diff options
Diffstat (limited to 'old/52316-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/52316-8.txt | 10546 |
1 files changed, 0 insertions, 10546 deletions
diff --git a/old/52316-8.txt b/old/52316-8.txt deleted file mode 100644 index bb4e108..0000000 --- a/old/52316-8.txt +++ /dev/null @@ -1,10546 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Vlissinger Michiel, by P. Louwerse - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Vlissinger Michiel - Of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. - -Author: P. Louwerse - -Release Date: June 12, 2016 [EBook #52316] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VLISSINGER MICHIEL *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - VLISSINGER MICHIEL, - OF - NEERLANDS GLORIE TER ZEE. - - GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OUD EN JONG NEDERLAND - - - DOOR - P. LOUWERSE. - - - Tweede, omgewerkte Druk. - - LEIDEN.--A. W. SIJTHOFF. - - - - - - - - "Kloek en onverschrokken krijgsman, - vlootvoogd, wijs in woord en daad, - Wakker en rechtschapen burger, - trouwe dienaar van den Staat, - Ingetogen, vroom van wandel, - moedig Christen bovenal, - Was De Ruyter, wiens gelijke - de aarde moeilijk noemen zal." - - Mr. J. van Lennep. - - - - - - - -VOORBERICHT. - - -"Meneer, meneer, ik heb het standbeeld van De Ruyter gezien!" met -deze woorden begroette mij, eenigen tijd geleden, een knaap, die -zijnen oom en zijne tante te Vlissingen bezocht had. - -"Zoo, jongen!" zeî ik, "en wat dacht ge wel toen ge dat beeld zaagt?" - -"Wel, meneer, ik dacht: meneer moest eens een boekje schrijven van -De Ruyter. Hij heeft het wel gedaan van Marten Harpertsz. Tromp en -van Piet Hein! En Michiel De Ruyter was toch grooter zeeheld!" - -Ofschoon de knaap op mijne vraag een ander antwoord gaf dan ik -verwacht had, kon ik toch aan zijne oogen zien, dat hier volstrekt -geene vleierij of zoo iets in het spel was, en dat hij inderdaad -wenschte, dat ik een verhaal over De Ruyter schrijven zou. - -Michiel Adriaensz. De Ruyter is voor elk Nederlander de eerste van -alle Vlootvoogden, de grootste van alle zeehelden. Nelson is in zijn -oog niets bij hem. Zoo is het ook voor alle jongens. - -En als die jongens groot geworden zijn, is dan De Ruyter dezelfde -gebleven, als die hij was in hunne jeugd? We willen hopen van ja, -opdat mijn titel voor dit boek geene onwaarheid spreke, waar het heet -geschreven te zijn: "voor oud en jong Nederland." - -Met dit verhaal in de wereld te zenden voldoe ik dus aan den wensch -van den knaap, die er mij om vroeg, en zoo ik vertrouw, meteen aan den -wensch van honderden, die er niet om vroegen, maar het toch wel wilden. - -Het is met Michiel Adriaensz. De Ruyter gegaan, als met Piet Hein; men -weet bijzonder weinig van zijne kinderjaren, daar niemand vermoeden -kon, dat uit den ondeugenden zoon van eenen armen bierbrouwersknecht -eenmaal zulk een groot man zou groeien. Ondeugend moet hij echter -geweest zijn en erg ondeugend ook, dat schijnt eene uitgemaakte zaak -te zijn; want alle verhalen, die er van hem in omloop zijn, spreken -er over. Wij zullen hem dus ook maar als deugniet laten optreden, -doch waarschuwen onze lezers vooraf, dat zij hierin niet te veel -geschiedkundige waarheid moeten zoeken. Zijn dienst als busschieter -te Bergen op Zoom en zijne bedelreis door Frankrijk, nadat hij door -Spanjaarden gevangen genomen was geworden, schijnen wel waar te zijn, -zoowel als zijne roekelooze toren-klimmerij. De makkers met welke -ik hem laat omgaan, zijn, zooals ge wel al dadelijk ontdekken zult, -ook geschiedkundige personen. - -Van harte hoop ik geschreven te hebben, zooals mijn jonge vriend dat -zoo gaarne wilde; ik heb er althans mijn best toe gedaan. - -Vinde het veel lezers en lezeressen, zoowel onder de jonkheid, als -onder de volwassenen, en zij het een middel om de liefde voor onze -schoone Nederlandsche geschiedenis op te wekken en eene uitlegging -van de woorden op het praalgraf van onzen held: "Hij blinkt in -onbezoedelde eere!" - -Het bovenstaande schreef ik bij den eersten druk van dit boekje, -en nu er eene tweede oplage van verschijnt, dien ik wel te zeggen, -waarom er zooveel in veranderd is. Van een paar zijden ontving ik zeer -gegronde op- en aanmerkingen, nadat ikzelf reeds enkele bladzijden -gevonden had, die ik nog wel eens anders had willen schrijven. Kleine -wijzigingen kunnen echter oorzaak van groote veranderingen worden, en -dit was ook hier het geval. Ik hoop nu maar, dat het boek werkelijk -veel verbeterd zal zijn en weer zijnen weg vinden zal onder "oud en -jong Nederland". Hun, die mij hunne humane op- en aanmerkingen gaven, -mijnen dank; mijnen lezers, heil! - - -'s-Gravenhage. P. LOUWERSE. - - - - - - - -INHOUD. - - -EERSTE AFDEELING. - -MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP. - - - Eerste Hoofdstuk. Bladz. - - Eerste Kennismaking 1 - - - Tweede Hoofdstuk. - - Een straatjongens-daagje 11 - - - Derde Hoofdstuk. - - Bij het torenhaantje 26 - - - Vierde Hoofdstuk. - - De "Barre Bruinvisch" 35 - - - Vijfde Hoofdstuk. - - De laatste avond thuis 48 - - - Zesde Hoofdstuk. - - Thuis van de eerste zeereis 63 - - - Zevende Hoofdstuk. - - Het muist, wat van katten komt 74 - - - Achtste Hoofdstuk. - - Verloren tijd inhalen 81 - - - Negende Hoofdstuk. - - Bij de kapers 96 - - - Tiende Hoofdstuk. - - Eene moeielijke bedelreis 107 - - - -TWEEDE AFDEELING. - -MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN. - - - Eerste Hoofdstuk. Bladz. - - Bij den man in huis 122 - - - Tweede Hoofdstuk. - - Het voorspel van een helden-leven 133 - - - Derde Hoofdstuk. - - In dienst van het land 147 - - - Vierde Hoofdstuk. - - De Vice-Admiraal 155 - - - Vijfde Hoofdstuk. - - Alweer de "Barre Bruinvisch" 164 - - - Zesde Hoofdstuk. - - Jan Kompanjie 172 - - - Zevende Hoofdstuk. - - Voor Engelands hoofdrivier 182 - - - Achtste Hoofdstuk. - - Chattam 190 - - - Negende Hoofdstuk. - - Luctor et Emergo 200 - - - Tiende Hoofdstuk. - - De Redder van het Vaderland 217 - - - Elfde Hoofdstuk. - - Het einde van een heldenleven 229 - - - - - - - -EERSTE AFDEELING. - -MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP. - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -EERSTE KENNISMAKING. - - -"Michiel!" - -"Ja, baas!" - -"Waar ben je heel den tijd geweest?" - -"Wel, baas, ik heb, ik heb...." - -"Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en -leugens om jezelven te dekken." - -Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van -den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon, -antwoordde hij: "Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet -om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!" - -De man, die als "baas" aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap -verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de -ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de -knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij -was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en -zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben: -"Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een -dief zich niet van de galg. Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op, -waar hebt gij weer zoo lang gezeten, Michiel?" - -"Ik heb niet gezeten, baas," sprak Michiel, die zijne verstoordheid -opeens vergeten was. "Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad, -nog zoo!" - -"Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo -meenen!" - -"Neen, baas!" - -"Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat -minder gespeeld?" - -"Ja, baas!" - -"Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens -zijt gij nu alweer aan den slag geweest?" - -"Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen -en Pieter Evertsen; met...." - -"Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen- -en sabelvoer." - -"Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?" - -"Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van -de Compagnie!" - -"Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?" riep de -knaap en zijne oogen tintelden van genot. - -"Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!" - -"O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar -het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer -leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen." - -"Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie -je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot -zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?" - -"Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En -schreeuwen dat die matrozen dan doen! Zoo hard kunnen ze niet -trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet -erg pijn doen!" - -"Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!" - -"Ik, baas, ik?" - -"Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen, -als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!" - -"Willen we eens wedden, baas!" - -"Wat zoudt gij wedden?" - -"Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?" - -"Ik wed niet, jongen!" - -"Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe, -wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van -de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos -op een van hunne schepen willen nemen." - -"Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en -best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het -vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al -veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt, -aan boord worden?" - -"Een Admiraal, baas!" - -De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: "Een Admiraal! Ha, -ha! Hoe komt gij daaraan?" - -"Ik heb het gedroomd, baas!" - -"Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!" - -"Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van -school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me -aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen -tijd wakker en dacht: "Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en -Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogden of -Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder -brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en -die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel -brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al -en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!" - -"Dat is geen droomen! Dat is denken!" - -"Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: "Jongen, -staat toch niet zoo te droomen!"" - -"Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij -wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!" - -"Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school -gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al -lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha, -ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje, -dan was het opeens: "Michiel, wat heb ik gezegd?" Dan schrikte ik -wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij -niet vangen." - -"Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?" - -"Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo'n doode -haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen -zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag, -zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle -haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen -oogen den kost geven! Hé!" - -Dat "Hé" kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond -begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was. - -"Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal -geen oppassen in?" - -"In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik -geen "zoete" jongen meer!" - -"In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?" - -"Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van -school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: "Alida, wat nu?" - -"Ja, wat nu?" vroeg Moeder. - -"Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer. - -"Ja, juist man, wat nu?" vroeg Moeder. - -"Toen Vader en Moeder zoo mooi "nuden" begon ik hard te lachen; -maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en -zes van mijne zusters te regeeren heeft...." - -"Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?" - -"Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt -Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed -orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me -af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een -pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging -er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt, -kan zoo vlug niet roffelen als hij!" - -"Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!" - -"Of ik, baas!" Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er -aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer -en vroeg aan Moeder weer: "Ja, wat nu, Alida?" - -Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet -in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: "Ja, juist, -wat nu, Adriaen?" - -Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me -goed en lachte niet. - -"De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij -kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog -eens probeerden bij Meester Van Gelder?" - -"Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn," sprak Moeder. - -"Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!" - -Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk -in school kwamen, zei Vader: "Meester, hier is een jongen, die al van -twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef -willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager -ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld, -alsjeblief!" - -Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden -langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën, -en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei: -"Als ik hem eens voor niemendal nam?" - -"Wel, dat zou me lijken," sprak Vader opgeruimd. - -"Jawel, jawel," vervolgde Meester, "maar dan moet hij tusschen -schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon -maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf -halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken -schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in -den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de -kerk brengen!" - -"Nu," zei Vader, "de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen, -Meester!" - -Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er -nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt -ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet -ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó -bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de -vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het -regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het -laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen -moest, zoo hard wiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als -een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg -ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen -met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!" - -"En zijt ge daar ook weggejaagd?" - -"Ja, baas!" - -"Wat hadt gij dan uitgevoerd?" - -"Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje -een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder -schreef ik: "Dat is de Meester!"" - -"En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?" - -"Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik, -en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had." - -"En toen?" - -"Toen werd ik van school gejaagd!" - -"Ei, ei, en verder?" - -"Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen -goeden baas." - -"Zoo, die goede baas ben ik zeker?" - -"Ja, baas!" - -"Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat -aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge -hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet -willen, hé?" - -"Ja, baas, heel graag!" - -"Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient -gij niet eenen schelling in de week?" - -"Ja, baas!" - -"Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want ge verdient geenen -schelling! De Heeren Lampsens geven eenen schelling, want ik weet -niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!" - -"Het draait ook zoo stroef, baas!" - -"Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele -dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden, -ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!" - -"Neen, baas, dat word ik niet!" - -"Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat -denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?" - -"Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me -wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!" - -"Ja, pluimgraaf, wat anders?" - -"Er zijn veel baantjes aanboord, baas!" - -"Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein -is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor -eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding -en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij -Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo'n kwajongen, -zoo'n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe -dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik -in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en -liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds -te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken." - -"Hoor eens, baas, droomen...." - -"Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel -wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk -draaien als gisteren, hoor!" - -"Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!" - -"Ga aan het werk, luiwammes," riep de baas en hield nu werkelijk in -ernst het "end" gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk -te drijven. - -Michiel ging, doch bromde: "Ook al zoo'n beul, ja! En hij wil niemendal -van mijn droomen weten; maar waar is het toch dat ik gedroomd heb, -dat ik Admiraal was geworden." - -Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren -Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het -werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap. - -Men schreef het jaar 1618. - -De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij -was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De -gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid -en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel -kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist -voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was -anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de -kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van -de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor -hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer, -waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet -pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan -toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand; -hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was, -lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten. - -De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo -stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel -ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar -niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden -jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had -er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel -den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat -tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En -als de koster er niets tegen had, wie zou het dan beletten? De -Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde, -liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register -de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven, -dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest -voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag, -zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen -vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de -handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige -was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste -burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst -uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van -de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster, -omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden -we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men -noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen -waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was. - -Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De -Ruyter. - -Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden, -is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de -zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind, -dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor -hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu, -dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man, -die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet, -en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: "Dat zal -eene opruiming geven!" - -Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij -ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijne Moeder loog hij -nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de -waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een -pak slaag op zat. - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -EEN STRAATJONGENS-DAAGJE. - - -Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch -ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher, -die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op -sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog -vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat -klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg -in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus -juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan. - -"Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?" had -Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam. - -"Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!" - -"Kom, ga met ons mee!" - -"Neen, dat gaat niet, jongens!" - -"Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje -doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?" - -"Neen, dat niet!" - -"Nu, waarom gaat gij dan niet mee?" - -"Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw -op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo -even wat op zitten!" - -"Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt, dat gij -eene boodschap voor den meesterknecht moet doen," zeide Geleyn, -die nog geen woord gesproken had. - -"Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen -verzinnen zal?" vroeg Michiel. - -"Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!" zeide Geleyn, -zoo onverschillig mogelijk. - -"En ik wel twintig!" riep Pieter. - -Daar sloeg de Sint Jacob negen uren. - -"Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het -vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden -tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We -zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook," zeide Pieter vleiend -en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast. - -Michiel aarzelde en vroeg: "En waar gaat gij dan die groote pret -uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?" - -"Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes -te vangen," antwoordde Pieter. - -"Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter -drie! Dat drie brave jongens zijn," klonk op eenmaal de stem van -eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg. - -Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip -aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij -Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens, -van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden -er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij -eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak -van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch -zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne -aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt en onder hunne leiding -leerde hij nu niet zoo heel veel moois. - -"Waar gaat gij naar toe, sausneger?" vroeg Pieter. - -"Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus," antwoordde -de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder -dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek -ingeschreven zou worden. - -"Negersaus," riep Pieter lachend. "Zeer goed spreken! Is me dat eene -taal? Is dat negertaal soms?" - -"Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat -spreek zoo raar, niet verstaan ik!" - -"Goed, goed," zeide Michiel. "Zeg maar waarheen gij gaat!" - -"Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en -dweil! Zjjjt, zjjjt!" zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende. - -"Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen," spotte -Michiel. - -"Dat de Domine ook zegt!" - -"Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de -catechisatie gejaagd!" riep Geleyn. - -"En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het -plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water, -ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de -hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die -schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt -als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie, -gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een -mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag -gedoopt ben!" - -"Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles -gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen," sprak -Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds -lang vergeten had. - -"Neen, ik naar de schippe moet!" - -"Wat naar het schip, gekheid!" riep Michiel. - -"Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie, -klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op -die broekie?" - -Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: "Neen, -zulk een "eindje knut" is alleen voor sausnegertjes. En naar het -schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het -schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar -meegesleept, jongens!" - -Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij -toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind -meesleuren. - -"Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel," riep Jan -eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien, -dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden, -spoedig zad werd. - -"Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor," zei Michiel, "want dan -zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!" - -"Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen," -antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan. - -En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en -zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon. - -Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des -middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om -zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje, eens even te spreken. - -De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen -toen naar huis. - -"Zoo, Michiel," zei Vader, "gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje -van den baas gehad?" - -"Neen, Vader!" - -"Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan, -nietwaar?" - -"Neen, Vader!" - -"Weggestuurd dan soms?" - -"Neen, Vader!" - -"Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn -en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren -Lampsens?" - -"Ja, Vader!" - -"En veel pret gehad, mijn jongen?" - -"Ja, Vader, o zooveel pret!" - -"En wat hebt gij dan uitgevoerd?" - -"We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende, -pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in -zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!" - -"Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen -hebt?" - -"Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog -nooit zoo eene gezien!" - -"Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken -slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede, -dat daar in den hoek staat!" - -Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: "Zal ik het maar -eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?" - -"Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine -stukjes breken!" - -"Dat kan ik ook wel, Vader," antwoordde Michiel en brak het latje al -vast door. - -"Gij zijt sterk," zei Vader, "breng mij die twee eindjes nu maar!" - -"Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!" - -"Komt gij nu hier, bengel," riep Vader terwijl hij verstoord de -vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen. - -Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij -zijnen Vader en.... - -Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek -gehad. - -"Vader, Vader, houd toch op," klaagde en smeekte Moeder Alida en -wilde de hand van haren man tegenhouden. - -"Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken -of mijn naam is geen Adriaen. Zoo'n schandaal van eenen jongen. Het -kwaad moet er uit...." - -"Maar Vader, houd dan toch op," herhaalde Moeder Alida, wier bleeke -wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden. - -"Klets-klets! Het kwaad zal er uit!" - -"Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal -nog stikken van angst," riep Moeder, zichzelve niet langer meester. - -"Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik -houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!" - -"Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af," klonk eensklaps -eene stem. - -De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer, -stond op en zeide beleefd: "Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker." - -Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende -kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij -op het punt stond om het van pijn te besterven. - -De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: "Breng uwen -jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij -is bijna vermoord." - -Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: "Wie zijnen -zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens, -Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?" - -"Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!" - -"En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?" - -"Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een -ongeluk aan hem," sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat -op het vuur. - -"En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?" - -"Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan -van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te -worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne -kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het -kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!" - -"En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens -moeten op eene andere wijze gestraft worden." - -Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner -ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen. - -Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel -pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn -leunen. - -Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder -en sprak op vriendelijken toon: "Jongen, jongen, wat moet er van u -terecht komen?" - -"Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen," antwoordde -Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en -Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag -hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden -man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne -komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie -weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen -bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden. - -"Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen, -Adriaen?" Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader, -wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen. - -"Bij mij in het minst niet, Sinjeur," luidde Vaders antwoord. "Maar, -daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en -kielhalen zit er voor hem op." - -"Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen," hernam Sinjeur -Seylmaecker. "Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt -aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs -moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er -iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?" - -De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide: -"Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil -het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde -worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga, -jongen! Een mensch z'n zin, een mensch z'n leven! Maar, als matroos -het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet -van! Ik zou het besterven." - -"Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z'n -zin, een mensch z'n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet -tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt -nu eenmaal zijn zin te zijn." - -"Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat -zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk -raar goedje, Sinjeur!" - -"Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader -had?" - -"Wat is een zeevader, Sinjeur?" - -"Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om -die voor zeeman op te leiden." - -"Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen -goeden zeevader?" - -"Wel, aanboord van de "Lijnbaan" is...." - -"Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?" - -"Juist, Moedertje! En daar aanboord is de "Barre Bruinvisch" Bootsman!" - -"De "Barre Bruinvisch"? Is dat Corstiaen Lievensz.?" - -"Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze -maat dien "Barren Bruinvisch" tot zeevader heeft, dat hij aanboord -wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!" - -"Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou -en geene grapjes uithalen," zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder -overwonnen was. - -"Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?" vroeg -het heerschap. - -"Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het -pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar, -Michiel, mijn jongen?" - -Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op -het derde knoopsgat hangen. - -"Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet -dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam -een vaatje bier bestellen!" - -"Alsjeblieft, Sinjeur!" zeide Adriaen. - -"Neen, geen alsjeblieft," hernam Seylmaecker. "Ik zou dat eigenlijk -moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer -Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij -moest." - -"Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier, -dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er -is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn -nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee, -al is hij reeds in zijn elfde jaar." - -Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij -zichzelven dachten: "Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging; -de boonen zijn al lang gaar!" - -"Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te -stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er -nog eenig voordeel bij?" - -"Ja, Sinjeur!" - -"Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu -ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet -smakelijk samen!" - -"Dank u wel, Sinjeur," zeiden Vader en Moeder. - -Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand: -"En over dien bengel daar,"--hij wees op Michiel,--"zult gij nog wel -eens denken, nietwaar? Goeden dag!" - -Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: "Hij ziet er zoo -bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren, -dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn." - -"Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed," zeide -de Moeder. - -"Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of -er een broertje aan dood hebt." - -"Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk." - -"Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien -tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft -er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden, -kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!" - -"Michiel denkt zeker: "Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet -boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast," zeide Jan, -de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon. - -"Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft," sprak Moeder Alida, -die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden -was. "Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam." - -"Dat zijn lekkere, Moeder," zeide Michiel en schoof in den schotel voor -Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen -uit denzelfden schotel, weet ge! Aan een bord voor ieder werd niet -gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen, -zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men -ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer -boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten. - -Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de -lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen -werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen. - -Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens -dacht: "Zoo'n "end" schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!" maar -pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en -hield eindelijk heelemaal stil. - -"Zeg eens even, nu al moede?" vroeg Lorkens, die Michiel met de -handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het -huisje vond staan. - -"Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!" - -"Wat geef ik om een koeltje, draai maar!" - -"Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde -marszeilskoelte waait!" - -"Wilt gij nu wel eens draaien, kwâjongen?" - -"Ja, baas!" - -Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van -krijgen zou. - -"Draai toch harder, schavuit!" - -"Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het -vet gezet en gesmeerd worden!" - -"Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden, -dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer -geluierd! Draai!" - -"Ja, baas!" - -En weer ging Michiel aan den gang. - -"Wacht," dacht hij, "als ik den draaier een klein beetje links duw -onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een -mensch er akelig van wordt." - -Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links. - -Piep-piep! klonk het zacht. - -"Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder," mompelde -Michiel. - -Rrrrt, alweer wat links. - -Piehiep! Piehiep!-- - -"Heerlijk, prachtig, het kan niet beter," zeide Michiel zachtjes -en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat -afschuwelijke geluid vandaan kwam. - -"Het is het wiel, baas!" riep Michiel. - -Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was. - -Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep! - -Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer. - -"Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te -maken," sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de -man niemendal van Michiels uitvinding af. - -"Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door," zeide Michiel -met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond -ophoudende met draaien. "Het zal eens een weekje rust moeten hebben -om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!" - -Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel -rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien -ook alleen te doen? - -"Haal den smeerpot, Michiel," beval hij. - -"Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?" - -"Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!" - -"Ja, baas!" - -"Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt," mompelde -Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was, -zooals Michiel het gemaakt had, maakte het ding nog een afschuwelijk -geweld. - -"Het is toch waar," bromde hij ontevreden. - -"Hi-hi! Hij probeert eens," zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot -greep. "Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht -maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!" - -"Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?" riep de baas, wien -het wachten verveelde. - -"Neen, baas! Hier ben ik al!" - -"Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?" - -"Ik geloof van hier, baas," zei Michiel en wees een plekje aan waar -niet te veel smeer was. - -Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in -het vet te zetten, waarna hij zeide: "Er is nu bijna eene karrevracht -smout op! Kom aan, draai nog eens!" - -Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat -geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep! - -"Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg," sprak Lorkens, die nu -een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was, -klonk het bevelend: "Draai, bengel!" - -"Ja, baas!" - -Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie.... - -"Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan -er toch aan dat ding haperen?" sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het -gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar -moest zijn, wachtte. - -Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep: -"Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een -stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd -marszeilskoeltje, die...." - -"Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd -marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!" - -"Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen -zijn en heel graag ook, maar zonder...." - -"Zonder het wiel zeker?" - -"Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo -opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de -baan gebleven, wie zou het dan draaien?" - -"Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter -verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het -wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van -op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!" - -De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen -en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te -hebben, te draaien dat het een lieve lust was. - -"Het heeft dan toch wat geholpen, baas!" riep Michiel. - -"Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op," -was het korzelig gegeven antwoord. - -Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even -piepen. - -"Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij -den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen," zeide Michiel -met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken. - -"Laat piepen wat piept! Draai!" snauwde Lorkens hem toe. - -Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos, -en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn -werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: "Daar moet de -smid naar komen kijken! Ga hem halen!" - -Weg was Michiel. - -Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal -mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar -kwam, hielp hij een bootje vastleggen, maakte een praatje met de twee -matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar -den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen -en de Meester zou dan dadelijk komen. - -"Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis," -zeide Michiel. - -Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het -wiel bekeken of hij zeî: "Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de -draaier wel goed?" - -Michiel hoopte dat die "akelige vent" het niet vinden zou; maar dat -viel hem bitter tegen. - -"Welja, het ligt aan den draaier," zeide hij. "Die is te veel naar -links! Een klein gebrek, gauw verholpen!" - -Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu -vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide -eens en.... - -"Ga maar gerust aan den slag, hoor," sprak hij, "en als het ding nu -nog piept, dan geef ik een potteken bier." - -Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen, -maar mis, er was niets te vernemen. - -"Ziezoo, alles in orde," sprak Meester Heisteck en ging met zijne -gereedschappen heen. - -Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en, -Michiel kon naar huis. - -Of hij dien dag zijn kostje verdiend had? - -Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben: -"Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost -dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil -naar zee!" - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -BIJ HET TORENHAANTJE. - - -"Michiel, hei, Michiel!" - -Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de -lijnbaan slenterde. - -"Wat is er aan de hand?" vroeg Michiel vrij korzelig. - -"Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel, -hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!" - -"Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!" - -"Jij schreeuwde brand en moord!" - -"Hoe weet gij dat?" - -"Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!" - -"En aan wien hebt gij het verteld?" - -"Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!" - -"Aan welken Jan?" - -"Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!" - -"Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?" - -"Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie -de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij -krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is. - -"Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot -willen overdoen!" - -"Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze -daar uitvoeren?" - -Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan -draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel -grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren. - -Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden -van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: "He, wat zitten die -daar heerlijk in den wind!" - -"Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn -land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een -manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef -die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot -tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!" - -"Ik zou daar ook wel eens willen werken," zeide Michiel. "Vooral nu, -daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren." - -"Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie, -akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!" - -"Pats," zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren -dat hij op den grond tuimelde. - -"Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?" vroeg Jan toen hij opgestaan was. - -"Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben, -dat gij daar zoo mee te koop loopt." - -"Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen -zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet -wat geleerd." - -"Wat dan?" - -"Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!" - -"Dat behoort zoo, anders helpt het niet," zeide Michiel. - -"Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa," riep Jan lachend, -doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik -van Michiels handen kwam. - -Lachend zag Michiel hem na, mompelde: "Een goedzak van eenen jongen -toch, dat moet gezegd worden," en slenterde naar de lijnbaan waar baas -Lorkens zijn "goeden morgen, baas," beantwoordde met een nijdig: "Zoo, -is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er -is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald." - -"Ja, baas," zei hij droomerig en begon te draaien. - -Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur -eer Michiel het wist. - -"Genoeg, Michiel! Houd maar op," riep baas Lorkens. - -"Ja, baas!" - -"Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap, -te wonen?" - -"Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest." - -"Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?" vroeg baas -Lorkens ongeloovig. - -"Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje -om me maar naar zee te laten gaan." - -"Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?" - -"Ja, baas!" - -"Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben -dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als -gisteren hier in de baan?" - -"Ik in de baan streken uitgehaald, baas?" - -"Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!" - -"Maar, baas dan!" - -"Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis -was, gedacht heb?" - -"Neen, baas." - -"Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die -kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch -leven te laten maken." - -"Maar, baas!" - -"Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb, -vóór het volk er was?" - -"Neen, baas!" - -"Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even -los maken, dat de smid vastgezet heeft. - -"Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al -maar een beetje meer links tot het op het laatst ging precies als -gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?" - -"Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!" - -"Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar -zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen -zonder dat het "endje touw" voor den dag komt? De Kapiteins van de -schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord -is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!" - -"Wie is Keesje Knuttel, baas?" - -"Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat -Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf -verdiend heeft een warm broekje te geven!" - -"Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een -"endje dag." Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou -maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!" - -"Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat -hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar -bed gaan." - -"Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!" - -"En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?" - -"Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!" - -"Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord -hebben?" - -"Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de -"Barre Bruinvisch" mijn zeevader werd." - -"Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog -wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?" - -"Admiraal, baas!" - -"Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en -twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!" - -"En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug -komen baas?" - -"Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf -maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!" - -"Ja, baas!" - -Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep -zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: "Hij heeft -zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag -eens vragen wat hij uitgevoerd heeft." - -Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het -was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap -gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het -voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was -er nog niet van gekomen. - -En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie -weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom, -vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je! - -Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk -door de komst van eenige schepen der Compagnie. - -Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden -met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen -koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had. - -Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen -draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan -slagen krijgen al gewoon geraakt. - -Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren -ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus, -geenen tijd verzuimen! - -De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde, -ontdekte hij, dat ze toch niet op slot, maar alleen stevig aangezet -was, om de indringers niet te lokken. - -En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang -bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden. - -Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te -verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was, -vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den -omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder -hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af, -terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren -sporten hooger klom. - -Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger -tot bij het kruis. Maar.... - -"We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen," zeide een van het -volk toen het al beneden in den toren was. "Het waait fel; ze konden -losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die -zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het -ons inpeperen zou." - -Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder -dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer en zetten deze -zoo, dat ze onmogelijk vallen konden. - -Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed -naar beneden. - -En Michiel? - -Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op -de Schelde genoten had. - -Wat een vergezicht! - -Hoe mooi! Hoe schoon! - -Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat -wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo! - -En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters, -die naar de Oost gingen. - -Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide -en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel -dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond! - -En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men -er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem -uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter -Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!--Och, -och, hoe mooi! Hoe mooi! - -Daar beneden hem sloeg het twaalf uren. - -Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene -klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren -doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke -golvenlied. - -En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn -leven was, dat hij zien kon. - -Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend -ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden. - -Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid! - -Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven, -dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan. - -Hij kon evenwel nog hooger. - -Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen. - -Zou hij het doen? - -Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk -en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen -zeggen: "Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den -toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!" - -Zou hij het doen? - -Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel! - -Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij -wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige -vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit -te doen. - -Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof -en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm -vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij -het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele -klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden -staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het -kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het -is me een sjouw, hoor! Maar--de aanhouder wint. Hij raakt den haan, -den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem -te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde -wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan -maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom -staat, alsjeblief! - -Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens -beneden naar de markt gekeken. - -Hij staat er, maar.... - -"Wat! Waar is de markt nu?" mompelt hij. - -Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne -voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht. - -En wat deden die boeren en boerinnen gek! - -Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken! - -Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze -schreeuwen wat! - -Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen. - -Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: "Och, -hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden -komen?" - -Beneden komen? Wel, langs de ladders! - -Daar laat hij zich glijden tot op de peer! - -"He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald," -bromt hij. - -"Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden -rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo'n ladder op den knikkerbol -en--men is er geweest, secuur geweest." - -Michiel zit een poosje stil en denkt na. - -Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders -zou hij vast lachen. - -Maar dat lachen zou hem niet mooi staan. - -Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden -hun hart vast. Ze sidderen en beven. - -Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van -sidderen en van beven weet hij niemendal. - -Maar hij moet toch naar beneden! - -Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal -de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers, -waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen. - -"Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen," roept hij en begint -den roekeloozen tocht naar beneden. - -Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren. - -En daar beneden uit "dien emmer met muizen" stijgt één geluid, één -klank naar boven: "Goddank!" - -Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was, -die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte. - -Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze -willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is! - -"Op zij! Op zij!" - -Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord, -en is het werkvolk gaan roepen om den knaap te redden. Het schijnt -wel een straatjongen te zijn, maar.... - -"Wie is het, Burgemeester, wie is het?" - -"Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren -en van de peer af, zegt ge?" - -"Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!" - -"Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is -hij!" schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven. - -Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt, -vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van -den negerjongen: "Daar is hij!" zien ze op, en, ja, waarlijk, het is -Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van -Alida Jans. - -En--verdwenen is hij. - -Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt -naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt. - -De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij. - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -DE "BARRE BRUINVISCH." - - -"Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?" vroeg Alida, de oudste zuster -van Michiel. - -"Och, ik weet het niet, kind! Eet maar," zegt Moeder. - -Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen -met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat. - -Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen. - -Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet. - -Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden -en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn. - -Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die -aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom -het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er -in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel. - -En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer, -en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor -zich zat te kijken. - -Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen? - -Stil, ik geloof dat ik het weet. - -Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in -den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren, -en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem -gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel, -dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook -maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den -nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken. - -En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten! - -Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn? - -Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad -zal er uit? Had hij den kwâjongen niet geranseld, niet zóó geranseld, -dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn -stokje te rollen? En nu al vergeten! - -Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel, -en keek het kleine vertrek rond. - -Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht -en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje -van den haard stond. - -Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vader het ook en -hij dacht: "Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg: -het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit." - -"Maar wat zou er toch te doen zijn?" zeide Jan, de oudste broeder -van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield. - -"Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen," merkte een der jongeren -ongeduldig aan. - -"Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam," riep -Alida. "Wat moet die hier komen scharrelen?" - -"En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook," zeide Dirk. - -"Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken, -Adriaen?" sprak Moeder. - -Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan. - -"Zouden we maar niet danken, Adriaen?" vroeg Moeder andermaal, doch -erg angstig en bevend. - -Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij: -"Wat vraagt gij daar, Moeder?" - -"Of we maar niet danken zouden?" - -"Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar, -jongen! Ik kan het niet." - -Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes -vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte. - -Nauwelijks evenwel had hij "Amen" gezegd of de kinderen stoven van -hunne zitplaatsen op. - -"Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?" vroeg Vader. - -"Maar, Adriaen!" zei Moeder Alida, "hoe heb ik het nu? Wij hebben -immers zóó gedankt!" - -"O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!" - -De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida -vloog weer naar binnen en riep: "Moeder, Vader, Michiel heeft boven -op den toren gezeten!" - -"O, God, en is er af gevallen!" riepen Vader en Moeder bijna tegelijk. - -De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo -onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden -om niet te vallen. - -Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet -minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder? - -Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene -groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust -tot slaan zeide: "Het kwaad moet er uit en zal er uit," maar alleen -uit liefde voor u? - -Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: "Van -buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is"? - -"Dood gevallen?" vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij -het niemand anders dan zichzelven vroeg. - -"Neen, Vader," zei nu weer een ander der kinderen, "hij is heelhuids -beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet." - -"Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan, -heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb. - -"En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en -trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden -langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik -koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal -Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij -dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf, -allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en -dan wij vraag wilden: "Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is, -die heeft moed!"" - -Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de -wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander -vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: "Daar -is de belhamel! Daar is Michiel!" - -Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen -waren, die hem, niet te huis vindende, weer elders gezocht en gevonden -hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had, -naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel. - -De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen -tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon, -dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne "flauwigheid" -vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij. - -Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels. - -"Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier, -Michiel," riep ze. - -"Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!" riep -Geleyn Evertsen. - -"Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!" schreeuwde Pieter zoo -hard als zijne jongenskeel dit toeliet. - -En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs -zoowel als van kleinen: "Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder -van Michiel!" - -"Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!" riep Michiel. - -"Roep dat nog eens, Michiel," zeiden de jongens en hieven hunnen -Koning in de hoogte. - -Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner -makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele -westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren -deed golven, riep hij weer met stralende oogen: "Leve mijne goede, -lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!" - -"Hoezee!" brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot -het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende -te zingen: - - - "Lang zal zij leven! - Honderd jaar na dezen! - Lang zal zij leven - Moeder Alida!" - - -Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat, -en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: "En wees niet boos, -goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar -binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!" - -"O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind, -kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel -pijn," sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen. - -En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden, -en juichte maar altijd door: - - - "Lang zal zij leven - Moeder Alida!" - - -"En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even -aan het woord mag komen," zeide Vader Adriaen en kwam met de groote -tang nader. - -Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot -gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene -vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven -te komen. - -"Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!" riep de Vader -sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor -liefde in de plaats gekomen was. - -Daar ging de tang de hoogte in. - -Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug. - -Daar daalde de tang en.... - -"Hei, niet slaan!" riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter, -den arm van Vader Adriaen tegen. - -"Neen, Adriaen, niet slaan!" riepen enkelen uit den hoop. - -Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en -toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: "Uit den weg, -Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik." - -En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen -den rug. - -"Niet slaan! Niet slaan!" riep het volk nu ook met de jongens mede. - -"Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?" riep de Vader bleek -van kwaadheid. "Ik zal toch dien kwâjongen...." - -"Niet slaan! Niet slaan!" klonk het nu van al het volk als uit éénen -mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden, -riepen het mede. - -Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien -zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok, -tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit -elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen. - -Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens. - -"Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!" zeide -de Burgemeester. - -"Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten -mij het. Maar nu zal ik...." - -"Niet slaan! Niet slaan!" riep het volk in koor. - -De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks -zijne nabijheid, zoo brutaal riep. - -"En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding -brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste -vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat -dan beletten?" - -"Wij, Heer Burgemeester," riepen enkelen. - -"Wie roept dat daar?" - -"Wij, Heer Burgemeester!" riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men -nu door den regel van drieën heen was. - -De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel: -"Sla zeg ik!" - -"Niet slaan! Niet slaan!" schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht -om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen, -dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen. - -"Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?" riep de Burgemeester -woedend uit. - -Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte -heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester. - -Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd -man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar -langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek -wel eenen leeuw. - -Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: "Ssst, de "Barre -Bruinvisch" heeft het woord," werd het doodstil. - -"Wie ben je, wat wil je kerel?" vroeg de Burgemeester wat -terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins -bevreesd te zijn. - -De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe. - -"Ik ben de "Barre Bruinvisch"!" sprak de man. - -"Leve de "Barre Bruinvisch"!" schreeuwde de menigte. - -"Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!" sprak de -zeeman bevelend tot het volk. - -Weer was het doodstil. - -"Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?" vroeg -de Burgemeester! - -"Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!" - -"Van beroep?" vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij -op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het -verhoor had. - -"Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de "Lijnbaan" van de -Heeren Lampsens, Burgemeester!" - -"Dat is zoo," zeide Lampsens tot den Burgervader. "Een ferm, open -en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge -op aan!" - -"En wat wilt gij, goede vriend?" klonk het nu eensklaps uit den -mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna -vriendelijken toon. - -"Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!" - -Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om -den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem. - -"Die "Barre Bruinvisch" mijn baas is," zeide Jan Kompanjie. "Dat baas -veel durft." - -"Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch -ook wel eens gebruik maken van het "endje dag," nietwaar?" vroeg -de Burgemeester. - -"Daar staat een van de Patroons," zeide Lievensz. "Laat hij zeggen -of de "Barre Bruinvisch" niet al zeevader geweest is over misschien -wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!" - -"Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels," zeide Lampsens, -wat nader tredend en Michiel goed beschouwend. - -"En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de "Lijnbaan" -veel van het "endje dag" gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en -plicht te brengen." - -"Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit," antwoordde -Lampsens. - -"En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook -wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is." - -"Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders -hebben graag jongens, die aanboord van de "Lijnbaan" van Lievensz. het -varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene -week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te -Middelburg mij eene mooie som gelds geboden." - -"Hi, hi, ik waard ben een mooie geld," riep Jan en gaf van pure -blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene -klok. "Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!" - -"Sausneger," bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader -losgelaten was. - -"Alzoo," dus vervolgde de "Barre Bruinvisch" toen de Heer Lampsens -zweeg, "alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel -bengels weet te regeeren zonder het "endje dag." Ik zeg maar...." - -"Het kwaad moet er uit en zal er uit," zeide Vader Adriaen, en de -toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug. - -"Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal -er uit, maar niet met slaan," sprak Lievensz. "Men slaat het kwaad -er soms dieper in." - -"Ik zou wel eens willen weten, hoe dan," sprak de Burgemeester. - -"Ja, juist, hoe dan?" bromde Vader Adriaen. - -"Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou -ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet, -dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later; -maar er uit gaat het. En--alle jongens houden veel van me." - -"Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke," zeide Jan, en liet -vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne -oogen zien. - -"Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?" vroeg de -Burgemeester. - -"Welk plan, Burgemeester?" - -"Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede -zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort -met rebellie te veroorzaken." - -"Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar -naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht...." - -Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor -zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: "Als de wind naar -binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep." - -En Michiel? - -Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd -werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing -van iedereen, verdwenen. - -"Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een -bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht -bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen: -"Daar zit wat in dien deugniet!" Ja, ik had wel in mijne handen willen -klappen en "Mooi, mooi!" willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien -hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte, -zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken -van zijne schoenen,--het was goed dat er spijkers in waren, Vader -Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,--de leien stuk. Ik zag -het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg -een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog: -"Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!" - -"Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder -naar boven kon klauteren en daarom zei ik: "Nu mensch, doet zoo raar -niet! Hij zal wel voor anker komen!"--Maar pas had ik dat gezegd, -of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar -de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als -een Ammiraals-vlag in het kluisgat!" - -"Ze viel dus van d'r zelven, die goede ziel," zeide eene der vrouwen -op meewarigen toon. - -"Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat -noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor -dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek -hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen -Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen." - -"Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?" vroeg hij. - -"Het is een mooi stuk," zei ik, "een mooi stuk, Sinjeur!" - -"En weet gij ook wie het is?" vroeg hij. - -"Neen," zei ik, "maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur -komt dan kunnen wij hem zien." - - - ------- -FIGURE ------- - - - -Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen, -niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne -hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu -als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal -zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast -en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit, -zoodat hij een poosje later zei: "Daar is hij! Ik ken hem al! Het is -Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er -bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik -heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien -nog wat van hem groeien!" - -"Zoo," zei ik, "en...." - -"En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn -zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou -het besterven, zeide ze." - -Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop -naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met -zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch -zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: "Niet slaan," -Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd." - -De "Barre Bruinvisch" zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het -zweet van het voorhoofd en zei: "He, zulk eene redevoering bekomt -een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn -middagmaal doet." - -"Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van -eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt," -zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo -ver medeging. - -"Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij deze menschen binnengaan -en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden -middag!" - -De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok. - -De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop -niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren, -gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje, -Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan. - -Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel, -die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde, -wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had. - -Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel -en redeneerden druk. - -In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch -langzamerhand, naarmate de "Barre Bruinvisch" meer aan het woord was, -hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: "Nu, Lievensz., -neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt -maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard." - -Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk -luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek; -want pas had Moeder gezegd: "Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne -reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken," of hij sprong op, -liep naar zijne Moeder en kuste haar. - -Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden -toon en vol gloed en leven: "Vader, het kwaad is er uit!" - -"Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een -jaar drie-vier vertellen," luidde het antwoord. - -"Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal, -heelemaal uit met wortel en tak." - -"Het zou goed voor je zijn, jongen," sprak Lievensz. - -"Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!" sprak Michiel en liep -met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de -eene lijnbaan afging om op de andere te komen. - -"Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?" - -"De "Barre Bruinvisch," baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter -om hun het nieuws te vertellen." - -"Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!" zeide -baas Lorkens. - -"O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat -worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop -op! Hoezee!" riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de -straatkeien te rollen. - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DE LAATSTE AVOND THUIS. - - -Het was de avond voor Sint-Stevensdag, [1] den tweeden van Oogstmaand -des jaren 1618. - -In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil. - -De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op -straat bezig met spelen of wel aan hun werk. - -Moeder Alida was dus alleen. - -Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene -geopende kist halfvol jongensgoed. - -Het was Michiels armoedige uitrusting. - -Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen -aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan -toch nieuw. - -"Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar -laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken, -ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen," zei Moeder Alida tot -zichzelve. - -De torenklok sloeg zeven uren. - -"Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken," zei ze weer. "Hij -blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil, -daar zal hij komen!" - -Er klonken driftige voetstappen. - -De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: "Hola!" - -"Komt er maar in," antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: "wie zou -dat wezen?" - -Pas had ze evenwel geroepen: "Komt er maar in," of de man met de -zware stem trad binnen. - -"Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft -de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap -gesmeten." - -Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in -een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat. - -"Eene kat," zuchtte Moeder Alida. - -"Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens -opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete -pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne -vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar -gezicht vol pap. Haar jak vol pap...." - -Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen -gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken. - --- --"haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs -pap op haren rug!" - -Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit. - -Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte. - -"Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn -aangezicht te komen uitlachen?" riep Meester Van Gelder op zulk eenen -woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende -dat de man opeens krankzinnig geworden was. - -Angstig naderde zij hem en zeide: "Maar, Meester, wees toch -bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?" - -"Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen -huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren -om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten, -in schotels met pap te smijten." - -Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de -grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van -Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen, -hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen -voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte -straatjongensstreek had uitgehaald. - -Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel -eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve. - -Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke -slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel, -die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man -in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte -hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen, -hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen -op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden. - -O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon -menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen -maken, het leest diep in het hart van allen, die zij lief heeft, -wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de -hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren, -te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een -groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot -de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam. - -De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift -niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste -achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft. - -En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders? - -Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen -omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning -kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom -die viel. - -En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf, -pijn, zij duldde dat hij kastijdde. - -Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet -toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek -met die doode kat uitgehaald. - -Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde, -trad ze tusschen hem en haren jongen. - -Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat -goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar -is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op -eenmaal gebleven? - -Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht -ligt eene uitdrukking van heldenmoed! - -Meester Van Gelder zag dat alles ook en--hij bleef staan waar hij -stond. - -"Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder, -en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste -vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag -ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan." - -"Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis -gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat -is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af." - -"Ga maar gerust op zijde, Moeder," sprak thans Michiel. "Ik sta hem -en ben niet bang voor hem." - -Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk, -maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle -kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de -ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn. - -"Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen," sprak Moeder. - -"Maar, Moeder, hij zal...." - -"Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik -bij ben!" - -"Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is -die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?" - -Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den -"Barren Bruinvisch", die, zonder dat iemand er iets van gehoord had, -binnengetreden was. - -Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te -zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de -doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel -hiermede uitgevoerd had. - -De "Barre Bruinvisch" hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk: -"Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.". - -"Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te -willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar -dat aan het verstand brengen." - -"Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg -mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?" - -"Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel -Vlissingen." - -"Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?" - -"Wanneer?" - -"Ja, wanneer, hoe laat?" - -"Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben, -zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de -klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag -van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren." - -"Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den -liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken -en--neem poesje mee." - -"En die bengel dan?" - -"Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan -het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en--hier, -poesje moet mee." - -"Bootsman, ik zeg...." - -Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de "Barre -Bruinvisch" werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: "Gooi -uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de "Lijnbaan" en vraag -daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan -het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem." - -De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder -tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur -in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij. - -Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De -leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die -ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere -kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was, -dat Michiel waarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide: -"Het kwaad is er uit." - -"Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke," zeide de -"Barre Bruinvisch" nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele -zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen -was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der -stad wonende, nog altijd "Buurman Engels" genoemd werd, omdat hij in -vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap -van zijn dochtertje Cornelia. - -"Goeden avond, buurtjes," zeide hij. "Hoe maken de menschen het -zoo al?" - -"Goed, gelukkig goed, buurman," sprak Vader Adriaen. "Ga zitten! Alida, -geef buurman eenen stoel!" - -"Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel -goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?" - -"Ja, buurman," antwoordde Vader. "Er zat niets anders op. Het spijt -mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer." - -"Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De -Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het -zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de -Oostzee en dan naar de Groote Oost." - -"Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken," -sprak Moeder. - -"Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me -waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te -herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen -van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam, -bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen -op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer -van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den -hol gegaan en met paard en wagen te water geraakt en verdronken? Is -zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat -is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten -door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan -men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in -gevaar, onverschillig waar men is." - -"Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!" - -"Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid -zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan -te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met -Michiels besluit." - -"Maar, buurman," riep Moeder. "Ons gelukwenschen? Neen, dat meent -gij niet!" - -"Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te -vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet -wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn, -als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke -daalders in den schoot werpt en zegt: "Zie, Moedertje, ge hebt me -zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen -rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop -nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen." - -"Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!" liet -de "Barre" zich hooren. "Ik zeg maar: - - - -Een Hollandsch kind blijft niet aanwal: -Hem is de zee het best van al! - Zij brengt hem de eêlste gaven. -Het goud drijft op den zilten vloed, -Hij grijpt het, maar de landrot moet - Er diep in de aard naar graven. -En pakt de storm den zeeman beet, -Een wapen heeft hij steeds gereed, - En nooit is hij er zonder. -Dat wapen is: geloof aan God, -En hiermee gaat hij zelfs ten slot, - Volmaakt gerust, kopje onder!" - - - -De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken, -dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: "Dank je, Lievensz., -gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen -dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide." - -"Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting," -liet Vader Adriaen zich hooren. "Hij zal wel niet kunnen sparen." - -Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: "Ja, Vader, zeker -zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik -vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de -Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we -er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens -vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen -is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!" riep Michiel vroolijk. - -"Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel -van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien, -als eene wafel met suiker." - -"Dat zou ik zeker, Moeder!" - -"Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!" - -"Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere -mij bij het leven en de gezondheid spaart!" - -"Juist zoo, Michiel, juist zoo!" zeide Engels, "ik zeg ook: willen -is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen." - -"We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels," zoo nam nu -Lievensz. het woord, "Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een -straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog -niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder, -die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de -oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijne zusters waren allebei -jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een -zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden -en op bed liggen. En--ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie -in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat -knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de -Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld -uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt, -want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik -ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door te willen. Als de wil -maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar: -"Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?" - -"Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me -eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht." - -"En tot hoever was dat?" - -"Tot Admiraal, Bootsman!" - -"Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal -worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt," -sprak Vader. - -"Zulk eene gedachte is zondig, Michiel," liet Moeder zachtjes hooren, -doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk -eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren -flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd -voor het dagelijksch brood te beginnen. - -"Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij -zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten -den kommando-staf niet neerlegt," sprak Lievensz. "Maar--Admiraal -worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt en vertrouwt -dat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden -moet er wat meer in den bol zitten dan wat er nu in zit, manneke! Ik -vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet." - -"Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman," antwoordde -Michiel. - -"Als gij daarbij maar blijft, jongen," zeide Engels, "dan zal de -zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen -tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje -Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders -voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat, -geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het -is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen -heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om -den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de -lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te -groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong -en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!" - -Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel -en zeide: "Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf -gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij: -"Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu -wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat -ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den -gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet, -als ze maar niet te groot zijn!" - -"Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne -bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!" sprak Michiel. - -Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis, -doch pas waren ze weg of een der Dominé's trad binnen. Michiel keek -hem even aan en zeide: "Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen, -die Cornelia voor me gebreid heeft." - -"Dat is goed, kind," antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in -zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd -niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand. - -Michiel ging zitten, trok de kousen aan en--begon hard te lachen. - -De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,--het -waren volslagen manskousen. - -"Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar -er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg -onpleizierig vinden!" - -Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet. - -"Michiel," begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over -koetjes en kalfjes gepraat had, "Michiel, kom eens hier!" - -Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs -Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé's stond -hij altijd met den mond vol tanden. - -"De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen." - -Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld. - -"Geef mij uwe hand, knaap!" sprak Dominé bedaard. - -Ook dit deed Michiel. - -"Jongen," dus hervatte de ernstige man nu,--"jongen, met deze hand -is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge -dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt -ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs -beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge -dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen -te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in -straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal, -heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding -bracht, en dat kan niemand ontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er -uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd -vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: "Och, -hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het -den naam van Vader en Moeder stamelen kon!" Er zijn Ouders, die dat -wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der -Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen -loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen, -Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en -Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen: -"Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U, -wij danken U voor dat kind!"" - -Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de -tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist -de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: "Sakkerloot, dat is anders -preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!" - -Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor -den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen, -wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet. - -"Laat mij in uwe oogen zien, Michiel," sprak Dominé, en terstond keek -de knaap hem open aan. - -Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo -wat aan het natte kantje. - -"Jongen," vervolgde de Predikant, "morgen zult ge de stad niet -meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in -straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last -kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en -op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge -van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen, -dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u; want ik heb u nog nooit op -eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier -vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en -danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen, -jongen,"--hier begon Dominé's stem ook te haperen en trilden zijne -lippen,--"jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest, -ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou...." - -Daar brak de bom bij Michiel los. - -Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en -barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij -er in blijven zou. - -Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders -losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: "Dominé, -ik zal--ik zal--ik zal goed--goed oppassen! U zal--zal--den Heere--den -Heere--dan--danken kunnen." Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak: -"Bootsman, wilt gij me helpen om--om--wat goeds uit me--uit me--te -doen--te doen groei--groeien?" - -"Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me -de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht -heelemaal!" antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs -de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw -wilde worden. - -"En nu, menschen, de Heere zegene u," zeide de Dominé, gaf Vader, -Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe, -terwijl hij als het ware zegenend bad: - -"De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant! - - - - Godt behoed' u voortaen voor 't quaet, - Hy sal uw' ziel voorwaer - Behoeden voor gevaer: - En als gy uyt of oock ingaet, - Sal Hy u steets bevrijden, - En met gaven verblijden." - - - -De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin -bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn -zoo gezellig mogelijk door te brengen. - -Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het -om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd -reeds op zee zou zijn. - -Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte. - -Daar sloeg de torenklok vier uren. - -Om vijf uren moest Michiel weg. - -Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen. - -Ook Michiel sliep. - -Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: "God de Heere zegene -U, lief, lief kind!" en kuste hem wakker. - -"Goede, beste Moeder," zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om -haren hals en weende nogmaals. - -"Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen -snijden!" - -Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op. - -"Wij eten samen, Moeder!" sprak Vader Adriaen. "Het zal in eenen -heelen tijd niet meer gebeuren!" - -Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen. - -Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom -melk bij. - -De klok sloeg half vijf. - -"Het is tijd, Michiel," sprak Vader. - -Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond, -liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk -de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar -aanboord van de "Lijnbaan" reeds alles in beweging was. - -Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel -drukte ontvangen. - -"Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw -eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn," sprak Vader. - -"Zonder mankeeren, Adriaen!" was het antwoord. - -Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd -ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan -de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en -op de Schelde. - -"De schoten, konstabel!" beval de Kapitein. - -Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan -allen, die men achterliet. - -Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk, -groette met den zakdoek, die daar stonden en--gebruikte hem daarna -om zijne tranen af te drogen. - -Het kwâjongenshart was gebroken. - -Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart, -zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het -wollen zeemans-baadje geklopt heeft! - -"Goede reis! Goede reis!" stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen -ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag. - -Het was Moeder Alida. - -Of haar wensch verhoord zou worden? - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -THUIS VAN DE EERSTE ZEEREIS. - - -Met rijke lading was de "Lijnbaan" ruim anderhalf jaar later uit de -Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug. - -Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen -Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te -verwelkomen, dat Michiel van den dag af, dat hij aanboord was gekomen, -zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen -kon genoemd worden. - -Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis. - -"Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is -weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg," zeide de Kapitein. "Het -is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen." - -"Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in -voor thuis," gaf Michiel ten antwoord. - -"Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?" vroeg de Kapitein -lachend. "Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!" - -Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en -bracht ze bij een pothuis waar "Oude Hein" schoenen zat te lappen, -en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes, -die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten. - -Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was -voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel -wat aan. - -Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren -avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest, -daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie -nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht. - -Daar viel hem het pothuis van den "Ouden Hein" in het oog. - -De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand -aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken, -en dan met den rug de deur open te duwen. - -"Wacht," dacht Michiel, "die deur hangt in kleine hangetjes. Als -ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deur met den rug open, -dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!" - -Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen -er niet uithalen of "Oude Hein" hoorde wat, en juist toen Michiel aan -de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur. - -Dat had de kwâjongen niet verwacht. - -Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door -het gewicht van "Ouden Hein" nog verzwaard, boven op Michiel, die op -den grond viel. - -Dàt deed zeer! Au! Au! - -Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en -schreeuwde luid: "Help!" - -Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag -te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van -het beste laken een pak. - -"Ik zal je leeren straatschenderij doen," had de man geroepen terwijl -hij er op insloeg. - -Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen, -doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij -dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te -goed had; want toen hij wegliep, riep "Oude Hein" hem na: "Pas op, -dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog -maar beet!" - -En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde -aan de klink. - -"Oude Hein" deed open. - -"Wat?" riep hij, "wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?" - -"Dat zie je, man!" - -"Niet overboord gesmeten?" - -"Neen, Hein!" - -"En niet voor de haaien gegaan?" - -"Ook al niet!" - -"Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking -in. Ik wilde dat gij maar heengingt!" - -"Ik kom het restje afkoopen, Oude Hein!" - -"Welk restje, kwâjongen?" - -"Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar -blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit -geef, zijn we dan afgerekend?" - -"Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?" - -"Ja, Hein!" - -"Dat is zeker gestolen!" - -"Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd -te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord -geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?" - -"Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!" - -"Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak." - -"Oude Hein" stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van -Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen. - -"Wel, wel," zei de man al kruiende, "wie had ooit gedacht dat ik voor -jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf, -is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang." - -"Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel." - -"Dus zijt gij niet meer boos op me?" - -"Zijt ge wel mal?" antwoordde Michiel, die als een eerste bram -naast den kruiwagen voortstapte. "Ik had het immers ruim verdiend, -geloof ik!" - -"Dat hadt ge, maat!" - -Weer reed "Oude Hein" een eind voort zonder te spreken toen hij -eensklaps den wagen neerzette. "Blijf eens staan," zei hij. - -Michiel deed het. - -"Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel -wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed," -sprak de kruier met het hoofd naar de "Lijnbaan" wijzend. - -"Ja, die is er bovenst!" - -"Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster -kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik: -mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook -wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat -was je toen eene wolk van eene meid!" - -"Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo -naar huis!" - -"Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met -die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk, -mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet -meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!" - -"Hoe oud zijt gij dan al, Hein?" - -"Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?" - -"Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden." [2] - -"Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!" - -"Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?" - -"Dat is Alida" riep Michiel en snelde haar te gemoet. - -"Jonge beenen, jonge beenen!" bromde de oude, terwijl hij met zijnen -kruiwagen voortsukkelde. "Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen -tijd gehad!" - -Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard -vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan. - -"Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!" riep Michiel en viel -haar om den hals. - -"Kind, wat zijt gij lang weg geweest," zeide Moeder Alida, met tranen -van blijdschap in de oogen. "Ik dacht dat we elkander nooit meer zien -zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen -vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij -er goed uit, kind!" - -"Ja, Moeder!" - -Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida's gelaat, armen en -handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was. - -"Zijt gij ziek geweest, Moeder?" - -"Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?" - -"Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!" - -"Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen -komt!" - -"Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar -we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in -de vaart." - -"Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?" - -"Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan -tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een -voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even -aanboord wezen kijken?" - -"Ja, ik wist niet dat de "Lijnbaan" aan was. Ik had wel hooren -schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik -ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd -geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet, -en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook -niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en -nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u -zagen aankomen. Maar wat moet "Oude Hein" hier komen doen? Hij komt -met zijnen kruiwagen naar ons toe!" - -"Dat is eene kist van mij, Moeder!" - -De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die -Michiel had medegenomen. - -"Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!" - -"Die is nog aanboord, Moeder!" - -"Oude Hein" zette den wagen neer en zuchtte ervan. - -"Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!" zeide Michiel. - -"Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!" - -"Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom, -een-twee-drie!"--daar was de kist op Michiels schouder. - -"Ge zijt me wat mans, hoor!" zeide "Oude Hein". - -"Ben ik?" vroeg Michiel leuk. "Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb, -hoor, dan neem ik je weer!" - -Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door -Moeder en Alida gevolgd. - -"Hebben we gezelschap, Moeder?" vroeg Michiel, terwijl hij op een -gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees. - -"Ja, kent gij haar niet meer?" - -"Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!" - -"Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!" - -"O, ja,--ja,--nu weet ik het. Het is,--het is Maria, Maria Velders -van Grijpskerke!" - -"Dat hebt gij geraden, Michiel!" antwoordde het meisje, terwijl zij -lachend hem eene hand gaf. "Maar wat zijt gij groot en dik geworden!" - -"Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig -niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En -hoe maken het uwe Ouders?" - -"Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van '18 aan de kinderpokken -gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!" - -"Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te -Grijpskerke?" - -"Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe -Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?" - -"Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel -en nijptang, Moeder!" - -Zijne zuster stond op en bracht ze hem. - -Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang. - -"Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?" vroeg Alida -lachend. - -"Wel, hij zelf, meid!" zeide Marie Velders. "Hij was zeker bang, -dat ze het rommeltje stelen zouden!" - -"Rommeltje?" bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij -even van zijn werk opkeek. - -"Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?" - -"Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer," antwoordde Michiel, -terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg -dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon. - -"Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft," -riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist, -dat Michiel zeggen moest: "Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog -eenen stomp tegen den neus, die raak is!" - -"Ik wed dat er een aap uit komt," riep Maria plagend. - -"Gij kunt wedden, wat gij wilt!" zeide Michiel het deksel er afnemende, -en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven. - -Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor -ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er -wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels, -voor Cornelia Engels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was -er wat. - -"Ik zie het al, voor mij is er niemendal," zeide Maria. - -"Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!" zeide Michiel -eenigszins verlegen. - -"Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik -ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo -maar voor de aardigheid!" sprak Maria. "Ge dacht toch niet, dat ik -het meende, Michiel?" - -"Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!" - -"Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt," spotte Maria. - -"Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen -elkander groeten," zei Michiel, en met de handen Maria's hoofd bij -de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus. - -"Zoo groeten nu de Chineezen elkander!" zei Michiel. - -"Het is heel lief, dat moet ik zeggen!" antwoordde Maria. - -"Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche -meiskens!" riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren -kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen. - -Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare -verfrommelde muts goed zette: "Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met -uw geplaag." - -"En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche -meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten," zei Maria. - -"Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren," -riep Michiel. - -Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand -eenen klap om de ooren, die zoo even raak was. - -"Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?" vroeg Maria. - -"Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche -jongens, niet zoo hardhandig," antwoordde Michiel terwijl hij zijn -oor wreef. - -"Wat moet dat geven?" vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen, -binnen kwam. "Is het hier boelhuis?" - -"Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel," riep een zusje dat -van school kwam. - -"Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!" - -"Dag, Michiel," riep een jonger broer. "Ben je thuis? Heb je wat voor -me mee gebracht?" - -"Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?" vroeg -Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend. - -"Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!" - -"En wat zit hierin, Michiel?" vroeg Vader. - -"Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!" - -Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou, -en vond een zakmes met mooi gesneden hecht. - -"Dat is goed staal, jongen!" - -"Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt -dat mes de vriendschap af!" - -Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin -een gaatje geboord was. - -"Dat treft ge," zeide hij. "Een duit met een gat is altijd wat!" - -"Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!" was het antwoord van -Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien -uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp -ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug -hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de -vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen -dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat -geldstuk hebben zou. - -Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hij Indische kamermuilen -medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes, -als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals -Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen -er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens, -die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren -ruischen,--groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad, -waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige -mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze -allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden, -daar ze zoo muf smaakten,--een paar uitgeblazen struisvogel-eieren, -die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van -zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris, -dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein -was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam -achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard -geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei: -"Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!" - -"Alles opmaken vanavond, jongen?" - -"Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een -appeltje voor den dorst." - -Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en--dien avond was er feest. - -Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene -kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis -kwam op bier te trakteeren. - -Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde -op spek-pannekoeken. - -Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren -vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader -Adriaens huisgezin dertien zoo klein als groot. Verder had men er den -"Barren Bruinvisch", Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia -en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee -laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur -wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen. - -Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier -een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: "En nu zal ik eens -zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb -dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien -al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na -dezen keer niet meer." - -Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de -sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon. - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -HET MUIST, WAT VAN KATTEN KOMT. - - -"Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte -en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het -twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal -worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was -weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst -terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein -boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder -dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in -den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want -de verdiensten waren heel min, en de tijden waren er ook naar. Nu -eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, dan aan de -Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo -al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan -of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Dan speelden ze: -o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven -en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en -Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog, -bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden -ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat -de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er -geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van -"de Goot". Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk -eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters -vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid, -zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader -ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden -Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in -eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks -aan en zeide, toen hij uitgesproken had: "Met zulke dingen bemoei ik -mij niet!" - -Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden -uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den -omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren. - -Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te -bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen, -begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de -werf opkomen. - -"Hola! Is Vader Michiel thuis?" klonk eene ruwe stem, en zonder -verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins -gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er -nog een stuk of zes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van -zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden -van Vader. - -"Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We -komen je gezondheid drinken!" zeide de baas van het troepje, die nog -het minst dronken was, "en dan meteen vragen, waarom gij die twee -knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt." - -"Wijn, Van der Meulen," zei Vader, "wijn heb ik geen droppel in -huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen -wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!" - -"Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten -kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!" - -"Wijn, wijn!" riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard -op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. "Wijn, wijn! Wie -zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!" - -"Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!" sprak Vader, -die de ruiters op de Mookerheide wenschte. - -"We zullen hem halen!" schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in -den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar -daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken. - -Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden -voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen -oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er -toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun -fortuin te zoeken. - -Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen. - -"Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren," -zeide Vader. - -"Och, neen, laat dat, Michiel," sprak Moeder, "Wie weet wat ze -beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard en ze zullen wel gauw -weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan." - -Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en -kwam weer zitten. - -Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken, -dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk -niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten -kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur -lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het -rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en -ze gingen naar bed. - -"Er is weer hevig noorderlicht," zeide Vader, toen hij de kaars -uitblies. "Heel de lucht is vlammend rood." - -"Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land," sprak -Moeder. "Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat -noorderlicht is?" - -"Het is de zevende avond al, vrouw!" zei Vader. "We willen hopen, -dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen -weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!" - -"Wel te rusten, Vader!" klonk het. - -Spoedig was alles in diepe rust. - -Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer -vliegen en roept: "Brand! Brand!" - -Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken. - -Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te -zien waar ergens de brand was. - -"O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap -brandt al. Houd met Mina," zoo heette de meid, "een deken op, dan -zal ik hem uit het raam naar beneden gooien," riep Moeder in den -grootsten angst uit. - -Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik -vreeselijk tekeer ging. - -Moeder nam me op, keek naar de trap, maar-- - -Krak--krik--krek, zeide de trap en stortte in. - -Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde. - -Er was geen tijd van nadenken. - -Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: "Ben je daar? Houd -je de deken op?" - -"Ja!" riep Vader. - -"Heb je ze stevig vast?" - -"Ja, stevig, gauw maar wat!" riep Vader weer. - -Rrrt, daar ging ik. - -De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke -leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het -moet akelig geweest zijn. - -"De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden -komen!" schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik -zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen. - -"Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook -opvangen!" riep Vader. - -Wat zou Moeder doen? - -Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte. - -Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in. - -"O, God, help me!" bad ze en onder het geroep van: "Houd goed -vast!" sprong ze door het venster en--zonder zich zelfs bezeerd te -hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar. - -Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was, -brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders -daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat -niets aanhad dan zijn nachtgoed. - -"Komt voor vannacht bij ons, buurtjes," zeide een herder, die dicht -bij ons woonde. - -Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: "Ik zou wel eens willen weten -of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft," sprak de herder, -"Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat -hebben zeker Staatsche ruiters gedaan; want een groot uur geleden -kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: "Hebt gij -nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?" waarop een ander -antwoordde: "Zeker, niets vaster!" - -Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets -anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig -was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer -eens naar buiten en, jawel, daar zag ik "de Goot" in brand staan. Ik -kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er -viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe, -beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met -het daglicht komt misschien raad." - -Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich -met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij -in hun midden en--wachtten den dag af. - -Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld. - -Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat -veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bij mekaêr -gebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in -de eerste behoeften te voorzien. - -Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende -jaar naar zee...." - -"Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?" riep Michiel uit. - -"Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den -Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden -en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene -kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer -gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die -ook Alida Jans heette, kennen, en trouwde met haar. Twee jaren later -was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de -"Maatschappij van Verre landen" en leed weer schipbreuk. Toch zou ik -weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida -Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik -deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie...." - -"Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?" liet Michiel zich -weer hooren. - -"Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen, -zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik -ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe -Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen, -omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze -ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat -uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond -doen mocht en toen heeft ze gezegd: "Och, Adriaen, doe het maar! Het -zwijgen heeft toch niet geholpen!" Dat is nu uw Vaders geschiedenis, -kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef, -maar--de glazen vol, vrienden, boordevol,--al ben ik de grootste -landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in: -"Kielen, wielen, rand om 't land. [3] Maar de kielen, het eerst -genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan." - -"Kielen, wielen, rand om het land!" riepen ze allemaal en dronken -hunne glazen ledig. - -"Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor," zeide de "Barre -Bruinvisch", "het wordt mijn tijd! Maar eer ik dat doe, wil ik u toch -wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo'n ferm zeeman is!" - -"Waarom dan, Lievensz.?" - -"Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik -wensen je allemaal den vrede!" - -"Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer -doet!" zei Jan en volgde zijnen zeevader. - -Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur -opende, bromde hij in zichzelven: "Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk: -Het muist wat van katten komt!" - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -VERLOREN TIJD INHALEN. - - -Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de "Lijnbaan" voorspeld -had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was -Michiel weer in zee. - -Ook ditmaal had de "Lijnbaan" eene zeer voordeelige reis en getuigde de -"Barre Bruinvisch" van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was, -dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem -onderdoen, en dat zeide zoo iets. - -Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en -aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer -goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver -zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den "Barren Bruinvisch." - -Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls -gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen, -hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen. - -Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de "Barre Bruinvisch" moest -dan ook meer waard zijn dan anderen. - -De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever -wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook, -ik weet niet hoe dikwijls gezegd: "Zoolang de Heeren Lampsens schepen -hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik -me op geen ander schip laten aanmonsteren." - -Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens? - -Bootsman! - -Wat zou hij zijn leven lang blijven? - -Bootsman! - -Wat kon hij op schepen van andere reeders worden? - -Bootsman! - -Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven? - -Bootsman! - -En hoe kwam dat? - -Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet -schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken. - -Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden -weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat -hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren. - -In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn -Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen -speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich. - -Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met -tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin -in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem -leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen -de schouders op en zeide dan: "Domoor, dat staat er niet! Eene slak -op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij." - -Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaak eene dikke -streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er -haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren -toevoegen: "Domoor, niemendal goed," bijna de lei naar het hoofd. - -En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan -de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei, -boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen -onder het hoofd, een deuntje te huilen. - -Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af, -nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven: -"Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de -oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste -reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den "Barren Bruinvisch" -en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?" - ---Jawel, willen is kunnen!-- - -Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de -sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal -de Stuurman zeggen: "Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge -zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de -Stuurman zegt: "Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!" Toe dan, -Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja, -lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!" - -En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was, -dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen, -dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met -groote druppels van het hoofd vloeide. - -Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel -waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide: -"Zou het ook aan mijne manier van onderwijzen haperen, dat de jongen -niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt -hij het om te leeren en--dom of traag van begrip is hij in het geheel -niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een -en ander aan zijn verstand te brengen!" - -De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet -helpen, dat hij den slag van "duidelijk maken" maar niet beet krijgen -kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar -èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat -geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor -voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven, -dat men niet vordert. - -Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor -van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij -ineens op en riep: "Goddank!" - -"Wat is er, jongen?" vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk -over dien uitroep verbaasd. - -"O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!" riep -Michiel opgewonden uit. - -"Wat mankeert die jongen, Cornelis?" vroeg nu Adriaen aan zijnen -broeder. - -"Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!" - -"Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en -zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik -niet vorderde!" - -"Maar waarin gaat gij dan vooruit?" vroeg Cornelis. - -"In de kunst van lezen, Sinjeur!" - -"Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu, -dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog -al veel vooruit gegaan zijt?" - -"Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, kon ik het schrift -van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!" - -"Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!" sprak Adriaen, en zijne hand op het -hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: "Zoo komt men vooruit -in de wereld!" - -"En van wien leert ge dat, Michiel?" vroeg Cornelis. - -"Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld -met me. Hij leert me rekenen ook!" - -"Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen -leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel -vorderingen maakt! Dag, Michiel!" - -"Goeden middag, Sinjeurs!" antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap -zijns harten, naar de "Lijnbaan", om daar den goeden Stuurman terstond -te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen -gemaakt had. - -De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: "Mooi, mooi, jongen! Op -de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!" - -"Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!" riep Michiel, en snelde nu naar -huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in -de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo -vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij! - -Wie was die hij? - -"Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga -ze eens wegbrengen!" - -"Dat is goed, jongen! Aan wien?" - -"Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood, -anders bracht ik die er ook ieder een paar." - -Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep: -"Een paar muilen voor Meester Van Gelder?" - -"Ja, Moeder!" - -"Voor-Meester-Van-Gel-der?" herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve -kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende. - -"Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge -dat zoo vreemd?" - -"Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal -vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de -gedachten?" - -"Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had, -was niet zoo heel gemeen van hem!" - -"Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?" - -"Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het -gedaan had?" - -"Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!" - -"Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet -dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen, -èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik niet -wilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede -vrienden kunnen worden!" - -Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam -toch wat hooger ook. - -"Kom eens hier, Michiel!" zei ze. - -Michiel deed het. - -Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: "Zeeman, -kleine zeeman, je bent Moeder Alida's liefste jongen! Zijt gij nu -niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge -naar zee gingt?" - -"Moeder, ik boos?" zei Michiel zachtjes. "Nooit boos geweest op u! Ik -kon nooit boos op u zijn!" - -De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en -zei: "Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof -gij eenen kerkgang doet!" - -Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog -eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op -Meester Van Gelders deur vallen. - -"Ga eens kijken wie daar is, Anna!" zei Meester Van Gelder, die juist -bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje. - -Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen, -waarna ze de voordeur sloot. - -"Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje spreken, Anna," -zeide Michiel. - -Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer, -en vroeg: "Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?" - -"Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen," riep -Meester Van Gelder uit de school. - -Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene -deur in de gang uitkwam, binnen. - -En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met -hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich, -de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd. - -Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren -toen Michiel school ging. - -Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár -was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend -had. - -"Wat is er, vriendschap?" vroeg Meester Van Gelder de punten van -eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten, -en zonder den bezoeker aan te kijken. - -"Dag, Meester!" sprak Michiel. - -"Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht," zei Meester, terwijl hij -Michiel aanzag. - -"Dag, Meester," herhaalde Michiel lachend. - -"Drommelsche jongen, je bent toch niet....?" - -"Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!" - -"Michiel!?" - -"Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste -straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!" - -"Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?" - -"Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?" - -"Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?" - -"Ben ik dan zóó veranderd, Meester?" - -"Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en -dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het -verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge...." - -"Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor -den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?" - -"Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er -nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!" - -"Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!" - -"Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die -katten-geschiedenis, en--aan de bullepees?" - -"Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!" - -"Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want -van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad -bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!" - -Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel -natuurlijk was zijn uitroep: "Maar, Meester!" - -"Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien "Barren -Bruinvisch". Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke -ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig -driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is, -dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als -vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?" - -"Neen, Meester!" - -"Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten -heeft!" - -"Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld -van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd -voorgesteld?!" - -"Dezelfde, Michiel, dezelfde!" - -"Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?" - -"Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet -ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?" - -"Zeker dien Lammen, Meester?" - -"Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen -of banken en--ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en -speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen, -geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!" - -Michiel vatte die hand en zei: "Meester, ik was juist van plan u te -komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven -en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche -muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina." - -"Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: "In Michiel -Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen -brengen, als hij wat meer geleerd had!" Dat zei Dominé en ik zeg het -hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt -ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?" - -Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de -eerstbeginnenden waren. - -"Wel ja, Meester," zei hij, "en dat op dit bord hier achter ons -ook wel!" - -"Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden -voor de hoogsten!" - -"Toch waar," was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren -begon Michiel alles te lezen. - -"Daar begrijp ik niemendal van," sprak Meester. "Hebt ge dan, nadat -ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?" - -"Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de -tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft -me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens, -optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand -te pas komen!" - -Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander -en zeide eindelijk: "Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker -nu niet druk?" - -"Ja, Meester, heel druk! "Want over eene week of drie zeilen we -alweer uit!" - -"Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!" - -"Toch heusch en stellig waar, Meester!" - -"Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare -praatjes door de stad." - -"Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?" - -"Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee -weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst -wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en -doortastend geworden zijn!" - -"Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!" - -"Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons -veel kwaad gedaan!" - -"Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van--van--ja, de namen -ben ik vergeten...." - -"Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!" - -"Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe -oorlogvoeren na het Bestand?" - -"Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!" - -"Weet ge wat onze Schipper zegt?" - -"Neen, Michiel!" - -"Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost -en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee -is het veel voordeeliger!" - -Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei: -"Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin -heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we -nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers, -Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard -toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen -zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte -Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem -te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote -dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen -tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu -men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden -den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige -twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige -twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen -waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had -men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en -Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan -papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de -lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd -door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan -beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig -geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel, -Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar--rijkdom -maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit, -en waar macht geen gevolg van kracht is, daar valt de macht eens in -duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus -liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal -lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen, -dan zal ik je les geven?" - -Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten. - -"En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt -gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen -kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja, -dan beginnen we dadelijk!" - -Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat -hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was -geworden om nog iets te doen. - -Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van -Gelder had gelijk gehad: de "Lijnbaan" zeilde vooreerst niet uit. - -De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer -bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te -verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat -ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij -voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig -stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632 -zonden ze, ook voor eigen rekening, de "Samson" en de "Vlissingen", -twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze -deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van -Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen -was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet -roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze -het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk -dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al -wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsens -was zelfs van 1650-52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later -door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde -van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den -titel van Baron van Tabago. - -Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel -honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht: -waren dat dan oorlogsschepen? - -Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog, -ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel -genoodzaakt de koopvaardijschepen sterk te bemannen en van geschut te -voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje -en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede -om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes -de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten -derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze -vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden -behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën, -waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of -ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en -plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip -een oorlogsvaartuig in het klein. - -Maar keeren we tot onzen Michiel terug. - -Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of -Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman -van de "Lijnbaan", dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed -dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder -kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in -de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen -hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide: -"Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!" - -"Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?" - -"Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden -gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de -busschieters in het Staatsche leger!" - -"En waarom zoudt gij dat doen?" - -"Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien, -dat ik het deed!" - -"Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den -kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er -zijn nog kleintjes thuis ook." - -"Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met -mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis -al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van -armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden -zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen -al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds -wel wezen!" - -"Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is -sterker dan Steenbergen!" - -"Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom, -en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had, -zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er -lachend bij: "Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld, -dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt -gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de -Spanjaarden te lijf te gaan?" - -Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als -ik neen zeide, en daarom zeî ik: "Wel ja, Vader, ik wil te land ook -wel eens dienen!" - -"Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat -aangeven!" sprak Vader. - -Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks -thuis kom, zal ik heel wat woorden moeten gebruiken om alles goed -te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker -niet! Morgen ga ik er al heen." - -Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te -Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden; -want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had -men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor -gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting -werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden. - -Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij -had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd -laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden -noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er -was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen -dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden -hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen -wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of -schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend, -doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een -paard kocht waarvan hij zich "stoutelijk" diende en in de uitvallen der -bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu -in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer -slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van -achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet -te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart -lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de -lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te -hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen -tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord -van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn, -want al heel spoedig was hij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan -den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de -"Lijnbaan", die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou -gaan halen. - -Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal -afscheid kon gaan nemen. - -Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en -schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten, -als hij weer aanwal was. - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -BIJ DE KAPERS. - - -Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de -vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen, -zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen. - -De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene -lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: "Ziet -gij daar ginder dat schip?" - -"Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?" - -"Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den -Spanjool kunnen zijn!" - -"Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?" - -"Geen weinigje ook," luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd -of de Schipper kwam bij hem en vroeg: "Wat denkt gij van dien Biscayer -daar, Bootsman?" - -"Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet, -want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en -kwaad we kunnen, is de boodschap." - -"Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor -zijn, zou ik wel willen probeeren hem te ontzeilen. Gaat dat niet, -welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot -overgeven doe ik niet," sprak de Schipper. - -Nu was alles in de weer. - -In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip, -tusschendeks, overal waren handen te kort. - -"Wij vechten gaan, Michieltje!" zei Jan en wreef zich van pret in -de handen. - -"Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil -water?" vroeg Geleyn Evertsen. - -"Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in -een twee!" - -"Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!" meende -Michiel. - -"Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!" zeide Jan, die Michiel -natuurlijk niet begreep. - -"Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar -is niet tegen op te werken," sprak Lievensz. - -"Dus niet vechten?" vroeg Michiel. - -"Ik zou zeggen van ja," antwoordde Geleyn. "Als ik ooit Schipper word, -zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!" [4] - -"Dood is dood!" zeide Lievensz. "Als we een tegen drie zijn, dan -waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen -tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben -moed als Watergeuzen." - -"Daar zijn er drie, Schipper," zeide nu de Stuurman. "Kijk, daar -juist achter die voorste!" - -De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover -ziende, zei hij: "Hoor eens, mannen, we zullen het zien te ontzeilen, -dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!" - -"Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?" vroeg -Michiel. "Wie niet sterk is, moet slim zijn." - -"Noem er maar een op!" was het antwoord. - -"Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek -binden, niet waar, Michiel?" zeide de Scheepsbarbier, die Michiel -niet lijden mocht, op sarrenden toon. - -Michiel ging nijdig weg en bromde: "Als ik Kapitein word van een -schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen -waar halen!" - -Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel -niet te denken. - -"Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?" vroeg Jan op -den Schipper wijzend. - -"Neen, er wordt niet gevochten," antwoordde Michiel botweg. - -"Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach, -zoo mooi, zoo mooi dat gaat!" - -Daar viel een schot van eenen der roovers. - -De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een -vreeselijk geweld. - -"Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen, -komaan dan!" zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten. - -Bom! daar viel weer een schot van den vijand. - -Nu vloog de kogel door het tuig van de "Lijnbaan" zonder erg veel -te beschadigen. - -"Dat toch vecht," riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het -dek, dat hij nauwelijks voort kon. "Zeg, Michiel, jij ook deze ding?" - -"Ik zou een kanon genomen hebben," zeide Michiel. "Neen, mannetje, -dat heb-je te Bergen-op-...." - -"Vuur," beval de Schipper. - -Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer -languit op het dek. - -Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel -honderd kogels, en als de "Lijnbaan" het niet met drie aan den stok -had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers -"Victorie" zouden geroepen hebben. - -Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu -naderden de twee anderen. - -"O, God," riep eensklaps de "Barre Bruinvisch" uit, en hoewel hij -aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot -in de borst getroffen was. - -Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij -reeds begon te vallen. - -"Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven, -jongens," zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid -met lachend gezicht te zeggen. - -De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar -den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw -nederlegden. - -Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste! - -Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land -of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat. - -"Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven -moet, kan ik dat heel goed alleen af," sprak Lievensz. kalm. - -Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde. - -"Nu, jij ook, dappere jongen!" zei hij. - -"Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen -doen," sprak Michiel. - -Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: "Mij kwaad doen, zeg -je? Loop, jongen, aan den "Barren Bruinvisch" is geen kwaad meer te -doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor -altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!" - -Michiel boog zich over hem. - -"Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb, -nietwaar?" - -"Ja, Bootsman!" - -"Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen, -zeg haar dan, dat ik haar g'ndag gezegd heb. En laat me nu alleen, -ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!" - -"Tegen wien?" vroeg Michiel verwonderd. - -"Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!" sprak -Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en Michiel -hoorde het begin van zijn gebed: "Onze Vader!" - -In dien tusschentijd hadden de Biscayers de "Lijnbaan" geënterd, en -er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al -eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas -in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout -wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd -gevangen genomen. - -"Jij blijf af van Michiel!" riep Jan, die ineens opsprong en het -noorden gevonden had. - -Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was. - -Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde, -den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om -geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril -om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot. - -Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de "Lijnbaan" -lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles -werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord -water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede -op in. - -"Geef je over!" riepen de roovers in het Spaansch. - -"Neen," antwoordde de bemanning van den "Lijnbaan", in het Hollandsch. - -"En hier heb je mijn antwoord," riep de Schipper, den Kaper-kapitein -eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij -onder het roepen van: "Liever verdrinken dan slaaf worden," overboord -sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld. - -Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot -der bemanning gaf zich over. - -De Biscayers hadden dus overwonnen en de "Lijnbaan" zou niet weer te -Vlissingen aankomen. - -Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden -hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen -thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden. - -Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee -ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die -zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven -zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het -Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben; -want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim -voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren -Lampsens gaarne bijgepast. - -Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen! - -Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig -aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies -in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein -raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien, -maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er -benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd -het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of -drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed -gewapende matrozen hun brood en water brachten. - -Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen. - -"Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!" bromde Jan en deed -een hapje in het harde brood. - -Michiel stond voor het raampje. - -"Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders -stikken wij beiden hier nog," zeide Geleyn. - -"Ik neem de maat," sprak Michiel. - -"Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?" - -"Van mezelven en van dat raampje!" - -"Hi-hi," lachte Jan, "ik liever eet, ik honger heb!" - -"Ben ik niet de dikste van de drie?" vroeg Michiel. - -"Dat zal wel waar zijn," antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen -en niet zoo bijzonder kloek was. "Waarom vraagt ge dat?" - -"Zoo maar! Kunt gij zwemmen?" - -"Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven -jongens gewonnen." - -"Kunt gij zwemmen, Jan?" - -"Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het -planke!" antwoordde Jan. - -"Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?" - -"Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud -en nat is!" - -"Zoo," sprak Michiel, "dan heb ik een plan!" - -"Wat dan?" vroeg Geleyn. - -"Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is -voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!" zei Michiel en nam Jan, die aan -een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen, -handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben, -naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: "Als het donker is -zullen we ontvluchten!" - -"Dat goed is!" sprak Jan. "Ik hier zad ben al lang!" - -"Ontvluchten?" vroeg Geleyn, op eenmaal van verbazing ophoudende met -eten. "Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult." - -"Door dat raampje heen!" - -"Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!" - -"Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan -schuiven er door als vet." - -Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen: -"En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?" - -"Dat zal ik zijn; maar luistert nu," antwoordde Michiel, heel zacht -sprekend om door niemand gehoord te worden. "Ziet ge dat touw daar -telkens tegen het raampje slaan?" - -"Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!" - -"Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige -ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg." - -"En dan?" - -"Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water -zakken!" - -"Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen -meerman?" - -"Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?" - -"Ja! En dat verveelt me ook al lang!" - -"Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb, -die het telkens tegen de schuit duwt!" - -"Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles," bromde Geleyn, -die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag. - -"Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed -opgenomen!" - -"Ik klaar ben," zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. "Nu -ik wegloopen wind als de vlug." - -"Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij -ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien -in duigen." - -"Maar dat heele plan weet ik nog niet," sprak Geleyn. - -"Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den ander door dat -raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar -dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los -waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg -naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!" - -"En waar dan heen?" - -"Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip -af zijn, dan kunnen we altijd zien!" - -"En als we dan in den Oceaan terecht komen?" - -"Dat zou kunnen!" - -"Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken -moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!" - -"Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop -te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft," zeide Michiel. - -"Wat wil dat zeggen?" - -"Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden, -en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen -naar de galeien." - -"Hoe weet ge dat?" vroeg Geleyn, nog altijd niet met het -ontvluchtingsplan ingenomen. - -"Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt, -gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten, -maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!" - -Geleyn dacht een oogenblik na en zei: "Ik ga mee, Michiel! Maar ik -geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan -dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets -van bemerken?" - -"Zal ik eerst probeeren, Geleyn?" - -"We moesten dan nu maar beginnen!" - -"Ja, ik stuk slaan zal!" riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met -de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan. - -"Zijt gij krankzinnig, Jan?" riep Michiel op halfluiden toon. "Gij -zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel -doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en -bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben, -laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen." - -Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen, -kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst -gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje -gestoken te kunnen worden. - -Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het -raampje meer zien. - -Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van -zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na -hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na -nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de -sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door. - -"Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!" zei Michiel. - -Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij -er met de beenen ook door was. Half vrij! - -Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat: -"De pakjes!" - -Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige -knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond -en liet zich zakken. - -Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten -het schip. - -Geleyn aarzelde nog. - -Waren ze niet in de diepte verdwenen? - -Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de -galeien gevoerd worden? - -Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker -tegen de schuit bonzen. - -"Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?" dacht -Geleyn. - -Nog aarzelde hij. - -Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half -door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening, -liet zich zakken, zwom om het schip en--ja, daar waren Michiel en -Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw -van blijdschap gegeten. - -Daar klom Geleyn in de boot. - -"We dachten dat ge verdronken waart," fluisterde Michiel. "Kom gauw -maar, er gaat eene sterke eb!" - -"Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van -het schip komen," gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord. - -Nu ging Michiels mes door het touw. - -Het bootje was vrij. - -Met de handen duwden ze het om het schip heen en--nauwelijks waren -ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan, -dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw -gegrepen had. - -In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien. - -Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen -werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen -hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup. - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -EENE MOEIELIJKE BEDELREIS. - - -Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of -misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden, -lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze -niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk -tegen in. - -Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze -waren in volle zee. Waar nu heen? - -Michiel keek naar de opkomende zon en zei: "Als we nu maar in die -richting roeien, krijgen we de Fransche kust!" - -Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van -Jan en Michiel,--Geleyn zat aan het roer,--niet heel vlug. - -"Wij komen er vandaag nog niet!" zei Geleyn met eenen diepen zucht -en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven. - -"Jawel," riep Michiel, "ik voel dat de vloed op komt zetten. Die -zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan -de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder de -Biscayers vast niet!" - -Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens -afgewisseld. - -Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur -aan een stuk stevig doorgetrokken. - -"Land," riep hij eensklaps. "Ik zie land, en ik wed dat we het eiland -Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote -meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen." - -Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden -Ré en Oléron kwamen ze tegen den avond zoogenaamd te La Rochelle -aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd; -maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed. - -"Wat is La Rochelle klein!" zei Geleyn. "Ik dacht, dat het eene groote -stad was, vol leven en beweging." - -"Ik ook," sprak Michiel. "Mis hebben kan ik toch niet!" - -"Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!" riep Jan. "Ik honger, veel -honger hebben." - -"Eerst maar geld hebben," merkte Michiel aan. "Ik heb niemendal uit -te geven, want ik ben platzak." - -"Ik heb nog eenen zilveren duit," zei Geleyn. "Het is niet veel, -maar toch altijd wat!" - -Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen. - -"La Rochelle lá?" vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch -uitpakkende. - -"La Rochelle?" vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde: -"Non! Arcachon, mes enfants!" - -Michiel had zich dus bedrogen. - -De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven -den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de -meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was -hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen. - -Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun -de Franschman aan den oever wat. - -Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk: -"Nous sommes of Flushing!" Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch -door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen: -"Wij zijn van Vlissingen!" - -De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan, -als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren -om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: "Oui, mes -enfants! Tout abonde en notre ville!" dat is: "Ja, mijne kinderen, -alles is in overvloed in onze stad." - -"Och, die man spreekt geen Fransch," zei Michiel, doch toen -ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: "Voulez vous vendre -notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het -Fransch?" - -Geleyn haalde de schouders op en zei: "Weet ik het? Ik kan geen -Fransch spreken." - -De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord -tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit. - -"Wacht, nu weet ik het," riep Michiel en den Franschen visscher -aanstootende, zei hij nogmaals: "Voulez-vous vendre notre bateau?" - -Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet -zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den -zak en liet die Michiel zien. - -"Beter wat dan niemendal," dacht Michiel en zei: "Oui, voilà la -bateau! Santé avec-avec le hebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik -weet niet welke landsman je bent!" - -De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei -verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet -hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk -een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had. - -"Dat is me hier toch even een modderland!" zei Geleyn, die weldra -tot over de voeten in het slijk liep. - -"O, dat wat is?" riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk, -hard en zonderling geluid. - -Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze -niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen -moesten om te Arcachon te komen. - -"Hoe!" schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te -spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt. - -De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor -zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op. - -"Het is een roerdomp," zei Geleyn. "Die dieren leven hier veel, -naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert, -ziet ge er nog veel meer." - -"Neen maar, zeg, kijk eens," riep Michiel op eens. - -"Waar?" vroegen Geleyn en Jan tegelijk. - -"Wel daar," antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar -eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop -ook eenige lage dennenboomen zich verhieven. - -Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens -aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die -uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit -eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat, -wat Michiel deed uitroepen: "Neen maar, zeg, kijk eens!" was dat ze -allen hooge stelten onder de voeten hadden. - -"Menschen en vogels doen hier al even raar," zeide Geleyn. "Welke -lui zijn dat toch, die daar zitten?" - -"Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier -al in eene vreemde streek om wat te verdienen," meende Michiel. - -Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze -hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen. - -Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien, -die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde -had hangen. - -Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd -haperde, en riep maar: "Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal -ooievaar! Hi-hi!" - -"Nu begrijp ik het al," zei Geleyn. "Dat zijn geene kunstenmakers: -maar om niet zoo door de modder te moeten ploeteren in dit slijkland, -loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver -loopen er nog!" - -Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was, -dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat -te eten en te drinken hadden. - -Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten -makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der -geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had. - -De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen, -doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het -bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak. - -Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in -drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden, -aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig -van lekker af. - -Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet -veel troost. - -Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De -menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst -geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag: -"Paris?" naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan. - -Het was me het tochtje wel! - -Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze -niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van -doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen. - -Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de -voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar -verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op -het veld, soms zelfs zoo maar aan den kant van den weg onder eenen -boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen. - -"Paris?" vroegen ze maar. - -"Voilà," zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag -waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen -wilde om verder te komen. - -Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen -rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar -telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van -de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: "Laat ik nog -eenen dag wachten!" Dat zei hij evenwel iederen keer--de Geldersche -rijder kwam niet van de borst af. - -Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk -op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken -bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de -pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een -Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op. - -Michiel watertandde ervan; hij bleef staan en stamelde: "Monsieur, -bon monsieur!" - -Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij -naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg: -"Venez-vous de Paris?" - -Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd, -dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: "Komt ge van Parijs?" - -"Non, monsieur! Moi kom- kom- van la ville Arcachon!" zeide Geleyn. - -"Quoi!" riep de Geestelijke. "Quoi, d'Arcachon? C'est -impossible! Impossible!" ("Wat? Van Arcachon? Dat is -onmogelijk! Onmogelijk!") - -Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door -teekenen te kennen te geven, dat ze door Biscayers gevangen genomen -waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen. - -"Kom hier, Jan!" riep hij. - -Jan naderde. - -"Geef me uwe beide handen!" beval Michiel. - -Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de -handen uit. - -"Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door -de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn -ontsnapt." Michiel bond met eenen doek Jans handen vast. - -"Monsieur," zei hij op Jan wijzende, "Hollandais! Moi Hollandais, -et Geleyn aussi Hollandais!" - -De Geestelijke lachte. - -Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had, -en begon te doen, alsof hij sloeg. - -"Biscayer, monsieur, un pirate!"--("Biscayer, mijnheer, een -zeeroover!") sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en -tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel -genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als: -"Ik begrijp u een weinig!" - -Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de -handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep, -wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo. - -"Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et -moi!" ("Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!") sprak -Michiel. - -En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat -de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch. - -"Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter -me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan: Libre, libre, bateau, -Arcachon," zeide Michiel. - -"Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!" sprak -Geleyn, en op het "Los!" van Michiel, lieten ze alle drie de handen -vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met -hunne doornstokken in het zand te roeien. - - - ------- -FIGURE ------- - - - -"Libre! Vrij! Bateau! Arcachon!" riep Michiel, hierin trouw door Jan -en Geleyn geholpen. - -Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo -luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar -altijd roeiden. - -"Riemen in!" beval Michiel. - -Jan en Geleyn hielden op met roeien. - -"De boot uit!" klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van -hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op. - -"Libre! Libre! Vrij! Voici, Arcachon!" riep Michiel. - -Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie -knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er -een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had, -wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de -vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke, -en wierp er in, wat hij missen kon. - -Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk -zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van -den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de -oogen stroomden: "God de Heere zegene U!" - -Of de Pastoor dat verstond? - -Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen -hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: "Mes pauvres -garçons!" - -Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de -jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging. - -Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich, zoodat onze -drie knapen met den Geestelijke alleen bleven. - -Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en -water en wijn voorzetten. - -Wat de jongens hun best deden! - -Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen -van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel, -doch maakten geen kruis. - -Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de -plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden, -kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht -ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene -heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend, -zei hij: "Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!" ("Vaarwel, -mijne kinderen! God helpe u!") - -Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man, -kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon -was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop -verwijderd had. - -Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt. - -Het was eene der voorsteden van Parijs. - -De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen -voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene -Hollandsche familie wist te wonen. - -De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan. - -De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg -daar of hier Hollanders woonden. - -"Jawel," zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes -Hollandschen haring stond, "ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge -dat?" Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil -doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht. - -De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks -had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was, -of hij zei: "Welkom in Parijs, jongens! Gij hebt me dan zoo even een -aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!" - -Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden -rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de -Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van -blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer -niet gezegd had: "Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij -heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen." - -Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en nadat de -vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten -geschenke gegeven had, reed hij heen. - -De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne -des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke -vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het -zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in -eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen. - -"En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens -schoenen en wat betere kleederen koopen," sprak Michiel, en legde -het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras. - -Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in. - -Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene, -Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder -zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,--ze lagen misschien -wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak -de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug, -ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak, -en maakte zich van den schat der arme jongens meester. - -Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker! - -Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten -meer te zien. - -"Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar -den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!" - -Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel -pret en waren eindelijk klaar. - -"En nu nog het beste van alles," riep Michiel, de matras oplichtend, -maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: "Ons geld -is gestolen! Ons geld is weg!" - -"Hebt gij het niet al in den zak gestoken?" vroeg Geleyn, die niet -minder schrikte. - -"Neen," zei Michiel. - -Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was, -te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan -zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: "Leelijke sausneger, is ons -dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!" - -Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik -en verdriet. - -"Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee, -wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar -verdrink moet alle drie!" - -Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch -daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld -al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit. - -De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne -vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere -landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit. - -Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie -onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall -haantje de voorste te spelen, oorzaak was van het stelen van het geld, -en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles -zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en -scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn -eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten -te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan -Michiel overliet. - -Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich -doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden, -en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van -bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door -eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten. - -Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de "Lijnbaan" in -Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er -eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het -met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was. - -"Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op -den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de -"Lijnbaan" met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw, -en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans -aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten -komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor, -alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge -nog op den koop toe!" - -Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine -vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan -hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders. - -Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de "Lijnbaan" -liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje -van Adriaen. - -Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zich aan tafel, -toen Alida binnenstormde en uitriep: "Moeder, Moeder, onze Michiel -is terug!" - -Alida Jans keek op. - -Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep -in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien, -dat ze bitter en bitter moest geleden hebben! - -"Kind," riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet -achterover te vallen, "kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes -maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen, -duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan -mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem -gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes -boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op -aarde niet meer terug. Hij is dood." [5] - -"Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen -en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!" - -"Moeder, Moeder, Michiel is terug!" riep Dirk, toen hij nog niet eens -in huis was. - -"Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en -danken? U danken, dat ik mijnen jongen nog zal kunnen zien, eer mijn -aardsche huis afgebroken wordt!" stamelde Moeder Alida. - -Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden -op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: "Sinjeur, -Sinjeur, is het waar, is het waar, dat mijn jongen thuis is?" - -Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk -antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende, -dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: "Ja, -goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat...." - -"Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!" schreeuwde -Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals. - -Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die -groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en -die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: "Goed, -lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!" - -Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van -die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon -naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel. - -"Wat scheelt er aan, Cornelis?" vroeg zijn broeder Adriaen, die niet -zoo gauw de kluts kwijt was. - -"Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was -hartverscheurend!" antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag -van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel. - -Vier weken later was Michiel aanboord van de "Vlissingen". Hij ging -naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die -op een ander schip overging, achter. - -Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig. - -Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman -weggeloopen was. - -Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets! - -Maar Moeder Alida's stoel stond ledig. - -De tering had de arme vrouw weggerukt. - -En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman -geknield, bitter schreiende en fluisterende: "Wel te rusten, lieve, -goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!" - -Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje -op het graf van hare oude vriendin brengen. - -Zij gingen samen naar huis die twee en--werden later een paar. - - - - - - - -TWEEDE AFDEELING. - -MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN. - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -BIJ DEN MAN IN HUIS. - - -We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof -het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is. - -Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de -geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en -Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden. - -Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd -afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter -en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg, -noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom, -maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en -de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche -reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden -het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt -men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen -gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het -fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstad met de zee -verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven, -niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden, -toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft. - -Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in -geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer -het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten -wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd, -zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en -denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje -klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en -diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten -kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken, -manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen -nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders -en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne -pennen te bijten. - -Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar -evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal, -waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die -door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met -ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op -te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog -met nadeel en schade voeren. - -"Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt," -mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten -hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen. - -"Hij moet van zijn ambt ontzet worden!" roept er een. - -"Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!" schreeuwt een ander. - -"Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geen beleid en -dapperheid genoeg heeft dien te voeren?" laat een ander zich hooren. - -"Onze eigen schuld," zegt een vierde, "waarom benoemen de Staten van -Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de -zee niet evenveel belang als de Hollanders?" - -"Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is -uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie -baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten -en geenen knip voor den neus waard zijn," klinkt de stem van eenen -matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk -een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in -zijne stem: "Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans, -en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar -kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn -koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven." - -Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit -den hoop vindt dat toch te kras en zegt: "Hei, hei, dat is al te -boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig -in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de -Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was -het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen, -die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en -dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!" - -"Een gedeserteerde Zeeuw!" roept op dit oogenblik een der hoorders. - -De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: "Neen, niet -gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De -Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en -macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan -alle perken en palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van -één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons -als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden, -door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige -gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands -oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren -en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen -moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben, -die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal." - -Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden -stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een -varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide: -"Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar -den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt -ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid -laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het -opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen -Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne -plaats treden, dat is de heele zaak." - -"En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te -maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen -te verliezen. Wij willen Tromp niet," riep een burger uit den hoop. - -"Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat -is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij -in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den -dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze -Republiek door de Roôrokken...." - -"Zeg Koningsmoorders", riep er een. - -"Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene -kleinigheid zou komen te lijden. En hoe tergend voor elken zeeman van -de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen -ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid -te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te -zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels -beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die -beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht -werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we -nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman, -die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt -en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst -alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me -dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is -op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde -wilde varkens. Een Stadhouder alleen...." - -"Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen," -klonk eene ruwe stem. - -Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat -altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene -veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De -verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een -bloedig burgergevecht te voorkomen. - -Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: "Wat is er gaande?" - -Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze -geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal -terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn. - -De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland, -dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier -republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel -veel deugden bezat, iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven -duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die -Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer -nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche -gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen, -keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde -Engeland de zoogenaamde "Acte van navigatie" of "Scheepvaart-wet" -uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die -wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere -waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen -van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot -dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij -en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt -vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten -dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde -Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat -wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell -gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek, -vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man -thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen. - -Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige "Scheepvaartwet" niet -stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden -schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon -bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de -vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen, -door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel -nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in -volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche -schepen van dat "zichzelven aangematigd recht" gebruik gemaakt, -ja, eenige vaartuigen genomen hadden, werd Marten Harpertsz. Tromp -met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg -evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk -te voorkomen. Zijn last luidde als die, welken de Staten-Generaal -aan alle Bevelhebbers medegaven: - -"Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen, -Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte -neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende -vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot -cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken." - -Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat -"geene kleinigheid" zou komen te lijden. - -Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen -tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te -beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich -gehaast heeft om door het strijken der vlag "alle courtoisie" -te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen -beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en -minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij -mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon -Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide -marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde -Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles -werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet -en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp -stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen, -waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu -meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke -vuur niet beantwoordde en--de Eerste Engelsche oorlog, die ons -op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî, -dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld van -Tromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den -oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen, -en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het -volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere -Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen -tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet. - -Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen -bevinden. - -Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen -te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen -zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende -schippers wonen. - -Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het. - -Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed -den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper -in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen. - -Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is -terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed -doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes -op het droge heeft. - -De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel -Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna -Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze -mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand -nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De -Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede -vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog -aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had, -toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had -De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,--Cornelia, -die dertien,--Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was. - -Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel -in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als -Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven -was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje -bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en -ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook -eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had -ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel, -hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had. - -Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna, -die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder, -die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die -daarin dan ook wonderwel slaagde. - -Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn? - -Wel, boven op de kinderkamer. - -Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst -knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in -slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook. - -Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan? - -Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer -niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter? - -Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat -gelijkt nergens naar! - -Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd heeft, vraagt -ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw, -waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken, -en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen -gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel, -dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeft Schipper De -Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne -rariteiten-kamer. - -Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling -papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia -en Alida. - -Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven -staat: "Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter, -voerende de "Zeehond" ende kruysende teghens die Duinkercker caepers -in den jare onzes Heeren J. C. 1637. - -Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen -we de kamer even op. - -Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als -Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat -mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier -een plaatsje. - -Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet. - -We vinden maar een stuk of wat boeken. - -Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast -ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen -hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als -Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit -zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen. - -Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel -hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne -buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten -te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen -worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs, -kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld: -"Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje." Als ik het wèl heb, zult ge -Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt, -want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten -tijde der twisten tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten, -is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate -ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde -waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter, -die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt -niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der -Contra-Remonstranten. - -Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens -de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat -Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en -gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt. - -"Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte -ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik -vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het -bovenste blad stond: "Journael." Ik maakte het open, en begon te -lezen. Raadt eens wat?" - -"Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op," zeide Cornelia. "Zeg -het ons maar dadelijk." - -"Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?" - -"Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan -zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!" - -"Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel -zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper, -Kapitein en Schout-bij-nacht!" - -"Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen -vertellen?" vroeg Cornelia. - -"Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al -ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?" - -"Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?" - -"Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel -daar tegenwoordig weinig te zien is, zoo is Vader daar nog altijd -te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield, -hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen -en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo -pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het -is eene goede gelegenheid." - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -HET VOORSPEL VAN EEN HELDEN-LEVEN. - - -Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn -Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon -om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar -oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood -zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan -niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaen zoo al vertelt. - -"Op zijn vierentwintigste jaar," zoo begint Adriaen te vertellen, -"was Vader al Stuurman op "de Groene Leeuw", die op Groenland voer, -doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond -hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij -voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen: -hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland -kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen. - -"Schipper," zei de Stuurman, "dat is, als ik het wel heb, om ons -te doen." - -"Dat is het ook, mijn jongen!" antwoordde Vader. - -"Willen we probeeren hem te ontzeilen?" - -"Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden, die -Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en -zijn op snel zeilen gebouwd." - -"Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter -worden?" - -Vader bedacht zich een oogenblik en zei: "Ik weet wat, jongen! We -zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan -enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij -hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!" - -Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het -want, alles werd met boter besmeerd. - -"Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter," zeide Alida, -bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam. - -"Ja, zonde, zonde," hernam Adriaen, "maar het was toch beter drie -of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te -wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen -ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde, -Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper, -die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek, -dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne -schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij -gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader -tot het volk: "Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting, -bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde -klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing -staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er -nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne -bekomst, dat hij zelfs geen, "dankje wel, maat," kan zeggen. Begrepen?" - -"Ja, Schipper, opperbest," zeiden de matrozen en kwamen ieder met -eenig wapen aandragen. - -De matrozen hadden de grootste pret van de wereld en stonden geduldig -te wachten tot er een kaper overspringen zou. - -Het schip draaide bij. - -"Springt over!" kommandeerde de Kaper-kapitein. - -Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander -lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met -zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte -in zee. - -Wip, daar ging nummer twee! - -Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde, -dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan, -gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen -gezelschap houden. - -Wip, daar ging nummer drie! - -Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip -aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij -niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool -met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf -de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den -knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en -bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel -en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen -er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen. - -"Dat zal ik eens beter doen," riep één van de kapers, die voor -zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden -op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een -hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal -vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat -hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven -liggen waar hij lag. - -Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen -en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip -betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon. - -Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken, -toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de -menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was, -kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd -door iedereen toegejuicht en geprezen. - -"Dat wil ik wel gelooven," zei Cornelia, "want het was meer geluk -dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene -belooning ervoor gehad hebben?" - -"Dat denk ik wel," antwoordde Adriaen. "Maar laat ik verder -vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen, -die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich -van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança, -gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden -al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de -nieuwe Koning was slim. - -"Jongens," dacht hij, "die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog -met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden, -konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen -te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog -even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de -Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vloot van -twintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en -den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte -geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan -te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene -schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht -geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook -wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik -Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht, -viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer -Vader als Hoofdofficier van de vloot uit [6]. Zijn schip heette "de -Haze". In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij -kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot -veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren, -die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo -gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het -werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden -amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in -zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan -ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer -genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en -helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar -evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden, -of een zeegevecht ook een mooi gezicht was. - -In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan, -en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen. - -Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch -oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op -hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading -inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was -zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel -grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard -zag, dat Vader zich maar niet zonder slag of stoot overgaf, begon -hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan -de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt -geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel -zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde -Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die -aan zijn eigen boord. - -Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein. - -"Zeg eens, vriendje," vroeg Vader aan dien Kapitein, "als wij het -nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan -gedaan hebben?" - -"Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit -te steken!" antwoordde de Spanjaard. - -"Wel, dat was een brutale kerel," zeide Cornelia. - -"Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar, -Adriaen?" vroeg Alida. - -"Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en -gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord -te smijten." - -"Vergeving! Vergeving!" riepen ze nu en vielen, met den Kapitein -voorop, aan Vaders knieën. "Vergeving, Señor!" - -"Welnu," sprak Vader, "ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra -we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!" - -Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden -een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch -nog beter dan ze verdiend hadden. - -Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt, -en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen -en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene -kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt, -dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik -heb-je. De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan -uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van, -door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen." - -"Hé", riep Alida, "en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij -dat doen?" - -"Wel," vervolgde Adriaen, "ge weet niet, meid, wat Vader niet al -durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij -kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was, -in het gezicht van Salee." - -"Jongens," dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen -om schepen te vangen, "jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te -pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit, -mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!" - -En daar kwamen ze op Vader af. - -"Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!" dacht -Vader en ging hierop naar den Stuurman. - -"Zeg eens, Stuur," zeî Vader, "dat zijn daar vijf Algerijnsche -roofschepen, ziet gij het wel?" - -"Ja, Schipper," was het antwoord. "Maar ik zie ook dat het vijf -geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote -Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik -niet thuis weet te brengen!" - -"Dat heb ik ook gezien," zei Vader, "en weet ge wat we nu doen -zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar -vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en -dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm -slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts -een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht -bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een -lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit, -doen alsof we vluchten!" - -Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen -den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf -Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard -aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem -de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw -geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog -twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de -haven van Salee binnen. - -De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de -haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een -gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader -er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard -gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier, -in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die -eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om -zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd -van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo -al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het -Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest. - -Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel -te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen. - -"Neen, Meneer," zei Vader en schudde het hoofd, "u krijgt het geenen -duit minder!" - -"Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet -ge het mij geven!" sprak de man op hoogen toon. - -"Ik mag het niet minder geven, Meneer!" antwoordde Vader. "De reeders -van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet -onder de markt verkoopen!" - -"Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan," -sprak de Moor. - -"En ik geef het er u niet voor, Meneer," zei Vader heel kalm. "Ik -geef het u liever ten geschenke." - -"Koppige christenhond," riep nu de Moor, "weet gij dan niet, dat -ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven -verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs, -dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult -gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!" - -Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader -aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs -af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij -hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven. - -"Ik geef niet toe," sprak Vader, "en straft de Sheyk me, welnu, dan -zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier -met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg -dat uwen Meester!" - -Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden -Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen -prijs te geven. - -"Neen," antwoordde Vader, "hij moet weten dat hij met eenen man te -doen heeft." - -Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen -toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden -geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: "Neen, Meneer! Gij krijgt -het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd -heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt -verkoopen, dat doe ik niet!" - -Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van -angst te beven. Wat zou er gebeuren? - -De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den -schouder en zei: "Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij -blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd -zijt. Geef hier het laken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt, -en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven." Hij drukte -Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij: -"En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest -op uwe beurt mij ook zoo trouw!" - -Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig -op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het -binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven -vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche -kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk -bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op -te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren. - -Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had, -viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande -geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk -hadden, trachtte Vader, door te praten als Brugman, den Kaper-kapitein -te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof -aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde -Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan. - -"Ik dank u," zei Vader beleefd. - -"Wat!?" riep De Lalande, "drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd -van zijn, dat hij oud en goed is." - -"Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe," sprak -Vader. "Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts -vrijen menschen schenkt men wijn!" - -De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî: -"Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!" - -"Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande," -sprak Vader. "Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst -te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk -kan zijn." - -Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van -den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende -koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van -het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers -in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en -ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het -maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar -wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij -te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van -den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te -hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan -had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten, -voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten -te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals -doen. Nu dachten de kapers: "afblijven van "den dien" dat is er een met -tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!" - -"Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd -schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker." - -Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en -zijne zusjes waren. - -"Hij komt ook luisteren," zei Cornelia. - -"Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?" vroeg Alida. "Zijt ge wakker, -ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!" - -Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine -potjes ook ooren hebben. - -"Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen," zeide nu -Cornelia. - -"Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij -kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg -een Engelsch oorlogsschip. We waren toen wel al jaloersch op mekaêr, -maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij -op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene -beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse -kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat -gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén -man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en -nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter -bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet -wondervol behouden? - -"Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te -praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig -en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was, -moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in -eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!" - -"Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat," zeide -Alida. "Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden." - -"Ja," sprak Cornelia, "en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan -heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?" - -"Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk eens, van dien heelen -stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu -morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb, -zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet -wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen, -en hij kan zóó thuiskomen!" - -De "Journalen" werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en -nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de -gang in. - -"Vader, Vader," riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader -tegemoet liep. - -De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op, -gaf hem eenen zoen en zei: "Dag, groote kerel!" - -"Dag, Vader," sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen -teruggegeven had, zei hij: "Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit -zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst -lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?" - -Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had. - -"Adriaen," riep De Ruyter. - -Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig -en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide: -"Wat belieft u, Vader?" - -"Dat zal ik u straks zeggen," antwoordde De Ruyter. "Vertel eerst -maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder -aan de wasch?" - -"Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!" - -"Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?" - -"Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het -merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader, -wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!" - -"Komt eens hier, Cornelia en Alida," sprak De Ruyter. "Wat ik te -zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!" - -Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij. - -"Luistert, kinderen," sprak De Ruyter. "Adriaen vroeg me daar zoo even, -wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer -zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in -mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu -misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper -en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar -gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch, -let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemand over -spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof -en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik -hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te -loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland -en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?" - -Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle -menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een -uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne "Scheeps-journalen" -te vernietigen. [7] - -Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem -storen met te zeggen: "Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om -u te spreken!" - -"Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?" vroeg De Ruyter eenigszins -verstoord opziende. - -"Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren -van de Staten van Zeeland!" - -"Van de Staten van Zeeland?" zeide De Ruyter. "Ik kom!" - -Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen. - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -IN DIENST VAN HET LAND. - - -"Goeden middag, Heeren!" sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te -gemoet trad. - -"Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!" was -het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der -Heeren Afgevaardigden aldus: - -"Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer -De Ruyter?" - -"Hoe dat zoo?" vroeg De Ruyter? - -"Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op -zee uitziet!" - -"Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren, -ik ben er daarom geen vijand van!" - -"Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u -het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten -van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!" - -"En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben, -Heeren?" - -"Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden -is over den Luitenant-Admiraal Tromp!" - -"Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!" - -"En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!" - -"Dat weet ik niet, Heeren!" - -"Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas -en dat is zijne schuld!" - -"Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering -aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor -te stellen?" - -"Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op -u te nemen!" - -"Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik -heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij -toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en -kinderen!" - -"De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en -zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar -zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde -Vaderland is." - -"Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in -dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen." - -"Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en...." - -"Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen -Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is." - -"Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!" - -"Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij, -zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord -hebben. Ik vereer Tromp hoog." - -De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over -Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man, -die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf: -"Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij -u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt." - -"Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken, -Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank -dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!" - -"Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat -begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen -de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen -aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopend om -de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men -zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?" - -"Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en -beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár -heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg -heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal." - -"Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig -begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal -niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien -tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne -plaats vervangt." - -"Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man, -die telt voor eene heele vloot!" - -"Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet, -wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg, -en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen -vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!" - -"Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch -waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en -dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont, -die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft, -ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of -geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot -hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen -lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht -slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen -minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel, -heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer -aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid en zonder hulp -der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen." - -"En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen -te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?" - -De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw -vragender-wijze van terzijde aan. - -Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: "Help ons, Mevrouw, -uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij -behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!" - -"Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen -zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!" - -"Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer -De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop -uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland -die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige -krachten toegerust heeft." - -De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer -naar Middelburg. - -En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij? - -Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als -Vice-Kommandeur. - -De Edelmogenden van Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit -berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den -bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in -Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: "Redder van -het Vaderland." Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze -dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid -en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn -Admiraals-schip "De zeven Provinciën" zou de schrik van den vijand, -de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden. - -Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan -zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst -het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde -Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652, -zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden -de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen: -Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter! - -Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in -last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door -het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd, -dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij -bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij -sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de -Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou. - -Van onze kennissen bevond zich aanboord van de "Neptunus" het -schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige -Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk -verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat -er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De -knaap was verbazend zwak en bleek. - -"Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen, -Vader?" vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten -Augustus. - -Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die -beiden viel, mompelde: "Een verschil tusschen die twee als van dag -en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer -genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader." - -"Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor," was het antwoord. "De -timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien." - -Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra -een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen: -"Daar komen ze, Vader!" - -De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle -schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking, -die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond, -die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter -missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen. - -"Kijk, Vader," riep Adriaen vijf dagen later. "Daar liggen de -afgezonden schepen ons al te wachten." - -"Zijt gij wel dwaas, jongen," sprak De Ruyter. "Zij daar zullen heel -wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u -raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen, -komen wij er niet af." - -"Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben -ik niet uw zoon?" riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende -oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken. - -Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog -welde, tegenhouden. - -"Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang -zal zijn?" - -"Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij -u zult overspannen!" antwoordde De Ruyter. - -"Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel -even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik -moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!" - -"Nu, blijf dan, jongen!" klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei, -kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten -jongen. - -"Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper," sprak De -Ruyter tot den Kapitein van de "Neptunus", terwijl deze hem voorbij -kwam. "Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts -drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de -Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen." - -De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende -Kapiteins van het eskader bij De Ruyter. - -"Mannen," sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten -was, "laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men -telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik -zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder -bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein -Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren, -tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!" - -De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde -en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke -wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der -musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van -het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot -hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in -flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: "Vivat! Hoezee! Weg met -de Koningsmoorders!" - -Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te -sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide: -"Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!" - -De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven, -stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze -vloot verschrikt terugkeeren. - -Ook het volk van "De Vogel Struis", een koopvaarder, die dienst als -oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein -van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en -dreigde deze in het kruit te steken, als het volk nog eenmaal van -wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een -man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat, -hadden alle schepen het voorbeeld van "De Vogel Struis" gevolgd, de -Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou -zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders -behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue, -een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna -allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de -Regeering zijns lands in ongenade. - -Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen -nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel -onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en -meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden. - -Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader -te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch -zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en -den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven, -hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker -en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van -het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar -zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van -Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden. - -Doch keeren we tot ons verhaal terug. - -De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der -zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in -de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende -koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot -verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee -uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz. De With te -vereenigen en onder het opperbevel van dezen "dapperste der dapperen" -had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke -zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze -Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren. - -In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan, -en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur -telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de -lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te -veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp -opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze -daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij -niet aarzelde, maar "dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat -in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben, -zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam." - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -DE VICE-ADMIRAAL. - - -Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te -zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten -December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar -zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen -bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte -Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel -over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: "Het Lam." - -Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en de Engelschen onder -den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden -alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte -Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik -goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige -jaren vroeger hebben plaats gehad. - -De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal "den grooten -Tromp." - -Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het -Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht -ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd -vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht -worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags -te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats. - -De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was -de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip -"The Prosperity." Nadat hij veel van het geschut van den vijand -geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken -volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman, -die hen evenwel weer verdreef. - -"Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog -eens gedaan!" zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd -en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd. - -Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was, -of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde -zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger, -duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen -weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht. - -"Daar gaan de schelmen, Michiel!" schreeuwde Jan Evertsen door den -scheepsroeper De Ruyter tegen. - -"Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen," antwoordde De Ruyter. "Maar er -door heen moeten we, halen waar halen!" - -En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen -vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk. - -"Ha, jongens, dat is er door!" zeide hij toen hij het gevaar te boven -was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. "Dat heeft -er gespannen zou ik zoo meenen." - -"Ja," zeide de Kapitein, "maar zie eens hoe ons "Lam" er uit ziet! We -zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos -geschoten!" - -De Ruyters oogen flikkerden. - -"Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve -Vaderland!" riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins, -en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het -gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan, -brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen, -noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten, -en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den -vijand verlaten. - -Maar hoe zag zijn schip er uit! - -De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden -kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield, -bijna niet instaat eenig zeil te voeren! - -Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met -een "Onze Vader!" en een: "Een-twee-drie, in Godsnaam!" overboord in -de diepte van het Kanaal neergelaten. - -Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe -daden spreken voor u! - -En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp, -meer dan dertig gekwetsten. - -Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking -verschijnt? - -Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind. - -"Hier ben ik, Bestevaêr!" zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet. - -"Dat zie ik, De Ruyter," antwoordde deze. "Dat zie ik, en de Hemel -gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn -weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip, -hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit -mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw -schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is." - -"Ik zal komen, Admiraal!" is De Ruyters antwoord en den volgenden -morgen is de held waar hij zijn moet. - -"Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons "Lam" aan," zeide -de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag. - -"Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit -verbergen," antwoordde De Ruyter. [8] - -En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het -midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een -vat zonder stuur, op de baren dobberde. - -Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep: -"Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr -Tromp ons helpen!" - -De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen -Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen. - -En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malen hadden de Engelschen -beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen, -doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de -aanval vernieuwd worden. - -De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers. - -Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze -gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw -niet op. - -Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van -Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: "Als het -nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!" - -Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de -Admiraal nu uitdeelen. - -Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag -een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare -dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer -ze in het westen ondergaat. - -Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens -naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt -te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet -den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken, -daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan. - -"Valt aan! Valt aan!" klinkt het van boord tot boord der Engelsche -schepen, en, het gebeurt. - -Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna -elke kogel bereikt zijn doel. - -"Gered!" klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de -vijand trekt af. - -Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende, -steeds achteruit gegaan. Onze schepen hadden minder diepgang -dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als -de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij -zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de -Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel -om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest -zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de -Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich -in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder -Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden -doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt, -dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man, -die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had -hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare -schatten in behouden haven gebracht. - -"Gered!" klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder -éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog -een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet. - -Het is "Het Lam" van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd -thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het -is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen -wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt, -dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit, -dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: "Hoezee! Hoezee! Voor -Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope -zal worden! Hoezee!" - -Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en -zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer -in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die -weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfden -en dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot, -die maar zoo wat "opgelapt" was en voor de zooveelste maal gebrek -aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid, -dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche -vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden -als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson, -die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden. - -Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering -toesnauwde: "Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne -Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester -van ons en diensvolgens van de zee!" - -En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den -lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de -toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van -tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef -hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen? - -Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door -zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en -daarom zeide hij open en rond: "Ik zal niet meer in zee gaan voor en -aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft." - -Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich -telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken -allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op 's -Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel -beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten -ontzag om den oorlog goed te voeren. - -Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man, -die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt -niets anders dan hun dienaar, maar door zijne groote kennis, zijnen -helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd. - -Deze man was Johan De Witt. - -Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der -Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door -zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen -betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat -gebracht werd. Maar-- - -Het is op den tienden Augustus des jaren 1653. - -Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee? - -Het zijn kanonschoten. - -In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt -Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij -andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze -kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal -ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal -zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen -laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is -gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en -reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen: -"Ware ik voor hem gestorven!" Nog meer is er gebeurd. Met zijn -masteloos en tot wrak geschoten schip "Het Lam" is De Ruyter reeds -naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven -al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot -gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de -Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang -met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al -weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar -noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De -Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna -niet instaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning -toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar -men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en -de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten, -dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden. - -De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen -oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland, -nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te -zetten, en--de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden, -die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden. - -Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der -Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van -Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman -te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde, -dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die, -even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland -ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men -onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld -tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de -held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de -welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen -de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de -Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam, -van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap -vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke -betrekkingen te kunnen mededingen. - -In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656 -verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche -zeeroovers te tuchtigen, en dat hij zich van dien last goed kweet, -kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden. - -Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten -wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel -andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen -ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden. - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -ALWEER DE "BARRE BRUINVISCH". - - -In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering -gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra -in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was -Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende, -dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de -zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer -kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van -Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die -juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort -verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van -Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig -schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene -belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in -oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en -nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten -ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de -belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang -of onze handel vorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche -zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel -Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar -de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel -op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij -stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist -op zijn bijna aan splinters geschoten schip. "Dat hy een lyck werd -koste syn viandt duysent lycken," zeide een zijner lofdichters. Karel -Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg -aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving -het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd -naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten -van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden -wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel, -slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou -men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar -eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam -in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield. - -Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en '59 langs den Buitenkant te -Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind -gelaat hem op eenigen afstand volgde. - -"Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?" vroeg de oude zeeman aan -een, dien hij tegenkwam. - -"Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!" antwoordde -de Amsterdammer en ging verder. - -De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar -eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander -te verzoeken had, bleef hij staan en zei: "Verlangt gij mogelijk ook -iets van mij, goede vriend?" - -De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden, -diep in het gelaat, doch antwoordde niets. - - - ------- -FIGURE ------- - - - -"Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?" vroeg De Ruyter -nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover -minderen geregeld aannam. - -"Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!" was het stotterend gegeven -antwoord. "Ik heb geen verzoek te doen." - -De Ruyter lachte en zei: "Hadt ge daar niet het plan om Michiel -te zeggen?" - -De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: "Ja, ja, dat -wilde ik! Dat wilde ik!" - -"Kent ge mij dan van vroeger, hé?" klonk de vriendelijke vraag des -Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer -verlegen scheen te worden. - -"Ja, van vroeger!" was het antwoord. - -"Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?" - -"Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!" - -De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: "Kom eens vlak -voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook, -dat wij oude kennissen zijn." - -De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De -Ruyter riep: "Gij zijt de "Barre Bruinvisch." Heb ik het geraden? Zeg, -heb ik het geraden?" - -"Ja, Heer Admiraal, ik ben de "Barre Bruinvisch" en Bootsman aan -den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd -gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig -waart: "Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!"" - -"Aap van eenen jongen!" en dat tegen eenen Vice-Admiraal! - -Maar De Ruyter lachte er om en zei: "Ja, man, ik wilde toen wel. Maar -laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier -in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan -uw laatste verzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz., -wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor -haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren -Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden -uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij -dan zoo lang gebleven?" - -Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den -ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het -volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan -ik het navertel. - -"Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In -het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de "Lijnbaan" -langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het -geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik -het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende -bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in '50 met een -Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam -te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het -geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht -daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had -weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen -jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat -ik weer zeevader kon worden, dan...." - -"Wel, Lievensz., wat dán?" - -"Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen -jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?" - -"Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon, -hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde -veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk -mijn Adriaen, neen, dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon, -een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!" - -"Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik -er eenen tweeden Michiel van maken zal!" riep Lievensz. opgewonden. - -"Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en -als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn -vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar -geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar, -kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart, -welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?" - -"Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene -u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog -aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?" - -"Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in -het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en -wat zal hij worden?" - -"Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!" - -"Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel -aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat -den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat -hem veel, heel veel leeren!" - -"Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u -eene vraag doen?" - -"Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge -wilt weten!" - -"Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal -buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik -wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het -volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan -Kompanjie met eene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo, -och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt." - -"Komaan," antwoordde Michiel, "dat wil ik. Het is wel een heel verhaal, -maar ik heb er den tijd toe." - -Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen -ouden vriend nu, wat wij reeds weten. - -Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het -Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en -hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de -"Barre Bruinvisch" had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht -zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen, -dat hij weer varen ging "bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas, -den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel -Adriaensz. De Ruyter!" - -Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot -van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den -Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen -het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden -kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef -onze Michiel met het opperbevel belast. - -Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd -hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten -slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten -besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt, -dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig -niet meer stonden, als in het begin. - -"Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?" vroeg -Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor -Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag. - -"Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekenden weg vraagt, -Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?" - -"Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland -ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar, -hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!" - -"Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot, -juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht," was het antwoord. - -"Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre," -zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te -gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het -volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte -De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke -onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele -zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene -der booten en riep zijn volk toe: "Valt aan, mannen, valt aan, of -gij wordt allen hier vermoord!" - -Het bootsvolk aarzelde. - -"Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!" riep Buat, een -Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik -gestreden had. "Vooruit! Dat gaat u voor!" [9] - -Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water. - -"Zulke mannen volg ik! Vooruit," riep Lievensz. en was, na Buat, -de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen. - -"Berg u, Heer Admiraal!" riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. "Men -mikt op u." - -"Ik behoor mijn volk den weg te wijzen," sprak De Ruyter bedaard, -niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne -zijde doodgeschoten werden. - -Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs -was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen -van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend -Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord. - -Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg, -ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden, -van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door -onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst -meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning -was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan -door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op -de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles, -wat zij bij zich hadden, gevangen genomen. - -Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven, -en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden, -dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd. - -De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te -blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne -schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch -daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de -schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte -weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien -de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche -hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo -waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaal -keerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval -op het Zweedsche bezettings-leger. - -Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit -bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei -slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange -baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige -voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden. - -Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de -uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij -hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden -ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten -omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen -bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van -tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door -heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen -korten tijd rust te nemen. - -Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche -zeeroovers en later de Engelschen wel. - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -JAN KOMPANJIE. - - -In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de -Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de -zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet -enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en -Spanjaarden. - -Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 in die wateren -kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle -vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den "Barren Bruinvisch" -over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij -bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren, -wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er -bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden. - -Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon -van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den -naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap -hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats -van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest -te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te -benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert -Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders -op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel -en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in -1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders -afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland -gesloten hadden. - -Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men -zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee -jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat -Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den -Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene -vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze -vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde, -zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de -lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er -van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim -zond hij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de -Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar -onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever -de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris, -die hem veel te geslepen was. - -Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen -ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der -wereld zou trekken. - -"Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader," sprak -Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen -te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren -zeilen moest. - -Den naam van "Grootvader" gaf Engel hem uit aardigheid, omdat -Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind -was geweest. - -"Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen," zeide Michiel tot -den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer -jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante -en onversaagde voorkomen verkregen had. - -"Ik twijfel er aan of het wat goeds is," antwoordde Lievensz. "Uw -gelaat is zoo betrokken!" - -"Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik -ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit." - -Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij: -"Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!" - -"Mag ik eens raden, waarheen?" vroeg Lievensz. - -"Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en -dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet -dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar -ik minder goed thuis ben." - -"Kaap Verd, soms?" vroeg de "Barre Bruinvisch" met een leuk lachje. "Is -het niet den spijker op den kop geslagen?" - -"Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt, -onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!" riep De -Ruyter vol verwondering uit. "Hoe kunt gij het nu weten?" - -"Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De "Barre -Bruinvisch" hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik -heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders -nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed -verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis." - -"Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar -het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu -ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden -en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn -evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik -ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te -wijzen en niet om raad te vragen." - -"Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er -reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er, -als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of, -wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?" zeide Lievensz. - -"Dat is waar ook," zeide De Ruyter. "Dat is uitkomst. En u niet om -raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein, -dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?" - -"Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang -genoeg om te weten, dat de "Barre Bruinvisch" geen babbelaar is," -zeide Lievensz. eenigszins geraakt. "Of hebt gij soms bewijzen, -dat ik het vroeger was?" - -"Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met dat te zeggen. Alleen -de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken," antwoordde -De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de -andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde -krijgsraad te houden. - -"Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman -vergiffenis vraagt," mompelde de "Barre Bruinvisch", en eenen traan van -dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij: -"De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden -als voor of na hem geen ander." - -Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika, -en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen, -en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan -het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche -zee uit en met behulp van Lievensz. terechtwijzingen had men weldra -Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad -zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om -hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind, -vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om -de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden -October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs, -dat men de plaats van bestemming naderde. - -Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van -bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de -Koningsvlag voerde. - -De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene -Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen -wat men hier doen kwam. - -"Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt," luidde het -eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige -antwoord. - -"Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden -uitgebroken?" vroeg men weer. - -"Wel neen," liet De Ruyter antwoorden, "maar wat gij in vollen vrede -van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder -zijne beurt, waarde heer!" - -De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel -gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs -de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: "Gemeen of niet gemeen, -wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen -het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen -onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten -halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen." - -De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog -niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en -zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte -werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den -onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop -met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht -hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te -gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen, -de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater, -dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou. - -Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was -hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in -alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg -den Schout-bij-nacht: "Dat Hollandsche schippe is, ja?" - -Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren -spreken, zeide: "Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel -eens Hollanders ontmoet?" - -"Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar -gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!" - -"Onze Admiraal is ook een Vlissinger!" zeide Van der Zaan, zonder -nog te denken dat de neger hem kennen zou. - -Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede -gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops -vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger. - -"Zijt gij te Vlissingen gedoopt?" vroeg hij den neger. - -"Ja, ikke!" was het antwoord. "Maar niet door eene baker gedoopt -ben ik!" - -"En gevaren op de "Lijnbaan" soms?" - -Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in -de hoogte. - -"Wat hapert er aan?" vroeg Lievensz. - -"Jij bent, jij bent de Barre-Barre...." - -"Ja, ja, ik ben de "Barre Bruinvisch," en jij bent mijn zeekind -Jan Kompanjie!" - -"Hoezee! Hoezee!" riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie -was. "Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat -vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!" - -"Jan, Jan," riep de Barre, en drukte den neger de hand, "dat is al -eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee, -dan kunt gij Michiel zien!" - -"Michiel, Michiel?" schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen -luchtsprong. - -"Ja, uw vriend Michiel!" antwoordde Lievensz. "Hij is Bevelhebber -over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!" - -"O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn -de drie wonderkind?" - -"Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen -als een onoverwonnen zeeheld!" - -"O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel, -Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om -die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!" - -"Wel, zeekind, ga dan maar mee!" zeide Lievensz. - -Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij -in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide, -dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap -in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen -langs de wangen liepen: "Jan Kompanjie blij is! Ja blij!" - -De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven, -doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen: -"Admiraal, daar is uw zeebroeder," of Jan was al op het dek en kwam -onder het geschreeuw van: "Michiel, leelijke jongen van aap, jongen, -jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!" met geopende armen -op zijnen ouden kameraad aanloopen. - -"Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?" riep De Ruyter, -Jan te gemoet gaande. - -"Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij -wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!" was -Jans antwoord. - -Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe -luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die -hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie. - -Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en -ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te -smullen van den echten ouderwetschen scheepspot. - -Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze -eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog -eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht -in zichzelven: "De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal -op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder -dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch." - -Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanen en na nog even -gebromd te hebben: "Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer," -ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude. - -De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker -daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het -doel bereikt. - -"Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug," zeide De -Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koers -zetten naar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea, -de Engelschen te gaan bestoken. "Ik heb daar zoo even brieven uit het -Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog -niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog -is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door -ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is." - -"Old Rowley is valsch tot in zijne nieren," bromde Lievensz., met -"Old Rowley" Koning Karel bedoelende. "En er zal wel op ons geloerd -worden ook!" - -"Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen -in de fuik," was het antwoord. "Maar mijn bevel luidt: "Alle Engelsche -schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen," dat is een -andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een -fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden -moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We -hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders -dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen, -wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen." - -Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en -toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar -het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden -van Groot-Brittannië te zeilen, daar hij niet wist hoe de stand -van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch -scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag -geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen -was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een -getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer -en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend, -en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen -Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong, -waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van -een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles -vernomen had, begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met -zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat -geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist -en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp, -en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot, -en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit -in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open -armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal -en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij -gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat -deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet -aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer -men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij -tegen De Ruyter opgevat had. - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -VOOR ENGELANDS HOOFDRIVIER. - - -In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel -van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame -schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen -tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan -De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en -niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten -onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar -weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de -twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen, -het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen -weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De -Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken -Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde. - -Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de -beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche -zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze -twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis -opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa -diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het -hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk -dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet -langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland -mocht wederkeeren. - -Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele -aarde, zelfs door de Engelschen met eere genoemd werd, na die schoone -overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem -te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel -van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er -heerschte toen van de "Zeven Provinciën" [10] zijn Admiraalsschip, -het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om -zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde -het gedonder van het geschut in het geroep van: "Hoezee! Bestevaêr -Michiel! Hoezee!" uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die -wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen -den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één, -als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen -die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag; -met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste, -brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het -kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan! - -"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" - -Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en -muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar -komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar -stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer -in uw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen: - -"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" - -Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende -overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier -dagen duurde, bevochten. - -Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en -andermaal levert hij den vijand slag. - -Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders -sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar--op eigen hand -en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden -bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met -zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche -hoofdmacht verweren. - -"Ik wilde, dat ik maar dood was!" roept De Ruyter. - -"Ik ook," antwoordde de dappere Van Nes, "ik ook, Bestevaêr! Maar -men sterft niet, als men wil!" - -Het is of de Engelschen het er op toeleggen "de Zeven Provinciën" -te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken. - -"O, God," roept De Ruyter, "o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er -nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?" - -"Vader," antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de -mariniers, "Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven, -laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!" - -Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte, -tot zichzelven en kalm zegt hij: "Gij weet niet, wat gij zegt! Als -ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan -behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!" - -En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen -meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk, -vol bewondering voor den grooten zeeheld, hem daarvoor de orde van -Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis -rijk met goud en edelgesteenten versierd. - -Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door -de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: "De Ruyter -heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem -niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!" - -En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de -achterhoede onder zijn bevel had? - -"Ja," zeiden de vrienden van De Ruyter;--"neen," zeiden de vrienden -van Tromp. - -De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van -zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van -De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen -had naar het bevel: "Vereenigd blijven!" - -Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp -nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht -met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond, -wat hij voor de belangen van het Vaderland over had. - -Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den -Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap -was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand -in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen, -doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de -Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje, -soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en -één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen -tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het -was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden, -die hij zichzelven bezorgde, en het was zijn tegenstrevende geest, -die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht. - -Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden -de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig -onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje -West-Terschelling af te loopen. - -Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden. - -Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons -weer, in gedachten, aanboord van "De Zeven Provinciën," aan den mond -van den Theems. - -Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en -dus de leiding van den "Barren Bruinvisch" ontwassen, houden evenwel -te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij -zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van -het betrokken gezicht des ouden mans. - -"Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo -leelijk kijkt?" vraagt Engel. - -"Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag -het land!" - -"Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!" spreekt -nu Jan. - -"Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het is omdat onze Tromp -niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag -het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: "Ik wilde wel om heel -wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over -zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch -zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch -mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft -hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? "Neen, gij blijft hier, -en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of er zelfs maar naar -te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!" - -"Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet -ge dat zeker?" vroeg Engel. - -"Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne -horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken, -zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen -eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief -heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet -bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik -zal hem in zijn aangezicht zeggen: "Kerel, ga in het kluisgat zitten, -en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet -Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die -"Fransozische mosjeus" niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij -gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in -volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en...." - -"Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat -Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is, -en zich bij ons op de vloot bevindt!" - -"Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde -sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene -schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder -eenen "winkelier ter zee" staat?" riep de "Barre Bruinvisch" driftig. - -"Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op -uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren -Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en--is dan ook van de -verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt." - -"Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze -zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers, -de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt -de Admiraal de schuld. Kijk, als ik baas was, ik nam eenen zwabber, -ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: "Gaat van -mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan, -Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de "Barre Bruinvisch" -spijkers met koppen slaat! Adjuus!" - -"Hei, bootsman, blijf eens even," riep De Ruyter, en toen hij dicht -bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: "Hoe vandaag alweer -zoo obstinaat, Vadertje?" - -"Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat...." - -"Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?" - -"Is er eenig voordeel behaald, Vader?" riep Engel. - -"Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De -trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij -den slag nog jaren lang voelen zal!" sprak De Ruyter met oogen, -die van blijdschap straalden. - -Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen -de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek, -zag men zijn gelaat steeds donkerder worden. - -"En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van -pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?" vroeg -De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit -over had voor vreugdeschoten. - -"Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld -heb!" was het knorrige antwoord. - -"Wat voorspeld, Lievensz.?" vroeg De Ruyter. - -"Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever -mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!" - -"Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die -landrotten?" vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan -hij gewoon was. - -"Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerel pakjes -suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand -van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel," riep Lievensz. op -bitteren toon. - -"Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt, -en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie -met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan -voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten, -alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen -zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het -niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!" - -"Zou Michiel mij straffen kunnen?" vroeg Lievensz. eenigszins geraakt, -"mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers -Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen -spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel -uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen -wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het -zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen." - -De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel, -dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen -hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het -scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder -hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: "Het zou mij leed -doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen, -zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt -bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de -lippen komen." - -Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen: -"Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken -u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat -gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door -weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en--ik zal trachten een -held te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is." - -"Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen," zeide De Ruyter en -gaf hem de hand, die door den "Barren Bruinvisch" met eenen traan in -het oog gedrukt werd. - -Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar. - -Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en -zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden -smaldeel onder Van Ghent verricht waren. - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -CHATTAM. - - -Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen -oogen te zien. - -Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands -schoonste en breedste rivier opgevaren. - -Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord -van wiens Admiraalsschip "De Agatha" zich de Gecommitteerde van de -Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond. - -En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche -oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten -aan den oever der rivier. - -Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht -worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje -Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de -rivier Medway, bij Rochester. - -Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die -op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien -ketting komen? - -Wie? Op "De Agatha" zat een Kapitein, een Nederlandsch Kapitein -gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had. - -"Hoogmogende Heer," zegt hij tot De Witt, "geef mij mijnen degen -terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken, -wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting -aanvallen!" - -Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt. - -"Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!" zegt De Witt en -wijst hem Van Brakels eigen schip, "De Vrede", aan. - -Daar snelt Van Brakel heen. - -"Hoezee!" roept het scheepsvolk, als het hem ziet. "Hoezee! Daar is -onze oude baas weer!" - -"Ja, mannen," roept Van Brakel, "ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de -eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar -dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger -van ons gekaapt. Het is de oude "Eendracht"! Vooruit, haalt de kaas -terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!" - -En donderend schreeuwt men hem na: "Vooruit! Hoezee!" - -Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel "De -Vrede" na. - -Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven -hem de volle laag. - -"Vooruit, mannen! Vooruit!" roept Van Brakel, en schudt de lange, -grijze haren, als een leeuw zijne manen. - -Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op -hunne beurt los te branden. - -Tot op een musketschot afstands is men nu "The Unity", zooals de -Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd. - -"Vuur!" kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los. - -Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands -vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is? - -"Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!" roept -Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der -overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die -anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr -een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan! - -Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het -oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven -bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag -met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was -men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord -en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om -zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel -ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde -Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken, -bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt, -omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land, -aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat -hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had, -dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou -zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben, -diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en -niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te -toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste. - -Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug. - -Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van -"The Unity." - -"Valt aan, mannen, valt aan!" klinkt de machtige stem van den -grijzen held. - -"Op, op, jongens! Voor den "Dolle"!" schreeuwt zijn volk, klampt zich -aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat -maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den "Dolle" hun het pad wijzen. - -Ze zijn er! Ze zijn er! - -"Hoezee! Hoezee!" - -Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk -glippen, en trachten te houden, wat ze hebben. - -"Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!" klinkt Van Brakels luid -kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren -als katten tegen het schip op. - -Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men -vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten -vallen of vergeten. - -Daar wijkt de vijand! - -"Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!" - -De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest -verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het -waagstuk is volbracht. - -Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.--De eerste brander -"De Susanna," Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn -volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren -fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander -"Pro Patria" gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn. - -Zal deze ook deinzen? - -"Vooruit! Vooruit!" - -Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware -ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het -is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche -vloot opent. - -De "Pro Patria" hecht zich aan het Engelsche schip "Matthias", -dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de -lucht springt. - -Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige -geestdrift in eene sloep. - -Daar ligt de "Carolus Quintus," een schip, dat ook eenigen tijd -geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden. - -Met den degen in de vuist klimt de "Dolle" weer naar boven, valt de -bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het -brandende zinken. - -En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige "Royal Charles" -veroverd. - -Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat.... - -Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit! - -Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde -steekt er de Hollandsche vlag van uit. - -Daar nadert "De Agatha", zoo heet het Admiraalsschip van -Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten, -bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche -Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende -Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden: - -"Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo -goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d' ingesetenen -zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen -dancken." Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij: -"Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd -den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van -Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet -konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den -Staet getroffen konnen worden." - -Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den -dag te zijn, en begon nu zijn geschut los te branden op de forten, -en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg. - -Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt -om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter -te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent -en den Ruwaard Van Putten volbracht. - -Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele -Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni -voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen, -die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende. - -Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een -klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze -ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met -eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel -andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene -volkomen nederlaag doet veranderen. - -Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare -aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is, -gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op -Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: "Bootsman, vlug, als de -wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of -alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!" - -"Mannen," roept hij tot zijn volk, "ik ga er zelf op los. Vier -booten uit!" - -"Goed, Admiraal," antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande -sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen, -als De Witt hem vraagt: "Waar dàt heen, Admiraal?" - -"Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles, -alles verloren. Er is een bevel gegeven, dat niet goed was of verkeerd -begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!" - -"Ik ga met u," zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den -"Barren Bruinvisch", ook in de sloep. - -En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te -verflauwen en het gevaar het grootst is. - -"Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed -doen!" klinkt het dan, en aangevuurd door een: "Hoezee! Bestevaêr -Michiel! Hoezee!" vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug, -vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht -vliegen. - -Daar valt men de "Royal Oak" aan. Het volk, aangevoerd door zijnen -Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan, -gaat het op de vlucht. - -"Vlucht! vlucht! Kapitein," zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe. - -Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend -aan. - -"Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!" smeeken zijne onderhoorigen -hem bijna. - -"Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een -Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht -gij, ik blijf!" - -De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van -zijn brandend schip om. - -De nederlaag der Engelschen was volkomen. - -Des Konings broeder, de Hertog van York,--de Admiraal der Engelsche -vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den -oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien. - -Gansch Engeland beefde en sidderde. - -In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken -bijeen en vlood er mede de poorten uit. - -Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht, -van bedelaarskluis tot koningswoning, klonk het geroep van: "Vlucht, -vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om -te landen! Vlucht! Vlucht!" - -Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit; -want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de -honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was -niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd -voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands -gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en -terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den -vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te -rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever -een leger van ruim twaalfduizend man. - -Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden, -en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met -recht te doen zeggen: - - - -"Een landverrader om te koopen, -Een weerloos eiland af te loopen, - Is werk van lafaards, lafaards waard. -Maar trotsche Britten te doen knielen, -En Eng'lands keurvloot te vernielen, - Is werk van mannen, mannen waard." - - - -Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte -de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen, -"The Unity" en "Royal Charles" mede voerende. - -Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel -beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om -de stoutmoedigen na te jagen. - -Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun -aan het hart ging! - -Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken, -het zou niet zoo erg geweest zijn! - -Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepen naar -dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet -verkroppen! - -Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en -schrijven: "Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit, -en de slaaf van eenen geringen overwinnaar." [11] - -Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen -naar het Vaderland gebracht. - -De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht -voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede -was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten, -òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig -den mond van de Theems gesloten hield. - -Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten. - -"Nog al niet naar den zin, oude jongen?" vroeg Engel op zekeren morgen -aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond -te kijken. - -"Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar -den zin kan hebben?" antwoordde Lievensz. - -"Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!" - -"Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert -me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet -moeten worden. Wat doen wij hier?" - -"Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze -zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen -het wisten, wat we nog meer deden, dan...." - -"Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren, -dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten -rondscharrelen, alsof ze spiering visschen." - -"Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter." - -"Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp, -Jonker!" - -"Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader -laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart -brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den -weg weten, als bij Texel of op de Schelde." - -De "Barre Bruinvisch" wreef de hand over het gerimpelde gelaat, -doch zeide niets. - -"Nu, wat zegt gij ervan?" vroeg Engel. - -"Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?" - -"Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik." - -"Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer -zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een -zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen -duizend mannen opweegt." - -"Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!" - -"Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die -Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer -dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te -zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel -Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik -daar niet schieten?" - -"Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit -Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is," antwoordde Engel, die goed -geraden had. - -De Opperbevelhebber van 's Lands vloot ontving de tijding dat den -eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek -der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den -tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was. - -Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door -bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October. - -Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede, -ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet -met een blij geroep van "Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" - -Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel -eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten -zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap -ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter -Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad. - -Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van -'s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat -spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige -hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven -perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken -woorden worden vergeten. "Doch," zegt J. A. Brand, een van De Ruyters -lofredenaars, "al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des -tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij -hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie -en De Ruyters wapenroem herinneren." - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -LUCTOR ET EMERGO. - - -Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het -oorlogszwaard in de scheede steken. - -Voor hoe lang? - -De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa. - -Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie. - -Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor -een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij. - -Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol kooplieden had -moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van heel de wereld. - -Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning Lodewijk XIV -regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee Mogendheden -terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee elkander zoo -goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af moesten -beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de heerschappij -terzee. Maar nòch het een, nòch het ander was gebeurd. Engeland was -geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland trad als overwinnaar -sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te voorschijn. En dan die -Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den machtigen Lodewijk, -te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij voor slimheid -geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte te bekennen, -dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd gewassen -was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En Zweden, -dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon het -eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door kooplieden -geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een weinig -meê verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te danken had. - -En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop van boeren, -kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste viool speelde, -en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren, kooplieden en -visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel beleefd wezen -op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen. - -Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dus niets anders op, -dan een drievoudig verbond te sluiten met de Republiek der Vereenigde -Nederlanden. - -Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en wachtte zijnen -tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig verbond toetrad. - -Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te stellen om -dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit elkander -te doen springen. - -Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die hem evenwel -het hoofd liet stooten. - -Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II graag naar -Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want geld had -deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning Lodewijk -hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik aan, -of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had, -ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden. - -En Zweden? - -Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van Lodewijk, die -zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien Hollandschen -kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af geweest was. - -De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist alles reeds, -ja, misschien nog eer dan Lodewijk. - -Maar wat zou de Raadpensionaris doen? - -Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den Vondel eens zong: - - - - "Het is al boter, tot den boôm, - Men zingt al Pais en Vree." - - - -Integendeel, het was er verre af. - -Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger in den Staat, -was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele van Zeeland -opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State. - -Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de Stadhouderlooze -Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben. Het wilde dat -de Prins wát zou zijn. - -Jawel, wat zijn, maar wát? Noemt iets, noemt alles behalve Stadhouder -Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles en we zullen zien, -wat we doen zullen, heette het. - -Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den weg te leggen. - -Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen, en--benoemden bovendien -Willem Hendrik, Prins van Oranje tot Kapitein-Generaal voor éénen -veldtocht. - -En er was geen oorlog?! - -Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan. Daarom had men -ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren toestand te brengen, -het leger te lande te versterken en de vestingwerken te verbeteren. - -Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste moest nog -gebeuren. - -De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en van Holland -en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo was. - -Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den oorlog -verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien -te voorkomen. - -En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk gelezen, -of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die ons, -in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne verkwistingen, -ook den oorlog verklaarde. - -Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om Frankrijk door -Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te houden. - -Door twee machtige vijanden besprongen en voor één niet veel meer dan -half klaar. De vloot was goed en men wachtte Engeland en Frankrijk -op zee rustig af, want hij leefde nog. Hij zou zich weer met eenen -Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen, hij, die Engeland -had doen sidderen en beven; hij, die door den trotschen Lodewijk -als Ridder zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd; hij, -de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter; hij, Bestevaêr -Michiel, die na vier jaren rust, het bordes van zijne woning op het -Nieuwe-Waalseiland afstapte, de "Zeven Provinciën," beklom en sprak: -"Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!" - -Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen te woord staan! - -Maar te land stonden de zaken minder goed. - -Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding, aan het -hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen moest, -die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de grachten -groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een jongeling, -stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed in -staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk -XIV en zijne wakkere legerhoofden! - -En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek van de -landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en Keulen -ons ook nog den oorlog verklaren. - -Zegevierend trok de vijand ons land binnen. - -En De Witt en zijne vrienden? - -Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en oproerskreten, staande -gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg den lande verder te -dienen, als maar de bevolking in die bange dagen, instede van tegen -te werken, hen had willen helpen. - -Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet veel te -zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de Republiek -der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht in ons -land hield, lag Lodewijk XIV al voor Utrecht en maakte er zich den -drieëntwintigsten Juni meester van. - -Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den vijand. Ook -Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de golven -voorstelt met het onderschrift: Luctor et emergo, dat is: "Ik worstel -en ontkom." - -Ik worstel. - -Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder werd dat -gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende: "Luctor"! - -Maar "emergo"? "Ik ontkom?" - -Dàt stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat de Zeeuwsche en de -Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het opgeven zouden. - -Maar is er dan niet één, die met forsche vuist den Engelschen Luipaard -op de vlucht jaagt en de Fransche Leliën afmaait? Niet één? - -"Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge, Bestevaêr?" - -"Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!" - -"Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van Holland het houden, hé?" - -"Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en de mijnen maar -helpen willen, dan zullen we dat onderschrift wáár maken: Luctor et -emergo! Heet mijn schip niet "De Zeven Provinciën"? Het zullen er -zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen -zal het gaan?" - -"Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is Admiraal!" - -"Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken waar hij te vinden -is en te woord staan, zooals ons dat past." - -Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay. - -Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de Franschen -vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd tweeënvijftig -schepen van allerlei grootte en vorm. - -De onze telde er honderd drieëndertig, doch het kleiner getal schepen -werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders en den uitnemenden -geest der manschappen. - -Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt zich aanboord -van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer "De Zeven Provinciën" was. - -Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor het eerst een -eigen schip, "De Deventer" geheeten. Het voerde zesenzestig stukken -geschut en had behalve zestig zeesoldaten of mariniers, tweehonderd -vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was Jan Lievensz., er -ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had kunnen worden, -had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval dan een schip -gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen. - -Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord, hoewel de man -te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te nemen. De -Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en was -bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en zijnen -voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in vlugheid -te kort kwam. - -Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de Engelsche kust en -toen de uitkijk riep: "Land vooruit!" wist men dat men de Solebay -naderde, en dat men daar de Engelsch-Fransche vloot zou vinden. - -Deze liet zich ook niet lang wachten. - -De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps: "Zeger! Zeger! kom -eens hier, man!" - -Zeger, de Opperstuurman van "De Zeven Provinciën" naderde en vroeg -eerbiedig: "Wat belieft u, Admiraal?" - -De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de richting van -den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat deze aanwees. - -"Dat is onze man, Zeger!" zeide De Ruyter nogmaals. - -De Ruyter wees "The Royal Prince" het Admiraalsschip van de -vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van York zijne vlag liet -waaien. - -"Dat zal gebeuren, Admiraal!" zeide Zeger, beleefdelijk zijne muts -afnemende en naar het roer gaande. - -Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en ook maar -zacht woei, toeliet, hield "De Zeven Provinciën" het op het Engelsche -Admiraalsschip aan. - -Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel, stonden de mannen -van "De Zeven Provinciën" ook nu gereed vuur te geven, doch De Ruyter, -die liefst maar niet op goed geluk af schoot, wachtte hiermede, -tot ze op een pistoolschot afstands genaderd waren. - -"Vuur!" klonk het. - -Met een luid "Hoezee!" werden de kanonnen losgebrand. - -De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur met dezelfde -hevigheid. - -Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder de oogen te -zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, dat vrees ook niet -in zijn woordenboek stond. - -Beiden waren tegen elkander opgewassen. - -Toch was op het laatst "The Royal Prince" zoo doorschoten en gehavend, -dat de Hertog van York op een ander schip moest overgaan. Hij deed -dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te slaan, maar omdat hij -op zulk eenen ontredderden bodem zich niet bewegen kon, teneinde de -noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem daartoe noodzaakte, -lag in de vlugheid waarmede aanboord van "De Zeven Provinciën" het -geschut bediend werd. - -Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen -vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een -"Hoezee! Bestevaêr! Hoezee!" de Engelsche Admiraalsvlag van "The Royal -Prince" zagen overgaan op de "St. Michiel" kwam er eene sloep aanboord, -die voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht. - -"Wat is er, mannen, wat is er?" vroeg hij den matrozen uit de sloep, -toen dezen op het dek verschenen. - -"Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een stuk hout tegen de -borst getroffen, en kan geen woord uitbrengen," klonk het antwoord. - -De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met geweld de zorg -eens Vaders plaats maken voor den plicht eens Opperbevelhebbers, en -tamelijk bedaard zeide hij: "We hopen, dat de wonde niet doodelijk -zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?" - -"De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen zal!" zeiden de -matrozen. - -"Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed voor mijnen -jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!" - -De matrozen gingen heen en klommen van den valreep. - -"Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?" vroeg de "Barre Bruinvisch" -ook naar den valreep gaande. - -"Ga, vriend, ga!" antwoordde De Ruyter, die den ouden man zeer goed -begreep en daarom graag vertrekken liet. - -"Ziet ge," zei de "Barre Bruinvisch" toen hij, tot verwondering van de -matrozen, ook bij hen in de sloep kwam, "ziet ge, ik met mijne stijve -beenen kan toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als -de zeevader van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen." - -"Ha zoo, dan heet gij Lievensz., hé?" vroeg de man aan het roer. - -"Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders ook nog wel eens -"Barre Bruinvisch", zie je! En mijn zoon Jan is Eerste Officier bij -mijn zeekind aanboord!" - -"Jawel, jawel!" zei de man aan het roer zoo kort mogelijk, doch er -kwam een vreemde trek om den mond van den Janmaat. - -"En ik hoop, als dat hij dien Roôrokken zal hebben laten zien, als -dat hij mijn jongen is! Heeft hij dat?" - -"Zeker, hij was een van de eerste aan den dans!" klonk het weer, doch -pas was dat gezegd of de Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag, -den vinger voor den mond, wat toen ook al beteekende: "Zwijgen! Niets -zeggen!" - -"Ja, ja," hernam de "Barre" opgewonden, "hij zal ze laten dansen, -ha, ha!" en hier op liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed -het deuntje volgen: - - - - "Hij zal ze laten dansen, - Op zijn Engelsch en zijn Franschen, - Hij zal ze laten dansen den zevensprong!" - - - -"Kijk den "Dolle" eens rare sprongen gaan maken," riep de Stuurman, -terwijl hij op de "Groot-Hollandia" een schip van vierenzestig -stukken, wees. - -"Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet zoo?" vroeg een der -matrozen. - -"Ja, ja, de "Dolle." En dat gaat zoo regelrecht af op de "Royal James", -het Admiraalsschip van Montague." - -"Maar hapert het den "Dolle" in zijne bovenkamer om daar met een -schip van honderdvier stukken te gaan bakkeleien? Dat is toch geene -partuur voor hem!" sprak een ander der roeiers. "De overmacht is hem -immers veel te groot!" - -"Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de "Dolle" naar! Willen we eens -wedden, dat hij dien grooten lobbes zoo netjes in het zonnetje zet, -als gij het ooit gezien hebt," zeide de Stuurman, en zich hierop tot -Lievensz. wendende vervolgde hij: "En wat zegt onze oude Bootsman -ervan?" - -"Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van over!" antwoordde -Lievensz. met een akelig boos gezicht. "Hij zal dien olifant te woord -staan; hij zal hem zijne volle bekomst geven; maar als dat gedaan is, -zit er eene schrobbeering voor hem op, niet zuinig, man!" - -"Wat! Eene schrobbeering?" riepen eenige matrozen tegelijk, en vergaten -van verwondering aan de riemen te trekken. - -"Trekt dan, kerels," riep de man aan het roer. "Trekt dan toch, -anders komen we aanboord, als de boel afgeloopen is. De "Barre" -meent er niemendal van!" - -"Niet meenen? Niet meenen? De "Dolle" loopt zoo zeker eene...." Terwijl -hij sprak sloeg eene kleine kanonskogel hem over het hoofd en nam -zijne wollen muts mede. - -"Goeden morgen," riep hij lachend. "Die malle Roôrokken mikken op -een oud man! Bah, hoe flauw is dat! Wat hebben ze er aan om eenen -meer dan halfsleten zwabber naar de haaien te helpen!" - -"Barre", zeî de Stuurman, vol bewondering, "ge zijt een echte zeerob, -hoor! Dat verbleekt zelfs niet eens." - -"Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor mooier gehouden -heb dan een karnemelks-gezicht," sprak Lievensz. "Maar om nu op den -"Dolle" terug te komen, ik zeg: hij loopt eene schrobbeering op zoo -waar, als tweemaal twee vier is." - -Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten zakdoek een mutsje, -zette dat op, doch.... - -Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den duim. - -Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik verried, zeide -hij: "Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat gunt mijnen kalen -knikker zelfs geen blauw neusdoekje!" - -De matrozen van "De Deventer" dit ziende en hoorende, riepen als -uit éénen mond: "Hoezee! voor den Barren Bruinvisch! Dat is er een -van Bestevaêr!" - -"Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en een stukje duim," -zeide Lievensz. "Roeit maar voort, anders zit er voor u ook nog wat -anders op dan een bedankje." - -"Maar," vroeg nu de stuurman, "waarom zou de "Dolle" straf oploopen? Ik -denk, als Bestevaêr het gezien heeft, dat...." - -"Wie spreekt er van Bestevaêr," antwoordde Lievensz., het lesje geheel -vergetend, hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. "Wat heeft -Bestevaêr in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers? Neen, -Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich -niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen -gaat!" [12] - -"Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in het kabelgat -gekropen is," riep een matroos. - -"Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij allerminst," sprak de -"Barre" vol vuur. "Wie dat zegt, weet er niets van. Wat waar is, -mag gezegd wezen. Zoolang het gevecht met den Hertog van York geduurd -heeft, zat hij in eenen stoel bij de stuurmanshut, of, als hij moede -van het zitten was, stond hij er bij. Maar of de mooie mannen van -zijne lijfwacht om hem heen vielen als muizen, hij week geen duimbreed -terug. Neen, neen, alle respect voor eene landrot, die zooveel moed -heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan alle dwarskijkers, die wat -de zee betreft, nog op de schoolbanken moesten zitten, en die toch -eenen held, die zijne zwarte haren op zee grijs heeft zien worden, -als ondergeschikte behandelt. Ik...." - -"We zijn er," zeide de Stuurman, doch toen de riemen ingehaald waren -en de "Barre" de eerste wilde zijn, die tegen den valreep opklimmen -wilde, hield een der matrozen hem tegen. - -"Nu, wat zal dat?" vroeg Lievensz. boos. - -"Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad met te vertellen -van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer mede te deelen." - -"Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje opgedischt? Is Jonker -Engel dood? Is De Ruyters zoon gesneuveld?" - -Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een ervan scheen -zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de Engelsche vloot -liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De Ruyter ernstig -gekwetst was. - -"Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts gewond, maar uw -zoon is..." - -De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene vlugheid, -die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben, greep hij -den valreep, klom naar boven en riep: "Jan! Jan Lievensz., jongen, -jongen, waar ben je?" - -"Wat moet die man?" vroeg de Officier, die inplaats van Kapitein -Engel De Ruyter nu het bevel voerde. - -"Het is de Vader van Luitenant Lievensz., Meneer," antwoordt de -Stuurman der sloep. - -Maar de "Barre Bruinvisch" heeft daar wat met een zeil bedekt op het -dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent. Hij licht het op en.... - -"O, God, mijn jongen, mijn jongen gevallen!--Gevallen!" roept hij -snikkend, de verwrongen gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen -overdekkend. - -"Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne laatste groeten gehad -ook voor zijne Moeder!" sprak de bevelvoerende Officier, die zich -hierop verwijderde om in de slagorde van de vloot te blijven en te -doen wat zijn plicht was. - -Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon liggen, en richtte -zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor hem het "Onze -Vader" gebeden had. Toen dekte hij hem aan alle kanten toe, drukte -weer eenen kus op zijnen mond en ging, waggelend als een dronken man, -naar de kajuit waar Jonker Engel lag. - -"J-jan-d-do-od;" bracht deze er met moeite uit, doch drukte met -zeemans hartelijkheid de hand van zijnen ouden zeevader, die in dat -korte oogenblik zooveel ouder geworden scheen te zijn. - -"Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn jongen!" snikte de Vader. - -"H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde; ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg -t-toe-toen...." - -"Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden, Kapitein!" sprak de -Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was, die pas de Hoogeschool -had verlaten en die zijne krachten en diensten in dien benauwden tijd -ook zijn Vaderland wilde wijden. - -"Is u de Dokter?" vroeg Lievensz. - -"Ja, goede vriend," was het antwoord. "Wilt ge wat weten soms?" - -"En was er niets meer aan mijnen zoon te doen, Dokter?" - -"Wie was uw zoon, ouwentje?" - -"Luitenant Lievensz., Dokter!" - -"Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk gewond. Hij -leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste groeten, en -hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en zuster -vaarwel te kussen." - -"Dank-je, Dokter, dank-je!" sprak de "Barre Bruinvisch" zoo bedaard, -alsof er niets gebeurd was. - -Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en kookte, -en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong -zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen, -dat deze hem de hand drukte en zachtkens zei: "Goed, bra-braaf, -Gr-Grootva-vader-tje!"-- - -"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" klonk het een paar uren later -aanboord van Engel De Ruyters schip. - -"Ze schieten minder! Zou de slag gedaan zijn?" vroeg de Dokter, die -beneden bij de gekwetsten bleef en een deel zijner zorgen aan Engel -wijdde, aan Lievensz. - -"Bestevaêr komt tenminste naar zijnen zoon kijken en dan zal de slag -wel beslist zijn!" antwoordde de oude man. - -"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" klonk het nu nog luider van -"De Deventer", waar alles in de weer was om hem te ontvangen. - -De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk vriendelijk -toeknikkend, ging hij naar de kajuit. - -Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen. - -"Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond, lieve jongen, -hé?" sprak De Ruyter. - -"Dag, b-bes-beste, Va-Vader!" antwoordde Engel en schudde de hand -des Admiraals. - -"Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?" vroeg de Dokter beleefd. "Ik -heb hem het spreken verboden!" - -"Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken. Gehoorzaamheid -moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het ziekbed. U is -dan zeker de Dokter?" - -"Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen. Als uw zoon zich -maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie weer zoover, -dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu weer maar -niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert hem." - -"Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch zal toehooren, -als ik wat vertel, hem hinderen?" - -De Dokter schudde het hoofd. - -"Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs gegaan, als ik nog -nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend pond buskruit en -vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal Montague van -den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich kranig gedragen, -verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier, en al de anderen -als leeuwen, en, al hebben we ook al geene schitterende overwinning -behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu te land ook zoo maar -gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het is anders een harde -dobber, hoor!" - -Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken gevende, wenkte -hem te volgen. - -De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren ze juist gereed -om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te geven. - -De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat geëindigd was, -vroeg De Ruyter: "Wie is dat, Lievensz.? Jan toch niet?" - -Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig ander antwoord -te geven. - -"Goede zeevader," sprak De Ruyter, "is hij gevallen? God hebbe zijne -ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden mijn, morgen dijn! Treur -niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts wat voor! Daar boven -ziet gij hem weder, willen we hopen!" - -Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze zeide tot -den Officier: "Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den dienst verder -verrichten?" - -De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen: "Ja zeker, -Admiraal! O, als u dát doen wilde, dan...." - -"Ik heb er behoefte aan, het te doen, Mijnheer," sprak De Ruyter, -en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die -den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen, -ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte, -en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig -het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held: -"Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een -veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!--Het Vaderland zal u -indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe -vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap -voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!" - -De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er -op schoof verder en--verdween in de diepte. - -Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze -te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk -te herstellen. - -Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was -een woord uit die dagen afkomstig: "De Regeering is radeloos, het -volk redeloos en het land reddeloos." - -Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men -gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn -leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet -ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid -genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins -van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen. - -De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den -Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het -Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij -besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus: -"Oranje boven!" nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder -de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins -vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de -toekomst niet zoo donker in. - -Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard -gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft. - -Hij spreekt dat tegen, open en rond. - -Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt -heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris. - -De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want -de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van -Oranje en Jan De Witt. - -Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding -op de vloot: "De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen -schandelijk vermoord!" - -Dat was een slag! - -Wat zal er van het Vaderland worden? - -Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip -"De Zelandia." - -Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd. - -En De Ruyter leest: "Luctor et emergo." - -Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen -heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te -zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning -zou kunnen vallen. - -De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van -Zeelands wapen: "Als 't Landt al t'eenemaal verloren gaat, zal ik -met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan -uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven! Luctor -et emergo!" - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -DE REDDER VAN HET VADERLAND. - - -Het is op den zesden Juni van het jaar 1673, dat we ons weer -verbeelden aanboord te zijn van "De Zeven Provinciën", waarop onze -Luitenant-Admiraal De Ruyter andermaal zijne vlag laat waaien. - -Luitenant-Admiraal? Hei, hei, ge vergist u! "De Zeven Provinciën" -draagt de vlag van den Luitenant-Admiraal-Generaal, de hoogste -betrekking, die men op de vloot kan hebben, en onder hem staat de -Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp. - -Wat? Cornelis Tromp weer aanboord? Hoe dat gaan zal? Twee mannen, -die elkander zoo vijandig gezind zijn met slechts éénen rang verschil -van macht! Wie heeft dat dwaze stuk begaan? - -Wel, wel, wat zijt ge nog een vreemdeling, dat ge niet weet wat er -geschied is. - -Laat mij u een en ander vertellen. - -Sedert onze De Ruyter dat flinke antwoord aan dien Engelschman gaf, -is er heel veel veranderd en, ten onzen voordeele. - -Groningen is van den vijand bevrijd; Drente ziet hem niet meer. - -Denemarken en Lotharingen zijn onze bondgenooten. Spanje, Duitschland -en Brandenburg rusten zich ten oorlog toe tegen Frankrijk. Eene -voorgenomen landing der Engelschen en Franschen is door storm en -lagen waterstand mislukt. Slechts met moeite heeft Koning Karel II -van zijn Parlement geld gekregen om den oorlog voort te zetten, -en in den Stadhouder hebben we eenen man gevonden, die ons in de -Raadzaal en voor de vloot, den grooten De Witt weinig doet missen, -en in het leger ons meer geeft dan De Witt geven kon. - -Toch zou men zich vergissen, als men meende, dat de Republiek reeds -gered was. Neen, het is nog steeds luctor, maar we zijn schoon op weg -om het tot emergo te brengen, als men maar krachtig volharden wil, -in het voortzetten van den strijd. - -Dat wil de Stadhouder van zijne zijde wel beloven, en ter zee, ja, -dat hangt niet zoo geheel van hem af. Maar gelukkig heeft hij ook daar -zijnen man. De Ruyter leeft nog. Wel was deze een groot vriend van de -gebroeders De Witt, wel heeft hij onverholen, zelfs ten aanhoore van -de machtigste vereerders van Oranje, schande gesproken van het volk, -dat deze mannen op zulk eene schandelijke wijze vermoorden kon; maar -dat belet den Stadhouder niet dien Luitenant-Admiraal te vertrouwen -en te hoogachten. Hij zal niet doen, als dat Amsterdamsche grauw, -dat de woning wilde plunderen van den man, die zóóveel voor het -Vaderland gedaan had, en die er nog zooveel voor doen wilde. Is hij, -de Stadhouder, niet Admiraal-Generaal? Welnu, wat belet hem dan dien -braven Vaderlander, dien doorluchten zeeheld, dien vromen burger, -in zijne plaats het opperbevel over de vloot te geven? Zeggen en -doen gaan bij den Stadhouder hand aan hand, en den eenentwintigsten -Februari van het jaar 1673 werd Michiel Adriaensz. De Ruyter benoemd -tot Luitenant-Admiraal-Generaal van Holland, Zeeland en West-Friesland. - -Maar de Stadhouder zal nog meer doen. - -Leeft daar niet in stille rust een man, onvergelijkelijk dapper, -een liefhebber van zijn Vaderland en een zeeheld als er weinigen -gevonden worden, maar, helaas, in vijandschap met De Ruyter? Als -hij die twee eens met elkander verzoenen kon, Bestevaêr en Tromp, -wel, dan zouden Engeland en Frankrijk het hoofd te pletter -stooten op Nederlands bolwerk terzee, door die twee helden met -hunne onderhoorigen verdedigd. Ook dit beproeft de Stadhouder en, -na heel wat moeite, gelukt het hem de twee helden met elkander te -verzoenen. En of het nu meenens is? Het is nog geene tien dagen -geleden, dat Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp met zijn "De gouden -leeuw" een prachtig schip van tweeëntachtig stukken, bij de vloot, -die onder De Ruyter bij Schooneveld [13] lag, is gekomen. En hoe? Als -iemand, die niet onder De Ruyter wilde staan? Volstrekt niet. Hij -liep achter "De Zeven Provinciën" om, begroette den Opperbevelhebber -met eere-schoten, en kwam iets, dat in geen zeven jaar gebeurd was, -bij De Ruyter aanboord. - -De Ruyter wachtte Tromp bij den valreep op. In het kamp bij Bodegraven -hadden ze elkander in tegenwoordigheid van den Stadhouder, de hand van -vriendschap gegeven, en nu: "Welkom, welkom, aanboord van "De Zeven -Provinciën", Tromp!" sprak De Ruyter en sloeg op ronde zeemans-wijs -de rechterhand in die van Tromp. - -Dat heeft het volk gezien. - -De "Barre Bruinvisch", die na den dood van zijnen zoon Jan, geenen -traan meer had laten vallen, die man zelfs voelt de oogen vochtig -worden, en het kale hoofd, waarvan nog enkele lange, witte haren -in den wind fladderen, ontblootend, roept hij met trillende stem: -"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!" - -Alsof al het volk daarop gewacht heeft, mengt zich, met het -kanongedonder der schepen, het gejuich van Janmaat: "Hoezee! Bestevaêr -Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!" - -Er is een gastmaal aanboord van "De Zeven Provinciën" geweest, en in -het bijzijn van de aanzienlijksten in den lande, hebben die twee met -elkander geklonken en gedronken, en vriendschap en trouw gezworen -tot in den dood! - -Nu is het de zesde Juni. - -Daar daalt De Ruyter van den valreep der "Zeven Provinciën" af, -om aanboord van "De gouden Leeuw" eenen feestmaaltijd bij te wonen, -door Tromp den Opperbevelhebber ter eere aangeboden. - -Zie, daar beklimt De Ruyter het dek van Tromps Admiraalsschip, de twee -helden drukken elkander nogmaals de hand, en terwijl er een vroolijk -"Wilhelmus van Nassouwe" geblazen wordt, juicht het volk andermaal: -"Hoezee, Bestevaêr en Tromp! Hoezee!" - -Wat dunkt u, zouden Neêrlands twee grootste zeehelden zich met elkander -verzoend hebben? - -Het gastmaal is De Ruyter waardig. - -Daar heft Tromp eenen vollen beker omhoog en drinkt het heil van het -lieve Vaderland. - -Een luid "Hoezee!" klinkt op zijne gloeiende woorden. - -Maar wat kijken allen daar naar de deur der kajuit? - -Wat moet die Opperschipper van "De gouden Leeuw" hier doen? - -"Admiraal," zegt hij, zich eerbiedig tot De Ruyter wendend: "De vijand -is in aantocht!" - -Uit is de vroolijkheid. - -Men snelt naar boven en--de heele zee aan den horizon is bedekt met -de schepen der Engelsch-Fransche vloot. - -De groote scheepsraad, zoo ongezocht vergaderd, is op het dek -bijeen. Kort en vaardig deelt De Ruyter zijne bevelen uit, vermaant -zijne Bevelhebbers Neêrlands zeeroem te handhaven, en ieder keert -naar zijn schip terug. - -Het is voor ieder duidelijk genoeg, wat die Engelschen en Franschen -willen. - -Morgen, den zevenden Juni, is het juist een jaar geleden dat de slag -bij Solebay geleverd is, en morgen zullen ze de schande van Solebay -wreken door eene landing. - -Heeft niet de Lord-Kanselier bij het openen van het Britsche Parlement -gezegd: "Carthago moet verwoest worden!" met Carthago de Republiek -der Vereenigde Nederlanden bedoelende? - -Daar komen ze nu om die woorden waar te maken; want die Nederlandsche -schepen en scheepjes onder De Ruyter en Tromp, zijn in de oogen der -overmachtige vijanden niets meer dan een stofje aan de weegschaal. Nu -zal, nu moet de landing plaats hebben. Eene vereenigde vloot van -honderd vijftig zware oorlogsschepen is niet te weerstaan! - -Hoe die grootsprekers zich bedriegen zullen! De Nederlandsche vloot, -sterk honderdvijf schepen, soms onvoldoende bemand, doch aangevoerd -door helden, zal toonen, dat ze nog hetzelfde kan, als bij Solebay. - -"Het zal wel gaan!" zegt Tromp, die de voorhoede heeft, en gaat aan -den slag. - -"Komt, jongens, rept de handen!" zegt Banckers, die de achterhoede -heeft en valt ook aan. - -"Mannen, de vijand is nabij. Elk gedrage zich als een braaf kerel -en daar hij voor scheep is gekomen. Ik beloof het u, het zal wel -gaan!" spreekt De Ruyter en stevent op den vijand los. - -Naar alle kanten ziet het oog van den Opperbevelhebber. - -"Vooruit, mannen! Tromp is in nood. Gauw hem ontzet, eer het te laat -is," roept hij na eene poos. - -Het was hoog noodig. De dappere Luitenant-Admiraal heeft het hoofd -te bieden tegen de helft der vijandelijke vloot. Het was hard voor -De Ruyter, want hij was reeds aan de winnende hand, maar gedachtig -aan den handdruk van Tromp ontvangen, zegt hij: "Het zwaarste moet -het zwaarste wegen. Het is beter vrienden te helpen, dan vijanden te -schaden! Vooruit!" - -Tromp is van het eene op het andere schip overgegaan, overal zijne -Admiraals-vlag meevoerende. Maar nu begint zijn volk den moed op te -geven. Het kan niet meer. - -Daar trekt de rook voor een oogenblik op, en tusschen die openingen -heen ziet Tromp onzen De Ruyter komen om hem te ontzetten. - -"Hoezee! Mannen, daar is Bestevaêr! Die komt ons helpen! Ik zal -hem ook niet verlaten, zoolang als ik leef!" roept Tromp bijna -triomfantelijk uit. - -Dat helpt, en met een: "Hoezee, Bestevaêr Michiel! Hoezee!" laten ze -opnieuw het geschut donderen. - -Daar zien de vijanden "De Zeven Provinciën!" - -"Vuur!" beveelt De Ruyter. - -De vijand deinst af! Die "Zeven Provinciën" kennen ze maar al te goed. - -De Ruyter bemerkt den schrik, dien hij onder den vijand brengt, -en zegt lachend tot hen, die bij hem staan: "Hoezee, jongens, de -vijanden hebben nog ontzag voor "De Zeven Provinciën!"--Het was niet -te veel gezegd. De vijanden laten Tromp spoedig liggen en trekken af. - -Eindelijk valt de avond en het gevecht is geëindigd. - -Maar geen schip gaat naar Engeland of Frankrijk om daar de blijde -boodschap te brengen: "Carthago is gevallen!" - -De landing was mislukt, en uitgesteld tot later tijd. - -De Ruyter schreef aan den Prins: "Wij oordeelen absoluyt, dat dusverre -de victorie (Gode zij lof) aan de zijden van dezen Staet en Uwe -Hoogheit is." - -Luitenant-Admiraal Van Nes zeide: "De vijand is zoodanig getracteerd, -dat er geen nood is, dat hij daarvan liedekens zal gaan dichten." - -Cornelis Tromp schreef aan zijne zuster: - - -Beminde Zuster! - - -Gisteren hebben wij den dans aangegaen, en ben, Godt sy gelooft, -gesond, en hebben ons herte eens weder opghehaelt als keuningen. Ick -ben op myn vierde Schip, "de Komeetstar," en meene vandaeg een -braven dans te dansen. Wij krijgen de Franschen so aen 't loopen, -dat zij bramzeyls en alles byzetten; en so het vandaeg so voortgaet, -so hope ick, dat aller Vrienden en ons gebed verhoort sal zijn, en -dat wij van de tirannye verlost zullen worden. Adieu! Couragie! Het -sal waerachtig wel gaen. - - -8 Juni 1673. - -C. Tromp. - - -Maar wie zou nu als Nederlander de zaak niet van zijne gunstige -zijde laten zien? Was het wel zoo vast waar, wat Van Nes zeide; -"De vijand zal daarvan geene liedekens dichten?" - -Welnu, de Fransche Admiraal D'Estrées schreef aan zijne Regeering: -"De Ruyter is een groot meester in de kunst van den oorlog ter zee; -hij heeft mij in dezen slag schoone lessen gegeven. Gaarne zou ik -mijn leven laten voor den roem, die hij daarbij heeft verworven." - -Het was er evenwel verre van af dat de Engelsch-Fransche vloot -verslagen was. De Nederlanders zouden niet haring voor Sint Jan roepen; -want den veertienden Juni zou het gevecht van Schooneveld hervat -worden. Toch zouden zij niet de aanvallende partij zijn. Die eer gunde -De Ruyter hun niet. Toen evenwel de vijand de onzen slagvaardig zag -aankomen meerderden ze zeil, gingen noordelijk op en voeren daarop -met volle zeilen naar hunne eigen kusten terug. - -Geen geringe omkeer van zaken. - -De Ruyter joeg hen evenwel na en noodzaakte hen tot het gevecht. - -"Hoezee, jongens, dat gaat er weer op los! Ferm, hoor, dat de vlokken -er afstuiven!" roept Van Brakel. En met een "Hoezee!" doen zijne -jongens waartoe ze geroepen zijn. En niet alleen op dien bodem, -maar op alle schepen van de Nederlandsche vloot vecht men, onder het -beleidvolle bestuur van Bestevaêr, met weergalooze dapperheid. Al -meer en meer deinst de vijand; al meer en meer dringt onze vloot -vooruit en de verwarring onder de Engelschen is weldra zoo groot, -dat men daar met blijdschap den invallenden nacht begroet en het -moorddadige gevecht staken kan. - -Wel wilde Prins Robert, de Bevelhebber der Engelschen, den volgenden -dag den slag hervatten, maar geen zijner Bevelhebbers was hiertoe -over te halen. - -Als overwinnaar keerde De Ruyter naar zijnen post op de Zeeuwsche -kusten terug. - -Wel, Lord-Kanselier, zoudt ge nu nog niet een toontje lager gaan -zingen, waar een uwer landgenooten verklaart: "Prins Robert keerde -met verlies van vele menschen, en met vele ontredderde schepen naar -den Theems, en De Ruyter, hebbende, mits het voordeel van den wind, -en met van ver te vechten [14] weinig schade geleden, verkoos de -Zeeuwsche kust weer tot zijnen post. In dit bedrijf gaf De Ruyter -sprekende proeven, dat hij als het tijd was, den vijand zoowel kon -opzoeken als vermijden, en dat hij zijne plaats nooit verliet dan om -het voorhoofd te toonen." - -Lager zingen zouden Engeland en Frankrijk? Zouden zij zich zoo -vernederen? Dat kon niet en dat zou niet! De landing moest plaats -hebben! Dat Carthago van de zeventiende eeuw moest vernietigd worden, -het moest. - -De uitvoering van het stoute plan der onzen om de dagen van Chattam -nog eens te doen herleven, diende evenwel achterwege te blijven, -omdat er te veel zieken op onze vloot kwamen. - -Ondertusschen kwam De Ruyter van eenen gevangen genomen Engelschen -Predikant te weten, dat de vijandelijke vloot honderdacht schepen -sterk was, en dat de schepen volgepropt waren met soldaten, ten -getale van ongeveer achtduizend man en drie troepen ruiterij, ieder -van honderdtwintig paarden. Het bevel over dat leger te lande had de -Graaf von Schomberg. - -Men behoefde zich niet suf te peinzen omtrent het doel er van. Het -was weer maar de oude geschiedenis: er zou andermaal eene landing -beproefd worden. - -De eenentwintigste dag van Augustus 1673 zou bewijzen, dat Carthago -het hoofd omhoog bleef houden. - -De Engelsche Admiraal, Prins Robert, had in last de Nederlandsche -vloot van de kust te lokken en slag te leveren, en terwijl dan de -kust onbewaakt was, zou de Graaf von Schomberg landen. - -Het plan was niet kwaad; maar Engeland had te veel verwachting van -zijne slimheid. - -Onze Stadhouder kwam uit het leger naar de kust, stelde die op -verschillende plaatsen instaat van verdediging, liet tonnen en bakens -wegnemen en voor de zeegaten kleine, doch welbemande vaartuigen -brengen. - -De Ruyter kreeg de boodschap, dat hij niet al te bezorgd voor de -kust moest zijn; want dat deze tamelijk wel bewaakt werd. Hij mocht -gerust alles doen, wat hij noodig achtte om den vijand te verdrijven, -en de verwacht wordende koopvaardij-vloot in behouden haven te brengen. - -Deze last werd door onzen Vlootvoogd getrouw volbracht. - -Op den genoemden eenentwintigsten Augustus naderden de vijandelijke -vloten onze kusten. - -Van Vlissingens reede tot Texels duin was heel het strand vol leven -en beweging. - -Iedereen begreep dat het dien dag te doen was om vrijheid of slavernij. - -En daar op zee lag onze vloot, kalm en gerust. - -Maar ze was een Vesuvius, die uit zijne rust ontwakend, landen -verderven en steden vernietigen kan. - -Tromp heeft alweer de voor- en Banckers de achterhoede. De Ruyter -beveelt den middentocht. Vóór "De Zeven Provinciën" ligt de "Waesdorp", -Kapitein Engel De Ruyter, en achter het Admiraalsschip ligt de -"Steenbergen", Kapitein Jan Van Gelder, schoonzoon van den Admiraal. - -Banckers, de wakkere Zeeuw, begint den slag. - -De Ruyter, ouder gewoonte, heeft weer zijnen man aangewezen, en deze -is Prins Robert, die de hoofdmacht des vijands onder zijn onmiddellijk -bevel heeft. - -Tromp valt Spragg aan. - -Het tooneel van den strijd is op Noord-Hollands kust en in de nabijheid -van Kijkduin. - -De strijd is vreeselijk. - -Het gedonder der kanonnen dringt tot diep in het land. - -Dat woelt, en streeft, en loopt naar de duinen, dat verdringt zich -bij honderden, die telkens met honderden aangroeien op het strand, -dat staart en tuurt met gewapende en ongewapende oogen in de verte, -want men wil zien, wat daar voorvalt. - -Er valt bijna niets te zien; want werkelijk is de kalme, rustige -vloot der Nederlanders opeens, als een vuurberg geworden, die dood -en vernieling teweeg brengt. - -Er valt een zware mist, die het vrije gezicht nog meer belemmert. - -De mist trekt op, maar zware wolken rooks verrijzen. - -Niemand ziet iets duidelijk; men hoort slechts het verschrikkelijk -onweder op zee. De grond dreunt ervan; de harten worden angstig te -moede. Wat wordt daar afgespeeld? Nederlands ondergang of de zegepraal -van het kleine volk? - -De kerkdeuren worden geopend en men smeekt God om den zege. - -Al feller en feller dreunt het kanongedonder. - -Het is een vreeselijk, een verschrikkelijk concert. - -Wie zal het winnen? - -Daar zijn weer schepen zichtbaar! Zij voeren de Engelsche en Fransche -vlag. - -"Verloren! Verloren! Vlucht! Vlucht!" roepen de flauwhartigen op -gillenden toon. - -"Neen, blijft mannen, blijft! Kijkt, kijkt dan, daar is "De Zeven -Provinciën" met de Admiraals-vlag hoog in top. Houdt moed, Bestevaêr -slaat de maat in het kartouwen-concert! Couragie! Couragie!" - -"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" roept er een, die van zijne -hooge standplaats op het duin en met eenen verrekijker gewapend, het -Admiraalsschip ziet losbranden, zeehouden, meer, veel meer dan dat, -ziet aanvallen op den vijand, die wijkt. - -En naar het Zuiden, en naar het Noorden herhalen duizenden dien -kreet, die het geprangde gemoed als het ware verlichting schenkt: -"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" - -Maar op de vloot hoort men niets van dat gejuich, ontdekt men niets -van dat leven en die beweging op de kust. - -Het is vijf uren in den middag. - -De Ruyter verzamelt zijne verstrooide vloot, en alsof hij zoo pas -den strijd begonnen was, slaat hij weer dwars door de vijanden heen, -keert terug en breekt opnieuw door de linie van schepen. - -Het is of de zee in vuur en vlam staat. - -Kogels, bouten, balken, splinters en schroot vliegen naar alle kanten. - -"De groeten aan vrouw en...." stamelt Kapitein Jan Van Gelder en valt -stervend neer. - -De Vice-Admiralen Isaäc Sweers en Johan De Liefde vallen ook voor de -vrijheid van het Vaderland. - -Honderden vallen met hen. - -Men brengt De Ruyter de tijding van het sneuvelen zijns dapperen -schoonzoons. - -Tranen komen in zijne oogen, doch zich opheffend zegt hij: "Ik weet -dat dit de vruchten van den oorlog zijn, dat ik mijzelven Gods wille -moet onderwerpen en daarin tevreden zijn. Heden was het zijne beurt, -morgen zal het wellicht de mijne zijn! Vooruit, in Godsnaam! Vooruit!" - -En de Admiraals-staf wijst den zijnen weer den weg des roems en -der glorie. - -Het vreeselijk concert neemt weer toe in kracht. - -Bestevaêr blijft onverdroten, onverzwakt, de maat slaan. - -Nog eenmaal den Engelschen Admiraal, Prins Robert, aangevallen. Dat -is eene partuur De Ruyter waardig. - -Maar de Engelschen zien den gevreesden Admiraal aankomen, en omgeven -hunnen Opperbevelhebber, als met een ringmuur van schepen en branders. - -Mocht Prins Robert willen, zij willen zijn voor Engeland zoo kostbaar -leven niet in de waagschaal stellen en dwingen hem, al vechtend, -tot den terugtocht. - -Het wordt donker op zee en donker op de kust. - -Duizenden staren in de verte, doch kunnen bijna niets meer zien. - -Hooren nog wel, en zeer goed ook. - -Maar ook dat kanon-gebrom begint te klinken, als het aanhoudend dof -gerommel van een afdrijvend onweder. - -"Hoezee! Hoezee! Ons de victorie! De vijand is van onze kust -weggeslagen!" - -Wanneer straks Bestevaêr, als overwinnaar, terugkeert, wat zullen we -dan zeggen? Hoe zullen we hem noemen? - -Eenen naam, eenen naam voor Bestevaêr Michiel! - -Noemt hem Redder des Vaderlands! - -En zoo geschiedde het. - -Hier, daar en overal zag men weldra zijne afbeelding prijken met -dit onderschrift: - - - - "Aenschouw den Heldt, der Staten-rechterhandt, - Den Redder van 't vervallen Vaderlandt, - Die in één jaar twee groote koningrijken - Tot driemaal toe de trotsche vlagh deed strijken. - De roem der Vloot, den arm daar God door streê, - Door hem herleeft de vrijheit en de vreê." - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -HET EINDE VAN EEN HELDENLEVEN. - - -De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende -jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol. - -Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn -land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd -werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven -Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen -toonen wat hij kon. - -De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek -der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks -"zon" geen duimbreed gronds verloor. - -Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad -met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd. - -Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij -uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou. - -De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch -de hulp zou gering zijn. - -Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in -den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende -overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot -naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken. - -En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen ouden dag -de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning -van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk -weigerde. - -Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren -aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en -dierbaar waren. - -Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn -doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn -zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met -eere op. - -Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet -zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het -bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was. - -Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder -rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn -inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven. - -Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan? - -Maar het lot had anders beslist. - -Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene -vloot naar de Middellandsche zee zenden. - -Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen -en vier branders werden hem toegezonden. - -Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter -niet overweg kon. - -Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde -het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie, -die hem deze lijst brachten: "Ik ken de Franschen. Ze hebben -van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de -slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht -deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is -een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?" - -"Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij -slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt, -zou hij het wel veel verder gebracht hebben." - -"U kent hem niet, Heeren," sprak de Ruyter. "Lodewijk zou hem reeds -lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat -daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft, -en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen -is veel te weinig." - -"UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!" - -"Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons -helpen, zooals de Franschen de Engelschen in '72 en '73 hielpen. Zij -zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken -of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!" - -"Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint -te worden en den moed dreigt te laten zakken," merkte thans een der -Heeren aan. - -Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den -driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid -en ernst: "Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn -leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij -leed dat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!" - -"Welnu, die schande dragen wij dan," zeide dezelfde, "en wij verzoeken -UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen." - -Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij: -"De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al -werd mij bevolen 's Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou -daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen, -zal ik mijn leven wagen!" - -Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te -opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De -Ruyter, te kunnen begrijpen. - -Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens -door ziekten van den ouden dag overvallen. - -"Ga toch niet naar zee!" zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden. - -Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij -geenen moed meer had. - -Ja, daarover moest hij heenstappen. "Dat wist men wel beter," -zeide men. - -"Neen, neen," riep De Ruyter, "ik zal naar zee gaan! Ik zal dien -tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!" - -Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het -ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit. - -Waarom toch? - -Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden. - -"Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu -voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht -blijven. Ik voel het!" - -Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der -Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar 's Lands vloot -te begeven. - -Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering, -hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht -weer schitterend zou blijken, dat het bevel van 's Lands vloot aan -geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn. [15] - -Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal -De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot -te Cadiz af te wachten. - -Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus -wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De -Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield -onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij -last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche -schepen vinden zou. - -Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild -was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers -te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden -Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken -had. - -"Admiraal," zeide deze eindelijk. - -De Ruyter keerde zich om en zei: "Zoo, Lievensz., zijt gij daar?" - -"Ja, Admiraal, hier ben ik!" - -"Het gaat ons niet voor den wind, man!" sprak De Ruyter. - -"Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar...." - -Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht. - -"Wat scheelt er aan?" vroeg De Ruyter. - -"Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik -hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd -zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!" - -"Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag -vergt rust, en ge kunt toch best leven!" - -"Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven, -Admiraal!" - -"Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!" - -"Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt -gij!" riep de "Barre Bruinvisch" opeens uit. "Gij hadt dien kerels, -die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen -heer uit te hangen en eenen man als "Bestevaêr Michiel" is, te -beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: "Ik ga niet of, als -Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!" - -"Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo -trotsch?" - -"Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik -gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste -jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en -vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet -kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen -u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is -te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis -met ons afloopt. We zullen verliezen en--jij, brave man, jij zult -op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen -Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!" - -"Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loop gaan?" vroeg De -Ruyter met flikkerende oogen. "Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet -doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar -op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!" - -"Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een -vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan -twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?" - -"Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk -er aan, man, wat de zee-oorlog van '72 en '73 gekost heeft, en wat de -oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten -willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje, -de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, -Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer -schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De -tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus -hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!" zeide De Ruyter en ging nu naar -zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over -hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad -toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou -hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen, -maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer -hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari -den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze -vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch -aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord -en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te -houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen -doen en verlieten het Admiraalsschip. - -Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein -om te wenden, en zoodoende het voordeel van den wind te krijgen, -doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te -voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt -om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen, -die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep -echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende -dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van -den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was, -dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel -niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben. - -De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit -den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen -tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed -onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag, -die door Duquesne beantwoord werd. - -Dit was het teeken tot den strijd. - -En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering -te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze -getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte -gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond. - -Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend -geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins -te herstellen. - -De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen. Dezen hadden zich -gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte -met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof -ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche -Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te -beginnen, alsof er niemendal gebeurd was. - -Hij schreef De Ruyter eenen brief van: "nu moet men dit en dan moet -men dat," en zoo al voort en eindigde met te schrijven: "Uw grootste -dienaar en vriend, die uwe handen kust, - - -Don Andrea de Avolos." - - -Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een -velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans -eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde -van De Avolos' brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor. - -Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand -op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter -bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan -wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de -voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte -dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren, -ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te -vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had, -dat die tijd door de Staten verlengd was. - -Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na -zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid -en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk -verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goed als geene -versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan -eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet -thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en--dat akelig -voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen -was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht, -kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een: -"Als het moet, dan moet het," over alles heen, en toonde zich weldra -weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was -maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandsche zee -was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht. - -Dit zou evenwel niet geschieden. - -Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke -vloten elkander in het gezicht van den berg Etna. - -De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan. - -"Dat zal een harde dobber geven, Kapitein," zeide De Ruyter op de -Fransche vloot wijzende. - -"Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!" antwoordde Callenburgh. "Maar -Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!" - -"Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als -ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken -weten. Maar--het zijn niet allemaal Callenburghs, en--de overmacht -is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist -vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op -zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne -vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van -tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij, -Callenburgh!" [16] - -De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens, -dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip "De Eendracht" voor drie vocht. - -In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenen aanvang nam, -voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna -verplaatst was. - -En de Spanjaarden? - -"Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken," zeide Lievensz., -die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij -inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden. - -Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter, -die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit -te deelen. - -Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar -het grootst was. - -"Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!" mompelde Lievensz. "O, -dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer -hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!" - -Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten -makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan -hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit. - -Wat was er gebeurd? - -Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en -de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel -zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen. - -"O, Michiel, Michiel, Michiel," kermt de oude "Barre", die de eerste -was om den gevallene bij te staan. - -"O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!" schreeuwen de -matrozen en komen in verwarring. - -"Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is -aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr, -mannen, wreekt hem!" roept Callenburgh. "Den dood aan den Fransoos!" - -"Den dood aan den Fransoos!" schreeuwt het volk hem na en brandt -de kanonnen zoo driftig los, alsof het musketten zijn. "Op, op, -voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor -Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!" - -"Vooruit! Vuur! Vuur!" beveelt Callenburgh, en alsof de held, die -gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond -te bevelen, slaat "De Eendracht" onder het donderen zijner kanonnen -dwars door den vijand heen. - -Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel -mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man, -telkens als zijn geschut losbrandt: "Houdt moed, mijne kinderen, -houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!" - -Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is. - -"Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!" roepen de Kapiteins -hun volk toe. "Duizend Franschen voor Bestevaêr!" - -"Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend -Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of -onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De -Ruyter! Hoezee!" - -En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk -voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den -nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts, -en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte -de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig -was, wie eene luisterrijke zege behaald had. - -Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning -durfden toeschrijven, en toch deden ze het. - -De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug. - -Wat al deelneming ondervond de groote man daar! - -Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik -er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten -stellen en onderteekenen. - -Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in -het Vaderland ontvangen. - -Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting -van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene -kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting, -die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal -van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had, -was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd -staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik, -lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht -hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief, -en de Stadhouder deed dat eene maand later. - -Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen. - -Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog -benoemd had. - -Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer, -hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen, -herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt -van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog -Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk? - -Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten -voor immer en altoos. - -De wonden stonden vrij gunstig,--doch er zijn koortsen bij gekomen, -en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust, -des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676. - -Een gebed is zijn laatste woord geweest. - -Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot! - -Lievensz. had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut. - -Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht! - -O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche haven zeilde men -voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten -werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den -nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner -vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd -heeft: "Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen -te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een -groot man!" - -Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland. - -Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel -in het hart van iederen Nederlander leefde. - -Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige -heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch -gezant stond en uitriep: "Woont De Ruyter in dàt huis??" - -Onder die brieven waren er met koninklijke zegels! - -Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in -de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van -den Staat weldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch -opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den -kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn. - -Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was. - -Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in -de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis -van den Admiraal te bekijken. - -"Een mooi praalgraf, he, ouwentje?" zeide een deftig heer, die hem -ongemerkt genaderd was. - -"Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?" - -De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man -het opschrift. - -Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: "Alles mooi en waar, -Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang, -staat daar ook niet wat?" - -"Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: "Intaminates fulget -honoribus." - -"Wat wil dat zeggen, Meneer?" - -"Dat wil zeggen: "Hij blinkt in onbedoezelde eere." - -"Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!" - -"Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?" vroeg de heer, die -den grijsaard oplettend aanzag. - -"Of ik hem gekend heb!" riep de oude den heer toe, en hierop het -beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door -de hartelijke geestdrift en liefde: "Michiel, Bestevaêr Michiel, -daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De "Barre Bruinvisch" -zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik -bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen." - -De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde -naar huis. - -De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en -fluisterde: "Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan -men zeggen wat men van u zegt: "Hij was groot als mensch, groot als -held, groot als burger!" - - - -Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw -waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij -betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien, -dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het -moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden, -als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn, -om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan. - -Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo -groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer -weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is -dan ook niet zoo zeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel -om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen, -wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen, -zooals zij deden. - -Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen -een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons, -kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: "Niet kunnen -bestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den -weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld -na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend -hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten -rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts -tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons -weer overal konden vertoonen. "De "Zeven Provinciën" konden veel; -zouden "De Elf Provinciën" dan minder kunnen?" [17] - -Bestevaêr, wij, oud en jong Nederland, hebben uw woord verstaan, en -wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672 -was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III -roepen zullen: "Oranje boven!" en met het oog op u: "Hoezee! Bestevaêr -Michiel! Hoezee!" - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3den Augustus. - -[2] Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24sten -Maart gevierd wordt. - -[3] "Kielen, wielen, rand om het land" is een oud vaderlandsche -dronk. Kielen, beteekent zeevaart, wielen, beteekent landbouw, en -rand om 't land beteekent dijken. Het welzijn van die drie, voor ons -land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken. - -[4] Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei -1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche -galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als -Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde. - -[5] In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren -zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde "uit bed stappen" van eenen -afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of -zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het -vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die -bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen -van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een, -die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij -en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen, -noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed -stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den -nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit, -en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur -stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen, -des nachts den slaap uit de oogen te jagen. - -[6] Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe -Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen, -hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die -gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin -o. a. voorkwam: "Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn -harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt -syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt." Gij -ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al -zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats van eerlijck eenvoudig -heerlijck en inplaats van eere ook heere schreef. - -[7] Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen -vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne -levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór -1652: "Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan, -had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd -niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden, -als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig -schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven -eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid -niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven -te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften -verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd, -die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer -uit zijnen mond hadden, of zelf ooggetuigen waren." - -[8] Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot, -die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of -den halven kring sloot. - -[9] Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te 's-Gravenhage -onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden -van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden. - -[10] Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen -onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim -51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde -men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien -was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit -schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis -verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak, -verkocht en--zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te -vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op -alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht -naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man. - -[11] "That sacred keel, that pleasure-boat of war, - Now a cheap spoil, and the mean victor's slave." - -[12] Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad -zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te -roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft -is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk -wel wat gerekend had, bleef ook achterwege. - -[13] Schooneveld is eene plaats in zee ten Westen van het eiland -Walcheren. Ter hoogte van deze plaats vinden we op eene kaart van -Zeeland van 1540 het eiland Schoonevelde met de dorpen Schoonevelde -en Wals-Vlaenderen. Misschien is de tegenwoordige ondiepte, bekend -onder den naam van "Bankje van Zoutelande", nog een overblijfsel van -dit door de zee verzwolgen eiland. - -[14] In dat uit de verte vechten zou al licht blijken, dat de onzen -niet durfden naderen. De Engelsche schrijver geeft er evenwel eene -goede reden voor op als hij zegt: "Het Hollandsche buskruit was -krachtiger en hun geschut langer dan het onze." - -[15] De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt -is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was -het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De -Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren -zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hem -beval in alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om -dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen, -voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten "op een gemeenen -stoel zonder armen." - -[16] De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de -branders. Er waren er vijf van 90 of 96 stukken bij, vier van 80, -elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel -was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken -geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld -worden. De Franschman De Vivonne schrijft: "De Spanjaarden schoten -van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen -van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het -wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen." - -[17] Den 1sten Mei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en -D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch -in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter -te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk -hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk -dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te -hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Vlissinger Michiel, by P. Louwerse - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VLISSINGER MICHIEL *** - -***** This file should be named 52316-8.txt or 52316-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/3/1/52316/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
