriestige
-van gisteravond en hij werd meegesleept in de uitgelaten
-blijmoedigheid. Dat was iets dat hij nooit gevoeld of genoten had, die
-breede doening op het wijde land met al die makkers ondereen. En het
-werk ging vlug en vroolijk. Hij en Wies en nog andere van de jongsten,
-raapten het gemaaide groen in bundels, spreiden het met een handigen
-wrong open op den knie en de bundel stond, even een spits torentje aan
-den top met een herel toegebonden, te drogen in de zon.</p>
-<p class="par">De maaiers stapten gestadig vooruit en sloegen
-eenbaarlijk; z&rsquo;en keken noch naar <span class="pagenum">[<a id=
-"pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>uur noch tijd van
-uitscheiden, schaars &eacute;en die met de oogen den gang van de zon
-volgde in de lucht. &rsquo;s Noens, als &rsquo;t klokske bengelde op
-&rsquo;t hof, lieten zij de zeis vallen en spoedden op een loopken naar
-hun kot. Daar vonden zij veel vleesch en de gekookte aardappels dampend
-en vervochten er met knappen tand hunnen grooten honger. Daarachter
-mochten zij een uur uitrusten tot Krauwel teeken gaf van herbeginnen.
-En weerom was &rsquo;t maaien tot den avond toe en zoo voort veel dagen
-achtereen. Dan merkten zij eerst hoe hun staal in de klaver gebeten
-had: een groote kale vlakte die nu volzet stond met gedroogde gerzing
-als een slagveld vol kleine, ronde kapeltentjes. Maar v&ograve;or hen
-bleef het altijd dezelfde groene, wiegende zee zonder einde. Op
-&rsquo;t laatst werden zij <span class="pagenum">[<a id="pb73" href=
-"#pb73" name="pb73">73</a>]</span>zich thuis te voelen en gewend op dat
-grootwijde land, alleen onder den hoogen hemel met de schoone zon;
-&rsquo;t was of hadden ze ievers elders geen menschen meer of magen die
-wachtten naar hun weerreis. Z&rsquo;en vroegen niet voor wie ze
-wrochten of en verlangden niet naar loon, het voldeed hun alleen dien
-vredigen slag te slaan met de groene klaver en ze voelden hoe goed het
-was gerust te leven bij elkaar. &rsquo;s Avonds vooral kwam de leute
-boven; na den langen dag en waren zij nooit te moe of te afgemat en
-voelden nog krachten over voor &rsquo;t spel. Daar stoeiden de jongsten
-lijk veulens over het geschoren veld tusschen de tentjes rond achter
-malkaar en mieken spartelbeende tuimelboomen om het vlugst. Rommelaere
-haalde dan zijn trekorgel uit en speelde <span class="pagenum">[<a id=
-"pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>al de kermisdeuntjes van
-&rsquo;t dorp. Sieper, Boele en Sneyer en Wies met veel anderen zongen
-overluid de blijde liedjes mede. Als &rsquo;t hun te plezierig werd
-grepen zij elkaar in de leden en dansten zot in de ronde. Tot ze moe en
-uitgeraasd zich afgelamd lieten neerzakken bij de oudsten die
-uitgestrekt te rusten hun pijpe rookten.</p>
-<p class="par">&mdash;Jongens, vermaande de oude Wiezeur, ge krijgt uw
-beste dagen eerst, de zonne zal gaan gloeien en laat ons maar de zeis
-mangelen met de pikke, ge zult de dansers zien hijgen! Maar de drieste
-kerels en lieten er hun leute niet voor en wachtten zonder vrees het
-voorspelde branden.</p>
-<p class="par">Sedert de nachten verzoelden en sliepen de maaiers
-binnen hun kot niet meer, maar bleven buiten op &rsquo;t veld
-uitgestrekt liggen slapen in &rsquo;t hooi. Hooge boven hun
-<span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name=
-"pb75">75</a>]</span>hoofden zaten en pinkelden de sterren in den
-staalblauwen hemel,&mdash;die waren dezelfde van thuis op hun dorp en
-met die makkers konden zij vrij droomen bachten moeders schuur, in een
-zomermeerselken te slapen.</p>
-<p class="par">Na veel dagen werken lag het groot klaverstuk plat en
-afgemaaid, maar de boer leidde hen op een ander, even groot, en daar
-mochten zij op een nieuw herbeginnen. De tijd keerde daar eentonig in
-zijn vereenzaming zonder afgewisseld te worden door den wekelijkschen
-blijdag waaraan de pikkers in <span class="corr" id="xd21e588" title=
-"Bron: hnn">hun</span> land zoo gewend en verlangend waren. De zondag
-was hier ongekend, ze wrochten heel den tijd tot tegen den avond en dan
-kregen zij enkel den overschot van den dag om verzet te zoeken. En zij
-mieken er vrij <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name=
-"pb76">76</a>]</span>gebruik van! Op een vlucht waren zij van &rsquo;t
-veld naar hun kot en trokken er haastig hun beste vloeren broek en
-nieuwen blauwen kiel aan. De meesten gingen om &rsquo;t grootste
-plezier en veel menschen te vinden, naar &rsquo;t bijliggende dorp en
-deden er hun herte deugd aan veel wijn en luide liedjes.</p>
-<p class="par">&mdash;Waarom gaat-je niet me&ecirc; met ons? vroeg Wies
-aan Rik, ge blijft hier alleen staan droomen als ge daar al dat verzet
-kunt hebben!</p>
-<p class="par">Rik had liever geen zondag gezien, dan dacht hij altijd
-veel meer aan huis, voelde dubbele deernis in zijn beteuterd leven. Hij
-zag geern al de makkers vertrekken zonder belust te zijn naar hun
-verzet;&mdash;het beviel hem beter hier alleen rond te slenteren in de
-velden en op het hof. &rsquo;t Werd er zoo stil dan en rustig overal
-<span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name=
-"pb77">77</a>]</span>rond dien tijd. Daar bleef hij soms staan
-lanterlullen onder eenen boom, speelde met een stroohalm in &rsquo;t
-zand lijk de jongens, of stond met den schouder tegen den hoekmuur
-geleund te kijken naar de kiekens die hun laatste zaadjes zochten voor
-het slapen gaan.</p>
-<p class="par">Hij ging geern de groote stallen af in heel hun lengte
-vol koeien en peerden. Daarna trantelde hij weer naar zijn kot gaan
-futteren in zijn zak daar er veel kleinigheden van huis in staken. De
-zinkende avondzon en al het goud en stofrood stemde hem altijd
-weemoedig. Hij dweepte met Lida en vond dat het nu goed zou zijn haar
-te schrijven. Hij haalde al het noodige uit en kwam in de klaarte
-zitten, buiten aan de deur van &rsquo;t kot. Het papier lag over een
-planksken op zijne knie&euml;n <span class="pagenum">[<a id="pb78"
-href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span>en hij hield de potloodpenne
-gereed, maar hoe hij &rsquo;t zou aanvangen het haar te zeggen al dat
-er daar binnen zat, en vond hij niet.</p>
-<p class="par">&mdash;Lida, ik ben hier alleen in den avond. We leven
-hier zoo een wonder leven. Zoo ver van u en van huis. Lida, gij zit
-thuis, alleen, onder den boom, in den avond. Op wien peinst ge nu? Ik
-zie u zitten alsof ik bij u zate. Zoo klaar uwe oogen en heel uw wezen.
-Schoone voor mij. Gij en gaat nooit uit mijn gedachten. Bij nachte ook
-niet. Dat ge wist hoe geern ik u zie. Ik en durfde het u nooit zeggen
-zoo bevreesd was ik dat gij mij stuur zoudt bekeken hebben en boos zijn
-op mij.</p>
-<p class="par">Hij was nu werkelijk thuis en aan &rsquo;t praten heel
-vertrouwelijk met zijn wonder meisje, en hij voelde als bij waarheid al
-de deugd er van over zich loopen. Zij zat <span class="pagenum">[<a id=
-"pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span>daar stil te kijken, zoo
-vredevol met die goede deemstering tusschen haar en hem. Wat werd het
-nu overzalig aangenaam malkaar schaars te verkennen nog in die vallende
-donkerte. Nu en spraken zij geen woord meer maar ze verstonden zoo goed
-al wat ze te zeggen hadden. Geluk, geluk met een vrees, een angstigheid
-om &rsquo;t eindeke dat er moest mede gedaan maken.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Was grimzwarte avond reeds als hij opschoot en
-wist dat &rsquo;t al leugens waren en zinnenbedrog? op zijn knie&euml;n
-lag het bladje wit papier en daar en stond nog geen letter op
-geschreven.</p>
-<p class="par">De pikkers kwamen half bedronken thuis bij benden en zij
-bralden woest hun leute uit; zij vielen ne&ecirc;r op hun stroo en
-raasrulden nog wat bij hun eigen tot ze geweldig <span class=
-"pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>aan
-&rsquo;t snorken gingen. Sneyer en Kretse waren gewond en bebloed;
-z&rsquo;hadden, met nog twee pikkers uit een anderen ploeg, tegen een
-heele bende inlanders gevochten en gesteken.</p>
-<p class="par">&mdash;Zondag slaan we ze gruisdood, de spotters! we
-trekken er allemaal naartoe! Zij zeuren in &rsquo;t spel en
-z&rsquo;hebben daarbij mijn geld gestolen en mijn uurwerk, de
-deugnieten! vloekte Kretse. De roste dief! hij zal lang achter zijn
-hoofd zoeken, &rsquo;k heb er op getimmerd met mijn boothamer, lijk op
-een geblutste pikke!</p>
-<p class="par">&mdash;We gaan erop los met ons pikke, Zondag; met ons
-pikke, verdomme! hielp Sneyer.</p>
-<p class="par">Zwijgen! beval Krauwel, Wies vertelde in &rsquo;t stille
-aan Rik den toegang van het wreed gevecht. De dorpelingen <span class=
-"pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span>waren
-beginnen spotten met de vreemde pikkers; dan hadden ze samen wat
-gespeeld, maar als Sneyer vond dat ze zeurden en stolen, dan waren ze
-opgebriescht en erop beginnen slaan en stampen: z&rsquo;hadden met een
-halfdozijn pikkers heel &rsquo;t dorp omver gestooten.</p>
-<p class="par">&mdash;Rik, &rsquo;k weet nog anders nieuws! &rsquo;k
-heb kennissen van tegen ons dorp gevonden, een grooten ploeg pikkers,
-die zijn oostwaards op gaan werken; voorzeker vinden wij ze bij
-&rsquo;t overgaan naar boer Qu&eacute;lin&rsquo;s koornvelden. Rik,
-slaapt ge reeds?</p>
-<p class="par">&mdash;Ja, zei Rik, maar hij zinde altijd wat hij ging
-zetten in zijnen brief.</p>
-<p class="par">Den volgenden zondag zat hij weer op zijn blad papier te
-dubben. Maar nu moest hij erdoor en hij vertelde in korte reken wat hij
-hier deed en hoe hij leefde en <span class="pagenum">[<a id="pb82"
-href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span>de groeten van Wies en &rsquo;t
-nieuws aan moeder en dat &rsquo;t met alleman wel ging, dat ze schoon
-weder hadden en niemand ziek en was. In den ondersten hoek kwam het
-half weggedoken&mdash;een klein woordeke maar&mdash;over zijn groote
-genegenheid. Lida zou wel vatten dat &rsquo;t heel ernstig en groot bij
-hem was, maar dat hij zwijgen moest omdat elkendeen &rsquo;t zou
-weten.</p>
-<p class="par">Hij was niet tevreden over zijn brief, hij zou hem
-weeral scheuren ware &rsquo;t niet dat hij vreesde den volgenden nog
-slechter te maken. Hij plooide hem in den omslag, sliep heel dien nacht
-bijkans niet van onrust en &rsquo;s morgens voor den dag stond hij
-gereed om den peerdeknecht te spreken die den brief zou me&ecirc;dragen
-en in de stad bestellen. Rik sprak schoon aan den kerel, gaf hem wat
-stuivers voor den vrachtkost <span class="pagenum">[<a id="pb83" href=
-"#pb83" name="pb83">83</a>]</span>en beval den brief toch wel zorg te
-dragen om hem niet te verliezen of te vergeten.</p>
-<p class="par">&mdash;Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier
-wel geborgen onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem
-recht naar &rsquo;t posthuis, betaal er den stempel en hij is op
-weg!&mdash;Juu!</p>
-<p class="par">De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den
-draai om, hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:</p>
-<p class="par">&mdash;Die simpele jongen! met zijnen brief! &rsquo;t is
-zeker naar zijn meiske dat hij schrijft. Ware &rsquo;t geen zonde Gods
-al dat geld te verteren aan dat papierken?!</p>
-<p class="par">Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde
-hem tusschen de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;k Zal wijn koopen met den jongen
-<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name=
-"pb84">84</a>]</span>zijn stuivers, dacht hij, en hij verdronk het geld
-in een kroeg onder weg.</p>
-<p class="par">Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde
-omdat Lida nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat
-hij zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren
-kostelijken glimlach.</p>
-<p class="par">Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers
-een einde te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat &rsquo;t
-laatste &aacute;f was.</p>
-<p class="par">&mdash;Borre en Labbe, ge zult gij getwe&euml;n morgen
-in de vroegte uitzetten naar Qu&eacute;lin, de koornboer, zei Krauwel
-tegen de twee pikkers, zeg hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn
-hof toe.</p>
-<p class="par">&rsquo;s Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met
-de boodschap. <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name=
-"pb85">85</a>]</span></p>
-<p class="par">De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun
-werk af en heel &rsquo;t ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes
-lijk een overgroot slagveld, op verren afstand gezien.</p>
-<p class="par">De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer,
-schonk hun menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en
-blijgemoed aan &rsquo;t klappen gingen en boften met den boer als den
-besten van al de werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld
-dien hij deed reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch
-zoodat de halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en
-Krauwel en Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar
-zij wisten niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer
-schonk <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name=
-"pb86">86</a>]</span>altijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde
-luide de zilverlingen, vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug
-te komen en of ze tevreden waren met de betaling.</p>
-<p class="par">De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat
-en zei eindelijk:</p>
-<p class="par">&mdash;Ja, &rsquo;t was sakkerbleu schoon geld, gauw,
-kerels strijkt ze maar op! elk zijn deel.</p>
-<p class="par">&mdash;Wilt ge nog eens hertellen?</p>
-<p class="par">&mdash;Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u,
-w&rsquo;hebben recht gewrocht, ge zult ons recht betalen.</p>
-<p class="par">Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in
-een beurzeken dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren
-blij, de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten
-zij bedrogen te zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87"
-name="pb87">87</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper
-als ze buitenkwamen, maar, voort, verdommelinge, w&rsquo;hebben toch
-goed geld, &rsquo;t is het eerste, we zullen er geluk mede hebben,
-&rsquo;t is wel verdiend!</p>
-<p class="par">Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien
-ze niet meer drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien,
-door de dubbele dreef, naar &rsquo;t zuiden. Zij zongen weer dat
-&rsquo;t hellemde en stapten met goeden moed.</p>
-<p class="par">&mdash;We zullen niet ver te gaan hebben, meende
-Krauwel, zoo gauw ons mannen toe zijn zal Qu&eacute;lin zijn wagens
-zenden.</p>
-<p class="par">Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen
-zij twee groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden
-en luidde tierden.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Waren nog dezelfde peerden en knechten
-<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name=
-"pb88">88</a>]</span>van verleden jaar en de oude pikkers waren er blij
-om de vroegere kennissen te vinden.</p>
-<p class="par">Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen
-kletsklakten in de lucht, de peerden stormden door &rsquo;t stuivend
-zand en &rsquo;t plezier begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de
-mannen zongen heftig mede,&mdash;&rsquo;t was of reden zij in triomf
-naar een groot feest. De hemel zat zoo blauw en welfde wijd boven de
-goudkleisterende zon. Overal waar de pikkers de oogen wendden was
-&rsquo;t &eacute;en gouden zee van wiegelend koorn: ze werden lijk
-dronken van de geweldige klaarte. Zij staken de armen wijd uit, lieten
-het hoofd geneugtig achterover vallen en wezen in de ronde als wilden
-zij het al overgrijpen.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;t Moet &aacute;f, &rsquo;t moet &aacute;f,
-al het koorn moet &aacute;f! <span class="pagenum">[<a id="pb89" href=
-"#pb89" name="pb89">89</a>]</span></p>
-<p class="par">Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel
-voldaan over zijn mannen.</p>
-<p class="par">De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts
-een weg in, dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te
-zien.</p>
-<p class="par">Rik voelde zich me&ecirc;sleuren in die vreemde streek
-altijd verder en hij meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg
-benauwdheid en gruwenis van dat koorn, die vredige goudstroostalen met
-die spelende halmen en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd
-vergeefs het einde zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem
-danig vreeselijk.</p>
-<p class="par">&mdash;Wies, hoe ver is &rsquo;t nog?&mdash;Wies, waar
-voeren zij ons naar toe? we zullen hier nooit meer uit geraken.</p>
-<p class="par">Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>hij
-greep Rik bij &rsquo;t lijf en danste rond op den wagen.</p>
-<p class="par">&mdash;Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt
-u weg, jongen, dan kunt ge de koeien wachten op d&rsquo;hofste&ecirc;
-en niet pikken met ons, de kerels begekken u voor &rsquo;nen
-truntaard.</p>
-<p class="par">Daar verre stond een gedoen, groot als een stad,
-&rsquo;t was Qu&eacute;lin&rsquo;s hofste&ecirc;! Ze reden de wijde
-poort binnen en kwamen op de opene plaats, omheind langs vier zijden
-met huis en stalling en schuren. Van veel kanten kwam er volk bij om de
-pikkers te groeten. Meest allen waren goed gekend op &rsquo;t hof.
-Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal weergekeerd; de Boeles en
-Sneyer met verschillige anderen wel <span class="corr" id="xd21e710"
-title="Bron: viermaal">vier maal</span>, van Wies was &rsquo;t tweede
-jaar. Die wisten hier goed den weg en gingen zich <span class=
-"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>gaan
-ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde strootent achter
-&rsquo;t hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun bedding moesten
-zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en daar werden de
-groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en wijn zooveel ze
-drinken wilden.</p>
-<p class="par">&mdash;Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel,
-w&rsquo;hebben maar korten tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren
-moet de pikke spelen.</p>
-<p class="par">Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden
-jaar, die hun wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk
-ze moesten beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.</p>
-<p class="par">De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als &rsquo;t
-voort goed weder blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben.
-<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name=
-"pb92">92</a>]</span></p>
-<p class="par">Na het eten wandelden zij nog wat rond over &rsquo;t
-hof. Hier voelden zij zich aanstonds thuis en vrij in die groote
-doening. Rik en bekwam niet van zijn verwondering, hij wandelde met
-Wies, en vroeg en taalde om uitleg van al die dingen.</p>
-<p class="par">&mdash;Dat volk en kent hier malkaar niet? &rsquo;t is
-lijk een heele stad, Wies.</p>
-<p class="par">Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe
-te slachten; ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den
-versten hoek wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk
-gespannen en bezig, zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten
-en meiden liepen in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm
-reden over &rsquo;t hof door een krioeling van hennen en kiekens en
-zwijnen en huppelende kalvers<span class="corr" id="xd21e728" title=
-"Niet in bron">.</span> Wat een <span class="pagenum">[<a id="pb93"
-href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>levende miereling en gewroetsel
-ondereen!</p>
-<p class="par">Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een
-gedoen? En daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen
-die daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den
-openen zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende
-achting om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak,
-en hier en daar &eacute;en monkelde om de goedgezapige domheid die hij
-meende te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover
-van huis kwam doodbeulen.</p>
-<p class="par">Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien
-en gingen op hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in
-lang.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Was volle nacht nog als zij weer op
-<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name=
-"pb94">94</a>]</span>en recht stonden buiten de tent, heel werkveerdig
-in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die los om het lijf hing
-en hun breede borst en ronde armen bloot liet.</p>
-<p class="par">Hier en daar &eacute;en wreef den vaak uit de oogen en
-keek vragend in de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een
-vlijtige maan in &rsquo;t groote bleekblauw boven hun hoofden.</p>
-<p class="par">&mdash;Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.</p>
-<p class="par">Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en
-geen halmke van &rsquo;t koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een
-krekel en verre blies een boschuil.</p>
-<p class="par">&mdash;We zijn hier heel alleen, zei Kretse.</p>
-<p class="par">&mdash;Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe
-zon, gekte <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name=
-"pb95">95</a>]</span>Sneyer, zie-je daar heur poorte opengaan?</p>
-<p class="par">Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook
-uit het oosten den hemel kleurde.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een
-armvol koornstalen.</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e759" title=
-"Bron: Das">Dat</span> was het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor
-&rsquo;t goed begin, spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen
-slag van de pikke en &rsquo;t ruischen van &rsquo;t koorn dat viel. De
-mannen stonden wijd bedeeld in een lange rei zoodat ze schaars elkander
-zien konden, elkeen gebogen over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig
-voort. De dag klom al over hunnen rug zonder dat ze opkeken of
-verademden. Stilaan kwam de zon die de uchtendnerschheid kwam opzuipen
-en welhaast begon de hitte op hun lijf te wegen. Met &rsquo;t
-uitbersten <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name=
-"pb96">96</a>]</span>van &rsquo;t zweet voelden de pikkers eerst hun
-volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het hoofd recht
-hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij van hen
-afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden de armen
-door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn vliedend
-terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met een korten
-ronk ne&ecirc;r, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den grond
-ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier pooten
-aan &rsquo;t wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en
-overgoten door het teisterende hittelicht van de zon&mdash;altijd
-vooruit: kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de
-pikke bot stond. Dan gingen zij aan &rsquo;t kloppen met den hamer en
-klabetterden <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name=
-"pb97">97</a>]</span>met den wetsteen over &rsquo;t staal om met nieuwe
-snede te herbeginnen.</p>
-<p class="par">Het bengelend noenklokje was het eenige
-verlossingsteeken. Dan sprongen zij op en liepen om het zeerst naar het
-hof dat daar ingelommerd rustte onder zijn groote boomen lijk de
-gelangde oase te midden een vuurwoestenij.&mdash;Ge moet tenden uw
-bekomste eten, raadde de werkbaas die daarbij stond.</p>
-<p class="par">Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte
-goed en de drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde
-hier op &rsquo;t hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als
-hij hun gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met
-hen te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte
-en verfrissching in den vischvijver. Zij dompelden <span class=
-"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>naakt
-lijk de puiden op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen
-en bemorsd weer boven en ze loechen om de aardigheid.</p>
-<p class="par">Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er
-dan heftig weer op los naar &rsquo;t veld.</p>
-<p class="par">Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land
-stond doorlaaid van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur
-loodrecht uit de lucht neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een
-bange beklemdheid als zij dien <span class="corr" id="xd21e777" title=
-"Bron: boogen">hoogen</span> barm op moesten en aan strijd vallen tegen
-al die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en
-gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de
-oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres te
-meerderen in den dikken muur van <span class="pagenum">[<a id="pb99"
-href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>stroostalen die daar manhoogde,
-en altijd ondoorzienbaar v&oacute;or hen recht bleef.</p>
-<p class="par">&mdash;Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg
-Sneyer om te gekken, nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in
-de Meerschblomme of te spartelen in &rsquo;t Scheldewater thuis bij
-avonde?</p>
-<p class="par">Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers
-aardigheid;&mdash;de zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo
-droog dat hun de adem achterwege bleef en &rsquo;t zweet lekewijs uit
-het vel droop. Wie was de radelooze zot die nu met bier voor den dag
-kwam, dat lekker, koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de
-Meerschblomme, en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den
-hemel! Zie de jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name=
-"pb100">100</a>]</span></p>
-<p class="par">Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den
-bodem niet meer onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van
-den dag niet en zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen
-sloegen altijd voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu
-en dan veegde hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de
-oogen en loerde links en rechts om te zien of er geen makkers nevens
-hem dood vielen.</p>
-<p class="par">&mdash;Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil
-aan Labbe die lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen
-zwaaide.</p>
-<p class="par">&mdash;Ja, regenen, jongen, &rsquo;t kan hier vijf weken
-lang water gieten aan een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder
-uitscheiden, en dan kunnen wij liggen rekken <span class=
-"pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>in
-ons tente en al ons geld opeten. &rsquo;t Weer is goed, knape, wat
-geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.</p>
-<p class="par">&mdash;Regenen, o, dat &rsquo;t toch maar een dag
-regende! wenschte Rik; &rsquo;k en weet niet wat ik al geef om een
-druppel water uit de lucht of een wolklap v&oacute;or de zon!</p>
-<p class="par">Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een
-hoongillende teistering.</p>
-<p class="par">Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen
-moed daar hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van
-hitte, en te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en
-thuis en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord
-in een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust
-meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warm
-<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name=
-"pb102">102</a>]</span>en lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den
-nacht door moesten zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat
-en verlamd dat &rsquo;t hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf
-niet en begaven; hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en
-langde naar niets meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel
-en zot: slapen, slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers
-onder eenen euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten,
-toch rusten mag!&mdash;dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij
-wilde evenals de anderen, sterk blijven.</p>
-<p class="par">&mdash;Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies.
-Het scheen hem onmogelijk dat &rsquo;t nu nog warmer kon worden.
-&rsquo;s Nachts en kregen zij zelfs de deugddoende koelte niet meer;
-geen druppel dauw viel er nog <span class="pagenum">[<a id="pb103"
-href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>uit de verpulverde lucht. Het
-was als een tijd zonder dagen: een lange eind gloeiende zonneschijn
-zonder avond of morgentroost. De donkerte en de sterren, die voortijds
-zoo goed het hittevuur kwamen blusschen, waren nu versulferd en de
-hemel sloeg open en toe, gescheurd door benauwelijke bliksemschichten.
-Voor dag en klaarte kwam de nieuwe hitte weer op zonder ievers trek of
-gat te vinden om uit te waaien en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in
-een gestookten oven. Wanneer komt er verlossing of koelte? of zullen we
-hier allemaal verbranden, mijn God! En nievers een einde of uitkomen.
-De pikkers bleven altijd ingesloten door die wreede omheining van
-koorn, &rsquo;t werd of groeide het effenaan weer uit den grond
-naarmate zij het hier v&oacute;or hun voeten neerkapten. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span></p>
-<p class="par">Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij
-vreesden dien machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort
-in de bange verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen
-aandoen.</p>
-<p class="par">Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en
-overvallen van een groote flauwte. &rsquo;s Avonds volgde hij traag de
-bende naar &rsquo;t strookot en viel er onmachtig neer op zijn bed.</p>
-<p class="par">&mdash;Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het
-nog eens klaar en dag wordt! wenschte hij.</p>
-<p class="par">Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer
-of &rsquo;t slapen was of waken &rsquo;t geen hij deed. Hij woonde weer
-op zijn dorp, maar durfde het niet gelooven.</p>
-<p class="par">Hoe wonder: daar bij de linde stond hij <span class=
-"pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>te
-wachten naar Lida. Hij zag haar komen in &rsquo;t wit, klare zonnelicht
-en speurde zoo duidelijk het neigen van heur leden en het wuiven van
-heur kleeren in haren tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de
-nieuwe lente; &rsquo;t was er deugdelijk koel in het lommer onder de
-groene bl&acirc;ren.</p>
-<p class="par">Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood?
-Lida bleef hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat
-hij haar te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem
-soms trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die
-hem alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag
-en heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn
-arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzicht
-<span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name=
-"pb106">106</a>]</span>z&oacute;o dat hij heur voorhoofd tegen het
-zijne voelde leunen. Haar twee handen drukten zijn schouderblaars en
-hij neep de oogen toe omdat hij haar straven blik en al de goedheid
-ervan niet dragen of zwelgen kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde
-zijn leden; dat was de kostelijke teug water&mdash;hoe frisch&mdash;na
-dien langen dorstigen dag.</p>
-<p class="par">&mdash;Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien
-warmen zomer ging ik versmachten zonder u.</p>
-<p class="par">Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij
-prevelde hem in het oor:</p>
-<p class="par">&mdash;Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat
-ge nooddorst leedt, ik wachtte u drinken te geven.</p>
-<p class="par">Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet
-zich lui achterover leunen <span class="pagenum">[<a id="pb107" href=
-"#pb107" name="pb107">107</a>]</span>en kruiste de handen om haar
-opgestoken knie welke bevallig onder de plooien van haar kleeren
-uitlijnde. Ze waren gansch alleen, het zomerde buiten maar hier hing de
-zalige zoelte in de lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand
-in hun gezelschap gestoord te worden.</p>
-<p class="par">&mdash;Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we
-zullen hier lang blijven wonen.</p>
-<p class="par">Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme
-die riep, maar:</p>
-<p class="par">&mdash;We laten hem roepen en we luisteren er niet naar,
-he, Lida?</p>
-<p class="par">Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol
-weemoed.</p>
-<p class="par">Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit
-zijne oogen en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid
-v&oacute;or hem, Wies die schudde en schreeuwde: <span class=
-"pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar
-&rsquo;t veld. In &rsquo;t eerste verschot, daar vlak v&oacute;or de
-werkelijkheid, ware hij liever dood geweest om te kunnen voortleven in
-zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig me&ecirc; en volgde Wies. Hij
-voelde nog altijd de deugd en frischheid van dat groot geluk door zijn
-lijf en hoopte vandaag met meer gemak de hitte te dragen, verzekerd dat
-hij was van Lida&rsquo;s groote genegenheid voor hem. Het moest nu,
-volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn dat ze zijnen brief
-gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze had gemonkeld om
-zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:</p>
-<p class="par">&mdash;Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij
-meisjes niet: de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons;
-<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name=
-"pb109">109</a>]</span>wij willen &rsquo;t al of niets en &rsquo;t
-eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.</p>
-<p class="par">&mdash;Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte
-Sieper<span class="corr" id="xd21e855" title="Bron: ,">.</span></p>
-<p class="par">Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg
-er dapper mede om zijn achterblijven in te halen.</p>
-<p class="par">&mdash;Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze
-blekte zoo rood van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek,
-kerels!&mdash;z&rsquo; heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!</p>
-<p class="par">Vlammende wit zat &rsquo;t geluchte en daar tusschen de
-biggelende halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een
-haarkrans van gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze
-nam den nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten.
-<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name=
-"pb110">110</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Nu zal &rsquo;t eerst lustig worden, riep Sneyer.
-Ik en de zon! man voor man, t&rsquo;avond zien we wie er wint en prijs
-heeft, laat ze maar steken, we kappen te harder!</p>
-<p class="par">En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet
-slak. Zij voelden het nijpen d&oacute;or hun lichte, losse kleeren en
-bijten op hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de
-pikke bliksemglimde bij &rsquo;t op- en neergaan, slag op slag. Met
-&rsquo;t groeien van de hitte ging er een razernij door hunne armen en
-ze hielden sterk de leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten
-de tanden en lieten het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer
-waagde Rik het hoofd te heffen maar hij schrikte voor &rsquo;t geen
-zijn oogen zagen. De zon was de bijtend ronde gloeibol niet meer in een
-zeker punt <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name=
-"pb111">111</a>]</span>van den hemel, maar heel de groote luchtkoepel
-stond in laaie vlam, al hemel en vuur! &rsquo;t regende geen hitte,
-&rsquo;t waren net geteekende lekvlammen die woelden hooge en kwamen
-spelen tusschen &rsquo;t koorn, om en nevens hem en over heel het
-afgeschoren land.</p>
-<p class="par">De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij
-keek op heel de rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een
-schorre keel. Hun pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet,
-maar de armen zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen
-om &rsquo;t lijf.</p>
-<p class="par">&mdash;Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met
-mij gebeuren?!</p>
-<p class="par">Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen
-en wrongen slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralen
-<span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name=
-"pb112">112</a>]</span>kletterend, machtig als feestvuur.</p>
-<p class="par">Hij dook diep den kop in het koorn&mdash;dat, hoe
-wonderlijk, daar ongedeerd in de vlamme staan wiegen bleef.&mdash;Hij
-wist zelf niet meer of hij nog voortwrocht of sinds lang omver te
-rusten lag.</p>
-<p class="par">De kerels hun lied klonk nog <span class="corr" id=
-"xd21e884" title="Bron: altijk">altijd</span> even vereend en als hij
-weer opkeek zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met
-naakte beenen die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het
-schemerwankelde al in het ronde, doordaverd van den sterken wind met
-ratelende slagen soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo
-wonderlijk in dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend
-bliksemlicht doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar
-Krauwel om hulp en bescheid in zijn benauwdheid <span class=
-"pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span>maar
-de makkers stonden op uren afstand van hem en hoorden zijn stemme niet.
-De grond rende onder zijn voeten weg en zijn ooren scheurden van
-vreeselijk geruchte. Dat was het groote zonnefeest, de zomerdans, de
-wereld aan &rsquo;t gruizelbotsen tegen de zon die daar grijpelijk
-dicht, het koorn ontvlamde.</p>
-<p class="par">Rik wist dat &rsquo;t met hem gedaan was; daar kwam een
-vuurspits op hem afkletsen en hij viel verdonderd achterover&mdash;dan,
-niets meer.</p>
-<p class="par">&mdash;Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.</p>
-<p class="par">&mdash;Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den
-jongen die buiten kennis lag te glari&euml;n naar de zon boven hem.</p>
-<p class="par">&mdash;Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen
-zonneslag. <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name=
-"pb114">114</a>]</span></p>
-<p class="par">Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even
-kwalijk, maar hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem
-een teug wijn in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn
-keel en liep langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte
-borst.</p>
-<p class="par">&mdash;De jongen was niet bestand tegen de zon, meende
-Krauwel &rsquo;k heb het gevreesd.</p>
-<p class="par">De pikkers werden op &rsquo;t einde onverduldig; als zij
-zagen dat er geen verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en
-lieten Wies bij den zieken jongen.</p>
-<p class="par">&mdash;Rik, recht u; &rsquo;t zal beteren! Rik hoort ge
-mij nog? Rik, doe toch eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw
-noodvriend; ge moogt hier niet doodgaan zoover van huis.</p>
-<p class="par">Rik roerde niet. <span class="pagenum">[<a id="pb115"
-href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span></p>
-<p class="par">Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en
-angst; hij liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een
-koornstuik, legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield
-zitten wachten naar leven en beternis.</p>
-<p class="par">Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden
-zoo moe en pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en
-al de leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.</p>
-<p class="par">&mdash;Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een
-groot verdriet in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels
-over zijn aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond
-tegen den jongen zijn oor.</p>
-<p class="par">&mdash;Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch &rsquo;nen
-keer! Zijne hand tastte op Rik&rsquo;s <span class="pagenum">[<a id=
-"pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span>bloote borst en telde
-de slagen. En zoo bleef hij wachten naar hetgeen onvermijdelijk komen
-moest. Die slagen voelde hij van langerhand uitgaan en achterblijven,
-hij zag het koude zweet uit zijn wezen bersten en die oogen breken, en
-Rik lag daar uitgestrekt, de magere Rik, zie, zijn beenderige borst en
-zijn smalle schouders, en dat wollokkig kroezelhaar om dat wit
-hoofdeken, o, &rsquo;t was zoo spijtig om den lieven jongen, om die
-oogen die daar seffens nog zoo zachte, lamzachte keken, hoe ze nu
-gebroken waren, en onziende.</p>
-<p class="par">Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord
-van dat de jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te
-staan. Hij had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaap
-<span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name=
-"pb117">117</a>]</span>maar hij voelde vrees en een groote vereering
-voor &rsquo;t geen nu een lijk was, en hij durfde den jongen niet
-aanraken. Hij keek rond om hulp. De makkers wrochten onversaagd voort,
-maar ginder in een werveling van stof kwam dweers door &rsquo;t koorn,
-een ruiter aanstormen.</p>
-<p class="par">&mdash;Qu&eacute;lin, Qu&eacute;lin komt af! riepen de
-gasten. Zij bogen dieper den kop en wrochten zonder opzien. De groote
-Boer zat even een reus op zijn eendlijken appelbaaiden hengst en hij
-keek over het land naar het afgepikte koorn. Hij telde de werkers,
-bezag hun doening, draaide de oogen naar Wies die bij zijnen makker
-zat, en naderbij komende, zag hij dat de jongen dood was.</p>
-<p class="par">&mdash;Is dit uw bro&ecirc;r? vroeg hij.</p>
-<p class="par">&mdash;Mijn makker.</p>
-<p class="par">&mdash;Hier seffens gevallen? <span class=
-"pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.</p>
-<p class="par">&mdash;Hoe heet de jongen?</p>
-<p class="par">&mdash;Rik Busschaert.</p>
-<p class="par">&mdash;Leeft zijn moeder nog?</p>
-<p class="par">&mdash;Ja, Boer!</p>
-<p class="par">Qu&eacute;lin keerde zijn peerd en reed zonder nog een
-woord te spreken.</p>
-<p class="par">Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel
-wezenlijk dood nu, hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze
-op eenen goeden heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls
-begekt te hebben om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde
-wat een wreede ijlte er in zijn leven zou komen door &rsquo;t missen
-van dien kleinen knaap die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen
-keek. Hij betastte nog eens&mdash;hopeloos alevenwel&mdash;<span class=
-"pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>die
-handen en voeten, maar alle leven was eruit.</p>
-<p class="par">De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het
-lijk en Wies moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een
-wagenspan &rsquo;t land opgereden met twee <span class="corr" id=
-"xd21e952" title="Bron: manen">mannen</span>; zij laadden den dooden
-Rik erop en reden naar &rsquo;t pachthof. Al de pikkers volgden; hun
-bruingebrande en bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans
-niet. &rsquo;t Was erger dan uit een slachting dat ze kwamen,
-halfnaakt, met bloote armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter
-den wagen.</p>
-<p class="par">&mdash;De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.</p>
-<p class="par">&mdash;Heb-je &rsquo;t nog zoo warm geweten, Krotse?</p>
-<p class="par">&mdash;En wie zal de lustige mare doen aan <span class=
-"pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>den
-jongen zijne moeder! vroeg Rommelaere.</p>
-<p class="par">Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek
-voorgoed.</p>
-<p class="par">Twee timmerlieden van &rsquo;t hof mieken een
-bloothouten kist, zij wonden Rik in een laken en legden hem erin. Dat
-gebeurde in de groote donkere schuur bij den sching van twee lantaarns
-en in bijzijn van al de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van
-de twee timmermans aanstaarden. Als &rsquo;t gedaan was las de oude
-Tremmel drie Onze Vaders en de akten van Geloof, Hoop en
-Liefde;&mdash;al de bijstaanders antwoordden mommelend. Wies hield het
-niet meer uit,&mdash;hij dook zich in den donkersten hoek van de
-schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht en weende jammerlijk,
-huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend naar den jongen omzagen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name=
-"pb121">121</a>]</span></p>
-<p class="par">In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in &rsquo;t
-bijzijn van elkendeen; Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en
-met zijn alm werd alles ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de
-bewaking van eenieder.</p>
-<p class="par">De werkbaas bracht Wies een briefken van Qu&eacute;lin
-om aan den Pastor en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed
-hij mede met den lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een
-vergelegen dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de
-sterren. De voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig
-door den stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met
-een blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na
-dien langen lijkgang, uit te komen in een andere <span class=
-"pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name=
-"pb122">122</a>]</span>wereld of ievers in een spookland zonder
-menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed om dat onverwachte
-ongeluk. &ldquo;De jongen moest zoover komen om dood en zonder
-uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te
-worden!&rdquo;</p>
-<p class="par">Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp
-in. De voerman droeg Qu&eacute;lin&rsquo;s getuigbrief bij den
-burgemeester die zijn toestemming gaf Rik een plaats te geven bij de
-dooden. Daarme&ecirc; reden zij ter kerk. Zij moesten daar wachten voor
-eene gesloten deur tot op het laatst een pastor kwam die gebeden las
-over het lijk en nu werd Rik naar &rsquo;t kerkhof gevoerd. Een oude
-grafmaker dolf daar onder de linden een diepen put en met hulp van den
-voerman liet hij de kist erin neerzinken. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span></p>
-<p class="par">&rsquo;t Was uit. De wagen rotterde gelicht van de
-vracht weer naar huis en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en
-op een dorp dat hij nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder
-spreken. Niemand die vroeg hoe &rsquo;t met de begraving vergaan
-was.</p>
-<p class="par">&mdash;Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht
-hij.</p>
-<p class="par">Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en
-de hemel gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.</p>
-<p class="par">&mdash;Ho! mannen, d&aacute;&aacute;r is &rsquo;t einde!
-riep groote Krauwel. Zij stonden allen op de teenen, reikhalzend over
-&rsquo;t koorn te kijken waar ze zagen dat &rsquo;t werkelijk uit was
-en een andere vrucht groeide.</p>
-<p class="par">Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang
-verwachte voorteeken van <span class="pagenum">[<a id="pb124" href=
-"#pb124" name="pb124">124</a>]</span>eene levensredding en zij kapten
-te heftiger om aanstonds het einde te naken.</p>
-<p class="par">Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en
-opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten
-arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze land
-lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de
-lengte; &rsquo;t geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij
-hunne groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij
-dansten en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan
-kwamen zij af van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der
-uitgaande zon, heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten
-reuzen in aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken
-omhoog <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name=
-"pb125">125</a>]</span>en tierden met volle kelen den
-overwinningskreet:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Het koorn is af, het koorn is af!</p>
-<p class="line xd21e998">Al het koorn is af!</p>
-</div>
-<p class="par first">In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote
-stukken vleesch op, schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt
-op het stroo in de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven
-de glazen hoog en zongen dat &rsquo;t dreunde het zegelied:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;t Koorn is af, &rsquo;t koorn is af!</p>
-<p class="line xd21e998">Al het koorn is af!</p>
-</div>
-<p class="par first">Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet
-meer en verkenden en machteloos en buiten zinnen in slaap
-verzonken.</p>
-<p class="par">Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen
-enkelen keer: hij zat <span class="pagenum">[<a id="pb126" href=
-"#pb126" name="pb126">126</a>]</span>eenzaam te droomen in zijnen
-donkeren hoek en dacht aan Rik.</p>
-<p class="par">&rsquo;s Anderdaags wrochten zij op &rsquo;t zelfde veld
-en tastten het afgedane koorn in groote schelven. De droge stuiken
-wierden verdregen, losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar
-ze in kringen gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde,
-zwaar massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele
-dreef oogstkoorn die van &rsquo;t veld tot aan de hofste&ecirc; stond.
-Het werk ging nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken
-spelen en de garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des
-avonds staakten zij weer bij tijden den arbeid en &rsquo;s zondags
-namen zij lijk vroeger, hunne uren avondrust. De pikkers liepen de
-streek af, dansten op voois van Rommelaere&rsquo;s <span class=
-"pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name=
-"pb127">127</a>]</span>orgel of gingen bij benden naar &rsquo;t dorp
-gaan drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de
-makkers gaan en bleef liefst alleen.</p>
-<p class="par">Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk
-verlangen om thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid
-overviel hem in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan
-anders niets dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening
-verdroot hem, hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de
-menschen staken hem tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en
-vroegen naar zijn lijden niet. Het ging hem heel goed als ze &rsquo;s
-zondags allen weg waren en hij de groote hofdoening verlaten en vrij
-voor zich alleen had. Dan slenterde hij rond op den drijf naar iets dat
-hij <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name=
-"pb128">128</a>]</span>nievers vinden kon: iemand om mede te kouten
-over zijn verdriet en zijn verlangens;&mdash;maar Rik was weg en anders
-was er geen ziel om zijnen nood te klagen.</p>
-<p class="par">Het groot hof, anders in zoo&rsquo;n woelige
-bedrijvigheid, geleek nu een uitgestorven wereld en al dat leven lag nu
-vastgebonden in slaap. De beesten loeiden meumelend halfluide op stal
-en de peerden trokken gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en
-daar in de verte ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor
-zich zijn werk deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer
-toe. De avond viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies
-voelde zich van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend
-langs de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in
-zijn eenzaamheid. <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129"
-name="pb129">129</a>]</span>Daar lag hij te glari&euml;n in &rsquo;t
-donkere. Een langen tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn
-gedachten aan &rsquo;t vermeien waren met moeders keukengerief en te
-genieten van verledene winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij
-nevens in een bijliggende schuur, een oude schorre stem die trage
-neuriede:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Als de de zurkel schiet, &rsquo;t is in de maand van
-Meie.</p>
-<p class="line">Schieten al de boerkens in een grooten lach.</p>
-<p class="line">Weg den hutsepot, karoten en pareie;</p>
-<p class="line">De gestampte taatjes komen voor den dag.</p>
-<p class="line">En als de pot weer overgaat,</p>
-<p class="line">Haalt de boer den stamper uit,</p>
-<p class="line">En als hij aan het stampen gaat</p>
-<p class="line">Dan zingt hij overluid:</p>
-<p class="line">Van de rompel de pompel de pom.</p>
-<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name=
-"pb130">130</a>]</span></p>
-<p class="par">Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn
-herte klopte en daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het
-vreemde land getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle&rsquo;s
-heerdvuur aan den koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest
-het nu zwart donker zijn en fel winteren,&mdash;de goede winter!</p>
-<p class="par">Die stem was heel grof, &rsquo;t was het stil grommelen
-van een ouden vent die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit
-liedje en klonk hem zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij
-stil mede om er al de deugd van te hebben, en hij twijfelde of &rsquo;t
-toch echt gezongen was en niet gedroomd.</p>
-<p class="par">Het ging alsaan voort: <span class="pagenum">[<a id=
-"pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,</p>
-<p class="line">En op iederen hoek een groote stuit voor elk,</p>
-<p class="line">En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,</p>
-<p class="line">Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,</p>
-<p class="line">En iedereen doet zijn buiksken wel,</p>
-<p class="line">Zeven schepkens meer of min</p>
-<p class="line">Daarvan maken zij geen spel</p>
-<p class="line">En dat gaat er zachtjes in.</p>
-<p class="line">Van de rompel de pompel de pom....</p>
-<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p>
-</div>
-<p class="par first">Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van
-huis, meende Wies, maar wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong
-ijlings recht, verlangde dien vent te zien en vanbij zijn liedje te
-hooren. Hij sloop omzichtig uit de schuur en naderde waar <span class=
-"pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span>hij
-meende den zanger te vinden.&mdash;Ja, &rsquo;t was in de haverschuur,
-hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de houten deurklink, stak zijn
-hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg, maar hoog op den dilte,
-hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:</p>
-<p class="par">&mdash;Waarom bleef-je weer zoolang weg?</p>
-<p class="par">En een meisjesstem die verlegen antwoordde:</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;k Heb nu pas gedaan met &rsquo;t
-stalwerk.</p>
-<p class="par">Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te
-dralen in het donker; &rsquo;t moet een onbekende pikker zijn die hier
-zijn slaapste&ecirc; zoekt, dacht Wies,&mdash;maar wie mag er bij hem
-zijn? &rsquo;k Wil toch weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad
-binnen, tastte in &rsquo;t schemerdonker naar de ladder en met drie
-terden t&rsquo;eenegader <span class="pagenum">[<a id="pb133" href=
-"#pb133" name="pb133">133</a>]</span>klouterde hij den havertas op. Een
-brandende lantaarn hing er aan een dakrib en in den rooden schijn
-daarvan zag hij, even een wonderheid uit een kindervertelsel: een
-leelijken ouden vent rechtover een mooi, mager meisje, die samen met de
-kaart speelden. Zij waren alle twee verslonden zoodat Wies gerust
-kijken kon zonder dat z&rsquo;het wisten: het spel ging gestadig voort
-en zij kappelden, deelden en legden de kaarten zonder spreken. Dat
-meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen te verpaffen van
-benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in &rsquo;t hooi en
-heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig bezig in zijn
-kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.</p>
-<p class="par">Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of
-&rsquo;t best was voorzichtig naar <span class="pagenum">[<a id="pb134"
-href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span>zijnen stroopolk te gaan of
-hooger opklimmen en dien vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de
-zurkel was hij heel vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder
-besluit toen eene beweging van zijnen arm het stroo deed ritselen. De
-beide kaartspelers wendden het hoofd en als zij Wies gezien hadden
-deden zij ongestoord met hun spel voort, zonder nog verder naar hem om
-te zien. Nu klom hij gerust boven, zette zich nevens hen te kijken,
-kwansuis met belangstelling voor wie de winst was.</p>
-<p class="par">&mdash;Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in
-den nacht, peinsde Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg
-voor die zeldzame doening,&mdash;bescheed durfde hij niet vragen.</p>
-<p class="par">De oude zat op de knie&euml;n in &rsquo;t stroo met een
-loshangend hemd aan dat open <span class="pagenum">[<a id="pb135" href=
-"#pb135" name="pb135">135</a>]</span>splette op de borst en de mouwen
-opgerold. De lantaarn lichtte en schauwde de diepe trekken van zijn
-hoekig wezen en glom over zijn naakten schedel. Zijn slimme oogen
-staken in twee zwarte holten onder stoppelharige wenkbrauwen en zij
-volgden nieuwsgierig elke kaart die uitkwam. Zijn spel hield hij vast
-gesloten in de vereelte handen die beefden en hij stak en herstak al
-dubbend tot hij er eindelijk &eacute;ene uitgreep, die hij met den
-knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit wierp. Dan bleef hij met
-angstige verwondering zitten zien wat er op zou vallen en zijn wezen
-klaarde of vertrok naarmate hij niet of al tevreden was van &rsquo;t
-spel. &rsquo;t Geluk bleef voor &rsquo;t meisje en &rsquo;t kind scheen
-er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote, blauwe
-oogen verlegen naar <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136"
-name="pb136">136</a>]</span>den oude op als om verschooning: dat
-&rsquo;t niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het
-verlies; zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het
-plankje die hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al
-gramstoriger als hij weer slechte kaarten kreeg.</p>
-<p class="par">Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht
-in zijn eigen: noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij
-niet goed zeggen wat er wel aardigs aan was.</p>
-<p class="par">De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met
-donker haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over
-het voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken,
-dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel.
-<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name=
-"pb137">137</a>]</span></p>
-<p class="par">Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en
-rein,&mdash;lijk bij kleine jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom,
-meende hij.... of de goedheid zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel
-toegaf om den oude ook eens te laten winnen; &rsquo;t geen hem
-<span class="corr" id="xd21e1111" title=
-"Bron: monkelden">monkelen</span> deed zoodat zijn dunne lippen over
-den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes
-loensch op als ze &rsquo;t niet merkte en zijn bevende hand foefelde
-met een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de
-kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat hij
-er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook.</p>
-<p class="par">Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig
-uiteen.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij
-kunt gaan slapen. <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138"
-name="pb138">138</a>]</span></p>
-<p class="par">&rsquo;t Meisje raapte &rsquo;t spel op, trok de beenen
-recht, en ging zonder spreken.</p>
-<p class="par">&mdash;Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij
-zocht naar woorden om met den oude in den klap te geraken. Daar viel
-hem dat liedje weer in.</p>
-<p class="par">De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn
-arm eindelijk opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies
-het:</p>
-<p class="par">&mdash;Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers
-misschien? Ik heb gehoord hoe ge ons liedjes zingt.</p>
-<p class="par">De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd
-op naar den jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de
-hurken zinken.</p>
-<p class="par">&mdash;Kent ge Sjob Subbel?&mdash;zijt ge hier komen
-pikken?&mdash;Ik ben een oude pikker. Van waar zijt ge? <span class=
-"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p>
-<p class="par">Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de
-Schelde.</p>
-<p class="par">&mdash;Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob
-Subbel, en hij noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die
-Wies heel goed kende.</p>
-<p class="par">&mdash;Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht
-Wies.</p>
-<p class="par">&mdash;Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een
-jonge pikker! ha, ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben
-ook jong geweest, en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als
-Subbel dan zult ge kunnen me&ecirc;praten en uw mollige handjes zullen
-verweerd en zwart zijn, mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn
-lippen spletten wijd open over zijn zwarte mondholte.</p>
-<p class="par">&mdash;Veertig zomers, jongen, heb ik hier <span class=
-"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span>in
-den oogst gewrocht, maar nu is &rsquo;t uit, de knoken zijn stram en
-dat gaat niet meer.</p>
-<p class="par">&mdash;Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien
-vent in zijn wezen, dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en
-gereuveld was, en die knuistige armen en handen waar de aders en pezen
-lijk zwarte koorden uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden
-zoo machtig veel arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en
-genegenheid voor den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een
-lammeling v&oacute;or hem zat.</p>
-<p class="par">&mdash;Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg
-hij.</p>
-<p class="par">&mdash;Ho, &rsquo;k ben hier ook thuis; ik wacht hier de
-schapen, <span class="corr" id="xd21e1151" title=
-"Bron: lachtte">lachte</span> Sjob. Men kan overal wel zijn waar men
-&rsquo;t wel maakt. In den tijde verlangde en haakte ik om <span class=
-"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>weer
-te keeren telkens de boel hier &aacute;f was, maar da&rsquo;s allemaal
-zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven.</p>
-<p class="par">&mdash;En dat meisje, waarme&ecirc; ge hier kaartspeelt?
-waagde Wies verlegen.</p>
-<p class="par">&mdash;Ha! da&rsquo;s mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies
-keek dom op en verstond niet.</p>
-<p class="par">&mdash;Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je
-weten: een wroeter.&mdash;Kent ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we
-kweekten elf jongens, elf jongens die aten lijk wolven en toch bleven
-ze altijd even mager. Sjob moest het ook al bijsleuren en &rsquo;t
-waren geen vette brokken, hoor. Met werken alleen ging het niet:
-&rsquo;s winters moesten ze wel soms de duimen zuigen en hout knabbelen
-om den honger te paaien;&mdash;maar &rsquo;s zomers was &rsquo;t goed,
-de jongens scharrelden wat bij op &rsquo;t land en ik <span class=
-"pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name=
-"pb142">142</a>]</span>reisde uit gaan pikken om de groote daghuur:
-Mele moest dan alleen het nest bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan
-viel er wat overschot voor een pot schuimend bier! &rsquo;t Was heel
-hard gewonnen en gauw verteerd, maar daarom en waren ze mij thuis niet
-dankelijk; de jongens staken den muil op naar vader, en Mele had bij
-mijn wegzijn kennis gehouden met Koolie den boomsnoeier,&mdash;dat wist
-ik van de gebuurs&mdash;en als ik het waar vond wat ze mij zegden, ben
-ik in toorn geschoten, heb haar duchtig gestampt om haar zondig begaan
-en ben zonder spreken voor goed naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn
-vertelsel uit was, reikte naar de lantaarn en stond recht, maar eer te
-vertrekken grommelde hij:</p>
-<p class="par">&mdash;Dan heb ik gekennist met een nieuw <span class=
-"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name=
-"pb143">143</a>]</span>wijf, hier in &rsquo;t hof&mdash;en die is dood
-en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in mijn
-eenigheid.</p>
-<p class="par">Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag
-alleen in &rsquo;t donker te zinnen over al het onverwachte dat even
-een spookzeisel door zijn hoofd speelde.</p>
-<p class="par">&rsquo;s Anderendaags bij &rsquo;t werk, vervolgden hem
-gedurig die twee wezens van den donkeren haverdilte, en over &rsquo;t
-hof lonkte hij benieuwd rond om ievers die wondere Aga te zien. Bij
-schofttijd doorliep hij de stallen en hoving en keuken overal waar hij
-meende meiden te kunnen ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte.
-Als &rsquo;t donker werd sloop hij weer naar de schuur en klom op den
-havertas,&mdash;daar ook was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het
-heel laat werd en nog moest hij <span class="pagenum">[<a id="pb144"
-href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span>naar zijn strootent zonder
-Sjob of Aga te zien. Zoo kwam hij veel avonden kijken, maar de
-kaartspelers waren voor goed weg. Op &rsquo;t einde ging hij &rsquo;s
-avonds in de andere schuren zoeken en &rsquo;t gelukte dat hij hen vond
-zitten op eenen hooitas achter &rsquo;t hof.</p>
-<p class="par">&mdash;Zie, Aga, da&rsquo;s een jongen uit mijne streek,
-zegde Sjob.</p>
-<p class="par">Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze
-voort met haar spel zonder iets te zeggen.</p>
-<p class="par">Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld
-aandeed om kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de
-kaarten met groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij
-eene rei schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur
-arm pakje <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name=
-"pb145">145</a>]</span>losdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat
-op haar borst gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob
-gretig opsnapte en wegborg. In &rsquo;t vervolg verloor Aga gestadig en
-het meisje telde al heur centen voor den oude uit. Op &rsquo;t laatst
-werd zij te beven over heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en
-smeekend naar Sjob die er niets af merkte en altijd maar met blij
-geweld zijn gelukkige kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden
-met Aga en zou haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde
-heur vader te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen.
-Dien avond speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en
-&rsquo;s morgens eerst gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag.
-Hij vroeg aan de pikkers naar uitleg over <span class="pagenum">[<a id=
-"pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span>Sjob Subbel maar de
-kerels die hem kenden, haalden misachtend de schouders en mommelden op
-al zijn vragen:</p>
-<p class="par">&mdash;Wel Subbel is een oude dronkaard.</p>
-<p class="par">Van Aga durfde Wies hun niet spreken.</p>
-<p class="par">Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en
-stonden weldra in zware, ronde strootorens, machtig, groot, in
-vierdubbele rei gedreefd van &rsquo;t veld tot aan de hofstede toe, elk
-met een meitak in top.</p>
-<p class="par">Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob
-of zijn dochter nievers meer kaarten &rsquo;s avonds. Binst het werk
-zag hij Aga twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over
-&rsquo;t hof ging, maar hij kon er niet bij geraken.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden,
-besloot hij eindelijk, en <span class="pagenum">[<a id="pb147" href=
-"#pb147" name="pb147">147</a>]</span>bleef bij de makkers en dacht aan
-de zaak niet meer.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de
-pikkers, we kunnen al stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp
-weerzien dees jaar.</p>
-<p class="par">Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht
-hen in de groote kamer bij Qu&eacute;lin en daar kwamen de groote
-gasten aan eene tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer
-drukte hen &eacute;en voor &eacute;en de hand lijk oude vrienden en
-wenschte hen geluk en blijde thuiskomst met hun geld.</p>
-<p class="par">Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als
-verblijde jongens naar buiten vlug over &rsquo;t hof, staken de armen
-in de lucht en gingen welgemoed aan &rsquo;t poetsen van kleeren en
-alm. Zij zetten zich neer, <span class="pagenum">[<a id="pb148" href=
-"#pb148" name="pb148">148</a>]</span>bijeen, in hunne tent en telden de
-groote zilverstukken in den schoot, lieten ze rinkelend door de handen
-glijden en bespraken onder malkaar wat ze met al hun geld zouden koopen
-thuis.</p>
-<p class="par">Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren
-broek en blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan
-vieren naar &rsquo;t dorp. Ze zouden eerst &rsquo;s anderendaags in de
-vroegte vertrekken.</p>
-<p class="par">Wies wilde nu ook van &rsquo;t verzet en hij trok
-welgezind mede met de bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te
-worden: als de zon weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat
-overweldigde hem van vreugde. Onderweg zong en loech hij met de
-vrienden.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Was maar zelden&mdash;tusschen eene vlaag van
-genot&mdash;dat hij het wee voelde <span class="pagenum">[<a id="pb149"
-href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span>om den armen Rik en de
-herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om die twee dingen zou het hem wel
-spijten hier weg te gaan;&mdash;maar Rommelaere&rsquo;s orgel trok weer
-lustig en de pikkers waren verheugd van zin: leve de goede wijn! de
-leute droegen zij in groote, ronde zilverpenningen op het hert.</p>
-<p class="par">&mdash;Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo
-dachten zij. Al de kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis
-met andere pikkers die ook den aftocht vierden, zongen overal hun
-liedjes en hieven de glazen hoog. Al de menschen waren hun goede
-vrienden.</p>
-<p class="par">&mdash;Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest
-meedrinken op hunne gezondheid.</p>
-<p class="par">&mdash;Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de
-schuld?! Daar is geld, moet <span class="pagenum">[<a id="pb150" href=
-"#pb150" name="pb150">150</a>]</span>g&rsquo;er nog meer hebben? Rijker
-dan de koning zijn we! en we laten &rsquo;t rollen!</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;t Koorn is af! &rsquo;t koorn is af!</p>
-<p class="line xd21e998">Al het koorn is af!</p>
-</div>
-<p class="par first">De huizen begonnen te draaien in de straten waar
-zij doorgingen en al de menschen die voorbij kwamen hadden den
-waggelstap. &rsquo;t Was donkernacht als z&rsquo;er aan dachten naar
-&rsquo;t hof te keeren.</p>
-<p class="par">Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd
-wellustig achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de
-zware schoenen om de straatsteenen te gruizelen.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wij zijn gezworen kameraden....</p>
-<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p>
-</div>
-<p class="par first">zongen zij hier in een bende; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Jongens jongens, jongens,</p>
-<p class="line">We zijn nog niet dood,</p>
-<p class="line xd21e1245">bijlange nog niet dood,</p>
-<p class="line xd21e1245">&rsquo;t en is geen nood,</p>
-<p class="line xd21e1245">Ja, we zijn nog niet dood!</p>
-</div>
-<p class="par first">ging het verder; en ginder in een ander straat, de
-achterblijvers:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;t Koorn is af, &rsquo;t koorn is &agrave;f!</p>
-<p class="line xd21e998">Al het koorn is &agrave;f!</p>
-</div>
-<p class="par first">en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van
-Rommelaere&rsquo;s trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee
-en vielen er vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen
-schreeuwden nog wat en als &rsquo;t uit was, woelden zij met armen en
-beenen tot de slaap hen kwam overmeesteren.</p>
-<p class="par">&mdash;De laatste nacht hier in &rsquo;t donker
-<span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name=
-"pb152">152</a>]</span>kot, in &rsquo;t vreemde land! morgen opweg,
-overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan raasden er
-nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond en dan
-dommelde hij weg in foezelzwarten nacht.</p>
-<p class="par">De groote stilte hing weer over &rsquo;t hof en &rsquo;t
-wijde land rondom en alle dingen sliepen.</p>
-<p class="par">Dat leed vrij lang toen Wies aan &rsquo;t droomen ging:
-hij lag wakker met de oogen open en luisterde naar lichte stappen die
-naderden. Hij ontgaf het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen
-in &rsquo;t stroo aan zijn voeteind en dan trok hij de moede wimpers
-open om te kijken. En&mdash;ja, daar lichtte een klein keersvlammeken
-bij de tentedeur. Hij betastte zijn lijf om te weten of hij wel
-droomde, hij greep in <span class="pagenum">[<a id="pb153" href=
-"#pb153" name="pb153">153</a>]</span>&rsquo;t stroo onder zich maar kon
-het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag hij Aga die een
-lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te kijken. Zij overging
-heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond, zette zij zich gehurkt bij
-hem neder. Hij was te moede en te lam om dat wonderlijk of vreemd te
-vinden en hij liet alles maar vrij geworden omdat &rsquo;t allemaal
-zotte droomerijen waren, zoo dacht hij.</p>
-<p class="par">Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde:</p>
-<p class="par">Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den
-nacht nog,&mdash;seffens komen er mannen al uw geld stelen, &rsquo;k
-Heb de dieven afgeluisterd in vaders hooischuur.</p>
-<p class="par">Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de
-duisternis. Wies keek hoe het <span class="pagenum">[<a id="pb154"
-href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span>lanteernlichtje slingerde
-tegen &rsquo;t zwartsel van Aga&rsquo;s kleeren.</p>
-<p class="par">Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar
-te houden aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop
-met geweld naar beneden duwde. Op &rsquo;t einde begon hij te twijfelen
-aan &rsquo;t gebeurde, &rsquo;t dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem
-van dieven sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de
-machtige stilte toen alles dood en begraven lag in slaap.</p>
-<p class="par">Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij
-doezelend naar zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in
-een put dien hij met de nagels in het zand klauwde.</p>
-<p class="par">&mdash;De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, &rsquo;t
-is donker, dat werd zoo dom, <span class="pagenum">[<a id="pb155" href=
-"#pb155" name="pb155">155</a>]</span>en zijn zinnen voeren weg in de
-opperste rust.</p>
-<p class="par">Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een
-grooten schreeuw. Een kerel trapte hem op de beenen en door heel de
-tent was er groot gewoel en geraas. De pikkers vloekten en vochten in
-&rsquo;t donker<span class="corr" id="xd21e1289" title=
-"Niet in bron">.</span></p>
-<p class="par">&mdash;Ei, &rsquo;k ben mijn geld gestolen! riep er
-een.</p>
-<p class="par">&mdash;Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af!</p>
-<p class="par">&mdash;Slaat dood!</p>
-<p class="par">De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal.
-De worsteling woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk
-vluchtte en riep om hulp.</p>
-<p class="par">&mdash;Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten!
-tierde Boele. Ik houd er &eacute;&eacute;n, kerels, en hij gaat niet
-levend uit mijne handen! <span class="pagenum">[<a id="pb156" href=
-"#pb156" name="pb156">156</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het
-in gruis sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in
-&rsquo;t opene aangezicht.</p>
-<p class="par">Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte
-hielp hen ongemerkt wegvluchten.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei,
-makkers, hulpe, ze vermoorden ons!</p>
-<p class="par">Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen
-overeen op den grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen
-en stampten waar &rsquo;t raken wilde en kwetsten elkaar zonder
-weten.</p>
-<p class="par">&mdash;Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen
-leeren!</p>
-<p class="par">&mdash;Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede
-in de leden.</p>
-<p class="par">&mdash;Maar, sakker, nijp me niet dood, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name=
-"pb157">157</a>]</span>kermde Sneyer, &rsquo;t is God van den hemel,
-mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers lagen
-ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede.</p>
-<p class="par">Als &rsquo;t klaar werd zaten ze daar, geblutst en
-bebloed, in de vuisten te bijten van gramschap zonder speur van een
-enkelen roover.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik ook, ik ook, riepen anderen.</p>
-<p class="par">Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op
-d&rsquo;hofste&ecirc;, maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren;
-Qu&eacute;lin was vroeg uitgereden en de meesterknecht wist niets om
-hen te troosten.</p>
-<p class="par">&mdash;Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld
-hadt, wend u tot de overheid van &rsquo;t dorp. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span></p>
-<p class="par">De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun
-vuist in &rsquo;t wezen slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande
-hen braaf te zijn: omdat we hier alleene zonder verweer staan tegen
-heel het hof, raadde hij.</p>
-<p class="par">Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken
-halen uit de tent om aanstonds te vertrekken.</p>
-<p class="par">Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder &rsquo;t zand
-terug en de jongen wandelde zwaarmoedig over &rsquo;t hof. Hij lanterde
-tusschen stalling en schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand
-te vinden.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan.
-Sedert de gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot
-nog eens te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde
-hem <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name=
-"pb159">159</a>]</span>al heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond
-op dien langen, dunnen hals, en heur lijf zoo recht gedragen,
-halfuitgegroeid nog en slank in heur korte kleeren, en die kinderoogen.
-die zoo vaag in de verte keken. Hij dook zich achter den huisgevel en
-wachtte daar geduldig tot hij haar zou zien uitkomen. &rsquo;t Was een
-gedurig over en weer geloop van meiden op de hooge steenen stoep, zij
-droegen de koperen ketels vol dampwarme melk binnen en kwamen weer
-buiten met ander gerief.</p>
-<p class="par">En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij
-zag hoe zij traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de
-handen op den rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo
-naderde zij met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg
-was, sloop Wies achter <span class="pagenum">[<a id="pb160" href=
-"#pb160" name="pb160">160</a>]</span>de stallen, hij hief het
-loshangend hekkenpoortje open, loerde tusschen de boomlanen en vond
-haar in &rsquo;t grasweidje onder de hazelaars. Ze zat op de
-knie&euml;n gehurkt en blies de bloeiwol van een melkwiedstaal, lijk de
-jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te leven hebben. Wies bleef
-haar bezien zonder te durven naderen. Zij zal wegvluchten, vreesde hij,
-als ze mij ziet.</p>
-<p class="par">En ze zat daar zoo schoon dat &rsquo;t hem in lang nog
-niet verdroten zou hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij
-&rsquo;t best zou beleggen om haar schuchterheid niet te vervaren.</p>
-<p class="par">Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had:</p>
-<p class="par">&mdash;Aga, fluisterde hij.</p>
-<p class="par">Ze wendde het hoofd, en bleef zitten.</p>
-<p class="par">Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen
-en eindelijk: <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name=
-"pb161">161</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Aga, zegde hij nog eens.</p>
-<p class="par">Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop
-heel kaal in de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend
-naar Wies wat hij haar mocht te zeggen hebben.</p>
-<p class="par">&mdash;Aga, g&rsquo;hebt mij gister komen vermanen voor
-de dieven, da&rsquo;s heel goed, zegde hij ingehouden, maar &rsquo;k
-was zoo moe en slaperig en &rsquo;k meende dat &rsquo;t in een goeden
-droom was als ge tot mij kwaamt.</p>
-<p class="par">Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde
-lippen open en:</p>
-<p class="par">&mdash;Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij,
-vertel me daar iets van? en zij liet zich om goed te luisteren,
-gemakkelijk op het gras neerzinken.</p>
-<p class="par">Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een
-onzeggelijke welligheid door zijn <span class="pagenum">[<a id="pb162"
-href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span>hert en hij jubelde inwendig
-om haar goedwillend vragen. Hij vertelde van zijn huis en de Schelde en
-de groote meerschen, en van moeder en van Lida zijn zuster en van de
-boeren ginder en &rsquo;t goede wintertij en van Rik zijn besten
-vriend&mdash;die nu dood is, besloot hij triestig en hij merkte hoe
-&rsquo;t meisje hem aan de lippen hing en gezucht had om zijn laatste
-zeggen. Hij moest haar alles vertellen over den jongen die de zon hier
-vermoord had.</p>
-<p class="par">&mdash;Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga.</p>
-<p class="par">&mdash;Ja zeker.</p>
-<p class="par">&mdash;En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog
-zusters? en Lida, ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar
-huis komt?</p>
-<p class="par">&mdash;Zeker, herzei Wies.</p>
-<p class="par">&mdash;En nu komt hij niet naar huis, en <span class=
-"pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span>ge
-zult hun al dat kwade nieuws vermonden?</p>
-<p class="par">Wies zweeg, en zij ook.</p>
-<p class="par">Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven;
-dat ze hier alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over
-dat groot hof liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen
-wachtte. Ze noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van
-elk in &rsquo;t bijzonder veel en wondere dingen te vertellen.</p>
-<p class="par">&mdash;Waarom gaat ge zoo &rsquo;s nachts bij uw vader
-zitten? vroeg Wies.</p>
-<p class="par">&mdash;Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en
-&rsquo;s avonds speelt hij geern met de kaart.</p>
-<p class="par">&mdash;Doet ge dat ook geern, Aga?</p>
-<p class="par">&mdash;Om vaders wil, ja. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;En om wat speelt ge?</p>
-<p class="par">&mdash;Om geld.</p>
-<p class="par">&mdash;En vader wint altijd?</p>
-<p class="par">&mdash;Ik laat hem geern winnen.</p>
-<p class="par">&mdash;En als gij verliest?</p>
-<p class="par">&mdash;Dan betaal ik,&mdash;met mijn huurgeld.</p>
-<p class="par">&mdash;En als uw vader verliest?</p>
-<p class="par">&mdash;Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan
-hou&rsquo; ik de winste schuldig tot ik weer verlies.</p>
-<p class="par">&mdash;En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te
-betalen?</p>
-<p class="par">&mdash;Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo
-scheld ik vader kwijt,&mdash;ik durf hem niet slaan,&mdash;maar als ik
-verlies slaat hij me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden,
-zegt hij, en altijd voor dulsten spelen.</p>
-<p class="par">&mdash;En wat doet uw vader met dat geld? <span class=
-"pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span></p>
-<p class="par">Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het
-meisje vertelde hem verder van zijn moeder en van Qu&eacute;lin en van
-eenen kwaden koewachter die haar veel deed lijden en die alles doen
-dorst omdat hij haar te sterk was.</p>
-<p class="par">Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang
-uitgekout was. Er ging eene groote verontweerdiging in hem op om de
-schandige doenwijze van Subbel en hij voelde me&ecirc;lijden met het
-arm schaap dat daar in zoo &rsquo;n schamele weerloosheid v&oacute;or
-hem zat.</p>
-<p class="par">Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de
-geldbeurs van zijn hals en liet er eenige zilvermunt rinkelend in
-Aga&rsquo;s schoot regenen. Dan stormde hij weg, zonder ommezien, als
-een kwaaddoener. Hij jubelde om de daad die hij begaan had. &ldquo;Nu
-kan <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name=
-"pb166">166</a>]</span>zij toch lang verliezen zonder dulsten te
-krijgen van haar vader,&rdquo; dacht hij.</p>
-<p class="par">&mdash;Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in
-zijn loopen, die dat meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en
-dat verdrinkt hij effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig
-me&ecirc;lijden.</p>
-<p class="par">&mdash;Indien &rsquo;t de makkers moesten weten! en
-waarom hou ik me op met een kinderkous! Maar &rsquo;t was nu gedaan en
-hij was er blij om.</p>
-<p class="par">De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder
-malkaar.</p>
-<p class="par">&mdash;Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar
-vertel van mijn geld dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een
-zwijntje koopen om te winter vleesch te hebben.</p>
-<p class="par">&mdash;Ik ben slechter, kermde Sneyer, &rsquo;t
-<span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name=
-"pb167">167</a>]</span>is heel mijne huishuur die gaan vliegen is;
-Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat te gooien!</p>
-<p class="par">Pinne zat g&rsquo;hertig te lachen om al dat gekerm:</p>
-<p class="par">&mdash;Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens!</p>
-<p class="par">&mdash;En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen!
-Waarmee gaat gij uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te
-trouwen?</p>
-<p class="par">&mdash;G&rsquo;ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen
-niemendal en we trouwen algelijk!</p>
-<p class="par">&mdash;Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen?
-wat gaan we doen?&mdash;we kunnen niet zonder geld naar huis keeren.
-Willen we een getij in de beeten gaan werken?</p>
-<p class="par">De andere staken den neus op. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span></p>
-<p class="par">&mdash;Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom
-moeten we allen op de kermis te laat komen! zei er een.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;t Mijne hebben ze niet gevonden, de
-rakkers, bofte Boele, z&rsquo;hadden me anders de armen moeten
-afkappen; mijn geld draag ik onder de oksels! ha! ha!</p>
-<p class="par">&mdash;Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort,
-jongens, om de vijf kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet
-hondig zijn, hoor! Hij greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te
-midden de bende. Van alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en
-seffens was er genoeg om de bestolenen rijkelijk in te staan.</p>
-<p class="par">&mdash;Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan
-elk het vijfde van zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van
-den boer zijn brood en dan zijn <span class="pagenum">[<a id="pb169"
-href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span>we er van onder. Grijpt toe,
-makkers!</p>
-<p class="par">Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol
-met &rsquo;t overschot en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp
-in hun reiszak voor onder weg.</p>
-<p class="par">Heel de bende trok door de hofste&ecirc;; eenigen
-tierden en dreigden naar de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of
-laten bestelen had;&mdash;de anderen dachten aan niets en zongen luide
-hun blijdschap uit omdat ze hier gedaan hadden en naar huis keerden.
-Zij schouderschokten in &rsquo;t voorbijgaan langs den opgestapelden
-oogst, deden hun gevoeg tegen de groote schelven en zwaaiden de pik op
-den rug bij hun zwaren zak. Nu waren zij de breede straat op, in benden
-gedeeld elk bij zijn makkers, en ze koutten luide en leutig over den
-harden zomer en van al wat ze verlangden weer te zien. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p>
-<p class="par">Wies was de laatste en keek gedurig om naar de
-hofste&ecirc;. Al wenschte hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu
-gevoelde hij dat hier entwat achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd
-zou doen wenden, en waar hij later veel met zijn gedachten zou naar
-terugkeeren. Omdat hij &rsquo;t moest verlaten kreeg het machtig
-koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid en hij herdacht het kerkje
-ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu liggen bleef als ze allen,
-zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik zou anders nu me&ecirc;
-zijn in den blijden gang.... maar de zon,&mdash;en dat kisten in het
-wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft te kijken naar den
-vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp.</p>
-<p class="par">&mdash;&rsquo;k En zal haar nooit meer zien, dacht hij.
-<span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name=
-"pb171">171</a>]</span></p>
-<p class="par">De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd
-voorwaards, al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid
-had hun leden gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom
-arme sukkelaars, weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte
-bane uitgeschud.</p>
-<p class="par">Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en
-gingen met uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al
-het afgedane werk in het lijf en de verwachting van nog veel
-vermoeienis eer ze voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en
-deerde hen niet meer, &rsquo;t was feesttij nu ze de armen vrij mochten
-laten zwieren, enkel hun rustend alm te dragen hadden en met de beenen
-maar grijpen moesten. <span class="pagenum">[<a id="pb172" href=
-"#pb172" name="pb172">172</a>]</span></p>
-<p class="par">Daar kwamen zij weer in de groote stad en &rsquo;t was
-eene nieuwe verhemming en vreugde. Ze slenterden door de straten,
-kiezend met de oogen in al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en
-koopziende achter de toogramen lag.</p>
-<p class="par">Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de
-hand, dat hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en
-dongen bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed
-en glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een
-welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in den
-blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid op den
-rug.</p>
-<p class="par">Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere
-straten kwamen nog <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173"
-name="pb173">173</a>]</span>benden pikkers die meer naar oost of west
-van &rsquo;t werk naar huis keerden. Zoo groeide de drom tot een
-overgroot leger en zoo kortten zij, gezellig koutend onder elkaar, te
-zamen denzelfden weg. Achter een langen tijd landlooperije werd de oude
-streek weer kennelijk: zij noemden bij den naam van &rsquo;t dorp al de
-kerktorens die langs de bane en verder in het landschap stonden.</p>
-<p class="par">Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun
-zelfde aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan,
-onveranderd van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het
-kennelijk teeken, het lijf van het vaderland, nu was &rsquo;t hun land
-dat ze onder de voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten,
-waar &rsquo;t altijd reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden
-de <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name=
-"pb174">174</a>]</span>menschen nu hier en daar langs den weg en
-wisselden blijde groeten, en zij telden bij enkele dagreizen den tijd
-dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de plaatse naderden klaarde
-hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes aan. Wies ook zong
-me&ecirc;, maar inwendig knaagde en woog de zware last van de droefmare
-die hij te vermonden had.</p>
-<p class="par">&mdash;D&agrave;ar, die meulen! die hooischuur, van zulk
-eenen boer! tierden zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in
-&rsquo;t voorjaar?</p>
-<p class="par">De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd,
-overal omheind met groote boomen&mdash;de oude popeliers! en hier en
-ginder vonden zij kennissen op &rsquo;t land die, met de late warmte nu
-maar hun koornstukje aan &rsquo;t pikken waren.</p>
-<p class="par">Aan elke kruisstraat sloeg een deel van <span class=
-"pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span>de
-bende een zijweg in en ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde
-stilaan de groote stoet tot de oude makkers alleen nog te gare
-bleven.</p>
-<p class="par">Een groote zegeschreeuw ging op.</p>
-<p class="par">&mdash;Zie, d&aacute;ar onze kerktoren!</p>
-<p class="par">De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten
-hadden, met scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen
-tegeneen gedromd, in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was
-gepint met den grooten meitak voor de kermis.</p>
-<p class="par">Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in
-&rsquo;t land! De vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen
-verslaafd op zoek om man of broeder of kennis te ontmoeten en te
-verwelkomen. Maar de kerels zaten verdeeld in de herbergen, overal:
-hier in de &ldquo;Meerschblomme,&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
-"pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span>in den
-&ldquo;Koekoek&rdquo;, in de &ldquo;Veugelmuite&rdquo; of elders.</p>
-<p class="par">Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in
-&rsquo;t loeiende vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel
-brandewijn, en nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd
-hadden, lijk een goede lafenis door de keel.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Jongens, jongens, jongens,</p>
-<p class="line">We zijn nog niet dood.</p>
-<p class="line">Ja &rsquo;t en is geen nood,</p>
-<p class="line">Bijlange nog niet dood!</p>
-</div>
-<p class="par first">ging het overal, en bij reken liepen de kerels
-gearmd door de straten van &rsquo;t eene bierhuis naar &rsquo;t andere.
-Het kleine dorp, even nog zoo rustig, was nu vol gewoel en beweging en
-leven. <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name=
-"pb177">177</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Waar kan men beter zijn</p>
-<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p>
-<p class="line">Dan in ons moeders keuken!</p>
-</div>
-<p class="par first">Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te
-laten hooren.</p>
-<p class="par">Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong
-te midden den huisvloer.</p>
-<p class="par">&mdash;Moeder, moeder, &rsquo;k ben hier!</p>
-<p class="par">Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe
-en tenden, op eenen stoel.</p>
-<p class="par">Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies
-wel tien keeren welkom.</p>
-<p class="par">&mdash;O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg
-moeder en zij sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere,
-Lida, eten voor den jongen.</p>
-<p class="par">Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en
-eiers geklutst. <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178"
-name="pb178">178</a>]</span></p>
-<p class="par">Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken
-die hem zoo verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en
-begon te eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede
-moeder hem overlaadde.</p>
-<p class="par">Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde
-niets en hield het hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al
-de kleinigheden uit die heur broeder voor moeder en zuster
-me&ecirc;bracht. En zij gebaarde zich welgezind als &rsquo;t een of
-&rsquo;t ander buitengewoon beviel.</p>
-<p class="par">&mdash;Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis
-zijt, zoo onverwachts, zegde moeder, o, da&rsquo;s wel, en ze bekeek
-met behagen heuren grooten jongen.</p>
-<p class="par">&mdash;En de oogst was goed?&mdash;en warm was &rsquo;t
-zeker ginder? O, w&rsquo;hebben het <span class="pagenum">[<a id=
-"pb179" href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span>gezeid hier
-<span class="corr" id="xd21e1561" title=
-"Bron: ondereon">ondereen</span> als de zon zoo laaide en gij ginder te
-werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?&mdash;waar is Rik? vroeg ze
-ineens,&mdash;nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te
-zien.&mdash;Is hij naar huis, Wies?</p>
-<p class="par">Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten
-wat hij zou antwoorden.</p>
-<p class="par">&mdash;Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.&mdash;En hij
-keert nooit meer naar huis.</p>
-<p class="par">Moeder bleef beeldstil gebogen staan over &rsquo;t
-heerdvuur met omgewend hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel
-waarmede zij de melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn
-kleeren in de hand, met open mond te wachten naar verderen uitleg over
-die plotselinge kw&acirc;mare. Geen van de twee die vragen durfde dat
-Wies zou voortzeggen en de jongen stond <span class="pagenum">[<a id=
-"pb180" href="#pb180" name="pb180">180</a>]</span>recht en ging, om
-gerust gelaten te worden, in &rsquo;t achterhuis gaan staan. Lida kwam
-hem daar vinden; ze sleurde hem voort bij de mouw naar buiten bij den
-gevel en:</p>
-<p class="par">&mdash;Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de
-waarheid: wat is er met Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den
-arm.</p>
-<p class="par">Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij
-haar hoe &rsquo;t Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder
-altijd alleen liep al droomend en treurde....</p>
-<p class="par">&mdash;Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde
-zij angstig.</p>
-<p class="par">&mdash;In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen
-schreeuw, herbegon Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover,
-bijkans dood.</p>
-<p class="par">&mdash;En dan?....</p>
-<p class="par">&mdash;Hij sprak nog een woord of twee en <span class=
-"pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>toen
-was hij dood voorgoed. Ze voerden hem van &rsquo;t land, naar een
-wagenkot, en we lazen binst dat de timmerli&ecirc;n de kiste mieken;
-dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een kerkhof en daar hielp ik hem
-begraven.</p>
-<p class="par">Binst dat Wies vertelde zat Lida met &rsquo;t wezen
-gedoken in haar voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij
-zitten als Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met
-me&ecirc;lijden en hij had er deugd in omdat zijn zuster
-weende;&mdash;hoe spijtig, dacht hij, om den armen Rik dat hij niet
-weet hoe Lida verdriet heeft om hem!</p>
-<p class="par">Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele
-stem van een oud vrouwke:</p>
-<p class="par">&mdash;Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen?
-<span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name=
-"pb182">182</a>]</span></p>
-<p class="par">Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder
-Busschaert om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van
-&rsquo;t gene komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte
-achter &rsquo;t huis, over &rsquo;t veld weg. Hij moest voort van hier
-en van al dien weedom, hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder
-Busschaert&rsquo;s ongeluk, en hij liep al wat hij kon om het
-jammerjanken niet te hooren.</p>
-<p class="par">Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te
-zijn, bij moeder en bij al de menschen die hem kenden, en hier was
-&rsquo;t niet te vinden &rsquo;t geen hij zocht en
-verwachtte;&mdash;daar lagen de velden toegesmoord rondom hem met een
-dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude, goede leven was weg
-en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in het verre
-<span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name=
-"pb183">183</a>]</span>land gebleven was. Hij had willen dwalen over
-het kerkhof ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te
-zitten wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.</p>
-<p class="par">Dat uitgaan in &rsquo;t verre land, en die krachtige
-poging, al dat wroeten zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij;
-het verdoen van dien lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren
-in &rsquo;t ijle,&mdash;het kwaad alleen bleef ervan over.</p>
-<p class="par">In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om
-haar kind, zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht:
-dat Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd
-gestolen was en ginder verre begraven lag in &rsquo;t vreemde
-land,&mdash;waar zij nooit naartoe en kon. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name="pb184">184</a>]</span></p>
-<p class="par">De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en
-hij doolde voort, doelloos langs de <span class="corr" id="xd21e1607"
-title="Bron: smale">smalle</span> landwegelkes, eenzaam, ver van de
-menschen en zot van droefheid. De koelte <span class="corr" id=
-"xd21e1610" title="Bron: frischtte">frischte</span> zijnen koortsigen
-kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist niet
-of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.</p>
-<p class="par">Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door
-&rsquo;t dorp en vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht
-ging het luide gebral, op tien plaatsen tegelijk:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;t Koorn is af, &rsquo;t koorn is af!</p>
-<p class="line xd21e998">&agrave;l het koorn is &agrave;f!</p>
-</div>
-<p class="par first">De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen
-die dronken. De vrouwen <span class="pagenum">[<a id="pb185" href=
-"#pb185" name="pb185">185</a>]</span>kwamen knijzen om haar venten
-me&ecirc; te krijgen naar huis, zij trokken hen bij de mouw, tastten
-hun zakken af om &rsquo;t geld te vinden, maar de kerels grepen hun
-glas of een makker in de lenden, en zongen omlangs hoe luider:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd21e998">En nog naar huis niet gaan!</p>
-<p class="line xd21e998">En nog naar huis niet gaan</p>
-<p class="line">Zoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!</p>
-</div>
-<p class="par first">De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen
-zijnen reiszak en sleurden hem blij tierend me&ecirc; naar huis,
-benieuwd naar al de schoone dingen die erin zaten.</p>
-<p class="par">Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Jongens, jongens, jongens,</p>
-<p class="line xd21e1245">we zijn nog niet dood!</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name=
-"pb186">186</a>]</span></p>
-<p class="par">De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en
-stampten op mate:</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line xd21e1245">Waar kan men beter zijn</p>
-<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p>
-<p class="line">Dan in ons moeders keuken!</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line xd21e998">Wij zijn kontent</p>
-<p class="line">Met een pintje van vijf cent!</p>
-<p class="line xd21e1245">Laat ons drinken</p>
-<p class="line xd21e1245">Laat ons schinken</p>
-<p class="line xd21e1245">En laat ons vroolijk zijn!</p>
-</div>
-</div>
-<p class="par first">Uit een afgelegene herberg ging het luide:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wij drinken tot dat &rsquo;t op is!</p>
-<p class="line">. . . . . . . . . . . . .</p>
-<p class="line">Als &rsquo;t op is, dansen wij!</p>
-</div>
-<p class="par first">Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte,
-neuriede een goede broer zijn <span class="pagenum">[<a id="pb187"
-href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span>dronkaards-liedje voor een
-geslotene deur:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Moedere doet open,</p>
-<p class="line">Uwe zoon is hier,</p>
-<p class="line">Hij heeft hem zat gezopen</p>
-<p class="line">aan een glaasje bier.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name=
-"pb188">188</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1 ads">
-<div class="divBody">
-<p class="par first">In VEEN&rsquo;s GELE BIBLIOTHEEK verschijnt:</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop"><span class="sc">Anna de Savornin
-Lohman</span></td>
-<td class="cellRight cellTop"><b>Mara-Liefde</b>.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="sc">Stijn Streuvels</span></td>
-<td class="cellRight"><b>De Oogst</b>.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="sc">Melati van Java</span></td>
-<td class="cellRight"><b>In Extremis</b>.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"><span class="sc">Louis
-Couperus</span></td>
-<td class="cellRight cellBottom"><b>Fidessa</b>.</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<p class="par"><b>Prijs fl. 0.50 gebonden.</b></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 cover">
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e1734width"><img src="images/spine.jpg" alt=
-"Oorspronkelijke rug." width="110" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">&nbsp;</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd21e1741width"><img src="images/backcover.jpg" alt=
-"Oorspronkelijke achterkant." width="488" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="transcribernote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
-overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
-kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
-<a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href=
-"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
-Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e41"
-title="Externe link" href=
-"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
-<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line
-gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd21e41" title=
-"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke
-schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
-stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
-verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
-einde van dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2016-01-01 Begonnen.</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
-dat deze links voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctiontable" summary=
-"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e169">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">zonnegond</td>
-<td class="width40 bottom">zonnegoud</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e224">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">nn</td>
-<td class="width40 bottom">nu</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e239">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">Doet</td>
-<td class="width40 bottom">doet</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e518">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">leide</td>
-<td class="width40 bottom">leidde</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e588">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">hnn</td>
-<td class="width40 bottom">hun</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e710">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">viermaal</td>
-<td class="width40 bottom">vier maal</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e728">92</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e1289">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e759">95</a></td>
-<td class="width40 bottom">Das</td>
-<td class="width40 bottom">Dat</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e777">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">boogen</td>
-<td class="width40 bottom">hoogen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e855">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e884">112</a></td>
-<td class="width40 bottom">altijk</td>
-<td class="width40 bottom">altijd</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e952">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">manen</td>
-<td class="width40 bottom">mannen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1111">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">monkelden</td>
-<td class="width40 bottom">monkelen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1151">140</a></td>
-<td class="width40 bottom">lachtte</td>
-<td class="width40 bottom">lachte</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1561">179</a></td>
-<td class="width40 bottom">ondereon</td>
-<td class="width40 bottom">ondereen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1607">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">smale</td>
-<td class="width40 bottom">smalle</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1610">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">frischtte</td>
-<td class="width40 bottom">frischte</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of De Oogst, by Stijn Streuvels
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE OOGST ***
-
-***** This file should be named 52476-h.htm or 52476-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/4/7/52476/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/52476-h/images/backcover.jpg b/old/52476-h/images/backcover.jpg
deleted file mode 100644
index a681aa1..0000000
--- a/old/52476-h/images/backcover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52476-h/images/book.png b/old/52476-h/images/book.png
deleted file mode 100644
index 8c9ee4f..0000000
--- a/old/52476-h/images/book.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52476-h/images/card.png b/old/52476-h/images/card.png
deleted file mode 100644
index 1ffbe1a..0000000
--- a/old/52476-h/images/card.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52476-h/images/cover.jpg b/old/52476-h/images/cover.jpg
deleted file mode 100644
index 70313e8..0000000
--- a/old/52476-h/images/cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52476-h/images/external.png b/old/52476-h/images/external.png
deleted file mode 100644
index ba4f205..0000000
--- a/old/52476-h/images/external.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52476-h/images/spine.jpg b/old/52476-h/images/spine.jpg
deleted file mode 100644
index 0a2f8c4..0000000
--- a/old/52476-h/images/spine.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52476-h/images/titlepage.png b/old/52476-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 4484172..0000000
--- a/old/52476-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ