summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/52316-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/52316-8.txt')
-rw-r--r--old/52316-8.txt10546
1 files changed, 0 insertions, 10546 deletions
diff --git a/old/52316-8.txt b/old/52316-8.txt
deleted file mode 100644
index bb4e108..0000000
--- a/old/52316-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,10546 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Vlissinger Michiel, by P. Louwerse
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Vlissinger Michiel
- Of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk.
-
-Author: P. Louwerse
-
-Release Date: June 12, 2016 [EBook #52316]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VLISSINGER MICHIEL ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- VLISSINGER MICHIEL,
- OF
- NEERLANDS GLORIE TER ZEE.
-
- GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OUD EN JONG NEDERLAND
-
-
- DOOR
- P. LOUWERSE.
-
-
- Tweede, omgewerkte Druk.
-
- LEIDEN.--A. W. SIJTHOFF.
-
-
-
-
-
-
-
- "Kloek en onverschrokken krijgsman,
- vlootvoogd, wijs in woord en daad,
- Wakker en rechtschapen burger,
- trouwe dienaar van den Staat,
- Ingetogen, vroom van wandel,
- moedig Christen bovenal,
- Was De Ruyter, wiens gelijke
- de aarde moeilijk noemen zal."
-
- Mr. J. van Lennep.
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-"Meneer, meneer, ik heb het standbeeld van De Ruyter gezien!" met
-deze woorden begroette mij, eenigen tijd geleden, een knaap, die
-zijnen oom en zijne tante te Vlissingen bezocht had.
-
-"Zoo, jongen!" zeî ik, "en wat dacht ge wel toen ge dat beeld zaagt?"
-
-"Wel, meneer, ik dacht: meneer moest eens een boekje schrijven van
-De Ruyter. Hij heeft het wel gedaan van Marten Harpertsz. Tromp en
-van Piet Hein! En Michiel De Ruyter was toch grooter zeeheld!"
-
-Ofschoon de knaap op mijne vraag een ander antwoord gaf dan ik
-verwacht had, kon ik toch aan zijne oogen zien, dat hier volstrekt
-geene vleierij of zoo iets in het spel was, en dat hij inderdaad
-wenschte, dat ik een verhaal over De Ruyter schrijven zou.
-
-Michiel Adriaensz. De Ruyter is voor elk Nederlander de eerste van
-alle Vlootvoogden, de grootste van alle zeehelden. Nelson is in zijn
-oog niets bij hem. Zoo is het ook voor alle jongens.
-
-En als die jongens groot geworden zijn, is dan De Ruyter dezelfde
-gebleven, als die hij was in hunne jeugd? We willen hopen van ja,
-opdat mijn titel voor dit boek geene onwaarheid spreke, waar het heet
-geschreven te zijn: "voor oud en jong Nederland."
-
-Met dit verhaal in de wereld te zenden voldoe ik dus aan den wensch
-van den knaap, die er mij om vroeg, en zoo ik vertrouw, meteen aan den
-wensch van honderden, die er niet om vroegen, maar het toch wel wilden.
-
-Het is met Michiel Adriaensz. De Ruyter gegaan, als met Piet Hein; men
-weet bijzonder weinig van zijne kinderjaren, daar niemand vermoeden
-kon, dat uit den ondeugenden zoon van eenen armen bierbrouwersknecht
-eenmaal zulk een groot man zou groeien. Ondeugend moet hij echter
-geweest zijn en erg ondeugend ook, dat schijnt eene uitgemaakte zaak
-te zijn; want alle verhalen, die er van hem in omloop zijn, spreken
-er over. Wij zullen hem dus ook maar als deugniet laten optreden,
-doch waarschuwen onze lezers vooraf, dat zij hierin niet te veel
-geschiedkundige waarheid moeten zoeken. Zijn dienst als busschieter
-te Bergen op Zoom en zijne bedelreis door Frankrijk, nadat hij door
-Spanjaarden gevangen genomen was geworden, schijnen wel waar te zijn,
-zoowel als zijne roekelooze toren-klimmerij. De makkers met welke
-ik hem laat omgaan, zijn, zooals ge wel al dadelijk ontdekken zult,
-ook geschiedkundige personen.
-
-Van harte hoop ik geschreven te hebben, zooals mijn jonge vriend dat
-zoo gaarne wilde; ik heb er althans mijn best toe gedaan.
-
-Vinde het veel lezers en lezeressen, zoowel onder de jonkheid, als
-onder de volwassenen, en zij het een middel om de liefde voor onze
-schoone Nederlandsche geschiedenis op te wekken en eene uitlegging
-van de woorden op het praalgraf van onzen held: "Hij blinkt in
-onbezoedelde eere!"
-
-Het bovenstaande schreef ik bij den eersten druk van dit boekje,
-en nu er eene tweede oplage van verschijnt, dien ik wel te zeggen,
-waarom er zooveel in veranderd is. Van een paar zijden ontving ik zeer
-gegronde op- en aanmerkingen, nadat ikzelf reeds enkele bladzijden
-gevonden had, die ik nog wel eens anders had willen schrijven. Kleine
-wijzigingen kunnen echter oorzaak van groote veranderingen worden, en
-dit was ook hier het geval. Ik hoop nu maar, dat het boek werkelijk
-veel verbeterd zal zijn en weer zijnen weg vinden zal onder "oud en
-jong Nederland". Hun, die mij hunne humane op- en aanmerkingen gaven,
-mijnen dank; mijnen lezers, heil!
-
-
-'s-Gravenhage. P. LOUWERSE.
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-EERSTE AFDEELING.
-
-MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP.
-
-
- Eerste Hoofdstuk. Bladz.
-
- Eerste Kennismaking 1
-
-
- Tweede Hoofdstuk.
-
- Een straatjongens-daagje 11
-
-
- Derde Hoofdstuk.
-
- Bij het torenhaantje 26
-
-
- Vierde Hoofdstuk.
-
- De "Barre Bruinvisch" 35
-
-
- Vijfde Hoofdstuk.
-
- De laatste avond thuis 48
-
-
- Zesde Hoofdstuk.
-
- Thuis van de eerste zeereis 63
-
-
- Zevende Hoofdstuk.
-
- Het muist, wat van katten komt 74
-
-
- Achtste Hoofdstuk.
-
- Verloren tijd inhalen 81
-
-
- Negende Hoofdstuk.
-
- Bij de kapers 96
-
-
- Tiende Hoofdstuk.
-
- Eene moeielijke bedelreis 107
-
-
-
-TWEEDE AFDEELING.
-
-MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN.
-
-
- Eerste Hoofdstuk. Bladz.
-
- Bij den man in huis 122
-
-
- Tweede Hoofdstuk.
-
- Het voorspel van een helden-leven 133
-
-
- Derde Hoofdstuk.
-
- In dienst van het land 147
-
-
- Vierde Hoofdstuk.
-
- De Vice-Admiraal 155
-
-
- Vijfde Hoofdstuk.
-
- Alweer de "Barre Bruinvisch" 164
-
-
- Zesde Hoofdstuk.
-
- Jan Kompanjie 172
-
-
- Zevende Hoofdstuk.
-
- Voor Engelands hoofdrivier 182
-
-
- Achtste Hoofdstuk.
-
- Chattam 190
-
-
- Negende Hoofdstuk.
-
- Luctor et Emergo 200
-
-
- Tiende Hoofdstuk.
-
- De Redder van het Vaderland 217
-
-
- Elfde Hoofdstuk.
-
- Het einde van een heldenleven 229
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE AFDEELING.
-
-MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP.
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-EERSTE KENNISMAKING.
-
-
-"Michiel!"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Waar ben je heel den tijd geweest?"
-
-"Wel, baas, ik heb, ik heb...."
-
-"Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en
-leugens om jezelven te dekken."
-
-Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van
-den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon,
-antwoordde hij: "Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet
-om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!"
-
-De man, die als "baas" aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap
-verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de
-ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de
-knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij
-was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en
-zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben:
-"Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een
-dief zich niet van de galg. Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op,
-waar hebt gij weer zoo lang gezeten, Michiel?"
-
-"Ik heb niet gezeten, baas," sprak Michiel, die zijne verstoordheid
-opeens vergeten was. "Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad,
-nog zoo!"
-
-"Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo
-meenen!"
-
-"Neen, baas!"
-
-"Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat
-minder gespeeld?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens
-zijt gij nu alweer aan den slag geweest?"
-
-"Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen
-en Pieter Evertsen; met...."
-
-"Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen-
-en sabelvoer."
-
-"Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?"
-
-"Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van
-de Compagnie!"
-
-"Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?" riep de
-knaap en zijne oogen tintelden van genot.
-
-"Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!"
-
-"O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar
-het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer
-leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen."
-
-"Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie
-je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot
-zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?"
-
-"Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En
-schreeuwen dat die matrozen dan doen! Zoo hard kunnen ze niet
-trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet
-erg pijn doen!"
-
-"Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!"
-
-"Ik, baas, ik?"
-
-"Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen,
-als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!"
-
-"Willen we eens wedden, baas!"
-
-"Wat zoudt gij wedden?"
-
-"Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?"
-
-"Ik wed niet, jongen!"
-
-"Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe,
-wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van
-de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos
-op een van hunne schepen willen nemen."
-
-"Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en
-best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het
-vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al
-veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt,
-aan boord worden?"
-
-"Een Admiraal, baas!"
-
-De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: "Een Admiraal! Ha,
-ha! Hoe komt gij daaraan?"
-
-"Ik heb het gedroomd, baas!"
-
-"Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!"
-
-"Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van
-school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me
-aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen
-tijd wakker en dacht: "Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en
-Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogden of
-Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder
-brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en
-die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel
-brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al
-en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!"
-
-"Dat is geen droomen! Dat is denken!"
-
-"Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: "Jongen,
-staat toch niet zoo te droomen!""
-
-"Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij
-wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!"
-
-"Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school
-gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al
-lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha,
-ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje,
-dan was het opeens: "Michiel, wat heb ik gezegd?" Dan schrikte ik
-wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij
-niet vangen."
-
-"Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?"
-
-"Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo'n doode
-haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen
-zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag,
-zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle
-haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen
-oogen den kost geven! Hé!"
-
-Dat "Hé" kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond
-begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.
-
-"Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal
-geen oppassen in?"
-
-"In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik
-geen "zoete" jongen meer!"
-
-"In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?"
-
-"Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van
-school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: "Alida, wat nu?"
-
-"Ja, wat nu?" vroeg Moeder.
-
-"Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.
-
-"Ja, juist man, wat nu?" vroeg Moeder.
-
-"Toen Vader en Moeder zoo mooi "nuden" begon ik hard te lachen;
-maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en
-zes van mijne zusters te regeeren heeft...."
-
-"Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?"
-
-"Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt
-Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed
-orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me
-af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een
-pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging
-er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt,
-kan zoo vlug niet roffelen als hij!"
-
-"Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!"
-
-"Of ik, baas!" Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er
-aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer
-en vroeg aan Moeder weer: "Ja, wat nu, Alida?"
-
-Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet
-in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: "Ja, juist,
-wat nu, Adriaen?"
-
-Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me
-goed en lachte niet.
-
-"De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij
-kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog
-eens probeerden bij Meester Van Gelder?"
-
-"Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn," sprak Moeder.
-
-"Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!"
-
-Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk
-in school kwamen, zei Vader: "Meester, hier is een jongen, die al van
-twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef
-willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager
-ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld,
-alsjeblief!"
-
-Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden
-langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën,
-en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei:
-"Als ik hem eens voor niemendal nam?"
-
-"Wel, dat zou me lijken," sprak Vader opgeruimd.
-
-"Jawel, jawel," vervolgde Meester, "maar dan moet hij tusschen
-schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon
-maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf
-halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken
-schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in
-den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de
-kerk brengen!"
-
-"Nu," zei Vader, "de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen,
-Meester!"
-
-Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er
-nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt
-ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet
-ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó
-bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de
-vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het
-regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het
-laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen
-moest, zoo hard wiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als
-een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg
-ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen
-met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!"
-
-"En zijt ge daar ook weggejaagd?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Wat hadt gij dan uitgevoerd?"
-
-"Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje
-een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder
-schreef ik: "Dat is de Meester!""
-
-"En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?"
-
-"Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik,
-en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had."
-
-"En toen?"
-
-"Toen werd ik van school gejaagd!"
-
-"Ei, ei, en verder?"
-
-"Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen
-goeden baas."
-
-"Zoo, die goede baas ben ik zeker?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat
-aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge
-hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet
-willen, hé?"
-
-"Ja, baas, heel graag!"
-
-"Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient
-gij niet eenen schelling in de week?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want ge verdient geenen
-schelling! De Heeren Lampsens geven eenen schelling, want ik weet
-niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!"
-
-"Het draait ook zoo stroef, baas!"
-
-"Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele
-dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden,
-ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!"
-
-"Neen, baas, dat word ik niet!"
-
-"Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat
-denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?"
-
-"Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me
-wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!"
-
-"Ja, pluimgraaf, wat anders?"
-
-"Er zijn veel baantjes aanboord, baas!"
-
-"Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein
-is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor
-eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding
-en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij
-Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo'n kwajongen,
-zoo'n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe
-dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik
-in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en
-liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds
-te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken."
-
-"Hoor eens, baas, droomen...."
-
-"Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel
-wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk
-draaien als gisteren, hoor!"
-
-"Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!"
-
-"Ga aan het werk, luiwammes," riep de baas en hield nu werkelijk in
-ernst het "end" gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk
-te drijven.
-
-Michiel ging, doch bromde: "Ook al zoo'n beul, ja! En hij wil niemendal
-van mijn droomen weten; maar waar is het toch dat ik gedroomd heb,
-dat ik Admiraal was geworden."
-
-Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren
-Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het
-werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.
-
-Men schreef het jaar 1618.
-
-De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij
-was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De
-gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid
-en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel
-kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist
-voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was
-anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de
-kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van
-de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor
-hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer,
-waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet
-pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan
-toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand;
-hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was,
-lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.
-
-De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo
-stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel
-ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar
-niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden
-jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had
-er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel
-den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat
-tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En
-als de koster er niets tegen had, wie zou het dan beletten? De
-Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde,
-liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register
-de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven,
-dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest
-voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag,
-zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen
-vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de
-handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige
-was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste
-burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst
-uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van
-de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster,
-omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden
-we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men
-noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen
-waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.
-
-Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De
-Ruyter.
-
-Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden,
-is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de
-zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind,
-dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor
-hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu,
-dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man,
-die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet,
-en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: "Dat zal
-eene opruiming geven!"
-
-Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij
-ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijne Moeder loog hij
-nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de
-waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een
-pak slaag op zat.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-EEN STRAATJONGENS-DAAGJE.
-
-
-Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch
-ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher,
-die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op
-sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog
-vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat
-klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg
-in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus
-juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.
-
-"Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?" had
-Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.
-
-"Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!"
-
-"Kom, ga met ons mee!"
-
-"Neen, dat gaat niet, jongens!"
-
-"Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje
-doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?"
-
-"Neen, dat niet!"
-
-"Nu, waarom gaat gij dan niet mee?"
-
-"Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw
-op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo
-even wat op zitten!"
-
-"Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt, dat gij
-eene boodschap voor den meesterknecht moet doen," zeide Geleyn,
-die nog geen woord gesproken had.
-
-"Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen
-verzinnen zal?" vroeg Michiel.
-
-"Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!" zeide Geleyn,
-zoo onverschillig mogelijk.
-
-"En ik wel twintig!" riep Pieter.
-
-Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.
-
-"Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het
-vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden
-tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We
-zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook," zeide Pieter vleiend
-en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.
-
-Michiel aarzelde en vroeg: "En waar gaat gij dan die groote pret
-uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?"
-
-"Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes
-te vangen," antwoordde Pieter.
-
-"Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter
-drie! Dat drie brave jongens zijn," klonk op eenmaal de stem van
-eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.
-
-Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip
-aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij
-Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens,
-van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden
-er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij
-eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak
-van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch
-zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne
-aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt en onder hunne leiding
-leerde hij nu niet zoo heel veel moois.
-
-"Waar gaat gij naar toe, sausneger?" vroeg Pieter.
-
-"Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus," antwoordde
-de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder
-dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek
-ingeschreven zou worden.
-
-"Negersaus," riep Pieter lachend. "Zeer goed spreken! Is me dat eene
-taal? Is dat negertaal soms?"
-
-"Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat
-spreek zoo raar, niet verstaan ik!"
-
-"Goed, goed," zeide Michiel. "Zeg maar waarheen gij gaat!"
-
-"Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en
-dweil! Zjjjt, zjjjt!" zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.
-
-"Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen," spotte
-Michiel.
-
-"Dat de Domine ook zegt!"
-
-"Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de
-catechisatie gejaagd!" riep Geleyn.
-
-"En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het
-plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water,
-ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de
-hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die
-schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt
-als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie,
-gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een
-mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag
-gedoopt ben!"
-
-"Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles
-gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen," sprak
-Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds
-lang vergeten had.
-
-"Neen, ik naar de schippe moet!"
-
-"Wat naar het schip, gekheid!" riep Michiel.
-
-"Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie,
-klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op
-die broekie?"
-
-Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: "Neen,
-zulk een "eindje knut" is alleen voor sausnegertjes. En naar het
-schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het
-schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar
-meegesleept, jongens!"
-
-Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij
-toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind
-meesleuren.
-
-"Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel," riep Jan
-eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien,
-dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden,
-spoedig zad werd.
-
-"Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor," zei Michiel, "want dan
-zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!"
-
-"Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,"
-antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.
-
-En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en
-zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.
-
-Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des
-middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om
-zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje, eens even te spreken.
-
-De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen
-toen naar huis.
-
-"Zoo, Michiel," zei Vader, "gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje
-van den baas gehad?"
-
-"Neen, Vader!"
-
-"Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan,
-nietwaar?"
-
-"Neen, Vader!"
-
-"Weggestuurd dan soms?"
-
-"Neen, Vader!"
-
-"Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn
-en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren
-Lampsens?"
-
-"Ja, Vader!"
-
-"En veel pret gehad, mijn jongen?"
-
-"Ja, Vader, o zooveel pret!"
-
-"En wat hebt gij dan uitgevoerd?"
-
-"We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende,
-pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in
-zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!"
-
-"Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen
-hebt?"
-
-"Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog
-nooit zoo eene gezien!"
-
-"Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken
-slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede,
-dat daar in den hoek staat!"
-
-Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: "Zal ik het maar
-eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?"
-
-"Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine
-stukjes breken!"
-
-"Dat kan ik ook wel, Vader," antwoordde Michiel en brak het latje al
-vast door.
-
-"Gij zijt sterk," zei Vader, "breng mij die twee eindjes nu maar!"
-
-"Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!"
-
-"Komt gij nu hier, bengel," riep Vader terwijl hij verstoord de
-vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.
-
-Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij
-zijnen Vader en....
-
-Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek
-gehad.
-
-"Vader, Vader, houd toch op," klaagde en smeekte Moeder Alida en
-wilde de hand van haren man tegenhouden.
-
-"Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken
-of mijn naam is geen Adriaen. Zoo'n schandaal van eenen jongen. Het
-kwaad moet er uit...."
-
-"Maar Vader, houd dan toch op," herhaalde Moeder Alida, wier bleeke
-wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.
-
-"Klets-klets! Het kwaad zal er uit!"
-
-"Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal
-nog stikken van angst," riep Moeder, zichzelve niet langer meester.
-
-"Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik
-houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!"
-
-"Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af," klonk eensklaps
-eene stem.
-
-De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer,
-stond op en zeide beleefd: "Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker."
-
-Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende
-kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij
-op het punt stond om het van pijn te besterven.
-
-De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: "Breng uwen
-jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij
-is bijna vermoord."
-
-Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: "Wie zijnen
-zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens,
-Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?"
-
-"Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!"
-
-"En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?"
-
-"Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een
-ongeluk aan hem," sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat
-op het vuur.
-
-"En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?"
-
-"Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan
-van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te
-worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne
-kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het
-kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!"
-
-"En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens
-moeten op eene andere wijze gestraft worden."
-
-Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner
-ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.
-
-Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel
-pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn
-leunen.
-
-Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder
-en sprak op vriendelijken toon: "Jongen, jongen, wat moet er van u
-terecht komen?"
-
-"Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen," antwoordde
-Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en
-Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag
-hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden
-man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne
-komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie
-weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen
-bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.
-
-"Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen,
-Adriaen?" Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader,
-wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.
-
-"Bij mij in het minst niet, Sinjeur," luidde Vaders antwoord. "Maar,
-daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en
-kielhalen zit er voor hem op."
-
-"Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen," hernam Sinjeur
-Seylmaecker. "Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt
-aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs
-moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er
-iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?"
-
-De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide:
-"Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil
-het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde
-worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga,
-jongen! Een mensch z'n zin, een mensch z'n leven! Maar, als matroos
-het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet
-van! Ik zou het besterven."
-
-"Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z'n
-zin, een mensch z'n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet
-tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt
-nu eenmaal zijn zin te zijn."
-
-"Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat
-zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk
-raar goedje, Sinjeur!"
-
-"Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader
-had?"
-
-"Wat is een zeevader, Sinjeur?"
-
-"Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om
-die voor zeeman op te leiden."
-
-"Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen
-goeden zeevader?"
-
-"Wel, aanboord van de "Lijnbaan" is...."
-
-"Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?"
-
-"Juist, Moedertje! En daar aanboord is de "Barre Bruinvisch" Bootsman!"
-
-"De "Barre Bruinvisch"? Is dat Corstiaen Lievensz.?"
-
-"Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze
-maat dien "Barren Bruinvisch" tot zeevader heeft, dat hij aanboord
-wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!"
-
-"Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou
-en geene grapjes uithalen," zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder
-overwonnen was.
-
-"Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?" vroeg
-het heerschap.
-
-"Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het
-pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar,
-Michiel, mijn jongen?"
-
-Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op
-het derde knoopsgat hangen.
-
-"Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet
-dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam
-een vaatje bier bestellen!"
-
-"Alsjeblieft, Sinjeur!" zeide Adriaen.
-
-"Neen, geen alsjeblieft," hernam Seylmaecker. "Ik zou dat eigenlijk
-moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer
-Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij
-moest."
-
-"Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier,
-dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er
-is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn
-nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee,
-al is hij reeds in zijn elfde jaar."
-
-Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij
-zichzelven dachten: "Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging;
-de boonen zijn al lang gaar!"
-
-"Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te
-stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er
-nog eenig voordeel bij?"
-
-"Ja, Sinjeur!"
-
-"Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu
-ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet
-smakelijk samen!"
-
-"Dank u wel, Sinjeur," zeiden Vader en Moeder.
-
-Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand:
-"En over dien bengel daar,"--hij wees op Michiel,--"zult gij nog wel
-eens denken, nietwaar? Goeden dag!"
-
-Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: "Hij ziet er zoo
-bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren,
-dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn."
-
-"Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed," zeide
-de Moeder.
-
-"Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of
-er een broertje aan dood hebt."
-
-"Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk."
-
-"Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien
-tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft
-er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden,
-kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!"
-
-"Michiel denkt zeker: "Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet
-boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast," zeide Jan,
-de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.
-
-"Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft," sprak Moeder Alida,
-die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden
-was. "Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam."
-
-"Dat zijn lekkere, Moeder," zeide Michiel en schoof in den schotel voor
-Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen
-uit denzelfden schotel, weet ge! Aan een bord voor ieder werd niet
-gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen,
-zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men
-ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer
-boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.
-
-Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de
-lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen
-werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.
-
-Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens
-dacht: "Zoo'n "end" schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!" maar
-pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en
-hield eindelijk heelemaal stil.
-
-"Zeg eens even, nu al moede?" vroeg Lorkens, die Michiel met de
-handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het
-huisje vond staan.
-
-"Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!"
-
-"Wat geef ik om een koeltje, draai maar!"
-
-"Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde
-marszeilskoelte waait!"
-
-"Wilt gij nu wel eens draaien, kwâjongen?"
-
-"Ja, baas!"
-
-Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van
-krijgen zou.
-
-"Draai toch harder, schavuit!"
-
-"Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het
-vet gezet en gesmeerd worden!"
-
-"Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden,
-dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer
-geluierd! Draai!"
-
-"Ja, baas!"
-
-En weer ging Michiel aan den gang.
-
-"Wacht," dacht hij, "als ik den draaier een klein beetje links duw
-onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een
-mensch er akelig van wordt."
-
-Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.
-
-Piep-piep! klonk het zacht.
-
-"Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder," mompelde
-Michiel.
-
-Rrrrt, alweer wat links.
-
-Piehiep! Piehiep!--
-
-"Heerlijk, prachtig, het kan niet beter," zeide Michiel zachtjes
-en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat
-afschuwelijke geluid vandaan kwam.
-
-"Het is het wiel, baas!" riep Michiel.
-
-Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.
-
-Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!
-
-Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.
-
-"Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te
-maken," sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de
-man niemendal van Michiels uitvinding af.
-
-"Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door," zeide Michiel
-met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond
-ophoudende met draaien. "Het zal eens een weekje rust moeten hebben
-om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!"
-
-Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel
-rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien
-ook alleen te doen?
-
-"Haal den smeerpot, Michiel," beval hij.
-
-"Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?"
-
-"Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt," mompelde
-Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was,
-zooals Michiel het gemaakt had, maakte het ding nog een afschuwelijk
-geweld.
-
-"Het is toch waar," bromde hij ontevreden.
-
-"Hi-hi! Hij probeert eens," zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot
-greep. "Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht
-maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!"
-
-"Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?" riep de baas, wien
-het wachten verveelde.
-
-"Neen, baas! Hier ben ik al!"
-
-"Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?"
-
-"Ik geloof van hier, baas," zei Michiel en wees een plekje aan waar
-niet te veel smeer was.
-
-Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in
-het vet te zetten, waarna hij zeide: "Er is nu bijna eene karrevracht
-smout op! Kom aan, draai nog eens!"
-
-Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat
-geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!
-
-"Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg," sprak Lorkens, die nu
-een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was,
-klonk het bevelend: "Draai, bengel!"
-
-"Ja, baas!"
-
-Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....
-
-"Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan
-er toch aan dat ding haperen?" sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het
-gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar
-moest zijn, wachtte.
-
-Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep:
-"Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een
-stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd
-marszeilskoeltje, die...."
-
-"Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd
-marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!"
-
-"Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen
-zijn en heel graag ook, maar zonder...."
-
-"Zonder het wiel zeker?"
-
-"Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo
-opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de
-baan gebleven, wie zou het dan draaien?"
-
-"Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter
-verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het
-wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van
-op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!"
-
-De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen
-en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te
-hebben, te draaien dat het een lieve lust was.
-
-"Het heeft dan toch wat geholpen, baas!" riep Michiel.
-
-"Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,"
-was het korzelig gegeven antwoord.
-
-Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even
-piepen.
-
-"Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij
-den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen," zeide Michiel
-met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.
-
-"Laat piepen wat piept! Draai!" snauwde Lorkens hem toe.
-
-Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos,
-en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn
-werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: "Daar moet de
-smid naar komen kijken! Ga hem halen!"
-
-Weg was Michiel.
-
-Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal
-mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar
-kwam, hielp hij een bootje vastleggen, maakte een praatje met de twee
-matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar
-den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen
-en de Meester zou dan dadelijk komen.
-
-"Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,"
-zeide Michiel.
-
-Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het
-wiel bekeken of hij zeî: "Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de
-draaier wel goed?"
-
-Michiel hoopte dat die "akelige vent" het niet vinden zou; maar dat
-viel hem bitter tegen.
-
-"Welja, het ligt aan den draaier," zeide hij. "Die is te veel naar
-links! Een klein gebrek, gauw verholpen!"
-
-Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu
-vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide
-eens en....
-
-"Ga maar gerust aan den slag, hoor," sprak hij, "en als het ding nu
-nog piept, dan geef ik een potteken bier."
-
-Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen,
-maar mis, er was niets te vernemen.
-
-"Ziezoo, alles in orde," sprak Meester Heisteck en ging met zijne
-gereedschappen heen.
-
-Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en,
-Michiel kon naar huis.
-
-Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?
-
-Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben:
-"Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost
-dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil
-naar zee!"
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-BIJ HET TORENHAANTJE.
-
-
-"Michiel, hei, Michiel!"
-
-Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de
-lijnbaan slenterde.
-
-"Wat is er aan de hand?" vroeg Michiel vrij korzelig.
-
-"Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel,
-hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!"
-
-"Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!"
-
-"Jij schreeuwde brand en moord!"
-
-"Hoe weet gij dat?"
-
-"Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!"
-
-"En aan wien hebt gij het verteld?"
-
-"Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!"
-
-"Aan welken Jan?"
-
-"Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!"
-
-"Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?"
-
-"Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie
-de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij
-krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.
-
-"Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot
-willen overdoen!"
-
-"Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze
-daar uitvoeren?"
-
-Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan
-draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel
-grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.
-
-Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden
-van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: "He, wat zitten die
-daar heerlijk in den wind!"
-
-"Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn
-land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een
-manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef
-die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot
-tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!"
-
-"Ik zou daar ook wel eens willen werken," zeide Michiel. "Vooral nu,
-daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren."
-
-"Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie,
-akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!"
-
-"Pats," zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren
-dat hij op den grond tuimelde.
-
-"Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?" vroeg Jan toen hij opgestaan was.
-
-"Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben,
-dat gij daar zoo mee te koop loopt."
-
-"Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen
-zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet
-wat geleerd."
-
-"Wat dan?"
-
-"Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!"
-
-"Dat behoort zoo, anders helpt het niet," zeide Michiel.
-
-"Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa," riep Jan lachend,
-doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik
-van Michiels handen kwam.
-
-Lachend zag Michiel hem na, mompelde: "Een goedzak van eenen jongen
-toch, dat moet gezegd worden," en slenterde naar de lijnbaan waar baas
-Lorkens zijn "goeden morgen, baas," beantwoordde met een nijdig: "Zoo,
-is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er
-is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald."
-
-"Ja, baas," zei hij droomerig en begon te draaien.
-
-Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur
-eer Michiel het wist.
-
-"Genoeg, Michiel! Houd maar op," riep baas Lorkens.
-
-"Ja, baas!"
-
-"Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap,
-te wonen?"
-
-"Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest."
-
-"Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?" vroeg baas
-Lorkens ongeloovig.
-
-"Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje
-om me maar naar zee te laten gaan."
-
-"Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben
-dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als
-gisteren hier in de baan?"
-
-"Ik in de baan streken uitgehaald, baas?"
-
-"Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!"
-
-"Maar, baas dan!"
-
-"Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis
-was, gedacht heb?"
-
-"Neen, baas."
-
-"Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die
-kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch
-leven te laten maken."
-
-"Maar, baas!"
-
-"Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb,
-vóór het volk er was?"
-
-"Neen, baas!"
-
-"Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even
-los maken, dat de smid vastgezet heeft.
-
-"Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al
-maar een beetje meer links tot het op het laatst ging precies als
-gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?"
-
-"Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!"
-
-"Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar
-zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen
-zonder dat het "endje touw" voor den dag komt? De Kapiteins van de
-schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord
-is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!"
-
-"Wie is Keesje Knuttel, baas?"
-
-"Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat
-Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf
-verdiend heeft een warm broekje te geven!"
-
-"Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een
-"endje dag." Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou
-maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!"
-
-"Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat
-hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar
-bed gaan."
-
-"Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!"
-
-"En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?"
-
-"Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!"
-
-"Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord
-hebben?"
-
-"Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de
-"Barre Bruinvisch" mijn zeevader werd."
-
-"Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog
-wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?"
-
-"Admiraal, baas!"
-
-"Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en
-twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!"
-
-"En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug
-komen baas?"
-
-"Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf
-maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!"
-
-"Ja, baas!"
-
-Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep
-zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: "Hij heeft
-zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag
-eens vragen wat hij uitgevoerd heeft."
-
-Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het
-was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap
-gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het
-voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was
-er nog niet van gekomen.
-
-En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie
-weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom,
-vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!
-
-Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk
-door de komst van eenige schepen der Compagnie.
-
-Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden
-met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen
-koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.
-
-Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen
-draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan
-slagen krijgen al gewoon geraakt.
-
-Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren
-ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus,
-geenen tijd verzuimen!
-
-De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde,
-ontdekte hij, dat ze toch niet op slot, maar alleen stevig aangezet
-was, om de indringers niet te lokken.
-
-En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang
-bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.
-
-Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te
-verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was,
-vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den
-omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder
-hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af,
-terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren
-sporten hooger klom.
-
-Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger
-tot bij het kruis. Maar....
-
-"We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen," zeide een van het
-volk toen het al beneden in den toren was. "Het waait fel; ze konden
-losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die
-zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het
-ons inpeperen zou."
-
-Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder
-dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer en zetten deze
-zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.
-
-Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed
-naar beneden.
-
-En Michiel?
-
-Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op
-de Schelde genoten had.
-
-Wat een vergezicht!
-
-Hoe mooi! Hoe schoon!
-
-Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat
-wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!
-
-En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters,
-die naar de Oost gingen.
-
-Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide
-en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel
-dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!
-
-En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men
-er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem
-uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter
-Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!--Och,
-och, hoe mooi! Hoe mooi!
-
-Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.
-
-Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene
-klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren
-doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke
-golvenlied.
-
-En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn
-leven was, dat hij zien kon.
-
-Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend
-ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.
-
-Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!
-
-Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven,
-dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.
-
-Hij kon evenwel nog hooger.
-
-Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.
-
-Zou hij het doen?
-
-Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk
-en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen
-zeggen: "Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den
-toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!"
-
-Zou hij het doen?
-
-Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!
-
-Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij
-wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige
-vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit
-te doen.
-
-Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof
-en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm
-vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij
-het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele
-klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden
-staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het
-kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het
-is me een sjouw, hoor! Maar--de aanhouder wint. Hij raakt den haan,
-den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem
-te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde
-wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan
-maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom
-staat, alsjeblief!
-
-Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens
-beneden naar de markt gekeken.
-
-Hij staat er, maar....
-
-"Wat! Waar is de markt nu?" mompelt hij.
-
-Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne
-voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.
-
-En wat deden die boeren en boerinnen gek!
-
-Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!
-
-Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze
-schreeuwen wat!
-
-Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.
-
-Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: "Och,
-hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden
-komen?"
-
-Beneden komen? Wel, langs de ladders!
-
-Daar laat hij zich glijden tot op de peer!
-
-"He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,"
-bromt hij.
-
-"Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden
-rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo'n ladder op den knikkerbol
-en--men is er geweest, secuur geweest."
-
-Michiel zit een poosje stil en denkt na.
-
-Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders
-zou hij vast lachen.
-
-Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.
-
-Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden
-hun hart vast. Ze sidderen en beven.
-
-Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van
-sidderen en van beven weet hij niemendal.
-
-Maar hij moet toch naar beneden!
-
-Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal
-de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers,
-waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.
-
-"Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen," roept hij en begint
-den roekeloozen tocht naar beneden.
-
-Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.
-
-En daar beneden uit "dien emmer met muizen" stijgt één geluid, één
-klank naar boven: "Goddank!"
-
-Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was,
-die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.
-
-Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze
-willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!
-
-"Op zij! Op zij!"
-
-Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord,
-en is het werkvolk gaan roepen om den knaap te redden. Het schijnt
-wel een straatjongen te zijn, maar....
-
-"Wie is het, Burgemeester, wie is het?"
-
-"Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren
-en van de peer af, zegt ge?"
-
-"Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!"
-
-"Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is
-hij!" schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.
-
-Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt,
-vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van
-den negerjongen: "Daar is hij!" zien ze op, en, ja, waarlijk, het is
-Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van
-Alida Jans.
-
-En--verdwenen is hij.
-
-Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt
-naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.
-
-De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-DE "BARRE BRUINVISCH."
-
-
-"Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?" vroeg Alida, de oudste zuster
-van Michiel.
-
-"Och, ik weet het niet, kind! Eet maar," zegt Moeder.
-
-Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen
-met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.
-
-Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.
-
-Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.
-
-Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden
-en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.
-
-Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die
-aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom
-het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er
-in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.
-
-En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer,
-en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor
-zich zat te kijken.
-
-Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?
-
-Stil, ik geloof dat ik het weet.
-
-Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in
-den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren,
-en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem
-gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel,
-dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook
-maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den
-nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.
-
-En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!
-
-Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?
-
-Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad
-zal er uit? Had hij den kwâjongen niet geranseld, niet zóó geranseld,
-dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn
-stokje te rollen? En nu al vergeten!
-
-Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel,
-en keek het kleine vertrek rond.
-
-Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht
-en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje
-van den haard stond.
-
-Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vader het ook en
-hij dacht: "Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg:
-het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit."
-
-"Maar wat zou er toch te doen zijn?" zeide Jan, de oudste broeder
-van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.
-
-"Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen," merkte een der jongeren
-ongeduldig aan.
-
-"Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam," riep
-Alida. "Wat moet die hier komen scharrelen?"
-
-"En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook," zeide Dirk.
-
-"Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken,
-Adriaen?" sprak Moeder.
-
-Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.
-
-"Zouden we maar niet danken, Adriaen?" vroeg Moeder andermaal, doch
-erg angstig en bevend.
-
-Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij:
-"Wat vraagt gij daar, Moeder?"
-
-"Of we maar niet danken zouden?"
-
-"Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar,
-jongen! Ik kan het niet."
-
-Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes
-vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.
-
-Nauwelijks evenwel had hij "Amen" gezegd of de kinderen stoven van
-hunne zitplaatsen op.
-
-"Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?" vroeg Vader.
-
-"Maar, Adriaen!" zei Moeder Alida, "hoe heb ik het nu? Wij hebben
-immers zóó gedankt!"
-
-"O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!"
-
-De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida
-vloog weer naar binnen en riep: "Moeder, Vader, Michiel heeft boven
-op den toren gezeten!"
-
-"O, God, en is er af gevallen!" riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.
-
-De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo
-onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden
-om niet te vallen.
-
-Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet
-minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?
-
-Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene
-groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust
-tot slaan zeide: "Het kwaad moet er uit en zal er uit," maar alleen
-uit liefde voor u?
-
-Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: "Van
-buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is"?
-
-"Dood gevallen?" vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij
-het niemand anders dan zichzelven vroeg.
-
-"Neen, Vader," zei nu weer een ander der kinderen, "hij is heelhuids
-beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet."
-
-"Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan,
-heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.
-
-"En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en
-trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden
-langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik
-koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal
-Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij
-dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf,
-allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en
-dan wij vraag wilden: "Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is,
-die heeft moed!""
-
-Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de
-wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander
-vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: "Daar
-is de belhamel! Daar is Michiel!"
-
-Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen
-waren, die hem, niet te huis vindende, weer elders gezocht en gevonden
-hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had,
-naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.
-
-De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen
-tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon,
-dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne "flauwigheid"
-vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.
-
-Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.
-
-"Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier,
-Michiel," riep ze.
-
-"Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!" riep
-Geleyn Evertsen.
-
-"Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!" schreeuwde Pieter zoo
-hard als zijne jongenskeel dit toeliet.
-
-En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs
-zoowel als van kleinen: "Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder
-van Michiel!"
-
-"Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!" riep Michiel.
-
-"Roep dat nog eens, Michiel," zeiden de jongens en hieven hunnen
-Koning in de hoogte.
-
-Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner
-makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele
-westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren
-deed golven, riep hij weer met stralende oogen: "Leve mijne goede,
-lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!"
-
-"Hoezee!" brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot
-het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende
-te zingen:
-
-
- "Lang zal zij leven!
- Honderd jaar na dezen!
- Lang zal zij leven
- Moeder Alida!"
-
-
-Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat,
-en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: "En wees niet boos,
-goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar
-binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!"
-
-"O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind,
-kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel
-pijn," sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.
-
-En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden,
-en juichte maar altijd door:
-
-
- "Lang zal zij leven
- Moeder Alida!"
-
-
-"En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even
-aan het woord mag komen," zeide Vader Adriaen en kwam met de groote
-tang nader.
-
-Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot
-gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene
-vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven
-te komen.
-
-"Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!" riep de Vader
-sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor
-liefde in de plaats gekomen was.
-
-Daar ging de tang de hoogte in.
-
-Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.
-
-Daar daalde de tang en....
-
-"Hei, niet slaan!" riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter,
-den arm van Vader Adriaen tegen.
-
-"Neen, Adriaen, niet slaan!" riepen enkelen uit den hoop.
-
-Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en
-toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: "Uit den weg,
-Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik."
-
-En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen
-den rug.
-
-"Niet slaan! Niet slaan!" riep het volk nu ook met de jongens mede.
-
-"Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?" riep de Vader bleek
-van kwaadheid. "Ik zal toch dien kwâjongen...."
-
-"Niet slaan! Niet slaan!" klonk het nu van al het volk als uit éénen
-mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden,
-riepen het mede.
-
-Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien
-zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok,
-tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit
-elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.
-
-Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.
-
-"Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!" zeide
-de Burgemeester.
-
-"Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten
-mij het. Maar nu zal ik...."
-
-"Niet slaan! Niet slaan!" riep het volk in koor.
-
-De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks
-zijne nabijheid, zoo brutaal riep.
-
-"En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding
-brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste
-vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat
-dan beletten?"
-
-"Wij, Heer Burgemeester," riepen enkelen.
-
-"Wie roept dat daar?"
-
-"Wij, Heer Burgemeester!" riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men
-nu door den regel van drieën heen was.
-
-De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel:
-"Sla zeg ik!"
-
-"Niet slaan! Niet slaan!" schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht
-om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen,
-dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.
-
-"Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?" riep de Burgemeester
-woedend uit.
-
-Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte
-heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.
-
-Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd
-man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar
-langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek
-wel eenen leeuw.
-
-Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: "Ssst, de "Barre
-Bruinvisch" heeft het woord," werd het doodstil.
-
-"Wie ben je, wat wil je kerel?" vroeg de Burgemeester wat
-terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins
-bevreesd te zijn.
-
-De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.
-
-"Ik ben de "Barre Bruinvisch"!" sprak de man.
-
-"Leve de "Barre Bruinvisch"!" schreeuwde de menigte.
-
-"Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!" sprak de
-zeeman bevelend tot het volk.
-
-Weer was het doodstil.
-
-"Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?" vroeg
-de Burgemeester!
-
-"Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!"
-
-"Van beroep?" vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij
-op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het
-verhoor had.
-
-"Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de "Lijnbaan" van de
-Heeren Lampsens, Burgemeester!"
-
-"Dat is zoo," zeide Lampsens tot den Burgervader. "Een ferm, open
-en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge
-op aan!"
-
-"En wat wilt gij, goede vriend?" klonk het nu eensklaps uit den
-mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna
-vriendelijken toon.
-
-"Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!"
-
-Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om
-den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.
-
-"Die "Barre Bruinvisch" mijn baas is," zeide Jan Kompanjie. "Dat baas
-veel durft."
-
-"Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch
-ook wel eens gebruik maken van het "endje dag," nietwaar?" vroeg
-de Burgemeester.
-
-"Daar staat een van de Patroons," zeide Lievensz. "Laat hij zeggen
-of de "Barre Bruinvisch" niet al zeevader geweest is over misschien
-wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!"
-
-"Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels," zeide Lampsens,
-wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.
-
-"En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de "Lijnbaan"
-veel van het "endje dag" gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en
-plicht te brengen."
-
-"Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit," antwoordde
-Lampsens.
-
-"En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook
-wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is."
-
-"Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders
-hebben graag jongens, die aanboord van de "Lijnbaan" van Lievensz. het
-varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene
-week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te
-Middelburg mij eene mooie som gelds geboden."
-
-"Hi, hi, ik waard ben een mooie geld," riep Jan en gaf van pure
-blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene
-klok. "Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!"
-
-"Sausneger," bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader
-losgelaten was.
-
-"Alzoo," dus vervolgde de "Barre Bruinvisch" toen de Heer Lampsens
-zweeg, "alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel
-bengels weet te regeeren zonder het "endje dag." Ik zeg maar...."
-
-"Het kwaad moet er uit en zal er uit," zeide Vader Adriaen, en de
-toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug.
-
-"Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal
-er uit, maar niet met slaan," sprak Lievensz. "Men slaat het kwaad
-er soms dieper in."
-
-"Ik zou wel eens willen weten, hoe dan," sprak de Burgemeester.
-
-"Ja, juist, hoe dan?" bromde Vader Adriaen.
-
-"Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou
-ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet,
-dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later;
-maar er uit gaat het. En--alle jongens houden veel van me."
-
-"Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke," zeide Jan, en liet
-vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne
-oogen zien.
-
-"Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?" vroeg de
-Burgemeester.
-
-"Welk plan, Burgemeester?"
-
-"Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede
-zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort
-met rebellie te veroorzaken."
-
-"Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar
-naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht...."
-
-Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor
-zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: "Als de wind naar
-binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep."
-
-En Michiel?
-
-Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd
-werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing
-van iedereen, verdwenen.
-
-"Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een
-bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht
-bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen:
-"Daar zit wat in dien deugniet!" Ja, ik had wel in mijne handen willen
-klappen en "Mooi, mooi!" willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien
-hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte,
-zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken
-van zijne schoenen,--het was goed dat er spijkers in waren, Vader
-Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,--de leien stuk. Ik zag
-het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg
-een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog:
-"Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!"
-
-"Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder
-naar boven kon klauteren en daarom zei ik: "Nu mensch, doet zoo raar
-niet! Hij zal wel voor anker komen!"--Maar pas had ik dat gezegd,
-of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar
-de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als
-een Ammiraals-vlag in het kluisgat!"
-
-"Ze viel dus van d'r zelven, die goede ziel," zeide eene der vrouwen
-op meewarigen toon.
-
-"Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat
-noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor
-dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek
-hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen
-Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen."
-
-"Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?" vroeg hij.
-
-"Het is een mooi stuk," zei ik, "een mooi stuk, Sinjeur!"
-
-"En weet gij ook wie het is?" vroeg hij.
-
-"Neen," zei ik, "maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur
-komt dan kunnen wij hem zien."
-
-
-
-------
-FIGURE
-------
-
-
-
-Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen,
-niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne
-hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu
-als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal
-zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast
-en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit,
-zoodat hij een poosje later zei: "Daar is hij! Ik ken hem al! Het is
-Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er
-bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik
-heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien
-nog wat van hem groeien!"
-
-"Zoo," zei ik, "en...."
-
-"En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn
-zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou
-het besterven, zeide ze."
-
-Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop
-naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met
-zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch
-zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: "Niet slaan,"
-Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd."
-
-De "Barre Bruinvisch" zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het
-zweet van het voorhoofd en zei: "He, zulk eene redevoering bekomt
-een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn
-middagmaal doet."
-
-"Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van
-eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt,"
-zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo
-ver medeging.
-
-"Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij deze menschen binnengaan
-en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden
-middag!"
-
-De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.
-
-De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop
-niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren,
-gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje,
-Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan.
-
-Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel,
-die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde,
-wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had.
-
-Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel
-en redeneerden druk.
-
-In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch
-langzamerhand, naarmate de "Barre Bruinvisch" meer aan het woord was,
-hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: "Nu, Lievensz.,
-neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt
-maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard."
-
-Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk
-luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek;
-want pas had Moeder gezegd: "Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne
-reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken," of hij sprong op,
-liep naar zijne Moeder en kuste haar.
-
-Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden
-toon en vol gloed en leven: "Vader, het kwaad is er uit!"
-
-"Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een
-jaar drie-vier vertellen," luidde het antwoord.
-
-"Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal,
-heelemaal uit met wortel en tak."
-
-"Het zou goed voor je zijn, jongen," sprak Lievensz.
-
-"Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!" sprak Michiel en liep
-met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de
-eene lijnbaan afging om op de andere te komen.
-
-"Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?"
-
-"De "Barre Bruinvisch," baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter
-om hun het nieuws te vertellen."
-
-"Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!" zeide
-baas Lorkens.
-
-"O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat
-worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop
-op! Hoezee!" riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de
-straatkeien te rollen.
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE LAATSTE AVOND THUIS.
-
-
-Het was de avond voor Sint-Stevensdag, [1] den tweeden van Oogstmaand
-des jaren 1618.
-
-In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil.
-
-De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op
-straat bezig met spelen of wel aan hun werk.
-
-Moeder Alida was dus alleen.
-
-Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene
-geopende kist halfvol jongensgoed.
-
-Het was Michiels armoedige uitrusting.
-
-Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen
-aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan
-toch nieuw.
-
-"Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar
-laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken,
-ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen," zei Moeder Alida tot
-zichzelve.
-
-De torenklok sloeg zeven uren.
-
-"Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken," zei ze weer. "Hij
-blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil,
-daar zal hij komen!"
-
-Er klonken driftige voetstappen.
-
-De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: "Hola!"
-
-"Komt er maar in," antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: "wie zou
-dat wezen?"
-
-Pas had ze evenwel geroepen: "Komt er maar in," of de man met de
-zware stem trad binnen.
-
-"Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft
-de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap
-gesmeten."
-
-Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in
-een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat.
-
-"Eene kat," zuchtte Moeder Alida.
-
-"Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens
-opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete
-pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne
-vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar
-gezicht vol pap. Haar jak vol pap...."
-
-Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen
-gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken.
-
--- --"haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs
-pap op haren rug!"
-
-Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit.
-
-Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte.
-
-"Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn
-aangezicht te komen uitlachen?" riep Meester Van Gelder op zulk eenen
-woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende
-dat de man opeens krankzinnig geworden was.
-
-Angstig naderde zij hem en zeide: "Maar, Meester, wees toch
-bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?"
-
-"Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen
-huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren
-om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten,
-in schotels met pap te smijten."
-
-Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de
-grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van
-Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen,
-hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen
-voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte
-straatjongensstreek had uitgehaald.
-
-Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel
-eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve.
-
-Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke
-slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel,
-die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man
-in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte
-hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen,
-hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen
-op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.
-
-O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon
-menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen
-maken, het leest diep in het hart van allen, die zij lief heeft,
-wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de
-hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren,
-te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een
-groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot
-de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.
-
-De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift
-niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste
-achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft.
-
-En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders?
-
-Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen
-omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning
-kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom
-die viel.
-
-En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf,
-pijn, zij duldde dat hij kastijdde.
-
-Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet
-toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek
-met die doode kat uitgehaald.
-
-Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde,
-trad ze tusschen hem en haren jongen.
-
-Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat
-goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar
-is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op
-eenmaal gebleven?
-
-Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht
-ligt eene uitdrukking van heldenmoed!
-
-Meester Van Gelder zag dat alles ook en--hij bleef staan waar hij
-stond.
-
-"Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder,
-en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste
-vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag
-ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan."
-
-"Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis
-gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat
-is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af."
-
-"Ga maar gerust op zijde, Moeder," sprak thans Michiel. "Ik sta hem
-en ben niet bang voor hem."
-
-Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk,
-maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle
-kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de
-ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn.
-
-"Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen," sprak Moeder.
-
-"Maar, Moeder, hij zal...."
-
-"Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik
-bij ben!"
-
-"Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is
-die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?"
-
-Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den
-"Barren Bruinvisch", die, zonder dat iemand er iets van gehoord had,
-binnengetreden was.
-
-Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te
-zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de
-doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel
-hiermede uitgevoerd had.
-
-De "Barre Bruinvisch" hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk:
-"Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.".
-
-"Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te
-willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar
-dat aan het verstand brengen."
-
-"Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg
-mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?"
-
-"Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel
-Vlissingen."
-
-"Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?"
-
-"Wanneer?"
-
-"Ja, wanneer, hoe laat?"
-
-"Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben,
-zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de
-klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag
-van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren."
-
-"Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den
-liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken
-en--neem poesje mee."
-
-"En die bengel dan?"
-
-"Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan
-het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en--hier,
-poesje moet mee."
-
-"Bootsman, ik zeg...."
-
-Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de "Barre
-Bruinvisch" werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: "Gooi
-uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de "Lijnbaan" en vraag
-daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan
-het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem."
-
-De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder
-tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur
-in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.
-
-Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De
-leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die
-ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere
-kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was,
-dat Michiel waarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide:
-"Het kwaad is er uit."
-
-"Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke," zeide de
-"Barre Bruinvisch" nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele
-zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen
-was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der
-stad wonende, nog altijd "Buurman Engels" genoemd werd, omdat hij in
-vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap
-van zijn dochtertje Cornelia.
-
-"Goeden avond, buurtjes," zeide hij. "Hoe maken de menschen het
-zoo al?"
-
-"Goed, gelukkig goed, buurman," sprak Vader Adriaen. "Ga zitten! Alida,
-geef buurman eenen stoel!"
-
-"Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel
-goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?"
-
-"Ja, buurman," antwoordde Vader. "Er zat niets anders op. Het spijt
-mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer."
-
-"Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De
-Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het
-zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de
-Oostzee en dan naar de Groote Oost."
-
-"Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken,"
-sprak Moeder.
-
-"Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me
-waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te
-herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen
-van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam,
-bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen
-op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer
-van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den
-hol gegaan en met paard en wagen te water geraakt en verdronken? Is
-zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat
-is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten
-door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan
-men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in
-gevaar, onverschillig waar men is."
-
-"Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!"
-
-"Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid
-zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan
-te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met
-Michiels besluit."
-
-"Maar, buurman," riep Moeder. "Ons gelukwenschen? Neen, dat meent
-gij niet!"
-
-"Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te
-vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet
-wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn,
-als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke
-daalders in den schoot werpt en zegt: "Zie, Moedertje, ge hebt me
-zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen
-rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop
-nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen."
-
-"Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!" liet
-de "Barre" zich hooren. "Ik zeg maar:
-
-
-
-Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:
-Hem is de zee het best van al!
- Zij brengt hem de eêlste gaven.
-Het goud drijft op den zilten vloed,
-Hij grijpt het, maar de landrot moet
- Er diep in de aard naar graven.
-En pakt de storm den zeeman beet,
-Een wapen heeft hij steeds gereed,
- En nooit is hij er zonder.
-Dat wapen is: geloof aan God,
-En hiermee gaat hij zelfs ten slot,
- Volmaakt gerust, kopje onder!"
-
-
-
-De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken,
-dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: "Dank je, Lievensz.,
-gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen
-dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide."
-
-"Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting,"
-liet Vader Adriaen zich hooren. "Hij zal wel niet kunnen sparen."
-
-Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: "Ja, Vader, zeker
-zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik
-vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de
-Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we
-er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens
-vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen
-is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!" riep Michiel vroolijk.
-
-"Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel
-van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien,
-als eene wafel met suiker."
-
-"Dat zou ik zeker, Moeder!"
-
-"Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!"
-
-"Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere
-mij bij het leven en de gezondheid spaart!"
-
-"Juist zoo, Michiel, juist zoo!" zeide Engels, "ik zeg ook: willen
-is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen."
-
-"We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels," zoo nam nu
-Lievensz. het woord, "Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een
-straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog
-niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder,
-die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de
-oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijne zusters waren allebei
-jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een
-zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden
-en op bed liggen. En--ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie
-in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat
-knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de
-Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld
-uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt,
-want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik
-ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door te willen. Als de wil
-maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar:
-"Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?"
-
-"Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me
-eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht."
-
-"En tot hoever was dat?"
-
-"Tot Admiraal, Bootsman!"
-
-"Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal
-worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt,"
-sprak Vader.
-
-"Zulk eene gedachte is zondig, Michiel," liet Moeder zachtjes hooren,
-doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk
-eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren
-flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd
-voor het dagelijksch brood te beginnen.
-
-"Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij
-zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten
-den kommando-staf niet neerlegt," sprak Lievensz. "Maar--Admiraal
-worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt en vertrouwt
-dat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden
-moet er wat meer in den bol zitten dan wat er nu in zit, manneke! Ik
-vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet."
-
-"Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman," antwoordde
-Michiel.
-
-"Als gij daarbij maar blijft, jongen," zeide Engels, "dan zal de
-zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen
-tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje
-Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders
-voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat,
-geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het
-is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen
-heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om
-den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de
-lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te
-groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong
-en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!"
-
-Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel
-en zeide: "Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf
-gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij:
-"Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu
-wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat
-ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den
-gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet,
-als ze maar niet te groot zijn!"
-
-"Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne
-bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!" sprak Michiel.
-
-Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis,
-doch pas waren ze weg of een der Dominé's trad binnen. Michiel keek
-hem even aan en zeide: "Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen,
-die Cornelia voor me gebreid heeft."
-
-"Dat is goed, kind," antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in
-zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd
-niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand.
-
-Michiel ging zitten, trok de kousen aan en--begon hard te lachen.
-
-De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,--het
-waren volslagen manskousen.
-
-"Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar
-er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg
-onpleizierig vinden!"
-
-Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.
-
-"Michiel," begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over
-koetjes en kalfjes gepraat had, "Michiel, kom eens hier!"
-
-Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs
-Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé's stond
-hij altijd met den mond vol tanden.
-
-"De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen."
-
-Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld.
-
-"Geef mij uwe hand, knaap!" sprak Dominé bedaard.
-
-Ook dit deed Michiel.
-
-"Jongen," dus hervatte de ernstige man nu,--"jongen, met deze hand
-is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge
-dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt
-ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs
-beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge
-dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen
-te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in
-straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal,
-heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding
-bracht, en dat kan niemand ontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er
-uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd
-vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: "Och,
-hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het
-den naam van Vader en Moeder stamelen kon!" Er zijn Ouders, die dat
-wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der
-Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen
-loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen,
-Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en
-Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen:
-"Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U,
-wij danken U voor dat kind!""
-
-Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de
-tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist
-de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: "Sakkerloot, dat is anders
-preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!"
-
-Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor
-den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen,
-wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet.
-
-"Laat mij in uwe oogen zien, Michiel," sprak Dominé, en terstond keek
-de knaap hem open aan.
-
-Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo
-wat aan het natte kantje.
-
-"Jongen," vervolgde de Predikant, "morgen zult ge de stad niet
-meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in
-straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last
-kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en
-op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge
-van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen,
-dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u; want ik heb u nog nooit op
-eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier
-vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en
-danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen,
-jongen,"--hier begon Dominé's stem ook te haperen en trilden zijne
-lippen,--"jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest,
-ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou...."
-
-Daar brak de bom bij Michiel los.
-
-Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en
-barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij
-er in blijven zou.
-
-Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders
-losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: "Dominé,
-ik zal--ik zal--ik zal goed--goed oppassen! U zal--zal--den Heere--den
-Heere--dan--danken kunnen." Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak:
-"Bootsman, wilt gij me helpen om--om--wat goeds uit me--uit me--te
-doen--te doen groei--groeien?"
-
-"Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me
-de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht
-heelemaal!" antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs
-de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw
-wilde worden.
-
-"En nu, menschen, de Heere zegene u," zeide de Dominé, gaf Vader,
-Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe,
-terwijl hij als het ware zegenend bad:
-
-"De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant!
-
-
-
- Godt behoed' u voortaen voor 't quaet,
- Hy sal uw' ziel voorwaer
- Behoeden voor gevaer:
- En als gy uyt of oock ingaet,
- Sal Hy u steets bevrijden,
- En met gaven verblijden."
-
-
-
-De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin
-bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn
-zoo gezellig mogelijk door te brengen.
-
-Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het
-om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd
-reeds op zee zou zijn.
-
-Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.
-
-Daar sloeg de torenklok vier uren.
-
-Om vijf uren moest Michiel weg.
-
-Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen.
-
-Ook Michiel sliep.
-
-Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: "God de Heere zegene
-U, lief, lief kind!" en kuste hem wakker.
-
-"Goede, beste Moeder," zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om
-haren hals en weende nogmaals.
-
-"Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen
-snijden!"
-
-Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op.
-
-"Wij eten samen, Moeder!" sprak Vader Adriaen. "Het zal in eenen
-heelen tijd niet meer gebeuren!"
-
-Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen.
-
-Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom
-melk bij.
-
-De klok sloeg half vijf.
-
-"Het is tijd, Michiel," sprak Vader.
-
-Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond,
-liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk
-de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar
-aanboord van de "Lijnbaan" reeds alles in beweging was.
-
-Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel
-drukte ontvangen.
-
-"Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw
-eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn," sprak Vader.
-
-"Zonder mankeeren, Adriaen!" was het antwoord.
-
-Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd
-ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan
-de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en
-op de Schelde.
-
-"De schoten, konstabel!" beval de Kapitein.
-
-Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan
-allen, die men achterliet.
-
-Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk,
-groette met den zakdoek, die daar stonden en--gebruikte hem daarna
-om zijne tranen af te drogen.
-
-Het kwâjongenshart was gebroken.
-
-Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart,
-zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het
-wollen zeemans-baadje geklopt heeft!
-
-"Goede reis! Goede reis!" stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen
-ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag.
-
-Het was Moeder Alida.
-
-Of haar wensch verhoord zou worden?
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-THUIS VAN DE EERSTE ZEEREIS.
-
-
-Met rijke lading was de "Lijnbaan" ruim anderhalf jaar later uit de
-Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug.
-
-Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen
-Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te
-verwelkomen, dat Michiel van den dag af, dat hij aanboord was gekomen,
-zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen
-kon genoemd worden.
-
-Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis.
-
-"Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is
-weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg," zeide de Kapitein. "Het
-is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen."
-
-"Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in
-voor thuis," gaf Michiel ten antwoord.
-
-"Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?" vroeg de Kapitein
-lachend. "Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!"
-
-Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en
-bracht ze bij een pothuis waar "Oude Hein" schoenen zat te lappen,
-en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes,
-die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten.
-
-Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was
-voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel
-wat aan.
-
-Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren
-avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest,
-daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie
-nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht.
-
-Daar viel hem het pothuis van den "Ouden Hein" in het oog.
-
-De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand
-aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken,
-en dan met den rug de deur open te duwen.
-
-"Wacht," dacht Michiel, "die deur hangt in kleine hangetjes. Als
-ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deur met den rug open,
-dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!"
-
-Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen
-er niet uithalen of "Oude Hein" hoorde wat, en juist toen Michiel aan
-de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.
-
-Dat had de kwâjongen niet verwacht.
-
-Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door
-het gewicht van "Ouden Hein" nog verzwaard, boven op Michiel, die op
-den grond viel.
-
-Dàt deed zeer! Au! Au!
-
-Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en
-schreeuwde luid: "Help!"
-
-Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag
-te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van
-het beste laken een pak.
-
-"Ik zal je leeren straatschenderij doen," had de man geroepen terwijl
-hij er op insloeg.
-
-Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen,
-doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij
-dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te
-goed had; want toen hij wegliep, riep "Oude Hein" hem na: "Pas op,
-dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog
-maar beet!"
-
-En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde
-aan de klink.
-
-"Oude Hein" deed open.
-
-"Wat?" riep hij, "wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?"
-
-"Dat zie je, man!"
-
-"Niet overboord gesmeten?"
-
-"Neen, Hein!"
-
-"En niet voor de haaien gegaan?"
-
-"Ook al niet!"
-
-"Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking
-in. Ik wilde dat gij maar heengingt!"
-
-"Ik kom het restje afkoopen, Oude Hein!"
-
-"Welk restje, kwâjongen?"
-
-"Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar
-blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit
-geef, zijn we dan afgerekend?"
-
-"Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?"
-
-"Ja, Hein!"
-
-"Dat is zeker gestolen!"
-
-"Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd
-te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord
-geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?"
-
-"Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!"
-
-"Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak."
-
-"Oude Hein" stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van
-Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen.
-
-"Wel, wel," zei de man al kruiende, "wie had ooit gedacht dat ik voor
-jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf,
-is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang."
-
-"Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel."
-
-"Dus zijt gij niet meer boos op me?"
-
-"Zijt ge wel mal?" antwoordde Michiel, die als een eerste bram
-naast den kruiwagen voortstapte. "Ik had het immers ruim verdiend,
-geloof ik!"
-
-"Dat hadt ge, maat!"
-
-Weer reed "Oude Hein" een eind voort zonder te spreken toen hij
-eensklaps den wagen neerzette. "Blijf eens staan," zei hij.
-
-Michiel deed het.
-
-"Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel
-wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed,"
-sprak de kruier met het hoofd naar de "Lijnbaan" wijzend.
-
-"Ja, die is er bovenst!"
-
-"Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster
-kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik:
-mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook
-wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat
-was je toen eene wolk van eene meid!"
-
-"Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo
-naar huis!"
-
-"Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met
-die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk,
-mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet
-meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!"
-
-"Hoe oud zijt gij dan al, Hein?"
-
-"Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?"
-
-"Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden." [2]
-
-"Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!"
-
-"Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?"
-
-"Dat is Alida" riep Michiel en snelde haar te gemoet.
-
-"Jonge beenen, jonge beenen!" bromde de oude, terwijl hij met zijnen
-kruiwagen voortsukkelde. "Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen
-tijd gehad!"
-
-Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard
-vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan.
-
-"Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!" riep Michiel en viel
-haar om den hals.
-
-"Kind, wat zijt gij lang weg geweest," zeide Moeder Alida, met tranen
-van blijdschap in de oogen. "Ik dacht dat we elkander nooit meer zien
-zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen
-vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij
-er goed uit, kind!"
-
-"Ja, Moeder!"
-
-Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida's gelaat, armen en
-handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was.
-
-"Zijt gij ziek geweest, Moeder?"
-
-"Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?"
-
-"Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!"
-
-"Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen
-komt!"
-
-"Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar
-we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in
-de vaart."
-
-"Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?"
-
-"Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan
-tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een
-voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even
-aanboord wezen kijken?"
-
-"Ja, ik wist niet dat de "Lijnbaan" aan was. Ik had wel hooren
-schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik
-ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd
-geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet,
-en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook
-niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en
-nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u
-zagen aankomen. Maar wat moet "Oude Hein" hier komen doen? Hij komt
-met zijnen kruiwagen naar ons toe!"
-
-"Dat is eene kist van mij, Moeder!"
-
-De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die
-Michiel had medegenomen.
-
-"Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!"
-
-"Die is nog aanboord, Moeder!"
-
-"Oude Hein" zette den wagen neer en zuchtte ervan.
-
-"Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!" zeide Michiel.
-
-"Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!"
-
-"Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom,
-een-twee-drie!"--daar was de kist op Michiels schouder.
-
-"Ge zijt me wat mans, hoor!" zeide "Oude Hein".
-
-"Ben ik?" vroeg Michiel leuk. "Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb,
-hoor, dan neem ik je weer!"
-
-Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door
-Moeder en Alida gevolgd.
-
-"Hebben we gezelschap, Moeder?" vroeg Michiel, terwijl hij op een
-gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees.
-
-"Ja, kent gij haar niet meer?"
-
-"Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!"
-
-"Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!"
-
-"O, ja,--ja,--nu weet ik het. Het is,--het is Maria, Maria Velders
-van Grijpskerke!"
-
-"Dat hebt gij geraden, Michiel!" antwoordde het meisje, terwijl zij
-lachend hem eene hand gaf. "Maar wat zijt gij groot en dik geworden!"
-
-"Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig
-niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En
-hoe maken het uwe Ouders?"
-
-"Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van '18 aan de kinderpokken
-gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!"
-
-"Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te
-Grijpskerke?"
-
-"Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe
-Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?"
-
-"Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel
-en nijptang, Moeder!"
-
-Zijne zuster stond op en bracht ze hem.
-
-Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang.
-
-"Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?" vroeg Alida
-lachend.
-
-"Wel, hij zelf, meid!" zeide Marie Velders. "Hij was zeker bang,
-dat ze het rommeltje stelen zouden!"
-
-"Rommeltje?" bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij
-even van zijn werk opkeek.
-
-"Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?"
-
-"Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer," antwoordde Michiel,
-terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg
-dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon.
-
-"Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft,"
-riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist,
-dat Michiel zeggen moest: "Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog
-eenen stomp tegen den neus, die raak is!"
-
-"Ik wed dat er een aap uit komt," riep Maria plagend.
-
-"Gij kunt wedden, wat gij wilt!" zeide Michiel het deksel er afnemende,
-en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven.
-
-Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor
-ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er
-wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels,
-voor Cornelia Engels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was
-er wat.
-
-"Ik zie het al, voor mij is er niemendal," zeide Maria.
-
-"Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!" zeide Michiel
-eenigszins verlegen.
-
-"Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik
-ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo
-maar voor de aardigheid!" sprak Maria. "Ge dacht toch niet, dat ik
-het meende, Michiel?"
-
-"Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!"
-
-"Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt," spotte Maria.
-
-"Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen
-elkander groeten," zei Michiel, en met de handen Maria's hoofd bij
-de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus.
-
-"Zoo groeten nu de Chineezen elkander!" zei Michiel.
-
-"Het is heel lief, dat moet ik zeggen!" antwoordde Maria.
-
-"Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche
-meiskens!" riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren
-kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen.
-
-Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare
-verfrommelde muts goed zette: "Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met
-uw geplaag."
-
-"En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche
-meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten," zei Maria.
-
-"Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren,"
-riep Michiel.
-
-Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand
-eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.
-
-"Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?" vroeg Maria.
-
-"Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche
-jongens, niet zoo hardhandig," antwoordde Michiel terwijl hij zijn
-oor wreef.
-
-"Wat moet dat geven?" vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen,
-binnen kwam. "Is het hier boelhuis?"
-
-"Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel," riep een zusje dat
-van school kwam.
-
-"Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!"
-
-"Dag, Michiel," riep een jonger broer. "Ben je thuis? Heb je wat voor
-me mee gebracht?"
-
-"Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?" vroeg
-Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend.
-
-"Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!"
-
-"En wat zit hierin, Michiel?" vroeg Vader.
-
-"Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!"
-
-Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou,
-en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.
-
-"Dat is goed staal, jongen!"
-
-"Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt
-dat mes de vriendschap af!"
-
-Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin
-een gaatje geboord was.
-
-"Dat treft ge," zeide hij. "Een duit met een gat is altijd wat!"
-
-"Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!" was het antwoord van
-Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien
-uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp
-ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug
-hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de
-vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen
-dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat
-geldstuk hebben zou.
-
-Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hij Indische kamermuilen
-medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes,
-als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals
-Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen
-er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens,
-die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren
-ruischen,--groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad,
-waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige
-mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze
-allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden,
-daar ze zoo muf smaakten,--een paar uitgeblazen struisvogel-eieren,
-die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van
-zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris,
-dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein
-was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam
-achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard
-geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei:
-"Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!"
-
-"Alles opmaken vanavond, jongen?"
-
-"Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een
-appeltje voor den dorst."
-
-Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en--dien avond was er feest.
-
-Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene
-kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis
-kwam op bier te trakteeren.
-
-Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde
-op spek-pannekoeken.
-
-Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren
-vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader
-Adriaens huisgezin dertien zoo klein als groot. Verder had men er den
-"Barren Bruinvisch", Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia
-en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee
-laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur
-wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.
-
-Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier
-een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: "En nu zal ik eens
-zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb
-dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien
-al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na
-dezen keer niet meer."
-
-Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de
-sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-HET MUIST, WAT VAN KATTEN KOMT.
-
-
-"Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte
-en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het
-twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal
-worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was
-weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst
-terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein
-boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder
-dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in
-den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want
-de verdiensten waren heel min, en de tijden waren er ook naar. Nu
-eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, dan aan de
-Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo
-al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan
-of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Dan speelden ze:
-o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven
-en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en
-Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog,
-bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden
-ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat
-de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er
-geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van
-"de Goot". Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk
-eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters
-vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid,
-zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader
-ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden
-Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in
-eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks
-aan en zeide, toen hij uitgesproken had: "Met zulke dingen bemoei ik
-mij niet!"
-
-Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden
-uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den
-omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.
-
-Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te
-bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen,
-begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de
-werf opkomen.
-
-"Hola! Is Vader Michiel thuis?" klonk eene ruwe stem, en zonder
-verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins
-gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er
-nog een stuk of zes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van
-zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden
-van Vader.
-
-"Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We
-komen je gezondheid drinken!" zeide de baas van het troepje, die nog
-het minst dronken was, "en dan meteen vragen, waarom gij die twee
-knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt."
-
-"Wijn, Van der Meulen," zei Vader, "wijn heb ik geen droppel in
-huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen
-wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!"
-
-"Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten
-kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!"
-
-"Wijn, wijn!" riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard
-op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. "Wijn, wijn! Wie
-zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!"
-
-"Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!" sprak Vader,
-die de ruiters op de Mookerheide wenschte.
-
-"We zullen hem halen!" schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in
-den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar
-daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken.
-
-Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden
-voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen
-oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er
-toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun
-fortuin te zoeken.
-
-Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen.
-
-"Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren,"
-zeide Vader.
-
-"Och, neen, laat dat, Michiel," sprak Moeder, "Wie weet wat ze
-beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard en ze zullen wel gauw
-weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan."
-
-Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en
-kwam weer zitten.
-
-Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken,
-dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk
-niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten
-kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur
-lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het
-rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en
-ze gingen naar bed.
-
-"Er is weer hevig noorderlicht," zeide Vader, toen hij de kaars
-uitblies. "Heel de lucht is vlammend rood."
-
-"Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land," sprak
-Moeder. "Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat
-noorderlicht is?"
-
-"Het is de zevende avond al, vrouw!" zei Vader. "We willen hopen,
-dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen
-weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!"
-
-"Wel te rusten, Vader!" klonk het.
-
-Spoedig was alles in diepe rust.
-
-Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer
-vliegen en roept: "Brand! Brand!"
-
-Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.
-
-Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te
-zien waar ergens de brand was.
-
-"O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap
-brandt al. Houd met Mina," zoo heette de meid, "een deken op, dan
-zal ik hem uit het raam naar beneden gooien," riep Moeder in den
-grootsten angst uit.
-
-Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik
-vreeselijk tekeer ging.
-
-Moeder nam me op, keek naar de trap, maar--
-
-Krak--krik--krek, zeide de trap en stortte in.
-
-Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde.
-
-Er was geen tijd van nadenken.
-
-Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: "Ben je daar? Houd
-je de deken op?"
-
-"Ja!" riep Vader.
-
-"Heb je ze stevig vast?"
-
-"Ja, stevig, gauw maar wat!" riep Vader weer.
-
-Rrrt, daar ging ik.
-
-De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke
-leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het
-moet akelig geweest zijn.
-
-"De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden
-komen!" schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik
-zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen.
-
-"Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook
-opvangen!" riep Vader.
-
-Wat zou Moeder doen?
-
-Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.
-
-Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.
-
-"O, God, help me!" bad ze en onder het geroep van: "Houd goed
-vast!" sprong ze door het venster en--zonder zich zelfs bezeerd te
-hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar.
-
-Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was,
-brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders
-daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat
-niets aanhad dan zijn nachtgoed.
-
-"Komt voor vannacht bij ons, buurtjes," zeide een herder, die dicht
-bij ons woonde.
-
-Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: "Ik zou wel eens willen weten
-of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft," sprak de herder,
-"Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat
-hebben zeker Staatsche ruiters gedaan; want een groot uur geleden
-kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: "Hebt gij
-nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?" waarop een ander
-antwoordde: "Zeker, niets vaster!"
-
-Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets
-anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig
-was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer
-eens naar buiten en, jawel, daar zag ik "de Goot" in brand staan. Ik
-kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er
-viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe,
-beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met
-het daglicht komt misschien raad."
-
-Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich
-met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij
-in hun midden en--wachtten den dag af.
-
-Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld.
-
-Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat
-veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bij mekaêr
-gebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in
-de eerste behoeften te voorzien.
-
-Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende
-jaar naar zee...."
-
-"Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?" riep Michiel uit.
-
-"Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den
-Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden
-en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene
-kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer
-gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die
-ook Alida Jans heette, kennen, en trouwde met haar. Twee jaren later
-was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de
-"Maatschappij van Verre landen" en leed weer schipbreuk. Toch zou ik
-weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida
-Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik
-deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie...."
-
-"Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?" liet Michiel zich
-weer hooren.
-
-"Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen,
-zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik
-ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe
-Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen,
-omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze
-ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat
-uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond
-doen mocht en toen heeft ze gezegd: "Och, Adriaen, doe het maar! Het
-zwijgen heeft toch niet geholpen!" Dat is nu uw Vaders geschiedenis,
-kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef,
-maar--de glazen vol, vrienden, boordevol,--al ben ik de grootste
-landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in:
-"Kielen, wielen, rand om 't land. [3] Maar de kielen, het eerst
-genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan."
-
-"Kielen, wielen, rand om het land!" riepen ze allemaal en dronken
-hunne glazen ledig.
-
-"Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor," zeide de "Barre
-Bruinvisch", "het wordt mijn tijd! Maar eer ik dat doe, wil ik u toch
-wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo'n ferm zeeman is!"
-
-"Waarom dan, Lievensz.?"
-
-"Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik
-wensen je allemaal den vrede!"
-
-"Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer
-doet!" zei Jan en volgde zijnen zeevader.
-
-Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur
-opende, bromde hij in zichzelven: "Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk:
-Het muist wat van katten komt!"
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-VERLOREN TIJD INHALEN.
-
-
-Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de "Lijnbaan" voorspeld
-had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was
-Michiel weer in zee.
-
-Ook ditmaal had de "Lijnbaan" eene zeer voordeelige reis en getuigde de
-"Barre Bruinvisch" van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was,
-dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem
-onderdoen, en dat zeide zoo iets.
-
-Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en
-aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer
-goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver
-zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den "Barren Bruinvisch."
-
-Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls
-gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen,
-hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen.
-
-Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de "Barre Bruinvisch" moest
-dan ook meer waard zijn dan anderen.
-
-De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever
-wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook,
-ik weet niet hoe dikwijls gezegd: "Zoolang de Heeren Lampsens schepen
-hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik
-me op geen ander schip laten aanmonsteren."
-
-Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens?
-
-Bootsman!
-
-Wat zou hij zijn leven lang blijven?
-
-Bootsman!
-
-Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?
-
-Bootsman!
-
-Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?
-
-Bootsman!
-
-En hoe kwam dat?
-
-Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet
-schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.
-
-Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden
-weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat
-hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren.
-
-In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn
-Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen
-speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich.
-
-Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met
-tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin
-in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem
-leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen
-de schouders op en zeide dan: "Domoor, dat staat er niet! Eene slak
-op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij."
-
-Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaak eene dikke
-streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er
-haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren
-toevoegen: "Domoor, niemendal goed," bijna de lei naar het hoofd.
-
-En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan
-de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei,
-boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen
-onder het hoofd, een deuntje te huilen.
-
-Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af,
-nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven:
-"Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de
-oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste
-reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den "Barren Bruinvisch"
-en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?"
-
---Jawel, willen is kunnen!--
-
-Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de
-sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal
-de Stuurman zeggen: "Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge
-zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de
-Stuurman zegt: "Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!" Toe dan,
-Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja,
-lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!"
-
-En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was,
-dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen,
-dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met
-groote druppels van het hoofd vloeide.
-
-Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel
-waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide:
-"Zou het ook aan mijne manier van onderwijzen haperen, dat de jongen
-niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt
-hij het om te leeren en--dom of traag van begrip is hij in het geheel
-niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een
-en ander aan zijn verstand te brengen!"
-
-De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet
-helpen, dat hij den slag van "duidelijk maken" maar niet beet krijgen
-kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar
-èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat
-geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor
-voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven,
-dat men niet vordert.
-
-Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor
-van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij
-ineens op en riep: "Goddank!"
-
-"Wat is er, jongen?" vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk
-over dien uitroep verbaasd.
-
-"O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!" riep
-Michiel opgewonden uit.
-
-"Wat mankeert die jongen, Cornelis?" vroeg nu Adriaen aan zijnen
-broeder.
-
-"Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!"
-
-"Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en
-zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik
-niet vorderde!"
-
-"Maar waarin gaat gij dan vooruit?" vroeg Cornelis.
-
-"In de kunst van lezen, Sinjeur!"
-
-"Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu,
-dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog
-al veel vooruit gegaan zijt?"
-
-"Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, kon ik het schrift
-van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!"
-
-"Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!" sprak Adriaen, en zijne hand op het
-hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: "Zoo komt men vooruit
-in de wereld!"
-
-"En van wien leert ge dat, Michiel?" vroeg Cornelis.
-
-"Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld
-met me. Hij leert me rekenen ook!"
-
-"Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen
-leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel
-vorderingen maakt! Dag, Michiel!"
-
-"Goeden middag, Sinjeurs!" antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap
-zijns harten, naar de "Lijnbaan", om daar den goeden Stuurman terstond
-te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen
-gemaakt had.
-
-De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: "Mooi, mooi, jongen! Op
-de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!"
-
-"Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!" riep Michiel, en snelde nu naar
-huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in
-de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo
-vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij!
-
-Wie was die hij?
-
-"Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga
-ze eens wegbrengen!"
-
-"Dat is goed, jongen! Aan wien?"
-
-"Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood,
-anders bracht ik die er ook ieder een paar."
-
-Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep:
-"Een paar muilen voor Meester Van Gelder?"
-
-"Ja, Moeder!"
-
-"Voor-Meester-Van-Gel-der?" herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve
-kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende.
-
-"Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge
-dat zoo vreemd?"
-
-"Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal
-vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de
-gedachten?"
-
-"Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had,
-was niet zoo heel gemeen van hem!"
-
-"Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?"
-
-"Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het
-gedaan had?"
-
-"Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!"
-
-"Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet
-dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen,
-èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik niet
-wilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede
-vrienden kunnen worden!"
-
-Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam
-toch wat hooger ook.
-
-"Kom eens hier, Michiel!" zei ze.
-
-Michiel deed het.
-
-Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: "Zeeman,
-kleine zeeman, je bent Moeder Alida's liefste jongen! Zijt gij nu
-niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge
-naar zee gingt?"
-
-"Moeder, ik boos?" zei Michiel zachtjes. "Nooit boos geweest op u! Ik
-kon nooit boos op u zijn!"
-
-De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en
-zei: "Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof
-gij eenen kerkgang doet!"
-
-Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog
-eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op
-Meester Van Gelders deur vallen.
-
-"Ga eens kijken wie daar is, Anna!" zei Meester Van Gelder, die juist
-bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje.
-
-Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen,
-waarna ze de voordeur sloot.
-
-"Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje spreken, Anna,"
-zeide Michiel.
-
-Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer,
-en vroeg: "Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?"
-
-"Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen," riep
-Meester Van Gelder uit de school.
-
-Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene
-deur in de gang uitkwam, binnen.
-
-En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met
-hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich,
-de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd.
-
-Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren
-toen Michiel school ging.
-
-Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár
-was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend
-had.
-
-"Wat is er, vriendschap?" vroeg Meester Van Gelder de punten van
-eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten,
-en zonder den bezoeker aan te kijken.
-
-"Dag, Meester!" sprak Michiel.
-
-"Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht," zei Meester, terwijl hij
-Michiel aanzag.
-
-"Dag, Meester," herhaalde Michiel lachend.
-
-"Drommelsche jongen, je bent toch niet....?"
-
-"Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!"
-
-"Michiel!?"
-
-"Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste
-straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!"
-
-"Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?"
-
-"Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?"
-
-"Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?"
-
-"Ben ik dan zóó veranderd, Meester?"
-
-"Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en
-dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het
-verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge...."
-
-"Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor
-den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?"
-
-"Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er
-nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!"
-
-"Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!"
-
-"Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die
-katten-geschiedenis, en--aan de bullepees?"
-
-"Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!"
-
-"Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want
-van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad
-bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!"
-
-Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel
-natuurlijk was zijn uitroep: "Maar, Meester!"
-
-"Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien "Barren
-Bruinvisch". Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke
-ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig
-driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is,
-dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als
-vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?"
-
-"Neen, Meester!"
-
-"Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten
-heeft!"
-
-"Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld
-van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd
-voorgesteld?!"
-
-"Dezelfde, Michiel, dezelfde!"
-
-"Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?"
-
-"Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet
-ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?"
-
-"Zeker dien Lammen, Meester?"
-
-"Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen
-of banken en--ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en
-speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen,
-geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!"
-
-Michiel vatte die hand en zei: "Meester, ik was juist van plan u te
-komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven
-en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche
-muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina."
-
-"Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: "In Michiel
-Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen
-brengen, als hij wat meer geleerd had!" Dat zei Dominé en ik zeg het
-hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt
-ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?"
-
-Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de
-eerstbeginnenden waren.
-
-"Wel ja, Meester," zei hij, "en dat op dit bord hier achter ons
-ook wel!"
-
-"Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden
-voor de hoogsten!"
-
-"Toch waar," was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren
-begon Michiel alles te lezen.
-
-"Daar begrijp ik niemendal van," sprak Meester. "Hebt ge dan, nadat
-ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?"
-
-"Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de
-tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft
-me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens,
-optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand
-te pas komen!"
-
-Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander
-en zeide eindelijk: "Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker
-nu niet druk?"
-
-"Ja, Meester, heel druk! "Want over eene week of drie zeilen we
-alweer uit!"
-
-"Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!"
-
-"Toch heusch en stellig waar, Meester!"
-
-"Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare
-praatjes door de stad."
-
-"Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?"
-
-"Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee
-weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst
-wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en
-doortastend geworden zijn!"
-
-"Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!"
-
-"Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons
-veel kwaad gedaan!"
-
-"Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van--van--ja, de namen
-ben ik vergeten...."
-
-"Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!"
-
-"Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe
-oorlogvoeren na het Bestand?"
-
-"Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!"
-
-"Weet ge wat onze Schipper zegt?"
-
-"Neen, Michiel!"
-
-"Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost
-en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee
-is het veel voordeeliger!"
-
-Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei:
-"Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin
-heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we
-nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers,
-Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard
-toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen
-zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte
-Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem
-te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote
-dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen
-tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu
-men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden
-den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige
-twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige
-twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen
-waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had
-men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en
-Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan
-papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de
-lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd
-door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan
-beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig
-geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel,
-Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar--rijkdom
-maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit,
-en waar macht geen gevolg van kracht is, daar valt de macht eens in
-duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus
-liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal
-lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen,
-dan zal ik je les geven?"
-
-Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten.
-
-"En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt
-gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen
-kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja,
-dan beginnen we dadelijk!"
-
-Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat
-hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was
-geworden om nog iets te doen.
-
-Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van
-Gelder had gelijk gehad: de "Lijnbaan" zeilde vooreerst niet uit.
-
-De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer
-bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te
-verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat
-ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij
-voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig
-stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632
-zonden ze, ook voor eigen rekening, de "Samson" en de "Vlissingen",
-twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze
-deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van
-Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen
-was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet
-roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze
-het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk
-dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al
-wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsens
-was zelfs van 1650-52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later
-door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde
-van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den
-titel van Baron van Tabago.
-
-Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel
-honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht:
-waren dat dan oorlogsschepen?
-
-Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog,
-ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel
-genoodzaakt de koopvaardijschepen sterk te bemannen en van geschut te
-voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje
-en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede
-om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes
-de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten
-derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze
-vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden
-behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën,
-waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of
-ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en
-plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip
-een oorlogsvaartuig in het klein.
-
-Maar keeren we tot onzen Michiel terug.
-
-Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of
-Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman
-van de "Lijnbaan", dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed
-dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder
-kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in
-de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen
-hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide:
-"Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!"
-
-"Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?"
-
-"Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden
-gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de
-busschieters in het Staatsche leger!"
-
-"En waarom zoudt gij dat doen?"
-
-"Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien,
-dat ik het deed!"
-
-"Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den
-kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er
-zijn nog kleintjes thuis ook."
-
-"Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met
-mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis
-al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van
-armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden
-zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen
-al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds
-wel wezen!"
-
-"Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is
-sterker dan Steenbergen!"
-
-"Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom,
-en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had,
-zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er
-lachend bij: "Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld,
-dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt
-gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de
-Spanjaarden te lijf te gaan?"
-
-Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als
-ik neen zeide, en daarom zeî ik: "Wel ja, Vader, ik wil te land ook
-wel eens dienen!"
-
-"Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat
-aangeven!" sprak Vader.
-
-Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks
-thuis kom, zal ik heel wat woorden moeten gebruiken om alles goed
-te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker
-niet! Morgen ga ik er al heen."
-
-Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te
-Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden;
-want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had
-men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor
-gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting
-werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.
-
-Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij
-had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd
-laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden
-noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er
-was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen
-dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden
-hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen
-wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of
-schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend,
-doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een
-paard kocht waarvan hij zich "stoutelijk" diende en in de uitvallen der
-bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu
-in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer
-slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van
-achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet
-te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart
-lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de
-lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te
-hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen
-tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord
-van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn,
-want al heel spoedig was hij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan
-den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de
-"Lijnbaan", die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou
-gaan halen.
-
-Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal
-afscheid kon gaan nemen.
-
-Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en
-schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten,
-als hij weer aanwal was.
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-BIJ DE KAPERS.
-
-
-Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de
-vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen,
-zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen.
-
-De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene
-lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: "Ziet
-gij daar ginder dat schip?"
-
-"Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?"
-
-"Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den
-Spanjool kunnen zijn!"
-
-"Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?"
-
-"Geen weinigje ook," luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd
-of de Schipper kwam bij hem en vroeg: "Wat denkt gij van dien Biscayer
-daar, Bootsman?"
-
-"Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet,
-want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en
-kwaad we kunnen, is de boodschap."
-
-"Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor
-zijn, zou ik wel willen probeeren hem te ontzeilen. Gaat dat niet,
-welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot
-overgeven doe ik niet," sprak de Schipper.
-
-Nu was alles in de weer.
-
-In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip,
-tusschendeks, overal waren handen te kort.
-
-"Wij vechten gaan, Michieltje!" zei Jan en wreef zich van pret in
-de handen.
-
-"Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil
-water?" vroeg Geleyn Evertsen.
-
-"Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in
-een twee!"
-
-"Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!" meende
-Michiel.
-
-"Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!" zeide Jan, die Michiel
-natuurlijk niet begreep.
-
-"Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar
-is niet tegen op te werken," sprak Lievensz.
-
-"Dus niet vechten?" vroeg Michiel.
-
-"Ik zou zeggen van ja," antwoordde Geleyn. "Als ik ooit Schipper word,
-zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!" [4]
-
-"Dood is dood!" zeide Lievensz. "Als we een tegen drie zijn, dan
-waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen
-tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben
-moed als Watergeuzen."
-
-"Daar zijn er drie, Schipper," zeide nu de Stuurman. "Kijk, daar
-juist achter die voorste!"
-
-De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover
-ziende, zei hij: "Hoor eens, mannen, we zullen het zien te ontzeilen,
-dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!"
-
-"Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?" vroeg
-Michiel. "Wie niet sterk is, moet slim zijn."
-
-"Noem er maar een op!" was het antwoord.
-
-"Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek
-binden, niet waar, Michiel?" zeide de Scheepsbarbier, die Michiel
-niet lijden mocht, op sarrenden toon.
-
-Michiel ging nijdig weg en bromde: "Als ik Kapitein word van een
-schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen
-waar halen!"
-
-Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel
-niet te denken.
-
-"Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?" vroeg Jan op
-den Schipper wijzend.
-
-"Neen, er wordt niet gevochten," antwoordde Michiel botweg.
-
-"Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach,
-zoo mooi, zoo mooi dat gaat!"
-
-Daar viel een schot van eenen der roovers.
-
-De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een
-vreeselijk geweld.
-
-"Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen,
-komaan dan!" zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten.
-
-Bom! daar viel weer een schot van den vijand.
-
-Nu vloog de kogel door het tuig van de "Lijnbaan" zonder erg veel
-te beschadigen.
-
-"Dat toch vecht," riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het
-dek, dat hij nauwelijks voort kon. "Zeg, Michiel, jij ook deze ding?"
-
-"Ik zou een kanon genomen hebben," zeide Michiel. "Neen, mannetje,
-dat heb-je te Bergen-op-...."
-
-"Vuur," beval de Schipper.
-
-Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer
-languit op het dek.
-
-Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel
-honderd kogels, en als de "Lijnbaan" het niet met drie aan den stok
-had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers
-"Victorie" zouden geroepen hebben.
-
-Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu
-naderden de twee anderen.
-
-"O, God," riep eensklaps de "Barre Bruinvisch" uit, en hoewel hij
-aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot
-in de borst getroffen was.
-
-Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij
-reeds begon te vallen.
-
-"Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven,
-jongens," zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid
-met lachend gezicht te zeggen.
-
-De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar
-den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw
-nederlegden.
-
-Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!
-
-Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land
-of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat.
-
-"Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven
-moet, kan ik dat heel goed alleen af," sprak Lievensz. kalm.
-
-Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde.
-
-"Nu, jij ook, dappere jongen!" zei hij.
-
-"Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen
-doen," sprak Michiel.
-
-Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: "Mij kwaad doen, zeg
-je? Loop, jongen, aan den "Barren Bruinvisch" is geen kwaad meer te
-doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor
-altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!"
-
-Michiel boog zich over hem.
-
-"Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb,
-nietwaar?"
-
-"Ja, Bootsman!"
-
-"Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen,
-zeg haar dan, dat ik haar g'ndag gezegd heb. En laat me nu alleen,
-ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!"
-
-"Tegen wien?" vroeg Michiel verwonderd.
-
-"Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!" sprak
-Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en Michiel
-hoorde het begin van zijn gebed: "Onze Vader!"
-
-In dien tusschentijd hadden de Biscayers de "Lijnbaan" geënterd, en
-er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al
-eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas
-in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout
-wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd
-gevangen genomen.
-
-"Jij blijf af van Michiel!" riep Jan, die ineens opsprong en het
-noorden gevonden had.
-
-Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.
-
-Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde,
-den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om
-geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril
-om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot.
-
-Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de "Lijnbaan"
-lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles
-werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord
-water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede
-op in.
-
-"Geef je over!" riepen de roovers in het Spaansch.
-
-"Neen," antwoordde de bemanning van den "Lijnbaan", in het Hollandsch.
-
-"En hier heb je mijn antwoord," riep de Schipper, den Kaper-kapitein
-eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij
-onder het roepen van: "Liever verdrinken dan slaaf worden," overboord
-sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld.
-
-Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot
-der bemanning gaf zich over.
-
-De Biscayers hadden dus overwonnen en de "Lijnbaan" zou niet weer te
-Vlissingen aankomen.
-
-Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden
-hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen
-thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.
-
-Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee
-ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die
-zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven
-zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het
-Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben;
-want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim
-voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren
-Lampsens gaarne bijgepast.
-
-Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen!
-
-Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig
-aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies
-in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein
-raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien,
-maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er
-benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd
-het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of
-drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed
-gewapende matrozen hun brood en water brachten.
-
-Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen.
-
-"Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!" bromde Jan en deed
-een hapje in het harde brood.
-
-Michiel stond voor het raampje.
-
-"Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders
-stikken wij beiden hier nog," zeide Geleyn.
-
-"Ik neem de maat," sprak Michiel.
-
-"Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?"
-
-"Van mezelven en van dat raampje!"
-
-"Hi-hi," lachte Jan, "ik liever eet, ik honger heb!"
-
-"Ben ik niet de dikste van de drie?" vroeg Michiel.
-
-"Dat zal wel waar zijn," antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen
-en niet zoo bijzonder kloek was. "Waarom vraagt ge dat?"
-
-"Zoo maar! Kunt gij zwemmen?"
-
-"Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven
-jongens gewonnen."
-
-"Kunt gij zwemmen, Jan?"
-
-"Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het
-planke!" antwoordde Jan.
-
-"Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?"
-
-"Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud
-en nat is!"
-
-"Zoo," sprak Michiel, "dan heb ik een plan!"
-
-"Wat dan?" vroeg Geleyn.
-
-"Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is
-voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!" zei Michiel en nam Jan, die aan
-een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen,
-handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben,
-naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: "Als het donker is
-zullen we ontvluchten!"
-
-"Dat goed is!" sprak Jan. "Ik hier zad ben al lang!"
-
-"Ontvluchten?" vroeg Geleyn, op eenmaal van verbazing ophoudende met
-eten. "Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult."
-
-"Door dat raampje heen!"
-
-"Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!"
-
-"Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan
-schuiven er door als vet."
-
-Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen:
-"En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?"
-
-"Dat zal ik zijn; maar luistert nu," antwoordde Michiel, heel zacht
-sprekend om door niemand gehoord te worden. "Ziet ge dat touw daar
-telkens tegen het raampje slaan?"
-
-"Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!"
-
-"Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige
-ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg."
-
-"En dan?"
-
-"Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water
-zakken!"
-
-"Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen
-meerman?"
-
-"Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?"
-
-"Ja! En dat verveelt me ook al lang!"
-
-"Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb,
-die het telkens tegen de schuit duwt!"
-
-"Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles," bromde Geleyn,
-die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag.
-
-"Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed
-opgenomen!"
-
-"Ik klaar ben," zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. "Nu
-ik wegloopen wind als de vlug."
-
-"Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij
-ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien
-in duigen."
-
-"Maar dat heele plan weet ik nog niet," sprak Geleyn.
-
-"Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den ander door dat
-raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar
-dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los
-waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg
-naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!"
-
-"En waar dan heen?"
-
-"Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip
-af zijn, dan kunnen we altijd zien!"
-
-"En als we dan in den Oceaan terecht komen?"
-
-"Dat zou kunnen!"
-
-"Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken
-moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!"
-
-"Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop
-te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft," zeide Michiel.
-
-"Wat wil dat zeggen?"
-
-"Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden,
-en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen
-naar de galeien."
-
-"Hoe weet ge dat?" vroeg Geleyn, nog altijd niet met het
-ontvluchtingsplan ingenomen.
-
-"Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt,
-gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten,
-maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!"
-
-Geleyn dacht een oogenblik na en zei: "Ik ga mee, Michiel! Maar ik
-geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan
-dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets
-van bemerken?"
-
-"Zal ik eerst probeeren, Geleyn?"
-
-"We moesten dan nu maar beginnen!"
-
-"Ja, ik stuk slaan zal!" riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met
-de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.
-
-"Zijt gij krankzinnig, Jan?" riep Michiel op halfluiden toon. "Gij
-zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel
-doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en
-bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben,
-laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen."
-
-Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen,
-kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst
-gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje
-gestoken te kunnen worden.
-
-Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het
-raampje meer zien.
-
-Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van
-zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na
-hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na
-nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de
-sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door.
-
-"Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!" zei Michiel.
-
-Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij
-er met de beenen ook door was. Half vrij!
-
-Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat:
-"De pakjes!"
-
-Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige
-knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond
-en liet zich zakken.
-
-Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten
-het schip.
-
-Geleyn aarzelde nog.
-
-Waren ze niet in de diepte verdwenen?
-
-Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de
-galeien gevoerd worden?
-
-Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker
-tegen de schuit bonzen.
-
-"Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?" dacht
-Geleyn.
-
-Nog aarzelde hij.
-
-Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half
-door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening,
-liet zich zakken, zwom om het schip en--ja, daar waren Michiel en
-Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw
-van blijdschap gegeten.
-
-Daar klom Geleyn in de boot.
-
-"We dachten dat ge verdronken waart," fluisterde Michiel. "Kom gauw
-maar, er gaat eene sterke eb!"
-
-"Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van
-het schip komen," gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord.
-
-Nu ging Michiels mes door het touw.
-
-Het bootje was vrij.
-
-Met de handen duwden ze het om het schip heen en--nauwelijks waren
-ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan,
-dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw
-gegrepen had.
-
-In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien.
-
-Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen
-werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen
-hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup.
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-EENE MOEIELIJKE BEDELREIS.
-
-
-Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of
-misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden,
-lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze
-niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk
-tegen in.
-
-Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze
-waren in volle zee. Waar nu heen?
-
-Michiel keek naar de opkomende zon en zei: "Als we nu maar in die
-richting roeien, krijgen we de Fransche kust!"
-
-Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van
-Jan en Michiel,--Geleyn zat aan het roer,--niet heel vlug.
-
-"Wij komen er vandaag nog niet!" zei Geleyn met eenen diepen zucht
-en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven.
-
-"Jawel," riep Michiel, "ik voel dat de vloed op komt zetten. Die
-zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan
-de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder de
-Biscayers vast niet!"
-
-Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens
-afgewisseld.
-
-Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur
-aan een stuk stevig doorgetrokken.
-
-"Land," riep hij eensklaps. "Ik zie land, en ik wed dat we het eiland
-Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote
-meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen."
-
-Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden
-Ré en Oléron kwamen ze tegen den avond zoogenaamd te La Rochelle
-aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd;
-maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.
-
-"Wat is La Rochelle klein!" zei Geleyn. "Ik dacht, dat het eene groote
-stad was, vol leven en beweging."
-
-"Ik ook," sprak Michiel. "Mis hebben kan ik toch niet!"
-
-"Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!" riep Jan. "Ik honger, veel
-honger hebben."
-
-"Eerst maar geld hebben," merkte Michiel aan. "Ik heb niemendal uit
-te geven, want ik ben platzak."
-
-"Ik heb nog eenen zilveren duit," zei Geleyn. "Het is niet veel,
-maar toch altijd wat!"
-
-Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen.
-
-"La Rochelle lá?" vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch
-uitpakkende.
-
-"La Rochelle?" vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde:
-"Non! Arcachon, mes enfants!"
-
-Michiel had zich dus bedrogen.
-
-De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven
-den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de
-meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was
-hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen.
-
-Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun
-de Franschman aan den oever wat.
-
-Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk:
-"Nous sommes of Flushing!" Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch
-door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen:
-"Wij zijn van Vlissingen!"
-
-De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan,
-als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren
-om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: "Oui, mes
-enfants! Tout abonde en notre ville!" dat is: "Ja, mijne kinderen,
-alles is in overvloed in onze stad."
-
-"Och, die man spreekt geen Fransch," zei Michiel, doch toen
-ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: "Voulez vous vendre
-notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het
-Fransch?"
-
-Geleyn haalde de schouders op en zei: "Weet ik het? Ik kan geen
-Fransch spreken."
-
-De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord
-tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit.
-
-"Wacht, nu weet ik het," riep Michiel en den Franschen visscher
-aanstootende, zei hij nogmaals: "Voulez-vous vendre notre bateau?"
-
-Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet
-zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den
-zak en liet die Michiel zien.
-
-"Beter wat dan niemendal," dacht Michiel en zei: "Oui, voilà la
-bateau! Santé avec-avec le hebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik
-weet niet welke landsman je bent!"
-
-De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei
-verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet
-hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk
-een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had.
-
-"Dat is me hier toch even een modderland!" zei Geleyn, die weldra
-tot over de voeten in het slijk liep.
-
-"O, dat wat is?" riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk,
-hard en zonderling geluid.
-
-Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze
-niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen
-moesten om te Arcachon te komen.
-
-"Hoe!" schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te
-spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt.
-
-De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor
-zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op.
-
-"Het is een roerdomp," zei Geleyn. "Die dieren leven hier veel,
-naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert,
-ziet ge er nog veel meer."
-
-"Neen maar, zeg, kijk eens," riep Michiel op eens.
-
-"Waar?" vroegen Geleyn en Jan tegelijk.
-
-"Wel daar," antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar
-eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop
-ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.
-
-Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens
-aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die
-uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit
-eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat,
-wat Michiel deed uitroepen: "Neen maar, zeg, kijk eens!" was dat ze
-allen hooge stelten onder de voeten hadden.
-
-"Menschen en vogels doen hier al even raar," zeide Geleyn. "Welke
-lui zijn dat toch, die daar zitten?"
-
-"Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier
-al in eene vreemde streek om wat te verdienen," meende Michiel.
-
-Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze
-hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen.
-
-Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien,
-die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde
-had hangen.
-
-Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd
-haperde, en riep maar: "Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal
-ooievaar! Hi-hi!"
-
-"Nu begrijp ik het al," zei Geleyn. "Dat zijn geene kunstenmakers:
-maar om niet zoo door de modder te moeten ploeteren in dit slijkland,
-loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver
-loopen er nog!"
-
-Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was,
-dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat
-te eten en te drinken hadden.
-
-Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten
-makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der
-geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had.
-
-De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen,
-doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het
-bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak.
-
-Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in
-drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden,
-aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig
-van lekker af.
-
-Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet
-veel troost.
-
-Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De
-menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst
-geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag:
-"Paris?" naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan.
-
-Het was me het tochtje wel!
-
-Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze
-niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van
-doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.
-
-Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de
-voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar
-verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op
-het veld, soms zelfs zoo maar aan den kant van den weg onder eenen
-boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen.
-
-"Paris?" vroegen ze maar.
-
-"Voilà," zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag
-waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen
-wilde om verder te komen.
-
-Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen
-rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar
-telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van
-de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: "Laat ik nog
-eenen dag wachten!" Dat zei hij evenwel iederen keer--de Geldersche
-rijder kwam niet van de borst af.
-
-Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk
-op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken
-bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de
-pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een
-Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op.
-
-Michiel watertandde ervan; hij bleef staan en stamelde: "Monsieur,
-bon monsieur!"
-
-Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij
-naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg:
-"Venez-vous de Paris?"
-
-Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd,
-dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: "Komt ge van Parijs?"
-
-"Non, monsieur! Moi kom- kom- van la ville Arcachon!" zeide Geleyn.
-
-"Quoi!" riep de Geestelijke. "Quoi, d'Arcachon? C'est
-impossible! Impossible!" ("Wat? Van Arcachon? Dat is
-onmogelijk! Onmogelijk!")
-
-Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door
-teekenen te kennen te geven, dat ze door Biscayers gevangen genomen
-waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen.
-
-"Kom hier, Jan!" riep hij.
-
-Jan naderde.
-
-"Geef me uwe beide handen!" beval Michiel.
-
-Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de
-handen uit.
-
-"Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door
-de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn
-ontsnapt." Michiel bond met eenen doek Jans handen vast.
-
-"Monsieur," zei hij op Jan wijzende, "Hollandais! Moi Hollandais,
-et Geleyn aussi Hollandais!"
-
-De Geestelijke lachte.
-
-Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had,
-en begon te doen, alsof hij sloeg.
-
-"Biscayer, monsieur, un pirate!"--("Biscayer, mijnheer, een
-zeeroover!") sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en
-tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel
-genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als:
-"Ik begrijp u een weinig!"
-
-Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de
-handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep,
-wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.
-
-"Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et
-moi!" ("Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!") sprak
-Michiel.
-
-En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat
-de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch.
-
-"Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter
-me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan: Libre, libre, bateau,
-Arcachon," zeide Michiel.
-
-"Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!" sprak
-Geleyn, en op het "Los!" van Michiel, lieten ze alle drie de handen
-vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met
-hunne doornstokken in het zand te roeien.
-
-
-
-------
-FIGURE
-------
-
-
-
-"Libre! Vrij! Bateau! Arcachon!" riep Michiel, hierin trouw door Jan
-en Geleyn geholpen.
-
-Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo
-luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar
-altijd roeiden.
-
-"Riemen in!" beval Michiel.
-
-Jan en Geleyn hielden op met roeien.
-
-"De boot uit!" klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van
-hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op.
-
-"Libre! Libre! Vrij! Voici, Arcachon!" riep Michiel.
-
-Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie
-knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er
-een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had,
-wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de
-vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke,
-en wierp er in, wat hij missen kon.
-
-Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk
-zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van
-den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de
-oogen stroomden: "God de Heere zegene U!"
-
-Of de Pastoor dat verstond?
-
-Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen
-hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: "Mes pauvres
-garçons!"
-
-Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de
-jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.
-
-Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich, zoodat onze
-drie knapen met den Geestelijke alleen bleven.
-
-Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en
-water en wijn voorzetten.
-
-Wat de jongens hun best deden!
-
-Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen
-van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel,
-doch maakten geen kruis.
-
-Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de
-plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden,
-kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht
-ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene
-heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend,
-zei hij: "Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!" ("Vaarwel,
-mijne kinderen! God helpe u!")
-
-Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man,
-kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon
-was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop
-verwijderd had.
-
-Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.
-
-Het was eene der voorsteden van Parijs.
-
-De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen
-voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene
-Hollandsche familie wist te wonen.
-
-De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan.
-
-De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg
-daar of hier Hollanders woonden.
-
-"Jawel," zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes
-Hollandschen haring stond, "ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge
-dat?" Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil
-doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht.
-
-De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks
-had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was,
-of hij zei: "Welkom in Parijs, jongens! Gij hebt me dan zoo even een
-aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!"
-
-Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden
-rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de
-Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van
-blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer
-niet gezegd had: "Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij
-heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen."
-
-Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en nadat de
-vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten
-geschenke gegeven had, reed hij heen.
-
-De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne
-des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke
-vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het
-zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in
-eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen.
-
-"En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens
-schoenen en wat betere kleederen koopen," sprak Michiel, en legde
-het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras.
-
-Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.
-
-Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene,
-Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder
-zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,--ze lagen misschien
-wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak
-de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug,
-ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak,
-en maakte zich van den schat der arme jongens meester.
-
-Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker!
-
-Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten
-meer te zien.
-
-"Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar
-den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!"
-
-Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel
-pret en waren eindelijk klaar.
-
-"En nu nog het beste van alles," riep Michiel, de matras oplichtend,
-maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: "Ons geld
-is gestolen! Ons geld is weg!"
-
-"Hebt gij het niet al in den zak gestoken?" vroeg Geleyn, die niet
-minder schrikte.
-
-"Neen," zei Michiel.
-
-Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was,
-te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan
-zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: "Leelijke sausneger, is ons
-dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!"
-
-Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik
-en verdriet.
-
-"Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee,
-wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar
-verdrink moet alle drie!"
-
-Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch
-daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld
-al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit.
-
-De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne
-vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere
-landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit.
-
-Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie
-onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall
-haantje de voorste te spelen, oorzaak was van het stelen van het geld,
-en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles
-zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en
-scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn
-eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten
-te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan
-Michiel overliet.
-
-Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich
-doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden,
-en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van
-bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door
-eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten.
-
-Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de "Lijnbaan" in
-Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er
-eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het
-met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was.
-
-"Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op
-den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de
-"Lijnbaan" met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw,
-en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans
-aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten
-komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor,
-alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge
-nog op den koop toe!"
-
-Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine
-vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan
-hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.
-
-Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de "Lijnbaan"
-liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje
-van Adriaen.
-
-Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zich aan tafel,
-toen Alida binnenstormde en uitriep: "Moeder, Moeder, onze Michiel
-is terug!"
-
-Alida Jans keek op.
-
-Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep
-in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien,
-dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!
-
-"Kind," riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet
-achterover te vallen, "kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes
-maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen,
-duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan
-mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem
-gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes
-boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op
-aarde niet meer terug. Hij is dood." [5]
-
-"Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen
-en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!"
-
-"Moeder, Moeder, Michiel is terug!" riep Dirk, toen hij nog niet eens
-in huis was.
-
-"Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en
-danken? U danken, dat ik mijnen jongen nog zal kunnen zien, eer mijn
-aardsche huis afgebroken wordt!" stamelde Moeder Alida.
-
-Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden
-op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: "Sinjeur,
-Sinjeur, is het waar, is het waar, dat mijn jongen thuis is?"
-
-Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk
-antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende,
-dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: "Ja,
-goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat...."
-
-"Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!" schreeuwde
-Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals.
-
-Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die
-groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en
-die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: "Goed,
-lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!"
-
-Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van
-die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon
-naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel.
-
-"Wat scheelt er aan, Cornelis?" vroeg zijn broeder Adriaen, die niet
-zoo gauw de kluts kwijt was.
-
-"Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was
-hartverscheurend!" antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag
-van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel.
-
-Vier weken later was Michiel aanboord van de "Vlissingen". Hij ging
-naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die
-op een ander schip overging, achter.
-
-Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.
-
-Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman
-weggeloopen was.
-
-Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!
-
-Maar Moeder Alida's stoel stond ledig.
-
-De tering had de arme vrouw weggerukt.
-
-En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman
-geknield, bitter schreiende en fluisterende: "Wel te rusten, lieve,
-goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!"
-
-Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje
-op het graf van hare oude vriendin brengen.
-
-Zij gingen samen naar huis die twee en--werden later een paar.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE AFDEELING.
-
-MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-BIJ DEN MAN IN HUIS.
-
-
-We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof
-het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is.
-
-Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de
-geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en
-Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.
-
-Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd
-afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter
-en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg,
-noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom,
-maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en
-de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche
-reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden
-het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt
-men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen
-gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het
-fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstad met de zee
-verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven,
-niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden,
-toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft.
-
-Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in
-geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer
-het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten
-wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd,
-zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en
-denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje
-klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en
-diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten
-kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken,
-manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen
-nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders
-en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne
-pennen te bijten.
-
-Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar
-evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal,
-waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die
-door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met
-ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op
-te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog
-met nadeel en schade voeren.
-
-"Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt,"
-mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten
-hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.
-
-"Hij moet van zijn ambt ontzet worden!" roept er een.
-
-"Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!" schreeuwt een ander.
-
-"Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geen beleid en
-dapperheid genoeg heeft dien te voeren?" laat een ander zich hooren.
-
-"Onze eigen schuld," zegt een vierde, "waarom benoemen de Staten van
-Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de
-zee niet evenveel belang als de Hollanders?"
-
-"Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is
-uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie
-baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten
-en geenen knip voor den neus waard zijn," klinkt de stem van eenen
-matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk
-een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in
-zijne stem: "Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans,
-en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar
-kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn
-koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven."
-
-Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit
-den hoop vindt dat toch te kras en zegt: "Hei, hei, dat is al te
-boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig
-in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de
-Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was
-het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen,
-die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en
-dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!"
-
-"Een gedeserteerde Zeeuw!" roept op dit oogenblik een der hoorders.
-
-De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: "Neen, niet
-gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De
-Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en
-macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan
-alle perken en palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van
-één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons
-als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden,
-door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige
-gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands
-oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren
-en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen
-moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben,
-die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal."
-
-Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden
-stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een
-varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide:
-"Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar
-den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt
-ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid
-laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het
-opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen
-Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne
-plaats treden, dat is de heele zaak."
-
-"En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te
-maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen
-te verliezen. Wij willen Tromp niet," riep een burger uit den hoop.
-
-"Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat
-is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij
-in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den
-dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze
-Republiek door de Roôrokken...."
-
-"Zeg Koningsmoorders", riep er een.
-
-"Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene
-kleinigheid zou komen te lijden. En hoe tergend voor elken zeeman van
-de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen
-ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid
-te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te
-zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels
-beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die
-beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht
-werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we
-nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman,
-die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt
-en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst
-alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me
-dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is
-op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde
-wilde varkens. Een Stadhouder alleen...."
-
-"Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen,"
-klonk eene ruwe stem.
-
-Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat
-altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene
-veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De
-verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een
-bloedig burgergevecht te voorkomen.
-
-Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: "Wat is er gaande?"
-
-Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze
-geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal
-terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.
-
-De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland,
-dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier
-republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel
-veel deugden bezat, iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven
-duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die
-Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer
-nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche
-gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen,
-keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde
-Engeland de zoogenaamde "Acte van navigatie" of "Scheepvaart-wet"
-uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die
-wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere
-waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen
-van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot
-dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij
-en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt
-vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten
-dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde
-Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat
-wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell
-gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek,
-vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man
-thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen.
-
-Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige "Scheepvaartwet" niet
-stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden
-schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon
-bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de
-vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen,
-door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel
-nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in
-volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche
-schepen van dat "zichzelven aangematigd recht" gebruik gemaakt,
-ja, eenige vaartuigen genomen hadden, werd Marten Harpertsz. Tromp
-met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg
-evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk
-te voorkomen. Zijn last luidde als die, welken de Staten-Generaal
-aan alle Bevelhebbers medegaven:
-
-"Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen,
-Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte
-neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende
-vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot
-cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken."
-
-Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat
-"geene kleinigheid" zou komen te lijden.
-
-Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen
-tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te
-beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich
-gehaast heeft om door het strijken der vlag "alle courtoisie"
-te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen
-beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en
-minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij
-mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon
-Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide
-marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde
-Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles
-werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet
-en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp
-stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen,
-waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu
-meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke
-vuur niet beantwoordde en--de Eerste Engelsche oorlog, die ons
-op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî,
-dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld van
-Tromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den
-oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen,
-en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het
-volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere
-Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen
-tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.
-
-Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen
-bevinden.
-
-Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen
-te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen
-zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende
-schippers wonen.
-
-Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het.
-
-Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed
-den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper
-in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.
-
-Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is
-terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed
-doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes
-op het droge heeft.
-
-De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel
-Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna
-Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze
-mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand
-nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De
-Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede
-vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog
-aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had,
-toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had
-De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,--Cornelia,
-die dertien,--Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was.
-
-Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel
-in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als
-Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven
-was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje
-bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en
-ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook
-eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had
-ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel,
-hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had.
-
-Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna,
-die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder,
-die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die
-daarin dan ook wonderwel slaagde.
-
-Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?
-
-Wel, boven op de kinderkamer.
-
-Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst
-knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in
-slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.
-
-Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?
-
-Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer
-niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter?
-
-Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat
-gelijkt nergens naar!
-
-Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd heeft, vraagt
-ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw,
-waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken,
-en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen
-gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel,
-dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeft Schipper De
-Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne
-rariteiten-kamer.
-
-Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling
-papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia
-en Alida.
-
-Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven
-staat: "Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter,
-voerende de "Zeehond" ende kruysende teghens die Duinkercker caepers
-in den jare onzes Heeren J. C. 1637.
-
-Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen
-we de kamer even op.
-
-Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als
-Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat
-mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier
-een plaatsje.
-
-Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.
-
-We vinden maar een stuk of wat boeken.
-
-Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast
-ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen
-hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als
-Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit
-zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen.
-
-Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel
-hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne
-buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten
-te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen
-worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs,
-kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld:
-"Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje." Als ik het wèl heb, zult ge
-Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt,
-want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten
-tijde der twisten tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten,
-is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate
-ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde
-waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter,
-die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt
-niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der
-Contra-Remonstranten.
-
-Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens
-de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat
-Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en
-gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.
-
-"Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte
-ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik
-vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het
-bovenste blad stond: "Journael." Ik maakte het open, en begon te
-lezen. Raadt eens wat?"
-
-"Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op," zeide Cornelia. "Zeg
-het ons maar dadelijk."
-
-"Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?"
-
-"Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan
-zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!"
-
-"Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel
-zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper,
-Kapitein en Schout-bij-nacht!"
-
-"Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen
-vertellen?" vroeg Cornelia.
-
-"Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al
-ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?"
-
-"Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?"
-
-"Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel
-daar tegenwoordig weinig te zien is, zoo is Vader daar nog altijd
-te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield,
-hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen
-en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo
-pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het
-is eene goede gelegenheid."
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-HET VOORSPEL VAN EEN HELDEN-LEVEN.
-
-
-Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn
-Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon
-om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar
-oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood
-zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan
-niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaen zoo al vertelt.
-
-"Op zijn vierentwintigste jaar," zoo begint Adriaen te vertellen,
-"was Vader al Stuurman op "de Groene Leeuw", die op Groenland voer,
-doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond
-hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij
-voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen:
-hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland
-kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen.
-
-"Schipper," zei de Stuurman, "dat is, als ik het wel heb, om ons
-te doen."
-
-"Dat is het ook, mijn jongen!" antwoordde Vader.
-
-"Willen we probeeren hem te ontzeilen?"
-
-"Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden, die
-Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en
-zijn op snel zeilen gebouwd."
-
-"Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter
-worden?"
-
-Vader bedacht zich een oogenblik en zei: "Ik weet wat, jongen! We
-zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan
-enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij
-hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!"
-
-Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het
-want, alles werd met boter besmeerd.
-
-"Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter," zeide Alida,
-bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam.
-
-"Ja, zonde, zonde," hernam Adriaen, "maar het was toch beter drie
-of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te
-wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen
-ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde,
-Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper,
-die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek,
-dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne
-schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij
-gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader
-tot het volk: "Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting,
-bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde
-klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing
-staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er
-nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne
-bekomst, dat hij zelfs geen, "dankje wel, maat," kan zeggen. Begrepen?"
-
-"Ja, Schipper, opperbest," zeiden de matrozen en kwamen ieder met
-eenig wapen aandragen.
-
-De matrozen hadden de grootste pret van de wereld en stonden geduldig
-te wachten tot er een kaper overspringen zou.
-
-Het schip draaide bij.
-
-"Springt over!" kommandeerde de Kaper-kapitein.
-
-Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander
-lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met
-zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte
-in zee.
-
-Wip, daar ging nummer twee!
-
-Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde,
-dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan,
-gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen
-gezelschap houden.
-
-Wip, daar ging nummer drie!
-
-Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip
-aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij
-niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool
-met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf
-de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den
-knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en
-bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel
-en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen
-er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen.
-
-"Dat zal ik eens beter doen," riep één van de kapers, die voor
-zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden
-op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een
-hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal
-vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat
-hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven
-liggen waar hij lag.
-
-Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen
-en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip
-betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.
-
-Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken,
-toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de
-menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was,
-kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd
-door iedereen toegejuicht en geprezen.
-
-"Dat wil ik wel gelooven," zei Cornelia, "want het was meer geluk
-dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene
-belooning ervoor gehad hebben?"
-
-"Dat denk ik wel," antwoordde Adriaen. "Maar laat ik verder
-vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen,
-die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich
-van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança,
-gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden
-al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de
-nieuwe Koning was slim.
-
-"Jongens," dacht hij, "die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog
-met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden,
-konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen
-te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog
-even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de
-Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vloot van
-twintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en
-den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte
-geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan
-te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene
-schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht
-geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook
-wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik
-Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht,
-viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer
-Vader als Hoofdofficier van de vloot uit [6]. Zijn schip heette "de
-Haze". In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij
-kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot
-veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren,
-die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo
-gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het
-werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden
-amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in
-zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan
-ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer
-genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en
-helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar
-evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden,
-of een zeegevecht ook een mooi gezicht was.
-
-In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan,
-en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen.
-
-Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch
-oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op
-hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading
-inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was
-zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel
-grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard
-zag, dat Vader zich maar niet zonder slag of stoot overgaf, begon
-hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan
-de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt
-geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel
-zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde
-Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die
-aan zijn eigen boord.
-
-Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein.
-
-"Zeg eens, vriendje," vroeg Vader aan dien Kapitein, "als wij het
-nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan
-gedaan hebben?"
-
-"Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit
-te steken!" antwoordde de Spanjaard.
-
-"Wel, dat was een brutale kerel," zeide Cornelia.
-
-"Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar,
-Adriaen?" vroeg Alida.
-
-"Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en
-gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord
-te smijten."
-
-"Vergeving! Vergeving!" riepen ze nu en vielen, met den Kapitein
-voorop, aan Vaders knieën. "Vergeving, Señor!"
-
-"Welnu," sprak Vader, "ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra
-we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!"
-
-Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden
-een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch
-nog beter dan ze verdiend hadden.
-
-Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt,
-en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen
-en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene
-kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt,
-dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik
-heb-je. De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan
-uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van,
-door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen."
-
-"Hé", riep Alida, "en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij
-dat doen?"
-
-"Wel," vervolgde Adriaen, "ge weet niet, meid, wat Vader niet al
-durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij
-kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was,
-in het gezicht van Salee."
-
-"Jongens," dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen
-om schepen te vangen, "jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te
-pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit,
-mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!"
-
-En daar kwamen ze op Vader af.
-
-"Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!" dacht
-Vader en ging hierop naar den Stuurman.
-
-"Zeg eens, Stuur," zeî Vader, "dat zijn daar vijf Algerijnsche
-roofschepen, ziet gij het wel?"
-
-"Ja, Schipper," was het antwoord. "Maar ik zie ook dat het vijf
-geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote
-Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik
-niet thuis weet te brengen!"
-
-"Dat heb ik ook gezien," zei Vader, "en weet ge wat we nu doen
-zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar
-vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en
-dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm
-slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts
-een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht
-bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een
-lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit,
-doen alsof we vluchten!"
-
-Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen
-den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf
-Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard
-aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem
-de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw
-geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog
-twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de
-haven van Salee binnen.
-
-De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de
-haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een
-gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader
-er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard
-gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier,
-in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die
-eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om
-zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd
-van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo
-al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het
-Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.
-
-Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel
-te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.
-
-"Neen, Meneer," zei Vader en schudde het hoofd, "u krijgt het geenen
-duit minder!"
-
-"Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet
-ge het mij geven!" sprak de man op hoogen toon.
-
-"Ik mag het niet minder geven, Meneer!" antwoordde Vader. "De reeders
-van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet
-onder de markt verkoopen!"
-
-"Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan,"
-sprak de Moor.
-
-"En ik geef het er u niet voor, Meneer," zei Vader heel kalm. "Ik
-geef het u liever ten geschenke."
-
-"Koppige christenhond," riep nu de Moor, "weet gij dan niet, dat
-ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven
-verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs,
-dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult
-gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!"
-
-Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader
-aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs
-af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij
-hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.
-
-"Ik geef niet toe," sprak Vader, "en straft de Sheyk me, welnu, dan
-zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier
-met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg
-dat uwen Meester!"
-
-Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden
-Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen
-prijs te geven.
-
-"Neen," antwoordde Vader, "hij moet weten dat hij met eenen man te
-doen heeft."
-
-Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen
-toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden
-geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: "Neen, Meneer! Gij krijgt
-het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd
-heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt
-verkoopen, dat doe ik niet!"
-
-Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van
-angst te beven. Wat zou er gebeuren?
-
-De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den
-schouder en zei: "Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij
-blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd
-zijt. Geef hier het laken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt,
-en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven." Hij drukte
-Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij:
-"En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest
-op uwe beurt mij ook zoo trouw!"
-
-Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig
-op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het
-binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven
-vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche
-kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk
-bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op
-te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.
-
-Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had,
-viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande
-geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk
-hadden, trachtte Vader, door te praten als Brugman, den Kaper-kapitein
-te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof
-aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde
-Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan.
-
-"Ik dank u," zei Vader beleefd.
-
-"Wat!?" riep De Lalande, "drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd
-van zijn, dat hij oud en goed is."
-
-"Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe," sprak
-Vader. "Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts
-vrijen menschen schenkt men wijn!"
-
-De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî:
-"Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!"
-
-"Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande,"
-sprak Vader. "Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst
-te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk
-kan zijn."
-
-Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van
-den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende
-koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van
-het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers
-in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en
-ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het
-maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar
-wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij
-te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van
-den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te
-hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan
-had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten,
-voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten
-te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals
-doen. Nu dachten de kapers: "afblijven van "den dien" dat is er een met
-tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!"
-
-"Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd
-schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker."
-
-Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en
-zijne zusjes waren.
-
-"Hij komt ook luisteren," zei Cornelia.
-
-"Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?" vroeg Alida. "Zijt ge wakker,
-ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!"
-
-Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine
-potjes ook ooren hebben.
-
-"Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen," zeide nu
-Cornelia.
-
-"Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij
-kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg
-een Engelsch oorlogsschip. We waren toen wel al jaloersch op mekaêr,
-maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij
-op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene
-beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse
-kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat
-gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén
-man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en
-nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter
-bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet
-wondervol behouden?
-
-"Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te
-praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig
-en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was,
-moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in
-eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!"
-
-"Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat," zeide
-Alida. "Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden."
-
-"Ja," sprak Cornelia, "en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan
-heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?"
-
-"Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk eens, van dien heelen
-stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu
-morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb,
-zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet
-wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen,
-en hij kan zóó thuiskomen!"
-
-De "Journalen" werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en
-nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de
-gang in.
-
-"Vader, Vader," riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader
-tegemoet liep.
-
-De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op,
-gaf hem eenen zoen en zei: "Dag, groote kerel!"
-
-"Dag, Vader," sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen
-teruggegeven had, zei hij: "Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit
-zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst
-lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?"
-
-Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had.
-
-"Adriaen," riep De Ruyter.
-
-Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig
-en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide:
-"Wat belieft u, Vader?"
-
-"Dat zal ik u straks zeggen," antwoordde De Ruyter. "Vertel eerst
-maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder
-aan de wasch?"
-
-"Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!"
-
-"Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?"
-
-"Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het
-merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader,
-wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!"
-
-"Komt eens hier, Cornelia en Alida," sprak De Ruyter. "Wat ik te
-zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!"
-
-Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.
-
-"Luistert, kinderen," sprak De Ruyter. "Adriaen vroeg me daar zoo even,
-wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer
-zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in
-mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu
-misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper
-en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar
-gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch,
-let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemand over
-spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof
-en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik
-hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te
-loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland
-en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?"
-
-Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle
-menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een
-uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne "Scheeps-journalen"
-te vernietigen. [7]
-
-Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem
-storen met te zeggen: "Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om
-u te spreken!"
-
-"Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?" vroeg De Ruyter eenigszins
-verstoord opziende.
-
-"Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren
-van de Staten van Zeeland!"
-
-"Van de Staten van Zeeland?" zeide De Ruyter. "Ik kom!"
-
-Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen.
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-IN DIENST VAN HET LAND.
-
-
-"Goeden middag, Heeren!" sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te
-gemoet trad.
-
-"Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!" was
-het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der
-Heeren Afgevaardigden aldus:
-
-"Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer
-De Ruyter?"
-
-"Hoe dat zoo?" vroeg De Ruyter?
-
-"Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op
-zee uitziet!"
-
-"Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren,
-ik ben er daarom geen vijand van!"
-
-"Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u
-het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten
-van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!"
-
-"En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben,
-Heeren?"
-
-"Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden
-is over den Luitenant-Admiraal Tromp!"
-
-"Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!"
-
-"En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!"
-
-"Dat weet ik niet, Heeren!"
-
-"Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas
-en dat is zijne schuld!"
-
-"Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering
-aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor
-te stellen?"
-
-"Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op
-u te nemen!"
-
-"Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik
-heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij
-toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en
-kinderen!"
-
-"De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en
-zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar
-zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde
-Vaderland is."
-
-"Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in
-dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen."
-
-"Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en...."
-
-"Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen
-Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is."
-
-"Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!"
-
-"Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij,
-zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord
-hebben. Ik vereer Tromp hoog."
-
-De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over
-Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man,
-die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf:
-"Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij
-u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt."
-
-"Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken,
-Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank
-dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!"
-
-"Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat
-begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen
-de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen
-aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopend om
-de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men
-zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?"
-
-"Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en
-beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár
-heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg
-heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal."
-
-"Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig
-begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal
-niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien
-tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne
-plaats vervangt."
-
-"Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man,
-die telt voor eene heele vloot!"
-
-"Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet,
-wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg,
-en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen
-vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!"
-
-"Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch
-waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en
-dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont,
-die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft,
-ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of
-geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot
-hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen
-lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht
-slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen
-minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel,
-heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer
-aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid en zonder hulp
-der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen."
-
-"En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen
-te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?"
-
-De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw
-vragender-wijze van terzijde aan.
-
-Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: "Help ons, Mevrouw,
-uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij
-behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!"
-
-"Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen
-zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!"
-
-"Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer
-De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop
-uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland
-die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige
-krachten toegerust heeft."
-
-De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer
-naar Middelburg.
-
-En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?
-
-Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als
-Vice-Kommandeur.
-
-De Edelmogenden van Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit
-berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den
-bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in
-Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: "Redder van
-het Vaderland." Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze
-dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid
-en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn
-Admiraals-schip "De zeven Provinciën" zou de schrik van den vijand,
-de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden.
-
-Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan
-zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst
-het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde
-Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652,
-zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden
-de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen:
-Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter!
-
-Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in
-last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door
-het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd,
-dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij
-bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij
-sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de
-Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou.
-
-Van onze kennissen bevond zich aanboord van de "Neptunus" het
-schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige
-Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk
-verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat
-er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De
-knaap was verbazend zwak en bleek.
-
-"Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen,
-Vader?" vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten
-Augustus.
-
-Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die
-beiden viel, mompelde: "Een verschil tusschen die twee als van dag
-en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer
-genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader."
-
-"Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor," was het antwoord. "De
-timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien."
-
-Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra
-een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen:
-"Daar komen ze, Vader!"
-
-De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle
-schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking,
-die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond,
-die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter
-missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.
-
-"Kijk, Vader," riep Adriaen vijf dagen later. "Daar liggen de
-afgezonden schepen ons al te wachten."
-
-"Zijt gij wel dwaas, jongen," sprak De Ruyter. "Zij daar zullen heel
-wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u
-raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen,
-komen wij er niet af."
-
-"Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben
-ik niet uw zoon?" riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende
-oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken.
-
-Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog
-welde, tegenhouden.
-
-"Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang
-zal zijn?"
-
-"Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij
-u zult overspannen!" antwoordde De Ruyter.
-
-"Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel
-even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik
-moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!"
-
-"Nu, blijf dan, jongen!" klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei,
-kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten
-jongen.
-
-"Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper," sprak De
-Ruyter tot den Kapitein van de "Neptunus", terwijl deze hem voorbij
-kwam. "Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts
-drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de
-Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen."
-
-De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende
-Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.
-
-"Mannen," sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten
-was, "laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men
-telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik
-zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder
-bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein
-Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren,
-tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!"
-
-De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde
-en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke
-wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der
-musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van
-het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot
-hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in
-flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: "Vivat! Hoezee! Weg met
-de Koningsmoorders!"
-
-Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te
-sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide:
-"Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!"
-
-De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven,
-stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze
-vloot verschrikt terugkeeren.
-
-Ook het volk van "De Vogel Struis", een koopvaarder, die dienst als
-oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein
-van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en
-dreigde deze in het kruit te steken, als het volk nog eenmaal van
-wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een
-man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat,
-hadden alle schepen het voorbeeld van "De Vogel Struis" gevolgd, de
-Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou
-zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders
-behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue,
-een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna
-allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de
-Regeering zijns lands in ongenade.
-
-Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen
-nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel
-onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en
-meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden.
-
-Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader
-te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch
-zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en
-den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven,
-hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker
-en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van
-het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar
-zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van
-Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden.
-
-Doch keeren we tot ons verhaal terug.
-
-De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der
-zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in
-de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende
-koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot
-verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee
-uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz. De With te
-vereenigen en onder het opperbevel van dezen "dapperste der dapperen"
-had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke
-zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze
-Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.
-
-In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan,
-en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur
-telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de
-lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te
-veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp
-opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze
-daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij
-niet aarzelde, maar "dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat
-in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben,
-zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam."
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-DE VICE-ADMIRAAL.
-
-
-Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te
-zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten
-December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar
-zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen
-bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte
-Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel
-over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: "Het Lam."
-
-Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en de Engelschen onder
-den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden
-alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte
-Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik
-goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige
-jaren vroeger hebben plaats gehad.
-
-De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal "den grooten
-Tromp."
-
-Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het
-Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht
-ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd
-vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht
-worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags
-te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats.
-
-De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was
-de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip
-"The Prosperity." Nadat hij veel van het geschut van den vijand
-geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken
-volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman,
-die hen evenwel weer verdreef.
-
-"Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog
-eens gedaan!" zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd
-en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd.
-
-Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was,
-of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde
-zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger,
-duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen
-weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.
-
-"Daar gaan de schelmen, Michiel!" schreeuwde Jan Evertsen door den
-scheepsroeper De Ruyter tegen.
-
-"Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen," antwoordde De Ruyter. "Maar er
-door heen moeten we, halen waar halen!"
-
-En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen
-vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.
-
-"Ha, jongens, dat is er door!" zeide hij toen hij het gevaar te boven
-was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. "Dat heeft
-er gespannen zou ik zoo meenen."
-
-"Ja," zeide de Kapitein, "maar zie eens hoe ons "Lam" er uit ziet! We
-zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos
-geschoten!"
-
-De Ruyters oogen flikkerden.
-
-"Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve
-Vaderland!" riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins,
-en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het
-gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan,
-brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen,
-noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten,
-en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den
-vijand verlaten.
-
-Maar hoe zag zijn schip er uit!
-
-De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden
-kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield,
-bijna niet instaat eenig zeil te voeren!
-
-Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met
-een "Onze Vader!" en een: "Een-twee-drie, in Godsnaam!" overboord in
-de diepte van het Kanaal neergelaten.
-
-Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe
-daden spreken voor u!
-
-En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp,
-meer dan dertig gekwetsten.
-
-Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking
-verschijnt?
-
-Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.
-
-"Hier ben ik, Bestevaêr!" zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.
-
-"Dat zie ik, De Ruyter," antwoordde deze. "Dat zie ik, en de Hemel
-gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn
-weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip,
-hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit
-mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw
-schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is."
-
-"Ik zal komen, Admiraal!" is De Ruyters antwoord en den volgenden
-morgen is de held waar hij zijn moet.
-
-"Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons "Lam" aan," zeide
-de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.
-
-"Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit
-verbergen," antwoordde De Ruyter. [8]
-
-En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het
-midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een
-vat zonder stuur, op de baren dobberde.
-
-Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep:
-"Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr
-Tromp ons helpen!"
-
-De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen
-Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen.
-
-En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malen hadden de Engelschen
-beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen,
-doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de
-aanval vernieuwd worden.
-
-De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers.
-
-Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze
-gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw
-niet op.
-
-Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van
-Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: "Als het
-nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!"
-
-Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de
-Admiraal nu uitdeelen.
-
-Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag
-een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare
-dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer
-ze in het westen ondergaat.
-
-Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens
-naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt
-te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet
-den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken,
-daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan.
-
-"Valt aan! Valt aan!" klinkt het van boord tot boord der Engelsche
-schepen, en, het gebeurt.
-
-Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna
-elke kogel bereikt zijn doel.
-
-"Gered!" klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de
-vijand trekt af.
-
-Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende,
-steeds achteruit gegaan. Onze schepen hadden minder diepgang
-dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als
-de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij
-zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de
-Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel
-om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest
-zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de
-Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich
-in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder
-Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden
-doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt,
-dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man,
-die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had
-hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare
-schatten in behouden haven gebracht.
-
-"Gered!" klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder
-éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog
-een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet.
-
-Het is "Het Lam" van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd
-thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het
-is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen
-wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt,
-dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit,
-dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: "Hoezee! Hoezee! Voor
-Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope
-zal worden! Hoezee!"
-
-Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en
-zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer
-in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die
-weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfden
-en dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot,
-die maar zoo wat "opgelapt" was en voor de zooveelste maal gebrek
-aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid,
-dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche
-vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden
-als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson,
-die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.
-
-Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering
-toesnauwde: "Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne
-Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester
-van ons en diensvolgens van de zee!"
-
-En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den
-lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de
-toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van
-tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef
-hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?
-
-Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door
-zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en
-daarom zeide hij open en rond: "Ik zal niet meer in zee gaan voor en
-aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft."
-
-Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich
-telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken
-allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op 's
-Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel
-beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten
-ontzag om den oorlog goed te voeren.
-
-Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man,
-die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt
-niets anders dan hun dienaar, maar door zijne groote kennis, zijnen
-helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd.
-
-Deze man was Johan De Witt.
-
-Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der
-Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door
-zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen
-betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat
-gebracht werd. Maar--
-
-Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.
-
-Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee?
-
-Het zijn kanonschoten.
-
-In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt
-Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij
-andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze
-kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal
-ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal
-zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen
-laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is
-gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en
-reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen:
-"Ware ik voor hem gestorven!" Nog meer is er gebeurd. Met zijn
-masteloos en tot wrak geschoten schip "Het Lam" is De Ruyter reeds
-naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven
-al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot
-gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de
-Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang
-met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al
-weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar
-noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De
-Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna
-niet instaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning
-toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar
-men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en
-de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten,
-dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden.
-
-De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen
-oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland,
-nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te
-zetten, en--de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden,
-die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.
-
-Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der
-Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van
-Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman
-te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde,
-dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die,
-even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland
-ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men
-onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld
-tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de
-held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de
-welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen
-de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de
-Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam,
-van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap
-vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke
-betrekkingen te kunnen mededingen.
-
-In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656
-verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche
-zeeroovers te tuchtigen, en dat hij zich van dien last goed kweet,
-kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden.
-
-Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten
-wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel
-andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen
-ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-ALWEER DE "BARRE BRUINVISCH".
-
-
-In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering
-gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra
-in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was
-Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende,
-dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de
-zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer
-kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van
-Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die
-juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort
-verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van
-Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig
-schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene
-belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in
-oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en
-nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten
-ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de
-belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang
-of onze handel vorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche
-zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel
-Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar
-de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel
-op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij
-stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist
-op zijn bijna aan splinters geschoten schip. "Dat hy een lyck werd
-koste syn viandt duysent lycken," zeide een zijner lofdichters. Karel
-Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg
-aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving
-het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd
-naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten
-van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden
-wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel,
-slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou
-men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar
-eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam
-in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.
-
-Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en '59 langs den Buitenkant te
-Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind
-gelaat hem op eenigen afstand volgde.
-
-"Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?" vroeg de oude zeeman aan
-een, dien hij tegenkwam.
-
-"Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!" antwoordde
-de Amsterdammer en ging verder.
-
-De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar
-eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander
-te verzoeken had, bleef hij staan en zei: "Verlangt gij mogelijk ook
-iets van mij, goede vriend?"
-
-De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden,
-diep in het gelaat, doch antwoordde niets.
-
-
-
-------
-FIGURE
-------
-
-
-
-"Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?" vroeg De Ruyter
-nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover
-minderen geregeld aannam.
-
-"Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!" was het stotterend gegeven
-antwoord. "Ik heb geen verzoek te doen."
-
-De Ruyter lachte en zei: "Hadt ge daar niet het plan om Michiel
-te zeggen?"
-
-De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: "Ja, ja, dat
-wilde ik! Dat wilde ik!"
-
-"Kent ge mij dan van vroeger, hé?" klonk de vriendelijke vraag des
-Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer
-verlegen scheen te worden.
-
-"Ja, van vroeger!" was het antwoord.
-
-"Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?"
-
-"Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!"
-
-De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: "Kom eens vlak
-voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook,
-dat wij oude kennissen zijn."
-
-De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De
-Ruyter riep: "Gij zijt de "Barre Bruinvisch." Heb ik het geraden? Zeg,
-heb ik het geraden?"
-
-"Ja, Heer Admiraal, ik ben de "Barre Bruinvisch" en Bootsman aan
-den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd
-gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig
-waart: "Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!""
-
-"Aap van eenen jongen!" en dat tegen eenen Vice-Admiraal!
-
-Maar De Ruyter lachte er om en zei: "Ja, man, ik wilde toen wel. Maar
-laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier
-in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan
-uw laatste verzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz.,
-wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor
-haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren
-Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden
-uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij
-dan zoo lang gebleven?"
-
-Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den
-ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het
-volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan
-ik het navertel.
-
-"Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In
-het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de "Lijnbaan"
-langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het
-geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik
-het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende
-bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in '50 met een
-Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam
-te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het
-geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht
-daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had
-weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen
-jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat
-ik weer zeevader kon worden, dan...."
-
-"Wel, Lievensz., wat dán?"
-
-"Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen
-jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?"
-
-"Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon,
-hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde
-veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk
-mijn Adriaen, neen, dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon,
-een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!"
-
-"Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik
-er eenen tweeden Michiel van maken zal!" riep Lievensz. opgewonden.
-
-"Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en
-als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn
-vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar
-geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar,
-kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart,
-welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?"
-
-"Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene
-u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog
-aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?"
-
-"Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in
-het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en
-wat zal hij worden?"
-
-"Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!"
-
-"Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel
-aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat
-den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat
-hem veel, heel veel leeren!"
-
-"Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u
-eene vraag doen?"
-
-"Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge
-wilt weten!"
-
-"Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal
-buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik
-wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het
-volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan
-Kompanjie met eene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo,
-och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt."
-
-"Komaan," antwoordde Michiel, "dat wil ik. Het is wel een heel verhaal,
-maar ik heb er den tijd toe."
-
-Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen
-ouden vriend nu, wat wij reeds weten.
-
-Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het
-Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en
-hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de
-"Barre Bruinvisch" had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht
-zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen,
-dat hij weer varen ging "bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas,
-den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel
-Adriaensz. De Ruyter!"
-
-Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot
-van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den
-Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen
-het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden
-kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef
-onze Michiel met het opperbevel belast.
-
-Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd
-hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten
-slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten
-besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt,
-dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig
-niet meer stonden, als in het begin.
-
-"Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?" vroeg
-Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor
-Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag.
-
-"Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekenden weg vraagt,
-Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?"
-
-"Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland
-ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar,
-hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!"
-
-"Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot,
-juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht," was het antwoord.
-
-"Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre,"
-zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te
-gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het
-volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte
-De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke
-onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele
-zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene
-der booten en riep zijn volk toe: "Valt aan, mannen, valt aan, of
-gij wordt allen hier vermoord!"
-
-Het bootsvolk aarzelde.
-
-"Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!" riep Buat, een
-Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik
-gestreden had. "Vooruit! Dat gaat u voor!" [9]
-
-Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.
-
-"Zulke mannen volg ik! Vooruit," riep Lievensz. en was, na Buat,
-de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen.
-
-"Berg u, Heer Admiraal!" riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. "Men
-mikt op u."
-
-"Ik behoor mijn volk den weg te wijzen," sprak De Ruyter bedaard,
-niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne
-zijde doodgeschoten werden.
-
-Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs
-was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen
-van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend
-Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord.
-
-Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg,
-ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden,
-van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door
-onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst
-meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning
-was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan
-door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op
-de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles,
-wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.
-
-Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven,
-en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden,
-dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.
-
-De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te
-blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne
-schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch
-daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de
-schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte
-weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien
-de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche
-hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo
-waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaal
-keerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval
-op het Zweedsche bezettings-leger.
-
-Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit
-bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei
-slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange
-baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige
-voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden.
-
-Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de
-uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij
-hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden
-ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten
-omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen
-bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van
-tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door
-heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen
-korten tijd rust te nemen.
-
-Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche
-zeeroovers en later de Engelschen wel.
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-JAN KOMPANJIE.
-
-
-In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de
-Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de
-zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet
-enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en
-Spanjaarden.
-
-Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 in die wateren
-kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle
-vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den "Barren Bruinvisch"
-over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij
-bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren,
-wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er
-bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden.
-
-Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon
-van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den
-naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap
-hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats
-van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest
-te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te
-benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert
-Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders
-op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel
-en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in
-1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders
-afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland
-gesloten hadden.
-
-Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men
-zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee
-jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat
-Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den
-Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene
-vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze
-vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde,
-zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de
-lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er
-van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim
-zond hij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de
-Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar
-onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever
-de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris,
-die hem veel te geslepen was.
-
-Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen
-ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der
-wereld zou trekken.
-
-"Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader," sprak
-Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen
-te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren
-zeilen moest.
-
-Den naam van "Grootvader" gaf Engel hem uit aardigheid, omdat
-Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind
-was geweest.
-
-"Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen," zeide Michiel tot
-den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer
-jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante
-en onversaagde voorkomen verkregen had.
-
-"Ik twijfel er aan of het wat goeds is," antwoordde Lievensz. "Uw
-gelaat is zoo betrokken!"
-
-"Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik
-ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit."
-
-Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij:
-"Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!"
-
-"Mag ik eens raden, waarheen?" vroeg Lievensz.
-
-"Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en
-dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet
-dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar
-ik minder goed thuis ben."
-
-"Kaap Verd, soms?" vroeg de "Barre Bruinvisch" met een leuk lachje. "Is
-het niet den spijker op den kop geslagen?"
-
-"Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt,
-onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!" riep De
-Ruyter vol verwondering uit. "Hoe kunt gij het nu weten?"
-
-"Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De "Barre
-Bruinvisch" hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik
-heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders
-nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed
-verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis."
-
-"Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar
-het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu
-ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden
-en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn
-evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik
-ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te
-wijzen en niet om raad te vragen."
-
-"Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er
-reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er,
-als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of,
-wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?" zeide Lievensz.
-
-"Dat is waar ook," zeide De Ruyter. "Dat is uitkomst. En u niet om
-raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein,
-dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?"
-
-"Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang
-genoeg om te weten, dat de "Barre Bruinvisch" geen babbelaar is,"
-zeide Lievensz. eenigszins geraakt. "Of hebt gij soms bewijzen,
-dat ik het vroeger was?"
-
-"Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met dat te zeggen. Alleen
-de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken," antwoordde
-De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de
-andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde
-krijgsraad te houden.
-
-"Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman
-vergiffenis vraagt," mompelde de "Barre Bruinvisch", en eenen traan van
-dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij:
-"De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden
-als voor of na hem geen ander."
-
-Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika,
-en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen,
-en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan
-het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche
-zee uit en met behulp van Lievensz. terechtwijzingen had men weldra
-Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad
-zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om
-hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind,
-vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om
-de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden
-October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs,
-dat men de plaats van bestemming naderde.
-
-Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van
-bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de
-Koningsvlag voerde.
-
-De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene
-Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen
-wat men hier doen kwam.
-
-"Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt," luidde het
-eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige
-antwoord.
-
-"Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden
-uitgebroken?" vroeg men weer.
-
-"Wel neen," liet De Ruyter antwoorden, "maar wat gij in vollen vrede
-van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder
-zijne beurt, waarde heer!"
-
-De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel
-gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs
-de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: "Gemeen of niet gemeen,
-wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen
-het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen
-onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten
-halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen."
-
-De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog
-niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en
-zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte
-werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den
-onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop
-met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht
-hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te
-gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen,
-de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater,
-dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.
-
-Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was
-hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in
-alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg
-den Schout-bij-nacht: "Dat Hollandsche schippe is, ja?"
-
-Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren
-spreken, zeide: "Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel
-eens Hollanders ontmoet?"
-
-"Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar
-gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!"
-
-"Onze Admiraal is ook een Vlissinger!" zeide Van der Zaan, zonder
-nog te denken dat de neger hem kennen zou.
-
-Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede
-gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops
-vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger.
-
-"Zijt gij te Vlissingen gedoopt?" vroeg hij den neger.
-
-"Ja, ikke!" was het antwoord. "Maar niet door eene baker gedoopt
-ben ik!"
-
-"En gevaren op de "Lijnbaan" soms?"
-
-Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in
-de hoogte.
-
-"Wat hapert er aan?" vroeg Lievensz.
-
-"Jij bent, jij bent de Barre-Barre...."
-
-"Ja, ja, ik ben de "Barre Bruinvisch," en jij bent mijn zeekind
-Jan Kompanjie!"
-
-"Hoezee! Hoezee!" riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie
-was. "Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat
-vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!"
-
-"Jan, Jan," riep de Barre, en drukte den neger de hand, "dat is al
-eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee,
-dan kunt gij Michiel zien!"
-
-"Michiel, Michiel?" schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen
-luchtsprong.
-
-"Ja, uw vriend Michiel!" antwoordde Lievensz. "Hij is Bevelhebber
-over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!"
-
-"O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn
-de drie wonderkind?"
-
-"Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen
-als een onoverwonnen zeeheld!"
-
-"O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel,
-Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om
-die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!"
-
-"Wel, zeekind, ga dan maar mee!" zeide Lievensz.
-
-Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij
-in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide,
-dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap
-in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen
-langs de wangen liepen: "Jan Kompanjie blij is! Ja blij!"
-
-De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven,
-doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen:
-"Admiraal, daar is uw zeebroeder," of Jan was al op het dek en kwam
-onder het geschreeuw van: "Michiel, leelijke jongen van aap, jongen,
-jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!" met geopende armen
-op zijnen ouden kameraad aanloopen.
-
-"Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?" riep De Ruyter,
-Jan te gemoet gaande.
-
-"Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij
-wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!" was
-Jans antwoord.
-
-Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe
-luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die
-hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie.
-
-Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en
-ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te
-smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.
-
-Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze
-eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog
-eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht
-in zichzelven: "De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal
-op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder
-dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch."
-
-Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanen en na nog even
-gebromd te hebben: "Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,"
-ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.
-
-De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker
-daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het
-doel bereikt.
-
-"Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug," zeide De
-Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koers
-zetten naar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea,
-de Engelschen te gaan bestoken. "Ik heb daar zoo even brieven uit het
-Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog
-niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog
-is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door
-ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is."
-
-"Old Rowley is valsch tot in zijne nieren," bromde Lievensz., met
-"Old Rowley" Koning Karel bedoelende. "En er zal wel op ons geloerd
-worden ook!"
-
-"Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen
-in de fuik," was het antwoord. "Maar mijn bevel luidt: "Alle Engelsche
-schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen," dat is een
-andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een
-fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden
-moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We
-hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders
-dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen,
-wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen."
-
-Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en
-toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar
-het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden
-van Groot-Brittannië te zeilen, daar hij niet wist hoe de stand
-van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch
-scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag
-geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen
-was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een
-getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer
-en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend,
-en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen
-Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong,
-waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van
-een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles
-vernomen had, begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met
-zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat
-geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist
-en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp,
-en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot,
-en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit
-in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open
-armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal
-en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij
-gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat
-deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet
-aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer
-men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij
-tegen De Ruyter opgevat had.
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-VOOR ENGELANDS HOOFDRIVIER.
-
-
-In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel
-van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame
-schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen
-tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan
-De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en
-niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten
-onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar
-weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de
-twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen,
-het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen
-weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De
-Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken
-Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.
-
-Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de
-beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche
-zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze
-twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis
-opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa
-diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het
-hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk
-dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet
-langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland
-mocht wederkeeren.
-
-Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele
-aarde, zelfs door de Engelschen met eere genoemd werd, na die schoone
-overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem
-te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel
-van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er
-heerschte toen van de "Zeven Provinciën" [10] zijn Admiraalsschip,
-het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om
-zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde
-het gedonder van het geschut in het geroep van: "Hoezee! Bestevaêr
-Michiel! Hoezee!" uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die
-wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen
-den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één,
-als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen
-die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag;
-met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste,
-brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het
-kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
-
-Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en
-muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar
-komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar
-stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer
-in uw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen:
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
-
-Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende
-overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier
-dagen duurde, bevochten.
-
-Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en
-andermaal levert hij den vijand slag.
-
-Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders
-sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar--op eigen hand
-en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden
-bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met
-zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche
-hoofdmacht verweren.
-
-"Ik wilde, dat ik maar dood was!" roept De Ruyter.
-
-"Ik ook," antwoordde de dappere Van Nes, "ik ook, Bestevaêr! Maar
-men sterft niet, als men wil!"
-
-Het is of de Engelschen het er op toeleggen "de Zeven Provinciën"
-te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken.
-
-"O, God," roept De Ruyter, "o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er
-nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?"
-
-"Vader," antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de
-mariniers, "Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven,
-laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!"
-
-Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte,
-tot zichzelven en kalm zegt hij: "Gij weet niet, wat gij zegt! Als
-ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan
-behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!"
-
-En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen
-meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk,
-vol bewondering voor den grooten zeeheld, hem daarvoor de orde van
-Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis
-rijk met goud en edelgesteenten versierd.
-
-Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door
-de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: "De Ruyter
-heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem
-niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!"
-
-En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de
-achterhoede onder zijn bevel had?
-
-"Ja," zeiden de vrienden van De Ruyter;--"neen," zeiden de vrienden
-van Tromp.
-
-De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van
-zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van
-De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen
-had naar het bevel: "Vereenigd blijven!"
-
-Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp
-nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht
-met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond,
-wat hij voor de belangen van het Vaderland over had.
-
-Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den
-Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap
-was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand
-in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen,
-doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de
-Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje,
-soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en
-één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen
-tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het
-was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden,
-die hij zichzelven bezorgde, en het was zijn tegenstrevende geest,
-die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.
-
-Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden
-de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig
-onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje
-West-Terschelling af te loopen.
-
-Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.
-
-Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons
-weer, in gedachten, aanboord van "De Zeven Provinciën," aan den mond
-van den Theems.
-
-Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en
-dus de leiding van den "Barren Bruinvisch" ontwassen, houden evenwel
-te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij
-zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van
-het betrokken gezicht des ouden mans.
-
-"Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo
-leelijk kijkt?" vraagt Engel.
-
-"Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag
-het land!"
-
-"Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!" spreekt
-nu Jan.
-
-"Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het is omdat onze Tromp
-niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag
-het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: "Ik wilde wel om heel
-wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over
-zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch
-zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch
-mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft
-hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? "Neen, gij blijft hier,
-en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of er zelfs maar naar
-te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!"
-
-"Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet
-ge dat zeker?" vroeg Engel.
-
-"Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne
-horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken,
-zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen
-eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief
-heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet
-bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik
-zal hem in zijn aangezicht zeggen: "Kerel, ga in het kluisgat zitten,
-en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet
-Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die
-"Fransozische mosjeus" niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij
-gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in
-volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en...."
-
-"Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat
-Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is,
-en zich bij ons op de vloot bevindt!"
-
-"Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde
-sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene
-schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder
-eenen "winkelier ter zee" staat?" riep de "Barre Bruinvisch" driftig.
-
-"Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op
-uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren
-Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en--is dan ook van de
-verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt."
-
-"Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze
-zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers,
-de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt
-de Admiraal de schuld. Kijk, als ik baas was, ik nam eenen zwabber,
-ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: "Gaat van
-mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan,
-Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de "Barre Bruinvisch"
-spijkers met koppen slaat! Adjuus!"
-
-"Hei, bootsman, blijf eens even," riep De Ruyter, en toen hij dicht
-bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: "Hoe vandaag alweer
-zoo obstinaat, Vadertje?"
-
-"Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat...."
-
-"Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?"
-
-"Is er eenig voordeel behaald, Vader?" riep Engel.
-
-"Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De
-trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij
-den slag nog jaren lang voelen zal!" sprak De Ruyter met oogen,
-die van blijdschap straalden.
-
-Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen
-de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek,
-zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.
-
-"En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van
-pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?" vroeg
-De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit
-over had voor vreugdeschoten.
-
-"Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld
-heb!" was het knorrige antwoord.
-
-"Wat voorspeld, Lievensz.?" vroeg De Ruyter.
-
-"Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever
-mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!"
-
-"Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die
-landrotten?" vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan
-hij gewoon was.
-
-"Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerel pakjes
-suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand
-van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel," riep Lievensz. op
-bitteren toon.
-
-"Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt,
-en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie
-met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan
-voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten,
-alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen
-zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het
-niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!"
-
-"Zou Michiel mij straffen kunnen?" vroeg Lievensz. eenigszins geraakt,
-"mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers
-Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen
-spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel
-uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen
-wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het
-zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen."
-
-De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel,
-dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen
-hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het
-scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder
-hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: "Het zou mij leed
-doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen,
-zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt
-bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de
-lippen komen."
-
-Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen:
-"Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken
-u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat
-gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door
-weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en--ik zal trachten een
-held te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is."
-
-"Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen," zeide De Ruyter en
-gaf hem de hand, die door den "Barren Bruinvisch" met eenen traan in
-het oog gedrukt werd.
-
-Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.
-
-Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en
-zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden
-smaldeel onder Van Ghent verricht waren.
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-CHATTAM.
-
-
-Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen
-oogen te zien.
-
-Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands
-schoonste en breedste rivier opgevaren.
-
-Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord
-van wiens Admiraalsschip "De Agatha" zich de Gecommitteerde van de
-Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond.
-
-En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche
-oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten
-aan den oever der rivier.
-
-Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht
-worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje
-Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de
-rivier Medway, bij Rochester.
-
-Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die
-op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien
-ketting komen?
-
-Wie? Op "De Agatha" zat een Kapitein, een Nederlandsch Kapitein
-gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had.
-
-"Hoogmogende Heer," zegt hij tot De Witt, "geef mij mijnen degen
-terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken,
-wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting
-aanvallen!"
-
-Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt.
-
-"Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!" zegt De Witt en
-wijst hem Van Brakels eigen schip, "De Vrede", aan.
-
-Daar snelt Van Brakel heen.
-
-"Hoezee!" roept het scheepsvolk, als het hem ziet. "Hoezee! Daar is
-onze oude baas weer!"
-
-"Ja, mannen," roept Van Brakel, "ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de
-eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar
-dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger
-van ons gekaapt. Het is de oude "Eendracht"! Vooruit, haalt de kaas
-terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!"
-
-En donderend schreeuwt men hem na: "Vooruit! Hoezee!"
-
-Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel "De
-Vrede" na.
-
-Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven
-hem de volle laag.
-
-"Vooruit, mannen! Vooruit!" roept Van Brakel, en schudt de lange,
-grijze haren, als een leeuw zijne manen.
-
-Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op
-hunne beurt los te branden.
-
-Tot op een musketschot afstands is men nu "The Unity", zooals de
-Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd.
-
-"Vuur!" kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los.
-
-Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands
-vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is?
-
-"Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!" roept
-Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der
-overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die
-anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr
-een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan!
-
-Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het
-oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven
-bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag
-met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was
-men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord
-en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om
-zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel
-ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde
-Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken,
-bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt,
-omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land,
-aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat
-hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had,
-dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou
-zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben,
-diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en
-niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te
-toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.
-
-Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.
-
-Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van
-"The Unity."
-
-"Valt aan, mannen, valt aan!" klinkt de machtige stem van den
-grijzen held.
-
-"Op, op, jongens! Voor den "Dolle"!" schreeuwt zijn volk, klampt zich
-aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat
-maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den "Dolle" hun het pad wijzen.
-
-Ze zijn er! Ze zijn er!
-
-"Hoezee! Hoezee!"
-
-Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk
-glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.
-
-"Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!" klinkt Van Brakels luid
-kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren
-als katten tegen het schip op.
-
-Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men
-vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten
-vallen of vergeten.
-
-Daar wijkt de vijand!
-
-"Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!"
-
-De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest
-verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het
-waagstuk is volbracht.
-
-Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.--De eerste brander
-"De Susanna," Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn
-volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren
-fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander
-"Pro Patria" gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn.
-
-Zal deze ook deinzen?
-
-"Vooruit! Vooruit!"
-
-Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware
-ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het
-is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche
-vloot opent.
-
-De "Pro Patria" hecht zich aan het Engelsche schip "Matthias",
-dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de
-lucht springt.
-
-Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige
-geestdrift in eene sloep.
-
-Daar ligt de "Carolus Quintus," een schip, dat ook eenigen tijd
-geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden.
-
-Met den degen in de vuist klimt de "Dolle" weer naar boven, valt de
-bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het
-brandende zinken.
-
-En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige "Royal Charles"
-veroverd.
-
-Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....
-
-Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!
-
-Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde
-steekt er de Hollandsche vlag van uit.
-
-Daar nadert "De Agatha", zoo heet het Admiraalsschip van
-Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten,
-bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche
-Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende
-Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:
-
-"Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo
-goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d' ingesetenen
-zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen
-dancken." Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij:
-"Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd
-den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van
-Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet
-konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den
-Staet getroffen konnen worden."
-
-Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den
-dag te zijn, en begon nu zijn geschut los te branden op de forten,
-en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.
-
-Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt
-om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter
-te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent
-en den Ruwaard Van Putten volbracht.
-
-Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele
-Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni
-voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen,
-die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende.
-
-Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een
-klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze
-ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met
-eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel
-andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene
-volkomen nederlaag doet veranderen.
-
-Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare
-aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is,
-gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op
-Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: "Bootsman, vlug, als de
-wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of
-alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!"
-
-"Mannen," roept hij tot zijn volk, "ik ga er zelf op los. Vier
-booten uit!"
-
-"Goed, Admiraal," antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande
-sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen,
-als De Witt hem vraagt: "Waar dàt heen, Admiraal?"
-
-"Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles,
-alles verloren. Er is een bevel gegeven, dat niet goed was of verkeerd
-begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!"
-
-"Ik ga met u," zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den
-"Barren Bruinvisch", ook in de sloep.
-
-En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te
-verflauwen en het gevaar het grootst is.
-
-"Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed
-doen!" klinkt het dan, en aangevuurd door een: "Hoezee! Bestevaêr
-Michiel! Hoezee!" vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug,
-vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht
-vliegen.
-
-Daar valt men de "Royal Oak" aan. Het volk, aangevoerd door zijnen
-Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan,
-gaat het op de vlucht.
-
-"Vlucht! vlucht! Kapitein," zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe.
-
-Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend
-aan.
-
-"Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!" smeeken zijne onderhoorigen
-hem bijna.
-
-"Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een
-Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht
-gij, ik blijf!"
-
-De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van
-zijn brandend schip om.
-
-De nederlaag der Engelschen was volkomen.
-
-Des Konings broeder, de Hertog van York,--de Admiraal der Engelsche
-vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den
-oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien.
-
-Gansch Engeland beefde en sidderde.
-
-In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken
-bijeen en vlood er mede de poorten uit.
-
-Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht,
-van bedelaarskluis tot koningswoning, klonk het geroep van: "Vlucht,
-vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om
-te landen! Vlucht! Vlucht!"
-
-Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit;
-want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de
-honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was
-niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd
-voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands
-gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en
-terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den
-vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te
-rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever
-een leger van ruim twaalfduizend man.
-
-Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden,
-en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met
-recht te doen zeggen:
-
-
-
-"Een landverrader om te koopen,
-Een weerloos eiland af te loopen,
- Is werk van lafaards, lafaards waard.
-Maar trotsche Britten te doen knielen,
-En Eng'lands keurvloot te vernielen,
- Is werk van mannen, mannen waard."
-
-
-
-Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte
-de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen,
-"The Unity" en "Royal Charles" mede voerende.
-
-Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel
-beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om
-de stoutmoedigen na te jagen.
-
-Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun
-aan het hart ging!
-
-Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken,
-het zou niet zoo erg geweest zijn!
-
-Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepen naar
-dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet
-verkroppen!
-
-Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en
-schrijven: "Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit,
-en de slaaf van eenen geringen overwinnaar." [11]
-
-Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen
-naar het Vaderland gebracht.
-
-De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht
-voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede
-was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten,
-òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig
-den mond van de Theems gesloten hield.
-
-Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten.
-
-"Nog al niet naar den zin, oude jongen?" vroeg Engel op zekeren morgen
-aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond
-te kijken.
-
-"Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar
-den zin kan hebben?" antwoordde Lievensz.
-
-"Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!"
-
-"Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert
-me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet
-moeten worden. Wat doen wij hier?"
-
-"Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze
-zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen
-het wisten, wat we nog meer deden, dan...."
-
-"Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren,
-dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten
-rondscharrelen, alsof ze spiering visschen."
-
-"Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter."
-
-"Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp,
-Jonker!"
-
-"Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader
-laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart
-brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den
-weg weten, als bij Texel of op de Schelde."
-
-De "Barre Bruinvisch" wreef de hand over het gerimpelde gelaat,
-doch zeide niets.
-
-"Nu, wat zegt gij ervan?" vroeg Engel.
-
-"Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?"
-
-"Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik."
-
-"Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer
-zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een
-zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen
-duizend mannen opweegt."
-
-"Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!"
-
-"Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die
-Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer
-dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te
-zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel
-Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik
-daar niet schieten?"
-
-"Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit
-Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is," antwoordde Engel, die goed
-geraden had.
-
-De Opperbevelhebber van 's Lands vloot ontving de tijding dat den
-eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek
-der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den
-tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.
-
-Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door
-bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October.
-
-Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede,
-ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet
-met een blij geroep van "Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
-
-Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel
-eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten
-zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap
-ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter
-Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad.
-
-Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van
-'s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat
-spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige
-hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven
-perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken
-woorden worden vergeten. "Doch," zegt J. A. Brand, een van De Ruyters
-lofredenaars, "al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des
-tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij
-hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie
-en De Ruyters wapenroem herinneren."
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-LUCTOR ET EMERGO.
-
-
-Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het
-oorlogszwaard in de scheede steken.
-
-Voor hoe lang?
-
-De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa.
-
-Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.
-
-Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor
-een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij.
-
-Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol kooplieden had
-moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van heel de wereld.
-
-Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning Lodewijk XIV
-regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee Mogendheden
-terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee elkander zoo
-goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af moesten
-beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de heerschappij
-terzee. Maar nòch het een, nòch het ander was gebeurd. Engeland was
-geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland trad als overwinnaar
-sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te voorschijn. En dan die
-Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den machtigen Lodewijk,
-te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij voor slimheid
-geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte te bekennen,
-dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd gewassen
-was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En Zweden,
-dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon het
-eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door kooplieden
-geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een weinig
-meê verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te danken had.
-
-En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop van boeren,
-kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste viool speelde,
-en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren, kooplieden en
-visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel beleefd wezen
-op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen.
-
-Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dus niets anders op,
-dan een drievoudig verbond te sluiten met de Republiek der Vereenigde
-Nederlanden.
-
-Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en wachtte zijnen
-tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig verbond toetrad.
-
-Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te stellen om
-dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit elkander
-te doen springen.
-
-Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die hem evenwel
-het hoofd liet stooten.
-
-Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II graag naar
-Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want geld had
-deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning Lodewijk
-hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik aan,
-of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had,
-ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden.
-
-En Zweden?
-
-Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van Lodewijk, die
-zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien Hollandschen
-kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af geweest was.
-
-De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist alles reeds,
-ja, misschien nog eer dan Lodewijk.
-
-Maar wat zou de Raadpensionaris doen?
-
-Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den Vondel eens zong:
-
-
-
- "Het is al boter, tot den boôm,
- Men zingt al Pais en Vree."
-
-
-
-Integendeel, het was er verre af.
-
-Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger in den Staat,
-was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele van Zeeland
-opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State.
-
-Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de Stadhouderlooze
-Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben. Het wilde dat
-de Prins wát zou zijn.
-
-Jawel, wat zijn, maar wát? Noemt iets, noemt alles behalve Stadhouder
-Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles en we zullen zien,
-wat we doen zullen, heette het.
-
-Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den weg te leggen.
-
-Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen, en--benoemden bovendien
-Willem Hendrik, Prins van Oranje tot Kapitein-Generaal voor éénen
-veldtocht.
-
-En er was geen oorlog?!
-
-Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan. Daarom had men
-ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren toestand te brengen,
-het leger te lande te versterken en de vestingwerken te verbeteren.
-
-Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste moest nog
-gebeuren.
-
-De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en van Holland
-en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo was.
-
-Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den oorlog
-verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien
-te voorkomen.
-
-En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk gelezen,
-of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die ons,
-in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne verkwistingen,
-ook den oorlog verklaarde.
-
-Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om Frankrijk door
-Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te houden.
-
-Door twee machtige vijanden besprongen en voor één niet veel meer dan
-half klaar. De vloot was goed en men wachtte Engeland en Frankrijk
-op zee rustig af, want hij leefde nog. Hij zou zich weer met eenen
-Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen, hij, die Engeland
-had doen sidderen en beven; hij, die door den trotschen Lodewijk
-als Ridder zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd; hij,
-de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter; hij, Bestevaêr
-Michiel, die na vier jaren rust, het bordes van zijne woning op het
-Nieuwe-Waalseiland afstapte, de "Zeven Provinciën," beklom en sprak:
-"Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!"
-
-Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen te woord staan!
-
-Maar te land stonden de zaken minder goed.
-
-Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding, aan het
-hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen moest,
-die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de grachten
-groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een jongeling,
-stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed in
-staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk
-XIV en zijne wakkere legerhoofden!
-
-En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek van de
-landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en Keulen
-ons ook nog den oorlog verklaren.
-
-Zegevierend trok de vijand ons land binnen.
-
-En De Witt en zijne vrienden?
-
-Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en oproerskreten, staande
-gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg den lande verder te
-dienen, als maar de bevolking in die bange dagen, instede van tegen
-te werken, hen had willen helpen.
-
-Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet veel te
-zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de Republiek
-der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht in ons
-land hield, lag Lodewijk XIV al voor Utrecht en maakte er zich den
-drieëntwintigsten Juni meester van.
-
-Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den vijand. Ook
-Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de golven
-voorstelt met het onderschrift: Luctor et emergo, dat is: "Ik worstel
-en ontkom."
-
-Ik worstel.
-
-Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder werd dat
-gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende: "Luctor"!
-
-Maar "emergo"? "Ik ontkom?"
-
-Dàt stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat de Zeeuwsche en de
-Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het opgeven zouden.
-
-Maar is er dan niet één, die met forsche vuist den Engelschen Luipaard
-op de vlucht jaagt en de Fransche Leliën afmaait? Niet één?
-
-"Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge, Bestevaêr?"
-
-"Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!"
-
-"Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van Holland het houden, hé?"
-
-"Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en de mijnen maar
-helpen willen, dan zullen we dat onderschrift wáár maken: Luctor et
-emergo! Heet mijn schip niet "De Zeven Provinciën"? Het zullen er
-zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen
-zal het gaan?"
-
-"Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is Admiraal!"
-
-"Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken waar hij te vinden
-is en te woord staan, zooals ons dat past."
-
-Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay.
-
-Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de Franschen
-vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd tweeënvijftig
-schepen van allerlei grootte en vorm.
-
-De onze telde er honderd drieëndertig, doch het kleiner getal schepen
-werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders en den uitnemenden
-geest der manschappen.
-
-Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt zich aanboord
-van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer "De Zeven Provinciën" was.
-
-Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor het eerst een
-eigen schip, "De Deventer" geheeten. Het voerde zesenzestig stukken
-geschut en had behalve zestig zeesoldaten of mariniers, tweehonderd
-vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was Jan Lievensz., er
-ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had kunnen worden,
-had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval dan een schip
-gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen.
-
-Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord, hoewel de man
-te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te nemen. De
-Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en was
-bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en zijnen
-voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in vlugheid
-te kort kwam.
-
-Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de Engelsche kust en
-toen de uitkijk riep: "Land vooruit!" wist men dat men de Solebay
-naderde, en dat men daar de Engelsch-Fransche vloot zou vinden.
-
-Deze liet zich ook niet lang wachten.
-
-De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps: "Zeger! Zeger! kom
-eens hier, man!"
-
-Zeger, de Opperstuurman van "De Zeven Provinciën" naderde en vroeg
-eerbiedig: "Wat belieft u, Admiraal?"
-
-De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de richting van
-den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat deze aanwees.
-
-"Dat is onze man, Zeger!" zeide De Ruyter nogmaals.
-
-De Ruyter wees "The Royal Prince" het Admiraalsschip van de
-vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van York zijne vlag liet
-waaien.
-
-"Dat zal gebeuren, Admiraal!" zeide Zeger, beleefdelijk zijne muts
-afnemende en naar het roer gaande.
-
-Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en ook maar
-zacht woei, toeliet, hield "De Zeven Provinciën" het op het Engelsche
-Admiraalsschip aan.
-
-Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel, stonden de mannen
-van "De Zeven Provinciën" ook nu gereed vuur te geven, doch De Ruyter,
-die liefst maar niet op goed geluk af schoot, wachtte hiermede,
-tot ze op een pistoolschot afstands genaderd waren.
-
-"Vuur!" klonk het.
-
-Met een luid "Hoezee!" werden de kanonnen losgebrand.
-
-De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur met dezelfde
-hevigheid.
-
-Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder de oogen te
-zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, dat vrees ook niet
-in zijn woordenboek stond.
-
-Beiden waren tegen elkander opgewassen.
-
-Toch was op het laatst "The Royal Prince" zoo doorschoten en gehavend,
-dat de Hertog van York op een ander schip moest overgaan. Hij deed
-dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te slaan, maar omdat hij
-op zulk eenen ontredderden bodem zich niet bewegen kon, teneinde de
-noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem daartoe noodzaakte,
-lag in de vlugheid waarmede aanboord van "De Zeven Provinciën" het
-geschut bediend werd.
-
-Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen
-vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een
-"Hoezee! Bestevaêr! Hoezee!" de Engelsche Admiraalsvlag van "The Royal
-Prince" zagen overgaan op de "St. Michiel" kwam er eene sloep aanboord,
-die voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht.
-
-"Wat is er, mannen, wat is er?" vroeg hij den matrozen uit de sloep,
-toen dezen op het dek verschenen.
-
-"Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een stuk hout tegen de
-borst getroffen, en kan geen woord uitbrengen," klonk het antwoord.
-
-De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met geweld de zorg
-eens Vaders plaats maken voor den plicht eens Opperbevelhebbers, en
-tamelijk bedaard zeide hij: "We hopen, dat de wonde niet doodelijk
-zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?"
-
-"De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen zal!" zeiden de
-matrozen.
-
-"Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed voor mijnen
-jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!"
-
-De matrozen gingen heen en klommen van den valreep.
-
-"Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?" vroeg de "Barre Bruinvisch"
-ook naar den valreep gaande.
-
-"Ga, vriend, ga!" antwoordde De Ruyter, die den ouden man zeer goed
-begreep en daarom graag vertrekken liet.
-
-"Ziet ge," zei de "Barre Bruinvisch" toen hij, tot verwondering van de
-matrozen, ook bij hen in de sloep kwam, "ziet ge, ik met mijne stijve
-beenen kan toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als
-de zeevader van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen."
-
-"Ha zoo, dan heet gij Lievensz., hé?" vroeg de man aan het roer.
-
-"Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders ook nog wel eens
-"Barre Bruinvisch", zie je! En mijn zoon Jan is Eerste Officier bij
-mijn zeekind aanboord!"
-
-"Jawel, jawel!" zei de man aan het roer zoo kort mogelijk, doch er
-kwam een vreemde trek om den mond van den Janmaat.
-
-"En ik hoop, als dat hij dien Roôrokken zal hebben laten zien, als
-dat hij mijn jongen is! Heeft hij dat?"
-
-"Zeker, hij was een van de eerste aan den dans!" klonk het weer, doch
-pas was dat gezegd of de Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag,
-den vinger voor den mond, wat toen ook al beteekende: "Zwijgen! Niets
-zeggen!"
-
-"Ja, ja," hernam de "Barre" opgewonden, "hij zal ze laten dansen,
-ha, ha!" en hier op liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed
-het deuntje volgen:
-
-
-
- "Hij zal ze laten dansen,
- Op zijn Engelsch en zijn Franschen,
- Hij zal ze laten dansen den zevensprong!"
-
-
-
-"Kijk den "Dolle" eens rare sprongen gaan maken," riep de Stuurman,
-terwijl hij op de "Groot-Hollandia" een schip van vierenzestig
-stukken, wees.
-
-"Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet zoo?" vroeg een der
-matrozen.
-
-"Ja, ja, de "Dolle." En dat gaat zoo regelrecht af op de "Royal James",
-het Admiraalsschip van Montague."
-
-"Maar hapert het den "Dolle" in zijne bovenkamer om daar met een
-schip van honderdvier stukken te gaan bakkeleien? Dat is toch geene
-partuur voor hem!" sprak een ander der roeiers. "De overmacht is hem
-immers veel te groot!"
-
-"Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de "Dolle" naar! Willen we eens
-wedden, dat hij dien grooten lobbes zoo netjes in het zonnetje zet,
-als gij het ooit gezien hebt," zeide de Stuurman, en zich hierop tot
-Lievensz. wendende vervolgde hij: "En wat zegt onze oude Bootsman
-ervan?"
-
-"Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van over!" antwoordde
-Lievensz. met een akelig boos gezicht. "Hij zal dien olifant te woord
-staan; hij zal hem zijne volle bekomst geven; maar als dat gedaan is,
-zit er eene schrobbeering voor hem op, niet zuinig, man!"
-
-"Wat! Eene schrobbeering?" riepen eenige matrozen tegelijk, en vergaten
-van verwondering aan de riemen te trekken.
-
-"Trekt dan, kerels," riep de man aan het roer. "Trekt dan toch,
-anders komen we aanboord, als de boel afgeloopen is. De "Barre"
-meent er niemendal van!"
-
-"Niet meenen? Niet meenen? De "Dolle" loopt zoo zeker eene...." Terwijl
-hij sprak sloeg eene kleine kanonskogel hem over het hoofd en nam
-zijne wollen muts mede.
-
-"Goeden morgen," riep hij lachend. "Die malle Roôrokken mikken op
-een oud man! Bah, hoe flauw is dat! Wat hebben ze er aan om eenen
-meer dan halfsleten zwabber naar de haaien te helpen!"
-
-"Barre", zeî de Stuurman, vol bewondering, "ge zijt een echte zeerob,
-hoor! Dat verbleekt zelfs niet eens."
-
-"Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor mooier gehouden
-heb dan een karnemelks-gezicht," sprak Lievensz. "Maar om nu op den
-"Dolle" terug te komen, ik zeg: hij loopt eene schrobbeering op zoo
-waar, als tweemaal twee vier is."
-
-Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten zakdoek een mutsje,
-zette dat op, doch....
-
-Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den duim.
-
-Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik verried, zeide
-hij: "Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat gunt mijnen kalen
-knikker zelfs geen blauw neusdoekje!"
-
-De matrozen van "De Deventer" dit ziende en hoorende, riepen als
-uit éénen mond: "Hoezee! voor den Barren Bruinvisch! Dat is er een
-van Bestevaêr!"
-
-"Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en een stukje duim,"
-zeide Lievensz. "Roeit maar voort, anders zit er voor u ook nog wat
-anders op dan een bedankje."
-
-"Maar," vroeg nu de stuurman, "waarom zou de "Dolle" straf oploopen? Ik
-denk, als Bestevaêr het gezien heeft, dat...."
-
-"Wie spreekt er van Bestevaêr," antwoordde Lievensz., het lesje geheel
-vergetend, hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. "Wat heeft
-Bestevaêr in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers? Neen,
-Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich
-niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen
-gaat!" [12]
-
-"Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in het kabelgat
-gekropen is," riep een matroos.
-
-"Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij allerminst," sprak de
-"Barre" vol vuur. "Wie dat zegt, weet er niets van. Wat waar is,
-mag gezegd wezen. Zoolang het gevecht met den Hertog van York geduurd
-heeft, zat hij in eenen stoel bij de stuurmanshut, of, als hij moede
-van het zitten was, stond hij er bij. Maar of de mooie mannen van
-zijne lijfwacht om hem heen vielen als muizen, hij week geen duimbreed
-terug. Neen, neen, alle respect voor eene landrot, die zooveel moed
-heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan alle dwarskijkers, die wat
-de zee betreft, nog op de schoolbanken moesten zitten, en die toch
-eenen held, die zijne zwarte haren op zee grijs heeft zien worden,
-als ondergeschikte behandelt. Ik...."
-
-"We zijn er," zeide de Stuurman, doch toen de riemen ingehaald waren
-en de "Barre" de eerste wilde zijn, die tegen den valreep opklimmen
-wilde, hield een der matrozen hem tegen.
-
-"Nu, wat zal dat?" vroeg Lievensz. boos.
-
-"Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad met te vertellen
-van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer mede te deelen."
-
-"Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje opgedischt? Is Jonker
-Engel dood? Is De Ruyters zoon gesneuveld?"
-
-Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een ervan scheen
-zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de Engelsche vloot
-liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De Ruyter ernstig
-gekwetst was.
-
-"Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts gewond, maar uw
-zoon is..."
-
-De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene vlugheid,
-die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben, greep hij
-den valreep, klom naar boven en riep: "Jan! Jan Lievensz., jongen,
-jongen, waar ben je?"
-
-"Wat moet die man?" vroeg de Officier, die inplaats van Kapitein
-Engel De Ruyter nu het bevel voerde.
-
-"Het is de Vader van Luitenant Lievensz., Meneer," antwoordt de
-Stuurman der sloep.
-
-Maar de "Barre Bruinvisch" heeft daar wat met een zeil bedekt op het
-dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent. Hij licht het op en....
-
-"O, God, mijn jongen, mijn jongen gevallen!--Gevallen!" roept hij
-snikkend, de verwrongen gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen
-overdekkend.
-
-"Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne laatste groeten gehad
-ook voor zijne Moeder!" sprak de bevelvoerende Officier, die zich
-hierop verwijderde om in de slagorde van de vloot te blijven en te
-doen wat zijn plicht was.
-
-Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon liggen, en richtte
-zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor hem het "Onze
-Vader" gebeden had. Toen dekte hij hem aan alle kanten toe, drukte
-weer eenen kus op zijnen mond en ging, waggelend als een dronken man,
-naar de kajuit waar Jonker Engel lag.
-
-"J-jan-d-do-od;" bracht deze er met moeite uit, doch drukte met
-zeemans hartelijkheid de hand van zijnen ouden zeevader, die in dat
-korte oogenblik zooveel ouder geworden scheen te zijn.
-
-"Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn jongen!" snikte de Vader.
-
-"H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde; ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg
-t-toe-toen...."
-
-"Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden, Kapitein!" sprak de
-Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was, die pas de Hoogeschool
-had verlaten en die zijne krachten en diensten in dien benauwden tijd
-ook zijn Vaderland wilde wijden.
-
-"Is u de Dokter?" vroeg Lievensz.
-
-"Ja, goede vriend," was het antwoord. "Wilt ge wat weten soms?"
-
-"En was er niets meer aan mijnen zoon te doen, Dokter?"
-
-"Wie was uw zoon, ouwentje?"
-
-"Luitenant Lievensz., Dokter!"
-
-"Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk gewond. Hij
-leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste groeten, en
-hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en zuster
-vaarwel te kussen."
-
-"Dank-je, Dokter, dank-je!" sprak de "Barre Bruinvisch" zoo bedaard,
-alsof er niets gebeurd was.
-
-Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en kookte,
-en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong
-zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen,
-dat deze hem de hand drukte en zachtkens zei: "Goed, bra-braaf,
-Gr-Grootva-vader-tje!"--
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" klonk het een paar uren later
-aanboord van Engel De Ruyters schip.
-
-"Ze schieten minder! Zou de slag gedaan zijn?" vroeg de Dokter, die
-beneden bij de gekwetsten bleef en een deel zijner zorgen aan Engel
-wijdde, aan Lievensz.
-
-"Bestevaêr komt tenminste naar zijnen zoon kijken en dan zal de slag
-wel beslist zijn!" antwoordde de oude man.
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" klonk het nu nog luider van
-"De Deventer", waar alles in de weer was om hem te ontvangen.
-
-De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk vriendelijk
-toeknikkend, ging hij naar de kajuit.
-
-Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen.
-
-"Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond, lieve jongen,
-hé?" sprak De Ruyter.
-
-"Dag, b-bes-beste, Va-Vader!" antwoordde Engel en schudde de hand
-des Admiraals.
-
-"Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?" vroeg de Dokter beleefd. "Ik
-heb hem het spreken verboden!"
-
-"Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken. Gehoorzaamheid
-moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het ziekbed. U is
-dan zeker de Dokter?"
-
-"Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen. Als uw zoon zich
-maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie weer zoover,
-dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu weer maar
-niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert hem."
-
-"Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch zal toehooren,
-als ik wat vertel, hem hinderen?"
-
-De Dokter schudde het hoofd.
-
-"Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs gegaan, als ik nog
-nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend pond buskruit en
-vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal Montague van
-den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich kranig gedragen,
-verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier, en al de anderen
-als leeuwen, en, al hebben we ook al geene schitterende overwinning
-behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu te land ook zoo maar
-gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het is anders een harde
-dobber, hoor!"
-
-Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken gevende, wenkte
-hem te volgen.
-
-De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren ze juist gereed
-om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te geven.
-
-De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat geëindigd was,
-vroeg De Ruyter: "Wie is dat, Lievensz.? Jan toch niet?"
-
-Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig ander antwoord
-te geven.
-
-"Goede zeevader," sprak De Ruyter, "is hij gevallen? God hebbe zijne
-ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden mijn, morgen dijn! Treur
-niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts wat voor! Daar boven
-ziet gij hem weder, willen we hopen!"
-
-Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze zeide tot
-den Officier: "Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den dienst verder
-verrichten?"
-
-De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen: "Ja zeker,
-Admiraal! O, als u dát doen wilde, dan...."
-
-"Ik heb er behoefte aan, het te doen, Mijnheer," sprak De Ruyter,
-en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die
-den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen,
-ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte,
-en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig
-het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held:
-"Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een
-veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!--Het Vaderland zal u
-indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe
-vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap
-voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!"
-
-De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er
-op schoof verder en--verdween in de diepte.
-
-Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze
-te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk
-te herstellen.
-
-Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was
-een woord uit die dagen afkomstig: "De Regeering is radeloos, het
-volk redeloos en het land reddeloos."
-
-Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men
-gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn
-leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet
-ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid
-genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins
-van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.
-
-De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den
-Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het
-Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij
-besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus:
-"Oranje boven!" nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder
-de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins
-vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de
-toekomst niet zoo donker in.
-
-Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard
-gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft.
-
-Hij spreekt dat tegen, open en rond.
-
-Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt
-heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.
-
-De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want
-de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van
-Oranje en Jan De Witt.
-
-Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding
-op de vloot: "De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen
-schandelijk vermoord!"
-
-Dat was een slag!
-
-Wat zal er van het Vaderland worden?
-
-Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip
-"De Zelandia."
-
-Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.
-
-En De Ruyter leest: "Luctor et emergo."
-
-Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen
-heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te
-zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning
-zou kunnen vallen.
-
-De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van
-Zeelands wapen: "Als 't Landt al t'eenemaal verloren gaat, zal ik
-met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan
-uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven! Luctor
-et emergo!"
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE REDDER VAN HET VADERLAND.
-
-
-Het is op den zesden Juni van het jaar 1673, dat we ons weer
-verbeelden aanboord te zijn van "De Zeven Provinciën", waarop onze
-Luitenant-Admiraal De Ruyter andermaal zijne vlag laat waaien.
-
-Luitenant-Admiraal? Hei, hei, ge vergist u! "De Zeven Provinciën"
-draagt de vlag van den Luitenant-Admiraal-Generaal, de hoogste
-betrekking, die men op de vloot kan hebben, en onder hem staat de
-Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp.
-
-Wat? Cornelis Tromp weer aanboord? Hoe dat gaan zal? Twee mannen,
-die elkander zoo vijandig gezind zijn met slechts éénen rang verschil
-van macht! Wie heeft dat dwaze stuk begaan?
-
-Wel, wel, wat zijt ge nog een vreemdeling, dat ge niet weet wat er
-geschied is.
-
-Laat mij u een en ander vertellen.
-
-Sedert onze De Ruyter dat flinke antwoord aan dien Engelschman gaf,
-is er heel veel veranderd en, ten onzen voordeele.
-
-Groningen is van den vijand bevrijd; Drente ziet hem niet meer.
-
-Denemarken en Lotharingen zijn onze bondgenooten. Spanje, Duitschland
-en Brandenburg rusten zich ten oorlog toe tegen Frankrijk. Eene
-voorgenomen landing der Engelschen en Franschen is door storm en
-lagen waterstand mislukt. Slechts met moeite heeft Koning Karel II
-van zijn Parlement geld gekregen om den oorlog voort te zetten,
-en in den Stadhouder hebben we eenen man gevonden, die ons in de
-Raadzaal en voor de vloot, den grooten De Witt weinig doet missen,
-en in het leger ons meer geeft dan De Witt geven kon.
-
-Toch zou men zich vergissen, als men meende, dat de Republiek reeds
-gered was. Neen, het is nog steeds luctor, maar we zijn schoon op weg
-om het tot emergo te brengen, als men maar krachtig volharden wil,
-in het voortzetten van den strijd.
-
-Dat wil de Stadhouder van zijne zijde wel beloven, en ter zee, ja,
-dat hangt niet zoo geheel van hem af. Maar gelukkig heeft hij ook daar
-zijnen man. De Ruyter leeft nog. Wel was deze een groot vriend van de
-gebroeders De Witt, wel heeft hij onverholen, zelfs ten aanhoore van
-de machtigste vereerders van Oranje, schande gesproken van het volk,
-dat deze mannen op zulk eene schandelijke wijze vermoorden kon; maar
-dat belet den Stadhouder niet dien Luitenant-Admiraal te vertrouwen
-en te hoogachten. Hij zal niet doen, als dat Amsterdamsche grauw,
-dat de woning wilde plunderen van den man, die zóóveel voor het
-Vaderland gedaan had, en die er nog zooveel voor doen wilde. Is hij,
-de Stadhouder, niet Admiraal-Generaal? Welnu, wat belet hem dan dien
-braven Vaderlander, dien doorluchten zeeheld, dien vromen burger,
-in zijne plaats het opperbevel over de vloot te geven? Zeggen en
-doen gaan bij den Stadhouder hand aan hand, en den eenentwintigsten
-Februari van het jaar 1673 werd Michiel Adriaensz. De Ruyter benoemd
-tot Luitenant-Admiraal-Generaal van Holland, Zeeland en West-Friesland.
-
-Maar de Stadhouder zal nog meer doen.
-
-Leeft daar niet in stille rust een man, onvergelijkelijk dapper,
-een liefhebber van zijn Vaderland en een zeeheld als er weinigen
-gevonden worden, maar, helaas, in vijandschap met De Ruyter? Als
-hij die twee eens met elkander verzoenen kon, Bestevaêr en Tromp,
-wel, dan zouden Engeland en Frankrijk het hoofd te pletter
-stooten op Nederlands bolwerk terzee, door die twee helden met
-hunne onderhoorigen verdedigd. Ook dit beproeft de Stadhouder en,
-na heel wat moeite, gelukt het hem de twee helden met elkander te
-verzoenen. En of het nu meenens is? Het is nog geene tien dagen
-geleden, dat Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp met zijn "De gouden
-leeuw" een prachtig schip van tweeëntachtig stukken, bij de vloot,
-die onder De Ruyter bij Schooneveld [13] lag, is gekomen. En hoe? Als
-iemand, die niet onder De Ruyter wilde staan? Volstrekt niet. Hij
-liep achter "De Zeven Provinciën" om, begroette den Opperbevelhebber
-met eere-schoten, en kwam iets, dat in geen zeven jaar gebeurd was,
-bij De Ruyter aanboord.
-
-De Ruyter wachtte Tromp bij den valreep op. In het kamp bij Bodegraven
-hadden ze elkander in tegenwoordigheid van den Stadhouder, de hand van
-vriendschap gegeven, en nu: "Welkom, welkom, aanboord van "De Zeven
-Provinciën", Tromp!" sprak De Ruyter en sloeg op ronde zeemans-wijs
-de rechterhand in die van Tromp.
-
-Dat heeft het volk gezien.
-
-De "Barre Bruinvisch", die na den dood van zijnen zoon Jan, geenen
-traan meer had laten vallen, die man zelfs voelt de oogen vochtig
-worden, en het kale hoofd, waarvan nog enkele lange, witte haren
-in den wind fladderen, ontblootend, roept hij met trillende stem:
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!"
-
-Alsof al het volk daarop gewacht heeft, mengt zich, met het
-kanongedonder der schepen, het gejuich van Janmaat: "Hoezee! Bestevaêr
-Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!"
-
-Er is een gastmaal aanboord van "De Zeven Provinciën" geweest, en in
-het bijzijn van de aanzienlijksten in den lande, hebben die twee met
-elkander geklonken en gedronken, en vriendschap en trouw gezworen
-tot in den dood!
-
-Nu is het de zesde Juni.
-
-Daar daalt De Ruyter van den valreep der "Zeven Provinciën" af,
-om aanboord van "De gouden Leeuw" eenen feestmaaltijd bij te wonen,
-door Tromp den Opperbevelhebber ter eere aangeboden.
-
-Zie, daar beklimt De Ruyter het dek van Tromps Admiraalsschip, de twee
-helden drukken elkander nogmaals de hand, en terwijl er een vroolijk
-"Wilhelmus van Nassouwe" geblazen wordt, juicht het volk andermaal:
-"Hoezee, Bestevaêr en Tromp! Hoezee!"
-
-Wat dunkt u, zouden Neêrlands twee grootste zeehelden zich met elkander
-verzoend hebben?
-
-Het gastmaal is De Ruyter waardig.
-
-Daar heft Tromp eenen vollen beker omhoog en drinkt het heil van het
-lieve Vaderland.
-
-Een luid "Hoezee!" klinkt op zijne gloeiende woorden.
-
-Maar wat kijken allen daar naar de deur der kajuit?
-
-Wat moet die Opperschipper van "De gouden Leeuw" hier doen?
-
-"Admiraal," zegt hij, zich eerbiedig tot De Ruyter wendend: "De vijand
-is in aantocht!"
-
-Uit is de vroolijkheid.
-
-Men snelt naar boven en--de heele zee aan den horizon is bedekt met
-de schepen der Engelsch-Fransche vloot.
-
-De groote scheepsraad, zoo ongezocht vergaderd, is op het dek
-bijeen. Kort en vaardig deelt De Ruyter zijne bevelen uit, vermaant
-zijne Bevelhebbers Neêrlands zeeroem te handhaven, en ieder keert
-naar zijn schip terug.
-
-Het is voor ieder duidelijk genoeg, wat die Engelschen en Franschen
-willen.
-
-Morgen, den zevenden Juni, is het juist een jaar geleden dat de slag
-bij Solebay geleverd is, en morgen zullen ze de schande van Solebay
-wreken door eene landing.
-
-Heeft niet de Lord-Kanselier bij het openen van het Britsche Parlement
-gezegd: "Carthago moet verwoest worden!" met Carthago de Republiek
-der Vereenigde Nederlanden bedoelende?
-
-Daar komen ze nu om die woorden waar te maken; want die Nederlandsche
-schepen en scheepjes onder De Ruyter en Tromp, zijn in de oogen der
-overmachtige vijanden niets meer dan een stofje aan de weegschaal. Nu
-zal, nu moet de landing plaats hebben. Eene vereenigde vloot van
-honderd vijftig zware oorlogsschepen is niet te weerstaan!
-
-Hoe die grootsprekers zich bedriegen zullen! De Nederlandsche vloot,
-sterk honderdvijf schepen, soms onvoldoende bemand, doch aangevoerd
-door helden, zal toonen, dat ze nog hetzelfde kan, als bij Solebay.
-
-"Het zal wel gaan!" zegt Tromp, die de voorhoede heeft, en gaat aan
-den slag.
-
-"Komt, jongens, rept de handen!" zegt Banckers, die de achterhoede
-heeft en valt ook aan.
-
-"Mannen, de vijand is nabij. Elk gedrage zich als een braaf kerel
-en daar hij voor scheep is gekomen. Ik beloof het u, het zal wel
-gaan!" spreekt De Ruyter en stevent op den vijand los.
-
-Naar alle kanten ziet het oog van den Opperbevelhebber.
-
-"Vooruit, mannen! Tromp is in nood. Gauw hem ontzet, eer het te laat
-is," roept hij na eene poos.
-
-Het was hoog noodig. De dappere Luitenant-Admiraal heeft het hoofd
-te bieden tegen de helft der vijandelijke vloot. Het was hard voor
-De Ruyter, want hij was reeds aan de winnende hand, maar gedachtig
-aan den handdruk van Tromp ontvangen, zegt hij: "Het zwaarste moet
-het zwaarste wegen. Het is beter vrienden te helpen, dan vijanden te
-schaden! Vooruit!"
-
-Tromp is van het eene op het andere schip overgegaan, overal zijne
-Admiraals-vlag meevoerende. Maar nu begint zijn volk den moed op te
-geven. Het kan niet meer.
-
-Daar trekt de rook voor een oogenblik op, en tusschen die openingen
-heen ziet Tromp onzen De Ruyter komen om hem te ontzetten.
-
-"Hoezee! Mannen, daar is Bestevaêr! Die komt ons helpen! Ik zal
-hem ook niet verlaten, zoolang als ik leef!" roept Tromp bijna
-triomfantelijk uit.
-
-Dat helpt, en met een: "Hoezee, Bestevaêr Michiel! Hoezee!" laten ze
-opnieuw het geschut donderen.
-
-Daar zien de vijanden "De Zeven Provinciën!"
-
-"Vuur!" beveelt De Ruyter.
-
-De vijand deinst af! Die "Zeven Provinciën" kennen ze maar al te goed.
-
-De Ruyter bemerkt den schrik, dien hij onder den vijand brengt,
-en zegt lachend tot hen, die bij hem staan: "Hoezee, jongens, de
-vijanden hebben nog ontzag voor "De Zeven Provinciën!"--Het was niet
-te veel gezegd. De vijanden laten Tromp spoedig liggen en trekken af.
-
-Eindelijk valt de avond en het gevecht is geëindigd.
-
-Maar geen schip gaat naar Engeland of Frankrijk om daar de blijde
-boodschap te brengen: "Carthago is gevallen!"
-
-De landing was mislukt, en uitgesteld tot later tijd.
-
-De Ruyter schreef aan den Prins: "Wij oordeelen absoluyt, dat dusverre
-de victorie (Gode zij lof) aan de zijden van dezen Staet en Uwe
-Hoogheit is."
-
-Luitenant-Admiraal Van Nes zeide: "De vijand is zoodanig getracteerd,
-dat er geen nood is, dat hij daarvan liedekens zal gaan dichten."
-
-Cornelis Tromp schreef aan zijne zuster:
-
-
-Beminde Zuster!
-
-
-Gisteren hebben wij den dans aangegaen, en ben, Godt sy gelooft,
-gesond, en hebben ons herte eens weder opghehaelt als keuningen. Ick
-ben op myn vierde Schip, "de Komeetstar," en meene vandaeg een
-braven dans te dansen. Wij krijgen de Franschen so aen 't loopen,
-dat zij bramzeyls en alles byzetten; en so het vandaeg so voortgaet,
-so hope ick, dat aller Vrienden en ons gebed verhoort sal zijn, en
-dat wij van de tirannye verlost zullen worden. Adieu! Couragie! Het
-sal waerachtig wel gaen.
-
-
-8 Juni 1673.
-
-C. Tromp.
-
-
-Maar wie zou nu als Nederlander de zaak niet van zijne gunstige
-zijde laten zien? Was het wel zoo vast waar, wat Van Nes zeide;
-"De vijand zal daarvan geene liedekens dichten?"
-
-Welnu, de Fransche Admiraal D'Estrées schreef aan zijne Regeering:
-"De Ruyter is een groot meester in de kunst van den oorlog ter zee;
-hij heeft mij in dezen slag schoone lessen gegeven. Gaarne zou ik
-mijn leven laten voor den roem, die hij daarbij heeft verworven."
-
-Het was er evenwel verre van af dat de Engelsch-Fransche vloot
-verslagen was. De Nederlanders zouden niet haring voor Sint Jan roepen;
-want den veertienden Juni zou het gevecht van Schooneveld hervat
-worden. Toch zouden zij niet de aanvallende partij zijn. Die eer gunde
-De Ruyter hun niet. Toen evenwel de vijand de onzen slagvaardig zag
-aankomen meerderden ze zeil, gingen noordelijk op en voeren daarop
-met volle zeilen naar hunne eigen kusten terug.
-
-Geen geringe omkeer van zaken.
-
-De Ruyter joeg hen evenwel na en noodzaakte hen tot het gevecht.
-
-"Hoezee, jongens, dat gaat er weer op los! Ferm, hoor, dat de vlokken
-er afstuiven!" roept Van Brakel. En met een "Hoezee!" doen zijne
-jongens waartoe ze geroepen zijn. En niet alleen op dien bodem,
-maar op alle schepen van de Nederlandsche vloot vecht men, onder het
-beleidvolle bestuur van Bestevaêr, met weergalooze dapperheid. Al
-meer en meer deinst de vijand; al meer en meer dringt onze vloot
-vooruit en de verwarring onder de Engelschen is weldra zoo groot,
-dat men daar met blijdschap den invallenden nacht begroet en het
-moorddadige gevecht staken kan.
-
-Wel wilde Prins Robert, de Bevelhebber der Engelschen, den volgenden
-dag den slag hervatten, maar geen zijner Bevelhebbers was hiertoe
-over te halen.
-
-Als overwinnaar keerde De Ruyter naar zijnen post op de Zeeuwsche
-kusten terug.
-
-Wel, Lord-Kanselier, zoudt ge nu nog niet een toontje lager gaan
-zingen, waar een uwer landgenooten verklaart: "Prins Robert keerde
-met verlies van vele menschen, en met vele ontredderde schepen naar
-den Theems, en De Ruyter, hebbende, mits het voordeel van den wind,
-en met van ver te vechten [14] weinig schade geleden, verkoos de
-Zeeuwsche kust weer tot zijnen post. In dit bedrijf gaf De Ruyter
-sprekende proeven, dat hij als het tijd was, den vijand zoowel kon
-opzoeken als vermijden, en dat hij zijne plaats nooit verliet dan om
-het voorhoofd te toonen."
-
-Lager zingen zouden Engeland en Frankrijk? Zouden zij zich zoo
-vernederen? Dat kon niet en dat zou niet! De landing moest plaats
-hebben! Dat Carthago van de zeventiende eeuw moest vernietigd worden,
-het moest.
-
-De uitvoering van het stoute plan der onzen om de dagen van Chattam
-nog eens te doen herleven, diende evenwel achterwege te blijven,
-omdat er te veel zieken op onze vloot kwamen.
-
-Ondertusschen kwam De Ruyter van eenen gevangen genomen Engelschen
-Predikant te weten, dat de vijandelijke vloot honderdacht schepen
-sterk was, en dat de schepen volgepropt waren met soldaten, ten
-getale van ongeveer achtduizend man en drie troepen ruiterij, ieder
-van honderdtwintig paarden. Het bevel over dat leger te lande had de
-Graaf von Schomberg.
-
-Men behoefde zich niet suf te peinzen omtrent het doel er van. Het
-was weer maar de oude geschiedenis: er zou andermaal eene landing
-beproefd worden.
-
-De eenentwintigste dag van Augustus 1673 zou bewijzen, dat Carthago
-het hoofd omhoog bleef houden.
-
-De Engelsche Admiraal, Prins Robert, had in last de Nederlandsche
-vloot van de kust te lokken en slag te leveren, en terwijl dan de
-kust onbewaakt was, zou de Graaf von Schomberg landen.
-
-Het plan was niet kwaad; maar Engeland had te veel verwachting van
-zijne slimheid.
-
-Onze Stadhouder kwam uit het leger naar de kust, stelde die op
-verschillende plaatsen instaat van verdediging, liet tonnen en bakens
-wegnemen en voor de zeegaten kleine, doch welbemande vaartuigen
-brengen.
-
-De Ruyter kreeg de boodschap, dat hij niet al te bezorgd voor de
-kust moest zijn; want dat deze tamelijk wel bewaakt werd. Hij mocht
-gerust alles doen, wat hij noodig achtte om den vijand te verdrijven,
-en de verwacht wordende koopvaardij-vloot in behouden haven te brengen.
-
-Deze last werd door onzen Vlootvoogd getrouw volbracht.
-
-Op den genoemden eenentwintigsten Augustus naderden de vijandelijke
-vloten onze kusten.
-
-Van Vlissingens reede tot Texels duin was heel het strand vol leven
-en beweging.
-
-Iedereen begreep dat het dien dag te doen was om vrijheid of slavernij.
-
-En daar op zee lag onze vloot, kalm en gerust.
-
-Maar ze was een Vesuvius, die uit zijne rust ontwakend, landen
-verderven en steden vernietigen kan.
-
-Tromp heeft alweer de voor- en Banckers de achterhoede. De Ruyter
-beveelt den middentocht. Vóór "De Zeven Provinciën" ligt de "Waesdorp",
-Kapitein Engel De Ruyter, en achter het Admiraalsschip ligt de
-"Steenbergen", Kapitein Jan Van Gelder, schoonzoon van den Admiraal.
-
-Banckers, de wakkere Zeeuw, begint den slag.
-
-De Ruyter, ouder gewoonte, heeft weer zijnen man aangewezen, en deze
-is Prins Robert, die de hoofdmacht des vijands onder zijn onmiddellijk
-bevel heeft.
-
-Tromp valt Spragg aan.
-
-Het tooneel van den strijd is op Noord-Hollands kust en in de nabijheid
-van Kijkduin.
-
-De strijd is vreeselijk.
-
-Het gedonder der kanonnen dringt tot diep in het land.
-
-Dat woelt, en streeft, en loopt naar de duinen, dat verdringt zich
-bij honderden, die telkens met honderden aangroeien op het strand,
-dat staart en tuurt met gewapende en ongewapende oogen in de verte,
-want men wil zien, wat daar voorvalt.
-
-Er valt bijna niets te zien; want werkelijk is de kalme, rustige
-vloot der Nederlanders opeens, als een vuurberg geworden, die dood
-en vernieling teweeg brengt.
-
-Er valt een zware mist, die het vrije gezicht nog meer belemmert.
-
-De mist trekt op, maar zware wolken rooks verrijzen.
-
-Niemand ziet iets duidelijk; men hoort slechts het verschrikkelijk
-onweder op zee. De grond dreunt ervan; de harten worden angstig te
-moede. Wat wordt daar afgespeeld? Nederlands ondergang of de zegepraal
-van het kleine volk?
-
-De kerkdeuren worden geopend en men smeekt God om den zege.
-
-Al feller en feller dreunt het kanongedonder.
-
-Het is een vreeselijk, een verschrikkelijk concert.
-
-Wie zal het winnen?
-
-Daar zijn weer schepen zichtbaar! Zij voeren de Engelsche en Fransche
-vlag.
-
-"Verloren! Verloren! Vlucht! Vlucht!" roepen de flauwhartigen op
-gillenden toon.
-
-"Neen, blijft mannen, blijft! Kijkt, kijkt dan, daar is "De Zeven
-Provinciën" met de Admiraals-vlag hoog in top. Houdt moed, Bestevaêr
-slaat de maat in het kartouwen-concert! Couragie! Couragie!"
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" roept er een, die van zijne
-hooge standplaats op het duin en met eenen verrekijker gewapend, het
-Admiraalsschip ziet losbranden, zeehouden, meer, veel meer dan dat,
-ziet aanvallen op den vijand, die wijkt.
-
-En naar het Zuiden, en naar het Noorden herhalen duizenden dien
-kreet, die het geprangde gemoed als het ware verlichting schenkt:
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
-
-Maar op de vloot hoort men niets van dat gejuich, ontdekt men niets
-van dat leven en die beweging op de kust.
-
-Het is vijf uren in den middag.
-
-De Ruyter verzamelt zijne verstrooide vloot, en alsof hij zoo pas
-den strijd begonnen was, slaat hij weer dwars door de vijanden heen,
-keert terug en breekt opnieuw door de linie van schepen.
-
-Het is of de zee in vuur en vlam staat.
-
-Kogels, bouten, balken, splinters en schroot vliegen naar alle kanten.
-
-"De groeten aan vrouw en...." stamelt Kapitein Jan Van Gelder en valt
-stervend neer.
-
-De Vice-Admiralen Isaäc Sweers en Johan De Liefde vallen ook voor de
-vrijheid van het Vaderland.
-
-Honderden vallen met hen.
-
-Men brengt De Ruyter de tijding van het sneuvelen zijns dapperen
-schoonzoons.
-
-Tranen komen in zijne oogen, doch zich opheffend zegt hij: "Ik weet
-dat dit de vruchten van den oorlog zijn, dat ik mijzelven Gods wille
-moet onderwerpen en daarin tevreden zijn. Heden was het zijne beurt,
-morgen zal het wellicht de mijne zijn! Vooruit, in Godsnaam! Vooruit!"
-
-En de Admiraals-staf wijst den zijnen weer den weg des roems en
-der glorie.
-
-Het vreeselijk concert neemt weer toe in kracht.
-
-Bestevaêr blijft onverdroten, onverzwakt, de maat slaan.
-
-Nog eenmaal den Engelschen Admiraal, Prins Robert, aangevallen. Dat
-is eene partuur De Ruyter waardig.
-
-Maar de Engelschen zien den gevreesden Admiraal aankomen, en omgeven
-hunnen Opperbevelhebber, als met een ringmuur van schepen en branders.
-
-Mocht Prins Robert willen, zij willen zijn voor Engeland zoo kostbaar
-leven niet in de waagschaal stellen en dwingen hem, al vechtend,
-tot den terugtocht.
-
-Het wordt donker op zee en donker op de kust.
-
-Duizenden staren in de verte, doch kunnen bijna niets meer zien.
-
-Hooren nog wel, en zeer goed ook.
-
-Maar ook dat kanon-gebrom begint te klinken, als het aanhoudend dof
-gerommel van een afdrijvend onweder.
-
-"Hoezee! Hoezee! Ons de victorie! De vijand is van onze kust
-weggeslagen!"
-
-Wanneer straks Bestevaêr, als overwinnaar, terugkeert, wat zullen we
-dan zeggen? Hoe zullen we hem noemen?
-
-Eenen naam, eenen naam voor Bestevaêr Michiel!
-
-Noemt hem Redder des Vaderlands!
-
-En zoo geschiedde het.
-
-Hier, daar en overal zag men weldra zijne afbeelding prijken met
-dit onderschrift:
-
-
-
- "Aenschouw den Heldt, der Staten-rechterhandt,
- Den Redder van 't vervallen Vaderlandt,
- Die in één jaar twee groote koningrijken
- Tot driemaal toe de trotsche vlagh deed strijken.
- De roem der Vloot, den arm daar God door streê,
- Door hem herleeft de vrijheit en de vreê."
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-HET EINDE VAN EEN HELDENLEVEN.
-
-
-De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende
-jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol.
-
-Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn
-land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd
-werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven
-Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen
-toonen wat hij kon.
-
-De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek
-der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks
-"zon" geen duimbreed gronds verloor.
-
-Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad
-met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd.
-
-Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij
-uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou.
-
-De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch
-de hulp zou gering zijn.
-
-Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in
-den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende
-overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot
-naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken.
-
-En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen ouden dag
-de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning
-van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk
-weigerde.
-
-Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren
-aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en
-dierbaar waren.
-
-Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn
-doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn
-zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met
-eere op.
-
-Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet
-zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het
-bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.
-
-Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder
-rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn
-inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.
-
-Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?
-
-Maar het lot had anders beslist.
-
-Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene
-vloot naar de Middellandsche zee zenden.
-
-Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen
-en vier branders werden hem toegezonden.
-
-Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter
-niet overweg kon.
-
-Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde
-het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie,
-die hem deze lijst brachten: "Ik ken de Franschen. Ze hebben
-van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de
-slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht
-deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is
-een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?"
-
-"Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij
-slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt,
-zou hij het wel veel verder gebracht hebben."
-
-"U kent hem niet, Heeren," sprak de Ruyter. "Lodewijk zou hem reeds
-lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat
-daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft,
-en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen
-is veel te weinig."
-
-"UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!"
-
-"Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons
-helpen, zooals de Franschen de Engelschen in '72 en '73 hielpen. Zij
-zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken
-of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!"
-
-"Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint
-te worden en den moed dreigt te laten zakken," merkte thans een der
-Heeren aan.
-
-Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den
-driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid
-en ernst: "Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn
-leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij
-leed dat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!"
-
-"Welnu, die schande dragen wij dan," zeide dezelfde, "en wij verzoeken
-UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen."
-
-Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij:
-"De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al
-werd mij bevolen 's Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou
-daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen,
-zal ik mijn leven wagen!"
-
-Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te
-opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De
-Ruyter, te kunnen begrijpen.
-
-Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens
-door ziekten van den ouden dag overvallen.
-
-"Ga toch niet naar zee!" zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden.
-
-Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij
-geenen moed meer had.
-
-Ja, daarover moest hij heenstappen. "Dat wist men wel beter,"
-zeide men.
-
-"Neen, neen," riep De Ruyter, "ik zal naar zee gaan! Ik zal dien
-tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!"
-
-Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het
-ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.
-
-Waarom toch?
-
-Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden.
-
-"Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu
-voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht
-blijven. Ik voel het!"
-
-Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der
-Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar 's Lands vloot
-te begeven.
-
-Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering,
-hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht
-weer schitterend zou blijken, dat het bevel van 's Lands vloot aan
-geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn. [15]
-
-Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal
-De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot
-te Cadiz af te wachten.
-
-Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus
-wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De
-Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield
-onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij
-last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche
-schepen vinden zou.
-
-Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild
-was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers
-te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden
-Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken
-had.
-
-"Admiraal," zeide deze eindelijk.
-
-De Ruyter keerde zich om en zei: "Zoo, Lievensz., zijt gij daar?"
-
-"Ja, Admiraal, hier ben ik!"
-
-"Het gaat ons niet voor den wind, man!" sprak De Ruyter.
-
-"Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar...."
-
-Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht.
-
-"Wat scheelt er aan?" vroeg De Ruyter.
-
-"Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik
-hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd
-zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!"
-
-"Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag
-vergt rust, en ge kunt toch best leven!"
-
-"Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven,
-Admiraal!"
-
-"Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!"
-
-"Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt
-gij!" riep de "Barre Bruinvisch" opeens uit. "Gij hadt dien kerels,
-die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen
-heer uit te hangen en eenen man als "Bestevaêr Michiel" is, te
-beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: "Ik ga niet of, als
-Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!"
-
-"Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo
-trotsch?"
-
-"Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik
-gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste
-jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en
-vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet
-kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen
-u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is
-te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis
-met ons afloopt. We zullen verliezen en--jij, brave man, jij zult
-op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen
-Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!"
-
-"Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loop gaan?" vroeg De
-Ruyter met flikkerende oogen. "Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet
-doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar
-op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!"
-
-"Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een
-vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan
-twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?"
-
-"Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk
-er aan, man, wat de zee-oorlog van '72 en '73 gekost heeft, en wat de
-oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten
-willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje,
-de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit,
-Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer
-schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De
-tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus
-hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!" zeide De Ruyter en ging nu naar
-zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over
-hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad
-toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou
-hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen,
-maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer
-hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari
-den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze
-vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch
-aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord
-en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te
-houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen
-doen en verlieten het Admiraalsschip.
-
-Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein
-om te wenden, en zoodoende het voordeel van den wind te krijgen,
-doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te
-voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt
-om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen,
-die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep
-echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende
-dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van
-den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was,
-dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel
-niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben.
-
-De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit
-den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen
-tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed
-onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag,
-die door Duquesne beantwoord werd.
-
-Dit was het teeken tot den strijd.
-
-En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering
-te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze
-getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte
-gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond.
-
-Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend
-geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins
-te herstellen.
-
-De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen. Dezen hadden zich
-gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte
-met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof
-ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche
-Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te
-beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.
-
-Hij schreef De Ruyter eenen brief van: "nu moet men dit en dan moet
-men dat," en zoo al voort en eindigde met te schrijven: "Uw grootste
-dienaar en vriend, die uwe handen kust,
-
-
-Don Andrea de Avolos."
-
-
-Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een
-velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans
-eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde
-van De Avolos' brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor.
-
-Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand
-op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter
-bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan
-wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de
-voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte
-dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren,
-ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te
-vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had,
-dat die tijd door de Staten verlengd was.
-
-Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na
-zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid
-en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk
-verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goed als geene
-versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan
-eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet
-thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en--dat akelig
-voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen
-was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht,
-kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een:
-"Als het moet, dan moet het," over alles heen, en toonde zich weldra
-weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was
-maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandsche zee
-was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.
-
-Dit zou evenwel niet geschieden.
-
-Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke
-vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.
-
-De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan.
-
-"Dat zal een harde dobber geven, Kapitein," zeide De Ruyter op de
-Fransche vloot wijzende.
-
-"Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!" antwoordde Callenburgh. "Maar
-Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!"
-
-"Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als
-ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken
-weten. Maar--het zijn niet allemaal Callenburghs, en--de overmacht
-is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist
-vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op
-zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne
-vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van
-tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij,
-Callenburgh!" [16]
-
-De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens,
-dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip "De Eendracht" voor drie vocht.
-
-In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenen aanvang nam,
-voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna
-verplaatst was.
-
-En de Spanjaarden?
-
-"Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken," zeide Lievensz.,
-die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij
-inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden.
-
-Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter,
-die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit
-te deelen.
-
-Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar
-het grootst was.
-
-"Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!" mompelde Lievensz. "O,
-dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer
-hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!"
-
-Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten
-makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan
-hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.
-
-Wat was er gebeurd?
-
-Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en
-de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel
-zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.
-
-"O, Michiel, Michiel, Michiel," kermt de oude "Barre", die de eerste
-was om den gevallene bij te staan.
-
-"O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!" schreeuwen de
-matrozen en komen in verwarring.
-
-"Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is
-aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr,
-mannen, wreekt hem!" roept Callenburgh. "Den dood aan den Fransoos!"
-
-"Den dood aan den Fransoos!" schreeuwt het volk hem na en brandt
-de kanonnen zoo driftig los, alsof het musketten zijn. "Op, op,
-voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor
-Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!"
-
-"Vooruit! Vuur! Vuur!" beveelt Callenburgh, en alsof de held, die
-gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond
-te bevelen, slaat "De Eendracht" onder het donderen zijner kanonnen
-dwars door den vijand heen.
-
-Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel
-mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man,
-telkens als zijn geschut losbrandt: "Houdt moed, mijne kinderen,
-houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!"
-
-Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is.
-
-"Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!" roepen de Kapiteins
-hun volk toe. "Duizend Franschen voor Bestevaêr!"
-
-"Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend
-Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of
-onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De
-Ruyter! Hoezee!"
-
-En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk
-voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den
-nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts,
-en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte
-de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig
-was, wie eene luisterrijke zege behaald had.
-
-Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning
-durfden toeschrijven, en toch deden ze het.
-
-De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug.
-
-Wat al deelneming ondervond de groote man daar!
-
-Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik
-er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten
-stellen en onderteekenen.
-
-Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in
-het Vaderland ontvangen.
-
-Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting
-van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene
-kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting,
-die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal
-van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had,
-was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd
-staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik,
-lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht
-hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief,
-en de Stadhouder deed dat eene maand later.
-
-Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen.
-
-Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog
-benoemd had.
-
-Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer,
-hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen,
-herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt
-van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog
-Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?
-
-Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten
-voor immer en altoos.
-
-De wonden stonden vrij gunstig,--doch er zijn koortsen bij gekomen,
-en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust,
-des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676.
-
-Een gebed is zijn laatste woord geweest.
-
-Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!
-
-Lievensz. had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.
-
-Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht!
-
-O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche haven zeilde men
-voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten
-werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den
-nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner
-vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd
-heeft: "Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen
-te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een
-groot man!"
-
-Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.
-
-Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel
-in het hart van iederen Nederlander leefde.
-
-Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige
-heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch
-gezant stond en uitriep: "Woont De Ruyter in dàt huis??"
-
-Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!
-
-Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in
-de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van
-den Staat weldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch
-opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den
-kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn.
-
-Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.
-
-Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in
-de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis
-van den Admiraal te bekijken.
-
-"Een mooi praalgraf, he, ouwentje?" zeide een deftig heer, die hem
-ongemerkt genaderd was.
-
-"Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?"
-
-De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man
-het opschrift.
-
-Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: "Alles mooi en waar,
-Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang,
-staat daar ook niet wat?"
-
-"Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: "Intaminates fulget
-honoribus."
-
-"Wat wil dat zeggen, Meneer?"
-
-"Dat wil zeggen: "Hij blinkt in onbedoezelde eere."
-
-"Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!"
-
-"Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?" vroeg de heer, die
-den grijsaard oplettend aanzag.
-
-"Of ik hem gekend heb!" riep de oude den heer toe, en hierop het
-beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door
-de hartelijke geestdrift en liefde: "Michiel, Bestevaêr Michiel,
-daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De "Barre Bruinvisch"
-zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik
-bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen."
-
-De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde
-naar huis.
-
-De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en
-fluisterde: "Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan
-men zeggen wat men van u zegt: "Hij was groot als mensch, groot als
-held, groot als burger!"
-
-
-
-Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw
-waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij
-betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien,
-dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het
-moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden,
-als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn,
-om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.
-
-Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo
-groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer
-weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is
-dan ook niet zoo zeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel
-om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen,
-wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen,
-zooals zij deden.
-
-Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen
-een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons,
-kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: "Niet kunnen
-bestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den
-weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld
-na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend
-hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten
-rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts
-tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons
-weer overal konden vertoonen. "De "Zeven Provinciën" konden veel;
-zouden "De Elf Provinciën" dan minder kunnen?" [17]
-
-Bestevaêr, wij, oud en jong Nederland, hebben uw woord verstaan, en
-wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672
-was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III
-roepen zullen: "Oranje boven!" en met het oog op u: "Hoezee! Bestevaêr
-Michiel! Hoezee!"
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3den Augustus.
-
-[2] Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24sten
-Maart gevierd wordt.
-
-[3] "Kielen, wielen, rand om het land" is een oud vaderlandsche
-dronk. Kielen, beteekent zeevaart, wielen, beteekent landbouw, en
-rand om 't land beteekent dijken. Het welzijn van die drie, voor ons
-land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.
-
-[4] Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei
-1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche
-galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als
-Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.
-
-[5] In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren
-zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde "uit bed stappen" van eenen
-afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of
-zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het
-vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die
-bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen
-van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een,
-die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij
-en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen,
-noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed
-stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den
-nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit,
-en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur
-stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen,
-des nachts den slaap uit de oogen te jagen.
-
-[6] Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe
-Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen,
-hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die
-gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin
-o. a. voorkwam: "Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn
-harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt
-syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt." Gij
-ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al
-zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats van eerlijck eenvoudig
-heerlijck en inplaats van eere ook heere schreef.
-
-[7] Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen
-vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne
-levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór
-1652: "Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan,
-had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd
-niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden,
-als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig
-schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven
-eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid
-niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven
-te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften
-verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd,
-die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer
-uit zijnen mond hadden, of zelf ooggetuigen waren."
-
-[8] Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot,
-die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of
-den halven kring sloot.
-
-[9] Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te 's-Gravenhage
-onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden
-van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.
-
-[10] Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen
-onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim
-51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde
-men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien
-was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit
-schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis
-verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak,
-verkocht en--zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te
-vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op
-alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht
-naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.
-
-[11] "That sacred keel, that pleasure-boat of war,
- Now a cheap spoil, and the mean victor's slave."
-
-[12] Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad
-zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te
-roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft
-is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk
-wel wat gerekend had, bleef ook achterwege.
-
-[13] Schooneveld is eene plaats in zee ten Westen van het eiland
-Walcheren. Ter hoogte van deze plaats vinden we op eene kaart van
-Zeeland van 1540 het eiland Schoonevelde met de dorpen Schoonevelde
-en Wals-Vlaenderen. Misschien is de tegenwoordige ondiepte, bekend
-onder den naam van "Bankje van Zoutelande", nog een overblijfsel van
-dit door de zee verzwolgen eiland.
-
-[14] In dat uit de verte vechten zou al licht blijken, dat de onzen
-niet durfden naderen. De Engelsche schrijver geeft er evenwel eene
-goede reden voor op als hij zegt: "Het Hollandsche buskruit was
-krachtiger en hun geschut langer dan het onze."
-
-[15] De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt
-is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was
-het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De
-Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren
-zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hem
-beval in alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om
-dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen,
-voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten "op een gemeenen
-stoel zonder armen."
-
-[16] De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de
-branders. Er waren er vijf van 90 of 96 stukken bij, vier van 80,
-elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel
-was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken
-geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld
-worden. De Franschman De Vivonne schrijft: "De Spanjaarden schoten
-van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen
-van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het
-wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen."
-
-[17] Den 1sten Mei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en
-D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch
-in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter
-te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk
-hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk
-dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te
-hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Vlissinger Michiel, by P. Louwerse
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VLISSINGER MICHIEL ***
-
-***** This file should be named 52316-8.txt or 52316-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/3/1/52316/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-