summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/52316-8.txt10546
-rw-r--r--old/52316-8.zipbin170086 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h.zipbin690549 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/52316-h.htm10423
-rw-r--r--old/52316-h/images/book.pngbin364 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/card.pngbin249 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/external.pngbin172 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/frontispiece.jpgbin100320 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/new-cover-tn.jpgbin15841 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/new-cover.jpgbin65236 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/p046.jpgbin98665 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/p114.jpgbin99146 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/p166.jpgbin88703 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/52316-h/images/titlepage.jpgbin30305 -> 0 bytes
17 files changed, 17 insertions, 20969 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..ee17904
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #52316 (https://www.gutenberg.org/ebooks/52316)
diff --git a/old/52316-8.txt b/old/52316-8.txt
deleted file mode 100644
index bb4e108..0000000
--- a/old/52316-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,10546 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Vlissinger Michiel, by P. Louwerse
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Vlissinger Michiel
- Of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk.
-
-Author: P. Louwerse
-
-Release Date: June 12, 2016 [EBook #52316]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VLISSINGER MICHIEL ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- VLISSINGER MICHIEL,
- OF
- NEERLANDS GLORIE TER ZEE.
-
- GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OUD EN JONG NEDERLAND
-
-
- DOOR
- P. LOUWERSE.
-
-
- Tweede, omgewerkte Druk.
-
- LEIDEN.--A. W. SIJTHOFF.
-
-
-
-
-
-
-
- "Kloek en onverschrokken krijgsman,
- vlootvoogd, wijs in woord en daad,
- Wakker en rechtschapen burger,
- trouwe dienaar van den Staat,
- Ingetogen, vroom van wandel,
- moedig Christen bovenal,
- Was De Ruyter, wiens gelijke
- de aarde moeilijk noemen zal."
-
- Mr. J. van Lennep.
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-"Meneer, meneer, ik heb het standbeeld van De Ruyter gezien!" met
-deze woorden begroette mij, eenigen tijd geleden, een knaap, die
-zijnen oom en zijne tante te Vlissingen bezocht had.
-
-"Zoo, jongen!" zeî ik, "en wat dacht ge wel toen ge dat beeld zaagt?"
-
-"Wel, meneer, ik dacht: meneer moest eens een boekje schrijven van
-De Ruyter. Hij heeft het wel gedaan van Marten Harpertsz. Tromp en
-van Piet Hein! En Michiel De Ruyter was toch grooter zeeheld!"
-
-Ofschoon de knaap op mijne vraag een ander antwoord gaf dan ik
-verwacht had, kon ik toch aan zijne oogen zien, dat hier volstrekt
-geene vleierij of zoo iets in het spel was, en dat hij inderdaad
-wenschte, dat ik een verhaal over De Ruyter schrijven zou.
-
-Michiel Adriaensz. De Ruyter is voor elk Nederlander de eerste van
-alle Vlootvoogden, de grootste van alle zeehelden. Nelson is in zijn
-oog niets bij hem. Zoo is het ook voor alle jongens.
-
-En als die jongens groot geworden zijn, is dan De Ruyter dezelfde
-gebleven, als die hij was in hunne jeugd? We willen hopen van ja,
-opdat mijn titel voor dit boek geene onwaarheid spreke, waar het heet
-geschreven te zijn: "voor oud en jong Nederland."
-
-Met dit verhaal in de wereld te zenden voldoe ik dus aan den wensch
-van den knaap, die er mij om vroeg, en zoo ik vertrouw, meteen aan den
-wensch van honderden, die er niet om vroegen, maar het toch wel wilden.
-
-Het is met Michiel Adriaensz. De Ruyter gegaan, als met Piet Hein; men
-weet bijzonder weinig van zijne kinderjaren, daar niemand vermoeden
-kon, dat uit den ondeugenden zoon van eenen armen bierbrouwersknecht
-eenmaal zulk een groot man zou groeien. Ondeugend moet hij echter
-geweest zijn en erg ondeugend ook, dat schijnt eene uitgemaakte zaak
-te zijn; want alle verhalen, die er van hem in omloop zijn, spreken
-er over. Wij zullen hem dus ook maar als deugniet laten optreden,
-doch waarschuwen onze lezers vooraf, dat zij hierin niet te veel
-geschiedkundige waarheid moeten zoeken. Zijn dienst als busschieter
-te Bergen op Zoom en zijne bedelreis door Frankrijk, nadat hij door
-Spanjaarden gevangen genomen was geworden, schijnen wel waar te zijn,
-zoowel als zijne roekelooze toren-klimmerij. De makkers met welke
-ik hem laat omgaan, zijn, zooals ge wel al dadelijk ontdekken zult,
-ook geschiedkundige personen.
-
-Van harte hoop ik geschreven te hebben, zooals mijn jonge vriend dat
-zoo gaarne wilde; ik heb er althans mijn best toe gedaan.
-
-Vinde het veel lezers en lezeressen, zoowel onder de jonkheid, als
-onder de volwassenen, en zij het een middel om de liefde voor onze
-schoone Nederlandsche geschiedenis op te wekken en eene uitlegging
-van de woorden op het praalgraf van onzen held: "Hij blinkt in
-onbezoedelde eere!"
-
-Het bovenstaande schreef ik bij den eersten druk van dit boekje,
-en nu er eene tweede oplage van verschijnt, dien ik wel te zeggen,
-waarom er zooveel in veranderd is. Van een paar zijden ontving ik zeer
-gegronde op- en aanmerkingen, nadat ikzelf reeds enkele bladzijden
-gevonden had, die ik nog wel eens anders had willen schrijven. Kleine
-wijzigingen kunnen echter oorzaak van groote veranderingen worden, en
-dit was ook hier het geval. Ik hoop nu maar, dat het boek werkelijk
-veel verbeterd zal zijn en weer zijnen weg vinden zal onder "oud en
-jong Nederland". Hun, die mij hunne humane op- en aanmerkingen gaven,
-mijnen dank; mijnen lezers, heil!
-
-
-'s-Gravenhage. P. LOUWERSE.
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-EERSTE AFDEELING.
-
-MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP.
-
-
- Eerste Hoofdstuk. Bladz.
-
- Eerste Kennismaking 1
-
-
- Tweede Hoofdstuk.
-
- Een straatjongens-daagje 11
-
-
- Derde Hoofdstuk.
-
- Bij het torenhaantje 26
-
-
- Vierde Hoofdstuk.
-
- De "Barre Bruinvisch" 35
-
-
- Vijfde Hoofdstuk.
-
- De laatste avond thuis 48
-
-
- Zesde Hoofdstuk.
-
- Thuis van de eerste zeereis 63
-
-
- Zevende Hoofdstuk.
-
- Het muist, wat van katten komt 74
-
-
- Achtste Hoofdstuk.
-
- Verloren tijd inhalen 81
-
-
- Negende Hoofdstuk.
-
- Bij de kapers 96
-
-
- Tiende Hoofdstuk.
-
- Eene moeielijke bedelreis 107
-
-
-
-TWEEDE AFDEELING.
-
-MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN.
-
-
- Eerste Hoofdstuk. Bladz.
-
- Bij den man in huis 122
-
-
- Tweede Hoofdstuk.
-
- Het voorspel van een helden-leven 133
-
-
- Derde Hoofdstuk.
-
- In dienst van het land 147
-
-
- Vierde Hoofdstuk.
-
- De Vice-Admiraal 155
-
-
- Vijfde Hoofdstuk.
-
- Alweer de "Barre Bruinvisch" 164
-
-
- Zesde Hoofdstuk.
-
- Jan Kompanjie 172
-
-
- Zevende Hoofdstuk.
-
- Voor Engelands hoofdrivier 182
-
-
- Achtste Hoofdstuk.
-
- Chattam 190
-
-
- Negende Hoofdstuk.
-
- Luctor et Emergo 200
-
-
- Tiende Hoofdstuk.
-
- De Redder van het Vaderland 217
-
-
- Elfde Hoofdstuk.
-
- Het einde van een heldenleven 229
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE AFDEELING.
-
-MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP.
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-EERSTE KENNISMAKING.
-
-
-"Michiel!"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Waar ben je heel den tijd geweest?"
-
-"Wel, baas, ik heb, ik heb...."
-
-"Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en
-leugens om jezelven te dekken."
-
-Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van
-den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon,
-antwoordde hij: "Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet
-om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!"
-
-De man, die als "baas" aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap
-verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de
-ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de
-knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij
-was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en
-zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben:
-"Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een
-dief zich niet van de galg. Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op,
-waar hebt gij weer zoo lang gezeten, Michiel?"
-
-"Ik heb niet gezeten, baas," sprak Michiel, die zijne verstoordheid
-opeens vergeten was. "Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad,
-nog zoo!"
-
-"Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo
-meenen!"
-
-"Neen, baas!"
-
-"Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat
-minder gespeeld?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens
-zijt gij nu alweer aan den slag geweest?"
-
-"Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen
-en Pieter Evertsen; met...."
-
-"Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen-
-en sabelvoer."
-
-"Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?"
-
-"Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van
-de Compagnie!"
-
-"Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?" riep de
-knaap en zijne oogen tintelden van genot.
-
-"Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!"
-
-"O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar
-het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer
-leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen."
-
-"Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie
-je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot
-zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?"
-
-"Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En
-schreeuwen dat die matrozen dan doen! Zoo hard kunnen ze niet
-trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet
-erg pijn doen!"
-
-"Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!"
-
-"Ik, baas, ik?"
-
-"Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen,
-als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!"
-
-"Willen we eens wedden, baas!"
-
-"Wat zoudt gij wedden?"
-
-"Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?"
-
-"Ik wed niet, jongen!"
-
-"Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe,
-wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van
-de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos
-op een van hunne schepen willen nemen."
-
-"Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en
-best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het
-vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al
-veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt,
-aan boord worden?"
-
-"Een Admiraal, baas!"
-
-De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: "Een Admiraal! Ha,
-ha! Hoe komt gij daaraan?"
-
-"Ik heb het gedroomd, baas!"
-
-"Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!"
-
-"Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van
-school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me
-aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen
-tijd wakker en dacht: "Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en
-Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogden of
-Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder
-brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en
-die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel
-brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al
-en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!"
-
-"Dat is geen droomen! Dat is denken!"
-
-"Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: "Jongen,
-staat toch niet zoo te droomen!""
-
-"Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij
-wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!"
-
-"Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school
-gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al
-lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha,
-ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje,
-dan was het opeens: "Michiel, wat heb ik gezegd?" Dan schrikte ik
-wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij
-niet vangen."
-
-"Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?"
-
-"Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo'n doode
-haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen
-zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag,
-zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle
-haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen
-oogen den kost geven! Hé!"
-
-Dat "Hé" kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond
-begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.
-
-"Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal
-geen oppassen in?"
-
-"In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik
-geen "zoete" jongen meer!"
-
-"In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?"
-
-"Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van
-school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: "Alida, wat nu?"
-
-"Ja, wat nu?" vroeg Moeder.
-
-"Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.
-
-"Ja, juist man, wat nu?" vroeg Moeder.
-
-"Toen Vader en Moeder zoo mooi "nuden" begon ik hard te lachen;
-maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en
-zes van mijne zusters te regeeren heeft...."
-
-"Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?"
-
-"Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt
-Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed
-orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me
-af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een
-pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging
-er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt,
-kan zoo vlug niet roffelen als hij!"
-
-"Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!"
-
-"Of ik, baas!" Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er
-aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer
-en vroeg aan Moeder weer: "Ja, wat nu, Alida?"
-
-Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet
-in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: "Ja, juist,
-wat nu, Adriaen?"
-
-Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me
-goed en lachte niet.
-
-"De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij
-kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog
-eens probeerden bij Meester Van Gelder?"
-
-"Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn," sprak Moeder.
-
-"Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!"
-
-Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk
-in school kwamen, zei Vader: "Meester, hier is een jongen, die al van
-twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef
-willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager
-ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld,
-alsjeblief!"
-
-Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden
-langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën,
-en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei:
-"Als ik hem eens voor niemendal nam?"
-
-"Wel, dat zou me lijken," sprak Vader opgeruimd.
-
-"Jawel, jawel," vervolgde Meester, "maar dan moet hij tusschen
-schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon
-maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf
-halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken
-schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in
-den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de
-kerk brengen!"
-
-"Nu," zei Vader, "de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen,
-Meester!"
-
-Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er
-nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt
-ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet
-ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó
-bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de
-vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het
-regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het
-laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen
-moest, zoo hard wiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als
-een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg
-ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen
-met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!"
-
-"En zijt ge daar ook weggejaagd?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Wat hadt gij dan uitgevoerd?"
-
-"Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje
-een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder
-schreef ik: "Dat is de Meester!""
-
-"En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?"
-
-"Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik,
-en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had."
-
-"En toen?"
-
-"Toen werd ik van school gejaagd!"
-
-"Ei, ei, en verder?"
-
-"Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen
-goeden baas."
-
-"Zoo, die goede baas ben ik zeker?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat
-aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge
-hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet
-willen, hé?"
-
-"Ja, baas, heel graag!"
-
-"Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient
-gij niet eenen schelling in de week?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want ge verdient geenen
-schelling! De Heeren Lampsens geven eenen schelling, want ik weet
-niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!"
-
-"Het draait ook zoo stroef, baas!"
-
-"Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele
-dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden,
-ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!"
-
-"Neen, baas, dat word ik niet!"
-
-"Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat
-denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?"
-
-"Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me
-wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!"
-
-"Ja, pluimgraaf, wat anders?"
-
-"Er zijn veel baantjes aanboord, baas!"
-
-"Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein
-is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor
-eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding
-en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij
-Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo'n kwajongen,
-zoo'n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe
-dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik
-in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en
-liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds
-te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken."
-
-"Hoor eens, baas, droomen...."
-
-"Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel
-wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk
-draaien als gisteren, hoor!"
-
-"Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!"
-
-"Ga aan het werk, luiwammes," riep de baas en hield nu werkelijk in
-ernst het "end" gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk
-te drijven.
-
-Michiel ging, doch bromde: "Ook al zoo'n beul, ja! En hij wil niemendal
-van mijn droomen weten; maar waar is het toch dat ik gedroomd heb,
-dat ik Admiraal was geworden."
-
-Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren
-Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het
-werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.
-
-Men schreef het jaar 1618.
-
-De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij
-was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De
-gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid
-en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel
-kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist
-voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was
-anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de
-kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van
-de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor
-hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer,
-waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet
-pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan
-toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand;
-hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was,
-lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.
-
-De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo
-stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel
-ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar
-niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden
-jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had
-er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel
-den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat
-tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En
-als de koster er niets tegen had, wie zou het dan beletten? De
-Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde,
-liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register
-de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven,
-dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest
-voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag,
-zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen
-vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de
-handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige
-was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste
-burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst
-uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van
-de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster,
-omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden
-we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men
-noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen
-waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.
-
-Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De
-Ruyter.
-
-Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden,
-is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de
-zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind,
-dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor
-hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu,
-dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man,
-die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet,
-en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: "Dat zal
-eene opruiming geven!"
-
-Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij
-ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijne Moeder loog hij
-nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de
-waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een
-pak slaag op zat.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-EEN STRAATJONGENS-DAAGJE.
-
-
-Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch
-ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher,
-die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op
-sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog
-vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat
-klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg
-in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus
-juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.
-
-"Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?" had
-Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.
-
-"Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!"
-
-"Kom, ga met ons mee!"
-
-"Neen, dat gaat niet, jongens!"
-
-"Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje
-doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?"
-
-"Neen, dat niet!"
-
-"Nu, waarom gaat gij dan niet mee?"
-
-"Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw
-op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo
-even wat op zitten!"
-
-"Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt, dat gij
-eene boodschap voor den meesterknecht moet doen," zeide Geleyn,
-die nog geen woord gesproken had.
-
-"Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen
-verzinnen zal?" vroeg Michiel.
-
-"Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!" zeide Geleyn,
-zoo onverschillig mogelijk.
-
-"En ik wel twintig!" riep Pieter.
-
-Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.
-
-"Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het
-vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden
-tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We
-zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook," zeide Pieter vleiend
-en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.
-
-Michiel aarzelde en vroeg: "En waar gaat gij dan die groote pret
-uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?"
-
-"Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes
-te vangen," antwoordde Pieter.
-
-"Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter
-drie! Dat drie brave jongens zijn," klonk op eenmaal de stem van
-eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.
-
-Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip
-aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij
-Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens,
-van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden
-er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij
-eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak
-van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch
-zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne
-aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt en onder hunne leiding
-leerde hij nu niet zoo heel veel moois.
-
-"Waar gaat gij naar toe, sausneger?" vroeg Pieter.
-
-"Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus," antwoordde
-de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder
-dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek
-ingeschreven zou worden.
-
-"Negersaus," riep Pieter lachend. "Zeer goed spreken! Is me dat eene
-taal? Is dat negertaal soms?"
-
-"Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat
-spreek zoo raar, niet verstaan ik!"
-
-"Goed, goed," zeide Michiel. "Zeg maar waarheen gij gaat!"
-
-"Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en
-dweil! Zjjjt, zjjjt!" zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.
-
-"Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen," spotte
-Michiel.
-
-"Dat de Domine ook zegt!"
-
-"Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de
-catechisatie gejaagd!" riep Geleyn.
-
-"En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het
-plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water,
-ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de
-hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die
-schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt
-als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie,
-gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een
-mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag
-gedoopt ben!"
-
-"Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles
-gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen," sprak
-Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds
-lang vergeten had.
-
-"Neen, ik naar de schippe moet!"
-
-"Wat naar het schip, gekheid!" riep Michiel.
-
-"Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie,
-klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op
-die broekie?"
-
-Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: "Neen,
-zulk een "eindje knut" is alleen voor sausnegertjes. En naar het
-schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het
-schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar
-meegesleept, jongens!"
-
-Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij
-toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind
-meesleuren.
-
-"Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel," riep Jan
-eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien,
-dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden,
-spoedig zad werd.
-
-"Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor," zei Michiel, "want dan
-zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!"
-
-"Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,"
-antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.
-
-En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en
-zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.
-
-Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des
-middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om
-zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje, eens even te spreken.
-
-De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen
-toen naar huis.
-
-"Zoo, Michiel," zei Vader, "gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje
-van den baas gehad?"
-
-"Neen, Vader!"
-
-"Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan,
-nietwaar?"
-
-"Neen, Vader!"
-
-"Weggestuurd dan soms?"
-
-"Neen, Vader!"
-
-"Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn
-en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren
-Lampsens?"
-
-"Ja, Vader!"
-
-"En veel pret gehad, mijn jongen?"
-
-"Ja, Vader, o zooveel pret!"
-
-"En wat hebt gij dan uitgevoerd?"
-
-"We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende,
-pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in
-zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!"
-
-"Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen
-hebt?"
-
-"Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog
-nooit zoo eene gezien!"
-
-"Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken
-slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede,
-dat daar in den hoek staat!"
-
-Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: "Zal ik het maar
-eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?"
-
-"Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine
-stukjes breken!"
-
-"Dat kan ik ook wel, Vader," antwoordde Michiel en brak het latje al
-vast door.
-
-"Gij zijt sterk," zei Vader, "breng mij die twee eindjes nu maar!"
-
-"Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!"
-
-"Komt gij nu hier, bengel," riep Vader terwijl hij verstoord de
-vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.
-
-Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij
-zijnen Vader en....
-
-Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek
-gehad.
-
-"Vader, Vader, houd toch op," klaagde en smeekte Moeder Alida en
-wilde de hand van haren man tegenhouden.
-
-"Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken
-of mijn naam is geen Adriaen. Zoo'n schandaal van eenen jongen. Het
-kwaad moet er uit...."
-
-"Maar Vader, houd dan toch op," herhaalde Moeder Alida, wier bleeke
-wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.
-
-"Klets-klets! Het kwaad zal er uit!"
-
-"Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal
-nog stikken van angst," riep Moeder, zichzelve niet langer meester.
-
-"Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik
-houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!"
-
-"Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af," klonk eensklaps
-eene stem.
-
-De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer,
-stond op en zeide beleefd: "Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker."
-
-Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende
-kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij
-op het punt stond om het van pijn te besterven.
-
-De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: "Breng uwen
-jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij
-is bijna vermoord."
-
-Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: "Wie zijnen
-zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens,
-Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?"
-
-"Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!"
-
-"En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?"
-
-"Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een
-ongeluk aan hem," sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat
-op het vuur.
-
-"En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?"
-
-"Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan
-van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te
-worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne
-kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het
-kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!"
-
-"En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens
-moeten op eene andere wijze gestraft worden."
-
-Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner
-ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.
-
-Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel
-pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn
-leunen.
-
-Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder
-en sprak op vriendelijken toon: "Jongen, jongen, wat moet er van u
-terecht komen?"
-
-"Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen," antwoordde
-Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en
-Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag
-hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden
-man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne
-komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie
-weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen
-bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.
-
-"Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen,
-Adriaen?" Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader,
-wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.
-
-"Bij mij in het minst niet, Sinjeur," luidde Vaders antwoord. "Maar,
-daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en
-kielhalen zit er voor hem op."
-
-"Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen," hernam Sinjeur
-Seylmaecker. "Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt
-aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs
-moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er
-iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?"
-
-De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide:
-"Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil
-het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde
-worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga,
-jongen! Een mensch z'n zin, een mensch z'n leven! Maar, als matroos
-het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet
-van! Ik zou het besterven."
-
-"Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z'n
-zin, een mensch z'n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet
-tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt
-nu eenmaal zijn zin te zijn."
-
-"Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat
-zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk
-raar goedje, Sinjeur!"
-
-"Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader
-had?"
-
-"Wat is een zeevader, Sinjeur?"
-
-"Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om
-die voor zeeman op te leiden."
-
-"Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen
-goeden zeevader?"
-
-"Wel, aanboord van de "Lijnbaan" is...."
-
-"Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?"
-
-"Juist, Moedertje! En daar aanboord is de "Barre Bruinvisch" Bootsman!"
-
-"De "Barre Bruinvisch"? Is dat Corstiaen Lievensz.?"
-
-"Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze
-maat dien "Barren Bruinvisch" tot zeevader heeft, dat hij aanboord
-wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!"
-
-"Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou
-en geene grapjes uithalen," zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder
-overwonnen was.
-
-"Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?" vroeg
-het heerschap.
-
-"Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het
-pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar,
-Michiel, mijn jongen?"
-
-Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op
-het derde knoopsgat hangen.
-
-"Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet
-dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam
-een vaatje bier bestellen!"
-
-"Alsjeblieft, Sinjeur!" zeide Adriaen.
-
-"Neen, geen alsjeblieft," hernam Seylmaecker. "Ik zou dat eigenlijk
-moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer
-Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij
-moest."
-
-"Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier,
-dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er
-is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn
-nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee,
-al is hij reeds in zijn elfde jaar."
-
-Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij
-zichzelven dachten: "Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging;
-de boonen zijn al lang gaar!"
-
-"Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te
-stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er
-nog eenig voordeel bij?"
-
-"Ja, Sinjeur!"
-
-"Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu
-ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet
-smakelijk samen!"
-
-"Dank u wel, Sinjeur," zeiden Vader en Moeder.
-
-Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand:
-"En over dien bengel daar,"--hij wees op Michiel,--"zult gij nog wel
-eens denken, nietwaar? Goeden dag!"
-
-Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: "Hij ziet er zoo
-bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren,
-dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn."
-
-"Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed," zeide
-de Moeder.
-
-"Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of
-er een broertje aan dood hebt."
-
-"Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk."
-
-"Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien
-tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft
-er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden,
-kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!"
-
-"Michiel denkt zeker: "Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet
-boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast," zeide Jan,
-de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.
-
-"Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft," sprak Moeder Alida,
-die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden
-was. "Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam."
-
-"Dat zijn lekkere, Moeder," zeide Michiel en schoof in den schotel voor
-Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen
-uit denzelfden schotel, weet ge! Aan een bord voor ieder werd niet
-gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen,
-zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men
-ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer
-boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.
-
-Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de
-lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen
-werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.
-
-Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens
-dacht: "Zoo'n "end" schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!" maar
-pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en
-hield eindelijk heelemaal stil.
-
-"Zeg eens even, nu al moede?" vroeg Lorkens, die Michiel met de
-handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het
-huisje vond staan.
-
-"Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!"
-
-"Wat geef ik om een koeltje, draai maar!"
-
-"Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde
-marszeilskoelte waait!"
-
-"Wilt gij nu wel eens draaien, kwâjongen?"
-
-"Ja, baas!"
-
-Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van
-krijgen zou.
-
-"Draai toch harder, schavuit!"
-
-"Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het
-vet gezet en gesmeerd worden!"
-
-"Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden,
-dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer
-geluierd! Draai!"
-
-"Ja, baas!"
-
-En weer ging Michiel aan den gang.
-
-"Wacht," dacht hij, "als ik den draaier een klein beetje links duw
-onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een
-mensch er akelig van wordt."
-
-Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.
-
-Piep-piep! klonk het zacht.
-
-"Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder," mompelde
-Michiel.
-
-Rrrrt, alweer wat links.
-
-Piehiep! Piehiep!--
-
-"Heerlijk, prachtig, het kan niet beter," zeide Michiel zachtjes
-en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat
-afschuwelijke geluid vandaan kwam.
-
-"Het is het wiel, baas!" riep Michiel.
-
-Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.
-
-Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!
-
-Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.
-
-"Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te
-maken," sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de
-man niemendal van Michiels uitvinding af.
-
-"Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door," zeide Michiel
-met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond
-ophoudende met draaien. "Het zal eens een weekje rust moeten hebben
-om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!"
-
-Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel
-rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien
-ook alleen te doen?
-
-"Haal den smeerpot, Michiel," beval hij.
-
-"Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?"
-
-"Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt," mompelde
-Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was,
-zooals Michiel het gemaakt had, maakte het ding nog een afschuwelijk
-geweld.
-
-"Het is toch waar," bromde hij ontevreden.
-
-"Hi-hi! Hij probeert eens," zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot
-greep. "Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht
-maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!"
-
-"Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?" riep de baas, wien
-het wachten verveelde.
-
-"Neen, baas! Hier ben ik al!"
-
-"Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?"
-
-"Ik geloof van hier, baas," zei Michiel en wees een plekje aan waar
-niet te veel smeer was.
-
-Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in
-het vet te zetten, waarna hij zeide: "Er is nu bijna eene karrevracht
-smout op! Kom aan, draai nog eens!"
-
-Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat
-geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!
-
-"Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg," sprak Lorkens, die nu
-een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was,
-klonk het bevelend: "Draai, bengel!"
-
-"Ja, baas!"
-
-Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....
-
-"Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan
-er toch aan dat ding haperen?" sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het
-gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar
-moest zijn, wachtte.
-
-Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep:
-"Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een
-stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd
-marszeilskoeltje, die...."
-
-"Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd
-marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!"
-
-"Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen
-zijn en heel graag ook, maar zonder...."
-
-"Zonder het wiel zeker?"
-
-"Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo
-opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de
-baan gebleven, wie zou het dan draaien?"
-
-"Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter
-verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het
-wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van
-op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!"
-
-De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen
-en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te
-hebben, te draaien dat het een lieve lust was.
-
-"Het heeft dan toch wat geholpen, baas!" riep Michiel.
-
-"Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,"
-was het korzelig gegeven antwoord.
-
-Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even
-piepen.
-
-"Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij
-den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen," zeide Michiel
-met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.
-
-"Laat piepen wat piept! Draai!" snauwde Lorkens hem toe.
-
-Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos,
-en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn
-werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: "Daar moet de
-smid naar komen kijken! Ga hem halen!"
-
-Weg was Michiel.
-
-Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal
-mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar
-kwam, hielp hij een bootje vastleggen, maakte een praatje met de twee
-matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar
-den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen
-en de Meester zou dan dadelijk komen.
-
-"Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,"
-zeide Michiel.
-
-Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het
-wiel bekeken of hij zeî: "Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de
-draaier wel goed?"
-
-Michiel hoopte dat die "akelige vent" het niet vinden zou; maar dat
-viel hem bitter tegen.
-
-"Welja, het ligt aan den draaier," zeide hij. "Die is te veel naar
-links! Een klein gebrek, gauw verholpen!"
-
-Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu
-vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide
-eens en....
-
-"Ga maar gerust aan den slag, hoor," sprak hij, "en als het ding nu
-nog piept, dan geef ik een potteken bier."
-
-Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen,
-maar mis, er was niets te vernemen.
-
-"Ziezoo, alles in orde," sprak Meester Heisteck en ging met zijne
-gereedschappen heen.
-
-Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en,
-Michiel kon naar huis.
-
-Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?
-
-Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben:
-"Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost
-dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil
-naar zee!"
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-BIJ HET TORENHAANTJE.
-
-
-"Michiel, hei, Michiel!"
-
-Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de
-lijnbaan slenterde.
-
-"Wat is er aan de hand?" vroeg Michiel vrij korzelig.
-
-"Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel,
-hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!"
-
-"Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!"
-
-"Jij schreeuwde brand en moord!"
-
-"Hoe weet gij dat?"
-
-"Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!"
-
-"En aan wien hebt gij het verteld?"
-
-"Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!"
-
-"Aan welken Jan?"
-
-"Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!"
-
-"Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?"
-
-"Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie
-de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij
-krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.
-
-"Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot
-willen overdoen!"
-
-"Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze
-daar uitvoeren?"
-
-Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan
-draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel
-grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.
-
-Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden
-van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: "He, wat zitten die
-daar heerlijk in den wind!"
-
-"Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn
-land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een
-manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef
-die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot
-tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!"
-
-"Ik zou daar ook wel eens willen werken," zeide Michiel. "Vooral nu,
-daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren."
-
-"Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie,
-akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!"
-
-"Pats," zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren
-dat hij op den grond tuimelde.
-
-"Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?" vroeg Jan toen hij opgestaan was.
-
-"Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben,
-dat gij daar zoo mee te koop loopt."
-
-"Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen
-zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet
-wat geleerd."
-
-"Wat dan?"
-
-"Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!"
-
-"Dat behoort zoo, anders helpt het niet," zeide Michiel.
-
-"Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa," riep Jan lachend,
-doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik
-van Michiels handen kwam.
-
-Lachend zag Michiel hem na, mompelde: "Een goedzak van eenen jongen
-toch, dat moet gezegd worden," en slenterde naar de lijnbaan waar baas
-Lorkens zijn "goeden morgen, baas," beantwoordde met een nijdig: "Zoo,
-is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er
-is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald."
-
-"Ja, baas," zei hij droomerig en begon te draaien.
-
-Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur
-eer Michiel het wist.
-
-"Genoeg, Michiel! Houd maar op," riep baas Lorkens.
-
-"Ja, baas!"
-
-"Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap,
-te wonen?"
-
-"Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest."
-
-"Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?" vroeg baas
-Lorkens ongeloovig.
-
-"Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje
-om me maar naar zee te laten gaan."
-
-"Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?"
-
-"Ja, baas!"
-
-"Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben
-dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als
-gisteren hier in de baan?"
-
-"Ik in de baan streken uitgehaald, baas?"
-
-"Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!"
-
-"Maar, baas dan!"
-
-"Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis
-was, gedacht heb?"
-
-"Neen, baas."
-
-"Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die
-kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch
-leven te laten maken."
-
-"Maar, baas!"
-
-"Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb,
-vóór het volk er was?"
-
-"Neen, baas!"
-
-"Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even
-los maken, dat de smid vastgezet heeft.
-
-"Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al
-maar een beetje meer links tot het op het laatst ging precies als
-gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?"
-
-"Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!"
-
-"Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar
-zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen
-zonder dat het "endje touw" voor den dag komt? De Kapiteins van de
-schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord
-is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!"
-
-"Wie is Keesje Knuttel, baas?"
-
-"Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat
-Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf
-verdiend heeft een warm broekje te geven!"
-
-"Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een
-"endje dag." Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou
-maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!"
-
-"Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat
-hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar
-bed gaan."
-
-"Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!"
-
-"En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?"
-
-"Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!"
-
-"Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord
-hebben?"
-
-"Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de
-"Barre Bruinvisch" mijn zeevader werd."
-
-"Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog
-wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?"
-
-"Admiraal, baas!"
-
-"Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en
-twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!"
-
-"En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug
-komen baas?"
-
-"Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf
-maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!"
-
-"Ja, baas!"
-
-Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep
-zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: "Hij heeft
-zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag
-eens vragen wat hij uitgevoerd heeft."
-
-Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het
-was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap
-gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het
-voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was
-er nog niet van gekomen.
-
-En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie
-weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom,
-vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!
-
-Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk
-door de komst van eenige schepen der Compagnie.
-
-Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden
-met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen
-koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.
-
-Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen
-draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan
-slagen krijgen al gewoon geraakt.
-
-Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren
-ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus,
-geenen tijd verzuimen!
-
-De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde,
-ontdekte hij, dat ze toch niet op slot, maar alleen stevig aangezet
-was, om de indringers niet te lokken.
-
-En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang
-bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.
-
-Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te
-verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was,
-vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den
-omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder
-hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af,
-terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren
-sporten hooger klom.
-
-Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger
-tot bij het kruis. Maar....
-
-"We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen," zeide een van het
-volk toen het al beneden in den toren was. "Het waait fel; ze konden
-losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die
-zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het
-ons inpeperen zou."
-
-Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder
-dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer en zetten deze
-zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.
-
-Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed
-naar beneden.
-
-En Michiel?
-
-Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op
-de Schelde genoten had.
-
-Wat een vergezicht!
-
-Hoe mooi! Hoe schoon!
-
-Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat
-wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!
-
-En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters,
-die naar de Oost gingen.
-
-Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide
-en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel
-dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!
-
-En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men
-er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem
-uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter
-Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!--Och,
-och, hoe mooi! Hoe mooi!
-
-Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.
-
-Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene
-klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren
-doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke
-golvenlied.
-
-En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn
-leven was, dat hij zien kon.
-
-Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend
-ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.
-
-Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!
-
-Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven,
-dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.
-
-Hij kon evenwel nog hooger.
-
-Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.
-
-Zou hij het doen?
-
-Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk
-en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen
-zeggen: "Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den
-toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!"
-
-Zou hij het doen?
-
-Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!
-
-Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij
-wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige
-vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit
-te doen.
-
-Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof
-en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm
-vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij
-het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele
-klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden
-staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het
-kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het
-is me een sjouw, hoor! Maar--de aanhouder wint. Hij raakt den haan,
-den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem
-te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde
-wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan
-maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom
-staat, alsjeblief!
-
-Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens
-beneden naar de markt gekeken.
-
-Hij staat er, maar....
-
-"Wat! Waar is de markt nu?" mompelt hij.
-
-Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne
-voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.
-
-En wat deden die boeren en boerinnen gek!
-
-Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!
-
-Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze
-schreeuwen wat!
-
-Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.
-
-Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: "Och,
-hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden
-komen?"
-
-Beneden komen? Wel, langs de ladders!
-
-Daar laat hij zich glijden tot op de peer!
-
-"He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,"
-bromt hij.
-
-"Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden
-rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo'n ladder op den knikkerbol
-en--men is er geweest, secuur geweest."
-
-Michiel zit een poosje stil en denkt na.
-
-Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders
-zou hij vast lachen.
-
-Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.
-
-Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden
-hun hart vast. Ze sidderen en beven.
-
-Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van
-sidderen en van beven weet hij niemendal.
-
-Maar hij moet toch naar beneden!
-
-Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal
-de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers,
-waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.
-
-"Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen," roept hij en begint
-den roekeloozen tocht naar beneden.
-
-Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.
-
-En daar beneden uit "dien emmer met muizen" stijgt één geluid, één
-klank naar boven: "Goddank!"
-
-Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was,
-die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.
-
-Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze
-willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!
-
-"Op zij! Op zij!"
-
-Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord,
-en is het werkvolk gaan roepen om den knaap te redden. Het schijnt
-wel een straatjongen te zijn, maar....
-
-"Wie is het, Burgemeester, wie is het?"
-
-"Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren
-en van de peer af, zegt ge?"
-
-"Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!"
-
-"Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is
-hij!" schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.
-
-Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt,
-vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van
-den negerjongen: "Daar is hij!" zien ze op, en, ja, waarlijk, het is
-Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van
-Alida Jans.
-
-En--verdwenen is hij.
-
-Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt
-naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.
-
-De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-DE "BARRE BRUINVISCH."
-
-
-"Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?" vroeg Alida, de oudste zuster
-van Michiel.
-
-"Och, ik weet het niet, kind! Eet maar," zegt Moeder.
-
-Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen
-met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.
-
-Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.
-
-Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.
-
-Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden
-en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.
-
-Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die
-aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom
-het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er
-in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.
-
-En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer,
-en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor
-zich zat te kijken.
-
-Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?
-
-Stil, ik geloof dat ik het weet.
-
-Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in
-den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren,
-en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem
-gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel,
-dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook
-maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den
-nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.
-
-En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!
-
-Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?
-
-Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad
-zal er uit? Had hij den kwâjongen niet geranseld, niet zóó geranseld,
-dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn
-stokje te rollen? En nu al vergeten!
-
-Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel,
-en keek het kleine vertrek rond.
-
-Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht
-en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje
-van den haard stond.
-
-Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vader het ook en
-hij dacht: "Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg:
-het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit."
-
-"Maar wat zou er toch te doen zijn?" zeide Jan, de oudste broeder
-van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.
-
-"Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen," merkte een der jongeren
-ongeduldig aan.
-
-"Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam," riep
-Alida. "Wat moet die hier komen scharrelen?"
-
-"En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook," zeide Dirk.
-
-"Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken,
-Adriaen?" sprak Moeder.
-
-Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.
-
-"Zouden we maar niet danken, Adriaen?" vroeg Moeder andermaal, doch
-erg angstig en bevend.
-
-Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij:
-"Wat vraagt gij daar, Moeder?"
-
-"Of we maar niet danken zouden?"
-
-"Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar,
-jongen! Ik kan het niet."
-
-Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes
-vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.
-
-Nauwelijks evenwel had hij "Amen" gezegd of de kinderen stoven van
-hunne zitplaatsen op.
-
-"Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?" vroeg Vader.
-
-"Maar, Adriaen!" zei Moeder Alida, "hoe heb ik het nu? Wij hebben
-immers zóó gedankt!"
-
-"O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!"
-
-De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida
-vloog weer naar binnen en riep: "Moeder, Vader, Michiel heeft boven
-op den toren gezeten!"
-
-"O, God, en is er af gevallen!" riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.
-
-De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo
-onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden
-om niet te vallen.
-
-Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet
-minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?
-
-Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene
-groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust
-tot slaan zeide: "Het kwaad moet er uit en zal er uit," maar alleen
-uit liefde voor u?
-
-Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: "Van
-buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is"?
-
-"Dood gevallen?" vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij
-het niemand anders dan zichzelven vroeg.
-
-"Neen, Vader," zei nu weer een ander der kinderen, "hij is heelhuids
-beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet."
-
-"Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan,
-heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.
-
-"En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en
-trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden
-langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik
-koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal
-Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij
-dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf,
-allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en
-dan wij vraag wilden: "Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is,
-die heeft moed!""
-
-Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de
-wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander
-vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: "Daar
-is de belhamel! Daar is Michiel!"
-
-Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen
-waren, die hem, niet te huis vindende, weer elders gezocht en gevonden
-hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had,
-naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.
-
-De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen
-tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon,
-dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne "flauwigheid"
-vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.
-
-Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.
-
-"Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier,
-Michiel," riep ze.
-
-"Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!" riep
-Geleyn Evertsen.
-
-"Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!" schreeuwde Pieter zoo
-hard als zijne jongenskeel dit toeliet.
-
-En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs
-zoowel als van kleinen: "Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder
-van Michiel!"
-
-"Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!" riep Michiel.
-
-"Roep dat nog eens, Michiel," zeiden de jongens en hieven hunnen
-Koning in de hoogte.
-
-Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner
-makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele
-westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren
-deed golven, riep hij weer met stralende oogen: "Leve mijne goede,
-lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!"
-
-"Hoezee!" brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot
-het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende
-te zingen:
-
-
- "Lang zal zij leven!
- Honderd jaar na dezen!
- Lang zal zij leven
- Moeder Alida!"
-
-
-Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat,
-en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: "En wees niet boos,
-goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar
-binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!"
-
-"O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind,
-kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel
-pijn," sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.
-
-En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden,
-en juichte maar altijd door:
-
-
- "Lang zal zij leven
- Moeder Alida!"
-
-
-"En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even
-aan het woord mag komen," zeide Vader Adriaen en kwam met de groote
-tang nader.
-
-Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot
-gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene
-vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven
-te komen.
-
-"Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!" riep de Vader
-sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor
-liefde in de plaats gekomen was.
-
-Daar ging de tang de hoogte in.
-
-Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.
-
-Daar daalde de tang en....
-
-"Hei, niet slaan!" riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter,
-den arm van Vader Adriaen tegen.
-
-"Neen, Adriaen, niet slaan!" riepen enkelen uit den hoop.
-
-Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en
-toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: "Uit den weg,
-Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik."
-
-En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen
-den rug.
-
-"Niet slaan! Niet slaan!" riep het volk nu ook met de jongens mede.
-
-"Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?" riep de Vader bleek
-van kwaadheid. "Ik zal toch dien kwâjongen...."
-
-"Niet slaan! Niet slaan!" klonk het nu van al het volk als uit éénen
-mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden,
-riepen het mede.
-
-Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien
-zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok,
-tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit
-elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.
-
-Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.
-
-"Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!" zeide
-de Burgemeester.
-
-"Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten
-mij het. Maar nu zal ik...."
-
-"Niet slaan! Niet slaan!" riep het volk in koor.
-
-De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks
-zijne nabijheid, zoo brutaal riep.
-
-"En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding
-brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste
-vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat
-dan beletten?"
-
-"Wij, Heer Burgemeester," riepen enkelen.
-
-"Wie roept dat daar?"
-
-"Wij, Heer Burgemeester!" riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men
-nu door den regel van drieën heen was.
-
-De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel:
-"Sla zeg ik!"
-
-"Niet slaan! Niet slaan!" schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht
-om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen,
-dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.
-
-"Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?" riep de Burgemeester
-woedend uit.
-
-Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte
-heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.
-
-Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd
-man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar
-langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek
-wel eenen leeuw.
-
-Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: "Ssst, de "Barre
-Bruinvisch" heeft het woord," werd het doodstil.
-
-"Wie ben je, wat wil je kerel?" vroeg de Burgemeester wat
-terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins
-bevreesd te zijn.
-
-De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.
-
-"Ik ben de "Barre Bruinvisch"!" sprak de man.
-
-"Leve de "Barre Bruinvisch"!" schreeuwde de menigte.
-
-"Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!" sprak de
-zeeman bevelend tot het volk.
-
-Weer was het doodstil.
-
-"Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?" vroeg
-de Burgemeester!
-
-"Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!"
-
-"Van beroep?" vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij
-op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het
-verhoor had.
-
-"Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de "Lijnbaan" van de
-Heeren Lampsens, Burgemeester!"
-
-"Dat is zoo," zeide Lampsens tot den Burgervader. "Een ferm, open
-en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge
-op aan!"
-
-"En wat wilt gij, goede vriend?" klonk het nu eensklaps uit den
-mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna
-vriendelijken toon.
-
-"Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!"
-
-Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om
-den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.
-
-"Die "Barre Bruinvisch" mijn baas is," zeide Jan Kompanjie. "Dat baas
-veel durft."
-
-"Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch
-ook wel eens gebruik maken van het "endje dag," nietwaar?" vroeg
-de Burgemeester.
-
-"Daar staat een van de Patroons," zeide Lievensz. "Laat hij zeggen
-of de "Barre Bruinvisch" niet al zeevader geweest is over misschien
-wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!"
-
-"Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels," zeide Lampsens,
-wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.
-
-"En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de "Lijnbaan"
-veel van het "endje dag" gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en
-plicht te brengen."
-
-"Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit," antwoordde
-Lampsens.
-
-"En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook
-wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is."
-
-"Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders
-hebben graag jongens, die aanboord van de "Lijnbaan" van Lievensz. het
-varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene
-week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te
-Middelburg mij eene mooie som gelds geboden."
-
-"Hi, hi, ik waard ben een mooie geld," riep Jan en gaf van pure
-blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene
-klok. "Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!"
-
-"Sausneger," bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader
-losgelaten was.
-
-"Alzoo," dus vervolgde de "Barre Bruinvisch" toen de Heer Lampsens
-zweeg, "alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel
-bengels weet te regeeren zonder het "endje dag." Ik zeg maar...."
-
-"Het kwaad moet er uit en zal er uit," zeide Vader Adriaen, en de
-toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug.
-
-"Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal
-er uit, maar niet met slaan," sprak Lievensz. "Men slaat het kwaad
-er soms dieper in."
-
-"Ik zou wel eens willen weten, hoe dan," sprak de Burgemeester.
-
-"Ja, juist, hoe dan?" bromde Vader Adriaen.
-
-"Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou
-ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet,
-dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later;
-maar er uit gaat het. En--alle jongens houden veel van me."
-
-"Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke," zeide Jan, en liet
-vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne
-oogen zien.
-
-"Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?" vroeg de
-Burgemeester.
-
-"Welk plan, Burgemeester?"
-
-"Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede
-zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort
-met rebellie te veroorzaken."
-
-"Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar
-naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht...."
-
-Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor
-zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: "Als de wind naar
-binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep."
-
-En Michiel?
-
-Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd
-werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing
-van iedereen, verdwenen.
-
-"Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een
-bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht
-bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen:
-"Daar zit wat in dien deugniet!" Ja, ik had wel in mijne handen willen
-klappen en "Mooi, mooi!" willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien
-hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte,
-zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken
-van zijne schoenen,--het was goed dat er spijkers in waren, Vader
-Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,--de leien stuk. Ik zag
-het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg
-een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog:
-"Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!"
-
-"Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder
-naar boven kon klauteren en daarom zei ik: "Nu mensch, doet zoo raar
-niet! Hij zal wel voor anker komen!"--Maar pas had ik dat gezegd,
-of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar
-de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als
-een Ammiraals-vlag in het kluisgat!"
-
-"Ze viel dus van d'r zelven, die goede ziel," zeide eene der vrouwen
-op meewarigen toon.
-
-"Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat
-noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor
-dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek
-hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen
-Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen."
-
-"Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?" vroeg hij.
-
-"Het is een mooi stuk," zei ik, "een mooi stuk, Sinjeur!"
-
-"En weet gij ook wie het is?" vroeg hij.
-
-"Neen," zei ik, "maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur
-komt dan kunnen wij hem zien."
-
-
-
-------
-FIGURE
-------
-
-
-
-Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen,
-niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne
-hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu
-als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal
-zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast
-en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit,
-zoodat hij een poosje later zei: "Daar is hij! Ik ken hem al! Het is
-Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er
-bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik
-heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien
-nog wat van hem groeien!"
-
-"Zoo," zei ik, "en...."
-
-"En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn
-zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou
-het besterven, zeide ze."
-
-Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop
-naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met
-zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch
-zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: "Niet slaan,"
-Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd."
-
-De "Barre Bruinvisch" zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het
-zweet van het voorhoofd en zei: "He, zulk eene redevoering bekomt
-een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn
-middagmaal doet."
-
-"Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van
-eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt,"
-zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo
-ver medeging.
-
-"Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij deze menschen binnengaan
-en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden
-middag!"
-
-De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.
-
-De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop
-niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren,
-gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje,
-Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan.
-
-Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel,
-die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde,
-wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had.
-
-Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel
-en redeneerden druk.
-
-In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch
-langzamerhand, naarmate de "Barre Bruinvisch" meer aan het woord was,
-hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: "Nu, Lievensz.,
-neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt
-maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard."
-
-Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk
-luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek;
-want pas had Moeder gezegd: "Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne
-reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken," of hij sprong op,
-liep naar zijne Moeder en kuste haar.
-
-Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden
-toon en vol gloed en leven: "Vader, het kwaad is er uit!"
-
-"Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een
-jaar drie-vier vertellen," luidde het antwoord.
-
-"Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal,
-heelemaal uit met wortel en tak."
-
-"Het zou goed voor je zijn, jongen," sprak Lievensz.
-
-"Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!" sprak Michiel en liep
-met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de
-eene lijnbaan afging om op de andere te komen.
-
-"Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?"
-
-"De "Barre Bruinvisch," baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter
-om hun het nieuws te vertellen."
-
-"Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!" zeide
-baas Lorkens.
-
-"O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat
-worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop
-op! Hoezee!" riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de
-straatkeien te rollen.
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE LAATSTE AVOND THUIS.
-
-
-Het was de avond voor Sint-Stevensdag, [1] den tweeden van Oogstmaand
-des jaren 1618.
-
-In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil.
-
-De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op
-straat bezig met spelen of wel aan hun werk.
-
-Moeder Alida was dus alleen.
-
-Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene
-geopende kist halfvol jongensgoed.
-
-Het was Michiels armoedige uitrusting.
-
-Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen
-aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan
-toch nieuw.
-
-"Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar
-laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken,
-ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen," zei Moeder Alida tot
-zichzelve.
-
-De torenklok sloeg zeven uren.
-
-"Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken," zei ze weer. "Hij
-blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil,
-daar zal hij komen!"
-
-Er klonken driftige voetstappen.
-
-De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: "Hola!"
-
-"Komt er maar in," antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: "wie zou
-dat wezen?"
-
-Pas had ze evenwel geroepen: "Komt er maar in," of de man met de
-zware stem trad binnen.
-
-"Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft
-de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap
-gesmeten."
-
-Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in
-een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat.
-
-"Eene kat," zuchtte Moeder Alida.
-
-"Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens
-opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete
-pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne
-vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar
-gezicht vol pap. Haar jak vol pap...."
-
-Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen
-gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken.
-
--- --"haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs
-pap op haren rug!"
-
-Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit.
-
-Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte.
-
-"Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn
-aangezicht te komen uitlachen?" riep Meester Van Gelder op zulk eenen
-woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende
-dat de man opeens krankzinnig geworden was.
-
-Angstig naderde zij hem en zeide: "Maar, Meester, wees toch
-bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?"
-
-"Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen
-huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren
-om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten,
-in schotels met pap te smijten."
-
-Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de
-grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van
-Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen,
-hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen
-voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte
-straatjongensstreek had uitgehaald.
-
-Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel
-eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve.
-
-Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke
-slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel,
-die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man
-in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte
-hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen,
-hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen
-op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.
-
-O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon
-menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen
-maken, het leest diep in het hart van allen, die zij lief heeft,
-wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de
-hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren,
-te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een
-groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot
-de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.
-
-De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift
-niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste
-achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft.
-
-En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders?
-
-Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen
-omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning
-kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom
-die viel.
-
-En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf,
-pijn, zij duldde dat hij kastijdde.
-
-Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet
-toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek
-met die doode kat uitgehaald.
-
-Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde,
-trad ze tusschen hem en haren jongen.
-
-Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat
-goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar
-is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op
-eenmaal gebleven?
-
-Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht
-ligt eene uitdrukking van heldenmoed!
-
-Meester Van Gelder zag dat alles ook en--hij bleef staan waar hij
-stond.
-
-"Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder,
-en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste
-vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag
-ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan."
-
-"Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis
-gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat
-is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af."
-
-"Ga maar gerust op zijde, Moeder," sprak thans Michiel. "Ik sta hem
-en ben niet bang voor hem."
-
-Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk,
-maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle
-kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de
-ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn.
-
-"Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen," sprak Moeder.
-
-"Maar, Moeder, hij zal...."
-
-"Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik
-bij ben!"
-
-"Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is
-die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?"
-
-Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den
-"Barren Bruinvisch", die, zonder dat iemand er iets van gehoord had,
-binnengetreden was.
-
-Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te
-zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de
-doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel
-hiermede uitgevoerd had.
-
-De "Barre Bruinvisch" hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk:
-"Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.".
-
-"Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te
-willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar
-dat aan het verstand brengen."
-
-"Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg
-mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?"
-
-"Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel
-Vlissingen."
-
-"Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?"
-
-"Wanneer?"
-
-"Ja, wanneer, hoe laat?"
-
-"Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben,
-zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de
-klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag
-van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren."
-
-"Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den
-liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken
-en--neem poesje mee."
-
-"En die bengel dan?"
-
-"Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan
-het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en--hier,
-poesje moet mee."
-
-"Bootsman, ik zeg...."
-
-Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de "Barre
-Bruinvisch" werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: "Gooi
-uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de "Lijnbaan" en vraag
-daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan
-het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem."
-
-De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder
-tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur
-in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.
-
-Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De
-leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die
-ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere
-kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was,
-dat Michiel waarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide:
-"Het kwaad is er uit."
-
-"Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke," zeide de
-"Barre Bruinvisch" nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele
-zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen
-was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der
-stad wonende, nog altijd "Buurman Engels" genoemd werd, omdat hij in
-vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap
-van zijn dochtertje Cornelia.
-
-"Goeden avond, buurtjes," zeide hij. "Hoe maken de menschen het
-zoo al?"
-
-"Goed, gelukkig goed, buurman," sprak Vader Adriaen. "Ga zitten! Alida,
-geef buurman eenen stoel!"
-
-"Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel
-goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?"
-
-"Ja, buurman," antwoordde Vader. "Er zat niets anders op. Het spijt
-mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer."
-
-"Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De
-Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het
-zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de
-Oostzee en dan naar de Groote Oost."
-
-"Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken,"
-sprak Moeder.
-
-"Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me
-waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te
-herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen
-van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam,
-bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen
-op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer
-van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den
-hol gegaan en met paard en wagen te water geraakt en verdronken? Is
-zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat
-is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten
-door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan
-men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in
-gevaar, onverschillig waar men is."
-
-"Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!"
-
-"Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid
-zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan
-te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met
-Michiels besluit."
-
-"Maar, buurman," riep Moeder. "Ons gelukwenschen? Neen, dat meent
-gij niet!"
-
-"Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te
-vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet
-wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn,
-als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke
-daalders in den schoot werpt en zegt: "Zie, Moedertje, ge hebt me
-zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen
-rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop
-nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen."
-
-"Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!" liet
-de "Barre" zich hooren. "Ik zeg maar:
-
-
-
-Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:
-Hem is de zee het best van al!
- Zij brengt hem de eêlste gaven.
-Het goud drijft op den zilten vloed,
-Hij grijpt het, maar de landrot moet
- Er diep in de aard naar graven.
-En pakt de storm den zeeman beet,
-Een wapen heeft hij steeds gereed,
- En nooit is hij er zonder.
-Dat wapen is: geloof aan God,
-En hiermee gaat hij zelfs ten slot,
- Volmaakt gerust, kopje onder!"
-
-
-
-De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken,
-dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: "Dank je, Lievensz.,
-gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen
-dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide."
-
-"Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting,"
-liet Vader Adriaen zich hooren. "Hij zal wel niet kunnen sparen."
-
-Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: "Ja, Vader, zeker
-zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik
-vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de
-Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we
-er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens
-vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen
-is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!" riep Michiel vroolijk.
-
-"Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel
-van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien,
-als eene wafel met suiker."
-
-"Dat zou ik zeker, Moeder!"
-
-"Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!"
-
-"Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere
-mij bij het leven en de gezondheid spaart!"
-
-"Juist zoo, Michiel, juist zoo!" zeide Engels, "ik zeg ook: willen
-is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen."
-
-"We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels," zoo nam nu
-Lievensz. het woord, "Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een
-straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog
-niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder,
-die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de
-oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijne zusters waren allebei
-jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een
-zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden
-en op bed liggen. En--ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie
-in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat
-knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de
-Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld
-uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt,
-want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik
-ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door te willen. Als de wil
-maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar:
-"Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?"
-
-"Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me
-eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht."
-
-"En tot hoever was dat?"
-
-"Tot Admiraal, Bootsman!"
-
-"Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal
-worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt,"
-sprak Vader.
-
-"Zulk eene gedachte is zondig, Michiel," liet Moeder zachtjes hooren,
-doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk
-eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren
-flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd
-voor het dagelijksch brood te beginnen.
-
-"Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij
-zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten
-den kommando-staf niet neerlegt," sprak Lievensz. "Maar--Admiraal
-worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt en vertrouwt
-dat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden
-moet er wat meer in den bol zitten dan wat er nu in zit, manneke! Ik
-vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet."
-
-"Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman," antwoordde
-Michiel.
-
-"Als gij daarbij maar blijft, jongen," zeide Engels, "dan zal de
-zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen
-tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje
-Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders
-voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat,
-geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het
-is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen
-heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om
-den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de
-lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te
-groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong
-en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!"
-
-Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel
-en zeide: "Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf
-gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij:
-"Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu
-wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat
-ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den
-gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet,
-als ze maar niet te groot zijn!"
-
-"Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne
-bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!" sprak Michiel.
-
-Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis,
-doch pas waren ze weg of een der Dominé's trad binnen. Michiel keek
-hem even aan en zeide: "Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen,
-die Cornelia voor me gebreid heeft."
-
-"Dat is goed, kind," antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in
-zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd
-niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand.
-
-Michiel ging zitten, trok de kousen aan en--begon hard te lachen.
-
-De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,--het
-waren volslagen manskousen.
-
-"Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar
-er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg
-onpleizierig vinden!"
-
-Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.
-
-"Michiel," begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over
-koetjes en kalfjes gepraat had, "Michiel, kom eens hier!"
-
-Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs
-Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé's stond
-hij altijd met den mond vol tanden.
-
-"De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen."
-
-Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld.
-
-"Geef mij uwe hand, knaap!" sprak Dominé bedaard.
-
-Ook dit deed Michiel.
-
-"Jongen," dus hervatte de ernstige man nu,--"jongen, met deze hand
-is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge
-dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt
-ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs
-beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge
-dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen
-te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in
-straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal,
-heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding
-bracht, en dat kan niemand ontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er
-uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd
-vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: "Och,
-hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het
-den naam van Vader en Moeder stamelen kon!" Er zijn Ouders, die dat
-wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der
-Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen
-loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen,
-Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en
-Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen:
-"Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U,
-wij danken U voor dat kind!""
-
-Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de
-tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist
-de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: "Sakkerloot, dat is anders
-preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!"
-
-Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor
-den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen,
-wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet.
-
-"Laat mij in uwe oogen zien, Michiel," sprak Dominé, en terstond keek
-de knaap hem open aan.
-
-Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo
-wat aan het natte kantje.
-
-"Jongen," vervolgde de Predikant, "morgen zult ge de stad niet
-meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in
-straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last
-kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en
-op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge
-van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen,
-dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u; want ik heb u nog nooit op
-eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier
-vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en
-danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen,
-jongen,"--hier begon Dominé's stem ook te haperen en trilden zijne
-lippen,--"jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest,
-ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou...."
-
-Daar brak de bom bij Michiel los.
-
-Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en
-barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij
-er in blijven zou.
-
-Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders
-losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: "Dominé,
-ik zal--ik zal--ik zal goed--goed oppassen! U zal--zal--den Heere--den
-Heere--dan--danken kunnen." Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak:
-"Bootsman, wilt gij me helpen om--om--wat goeds uit me--uit me--te
-doen--te doen groei--groeien?"
-
-"Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me
-de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht
-heelemaal!" antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs
-de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw
-wilde worden.
-
-"En nu, menschen, de Heere zegene u," zeide de Dominé, gaf Vader,
-Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe,
-terwijl hij als het ware zegenend bad:
-
-"De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant!
-
-
-
- Godt behoed' u voortaen voor 't quaet,
- Hy sal uw' ziel voorwaer
- Behoeden voor gevaer:
- En als gy uyt of oock ingaet,
- Sal Hy u steets bevrijden,
- En met gaven verblijden."
-
-
-
-De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin
-bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn
-zoo gezellig mogelijk door te brengen.
-
-Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het
-om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd
-reeds op zee zou zijn.
-
-Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.
-
-Daar sloeg de torenklok vier uren.
-
-Om vijf uren moest Michiel weg.
-
-Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen.
-
-Ook Michiel sliep.
-
-Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: "God de Heere zegene
-U, lief, lief kind!" en kuste hem wakker.
-
-"Goede, beste Moeder," zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om
-haren hals en weende nogmaals.
-
-"Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen
-snijden!"
-
-Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op.
-
-"Wij eten samen, Moeder!" sprak Vader Adriaen. "Het zal in eenen
-heelen tijd niet meer gebeuren!"
-
-Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen.
-
-Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom
-melk bij.
-
-De klok sloeg half vijf.
-
-"Het is tijd, Michiel," sprak Vader.
-
-Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond,
-liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk
-de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar
-aanboord van de "Lijnbaan" reeds alles in beweging was.
-
-Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel
-drukte ontvangen.
-
-"Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw
-eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn," sprak Vader.
-
-"Zonder mankeeren, Adriaen!" was het antwoord.
-
-Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd
-ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan
-de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en
-op de Schelde.
-
-"De schoten, konstabel!" beval de Kapitein.
-
-Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan
-allen, die men achterliet.
-
-Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk,
-groette met den zakdoek, die daar stonden en--gebruikte hem daarna
-om zijne tranen af te drogen.
-
-Het kwâjongenshart was gebroken.
-
-Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart,
-zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het
-wollen zeemans-baadje geklopt heeft!
-
-"Goede reis! Goede reis!" stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen
-ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag.
-
-Het was Moeder Alida.
-
-Of haar wensch verhoord zou worden?
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-THUIS VAN DE EERSTE ZEEREIS.
-
-
-Met rijke lading was de "Lijnbaan" ruim anderhalf jaar later uit de
-Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug.
-
-Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen
-Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te
-verwelkomen, dat Michiel van den dag af, dat hij aanboord was gekomen,
-zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen
-kon genoemd worden.
-
-Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis.
-
-"Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is
-weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg," zeide de Kapitein. "Het
-is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen."
-
-"Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in
-voor thuis," gaf Michiel ten antwoord.
-
-"Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?" vroeg de Kapitein
-lachend. "Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!"
-
-Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en
-bracht ze bij een pothuis waar "Oude Hein" schoenen zat te lappen,
-en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes,
-die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten.
-
-Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was
-voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel
-wat aan.
-
-Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren
-avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest,
-daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie
-nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht.
-
-Daar viel hem het pothuis van den "Ouden Hein" in het oog.
-
-De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand
-aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken,
-en dan met den rug de deur open te duwen.
-
-"Wacht," dacht Michiel, "die deur hangt in kleine hangetjes. Als
-ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deur met den rug open,
-dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!"
-
-Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen
-er niet uithalen of "Oude Hein" hoorde wat, en juist toen Michiel aan
-de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.
-
-Dat had de kwâjongen niet verwacht.
-
-Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door
-het gewicht van "Ouden Hein" nog verzwaard, boven op Michiel, die op
-den grond viel.
-
-Dàt deed zeer! Au! Au!
-
-Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en
-schreeuwde luid: "Help!"
-
-Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag
-te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van
-het beste laken een pak.
-
-"Ik zal je leeren straatschenderij doen," had de man geroepen terwijl
-hij er op insloeg.
-
-Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen,
-doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij
-dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te
-goed had; want toen hij wegliep, riep "Oude Hein" hem na: "Pas op,
-dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog
-maar beet!"
-
-En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde
-aan de klink.
-
-"Oude Hein" deed open.
-
-"Wat?" riep hij, "wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?"
-
-"Dat zie je, man!"
-
-"Niet overboord gesmeten?"
-
-"Neen, Hein!"
-
-"En niet voor de haaien gegaan?"
-
-"Ook al niet!"
-
-"Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking
-in. Ik wilde dat gij maar heengingt!"
-
-"Ik kom het restje afkoopen, Oude Hein!"
-
-"Welk restje, kwâjongen?"
-
-"Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar
-blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit
-geef, zijn we dan afgerekend?"
-
-"Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?"
-
-"Ja, Hein!"
-
-"Dat is zeker gestolen!"
-
-"Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd
-te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord
-geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?"
-
-"Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!"
-
-"Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak."
-
-"Oude Hein" stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van
-Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen.
-
-"Wel, wel," zei de man al kruiende, "wie had ooit gedacht dat ik voor
-jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf,
-is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang."
-
-"Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel."
-
-"Dus zijt gij niet meer boos op me?"
-
-"Zijt ge wel mal?" antwoordde Michiel, die als een eerste bram
-naast den kruiwagen voortstapte. "Ik had het immers ruim verdiend,
-geloof ik!"
-
-"Dat hadt ge, maat!"
-
-Weer reed "Oude Hein" een eind voort zonder te spreken toen hij
-eensklaps den wagen neerzette. "Blijf eens staan," zei hij.
-
-Michiel deed het.
-
-"Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel
-wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed,"
-sprak de kruier met het hoofd naar de "Lijnbaan" wijzend.
-
-"Ja, die is er bovenst!"
-
-"Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster
-kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik:
-mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook
-wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat
-was je toen eene wolk van eene meid!"
-
-"Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo
-naar huis!"
-
-"Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met
-die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk,
-mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet
-meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!"
-
-"Hoe oud zijt gij dan al, Hein?"
-
-"Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?"
-
-"Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden." [2]
-
-"Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!"
-
-"Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?"
-
-"Dat is Alida" riep Michiel en snelde haar te gemoet.
-
-"Jonge beenen, jonge beenen!" bromde de oude, terwijl hij met zijnen
-kruiwagen voortsukkelde. "Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen
-tijd gehad!"
-
-Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard
-vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan.
-
-"Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!" riep Michiel en viel
-haar om den hals.
-
-"Kind, wat zijt gij lang weg geweest," zeide Moeder Alida, met tranen
-van blijdschap in de oogen. "Ik dacht dat we elkander nooit meer zien
-zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen
-vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij
-er goed uit, kind!"
-
-"Ja, Moeder!"
-
-Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida's gelaat, armen en
-handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was.
-
-"Zijt gij ziek geweest, Moeder?"
-
-"Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?"
-
-"Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!"
-
-"Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen
-komt!"
-
-"Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar
-we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in
-de vaart."
-
-"Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?"
-
-"Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan
-tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een
-voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even
-aanboord wezen kijken?"
-
-"Ja, ik wist niet dat de "Lijnbaan" aan was. Ik had wel hooren
-schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik
-ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd
-geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet,
-en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook
-niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en
-nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u
-zagen aankomen. Maar wat moet "Oude Hein" hier komen doen? Hij komt
-met zijnen kruiwagen naar ons toe!"
-
-"Dat is eene kist van mij, Moeder!"
-
-De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die
-Michiel had medegenomen.
-
-"Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!"
-
-"Die is nog aanboord, Moeder!"
-
-"Oude Hein" zette den wagen neer en zuchtte ervan.
-
-"Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!" zeide Michiel.
-
-"Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!"
-
-"Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom,
-een-twee-drie!"--daar was de kist op Michiels schouder.
-
-"Ge zijt me wat mans, hoor!" zeide "Oude Hein".
-
-"Ben ik?" vroeg Michiel leuk. "Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb,
-hoor, dan neem ik je weer!"
-
-Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door
-Moeder en Alida gevolgd.
-
-"Hebben we gezelschap, Moeder?" vroeg Michiel, terwijl hij op een
-gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees.
-
-"Ja, kent gij haar niet meer?"
-
-"Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!"
-
-"Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!"
-
-"O, ja,--ja,--nu weet ik het. Het is,--het is Maria, Maria Velders
-van Grijpskerke!"
-
-"Dat hebt gij geraden, Michiel!" antwoordde het meisje, terwijl zij
-lachend hem eene hand gaf. "Maar wat zijt gij groot en dik geworden!"
-
-"Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig
-niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En
-hoe maken het uwe Ouders?"
-
-"Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van '18 aan de kinderpokken
-gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!"
-
-"Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te
-Grijpskerke?"
-
-"Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe
-Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?"
-
-"Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel
-en nijptang, Moeder!"
-
-Zijne zuster stond op en bracht ze hem.
-
-Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang.
-
-"Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?" vroeg Alida
-lachend.
-
-"Wel, hij zelf, meid!" zeide Marie Velders. "Hij was zeker bang,
-dat ze het rommeltje stelen zouden!"
-
-"Rommeltje?" bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij
-even van zijn werk opkeek.
-
-"Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?"
-
-"Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer," antwoordde Michiel,
-terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg
-dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon.
-
-"Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft,"
-riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist,
-dat Michiel zeggen moest: "Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog
-eenen stomp tegen den neus, die raak is!"
-
-"Ik wed dat er een aap uit komt," riep Maria plagend.
-
-"Gij kunt wedden, wat gij wilt!" zeide Michiel het deksel er afnemende,
-en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven.
-
-Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor
-ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er
-wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels,
-voor Cornelia Engels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was
-er wat.
-
-"Ik zie het al, voor mij is er niemendal," zeide Maria.
-
-"Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!" zeide Michiel
-eenigszins verlegen.
-
-"Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik
-ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo
-maar voor de aardigheid!" sprak Maria. "Ge dacht toch niet, dat ik
-het meende, Michiel?"
-
-"Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!"
-
-"Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt," spotte Maria.
-
-"Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen
-elkander groeten," zei Michiel, en met de handen Maria's hoofd bij
-de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus.
-
-"Zoo groeten nu de Chineezen elkander!" zei Michiel.
-
-"Het is heel lief, dat moet ik zeggen!" antwoordde Maria.
-
-"Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche
-meiskens!" riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren
-kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen.
-
-Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare
-verfrommelde muts goed zette: "Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met
-uw geplaag."
-
-"En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche
-meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten," zei Maria.
-
-"Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren,"
-riep Michiel.
-
-Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand
-eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.
-
-"Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?" vroeg Maria.
-
-"Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche
-jongens, niet zoo hardhandig," antwoordde Michiel terwijl hij zijn
-oor wreef.
-
-"Wat moet dat geven?" vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen,
-binnen kwam. "Is het hier boelhuis?"
-
-"Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel," riep een zusje dat
-van school kwam.
-
-"Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!"
-
-"Dag, Michiel," riep een jonger broer. "Ben je thuis? Heb je wat voor
-me mee gebracht?"
-
-"Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?" vroeg
-Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend.
-
-"Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!"
-
-"En wat zit hierin, Michiel?" vroeg Vader.
-
-"Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!"
-
-Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou,
-en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.
-
-"Dat is goed staal, jongen!"
-
-"Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt
-dat mes de vriendschap af!"
-
-Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin
-een gaatje geboord was.
-
-"Dat treft ge," zeide hij. "Een duit met een gat is altijd wat!"
-
-"Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!" was het antwoord van
-Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien
-uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp
-ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug
-hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de
-vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen
-dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat
-geldstuk hebben zou.
-
-Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hij Indische kamermuilen
-medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes,
-als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals
-Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen
-er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens,
-die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren
-ruischen,--groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad,
-waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige
-mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze
-allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden,
-daar ze zoo muf smaakten,--een paar uitgeblazen struisvogel-eieren,
-die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van
-zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris,
-dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein
-was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam
-achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard
-geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei:
-"Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!"
-
-"Alles opmaken vanavond, jongen?"
-
-"Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een
-appeltje voor den dorst."
-
-Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en--dien avond was er feest.
-
-Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene
-kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis
-kwam op bier te trakteeren.
-
-Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde
-op spek-pannekoeken.
-
-Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren
-vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader
-Adriaens huisgezin dertien zoo klein als groot. Verder had men er den
-"Barren Bruinvisch", Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia
-en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee
-laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur
-wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.
-
-Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier
-een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: "En nu zal ik eens
-zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb
-dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien
-al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na
-dezen keer niet meer."
-
-Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de
-sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-HET MUIST, WAT VAN KATTEN KOMT.
-
-
-"Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte
-en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het
-twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal
-worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was
-weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst
-terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein
-boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder
-dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in
-den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want
-de verdiensten waren heel min, en de tijden waren er ook naar. Nu
-eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, dan aan de
-Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo
-al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan
-of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Dan speelden ze:
-o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven
-en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en
-Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog,
-bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden
-ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat
-de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er
-geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van
-"de Goot". Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk
-eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters
-vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid,
-zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader
-ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden
-Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in
-eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks
-aan en zeide, toen hij uitgesproken had: "Met zulke dingen bemoei ik
-mij niet!"
-
-Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden
-uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den
-omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.
-
-Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te
-bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen,
-begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de
-werf opkomen.
-
-"Hola! Is Vader Michiel thuis?" klonk eene ruwe stem, en zonder
-verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins
-gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er
-nog een stuk of zes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van
-zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden
-van Vader.
-
-"Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We
-komen je gezondheid drinken!" zeide de baas van het troepje, die nog
-het minst dronken was, "en dan meteen vragen, waarom gij die twee
-knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt."
-
-"Wijn, Van der Meulen," zei Vader, "wijn heb ik geen droppel in
-huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen
-wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!"
-
-"Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten
-kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!"
-
-"Wijn, wijn!" riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard
-op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. "Wijn, wijn! Wie
-zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!"
-
-"Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!" sprak Vader,
-die de ruiters op de Mookerheide wenschte.
-
-"We zullen hem halen!" schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in
-den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar
-daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken.
-
-Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden
-voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen
-oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er
-toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun
-fortuin te zoeken.
-
-Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen.
-
-"Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren,"
-zeide Vader.
-
-"Och, neen, laat dat, Michiel," sprak Moeder, "Wie weet wat ze
-beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard en ze zullen wel gauw
-weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan."
-
-Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en
-kwam weer zitten.
-
-Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken,
-dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk
-niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten
-kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur
-lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het
-rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en
-ze gingen naar bed.
-
-"Er is weer hevig noorderlicht," zeide Vader, toen hij de kaars
-uitblies. "Heel de lucht is vlammend rood."
-
-"Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land," sprak
-Moeder. "Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat
-noorderlicht is?"
-
-"Het is de zevende avond al, vrouw!" zei Vader. "We willen hopen,
-dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen
-weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!"
-
-"Wel te rusten, Vader!" klonk het.
-
-Spoedig was alles in diepe rust.
-
-Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer
-vliegen en roept: "Brand! Brand!"
-
-Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.
-
-Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te
-zien waar ergens de brand was.
-
-"O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap
-brandt al. Houd met Mina," zoo heette de meid, "een deken op, dan
-zal ik hem uit het raam naar beneden gooien," riep Moeder in den
-grootsten angst uit.
-
-Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik
-vreeselijk tekeer ging.
-
-Moeder nam me op, keek naar de trap, maar--
-
-Krak--krik--krek, zeide de trap en stortte in.
-
-Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde.
-
-Er was geen tijd van nadenken.
-
-Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: "Ben je daar? Houd
-je de deken op?"
-
-"Ja!" riep Vader.
-
-"Heb je ze stevig vast?"
-
-"Ja, stevig, gauw maar wat!" riep Vader weer.
-
-Rrrt, daar ging ik.
-
-De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke
-leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het
-moet akelig geweest zijn.
-
-"De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden
-komen!" schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik
-zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen.
-
-"Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook
-opvangen!" riep Vader.
-
-Wat zou Moeder doen?
-
-Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.
-
-Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.
-
-"O, God, help me!" bad ze en onder het geroep van: "Houd goed
-vast!" sprong ze door het venster en--zonder zich zelfs bezeerd te
-hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar.
-
-Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was,
-brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders
-daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat
-niets aanhad dan zijn nachtgoed.
-
-"Komt voor vannacht bij ons, buurtjes," zeide een herder, die dicht
-bij ons woonde.
-
-Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: "Ik zou wel eens willen weten
-of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft," sprak de herder,
-"Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat
-hebben zeker Staatsche ruiters gedaan; want een groot uur geleden
-kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: "Hebt gij
-nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?" waarop een ander
-antwoordde: "Zeker, niets vaster!"
-
-Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets
-anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig
-was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer
-eens naar buiten en, jawel, daar zag ik "de Goot" in brand staan. Ik
-kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er
-viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe,
-beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met
-het daglicht komt misschien raad."
-
-Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich
-met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij
-in hun midden en--wachtten den dag af.
-
-Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld.
-
-Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat
-veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bij mekaêr
-gebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in
-de eerste behoeften te voorzien.
-
-Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende
-jaar naar zee...."
-
-"Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?" riep Michiel uit.
-
-"Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den
-Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden
-en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene
-kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer
-gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die
-ook Alida Jans heette, kennen, en trouwde met haar. Twee jaren later
-was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de
-"Maatschappij van Verre landen" en leed weer schipbreuk. Toch zou ik
-weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida
-Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik
-deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie...."
-
-"Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?" liet Michiel zich
-weer hooren.
-
-"Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen,
-zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik
-ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe
-Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen,
-omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze
-ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat
-uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond
-doen mocht en toen heeft ze gezegd: "Och, Adriaen, doe het maar! Het
-zwijgen heeft toch niet geholpen!" Dat is nu uw Vaders geschiedenis,
-kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef,
-maar--de glazen vol, vrienden, boordevol,--al ben ik de grootste
-landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in:
-"Kielen, wielen, rand om 't land. [3] Maar de kielen, het eerst
-genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan."
-
-"Kielen, wielen, rand om het land!" riepen ze allemaal en dronken
-hunne glazen ledig.
-
-"Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor," zeide de "Barre
-Bruinvisch", "het wordt mijn tijd! Maar eer ik dat doe, wil ik u toch
-wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo'n ferm zeeman is!"
-
-"Waarom dan, Lievensz.?"
-
-"Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik
-wensen je allemaal den vrede!"
-
-"Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer
-doet!" zei Jan en volgde zijnen zeevader.
-
-Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur
-opende, bromde hij in zichzelven: "Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk:
-Het muist wat van katten komt!"
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-VERLOREN TIJD INHALEN.
-
-
-Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de "Lijnbaan" voorspeld
-had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was
-Michiel weer in zee.
-
-Ook ditmaal had de "Lijnbaan" eene zeer voordeelige reis en getuigde de
-"Barre Bruinvisch" van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was,
-dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem
-onderdoen, en dat zeide zoo iets.
-
-Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en
-aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer
-goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver
-zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den "Barren Bruinvisch."
-
-Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls
-gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen,
-hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen.
-
-Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de "Barre Bruinvisch" moest
-dan ook meer waard zijn dan anderen.
-
-De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever
-wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook,
-ik weet niet hoe dikwijls gezegd: "Zoolang de Heeren Lampsens schepen
-hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik
-me op geen ander schip laten aanmonsteren."
-
-Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens?
-
-Bootsman!
-
-Wat zou hij zijn leven lang blijven?
-
-Bootsman!
-
-Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?
-
-Bootsman!
-
-Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?
-
-Bootsman!
-
-En hoe kwam dat?
-
-Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet
-schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.
-
-Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden
-weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat
-hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren.
-
-In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn
-Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen
-speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich.
-
-Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met
-tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin
-in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem
-leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen
-de schouders op en zeide dan: "Domoor, dat staat er niet! Eene slak
-op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij."
-
-Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaak eene dikke
-streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er
-haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren
-toevoegen: "Domoor, niemendal goed," bijna de lei naar het hoofd.
-
-En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan
-de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei,
-boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen
-onder het hoofd, een deuntje te huilen.
-
-Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af,
-nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven:
-"Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de
-oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste
-reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den "Barren Bruinvisch"
-en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?"
-
---Jawel, willen is kunnen!--
-
-Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de
-sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal
-de Stuurman zeggen: "Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge
-zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de
-Stuurman zegt: "Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!" Toe dan,
-Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja,
-lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!"
-
-En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was,
-dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen,
-dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met
-groote druppels van het hoofd vloeide.
-
-Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel
-waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide:
-"Zou het ook aan mijne manier van onderwijzen haperen, dat de jongen
-niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt
-hij het om te leeren en--dom of traag van begrip is hij in het geheel
-niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een
-en ander aan zijn verstand te brengen!"
-
-De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet
-helpen, dat hij den slag van "duidelijk maken" maar niet beet krijgen
-kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar
-èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat
-geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor
-voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven,
-dat men niet vordert.
-
-Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor
-van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij
-ineens op en riep: "Goddank!"
-
-"Wat is er, jongen?" vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk
-over dien uitroep verbaasd.
-
-"O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!" riep
-Michiel opgewonden uit.
-
-"Wat mankeert die jongen, Cornelis?" vroeg nu Adriaen aan zijnen
-broeder.
-
-"Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!"
-
-"Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en
-zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik
-niet vorderde!"
-
-"Maar waarin gaat gij dan vooruit?" vroeg Cornelis.
-
-"In de kunst van lezen, Sinjeur!"
-
-"Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu,
-dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog
-al veel vooruit gegaan zijt?"
-
-"Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, kon ik het schrift
-van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!"
-
-"Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!" sprak Adriaen, en zijne hand op het
-hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: "Zoo komt men vooruit
-in de wereld!"
-
-"En van wien leert ge dat, Michiel?" vroeg Cornelis.
-
-"Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld
-met me. Hij leert me rekenen ook!"
-
-"Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen
-leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel
-vorderingen maakt! Dag, Michiel!"
-
-"Goeden middag, Sinjeurs!" antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap
-zijns harten, naar de "Lijnbaan", om daar den goeden Stuurman terstond
-te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen
-gemaakt had.
-
-De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: "Mooi, mooi, jongen! Op
-de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!"
-
-"Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!" riep Michiel, en snelde nu naar
-huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in
-de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo
-vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij!
-
-Wie was die hij?
-
-"Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga
-ze eens wegbrengen!"
-
-"Dat is goed, jongen! Aan wien?"
-
-"Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood,
-anders bracht ik die er ook ieder een paar."
-
-Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep:
-"Een paar muilen voor Meester Van Gelder?"
-
-"Ja, Moeder!"
-
-"Voor-Meester-Van-Gel-der?" herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve
-kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende.
-
-"Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge
-dat zoo vreemd?"
-
-"Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal
-vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de
-gedachten?"
-
-"Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had,
-was niet zoo heel gemeen van hem!"
-
-"Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?"
-
-"Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het
-gedaan had?"
-
-"Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!"
-
-"Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet
-dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen,
-èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik niet
-wilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede
-vrienden kunnen worden!"
-
-Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam
-toch wat hooger ook.
-
-"Kom eens hier, Michiel!" zei ze.
-
-Michiel deed het.
-
-Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: "Zeeman,
-kleine zeeman, je bent Moeder Alida's liefste jongen! Zijt gij nu
-niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge
-naar zee gingt?"
-
-"Moeder, ik boos?" zei Michiel zachtjes. "Nooit boos geweest op u! Ik
-kon nooit boos op u zijn!"
-
-De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en
-zei: "Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof
-gij eenen kerkgang doet!"
-
-Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog
-eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op
-Meester Van Gelders deur vallen.
-
-"Ga eens kijken wie daar is, Anna!" zei Meester Van Gelder, die juist
-bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje.
-
-Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen,
-waarna ze de voordeur sloot.
-
-"Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje spreken, Anna,"
-zeide Michiel.
-
-Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer,
-en vroeg: "Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?"
-
-"Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen," riep
-Meester Van Gelder uit de school.
-
-Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene
-deur in de gang uitkwam, binnen.
-
-En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met
-hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich,
-de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd.
-
-Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren
-toen Michiel school ging.
-
-Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár
-was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend
-had.
-
-"Wat is er, vriendschap?" vroeg Meester Van Gelder de punten van
-eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten,
-en zonder den bezoeker aan te kijken.
-
-"Dag, Meester!" sprak Michiel.
-
-"Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht," zei Meester, terwijl hij
-Michiel aanzag.
-
-"Dag, Meester," herhaalde Michiel lachend.
-
-"Drommelsche jongen, je bent toch niet....?"
-
-"Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!"
-
-"Michiel!?"
-
-"Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste
-straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!"
-
-"Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?"
-
-"Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?"
-
-"Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?"
-
-"Ben ik dan zóó veranderd, Meester?"
-
-"Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en
-dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het
-verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge...."
-
-"Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor
-den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?"
-
-"Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er
-nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!"
-
-"Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!"
-
-"Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die
-katten-geschiedenis, en--aan de bullepees?"
-
-"Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!"
-
-"Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want
-van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad
-bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!"
-
-Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel
-natuurlijk was zijn uitroep: "Maar, Meester!"
-
-"Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien "Barren
-Bruinvisch". Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke
-ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig
-driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is,
-dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als
-vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?"
-
-"Neen, Meester!"
-
-"Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten
-heeft!"
-
-"Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld
-van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd
-voorgesteld?!"
-
-"Dezelfde, Michiel, dezelfde!"
-
-"Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?"
-
-"Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet
-ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?"
-
-"Zeker dien Lammen, Meester?"
-
-"Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen
-of banken en--ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en
-speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen,
-geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!"
-
-Michiel vatte die hand en zei: "Meester, ik was juist van plan u te
-komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven
-en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche
-muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina."
-
-"Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: "In Michiel
-Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen
-brengen, als hij wat meer geleerd had!" Dat zei Dominé en ik zeg het
-hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt
-ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?"
-
-Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de
-eerstbeginnenden waren.
-
-"Wel ja, Meester," zei hij, "en dat op dit bord hier achter ons
-ook wel!"
-
-"Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden
-voor de hoogsten!"
-
-"Toch waar," was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren
-begon Michiel alles te lezen.
-
-"Daar begrijp ik niemendal van," sprak Meester. "Hebt ge dan, nadat
-ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?"
-
-"Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de
-tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft
-me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens,
-optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand
-te pas komen!"
-
-Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander
-en zeide eindelijk: "Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker
-nu niet druk?"
-
-"Ja, Meester, heel druk! "Want over eene week of drie zeilen we
-alweer uit!"
-
-"Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!"
-
-"Toch heusch en stellig waar, Meester!"
-
-"Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare
-praatjes door de stad."
-
-"Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?"
-
-"Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee
-weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst
-wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en
-doortastend geworden zijn!"
-
-"Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!"
-
-"Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons
-veel kwaad gedaan!"
-
-"Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van--van--ja, de namen
-ben ik vergeten...."
-
-"Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!"
-
-"Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe
-oorlogvoeren na het Bestand?"
-
-"Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!"
-
-"Weet ge wat onze Schipper zegt?"
-
-"Neen, Michiel!"
-
-"Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost
-en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee
-is het veel voordeeliger!"
-
-Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei:
-"Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin
-heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we
-nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers,
-Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard
-toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen
-zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte
-Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem
-te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote
-dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen
-tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu
-men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden
-den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige
-twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige
-twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen
-waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had
-men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en
-Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan
-papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de
-lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd
-door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan
-beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig
-geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel,
-Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar--rijkdom
-maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit,
-en waar macht geen gevolg van kracht is, daar valt de macht eens in
-duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus
-liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal
-lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen,
-dan zal ik je les geven?"
-
-Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten.
-
-"En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt
-gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen
-kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja,
-dan beginnen we dadelijk!"
-
-Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat
-hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was
-geworden om nog iets te doen.
-
-Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van
-Gelder had gelijk gehad: de "Lijnbaan" zeilde vooreerst niet uit.
-
-De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer
-bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te
-verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat
-ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij
-voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig
-stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632
-zonden ze, ook voor eigen rekening, de "Samson" en de "Vlissingen",
-twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze
-deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van
-Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen
-was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet
-roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze
-het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk
-dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al
-wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsens
-was zelfs van 1650-52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later
-door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde
-van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den
-titel van Baron van Tabago.
-
-Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel
-honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht:
-waren dat dan oorlogsschepen?
-
-Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog,
-ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel
-genoodzaakt de koopvaardijschepen sterk te bemannen en van geschut te
-voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje
-en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede
-om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes
-de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten
-derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze
-vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden
-behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën,
-waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of
-ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en
-plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip
-een oorlogsvaartuig in het klein.
-
-Maar keeren we tot onzen Michiel terug.
-
-Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of
-Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman
-van de "Lijnbaan", dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed
-dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder
-kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in
-de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen
-hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide:
-"Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!"
-
-"Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?"
-
-"Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden
-gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de
-busschieters in het Staatsche leger!"
-
-"En waarom zoudt gij dat doen?"
-
-"Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien,
-dat ik het deed!"
-
-"Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den
-kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er
-zijn nog kleintjes thuis ook."
-
-"Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met
-mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis
-al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van
-armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden
-zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen
-al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds
-wel wezen!"
-
-"Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is
-sterker dan Steenbergen!"
-
-"Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom,
-en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had,
-zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er
-lachend bij: "Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld,
-dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt
-gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de
-Spanjaarden te lijf te gaan?"
-
-Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als
-ik neen zeide, en daarom zeî ik: "Wel ja, Vader, ik wil te land ook
-wel eens dienen!"
-
-"Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat
-aangeven!" sprak Vader.
-
-Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks
-thuis kom, zal ik heel wat woorden moeten gebruiken om alles goed
-te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker
-niet! Morgen ga ik er al heen."
-
-Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te
-Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden;
-want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had
-men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor
-gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting
-werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.
-
-Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij
-had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd
-laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden
-noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er
-was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen
-dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden
-hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen
-wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of
-schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend,
-doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een
-paard kocht waarvan hij zich "stoutelijk" diende en in de uitvallen der
-bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu
-in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer
-slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van
-achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet
-te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart
-lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de
-lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te
-hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen
-tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord
-van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn,
-want al heel spoedig was hij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan
-den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de
-"Lijnbaan", die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou
-gaan halen.
-
-Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal
-afscheid kon gaan nemen.
-
-Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en
-schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten,
-als hij weer aanwal was.
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-BIJ DE KAPERS.
-
-
-Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de
-vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen,
-zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen.
-
-De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene
-lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: "Ziet
-gij daar ginder dat schip?"
-
-"Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?"
-
-"Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den
-Spanjool kunnen zijn!"
-
-"Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?"
-
-"Geen weinigje ook," luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd
-of de Schipper kwam bij hem en vroeg: "Wat denkt gij van dien Biscayer
-daar, Bootsman?"
-
-"Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet,
-want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en
-kwaad we kunnen, is de boodschap."
-
-"Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor
-zijn, zou ik wel willen probeeren hem te ontzeilen. Gaat dat niet,
-welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot
-overgeven doe ik niet," sprak de Schipper.
-
-Nu was alles in de weer.
-
-In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip,
-tusschendeks, overal waren handen te kort.
-
-"Wij vechten gaan, Michieltje!" zei Jan en wreef zich van pret in
-de handen.
-
-"Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil
-water?" vroeg Geleyn Evertsen.
-
-"Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in
-een twee!"
-
-"Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!" meende
-Michiel.
-
-"Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!" zeide Jan, die Michiel
-natuurlijk niet begreep.
-
-"Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar
-is niet tegen op te werken," sprak Lievensz.
-
-"Dus niet vechten?" vroeg Michiel.
-
-"Ik zou zeggen van ja," antwoordde Geleyn. "Als ik ooit Schipper word,
-zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!" [4]
-
-"Dood is dood!" zeide Lievensz. "Als we een tegen drie zijn, dan
-waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen
-tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben
-moed als Watergeuzen."
-
-"Daar zijn er drie, Schipper," zeide nu de Stuurman. "Kijk, daar
-juist achter die voorste!"
-
-De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover
-ziende, zei hij: "Hoor eens, mannen, we zullen het zien te ontzeilen,
-dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!"
-
-"Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?" vroeg
-Michiel. "Wie niet sterk is, moet slim zijn."
-
-"Noem er maar een op!" was het antwoord.
-
-"Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek
-binden, niet waar, Michiel?" zeide de Scheepsbarbier, die Michiel
-niet lijden mocht, op sarrenden toon.
-
-Michiel ging nijdig weg en bromde: "Als ik Kapitein word van een
-schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen
-waar halen!"
-
-Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel
-niet te denken.
-
-"Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?" vroeg Jan op
-den Schipper wijzend.
-
-"Neen, er wordt niet gevochten," antwoordde Michiel botweg.
-
-"Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach,
-zoo mooi, zoo mooi dat gaat!"
-
-Daar viel een schot van eenen der roovers.
-
-De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een
-vreeselijk geweld.
-
-"Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen,
-komaan dan!" zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten.
-
-Bom! daar viel weer een schot van den vijand.
-
-Nu vloog de kogel door het tuig van de "Lijnbaan" zonder erg veel
-te beschadigen.
-
-"Dat toch vecht," riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het
-dek, dat hij nauwelijks voort kon. "Zeg, Michiel, jij ook deze ding?"
-
-"Ik zou een kanon genomen hebben," zeide Michiel. "Neen, mannetje,
-dat heb-je te Bergen-op-...."
-
-"Vuur," beval de Schipper.
-
-Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer
-languit op het dek.
-
-Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel
-honderd kogels, en als de "Lijnbaan" het niet met drie aan den stok
-had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers
-"Victorie" zouden geroepen hebben.
-
-Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu
-naderden de twee anderen.
-
-"O, God," riep eensklaps de "Barre Bruinvisch" uit, en hoewel hij
-aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot
-in de borst getroffen was.
-
-Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij
-reeds begon te vallen.
-
-"Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven,
-jongens," zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid
-met lachend gezicht te zeggen.
-
-De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar
-den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw
-nederlegden.
-
-Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!
-
-Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land
-of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat.
-
-"Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven
-moet, kan ik dat heel goed alleen af," sprak Lievensz. kalm.
-
-Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde.
-
-"Nu, jij ook, dappere jongen!" zei hij.
-
-"Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen
-doen," sprak Michiel.
-
-Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: "Mij kwaad doen, zeg
-je? Loop, jongen, aan den "Barren Bruinvisch" is geen kwaad meer te
-doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor
-altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!"
-
-Michiel boog zich over hem.
-
-"Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb,
-nietwaar?"
-
-"Ja, Bootsman!"
-
-"Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen,
-zeg haar dan, dat ik haar g'ndag gezegd heb. En laat me nu alleen,
-ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!"
-
-"Tegen wien?" vroeg Michiel verwonderd.
-
-"Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!" sprak
-Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en Michiel
-hoorde het begin van zijn gebed: "Onze Vader!"
-
-In dien tusschentijd hadden de Biscayers de "Lijnbaan" geënterd, en
-er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al
-eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas
-in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout
-wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd
-gevangen genomen.
-
-"Jij blijf af van Michiel!" riep Jan, die ineens opsprong en het
-noorden gevonden had.
-
-Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.
-
-Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde,
-den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om
-geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril
-om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot.
-
-Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de "Lijnbaan"
-lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles
-werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord
-water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede
-op in.
-
-"Geef je over!" riepen de roovers in het Spaansch.
-
-"Neen," antwoordde de bemanning van den "Lijnbaan", in het Hollandsch.
-
-"En hier heb je mijn antwoord," riep de Schipper, den Kaper-kapitein
-eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij
-onder het roepen van: "Liever verdrinken dan slaaf worden," overboord
-sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld.
-
-Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot
-der bemanning gaf zich over.
-
-De Biscayers hadden dus overwonnen en de "Lijnbaan" zou niet weer te
-Vlissingen aankomen.
-
-Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden
-hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen
-thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.
-
-Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee
-ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die
-zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven
-zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het
-Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben;
-want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim
-voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren
-Lampsens gaarne bijgepast.
-
-Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen!
-
-Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig
-aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies
-in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein
-raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien,
-maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er
-benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd
-het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of
-drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed
-gewapende matrozen hun brood en water brachten.
-
-Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen.
-
-"Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!" bromde Jan en deed
-een hapje in het harde brood.
-
-Michiel stond voor het raampje.
-
-"Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders
-stikken wij beiden hier nog," zeide Geleyn.
-
-"Ik neem de maat," sprak Michiel.
-
-"Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?"
-
-"Van mezelven en van dat raampje!"
-
-"Hi-hi," lachte Jan, "ik liever eet, ik honger heb!"
-
-"Ben ik niet de dikste van de drie?" vroeg Michiel.
-
-"Dat zal wel waar zijn," antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen
-en niet zoo bijzonder kloek was. "Waarom vraagt ge dat?"
-
-"Zoo maar! Kunt gij zwemmen?"
-
-"Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven
-jongens gewonnen."
-
-"Kunt gij zwemmen, Jan?"
-
-"Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het
-planke!" antwoordde Jan.
-
-"Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?"
-
-"Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud
-en nat is!"
-
-"Zoo," sprak Michiel, "dan heb ik een plan!"
-
-"Wat dan?" vroeg Geleyn.
-
-"Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is
-voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!" zei Michiel en nam Jan, die aan
-een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen,
-handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben,
-naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: "Als het donker is
-zullen we ontvluchten!"
-
-"Dat goed is!" sprak Jan. "Ik hier zad ben al lang!"
-
-"Ontvluchten?" vroeg Geleyn, op eenmaal van verbazing ophoudende met
-eten. "Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult."
-
-"Door dat raampje heen!"
-
-"Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!"
-
-"Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan
-schuiven er door als vet."
-
-Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen:
-"En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?"
-
-"Dat zal ik zijn; maar luistert nu," antwoordde Michiel, heel zacht
-sprekend om door niemand gehoord te worden. "Ziet ge dat touw daar
-telkens tegen het raampje slaan?"
-
-"Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!"
-
-"Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige
-ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg."
-
-"En dan?"
-
-"Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water
-zakken!"
-
-"Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen
-meerman?"
-
-"Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?"
-
-"Ja! En dat verveelt me ook al lang!"
-
-"Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb,
-die het telkens tegen de schuit duwt!"
-
-"Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles," bromde Geleyn,
-die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag.
-
-"Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed
-opgenomen!"
-
-"Ik klaar ben," zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. "Nu
-ik wegloopen wind als de vlug."
-
-"Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij
-ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien
-in duigen."
-
-"Maar dat heele plan weet ik nog niet," sprak Geleyn.
-
-"Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den ander door dat
-raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar
-dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los
-waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg
-naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!"
-
-"En waar dan heen?"
-
-"Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip
-af zijn, dan kunnen we altijd zien!"
-
-"En als we dan in den Oceaan terecht komen?"
-
-"Dat zou kunnen!"
-
-"Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken
-moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!"
-
-"Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop
-te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft," zeide Michiel.
-
-"Wat wil dat zeggen?"
-
-"Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden,
-en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen
-naar de galeien."
-
-"Hoe weet ge dat?" vroeg Geleyn, nog altijd niet met het
-ontvluchtingsplan ingenomen.
-
-"Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt,
-gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten,
-maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!"
-
-Geleyn dacht een oogenblik na en zei: "Ik ga mee, Michiel! Maar ik
-geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan
-dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets
-van bemerken?"
-
-"Zal ik eerst probeeren, Geleyn?"
-
-"We moesten dan nu maar beginnen!"
-
-"Ja, ik stuk slaan zal!" riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met
-de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.
-
-"Zijt gij krankzinnig, Jan?" riep Michiel op halfluiden toon. "Gij
-zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel
-doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en
-bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben,
-laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen."
-
-Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen,
-kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst
-gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje
-gestoken te kunnen worden.
-
-Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het
-raampje meer zien.
-
-Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van
-zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na
-hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na
-nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de
-sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door.
-
-"Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!" zei Michiel.
-
-Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij
-er met de beenen ook door was. Half vrij!
-
-Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat:
-"De pakjes!"
-
-Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige
-knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond
-en liet zich zakken.
-
-Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten
-het schip.
-
-Geleyn aarzelde nog.
-
-Waren ze niet in de diepte verdwenen?
-
-Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de
-galeien gevoerd worden?
-
-Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker
-tegen de schuit bonzen.
-
-"Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?" dacht
-Geleyn.
-
-Nog aarzelde hij.
-
-Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half
-door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening,
-liet zich zakken, zwom om het schip en--ja, daar waren Michiel en
-Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw
-van blijdschap gegeten.
-
-Daar klom Geleyn in de boot.
-
-"We dachten dat ge verdronken waart," fluisterde Michiel. "Kom gauw
-maar, er gaat eene sterke eb!"
-
-"Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van
-het schip komen," gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord.
-
-Nu ging Michiels mes door het touw.
-
-Het bootje was vrij.
-
-Met de handen duwden ze het om het schip heen en--nauwelijks waren
-ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan,
-dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw
-gegrepen had.
-
-In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien.
-
-Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen
-werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen
-hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup.
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-EENE MOEIELIJKE BEDELREIS.
-
-
-Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of
-misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden,
-lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze
-niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk
-tegen in.
-
-Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze
-waren in volle zee. Waar nu heen?
-
-Michiel keek naar de opkomende zon en zei: "Als we nu maar in die
-richting roeien, krijgen we de Fransche kust!"
-
-Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van
-Jan en Michiel,--Geleyn zat aan het roer,--niet heel vlug.
-
-"Wij komen er vandaag nog niet!" zei Geleyn met eenen diepen zucht
-en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven.
-
-"Jawel," riep Michiel, "ik voel dat de vloed op komt zetten. Die
-zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan
-de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder de
-Biscayers vast niet!"
-
-Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens
-afgewisseld.
-
-Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur
-aan een stuk stevig doorgetrokken.
-
-"Land," riep hij eensklaps. "Ik zie land, en ik wed dat we het eiland
-Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote
-meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen."
-
-Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden
-Ré en Oléron kwamen ze tegen den avond zoogenaamd te La Rochelle
-aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd;
-maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.
-
-"Wat is La Rochelle klein!" zei Geleyn. "Ik dacht, dat het eene groote
-stad was, vol leven en beweging."
-
-"Ik ook," sprak Michiel. "Mis hebben kan ik toch niet!"
-
-"Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!" riep Jan. "Ik honger, veel
-honger hebben."
-
-"Eerst maar geld hebben," merkte Michiel aan. "Ik heb niemendal uit
-te geven, want ik ben platzak."
-
-"Ik heb nog eenen zilveren duit," zei Geleyn. "Het is niet veel,
-maar toch altijd wat!"
-
-Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen.
-
-"La Rochelle lá?" vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch
-uitpakkende.
-
-"La Rochelle?" vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde:
-"Non! Arcachon, mes enfants!"
-
-Michiel had zich dus bedrogen.
-
-De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven
-den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de
-meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was
-hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen.
-
-Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun
-de Franschman aan den oever wat.
-
-Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk:
-"Nous sommes of Flushing!" Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch
-door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen:
-"Wij zijn van Vlissingen!"
-
-De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan,
-als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren
-om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: "Oui, mes
-enfants! Tout abonde en notre ville!" dat is: "Ja, mijne kinderen,
-alles is in overvloed in onze stad."
-
-"Och, die man spreekt geen Fransch," zei Michiel, doch toen
-ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: "Voulez vous vendre
-notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het
-Fransch?"
-
-Geleyn haalde de schouders op en zei: "Weet ik het? Ik kan geen
-Fransch spreken."
-
-De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord
-tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit.
-
-"Wacht, nu weet ik het," riep Michiel en den Franschen visscher
-aanstootende, zei hij nogmaals: "Voulez-vous vendre notre bateau?"
-
-Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet
-zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den
-zak en liet die Michiel zien.
-
-"Beter wat dan niemendal," dacht Michiel en zei: "Oui, voilà la
-bateau! Santé avec-avec le hebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik
-weet niet welke landsman je bent!"
-
-De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei
-verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet
-hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk
-een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had.
-
-"Dat is me hier toch even een modderland!" zei Geleyn, die weldra
-tot over de voeten in het slijk liep.
-
-"O, dat wat is?" riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk,
-hard en zonderling geluid.
-
-Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze
-niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen
-moesten om te Arcachon te komen.
-
-"Hoe!" schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te
-spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt.
-
-De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor
-zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op.
-
-"Het is een roerdomp," zei Geleyn. "Die dieren leven hier veel,
-naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert,
-ziet ge er nog veel meer."
-
-"Neen maar, zeg, kijk eens," riep Michiel op eens.
-
-"Waar?" vroegen Geleyn en Jan tegelijk.
-
-"Wel daar," antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar
-eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop
-ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.
-
-Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens
-aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die
-uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit
-eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat,
-wat Michiel deed uitroepen: "Neen maar, zeg, kijk eens!" was dat ze
-allen hooge stelten onder de voeten hadden.
-
-"Menschen en vogels doen hier al even raar," zeide Geleyn. "Welke
-lui zijn dat toch, die daar zitten?"
-
-"Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier
-al in eene vreemde streek om wat te verdienen," meende Michiel.
-
-Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze
-hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen.
-
-Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien,
-die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde
-had hangen.
-
-Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd
-haperde, en riep maar: "Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal
-ooievaar! Hi-hi!"
-
-"Nu begrijp ik het al," zei Geleyn. "Dat zijn geene kunstenmakers:
-maar om niet zoo door de modder te moeten ploeteren in dit slijkland,
-loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver
-loopen er nog!"
-
-Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was,
-dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat
-te eten en te drinken hadden.
-
-Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten
-makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der
-geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had.
-
-De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen,
-doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het
-bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak.
-
-Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in
-drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden,
-aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig
-van lekker af.
-
-Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet
-veel troost.
-
-Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De
-menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst
-geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag:
-"Paris?" naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan.
-
-Het was me het tochtje wel!
-
-Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze
-niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van
-doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.
-
-Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de
-voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar
-verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op
-het veld, soms zelfs zoo maar aan den kant van den weg onder eenen
-boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen.
-
-"Paris?" vroegen ze maar.
-
-"Voilà," zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag
-waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen
-wilde om verder te komen.
-
-Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen
-rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar
-telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van
-de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: "Laat ik nog
-eenen dag wachten!" Dat zei hij evenwel iederen keer--de Geldersche
-rijder kwam niet van de borst af.
-
-Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk
-op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken
-bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de
-pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een
-Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op.
-
-Michiel watertandde ervan; hij bleef staan en stamelde: "Monsieur,
-bon monsieur!"
-
-Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij
-naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg:
-"Venez-vous de Paris?"
-
-Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd,
-dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: "Komt ge van Parijs?"
-
-"Non, monsieur! Moi kom- kom- van la ville Arcachon!" zeide Geleyn.
-
-"Quoi!" riep de Geestelijke. "Quoi, d'Arcachon? C'est
-impossible! Impossible!" ("Wat? Van Arcachon? Dat is
-onmogelijk! Onmogelijk!")
-
-Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door
-teekenen te kennen te geven, dat ze door Biscayers gevangen genomen
-waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen.
-
-"Kom hier, Jan!" riep hij.
-
-Jan naderde.
-
-"Geef me uwe beide handen!" beval Michiel.
-
-Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de
-handen uit.
-
-"Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door
-de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn
-ontsnapt." Michiel bond met eenen doek Jans handen vast.
-
-"Monsieur," zei hij op Jan wijzende, "Hollandais! Moi Hollandais,
-et Geleyn aussi Hollandais!"
-
-De Geestelijke lachte.
-
-Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had,
-en begon te doen, alsof hij sloeg.
-
-"Biscayer, monsieur, un pirate!"--("Biscayer, mijnheer, een
-zeeroover!") sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en
-tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel
-genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als:
-"Ik begrijp u een weinig!"
-
-Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de
-handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep,
-wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.
-
-"Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et
-moi!" ("Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!") sprak
-Michiel.
-
-En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat
-de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch.
-
-"Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter
-me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan: Libre, libre, bateau,
-Arcachon," zeide Michiel.
-
-"Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!" sprak
-Geleyn, en op het "Los!" van Michiel, lieten ze alle drie de handen
-vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met
-hunne doornstokken in het zand te roeien.
-
-
-
-------
-FIGURE
-------
-
-
-
-"Libre! Vrij! Bateau! Arcachon!" riep Michiel, hierin trouw door Jan
-en Geleyn geholpen.
-
-Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo
-luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar
-altijd roeiden.
-
-"Riemen in!" beval Michiel.
-
-Jan en Geleyn hielden op met roeien.
-
-"De boot uit!" klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van
-hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op.
-
-"Libre! Libre! Vrij! Voici, Arcachon!" riep Michiel.
-
-Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie
-knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er
-een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had,
-wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de
-vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke,
-en wierp er in, wat hij missen kon.
-
-Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk
-zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van
-den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de
-oogen stroomden: "God de Heere zegene U!"
-
-Of de Pastoor dat verstond?
-
-Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen
-hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: "Mes pauvres
-garçons!"
-
-Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de
-jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.
-
-Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich, zoodat onze
-drie knapen met den Geestelijke alleen bleven.
-
-Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en
-water en wijn voorzetten.
-
-Wat de jongens hun best deden!
-
-Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen
-van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel,
-doch maakten geen kruis.
-
-Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de
-plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden,
-kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht
-ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene
-heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend,
-zei hij: "Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!" ("Vaarwel,
-mijne kinderen! God helpe u!")
-
-Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man,
-kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon
-was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop
-verwijderd had.
-
-Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.
-
-Het was eene der voorsteden van Parijs.
-
-De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen
-voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene
-Hollandsche familie wist te wonen.
-
-De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan.
-
-De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg
-daar of hier Hollanders woonden.
-
-"Jawel," zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes
-Hollandschen haring stond, "ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge
-dat?" Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil
-doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht.
-
-De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks
-had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was,
-of hij zei: "Welkom in Parijs, jongens! Gij hebt me dan zoo even een
-aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!"
-
-Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden
-rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de
-Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van
-blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer
-niet gezegd had: "Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij
-heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen."
-
-Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en nadat de
-vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten
-geschenke gegeven had, reed hij heen.
-
-De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne
-des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke
-vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het
-zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in
-eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen.
-
-"En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens
-schoenen en wat betere kleederen koopen," sprak Michiel, en legde
-het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras.
-
-Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.
-
-Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene,
-Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder
-zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,--ze lagen misschien
-wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak
-de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug,
-ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak,
-en maakte zich van den schat der arme jongens meester.
-
-Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker!
-
-Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten
-meer te zien.
-
-"Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar
-den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!"
-
-Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel
-pret en waren eindelijk klaar.
-
-"En nu nog het beste van alles," riep Michiel, de matras oplichtend,
-maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: "Ons geld
-is gestolen! Ons geld is weg!"
-
-"Hebt gij het niet al in den zak gestoken?" vroeg Geleyn, die niet
-minder schrikte.
-
-"Neen," zei Michiel.
-
-Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was,
-te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan
-zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: "Leelijke sausneger, is ons
-dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!"
-
-Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik
-en verdriet.
-
-"Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee,
-wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar
-verdrink moet alle drie!"
-
-Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch
-daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld
-al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit.
-
-De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne
-vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere
-landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit.
-
-Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie
-onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall
-haantje de voorste te spelen, oorzaak was van het stelen van het geld,
-en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles
-zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en
-scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn
-eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten
-te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan
-Michiel overliet.
-
-Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich
-doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden,
-en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van
-bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door
-eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten.
-
-Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de "Lijnbaan" in
-Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er
-eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het
-met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was.
-
-"Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op
-den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de
-"Lijnbaan" met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw,
-en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans
-aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten
-komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor,
-alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge
-nog op den koop toe!"
-
-Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine
-vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan
-hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.
-
-Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de "Lijnbaan"
-liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje
-van Adriaen.
-
-Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zich aan tafel,
-toen Alida binnenstormde en uitriep: "Moeder, Moeder, onze Michiel
-is terug!"
-
-Alida Jans keek op.
-
-Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep
-in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien,
-dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!
-
-"Kind," riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet
-achterover te vallen, "kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes
-maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen,
-duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan
-mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem
-gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes
-boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op
-aarde niet meer terug. Hij is dood." [5]
-
-"Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen
-en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!"
-
-"Moeder, Moeder, Michiel is terug!" riep Dirk, toen hij nog niet eens
-in huis was.
-
-"Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en
-danken? U danken, dat ik mijnen jongen nog zal kunnen zien, eer mijn
-aardsche huis afgebroken wordt!" stamelde Moeder Alida.
-
-Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden
-op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: "Sinjeur,
-Sinjeur, is het waar, is het waar, dat mijn jongen thuis is?"
-
-Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk
-antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende,
-dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: "Ja,
-goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat...."
-
-"Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!" schreeuwde
-Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals.
-
-Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die
-groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en
-die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: "Goed,
-lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!"
-
-Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van
-die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon
-naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel.
-
-"Wat scheelt er aan, Cornelis?" vroeg zijn broeder Adriaen, die niet
-zoo gauw de kluts kwijt was.
-
-"Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was
-hartverscheurend!" antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag
-van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel.
-
-Vier weken later was Michiel aanboord van de "Vlissingen". Hij ging
-naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die
-op een ander schip overging, achter.
-
-Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.
-
-Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman
-weggeloopen was.
-
-Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!
-
-Maar Moeder Alida's stoel stond ledig.
-
-De tering had de arme vrouw weggerukt.
-
-En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman
-geknield, bitter schreiende en fluisterende: "Wel te rusten, lieve,
-goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!"
-
-Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje
-op het graf van hare oude vriendin brengen.
-
-Zij gingen samen naar huis die twee en--werden later een paar.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE AFDEELING.
-
-MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-BIJ DEN MAN IN HUIS.
-
-
-We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof
-het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is.
-
-Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de
-geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en
-Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.
-
-Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd
-afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter
-en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg,
-noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom,
-maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en
-de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche
-reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden
-het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt
-men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen
-gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het
-fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstad met de zee
-verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven,
-niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden,
-toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft.
-
-Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in
-geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer
-het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten
-wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd,
-zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en
-denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje
-klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en
-diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten
-kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken,
-manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen
-nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders
-en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne
-pennen te bijten.
-
-Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar
-evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal,
-waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die
-door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met
-ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op
-te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog
-met nadeel en schade voeren.
-
-"Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt,"
-mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten
-hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.
-
-"Hij moet van zijn ambt ontzet worden!" roept er een.
-
-"Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!" schreeuwt een ander.
-
-"Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geen beleid en
-dapperheid genoeg heeft dien te voeren?" laat een ander zich hooren.
-
-"Onze eigen schuld," zegt een vierde, "waarom benoemen de Staten van
-Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de
-zee niet evenveel belang als de Hollanders?"
-
-"Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is
-uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie
-baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten
-en geenen knip voor den neus waard zijn," klinkt de stem van eenen
-matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk
-een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in
-zijne stem: "Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans,
-en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar
-kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn
-koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven."
-
-Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit
-den hoop vindt dat toch te kras en zegt: "Hei, hei, dat is al te
-boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig
-in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de
-Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was
-het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen,
-die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en
-dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!"
-
-"Een gedeserteerde Zeeuw!" roept op dit oogenblik een der hoorders.
-
-De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: "Neen, niet
-gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De
-Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en
-macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan
-alle perken en palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van
-één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons
-als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden,
-door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige
-gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands
-oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren
-en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen
-moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben,
-die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal."
-
-Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden
-stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een
-varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide:
-"Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar
-den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt
-ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid
-laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het
-opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen
-Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne
-plaats treden, dat is de heele zaak."
-
-"En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te
-maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen
-te verliezen. Wij willen Tromp niet," riep een burger uit den hoop.
-
-"Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat
-is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij
-in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den
-dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze
-Republiek door de Roôrokken...."
-
-"Zeg Koningsmoorders", riep er een.
-
-"Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene
-kleinigheid zou komen te lijden. En hoe tergend voor elken zeeman van
-de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen
-ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid
-te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te
-zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels
-beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die
-beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht
-werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we
-nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman,
-die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt
-en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst
-alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me
-dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is
-op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde
-wilde varkens. Een Stadhouder alleen...."
-
-"Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen,"
-klonk eene ruwe stem.
-
-Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat
-altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene
-veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De
-verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een
-bloedig burgergevecht te voorkomen.
-
-Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: "Wat is er gaande?"
-
-Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze
-geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal
-terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.
-
-De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland,
-dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier
-republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel
-veel deugden bezat, iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven
-duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die
-Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer
-nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche
-gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen,
-keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde
-Engeland de zoogenaamde "Acte van navigatie" of "Scheepvaart-wet"
-uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die
-wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere
-waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen
-van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot
-dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij
-en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt
-vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten
-dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde
-Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat
-wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell
-gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek,
-vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man
-thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen.
-
-Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige "Scheepvaartwet" niet
-stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden
-schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon
-bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de
-vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen,
-door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel
-nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in
-volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche
-schepen van dat "zichzelven aangematigd recht" gebruik gemaakt,
-ja, eenige vaartuigen genomen hadden, werd Marten Harpertsz. Tromp
-met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg
-evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk
-te voorkomen. Zijn last luidde als die, welken de Staten-Generaal
-aan alle Bevelhebbers medegaven:
-
-"Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen,
-Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte
-neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende
-vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot
-cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken."
-
-Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat
-"geene kleinigheid" zou komen te lijden.
-
-Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen
-tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te
-beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich
-gehaast heeft om door het strijken der vlag "alle courtoisie"
-te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen
-beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en
-minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij
-mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon
-Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide
-marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde
-Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles
-werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet
-en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp
-stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen,
-waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu
-meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke
-vuur niet beantwoordde en--de Eerste Engelsche oorlog, die ons
-op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî,
-dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld van
-Tromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den
-oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen,
-en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het
-volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere
-Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen
-tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.
-
-Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen
-bevinden.
-
-Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen
-te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen
-zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende
-schippers wonen.
-
-Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het.
-
-Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed
-den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper
-in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.
-
-Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is
-terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed
-doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes
-op het droge heeft.
-
-De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel
-Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna
-Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze
-mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand
-nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De
-Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede
-vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog
-aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had,
-toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had
-De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,--Cornelia,
-die dertien,--Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was.
-
-Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel
-in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als
-Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven
-was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje
-bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en
-ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook
-eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had
-ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel,
-hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had.
-
-Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna,
-die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder,
-die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die
-daarin dan ook wonderwel slaagde.
-
-Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?
-
-Wel, boven op de kinderkamer.
-
-Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst
-knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in
-slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.
-
-Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?
-
-Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer
-niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter?
-
-Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat
-gelijkt nergens naar!
-
-Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd heeft, vraagt
-ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw,
-waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken,
-en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen
-gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel,
-dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeft Schipper De
-Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne
-rariteiten-kamer.
-
-Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling
-papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia
-en Alida.
-
-Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven
-staat: "Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter,
-voerende de "Zeehond" ende kruysende teghens die Duinkercker caepers
-in den jare onzes Heeren J. C. 1637.
-
-Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen
-we de kamer even op.
-
-Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als
-Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat
-mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier
-een plaatsje.
-
-Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.
-
-We vinden maar een stuk of wat boeken.
-
-Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast
-ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen
-hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als
-Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit
-zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen.
-
-Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel
-hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne
-buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten
-te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen
-worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs,
-kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld:
-"Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje." Als ik het wèl heb, zult ge
-Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt,
-want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten
-tijde der twisten tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten,
-is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate
-ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde
-waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter,
-die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt
-niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der
-Contra-Remonstranten.
-
-Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens
-de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat
-Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en
-gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.
-
-"Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte
-ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik
-vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het
-bovenste blad stond: "Journael." Ik maakte het open, en begon te
-lezen. Raadt eens wat?"
-
-"Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op," zeide Cornelia. "Zeg
-het ons maar dadelijk."
-
-"Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?"
-
-"Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan
-zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!"
-
-"Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel
-zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper,
-Kapitein en Schout-bij-nacht!"
-
-"Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen
-vertellen?" vroeg Cornelia.
-
-"Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al
-ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?"
-
-"Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?"
-
-"Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel
-daar tegenwoordig weinig te zien is, zoo is Vader daar nog altijd
-te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield,
-hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen
-en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo
-pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het
-is eene goede gelegenheid."
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-HET VOORSPEL VAN EEN HELDEN-LEVEN.
-
-
-Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn
-Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon
-om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar
-oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood
-zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan
-niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaen zoo al vertelt.
-
-"Op zijn vierentwintigste jaar," zoo begint Adriaen te vertellen,
-"was Vader al Stuurman op "de Groene Leeuw", die op Groenland voer,
-doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond
-hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij
-voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen:
-hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland
-kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen.
-
-"Schipper," zei de Stuurman, "dat is, als ik het wel heb, om ons
-te doen."
-
-"Dat is het ook, mijn jongen!" antwoordde Vader.
-
-"Willen we probeeren hem te ontzeilen?"
-
-"Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden, die
-Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en
-zijn op snel zeilen gebouwd."
-
-"Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter
-worden?"
-
-Vader bedacht zich een oogenblik en zei: "Ik weet wat, jongen! We
-zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan
-enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij
-hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!"
-
-Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het
-want, alles werd met boter besmeerd.
-
-"Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter," zeide Alida,
-bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam.
-
-"Ja, zonde, zonde," hernam Adriaen, "maar het was toch beter drie
-of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te
-wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen
-ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde,
-Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper,
-die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek,
-dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne
-schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij
-gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader
-tot het volk: "Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting,
-bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde
-klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing
-staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er
-nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne
-bekomst, dat hij zelfs geen, "dankje wel, maat," kan zeggen. Begrepen?"
-
-"Ja, Schipper, opperbest," zeiden de matrozen en kwamen ieder met
-eenig wapen aandragen.
-
-De matrozen hadden de grootste pret van de wereld en stonden geduldig
-te wachten tot er een kaper overspringen zou.
-
-Het schip draaide bij.
-
-"Springt over!" kommandeerde de Kaper-kapitein.
-
-Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander
-lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met
-zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte
-in zee.
-
-Wip, daar ging nummer twee!
-
-Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde,
-dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan,
-gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen
-gezelschap houden.
-
-Wip, daar ging nummer drie!
-
-Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip
-aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij
-niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool
-met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf
-de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den
-knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en
-bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel
-en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen
-er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen.
-
-"Dat zal ik eens beter doen," riep één van de kapers, die voor
-zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden
-op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een
-hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal
-vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat
-hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven
-liggen waar hij lag.
-
-Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen
-en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip
-betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.
-
-Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken,
-toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de
-menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was,
-kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd
-door iedereen toegejuicht en geprezen.
-
-"Dat wil ik wel gelooven," zei Cornelia, "want het was meer geluk
-dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene
-belooning ervoor gehad hebben?"
-
-"Dat denk ik wel," antwoordde Adriaen. "Maar laat ik verder
-vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen,
-die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich
-van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança,
-gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden
-al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de
-nieuwe Koning was slim.
-
-"Jongens," dacht hij, "die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog
-met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden,
-konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen
-te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog
-even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de
-Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vloot van
-twintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en
-den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte
-geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan
-te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene
-schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht
-geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook
-wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik
-Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht,
-viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer
-Vader als Hoofdofficier van de vloot uit [6]. Zijn schip heette "de
-Haze". In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij
-kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot
-veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren,
-die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo
-gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het
-werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden
-amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in
-zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan
-ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer
-genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en
-helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar
-evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden,
-of een zeegevecht ook een mooi gezicht was.
-
-In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan,
-en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen.
-
-Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch
-oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op
-hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading
-inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was
-zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel
-grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard
-zag, dat Vader zich maar niet zonder slag of stoot overgaf, begon
-hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan
-de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt
-geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel
-zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde
-Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die
-aan zijn eigen boord.
-
-Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein.
-
-"Zeg eens, vriendje," vroeg Vader aan dien Kapitein, "als wij het
-nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan
-gedaan hebben?"
-
-"Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit
-te steken!" antwoordde de Spanjaard.
-
-"Wel, dat was een brutale kerel," zeide Cornelia.
-
-"Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar,
-Adriaen?" vroeg Alida.
-
-"Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en
-gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord
-te smijten."
-
-"Vergeving! Vergeving!" riepen ze nu en vielen, met den Kapitein
-voorop, aan Vaders knieën. "Vergeving, Señor!"
-
-"Welnu," sprak Vader, "ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra
-we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!"
-
-Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden
-een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch
-nog beter dan ze verdiend hadden.
-
-Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt,
-en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen
-en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene
-kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt,
-dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik
-heb-je. De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan
-uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van,
-door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen."
-
-"Hé", riep Alida, "en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij
-dat doen?"
-
-"Wel," vervolgde Adriaen, "ge weet niet, meid, wat Vader niet al
-durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij
-kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was,
-in het gezicht van Salee."
-
-"Jongens," dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen
-om schepen te vangen, "jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te
-pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit,
-mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!"
-
-En daar kwamen ze op Vader af.
-
-"Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!" dacht
-Vader en ging hierop naar den Stuurman.
-
-"Zeg eens, Stuur," zeî Vader, "dat zijn daar vijf Algerijnsche
-roofschepen, ziet gij het wel?"
-
-"Ja, Schipper," was het antwoord. "Maar ik zie ook dat het vijf
-geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote
-Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik
-niet thuis weet te brengen!"
-
-"Dat heb ik ook gezien," zei Vader, "en weet ge wat we nu doen
-zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar
-vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en
-dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm
-slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts
-een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht
-bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een
-lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit,
-doen alsof we vluchten!"
-
-Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen
-den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf
-Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard
-aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem
-de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw
-geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog
-twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de
-haven van Salee binnen.
-
-De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de
-haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een
-gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader
-er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard
-gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier,
-in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die
-eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om
-zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd
-van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo
-al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het
-Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.
-
-Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel
-te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.
-
-"Neen, Meneer," zei Vader en schudde het hoofd, "u krijgt het geenen
-duit minder!"
-
-"Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet
-ge het mij geven!" sprak de man op hoogen toon.
-
-"Ik mag het niet minder geven, Meneer!" antwoordde Vader. "De reeders
-van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet
-onder de markt verkoopen!"
-
-"Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan,"
-sprak de Moor.
-
-"En ik geef het er u niet voor, Meneer," zei Vader heel kalm. "Ik
-geef het u liever ten geschenke."
-
-"Koppige christenhond," riep nu de Moor, "weet gij dan niet, dat
-ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven
-verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs,
-dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult
-gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!"
-
-Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader
-aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs
-af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij
-hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.
-
-"Ik geef niet toe," sprak Vader, "en straft de Sheyk me, welnu, dan
-zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier
-met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg
-dat uwen Meester!"
-
-Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden
-Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen
-prijs te geven.
-
-"Neen," antwoordde Vader, "hij moet weten dat hij met eenen man te
-doen heeft."
-
-Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen
-toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden
-geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: "Neen, Meneer! Gij krijgt
-het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd
-heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt
-verkoopen, dat doe ik niet!"
-
-Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van
-angst te beven. Wat zou er gebeuren?
-
-De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den
-schouder en zei: "Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij
-blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd
-zijt. Geef hier het laken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt,
-en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven." Hij drukte
-Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij:
-"En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest
-op uwe beurt mij ook zoo trouw!"
-
-Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig
-op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het
-binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven
-vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche
-kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk
-bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op
-te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.
-
-Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had,
-viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande
-geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk
-hadden, trachtte Vader, door te praten als Brugman, den Kaper-kapitein
-te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof
-aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde
-Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan.
-
-"Ik dank u," zei Vader beleefd.
-
-"Wat!?" riep De Lalande, "drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd
-van zijn, dat hij oud en goed is."
-
-"Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe," sprak
-Vader. "Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts
-vrijen menschen schenkt men wijn!"
-
-De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî:
-"Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!"
-
-"Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande,"
-sprak Vader. "Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst
-te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk
-kan zijn."
-
-Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van
-den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende
-koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van
-het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers
-in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en
-ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het
-maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar
-wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij
-te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van
-den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te
-hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan
-had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten,
-voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten
-te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals
-doen. Nu dachten de kapers: "afblijven van "den dien" dat is er een met
-tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!"
-
-"Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd
-schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker."
-
-Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en
-zijne zusjes waren.
-
-"Hij komt ook luisteren," zei Cornelia.
-
-"Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?" vroeg Alida. "Zijt ge wakker,
-ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!"
-
-Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine
-potjes ook ooren hebben.
-
-"Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen," zeide nu
-Cornelia.
-
-"Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij
-kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg
-een Engelsch oorlogsschip. We waren toen wel al jaloersch op mekaêr,
-maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij
-op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene
-beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse
-kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat
-gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén
-man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en
-nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter
-bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet
-wondervol behouden?
-
-"Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te
-praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig
-en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was,
-moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in
-eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!"
-
-"Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat," zeide
-Alida. "Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden."
-
-"Ja," sprak Cornelia, "en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan
-heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?"
-
-"Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk eens, van dien heelen
-stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu
-morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb,
-zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet
-wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen,
-en hij kan zóó thuiskomen!"
-
-De "Journalen" werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en
-nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de
-gang in.
-
-"Vader, Vader," riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader
-tegemoet liep.
-
-De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op,
-gaf hem eenen zoen en zei: "Dag, groote kerel!"
-
-"Dag, Vader," sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen
-teruggegeven had, zei hij: "Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit
-zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst
-lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?"
-
-Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had.
-
-"Adriaen," riep De Ruyter.
-
-Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig
-en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide:
-"Wat belieft u, Vader?"
-
-"Dat zal ik u straks zeggen," antwoordde De Ruyter. "Vertel eerst
-maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder
-aan de wasch?"
-
-"Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!"
-
-"Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?"
-
-"Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het
-merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader,
-wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!"
-
-"Komt eens hier, Cornelia en Alida," sprak De Ruyter. "Wat ik te
-zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!"
-
-Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.
-
-"Luistert, kinderen," sprak De Ruyter. "Adriaen vroeg me daar zoo even,
-wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer
-zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in
-mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu
-misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper
-en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar
-gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch,
-let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemand over
-spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof
-en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik
-hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te
-loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland
-en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?"
-
-Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle
-menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een
-uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne "Scheeps-journalen"
-te vernietigen. [7]
-
-Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem
-storen met te zeggen: "Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om
-u te spreken!"
-
-"Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?" vroeg De Ruyter eenigszins
-verstoord opziende.
-
-"Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren
-van de Staten van Zeeland!"
-
-"Van de Staten van Zeeland?" zeide De Ruyter. "Ik kom!"
-
-Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen.
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-IN DIENST VAN HET LAND.
-
-
-"Goeden middag, Heeren!" sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te
-gemoet trad.
-
-"Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!" was
-het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der
-Heeren Afgevaardigden aldus:
-
-"Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer
-De Ruyter?"
-
-"Hoe dat zoo?" vroeg De Ruyter?
-
-"Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op
-zee uitziet!"
-
-"Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren,
-ik ben er daarom geen vijand van!"
-
-"Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u
-het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten
-van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!"
-
-"En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben,
-Heeren?"
-
-"Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden
-is over den Luitenant-Admiraal Tromp!"
-
-"Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!"
-
-"En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!"
-
-"Dat weet ik niet, Heeren!"
-
-"Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas
-en dat is zijne schuld!"
-
-"Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering
-aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor
-te stellen?"
-
-"Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op
-u te nemen!"
-
-"Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik
-heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij
-toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en
-kinderen!"
-
-"De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en
-zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar
-zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde
-Vaderland is."
-
-"Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in
-dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen."
-
-"Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en...."
-
-"Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen
-Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is."
-
-"Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!"
-
-"Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij,
-zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord
-hebben. Ik vereer Tromp hoog."
-
-De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over
-Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man,
-die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf:
-"Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij
-u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt."
-
-"Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken,
-Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank
-dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!"
-
-"Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat
-begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen
-de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen
-aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopend om
-de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men
-zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?"
-
-"Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en
-beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár
-heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg
-heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal."
-
-"Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig
-begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal
-niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien
-tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne
-plaats vervangt."
-
-"Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man,
-die telt voor eene heele vloot!"
-
-"Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet,
-wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg,
-en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen
-vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!"
-
-"Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch
-waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en
-dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont,
-die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft,
-ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of
-geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot
-hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen
-lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht
-slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen
-minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel,
-heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer
-aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid en zonder hulp
-der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen."
-
-"En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen
-te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?"
-
-De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw
-vragender-wijze van terzijde aan.
-
-Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: "Help ons, Mevrouw,
-uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij
-behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!"
-
-"Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen
-zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!"
-
-"Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer
-De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop
-uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland
-die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige
-krachten toegerust heeft."
-
-De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer
-naar Middelburg.
-
-En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?
-
-Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als
-Vice-Kommandeur.
-
-De Edelmogenden van Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit
-berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den
-bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in
-Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: "Redder van
-het Vaderland." Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze
-dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid
-en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn
-Admiraals-schip "De zeven Provinciën" zou de schrik van den vijand,
-de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden.
-
-Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan
-zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst
-het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde
-Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652,
-zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden
-de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen:
-Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter!
-
-Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in
-last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door
-het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd,
-dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij
-bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij
-sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de
-Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou.
-
-Van onze kennissen bevond zich aanboord van de "Neptunus" het
-schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige
-Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk
-verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat
-er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De
-knaap was verbazend zwak en bleek.
-
-"Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen,
-Vader?" vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten
-Augustus.
-
-Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die
-beiden viel, mompelde: "Een verschil tusschen die twee als van dag
-en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer
-genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader."
-
-"Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor," was het antwoord. "De
-timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien."
-
-Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra
-een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen:
-"Daar komen ze, Vader!"
-
-De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle
-schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking,
-die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond,
-die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter
-missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.
-
-"Kijk, Vader," riep Adriaen vijf dagen later. "Daar liggen de
-afgezonden schepen ons al te wachten."
-
-"Zijt gij wel dwaas, jongen," sprak De Ruyter. "Zij daar zullen heel
-wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u
-raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen,
-komen wij er niet af."
-
-"Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben
-ik niet uw zoon?" riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende
-oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken.
-
-Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog
-welde, tegenhouden.
-
-"Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang
-zal zijn?"
-
-"Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij
-u zult overspannen!" antwoordde De Ruyter.
-
-"Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel
-even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik
-moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!"
-
-"Nu, blijf dan, jongen!" klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei,
-kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten
-jongen.
-
-"Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper," sprak De
-Ruyter tot den Kapitein van de "Neptunus", terwijl deze hem voorbij
-kwam. "Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts
-drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de
-Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen."
-
-De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende
-Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.
-
-"Mannen," sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten
-was, "laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men
-telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik
-zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder
-bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein
-Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren,
-tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!"
-
-De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde
-en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke
-wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der
-musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van
-het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot
-hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in
-flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: "Vivat! Hoezee! Weg met
-de Koningsmoorders!"
-
-Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te
-sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide:
-"Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!"
-
-De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven,
-stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze
-vloot verschrikt terugkeeren.
-
-Ook het volk van "De Vogel Struis", een koopvaarder, die dienst als
-oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein
-van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en
-dreigde deze in het kruit te steken, als het volk nog eenmaal van
-wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een
-man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat,
-hadden alle schepen het voorbeeld van "De Vogel Struis" gevolgd, de
-Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou
-zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders
-behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue,
-een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna
-allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de
-Regeering zijns lands in ongenade.
-
-Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen
-nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel
-onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en
-meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden.
-
-Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader
-te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch
-zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en
-den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven,
-hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker
-en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van
-het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar
-zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van
-Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden.
-
-Doch keeren we tot ons verhaal terug.
-
-De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der
-zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in
-de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende
-koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot
-verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee
-uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz. De With te
-vereenigen en onder het opperbevel van dezen "dapperste der dapperen"
-had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke
-zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze
-Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.
-
-In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan,
-en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur
-telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de
-lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te
-veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp
-opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze
-daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij
-niet aarzelde, maar "dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat
-in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben,
-zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam."
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-DE VICE-ADMIRAAL.
-
-
-Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te
-zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten
-December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar
-zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen
-bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte
-Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel
-over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: "Het Lam."
-
-Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en de Engelschen onder
-den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden
-alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte
-Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik
-goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige
-jaren vroeger hebben plaats gehad.
-
-De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal "den grooten
-Tromp."
-
-Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het
-Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht
-ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd
-vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht
-worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags
-te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats.
-
-De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was
-de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip
-"The Prosperity." Nadat hij veel van het geschut van den vijand
-geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken
-volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman,
-die hen evenwel weer verdreef.
-
-"Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog
-eens gedaan!" zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd
-en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd.
-
-Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was,
-of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde
-zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger,
-duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen
-weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.
-
-"Daar gaan de schelmen, Michiel!" schreeuwde Jan Evertsen door den
-scheepsroeper De Ruyter tegen.
-
-"Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen," antwoordde De Ruyter. "Maar er
-door heen moeten we, halen waar halen!"
-
-En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen
-vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.
-
-"Ha, jongens, dat is er door!" zeide hij toen hij het gevaar te boven
-was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. "Dat heeft
-er gespannen zou ik zoo meenen."
-
-"Ja," zeide de Kapitein, "maar zie eens hoe ons "Lam" er uit ziet! We
-zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos
-geschoten!"
-
-De Ruyters oogen flikkerden.
-
-"Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve
-Vaderland!" riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins,
-en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het
-gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan,
-brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen,
-noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten,
-en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den
-vijand verlaten.
-
-Maar hoe zag zijn schip er uit!
-
-De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden
-kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield,
-bijna niet instaat eenig zeil te voeren!
-
-Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met
-een "Onze Vader!" en een: "Een-twee-drie, in Godsnaam!" overboord in
-de diepte van het Kanaal neergelaten.
-
-Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe
-daden spreken voor u!
-
-En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp,
-meer dan dertig gekwetsten.
-
-Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking
-verschijnt?
-
-Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.
-
-"Hier ben ik, Bestevaêr!" zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.
-
-"Dat zie ik, De Ruyter," antwoordde deze. "Dat zie ik, en de Hemel
-gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn
-weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip,
-hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit
-mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw
-schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is."
-
-"Ik zal komen, Admiraal!" is De Ruyters antwoord en den volgenden
-morgen is de held waar hij zijn moet.
-
-"Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons "Lam" aan," zeide
-de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.
-
-"Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit
-verbergen," antwoordde De Ruyter. [8]
-
-En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het
-midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een
-vat zonder stuur, op de baren dobberde.
-
-Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep:
-"Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr
-Tromp ons helpen!"
-
-De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen
-Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen.
-
-En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malen hadden de Engelschen
-beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen,
-doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de
-aanval vernieuwd worden.
-
-De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers.
-
-Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze
-gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw
-niet op.
-
-Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van
-Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: "Als het
-nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!"
-
-Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de
-Admiraal nu uitdeelen.
-
-Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag
-een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare
-dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer
-ze in het westen ondergaat.
-
-Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens
-naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt
-te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet
-den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken,
-daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan.
-
-"Valt aan! Valt aan!" klinkt het van boord tot boord der Engelsche
-schepen, en, het gebeurt.
-
-Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna
-elke kogel bereikt zijn doel.
-
-"Gered!" klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de
-vijand trekt af.
-
-Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende,
-steeds achteruit gegaan. Onze schepen hadden minder diepgang
-dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als
-de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij
-zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de
-Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel
-om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest
-zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de
-Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich
-in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder
-Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden
-doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt,
-dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man,
-die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had
-hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare
-schatten in behouden haven gebracht.
-
-"Gered!" klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder
-éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog
-een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet.
-
-Het is "Het Lam" van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd
-thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het
-is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen
-wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt,
-dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit,
-dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: "Hoezee! Hoezee! Voor
-Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope
-zal worden! Hoezee!"
-
-Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en
-zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer
-in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die
-weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfden
-en dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot,
-die maar zoo wat "opgelapt" was en voor de zooveelste maal gebrek
-aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid,
-dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche
-vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden
-als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson,
-die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.
-
-Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering
-toesnauwde: "Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne
-Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester
-van ons en diensvolgens van de zee!"
-
-En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den
-lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de
-toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van
-tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef
-hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?
-
-Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door
-zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en
-daarom zeide hij open en rond: "Ik zal niet meer in zee gaan voor en
-aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft."
-
-Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich
-telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken
-allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op 's
-Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel
-beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten
-ontzag om den oorlog goed te voeren.
-
-Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man,
-die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt
-niets anders dan hun dienaar, maar door zijne groote kennis, zijnen
-helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd.
-
-Deze man was Johan De Witt.
-
-Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der
-Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door
-zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen
-betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat
-gebracht werd. Maar--
-
-Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.
-
-Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee?
-
-Het zijn kanonschoten.
-
-In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt
-Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij
-andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze
-kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal
-ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal
-zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen
-laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is
-gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en
-reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen:
-"Ware ik voor hem gestorven!" Nog meer is er gebeurd. Met zijn
-masteloos en tot wrak geschoten schip "Het Lam" is De Ruyter reeds
-naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven
-al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot
-gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de
-Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang
-met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al
-weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar
-noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De
-Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna
-niet instaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning
-toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar
-men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en
-de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten,
-dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden.
-
-De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen
-oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland,
-nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te
-zetten, en--de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden,
-die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.
-
-Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der
-Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van
-Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman
-te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde,
-dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die,
-even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland
-ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men
-onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld
-tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de
-held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de
-welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen
-de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de
-Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam,
-van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap
-vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke
-betrekkingen te kunnen mededingen.
-
-In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656
-verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche
-zeeroovers te tuchtigen, en dat hij zich van dien last goed kweet,
-kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden.
-
-Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten
-wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel
-andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen
-ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-ALWEER DE "BARRE BRUINVISCH".
-
-
-In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering
-gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra
-in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was
-Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende,
-dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de
-zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer
-kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van
-Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die
-juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort
-verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van
-Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig
-schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene
-belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in
-oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en
-nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten
-ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de
-belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang
-of onze handel vorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche
-zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel
-Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar
-de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel
-op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij
-stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist
-op zijn bijna aan splinters geschoten schip. "Dat hy een lyck werd
-koste syn viandt duysent lycken," zeide een zijner lofdichters. Karel
-Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg
-aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving
-het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd
-naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten
-van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden
-wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel,
-slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou
-men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar
-eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam
-in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.
-
-Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en '59 langs den Buitenkant te
-Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind
-gelaat hem op eenigen afstand volgde.
-
-"Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?" vroeg de oude zeeman aan
-een, dien hij tegenkwam.
-
-"Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!" antwoordde
-de Amsterdammer en ging verder.
-
-De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar
-eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander
-te verzoeken had, bleef hij staan en zei: "Verlangt gij mogelijk ook
-iets van mij, goede vriend?"
-
-De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden,
-diep in het gelaat, doch antwoordde niets.
-
-
-
-------
-FIGURE
-------
-
-
-
-"Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?" vroeg De Ruyter
-nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover
-minderen geregeld aannam.
-
-"Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!" was het stotterend gegeven
-antwoord. "Ik heb geen verzoek te doen."
-
-De Ruyter lachte en zei: "Hadt ge daar niet het plan om Michiel
-te zeggen?"
-
-De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: "Ja, ja, dat
-wilde ik! Dat wilde ik!"
-
-"Kent ge mij dan van vroeger, hé?" klonk de vriendelijke vraag des
-Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer
-verlegen scheen te worden.
-
-"Ja, van vroeger!" was het antwoord.
-
-"Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?"
-
-"Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!"
-
-De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: "Kom eens vlak
-voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook,
-dat wij oude kennissen zijn."
-
-De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De
-Ruyter riep: "Gij zijt de "Barre Bruinvisch." Heb ik het geraden? Zeg,
-heb ik het geraden?"
-
-"Ja, Heer Admiraal, ik ben de "Barre Bruinvisch" en Bootsman aan
-den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd
-gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig
-waart: "Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!""
-
-"Aap van eenen jongen!" en dat tegen eenen Vice-Admiraal!
-
-Maar De Ruyter lachte er om en zei: "Ja, man, ik wilde toen wel. Maar
-laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier
-in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan
-uw laatste verzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz.,
-wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor
-haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren
-Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden
-uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij
-dan zoo lang gebleven?"
-
-Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den
-ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het
-volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan
-ik het navertel.
-
-"Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In
-het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de "Lijnbaan"
-langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het
-geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik
-het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende
-bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in '50 met een
-Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam
-te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het
-geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht
-daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had
-weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen
-jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat
-ik weer zeevader kon worden, dan...."
-
-"Wel, Lievensz., wat dán?"
-
-"Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen
-jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?"
-
-"Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon,
-hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde
-veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk
-mijn Adriaen, neen, dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon,
-een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!"
-
-"Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik
-er eenen tweeden Michiel van maken zal!" riep Lievensz. opgewonden.
-
-"Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en
-als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn
-vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar
-geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar,
-kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart,
-welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?"
-
-"Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene
-u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog
-aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?"
-
-"Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in
-het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en
-wat zal hij worden?"
-
-"Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!"
-
-"Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel
-aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat
-den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat
-hem veel, heel veel leeren!"
-
-"Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u
-eene vraag doen?"
-
-"Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge
-wilt weten!"
-
-"Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal
-buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik
-wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het
-volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan
-Kompanjie met eene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo,
-och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt."
-
-"Komaan," antwoordde Michiel, "dat wil ik. Het is wel een heel verhaal,
-maar ik heb er den tijd toe."
-
-Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen
-ouden vriend nu, wat wij reeds weten.
-
-Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het
-Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en
-hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de
-"Barre Bruinvisch" had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht
-zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen,
-dat hij weer varen ging "bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas,
-den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel
-Adriaensz. De Ruyter!"
-
-Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot
-van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den
-Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen
-het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden
-kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef
-onze Michiel met het opperbevel belast.
-
-Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd
-hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten
-slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten
-besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt,
-dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig
-niet meer stonden, als in het begin.
-
-"Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?" vroeg
-Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor
-Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag.
-
-"Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekenden weg vraagt,
-Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?"
-
-"Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland
-ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar,
-hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!"
-
-"Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot,
-juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht," was het antwoord.
-
-"Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre,"
-zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te
-gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het
-volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte
-De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke
-onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele
-zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene
-der booten en riep zijn volk toe: "Valt aan, mannen, valt aan, of
-gij wordt allen hier vermoord!"
-
-Het bootsvolk aarzelde.
-
-"Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!" riep Buat, een
-Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik
-gestreden had. "Vooruit! Dat gaat u voor!" [9]
-
-Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.
-
-"Zulke mannen volg ik! Vooruit," riep Lievensz. en was, na Buat,
-de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen.
-
-"Berg u, Heer Admiraal!" riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. "Men
-mikt op u."
-
-"Ik behoor mijn volk den weg te wijzen," sprak De Ruyter bedaard,
-niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne
-zijde doodgeschoten werden.
-
-Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs
-was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen
-van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend
-Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord.
-
-Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg,
-ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden,
-van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door
-onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst
-meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning
-was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan
-door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op
-de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles,
-wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.
-
-Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven,
-en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden,
-dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.
-
-De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te
-blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne
-schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch
-daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de
-schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte
-weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien
-de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche
-hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo
-waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaal
-keerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval
-op het Zweedsche bezettings-leger.
-
-Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit
-bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei
-slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange
-baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige
-voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden.
-
-Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de
-uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij
-hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden
-ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten
-omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen
-bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van
-tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door
-heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen
-korten tijd rust te nemen.
-
-Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche
-zeeroovers en later de Engelschen wel.
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-JAN KOMPANJIE.
-
-
-In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de
-Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de
-zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet
-enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en
-Spanjaarden.
-
-Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 in die wateren
-kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle
-vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den "Barren Bruinvisch"
-over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij
-bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren,
-wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er
-bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden.
-
-Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon
-van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den
-naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap
-hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats
-van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest
-te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te
-benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert
-Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders
-op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel
-en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in
-1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders
-afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland
-gesloten hadden.
-
-Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men
-zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee
-jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat
-Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den
-Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene
-vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze
-vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde,
-zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de
-lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er
-van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim
-zond hij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de
-Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar
-onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever
-de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris,
-die hem veel te geslepen was.
-
-Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen
-ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der
-wereld zou trekken.
-
-"Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader," sprak
-Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen
-te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren
-zeilen moest.
-
-Den naam van "Grootvader" gaf Engel hem uit aardigheid, omdat
-Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind
-was geweest.
-
-"Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen," zeide Michiel tot
-den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer
-jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante
-en onversaagde voorkomen verkregen had.
-
-"Ik twijfel er aan of het wat goeds is," antwoordde Lievensz. "Uw
-gelaat is zoo betrokken!"
-
-"Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik
-ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit."
-
-Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij:
-"Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!"
-
-"Mag ik eens raden, waarheen?" vroeg Lievensz.
-
-"Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en
-dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet
-dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar
-ik minder goed thuis ben."
-
-"Kaap Verd, soms?" vroeg de "Barre Bruinvisch" met een leuk lachje. "Is
-het niet den spijker op den kop geslagen?"
-
-"Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt,
-onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!" riep De
-Ruyter vol verwondering uit. "Hoe kunt gij het nu weten?"
-
-"Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De "Barre
-Bruinvisch" hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik
-heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders
-nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed
-verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis."
-
-"Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar
-het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu
-ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden
-en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn
-evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik
-ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te
-wijzen en niet om raad te vragen."
-
-"Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er
-reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er,
-als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of,
-wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?" zeide Lievensz.
-
-"Dat is waar ook," zeide De Ruyter. "Dat is uitkomst. En u niet om
-raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein,
-dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?"
-
-"Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang
-genoeg om te weten, dat de "Barre Bruinvisch" geen babbelaar is,"
-zeide Lievensz. eenigszins geraakt. "Of hebt gij soms bewijzen,
-dat ik het vroeger was?"
-
-"Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met dat te zeggen. Alleen
-de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken," antwoordde
-De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de
-andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde
-krijgsraad te houden.
-
-"Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman
-vergiffenis vraagt," mompelde de "Barre Bruinvisch", en eenen traan van
-dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij:
-"De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden
-als voor of na hem geen ander."
-
-Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika,
-en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen,
-en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan
-het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche
-zee uit en met behulp van Lievensz. terechtwijzingen had men weldra
-Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad
-zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om
-hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind,
-vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om
-de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden
-October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs,
-dat men de plaats van bestemming naderde.
-
-Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van
-bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de
-Koningsvlag voerde.
-
-De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene
-Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen
-wat men hier doen kwam.
-
-"Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt," luidde het
-eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige
-antwoord.
-
-"Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden
-uitgebroken?" vroeg men weer.
-
-"Wel neen," liet De Ruyter antwoorden, "maar wat gij in vollen vrede
-van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder
-zijne beurt, waarde heer!"
-
-De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel
-gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs
-de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: "Gemeen of niet gemeen,
-wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen
-het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen
-onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten
-halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen."
-
-De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog
-niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en
-zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte
-werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den
-onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop
-met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht
-hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te
-gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen,
-de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater,
-dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.
-
-Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was
-hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in
-alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg
-den Schout-bij-nacht: "Dat Hollandsche schippe is, ja?"
-
-Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren
-spreken, zeide: "Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel
-eens Hollanders ontmoet?"
-
-"Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar
-gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!"
-
-"Onze Admiraal is ook een Vlissinger!" zeide Van der Zaan, zonder
-nog te denken dat de neger hem kennen zou.
-
-Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede
-gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops
-vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger.
-
-"Zijt gij te Vlissingen gedoopt?" vroeg hij den neger.
-
-"Ja, ikke!" was het antwoord. "Maar niet door eene baker gedoopt
-ben ik!"
-
-"En gevaren op de "Lijnbaan" soms?"
-
-Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in
-de hoogte.
-
-"Wat hapert er aan?" vroeg Lievensz.
-
-"Jij bent, jij bent de Barre-Barre...."
-
-"Ja, ja, ik ben de "Barre Bruinvisch," en jij bent mijn zeekind
-Jan Kompanjie!"
-
-"Hoezee! Hoezee!" riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie
-was. "Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat
-vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!"
-
-"Jan, Jan," riep de Barre, en drukte den neger de hand, "dat is al
-eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee,
-dan kunt gij Michiel zien!"
-
-"Michiel, Michiel?" schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen
-luchtsprong.
-
-"Ja, uw vriend Michiel!" antwoordde Lievensz. "Hij is Bevelhebber
-over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!"
-
-"O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn
-de drie wonderkind?"
-
-"Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen
-als een onoverwonnen zeeheld!"
-
-"O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel,
-Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om
-die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!"
-
-"Wel, zeekind, ga dan maar mee!" zeide Lievensz.
-
-Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij
-in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide,
-dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap
-in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen
-langs de wangen liepen: "Jan Kompanjie blij is! Ja blij!"
-
-De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven,
-doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen:
-"Admiraal, daar is uw zeebroeder," of Jan was al op het dek en kwam
-onder het geschreeuw van: "Michiel, leelijke jongen van aap, jongen,
-jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!" met geopende armen
-op zijnen ouden kameraad aanloopen.
-
-"Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?" riep De Ruyter,
-Jan te gemoet gaande.
-
-"Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij
-wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!" was
-Jans antwoord.
-
-Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe
-luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die
-hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie.
-
-Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en
-ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te
-smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.
-
-Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze
-eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog
-eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht
-in zichzelven: "De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal
-op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder
-dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch."
-
-Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanen en na nog even
-gebromd te hebben: "Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,"
-ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.
-
-De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker
-daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het
-doel bereikt.
-
-"Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug," zeide De
-Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koers
-zetten naar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea,
-de Engelschen te gaan bestoken. "Ik heb daar zoo even brieven uit het
-Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog
-niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog
-is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door
-ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is."
-
-"Old Rowley is valsch tot in zijne nieren," bromde Lievensz., met
-"Old Rowley" Koning Karel bedoelende. "En er zal wel op ons geloerd
-worden ook!"
-
-"Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen
-in de fuik," was het antwoord. "Maar mijn bevel luidt: "Alle Engelsche
-schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen," dat is een
-andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een
-fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden
-moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We
-hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders
-dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen,
-wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen."
-
-Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en
-toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar
-het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden
-van Groot-Brittannië te zeilen, daar hij niet wist hoe de stand
-van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch
-scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag
-geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen
-was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een
-getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer
-en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend,
-en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen
-Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong,
-waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van
-een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles
-vernomen had, begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met
-zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat
-geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist
-en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp,
-en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot,
-en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit
-in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open
-armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal
-en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij
-gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat
-deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet
-aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer
-men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij
-tegen De Ruyter opgevat had.
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-VOOR ENGELANDS HOOFDRIVIER.
-
-
-In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel
-van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame
-schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen
-tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan
-De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en
-niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten
-onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar
-weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de
-twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen,
-het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen
-weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De
-Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken
-Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.
-
-Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de
-beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche
-zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze
-twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis
-opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa
-diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het
-hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk
-dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet
-langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland
-mocht wederkeeren.
-
-Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele
-aarde, zelfs door de Engelschen met eere genoemd werd, na die schoone
-overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem
-te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel
-van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er
-heerschte toen van de "Zeven Provinciën" [10] zijn Admiraalsschip,
-het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om
-zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde
-het gedonder van het geschut in het geroep van: "Hoezee! Bestevaêr
-Michiel! Hoezee!" uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die
-wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen
-den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één,
-als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen
-die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag;
-met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste,
-brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het
-kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
-
-Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en
-muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar
-komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar
-stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer
-in uw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen:
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
-
-Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende
-overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier
-dagen duurde, bevochten.
-
-Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en
-andermaal levert hij den vijand slag.
-
-Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders
-sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar--op eigen hand
-en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden
-bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met
-zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche
-hoofdmacht verweren.
-
-"Ik wilde, dat ik maar dood was!" roept De Ruyter.
-
-"Ik ook," antwoordde de dappere Van Nes, "ik ook, Bestevaêr! Maar
-men sterft niet, als men wil!"
-
-Het is of de Engelschen het er op toeleggen "de Zeven Provinciën"
-te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken.
-
-"O, God," roept De Ruyter, "o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er
-nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?"
-
-"Vader," antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de
-mariniers, "Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven,
-laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!"
-
-Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte,
-tot zichzelven en kalm zegt hij: "Gij weet niet, wat gij zegt! Als
-ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan
-behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!"
-
-En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen
-meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk,
-vol bewondering voor den grooten zeeheld, hem daarvoor de orde van
-Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis
-rijk met goud en edelgesteenten versierd.
-
-Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door
-de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: "De Ruyter
-heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem
-niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!"
-
-En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de
-achterhoede onder zijn bevel had?
-
-"Ja," zeiden de vrienden van De Ruyter;--"neen," zeiden de vrienden
-van Tromp.
-
-De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van
-zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van
-De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen
-had naar het bevel: "Vereenigd blijven!"
-
-Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp
-nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht
-met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond,
-wat hij voor de belangen van het Vaderland over had.
-
-Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den
-Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap
-was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand
-in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen,
-doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de
-Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje,
-soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en
-één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen
-tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het
-was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden,
-die hij zichzelven bezorgde, en het was zijn tegenstrevende geest,
-die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.
-
-Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden
-de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig
-onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje
-West-Terschelling af te loopen.
-
-Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.
-
-Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons
-weer, in gedachten, aanboord van "De Zeven Provinciën," aan den mond
-van den Theems.
-
-Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en
-dus de leiding van den "Barren Bruinvisch" ontwassen, houden evenwel
-te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij
-zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van
-het betrokken gezicht des ouden mans.
-
-"Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo
-leelijk kijkt?" vraagt Engel.
-
-"Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag
-het land!"
-
-"Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!" spreekt
-nu Jan.
-
-"Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het is omdat onze Tromp
-niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag
-het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: "Ik wilde wel om heel
-wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over
-zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch
-zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch
-mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft
-hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? "Neen, gij blijft hier,
-en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of er zelfs maar naar
-te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!"
-
-"Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet
-ge dat zeker?" vroeg Engel.
-
-"Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne
-horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken,
-zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen
-eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief
-heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet
-bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik
-zal hem in zijn aangezicht zeggen: "Kerel, ga in het kluisgat zitten,
-en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet
-Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die
-"Fransozische mosjeus" niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij
-gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in
-volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en...."
-
-"Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat
-Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is,
-en zich bij ons op de vloot bevindt!"
-
-"Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde
-sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene
-schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder
-eenen "winkelier ter zee" staat?" riep de "Barre Bruinvisch" driftig.
-
-"Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op
-uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren
-Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en--is dan ook van de
-verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt."
-
-"Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze
-zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers,
-de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt
-de Admiraal de schuld. Kijk, als ik baas was, ik nam eenen zwabber,
-ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: "Gaat van
-mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan,
-Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de "Barre Bruinvisch"
-spijkers met koppen slaat! Adjuus!"
-
-"Hei, bootsman, blijf eens even," riep De Ruyter, en toen hij dicht
-bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: "Hoe vandaag alweer
-zoo obstinaat, Vadertje?"
-
-"Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat...."
-
-"Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?"
-
-"Is er eenig voordeel behaald, Vader?" riep Engel.
-
-"Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De
-trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij
-den slag nog jaren lang voelen zal!" sprak De Ruyter met oogen,
-die van blijdschap straalden.
-
-Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen
-de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek,
-zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.
-
-"En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van
-pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?" vroeg
-De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit
-over had voor vreugdeschoten.
-
-"Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld
-heb!" was het knorrige antwoord.
-
-"Wat voorspeld, Lievensz.?" vroeg De Ruyter.
-
-"Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever
-mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!"
-
-"Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die
-landrotten?" vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan
-hij gewoon was.
-
-"Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerel pakjes
-suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand
-van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel," riep Lievensz. op
-bitteren toon.
-
-"Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt,
-en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie
-met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan
-voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten,
-alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen
-zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het
-niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!"
-
-"Zou Michiel mij straffen kunnen?" vroeg Lievensz. eenigszins geraakt,
-"mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers
-Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen
-spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel
-uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen
-wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het
-zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen."
-
-De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel,
-dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen
-hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het
-scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder
-hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: "Het zou mij leed
-doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen,
-zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt
-bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de
-lippen komen."
-
-Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen:
-"Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken
-u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat
-gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door
-weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en--ik zal trachten een
-held te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is."
-
-"Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen," zeide De Ruyter en
-gaf hem de hand, die door den "Barren Bruinvisch" met eenen traan in
-het oog gedrukt werd.
-
-Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.
-
-Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en
-zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden
-smaldeel onder Van Ghent verricht waren.
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-CHATTAM.
-
-
-Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen
-oogen te zien.
-
-Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands
-schoonste en breedste rivier opgevaren.
-
-Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord
-van wiens Admiraalsschip "De Agatha" zich de Gecommitteerde van de
-Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond.
-
-En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche
-oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten
-aan den oever der rivier.
-
-Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht
-worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje
-Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de
-rivier Medway, bij Rochester.
-
-Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die
-op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien
-ketting komen?
-
-Wie? Op "De Agatha" zat een Kapitein, een Nederlandsch Kapitein
-gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had.
-
-"Hoogmogende Heer," zegt hij tot De Witt, "geef mij mijnen degen
-terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken,
-wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting
-aanvallen!"
-
-Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt.
-
-"Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!" zegt De Witt en
-wijst hem Van Brakels eigen schip, "De Vrede", aan.
-
-Daar snelt Van Brakel heen.
-
-"Hoezee!" roept het scheepsvolk, als het hem ziet. "Hoezee! Daar is
-onze oude baas weer!"
-
-"Ja, mannen," roept Van Brakel, "ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de
-eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar
-dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger
-van ons gekaapt. Het is de oude "Eendracht"! Vooruit, haalt de kaas
-terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!"
-
-En donderend schreeuwt men hem na: "Vooruit! Hoezee!"
-
-Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel "De
-Vrede" na.
-
-Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven
-hem de volle laag.
-
-"Vooruit, mannen! Vooruit!" roept Van Brakel, en schudt de lange,
-grijze haren, als een leeuw zijne manen.
-
-Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op
-hunne beurt los te branden.
-
-Tot op een musketschot afstands is men nu "The Unity", zooals de
-Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd.
-
-"Vuur!" kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los.
-
-Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands
-vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is?
-
-"Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!" roept
-Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der
-overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die
-anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr
-een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan!
-
-Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het
-oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven
-bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag
-met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was
-men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord
-en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om
-zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel
-ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde
-Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken,
-bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt,
-omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land,
-aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat
-hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had,
-dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou
-zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben,
-diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en
-niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te
-toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.
-
-Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.
-
-Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van
-"The Unity."
-
-"Valt aan, mannen, valt aan!" klinkt de machtige stem van den
-grijzen held.
-
-"Op, op, jongens! Voor den "Dolle"!" schreeuwt zijn volk, klampt zich
-aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat
-maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den "Dolle" hun het pad wijzen.
-
-Ze zijn er! Ze zijn er!
-
-"Hoezee! Hoezee!"
-
-Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk
-glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.
-
-"Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!" klinkt Van Brakels luid
-kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren
-als katten tegen het schip op.
-
-Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men
-vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten
-vallen of vergeten.
-
-Daar wijkt de vijand!
-
-"Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!"
-
-De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest
-verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het
-waagstuk is volbracht.
-
-Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.--De eerste brander
-"De Susanna," Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn
-volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren
-fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander
-"Pro Patria" gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn.
-
-Zal deze ook deinzen?
-
-"Vooruit! Vooruit!"
-
-Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware
-ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het
-is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche
-vloot opent.
-
-De "Pro Patria" hecht zich aan het Engelsche schip "Matthias",
-dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de
-lucht springt.
-
-Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige
-geestdrift in eene sloep.
-
-Daar ligt de "Carolus Quintus," een schip, dat ook eenigen tijd
-geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden.
-
-Met den degen in de vuist klimt de "Dolle" weer naar boven, valt de
-bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het
-brandende zinken.
-
-En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige "Royal Charles"
-veroverd.
-
-Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....
-
-Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!
-
-Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde
-steekt er de Hollandsche vlag van uit.
-
-Daar nadert "De Agatha", zoo heet het Admiraalsschip van
-Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten,
-bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche
-Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende
-Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:
-
-"Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo
-goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d' ingesetenen
-zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen
-dancken." Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij:
-"Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd
-den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van
-Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet
-konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den
-Staet getroffen konnen worden."
-
-Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den
-dag te zijn, en begon nu zijn geschut los te branden op de forten,
-en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.
-
-Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt
-om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter
-te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent
-en den Ruwaard Van Putten volbracht.
-
-Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele
-Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni
-voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen,
-die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende.
-
-Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een
-klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze
-ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met
-eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel
-andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene
-volkomen nederlaag doet veranderen.
-
-Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare
-aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is,
-gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op
-Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: "Bootsman, vlug, als de
-wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of
-alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!"
-
-"Mannen," roept hij tot zijn volk, "ik ga er zelf op los. Vier
-booten uit!"
-
-"Goed, Admiraal," antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande
-sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen,
-als De Witt hem vraagt: "Waar dàt heen, Admiraal?"
-
-"Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles,
-alles verloren. Er is een bevel gegeven, dat niet goed was of verkeerd
-begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!"
-
-"Ik ga met u," zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den
-"Barren Bruinvisch", ook in de sloep.
-
-En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te
-verflauwen en het gevaar het grootst is.
-
-"Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed
-doen!" klinkt het dan, en aangevuurd door een: "Hoezee! Bestevaêr
-Michiel! Hoezee!" vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug,
-vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht
-vliegen.
-
-Daar valt men de "Royal Oak" aan. Het volk, aangevoerd door zijnen
-Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan,
-gaat het op de vlucht.
-
-"Vlucht! vlucht! Kapitein," zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe.
-
-Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend
-aan.
-
-"Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!" smeeken zijne onderhoorigen
-hem bijna.
-
-"Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een
-Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht
-gij, ik blijf!"
-
-De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van
-zijn brandend schip om.
-
-De nederlaag der Engelschen was volkomen.
-
-Des Konings broeder, de Hertog van York,--de Admiraal der Engelsche
-vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den
-oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien.
-
-Gansch Engeland beefde en sidderde.
-
-In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken
-bijeen en vlood er mede de poorten uit.
-
-Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht,
-van bedelaarskluis tot koningswoning, klonk het geroep van: "Vlucht,
-vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om
-te landen! Vlucht! Vlucht!"
-
-Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit;
-want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de
-honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was
-niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd
-voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands
-gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en
-terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den
-vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te
-rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever
-een leger van ruim twaalfduizend man.
-
-Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden,
-en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met
-recht te doen zeggen:
-
-
-
-"Een landverrader om te koopen,
-Een weerloos eiland af te loopen,
- Is werk van lafaards, lafaards waard.
-Maar trotsche Britten te doen knielen,
-En Eng'lands keurvloot te vernielen,
- Is werk van mannen, mannen waard."
-
-
-
-Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte
-de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen,
-"The Unity" en "Royal Charles" mede voerende.
-
-Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel
-beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om
-de stoutmoedigen na te jagen.
-
-Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun
-aan het hart ging!
-
-Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken,
-het zou niet zoo erg geweest zijn!
-
-Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepen naar
-dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet
-verkroppen!
-
-Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en
-schrijven: "Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit,
-en de slaaf van eenen geringen overwinnaar." [11]
-
-Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen
-naar het Vaderland gebracht.
-
-De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht
-voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede
-was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten,
-òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig
-den mond van de Theems gesloten hield.
-
-Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten.
-
-"Nog al niet naar den zin, oude jongen?" vroeg Engel op zekeren morgen
-aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond
-te kijken.
-
-"Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar
-den zin kan hebben?" antwoordde Lievensz.
-
-"Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!"
-
-"Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert
-me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet
-moeten worden. Wat doen wij hier?"
-
-"Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze
-zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen
-het wisten, wat we nog meer deden, dan...."
-
-"Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren,
-dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten
-rondscharrelen, alsof ze spiering visschen."
-
-"Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter."
-
-"Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp,
-Jonker!"
-
-"Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader
-laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart
-brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den
-weg weten, als bij Texel of op de Schelde."
-
-De "Barre Bruinvisch" wreef de hand over het gerimpelde gelaat,
-doch zeide niets.
-
-"Nu, wat zegt gij ervan?" vroeg Engel.
-
-"Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?"
-
-"Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik."
-
-"Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer
-zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een
-zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen
-duizend mannen opweegt."
-
-"Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!"
-
-"Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die
-Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer
-dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te
-zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel
-Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik
-daar niet schieten?"
-
-"Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit
-Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is," antwoordde Engel, die goed
-geraden had.
-
-De Opperbevelhebber van 's Lands vloot ontving de tijding dat den
-eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek
-der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den
-tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.
-
-Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door
-bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October.
-
-Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede,
-ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet
-met een blij geroep van "Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
-
-Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel
-eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten
-zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap
-ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter
-Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad.
-
-Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van
-'s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat
-spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige
-hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven
-perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken
-woorden worden vergeten. "Doch," zegt J. A. Brand, een van De Ruyters
-lofredenaars, "al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des
-tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij
-hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie
-en De Ruyters wapenroem herinneren."
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-LUCTOR ET EMERGO.
-
-
-Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het
-oorlogszwaard in de scheede steken.
-
-Voor hoe lang?
-
-De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa.
-
-Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.
-
-Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor
-een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij.
-
-Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol kooplieden had
-moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van heel de wereld.
-
-Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning Lodewijk XIV
-regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee Mogendheden
-terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee elkander zoo
-goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af moesten
-beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de heerschappij
-terzee. Maar nòch het een, nòch het ander was gebeurd. Engeland was
-geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland trad als overwinnaar
-sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te voorschijn. En dan die
-Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den machtigen Lodewijk,
-te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij voor slimheid
-geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte te bekennen,
-dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd gewassen
-was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En Zweden,
-dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon het
-eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door kooplieden
-geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een weinig
-meê verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te danken had.
-
-En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop van boeren,
-kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste viool speelde,
-en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren, kooplieden en
-visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel beleefd wezen
-op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen.
-
-Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dus niets anders op,
-dan een drievoudig verbond te sluiten met de Republiek der Vereenigde
-Nederlanden.
-
-Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en wachtte zijnen
-tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig verbond toetrad.
-
-Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te stellen om
-dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit elkander
-te doen springen.
-
-Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die hem evenwel
-het hoofd liet stooten.
-
-Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II graag naar
-Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want geld had
-deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning Lodewijk
-hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik aan,
-of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had,
-ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden.
-
-En Zweden?
-
-Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van Lodewijk, die
-zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien Hollandschen
-kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af geweest was.
-
-De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist alles reeds,
-ja, misschien nog eer dan Lodewijk.
-
-Maar wat zou de Raadpensionaris doen?
-
-Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den Vondel eens zong:
-
-
-
- "Het is al boter, tot den boôm,
- Men zingt al Pais en Vree."
-
-
-
-Integendeel, het was er verre af.
-
-Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger in den Staat,
-was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele van Zeeland
-opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State.
-
-Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de Stadhouderlooze
-Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben. Het wilde dat
-de Prins wát zou zijn.
-
-Jawel, wat zijn, maar wát? Noemt iets, noemt alles behalve Stadhouder
-Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles en we zullen zien,
-wat we doen zullen, heette het.
-
-Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den weg te leggen.
-
-Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen, en--benoemden bovendien
-Willem Hendrik, Prins van Oranje tot Kapitein-Generaal voor éénen
-veldtocht.
-
-En er was geen oorlog?!
-
-Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan. Daarom had men
-ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren toestand te brengen,
-het leger te lande te versterken en de vestingwerken te verbeteren.
-
-Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste moest nog
-gebeuren.
-
-De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en van Holland
-en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo was.
-
-Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den oorlog
-verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien
-te voorkomen.
-
-En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk gelezen,
-of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die ons,
-in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne verkwistingen,
-ook den oorlog verklaarde.
-
-Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om Frankrijk door
-Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te houden.
-
-Door twee machtige vijanden besprongen en voor één niet veel meer dan
-half klaar. De vloot was goed en men wachtte Engeland en Frankrijk
-op zee rustig af, want hij leefde nog. Hij zou zich weer met eenen
-Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen, hij, die Engeland
-had doen sidderen en beven; hij, die door den trotschen Lodewijk
-als Ridder zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd; hij,
-de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter; hij, Bestevaêr
-Michiel, die na vier jaren rust, het bordes van zijne woning op het
-Nieuwe-Waalseiland afstapte, de "Zeven Provinciën," beklom en sprak:
-"Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!"
-
-Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen te woord staan!
-
-Maar te land stonden de zaken minder goed.
-
-Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding, aan het
-hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen moest,
-die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de grachten
-groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een jongeling,
-stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed in
-staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk
-XIV en zijne wakkere legerhoofden!
-
-En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek van de
-landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en Keulen
-ons ook nog den oorlog verklaren.
-
-Zegevierend trok de vijand ons land binnen.
-
-En De Witt en zijne vrienden?
-
-Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en oproerskreten, staande
-gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg den lande verder te
-dienen, als maar de bevolking in die bange dagen, instede van tegen
-te werken, hen had willen helpen.
-
-Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet veel te
-zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de Republiek
-der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht in ons
-land hield, lag Lodewijk XIV al voor Utrecht en maakte er zich den
-drieëntwintigsten Juni meester van.
-
-Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den vijand. Ook
-Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de golven
-voorstelt met het onderschrift: Luctor et emergo, dat is: "Ik worstel
-en ontkom."
-
-Ik worstel.
-
-Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder werd dat
-gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende: "Luctor"!
-
-Maar "emergo"? "Ik ontkom?"
-
-Dàt stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat de Zeeuwsche en de
-Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het opgeven zouden.
-
-Maar is er dan niet één, die met forsche vuist den Engelschen Luipaard
-op de vlucht jaagt en de Fransche Leliën afmaait? Niet één?
-
-"Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge, Bestevaêr?"
-
-"Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!"
-
-"Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van Holland het houden, hé?"
-
-"Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en de mijnen maar
-helpen willen, dan zullen we dat onderschrift wáár maken: Luctor et
-emergo! Heet mijn schip niet "De Zeven Provinciën"? Het zullen er
-zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen
-zal het gaan?"
-
-"Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is Admiraal!"
-
-"Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken waar hij te vinden
-is en te woord staan, zooals ons dat past."
-
-Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay.
-
-Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de Franschen
-vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd tweeënvijftig
-schepen van allerlei grootte en vorm.
-
-De onze telde er honderd drieëndertig, doch het kleiner getal schepen
-werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders en den uitnemenden
-geest der manschappen.
-
-Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt zich aanboord
-van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer "De Zeven Provinciën" was.
-
-Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor het eerst een
-eigen schip, "De Deventer" geheeten. Het voerde zesenzestig stukken
-geschut en had behalve zestig zeesoldaten of mariniers, tweehonderd
-vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was Jan Lievensz., er
-ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had kunnen worden,
-had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval dan een schip
-gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen.
-
-Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord, hoewel de man
-te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te nemen. De
-Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en was
-bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en zijnen
-voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in vlugheid
-te kort kwam.
-
-Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de Engelsche kust en
-toen de uitkijk riep: "Land vooruit!" wist men dat men de Solebay
-naderde, en dat men daar de Engelsch-Fransche vloot zou vinden.
-
-Deze liet zich ook niet lang wachten.
-
-De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps: "Zeger! Zeger! kom
-eens hier, man!"
-
-Zeger, de Opperstuurman van "De Zeven Provinciën" naderde en vroeg
-eerbiedig: "Wat belieft u, Admiraal?"
-
-De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de richting van
-den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat deze aanwees.
-
-"Dat is onze man, Zeger!" zeide De Ruyter nogmaals.
-
-De Ruyter wees "The Royal Prince" het Admiraalsschip van de
-vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van York zijne vlag liet
-waaien.
-
-"Dat zal gebeuren, Admiraal!" zeide Zeger, beleefdelijk zijne muts
-afnemende en naar het roer gaande.
-
-Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en ook maar
-zacht woei, toeliet, hield "De Zeven Provinciën" het op het Engelsche
-Admiraalsschip aan.
-
-Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel, stonden de mannen
-van "De Zeven Provinciën" ook nu gereed vuur te geven, doch De Ruyter,
-die liefst maar niet op goed geluk af schoot, wachtte hiermede,
-tot ze op een pistoolschot afstands genaderd waren.
-
-"Vuur!" klonk het.
-
-Met een luid "Hoezee!" werden de kanonnen losgebrand.
-
-De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur met dezelfde
-hevigheid.
-
-Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder de oogen te
-zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, dat vrees ook niet
-in zijn woordenboek stond.
-
-Beiden waren tegen elkander opgewassen.
-
-Toch was op het laatst "The Royal Prince" zoo doorschoten en gehavend,
-dat de Hertog van York op een ander schip moest overgaan. Hij deed
-dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te slaan, maar omdat hij
-op zulk eenen ontredderden bodem zich niet bewegen kon, teneinde de
-noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem daartoe noodzaakte,
-lag in de vlugheid waarmede aanboord van "De Zeven Provinciën" het
-geschut bediend werd.
-
-Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen
-vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een
-"Hoezee! Bestevaêr! Hoezee!" de Engelsche Admiraalsvlag van "The Royal
-Prince" zagen overgaan op de "St. Michiel" kwam er eene sloep aanboord,
-die voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht.
-
-"Wat is er, mannen, wat is er?" vroeg hij den matrozen uit de sloep,
-toen dezen op het dek verschenen.
-
-"Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een stuk hout tegen de
-borst getroffen, en kan geen woord uitbrengen," klonk het antwoord.
-
-De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met geweld de zorg
-eens Vaders plaats maken voor den plicht eens Opperbevelhebbers, en
-tamelijk bedaard zeide hij: "We hopen, dat de wonde niet doodelijk
-zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?"
-
-"De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen zal!" zeiden de
-matrozen.
-
-"Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed voor mijnen
-jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!"
-
-De matrozen gingen heen en klommen van den valreep.
-
-"Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?" vroeg de "Barre Bruinvisch"
-ook naar den valreep gaande.
-
-"Ga, vriend, ga!" antwoordde De Ruyter, die den ouden man zeer goed
-begreep en daarom graag vertrekken liet.
-
-"Ziet ge," zei de "Barre Bruinvisch" toen hij, tot verwondering van de
-matrozen, ook bij hen in de sloep kwam, "ziet ge, ik met mijne stijve
-beenen kan toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als
-de zeevader van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen."
-
-"Ha zoo, dan heet gij Lievensz., hé?" vroeg de man aan het roer.
-
-"Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders ook nog wel eens
-"Barre Bruinvisch", zie je! En mijn zoon Jan is Eerste Officier bij
-mijn zeekind aanboord!"
-
-"Jawel, jawel!" zei de man aan het roer zoo kort mogelijk, doch er
-kwam een vreemde trek om den mond van den Janmaat.
-
-"En ik hoop, als dat hij dien Roôrokken zal hebben laten zien, als
-dat hij mijn jongen is! Heeft hij dat?"
-
-"Zeker, hij was een van de eerste aan den dans!" klonk het weer, doch
-pas was dat gezegd of de Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag,
-den vinger voor den mond, wat toen ook al beteekende: "Zwijgen! Niets
-zeggen!"
-
-"Ja, ja," hernam de "Barre" opgewonden, "hij zal ze laten dansen,
-ha, ha!" en hier op liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed
-het deuntje volgen:
-
-
-
- "Hij zal ze laten dansen,
- Op zijn Engelsch en zijn Franschen,
- Hij zal ze laten dansen den zevensprong!"
-
-
-
-"Kijk den "Dolle" eens rare sprongen gaan maken," riep de Stuurman,
-terwijl hij op de "Groot-Hollandia" een schip van vierenzestig
-stukken, wees.
-
-"Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet zoo?" vroeg een der
-matrozen.
-
-"Ja, ja, de "Dolle." En dat gaat zoo regelrecht af op de "Royal James",
-het Admiraalsschip van Montague."
-
-"Maar hapert het den "Dolle" in zijne bovenkamer om daar met een
-schip van honderdvier stukken te gaan bakkeleien? Dat is toch geene
-partuur voor hem!" sprak een ander der roeiers. "De overmacht is hem
-immers veel te groot!"
-
-"Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de "Dolle" naar! Willen we eens
-wedden, dat hij dien grooten lobbes zoo netjes in het zonnetje zet,
-als gij het ooit gezien hebt," zeide de Stuurman, en zich hierop tot
-Lievensz. wendende vervolgde hij: "En wat zegt onze oude Bootsman
-ervan?"
-
-"Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van over!" antwoordde
-Lievensz. met een akelig boos gezicht. "Hij zal dien olifant te woord
-staan; hij zal hem zijne volle bekomst geven; maar als dat gedaan is,
-zit er eene schrobbeering voor hem op, niet zuinig, man!"
-
-"Wat! Eene schrobbeering?" riepen eenige matrozen tegelijk, en vergaten
-van verwondering aan de riemen te trekken.
-
-"Trekt dan, kerels," riep de man aan het roer. "Trekt dan toch,
-anders komen we aanboord, als de boel afgeloopen is. De "Barre"
-meent er niemendal van!"
-
-"Niet meenen? Niet meenen? De "Dolle" loopt zoo zeker eene...." Terwijl
-hij sprak sloeg eene kleine kanonskogel hem over het hoofd en nam
-zijne wollen muts mede.
-
-"Goeden morgen," riep hij lachend. "Die malle Roôrokken mikken op
-een oud man! Bah, hoe flauw is dat! Wat hebben ze er aan om eenen
-meer dan halfsleten zwabber naar de haaien te helpen!"
-
-"Barre", zeî de Stuurman, vol bewondering, "ge zijt een echte zeerob,
-hoor! Dat verbleekt zelfs niet eens."
-
-"Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor mooier gehouden
-heb dan een karnemelks-gezicht," sprak Lievensz. "Maar om nu op den
-"Dolle" terug te komen, ik zeg: hij loopt eene schrobbeering op zoo
-waar, als tweemaal twee vier is."
-
-Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten zakdoek een mutsje,
-zette dat op, doch....
-
-Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den duim.
-
-Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik verried, zeide
-hij: "Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat gunt mijnen kalen
-knikker zelfs geen blauw neusdoekje!"
-
-De matrozen van "De Deventer" dit ziende en hoorende, riepen als
-uit éénen mond: "Hoezee! voor den Barren Bruinvisch! Dat is er een
-van Bestevaêr!"
-
-"Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en een stukje duim,"
-zeide Lievensz. "Roeit maar voort, anders zit er voor u ook nog wat
-anders op dan een bedankje."
-
-"Maar," vroeg nu de stuurman, "waarom zou de "Dolle" straf oploopen? Ik
-denk, als Bestevaêr het gezien heeft, dat...."
-
-"Wie spreekt er van Bestevaêr," antwoordde Lievensz., het lesje geheel
-vergetend, hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. "Wat heeft
-Bestevaêr in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers? Neen,
-Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich
-niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen
-gaat!" [12]
-
-"Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in het kabelgat
-gekropen is," riep een matroos.
-
-"Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij allerminst," sprak de
-"Barre" vol vuur. "Wie dat zegt, weet er niets van. Wat waar is,
-mag gezegd wezen. Zoolang het gevecht met den Hertog van York geduurd
-heeft, zat hij in eenen stoel bij de stuurmanshut, of, als hij moede
-van het zitten was, stond hij er bij. Maar of de mooie mannen van
-zijne lijfwacht om hem heen vielen als muizen, hij week geen duimbreed
-terug. Neen, neen, alle respect voor eene landrot, die zooveel moed
-heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan alle dwarskijkers, die wat
-de zee betreft, nog op de schoolbanken moesten zitten, en die toch
-eenen held, die zijne zwarte haren op zee grijs heeft zien worden,
-als ondergeschikte behandelt. Ik...."
-
-"We zijn er," zeide de Stuurman, doch toen de riemen ingehaald waren
-en de "Barre" de eerste wilde zijn, die tegen den valreep opklimmen
-wilde, hield een der matrozen hem tegen.
-
-"Nu, wat zal dat?" vroeg Lievensz. boos.
-
-"Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad met te vertellen
-van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer mede te deelen."
-
-"Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje opgedischt? Is Jonker
-Engel dood? Is De Ruyters zoon gesneuveld?"
-
-Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een ervan scheen
-zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de Engelsche vloot
-liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De Ruyter ernstig
-gekwetst was.
-
-"Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts gewond, maar uw
-zoon is..."
-
-De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene vlugheid,
-die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben, greep hij
-den valreep, klom naar boven en riep: "Jan! Jan Lievensz., jongen,
-jongen, waar ben je?"
-
-"Wat moet die man?" vroeg de Officier, die inplaats van Kapitein
-Engel De Ruyter nu het bevel voerde.
-
-"Het is de Vader van Luitenant Lievensz., Meneer," antwoordt de
-Stuurman der sloep.
-
-Maar de "Barre Bruinvisch" heeft daar wat met een zeil bedekt op het
-dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent. Hij licht het op en....
-
-"O, God, mijn jongen, mijn jongen gevallen!--Gevallen!" roept hij
-snikkend, de verwrongen gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen
-overdekkend.
-
-"Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne laatste groeten gehad
-ook voor zijne Moeder!" sprak de bevelvoerende Officier, die zich
-hierop verwijderde om in de slagorde van de vloot te blijven en te
-doen wat zijn plicht was.
-
-Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon liggen, en richtte
-zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor hem het "Onze
-Vader" gebeden had. Toen dekte hij hem aan alle kanten toe, drukte
-weer eenen kus op zijnen mond en ging, waggelend als een dronken man,
-naar de kajuit waar Jonker Engel lag.
-
-"J-jan-d-do-od;" bracht deze er met moeite uit, doch drukte met
-zeemans hartelijkheid de hand van zijnen ouden zeevader, die in dat
-korte oogenblik zooveel ouder geworden scheen te zijn.
-
-"Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn jongen!" snikte de Vader.
-
-"H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde; ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg
-t-toe-toen...."
-
-"Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden, Kapitein!" sprak de
-Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was, die pas de Hoogeschool
-had verlaten en die zijne krachten en diensten in dien benauwden tijd
-ook zijn Vaderland wilde wijden.
-
-"Is u de Dokter?" vroeg Lievensz.
-
-"Ja, goede vriend," was het antwoord. "Wilt ge wat weten soms?"
-
-"En was er niets meer aan mijnen zoon te doen, Dokter?"
-
-"Wie was uw zoon, ouwentje?"
-
-"Luitenant Lievensz., Dokter!"
-
-"Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk gewond. Hij
-leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste groeten, en
-hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en zuster
-vaarwel te kussen."
-
-"Dank-je, Dokter, dank-je!" sprak de "Barre Bruinvisch" zoo bedaard,
-alsof er niets gebeurd was.
-
-Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en kookte,
-en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong
-zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen,
-dat deze hem de hand drukte en zachtkens zei: "Goed, bra-braaf,
-Gr-Grootva-vader-tje!"--
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" klonk het een paar uren later
-aanboord van Engel De Ruyters schip.
-
-"Ze schieten minder! Zou de slag gedaan zijn?" vroeg de Dokter, die
-beneden bij de gekwetsten bleef en een deel zijner zorgen aan Engel
-wijdde, aan Lievensz.
-
-"Bestevaêr komt tenminste naar zijnen zoon kijken en dan zal de slag
-wel beslist zijn!" antwoordde de oude man.
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" klonk het nu nog luider van
-"De Deventer", waar alles in de weer was om hem te ontvangen.
-
-De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk vriendelijk
-toeknikkend, ging hij naar de kajuit.
-
-Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen.
-
-"Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond, lieve jongen,
-hé?" sprak De Ruyter.
-
-"Dag, b-bes-beste, Va-Vader!" antwoordde Engel en schudde de hand
-des Admiraals.
-
-"Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?" vroeg de Dokter beleefd. "Ik
-heb hem het spreken verboden!"
-
-"Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken. Gehoorzaamheid
-moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het ziekbed. U is
-dan zeker de Dokter?"
-
-"Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen. Als uw zoon zich
-maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie weer zoover,
-dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu weer maar
-niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert hem."
-
-"Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch zal toehooren,
-als ik wat vertel, hem hinderen?"
-
-De Dokter schudde het hoofd.
-
-"Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs gegaan, als ik nog
-nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend pond buskruit en
-vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal Montague van
-den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich kranig gedragen,
-verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier, en al de anderen
-als leeuwen, en, al hebben we ook al geene schitterende overwinning
-behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu te land ook zoo maar
-gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het is anders een harde
-dobber, hoor!"
-
-Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken gevende, wenkte
-hem te volgen.
-
-De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren ze juist gereed
-om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te geven.
-
-De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat geëindigd was,
-vroeg De Ruyter: "Wie is dat, Lievensz.? Jan toch niet?"
-
-Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig ander antwoord
-te geven.
-
-"Goede zeevader," sprak De Ruyter, "is hij gevallen? God hebbe zijne
-ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden mijn, morgen dijn! Treur
-niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts wat voor! Daar boven
-ziet gij hem weder, willen we hopen!"
-
-Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze zeide tot
-den Officier: "Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den dienst verder
-verrichten?"
-
-De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen: "Ja zeker,
-Admiraal! O, als u dát doen wilde, dan...."
-
-"Ik heb er behoefte aan, het te doen, Mijnheer," sprak De Ruyter,
-en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die
-den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen,
-ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte,
-en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig
-het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held:
-"Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een
-veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!--Het Vaderland zal u
-indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe
-vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap
-voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!"
-
-De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er
-op schoof verder en--verdween in de diepte.
-
-Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze
-te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk
-te herstellen.
-
-Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was
-een woord uit die dagen afkomstig: "De Regeering is radeloos, het
-volk redeloos en het land reddeloos."
-
-Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men
-gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn
-leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet
-ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid
-genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins
-van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.
-
-De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den
-Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het
-Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij
-besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus:
-"Oranje boven!" nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder
-de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins
-vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de
-toekomst niet zoo donker in.
-
-Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard
-gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft.
-
-Hij spreekt dat tegen, open en rond.
-
-Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt
-heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.
-
-De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want
-de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van
-Oranje en Jan De Witt.
-
-Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding
-op de vloot: "De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen
-schandelijk vermoord!"
-
-Dat was een slag!
-
-Wat zal er van het Vaderland worden?
-
-Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip
-"De Zelandia."
-
-Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.
-
-En De Ruyter leest: "Luctor et emergo."
-
-Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen
-heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te
-zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning
-zou kunnen vallen.
-
-De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van
-Zeelands wapen: "Als 't Landt al t'eenemaal verloren gaat, zal ik
-met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan
-uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven! Luctor
-et emergo!"
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE REDDER VAN HET VADERLAND.
-
-
-Het is op den zesden Juni van het jaar 1673, dat we ons weer
-verbeelden aanboord te zijn van "De Zeven Provinciën", waarop onze
-Luitenant-Admiraal De Ruyter andermaal zijne vlag laat waaien.
-
-Luitenant-Admiraal? Hei, hei, ge vergist u! "De Zeven Provinciën"
-draagt de vlag van den Luitenant-Admiraal-Generaal, de hoogste
-betrekking, die men op de vloot kan hebben, en onder hem staat de
-Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp.
-
-Wat? Cornelis Tromp weer aanboord? Hoe dat gaan zal? Twee mannen,
-die elkander zoo vijandig gezind zijn met slechts éénen rang verschil
-van macht! Wie heeft dat dwaze stuk begaan?
-
-Wel, wel, wat zijt ge nog een vreemdeling, dat ge niet weet wat er
-geschied is.
-
-Laat mij u een en ander vertellen.
-
-Sedert onze De Ruyter dat flinke antwoord aan dien Engelschman gaf,
-is er heel veel veranderd en, ten onzen voordeele.
-
-Groningen is van den vijand bevrijd; Drente ziet hem niet meer.
-
-Denemarken en Lotharingen zijn onze bondgenooten. Spanje, Duitschland
-en Brandenburg rusten zich ten oorlog toe tegen Frankrijk. Eene
-voorgenomen landing der Engelschen en Franschen is door storm en
-lagen waterstand mislukt. Slechts met moeite heeft Koning Karel II
-van zijn Parlement geld gekregen om den oorlog voort te zetten,
-en in den Stadhouder hebben we eenen man gevonden, die ons in de
-Raadzaal en voor de vloot, den grooten De Witt weinig doet missen,
-en in het leger ons meer geeft dan De Witt geven kon.
-
-Toch zou men zich vergissen, als men meende, dat de Republiek reeds
-gered was. Neen, het is nog steeds luctor, maar we zijn schoon op weg
-om het tot emergo te brengen, als men maar krachtig volharden wil,
-in het voortzetten van den strijd.
-
-Dat wil de Stadhouder van zijne zijde wel beloven, en ter zee, ja,
-dat hangt niet zoo geheel van hem af. Maar gelukkig heeft hij ook daar
-zijnen man. De Ruyter leeft nog. Wel was deze een groot vriend van de
-gebroeders De Witt, wel heeft hij onverholen, zelfs ten aanhoore van
-de machtigste vereerders van Oranje, schande gesproken van het volk,
-dat deze mannen op zulk eene schandelijke wijze vermoorden kon; maar
-dat belet den Stadhouder niet dien Luitenant-Admiraal te vertrouwen
-en te hoogachten. Hij zal niet doen, als dat Amsterdamsche grauw,
-dat de woning wilde plunderen van den man, die zóóveel voor het
-Vaderland gedaan had, en die er nog zooveel voor doen wilde. Is hij,
-de Stadhouder, niet Admiraal-Generaal? Welnu, wat belet hem dan dien
-braven Vaderlander, dien doorluchten zeeheld, dien vromen burger,
-in zijne plaats het opperbevel over de vloot te geven? Zeggen en
-doen gaan bij den Stadhouder hand aan hand, en den eenentwintigsten
-Februari van het jaar 1673 werd Michiel Adriaensz. De Ruyter benoemd
-tot Luitenant-Admiraal-Generaal van Holland, Zeeland en West-Friesland.
-
-Maar de Stadhouder zal nog meer doen.
-
-Leeft daar niet in stille rust een man, onvergelijkelijk dapper,
-een liefhebber van zijn Vaderland en een zeeheld als er weinigen
-gevonden worden, maar, helaas, in vijandschap met De Ruyter? Als
-hij die twee eens met elkander verzoenen kon, Bestevaêr en Tromp,
-wel, dan zouden Engeland en Frankrijk het hoofd te pletter
-stooten op Nederlands bolwerk terzee, door die twee helden met
-hunne onderhoorigen verdedigd. Ook dit beproeft de Stadhouder en,
-na heel wat moeite, gelukt het hem de twee helden met elkander te
-verzoenen. En of het nu meenens is? Het is nog geene tien dagen
-geleden, dat Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp met zijn "De gouden
-leeuw" een prachtig schip van tweeëntachtig stukken, bij de vloot,
-die onder De Ruyter bij Schooneveld [13] lag, is gekomen. En hoe? Als
-iemand, die niet onder De Ruyter wilde staan? Volstrekt niet. Hij
-liep achter "De Zeven Provinciën" om, begroette den Opperbevelhebber
-met eere-schoten, en kwam iets, dat in geen zeven jaar gebeurd was,
-bij De Ruyter aanboord.
-
-De Ruyter wachtte Tromp bij den valreep op. In het kamp bij Bodegraven
-hadden ze elkander in tegenwoordigheid van den Stadhouder, de hand van
-vriendschap gegeven, en nu: "Welkom, welkom, aanboord van "De Zeven
-Provinciën", Tromp!" sprak De Ruyter en sloeg op ronde zeemans-wijs
-de rechterhand in die van Tromp.
-
-Dat heeft het volk gezien.
-
-De "Barre Bruinvisch", die na den dood van zijnen zoon Jan, geenen
-traan meer had laten vallen, die man zelfs voelt de oogen vochtig
-worden, en het kale hoofd, waarvan nog enkele lange, witte haren
-in den wind fladderen, ontblootend, roept hij met trillende stem:
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!"
-
-Alsof al het volk daarop gewacht heeft, mengt zich, met het
-kanongedonder der schepen, het gejuich van Janmaat: "Hoezee! Bestevaêr
-Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!"
-
-Er is een gastmaal aanboord van "De Zeven Provinciën" geweest, en in
-het bijzijn van de aanzienlijksten in den lande, hebben die twee met
-elkander geklonken en gedronken, en vriendschap en trouw gezworen
-tot in den dood!
-
-Nu is het de zesde Juni.
-
-Daar daalt De Ruyter van den valreep der "Zeven Provinciën" af,
-om aanboord van "De gouden Leeuw" eenen feestmaaltijd bij te wonen,
-door Tromp den Opperbevelhebber ter eere aangeboden.
-
-Zie, daar beklimt De Ruyter het dek van Tromps Admiraalsschip, de twee
-helden drukken elkander nogmaals de hand, en terwijl er een vroolijk
-"Wilhelmus van Nassouwe" geblazen wordt, juicht het volk andermaal:
-"Hoezee, Bestevaêr en Tromp! Hoezee!"
-
-Wat dunkt u, zouden Neêrlands twee grootste zeehelden zich met elkander
-verzoend hebben?
-
-Het gastmaal is De Ruyter waardig.
-
-Daar heft Tromp eenen vollen beker omhoog en drinkt het heil van het
-lieve Vaderland.
-
-Een luid "Hoezee!" klinkt op zijne gloeiende woorden.
-
-Maar wat kijken allen daar naar de deur der kajuit?
-
-Wat moet die Opperschipper van "De gouden Leeuw" hier doen?
-
-"Admiraal," zegt hij, zich eerbiedig tot De Ruyter wendend: "De vijand
-is in aantocht!"
-
-Uit is de vroolijkheid.
-
-Men snelt naar boven en--de heele zee aan den horizon is bedekt met
-de schepen der Engelsch-Fransche vloot.
-
-De groote scheepsraad, zoo ongezocht vergaderd, is op het dek
-bijeen. Kort en vaardig deelt De Ruyter zijne bevelen uit, vermaant
-zijne Bevelhebbers Neêrlands zeeroem te handhaven, en ieder keert
-naar zijn schip terug.
-
-Het is voor ieder duidelijk genoeg, wat die Engelschen en Franschen
-willen.
-
-Morgen, den zevenden Juni, is het juist een jaar geleden dat de slag
-bij Solebay geleverd is, en morgen zullen ze de schande van Solebay
-wreken door eene landing.
-
-Heeft niet de Lord-Kanselier bij het openen van het Britsche Parlement
-gezegd: "Carthago moet verwoest worden!" met Carthago de Republiek
-der Vereenigde Nederlanden bedoelende?
-
-Daar komen ze nu om die woorden waar te maken; want die Nederlandsche
-schepen en scheepjes onder De Ruyter en Tromp, zijn in de oogen der
-overmachtige vijanden niets meer dan een stofje aan de weegschaal. Nu
-zal, nu moet de landing plaats hebben. Eene vereenigde vloot van
-honderd vijftig zware oorlogsschepen is niet te weerstaan!
-
-Hoe die grootsprekers zich bedriegen zullen! De Nederlandsche vloot,
-sterk honderdvijf schepen, soms onvoldoende bemand, doch aangevoerd
-door helden, zal toonen, dat ze nog hetzelfde kan, als bij Solebay.
-
-"Het zal wel gaan!" zegt Tromp, die de voorhoede heeft, en gaat aan
-den slag.
-
-"Komt, jongens, rept de handen!" zegt Banckers, die de achterhoede
-heeft en valt ook aan.
-
-"Mannen, de vijand is nabij. Elk gedrage zich als een braaf kerel
-en daar hij voor scheep is gekomen. Ik beloof het u, het zal wel
-gaan!" spreekt De Ruyter en stevent op den vijand los.
-
-Naar alle kanten ziet het oog van den Opperbevelhebber.
-
-"Vooruit, mannen! Tromp is in nood. Gauw hem ontzet, eer het te laat
-is," roept hij na eene poos.
-
-Het was hoog noodig. De dappere Luitenant-Admiraal heeft het hoofd
-te bieden tegen de helft der vijandelijke vloot. Het was hard voor
-De Ruyter, want hij was reeds aan de winnende hand, maar gedachtig
-aan den handdruk van Tromp ontvangen, zegt hij: "Het zwaarste moet
-het zwaarste wegen. Het is beter vrienden te helpen, dan vijanden te
-schaden! Vooruit!"
-
-Tromp is van het eene op het andere schip overgegaan, overal zijne
-Admiraals-vlag meevoerende. Maar nu begint zijn volk den moed op te
-geven. Het kan niet meer.
-
-Daar trekt de rook voor een oogenblik op, en tusschen die openingen
-heen ziet Tromp onzen De Ruyter komen om hem te ontzetten.
-
-"Hoezee! Mannen, daar is Bestevaêr! Die komt ons helpen! Ik zal
-hem ook niet verlaten, zoolang als ik leef!" roept Tromp bijna
-triomfantelijk uit.
-
-Dat helpt, en met een: "Hoezee, Bestevaêr Michiel! Hoezee!" laten ze
-opnieuw het geschut donderen.
-
-Daar zien de vijanden "De Zeven Provinciën!"
-
-"Vuur!" beveelt De Ruyter.
-
-De vijand deinst af! Die "Zeven Provinciën" kennen ze maar al te goed.
-
-De Ruyter bemerkt den schrik, dien hij onder den vijand brengt,
-en zegt lachend tot hen, die bij hem staan: "Hoezee, jongens, de
-vijanden hebben nog ontzag voor "De Zeven Provinciën!"--Het was niet
-te veel gezegd. De vijanden laten Tromp spoedig liggen en trekken af.
-
-Eindelijk valt de avond en het gevecht is geëindigd.
-
-Maar geen schip gaat naar Engeland of Frankrijk om daar de blijde
-boodschap te brengen: "Carthago is gevallen!"
-
-De landing was mislukt, en uitgesteld tot later tijd.
-
-De Ruyter schreef aan den Prins: "Wij oordeelen absoluyt, dat dusverre
-de victorie (Gode zij lof) aan de zijden van dezen Staet en Uwe
-Hoogheit is."
-
-Luitenant-Admiraal Van Nes zeide: "De vijand is zoodanig getracteerd,
-dat er geen nood is, dat hij daarvan liedekens zal gaan dichten."
-
-Cornelis Tromp schreef aan zijne zuster:
-
-
-Beminde Zuster!
-
-
-Gisteren hebben wij den dans aangegaen, en ben, Godt sy gelooft,
-gesond, en hebben ons herte eens weder opghehaelt als keuningen. Ick
-ben op myn vierde Schip, "de Komeetstar," en meene vandaeg een
-braven dans te dansen. Wij krijgen de Franschen so aen 't loopen,
-dat zij bramzeyls en alles byzetten; en so het vandaeg so voortgaet,
-so hope ick, dat aller Vrienden en ons gebed verhoort sal zijn, en
-dat wij van de tirannye verlost zullen worden. Adieu! Couragie! Het
-sal waerachtig wel gaen.
-
-
-8 Juni 1673.
-
-C. Tromp.
-
-
-Maar wie zou nu als Nederlander de zaak niet van zijne gunstige
-zijde laten zien? Was het wel zoo vast waar, wat Van Nes zeide;
-"De vijand zal daarvan geene liedekens dichten?"
-
-Welnu, de Fransche Admiraal D'Estrées schreef aan zijne Regeering:
-"De Ruyter is een groot meester in de kunst van den oorlog ter zee;
-hij heeft mij in dezen slag schoone lessen gegeven. Gaarne zou ik
-mijn leven laten voor den roem, die hij daarbij heeft verworven."
-
-Het was er evenwel verre van af dat de Engelsch-Fransche vloot
-verslagen was. De Nederlanders zouden niet haring voor Sint Jan roepen;
-want den veertienden Juni zou het gevecht van Schooneveld hervat
-worden. Toch zouden zij niet de aanvallende partij zijn. Die eer gunde
-De Ruyter hun niet. Toen evenwel de vijand de onzen slagvaardig zag
-aankomen meerderden ze zeil, gingen noordelijk op en voeren daarop
-met volle zeilen naar hunne eigen kusten terug.
-
-Geen geringe omkeer van zaken.
-
-De Ruyter joeg hen evenwel na en noodzaakte hen tot het gevecht.
-
-"Hoezee, jongens, dat gaat er weer op los! Ferm, hoor, dat de vlokken
-er afstuiven!" roept Van Brakel. En met een "Hoezee!" doen zijne
-jongens waartoe ze geroepen zijn. En niet alleen op dien bodem,
-maar op alle schepen van de Nederlandsche vloot vecht men, onder het
-beleidvolle bestuur van Bestevaêr, met weergalooze dapperheid. Al
-meer en meer deinst de vijand; al meer en meer dringt onze vloot
-vooruit en de verwarring onder de Engelschen is weldra zoo groot,
-dat men daar met blijdschap den invallenden nacht begroet en het
-moorddadige gevecht staken kan.
-
-Wel wilde Prins Robert, de Bevelhebber der Engelschen, den volgenden
-dag den slag hervatten, maar geen zijner Bevelhebbers was hiertoe
-over te halen.
-
-Als overwinnaar keerde De Ruyter naar zijnen post op de Zeeuwsche
-kusten terug.
-
-Wel, Lord-Kanselier, zoudt ge nu nog niet een toontje lager gaan
-zingen, waar een uwer landgenooten verklaart: "Prins Robert keerde
-met verlies van vele menschen, en met vele ontredderde schepen naar
-den Theems, en De Ruyter, hebbende, mits het voordeel van den wind,
-en met van ver te vechten [14] weinig schade geleden, verkoos de
-Zeeuwsche kust weer tot zijnen post. In dit bedrijf gaf De Ruyter
-sprekende proeven, dat hij als het tijd was, den vijand zoowel kon
-opzoeken als vermijden, en dat hij zijne plaats nooit verliet dan om
-het voorhoofd te toonen."
-
-Lager zingen zouden Engeland en Frankrijk? Zouden zij zich zoo
-vernederen? Dat kon niet en dat zou niet! De landing moest plaats
-hebben! Dat Carthago van de zeventiende eeuw moest vernietigd worden,
-het moest.
-
-De uitvoering van het stoute plan der onzen om de dagen van Chattam
-nog eens te doen herleven, diende evenwel achterwege te blijven,
-omdat er te veel zieken op onze vloot kwamen.
-
-Ondertusschen kwam De Ruyter van eenen gevangen genomen Engelschen
-Predikant te weten, dat de vijandelijke vloot honderdacht schepen
-sterk was, en dat de schepen volgepropt waren met soldaten, ten
-getale van ongeveer achtduizend man en drie troepen ruiterij, ieder
-van honderdtwintig paarden. Het bevel over dat leger te lande had de
-Graaf von Schomberg.
-
-Men behoefde zich niet suf te peinzen omtrent het doel er van. Het
-was weer maar de oude geschiedenis: er zou andermaal eene landing
-beproefd worden.
-
-De eenentwintigste dag van Augustus 1673 zou bewijzen, dat Carthago
-het hoofd omhoog bleef houden.
-
-De Engelsche Admiraal, Prins Robert, had in last de Nederlandsche
-vloot van de kust te lokken en slag te leveren, en terwijl dan de
-kust onbewaakt was, zou de Graaf von Schomberg landen.
-
-Het plan was niet kwaad; maar Engeland had te veel verwachting van
-zijne slimheid.
-
-Onze Stadhouder kwam uit het leger naar de kust, stelde die op
-verschillende plaatsen instaat van verdediging, liet tonnen en bakens
-wegnemen en voor de zeegaten kleine, doch welbemande vaartuigen
-brengen.
-
-De Ruyter kreeg de boodschap, dat hij niet al te bezorgd voor de
-kust moest zijn; want dat deze tamelijk wel bewaakt werd. Hij mocht
-gerust alles doen, wat hij noodig achtte om den vijand te verdrijven,
-en de verwacht wordende koopvaardij-vloot in behouden haven te brengen.
-
-Deze last werd door onzen Vlootvoogd getrouw volbracht.
-
-Op den genoemden eenentwintigsten Augustus naderden de vijandelijke
-vloten onze kusten.
-
-Van Vlissingens reede tot Texels duin was heel het strand vol leven
-en beweging.
-
-Iedereen begreep dat het dien dag te doen was om vrijheid of slavernij.
-
-En daar op zee lag onze vloot, kalm en gerust.
-
-Maar ze was een Vesuvius, die uit zijne rust ontwakend, landen
-verderven en steden vernietigen kan.
-
-Tromp heeft alweer de voor- en Banckers de achterhoede. De Ruyter
-beveelt den middentocht. Vóór "De Zeven Provinciën" ligt de "Waesdorp",
-Kapitein Engel De Ruyter, en achter het Admiraalsschip ligt de
-"Steenbergen", Kapitein Jan Van Gelder, schoonzoon van den Admiraal.
-
-Banckers, de wakkere Zeeuw, begint den slag.
-
-De Ruyter, ouder gewoonte, heeft weer zijnen man aangewezen, en deze
-is Prins Robert, die de hoofdmacht des vijands onder zijn onmiddellijk
-bevel heeft.
-
-Tromp valt Spragg aan.
-
-Het tooneel van den strijd is op Noord-Hollands kust en in de nabijheid
-van Kijkduin.
-
-De strijd is vreeselijk.
-
-Het gedonder der kanonnen dringt tot diep in het land.
-
-Dat woelt, en streeft, en loopt naar de duinen, dat verdringt zich
-bij honderden, die telkens met honderden aangroeien op het strand,
-dat staart en tuurt met gewapende en ongewapende oogen in de verte,
-want men wil zien, wat daar voorvalt.
-
-Er valt bijna niets te zien; want werkelijk is de kalme, rustige
-vloot der Nederlanders opeens, als een vuurberg geworden, die dood
-en vernieling teweeg brengt.
-
-Er valt een zware mist, die het vrije gezicht nog meer belemmert.
-
-De mist trekt op, maar zware wolken rooks verrijzen.
-
-Niemand ziet iets duidelijk; men hoort slechts het verschrikkelijk
-onweder op zee. De grond dreunt ervan; de harten worden angstig te
-moede. Wat wordt daar afgespeeld? Nederlands ondergang of de zegepraal
-van het kleine volk?
-
-De kerkdeuren worden geopend en men smeekt God om den zege.
-
-Al feller en feller dreunt het kanongedonder.
-
-Het is een vreeselijk, een verschrikkelijk concert.
-
-Wie zal het winnen?
-
-Daar zijn weer schepen zichtbaar! Zij voeren de Engelsche en Fransche
-vlag.
-
-"Verloren! Verloren! Vlucht! Vlucht!" roepen de flauwhartigen op
-gillenden toon.
-
-"Neen, blijft mannen, blijft! Kijkt, kijkt dan, daar is "De Zeven
-Provinciën" met de Admiraals-vlag hoog in top. Houdt moed, Bestevaêr
-slaat de maat in het kartouwen-concert! Couragie! Couragie!"
-
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" roept er een, die van zijne
-hooge standplaats op het duin en met eenen verrekijker gewapend, het
-Admiraalsschip ziet losbranden, zeehouden, meer, veel meer dan dat,
-ziet aanvallen op den vijand, die wijkt.
-
-En naar het Zuiden, en naar het Noorden herhalen duizenden dien
-kreet, die het geprangde gemoed als het ware verlichting schenkt:
-"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
-
-Maar op de vloot hoort men niets van dat gejuich, ontdekt men niets
-van dat leven en die beweging op de kust.
-
-Het is vijf uren in den middag.
-
-De Ruyter verzamelt zijne verstrooide vloot, en alsof hij zoo pas
-den strijd begonnen was, slaat hij weer dwars door de vijanden heen,
-keert terug en breekt opnieuw door de linie van schepen.
-
-Het is of de zee in vuur en vlam staat.
-
-Kogels, bouten, balken, splinters en schroot vliegen naar alle kanten.
-
-"De groeten aan vrouw en...." stamelt Kapitein Jan Van Gelder en valt
-stervend neer.
-
-De Vice-Admiralen Isaäc Sweers en Johan De Liefde vallen ook voor de
-vrijheid van het Vaderland.
-
-Honderden vallen met hen.
-
-Men brengt De Ruyter de tijding van het sneuvelen zijns dapperen
-schoonzoons.
-
-Tranen komen in zijne oogen, doch zich opheffend zegt hij: "Ik weet
-dat dit de vruchten van den oorlog zijn, dat ik mijzelven Gods wille
-moet onderwerpen en daarin tevreden zijn. Heden was het zijne beurt,
-morgen zal het wellicht de mijne zijn! Vooruit, in Godsnaam! Vooruit!"
-
-En de Admiraals-staf wijst den zijnen weer den weg des roems en
-der glorie.
-
-Het vreeselijk concert neemt weer toe in kracht.
-
-Bestevaêr blijft onverdroten, onverzwakt, de maat slaan.
-
-Nog eenmaal den Engelschen Admiraal, Prins Robert, aangevallen. Dat
-is eene partuur De Ruyter waardig.
-
-Maar de Engelschen zien den gevreesden Admiraal aankomen, en omgeven
-hunnen Opperbevelhebber, als met een ringmuur van schepen en branders.
-
-Mocht Prins Robert willen, zij willen zijn voor Engeland zoo kostbaar
-leven niet in de waagschaal stellen en dwingen hem, al vechtend,
-tot den terugtocht.
-
-Het wordt donker op zee en donker op de kust.
-
-Duizenden staren in de verte, doch kunnen bijna niets meer zien.
-
-Hooren nog wel, en zeer goed ook.
-
-Maar ook dat kanon-gebrom begint te klinken, als het aanhoudend dof
-gerommel van een afdrijvend onweder.
-
-"Hoezee! Hoezee! Ons de victorie! De vijand is van onze kust
-weggeslagen!"
-
-Wanneer straks Bestevaêr, als overwinnaar, terugkeert, wat zullen we
-dan zeggen? Hoe zullen we hem noemen?
-
-Eenen naam, eenen naam voor Bestevaêr Michiel!
-
-Noemt hem Redder des Vaderlands!
-
-En zoo geschiedde het.
-
-Hier, daar en overal zag men weldra zijne afbeelding prijken met
-dit onderschrift:
-
-
-
- "Aenschouw den Heldt, der Staten-rechterhandt,
- Den Redder van 't vervallen Vaderlandt,
- Die in één jaar twee groote koningrijken
- Tot driemaal toe de trotsche vlagh deed strijken.
- De roem der Vloot, den arm daar God door streê,
- Door hem herleeft de vrijheit en de vreê."
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-HET EINDE VAN EEN HELDENLEVEN.
-
-
-De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende
-jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol.
-
-Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn
-land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd
-werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven
-Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen
-toonen wat hij kon.
-
-De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek
-der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks
-"zon" geen duimbreed gronds verloor.
-
-Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad
-met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd.
-
-Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij
-uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou.
-
-De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch
-de hulp zou gering zijn.
-
-Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in
-den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende
-overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot
-naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken.
-
-En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen ouden dag
-de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning
-van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk
-weigerde.
-
-Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren
-aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en
-dierbaar waren.
-
-Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn
-doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn
-zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met
-eere op.
-
-Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet
-zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het
-bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.
-
-Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder
-rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn
-inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.
-
-Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?
-
-Maar het lot had anders beslist.
-
-Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene
-vloot naar de Middellandsche zee zenden.
-
-Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen
-en vier branders werden hem toegezonden.
-
-Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter
-niet overweg kon.
-
-Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde
-het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie,
-die hem deze lijst brachten: "Ik ken de Franschen. Ze hebben
-van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de
-slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht
-deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is
-een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?"
-
-"Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij
-slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt,
-zou hij het wel veel verder gebracht hebben."
-
-"U kent hem niet, Heeren," sprak de Ruyter. "Lodewijk zou hem reeds
-lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat
-daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft,
-en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen
-is veel te weinig."
-
-"UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!"
-
-"Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons
-helpen, zooals de Franschen de Engelschen in '72 en '73 hielpen. Zij
-zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken
-of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!"
-
-"Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint
-te worden en den moed dreigt te laten zakken," merkte thans een der
-Heeren aan.
-
-Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den
-driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid
-en ernst: "Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn
-leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij
-leed dat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!"
-
-"Welnu, die schande dragen wij dan," zeide dezelfde, "en wij verzoeken
-UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen."
-
-Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij:
-"De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al
-werd mij bevolen 's Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou
-daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen,
-zal ik mijn leven wagen!"
-
-Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te
-opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De
-Ruyter, te kunnen begrijpen.
-
-Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens
-door ziekten van den ouden dag overvallen.
-
-"Ga toch niet naar zee!" zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden.
-
-Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij
-geenen moed meer had.
-
-Ja, daarover moest hij heenstappen. "Dat wist men wel beter,"
-zeide men.
-
-"Neen, neen," riep De Ruyter, "ik zal naar zee gaan! Ik zal dien
-tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!"
-
-Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het
-ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.
-
-Waarom toch?
-
-Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden.
-
-"Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu
-voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht
-blijven. Ik voel het!"
-
-Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der
-Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar 's Lands vloot
-te begeven.
-
-Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering,
-hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht
-weer schitterend zou blijken, dat het bevel van 's Lands vloot aan
-geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn. [15]
-
-Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal
-De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot
-te Cadiz af te wachten.
-
-Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus
-wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De
-Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield
-onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij
-last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche
-schepen vinden zou.
-
-Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild
-was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers
-te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden
-Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken
-had.
-
-"Admiraal," zeide deze eindelijk.
-
-De Ruyter keerde zich om en zei: "Zoo, Lievensz., zijt gij daar?"
-
-"Ja, Admiraal, hier ben ik!"
-
-"Het gaat ons niet voor den wind, man!" sprak De Ruyter.
-
-"Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar...."
-
-Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht.
-
-"Wat scheelt er aan?" vroeg De Ruyter.
-
-"Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik
-hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd
-zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!"
-
-"Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag
-vergt rust, en ge kunt toch best leven!"
-
-"Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven,
-Admiraal!"
-
-"Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!"
-
-"Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt
-gij!" riep de "Barre Bruinvisch" opeens uit. "Gij hadt dien kerels,
-die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen
-heer uit te hangen en eenen man als "Bestevaêr Michiel" is, te
-beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: "Ik ga niet of, als
-Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!"
-
-"Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo
-trotsch?"
-
-"Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik
-gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste
-jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en
-vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet
-kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen
-u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is
-te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis
-met ons afloopt. We zullen verliezen en--jij, brave man, jij zult
-op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen
-Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!"
-
-"Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loop gaan?" vroeg De
-Ruyter met flikkerende oogen. "Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet
-doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar
-op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!"
-
-"Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een
-vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan
-twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?"
-
-"Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk
-er aan, man, wat de zee-oorlog van '72 en '73 gekost heeft, en wat de
-oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten
-willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje,
-de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit,
-Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer
-schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De
-tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus
-hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!" zeide De Ruyter en ging nu naar
-zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over
-hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad
-toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou
-hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen,
-maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer
-hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari
-den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze
-vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch
-aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord
-en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te
-houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen
-doen en verlieten het Admiraalsschip.
-
-Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein
-om te wenden, en zoodoende het voordeel van den wind te krijgen,
-doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te
-voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt
-om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen,
-die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep
-echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende
-dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van
-den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was,
-dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel
-niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben.
-
-De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit
-den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen
-tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed
-onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag,
-die door Duquesne beantwoord werd.
-
-Dit was het teeken tot den strijd.
-
-En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering
-te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze
-getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte
-gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond.
-
-Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend
-geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins
-te herstellen.
-
-De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen. Dezen hadden zich
-gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte
-met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof
-ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche
-Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te
-beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.
-
-Hij schreef De Ruyter eenen brief van: "nu moet men dit en dan moet
-men dat," en zoo al voort en eindigde met te schrijven: "Uw grootste
-dienaar en vriend, die uwe handen kust,
-
-
-Don Andrea de Avolos."
-
-
-Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een
-velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans
-eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde
-van De Avolos' brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor.
-
-Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand
-op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter
-bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan
-wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de
-voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte
-dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren,
-ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te
-vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had,
-dat die tijd door de Staten verlengd was.
-
-Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na
-zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid
-en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk
-verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goed als geene
-versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan
-eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet
-thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en--dat akelig
-voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen
-was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht,
-kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een:
-"Als het moet, dan moet het," over alles heen, en toonde zich weldra
-weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was
-maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandsche zee
-was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.
-
-Dit zou evenwel niet geschieden.
-
-Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke
-vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.
-
-De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan.
-
-"Dat zal een harde dobber geven, Kapitein," zeide De Ruyter op de
-Fransche vloot wijzende.
-
-"Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!" antwoordde Callenburgh. "Maar
-Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!"
-
-"Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als
-ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken
-weten. Maar--het zijn niet allemaal Callenburghs, en--de overmacht
-is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist
-vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op
-zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne
-vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van
-tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij,
-Callenburgh!" [16]
-
-De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens,
-dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip "De Eendracht" voor drie vocht.
-
-In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenen aanvang nam,
-voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna
-verplaatst was.
-
-En de Spanjaarden?
-
-"Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken," zeide Lievensz.,
-die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij
-inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden.
-
-Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter,
-die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit
-te deelen.
-
-Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar
-het grootst was.
-
-"Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!" mompelde Lievensz. "O,
-dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer
-hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!"
-
-Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten
-makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan
-hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.
-
-Wat was er gebeurd?
-
-Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en
-de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel
-zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.
-
-"O, Michiel, Michiel, Michiel," kermt de oude "Barre", die de eerste
-was om den gevallene bij te staan.
-
-"O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!" schreeuwen de
-matrozen en komen in verwarring.
-
-"Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is
-aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr,
-mannen, wreekt hem!" roept Callenburgh. "Den dood aan den Fransoos!"
-
-"Den dood aan den Fransoos!" schreeuwt het volk hem na en brandt
-de kanonnen zoo driftig los, alsof het musketten zijn. "Op, op,
-voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor
-Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!"
-
-"Vooruit! Vuur! Vuur!" beveelt Callenburgh, en alsof de held, die
-gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond
-te bevelen, slaat "De Eendracht" onder het donderen zijner kanonnen
-dwars door den vijand heen.
-
-Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel
-mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man,
-telkens als zijn geschut losbrandt: "Houdt moed, mijne kinderen,
-houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!"
-
-Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is.
-
-"Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!" roepen de Kapiteins
-hun volk toe. "Duizend Franschen voor Bestevaêr!"
-
-"Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend
-Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of
-onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De
-Ruyter! Hoezee!"
-
-En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk
-voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den
-nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts,
-en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte
-de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig
-was, wie eene luisterrijke zege behaald had.
-
-Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning
-durfden toeschrijven, en toch deden ze het.
-
-De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug.
-
-Wat al deelneming ondervond de groote man daar!
-
-Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik
-er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten
-stellen en onderteekenen.
-
-Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in
-het Vaderland ontvangen.
-
-Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting
-van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene
-kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting,
-die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal
-van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had,
-was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd
-staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik,
-lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht
-hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief,
-en de Stadhouder deed dat eene maand later.
-
-Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen.
-
-Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog
-benoemd had.
-
-Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer,
-hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen,
-herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt
-van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog
-Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?
-
-Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten
-voor immer en altoos.
-
-De wonden stonden vrij gunstig,--doch er zijn koortsen bij gekomen,
-en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust,
-des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676.
-
-Een gebed is zijn laatste woord geweest.
-
-Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!
-
-Lievensz. had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.
-
-Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht!
-
-O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche haven zeilde men
-voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten
-werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den
-nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner
-vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd
-heeft: "Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen
-te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een
-groot man!"
-
-Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.
-
-Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel
-in het hart van iederen Nederlander leefde.
-
-Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige
-heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch
-gezant stond en uitriep: "Woont De Ruyter in dàt huis??"
-
-Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!
-
-Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in
-de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van
-den Staat weldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch
-opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den
-kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn.
-
-Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.
-
-Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in
-de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis
-van den Admiraal te bekijken.
-
-"Een mooi praalgraf, he, ouwentje?" zeide een deftig heer, die hem
-ongemerkt genaderd was.
-
-"Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?"
-
-De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man
-het opschrift.
-
-Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: "Alles mooi en waar,
-Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang,
-staat daar ook niet wat?"
-
-"Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: "Intaminates fulget
-honoribus."
-
-"Wat wil dat zeggen, Meneer?"
-
-"Dat wil zeggen: "Hij blinkt in onbedoezelde eere."
-
-"Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!"
-
-"Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?" vroeg de heer, die
-den grijsaard oplettend aanzag.
-
-"Of ik hem gekend heb!" riep de oude den heer toe, en hierop het
-beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door
-de hartelijke geestdrift en liefde: "Michiel, Bestevaêr Michiel,
-daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De "Barre Bruinvisch"
-zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik
-bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen."
-
-De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde
-naar huis.
-
-De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en
-fluisterde: "Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan
-men zeggen wat men van u zegt: "Hij was groot als mensch, groot als
-held, groot als burger!"
-
-
-
-Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw
-waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij
-betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien,
-dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het
-moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden,
-als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn,
-om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.
-
-Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo
-groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer
-weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is
-dan ook niet zoo zeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel
-om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen,
-wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen,
-zooals zij deden.
-
-Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen
-een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons,
-kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: "Niet kunnen
-bestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den
-weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld
-na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend
-hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten
-rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts
-tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons
-weer overal konden vertoonen. "De "Zeven Provinciën" konden veel;
-zouden "De Elf Provinciën" dan minder kunnen?" [17]
-
-Bestevaêr, wij, oud en jong Nederland, hebben uw woord verstaan, en
-wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672
-was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III
-roepen zullen: "Oranje boven!" en met het oog op u: "Hoezee! Bestevaêr
-Michiel! Hoezee!"
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3den Augustus.
-
-[2] Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24sten
-Maart gevierd wordt.
-
-[3] "Kielen, wielen, rand om het land" is een oud vaderlandsche
-dronk. Kielen, beteekent zeevaart, wielen, beteekent landbouw, en
-rand om 't land beteekent dijken. Het welzijn van die drie, voor ons
-land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.
-
-[4] Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei
-1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche
-galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als
-Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.
-
-[5] In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren
-zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde "uit bed stappen" van eenen
-afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of
-zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het
-vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die
-bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen
-van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een,
-die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij
-en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen,
-noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed
-stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den
-nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit,
-en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur
-stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen,
-des nachts den slaap uit de oogen te jagen.
-
-[6] Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe
-Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen,
-hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die
-gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin
-o. a. voorkwam: "Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn
-harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt
-syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt." Gij
-ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al
-zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats van eerlijck eenvoudig
-heerlijck en inplaats van eere ook heere schreef.
-
-[7] Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen
-vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne
-levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór
-1652: "Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan,
-had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd
-niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden,
-als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig
-schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven
-eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid
-niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven
-te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften
-verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd,
-die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer
-uit zijnen mond hadden, of zelf ooggetuigen waren."
-
-[8] Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot,
-die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of
-den halven kring sloot.
-
-[9] Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te 's-Gravenhage
-onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden
-van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.
-
-[10] Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen
-onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim
-51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde
-men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien
-was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit
-schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis
-verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak,
-verkocht en--zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te
-vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op
-alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht
-naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.
-
-[11] "That sacred keel, that pleasure-boat of war,
- Now a cheap spoil, and the mean victor's slave."
-
-[12] Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad
-zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te
-roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft
-is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk
-wel wat gerekend had, bleef ook achterwege.
-
-[13] Schooneveld is eene plaats in zee ten Westen van het eiland
-Walcheren. Ter hoogte van deze plaats vinden we op eene kaart van
-Zeeland van 1540 het eiland Schoonevelde met de dorpen Schoonevelde
-en Wals-Vlaenderen. Misschien is de tegenwoordige ondiepte, bekend
-onder den naam van "Bankje van Zoutelande", nog een overblijfsel van
-dit door de zee verzwolgen eiland.
-
-[14] In dat uit de verte vechten zou al licht blijken, dat de onzen
-niet durfden naderen. De Engelsche schrijver geeft er evenwel eene
-goede reden voor op als hij zegt: "Het Hollandsche buskruit was
-krachtiger en hun geschut langer dan het onze."
-
-[15] De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt
-is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was
-het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De
-Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren
-zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hem
-beval in alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om
-dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen,
-voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten "op een gemeenen
-stoel zonder armen."
-
-[16] De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de
-branders. Er waren er vijf van 90 of 96 stukken bij, vier van 80,
-elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel
-was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken
-geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld
-worden. De Franschman De Vivonne schrijft: "De Spanjaarden schoten
-van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen
-van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het
-wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen."
-
-[17] Den 1sten Mei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en
-D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch
-in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter
-te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk
-hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk
-dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te
-hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Vlissinger Michiel, by P. Louwerse
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VLISSINGER MICHIEL ***
-
-***** This file should be named 52316-8.txt or 52316-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/3/1/52316/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
diff --git a/old/52316-8.zip b/old/52316-8.zip
deleted file mode 100644
index dfee37d..0000000
--- a/old/52316-8.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h.zip b/old/52316-h.zip
deleted file mode 100644
index 7ec957b..0000000
--- a/old/52316-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/52316-h.htm b/old/52316-h/52316-h.htm
deleted file mode 100644
index ec12e44..0000000
--- a/old/52316-h/52316-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,10423 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
-"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2016-06-12T19:05:40Z. -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta name="generator" content=
-"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
-<title>Vlissinger Michiel, of Neerlands Glorie ter Zee</title>
-<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii">
-<meta name="generator" content=
-"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Pieter Louwerse (1840&ndash;1908)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href=
-"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Pieter Louwerse (1840&ndash;1908)">
-<meta name="DC.Title" content=
-"Vlissinger Michiel, of Neerlands Glorie ter Zee">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css">
-body {
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-font-size: 100%;
-line-height: 1.2em;
-text-align: left;
-}
-.div0 {
-padding-top: 5.6em;
-}
-.div1 {
-padding-top: 4.8em;
-}
-.div2 {
-padding-top: 3.6em;
-}
-.div3, .div4, .div5 {
-padding-top: 2.4em;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument
-{
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-padding-top: 2.4em;
-padding-bottom: 1.6em;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-.pagenum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.abbr {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-height: 1px;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-width: 45%;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5em;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-line-height: 1em;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.40em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.71em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0em 0.05em 0 0;
-padding: 0px;
-line-height: 0.8em;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.advertisment {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-a.noteref, a.pseudonoteref {
-font-size: 80%;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .label, .par.footnote .label {
-float: left;
-width: 2em;
-height: 12pt;
-display: block;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0%;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0%;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.indextoc {
-text-align: center;
-}
-.transcribernote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.correctiontable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0% 7em 0%;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 3.5em;
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0% 0em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTop, .figBottom {
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0% .5em 0%;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0% 0 0%;
-}
-span.hemistich {
-color: white;
-}
-.versenum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink {
-background-repeat: no-repeat;
-background-position: right center;
-}
-.pglink {
-background-image: url(images/book.png);
-padding-right: 18px;
-}
-.catlink {
-background-image: url(images/card.png);
-padding-right: 17px;
-}
-.exlink, .wplink, .biblink, .seclink {
-background-image: url(images/external.png);
-padding-right: 13px;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, .h1 {
-padding-bottom: 5em;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
-{
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteref:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}.pagenum, .linenum {
-speak: none;
-}
-</style>
-
-<style type="text/css">
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd21e95width
-{
-width:480px;
-}
-.xd21e101
-{
-text-align:center;
-}
-.xd21e110width
-{
-width:486px;
-}
-.xd21e115width
-{
-width:477px;
-}
-.xd21e147
-{
-text-indent:2em;
-}
-.xd21e161
-{
-text-align:right;
-}
-.xd21e1762width
-{
-width:489px;
-}
-.xd21e2001
-{
-text-indent:4em;
-}
-.xd21e3670width
-{
-width:487px;
-}
-.xd21e4655width
-{
-width:486px;
-}
-@media handheld
-{
-}
-</style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-The Project Gutenberg EBook of Vlissinger Michiel, by P. Louwerse
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Vlissinger Michiel
- Of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk.
-
-Author: P. Louwerse
-
-Release Date: June 12, 2016 [EBook #52316]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ASCII
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VLISSINGER MICHIEL ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e95width"><img src="images/new-cover.jpg" alt=
-"Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e101">VLISSINGER MICHIEL,<br>
-OF<br>
-NEERLANDS GLORIE TER ZEE.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frontispiece"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e110width"><img src="images/frontispiece.jpg"
-alt="" width="486" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e115width"><img src="images/titlepage.jpg" alt=
-"Oorspronkelijke titelpagina." width="477" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">VLISSINGER MICHIEL,</div>
-<br>
-<div class="subTitle">OF</div>
-<br>
-<div class="subTitle">NEERLANDS GLORIE TER ZEE.</div>
-<br>
-<div class="subTitle">GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OUD EN JONG
-NEDERLAND</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">P. LOUWERSE.</span></div>
-<div class="docImprint">Tweede, omgewerkte Druk.<br>
-LEIDEN.&mdash;A. W. SIJTHOFF.</div>
-</div>
-<div class="div1 epigraph"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Kloek en onverschrokken krijgsman,</p>
-<p class="line xd21e147">vlootvoogd, wijs in woord en daad,</p>
-<p class="line">Wakker en rechtschapen burger,</p>
-<p class="line xd21e147">trouwe dienaar van den Staat,</p>
-<p class="line">Ingetogen, vroom van wandel,</p>
-<p class="line xd21e147">moedig Christen bovenal,</p>
-<p class="line">Was De Ruyter, wiens gelijke</p>
-<p class="line xd21e147">de aarde moeilijk noemen zal.&rdquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e161">Mr. <span class="sc">J. van
-Lennep</span>. <span class="pagenum">[<a id="xd21e166" href="#xd21e166"
-name="xd21e166">V</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORBERICHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;Meneer, meneer, ik heb het standbeeld van
-De Ruyter gezien!&rdquo; met deze woorden begroette mij, eenigen tijd
-geleden, een knaap, die zijnen oom en zijne tante te Vlissingen bezocht
-had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo, jongen!&rdquo; ze&icirc; ik, &bdquo;en wat
-dacht ge wel toen ge dat beeld zaagt?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, meneer, ik dacht: meneer moest eens een
-boekje schrijven van De Ruyter. Hij heeft het wel gedaan van Marten
-Harpertsz. Tromp en van Piet Hein! En Michiel De Ruyter was toch
-grooter zeeheld!&rdquo;</p>
-<p class="par">Ofschoon de knaap op mijne vraag een ander antwoord gaf
-dan ik verwacht had, kon ik toch aan zijne oogen zien, dat hier
-volstrekt geene vleierij of zoo iets in het spel was, en dat hij
-inderdaad wenschte, dat ik een verhaal over De Ruyter schrijven
-zou.</p>
-<p class="par">Michiel Adriaensz. De Ruyter is voor elk Nederlander de
-eerste van alle Vlootvoogden, de grootste van alle zeehelden. Nelson is
-in zijn oog niets bij hem. Zoo is het ook voor alle jongens.</p>
-<p class="par">En als die jongens groot geworden zijn, is dan De Ruyter
-dezelfde gebleven, als die hij was in hunne jeugd? We willen hopen van
-ja, opdat mijn titel voor dit boek geene onwaarheid spreke, waar het
-heet geschreven te zijn: &bdquo;voor oud en jong Nederland.&rdquo;</p>
-<p class="par">Met dit verhaal in de wereld te zenden voldoe ik dus aan
-den wensch van den knaap, die er mij om vroeg, en zoo ik vertrouw,
-meteen aan den wensch van honderden, die er niet om vroegen, maar het
-toch wel wilden.</p>
-<p class="par">Het is met Michiel Adriaensz. De Ruyter gegaan, als met
-Piet Hein; men weet bijzonder weinig van zijne kinderjaren, daar
-<span class="pagenum">[<a id="xd21e186" href="#xd21e186" name=
-"xd21e186">VI</a>]</span>niemand vermoeden kon, dat uit den ondeugenden
-zoon van eenen armen bierbrouwersknecht eenmaal zulk een groot man zou
-groeien. Ondeugend moet hij echter geweest zijn en erg ondeugend ook,
-dat schijnt eene uitgemaakte zaak te zijn; want alle verhalen, die er
-van hem in omloop zijn, spreken er over. Wij zullen hem dus ook maar
-als deugniet laten optreden, doch waarschuwen onze lezers vooraf, dat
-zij hierin niet te veel geschiedkundige waarheid moeten zoeken. Zijn
-dienst als busschieter te Bergen op Zoom en zijne bedelreis door
-Frankrijk, nadat hij door Spanjaarden gevangen genomen was geworden,
-schijnen wel waar te zijn, zoowel als zijne roekelooze toren-klimmerij.
-De makkers met welke ik hem laat omgaan, zijn, zooals ge wel al
-dadelijk ontdekken zult, ook geschiedkundige personen.</p>
-<p class="par">Van harte hoop ik geschreven te hebben, zooals mijn
-jonge vriend dat zoo gaarne wilde; ik heb er althans mijn best toe
-gedaan.</p>
-<p class="par">Vinde het veel lezers en lezeressen, zoowel onder de
-jonkheid, als onder de volwassenen, en zij het een middel om de liefde
-voor onze schoone Nederlandsche geschiedenis op te wekken en eene
-uitlegging van de woorden op het praalgraf van onzen held:
-&bdquo;<span class="sc">Hij blinkt in onbezoedelde
-eere!</span>&rdquo;</p>
-<p class="par">Het bovenstaande schreef ik bij den eersten druk van dit
-boekje, en nu er eene tweede oplage van verschijnt, dien ik wel te
-zeggen, waarom er zooveel in veranderd is. Van een paar zijden ontving
-ik zeer gegronde op- en aanmerkingen, nadat ikzelf reeds enkele
-bladzijden gevonden had, die ik nog wel eens anders had willen
-schrijven. Kleine wijzigingen kunnen echter oorzaak van groote
-veranderingen worden, en dit was ook hier het geval. Ik hoop nu maar,
-dat het boek werkelijk veel verbeterd zal zijn en weer zijnen weg
-vinden zal onder &bdquo;oud en jong Nederland&rdquo;. Hun, die mij
-hunne humane op- en aanmerkingen gaven, mijnen dank; mijnen lezers,
-heil!</p>
-<p class="par signed"><span class="sc">&rsquo;s-Gravenhage.</span> P.
-LOUWERSE. <span class="pagenum">[<a id="xd21e202" href="#xd21e202"
-name="xd21e202">VII</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">EERSTE AFDEELING.</p>
-<p class="par">MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP.</p>
-<p class="par tocChapter">Eerste Hoofdstuk.
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">Bladz.</span></p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch1.1" id="xd21e216" name=
-"xd21e216">Eerste Kennismaking</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
-<span class="tocPageNum">1</span></p>
-<p class="par tocChapter">Tweede Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch1.2" id="xd21e225" name=
-"xd21e225">Een straatjongens-daagje</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">11</span></p>
-<p class="par tocChapter">Derde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch1.3" id="xd21e234" name=
-"xd21e234">Bij het torenhaantje</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">26</span></p>
-<p class="par tocChapter">Vierde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch1.4" id="xd21e243" name=
-"xd21e243">De &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">35</span></p>
-<p class="par tocChapter">Vijfde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch1.5" id="xd21e253" name=
-"xd21e253">De laatste avond thuis</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">48</span></p>
-<p class="par tocChapter">Zesde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch1.6" id="xd21e262" name=
-"xd21e262">Thuis van de eerste zeereis</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">63</span></p>
-<p class="par tocChapter">Zevende Hoofdstuk.</p>
-<p class="par"><a href="#ch1.7" id="xd21e271" name="xd21e271">Het
-muist, wat van katten komt</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
-<span class="tocPageNum">74</span></p>
-<p class="par tocChapter">Achtste Hoofdstuk.</p>
-<p class="par"><a href="#ch1.8" id="xd21e280" name="xd21e280">Verloren
-tijd inhalen</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">81</span></p>
-<p class="par tocChapter">Negende Hoofdstuk.</p>
-<p class="par"><a href="#ch1.9" id="xd21e289" name="xd21e289">Bij de
-kapers</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">96</span></p>
-<p class="par tocChapter">Tiende Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch1.10" id="xd21e299" name=
-"xd21e299">Eene moeielijke bedelreis</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">107</span> <span class="pagenum">[<a id="xd21e305" href=
-"#xd21e305" name="xd21e305">VIII</a>]</span></p>
-<p class="par tocChapter">TWEEDE AFDEELING.</p>
-<p class="par tocChapter">MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN.</p>
-<p class="par tocChapter">Eerste Hoofdstuk.
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">Bladz.</span></p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.1" id="xd21e316" name=
-"xd21e316">Bij den man in huis</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
-<span class="tocPageNum">122</span></p>
-<p class="par tocChapter">Tweede Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.2" id="xd21e325" name=
-"xd21e325">Het voorspel van een helden-leven</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">133</span></p>
-<p class="par tocChapter">Derde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.3" id="xd21e334" name=
-"xd21e334">In dienst van het land</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">147</span></p>
-<p class="par tocChapter">Vierde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.4" id="xd21e343" name=
-"xd21e343">De Vice-Admiraal</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
-<span class="tocPageNum">155</span></p>
-<p class="par tocChapter">Vijfde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.5" id="xd21e353" name=
-"xd21e353">Alweer de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">164</span></p>
-<p class="par tocChapter">Zesde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.6" id="xd21e362" name=
-"xd21e362">Jan Kompanjie</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
-<span class="tocPageNum">172</span></p>
-<p class="par tocChapter">Zevende Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.7" id="xd21e371" name=
-"xd21e371">Voor Engelands hoofdrivier</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">182</span></p>
-<p class="par tocChapter">Achtste Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.8" id="xd21e380" name=
-"xd21e380">Chattam</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
-<span class="tocPageNum">190</span></p>
-<p class="par tocChapter">Negende Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.9" id="xd21e389" lang="la"
-name="xd21e389">Luctor et Emergo</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">200</span></p>
-<p class="par tocChapter">Tiende Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.10" id="xd21e399" name=
-"xd21e399">De Redder van het Vaderland</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">217</span></p>
-<p class="par tocChapter">Elfde Hoofdstuk.</p>
-<p class="par tocChapter"><a href="#ch2.11" id="xd21e408" name=
-"xd21e408">Het einde van een heldenleven</a>
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
-"tocPageNum">229</span> <span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1"
-name="pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div class="div0 part">
-<h2 class="label">EERSTE AFDEELING.</h2>
-<h2 class="main">Michiel Adriaensz. De Ruyter als knaap.</h2>
-<div id="ch1.1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e216">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Eerste kennismaking.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Waar ben je heel den tijd geweest?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, baas, ik heb, ik heb....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt
-weer uitvluchten en leugens om jezelven te dekken.&rdquo;</p>
-<p class="par">Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde
-wangen van den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op
-driesten toon, antwoordde hij: &bdquo;Wanneer heb ik u wat voorgelogen,
-baas! Ik jok niet om eene kleinigheid en om geene grootigheid
-ook!&rdquo;</p>
-<p class="par">De man, die als &bdquo;baas&rdquo; aangesproken werd,
-keek den eergevoeligen knaap verstoord aan, doch toen het scheen, dat
-hij hem eenen draai om de ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was
-zoo! Welk een ondeugd de knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich
-nooit opgehouden. Hij was w&aacute;&aacute;r, op brutaal-worden af.
-Daarom trok hij de hand terug en zeide wat minder nijdig, dan de knaap
-wel verwacht scheen te hebben: &bdquo;Gij jokt nooit, ja, dat weet ik;
-maar met waarheid spreken, redt een dief zich niet van de galg.
-<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name=
-"pb2">2</a>]</span>Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op, waar hebt
-gij weer zoo lang gezeten, <a id="xd21e442" name=
-"xd21e442"></a>Michiel?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik heb niet gezeten, baas,&rdquo; sprak Michiel,
-die zijne verstoordheid opeens vergeten was. &bdquo;Gezeten? Alles
-behalve! Ik heb eene pret gehad, nog zoo!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Pret hebben, als men werken moet, komt niet te
-pas, zou ik zoo meenen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet
-worden en wat minder gespeeld?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En
-met welke jongens zijt gij nu alweer aan den slag geweest?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie,
-met Geleyn Evertsen en Pieter Evertsen; met....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja!
-Allemaal kanonnen- en sabelvoer.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat,
-baas?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor
-de schepen van de Compagnie!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het
-schip zijn?&rdquo; riep de knaap en zijne oogen tintelden van
-genot.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, goed voor het schip, nergens anders
-voor!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten
-ze me zeker naar het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven.
-Geen beter en vrijer leven dan met eene houten aarde onder de voeten op
-de baren te dansen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af
-weet! Ja, ik zie je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij
-Moeders pappot zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat
-wel?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Een eindje knut, h&eacute;, baas? Dat gaat er van
-langs op het broekje! En schreeuwen dat die matrozen dan <span class=
-"pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name="pb3">3</a>]</span>doen! Zoo
-hard kunnen ze niet trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk
-een taai ding moet erg pijn doen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Of het! En dat kreeg je stellig eens in de
-week!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik, baas, ik?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten
-niet uithalen, als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet
-naar!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Willen we eens wedden, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat zoudt gij wedden?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf
-krijg. Willen we?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wed niet, jongen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord
-goed oppas. Toe, wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij
-doen? Een van de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als
-lichtmatroos op een van hunne schepen willen nemen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben
-fatsoenlijk en best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen
-past, als het vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw
-zondenboekje is al veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als
-gij er een zijt, aan boord worden?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Een Admiraal, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: &bdquo;Een
-Admiraal! Ha, ha! Hoe komt gij daaraan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik heb het gedroomd, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel
-droomen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van
-Gelder ook van school gejaagd was en des avonds met een warm broekje,
-dat Vader me aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik
-eenen heelen tijd wakker en dacht: &bdquo;Ewouts, Worst, De Moor,
-Sebastiaan De Lange en Piet Hein zijn van gemeen matroos wel
-opgeklommen tot Vlootvoogden <span class="pagenum">[<a id="pb4" href=
-"#pb4" name="pb4">4</a>]</span>of Bevelhebbers van schepen. Piet Hein
-leeft nog en zal het wel verder brengen dan Kapitein op eenen
-koopvaarder. En wat nu Piet Hein en die vier Zeeuwsche jongens konden
-worden, zoo ver kan ik het ook wel brengen. Z&oacute;&oacute; dacht ik
-aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al en zag ik mijzelven met
-eenen pluimhoed op het achterschip staan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is geen droomen! Dat is denken!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan,
-dan roept u: &bdquo;Jongen, staat toch niet zoo te
-droomen!&rdquo;<span class="corr" id="xd21e516" title=
-"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik
-vragen wil: kunt gij wel lezen en schrijven? Ik wed van
-neen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel
-driemaal van school gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met
-mij, baas, maar al lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat
-Meester zeide. Ha, ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar
-het torenhaantje, dan was het opeens: &bdquo;Michiel, wat heb ik
-gezegd?&rdquo; Dan schrikte ik wel even, maar toch gaf ik altijd een
-goed antwoord. De baas kon mij niet vangen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje
-uitstaan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk
-eens, zoo&rsquo;n doode haan staat daar zoo hoog, z&oacute;&oacute;
-hoog dat hij Engeland wel zou kunnen zien, als hij zien kon, en ik, die
-goede oogen heb, zit zoo laag, z&oacute;&oacute; laag dat ik niets
-anders zie dan vier witte muren! Zat die malle haan maar hier en was ik
-maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen oogen den kost geven!
-H&eacute;!&rdquo;</p>
-<p class="par">Dat &bdquo;H&eacute;&rdquo; kwam er z&oacute;&oacute;
-natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond begreep, dat die
-wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat
-er dan heelemaal geen oppassen in?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat
-mis, toen was ik geen &bdquo;zoete&rdquo; jongen meer!&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name=
-"pb5">5</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;In het eerst wel en later niet? Hoe kwam
-dat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den
-tweeden keer van school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder:
-&bdquo;Alida, wat nu?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, wat nu?&rdquo; vroeg Moeder.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, juist man, wat nu?&rdquo; vroeg Moeder.</p>
-<p class="par">&bdquo;Toen Vader en Moeder zoo mooi &bdquo;nuden&rdquo;
-begon ik hard te lachen; maar Vader, die behalve over mij nog over vier
-van mijne bro&ecirc;rs en zes van mijne zusters te regeeren
-heeft....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier
-bro&ecirc;rs en zes zusters?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas! Het is er precies &eacute;&eacute;n
-meer dan eenen mudzak vol, zegt Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader
-onder zulk eene bende goed orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te
-lachen, kwam hij op me af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne
-groote handen een pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor!
-Jongens, het ging er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel,
-dat hier ligt, kan zoo vlug niet roffelen als hij!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dan zult gij het terdege gevoeld
-hebben!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Of ik, baas!<span class="corr" id="xd21e556"
-title="Niet in bron">&rdquo;</span> Maar toen Vader eindelijk zoo
-geroffeld had, dat er aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing,
-zette hij mij neer en vroeg aan Moeder weer: &bdquo;Ja, wat nu,
-Alida?&rdquo;</p>
-<p class="par">Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een
-stuk van om niet in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer
-vroeg: &bdquo;Ja, juist, wat nu, Adriaen?&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch
-ik hield me goed en lachte niet.</p>
-<p class="par">&bdquo;De kw&acirc;jongen is toch nog te jong om hem al
-van school af te nemen. Hij kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt
-ge er van, als we het nog eens probeerden bij Meester Van
-Gelder?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name=
-"pb6">6</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn,&rdquo;
-sprak Moeder.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Me&ecirc;,
-Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en
-toen we eindelijk in school kwamen, zei Vader: &bdquo;Meester, hier is
-een jongen, die al van twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens
-bij u op de proef willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een
-bierdrager ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het
-schoolgeld, alsjeblief!&rdquo;</p>
-<p class="par">Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet
-ze glijden langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne
-knie&euml;n, en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop
-staan en zei: &bdquo;Als ik hem eens voor niemendal nam?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, dat zou me lijken,&rdquo; sprak Vader
-opgeruimd.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, jawel,&rdquo; vervolgde Meester,
-&bdquo;maar dan moet hij tusschen schooltijd boodschappen voor mij doen
-of krijtzagen, borden schoon maken, tafels recht zetten, messen slijpen
-voor mijne vrouw, turf halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen,
-kaarsenblokken schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje
-schuren, en in den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne
-vrouw in de kerk brengen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu,&rdquo; zei Vader, &bdquo;de jongen moet
-leeren werken, u kan hem krijgen, Meester!&rdquo;</p>
-<p class="par">Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het
-eerst had ik er nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi
-zad, dat begrijpt ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De
-boodschappen liet ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik
-blank, maar z&oacute;&oacute; bot, dat men er geene brij mee snijden
-kon, en het turfkooltje in de vuurtest hield ik, als ik de stoof naar
-de kerk bracht, en als het regende, even onder een gootje en liet het
-kooltje uitdooven. Het laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik
-altijd inslaap wiegen moest, zoo hard <span class="pagenum">[<a id=
-"pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span>wiegde, dat de arme hals over
-den grond rolde, als een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord
-werd. Toen kreeg ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader
-moest beginnen met schoolgeld te betalen, en ik met slaag
-krijgen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En zijt ge daar ook weggejaagd?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat hadt gij dan uitgevoerd?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend,
-en op dat tonnetje een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte
-beentjes. Daaronder schreef ik: &bdquo;Dat is de
-Meester!&rdquo;<span class="corr" id="xd21e593" title=
-"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par">&bdquo;En wie dat gedaan had, werd zeker door een
-verklikt. Wie deed dat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef
-zoo slecht als ik, en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat
-moois gemaakt had.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En toen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Toen werd ik van school gejaagd!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ei, ei, en verder?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren
-Lampsens en bij mijnen goeden baas.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo, die goede baas ben ik zeker?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het
-hier niet beter gaat aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren
-blijft maken, dat ge hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch
-zeker wel niet willen, h&eacute;?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas, heel graag!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet
-goed, en verdient gij niet eenen schelling in de week?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want ge
-<span class="ex">verdient</span> geenen schelling! De Heeren Lampsens
-<span class="ex">geven</span> eenen schelling, want ik weet niet hoe
-dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name=
-"pb8">8</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Het draait ook zoo stroef, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in
-hebt, en liever heele dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult
-me een kerel worden, ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een
-spinhuisbrok of galgeman!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, baas, dat word ik niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och,
-dan toch! En wat denkt de brave jongen dan, dat hij worden
-zal?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word,
-dan zullen ze me wel gaan laten varen, baas! En, d&agrave;t weet ik
-zeker, op zee word ik wat!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, pluimgraaf, wat anders?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Er zijn veel baantjes aanboord, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en
-in uw suffend brein is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het
-Admiraals-baantje voor eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene
-goede verbeelding en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens!
-Ha, ha! Als gij Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder!
-Zoo&rsquo;n kwajongen, zoo&rsquo;n luie deugniet, die driemaal van de
-school en ik weet niet hoe dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou
-Admiraal worden! Als ik in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar
-niet meer droomen en liever overdag de handen uit de mouw steken, dan
-hebt gij des avonds te veel slaap om aan zulke malle dingen te
-denken.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoor eens, baas, droomen....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur
-is om, en het wiel wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en
-stooten en zoo ongelijk draaien als gisteren, hoor!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, baas! Maar luister eens! Die
-droomen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ga aan het werk, luiwammes,&rdquo; riep de baas
-en hield nu werkelijk in ernst het &bdquo;end&rdquo; gereed om hem op
-eene gevoelige manier naar het werk te drijven.</p>
-<p class="par">Michiel ging, doch bromde: &bdquo;Ook al zoo&rsquo;n
-beul, ja! En hij wil niemendal van mijn droomen weten; maar waar
-<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name=
-"pb9">9</a>]</span>is het toch dat ik gedroomd heb, dat ik Admiraal was
-geworden.&rdquo;</p>
-<p class="par">Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van
-de Heeren Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door
-het werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.</p>
-<p class="par">Men schreef het jaar 1618.</p>
-<p class="par">De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam
-aangaat. Hij was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed
-geschouderd. De gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de
-vroolijkheid en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat
-hij ook wel kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die
-nu juist voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne
-plunje was anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig
-zag de kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste
-was van de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op
-&eacute;&eacute;n na, wat voor hem verknipt waren geworden. En voor
-dien oudsten op &eacute;&eacute;n na alweer, waren ze verknipt geworden
-van afleggertjes van den oudsten. Niet pleizierig voor Michiel. Zijn
-jonger broertje was er beter aan toe. Van Michiels lijf gingen ze
-regelrecht naar de lorrenmand; hiervoor zorgde Michiel wel, want wat
-hem aan het lijf kwam, was, lang v&oacute;&oacute;r hij er uitgegroeid
-was, al op en versleten.</p>
-<p class="par">De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die
-alles zoo stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader
-evenwel ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was
-daar niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den
-derden jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had
-er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel den
-naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat tegen om
-achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En als de koster er
-niets tegen had, <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name=
-"pb10">10</a>]</span>wie zou het dan beletten? De Magistraat bemoeide
-zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde, liet dat in de kerk
-doen, en de koster schreef in het trouw-register de namen der gehuwden
-en van de getuigen op. Was er iemand gestorven, dan moest men alweer
-bij den koster terecht komen; want deze moest voor een graf in de kerk
-of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag, zorgen. In het
-begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen vinden.
-Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de handen van
-den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige was, en
-gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste burgers
-der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst uitvond,
-of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van de eerste
-boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster, omdat hij
-koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden we
-opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men
-noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen
-waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen
-was.</p>
-<p class="par">Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel
-Adriaensz. De Ruyter.</p>
-<p class="par">Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem
-hadden, is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de
-zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind, dat
-naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor hem
-donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu, dat er van
-eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man, die, als hij
-sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet, en van wien men
-dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: &bdquo;Dat zal eene opruiming
-geven!&rdquo;</p>
-<p class="par">Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit
-zou hij ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijne <span class=
-"pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span>Moeder
-loog hij nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond
-voor de waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem
-een pak slaag op zat.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e225">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een straatjongens-daagje.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Op den morgen van dien dag was hij naar de
-lijnbaan gegaan, doch ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen,
-zoons van eenen visscher, die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog
-voer en er dan wakker op sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij
-Gibraltar en in nog vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig
-ondervonden. En dat klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee
-zoons ook al vroeg in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn
-was even oud, dus juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen
-op uit te gaan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een
-sukkeldrafje heen?&rdquo; had Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij
-kwam.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik? Wel waar anders heen dan naar de
-lijnbaan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kom, ga met ons mee!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, dat gaat niet, jongens!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als
-gij eens een keertje doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan
-is?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, dat niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, waarom gaat gij dan niet mee?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij
-slaat er zoo gauw op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er
-vanmiddag weer zoo even wat op zitten!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat
-vraagt, <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name=
-"pb12">12</a>]</span>dat gij eene boodschap voor den meesterknecht moet
-doen,&rdquo; zeide Geleyn, die nog geen woord gesproken had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te
-loopen eene leugen verzinnen zal?&rdquo; vroeg Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien
-voor!&rdquo; zeide Geleyn, zoo onverschillig mogelijk.</p>
-<p class="par">&bdquo;En ik wel twintig!&rdquo; riep Pieter.</p>
-<p class="par">Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al
-loopt gij nu ook het vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op
-den bepaalden tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons
-medegaan? We zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook,&rdquo;
-zeide Pieter vleiend en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het
-versleten wambuis vast.</p>
-<p class="par">Michiel aarzelde en vroeg: &bdquo;En waar gaat gij dan
-die groote pret uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den
-Westdijk?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den
-Westdijk om krabbetjes te vangen,&rdquo; antwoordde Pieter.</p>
-<p class="par">&bdquo;H&egrave;, h&egrave;, daar alle drie staan!
-Michiel een, Geleyn twee, Pieter drie! Dat drie brave jongens
-zijn,&rdquo; klonk op eenmaal de stem van eenen anderen jongen, die
-juist het hoekje van de straat omsloeg.</p>
-<p class="par">Het was een negerknaap, die hier in het begin van April
-met een schip aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen;
-maar, eer hij Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De
-Heeren Lampsens, van wie het schip was waarmede de negerknaap
-vertrekken zou, stonden er op, dat hij geen heiden zou blijven, en
-daarom hadden zij hem bij eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar
-hij tot groot vermaak van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn
-Neger-Hollandsch zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter
-hadden bij zijne aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt en
-<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name=
-"pb13">13</a>]</span>onder hunne leiding leerde hij nu niet zoo heel
-veel moois.</p>
-<p class="par">&bdquo;Waar gaat gij naar toe, sausneger?&rdquo; vroeg
-Pieter.</p>
-<p class="par">&bdquo;Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben
-negersaus,&rdquo; antwoordde de negerknaap, die den naam van Jan
-Kompanjie gekregen had en onder dien naam ook op de scheepsrol der
-Heeren Lampsens en in het doopboek ingeschreven zou worden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Negersaus,&rdquo; riep Pieter lachend.
-&bdquo;Zeer goed spreken! Is me dat eene taal? Is dat negertaal
-soms?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat
-Vlissingers, dat spreek zoo raar, niet verstaan ik!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed, goed,&rdquo; zeide Michiel. &bdquo;Zeg maar
-waarheen gij gaat!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren
-de dek met bezem en dweil! Zjjjt, zjjjt!&rdquo; zeide Jan het geluid
-van den bezem nabootsende.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen
-jongen,&rdquo; spotte Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat de Domine ook zegt!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt
-verleden week nog van de catechisatie gejaagd!&rdquo; riep Geleyn.</p>
-<p class="par">&bdquo;En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij
-aangedreven bent op het plank toen je op het zee, het groote zee,
-omgeven door die water, ging op en neer! Jij kwam bons met het plank,
-en niet bons met de hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De
-Kapitein van die schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij
-hier komt als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een
-mooie, gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal
-een mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag
-gedoopt ben!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet
-braaf, alles gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te
-vangen,&rdquo; sprak Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar
-wachtte, reeds lang vergeten had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, ik naar de schippe moet!&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
-"pb14">14</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Wat naar het schip, gekheid!&rdquo; riep
-Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw
-voor die broekie, klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld
-die touw op die broekie?&rdquo;</p>
-<p class="par">Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend
-antwoordde: &bdquo;Neen, zulk een &bdquo;eindje knut&rdquo; is alleen
-voor sausnegertjes. En naar het schip, malligheid! Ik niet naar de
-baan, Jan Kompanjie niet naar het schip. Samen uit, samen thuis!
-Komaan, als hij niet wil, hem dan maar meegesleept, jongens!&rdquo;</p>
-<p class="par">Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was,
-kon hij toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel
-eind meesleuren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal
-wel,&rdquo; riep Jan eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en
-heen- en weergooien, dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze
-waren, hem deden, spoedig zad werd.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor,&rdquo;
-zei Michiel, &bdquo;want dan zullen we meka&ecirc;r eens even spreken
-door het oor van eene mande!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een
-braaf jongen,&rdquo; antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar
-zijn schip te gaan.</p>
-<p class="par">En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den
-Westdijk en zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken
-kon.</p>
-<p class="par">Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel,
-en nam des middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met
-zich om zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje<span class="corr"
-id="xd21e771" title="Niet in bron">,</span> eens even te spreken.</p>
-<p class="par">De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg
-en gingen toen naar huis.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo, Michiel,&rdquo; zei Vader, &bdquo;gij zijt
-er vroeg bij. Een vroegertje van den baas gehad?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Vader!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
-"pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis
-naar huis gegaan, nietwaar?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Weggestuurd dan soms?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen
-geweest met Geleyn en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het
-schip van de Heeren Lampsens?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En veel pret gehad, mijn jongen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Vader, o zooveel pret!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En wat hebt gij dan uitgevoerd?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die
-geene krabben kende, pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren
-hunne scharen in zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten
-zien, Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel,
-dat ge gevangen hebt?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar tien, Vader! Maar &eacute;&eacute;n was er
-bij zoo groot als mijne muts! Nog nooit zoo eene gezien!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als
-groote pakken slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat
-rinkellatje mede, dat daar in den hoek staat!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei:
-&bdquo;Zal ik het maar eens even in het vuur onder de bruine boonen
-stoppen, Vader?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf
-wel in kleine stukjes breken!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat kan ik ook wel, Vader,&rdquo; antwoordde
-Michiel en brak het latje al vast door.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gij zijt sterk,&rdquo; zei Vader, &bdquo;breng
-mij die twee eindjes nu maar!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ze kunnen er anders nu wel al onder,
-Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Komt gij nu hier, bengel,&rdquo; riep Vader
-terwijl hij verstoord de vuisten balde en gereed was, den deugniet deze
-te laten voelen. <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name=
-"pb16">16</a>]</span></p>
-<p class="par">Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de
-eindjes lat bij zijnen Vader en....</p>
-<p class="par">Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit
-voor de broek gehad.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vader, Vader, houd toch op,&rdquo; klaagde en
-smeekte Moeder Alida en wilde de hand van haren man tegenhouden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne
-broek aan stukken of mijn naam is geen Adriaen. Zoo&rsquo;n schandaal
-van eenen jongen. Het kwaad moet er uit....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar Vader, houd dan toch op,&rdquo; herhaalde
-Moeder Alida, wier bleeke wangen nog akeliger bleek van angst en
-medelijden werden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Klets-klets! Het kwaad zal er uit!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer
-schreeuwen. Hij zal nog stikken van angst,&rdquo; riep Moeder,
-zichzelve niet langer meester.</p>
-<p class="par">&bdquo;Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de
-zaak gezond, vrouw! Ik houd er van om maar ineens een goed pak te
-geven! Klets-klets!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood
-af,&rdquo; klonk eensklaps eene stem.</p>
-<p class="par">De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette
-Michiel neer, stond op en zeide beleefd: &bdquo;Uw dienaar, Sinjeur
-Seylmaecker.&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en
-blozende kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat
-hij op het punt stond om het van pijn te besterven.</p>
-<p class="par">De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide:
-&bdquo;Breng uwen jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud
-water drinken. Hij is bijna vermoord.&rdquo;</p>
-<p class="par">Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en
-sprak: &bdquo;Wie zijnen zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt
-ge zeker! Maar zeg eens, Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel
-willen ontvangen?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb17" href=
-"#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Voor geene honderd schellingen,
-Sinjeur!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En waarom geeft gij het dan aan uwen
-jongen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne
-doodkist! Ik bega nog een ongeluk aan hem,&rdquo; sprak de Vader en
-smeet de twee stukken rinkellat op het vuur.</p>
-<p class="par">&bdquo;En wat kwaads heeft hij dan nu weer
-uitgevoerd?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu
-is hij in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook
-vandaan gejaagd te worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan
-zijn werk met zijne kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer
-gelapt! Maar het kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En z&oacute;&oacute; slaat gij het er in en al
-dieper in, Adriaen! Zulke jongens moeten op eene andere wijze gestraft
-worden.&rdquo;</p>
-<p class="par">Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan
-de hand zijner ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.</p>
-<p class="par">Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten
-hem te veel pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het
-vensterkozijn leunen.</p>
-<p class="par">Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op
-den schouder en sprak op vriendelijken toon: &bdquo;Jongen, jongen, wat
-moet er van u terecht komen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed
-oppassen,&rdquo; antwoordde Michiel, die den Heer wel kende, daar deze
-een voornaam handelaar en Schepen in de Vroedschap was. Hij was een
-streng Heer en Michiel zag hem op straat altijd liever gaan dan komen,
-doch nu was hij den Vroeden man in zijn hart recht dankbaar, dat hij
-gekomen was; want zijne komst toch had een einde gemaakt aan de
-vaderlijke kastijding. Wie weet of anders die houtjes, die nu zoo
-lustig brandden en de boonen bijna uit den pot deden springen nog niet
-op zijne broek dansen zouden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er
-wat tegen, Adriaen?&rdquo; Deze laatste vraag gold niet meer den zoon,
-maar den Vader, wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name=
-"pb18">18</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Bij mij in het minst niet, Sinjeur,&rdquo; luidde
-Vaders antwoord. &bdquo;Maar, daar aanboord zal de bengel er nog anders
-van lusten. Ravallen en kielhalen zit er voor hem op.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zou voor mij de groote vraag zijn,
-Adriaen,&rdquo; hernam Sinjeur Seylmaecker. &bdquo;Het is meer gezien:
-wie aanwal een bengel is, wordt aanboord een engel. Ik zou het er
-gerust op durven wagen en zelfs moed hebben, dat er wat goeds uit den
-bengel groeien zou. Heeft u er iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u
-bezwaar?&rdquo;</p>
-<p class="par">De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan
-en zeide: &bdquo;Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar
-ook, ik wil het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen
-dienst wilde worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik
-zeggen: ga, jongen! Een mensch z&rsquo;n zin, een mensch z&rsquo;n
-leven! Maar, als matroos het zeegat uit, praat er mij niet van,
-Sinjeur, praat er mij niet van! Ik zou het besterven.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt
-daar: een mensch z&rsquo;n zin, een mensch z&rsquo;n leven. Als ge
-d&aacute;t meent, dan moet ge er ook niet tegen zijn, dat die schavuit
-daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt nu eenmaal zijn zin te
-zijn.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij
-manier van spreken! Wat zou er van hem aanboord terecht komen? Er is
-onder het matrozen-volk raar goedje, Sinjeur!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens
-eenen goeden zeevader had?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat is een zeevader, Sinjeur?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is een man aanboord, die over een paar
-jongens gesteld is om die voor zeeman op te leiden.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar
-waar vindt men eenen goeden zeevader?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, aanboord van de &bdquo;Lijnbaan&rdquo;
-is....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Is dat het schip van de Heeren Lampsens,
-Sinjeur?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Juist, Moedertje! En daar aanboord is de
-&bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; Bootsman!&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;De &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;? Is dat
-Corstiaen Lievensz<span class="corr" id="xd21e903" title=
-"Niet in bron">.</span>?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, het is zijn bro&ecirc;r Cornelis. En ik sta
-er u voor in, als onze maat dien &bdquo;Barren Bruinvisch&rdquo; tot
-zeevader heeft, dat hij aanboord wel alle leelijke grapjes uit het
-hoofd zal laten!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord
-wel oppassen zou en geene grapjes uithalen,&rdquo; zeide Michiel, die
-al hoopte, dat Moeder overwonnen was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens
-over spreken?&rdquo; vroeg het heerschap.</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet,
-alsjeblieft! Na het pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel
-oppassen! Nietwaar, Michiel, mijn jongen?&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens
-zegt, op het derde knoopsgat hangen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar,
-ik wil u niet dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken.
-Ik kwam een vaatje bier bestellen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Alsjeblieft, Sinjeur!&rdquo; zeide Adriaen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, geen alsjeblieft,&rdquo; hernam
-Seylmaecker. &bdquo;Ik zou dat eigenlijk moeten zeggen. Ik kom maar
-hier, omdat het kantoor van den Heer Allertsz. wel wat ver uit mijnen
-koers was, en ik hier toch voorbij moest.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor
-ieder vaatje bier, dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle
-beetjes helpen! Er is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en
-drie ervan zijn nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel,
-telt niet mee, al is hij reeds in zijn elfde jaar.&rdquo;</p>
-<p class="par">Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen,
-die bij zichzelven dachten: &bdquo;Wij wilden wel dat die Sinjeur maar
-heenging; de boonen zijn al lang gaar!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, man, er is veel brij noodig om al dien
-schelmen den mond te stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen,
-dan hebt gij er nog eenig voordeel bij?&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Sinjeur!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen
-kennissen ook zeggen. Nu ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de
-boonen koud! Eet smakelijk samen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dank u wel, Sinjeur,&rdquo; zeiden Vader en
-Moeder.</p>
-<p class="par">Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink
-in de hand: &bdquo;En over dien bengel daar,&rdquo;&mdash;hij wees op
-Michiel,&mdash;&bdquo;zult gij nog wel eens denken, nietwaar? Goeden
-dag!&rdquo;</p>
-<p class="par">Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei:
-&bdquo;Hij ziet er zoo bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als
-alle menschen zoo waren, dan zou het leven voor een arm mensch nog al
-te dulden zijn.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet
-zoo goed,&rdquo; zeide de Moeder.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee
-allerlei kwaads gezien of er een broertje aan dood hebt.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven
-als ik er aan denk.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en
-meiden in dien tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die
-Michiel heeft er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel
-eens ophouden, kw&acirc;jongen! Dat eet als een uitgehongerde
-Leidenaar!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Michiel denkt zeker: &bdquo;Vader heeft alles
-naar onder geslagen, er moet boven op ook wat zitten, anders ligt de
-schuit niet vast,&rdquo; zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, op
-spottenden toon.</p>
-<p class="par">&bdquo;Laat den jongen maar eten, als hij honger
-heeft,&rdquo; sprak Moeder Alida, die door het pak slaag, dat Michiel
-gehad had, erg zenuwachtig geworden was. &bdquo;Ik had al genoeg eer
-Sinjeur Seylmaecker kwam.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zijn lekkere, Moeder,&rdquo; zeide Michiel en
-schoof in den schotel voor Moeders plaats de grootste boonen, die hij
-vinden kon. Zij aten samen uit denzelfden schotel, weet <span class=
-"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>ge! Aan
-een bord voor ieder werd niet gedacht, en dat had niet alleen plaats
-bij arme en eenvoudige menschen, zooals bij den bierdrager Adriaen
-Michielsz., o neen, dat deed men ook bij de meergegoeden, en op het
-platte land kan men velen onzer boertjes nog met het geheele gezin uit
-denzelfden schotel zien eten.</p>
-<p class="par">Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel
-naar de lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht
-ontvangen werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds
-gelezen.</p>
-<p class="par">Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en
-baas Lorkens dacht: &bdquo;Zoo&rsquo;n &bdquo;end&rdquo; schijnt te
-helpen! Het gaat er nu goed door!&rdquo; maar pas had hij dat gedacht
-of het wiel begon onregelmatig te draaien en hield eindelijk heelemaal
-stil.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg eens even, nu al moede?&rdquo; vroeg Lorkens,
-die Michiel met de handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de
-deur van het huisje vond staan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar komt een stevig koeltje opzetten,
-baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat geef ik om een koeltje, draai
-maar!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene
-gereefde marszeilskoelte waait!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wilt gij nu wel eens draaien, <span class="corr"
-id="xd21e971" title=
-"Bron: kwajongen">kw&acirc;jongen</span>?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er
-koude van krijgen zou.</p>
-<p class="par">&bdquo;Draai toch harder, schavuit!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet
-zeker eens goed in het vet gezet en gesmeerd worden!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug
-moet gesmeerd worden, dat is heel wat anders, en meer helpen zal het
-ook. En nu niet langer geluierd! Draai!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">En weer ging Michiel aan den gang.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wacht,&rdquo; dacht hij, &bdquo;als ik den
-draaier een klein beetje <span class="pagenum">[<a id="pb22" href=
-"#pb22" name="pb22">22</a>]</span>links duw onderwijl ik draai, dan
-gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een mensch er akelig van
-wordt.&rdquo;</p>
-<p class="par">Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.</p>
-<p class="par">Piep-piep! klonk het zacht.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en
-harder,&rdquo; mompelde Michiel.</p>
-<p class="par">Rrrrt, alweer wat links.</p>
-<p class="par">Piehiep! Piehiep!&mdash;</p>
-<p class="par">&bdquo;Heerlijk, prachtig, het kan niet beter,&rdquo;
-zeide Michiel zachtjes en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te
-kijken waar dat afschuwelijke geluid vandaan kwam.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is het wiel, baas!&rdquo; riep Michiel.</p>
-<p class="par">Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar
-mogelijk was.</p>
-<p class="par">Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!</p>
-<p class="par">Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal
-van de wijs te maken,&rdquo; sprak hij toen hij naderbij kwam.
-Ongelukkig genoeg wist de man niemendal van Michiels uitvinding af.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek
-door,&rdquo; zeide Michiel met het onnoozelste gezicht van de wereld en
-natuurlijk terstond ophoudende met draaien. &bdquo;Het zal eens een
-weekje rust moeten hebben om gemaakt te worden. Zoo kan het niet
-langer!&rdquo;</p>
-<p class="par">Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want
-als het wiel rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet
-daarom misschien ook alleen te doen?</p>
-<p class="par">&bdquo;Haal den smeerpot, Michiel,&rdquo; beval hij.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, achter die hennep-balen! Gauw
-wat!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek
-houdt,&rdquo; mompelde Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar
-alles gebleven was, zooals Michiel het gemaakt <span class=
-"pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>had,
-maakte het ding nog een afschuwelijk geweld.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is toch waar,&rdquo; bromde hij
-ontevreden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hi-hi! Hij probeert eens,&rdquo; zeide Michiel
-terwijl hij naar den smeerpot greep. &bdquo;Hoe gelukkig dat ik er nog
-niemendal aan veranderd had! Wacht maar, eer het avond is, moet er weer
-gesmeerd worden!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indi&euml;n
-halen?&rdquo; riep de baas, wien het wachten verveelde.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, baas! Hier ben ik al!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch
-zoo?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik geloof van hier, baas,&rdquo; zei Michiel en
-wees een plekje aan waar niet te veel smeer was.</p>
-<p class="par">Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek
-eens terdege in het vet te zetten, waarna hij zeide: &bdquo;Er is nu
-bijna eene karrevracht smout op! Kom aan, draai nog eens!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts,
-maar zoo dat geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd op! Hier zit zeker ook nog niet
-genoeg,&rdquo; sprak Lorkens, die nu een ander plekje in het vet zette,
-en zoodra hij hiermede klaar was, klonk het bevelend: &bdquo;Draai,
-bengel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep!
-Pie....</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een
-mensch. Wat kan er toch aan dat ding haperen?&rdquo; sprak Lorkens,
-nijdig, omdat hij het gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk,
-dat vlug klaar moest zijn, wachtte.</p>
-<p class="par">Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan
-en riep: &bdquo;Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat
-wordt een stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een
-gereefd marszeilskoeltje, die....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij
-met dat gereefd marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen
-zat!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name=
-"pb24">24</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik
-zou er wel willen zijn en heel graag ook, maar zonder....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zonder het wiel zeker?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij
-dat toch zoo opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was
-hier in de baan gebleven, wie zou het dan draaien?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Een ander, deugniet, een ander, die zijnen
-schelling in de week beter verdiende dan gij dien verdient. En kort en
-goed, ik doe nu aan het wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er
-in de Molukken van op de zenuwen krijgen, draaien zult gij!
-Begin!&rdquo;</p>
-<p class="par">De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk
-weer opnemen en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts
-gebracht te hebben, te draaien dat het een lieve lust was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het heeft dan toch wat geholpen, baas!&rdquo;
-riep Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve
-scheepslading olie op,&rdquo; was het korzelig gegeven antwoord.</p>
-<p class="par">Een uurtje daarna echter liet de kw&acirc;jongen het
-wiel weer eens even piepen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar zal het lieve leven zoo waar alweer
-beginnen, baas! Zouden wij den smoutpot weer maar niet eens voor den
-dag halen,&rdquo; zeide Michiel met een paar oogen waaruit wel twee
-schelmen tegelijk keken.</p>
-<p class="par">&bdquo;Laat piepen wat piept! Draai!&rdquo; snauwde
-Lorkens hem toe.</p>
-<p class="par">Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan
-Michiel verkoos, en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld,
-dat Lorkens zijn werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en
-ze&icirc;: &bdquo;Daar moet de smid naar komen kijken! Ga hem
-halen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Weg was Michiel.</p>
-<p class="par">Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft
-het heelemaal mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen
-hij daar kwam, hielp hij een bootje vastleggen, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span>maakte
-een praatje met de twee matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op
-zijn doode gemak naar den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de
-gezel zou het zeggen en de Meester zou dan dadelijk komen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas!
-Hij was niet thuis,&rdquo; zeide Michiel.</p>
-<p class="par">Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch
-nauwelijks had hij het wiel bekeken of hij ze&icirc;: &bdquo;Wel, er
-hapert aan dat wiel niets. Zit de draaier wel goed?&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel hoopte dat die &bdquo;akelige vent&rdquo; het
-niet vinden zou; maar dat viel hem bitter tegen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Welja, het ligt aan den draaier,&rdquo; zeide
-hij. &bdquo;Die is te veel naar links! Een klein gebrek, gauw
-verholpen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond
-de draaier nu vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester
-Heisteck draaide eens en....</p>
-<p class="par">&bdquo;Ga maar gerust aan den slag, hoor,&rdquo; sprak
-hij, &bdquo;en als het ding nu nog piept, dan geef ik een potteken
-bier.&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten
-piepen, maar mis, er was niets te vernemen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ziezoo, alles in orde,&rdquo; sprak Meester
-Heisteck en ging met zijne gereedschappen heen.</p>
-<p class="par">Onder al die bedrijven door was het evenwel avond
-geworden en, Michiel kon naar huis.</p>
-<p class="par">Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?</p>
-<p class="par">Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd
-hebben: &bdquo;Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den
-kost dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil
-naar zee!&rdquo;</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name=
-"pb26">26</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e234">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Bij het torenhaantje.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;Michiel, hei, Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel
-naar de lijnbaan slenterde.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat is er aan de hand?&rdquo; vroeg Michiel vrij
-korzelig.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie
-met die latrinkel, hi-hi! Z&oacute;&oacute; dat ging, klets-klats!
-Klits-klets!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wilt gij er wel eens van zwijgen,
-sausneger!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jij schreeuwde brand en moord!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe weet gij dat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles
-hoorde!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En aan wien hebt gij het verteld?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Aan welken Jan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan
-uzelven?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk
-heeft. Jan Kompanjie de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke
-niemendal krijg, jij krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind
-altijd dankbaar is.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de
-helft en het overschot willen overdoen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half.
-Maar wat moeten ze daar uitvoeren?&rdquo;</p>
-<p class="par">Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis
-waarop de haan draait en waar men een paar werklieden, van beneden
-gezien niet veel grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op
-zag klauteren.</p>
-<p class="par">Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die
-schitterden van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: &bdquo;He,
-wat zitten die daar heerlijk in den wind!&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn
-land zien. In mijn land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij
-daar bovenop wordt een manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien
-kan het zee waarop dreef die wonderkind op dat plank, tot die
-wonderkind die koppetje stoot tegen die schippe en dat matrozen
-hijschen die wonderkind aanboord!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zou daar ook wel eens willen werken,&rdquo;
-zeide Michiel. &bdquo;Vooral nu, daar ik mijn wiel niet meer kan laten
-piepen zooals gisteren.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging
-voor die broekie, akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Pats,&rdquo; zei Michiel, en gaf den negerknaap
-eenen draai om de ooren dat hij op den grond tuimelde.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?&rdquo; vroeg
-Jan toen hij opgestaan was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik
-wil niet hebben, dat gij daar zoo mee te koop loopt.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch
-geen mensch koopen zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader
-Adriaen, ikke wel weet wat geleerd.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat dan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat
-oor ijsheet is!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat behoort zoo, anders helpt het niet,&rdquo;
-zeide Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen
-Papa,&rdquo; riep Jan lachend, doch pas had hij dat gezegd of hij
-maakte dat hij buiten het bereik van Michiels handen kwam.</p>
-<p class="par">Lachend zag Michiel hem na, mompelde: &bdquo;Een goedzak
-van eenen jongen toch, dat moet gezegd worden,&rdquo; en slenterde naar
-de lijnbaan waar baas Lorkens zijn &bdquo;goeden morgen, baas,&rdquo;
-beantwoordde met een nijdig: &bdquo;Zoo, is de slampamper er eindelijk,
-ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er is te veel te doen! Vooruit
-maar, en de schade van gisteren ingehaald.&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas,&rdquo; zei hij droomerig en begon te
-draaien.</p>
-<p class="par">Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het
-was elf uur eer Michiel het wist.</p>
-<p class="par">&bdquo;Genoeg, Michiel! Houd maar op,&rdquo; riep baas
-Lorkens.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het
-Lid van de Vroedschap, te wonen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons
-geweest.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch
-doen?&rdquo; vroeg baas Lorkens ongeloovig.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder
-een goed woordje om me maar naar zee te laten gaan.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag
-willen, Michiel?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord
-beter zult hebben dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult
-kunnen uithalen als gisteren hier in de baan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik in de baan streken uitgehaald,
-baas?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel
-niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, baas dan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren
-avond toen ik thuis was, gedacht heb?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, baas.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men
-wil, dat die kw&acirc;jongen er een kunstje op geweten heeft om dat
-wiel zulk een helsch leven te laten maken.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen
-daarom eens gedaan heb, v&oacute;&oacute;r het volk er was?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat
-boeltje eens even los maken, dat de smid vastgezet heeft.</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e1232" title=
-"Niet in bron">&bdquo;</span>Ik deed het en zocht toen
-z&oacute;&oacute; lang tot ik het piepkunstje vond. Al maar een beetje
-meer links tot het op <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29"
-name="pb29">29</a>]</span>het laatst ging precies als gisteren:
-Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas, ge hebt het kunstje
-gevonden!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch
-niet helpen. Maar zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke
-streken kunt uithalen zonder dat het &bdquo;endje touw&rdquo; voor den
-dag komt? De Kapiteins van de schepen zijn niet zulke goedzakken, als
-ik er een ben, hoor! Aanboord is Keesje Knuttel heel gauw tot elks
-dienst!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie is Keesje Knuttel, baas?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet
-te zeggen, dat Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om
-iemand, die straf verdiend heeft een warm broekje te geven!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen
-alleen maar een &bdquo;endje dag.&rdquo; Maar als ge nu denkt, dat ik
-het aanboord ook zoo zou maken als hier, dan zijt gij bezijden de
-plank, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel
-z&oacute;&oacute; muurvast in, dat hij het niet meer laten kan.
-Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar bed gaan.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hier aan den wal, baas, hier aan den
-wal!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En waarom zal dat op zee niet zoo wezen,
-jongen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als
-hier!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur
-Seylmaecker u aanboord hebben?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou
-hij maken, dat de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; mijn zeevader
-werd.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als hij d&aacute;t kon gedaan krijgen, dan geloof
-ik ook dat ge op zee nog wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd
-dat ge geworden waart?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Admiraal, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht
-strengen paktouw en twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur
-Seylmaecker!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30"
-name="pb30">30</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den
-middag terug komen baas?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf
-zijn. Neen blijf maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren
-aan en liep zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht:
-&bdquo;Hij heeft zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik
-zal vanmiddag eens vragen wat hij uitgevoerd heeft.&rdquo;</p>
-<p class="par">Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels
-Ouders, doch het was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij
-zijne boodschap gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo
-dikwijls had hij het voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te
-beklimmen, doch het was er nog niet van gekomen.</p>
-<p class="par">En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe
-aan! Wie weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en
-daarom, vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!</p>
-<p class="par">Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al
-tamelijk druk door de komst van eenige schepen der Compagnie.</p>
-<p class="par">Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte
-over de manden met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij
-kroop tusschen koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit
-gezien had.</p>
-<p class="par">Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat
-verder eenen draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij
-was aan slagen krijgen al gewoon geraakt.</p>
-<p class="par">Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te
-twaalf uren ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten
-worden, dus, geenen tijd verzuimen!</p>
-<p class="par">De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm
-tegen duwde, ontdekte hij, dat ze toch niet op slot, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>maar
-alleen stevig aangezet was, om de indringers niet te lokken.</p>
-<p class="par">En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den
-eersten omgang bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf
-noodig hadden.</p>
-<p class="par">Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk
-werk te verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken
-was, v&oacute;&oacute;r den bepaalden tijd naar beneden gekomen en
-stond ook op den omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond,
-dook weg en zonder hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen
-wenteltrap af, terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste
-ladders met ijzeren sporten hooger klom.</p>
-<p class="par">Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het
-nog hooger tot bij het kruis. Maar....</p>
-<p class="par">&bdquo;We hadden de ladders van de peer moeten
-wegnemen,&rdquo; zeide een van het volk toen het al beneden in den
-toren was. &bdquo;Het waait fel; ze konden losslaan en als zulk eene
-ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die zou ons geen kwaad meer doen,
-maar ik geloof dat de Magistraat het ons inpeperen zou.&rdquo;</p>
-<p class="par">Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar
-boven. Zonder dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer en
-<span class="corr" id="xd21e1303" title=
-"Bron: zett&rsquo;en">zetten</span> deze zoo, dat ze onmogelijk vallen
-konden.</p>
-<p class="par">Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk
-daalde voor goed naar beneden.</p>
-<p class="par">En Michiel?</p>
-<p class="par">Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een
-bootje op de Schelde genoten had.</p>
-<p class="par">Wat een vergezicht!</p>
-<p class="par">Hoe mooi! Hoe schoon!</p>
-<p class="par">Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare
-witte pluimen! Wat wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de
-Duerloo! <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name=
-"pb32">32</a>]</span></p>
-<p class="par">En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar
-driemasters, die naar de Oost gingen.</p>
-<p class="par">Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men
-toen zeide en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu
-dichter, veel dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk
-stond!</p>
-<p class="par">En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij
-lag, dat men er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar
-voor hem uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het
-slot Ter Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg,
-Oostkapelle!&mdash;Och, och, hoe mooi! Hoe mooi!</p>
-<p class="par">Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.</p>
-<p class="par">Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel
-spelen en geene klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij
-met de ooren doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat
-heerlijke golvenlied.</p>
-<p class="par">En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten
-keer in zijn leven was, dat hij zien kon.</p>
-<p class="par">Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van
-het gloeiend ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om
-het te smeden.</p>
-<p class="par">Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!</p>
-<p class="par">Maar vooral trok die groote, groote zee met hare
-rollende golven, dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem
-aan.</p>
-<p class="par">Hij kon evenwel nog hooger.</p>
-<p class="par">Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.</p>
-<p class="par">Zou hij het doen?</p>
-<p class="par">Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo
-mooi blonk en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te
-kunnen zeggen: &bdquo;Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan
-van den toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!&rdquo;</p>
-<p class="par">Zou hij het doen? <span class="pagenum">[<a id="pb33"
-href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p>
-<p class="par">Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!</p>
-<p class="par">Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden!
-En als hij wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de
-stevige vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt,
-dit te doen.</p>
-<p class="par">Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan,
-zoo grof en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig,
-ferm vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij
-het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele
-klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden
-staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het
-kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het is me
-een sjouw, hoor! Maar&mdash;de aanhouder wint. Hij raakt den haan, den
-leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem te
-draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde
-wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan maar
-ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom staat,
-alsjeblief!</p>
-<p class="par">Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis
-staan en eens beneden naar de markt gekeken.</p>
-<p class="par">Hij staat er, maar....</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat! Waar is de markt nu?&rdquo; mompelt hij.</p>
-<p class="par">Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt
-onder zijne voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode
-brug terecht.</p>
-<p class="par">En wat deden die boeren en boerinnen gek!</p>
-<p class="par">Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!</p>
-<p class="par">Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar
-stil, ze schreeuwen wat!</p>
-<p class="par">Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze
-riepen.</p>
-<p class="par">Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker
-roepen: &bdquo;Och, hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij
-toch beneden komen?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb34" href=
-"#pb34" name="pb34">34</a>]</span></p>
-<p class="par">Beneden komen? Wel, langs de ladders!</p>
-<p class="par">Daar laat hij zich glijden tot op de peer!</p>
-<p class="par">&bdquo;He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de
-ladders weggehaald,&rdquo; bromt hij.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar
-beneden zouden rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo&rsquo;n ladder op
-den knikkerbol en&mdash;men is er geweest, secuur geweest.&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel zit een poosje stil en denkt na.</p>
-<p class="par">Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen
-gebeurt, anders zou hij vast lachen.</p>
-<p class="par">Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.</p>
-<p class="par">Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te
-vangen. Ze houden hun hart vast. Ze sidderen en beven.</p>
-<p class="par">Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast
-en van sidderen en van beven weet hij niemendal.</p>
-<p class="par">Maar hij moet toch naar beneden!</p>
-<p class="par">Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne
-schoenen. Hij zal de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan
-de spijkers, waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels
-vastklemmen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Een goed matroos is nooit
-verlegen,&rdquo; roept hij en begint den roekeloozen tocht naar
-beneden.</p>
-<p class="par">Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den
-toren.</p>
-<p class="par">En daar beneden uit &bdquo;dien emmer met muizen&rdquo;
-stijgt &eacute;&eacute;n geluid, &eacute;&eacute;n klank naar boven:
-&bdquo;Goddank!&rdquo;</p>
-<p class="par">Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste
-klimmersbaas was, die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven
-spotte.</p>
-<p class="par">Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen
-hem zien. Ze willen en zullen het weten wie die waaghals geweest
-is!</p>
-<p class="par">&bdquo;Op zij! Op zij!&rdquo;</p>
-<p class="par">Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van
-gehoord, en is het werkvolk gaan roepen om den <span class=
-"pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>knaap te
-redden. Het schijnt wel een straatjongen te zijn, maar....</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie is het, Burgemeester, wie is het?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij
-is al in den toren en van de peer af, zegt ge?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is
-hij! Daar is hij!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien
-Michiel! Daar is hij!&rdquo; schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam
-aandraven.</p>
-<p class="par">Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap
-verdringt, vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep
-van den negerjongen: &bdquo;Daar is hij!&rdquo; zien ze op, en, ja,
-waarlijk, het is Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den
-bierdrager, en van Alida Jans.</p>
-<p class="par">En&mdash;verdwenen is hij.</p>
-<p class="par">Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te
-wonen en loopt naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op
-elkander hoopt.</p>
-<p class="par">De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool
-bij.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e243">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De &bdquo;Barre Bruinvisch.&rdquo;</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;Wat zou er toch te doen zijn,
-Moeder?&rdquo; vroeg Alida, de oudste zuster van Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, ik weet het niet, kind! Eet maar,&rdquo;
-zegt Moeder.</p>
-<p class="par">Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen
-tijd begonnen met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo
-dikwijls te laat.</p>
-<p class="par">Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de
-magen der kinderen. <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36"
-name="pb36">36</a>]</span></p>
-<p class="par">Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook
-niet.</p>
-<p class="par">Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde
-maar zelden en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.</p>
-<p class="par">Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat
-Michiel, die aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als
-hij daarom het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen,
-die er in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van
-tafel.</p>
-<p class="par">En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel
-heen en weer, en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar
-strak voor zich zat te kijken.</p>
-<p class="par">Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?</p>
-<p class="par">Stil, ik geloof dat ik het weet.</p>
-<p class="par">Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een
-spiksplinternieuw pak in den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje
-zijn, evenmin als gisteren, en evenmin als al de andere pakken en
-pakjes, die zijn Vader hem gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De
-goede man wist het wel, dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn!
-Die kreeg hij dan ook maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die
-soms tot diep in den nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw
-te maken.</p>
-<p class="par">En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!</p>
-<p class="par">Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?</p>
-<p class="par">Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en
-het kwaad zal er uit? Had hij den <span class="corr" id="xd21e1467"
-title="Bron: kwajongen">kw&acirc;jongen</span> niet geranseld, niet
-z&oacute;&oacute; geranseld, dat de schelm een sloksken koud water
-moest hebben om niet van zijn stokje te rollen? En nu al vergeten!</p>
-<p class="par">Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van
-zijnen stoel, en keek het kleine vertrek rond.</p>
-<p class="par">Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar
-man iets zocht en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in
-het hoekje van den haard stond.</p>
-<p class="par">Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vader
-<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name=
-"pb37">37</a>]</span>het ook en hij dacht: &bdquo;Helpen rinkellatten
-niet, dan de tang maar. Ik zeg: het kwaad moet er uit en het kwaad zal
-er uit.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar wat zou er toch te doen zijn?&rdquo; zeide
-Jan, de oudste broeder van Michiel, terwijl hij met eten opeens
-ophield.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen,&rdquo;
-merkte een der jongeren ongeduldig aan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het
-raam,&rdquo; riep Alida. &bdquo;Wat moet die hier komen
-scharrelen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen
-ook,&rdquo; zeide Dirk.</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar
-niet danken, Adriaen?&rdquo; sprak Moeder.</p>
-<p class="par">Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te
-verstaan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zouden we maar niet danken, Adriaen?&rdquo; vroeg
-Moeder andermaal, doch erg angstig en bevend.</p>
-<p class="par">Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom
-zei hij: &bdquo;Wat vraagt gij daar, Moeder?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Of we maar niet danken zouden?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank
-vanmiddag maar, jongen! Ik kan het niet.&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder
-en de meisjes vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan
-dankte.</p>
-<p class="par">Nauwelijks evenwel had hij &bdquo;Amen&rdquo; gezegd of
-de kinderen stoven van hunne zitplaatsen op.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet
-eten?&rdquo; vroeg Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, Adriaen!&rdquo; zei Moeder Alida,
-&bdquo;hoe heb ik het nu? Wij hebben immers z&oacute;&oacute;
-gedankt!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan
-maar!&rdquo;</p>
-<p class="par">De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene
-minuut, of Alida vloog weer naar binnen en riep: &bdquo;Moeder, Vader,
-Michiel heeft boven op den toren gezeten!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;O, God, en is er af gevallen!&rdquo; riepen Vader
-en Moeder bijna tegelijk. <span class="pagenum">[<a id="pb38" href=
-"#pb38" name="pb38">38</a>]</span></p>
-<p class="par">De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart,
-zoo onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich
-vasthouden om niet te vallen.</p>
-<p class="par">Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had,
-ja, niet minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende
-Moeder?</p>
-<p class="par">Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens,
-welk eene groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet
-uit lust tot slaan zeide: &bdquo;Het kwaad moet er uit en zal er
-uit,&rdquo; maar alleen uit liefde voor u?</p>
-<p class="par">Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar
-is: &bdquo;Van buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop
-is&rdquo;?</p>
-<p class="par">&bdquo;Dood gevallen?&rdquo; vroeg Vader nog eens, maar
-op eenen toon, alsof hij het niemand anders dan zichzelven vroeg.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Vader,&rdquo; zei nu weer een ander der
-kinderen, &bdquo;hij is heelhuids beneden gekomen. Maar waar hij nu is
-weten ze niet.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is
-bij het haan, heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e1530" title=
-"Niet in bron">&bdquo;</span>En weg waren de ladders. Hij trapt stuk
-die lei en nog die lei en trapt weer stuk die lei en nog die lei, en
-klautert zoo naar beneden langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook,
-wit, heelemaal wit en ik ko&ucirc; kreeg. Die Burgemeester gekomen is
-met dat twee man om te haal Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar
-Michiel gauw weg was. Wij dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee,
-drie, vier, vijf, allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer
-krijgen zou en dan wij vraag wilden: &bdquo;Niet slaan Michiel! Michiel
-een jongen is, die heeft moed!&rdquo;<span class="corr" id="xd21e1533"
-title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par">Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen
-naar de wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en
-ander vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg:
-&bdquo;Daar is de belhamel! Daar is Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en
-Geleyn Evertsen waren, die hem, niet te huis vindende, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>weer
-elders gezocht en gevonden hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen
-aan straatjeugd had, naderde de dolle troep al meer het huis van
-Michiel.</p>
-<p class="par">De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder
-Alida, zich geenen tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de
-kousen haren zoon, dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die
-zijne &bdquo;flauwigheid&rdquo; vergeten en weer de tang opgenomen had,
-voorbij.</p>
-<p class="par">Weldra stond ze temidden der woelende en joelende
-belhamels.</p>
-<p class="par">&bdquo;Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen
-aan! Kom hier, Michiel,&rdquo; riep ze.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen
-Koning!&rdquo; riep Geleyn Evertsen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder
-Alida!&rdquo; schreeuwde Pieter zoo hard als zijne jongenskeel dit
-toeliet.</p>
-<p class="par">En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten
-zelfs zoowel als van kleinen: &bdquo;Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de
-Moeder van Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!&rdquo;
-riep Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Roep dat nog eens, Michiel,&rdquo; zeiden de
-jongens en hieven hunnen Koning in de hoogte.</p>
-<p class="par">Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de
-schouders zijner makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl
-de zoele westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine
-haren deed golven, riep hij weer met stralende oogen: &bdquo;Leve mijne
-goede, lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee!&rdquo; brulde men hem na, en als op een
-gegeven teeken sloot het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en
-begon al dansende te zingen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Lang zal zij leven!</p>
-<p class="line">Honderd jaar na dezen!</p>
-<p class="line">Lang zal zij leven</p>
-<p class="line">Moeder Alida!&rdquo;</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name=
-"pb40">40</a>]</span></p>
-<p class="par">Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de
-straat, en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: &bdquo;En wees
-niet boos, goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga
-mee naar binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien
-heb!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er
-van u groeien? Kind, kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij
-zoo ontzettend veel pijn,&rdquo; sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne
-gloeiende wangen.</p>
-<p class="par">En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen
-worden, en juichte maar altijd door:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Lang zal zij leven</p>
-<p class="line">Moeder Alida!&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">&bdquo;En ik wilde wel eens weten of ik nu op
-mijne beurt niet eens even aan het woord mag komen,&rdquo; zeide Vader
-Adriaen en kwam met de groote tang nader.</p>
-<p class="par">Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na
-zooveel genot gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel
-eens eene vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot
-zichzelven te komen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je
-Koningen!&rdquo; riep de Vader sissend door de tanden heen van lang
-verkropte boosheid, die voor liefde in de plaats gekomen was.</p>
-<p class="par">Daar ging de tang de hoogte in.</p>
-<p class="par">Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den
-rug.</p>
-<p class="par">Daar daalde de tang en....</p>
-<p class="par">&bdquo;Hei, niet slaan!&rdquo; riep Geleyn Evertsen en
-hield, geholpen door Pieter, den arm van Vader Adriaen tegen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Adriaen, niet slaan!&rdquo; riepen enkelen
-uit den hoop.</p>
-<p class="par">Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst
-Geleyn en toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende:
-&bdquo;Uit den weg, Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg
-ik.&rdquo;</p>
-<p class="par">En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel
-onderworpen den rug. <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41"
-name="pb41">41</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Niet slaan! Niet slaan!&rdquo; riep het volk nu
-ook met de jongens mede.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat, wilt gijlieden mij de wet komen
-stellen?&rdquo; riep de Vader bleek van kwaadheid. &bdquo;Ik zal toch
-dien kw&acirc;jongen....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Niet slaan! Niet slaan!&rdquo; klonk het nu van
-al het volk als uit &eacute;&eacute;nen mond. Zelfs enkele deftige
-lieden, die tusschen den hoop stonden, riepen het mede.</p>
-<p class="par">Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te
-houden en misschien zou het tusschen hem en het volk, dat voor den
-kw&acirc;jongen partij trok, tot ruzie en vechten gekomen zijn, als
-niet eensklaps de menigte uit elkander gegaan was om ruimte te maken
-voor twee mannen.</p>
-<p class="par">Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren
-Lampsens.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel?
-Dat is goed!&rdquo; zeide de Burgemeester.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die
-schavuiten beletten mij het. Maar nu zal ik....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Niet slaan! Niet slaan!&rdquo; riep het volk in
-koor.</p>
-<p class="par">De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat,
-ondanks zijne nabijheid, zoo brutaal riep.</p>
-<p class="par">&bdquo;En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele
-stad in opschudding brengt, die dag aan dag de go&ecirc; gemeente tot
-last is, die zijn grootste vermaak vindt in straatschenderij, gestraft
-zal worden, wie zou dat dan beletten?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij, Heer Burgemeester,&rdquo; riepen
-enkelen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie roept dat daar?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij, Heer Burgemeester!&rdquo; riepen ze nu
-allemaal. Het scheen dat men nu door den regel van drie&euml;n heen
-was.</p>
-<p class="par">De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk
-zijn bevel: &bdquo;Sla zeg ik!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Niet slaan!<a id="xd21e1638" name=
-"xd21e1638"></a> Niet slaan!&rdquo; schreeuwde het volk en drong nu zoo
-dicht om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen,
-dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag
-geven?&rdquo; riep de Burgemeester woedend uit.</p>
-<p class="par">Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite
-door de menigte heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den
-Burgemeester.</p>
-<p class="par">Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed
-geschouderd man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele
-gelaat, waar langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De
-man geleek wel eenen leeuw.</p>
-<p class="par">Een gemompel doorliep de menigte, doch op het:
-&bdquo;Ssst, de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; heeft het woord,&rdquo;
-werd het doodstil.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie ben je, wat wil je kerel?&rdquo; vroeg de
-Burgemeester wat terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel
-eenigszins bevreesd te zijn.</p>
-<p class="par">De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik ben de &bdquo;Barre Bruinvisch<span class=
-"corr" id="xd21e1656" title="Niet in bron">&rdquo;</span>!&rdquo; sprak
-de man.</p>
-<p class="par">&bdquo;Leve de &bdquo;Barre Bruinvisch<span class="corr"
-id="xd21e1661" title="Niet in bron">&rdquo;</span>!&rdquo; schreeuwde
-de menigte.</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd
-wordt!&rdquo; sprak de zeeman bevelend tot het volk.</p>
-<p class="par">Weer was het doodstil.</p>
-<p class="par">&bdquo;Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is
-uw ware naam?&rdquo; vroeg de Burgemeester!<a id="xd21e1670" name=
-"xd21e1670"></a></p>
-<p class="par">&bdquo;Cornelis Lievensz., om u te dienen,
-Burgemeester!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Van beroep?&rdquo; vroeg de Burgervader, zeker in
-de meening, dat hij op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of
-ander onder het verhoor had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo; van de Heeren Lampsens, Burgemeester!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is zoo,&rdquo; zeide Lampsens tot den
-Burgervader. &bdquo;Een ferm, open en rond zeeman. Hij zal een
-verstandig woord spreken, daar kunt ge op aan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En wat wilt gij, goede vriend?&rdquo; klonk het
-nu eensklaps uit den mond van den eersten man van Vlissingen op heel
-anderen, ja, bijna vriendelijken toon.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name=
-"pb43">43</a>]</span></p>
-<p class="par">Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen
-zeeman wel om den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij
-hem.</p>
-<p class="par">&bdquo;Die &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; mijn baas
-is,&rdquo; zeide Jan Kompanjie. &bdquo;Dat baas veel durft.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman,
-zult aanboord toch ook wel eens gebruik maken van het &bdquo;endje
-dag,&rdquo; nietwaar?&rdquo; vroeg de Burgemeester.</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar staat een van de Patroons,&rdquo; zeide
-Lievensz. &bdquo;Laat hij zeggen of de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;
-niet al zeevader geweest is over misschien wel twintig zulke deugnieten
-als deze er &eacute;&eacute;n is!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Lievensz. is zeevader geweest over negentien
-bengels,&rdquo; zeide Lampsens, wat nader tredend en Michiel goed
-beschouwend.</p>
-<p class="par">&bdquo;En laat de Patroon nu zeggen of er door mij
-aanboord van de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; veel van het &bdquo;endje
-dag&rdquo; gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en plicht te
-brengen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna
-nooit,&rdquo; antwoordde Lampsens.</p>
-<p class="par">&bdquo;En als het van den Patroon niet te veel gevergd
-is, dan zou ik ook wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten
-gegroeid is.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid,
-Burgemeester! Alle reeders hebben graag jongens, die aanboord van de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo; van Lievensz. het varen geleerd hebben. Daar
-voor dien negerknaap, die nog maar eene week of tien onder zijne
-leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te Middelburg mij eene mooie
-som gelds geboden.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hi, hi, ik waard ben een mooie geld,&rdquo; riep
-Jan en gaf van pure blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die
-klonk als eene klok. &bdquo;Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie
-geld!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Sausneger,&rdquo; bromde Michiel, die eindelijk
-door zijnen Vader losgelaten was. <span class="pagenum">[<a id="pb44"
-href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Alzoo,&rdquo; dus vervolgde de &bdquo;Barre
-Bruinvisch&rdquo; toen de Heer Lampsens zweeg, &bdquo;alzoo, Heer
-Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel bengels weet te regeeren
-zonder het &bdquo;endje dag.&rdquo; Ik zeg maar....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het kwaad moet er uit en zal er uit,&rdquo; zeide
-Vader Adriaen, en de toon waarop hij sprak klonk nog alles
-geruststellend voor Michiels rug.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er
-uit en het kwaad zal er uit, maar niet met slaan,&rdquo; sprak
-Lievensz. &bdquo;Men slaat het kwaad er soms dieper in.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zou wel eens willen weten, hoe dan,&rdquo;
-sprak de Burgemeester.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, juist, hoe dan?&rdquo; bromde Vader
-Adriaen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe
-ik dat aanleg, dan zou ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit.
-Is het vandaag niet, dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of
-een jaar later; maar er uit gaat het. En&mdash;alle jongens houden veel
-van me.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik veel houd van mijnen zeevader, ja,
-ikke,&rdquo; zeide Jan, en liet vroolijk lachend al zijne blanke tanden
-en het heele wit van zijne oogen zien.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel,
-Lievensz.?&rdquo; vroeg de Burgemeester.</p>
-<p class="par">&bdquo;Welk plan, Burgemeester?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend
-maal een goede zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die
-gaat voort met rebellie te veroorzaken.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen
-die kw&acirc;jongen daar naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en
-ik dacht....&rdquo;</p>
-<p class="par">Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar
-oogen waarvoor zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij:
-&bdquo;Als de wind naar binnen, maat! En kom me niet voor den boeg
-aleer ik je roep.&rdquo;</p>
-<p class="par">En Michiel? <span class="pagenum">[<a id="pb45" href=
-"#pb45" name="pb45">45</a>]</span></p>
-<p class="par"><a id="xd21e1739" name="xd21e1739"></a>Wel, het was,
-alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd werd. Hij kon niet
-blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing van iedereen,
-verdwenen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet
-goed, als een bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik
-dacht bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag
-ondernemen: &bdquo;Daar zit wat in dien deugniet!&rdquo; Ja, ik had wel
-in mijne handen willen klappen en &bdquo;Mooi, mooi!&rdquo; willen
-roepen. Ik weet niet of ge het gezien hebt, Burgemeester, maar zoo
-bedaard, alsof ik den valreep afstapte, zoo bedaard klom hij naar
-beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken van zijne
-schoenen,&mdash;het was goed dat er spijkers in waren, Vader Adriaen,
-anders had hij het hem niet gelapt,&mdash;de leien stuk. Ik zag het
-duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg een
-vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog:
-&bdquo;Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e1744" title=
-"Niet in bron">&bdquo;</span>Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat
-willen zien, die zonder ladder naar boven kon klauteren en daarom zei
-ik: &bdquo;Nu mensch, doet zoo raar niet! Hij zal wel voor anker
-komen!&rdquo;&mdash;Maar pas had ik dat gezegd, of ze kreeg eene kleur
-als een schoone zwabber, zette het bestek naar de afgevaren breedte, en
-daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als een Ammiraals-vlag in het
-kluisgat!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ze viel dus van d&rsquo;r zelven, die goede
-ziel,&rdquo; zeide eene der vrouwen op meewarigen toon.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet
-hoe jelui dat noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen
-oogen voor dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam.
-Ik keek hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan,
-toen Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te
-leggen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?&rdquo;
-vroeg hij.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is een mooi stuk,&rdquo; zei ik, &bdquo;een
-mooi stuk, Sinjeur!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb46" href=
-"#pb46" name="pb46">46</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;En weet gij ook wie het is?&rdquo; vroeg hij.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen,&rdquo; zei ik, &bdquo;maar laten we even
-wachten. Als hij uit de torendeur komt dan kunnen wij hem
-zien.&rdquo;</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd21e1762width"><img src="images/p046.jpg" alt=""
-width="489" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was
-wel te zeggen, niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper
-met mijne hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond
-ik nu als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon
-niemendal zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen
-sloepmast en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het
-volk uit, zoodat hij een poosje later zei: &bdquo;Daar is hij! Ik ken
-hem al! Het is Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren
-was ik er bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek
-gaf. Ik heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er
-misschien nog wat van hem groeien!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo,&rdquo; zei ik, &bdquo;en....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te
-maken, dat gij zijn zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene
-ooren naar, ze zou het besterven, zeide ze.&rdquo;</p>
-<p class="par">Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met
-den kop naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel
-met zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch
-zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: &bdquo;Niet
-slaan,&rdquo; Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan
-gezegd.&rdquo;</p>
-<p class="par">De &bdquo;Barre Bruinvisch<span class="corr" id=
-"xd21e1774" title="Niet in bron">&rdquo;</span> zweeg, nam zijne muts
-af, wischte zich het zweet van het voorhoofd en zei: &bdquo;He, zulk
-eene redevoering bekomt een mensch al even goed als een kabeljauw, die
-met betingsbouten zijn middagmaal doet.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge
-zult Vlissingen van eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw
-opzicht neemt,&rdquo; zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer
-Lampsens of deze zoo ver medeging.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij deze
-<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name=
-"pb47">47</a>]</span>menschen binnengaan en mijn best doen, dat ze den
-jongen het zeegat uit sturen. Goeden middag!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.</p>
-<p class="par">De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van
-den heelen oploop niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op
-een ambacht waren, gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school
-en een meisje, Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst
-te gaan.</p>
-<p class="par">Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was
-Michiel, die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen
-vertelde, wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien
-had.</p>
-<p class="par">Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz.
-bij de tafel en redeneerden druk.</p>
-<p class="par">In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd,
-doch langzamerhand, naarmate de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; meer aan
-het woord was, hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze:
-&bdquo;Nu, Lievensz., neem hem dan voor &eacute;&eacute;ne reis mede,
-en probeer wat gij van hem kunt maken. Maar o, het valt mij zoo hard,
-zoo ontzettend hard.&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te
-doen, namelijk luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen.
-Dit bleek; want pas had Moeder gezegd: &bdquo;Nu, Lievensz., neem hem
-dan voor &eacute;&eacute;ne reis mede en probeer wat ge van hem kunt
-maken,&rdquo; of hij sprong op, liep naar zijne Moeder en kuste
-haar.</p>
-<p class="par">Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op
-zegevierenden toon en vol gloed en leven: &bdquo;Vader, het kwaad is er
-uit!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me
-dat eens over een jaar drie-vier vertellen,&rdquo; luidde het
-antwoord.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu
-al heelemaal, heelemaal uit met wortel en tak.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het zou goed voor je zijn, jongen,&rdquo; sprak
-Lievensz. <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name=
-"pb48">48</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Gij zult geenen last van me hebben,
-Bootsman!&rdquo; sprak Michiel en liep met Jan Kompanjie heen om baas
-Lorkens te vertellen, dat hij van de eene lijnbaan afging om op de
-andere te komen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is uitkomst, he? Wie heeft die
-gebracht?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;De &bdquo;Barre Bruinvisch,&rdquo; baas! Maar nu
-moet ik naar Geleyn en Pieter om hun het nieuws te
-vertellen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen
-eer gij weggaat!&rdquo; zeide baas Lorkens.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet
-nog vooraf gekalefaat worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen
-het ruime sop op! Hoezee!&rdquo; riep Michiel en begon met Jan van
-loutere pret langs de straatkeien te rollen.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e253">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De laatste avond thuis.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het was de avond voor Sint-Stevensdag,<a class=
-"noteref" id="xd21e1823src" href="#xd21e1823" name="xd21e1823src">1</a>
-den tweeden van Oogstmaand des jaren 1618.</p>
-<p class="par">In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het
-doodstil.</p>
-<p class="par">De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen
-waren nog op straat bezig met spelen of wel aan hun werk.</p>
-<p class="par">Moeder Alida was dus alleen.</p>
-<p class="par">Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten
-stond eene geopende kist halfvol jongensgoed.</p>
-<p class="par">Het was Michiels armoedige uitrusting.</p>
-<p class="par">Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat
-nieuws kunnen aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het
-was dan toch nieuw. <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49"
-name="pb49">49</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien
-broeken, een paar laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen,
-vier zakdoeken, ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen,&rdquo; zei
-Moeder Alida tot zichzelve.</p>
-<p class="par">De torenklok sloeg zeven uren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen
-spreken,&rdquo; zei ze weer. &bdquo;Hij blijft lang weg. Hij zal nu
-toch geene streken meer uithalen? Stil, daar zal hij komen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Er klonken driftige voetstappen.</p>
-<p class="par">De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep:
-&bdquo;Hola!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Komt er maar in,&rdquo; antwoordde Moeder Alida
-en dacht meteen: &bdquo;wie zou dat wezen?&rdquo;</p>
-<p class="par">Pas had ze evenwel geroepen: &bdquo;Komt er maar
-in,&rdquo; of de man met de zware stem trad binnen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve
-zoontje! Dat heeft de straatbengel door mijn open raam juist in eenen
-schotel met pap gesmeten.&rdquo;</p>
-<p class="par">Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij
-zorgvuldig in een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode
-kat.</p>
-<p class="par">&bdquo;Eene kat,&rdquo; zuchtte Moeder Alida.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet
-waar ergens opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel
-vol zoete pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal
-weg! Mijne vrouw was &eacute;&eacute;n pap, al pap. Hare muts vol pap.
-Hare haren vol pap. Haar gezicht vol pap. Haar jak vol
-pap....&rdquo;</p>
-<p class="par">Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was
-Michiel binnen gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te
-kijken.</p>
-<p class="par">&mdash; &mdash;&bdquo;haar voorschoot vol pap, ja, toen
-ik goed keek, was er zelfs pap op haren rug!&rdquo;</p>
-<p class="par">Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach
-uit. <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name=
-"pb50">50</a>]</span></p>
-<p class="par">Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar
-zoo lachte.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in
-huis in mijn aangezicht te komen uitlachen?&rdquo; riep Meester Van
-Gelder op zulk eenen woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik
-verbleekte, daar ze meende dat de man opeens krankzinnig geworden
-was.</p>
-<p class="par">Angstig naderde zij hem en zeide: &bdquo;Maar, Meester,
-wees toch bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel
-hier in zijn eigen huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer
-en altijd afleeren om katten, doode katten, van de straat opgeraapte
-doode katten, in schotels met pap te smijten.&rdquo;</p>
-<p class="par">Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder
-beurtelings met de grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten
-opzichte van Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar
-het scheen, hoewel Moeder Alida niet z&oacute;&oacute; was of ze
-vreesde, dat haar jongen voor den laatsten dag dat hij aan den wal was,
-nog eens eene echte straatjongensstreek had uitgehaald.</p>
-<p class="par">Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder
-zijnen mantel eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot
-zichzelve.</p>
-<p class="par">Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe,
-hoewel elke slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan
-Michiel, die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe
-haar man in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de
-begeerte hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te
-sparen, hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den
-jongen op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.</p>
-<p class="par">O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een
-gewoon menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden
-kunnen maken, het leest diep in het hart <span class="pagenum">[<a id=
-"pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>van allen, die zij lief
-heeft, wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de
-hi&euml;roglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren, te
-ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een groot
-verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot de
-blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.</p>
-<p class="par">De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat
-raadselschrift niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit
-de armste achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief
-heeft.</p>
-<p class="par">En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle
-Moeders?</p>
-<p class="par">Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader
-Adriaen omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare
-woning kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen
-waarom die viel.</p>
-<p class="par">En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan
-Michiel gaf, pijn, zij duldde dat hij kastijdde.</p>
-<p class="par">Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou
-ze niet toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage
-streek met die doode kat uitgehaald.</p>
-<p class="par">Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den
-dag haalde, trad ze tusschen hem en haren jongen.</p>
-<p class="par">Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch
-opeens dat goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig
-rondkeek? Waar is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping
-zoo op eenmaal gebleven?</p>
-<p class="par">Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw
-aangezicht ligt eene uitdrukking van heldenmoed!</p>
-<p class="par">Meester Van Gelder zag dat alles ook en&mdash;hij bleef
-staan waar hij stond.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene
-lieve, goede Moeder, en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit
-den weg, beste vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij
-moet vandaag ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren
-kan.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name=
-"pb52">52</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel
-hier in huis gekastijd moet worden, dan is er maar &eacute;&eacute;n,
-die dat doen mag en dat is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn
-lijf af.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ga maar gerust op zijde, Moeder,&rdquo; sprak
-thans Michiel. &bdquo;Ik sta hem en ben niet bang voor hem.&rdquo;</p>
-<p class="par">Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek
-en sterk, maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de
-volle kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel
-had de ijzeren blaaspijp in de handen en &eacute;&eacute;n slag
-daarmede kon doodelijk zijn.</p>
-<p class="par">&bdquo;Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u
-beschermen,&rdquo; sprak Moeder.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, Moeder, hij zal....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen
-moord begaan waar ik bij ben!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is
-hier te doen? Wie is die man met zijne bullepees? Wat moet hij
-hier?&rdquo;</p>
-<p class="par">Deze woorden op korten en afgebroken toon werden
-gesproken door den &bdquo;Barren Bruinvisch&rdquo;, die, zonder dat
-iemand er iets van gehoord had, binnengetreden was.</p>
-<p class="par">Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel
-iemand te zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op
-de doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel
-hiermede uitgevoerd had.</p>
-<p class="par">De &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; hoorde Meester
-oplettend aan en zeide eindelijk: &bdquo;Gemeen, laag, werk van eenen
-liederlijken straatjongen.&rdquo;.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar
-schijnt niet te willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden.
-Help mij haar dat aan het verstand brengen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten
-verstandig te werk gaan. Zeg mij, wie heeft die doode kat in uwe pap
-gesmeten?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name=
-"pb53">53</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste
-straatjongen van heel Vlissingen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat
-gedaan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wanneer?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, wanneer, hoe laat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo
-lang ik getrouwd ben, zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de
-tafel klaar; als de klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met
-den eersten slag van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies
-om acht uren.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel,
-Meester, en ga den liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij
-elders zoeken en&mdash;neem poesje mee.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En die bengel dan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Die bengel is pas na het slaan van achten
-vanboord gegaan en kan het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den
-bengel elders en&mdash;hier, poesje moet mee.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Bootsman, ik zeg....&rdquo;</p>
-<p class="par">Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch
-de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; werd er niemendal bang voor en
-zachtjes zeide hij: &bdquo;Gooi uw fatsoen niet te grabbelen, Meester!
-Ga naar de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; en vraag daar aan elken matroos hoe
-laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan het niet gedaan hebben, al is
-het ook juist een stukje voor hem.&rdquo;</p>
-<p class="par">De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester
-Van Gelder tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de
-geopende deur in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.</p>
-<p class="par">Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel
-anders. De leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen,
-die ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere
-kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was, dat
-Michiel <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name=
-"pb54">54</a>]</span>waarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader
-zeide: &bdquo;Het kwaad is er uit.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat,
-manneke,&rdquo; zeide de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; nu tot Michiel.
-Misschien zou er nog eene heele zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet
-een nieuw bezoeker gekomen was in den persoon van Engels, die, hoewel
-aan het andere einde der stad wonende, nog altijd &bdquo;Buurman
-Engels&rdquo; genoemd werd, omdat hij in vroegere jaren naast hunne
-deur had gewoond. Hij was in gezelschap van zijn dochtertje
-Cornelia.</p>
-<p class="par">&bdquo;Goeden avond, buurtjes,&rdquo; zeide hij.
-&bdquo;Hoe maken de menschen het zoo al?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed, gelukkig goed, buurman,&rdquo; sprak Vader
-Adriaen. &bdquo;Ga zitten! Alida, geef buurman eenen stoel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom
-maar even om Michiel goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar
-zee?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, buurman,&rdquo; antwoordde Vader. &bdquo;Er
-zat niets anders op. Het spijt mij erg, maar mijne vrouw nog veel
-meer.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan
-vooruit komen. De Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens
-had, allemaal het zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de
-Levant, op de Oostzee en dan naar de Groote Oost.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren
-zooveel ongelukken,&rdquo; sprak Moeder.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven
-van me waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te
-herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen van
-den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam, bleef op de
-plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen op haar hoofd. En
-dan, is niet een veertien dagen geleden een boer van Koudekerke, die
-met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den hol gegaan en met paard
-en wagen te water <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55"
-name="pb55">55</a>]</span>geraakt en verdronken? Is zijne vrouw en zijn
-zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat is verleden jaar met
-Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten door eenen dollen hond,
-en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan men overal bekomen al is
-men niet op zee. Ons leven is elken dag in gevaar, onverschillig waar
-men is.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo
-ruw!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar
-bij al hunne ruwheid zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam
-niet om de zee aan te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk
-te wenschen met Michiels besluit.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, buurman,&rdquo; riep Moeder. &bdquo;Ons
-gelukwenschen? Neen, dat meent gij niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het
-mij niet te vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is;
-ik weet wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig
-zijn, als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke
-daalders in den schoot werpt en zegt: &bdquo;Zie, Moedertje, ge hebt me
-zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen
-rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop nu
-eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het
-eens met u, man!&rdquo; liet de &bdquo;Barre&rdquo; zich hooren.
-&bdquo;Ik zeg maar:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:</p>
-<p class="line">Hem is de zee het best van al!</p>
-<p class="line xd21e2001">Zij brengt hem de e&ecirc;lste gaven.</p>
-<p class="line">Het goud drijft op den zilten vloed,</p>
-<p class="line">Hij grijpt het, maar de landrot moet</p>
-<p class="line xd21e2001">Er diep in de aard naar graven.</p>
-<p class="line">En pakt de storm den zeeman beet,</p>
-<p class="line">Een wapen heeft hij steeds gereed,</p>
-<p class="line xd21e2001">En nooit is hij er zonder.</p>
-<p class="line">Dat wapen is: geloof aan God,</p>
-<p class="line">En hiermee gaat hij zelfs ten slot,</p>
-<p class="line xd21e2001">Volmaakt gerust, kopje onder!&rdquo;</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name=
-"pb56">56</a>]</span></p>
-<p class="par">De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur
-uitgesproken, dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide:
-&bdquo;Dank je, Lievensz<span class="corr" id="xd21e2025" title=
-"Niet in bron">.</span>, gij steekt mij een riem onder het hart, dat in
-de laatste dagen dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechi&euml;l
-zeide.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo
-heel veel verwachting,&rdquo; liet Vader Adriaen zich hooren.
-&bdquo;Hij zal wel niet kunnen sparen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide:
-&bdquo;Ja, Vader, zeker zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor
-niemendal en kleeren heb ik vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld
-doen? Als ik terugkom en de Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles
-voor u, Moeder! Dan zullen we er nog eens eenen avond van nemen, wie
-weet of Vader dan ons niet eens vertelt, waarom hij toch uit Bergen op
-Zoom naar Vlissingen gekomen is. Dat heeft hij nog nooit willen
-doen!&rdquo; riep Michiel vroolijk.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed,
-kind! Als het enkel van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud
-willen bestrooien, als eene wafel met suiker.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zou ik zeker, Moeder!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar willen is niet altijd kunnen,
-ventje!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik
-toonen, als de Heere mij bij het leven en de gezondheid
-spaart!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Juist zoo, Michiel, juist zoo!&rdquo; zeide
-Engels, &bdquo;ik zeg ook: willen is kunnen, maar.... het is
-gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;We varen in hetzelfde schuitje, vriend
-Engels,&rdquo; zoo nam nu Lievensz. het woord, &bdquo;Ik zelf ben er
-een voorbeeld van. Als een straat-arme jongen, die niet lezen of
-schrijven kon, ik kan het nog niet, ging ik naar zee, om een potje te
-maken voor mijne arme Moeder, die toen Vader gestorven was, achterbleef
-met drie kinderen. Ik was de oudste en gezond, doch maar tien jaar oud.
-Mijne <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name=
-"pb57">57</a>]</span>zusters waren allebei jonger dan ik en eene ervan
-was blind en is het nog. De andere had een zwakte in den rug en mocht
-al niet veel anders doen dan rust houden en op bed liggen. En&mdash;ga
-naar Westersouburg, daar leven ze alle drie in mijn eigen huisje met
-een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat knutselen kunnen. Iedere week
-brengt een van de schrijvers van de Heeren Lampsens, die ook te
-Westersouburg woont, er een ruim weekgeld uit mijnen spaarpot, die al
-aardig vet is en met den dag vetter wordt, want ik verdien meer dan
-Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik ook met de hulp des
-Heeren zoo ver gekregen door te <span class="ex">willen</span>. Als de
-wil maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag
-maar: &bdquo;Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen,
-zoo ver als ik me eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar
-varen mocht.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En tot hoever was dat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Tot Admiraal, Bootsman!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond
-open! Admiraal worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman
-brengt,&rdquo; sprak Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zulk eene gedachte is zondig, Michiel,&rdquo;
-liet Moeder zachtjes hooren, doch de oogen lieten weer lezen, dat er in
-haar hart toch ook zulk eene zondige gedachte omging en met innig
-welgevallen zag ze haren flinken jongen aan, die met zulk eenen moed
-gereed stond om den strijd voor het dagelijksch brood te beginnen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een
-slecht matroos, die bij zijne eerste zeereis op den bodem van zijne
-kleerenkist in gedachten den kommando-staf niet neerlegt,&rdquo; sprak
-Lievensz. &bdquo;Maar&mdash;Admiraal worden, neen, ventje, dat gaat te
-ver. Als gij hoopt en <span class="corr" id="xd21e2062" title=
-"Bron: vertrouwd">vertrouwt</span> dat te worden, dan zal de zee u
-teleurstellen. Om Admiraal te worden moet er wat meer in den bol zitten
-dan wat er <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name=
-"pb58">58</a>]</span>nu in zit, manneke! Ik vrees zoo dat het een pover
-beetje is, wat gij weet.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten,
-Bootsman,&rdquo; antwoordde Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Als gij daarbij maar blijft, jongen,&rdquo; zeide
-Engels, &bdquo;dan zal de zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga,
-en het is al over onzen tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt
-hier, mijn dochtertje Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er
-u nooit iets anders voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en
-de wereld ingaat, geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in
-den spaarpot. Het is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van
-Grootvader gekregen heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan
-een koordje om den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water
-tot over de lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij
-schijnt te groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd
-even jong en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij,
-Cornelia!&rdquo;</p>
-<p class="par">Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar
-Michiel en zeide: &bdquo;Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik
-zelf gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei
-hij: &bdquo;Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik
-had nu wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen,
-omdat ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op
-den gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet,
-als ze maar niet te groot zijn!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter
-gedachtenisse op mijne bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!&rdquo;
-sprak Michiel.</p>
-<p class="par">Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en
-gingen naar huis, doch pas waren ze weg of een der
-Domin&eacute;&rsquo;s trad binnen. Michiel keek hem even aan en zeide:
-&bdquo;Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen, die Cornelia voor
-me gebreid heeft.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb59" href=
-"#pb59" name="pb59">59</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is goed, kind,&rdquo; antwoordde Moeder
-Alida, die er niemendal in zag dit te doen, terwijl er iemand bij was.
-Men lette in dien tijd niet op zulke dingen, en vooral niet onder den
-minderen stand.</p>
-<p class="par">Michiel ging zitten, trok de kousen aan en&mdash;begon
-hard te lachen.</p>
-<p class="par">De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te
-groot,&mdash;het waren volslagen manskousen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of
-vier; maar er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het
-erg onpleizierig vinden!&rdquo;</p>
-<p class="par">Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.</p>
-<p class="par">&bdquo;Michiel,&rdquo; begon Domin&eacute; opeens, nadat
-hij een tijdlang met Vader over koetjes en kalfjes gepraat had,
-&bdquo;Michiel, kom eens hier!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had
-hij zelfs Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover
-Domin&eacute;&rsquo;s stond hij altijd met den mond vol tanden.</p>
-<p class="par">&bdquo;De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te
-zeggen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat
-voorbeeld.</p>
-<p class="par">&bdquo;Geef mij uwe hand, knaap!&rdquo; sprak
-Domin&eacute; bedaard.</p>
-<p class="par">Ook dit deed Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jongen,&rdquo; dus hervatte de ernstige man
-nu,&mdash;&bdquo;jongen, met deze hand is al heel wat verricht, heel
-wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen?
-Maar hoeveel kwaads? Kunt ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen,
-dat ware te vergeefs beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u
-gezegd, dat ge dag aan dag de go&ecirc; gemeente tot last waart, en dat
-viel niet tegen te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste
-vermaak vondt in straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar,
-heelemaal, heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in
-opschudding bracht, en dat kan niemand <span class="pagenum">[<a id=
-"pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>ontkennen! Michiel,
-Michiel, wat moet er uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede
-Ouders v&oacute;&oacute;r den tijd vergrijzen uit verdriet over u?
-Zouden ze moeten wenschen: &bdquo;Och, hadden we dat kind maar nooit
-gehad, of ware het gestorven eer het den naam van Vader en Moeder
-stamelen kon!&rdquo; Er zijn Ouders, die dat wenschen! Maar wee, wee,
-het kind, dat den Vader tot verdriet en der Moeder tot smarte is! Zijn
-levensweg zal langs doornen en distelen loopen. Hij zal eindigen als
-Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen, Michiel? Neen, immers? En zoudt
-ge niet liever willen, dat Vader en Moeder eenmaal met oogen, die van
-blijdschap tintelen, zeggen kunnen: &bdquo;Dat is &oacute;nze jongen!
-Dat is &oacute;nze Michiel! Goede God, wij danken U, wij danken U voor
-dat kind!&rdquo;<span class="corr" id="xd21e2106" title=
-"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par">Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot;
-Vader liet de tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende
-met de vuist de nattigheid uit zijne oogen, mompelend:
-&bdquo;Sakkerloot, dat is anders pre&ecirc;ken dan ik het kan! Dat
-wordt me te kras!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met
-bleeke wangen voor den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel
-trilden zijne lippen, wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen,
-neen, d&aacute;t niet.</p>
-<p class="par">&bdquo;Laat mij in uwe oogen zien, Michiel,&rdquo; sprak
-Domin&eacute;, en terstond keek de knaap hem open aan.</p>
-<p class="par">Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren
-toch wel zoo wat aan het natte kantje.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jongen,&rdquo; vervolgde de Predikant,
-&bdquo;morgen zult ge de stad niet meer in opschudding brengen, uw
-grootste vermaak niet meer in straatschenderij kunnen vinden, en de
-go&ecirc; gemeente niet meer tot last kunnen zijn. Morgen gaat gij het
-Ouderlijke huis uit, de wereld in en op zee. Dat hebt gij zelf zoo
-gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge van dat oogenblik af, een heel
-ander mensch zult worden. Straatjongen, dat geloof ik
-&oacute;&oacute;k! Ik heb goede hoop op u; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>want ik
-heb u nog nooit op eene leugen betrapt. En als het u w&egrave;l gaat,
-Michiel, dan zal er hier vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal
-ik den Heere loven en danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want
-Michiel, jongen, jongen,&rdquo;&mdash;hier begon Domin&eacute;&rsquo;s
-stem ook te haperen en trilden zijne lippen,&mdash;&bdquo;jongen, al
-waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest, ik zou t&oacute;ch veel
-van u gehouden hebben! Ik zou....&rdquo;</p>
-<p class="par">Daar brak de bom bij Michiel los.</p>
-<p class="par">Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om
-hunnen hals en barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men
-dacht, dat hij er in blijven zou.</p>
-<p class="par">Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen
-zijner Ouders losmakende, ging hij naar den Domin&eacute;, gaf hem de
-hand en zei: &bdquo;Domin&eacute;, ik zal&mdash;ik zal&mdash;ik zal
-goed&mdash;goed oppassen! U zal&mdash;zal&mdash;den Heere&mdash;den
-Heere&mdash;dan&mdash;danken kunnen.&rdquo; Hierop ging hij naar
-Lievensz. en sprak: &bdquo;Bootsman, wilt gij me helpen
-om&mdash;om&mdash;wat goeds uit me&mdash;uit me&mdash;te doen&mdash;te
-doen groei&mdash;groeien?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, wis en drie, kw&acirc;jongen! Maar dat zeg
-ik je, je moet me de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij
-mij de vracht heelemaal!&rdquo; antwoordde Lievensz., en boende met de
-vuisten z&oacute;&oacute; langs de natte zeilen, dat het wel scheen,
-alsof hij een blinde leeuw wilde worden.</p>
-<p class="par">&bdquo;En nu, menschen, de Heere zegene u,&rdquo; zeide
-de Domin&eacute;, gaf Vader, Moeder en Lievensz. de hand, en stopte
-Michiel een kerkboekje toe, terwijl hij als het ware zegenend bad:</p>
-<p lang="nl" class="par">&bdquo;De Heere is uw bewaerder, de Heere is
-aen uwe rechterhant!</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">Godt behoed&rsquo; u voortaen voor &rsquo;t quaet,</p>
-<p class="line">Hy sal uw&rsquo; ziel voorwaer</p>
-<p class="line">Behoeden voor gevaer:</p>
-<p class="line">En als gy uyt of oock ingaet,</p>
-<p class="line">Sal Hy u steets bevrijden,</p>
-<p class="line">En met gaven verblijden.&rdquo;</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name=
-"pb62">62</a>]</span></p>
-<p class="par">De Domin&eacute; en Lievensz. gingen nu samen heen en
-het talrijke huisgezin bleef nog alleen over om den laatsten avond van
-Michiels thuis-zijn zoo gezellig mogelijk door te brengen.</p>
-<p class="par">Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen
-gingen, was het om te droomen van het kind en den broeder, die morgen
-op dezen tijd reeds op zee zou zijn.</p>
-<p class="par">Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.</p>
-<p class="par">Daar sloeg de torenklok vier uren.</p>
-<p class="par">Om vijf uren moest Michiel weg.</p>
-<p class="par">Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want
-allen sliepen.</p>
-<p class="par">Ook Michiel sliep.</p>
-<p class="par">Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde:
-&bdquo;God de Heere zegene U, lief, lief kind!&rdquo; en kuste hem
-wakker.</p>
-<p class="par">&bdquo;Goede, beste Moeder,&rdquo; zei Michiel zacht, en
-sloeg zijne armen om haren hals en weende nogmaals.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal
-uwe boterhammen snijden!&rdquo;</p>
-<p class="par">Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en
-Alida ook al op.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij eten samen, Moeder!&rdquo; sprak Vader
-Adriaen. &bdquo;Het zal in eenen heelen tijd niet meer
-gebeuren!&rdquo;</p>
-<p class="par">Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel
-doen.</p>
-<p class="par">Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er
-eene kom melk bij.</p>
-<p class="par">De klok sloeg half vijf.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is tijd, Michiel,&rdquo; sprak Vader.</p>
-<p class="par">Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen
-kus op den mond, liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen,
-gaf Jan en Dirk de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de
-haven waar aanboord van de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; reeds alles in
-beweging was.</p>
-<p class="par">Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met
-heel veel drukte ontvangen. <span class="pagenum">[<a id="pb63" href=
-"#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor
-hem, alsof hij uw eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor
-zijn,&rdquo; sprak Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zonder mankeeren, Adriaen!&rdquo; was het
-antwoord.</p>
-<p class="par">Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de
-loopplank werd ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden
-stonden aan de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de
-haven uit en op de Schelde.</p>
-<p class="par">&bdquo;De schoten, konstabel!&rdquo; beval de
-Kapitein.</p>
-<p class="par">Tien kanonschoten rolden langs het water, als een
-laatste groet aan allen, die men achterliet.</p>
-<p class="par">Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den
-hoogen Westdijk, groette met den zakdoek, die daar stonden
-en&mdash;gebruikte hem daarna om zijne tranen af te drogen.</p>
-<p class="par">Het kw&acirc;jongenshart was gebroken.</p>
-<p class="par">Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een
-zeemanshart, zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart
-onder het wollen zeemans-baadje geklopt heeft!</p>
-<p class="par">&bdquo;Goede reis! Goede reis!&rdquo; stamelde eene
-vrouw op den Westdijk, toen ze het schip in de Wielingen verdwijnen
-zag.</p>
-<p class="par">Het was Moeder Alida.</p>
-<p class="par">Of haar wensch verhoord zou worden?</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e1823" href="#xd21e1823src" name="xd21e1823">1</a></span> St.
-Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3<sup>den</sup>
-Augustus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e1823src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e262">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Thuis van de eerste zeereis.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Met rijke lading was de &bdquo;Lijnbaan&rdquo;
-ruim anderhalf jaar later uit de Oost-Indi&euml;n te Vlissingen binnen
-gekomen en Michiel dus weer terug.</p>
-<p class="par">Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz.
-dadelijk tegen Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om
-zijnen zoon te verwelkomen, dat Michiel van <span class=
-"pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>den dag
-af, dat hij aanboord was gekomen, zoo in zijn voordeel veranderd was,
-dat hij een voorbeeld voor iedereen kon genoemd worden.</p>
-<p class="par">Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht
-naar huis.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost
-zijn en het schip is weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk
-weg,&rdquo; zeide de Kapitein. &bdquo;Het is de moeite niet waard, ze
-aanwal te brengen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten
-aardigheidjes in voor thuis,&rdquo; gaf Michiel ten antwoord.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hebt gij dan de heele Molukken leeg
-gekocht?&rdquo; vroeg de Kapitein lachend. &bdquo;Nu, ga maar door,
-maar overdraag je niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van
-het schip en bracht ze bij een pothuis waar &bdquo;Oude Hein&rdquo;
-schoenen zat te lappen, en als het noodig was, en hij kon er wat mee
-verdienen, op vrachtjes, die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat
-te wachten.</p>
-<p class="par">Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die
-kennismaking was voor geen van de twee van de aangenaamste geweest,
-daar ontbrak heel wat aan.</p>
-<p class="par">Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel
-op zekeren avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen
-moest, daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan
-Kompanjie nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek
-bedacht.</p>
-<p class="par">Daar viel hem het pothuis van den &bdquo;Ouden
-Hein&rdquo; in het oog.</p>
-<p class="par">De man zat met den rug naar het deurtje en had de
-gewoonte, als iemand aan de klink rammelde, maar even met de hand een
-windhaak los te maken, en dan met den rug de deur open te duwen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wacht,&rdquo; dacht Michiel, &bdquo;die deur
-hangt in kleine hangetjes. Als ik daar de pennen uithaal en hij doet
-dan de deur <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name=
-"pb65">65</a>]</span>met den rug open, dan valt de deur op straat en
-hij er bij. Dat zal wat geven!&rdquo;</p>
-<p class="par">Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar
-z&oacute;&oacute; stil kon hij de pennen er niet uithalen of
-&bdquo;Oude Hein&rdquo; hoorde wat, en juist toen Michiel aan de klink
-wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.</p>
-<p class="par">Dat had de kw&acirc;jongen niet verwacht.</p>
-<p class="par">Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de
-deur, door het gewicht van &bdquo;Ouden Hein&rdquo; nog verzwaard,
-boven op Michiel, die op den grond viel.</p>
-<p class="par">D&agrave;t deed zeer! Au! Au!</p>
-<p class="par">Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde
-zich ook en schreeuwde luid: &bdquo;Help!&rdquo;</p>
-<p class="par">Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder
-de deur lag te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo
-even van het beste laken een pak.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zal je leeren straatschenderij doen,&rdquo;
-had de man geroepen terwijl hij er op insloeg.</p>
-<p class="par">Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den
-man ontloopen, doch na dien tijd wist Michiel het altijd
-z&oacute;&oacute; aan te leggen, dat hij dat pothuis niet voorbij
-moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te goed had; want toen hij
-wegliep, riep &bdquo;Oude Hein&rdquo; hem na: &bdquo;Pas op, dat je
-hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog maar
-beet!&rdquo;</p>
-<p class="par">En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren
-later en rammelde aan de klink.</p>
-<p class="par">&bdquo;Oude Hein&rdquo; deed open.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat?&rdquo; riep hij, &bdquo;wat, jij terug? Toch
-nog terug gekomen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zie je, man!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Niet overboord gesmeten?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Hein!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En niet voor de haaien gegaan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ook al niet!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
-"pb66" href="#pb66" name="pb66">66</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen
-de verdrukking in. Ik wilde dat gij maar heengingt!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik kom het restje afkoopen, <a id="xd21e2281"
-name="xd21e2281"></a>Oude Hein!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Welk restje, kw&acirc;jongen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog
-maar gehad! Daar blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je
-dezen zilveren duit geef, zijn we dan afgerekend?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat! Hebt gij geld, en nog wel
-zilvergeld?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Hein!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is zeker gestolen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta
-hier mijnen tijd te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is
-al aanboord geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis
-kruien?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien
-huizen, als gij wilt!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dankje, naar &eacute;&eacute;n huis is genoeg!
-Hier, steek maar gauw in den zak.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Oude Hein&rdquo; stak den zilveren duit in den
-zak, zette met behulp van Michiel de zware kist op den kruiwagen en
-reed er mee heen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, wel,&rdquo; zei de man al kruiende,
-&bdquo;wie had ooit gedacht dat ik voor jou nog een vrachtje wegbrengen
-zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf, is dat dan vergeten? Neen toch,
-want het was een pak van belang.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vergeten niet, Hein, maar vergeven
-wel.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dus zijt gij niet meer boos op me?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt ge wel mal?&rdquo; antwoordde Michiel, die
-als een eerste bram naast den kruiwagen voortstapte. &bdquo;Ik had het
-immers ruim verdiend, geloof ik!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat hadt ge, maat!&rdquo;</p>
-<p class="par">Weer reed &bdquo;Oude Hein&rdquo; een eind voort zonder
-te spreken toen hij eensklaps den wagen neerzette. &bdquo;Blijf eens
-staan,&rdquo; zei hij.</p>
-<p class="par">Michiel deed het. <span class="pagenum">[<a id="pb67"
-href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker
-geworden heel wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is
-d&aacute;&aacute;r zeker goed,&rdquo; sprak de kruier met het hoofd
-naar de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; wijzend.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, die is er bovenst!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of
-drie daar kostgangster kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en
-toen dacht ik: mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak.
-Gij zijt ook wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb
-leeren kennen! Wat was je toen eene wolk van eene meid!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan?
-Ik verlang zoo naar huis!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop
-vooruit! Ik zal met die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een
-andermans kist denk, mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal
-zooveel vrachtjes niet meer bezorgen, als ik er in mijn leven al
-bezorgd heb!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe oud zijt gij dan al, Hein?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud
-zijt gij?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar
-geworden.&rdquo;<a class="noteref" id="xd21e2335src" href="#xd21e2335"
-name="xd21e2335src">1</a></p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen
-ouderdom!<span class="corr" id="xd21e2343" title=
-"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e2347" title=
-"Niet in bron">&bdquo;</span>Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat
-uwe oudste zuster?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is Alida<a id="xd21e2352" name=
-"xd21e2352"></a>&rdquo; riep Michiel en snelde haar te gemoet.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jonge beenen, jonge beenen!&rdquo; bromde de
-oude, terwijl hij met zijnen kruiwagen voortsukkelde. &bdquo;Maar, ik
-ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen tijd gehad!&rdquo;</p>
-<p class="par">Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar
-weer hard vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne
-Moeder staan. <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name=
-"pb68">68</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave
-Moeder!&rdquo; riep Michiel en viel haar om den hals.</p>
-<p class="par">&bdquo;Kind, wat zijt gij lang weg geweest,&rdquo; zeide
-Moeder Alida, met tranen van blijdschap in de oogen. &bdquo;Ik dacht
-dat we elkander nooit meer zien zouden. De Domine en Engels zijn, ik
-weet niet hoe dikwijls wezen vragen, of we nog niemendal van u gehoord
-hadden! Maar wat ziet gij er goed uit, kind!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Moeder!&rdquo;</p>
-<p class="par">Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida&rsquo;s
-gelaat, armen en handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede
-ziel was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt gij ziek geweest, Moeder?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat
-zoo?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen
-zijt!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat
-het van verlangen komt!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, Moeder, als d&aacute;t waar is, dan zult ge
-weer wel opknappen. Maar we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is
-heel wat drukte in de vaart.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord.
-Hoe komt dat zoo?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen,
-want er gaan tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo
-even een voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge
-niet even aanboord wezen kijken?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ik wist niet dat de &bdquo;Lijnbaan&rdquo;
-aan was. Ik had wel hooren schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig
-zooveel schepen, en ik ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor
-niemendal naar het hoofd geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw
-Vader wist het ook niet, en als die niet aan de haven had moeten zijn,
-dan had hij het ook niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde
-hij het ons, en nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan
-kijken, toen we u zagen aankomen. Maar wat moet <span class=
-"pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name=
-"pb69">69</a>]</span>&bdquo;Oude Hein&rdquo; hier komen doen? Hij komt
-met zijnen kruiwagen naar ons toe!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is eene kist van mij, Moeder!&rdquo;</p>
-<p class="par">De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist
-was, die Michiel had medegenomen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere
-gehad!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Die is nog aanboord, Moeder!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Oude Hein&rdquo; zette den wagen neer en
-<span class="corr" id="xd21e2397" title="Bron: zuchte">zuchtte</span>
-ervan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!&rdquo; zeide
-Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen
-doen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook!
-Kom, een-twee-drie!&rdquo;&mdash;daar was de kist op Michiels
-schouder.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ge zijt me wat mans, hoor!&rdquo; zeide
-&bdquo;Oude Hein&rdquo;.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ben ik?&rdquo; vroeg Michiel leuk. &bdquo;Dag,
-Hein! Als ik weer een vrachtje heb, hoor, dan neem ik je
-weer!&rdquo;</p>
-<p class="par">Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den
-voet door Moeder en Alida gevolgd.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hebben we gezelschap, Moeder?&rdquo; vroeg
-Michiel, terwijl hij op een gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd
-wees.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, kent gij haar niet meer?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Moeder, ik kan ze niet
-thuisbrengen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij
-buurman Engels gezien!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;O, ja,&mdash;ja,&mdash;nu weet ik het. Het
-is,&mdash;het is Maria, Maria Velders van Grijpskerke!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat hebt gij geraden, Michiel!&rdquo; antwoordde
-het meisje, terwijl zij lachend hem eene hand gaf. &bdquo;Maar wat zijt
-gij groot en dik geworden!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is,
-hoor! Ik zou u stellig niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op
-dreef geholpen had. En hoe maken het uwe Ouders?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van
-&rsquo;18 aan de <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name=
-"pb70">70</a>]</span>kinderpokken gestorven! Die heerschten toen weer
-heel erg. Vooral bij ons!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij
-nu? Nog te Grijpskerke?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu
-en dan kom ik uwe Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet
-goed van me?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me
-eens hamer, beitel en nijptang, Moeder!&rdquo;</p>
-<p class="par">Zijne zuster stond op en bracht ze hem.</p>
-<p class="par">Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van
-belang.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd,
-Michiel?&rdquo; vroeg Alida lachend.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, hij zelf, meid!&rdquo; zeide Marie Velders.
-&bdquo;Hij was zeker bang, dat ze het rommeltje stelen
-zouden!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Rommeltje?&rdquo; bromde Michiel zoogenaamd
-verontwaardigd, terwijl hij even van zijn werk opkeek.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders
-zijn?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet
-meer,&rdquo; antwoordde Michiel, terwijl hij onverdroten voortwerkte en
-het eindelijk zoo ver kreeg dat hij het deksel met den beitel er
-aflichten kon.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois
-Michiel meegebracht heeft,&rdquo; riep Alida, en bukte zich uit
-nieuwsgierigheid zoo ver over de kist, dat Michiel zeggen moest:
-&bdquo;Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog eenen stomp tegen den
-neus, die raak is!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wed dat er een aap uit komt,&rdquo; riep Maria
-plagend.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gij kunt wedden, wat gij wilt!&rdquo; zeide
-Michiel het deksel er afnemende, en begon de pakjes er uit te halen en
-aan Alida over te geven.</p>
-<p class="par">Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei
-aardigheden. Voor ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat
-spreekt. Verder was er wat voor Vader, voor al de broeders en zusters,
-voor buurman Engels, voor Cornelia <span class="pagenum">[<a id="pb71"
-href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span>Engels en zelfs voor den
-Domin&eacute; en baas Lorkens was er wat.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zie het al, voor mij is er niemendal,&rdquo;
-zeide Maria.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden,
-Maria!&rdquo; zeide Michiel eenigszins verlegen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Is het waar ook? Hinderde het of ik te
-Grijpskerke of hier, was? Ik ben er toch, niet? Maar het is niemendal,
-hoor! Ik zeide dat zoo maar voor de aardigheid!&rdquo; sprak Maria.
-&bdquo;Ge dacht toch niet, dat ik het meende, Michiel?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat
-voor je!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het zal wat moois zijn als het voor de heeren
-komt,&rdquo; spotte Maria.</p>
-<p class="par">&bdquo;Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe
-de Chineezen elkander groeten,&rdquo; zei Michiel, en met de handen
-Maria&rsquo;s hoofd bij de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus
-tegen haren neus.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo groeten nu de Chineezen elkander!&rdquo; zei
-Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is heel lief, dat moet ik zeggen!&rdquo;
-antwoordde Maria.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, en z&oacute;&oacute; groeten de Vlissingsche
-jongens de Zeeuwsche meiskens!&rdquo; riep Michiel en gaf, eer Maria
-den driesten zeeman afweren kon, het plaagzieke meisje op elke wang
-eenen zoen.</p>
-<p class="par">Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep,
-terwijl Maria hare verfrommelde muts goed zette: &bdquo;Ja, meisken,
-dat hebt ge verdiend met uw geplaag.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe
-de Zeeuwsche meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten,&rdquo;
-zei Maria.</p>
-<p class="par">&bdquo;Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil
-ik leeren,&rdquo; riep Michiel.</p>
-<p class="par">Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met
-de volle hand eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?&rdquo;
-vroeg Maria. <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name=
-"pb72">72</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier
-van ons, Vlissingsche jongens, niet zoo hardhandig,&rdquo; antwoordde
-Michiel terwijl hij zijn oor wreef.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat moet dat geven?&rdquo; vroeg Vader, die met
-eenige kruiken beladen, binnen kwam. &bdquo;Is het hier
-boelhuis?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;H&eacute;, h&eacute;, kijk eens wat een hoop goed
-op tafel,&rdquo; riep een zusje dat van school kwam.</p>
-<p class="par">&bdquo;Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dag, Michiel,&rdquo; riep een jonger broer.
-&bdquo;Ben je thuis? Heb je wat voor me mee gebracht?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij,
-Michiel?&rdquo; vroeg Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein
-wijzend.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor
-u!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En wat zit hierin, Michiel?&rdquo; vroeg
-Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;Doe maar eens open, Vader! Dat is voor
-u!&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het
-breken zou, en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is goed staal, jongen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen
-duit, anders snijdt dat mes de vriendschap af!&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en
-wel eenen waarin een gaatje geboord was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat treft ge,&rdquo; zeide hij. &bdquo;Een duit
-met een gat is altijd wat!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren,
-Vader!&rdquo; was het antwoord van Michiel, die evenals alle menschen
-van dien tijd, enkelen misschien uitgezonderd, geloofden dat men
-niemand een snijdend voorwerp ten geschenke mocht geven, of men moest
-een klein geldstuk terug hebben. Het had dan den schijn, alsof het
-gekocht was, en zou dan de vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook
-geloofde men vrij algemeen dat hij, die een geldstuk met een gaatje
-erin ontving, zegen met dat geldstuk hebben zou.</p>
-<p class="par">Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Domin&eacute; had
-hij <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name=
-"pb73">73</a>]</span>Indische kamermuilen medegebracht, en voor buurman
-Engels en baas Lorkens ieder een mes, als Vader had. Maar Vaders mes
-was mooier dan al de andere, evenals Moeders kamermuilen veel mooier
-waren dan de overige. Verder kwamen er uit de kist nog allerlei vreemde
-dingen, zooals groote kinkhorens, die de kinderen al voor de ooren
-hielden om de zee erin te hooren ruischen,&mdash;groote zeeschelpen,
-besneden doosjes van schildpad, waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten,
-groote boombladeren, eenige mooie vogelvederen, een paar Chineesche
-scheepsbeschuiten waarvan ze allemaal proeven moesten, doch die ze geen
-van allen lekker vonden, daar ze zoo muf smaakten,&mdash;een paar
-uitgeblazen struisvogel-eieren, die hij aan Kaap de Goede Hoop van
-eenige wilden voor eenen knoop van zijn buis geruild had, toen ze water
-innamen, en eindelijk eene kris, dat is een Javaansche dolk, dien hij
-te Batavia, dat nog wel klein was, maar waar toch veel omging, gekocht
-had. Het beste evenwel kwam achteraan. Het was een lederen beursje met
-geld, zuiver overgespaard geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het
-Moeder Alida en zei: &bdquo;Hier, Moeder, om vanavond eens
-spek-pannekoeken te eten!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Alles opmaken vanavond, jongen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er
-overschiet is een appeltje voor den dorst.&rdquo;</p>
-<p class="par">Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en&mdash;dien
-avond was er feest.</p>
-<p class="par">Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was,
-iedere week eene kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als
-Michiel thuis kwam op bier te trakteeren.</p>
-<p class="par">Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende
-onderdoen, onthaalde op spek-pannekoeken.</p>
-<p class="par">Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de
-ijzeren vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van
-Vader Adriaens huisgezin dertien zoo <span class="pagenum">[<a id=
-"pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>klein als groot. Verder
-had men er den &bdquo;Barren Bruinvisch&rdquo;, Domin&eacute;, buurman
-Engels met zijne dochter Cornelia en zijn nichtje Maria, Geleyn
-Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee laatsten bij Michiel op de
-bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur wel wat al te hard en dan
-gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.</p>
-<p class="par">Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en
-men het bier een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: &bdquo;En
-nu zal ik eens zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen
-geland ben. Ik heb dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida
-is het misschien al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik
-vertel het na dezen keer niet meer.&rdquo;</p>
-<p class="par">Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten
-weer op de sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e2335" href="#xd21e2335src" name="xd21e2335">1</a></span> Sinte
-Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24<sup>sten</sup> Maart
-gevierd wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e2335src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e271">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Het muist, wat van katten komt.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een
-Brabanter van geboorte en reeds in het begin van den oorlog tegen
-Spanje, die, als het twaalfjarig bestand straks achter den rug is,
-alweer voortgezet zal worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar
-bij die ruiters was weinig te verdienen en daarom trok hij zich
-eindelijk van den dienst terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn
-Vaders versterf een klein boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar
-kregen Vader en Moeder dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die
-te Bergen lagen of in den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den
-zin van Moeder; want de verdiensten waren heel min, en<a id="xd21e2554"
-name="xd21e2554"></a> de tijden waren er ook naar. Nu eens waren mijne
-Ouders overgeleverd aan den Spanjool, dan <span class="pagenum">[<a id=
-"pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span>aan de Staatschen, en
-Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo al
-&eacute;&eacute;n pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de
-wijnkan of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Dan
-<span class="corr" id="xd21e2558" title="Bron: speelde">speelden</span>
-ze: o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven
-en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en
-Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog,
-bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden ze
-Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat de
-pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er geen
-akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van
-&bdquo;de Goot&rdquo;. Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer
-eens na zulk eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren
-de ruiters vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde
-karigheid, zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen
-miste Vader ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij
-zijnen ouden Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de
-ruiters in eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader
-nauwelijks aan en zeide, toen hij uitgesproken had: &bdquo;Met zulke
-dingen bemoei ik mij niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij
-zijne paarden uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden
-vriend in den omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.</p>
-<p class="par">Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met
-elkander zaten te bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te
-kort te komen, begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep
-ruiters de werf opkomen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hola! Is Vader Michiel thuis?&rdquo; klonk eene
-ruwe stem, en zonder verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij
-had aardig den prins gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk
-dronken. Na hem kwamen er nog een stuk of <span class="pagenum">[<a id=
-"pb76" href="#pb76" name="pb76">76</a>]</span>zes anderen en altemaal
-in denzelfden toestand. Van zijne vrienden moet men het hebben. Het
-waren allen oude kameraden van Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen
-wijn op tafel. We komen je gezondheid drinken!&rdquo; zeide de baas van
-het troepje, die nog het minst dronken was, &bdquo;en dan meteen
-vragen, waarom gij die twee knollen weer teruggehaald en waar gij ze
-gebracht hebt.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wijn, Van der Meulen,&rdquo; zei Vader,
-&bdquo;wijn heb ik geen droppel in huis. De tijden zijn er niet naar
-dat een klein boertje er eenen wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden
-zijn niet meer hier!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar
-eens rare noten kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wijn, wijn!&rdquo; riepen de anderen, en stampten
-met hunne sabels zoo hard op den vloer, dat de plavuizen midden door
-braken. &bdquo;Wijn, wijn! Wie zijne paarden terughaalt, moet ons wijn
-geven! Halloh, wijn, man!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen
-wijn!&rdquo; sprak Vader, die de ruiters op de Mookerheide
-wenschte.</p>
-<p class="par">&bdquo;We zullen hem halen!&rdquo; schreeuwden ze en ze
-gingen nu in de spinde, in den kelder, op zolder, ja, overal kijken of
-ze geenen wijn vonden; maar daar Vader waarheid gesproken had, konden
-ze geen droppeltje ontdekken.</p>
-<p class="par">Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd
-uitgescholden voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen
-kunnen oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat
-er toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun
-fortuin te zoeken.</p>
-<p class="par">Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander
-kibbelen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken
-wat ze uitvoeren,&rdquo; zeide Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, neen, laat dat, Michiel,&rdquo; sprak
-Moeder, &bdquo;Wie weet wat ze beginnen, als ge buiten komt. Het waait
-hard en <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name=
-"pb77">77</a>]</span>ze zullen wel gauw weggaan; want het is te koud om
-daar lang buiten te staan.&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde
-de deur en kwam weer zitten.</p>
-<p class="par">Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur
-gestoken, dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige,
-dronken volk niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan
-hadden laten kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak
-tegen de schuur lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen
-weldra tot het rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid
-niets gewaar en ze gingen naar bed.</p>
-<p class="par">&bdquo;Er is weer hevig noorderlicht,&rdquo; zeide
-Vader, toen hij de kaars uitblies. &bdquo;Heel de lucht is vlammend
-rood.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor
-ons land,&rdquo; sprak Moeder. &bdquo;Dat is nu al de vijfde avond, he,
-dat het zoo erg met dat noorderlicht is?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is de zevende avond al, vrouw!&rdquo; zei
-Vader. &bdquo;We willen hopen, dat het alleen eene waarschuwing voor
-ons zijn zal om op den boozen weg niet voort te gaan. Wel te rusten,
-Moeder!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel te rusten, Vader!&rdquo; klonk het.</p>
-<p class="par">Spoedig was alles in diepe rust.</p>
-<p class="par">Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de
-meidenkamer vliegen en roept: &bdquo;Brand! Brand!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.</p>
-<p class="par">Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar
-buiten om te zien waar ergens de brand was.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn
-bedje en de trap brandt al. Houd met Mina,&rdquo; zoo heette de meid,
-&bdquo;een deken op, dan zal ik hem uit het raam naar beneden
-gooien,&rdquo; riep Moeder in den grootsten angst uit.</p>
-<p class="par">Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op
-zolder waar ik vreeselijk tekeer ging.</p>
-<p class="par">Moeder nam me op, keek naar de trap, maar&mdash;
-<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name=
-"pb78">78</a>]</span></p>
-<p class="par">Krak&mdash;krik&mdash;krek, zeide de trap en stortte
-in.</p>
-<p class="par">Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten
-wiegelde.</p>
-<p class="par">Er was geen tijd van nadenken.</p>
-<p class="par">Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep:
-&bdquo;Ben je daar? Houd je de deken op?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja!&rdquo; riep Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;Heb je ze stevig vast?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, stevig, gauw maar wat!&rdquo; riep Vader
-weer.</p>
-<p class="par">Rrrt, daar ging ik.</p>
-<p class="par">De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat
-een kind zulke leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet
-hooren! Het moet akelig geweest zijn.</p>
-<p class="par">&bdquo;De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer
-naar beneden komen!&rdquo; schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze
-gezien had, dat ik zonder letsel te krijgen op de deken terecht was
-gekomen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Spring dan ook maar door het raam op de deken, we
-zullen u ook opvangen!&rdquo; riep Vader.</p>
-<p class="par">Wat zou Moeder doen?</p>
-<p class="par">Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.</p>
-<p class="par">Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, God, help me!&rdquo; bad ze en onder het
-geroep van: &bdquo;Houd goed vast!&rdquo; sprong ze door het venster
-en&mdash;zonder zich zelfs bezeerd te hebben was ze bij Vader op den
-grond en buiten gevaar.</p>
-<p class="par">Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er
-in was, brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne
-Ouders daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind,
-dat niets aanhad dan zijn nachtgoed.</p>
-<p class="par">&bdquo;Komt voor vannacht bij ons, buurtjes,&rdquo;
-zeide een herder, die dicht bij ons woonde.</p>
-<p class="par">Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: &bdquo;Ik zou
-wel eens willen weten of het noorderlicht nu brand veroorzaakt
-heeft,&rdquo; sprak de herder<span class="corr" id="xd21e2658" title=
-"Niet in bron">,</span> &bdquo;Wel neen, Michiel, dat kan het
-noorderlicht niet doen. Maar dat hebben zeker Staatsche <span class=
-"pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span>ruiters
-gedaan; want een groot uur geleden kwamen ze hier voorbij en ik hoorde
-duidelijk een zeggen: &bdquo;Hebt gij nu den rooden haan wel goed laten
-kraaien, Joost?&rdquo; waarop een ander antwoordde: &bdquo;Zeker, niets
-vaster!&rdquo;</p>
-<p class="par">Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch
-ik kon niets anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden
-heel prachtig was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond
-op, keek weer eens naar buiten en, jawel, daar zag ik &bdquo;de
-Goot&rdquo; in brand staan. Ik kleedde mij gauw aan om te kunnen
-helpen, maar, ik kwam te laat! Er viel niets meer te redden. Gij zijt
-er dan wel ongelukkig aan toe, beste menschen! En wat ik u raden zou
-is, dat ge wat gaat slapen. Met het daglicht komt misschien
-raad.&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo
-neder, dekten zich met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den
-herder, namen mij in hun midden en&mdash;wachtten den dag af.</p>
-<p class="par">Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me
-nooit verteld.</p>
-<p class="par">Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar
-Bergen, en omdat veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld
-bij <span class="corr" id="xd21e2671" title=
-"Bron: mekaer">meka&ecirc;r</span> gebracht om wat meubels, kleeren en
-dek te koopen, teneinde ons in de eerste behoeften te voorzien.</p>
-<p class="par">Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op.
-mijn tiende jaar naar zee....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;H&eacute;, Vader, hebt gij dan ook
-gevaren?&rdquo; riep Michiel uit.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk
-geleden, ik ben met den Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee
-ons schip zien verbranden en toen drie weken lang met den Kapitein en
-de andere maats in eene kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen
-thuis gekomen en weer gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar
-mijne eerste vrouw, die ook Alida Jans heette, kennen, en trouwde
-<span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name=
-"pb80">80</a>]</span>met haar. Twee jaren later was ik weduwnaar. Ik
-voer toen van Middelburg voor rekening van de &bdquo;Maatschappij van
-Verre landen&rdquo; en leed weer schipbreuk. Toch zou ik weer zijn gaan
-varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida Jans, wilde niet
-met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik deed haren zin en
-werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt gij dan ook in de Oost geweest,
-Vader?&rdquo; liet Michiel zich weer hooren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik
-de zee hoor bruisen, zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan
-schuimend bier. Ik ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op
-zee. Ik heb uwe Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar
-&eacute;&eacute;nen keer te vertellen, omdat ze bang was, dat een van
-allen ook zou gaan varen. Ik heb ze ook niet verteld, en zonder dat te
-doen is er toch &eacute;&eacute;n het zeegat uitgegaan. Ik heb daarom
-aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond doen mocht en toen heeft ze
-gezegd: &bdquo;Och, Adriaen, doe het maar! Het zwijgen heeft toch niet
-geholpen!&rdquo; Dat is nu uw Vaders geschiedenis, kinderen! Ik ben nu
-aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef, maar&mdash;de glazen
-vol, vrienden, boordevol,&mdash;al ben ik de grootste landrot, die er
-leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in: &bdquo;Kielen,
-wielen, rand om &rsquo;t land.<a class="noteref" id="xd21e2687src"
-href="#xd21e2687" name="xd21e2687src">1</a> Maar de kielen, het eerst
-genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kielen, wielen, rand om het land!&rdquo; riepen
-ze allemaal en dronken hunne glazen ledig.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord,
-hoor,&rdquo; zeide de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;, &bdquo;het wordt
-mijn tijd! Maar <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name=
-"pb81">81</a>]</span>eer ik dat doe, wil ik u toch wel zeggen, dat ik
-nu begrijp waarom Michiel zoo&rsquo;n ferm zeeman is!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Waarom dan, Lievensz.?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei,
-Jantje, mee, jongen! Ik wensen je allemaal den vrede!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ikke meega, Bootsman! H&eacute;, niet loopen kan
-van dat plank! Dat zeer doet!&rdquo; zei Jan en volgde zijnen
-zeevader.</p>
-<p class="par">Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen
-Domin&eacute; zijne huisdeur opende, bromde hij in zichzelven:
-&bdquo;Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk: Het muist wat van katten
-komt!&rdquo;</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e2687" href="#xd21e2687src" name="xd21e2687">1</a></span>
-&bdquo;Kielen, wielen, rand om het land&rdquo; is een oud vaderlandsche
-dronk. <span class="ex">Kielen</span>, beteekent <i>zeevaart</i>,
-<span class="ex">wielen</span>, beteekent <i>landbouw</i>, en
-<span class="ex">rand om &rsquo;t land</span> beteekent <i>dijken</i>.
-Het welzijn van die drie, voor ons land van zooveel beteekenis, werd
-dus op die manier gedronken.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e2687src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e280">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Verloren tijd inhalen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo; voorspeld had, men bleef maar kort aan den wal.
-Reeds vier weken later was Michiel weer in zee.</p>
-<p class="par">Ook ditmaal had de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; eene zeer
-voordeelige reis en getuigde de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; van
-Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was, dien hij nog ooit gehad
-had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem onderdoen, en dat zeide zoo
-iets.</p>
-<p class="par">Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde
-ingeving en aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij
-begreep zeer goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het
-niet ver zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den &bdquo;Barren
-Bruinvisch.&rdquo;</p>
-<p class="par">Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz.
-wat dikwijls gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde
-dienen, hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar
-krijgen.</p>
-<p class="par">Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de &bdquo;Barre
-<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name=
-"pb82">82</a>]</span>Bruinvisch&rdquo; moest dan ook meer waard zijn
-dan anderen.</p>
-<p class="par">De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz.
-was, liever wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had
-dan ook, ik weet niet hoe dikwijls gezegd: &bdquo;Zoolang de Heeren
-Lampsens schepen hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen
-aanboord, en zal ik me op geen ander schip laten
-aanmonsteren.&rdquo;</p>
-<p class="par">Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren
-Lampsens?</p>
-<p class="par">Bootsman!</p>
-<p class="par">Wat zou hij zijn leven lang blijven?</p>
-<p class="par">Bootsman!</p>
-<p class="par">Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?</p>
-<p class="par">Bootsman!</p>
-<p class="par">Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?</p>
-<p class="par">Bootsman!</p>
-<p class="par">En hoe kwam dat?</p>
-<p class="par">Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen
-of niet schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.</p>
-<p class="par">Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij
-denzelfden weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist,
-dan wat hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen
-leeren.</p>
-<p class="par">In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en
-Geleyn Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de
-dobbelsteenen speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor
-zich.</p>
-<p class="par">Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en
-deeling met tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door
-Simon Stevin in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de
-Stuurman, die hem leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls
-onder het lezen de schouders op en zeide dan: &bdquo;Domoor, dat staat
-er niet! Eene slak op eenen drogen zandweg vordert meer dan
-gij.&rdquo;</p>
-<p class="par">Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaak
-<span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name=
-"pb83">83</a>]</span>eene dikke streep door al de sommen heen, omdat er
-niet &eacute;&eacute;ne goede was. Ja, er haperde dan weinig aan of
-Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren toevoegen: &bdquo;Domoor,
-niemendal goed,&rdquo; bijna de lei naar het hoofd.</p>
-<p class="par">En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij
-dacht aan de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij
-lei, boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de
-handen onder het hoofd, een deuntje te huilen.</p>
-<p class="par">Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde
-zijne tranen af, nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei
-tot zichzelven: &bdquo;Michiel, Michiel, z&oacute;&oacute; komt gij er
-niet! Z&oacute;&oacute; blijft gij levenslang de oude knecht. Denk er
-aan, jongen, wat ge op den avond v&oacute;&oacute;r de eerste reis
-tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den &bdquo;Barren
-Bruinvisch&rdquo; en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet
-meer?&rdquo;</p>
-<p class="par">&mdash;Jawel, willen is kunnen!&mdash;</p>
-<p class="par">Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en
-griffel! Maak de sommen dertig- ja, veertigmaal fout,
-&eacute;&eacute;ns zullen ze goed zijn en zal de Stuurman zeggen:
-&bdquo;Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge zelf begrijpen,
-wat ge leest en het zal z&oacute;&oacute; goed gaan, dat alweer de
-Stuurman zegt: &bdquo;Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat
-vooruit!&rdquo; Toe dan, Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat
-het moeielijk, ja, lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen!
-Willen is kunnen!&rdquo;</p>
-<p class="par">En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren
-geweest was, dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en
-rekenen, dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het
-zweet met groote druppels van het hoofd vloeide.</p>
-<p class="par">Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van
-Michiel waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven
-zeide: &bdquo;Zou het ook aan mijne manier van <span class=
-"pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name=
-"pb84">84</a>]</span>onderwijzen haperen, dat de jongen niet harder
-vordert? Als hij maar &eacute;&eacute;n vrij oogenblikje heeft,
-gebruikt hij het om te leeren en&mdash;dom of traag van begrip is hij
-in het geheel niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om
-hem het een en ander aan zijn verstand te brengen!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de
-man kon niet helpen, dat hij den slag van &bdquo;duidelijk maken&rdquo;
-maar niet beet krijgen kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed.
-Intusschen, waar &egrave;n de onderwijzer &egrave;n de leerling
-z&oacute;&oacute; zich inspannen, daar moet wat geleerd worden, al is
-het ook niet veel, en al gaat het voetje voor voetje en
-z&oacute;&oacute; langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven,
-dat men niet vordert.</p>
-<p class="par">Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in
-het kantoor van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen,
-sprong hij ineens op en riep: &bdquo;Goddank!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat is er, jongen?&rdquo; vroeg Adriaen, de
-oudste der broeders, natuurlijk over dien uitroep verbaasd.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik
-ga vooruit!&rdquo; riep Michiel opgewonden uit.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat mankeert die jongen, Cornelis?&rdquo; vroeg
-nu Adriaen aan zijnen broeder.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de
-bovenkamer hapert!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga
-vooruit, ja, en zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik
-dacht, dat ik niet vorderde!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar waarin gaat gij dan vooruit?&rdquo; vroeg
-Cornelis.</p>
-<p class="par">&bdquo;In de kunst van lezen, Sinjeur!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land?
-Daarom zoo blij? Nu, dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge
-in de leeskunst nog al veel vooruit gegaan zijt?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier
-was, kon <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name=
-"pb85">85</a>]</span>ik het schrift van die koopmans-brieven, die daar
-hangen, niet lezen, en nu wel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!&rdquo; sprak
-Adriaen, en zijne hand op het hoofd van den knaap leggende, zeide hij
-nog: &bdquo;Zoo komt men vooruit in de wereld!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En van wien leert ge dat, Michiel?&rdquo; vroeg
-Cornelis.</p>
-<p class="par">&bdquo;Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft
-zooveel geduld met me. Hij leert me rekenen ook!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar,
-hoor! Het is eenen leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt,
-dat zijn discipel vorderingen maakt! Dag, Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goeden middag, Sinjeurs!&rdquo; antwoordde
-Michiel en liep, in de blijdschap zijns harten, naar de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo;, om daar den goeden Stuurman terstond te
-vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen
-gemaakt had.</p>
-<p class="par">De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: &bdquo;Mooi,
-mooi, jongen! Op de volgende reis zullen we het er nog eens van
-hebben!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!&rdquo; riep
-Michiel, en snelde nu naar huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de
-tranen van blijdschap in de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij
-in de leeskunst zoo vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij,
-hij!</p>
-<p class="par">Wie was die hij?</p>
-<p class="par">&bdquo;Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen
-meegebracht, ik ga ze eens wegbrengen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is goed, jongen! Aan wien?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee
-Meesters zijn dood, anders bracht ik die er ook ieder een
-paar.&rdquo;</p>
-<p class="par">Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander
-en riep: &bdquo;Een paar muilen voor Meester Van Gelder?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Moeder!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Voor-Meester-Van-Gel-der?&rdquo; herhaalde Moeder
-Alida, niet tot zichzelve kunnende komen van verbazing, en op iedere
-lettergreep drukkende. <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86"
-name="pb86">86</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand
-anders. Vindt ge dat zoo vreemd?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, jongen, zijt gij dan die
-katten-geschiedenis heelemaal vergeten? Is de bullepees, waarmede hij
-dreigde, u dan uit de gedachten?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik
-het gedaan had, was niet zoo heel gemeen van hem!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan
-toch gedaan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder
-geweest zijn, als ik het gedaan had?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Michiel, want ge waart bar
-ondeugend!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben
-geweest, &eacute;n omdat ik weet dat ik Meester Van Gelder dikwijls
-reden gegeven heb mij te straffen, &egrave;n ook omdat ik weet, dat hij
-mij wel leeren wou, maar dat ik niet <span class="ex">wilde</span>,
-daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede vrienden
-kunnen worden!&rdquo;</p>
-<p class="par">Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond
-af, doch kwam toch wat hooger ook.</p>
-<p class="par">&bdquo;Kom eens hier, Michiel!&rdquo; zei ze.</p>
-<p class="par">Michiel deed het.</p>
-<p class="par">Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe:
-&bdquo;Zeeman, kleine zeeman, je bent Moeder Alida&rsquo;s liefste
-jongen! Zijt gij nu niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen
-gehouden heb, dat ge naar zee gingt?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Moeder, ik boos?&rdquo; zei Michiel zachtjes.
-&bdquo;Nooit boos geweest op u! Ik kon nooit boos op u zijn!&rdquo;</p>
-<p class="par">De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling
-eenen kus en zei: &bdquo;Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is
-zoo goed, alsof gij eenen kerkgang doet!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne
-Moeder nog eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den
-klopper op Meester Van Gelders deur vallen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ga eens kijken wie daar is, Anna!&rdquo; zei
-Meester Van <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name=
-"pb87">87</a>]</span>Gelder, die juist bezig was met pennen te
-vermaken, tot zijn dochtertje.</p>
-<p class="par">Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de
-gang komen, waarna ze de voordeur sloot.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje
-spreken, Anna,&rdquo; zeide Michiel.</p>
-<p class="par">Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman
-niet meer, en vroeg: &bdquo;Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan
-zeggen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar
-hier komen,&rdquo; riep Meester Van Gelder uit de school.</p>
-<p class="par">Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school,
-die met eene deur in de gang uitkwam, binnen.</p>
-<p class="par">En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden
-reeds zat, met hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak
-voor zich, de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets
-veranderd.</p>
-<p class="par">Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als
-in de jaren toen Michiel school ging.</p>
-<p class="par">D&aacute;&aacute;r had Michiel gezeten, daar in dat
-hoekje bij den schoorsteen. D&aacute;&aacute;r was het bord waarop hij
-het zoogenaamde portret van Meester geteekend had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat is er, vriendschap?&rdquo; vroeg Meester Van
-Gelder de punten van eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes
-af te punten, en zonder den bezoeker aan te kijken.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dag, Meester!&rdquo; sprak Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht,&rdquo; zei
-Meester, terwijl hij Michiel aanzag.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dag, Meester,&rdquo; herhaalde Michiel
-lachend.</p>
-<p class="par">&bdquo;Drommelsche jongen, je bent toch
-niet....?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik
-ben! Zeg het maar!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Michiel!?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de
-grootste straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name=
-"pb88">88</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo
-vreemd?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen?
-Fopt gij me niet?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ben<a id="xd21e2922" name="xd21e2922"></a> ik dan
-z&oacute;&oacute; veranderd, Meester?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel
-grooter, steviger en dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal
-hetzelfde gebleven! Het verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt.
-Vroeger waart ge....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen?
-Gij hieldt me voor den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen,
-is het niet zoo?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het
-uitgekomen, dat er nog grooter schelmen waren dan gij er een
-waart!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even
-deugnieten geweest zijn!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens
-aan die katten-geschiedenis, en&mdash;aan de bullepees?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om
-lachen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel
-dikwijls zelfs, want van dien avond af ben ik een heel ander mensch
-geworden. Ik ben glad bekeerd. Ik had leelijke gebreken,
-jongen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken
-en heel natuurlijk was zijn uitroep: &bdquo;Maar, Meester!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd
-door dien &bdquo;Barren Bruinvisch&rdquo;. Die man heeft me in een
-oogenblik van eene leelijke ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik
-mij zoo onverstandig driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het
-gevolg daarvan is, dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne
-discipelen heb, als vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later
-uitkwam?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Meester!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in
-mijne pap gesmeten heeft!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb89"
-href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een
-toonbeeld van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd
-voorgesteld?!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dezelfde, Michiel, dezelfde!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het
-uit?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op
-hem was. En weet ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit
-geweest zijt?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker dien Lammen, Meester?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het
-onder geene stoelen of banken en&mdash;ge loogt nooit! Die Lammen was
-een boosdoener, en speelde den brave met honderden keeren te liegen.
-Michiel, jongen, geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed
-behandeld!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel vatte die hand en zei: &bdquo;Meester, ik was
-juist van plan u te komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne
-kw&acirc;jongensstreken vergeven en vergeten wilt, en of ik u, als eene
-aardigheid, deze Oostersche muilen mag geven. Ik heb ze voor u
-meegebracht van Amboina.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Michiel! Jongen! Het is precies zooals
-Domin&eacute; zegt: &bdquo;In Michiel Adriaensz. De Ruyter steekt wat
-goeds, en hij zou het ver kunnen brengen, als hij wat meer geleerd
-had!&rdquo; Dat zei Domin&eacute; en ik zeg het hem na, Michiel! Het is
-o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt ge nog wel lezen wat daar
-op het bord staat?&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het
-speloefeningen voor de eerstbeginnenden waren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel ja, Meester,&rdquo; zei hij, &bdquo;en dat op
-dit bord hier achter ons ook wel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn
-schrijfvoorbeelden voor de hoogsten!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Toch waar,&rdquo; was het antwoord, en om er het
-bewijs van te leveren begon Michiel alles te lezen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar begrijp ik niemendal van,&rdquo; sprak
-Meester. &bdquo;Hebt <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90"
-name="pb90">90</a>]</span>ge dan, nadat ge hier van school gejaagd
-zijt, nog ergens anders school gegaan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel
-vrijen tijd, en de tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van
-me houdt, heeft me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons
-Stevens, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me
-naderhand te pas komen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen
-in elkander en zeide eindelijk: &bdquo;Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge
-hebt het zeker nu niet druk?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Meester, heel druk! &bdquo;Want over eene
-week of drie zeilen we alweer uit!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Toch heusch en stellig waar, Meester!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen
-sedert vanmiddag rare praatjes door de stad.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Meester? En welke als ik vragen
-mag?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken,
-te land, en terzee weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn,
-zullen vooreerst wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand
-minder flink en doortastend geworden zijn!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits
-ziekelijk is!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche
-verdeeldheden hebben ons veel kwaad gedaan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden
-van&mdash;van&mdash;ja, de namen ben ik vergeten....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Van Remonstranten en Contra-Remonstranten,
-Michiel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak
-zijn van het slappe oorlogvoeren na het Bestand?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ongetwijfeld, Michiel, stellig en
-zeker!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Weet ge wat onze Schipper zegt?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Michiel!&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart
-hebben voor de Oost en de West. Ze hebben den lust verloren om te land
-te dienen. Op zee is het veel voordeeliger!&rdquo;</p>
-<p class="par">Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en
-zei: &bdquo;Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar
-hierin heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen
-zijn we nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten
-Zwitsers, Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken
-bedaard toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle
-nati&euml;n en tongen zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste
-roem; dat lokte Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere
-landen om van hem te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine
-middelen groote dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer
-van zijnen tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de
-gemoederen. Nu men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte
-spelden den weg en de legers er op af teekende, greep men naar
-kleingeestige twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij
-allerlei nietige twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen
-vijandelijke vestingen waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander
-lust; daartoe had men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand
-ten einde was en Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen
-heel andere dan papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te
-zetten, was de lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet
-aangewakkerd door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van
-meet af aan beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een
-krachtig geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den
-handel, Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen,
-maar&mdash;rijkdom maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch
-krachtig nooit, en waar macht geen gevolg van kracht is, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>daar
-valt de macht eens in duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd
-misschien ook. Laat ik dus liever eene vraag doen. Als ik goed gezien
-hebt en ge blijft ditmaal lang aan den wal, hebt ge dan lust om na
-schooltijd bij me te komen, dan zal ik je les geven?&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de
-kosten.</p>
-<p class="par">&bdquo;En als ge soms denkt, dat ik er
-&eacute;&eacute;nen duit voor rekenen zal, dan hebt gij het mis! Nu ik
-gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen kant graag wat doen
-om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja, dan beginnen we
-dadelijk!&rdquo;</p>
-<p class="par">Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan
-was, dat hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te
-donker was geworden om nog iets te doen.</p>
-<p class="par">Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want
-Meester Van Gelder had gelijk gehad: de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; zeilde
-vooreerst niet uit.</p>
-<p class="par">De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer
-bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te
-verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat
-ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij
-voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig
-stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632
-zonden ze, ook voor eigen rekening, de &bdquo;Samson&rdquo; en de
-&bdquo;Vlissingen&rdquo;, twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker
-kapers te tuchtigen, en ze deden dat z&oacute;&oacute; goed, dat de
-verzekering van schepen, die op de Bocht van Frankrijk voeren en reeds
-tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen was, daalde tot drie ten
-honderd. De Duinkerkers durfden zich niet roeren of bewegen, en bleven
-in de haven. In het jaar 1654 deden ze het onbewoonde eiland Tabago, in
-Amerika, weder bevolken, een werk dat hun in elf jaar tijds gelukte.
-Zij brachten de kolonisten, met al wat dezen noodig hadden, in hun
-eigen schepen over. Adriaen Lampsens <span class="pagenum">[<a id=
-"pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>was zelfs van
-1650&ndash;52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later door Lodewijk
-XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde van Sint Michael,
-en tot den Franschen adelstand verheven onder den titel van Baron van
-Tabago.</p>
-<p class="par">Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen
-wel honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel
-gedacht: waren dat dan oorlogsschepen?</p>
-<p class="par">Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden
-van oorlog, ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen
-wel genoodzaakt de <span class="corr" id="xd21e3035" title=
-"Bron: koopvaardij schepen">koopvaardijschepen</span> sterk te bemannen
-en van geschut te voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog
-waren met Spanje en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen
-ontmoetten. Ten tweede om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van
-Calais soms heel netjes de binnenvarende schepen der Hollanders wisten
-te bemachtigen. Ten derde om den naijver der Engelschen, die in Europa
-zoogenaamd onze vrienden waren, doch in de Oost-Indi&euml;n ons meest
-altijd als vijanden behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de
-Oost-Indi&euml;n, waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons
-gezag waren, of ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel
-aanvallen en plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een
-koopvaardij-schip een oorlogsvaartuig in het klein.</p>
-<p class="par">Maar keeren we tot onzen Michiel terug.</p>
-<p class="par">Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond
-les, en of Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede
-Stuurman van de &bdquo;Lijnbaan&rdquo;, dan wel of Michiel nu nog meer
-zijn best deed dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate
-hij verder kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel
-eind in de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd,
-toen hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide:
-&bdquo;Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name=
-"pb94">94</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeelu&icirc;,
-die door de omstandigheden gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst
-kunnen nemen bij de busschieters in het Staatsche leger!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En waarom zoudt gij dat doen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar
-Vader zou graag zien, dat ik het deed!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal
-thuisbrengt, in den kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat
-begrijp ik best. Er zijn nog kleintjes thuis ook.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik
-betaal mijnen kost met mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er
-zijn bij ons thuis al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te
-verbeteren. Van armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de
-Spanjaarden zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad
-Steenbergen al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze
-zullen er reeds wel wezen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben;
-Michiel! Het is sterker dan Steenbergen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van
-Bergen-op-Zoom, en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen
-huisgezin had, zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had,
-voegde hij er lachend bij: &bdquo;Dat was net wat voor Michiel! Ze
-hebben het omgetrommeld, dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen
-nemen als busschieter! Hebt gij er geenen lust in om eens onder onzen
-beroemden Prins Maurits de Spanjaarden te lijf te gaan?&rdquo;</p>
-<p class="par">Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou
-doen, als ik neen zeide, en daarom ze&icirc; ik: &bdquo;Wel ja, Vader,
-ik wil te land ook wel eens dienen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk
-bij den Magistraat aangeven!&rdquo; sprak Vader.</p>
-<p class="par">Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als
-ik straks thuis kom, zal ik heel wat woorden moeten <span class=
-"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name=
-"pb95">95</a>]</span>gebruiken om alles goed te praten, want naar
-Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker niet! Morgen ga ik er al
-heen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des
-avonds reeds te Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeelu&icirc; met open
-armen ontvangen werden; want het scheen bij Spinola meenens te zijn met
-deze belegering. Had men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen
-toe het hoofd voor gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien
-of deze vesting werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.</p>
-<p class="par">Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen
-Spinola. Hij had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad
-onbelegerd laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de
-belegerden noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en
-soldaten. Er was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle
-aanvallen dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al
-opgehouden hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was,
-zal iedereen wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste
-waagstukken of schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens
-opgeteekend, doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede,
-dat hij er een paard kocht waarvan hij zich &bdquo;stoutelijk&rdquo;
-diende en in de uitvallen der bezetting verscheidene malen buit op den
-vijand behaalde. Als wij nu in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij
-als volwassen man een zeer slecht ruiter was en dat Spinola voor
-Bergen-op-Zoom in een beleg van achtenzeventig dagen wel tienduizend
-man verloor, dan behoeven we niet te vragen, of Michiel met of zonder
-paard ook zijn oud waaghalzenhart lucht gegeven heeft. Stellig en zeker
-heeft hij dat gedaan en de lust tot vechten schijnt hem toen eenige
-weken lang zoo bezield te hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit
-Bergen-op-Zoom, eenigen tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer.
-Het leven aanboord van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg
-bevallen te zijn, want al heel spoedig was <span class=
-"pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>hij weer
-thuis. Lang zou hij echter niet aan den wal blijven, want in hetzelfde
-jaar was hij weer aanboord van de &bdquo;Lijnbaan&rdquo;, die ditmaal
-eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou gaan halen.</p>
-<p class="par">Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op
-zijn gemak overal afscheid kon gaan nemen.</p>
-<p class="par">Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees-
-en schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden
-hervatten, als hij weer aanwal was.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e289">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Bij de kapers.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder
-gezegd. Het was de vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer
-aan kwamen, zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald
-gekropen.</p>
-<p class="par">De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze
-Bordeaux met eene lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam
-en zei: &bdquo;Ziet gij daar ginder dat schip?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort
-soms?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in
-handen van den Spanjool kunnen zijn!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op
-ons?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Geen weinigje ook,&rdquo; luidde het antwoord, en
-pas had hij dit gezegd of de Schipper kwam bij hem en vroeg: &bdquo;Wat
-denkt gij van dien Biscayer daar, Bootsman?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Schipper, ik denk er z&oacute;&oacute; over.
-Ontzeilen kunnen wij hem niet, want hij maakt veel meer vaart dan wij.
-Ons verdedigen zoo goed en kwaad we kunnen, is de boodschap.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we
-hem een heel eind voor zijn, zou ik wel willen probeeren hem
-<span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name=
-"pb97">97</a>]</span>te ontzeilen. Gaat dat niet, welnu, dan zal het
-kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot overgeven doe ik
-niet,&rdquo; sprak de Schipper.</p>
-<p class="par">Nu was alles in de weer.</p>
-<p class="par">In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het
-voorschip, tusschendeks, overal waren handen te kort.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij vechten gaan, Michieltje!&rdquo; zei Jan en
-wreef zich van pret in de handen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien
-of met vuil water?&rdquo; vroeg Geleyn Evertsen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal
-een Spanjool in een twee!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham
-laten halen!&rdquo; meende Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!&rdquo;
-zeide Jan, die Michiel natuurlijk niet begreep.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat
-zal er spannen! Daar is niet tegen op te werken,&rdquo; sprak
-Lievensz.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dus niet vechten?&rdquo; vroeg Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zou zeggen van ja,&rdquo; antwoordde Geleyn.
-&bdquo;Als ik ooit Schipper word, zullen ze mijn schip nooit krijgen!
-Ik vecht me liever dood!&rdquo;<a class="noteref" id="xd21e3122src"
-href="#xd21e3122" name="xd21e3122src">1</a></p>
-<p class="par">&bdquo;Dood is dood!&rdquo; zeide Lievensz. &bdquo;Als
-we een tegen drie zijn, dan waag ik het er ook op! Maar nu zijn we
-stellig niet eens een tegen tien. De Biscayers hebben altijd veel volk
-aanboord en, ze hebben moed als Watergeuzen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar zijn er drie, Schipper,&rdquo; zeide nu de
-Stuurman. &bdquo;Kijk, daar juist achter die voorste!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook
-den derden roover ziende, zei hij: &bdquo;Hoor eens, mannen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name=
-"pb98">98</a>]</span>we zullen het zien te ontzeilen, dat is al wat er
-op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kunnen we soms niet eenen list verzinnen,
-Schipper?&rdquo; vroeg Michiel. &bdquo;Wie niet sterk is, moet slim
-zijn.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Noem er maar een op!&rdquo; was het antwoord.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, hij wil die lu&icirc; allemaal dronken
-voeren en ze dan aan het dek binden, niet waar, Michiel?&rdquo; zeide
-de Scheepsbarbier, die Michiel niet lijden mocht, op sarrenden
-toon.</p>
-<p class="par">Michiel ging nijdig weg en bromde: &bdquo;Als ik
-Kapitein word van een schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld
-of door list, halen waar halen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan
-ontzeilen viel niet te denken.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang,
-ja?&rdquo; vroeg Jan op den Schipper wijzend.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, er wordt niet gevochten,&rdquo; antwoordde
-Michiel botweg.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij eens willen afsteken die kanon, h&eacute;?
-Bom, hij zal zeg, ach, zoo mooi, zoo mooi dat gaat!&rdquo;</p>
-<p class="par">Daar viel een schot van eenen der roovers.</p>
-<p class="par">De kogel vloog juist voor den boeg over het water en
-maakte een vreeselijk geweld.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje
-zullen wisselen, komaan dan!&rdquo; zei de Schipper en gaf bevel een
-kanon te richten.</p>
-<p class="par">Bom! daar viel weer een schot van den vijand.</p>
-<p class="par">Nu vloog de kogel door het tuig van de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo; zonder erg veel te beschadigen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat toch vecht,&rdquo; riep Jan en kwam met zulk
-een groot zinkroer op het dek, dat hij nauwelijks voort kon.
-&bdquo;Zeg, Michiel, jij ook deze ding?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zou een kanon genomen hebben,&rdquo; zeide
-Michiel. &bdquo;Neen, mannetje, dat heb-je te Bergen-op-....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vuur,&rdquo; beval de Schipper.</p>
-<p class="par">Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn
-zinkroer languit op het dek. <span class="pagenum">[<a id="pb99" href=
-"#pb99" name="pb99">99</a>]</span></p>
-<p class="par">Van &eacute;&eacute;n kogeltje wisselen kwamen er twee,
-drie, vier, ja, wel honderd kogels, en als de &bdquo;Lijnbaan&rdquo;
-het niet met drie aan den stok had gekregen, dan zou het nog de vraag
-geweest zijn of de Biscayers &bdquo;Victorie&rdquo; zouden geroepen
-hebben.</p>
-<p class="par">E&eacute;n Biscayer was in ontredderden toestand terug
-geweken, doch nu naderden de twee anderen.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, God,&rdquo; riep eensklaps de &bdquo;Barre
-Bruinvisch&rdquo; uit, en hoewel hij aanvankelijk staan bleef, zag men
-toch dat hij door een musketschot in de borst getroffen was.</p>
-<p class="par">Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te
-ondersteunen, daar hij reeds begon te vallen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken
-hebben gegeven, jongens,&rdquo; zeide Lievensz., moeite doende nog even
-eene aardigheid met lachend gezicht te zeggen.</p>
-<p class="par">De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem
-naar den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw
-nederlegden.</p>
-<p class="par">Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!</p>
-<p class="par">Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men
-dien te land of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog
-wat.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar
-liggen! Als ik sterven moet, kan ik dat heel goed alleen af,&rdquo;
-sprak Lievensz. kalm.</p>
-<p class="par">Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel
-aarzelde.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, jij ook, dappere jongen!&rdquo; zei hij.</p>
-<p class="par">&bdquo;Laat mij hier blijven om u te helpen, als de
-roovers kwaad willen doen,&rdquo; sprak Michiel.</p>
-<p class="par">Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: &bdquo;Mij
-kwaad doen, zeg je? Loop, jongen, aan den &bdquo;Barren
-Bruinvisch&rdquo; is geen kwaad meer te doen! Nog een paar hapjes, dan
-is zijn beschuit op, en gaat hij voor altijd naar de kooi. Maar zeg,
-luister eens!&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel boog zich over hem. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te
-Westersouburg heb, nietwaar?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Bootsman!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier
-daar nog eens komen, zeg haar dan, dat ik haar g&rsquo;ndag gezegd heb.
-En laat me nu alleen, ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den
-Grooten Baas!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Tegen wien?&rdquo; vroeg Michiel verwonderd.</p>
-<p class="par">&bdquo;Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer!
-Dag, Michiel!&rdquo; sprak Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot
-de oogen en <span class="corr" id="xd21e3211" title=
-"Bron: Levien">Michiel</span> hoorde het begin van zijn gebed:
-&bdquo;Onze Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">In dien tusschentijd hadden de Biscayers de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo; ge&euml;nterd, en er was al heel wat vijandelijk
-volk op het dek. Jan Kompanjie had al eenen klap om de ooren gekregen,
-dat hij het noorden van het kompas in het westen zocht, en juist toen
-Michiel zich met een eind hout wilde verweren, kreeg hij een lichte
-sabelhouw in den arm en werd gevangen genomen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jij blijf af van Michiel!&rdquo; riep Jan, die
-ineens opsprong en het noorden gevonden had.</p>
-<p class="par">Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.</p>
-<p class="par">Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij
-beproeven wilde, den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze
-scheen zich om geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan
-opnieuw eenen dril om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen
-schoot.</p>
-<p class="par">Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo; lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en
-waarmede men kon. Alles werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts,
-waarmede men aanboord water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting,
-en sloeg er hiermede op in.</p>
-<p class="par">&bdquo;Geef je over!&rdquo; riepen de roovers in het
-Spaansch.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen,&rdquo; antwoordde de bemanning van den
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo;, in het Hollandsch. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;En hier heb je mijn antwoord,&rdquo; riep de
-Schipper, den Kaper-kapitein eenen slag met de volle hand in het
-aangezicht gevende, waarna hij onder het roepen van: &bdquo;Liever
-verdrinken dan slaaf worden,&rdquo; overboord sprong. De Stuurman
-volgde zijn voorbeeld.</p>
-<p class="par">Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het
-overschot der bemanning gaf zich over.</p>
-<p class="par">De Biscayers hadden dus overwonnen en de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo; zou niet weer te Vlissingen aankomen.</p>
-<p class="par">Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd
-had, zouden hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van
-de matrozen thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.</p>
-<p class="par">Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare
-twee ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die
-zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven zijn,
-als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het Vaderland
-terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben; want de
-spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim voorzien, en
-wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren Lampsens gaarne
-bijgepast.</p>
-<p class="par">Negen mannen waren in den ongelijken strijd
-gevallen!</p>
-<p class="par">Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen
-spoedig aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen
-hun logies in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een
-heel klein raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te
-kunnen zien, maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze
-hadden het er benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst.
-Langzamerhand werd het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten
-van geen eten of drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en
-een paar goed gewapende matrozen hun brood en water brachten.</p>
-<p class="par">Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Hier wij leelijk zit! En ik nog de
-wonderkind!&rdquo; bromde Jan en deed een hapje in het harde brood.</p>
-<p class="par">Michiel stond voor het raampje.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat
-ruitje staan, anders stikken wij beiden hier nog,&rdquo; zeide
-Geleyn.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik neem de maat,&rdquo; sprak Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Van mezelven en van dat raampje!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hi-hi,&rdquo; lachte Jan, &bdquo;ik liever eet,
-ik honger heb!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ben ik niet de dikste van de drie?&rdquo; vroeg
-Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal wel waar zijn,&rdquo; antwoordde Geleyn,
-die een echte Evertsen en niet zoo bijzonder kloek was. &bdquo;Waarom
-vraagt ge dat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo maar! Kunt gij zwemmen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden
-nog van zeven jongens gewonnen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kunt gij zwemmen, Jan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op
-het planke!&rdquo; antwoordde Jan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, maar kunt gij zonder plank
-zwemmen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag.
-De water hier koud en nat is!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo,&rdquo; sprak Michiel, &bdquo;dan heb ik een
-plan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat dan?&rdquo; vroeg Geleyn.</p>
-<p class="par">&bdquo;Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van
-eenen neger, het is voor ons drie&euml;n, hoor! Ik ook wat!&rdquo; zei
-Michiel en nam Jan, die aan een ander stuk brood begonnen was, met de
-tanden de korst af te zagen, handig eene homp af en werkte het, na het
-in water geweekt te hebben, naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei
-hij: &bdquo;Als het donker is zullen we ontvluchten!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat goed is!&rdquo; sprak Jan. &bdquo;Ik hier zad
-ben al lang!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ontvluchten?&rdquo; vroeg Geleyn<span class=
-"corr" id="xd21e3289" title="Niet in bron">,</span> op eenmaal van
-verbazing ophoudende met eten. &bdquo;Ik ben nieuwsgierig te weten hoe
-gij dat aanleggen zult.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb103"
-href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Door dat raampje heen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet
-door!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Met me een beetje te wringen kan ik er precies
-door. Gij en Jan schuiven er door als vet.&rdquo;</p>
-<p class="par">Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op
-en zeide toen: &bdquo;En wie zal de eerste zijn om dat
-halsbrekers-baantje uit te halen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal ik zijn; maar luistert nu,&rdquo;
-antwoordde Michiel, heel zacht sprekend om door niemand gehoord te
-worden. &bdquo;Ziet ge dat touw daar telkens tegen het raampje
-slaan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we
-voorzichtig het eenige ruitje uit en snijden dan met een mes de
-sponningen weg.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En dan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat
-me in het water zakken!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt
-toch bijgeval geen meerman?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan
-bakboord wat kloppen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja! En dat verveelt me ook al lang!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt
-komt door de eb, die het telkens tegen de schuit duwt!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge
-alles,&rdquo; bromde Geleyn, die nog altijd veel gevaar in de vlucht
-zag.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de
-gelegenheid goed opgenomen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik klaar ben,&rdquo; zei Jan, en spoelde de
-laatste bete broods door. &bdquo;Nu ik wegloopen wind als de
-vlug.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er
-een is, die bij ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan
-misschien in duigen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar dat heele plan weet ik nog niet,&rdquo;
-sprak Geleyn.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den
-ander <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name=
-"pb104">104</a>]</span>door dat raampje, laten ons aan dat touw in het
-water zakken en zwemmen naar dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan
-snijden we het touw los waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het
-bootje langs den boeg naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in
-zee drijven!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En waar dan heen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel
-eind van het schip af zijn, dan kunnen we altijd zien!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En als we dan in den Oceaan terecht
-komen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zou kunnen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje
-verdrinken moeten! E&eacute;ne stortzee, en we zijn er
-geweest!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;E&eacute;n schopje tegen onze voeten en we hangen
-zoo mooi door eenen strop te kijken, als geen schelm ooit gedaan
-heeft,&rdquo; zeide Michiel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat wil dat zeggen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra
-opgehangen worden, en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf
-verkocht of we mogen naar de galeien.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe weet ge dat?&rdquo; vroeg Geleyn, nog altijd
-niet met het ontvluchtingsplan ingenomen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu
-geenen zin in hebt, gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me
-erg spijten, maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint
-niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">Geleyn dacht een oogenblik na en zei: &bdquo;Ik ga mee,
-Michiel! Maar ik geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen
-kruipen! En dan dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op
-het dek niets van bemerken?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zal ik eerst probeeren, Geleyn?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;We moesten dan nu maar beginnen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ik stuk slaan zal!&rdquo; riep Jan, trok
-zijnen schoen uit en wilde met de hak, waarin stevige spijkers
-geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt gij krankzinnig, Jan?&rdquo; riep Michiel op
-halfluiden <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name=
-"pb105">105</a>]</span>toon. &bdquo;Gij zoudt het heele plan doen
-mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel doen. Maar luistert, Geleyn en
-Jan! We moeten onze schoenen en bovenkleeren uitdoen en in een pakje
-binden. Als ik er door ben, laat ge die drie pakjes maar zakken, dan
-zal ik ze in de boot brengen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en
-trokken schoenen, kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes
-van, die eerst gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door
-het raampje gestoken te kunnen worden.</p>
-<p class="par">Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden
-nauwelijks het raampje meer zien.</p>
-<p class="par">Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den
-sleutel van zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te
-breken, en na hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was
-hij klaar. Na nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het
-onnoodig om de sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel
-door.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik
-doe!&rdquo; zei Michiel.</p>
-<p class="par">Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en
-verder, tot hij er met de beenen ook door was. Half vrij!</p>
-<p class="par">Hij ging buiten het schip aan het touw en zei
-fluisterend door het gat: &bdquo;De pakjes!&rdquo;</p>
-<p class="par">Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had,
-dat er stevige knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen
-in den mond en liet zich zakken.</p>
-<p class="par">Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook
-weldra buiten het schip.</p>
-<p class="par">Geleyn aarzelde nog.</p>
-<p class="par">Waren ze niet in de diepte verdwenen?</p>
-<p class="par">Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht
-of naar de galeien gevoerd worden?</p>
-<p class="par">Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het
-schip sterker tegen de schuit bonzen. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb106" href="#pb106" name="pb106">106</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer
-leven maken?&rdquo; dacht Geleyn.</p>
-<p class="par">Nog aarzelde hij.</p>
-<p class="par">Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er
-zich half door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe
-opening, liet zich zakken, zwom om het schip en&mdash;ja, daar waren
-Michiel en Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen
-schreeuw van blijdschap gegeten.</p>
-<p class="par">Daar klom Geleyn in de boot.</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e3404" title=
-"Niet in bron">&bdquo;</span>We dachten dat ge verdronken waart,&rdquo;
-fluisterde Michiel. &bdquo;Kom gauw maar, er gaat eene sterke
-eb!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan
-deze zijde van het schip komen,&rdquo; gaf Geleyn ook fluisterend ten
-antwoord.</p>
-<p class="par">Nu ging Michiels mes door het touw.</p>
-<p class="par">Het bootje was vrij.</p>
-<p class="par">Met de handen duwden ze het om het schip heen
-en&mdash;nauwelijks waren ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps
-zulk eene vaart aan, dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als
-Geleyn hem niet gauw gegrepen had.</p>
-<p class="par">In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal
-te zien.</p>
-<p class="par">Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen
-Biscayer overvallen werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien
-niet meer te vreezen hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel
-eens in den drup. <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107"
-name="pb107">107</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e3122" href="#xd21e3122src" name="xd21e3122">1</a></span> Geleyn
-Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei 1627 op de
-hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche galei. Hij
-diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als
-Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e3122src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch1.10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e299">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Eene moeielijke bedelreis.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche
-kust terecht komen of misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch
-schip ontmoeten zouden, lieten ze zich door de eb maar verder in zee
-drijven, en toen deze niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden
-ze er op goed geluk tegen in.</p>
-<p class="par">Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer
-gerust. Ze waren in volle zee. Waar nu heen?</p>
-<p class="par">Michiel keek naar de opkomende zon en zei: &bdquo;Als we
-nu maar in die richting roeien, krijgen we de Fransche kust!&rdquo;</p>
-<p class="par">Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het
-roeien van Jan en Michiel,&mdash;Geleyn zat aan het roer,&mdash;niet
-heel vlug.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij komen er vandaag nog niet!&rdquo; zei Geleyn
-met eenen diepen zucht en het scheen dat hij op het punt stond den moed
-op te geven.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel,&rdquo; riep Michiel, &bdquo;ik voel dat de
-vloed op komt zetten. Die zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal
-zuidwest. Waar ergens aan de kust van Frankrijk we zullen komen, weet
-ik niet, maar onder de <span class="corr" id="xd21e3438" title=
-"Bron: Biskayers">Biscayers</span> vast niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer
-werd telkens afgewisseld.</p>
-<p class="par">Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij
-had drie uur aan een stuk stevig doorgetrokken.</p>
-<p class="par">&bdquo;Land,&rdquo; riep hij eensklaps. &bdquo;Ik zie
-land, en ik wed dat we het eiland R&eacute; of Ol&eacute;ron krijgen.
-Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote meevallertje niet hebben
-te La Rochelle aan te komen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars
-tusschen de eilanden R&eacute; en Ol&eacute;ron kwamen ze tegen den
-<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name=
-"pb108">108</a>]</span>avond zoogenaamd te La Rochelle aan. Ze hadden
-in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd; maar waren ook met
-reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat is La Rochelle klein!&rdquo; zei Geleyn.
-&bdquo;Ik dacht, dat het eene groote stad was, vol leven en
-beweging.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik ook,&rdquo; sprak Michiel. &bdquo;Mis hebben
-kan ik toch niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!&rdquo; riep
-Jan. &bdquo;Ik honger, veel honger hebben.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Eerst maar geld hebben,&rdquo; merkte Michiel
-aan. &bdquo;Ik heb niemendal uit te geven, want ik ben
-platzak.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik heb nog eenen zilveren duit,&rdquo; zei
-Geleyn. &bdquo;Het is niet veel, maar toch altijd wat!&rdquo;</p>
-<p class="par">Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man
-stond te visschen.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">La Rochelle
-l&aacute;?</span>&rdquo; vroeg Michiel, op zijne manier het beste
-Fransch uitpakkende.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">La Rochelle?</span>&rdquo; vroeg
-de man, vol verbazing, en antwoordde: &bdquo;<span lang="fr">Non!
-Arcachon, mes enfants!</span>&rdquo;</p>
-<p class="par">Michiel had zich dus bedrogen.</p>
-<p class="par">De kust, die hier vol kreken was, had hem twee
-landtongen, die boven den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden
-doen aanzien, en in de meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor
-zich had. En nu was hij in eene stad, veel verder ten zuiden
-aangekomen.</p>
-<p class="par">Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te
-landen, vroeg hun de Franschman aan den oever wat.</p>
-<p class="par">Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde
-op goed geluk: &bdquo;<span lang="fr">Nous sommes</span> <span lang=
-"en">of Flushing</span>!&rdquo; Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch
-door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen:
-&bdquo;Wij zijn van Vlissingen!&rdquo;</p>
-<p class="par">De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de
-maan, als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren
-om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom:
-&bdquo;<span lang="fr">Oui, mes enfants! Tout abonde <span class=
-"pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>en
-notre ville!</span>&rdquo; dat is: &bdquo;Ja, mijne kinderen, alles is
-in overvloed in onze stad.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, die man spreekt geen Fransch,&rdquo; zei
-Michiel, doch toen ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch:
-&bdquo;<span lang="fr">Voulez vous vendre
-notre-notre</span>-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in
-het Fransch?&rdquo;</p>
-<p class="par">Geleyn haalde de schouders op en zei: &bdquo;Weet ik
-het? Ik kan geen Fransch spreken.&rdquo;</p>
-<p class="par">De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze
-het woord tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net
-uit.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wacht, nu weet ik het,&rdquo; riep Michiel en den
-Franschen visscher aanstootende, zei hij nogmaals: &bdquo;<span lang=
-"fr">Voulez-vous vendre notre bateau?</span>&rdquo;</p>
-<p class="par">Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij
-hem toch niet zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren
-geldstukjes uit den zak en liet die Michiel zien.</p>
-<p class="par">&bdquo;Beter wat dan niemendal,&rdquo; dacht Michiel en
-zei: &bdquo;<span lang="fr">Oui, voil&agrave; la bateau! Sant&eacute;
-avec-avec le</span> hebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik weet niet
-welke landsman je bent!&rdquo;</p>
-<p class="par">De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel
-en een ei verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en
-zagen niet hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij
-voor zulk een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot
-gekocht had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is me hier toch even een modderland!&rdquo;
-zei Geleyn, die weldra tot over de voeten in het slijk liep.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, dat wat is?&rdquo; riep eensklaps Jan hevig
-schrikkende door een leelijk, hard en zonderling geluid.</p>
-<p class="par">Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in
-twijfel of ze niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze
-toch loopen moesten om te Arcachon te komen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe!&rdquo; schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes,
-lang uit in de modder te spartelen, als eene schol, die zoo uit het
-water in de boot komt. <span class="pagenum">[<a id="pb110" href=
-"#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p>
-<p class="par">De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna
-vlak voor zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende,
-op.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is een roerdomp,&rdquo; zei Geleyn.
-&bdquo;Die dieren leven hier veel, naar het schijnt! Kijk, als ge maar
-goed tusschen het riet loert, ziet ge er nog veel meer.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen maar, zeg, kijk eens,&rdquo; riep Michiel op
-eens.</p>
-<p class="par">&bdquo;Waar?&rdquo; vroegen Geleyn en Jan tegelijk.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel daar,&rdquo; antwoordde Michiel, en wees niet
-verre van zich af naar eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos
-was bedekt, en waarop ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.</p>
-<p class="par">Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en
-drie jongens aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen
-maaltijd, die uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene
-teug uit eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet.
-Dat, wat Michiel deed uitroepen: &bdquo;Neen maar, zeg, kijk
-eens!&rdquo; was dat ze allen hooge stelten onder de voeten hadden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Menschen en vogels doen hier al even raar,&rdquo;
-zeide Geleyn. &bdquo;Welke lui zijn dat toch, die daar
-zitten?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar
-dan zijn ze hier al in eene vreemde streek om wat te verdienen,&rdquo;
-meende Michiel.</p>
-<p class="par">Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher
-aan wien ze hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten
-aankomen.</p>
-<p class="par">Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man
-te zien, die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op
-zijde had hangen.</p>
-<p class="par">Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in
-het hoofd haperde, en riep maar: &bdquo;Hij ooievaar, hij ooievaar,
-allemaal ooievaar! Hi-hi!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu begrijp ik het al,&rdquo; zei Geleyn.
-&bdquo;Dat zijn geene kunstenmakers: maar om niet zoo door de modder te
-<span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name=
-"pb111">111</a>]</span>moeten ploeteren in dit slijkland, loopen de
-menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver loopen er
-nog!&rdquo;</p>
-<p class="par">Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste
-verwondering over was, dacht hij er aan om dien menschen te vragen of
-ze voor hen niet wat te eten en te drinken hadden.</p>
-<p class="par">Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de
-beweging van eten makende, wees hij op een brood, en liet hun
-tegelijkertijd een der geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot
-ontvangen had.</p>
-<p class="par">De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te
-beginnen, doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte
-hem het bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in
-den zak.</p>
-<p class="par">Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug,
-deelde het brood in drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar
-Arcachon vervolgden, aten ze het met smaak op. Lekker was het niet,
-maar honger weet weinig van lekker af.</p>
-<p class="par">Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook
-al niet veel troost.</p>
-<p class="par">Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te
-drinken. De menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun
-leverworst geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op
-Geleyns vraag: &bdquo;Paris?&rdquo; naar het noordoosten, en daarheen
-zou het nu gaan.</p>
-<p class="par">Het was me het tochtje wel!</p>
-<p class="par">Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor
-bergen, die ze niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een
-soort van doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.</p>
-<p class="par">Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder
-schoenen aan de voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging
-het al maar verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen
-hoop hooi op het veld, soms zelfs <span class="pagenum">[<a id="pb112"
-href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>zoo maar aan den kant van den
-weg onder eenen boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en
-ontberingen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Paris?&rdquo; vroegen ze maar.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">Voil&agrave;</span>,&rdquo; zeide
-men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag waar ze hoopten
-toch wel &eacute;&eacute;nen Hollander te vinden, die hen helpen wilde
-om verder te komen.</p>
-<p class="par">Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning,
-den Gelderschen rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te
-wisselen; maar telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed
-stond hem van de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde:
-&bdquo;Laat ik nog eenen dag wachten!&rdquo; Dat zei hij evenwel
-iederen keer&mdash;de Geldersche rijder kwam niet van de borst af.</p>
-<p class="par">Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben,
-kwamen ze eindelijk op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood
-en wat drinken bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en
-daarbij lag de pastorie. V&oacute;&oacute;r de pastorie lag een lief
-tuintje met vruchtboomen. Een Geestelijke wandelde erin, plukte eene
-perzik en at ze op.</p>
-<p class="par">Michiel <span class="corr" id="xd21e3593" title=
-"Bron: watertande">watertandde</span> ervan; hij bleef staan en
-stamelde: &bdquo;Monsieur, bon monsieur!&rdquo;</p>
-<p class="par">Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware
-Sinterklaas. Hij naderde de heining, die den tuin van den landweg
-scheidde, en vroeg: &bdquo;<span lang="fr">Venez-vous de
-Paris?</span>&rdquo;</p>
-<p class="par">Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al
-geleerd, dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: &bdquo;Komt ge van
-Parijs?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">Non, monsieur! Moi</span> kom-
-kom- van <span lang="fr">la ville Arcachon!</span>&rdquo; zeide
-Geleyn.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">Quoi!</span>&rdquo; riep de
-Geestelijke. &bdquo;<span lang="fr">Quoi, d&rsquo;Arcachon? C&rsquo;est
-impossible! Impossible!</span>&rdquo; (&bdquo;Wat? Van Arcachon? Dat is
-onmogelijk! Onmogelijk!&rdquo;)</p>
-<p class="par">Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de
-gedachte om door teekenen te kennen te geven, dat ze door <span class=
-"pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name=
-"pb113">113</a>]</span>Biscayers gevangen genomen waren, maar dat ze in
-een roeibootje hadden weten te ontsnappen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Kom hier, Jan!&rdquo; riep hij.</p>
-<p class="par">Jan naderde.</p>
-<p class="par">&bdquo;Geef me uwe beide handen!&rdquo; beval
-Michiel.</p>
-<p class="par">Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij
-toch de handen uit.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te
-toonen, hoe we door de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in
-een roeibootje zijn ontsnapt.<span class="corr" id="xd21e3634" title=
-"Niet in bron">&rdquo;</span> Michiel bond met eenen doek Jans handen
-vast.</p>
-<p class="par">&bdquo;Monsieur,&rdquo; zei hij op Jan wijzende,
-&bdquo;<span lang="fr">Hollandais! Moi Hollandais, et Geleyn aussi
-Hollandais!</span>&rdquo;</p>
-<p class="par">De Geestelijke lachte.</p>
-<p class="par">Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee
-genomen had, en begon te doen, alsof hij sloeg.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">Biscayer, monsieur, un
-pirate!</span>&rdquo;&mdash;(&bdquo;Biscayer, mijnheer, een
-zeeroover!&rdquo;) sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en
-tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel
-genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als:
-&bdquo;Ik begrijp u een weinig!&rdquo;</p>
-<p class="par">Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en
-hield de handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed
-begreep, wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">Prisonniers, monsieur,
-prisonniers, Jean, Geleyn et moi!</span>&rdquo; (&bdquo;Gevangenen,
-mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!&rdquo;) sprak Michiel.</p>
-<p class="par">En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs
-duidelijker wat de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt
-Fransch.</p>
-<p class="par">&bdquo;Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat
-dan dadelijk achter me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan:
-<span lang="fr">Libre, libre, bateau, Arcachon</span>,&rdquo; zeide
-Michiel. <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name=
-"pb114">114</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik
-het niet meer!&rdquo; sprak Geleyn, en op het &bdquo;Los!&rdquo; van
-Michiel, lieten ze alle drie de handen vrij, gingen achter elkander op
-den grond zitten en begonnen met hunne doornstokken in het zand te
-roeien.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd21e3670width"><img src="images/p114.jpg" alt=""
-width="487" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">Libre!</span> Vrij! <span lang=
-"fr">Bateau! Arcachon!</span>&rdquo; riep Michiel, hierin trouw door
-Jan en Geleyn geholpen.</p>
-<p class="par">Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en
-lachten zoo luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog
-maar altijd roeiden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Riemen in!&rdquo; beval Michiel.</p>
-<p class="par">Jan en Geleyn hielden op met roeien.</p>
-<p class="par">&bdquo;De boot uit!&rdquo; klonk alweer een ander bevel
-en het voorbeeld van hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook
-op.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">Libre! Libre!</span> Vrij!
-<span lang="fr">Voici, Arcachon!</span>&rdquo; riep Michiel.</p>
-<p class="par">Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er
-met de drie knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd,
-wierp er een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld
-had, wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met
-de vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede
-Geestelijke, en wierp er in, wat hij missen kon.</p>
-<p class="par">Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan,
-doch eindelijk zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de
-handen van den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen
-uit de oogen stroomden: &bdquo;God de Heere zegene U!&rdquo;</p>
-<p class="par">Of de Pastoor dat verstond?</p>
-<p class="par">Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem
-begrepen hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen:
-&bdquo;Mes pauvres gar&ccedil;ons!&rdquo;</p>
-<p class="par">Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en
-deze knikte de jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.</p>
-<p class="par">Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich,
-<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name=
-"pb115">115</a>]</span>zoodat onze drie knapen met den Geestelijke
-alleen bleven.</p>
-<p class="par">Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen
-maaltijd en water en wijn voorzetten.</p>
-<p class="par">Wat de jongens hun best deden!</p>
-<p class="par">Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was,
-dat ze geen van drie&euml;n Roomsch waren; want eer ze gingen eten,
-baden ze wel, doch maakten geen kruis.</p>
-<p class="par">Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde
-niemendal in de plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg
-gegeten hadden, kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch
-mede. Hij bracht ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder
-hunner eene heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond,
-wijzend, zei hij: &bdquo;<span lang="fr">Adieu, mes enfants! Dieu vous
-soit en aide!</span>&rdquo; (&bdquo;Vaarwel, mijne kinderen! God helpe
-u!&rdquo;)</p>
-<p class="par">Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens
-den braven man, kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman
-de persoon was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich
-daarop verwijderd had.</p>
-<p class="par">Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.</p>
-<p class="par">Het was eene der voorsteden van Parijs.</p>
-<p class="par">De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot
-eenen voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene
-Hollandsche familie wist te wonen.</p>
-<p class="par">De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje
-aan.</p>
-<p class="par">De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide
-winkeltje en vroeg daar of hier Hollanders woonden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel,&rdquo; zeide de man, die onder zijne
-luifel bij eenige tonnetjes Hollandschen haring stond, &bdquo;ik ben
-een Hollander. Waarom vraagt ge dat?&rdquo; Hij sprak natuurlijk
-Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil doen, komt daar met zijn
-Hollandsch niet terecht.</p>
-<p class="par">De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten,
-en nauwelijks had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al
-gebeurd was, of hij zei: &bdquo;Welkom in Parijs, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name=
-"pb116">116</a>]</span>jongens! Gij hebt me dan zoo even een aardig
-reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een
-millioen gulden rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk
-weer eens de Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en
-zouden van blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de
-vischboer niet gezegd had: &bdquo;Nu, moet die man niet bedankt worden,
-jongens? Hij heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo
-meenen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en
-nadat de vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol
-ten geschenke gegeven had, reed hij heen.</p>
-<p class="par">De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de
-jongens gaarne des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde
-ze zulke vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist
-het zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in
-eene achterbuurt, bij eenen slaapste&ecirc;houder, te krijgen.</p>
-<p class="par">&bdquo;En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat
-we hebben, eens schoenen en wat betere kleederen koopen,&rdquo; sprak
-Michiel, en legde het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en
-versleten matras.</p>
-<p class="par">Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.</p>
-<p class="par">Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt
-gemeene, Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar
-onder zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,&mdash;ze lagen
-misschien wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels
-matras, stak de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand
-weer terug, ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering
-aanbrak, en maakte zich van den schat der arme jongens meester.</p>
-<p class="par">Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden
-morgen wakker! <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name=
-"pb117">117</a>]</span></p>
-<p class="par">Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van
-de logeergasten meer te zien.</p>
-<p class="par">&bdquo;Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en
-gewasschen, en dan naar den vischboer, die zal ons wel zeggen waar
-ergens eene uitdragerij is!&rdquo;</p>
-<p class="par">Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het
-wasschen veel pret en waren eindelijk klaar.</p>
-<p class="par">&bdquo;En nu nog het beste van alles,&rdquo; riep
-Michiel, de matras oplichtend, maar op eenmaal viel hij er languit op
-neer en schreeuwde: &bdquo;Ons geld is gestolen! Ons geld is
-weg!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hebt gij het niet al in den zak gestoken?&rdquo;
-vroeg Geleyn, die niet minder schrikte.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen,&rdquo; zei Michiel.</p>
-<p class="par">Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg
-bedroefd was, te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet,
-en toen Jan zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: &bdquo;Leelijke
-sausneger, is ons dat laten schrikken! Komaan, geef op den
-doek!&rdquo;</p>
-<p class="par">Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret,
-maar van schrik en verdriet.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar
-overal in het zak. Wee, wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen
-niet heb! Wij maar verdrink moet alle drie!&rdquo;</p>
-<p class="par">Eindelijk kwam op het rumoer de slaapste&ecirc;houder
-toeschieten, doch daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer
-het slaapgeld al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur
-uit.</p>
-<p class="par">De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet
-thuis, en zijne vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde
-en magere landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de
-straat uit.</p>
-<p class="par">Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er
-was ruzie onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met
-overall haantje de voorste te spelen, <span class="pagenum">[<a id=
-"pb118" href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span>oorzaak was van het
-stelen van het geld, en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu
-Geleyn maar voor alles zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer
-slagen, stompen en scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen
-vonden, zoodat Geleyn eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met
-Michiel verwijten te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den
-tocht opnieuw aan Michiel overliet.</p>
-<p class="par">Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden
-ze zich doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun
-medelijden, en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen
-tocht van bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij
-gelegenheid door eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten
-overzetten.</p>
-<p class="par">Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de
-&bdquo;Lijnbaan&rdquo; in Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens
-zagen verwonderd op, dat er eindelijk toch nog drie waren, die konden
-vertellen hoe ellendig het met hun schip en met al de opvarenden
-afgeloopen was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is een tochtje van belang geweest, jongens!
-Ge zijt juist op den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten
-allen, dat de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; met man en muis vergaan was. Uwe
-familie is al in den rouw, en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best
-aan toe. Ik zou u althans aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik
-zal uwen Vader laten komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed
-en zooveel, hoor, alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest.
-En dit hebt ge nog op den koop toe!&rdquo;</p>
-<p class="par">Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene
-kleine vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan
-hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.</p>
-<p class="par">Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van
-de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; liep spoedig door heel de stad, en bereikte
-ook het kleine huisje van Adriaen.</p>
-<p class="par">Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zich
-<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name=
-"pb119">119</a>]</span>aan tafel, toen Alida binnenstormde en uitriep:
-&bdquo;Moeder, Moeder, onze Michiel is terug!&rdquo;</p>
-<p class="par">Alida Jans keek op.</p>
-<p class="par">Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen
-groot, en diep in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat
-kon men zien, dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!</p>
-<p class="par">&bdquo;Kind,&rdquo; riep ze, terwijl ze zich aan de
-tafel vasthield om niet achterover te vallen, &bdquo;kind, kind, het
-kan niet waar zijn! Zes maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed
-hooren stappen, duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker
-en dacht aan mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets
-meer van hem gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet
-meer. Strakjes boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis
-is, komt op aarde niet meer terug. Hij is dood.&rdquo;<a class=
-"noteref" id="xd21e3805src" href="#xd21e3805" name=
-"xd21e3805src">1</a></p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat
-Michiel, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar
-komt Dirk aanloopen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Moeder, Moeder, Michiel is terug!&rdquo; riep
-Dirk, toen hij nog niet eens in huis was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe
-zal ik U loven en danken? U danken, dat ik mijnen jongen <span class=
-"pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>nog
-zal kunnen zien, eer mijn aardsche huis afgebroken wordt!&rdquo;
-stamelde Moeder Alida.</p>
-<p class="par">Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw
-voorbereiden op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep
-ze: &bdquo;Sinjeur, Sinjeur, <i>is</i> het waar, <i>is</i> het waar,
-dat mijn jongen thuis is?&rdquo;</p>
-<p class="par">Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens
-niet dadelijk antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij
-meende, dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij:
-&bdquo;Ja, goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij
-staat....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best
-Moedertje!&rdquo; schreeuwde Michiel, en vloog door de geopende deur
-zijne arme Moeder om den hals.</p>
-<p class="par">Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag
-alleen, die groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke
-omhelzing en die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan:
-&bdquo;Goed, lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben
-ik! Hier!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat
-woonvertrek van die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo
-snel hij kon naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar
-viel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat scheelt er aan, Cornelis?&rdquo; vroeg zijn
-broeder Adriaen, die niet zoo gauw de kluts kwijt was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit
-meer! Het was hartverscheurend!&rdquo; antwoordde Cornelis en deed
-zijnen broeder verslag van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren
-Michiel.</p>
-<p class="par">Vier weken later was Michiel aanboord van de
-&bdquo;Vlissingen&rdquo;. Hij ging naar de Oost-Indi&euml;n, en liet
-daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die op een ander schip overging,
-achter.</p>
-<p class="par">Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.</p>
-<p class="par">Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de
-derde Stuurman weggeloopen was. <span class="pagenum">[<a id="pb121"
-href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span></p>
-<p class="par">Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!</p>
-<p class="par">Maar Moeder Alida&rsquo;s stoel stond ledig.</p>
-<p class="par">De tering had de arme vrouw weggerukt.</p>
-<p class="par">En des avonds vond men op een der graven, buiten de
-kerk, een jonkman geknield, bitter schreiende en fluisterende:
-&bdquo;Wel te rusten, lieve, goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot
-hier namaals!&rdquo;</p>
-<p class="par">Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een
-rozenpotje op het graf van hare oude vriendin brengen.</p>
-<p class="par">Zij gingen samen naar huis die twee en&mdash;werden
-later een paar. <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122"
-name="pb122">122</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e3805" href="#xd21e3805src" name="xd21e3805">1</a></span> In
-mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren zeer veel
-gewicht aan dat zoogenaamde &bdquo;uit bed stappen&rdquo; van eenen
-afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of zij,
-die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het
-vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die
-bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen
-van eenen spiegel. Een paardendokter, geen ge&euml;xamineerde, maar
-een, die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overge&euml;rfd had,
-heeft mij en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte
-vlaggen, noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit
-bed stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in
-den nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit,
-en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur
-stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen, des
-nachts den slaap uit de oogen te jagen.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e3805src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="div0 part">
-<h2 class="label">TWEEDE AFDEELING.</h2>
-<h2 class="main">Michiel Adriaensz. De Ruyter als man.</h2>
-<div id="ch2.1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e316">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Bij den man in huis.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren
-over en doen, alsof het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652
-geworden is.</p>
-<p class="par">Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te
-Vlissingen de geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die
-Gewest en Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.</p>
-<p class="par">Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat
-veranderd. Hier werd afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert
-dien tijd grooter en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen
-Middelburg, noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in
-rijkdom, maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West,
-en de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche
-reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden
-het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt men
-ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen
-gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het fort
-Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstad <span class=
-"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span>met
-de zee verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die
-haven, niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed
-worden, toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte
-heeft.</p>
-<p class="par">Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men
-vindt in geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die
-zoozeer het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens
-bevatten wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal
-gemeerd, zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang
-wegblijft en denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk
-zeemansliedje klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk
-breede en diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet
-zetten kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken,
-manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen
-nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders en
-klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne pennen
-te bijten.</p>
-<p class="par">Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men
-bouwt daar evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en
-overal, waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten,
-die door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met
-ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op te
-maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog met
-nadeel en schade voeren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Als schade maar niet met &eacute;&eacute;n
-lettertje meer ook schande wordt,&rdquo; mompelt er een, en nauwelijks
-heeft hij dat gezegd, of van alle kanten hoort men op den
-Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hij moet van zijn ambt ontzet worden!&rdquo;
-roept er een.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!&rdquo;
-schreeuwt een ander.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als
-hij geen <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name=
-"pb124">124</a>]</span>beleid en dapperheid genoeg heeft dien te
-voeren?&rdquo; laat een ander zich hooren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Onze eigen schuld,&rdquo; zegt een vierde,
-&bdquo;waarom benoemen de Staten van Zeeland niet eenen eigen
-Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de zee niet evenveel belang als
-de Hollanders?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche
-Watergeuzen is uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan
-luie baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets
-weten en geenen knip voor den neus waard zijn,&rdquo; klinkt de stem
-van eenen matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder
-het volk een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer
-bitters in zijne stem: &bdquo;Holland alleen is knap voor zes, zoo
-meent het althans, en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard
-als het maar kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders
-zijn koekbakkers en dukaten-tellers, die op &eacute;&eacute;nen duit
-dood blijven.&rdquo;</p>
-<p class="par">Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden,
-doch &eacute;&eacute;n uit den hoop vindt dat toch te kras en zegt:
-&bdquo;Hei, hei, dat is al te boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat
-wij, Zeeuwen, heel weinig in de melk te brokken hebben, maar welk
-gewest zit niet onder de Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche
-haan niet koning? Zoo was het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het
-blijven. Maar mannen, die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders
-dan koekbakkers en dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de
-tanden, dat zeg ik!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Een gedeserteerde Zeeuw!&rdquo; roept op dit
-oogenblik een der hoorders.</p>
-<p class="par">De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt:
-&bdquo;Neen, niet gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg
-de waarheid. De Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van
-overwicht en macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en
-hoogmoed gaan alle perken <span class="pagenum">[<a id="pb125" href=
-"#pb125" name="pb125">125</a>]</span>en palen te buiten, en inplaats
-van ons als kinderen van &eacute;&eacute;n huis, als zonen van
-hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons als met de
-Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden, door Holland
-beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige gewest ons
-wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands oneer, maar
-onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren en toonen, dat wij
-niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen moeten over hunne
-eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben, die alweer niet
-staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal.&rdquo;</p>
-<p class="par">Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze
-woorden stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een
-varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide:
-&bdquo;Geene twee groote masten op &eacute;&eacute;n schip of heel de
-boel gaat naar den kelder. E&eacute;n Hoofd moet er zijn, dat moet, of
-Engeland krijgt ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne
-kleingeestigheid laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche
-Admiraal het opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze
-meteen Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne
-plaats treden, dat is de heele zaak.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die
-wel oorlog weet te maken, doch die, als het er op aankomt niets anders
-weet dan zeeslagen te verliezen. Wij willen Tromp niet,&rdquo; riep een
-burger uit den hoop.</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over
-Tromp, want dat is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij
-toen wij in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met
-den dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze
-Republiek door de Ro&ocirc;rokken....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg Koningsmoorders&rdquo;, riep er een.</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de
-Koningsmoorders geene kleinigheid zou komen te lijden. En hoe
-<span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name=
-"pb126">126</a>]</span>tergend voor elken zeeman van de Republiek het
-ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen ontmoette, gereed
-om de vlag als een teeken van onderdanigheid te strijken, toen Blake
-den dans begon met ons eenen kogel toe te zenden. Neen, niet Tromp
-alleen was het, die deze vijandelijke kogels beantwoordde. Het bloed
-van groot en klein kookte bij het zien van die beleediging, en ik
-geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht werd om ons allen
-naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we nog jongens van
-Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman, die achter
-zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt en steeds winst
-begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst alle eergevoel
-moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me dat eene vloot,
-die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is op een koopje
-ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde wilde varkens.
-Een Stadhouder alleen....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen
-vensterruiten zeemen,&rdquo; klonk eene ruwe stem.</p>
-<p class="par">Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die,
-zooals dat altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte
-woorden en eene veel te geringe kennis van zaken, instaat van
-beschuldiging stelt. De verstandigen hadden heel wat werks om de orde
-te handhaven en een bloedig burgergevecht te voorkomen.</p>
-<p class="par">Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch:
-&bdquo;Wat is er gaande?&rdquo;</p>
-<p class="par">Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van
-onze geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons
-verhaal terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.</p>
-<p class="par">De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog
-met Engeland, dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan
-het hoofd dier republiek stond Cromwell, een man, die bij vele
-ondeugden, ook heel veel deugden bezat, <span class="pagenum">[<a id=
-"pb127" href="#pb127" name="pb127">127</a>]</span>iets dat Vorsten en
-gewone burgers, die boven duizenden uitsteken, meest allen met elkander
-gemeen hebben. Die Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten
-onzer Unie een zeer nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt.
-De Engelsche gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen
-brengen, keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop
-vaardigde Engeland de zoogenaamde &bdquo;Acte van navigatie&rdquo; of
-&bdquo;Scheepvaart-wet&rdquo; uit. Die Acte was voor de Nederlanders
-zeer nadeelig; want door die wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen
-in Engeland geene andere waren mochten brengen, dan die genoemd konden
-worden: voortbrengselen van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden
-de Nederlanders tot dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en
-West-Indi&euml; vrij en ongestoord in Engeland mogen brengen, en
-hiermede, dat spreekt vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten
-hielden nu op, en maakten dat Engeland won, wat wij verloren. Door
-dezen maatregel bevorderde Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen
-volk, en het nadeel, dat wij daardoor leden, heeft ons wel wat
-partijdig tegenover Cromwell gemaakt, en ons veel onwaars doen
-vertellen. Een nader onderzoek, vooral van den laatsten tijd, is
-oorzaak geweest, dat men dien man thans van veel voordeeliger zijde
-heeft leeren kennen.</p>
-<p class="par">Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige
-&bdquo;Scheepvaartwet&rdquo; niet stil bleven zitten, spreekt vanzelf,
-doch al onze pogingen leden schipbreuk. Een gezantschap, aan welks
-hoofd Jacob Cats stond, kon bij de Britsche regeering niets gedaan
-krijgen, en wij moesten ons de vernedering getroosten, Engelands
-heerschappij ter zee te erkennen, door heel beleefd de Engelsche vlag
-te groeten. Er kwam evenwel nog veel meer bij. Onze koopvaarders
-moesten zich onderwerpen, in volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en
-toen eenige Engelsche schepen van dat &bdquo;zichzelven aangematigd
-recht&rdquo; gebruik gemaakt, ja, eenige vaartuigen genomen hadden,
-<span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name=
-"pb128">128</a>]</span>werd Marten Harpertsz. Tromp met eene
-oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg evenwel een
-streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk te voorkomen.
-<span class="corr" id="xd21e3931" title="Bron: Zij">Zijn</span> last
-luidde als die, welken de Staten-Generaal aan alle Bevelhebbers
-medegaven:</p>
-<p class="par">&bdquo;<i lang="nl">Bejegenende eenige oorlochschepen
-van eenige Coningen, Princen, Potentaten ofte Republycken, met dezen
-Staet in alliantie ofte neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen
-alle courtoisie ende vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te
-gedogen, dat tot cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen
-strecken.</i>&rdquo;</p>
-<p class="par">Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen
-dat de Staat &bdquo;<i>geene kleinigheid</i>&rdquo; zou komen te
-lijden.</p>
-<p class="par">Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze
-koopvaardij-schepen tegen de grievende en willekeurige handelingen der
-Engelschen te beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat
-hij zich gehaast heeft om door het strijken der vlag &bdquo;<i lang=
-"nl">alle courtoisie</i>&rdquo; te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch
-konden wij de Engelschen beschouwen als vrienden of bondgenooten waar
-ze ons tergend en minachtend behandelden? Het gemoed van elken
-eerlijken zeeman, hij mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in
-verzet. Toch begon Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en
-liet op de beide marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de
-zoogenaamde Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van
-dat alles werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen
-begroet en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp
-stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen,
-waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu
-meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke
-vuur niet beantwoordde en&mdash;de Eerste Engelsche oorlog, die ons op
-zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp ze&icirc;,
-dat het de schuld van Blake, en Blake ze&icirc;, dat het de schuld van
-<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name=
-"pb129">129</a>]</span>Tromp was, en alle onderhandelingen, die er
-gevoerd werden om den oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden
-telkens geslagen, en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan
-de onze was, het volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz.
-Tromp, de dappere Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld,
-en voor eenigen tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.</p>
-<p class="par">Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652
-te Vlissingen bevinden.</p>
-<p class="par">Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken
-der ontevredenen te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort,
-en komen zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele
-rustende schippers wonen.</p>
-<p class="par">Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten
-het.</p>
-<p class="par">Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en
-zwervens, voor goed den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin
-zulk een Schipper in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.</p>
-<p class="par">Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en
-het is terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer
-goed doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne
-schaapjes op het droge heeft.</p>
-<p class="par">De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet
-Michiel Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met
-Anna Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze
-mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand nog
-ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De Ruyter
-binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede vrouw
-was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog
-aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had,
-toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had De
-Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu
-vijftien,&mdash;Cornelia, die dertien,&mdash;Alida, die tien en Engel,
-die drie jaren oud was. <span class="pagenum">[<a id="pb130" href=
-"#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p>
-<p class="par">Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met
-onzen Michiel in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook
-als Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven
-was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje bij
-elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en ruim van
-te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook eenmaal
-haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had ze hem weten
-te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel, hoe vreemd het ons
-ook moge klinken, wel ooren had.</p>
-<p class="par">Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia
-was Anna, die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste
-Moeder, die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en
-die daarin dan ook wonderwel slaagde.</p>
-<p class="par">Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?</p>
-<p class="par">Wel, boven op de kinderkamer.</p>
-<p class="par">Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel,
-een allerliefst knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op
-de tafel in slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.</p>
-<p class="par">Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?</p>
-<p class="par">Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de
-studeerkamer niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De
-Ruyter?</p>
-<p class="par">Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op
-nahouden? Dat gelijkt nergens naar!</p>
-<p class="par">Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd
-heeft, vraagt ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de
-negentiende eeuw, waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met
-eenen stapel boeken, en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan
-zonder een examen gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en
-leeren, wel, dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeft
-<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name=
-"pb131">131</a>]</span>Schipper De Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan
-ook niet zijne studeer-, maar zijne rariteiten-kamer.</p>
-<p class="par">Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene
-groote verzameling papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander
-vertelt aan Cornelia en Alida.</p>
-<p class="par">Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen,
-dat er boven staat: &bdquo;<i lang="nl">Journael ofte Daghboeck van
-Michiel Adriaensz. De Ruyter, voerende de &bdquo;Zeehond&rdquo; ende
-kruysende teghens die Duinkercker caepers in den jare onzes Heeren J.
-C. 1637.</i></p>
-<p class="par">Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes
-vertelt, nemen we de kamer even op.</p>
-<p class="par">Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al
-wat hij als Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond,
-en dat mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier
-een plaatsje.</p>
-<p class="par">Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.</p>
-<p class="par">We vinden maar een stuk of wat boeken.</p>
-<p class="par">Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat,
-en daarnaast ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Domin&eacute;
-mede kreeg, toen hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk
-gelezen, en als Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij
-dat boek uit zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal
-verwonderen.</p>
-<p class="par">Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats,
-die, hoewel hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat
-op zijne buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen,
-gedichten te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel
-gelezen worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen,
-klewangs, kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske,
-getiteld: &bdquo;<i lang="nl">Comoedia Vetus of
-Bootsmanspraetje.</i>&rdquo; Als ik het w&egrave;l heb, zult ge
-Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt,
-want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten
-tijde der twisten <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132"
-name="pb132">132</a>]</span>tusschen Remonstranten en
-Contra-Remonstranten, is het met geene van de twee partijen eens en
-geeft, al naarmate ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere
-partij harde waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De
-Ruyter, die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij
-houdt niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij
-der Contra-Remonstranten.</p>
-<p class="par">Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste,
-benevens de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren
-wat Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en
-gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.</p>
-<p class="par">&bdquo;Toen ik verledene week hier naar een oud
-zeemansmes zocht, lichtte ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of
-er geen achter lag. Ik vond er geen en het pak papier weer opnemende
-zag ik, dat er op het bovenste blad stond: &bdquo;<span lang=
-"nl">Journael</span>.&rdquo; Ik maakte het open, en begon te lezen.
-Raadt eens wat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes
-op,&rdquo; zeide Cornelia. &bdquo;Zeg het ons maar dadelijk.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, ge kunt toch wel eens &eacute;&eacute;nen
-keer raden?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal
-moeten raden en dan zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons
-immers nu maar!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, als ge dan niet &eacute;&eacute;nen keer
-raden wilt, dan zal ik het u wel zeggen. Het waren aanteekeningen van
-Vaders zeereizen, als Schipper, Kapitein en
-Schout-bij-nacht!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij
-ons nooit heeft willen vertellen?&rdquo; vroeg Cornelia.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen
-hoeveel Vader zoo al ondervonden heeft. Wil ik het eens
-vertellen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat
-dan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote
-zeehoofd en hoewel daar tegenwoordig weinig te zien is, zoo
-<span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name=
-"pb133">133</a>]</span>is Vader daar nog altijd te vinden. Ik geloof,
-dat als Moeder hem niet aan den wal hield, hij weer al lang het zeegat
-uit zou zijn. Vader zal dus niet komen en Moeder heeft met Aaltje en de
-werkster de groote wasch, die zoo pas thuis gekomen is, te beredderen,
-die zal dus ook niet komen. Het is eene goede gelegenheid.&rdquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e325">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Het voorspel van een helden-leven.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te
-doen, dat zijn Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de
-gelegenheid te schoon om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al
-vijfenveertig jaar oud geworden is, te weten te komen van al wat er met
-hem sinds den dood zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper
-zelf vertelt dat aan niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat
-Adriaen <span class="corr" id="xd21e4043" title="Bron: zooal">zoo
-al</span> vertelt.</p>
-<p class="par">&bdquo;Op zijn vierentwintigste jaar,&rdquo; zoo begint
-Adriaen te vertellen, &bdquo;was Vader al Stuurman op &bdquo;de Groene
-Leeuw&rdquo;, die op Groenland voer, doch hoewel Vader nu niet zoo heel
-erg bang uitgevallen is, zoo vond hij de vaart tusschen het ijs toch
-niet naar zijnen zin en ging hij voor de Heeren Lampsens weer op Oost
-en West varen, dat wil zeggen: hij bleef uit het Noorden. Eens dat
-Vader nu met zijn schip van Ierland kwam, zag hij uit de verte eenen
-Duinkerker kaper op hem afkomen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Schipper,&rdquo; zei de Stuurman, &bdquo;dat is,
-als ik het wel heb, om ons te doen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is het ook, mijn jongen!&rdquo; antwoordde
-Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;Willen we probeeren hem te ontzeilen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te
-worden, <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name=
-"pb134">134</a>]</span>die Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het
-voordeel van den wind en zijn op snel zeilen gebouwd.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, Schipper, wat zal er dan van onze
-kostelijke lading boter worden?&rdquo;</p>
-<p class="par">Vader bedacht zich een oogenblik en zei: &bdquo;Ik weet
-wat, jongen! We zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die
-lu&icirc; ons dan enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen,
-en kunnen wij hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te
-heeten!&rdquo;</p>
-<p class="par">Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de
-verschansing en het want, alles werd met boter besmeerd.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke
-boter,&rdquo; zeide Alida, bij wie het zuinige huismoedertje boven
-kwam.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, zonde, zonde,&rdquo; hernam Adriaen,
-&bdquo;maar het was toch beter drie of vier vaatjes te vermorsen dan
-een paar honderd vaatjes kwijt te wezen, omdat een kaper er mee aan den
-haal ging? Bovendien namen ze de slechtste boter van de lading. Maar nu
-zonde, of geene zonde, Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed
-geene moeite om den kaper, die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het
-werd zoo glad op het dek, dat de matrozen er niet op staan konden, en
-daarom trokken ze hunne schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra
-de kaper nu zoo dichtbij gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik
-enteren kon, zei Vader tot het volk: &bdquo;Jongens, neemt nu
-handspaken, sabels, stukken ketting, bouten, zwabbers, luiwagens, en al
-wat ge maar vinden kunt, om er harde klappen of porren mee te kunnen
-geven. Gaat achter de verschansing staan, dat hij niet zien kan, wat ge
-in de handen hebt. Springt er nu &eacute;&eacute;n over, dan zal die
-zeker vallen, en dien geeft ge dan z&oacute;&oacute; zijne bekomst, dat
-hij zelfs geen, &bdquo;dankje wel, maat,&rdquo; kan zeggen.
-Begrepen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Schipper, opperbest,&rdquo; zeiden de
-matrozen en kwamen ieder met eenig wapen aandragen.</p>
-<p class="par">De matrozen hadden de grootste pret van de wereld en
-<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name=
-"pb135">135</a>]</span>stonden geduldig te wachten tot er een kaper
-overspringen zou.</p>
-<p class="par">Het schip draaide bij.</p>
-<p class="par">&bdquo;Springt over!&rdquo; kommandeerde de
-Kaper-kapitein.</p>
-<p class="par">Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver
-van elkander lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo
-kwam hij met zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht
-en plofte in zee.</p>
-<p class="par">Wip, daar ging nummer twee!</p>
-<p class="par">Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist
-toen hij voelde, dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders
-achterover zou slaan, gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad
-bij de bruinvisschen gezelschap houden.</p>
-<p class="par">Wip, daar ging nummer drie!</p>
-<p class="par">Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over
-Vaders schip aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad
-was had hij niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom
-Kool met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf
-de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den
-knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en bleef
-liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel en een
-vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen er twaalf
-man over en niet &eacute;&eacute;n nog was terecht gekomen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal ik eens beter doen,&rdquo; riep
-&eacute;&eacute;n van de kapers, die voor zooveel als Onder-kapitein
-speelde, en, wip, daar was hij midden op het dek. Plof, daar lag hij
-en, pats, daar kreeg hij een hartversterkingetje met eene handspaak en
-toen was hij heelemaal vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne
-beenen doen moest, zoodat hij niemendal anders wist uit te voeren dan
-stilletjes te blijven liggen waar hij lag.</p>
-<p class="par">Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen
-zag verdwijnen en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat
-Vaders schip betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.
-<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name=
-"pb136">136</a>]</span></p>
-<p class="par">Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te
-kijken, toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de
-menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was,
-kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd door
-iedereen toegejuicht en geprezen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat wil ik wel gelooven,&rdquo; zei Cornelia,
-&bdquo;want het was meer geluk dan wijsheid, dat er nog
-&eacute;&eacute;n vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene belooning
-ervoor gehad hebben?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat denk ik wel,&rdquo; antwoordde Adriaen.
-&bdquo;Maar laat ik verder vertellen. In dien tijd, het was in 1640,
-hadden de Portugeezen, die door Alva voor Koning Filips bij Spanje
-waren gebracht, zich van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao
-IV van Bragan&ccedil;a, gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee
-niemendal gediend, en deden al wat zij konden om de Portugeezen weer te
-onderwerpen. Maar de nieuwe Koning was slim.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jongens,&rdquo; dacht hij, &bdquo;die
-Nederlanders zijn altijd nog in oorlog met Spanje, en daar die luiden
-er toch zooveel schepen op nahouden, konden ze me wel eens even een
-handje helpen. Het is in alle gevallen te vragen. Zeggen ze, neen, ik
-doe het niet, best, dan zijn we nog even na. Hij vroeg ons om hulp, en
-Prins Frederik Hendrik en de Heeren Staten waren hiertoe dadelijk
-bereid. Er zou eene vloot <span class="corr" id="xd21e4103" title=
-"Bron: van van">van</span> twintig schepen gezonden worden onder den
-Admiraal Aertus Gijsels en den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was
-het sedert 1614 gewoonte geworden om bij eene vloot, die ten oorlog
-voer, eenen Kommandeur aan te stellen, die in de achterhoede bleef en
-te zorgen had, dat geene schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit
-afdwalen meestal bij nacht geschiedde, zoo begon men zulk eenen
-Kommandeur langzamerhand ook wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu
-Zijne Hoogheid Frederik Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten
-Schout-bij-nacht zocht, viel zijn oog op Vader, die deze benoeming
-gaarne aannam. Aldus voer Vader als Hoofdofficier <span class=
-"pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span>van
-de vloot uit<a class="noteref" id="xd21e4108src" href="#xd21e4108"
-name="xd21e4108src">1</a>. Zijn schip heette &bdquo;de Haze&rdquo;. In
-het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij kaap
-Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot veel
-zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren, die
-lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo
-gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het
-werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden
-amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in zijnen
-schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan ieder
-van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer genoeg
-maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en helden,
-zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar evenveel kreeg
-als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden, of een zeegevecht
-ook een mooi gezicht was.</p>
-<p class="par">In December kwam Vader met roem en eere beladen te
-Vlissingen aan, en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te
-varen.</p>
-<p class="par">Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een
-groot Spaansch oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat
-het jacht op hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene
-rijke lading inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven.
-Gelukkig was zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand,
-die veel grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de
-Spanjaard zag, dat Vader zich maar niet zonder slag of <span class=
-"pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name=
-"pb138">138</a>]</span>stoot overgaf, begon hij te schieten; maar daar
-zijne kanonnen veel hooger stonden dan de verschansing van Vaders
-schip, zoo deden de kogels hem volstrekt geen kwaad. Maar kon de vijand
-misschieten, Vader schoot raak, en wel z&oacute;&oacute; goed, dat het
-groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde Vader met de booten
-zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die aan zijn eigen
-boord.</p>
-<p class="par">Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche
-Kapitein.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg eens, vriendje,&rdquo; vroeg Vader aan dien
-Kapitein, &bdquo;als wij het nu eens verloren hadden en ons schip was
-gezonken, wat zoudt gij dan gedaan hebben?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand
-tot redding uit te steken!&rdquo; antwoordde de Spanjaard.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, dat was een brutale kerel,&rdquo; zeide
-Cornelia.</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens
-verdrinken, nietwaar, Adriaen?&rdquo; vroeg Alida.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich
-zeer boos aan en gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw
-overboord te smijten.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vergeving! Vergeving!&rdquo; riepen ze nu en
-vielen, met den Kapitein voorop, aan Vaders knie&euml;n.
-&bdquo;Vergeving, <span class="corr" id="xd21e4147" title=
-"Bron: Senor">Se&ntilde;or</span>!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Welnu,&rdquo; sprak Vader, &bdquo;ik zal geen
-kwaad met kwaad vergelden! Zoodra we land zien, zullen wij u allen
-aanwal brengen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die
-gedacht hadden een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar
-altijd toch nog beter dan ze verdiend hadden.</p>
-<p class="par">Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het
-Moorenland ligt, en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche
-schelmen en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als
-eene kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk
-lijdt, dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik
-heb-je. <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name=
-"pb139">139</a>]</span>De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge
-zoo aan uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje
-van, door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te
-verkoopen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;H&eacute;&rdquo;, riep Alida, &bdquo;en ging
-Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij dat doen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel,&rdquo; vervolgde Adriaen, &bdquo;ge weet
-niet, meid, wat Vader niet al durft. Hij durft alles, maar is er toch
-voorzichtig bij ook. Hij kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed
-bewapend en bemand was, in het gezicht van Salee.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jongens,&rdquo; dachten vijf Algerijnsche kapers,
-die daar op den loer lagen om schepen te vangen, &bdquo;jongens, als we
-dien Hollandschen dikzak eens te pakken konden krijgen, dat zou een
-aardig voordeeltje geven! Vooruit, mannen, dat schip is gemakkelijk
-genomen!&rdquo;</p>
-<p class="par">En daar kwamen ze op Vader af.</p>
-<p class="par">&bdquo;Met vijf op &eacute;&eacute;n jacht maken,
-vriendjes, is wat al te erg!&rdquo; dacht Vader en ging hierop naar den
-Stuurman.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeg eens, Stuur,&rdquo; ze&icirc; Vader,
-&bdquo;dat zijn daar vijf Algerijnsche roofschepen, ziet gij het
-wel?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Schipper,&rdquo; was het antwoord.
-&bdquo;Maar ik zie ook dat het vijf geroofde schepen zijn. Er is een
-logge Spanjaard bij, een groote Napolitaan, een scherp gebouwde
-Franschman en twee zijn er, die ik niet thuis weet te
-brengen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat heb ik ook gezien,&rdquo; zei Vader,
-&bdquo;en weet ge wat we nu doen zullen? We kunnen er best twee, ja,
-zelfs wel drie staan; maar vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof
-we aan den haal gaan, en dan vannacht in het donker terugkomen. We
-maken ons dan eens ferm slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen
-wij hen onverwachts een voor een aan, want er is dan geene sprake van
-dat ze nog dicht bij meka&ecirc;r zullen liggen. Ik wed dat wij dan die
-gemeene roovers een lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen
-onthouden. Vooruit, doen alsof we vluchten!&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span></p>
-<p class="par">Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog
-die Algerijnen den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven
-hadden, gaf Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die
-ging hard aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en
-gaf hem de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk
-opnieuw geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg
-hij nog twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en
-wimpel de haven van Salee binnen.</p>
-<p class="par">De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en
-naar de haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een
-gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader er
-op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard
-gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier,
-in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die
-eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om
-zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd
-van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo al
-te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het
-Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.</p>
-<p class="par">Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van
-den man veel te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Meneer,&rdquo; zei Vader en schudde het
-hoofd, &bdquo;u krijgt het geenen duit minder!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en
-voor dat geld moet ge het mij geven!&rdquo; sprak de man op hoogen
-toon.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik mag het niet minder geven, Meneer!&rdquo;
-antwoordde Vader. &bdquo;De reeders van het schip hebben er den prijs
-van bepaald, en nu mag ik niet onder de markt verkoopen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik
-u bied, afstaan,&rdquo; sprak de Moor. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;En ik geef het er u niet voor, Meneer,&rdquo; zei
-Vader heel kalm. &bdquo;Ik geef het u liever ten geschenke.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Koppige christenhond,&rdquo; riep nu de Moor,
-&bdquo;weet gij dan niet, dat ik uw heele schip met lading en al nemen,
-en het volk als slaven verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat
-laken voor den prijs, dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom
-ik terug en dan zult gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu
-bedreigd heb!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren
-bij Vader aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen
-prijs af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden
-zij hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik geef niet toe,&rdquo; sprak Vader, &bdquo;en
-straft de Sheyk me, welnu, dan zal meteen de heele wereld weten dat een
-vredelievend handelaar hier met zijn volk door eenen dwingeland als
-slaaf verkocht wordt. Zeg dat uwen Meester!&rdquo;</p>
-<p class="par">Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging
-van den wreeden Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar
-voor den bedongen prijs te geven.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen,&rdquo; antwoordde Vader, &bdquo;hij moet
-weten dat hij met eenen man te doen heeft.&rdquo;</p>
-<p class="par">Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na
-op barschen toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het
-geboden geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: &bdquo;Neen, Meneer!
-Gij krijgt het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u
-gevraagd heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de
-markt verkoopen, dat doe ik niet!&rdquo;</p>
-<p class="par">Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de
-Mooren van angst te beven. Wat zou er gebeuren?</p>
-<p class="par">De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem
-de hand op den schouder en zei: &bdquo;Hollander, gij hebt moed, en ge
-zijt eerlijk, ja, gij blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er
-verre van verwijderd zijt. Geef hier het <span class="pagenum">[<a id=
-"pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span>laken! Ik betaal
-gaarne, wat gij gevraagd hebt, en wil met geen ander Christen dan met u
-handel drijven.&rdquo; Hij drukte Vader de hand en zich hierop tot zijn
-gevolg keerende, sprak hij: &bdquo;En gij allen, neemt een voorbeeld
-aan dezen christenhond en weest op uwe beurt mij ook zoo
-trouw!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het gevolg hiervan was, dat er niet &eacute;&eacute;n
-Schipper zoo voordeelig op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem
-zelfs ongehinderd het binnenland intrekken om daar handel te drijven en
-christen-slaven vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de
-Marokkaansche kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het
-laatste stuk bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip
-om dat op te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.</p>
-<p class="par">Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op
-Salee gedaan had, viel hij onderweg in handen van eenen Franschen
-kaper, De Lalande geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu,
-oorlog met Frankrijk hadden, trachtte Vader, door te praten als
-<span class="corr" id="xd21e4216" title="Bron: Brugmam">Brugman</span>,
-den Kaper-kapitein te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De
-Lalande echter was doof aan dat oor en hij wilde van geene teruggave
-weten. Hij behandelde Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas
-wijn aan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik dank u,&rdquo; zei Vader beleefd.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat!?&rdquo; riep De Lalande, &bdquo;drinkt ge
-geenen wijn? Gij kunt er verzekerd van zijn, dat hij oud en goed
-is.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet
-toe,&rdquo; sprak Vader. &bdquo;Geef mij wat ge eenen gevangene geeft,
-geef mij water! Slechts vrijen menschen schenkt men wijn!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij
-Vader en ze&icirc;: &bdquo;Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt
-vrij!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart,
-Monsieur De Lalande,&rdquo; sprak Vader. &bdquo;Mocht ik eenmaal in de
-gelegenheid zijn u eenen dienst te kunnen bewijzen, dan zult gij zien
-dat een Nederlander erkentelijk kan zijn.&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span></p>
-<p class="par">Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook
-bijna geweest van den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene
-groote, terugkeerende koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den
-avond in de nabijheid van het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht
-dat de Duinkerker kapers in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht
-niet weinig schrik en ontsteltenis onder de schepelingen der
-koopvaardijvloot. Zij wisten het maar al te zeer, dat er met die
-Duinkerkers niet te gekken viel. Maar wat nu te doen? Verreweg de
-meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij te zetten en alle lichten uit
-te dooven, om zoo in de duisternis van den nacht te ontsnappen. Maar de
-Duinkerkers schenen kattenoogen te hebben en velen liepen in de fuik.
-Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan had om de kapers mis te loopen?
-Inplaats van alle zeilen bij te zetten, voer hij onder klein zeil
-bedaard door, en instede van alle lichten te dooven, zette hij
-vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals doen. Nu dachten de
-kapers: &bdquo;afblijven van &bdquo;den dien&rdquo; dat is er een met
-tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een
-oorlogsschip!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou
-niet zoo ongehinderd schip en lading in de Wielingen gekregen hebben,
-dat is zeker.&rdquo;</p>
-<p class="par">Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar
-Adriaen en zijne zusjes waren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hij komt ook luisteren,&rdquo; zei Cornelia.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?&rdquo; vroeg
-Alida. &bdquo;Zijt ge wakker, ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en
-vertelt, hoor!&rdquo;</p>
-<p class="par">Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan,
-dat kleine potjes ook ooren hebben.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vader is er dan toch wel altijd gelukkig
-afgekomen,&rdquo; zeide nu Cornelia.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder
-bewaard gebleven. Hij kwam goed geladen uit de West-Indi&euml;n terug
-en ontmoette onderweg een Engelsch oorlogsschip. We waren <span class=
-"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span>toen
-wel al jaloersch op meka&ecirc;r, maar we heetten toch nog altijd goede
-vrienden te zijn, en als wij op zee den Engelschman het eerst groetten,
-dan was dat alleen eene beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche
-schip met eenige losse kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze
-dat noemen. Maar wat gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of
-een kanon sprong. E&eacute;n man werd dadelijk gedood, een ander werden
-de beenen afgeslagen en nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En
-Vader, die er dichter bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef
-ongedeerd. Was dat niet wondervol behouden?</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e4251" title=
-"Niet in bron">&bdquo;</span>Van storm, onweder, orkanen en tempeesten
-weet Vader ook mee te praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de
-zes- of achtentwintig en nog eens van de zeventien schepen waarmede men
-uitgezeild was, moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk
-heeft hij in eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer
-varen gaat,&rdquo; zeide Alida. &bdquo;Het is om voor heel zijn leven
-bang voor de zee te worden.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja,&rdquo; sprak Cornelia, &bdquo;en wie weet wat
-hij nog meer beleefd en gedaan heeft! Ge hebt zeker nog veel meer
-gelezen, Adriaen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk
-eens, van dien heelen stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar
-gelezen. Ik zal dat nu morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan
-weer veel gelezen heb, zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen
-gaan; want gij weet wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne
-papieren snuffelen, en hij kan z&oacute;&oacute; thuiskomen!&rdquo;</p>
-<p class="par"><a id="xd21e4261" name="xd21e4261"></a>De
-&bdquo;Journalen&rdquo; werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en
-nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de gang
-in.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vader, Vader,&rdquo; riep de kleine Engel
-onderwijl hij zijn Vader tegemoet liep. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span></p>
-<p class="par"><a id="xd21e4267" name="xd21e4267"></a>De Ruyter dacht
-zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op, gaf hem eenen
-zoen en zei: &bdquo;Dag, groote kerel!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dag, Vader,&rdquo; sprak Engel en toen hij hem
-ook eenen zoen teruggegeven had, zei hij: &bdquo;Vader, Adriaen mooi
-gelezen. Mooi uit zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van
-vechten. Maar eerst lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel,
-h&egrave;, Vader?&rdquo;</p>
-<p class="par">Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook
-ooren had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Adriaen,&rdquo; riep De Ruyter.</p>
-<p class="par">Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel
-heel onschuldig en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader
-en zeide: &bdquo;Wat belieft u, Vader?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal ik u straks zeggen,&rdquo; antwoordde De
-Ruyter. &bdquo;Vertel eerst maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op
-het hoofd was en uwe Moeder aan de wasch?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen
-gelezen, Vader, en het merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida
-oververteld! O, Vader, wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en
-moedig geweest!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Komt eens hier, Cornelia en Alida,&rdquo; sprak
-De Ruyter. &bdquo;Wat ik te zeggen heb, is noodig gehoord te worden
-door alle drie!&rdquo;</p>
-<p class="par">Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.</p>
-<p class="par">&bdquo;Luistert, kinderen,&rdquo; sprak De Ruyter.
-&bdquo;Adriaen vroeg me daar zoo even, wat ik beliefde. Mijn antwoord
-is, dat ik belief, dat niemand uwer zonder oorlof van mij of van uwe
-Moeder in mijne kamer komt om daar in mijne papieren te snuffelen. Gij,
-Adriaen, Cornelia en Alida weet nu misschien al heel wat van uwen
-Vader, gij weet misschien dat hij dapper en moedig gevochten, en
-zichzelven meermalen door list uit een gevaar gered heeft. Welnu, ik
-kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch, let wel, ik versta
-niet, dat gij er ooit ofte immer met iemand <span class=
-"pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span>over
-spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof en
-eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik hope
-is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te
-loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland
-en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord,
-kinderen?&rdquo;</p>
-<p class="par">Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende,
-dat alle menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij
-zich een uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne
-&bdquo;Scheeps-journalen&rdquo; te vernietigen.<a class="noteref" id=
-"xd21e4296src" href="#xd21e4296" name="xd21e4296src">2</a></p>
-<p class="par">Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de
-meid, hem storen met te zeggen: &bdquo;Meneer, er zijn in de
-spreekkamer Heeren om u te spreken!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?&rdquo;
-vroeg De Ruyter eenigszins verstoord opziende.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren
-Afgevaardigden waren van de Staten van Zeeland!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Van de Staten van Zeeland?&rdquo; zeide De
-Ruyter. &bdquo;Ik kom!&rdquo;</p>
-<p class="par">Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren
-daar binnenkomen. <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147"
-name="pb147">147</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4108" href="#xd21e4108src" name="xd21e4108">1</a></span> Bij deze
-gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe Schout-bij-nacht beter
-met het zwaard in de vuist wist te zeggen, hoe hij het meende dan met
-de pen in de hand. Hij schreef bij die gelegenheid toch eenen brief aan
-de Admiraliteit van Zeeland waarin o. a. voorkwam: &bdquo;<i lang=
-"nl">Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn harte gedraghen, in
-de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt syn gesonden, zal segenen
-tot heere van ons lieve Vaderlandt.</i>&rdquo; Gij ziet dat onze goede
-man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al zeer slecht terecht
-kon, zoodat hij inplaats van <i lang="nl">eerlijck</i> eenvoudig
-<i lang="nl">heerlijck</i> en inplaats van <i>eere</i> ook <i>heere</i>
-schreef.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e4108src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4296" href="#xd21e4296src" name="xd21e4296">2</a></span> Het is
-niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen vernietigd
-heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne
-levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren
-v&oacute;&oacute;r 1652: &bdquo;Gedurende de gemelde tochten, in negen
-jaren tijds gedaan, had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan
-men den juisten tijd niet kan melden; dewijl hij, namaals
-Luitenant-Admiraal geworden, als zeker uitheemsch Heer, door den roem
-zijner daden bewogen, eenig schriftelijk bericht van zijn leven
-begeerde, om tot het schrijven eener Historie te dienen, dat verzoek
-door eene wonderbare zedigheid niet alleen afsloeg, maar meteen, om het
-beschrijven van zijn leven te verhinderen, verscheidene van zijne dag-
-en gedenkschriften verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken
-verduisterd, die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen,
-die het weleer uit zijnen mond hadden, of zelf <span class="corr" id=
-"xd21e4298" title="Bron: ooggegetuigen">ooggetuigen</span>
-waren.&rdquo;&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e4296src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e334">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">In dienst van het land.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">&bdquo;Goeden middag, Heeren!&rdquo; sprak De
-Ruyter terwijl hij beleefd hen te gemoet trad.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde,
-Meneer De Ruyter!&rdquo; was het antwoord, en nadat ze eenen stoel
-genomen hadden begon een der Heeren Afgevaardigden aldus:</p>
-<p class="par">&bdquo;Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd
-op zee, Meneer De Ruyter?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe dat zoo?&rdquo; vroeg De Ruyter?<a id=
-"xd21e4327" name="xd21e4327"></a></p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen
-hebt, welke op zee uitziet!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van
-de zee, Heeren, ik ben er daarom geen vijand van!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons
-geenen moed geven, u het voorstel te doen, waarmede we vanwege de
-Edelmogende Heeren Staten van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten
-Generaal tot u komen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij
-te doen hebben, Heeren?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de
-Regeering ontevreden is over den Luitenant-Admiraal Tromp!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Men hoort althans ontevreden woorden genoeg,
-Heeren!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En niet ten onrechte, Meneer De
-Ruyter!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat weet ik niet, Heeren!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel!
-Engeland is ons de baas en dat is zijne schuld!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en
-besluiten der Regeering aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden
-de Heeren mij nu voor te stellen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel
-van een eskader op u te nemen!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
-"pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd
-hebben, Heeren! Ik heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die
-de Heere mij toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor
-vrouw en kinderen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel
-jaren zwervens en zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De
-Ruyter; maar zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het
-bedreigde Vaderland is.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed,
-dat het ons in dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet
-moeten beginnen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand
-moeten gebruiken en....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien
-van den heldhaftigen Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem
-van zijn land is.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hierover oordeelen wij anders, Meneer De
-Ruyter!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te
-beoordeelen moet men als hij, zooveel zout water gezien en het fluiten
-van zooveel kogels gehoord hebben. Ik vereer Tromp hoog.&rdquo;</p>
-<p class="par">De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den
-strijd over Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met
-eenen man, die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom
-kortaf: &bdquo;Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom
-komen wij u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen
-wilt.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer
-tegenspreken, Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te
-blijven, en dank dus beleefdelijk voor de vereerende
-opdracht!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is
-slechts, als ge dat begeert, voor &eacute;&eacute;nen tocht! En zie
-eens aan, daar voor uw venster liggen de koopvaarders afgetuigd, omdat
-ze niet in zee durven steken. Dagen aan dagen worden de deuren der
-ledige pakhuizen te vergeefs geopend <span class="pagenum">[<a id=
-"pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span>om de schatten der
-terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men zeilt niet uit
-en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den
-dapperen en beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp,
-Heeren! D&aacute;&aacute;r heen moet het; een andere weg is er niet,
-tenzij men nog hoop genoeg heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God
-ons helpen zal.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten
-eindigen, wat hij ontijdig begon, en wij zijn eveneens van de meening,
-dat de Luitenant-Admiraal niet lang van zijne gedwongen rust genoegen
-zal hebben! Maar in dien tusschentijd moet er toch &eacute;&eacute;n
-zijn, die althans voor Zeeland zijne plaats vervangt.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij
-hebt eenen man, die telt voor eene heele vloot!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al
-ware dat zoo niet, wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk
-vloekt al genoeg, en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren,
-zoodat we eenen vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen
-missen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is,
-eilaci, waar! Doch waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de
-dapperen, en dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het
-Vaderland woont, die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn
-beleid betreft, ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt.
-Geeft Tromp of geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert
-en vergroot hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft
-iederen lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de
-vlucht slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de
-Engelschen minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen
-veel, heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer
-aan het bestuur over de vloot; er is geene &eacute;&eacute;nheid en
-<span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name=
-"pb150">150</a>]</span>zonder hulp der Regeering kan de Admiraal die
-niet aanbrengen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw
-mogelijk uwe wenschen te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel
-aan?&rdquo;</p>
-<p class="par">De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne
-vrouw vragender-wijze van terzijde aan.</p>
-<p class="par">Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom:
-&bdquo;Help ons, Mevrouw, uwen man te overreden den Vaderlande zijne
-diensten te bewijzen. Hij behoeft zich slechts voor &eacute;&eacute;nen
-tocht te verbinden!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te
-nemen! Lang talmen zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk
-laten weten!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van
-beraad, Meneer De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet
-nalaten, de hoop uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde
-Vaderland die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de
-noodige krachten toegerust heeft.&rdquo;</p>
-<p class="par">De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en
-vertrokken alweer naar Middelburg.</p>
-<p class="par">En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?</p>
-<p class="par">Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land
-als Vice-Kommandeur.</p>
-<p class="par">De <span class="corr" id="xd21e4407" title=
-"Bron: Edel Mogenden">Edelmogenden</span> van Zeeland hadden eene keuze
-gedaan, die hun nooit berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen
-waarin men den bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland,
-maar ook in Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou:
-&bdquo;<i>Redder van het Vaderland.</i>&rdquo; Ja, heel de wereld zou
-van zijne voorbeeldelooze dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed,
-van zijn weergaloos beleid en van zijne ongeveinsde nederigheid en
-godsvrucht gewagen. Zijn Admiraals-schip &bdquo;De zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; zou de schrik van den vijand, de trots des
-Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span></p>
-<p class="par">Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat
-oogenblik af tot aan zijnen heldendood, aan den dienst van het
-Vaderland verbonden. Eerst het besluit der Hoog Mogende Heeren
-Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, genomen den
-negenentwintigsten Juli van het jaar 1652, zou De Ruyter een tweede
-leven doen beginnen en hem doen worden de man, dien we zoo gaarne en
-altijd met zooveel trots noemen: Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel
-Adriaensz. De Ruyter!</p>
-<p class="par">Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post
-en had hij in last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou
-uitloopen door het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen.
-Gedurende den tijd, dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te
-wachten, kreeg hij bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en
-Portland eene vrij sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom
-drong hij er bij de Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht
-geven zou.</p>
-<p class="par">Van onze kennissen bevond zich aanboord van de
-&bdquo;Neptunus&rdquo; het schip waarop De Ruyter zijne vlag liet
-waaien, de vijftienjarige Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend
-aandringen, hem eindelijk verlof gegeven eenen tocht mede te maken,
-hoezeer hij wel zag, dat er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen
-zeeman groeien zou. De knaap was verbazend zwak en bleek.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al
-gauw komen, Vader?&rdquo; vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den
-eenentwintigsten Augustus.</p>
-<p class="par">Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman
-wiens oog op die beiden viel, mompelde: &bdquo;Een verschil tusschen
-die twee als van dag en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze
-haren kammen. Jammer genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen
-Vader.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er
-voor,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;De timmerwerven kunnen in de
-behoefte niet voorzien.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb152"
-href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span></p>
-<p class="par">Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden
-zich weldra een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep
-Adriaen: &bdquo;Daar komen ze, Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet
-alle schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking,
-die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond, die
-vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter missen.
-Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Kijk, Vader,&rdquo; riep Adriaen vijf dagen
-later. &bdquo;Daar liggen de afgezonden schepen ons al te
-wachten.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt gij wel dwaas, jongen,&rdquo; sprak De
-Ruyter. &bdquo;Zij daar zullen heel wat anders doen dan ons helpen. Het
-zijn de Engelschen, en ik zou u raden naar de kajuit te gaan, want
-zonder eenige kogels te wisselen, komen wij er niet af.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet
-ik mij bergen? Ben ik niet uw zoon?&rdquo; riep Adriaen nu met
-gloeiende wangen en vonkelende oogen, die akelig afstaken bij zijne
-magere en zwakke gelaatstrekken.</p>
-<p class="par">Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die
-hem in het oog welde, tegenhouden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent
-ge soms dat ik bang zal zijn?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak;
-ik vrees dat gij u zult overspannen!&rdquo; antwoordde De Ruyter.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik
-moede, als ik Engel even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst
-niet meer! Als ik moede word, zal ik wel wat gaan rusten,
-Vader!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, blijf dan, jongen!&rdquo; klonk het zuchtend
-en de Vader, die dat zei, kon niet nalaten treurige gedachten te hebben
-over zijnen oudsten jongen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog,
-Schipper,&rdquo; sprak De Ruyter tot den Kapitein van de
-&bdquo;Neptunus&rdquo;, terwijl <span class="pagenum">[<a id="pb153"
-href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span>deze hem voorbij kwam.
-&bdquo;Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts
-drie&euml;ndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein
-de Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te
-beleggen.&rdquo;</p>
-<p class="par">De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de
-verschillende Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.</p>
-<p class="par">&bdquo;Mannen,&rdquo; sprak hij, toen na een kort beraad
-tot den aanval besloten was, &bdquo;laat de overmacht aan de Engelschen
-en de roem aan ons zijn. Men telle het getal zijner vijanden niet, maar
-sla er wakker op in. Ik zelf zal den middeltocht aanvoeren, de
-achterhoede stel ik onder bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede
-onder bevel van Kapitein Van den Broek. Doet allen uwen plicht en
-versaagt niet! En nu, Heeren, tot na het gevecht! God behoede u en hen,
-die onder u staan!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden
-die in slagorde en des namiddags te vier uren begon het gevecht.
-Adriaens bleeke wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het
-knetteren der musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend
-geschreeuw van het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen
-hand schoot hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene
-Engelsche vlag in flarden sloeg, juichte hij met geestdrift:
-&bdquo;Vivat! Hoezee! Weg met de Koningsmoorders!&rdquo;</p>
-<p class="par">Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van
-Adriaen te sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden
-en zeide: &bdquo;Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom
-dan weer boven!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp
-te geven, stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van
-onze vloot verschrikt terugkeeren.</p>
-<p class="par">Ook het volk van &bdquo;De Vogel Struis&rdquo;, een
-koopvaarder, die dienst als oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld
-volgen, doch de Kapitein van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene
-brandende lont en dreigde deze in het kruit te <span class=
-"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name=
-"pb154">154</a>]</span>steken, als het volk nog eenmaal van wijken
-dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een man van
-zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat, hadden alle
-schepen het voorbeeld van &bdquo;De Vogel Struis&rdquo; gevolgd, de
-Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou
-zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders
-behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue, een
-man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna allen
-gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de Regeering
-zijns lands in ongenade.</p>
-<p class="par">Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de
-Zeeuwen, met hunnen nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet
-alleen met veel onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de
-beroemdste en meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest
-telden.</p>
-<p class="par">Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart
-als zijn Vader te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant
-ter zee, doch zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van
-het zeeleven en den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal
-moest blijven, hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand
-werd hij zwakker en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf
-in April van het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te
-Amsterdam, waar zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot
-Vice-Admiraal van Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon
-gevestigd hadden.</p>
-<p class="par">Doch keeren we tot ons verhaal terug.</p>
-<p class="par">De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te
-midden der zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort.
-Reeds in de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts
-keerende koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne
-vloot verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel
-mee uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz<span class=
-"corr" id="xd21e4476" title="Niet in bron">.</span> De <span class=
-"pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name="pb155">155</a>]</span>With
-te vereenigen en onder het opperbevel van dezen &bdquo;dapperste der
-dapperen&rdquo; had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake
-plaats, welke zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet
-veel van onze Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.</p>
-<p class="par">In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige
-Kapiteins aan, en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat
-men op den duur telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel
-lafhartigheid van de lieden was, maar ook onwil om De With te
-gehoorzamen. Men haatte hem te veel. Het gevolg daarvan was, dat men
-besloot, Marten Harpertsz. Tromp opnieuw het opperbevel over de vloot
-aan te bieden, en hoewel deze daartoe bereid was, kon hij toch niet
-nalaten te zeggen, dat hij niet aarzelde, maar &bdquo;dat het hem
-bekommerde, als hij, na alles wat in zijn vermogen was ten dienste van
-het Vaderland gedaan te hebben, zijne beste daden miskend zag, en dat
-zulks hem ijver en lust benam.&rdquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e343">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De Vice-Admiraal.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had,
-den dienst vaarwel te zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen
-Admiraal Tromp den eersten December van 1652 uitliep om meer dan
-vierhonderd koopvaarders naar zee te brengen, en hij zijne vloot, die
-uit negentig oorlogsschepen bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg
-De Ruyter inplaats van Witte Cornelisz. De With, die ziek geworden was,
-als Kommandeur het bevel over het tweede eskader. Zijne vlag woei van
-het schip: &bdquo;Het Lam.&rdquo;</p>
-<p class="par">Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en de
-<span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name=
-"pb156">156</a>]</span>Engelschen onder den beroemden Blake een
-zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden alles in het nadeel, de
-Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte Tromp den vijand den
-Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik goede loodsen aanboord
-gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige jaren vroeger hebben
-plaats gehad.</p>
-<p class="par">De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal
-&bdquo;den grooten Tromp.&rdquo;</p>
-<p class="par">Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich
-andermaal in het Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te
-beschermen. Tromp bracht ze tot het eiland R&eacute; en vond daar eene
-koopvaardij-vloot van honderd vijftig schepen, die door hem weer naar
-het Vaderland moesten gebracht worden. Dit zou evenwel niet gebeuren
-zonder met de vijanden slaags te geraken. Dit gevecht had den
-achtentwintigsten Februari 1653 plaats.</p>
-<p class="par">De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der
-vloot aan en was de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot
-Engelsch schip &bdquo;<span lang="en">The Prosperity</span>.&rdquo;
-Nadat hij veel van het geschut van den vijand geleden had, besloot hij
-het schip te enteren. Zijn onverschrokken volk voldeed aan dat bevel en
-kwam weldra aanboord van den Engelschman, die hen evenwel weer
-verdreef.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er
-in! Sa, lustig nog eens gedaan!&rdquo; zeide De Ruyter en andermaal
-werd zijn bevel gehoorzaamd en met dat gevolg, dat het vijandelijk
-schip veroverd werd.</p>
-<p class="par">Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er
-gebeurd was, of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan.
-Deze stelde zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een
-Vlissinger, duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was,
-gingen weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar gaan de schelmen, Michiel!&rdquo; schreeuwde
-Jan Evertsen door den scheepsroeper De Ruyter tegen. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Ze gaan niet, go&ecirc;maat, ze vliegen,&rdquo;
-antwoordde De Ruyter. &bdquo;Maar er door heen moeten we, halen waar
-halen!&rdquo;</p>
-<p class="par">En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen
-door zijnen vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ha, jongens, dat is er door!&rdquo; zeide hij
-toen hij het gevaar te boven was, en hij wischte zich het zweet van het
-voorhoofd af. &bdquo;Dat heeft er gespannen zou ik zoo
-meenen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja,&rdquo; zeide de Kapitein, &bdquo;maar zie
-eens hoe ons &bdquo;Lam&rdquo; er uit ziet! We zullen ons uit het
-gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos geschoten!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Ruyters oogen flikkerden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de
-eere van het lieve Vaderland!&rdquo; riep Michiel in antwoord op de
-aanmerking des Kapiteins, en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij
-in het heetst van het gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug,
-viel opnieuw aan, brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke
-schepen heen, noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te
-vluchten, en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van
-den vijand verlaten.</p>
-<p class="par">Maar hoe zag zijn schip er uit!</p>
-<p class="par">De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden
-met honderden kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek
-vernield, bijna niet instaat eenig zeil te voeren!</p>
-<p class="par">Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het
-gevecht, worden met een &bdquo;Onze Vader!&rdquo; en een:
-&bdquo;Een-twee-drie, in Godsnaam!&rdquo; overboord in de diepte van
-het Kanaal neergelaten.</p>
-<p class="par">Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer
-bekend, uwe daden spreken voor u!</p>
-<p class="par">En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige
-heelkundige hulp, meer dan dertig gekwetsten. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span></p>
-<p class="par">Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en
-met versterking verschijnt?</p>
-<p class="par">Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hier ben ik, Besteva&ecirc;r!&rdquo; zegt De
-Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zie ik, De Ruyter,&rdquo; antwoordde deze.
-&bdquo;Dat zie ik, en de Hemel gave, dat ik iedereen als u de
-heldenhand mochte drukken. Er zijn weer vele blo&ocirc;hartigen
-geweest, goede vriend, en gij en uw schip, hebt wonderen van dapperheid
-verricht. Wees zoo goed uw volk uit mijnen naam te danken. Morgen
-ochtend verwacht ik u bij mij met uw schip. Het is een post van eere
-waaraan groot gevaar verbonden is.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik zal komen, Admiraal!&rdquo; is De Ruyters
-antwoord en den volgenden morgen is de held waar hij zijn moet.</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar komen die Ro&ocirc;rokken waarlijk alweer op
-ons &bdquo;Lam&rdquo; aan,&rdquo; zeide de Kapitein van De Ruyters
-schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter
-wolken van kruit verbergen,&rdquo; antwoordde De Ruyter.<a class=
-"noteref" id="xd21e4549src" href="#xd21e4549" name=
-"xd21e4549src">1</a></p>
-<p class="par">En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook.
-Doch op het midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat
-hij, als een vat zonder stuur, op de baren dobberde.</p>
-<p class="par">Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De
-Ruyter uitriep: &bdquo;Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los,
-daar komt Besteva&ecirc;r Tromp ons helpen!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en
-gelastte eenen Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te
-nemen.</p>
-<p class="par">En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malen
-<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name=
-"pb159">159</a>]</span>hadden de Engelschen beproefd Tromps slagorde te
-verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen, doch, niet overwonnen en
-niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de aanval vernieuwd worden.</p>
-<p class="par">De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven
-de aanvallers.</p>
-<p class="par">Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot,
-doch ook deze gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd
-zoo gauw niet op.</p>
-<p class="par">Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want
-aanboord van Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de
-klacht: &bdquo;Als het nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit
-en lood meer!&rdquo;</p>
-<p class="par">Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad
-hadden liet de Admiraal nu uitdeelen.</p>
-<p class="par">Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan
-den slag een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel
-van hare dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen
-eer ze in het westen ondergaat.</p>
-<p class="par">Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een
-Admiraal, wiens naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd
-worden, schijnt te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te
-haperen. Hij weet den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is,
-weer op te wekken, daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te
-slaan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Valt aan! Valt aan!&rdquo; klinkt het van boord
-tot boord der Engelsche schepen, en, het gebeurt.</p>
-<p class="par">Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk
-gelost. Bijna elke kogel bereikt zijn doel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gered!&rdquo; klinkt het plotseling van de
-Nederlandsche schepen; want de vijand trekt af.</p>
-<p class="par">Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen
-zijn, strijdende, steeds achteruit gegaan. Onze schepen hadden
-<span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name=
-"pb160">160</a>]</span>minder diepgang dan de Engelsche, en om nu
-zoowel het slagveld te behouden, als de koopvaardijschepen, wist Tromp
-het z&oacute;&oacute; aan te leggen, dat hij zonder de vlag gestreken
-en zich overwonnen verklaard te hebben, de Vlaamsche banken bereikte.
-Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel om hier den strijd te
-vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest zijn. Hij trok dus niet
-af, omdat hij door den moed der onzen of de Nederlandsche kogels
-daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich in vaarwater bevond, dat
-hem, z&oacute;nder Nederlandschen moed en z&oacute;nder Nederlandsche
-kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden doen we den roem
-van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt, dat hij nog wat
-anders was dan een zeeheld, dat hij was een man, die de zee kende en
-van haar gebruik wist te maken. Bovendien had hij de nederlaag nu niet
-geleden en de koopvaardij-vloot met al hare schatten in behouden haven
-gebracht.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gered!&rdquo; klinkt het ook aanboord van dien
-scheepsromp, die daar, zonder &eacute;&eacute;nen mast, op sleeptouw
-voortdrijft; want de stompjes hout, die nog een enkel lapje zeil
-dragen, verdienen den naam van masten niet.</p>
-<p class="par">Het is &bdquo;Het Lam&rdquo; van Michiel Adriaensz. De
-Ruyter, die z&oacute;&oacute; ontredderd thuiskomende, daardoor aan
-iedereen vertelt wat man hij is. Het is vergeefsch, dat zijne
-nederigheid de kloeke daden verzwijgen wil. Zijn scheepsvolk zal het
-uitroepen, en, als hun mond zwijgt, dan verkondigen die doornagelde
-scheepsromp, die roerlooze schuit, dat mastelooze wrak op luiden toon
-den lande: &bdquo;Hoezee! Hoezee! Voor Vlissinger Michiel! Hoezee voor
-den held, die Ne&ecirc;rlands roem en hope zal worden!
-Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter,
-Florisz. en zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze
-vloot meer in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend
-kwam die weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den
-twaalfden <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name=
-"pb161">161</a>]</span>en dertienden Juni daaraanvolgende, weer
-geleverd met eene vloot, die maar zoo wat &bdquo;opgelapt&rdquo; was en
-voor de zooveelste maal gebrek aan kruit en lood had. Men moest zich
-verbazen over de mogelijkheid, dat ze zee dorst houden tegenover eene
-uitmuntend uitgeruste Engelsche vloot, die wel honderd schepen telde,
-en aangevoerd werd door helden als Generaal Monk, Admiraal Deane,
-Blake, William Penn en John Lawson, die in geen enkel opzicht voor
-Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.</p>
-<p class="par">Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With
-de Regeering toesnauwde: &bdquo;Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier
-voor mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn
-meester van ons en diensvolgens van de zee!&rdquo;</p>
-<p class="par">En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in
-dienst van den lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen
-zeestrijd de toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene
-bezoldiging van tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed
-De Ruyter? Bleef hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?</p>
-<p class="par">Neen, z&oacute;&oacute; ver ging zijne nederigheid niet!
-Hij begreep dat hij door zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen
-dan door spreken, en daarom zeide hij open en rond: &bdquo;Ik zal niet
-meer in zee gaan voor en aleer de vloot versterkt wordt en betere
-schepen heeft.&rdquo;</p>
-<p class="par">Z&oacute;&oacute; spraken De With en De Ruyter; op deze
-manier liet Tromp zich telkens uit, en in denzelfden geest dachten,
-handelden en spraken allen, van den hoogstgeplaatste tot den
-nederigsten dienaar op &rsquo;s Lands vloot. Men behoefde geen geleerde
-te zijn om te zien hoeveel beter Engeland ten oorlog toegerust was en
-hoe men daar geene schatten ontzag om den oorlog goed te voeren.</p>
-<p class="par">Maar er kwam uitkomst in den persoon van een
-zevenentwintigjarig man, die, als Raadpensionaris van de Staten van
-Holland, door zijn ambt niets anders dan hun dienaar, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span>maar
-door zijne groote kennis, zijnen helderen blik en onverzettelijken wil
-hun aller meester werd.</p>
-<p class="par">Deze man was Johan De Witt.</p>
-<p class="par">Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de
-klachten der Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren,
-en door zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat
-binnen betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter
-staat gebracht werd. Maar&mdash;</p>
-<p class="par">Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.</p>
-<p class="par">Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op
-zee?</p>
-<p class="par">Het zijn kanonschoten.</p>
-<p class="par">In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter
-Heide, wordt Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet
-omdat hij andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch
-waanwijze kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd,
-andermaal ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van
-Luitenant-Admiraal zou hij thans houden tot zijn laatste
-levensoogenblik, tot zijnen laatsten ademtocht zou hij thans het
-Vaderland dienen, maar hij is gevallen de edele held, de koene zeeman,
-de warme vaderlander, en reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij
-zijn lijk uitgeroepen: &bdquo;Ware ik voor hem gestorven!&rdquo; Nog
-meer is er gebeurd. Met zijn masteloos en tot wrak geschoten schip
-&bdquo;Het Lam&rdquo; is De Ruyter reeds naar de Maas gesleept. Reeds
-heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven al uit de Texelsche zeegaten
-geloodst en zich aan het hoofd der vloot gesteld om den dood van den
-grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de Hollanders Banckert en Sangher
-en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang met elkander gestreden, dat ze
-alle vier zonken. Reeds zijn er al weer lafaards op de vlucht gegaan en
-tal van helden gesneuveld, maar noch Hollander, noch Engelschman geeft
-krimp, men wil niet wijken. De Nederlandsche vloot is reddeloos
-geschoten en de Engelsche bijna niet <span class="pagenum">[<a id=
-"pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span>instaat zee te
-houden. Ieder wil zich de eer der overwinning toeschrijven, waar door
-niemand de overwinning behaald is, maar waar men als helden gekampt
-heeft tot de duisternis van middernacht en de ondiepten der kust, als
-het ware, samenspanden om te beletten, dat twee vloten elkander tot het
-laatste schip vernietigden.</p>
-<p class="par">De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den
-eersten Engelschen oorlog geleverd werd, en zij was ook de
-vernielendste. N&ograve;ch Engeland, n&ograve;ch de Vereenigde
-Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te zetten, en&mdash;de
-vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden, die voor ons
-Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.</p>
-<p class="par">Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot
-Luitenant-Admiraal der Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der
-ruiterij, Jacob, Grave van Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon
-dapper en ervaren krijgsman te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman,
-die later evenwel toonde, dat hij niet onder wilde doen voor den
-Engelschen Admiraal Monk, die, even als hij, van het leger te velde
-geroepen was, om zijn Vaderland ter zee te dienen. Maar eer ook nog de
-vrede gesloten werd, had men onzen dapperen Zeeuw, den ervaren
-Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit
-van Amsterdam, en hoewel de held eerst voor die eer bedankt had, liet
-hij zich eindelijk door de welbespraakte tong van den Raadpensionaris
-Johan De Witt overhalen de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve
-zijn ontslag bij de Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich
-metterwoon te Amsterdam, van welke stad men hem in het volgende jaar
-het Groot-Burgerschap vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar
-alle stedelijke betrekkingen te kunnen mededingen.</p>
-<p class="par">In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van
-1654 tot 1656 verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de
-Algerijnsche zeeroovers te tuchtigen, en dat hij <span class=
-"pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span>zich
-van dien last goed kweet, kan van eenen man, als hij getoond had te
-zijn, verwacht worden.</p>
-<p class="par">Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al
-die tochten wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens
-in heel andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en
-zijnen onge&euml;venaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4549" href="#xd21e4549src" name="xd21e4549">1</a></span> Met dit
-zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot, die eene halve
-maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of den halven kring
-sloot.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e4549src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e353">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Alweer de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand
-van de regeering gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf,
-die weldra in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog
-was Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende,
-dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de
-zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer
-kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van
-Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die
-juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort
-verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van
-Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit twee&euml;nveertig
-schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene
-belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in
-oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en nu
-we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten ons
-doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de belangen
-des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang of onze
-handel <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name=
-"pb165">165</a>]</span>vorderde dringend, dat we ons opnieuw met de
-Noordsche zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met
-Karel Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot
-naar de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder
-Wrangel op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De
-With. Hij stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de
-vuist op zijn bijna aan splinters geschoten schip. &bdquo;<span lang=
-"nl">Dat hy een lyck werd koste syn viandt duysent
-lycken</span>,&rdquo; zeide een zijner lofdichters. Karel Gustaaf, die
-den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg aanschouwde,
-liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving het met
-zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd naar
-Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten van
-Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden
-wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel,
-slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou
-men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar eer
-een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam in de
-Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.</p>
-<p class="par">Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en &rsquo;59
-langs den Buitenkant te Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude
-zeeman met een verbruind gelaat hem op eenigen afstand volgde.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?&rdquo;
-vroeg de oude zeeman aan een, dien hij tegenkwam.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De
-Ruyter!&rdquo; antwoordde de Amsterdammer en ging verder.</p>
-<p class="par">De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man,
-die blijkbaar eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het
-een of ander te verzoeken had, bleef hij staan en zei: &bdquo;Verlangt
-gij mogelijk ook iets van mij, goede vriend?&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p>
-<p class="par">De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening
-vochtig werden, diep in het gelaat, doch antwoordde niets.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd21e4655width"><img src="images/p166.jpg" alt=""
-width="486" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">&bdquo;Eene vraag om eenige toelage van den Lande
-soms?&rdquo; vroeg De Ruyter nu op den goedigen toon, dien hij wel
-meest altijd, maar tegenover minderen geregeld aannam.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!&rdquo; was het
-stotterend gegeven antwoord. &bdquo;Ik heb geen verzoek te
-doen.&rdquo;</p>
-<p class="par">De Ruyter lachte en zei: &bdquo;Hadt ge daar niet het
-plan om Michiel te zeggen?&rdquo;</p>
-<p class="par">De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak:
-&bdquo;Ja, ja, dat wilde ik! Dat wilde ik!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Kent ge mij dan van vroeger, h&eacute;?&rdquo;
-klonk de vriendelijke vraag des Admiraals, die wat dichter bij den man
-kwam, die hoe langer hoe meer verlegen scheen te worden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, van vroeger!&rdquo; was het antwoord.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dan zeker toch al lang geleden,
-nietwaar?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps:
-&bdquo;Kom eens vlak voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik
-geloof waarlijk ook, dat wij oude kennissen zijn.&rdquo;</p>
-<p class="par">De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat
-gedaan, of De Ruyter riep: &bdquo;Gij zijt de &bdquo;Barre
-Bruinvisch.&rdquo; Heb ik het geraden? Zeg, heb ik het
-geraden?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Heer Admiraal, ik ben de &bdquo;Barre
-Bruinvisch&rdquo; en Bootsman aan den wal. Gij hebt het ver gebracht,
-Heer Admiraal, heel ver! Altijd gedacht, altijd gezegd, als ge met die
-dingen van Simon Stevin bezig waart: &bdquo;Let op, die aap van eenen
-jongen brengt het ver!&rdquo;<span class="corr" id="xd21e4680" title=
-"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Aap van eenen jongen!&rdquo; en dat tegen eenen
-Vice-Admiraal!</p>
-<p class="par">Maar De Ruyter lachte er om en zei: &bdquo;Ja, man, ik
-wilde toen wel. Maar laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch
-eens hoe gij hier in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden
-gerekend en aan uw laatste <span class="pagenum">[<a id="pb167" href=
-"#pb167" name="pb167">167</a>]</span>verzoek heb ik te Westersouburg
-voldaan. O, Lievensz., wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat
-hadt gij trouw voor haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede
-geleden. De Heeren Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht
-en verdubbelden uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen!
-Waar zijt gij dan zoo lang gebleven?&rdquo;</p>
-<p class="par">Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad
-met den ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz.
-het volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger
-dan ik het navertel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko
-geweest, Heer Admiraal! In het eerst had ik het er slecht, maar toen de
-mannen van de &bdquo;Lijnbaan&rdquo; langzamerhand stierven, en ik ten
-slotte alleen overbleef, had ik het geluk eenen Officier uit een
-brandend huis te redden. Toen kreeg ik het goed en mocht alleen maar
-niet weg. Ik werd huisknecht, bediende bij den Gouverneur en ik weet
-niet wat al meer, tot ik in &rsquo;50 met een Hollandsch schip, dat
-daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam te Westersouburg, vond
-mijne Moeder en zusters gestorven en van het geld niemendal. Ik ging
-toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht daar voor mijne
-spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had weten te krijgen,
-eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen jongen en een meisje
-op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat ik weer zeevader kon
-worden, dan....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, Lievensz., wat d&aacute;n?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord
-komen en voor uwen jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest
-ben?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is
-mijn oudste zoon, hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee
-gestorven. Hij beloofde veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde
-weg. Hij was niet sterk mijn Adriaen, neen, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span>dat
-was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon, een knaapje van tien jaar, een
-aardig ventje!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge
-zult zien, dat ik er eenen tweeden Michiel van maken zal!&rdquo; riep
-Lievensz. opgewonden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet
-school gaan, en als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag
-hij met zijn vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of
-veertig jaar geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb,
-Lievensz.! Maar, kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in
-het leven spaart, welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge
-dat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil?
-God de Heere zegene u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob,
-als ik ben, nog aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer
-aanboord?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt
-me aanwal en in het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw
-jongen en wat zal hij worden?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter
-schole!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten
-schoolgaan tot mijn Engel aanboord komt, dan hebt ge er twee om
-zeevader over te wezen. Laat den knaap maar tot zoo lang aan de zorg
-der onderwijzers over en laat hem veel, heel veel leeren!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo
-vrij zijn en u eene vraag doen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg
-maar op, wat ge wilt weten!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want
-ik was heelemaal buiten westen en in dien toestand tusschen levend en
-dood bleef ik wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik
-van het volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en
-Jan Kompanjie met <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169"
-name="pb169">169</a>]</span>eene boot van het kaperschip ontkomen
-waren. Is dat zoo, och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in
-Vlissingen gekomen zijt.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Komaan,&rdquo; antwoordde Michiel, &bdquo;dat wil
-ik. Het is wel een heel verhaal, maar ik heb er den tijd
-toe.&rdquo;</p>
-<p class="par">Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel
-vertelde zijnen ouden vriend nu, wat wij reeds weten.</p>
-<p class="par">Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis
-op het Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid
-en hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de
-&bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; had van blijdschap diens handen gekust.
-Hij bedacht zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te
-vertellen, dat hij weer varen ging &bdquo;bij eenen baas, Grietje, bij
-eenen baas, den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal
-Michiel Adriaensz. De Ruyter!&rdquo;</p>
-<p class="par">Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene
-vloot van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den
-Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen
-het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden
-kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef
-onze Michiel met het opperbevel belast.</p>
-<p class="par">Het was inmiddels November geworden en gedurende dien
-geheelen tijd hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van
-hetgeen er ten slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de
-Algemeene Staten besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich
-zoo versterkt, dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang
-zoo voordeelig niet meer stonden, als in het begin.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de
-tanden gewapend?&rdquo; vroeg Michiel des middags van den tienden
-November, toen de vloot voor Kartemunde, eene stad op het eiland Funen,
-lag.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den
-bekenden <span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name=
-"pb170">170</a>]</span>weg vraagt, Admiraal! Moet die stad dan niet
-ingenomen worden?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De
-Zweden, die op dat eiland ten getale van zeven duizend zijn, moeten er
-af. Het is de vraag maar, hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met
-booten moeten geschieden!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Eene landing in de booten onder bescherming van
-het geschut der vloot, juist, Admiraal! En daarop is bij mij de
-wacht,&rdquo; was het antwoord.</p>
-<p class="par">&bdquo;Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen
-zin hebben, Barre,&rdquo; zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij
-bevel het stadje te gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo
-druk vuur, dat het volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te
-bergen. Thans achtte De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het
-was eene gevaarlijke onderneming; want de Zweden bestreken met hunne
-batterijen de heele zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter
-zelf sprong in eene der booten en riep zijn volk toe: &bdquo;Valt aan,
-mannen, valt aan, of gij wordt allen hier vermoord!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het bootsvolk aarzelde.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij
-na!&rdquo; riep Buat, een Franschman van geboorte, wiens Vader reeds
-onder Frederik Hendrik gestreden had. &bdquo;Vooruit! Dat gaat u
-voor!&rdquo;<a class="noteref" id="xd21e4750src" href="#xd21e4750"
-name="xd21e4750src">1</a></p>
-<p class="par">Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zulke mannen volg ik! Vooruit,&rdquo; riep
-Lievensz. en was, na Buat, de eerste in de boot, waarna De Ruyter
-volgde met eenige matrozen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Berg u, Heer Admiraal!&rdquo; riep Buat onzen
-Michiel waarschuwend toe. &bdquo;Men mikt op u.&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Ik behoor mijn volk den weg te wijzen,&rdquo;
-sprak De Ruyter bedaard, niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik
-twee mannen aan zijne zijde doodgeschoten werden.</p>
-<p class="par">Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen
-navolging en zelfs was De Ruyter een der eersten, die aan den wal
-waren. Het ontschepen van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen,
-en nadat men duizend Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter
-zich weder aanboord.</p>
-<p class="par">Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben
-werd Nijborg, ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer
-versterkt hadden, van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de
-zeezijde door onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene
-uitkomst meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De
-overwinning was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw
-bijgestaan door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland
-Funen op de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met
-alles, wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.</p>
-<p class="par">Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg
-gebleven, en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de
-Zweden, dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.</p>
-<p class="par">De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor
-Kopenhagen te blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite
-het met zijne schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel
-ingevroren, doch daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet
-hij om al de schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene
-aanmerkelijke breedte weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed,
-bewees de aanval, dien de Zweden den derden Februari van het volgende
-jaar op de Deensche hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders
-en Denen zoo waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja,
-menigmaal <span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name=
-"pb172">172</a>]</span>keerden de Denen en de onzen de zaak om en
-waagden zelfs eenen uitval op het Zweedsche bezettings-leger.</p>
-<p class="par">Den drie&euml;ntwintigsten Februari overleed Koning
-Karel Gustaaf. Dit bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de
-vrede door allerlei slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog
-al op de lange baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer
-voordeelige voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten
-worden.</p>
-<p class="par">Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht
-dankbaar was voor de uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland
-verleend. Nadat hij hem reeds in December van het vorige jaar met eenen
-prachtigen gouden ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning
-met diamanten omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen
-nederigen bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch
-inkomen van tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam
-reeds door heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der
-zijnen eenen korten tijd rust te nemen.</p>
-<p class="par">Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de
-Algerijnsche zeeroovers en later de Engelschen wel.</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4750" href="#xd21e4750src" name="xd21e4750">1</a></span> Henry
-Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te &rsquo;s-Gravenhage
-onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden
-van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland
-ophielden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e4750src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e362">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Jan Kompanjie.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene
-vloot naar de Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen
-al de zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren
-niet enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en
-Spanjaarden.</p>
-<p class="par">Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 in
-<span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" name=
-"pb173">173</a>]</span>die wateren kruisen. Op den laatsten tocht had
-hij Engel, die nog niet ten volle vijftien jaar oud was, medegenomen,
-en hiermede den &bdquo;Barren Bruinvisch&rdquo; over en over gelukkig
-gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij bezig om den zoon van
-zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren, wat op de scheepvaart
-betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er bij, en deze twee knapen
-konden het bovenst goed met elkander vinden.</p>
-<p class="par">Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering
-gekomen. De zoon van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden,
-had onder den naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne
-ballingschap hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch
-inplaats van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit
-Gemeenebest te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon
-om ons te benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen
-zekeren Robert Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der
-Nederlanders op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die
-zaak wel en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen,
-doch in 1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de
-Nederlanders afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met
-Engeland gesloten hadden.</p>
-<p class="par">Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde
-men zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee
-jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat Johan
-De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den Engelschen
-Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene vloot
-uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze vloot
-hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde, zei hij
-nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de lange baan
-te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er van blauw,
-blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim zond
-<span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name=
-"pb174">174</a>]</span>hij De Ruyter, die nog altijd met twaalf
-oorlogsschepen in de Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd
-te stevenen en daar onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De
-slimme, of liever de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen
-Raadpensionaris, die hem veel te geslepen was.</p>
-<p class="par">Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht
-hij zijnen ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander
-deel der wereld zou trekken.</p>
-<p class="par">&bdquo;Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten,
-Grootvader,&rdquo; sprak Engel tot Lievensz., die juist bezig was
-zijnen twee zeekinderen te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in
-onbekende wateren zeilen moest.</p>
-<p class="par">Den naam van &bdquo;Grootvader&rdquo; gaf Engel hem uit
-aardigheid, omdat Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader
-ook zijn zeekind was geweest.</p>
-<p class="par">&bdquo;Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te
-vertellen,&rdquo; zeide Michiel tot den ijverigen onderwijzer, die te
-midden van het woelig zeeleven weer jong opnieuw scheen geworden te
-zijn en alweer dat kloeke, vierkante en onversaagde voorkomen verkregen
-had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik twijfel er aan of het wat goeds is,&rdquo;
-antwoordde Lievensz. &bdquo;Uw gelaat is zoo betrokken!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat
-ik in mijnen schik ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij
-mede in de kajuit.&rdquo;</p>
-<p class="par">Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was,
-zeide hij: &bdquo;Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten
-hier weg!&rdquo;</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e4812" title=
-"Niet in bron">&bdquo;</span>Mag ik eens raden, waarheen?&rdquo; vroeg
-Lievensz.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat
-niemand raden kan, en dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat
-juist hindert me. Niet dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij
-naar eene streek waar ik minder goed thuis ben.&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Kaap Verd, soms?&rdquo; vroeg de &bdquo;Barre
-Bruinvisch&rdquo; met een leuk lachje. &bdquo;Is het niet den spijker
-op den kop geslagen?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat
-medegedeeld hebben? De Witt, onze Raadpensionaris en ik, wij beiden
-weten het slechts!&rdquo; riep De Ruyter vol verwondering uit.
-&bdquo;Hoe kunt gij het nu weten?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart,
-Admiraal! De &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; hoort veel, ziet veel,
-denkt veel, maar zegt weinig. Ik heb me al sinds lang verwonderd, dat
-we die Engelsche Koningsmoorders nog geen lesje moesten gaan geven. Ze
-hebben het al lang en breed verdiend! Die Karel sult met ons als de kat
-met de muis.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz.
-Het is zoo. Maar het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben
-en dat ik nu ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim
-moet houden en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen.
-Dezen zijn evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als
-vreemdelingen. Ik ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik
-hun den weg te wijzen en niet om raad te vragen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij
-vergeten, dat ik er reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader
-werd, en dat ik er, als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde
-malen geweest ben? Of, wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?&rdquo;
-zeide Lievensz.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is waar ook,&rdquo; zeide De Ruyter.
-&bdquo;Dat is uitkomst. En u niet om raad willen vragen? U liever dan
-eenen Schout-bij-nacht of Kapitein, dat weet ge wel. Maar zult gij nu
-niemand zeggen waarheen de tocht is?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U
-kent me toch lang genoeg om te weten, dat de &bdquo;Barre
-Bruinvisch&rdquo; geen babbelaar is,&rdquo; zeide Lievensz. eenigszins
-geraakt. &bdquo;Of hebt gij soms bewijzen, dat ik het vroeger
-was?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met
-dat <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name=
-"pb176">176</a>]</span>te zeggen. Alleen de zorg, het bevel geheim te
-houden deed me zoo spreken,&rdquo; antwoordde De Ruyter en verwijderde
-zich om den Kapitein bevel te geven al de andere Kapiteins aanboord van
-het Admiraalsschip te seinen teneinde krijgsraad te houden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Laat de wereld eenen man noemen als hij, die
-zelfs zijnen Bootsman vergiffenis vraagt,&rdquo; mompelde de
-&bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;, en eenen traan van dankbaarheid en
-genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij: &bdquo;De Heere
-zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden als voor of
-na hem geen ander.&rdquo;</p>
-<p class="par">Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat
-men naar Afrika, en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den
-pols te voelen, en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan
-voorloopig niets aan het volk te laten blijken, was onze vloot weldra
-de Middellandsche zee uit en met behulp van Lievensz.<a id="xd21e4841"
-name="xd21e4841"></a> terechtwijzingen had men weldra Kaap Cantin
-bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad zijnen heelen
-last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om hun volk op de
-hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind, vooral daar De
-Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om de diepte te
-peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden October liet
-De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs, dat men de plaats
-van bestemming naderde.</p>
-<p class="par">Daar lag het eiland Goere&ecirc; en in de onmiddellijke
-nabijheid er van bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen,
-waarvan een de Koningsvlag voerde.</p>
-<p class="par">De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier
-eene Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg
-vragen wat men hier doen kwam.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen,
-hebt,&rdquo; luidde het eenvoudige, doch naar den zin van den
-Engelschman wat al te openhartige antwoord. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Is de oorlog dan tusschen Engeland en de
-Vereenigde Nederlanden uitgebroken?&rdquo; vroeg men weer.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel neen,&rdquo; liet De Ruyter antwoorden,
-&bdquo;maar wat gij in vollen vrede van ons geroofd hebt, dat komen wij
-in vollen vrede terughalen. Ieder zijne beurt, waarde heer!&rdquo;</p>
-<p class="par">De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al
-eene heel gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat
-langs de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: &bdquo;Gemeen of
-niet gemeen, wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven,
-we zullen het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan
-zullen onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham
-laten halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen.&rdquo;</p>
-<p class="par">De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen
-nieuwen oorlog niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze
-terugnemen en zonder bijna &eacute;&eacute;n schot te doen. Het heele
-eiland met zijne sterkte werd door den Engelschen Bevelhebber bij
-verdrag overgegeven en den onzen viel een aanzienlijke buit in handen.
-De sterkten werden hierop met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen
-last hier volbracht hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust
-van Guinea te gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan
-te vangen, de watervaten of leggers schoon maken en met frisch
-drinkwater, dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.</p>
-<p class="par">Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal,
-doch pas was hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg,
-dat hem in alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en
-vroeg den Schout-bij-nacht: &bdquo;Dat Hollandsche schippe is,
-ja?&rdquo;</p>
-<p class="par">Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch
-te hooren spreken, zeide: &bdquo;Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot!
-Hebt ge wel eens Hollanders ontmoet?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen
-geweest ben. Ik daar gedoopt is van dat Domin&eacute;. Ja, ik!&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name=
-"pb178">178</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Onze Admiraal is ook een Vlissinger!&rdquo; zeide
-Van der Zaan, zonder nog te denken dat de neger hem kennen zou.</p>
-<p class="par">Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz.,
-die ook mede gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht
-terloops vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den
-neger.</p>
-<p class="par">&bdquo;Zijt gij te Vlissingen gedoopt?&rdquo; vroeg hij
-den neger.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ikke!&rdquo; was het antwoord. &bdquo;Maar
-niet door eene baker gedoopt ben ik!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En gevaren op de &bdquo;Lijnbaan&rdquo;
-soms?&rdquo;</p>
-<p class="par">Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak
-de armen in de hoogte.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat hapert er aan?&rdquo; vroeg Lievensz.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jij bent, jij bent de Barre-Barre....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, ik ben de &bdquo;Barre Bruinvisch,&rdquo;
-en jij bent mijn zeekind Jan Kompanjie!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Hoezee!&rdquo; riep de neger, die
-werkelijk Jan Kompanjie was. &bdquo;Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik
-ben vol, hoezee, dat vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje
-van zee!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jan, Jan,&rdquo; riep de Barre, en drukte den
-neger de hand, &bdquo;dat is al eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee
-aanboord, oude jongen, ga mee, dan kunt gij Michiel zien!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Michiel, Michiel?&rdquo; schreeuwde Jan en deed
-van blijdschap eenen luchtsprong.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, uw vriend Michiel!&rdquo; antwoordde
-Lievensz. &bdquo;Hij is Bevelhebber over die vloot daar! Hij is onze
-Admiraal!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben!
-En waar is Geleyn de drie wonderkind?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog
-gesneuveld! Gevallen als een onoverwonnen zeeheld!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien
-wil Michiel, Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef,
-troef om die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil
-Michiel!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179"
-name="pb179">179</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, zeekind, ga dan maar mee!&rdquo; zeide
-Lievensz.</p>
-<p class="par">Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip
-was hij in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz.
-zeide, dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van
-blijdschap in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem
-de tranen langs de wangen liepen: &bdquo;Jan Kompanjie blij is! Ja
-blij!&rdquo;</p>
-<p class="par">De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep
-naar boven, doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter
-toegeroepen: &bdquo;Admiraal, daar is uw zeebroeder,&rdquo; of Jan was
-al op het dek en kwam onder het geschreeuw van: &bdquo;Michiel,
-leelijke jongen van aap, jongen, jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol
-zijn ik!&rdquo; met geopende armen op zijnen ouden kameraad
-aanloopen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij
-dat?&rdquo; riep De Ruyter, Jan te gemoet gaande.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn
-land, jij Admiraal, jij wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo
-blij wezen zijn!&rdquo; was Jans antwoord.</p>
-<p class="par">Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en
-de nieuwe luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke
-gezichten, die hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was
-Jan Kompanjie.</p>
-<p class="par">Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden
-zoo een en ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens
-heerlijk te smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.</p>
-<p class="par">Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en
-toen ze eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze
-nog eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz.
-zacht in zichzelven: &bdquo;De een Onderkoning in zijn land, de ander
-Vice-Admiraal op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver
-gebracht, verder dan uw zeevader Lievensz., de Barre
-Bruinvisch.&rdquo;</p>
-<p class="par">Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanen
-<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name=
-"pb180">180</a>]</span>en na nog even gebromd te hebben: &bdquo;Pruil
-niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,&rdquo; ging hij weer aan
-zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.</p>
-<p class="par">De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens
-roemrijker daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen
-het doel bereikt.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter
-den rug,&rdquo; zeide De Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de
-Linie passeerden en koers <span class="corr" id="xd21e4925" title=
-"Bron: zett&rsquo;en">zetten</span> naar de West-Indi&euml;n, om daar,
-even als op de Kust van Guinea, de Engelschen te gaan bestoken.
-&bdquo;Ik heb daar zoo even brieven uit het Vaderland ontvangen, en
-daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog niet verklaard heeft,
-maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog is, terwijl hij moord
-en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door ons op de Westkust van
-Afrika en op de Kust van Guinea verricht is.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Old Rowley is valsch tot in zijne nieren,&rdquo;
-bromde Lievensz., met &bdquo;Old Rowley&rdquo; Koning Karel bedoelende.
-&bdquo;En er zal wel op ons geloerd worden ook!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de
-boodschap of we loopen in de fuik,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;Maar
-mijn bevel luidt: &bdquo;Alle Engelsche schepen en bezittingen zooveel
-afbreuk mogelijk doen,&rdquo; dat is een andere last dan die, welken
-Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een fatsoenlijk mensch waaraan hij
-zich houden kan. Ik voor mij heb goeden moed, dat we ditmaal voor de
-Engelschen niet zullen onder doen. We hebben eene prachtige vloot
-tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders dan onder Tromp. Maar dat is
-achter den rug; we moeten nu maar doen, wat te doen is en ook doen, wat
-wij kunnen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel
-voordeel, en toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij
-koers naar het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het
-noorden van <span class="corr" id="xd21e4934" title=
-"Bron: Groot-Britanni&euml;">Groot-Brittanni&euml;</span> <span class=
-"pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>te
-zeilen, daar hij niet wist hoe de stand van zaken was. Weldra evenwel
-vernam hij van een klein Hollandsch scheepje, dat er den dertienden
-Juni bij Lowestoff een zeeslag geleverd was, die allerongelukkigst voor
-de Nederlanders afgeloopen was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam
-had gevochten, als een getergde leeuw, en was met zijn schip in de
-lucht gevlogen. Kortenaer en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot
-was vreeselijk gehavend, en het volk over deze nederlaag zoo
-verbitterd, dat het den dapperen Jan Evertsen, toen deze te Brielle
-aanwal stapte, in het water drong, waarin hij verdronken zou zijn, zoo
-hij niet door den Kapitein van een Fransch vaartuig gered ware
-geworden. Zoodra De Ruyter dit alles vernomen had<span class="corr" id=
-"xd21e4939" title="Bron: .">,</span> begreep hij, dat hij met de meeste
-omzichtigheid met zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en
-dus heel wat geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden
-moest. Mist en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn
-beleid te hulp, en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne
-geheele vloot, en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene
-vreugde toen dit in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd
-letterlijk met open armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot
-Luitenant-Admiraal en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men,
-het heette bij gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig,
-benoemd had. Dat deze manier van handelen onzen trotschen, doch
-dapperen Tromp niet aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het
-duidelijk hoezeer men den trotschen man gegriefd had, en welk eene
-vijandschap hij tegen De Ruyter opgevat had. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e371">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Voor Engelands hoofdrivier.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder
-het opperbevel van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het
-zeldzame schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van
-zijnen tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote
-Jan De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en
-niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten
-onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar
-weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de twee
-volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen, het
-machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen
-weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De
-Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken
-Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.</p>
-<p class="par">Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij
-North-Foreland de beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was
-de Driedaagsche zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is,
-dan zijn deze twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der
-geschiedenis opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben
-om Europa diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel,
-het hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de
-onvergelijkelijk dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen
-zegevierend, niet langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar
-het Vaderland mocht wederkeeren.</p>
-<p class="par">Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam
-over de heele aarde, zelfs door de Engelschen met <span class=
-"pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>eere
-genoemd werd, na die schoone overwinning te Vlissingen aanwal stapte!
-Men verdrong elkander om hem te zien, en iedere Vlissinger, van groot
-tot klein, had een gevoel van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf
-was. De geestdrift, die er heerschte toen van de &bdquo;Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo;<a class="noteref" id="xd21e4956src" href=
-"#xd21e4956" name="xd21e4956src">1</a> zijn Admiraalsschip, het
-kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om zich
-aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde het
-gedonder van het geschut in het geroep van: &bdquo;Hoezee!
-Besteva&ecirc;r Michiel! Hoezee!&rdquo; uitgeschreeuwd tot de keel
-heesch werd door die wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van
-hare kinderen den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was
-niet &eacute;&eacute;n, als hij, die daar kwam in alle nederigheid en
-eenvoud, met oogen die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd
-Vlissingen weer zag; met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht
-aan die lieve, beste, brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de
-groene zoden van het kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te
-slapen was gegaan!</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel!
-Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met
-doek en muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt
-hij! Daar komt hij, Ne&ecirc;rlands roem en vreugde, Engelands vrees en
-schrik! Daar stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij
-is weer in <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name=
-"pb184">184</a>]</span>uw midden! Op, op, nog duizenden en
-tienduizenden malen:</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel!
-Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de
-schitterende overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd,
-die vier dagen duurde, bevochten.</p>
-<p class="par">Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer
-op zee en andermaal levert hij den vijand slag.</p>
-<p class="par">Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders
-sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar&mdash;op eigen hand
-en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden bijna
-vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met zeven of
-acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche hoofdmacht
-verweren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wilde, dat ik maar dood was!&rdquo; roept De
-Ruyter.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik ook,&rdquo; antwoordde de dappere Van Nes,
-&bdquo;ik ook, Besteva&ecirc;r! Maar men sterft niet, als men
-wil!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het is of de Engelschen het er op toeleggen &bdquo;de
-Zeven Provinci&euml;n&rdquo; te vernielen! Alles dreigt te bersten en
-te breken.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, God,&rdquo; roept De Ruyter, &bdquo;o, God,
-hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er nu onder zoovele duizenden kogels niet
-&eacute;&eacute;n, die mij wegneemt?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vader,&rdquo; antwoordt De Witte, Michiels
-schoonzoon en Officier van de mariniers, &bdquo;Vader, hoe spreekt gij
-zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven, laten wij dan in het midden van den
-vijand loopen en ons dood vechten!&rdquo;</p>
-<p class="par">Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een
-oogenblik wanhoopte, tot zichzelven en kalm zegt hij: &bdquo;Gij weet
-niet, wat gij zegt! Als ik d&agrave;t deed, was alles verloren; maar
-als ik mij en deze schepen kan behouden en afbrengen, dan kan men het
-werk daarna hervatten!&rdquo;</p>
-<p class="par">En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk
-eenen meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk,
-vol bewondering voor den grooten <span class="pagenum">[<a id="pb185"
-href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span>zeeheld, hem daarvoor de orde
-van Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings
-beeltenis rijk met goud en edelgesteenten versierd.</p>
-<p class="par">Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret,
-ontving hij door de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef:
-&bdquo;De Ruyter heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd,
-dat hij hem niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke
-overwinning!&rdquo;</p>
-<p class="par">En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag?
-Tromp, die de achterhoede onder zijn bevel had?</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja,&rdquo; zeiden de vrienden van De
-Ruyter;&mdash;&bdquo;neen,&rdquo; zeiden de vrienden van Tromp.</p>
-<p class="par">De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat
-Tromp van zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene
-aanklacht van De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich
-niet gedragen had naar het bevel: &bdquo;Vereenigd blijven!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het was te betreuren, dat het z&oacute;&oacute; ver
-ging; want al was Cornelis Tromp nu ook in dat opzicht schuldig, hij
-had dan toch in datzelfde gevecht met de Engelsche achterhoede eenen
-zwaren strijd gestreden en getoond, wat hij voor de belangen van het
-Vaderland over had.</p>
-<p class="par">Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die
-nog niets in den Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn.
-Deze vriendschap was in die dagen van partijschap, reeds meer dan
-voldoende om iemand in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar
-wij dit zeggen, doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan
-De Witt, die de Republiek z&oacute;&oacute; machtig maakte, werkelijk
-zich, ten opzichte van Oranje, soms zeer kleingeestig betoonde.
-Diezelfde Jan De Witt, &eacute;&eacute;n van ziel en &eacute;&eacute;n
-van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen tot
-eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het was
-evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden, die hij
-zichzelven bezorgde, en het <span class="pagenum">[<a id="pb186" href=
-"#pb186" name="pb186">186</a>]</span>was zijn tegenstrevende geest, die
-zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.</p>
-<p class="par">Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien
-zeeslag hadden de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om
-honderdveertig onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en
-het dorpje West-Terschelling af te loopen.</p>
-<p class="par">Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.</p>
-<p class="par">Het is de twee&euml;ntwintigste Juni van het jaar 1667,
-en we bevinden ons weer, in gedachten, aanboord van &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n,&rdquo; aan den mond van den Theems.</p>
-<p class="par">Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant
-ter zee, en dus de leiding van den &bdquo;Barren Bruinvisch&rdquo;
-ontwassen, houden evenwel te veel van den krachtigen grijsaard om hem
-links te laten liggen. Zij zijn op het oogenblik met hem in gesprek en
-wel naar aanleiding van het betrokken gezicht des ouden mans.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat
-ge vandaag zoo leelijk kijkt?&rdquo; vraagt Engel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar
-pruttelen! Hij heeft vandaag het land!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan
-hapert, Vader!&rdquo; spreekt nu Jan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het
-is omdat onze Tromp niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop
-niet weg! Vraag het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: &bdquo;Ik
-wilde wel om heel wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf
-heeft berouw over zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen
-bijleggen! Ge weet toch zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat
-gesmeekt heeft om toch mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon
-Kapitein! Dat heeft hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd?
-&bdquo;Neen, gij blijft hier, en als gij het hart hebt naar de vloot te
-gaan, of er <span class="corr" id="xd21e5021" title=
-"Bron: zelf">zelfs</span> maar naar te schrijven, dan zullen we dat
-beschouwen en straffen als muiterij!&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel
-gezegd hebben? Weet ge dat zeker?&rdquo; vroeg Engel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in
-eenen loefbalk, en mijne horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf
-worden als penterhaken, zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die
-pennelikkers, tegen eenen man, die zijn Vaderland misschien wel
-duizendmaal meer lief heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn
-Vaderland niet bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie
-durft dat? Ik zal hem in zijn aangezicht zeggen: &bdquo;Kerel, ga in
-het kluisgat zitten, en laat je leugenachtige tong door het ankertouw
-uittrekken. Is niet Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En
-heeft hij die &bdquo;Fransozische mosjeus&rdquo; niet met eenen
-zeemansknoop zoo netjes in lij gebracht, dat ze als afgetuigde
-zestigers niet wisten hoe weer in volle zee te komen? Laat Meester Jan
-komen als hij durft en....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij.
-Ge weet toch dat Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van
-Meester Jan is, en zich bij ons op de vloot bevindt!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet
-zulk een gesuikerde sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van
-zeezaken? Is het geene schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij
-zoo goed als onder eenen &bdquo;winkelier ter zee&rdquo; staat?&rdquo;
-riep de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; driftig.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge
-wordt oproerig op uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet
-onder de Heeren Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in
-en&mdash;is dan ook van de verantwoording af, onverschillig hoe de zaak
-een einde neemt.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed
-afloopt, en ze z&agrave;l goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen,
-de zakjes plakkers, de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er
-verloren dan krijgt de Admiraal de schuld. Kijk, als ik <span class=
-"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span>baas
-was, ik nam eenen zwabber, ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik
-zou hen naroepen: &bdquo;Gaat van mijne schuit, je bederft mijne
-vracht! Maar, daar komt uw Vader aan, Jonker! Misschien zal hij u wel
-komen zeggen dat de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; spijkers met koppen
-slaat! Adjuus!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hei, bootsman, blijf eens even,&rdquo; riep De
-Ruyter, en toen hij dicht bij het groepje was, voegde hij den ouden man
-toe: &bdquo;Hoe vandaag alweer zoo obstinaat, Vadertje?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk,
-dat....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding
-ontvangen heb?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Is er eenig voordeel behaald, Vader?&rdquo; riep
-Engel.</p>
-<p class="par">&bdquo;Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt
-ge? Meer, Engel! De trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les
-gehad, dat hij den slag nog jaren lang voelen zal!&rdquo; sprak De
-Ruyter met oogen, die van blijdschap straalden.</p>
-<p class="par">Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den
-dag. Alleen de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men
-goed keek, zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.</p>
-<p class="par">&bdquo;En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat
-geene tijding om van pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten
-te verschieten?&rdquo; vroeg De Ruyter, die misschien wel wist, dat
-Lievensz. nu juist geen kruit over had voor vreugdeschoten.</p>
-<p class="par">&bdquo;Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat
-zooals ik voorspeld heb!&rdquo; was het knorrige antwoord.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat voorspeld, Lievensz.?&rdquo; vroeg De
-Ruyter.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken!
-Kijk, ik zou liever mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder
-landrotten wilde staan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier
-en wie zijn die landrotten?&rdquo; vroeg De Ruyter op wat minder
-vriendelijken toon dan hij gewoon was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die
-kerel <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name=
-"pb189">189</a>]</span>pakjes suiker afwege en vanboord blijve. Hij
-heeft net zooveel verstand van de zeevaart als eene koe van het
-kerkorgel,&rdquo; riep Lievensz. op bitteren toon.</p>
-<p class="par">&bdquo;Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat
-ge eerlijk zijt, en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene
-oneer in zie met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te
-raadplegen, dan voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich
-uit te laten, alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken
-is. Straffen zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt,
-zou ik het niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zou Michiel mij straffen kunnen?&rdquo; vroeg
-Lievensz. eenigszins geraakt, &bdquo;mij straffen, omdat ik woedend
-word, als ik zie, dat winkeliers Stadhouders wegpoetsen om zelf voor
-Prins en Stadhoudertje te kunnen spelen, en dan op hoogen toon bevelen
-geven aan mannen, die hen wel uit de mouw kunnen schudden? De Republiek
-heeft tegenwoordig eenen wonder-stadhouder, die wel tien of twintig
-lichamen heeft, maar het zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en
-rozijnen.&rdquo;</p>
-<p class="par">De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter
-bedacht hij wel, dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond
-had, toen hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van
-het scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder
-hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: &bdquo;Het zou mij
-leed doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar
-doen, zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde
-wilt bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over
-de lippen komen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen
-en zeide toen: &bdquo;Het baat u niet, dat gij u in barre woorden
-uitlaat, Michiel! Ik ken u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van
-het Vaderland laat gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk,
-Admiraal, zooals door weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen
-en&mdash;ik zal trachten een <span class="pagenum">[<a id="pb190" href=
-"#pb190" name="pb190">190</a>]</span>held te zijn als
-Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik wist wel, dat mijn zeevader kon
-gehoorzamen,&rdquo; zeide De Ruyter en gaf hem de hand, die door den
-&bdquo;Barren Bruinvisch&rdquo; met eenen traan in het oog gedrukt
-werd.</p>
-<p class="par">Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.</p>
-<p class="par">Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan
-Engel en zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit
-gezonden smaldeel onder Van Ghent verricht waren.</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e4956" href="#xd21e4956src" name="xd21e4956">1</a></span> Het
-Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen onzer vloot,
-telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim 51, eene
-breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde men zeggen,
-dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien was, dan had
-men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit schip, dat door
-onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis verkregen heeft, werd in
-1694 voor sleet, dat is voor afbraak, verkocht en&mdash;zelfs in het
-rijks-museum is er geen splintertje te vinden van het beroemde
-vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op alle wateren ronddroeg. Het
-is wel jammer. In den beroemden tocht naar Chattam had De Ruyter
-aanboord van dit schip ruim 450 man.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e4956src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e380">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Chattam.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om
-het met eigen oogen te zien.</p>
-<p class="par">Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche
-vloot Engelands schoonste en breedste rivier opgevaren.</p>
-<p class="par">Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van
-Ghent, aanboord van wiens Admiraalsschip &bdquo;De Agatha&rdquo; zich
-de Gecommitteerde van de Staten van Holland, Cornelis De Witt,
-bevond.</p>
-<p class="par">En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de
-grootste Engelsche oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder
-bescherming van de forten aan den oever der rivier.</p>
-<p class="par">Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen
-gebracht worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het
-eilandje Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot
-de rivier Medway, bij Rochester.</p>
-<p class="par">Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen
-ketting, die op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over
-dien ketting komen?</p>
-<p class="par">Wie? Op &bdquo;De Agatha&rdquo; zat een Kapitein, een
-Nederlandsch <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name=
-"pb191">191</a>]</span>Kapitein gevangen, omdat hij zich tegen het
-bevel van De Witt gedragen had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoogmogende Heer,&rdquo; zegt hij tot De Witt,
-&bdquo;geef mij mijnen degen terug en daarbij het oudste schip der
-vloot. Laat mij goedmaken, wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen
-v&oacute;&oacute;r of over dien ketting aanvallen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die
-zoo spreekt.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hier is uw degen, en daar is uw schip,
-Kapitein!&rdquo; zegt De Witt en wijst hem Van Brakels eigen schip,
-&bdquo;De Vrede&rdquo;, aan.</p>
-<p class="par">Daar snelt Van Brakel heen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee!&rdquo; roept het scheepsvolk, als het hem
-ziet. &bdquo;Hoezee! Daar is onze oude baas weer!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, mannen,&rdquo; roept Van Brakel, &bdquo;ja,
-hier ben ik! Vooruit! Ons is de eer gegund van het eerst hier aan den
-dans te mogen gaan. Ziet ge daar dat koningsschip voor den ketting? Dat
-hebben die rabauwen vroeger van ons gekaapt. Het is de oude
-&bdquo;Eendracht&rdquo;! Vooruit, haalt de kaas terug, die de
-Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">En donderend schreeuwt men hem na: &bdquo;Vooruit!
-Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het
-smaldeel &bdquo;De Vrede&rdquo; na.</p>
-<p class="par">Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de
-schepen geven hem de volle laag.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vooruit, mannen! Vooruit!&rdquo; roept Van
-Brakel, en schudt de lange, grijze haren, als een leeuw zijne
-manen.</p>
-<p class="par">Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te
-wachten om op hunne beurt los te branden.</p>
-<p class="par">Tot op een musketschot afstands is men nu &bdquo;The
-Unity&rdquo;, zooals de Engelschen het schip gedoopt hebben,
-genaderd.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vuur!&rdquo; kommandeert Van Brakel, en zijne
-mannen branden los. <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192"
-name="pb192">192</a>]</span></p>
-<p class="par">Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip
-waarop Hollands vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar
-is?</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Voor Besteva&ecirc;r Michiel en het lieve
-Vaderland!&rdquo; roept Van Brakel, niet denkende, dat Besteva&ecirc;r
-niet aan het hoofd der overwinning mag staan, maar in de verte ligt,
-als een lafaard, die anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf
-niet durft! Besteva&ecirc;r een lafaard! Cornelis De Witt de held, de
-man, die durft en kan!<a id="xd21e5138" name="xd21e5138"></a></p>
-<p class="par">Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein
-Van Brakel op het oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou
-ik niet durven bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer
-Prinsgezind en zag met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot
-was. Algemeen was men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet
-zoo zeer vanboord en buiten betrekking hield om zijnen twist met De
-Ruyter, als wel om zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de
-zijnen, hoeveel ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der
-Vereenigde Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te
-maken, bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De
-Witt, omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land,
-aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat
-hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had,
-dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou
-zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben,
-diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en niet
-zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te toonen,
-dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.</p>
-<p class="par">Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.</p>
-<p class="par">Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke
-nabijheid van &bdquo;The Unity.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
-"pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Valt aan, mannen, valt aan!&rdquo; klinkt de
-machtige stem van den grijzen held.</p>
-<p class="par">&bdquo;Op, op, jongens! Voor den
-&bdquo;Dolle&rdquo;!&rdquo; schreeuwt zijn volk, klampt zich aanboord
-van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat maar hou-vast
-biedt, naar boven en ziet den &bdquo;Dolle&rdquo; hun het pad
-wijzen.</p>
-<p class="par">Ze zijn er! Ze zijn er!</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet
-zoo gemakkelijk glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!&rdquo;
-klinkt Van Brakels luid kommando-woord weer, en onze mannen hem
-naschreeuwende, klauteren als katten tegen het schip op.</p>
-<p class="par">Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht
-met wat men vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de
-enterbijl laten vallen of vergeten.</p>
-<p class="par">Daar wijkt de vijand!</p>
-<p class="par">&bdquo;Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal
-ontstolen werd! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting
-moest verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over.
-Het waagstuk is volbracht.</p>
-<p class="par">Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.&mdash;De
-eerste brander &bdquo;De Susanna,&rdquo; Kapitein Hendrik Esdre, komt
-moedig er op los. Zijn volk stoort zich niet aan de vijandelijke
-kogels, die om de ooren fluiten, doch deinst toch voor den ketting
-terug. Nu volgt de brander &bdquo;Pro Patria&rdquo; gekommandeerd door
-Kapitein Van de Rijn.</p>
-<p class="par">Zal deze ook deinzen?</p>
-<p class="par">&bdquo;Vooruit! Vooruit!&rdquo;</p>
-<p class="par">Wat plonst daar in het water en schuift langs de
-vlotten, die aan zware ankers liggen, en den ketting dragen, in de
-diepte? Wat is dat? Het is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor
-de heele Nederlandsche vloot opent. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span></p>
-<p class="par">De &bdquo;Pro Patria&rdquo; hecht zich aan het Engelsche
-schip &bdquo;Matthias&rdquo;, dat spoedig vlam vat en weldra met eenen
-donderenden slag in de lucht springt.</p>
-<p class="par">Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt
-zich met jeugdige geestdrift in eene sloep.</p>
-<p class="par">Daar ligt de &bdquo;Carolus Quintus,&rdquo; een schip,
-dat ook eenigen tijd geleden ons door de Engelschen ontnomen is
-geworden.</p>
-<p class="par">Met den degen in de vuist klimt de &bdquo;Dolle&rdquo;
-weer naar boven, valt de bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in
-het schip en laat het brandende zinken.</p>
-<p class="par">En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige
-&bdquo;Royal Charles&rdquo; veroverd.</p>
-<p class="par">Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....</p>
-<p class="par">Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!</p>
-<p class="par">Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal
-De Liefde steekt er de Hollandsche vlag van uit.</p>
-<p class="par">Daar nadert &bdquo;De Agatha&rdquo;, zoo heet het
-Admiraalsschip van Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt,
-Ruwaard Van Putten, bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het
-genomen Britsche Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de
-Hoog-Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:</p>
-<p class="par">&bdquo;<i lang="nl">Op huiden heeft God Almachtig de
-wapenen van den Staat zoo goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij
-en alle d&rsquo; ingesetenen zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs
-Genade niet genoegsaem kunnen dancken.</i>&rdquo; Aan zijnen broeder,
-den Raadpensionaris, schreef hij: &bdquo;<i lang="nl">Danckende God
-Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd den hoogmoed van
-de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van Uwe Hoogmogenden
-sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet konnen twyfelen of
-de vrede sal tot volkomen contentement van den Staet getroffen konnen
-worden.</i>&rdquo;</p>
-<p class="par">Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held
-van den dag te zijn, en begon nu zijn geschut los te <span class=
-"pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name=
-"pb195">195</a>]</span>branden op de forten, en deze leden zoo
-geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.</p>
-<p class="par">Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk
-werd gestaakt om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel
-van De Ruyter te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was
-door Van Ghent en den Ruwaard Van Putten volbracht.</p>
-<p class="par">Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de
-geheele Nederlandsche vloot op den middag van den
-drie&euml;ntwintigsten Juni voor het kasteel Upnor, dat een hevig
-geschutvuur op onze schepen, die rustig en bedaard het anker lieten
-vallen, opende.</p>
-<p class="par">Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van
-aarzeling, zulk een klein oogenblik van wankelenden moed, op eene
-onverklaarbare wijze ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het
-punt staat met eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op
-eenmaal eene heel andere wending geeft en de verwachte glorierijke
-overwinning in eene volkomen nederlaag doet veranderen.</p>
-<p class="par">Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van
-onverklaarbare aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is,
-gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op Lievensz.
-toesnellende, roept hij dezen toe: &bdquo;Bootsman, vlug, als de wind
-zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of alles,
-alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven!
-Vooruit!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Mannen,&rdquo; roept hij tot zijn volk, &bdquo;ik
-ga er zelf op los. Vier booten uit!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed, Admiraal,&rdquo; antwoordden dezen en
-weldra liggen sterk bemande sloepen aan den valreep, waar De Ruyter
-juist langs af wil klimmen, als De Witt hem vraagt: &bdquo;Waar
-d&agrave;t heen, Admiraal?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als ik mijn volk den weg niet wijs,
-Hoog-Edelmogende, dan is alles, alles verloren. Er is een bevel
-gegeven, dat <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name=
-"pb196">196</a>]</span>niet goed was of verkeerd begrepen is. Zie maar,
-er is wanorde, er is aarzeling!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik ga met u,&rdquo; zegt De Witt en stapt, tot
-groote ergernis van den &bdquo;Barren Bruinvisch&rdquo;, ook in de
-sloep.</p>
-<p class="par">En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen
-dreigt te verflauwen en het gevaar het grootst is.</p>
-<p class="par">&bdquo;Mannen, daar komt Besteva&ecirc;r kijken of we
-het wel goed doen!&rdquo; klinkt het dan, en aangevuurd door een:
-&bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel! Hoezee!&rdquo; vatten ze den
-moed weer op, slaan den vijand terug, vernielen zijne schepen, steken
-ze inbrand en laten ze in de lucht vliegen.</p>
-<p class="par">Daar valt men de &bdquo;Royal Oak&rdquo; aan. Het volk,
-aangevoerd door zijnen Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch,
-niet genoeg bijgestaan, gaat het op de vlucht.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vlucht! vlucht! Kapitein,&rdquo; zoo roepen zijne
-matrozen hem haastig toe.</p>
-<p class="par">Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de
-matrozen woedend aan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!&rdquo; smeeken
-zijne onderhoorigen hem bijna.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit
-gezien, dat een Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post
-verliet! Vlucht gij, ik blijf!&rdquo;</p>
-<p class="par">De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de
-vlammen van zijn brandend schip om.</p>
-<p class="par">De nederlaag der Engelschen was volkomen.</p>
-<p class="par">Des Konings broeder, de Hertog van York,&mdash;de
-Admiraal der Engelsche vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden,
-machteloos, aan den oever der rivier dat werk der vernieling moeten
-aanzien.</p>
-<p class="par">Gansch Engeland beefde en sidderde.</p>
-<p class="par">In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne
-kostbaarste zaken bijeen en vlood er mede de poorten uit.</p>
-<p class="par">Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht
-tot gracht, van bedelaarskluis tot koningswoning, klonk <span class=
-"pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span>het
-geroep van: &bdquo;Vlucht, vlucht! De Hollanders komen! Duizenden
-soldaten zijn er aanboord om te landen! Vlucht! Vlucht!&rdquo;</p>
-<p class="par">Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht
-uit; want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de
-honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was niet
-laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd voor
-den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands
-gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en
-terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den
-vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te
-rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever
-een leger van ruim twaalfduizend man.</p>
-<p class="par">Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak
-volbracht hadden, en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van
-later dagen met recht te doen zeggen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Een landverrader om te koopen,</p>
-<p class="line">Een weerloos eiland af te loopen,</p>
-<p class="line xd21e147">Is werk van lafaards, lafaards waard.</p>
-<p class="line">Maar trotsche Britten te doen knielen,</p>
-<p class="line">En Eng&rsquo;lands keurvloot te vernielen,</p>
-<p class="line xd21e147">Is werk van mannen, mannen waard.&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">Den volgenden dag werden de ankers gelicht en
-statig zakte de Nederlandsche vloot de rivier af, als
-overwinningsteekenen, &bdquo;The Unity&rdquo; en &bdquo;Royal
-Charles&rdquo; mede voerende.</p>
-<p class="par">Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze
-wilden het wel beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene
-schepen meer om de stoutmoedigen na te jagen.</p>
-<p class="par">Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche
-koningsschip hun aan het hart ging!</p>
-<p class="par">Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of
-gezonken, het zou niet zoo erg geweest zijn!</p>
-<p class="par">Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien
-sleepen <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name=
-"pb198">198</a>]</span>naar dat kleine land van kaasboeren en
-kruideniers, dat konden ze niet verkroppen!</p>
-<p class="par">Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen
-grijpen en schrijven: &bdquo;Die heilige kiel, de lust der
-oorlogsvloot, nu een buit, en de slaaf van eenen geringen
-overwinnaar.&rdquo;<a class="noteref" id="xd21e5288src" href=
-"#xd21e5288" name="xd21e5288src">1</a></p>
-<p class="par">Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de
-twee prijzen naar het Vaderland gebracht.</p>
-<p class="par">De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht
-voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede
-was, bleef onze vloot kruisen om, &ograve;f nieuwe heldendaden te
-verrichten, &ograve;f den vijand te beletten zich te versterken,
-terwijl men zorgvuldig den mond van de Theems gesloten hield.</p>
-<p class="par">Dit laatste was het geval; er werd niet meer
-gevochten.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nog al niet naar den zin, oude jongen?&rdquo;
-vroeg Engel op zekeren morgen aan Lievensz., die met een ontevreden
-gezicht naar het water stond te kijken.</p>
-<p class="par">&bdquo;Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen
-weten, wie het naar den zin kan hebben?&rdquo; antwoordde Lievensz.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben,
-Jonker! Het ergert me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in
-eene praam gezet moeten worden. Wat doen wij hier?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger
-lijden, opdat ze zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en,
-als de Engelschen het wisten, wat we nog meer deden, dan....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie
-niemendal gebeuren, dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk
-in de booten rondscharrelen, alsof ze spiering visschen.&rdquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name=
-"pb199">199</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet
-ge stellig wel beter.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik
-er wat van begrijp, Jonker!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt
-het wel weten. Vader laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen
-en in kaart brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even
-goed den weg weten, als bij Texel of op de Schelde.&rdquo;</p>
-<p class="par">De &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; wreef de hand over het
-gerimpelde gelaat, doch zeide niets.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, wat zegt gij ervan?&rdquo; vroeg Engel.</p>
-<p class="par">&bdquo;<a id="xd21e5332" name="xd21e5332"></a>Wat ik
-zeg, Jonker? Wat ik zeg?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en
-niet verder meer zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog
-meer dan een zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man,
-die tegen duizend mannen opweegt.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg,
-Grootvadertje!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog
-minder dan anders! Die Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn
-vaarwater en nu meer dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op
-de vloot om toe te zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man,
-zooals Michiel Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht.
-Maar, hoor ik daar niet schieten?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als
-er bericht uit Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is,&rdquo;
-antwoordde Engel, die goed geraden had.</p>
-<p class="par">De Opperbevelhebber van &rsquo;s Lands vloot ontving de
-tijding dat den eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de
-Republiek der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank
-zij den tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.
-<span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name=
-"pb200">200</a>]</span></p>
-<p class="par">Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer
-opzoeken, doch door bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch
-eerst in October.</p>
-<p class="par">Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers
-van den vrede, ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd
-hij begroet met een blij geroep van &bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r
-Michiel! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend,
-zooveel eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten
-zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap
-ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter
-Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles
-liefhad.</p>
-<p class="par">Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den
-Bevelhebber van &rsquo;s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen
-uit te reiken, dat spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der
-zee rechtmatige hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal
-verloren, beschreven perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen
-vallen in puin, gesproken woorden worden vergeten. &bdquo;Doch,&rdquo;
-zegt J. A. Brand, een van De Ruyters lofredenaars, &bdquo;al werden al
-deze gedenkteekenen door den stroom des tijds verzwolgen, zoo zoude nog
-Engelands hoofdrivier, zoo lang zij hare golven zal zien voortrollen,
-den nakomeling, Ne&ecirc;rlands glorie en De Ruyters wapenroem
-herinneren.&rdquo;</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5288" href="#xd21e5288src" name="xd21e5288">1</a></span></p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div lang="en" class="lgouter footnote">
-<p class="line">&bdquo;That sacred keel, that pleasure-boat of war,</p>
-<p class="line">Now a cheap spoil, and the mean victor&rsquo;s
-slave.&rdquo;</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<p class="par">&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5288src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e389">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 lang="la" class="main">Luctor et Emergo.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon
-men weer het oorlogszwaard in de scheede steken.</p>
-<p class="par">Voor hoe lang?</p>
-<p class="par">De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk
-door heel Europa. <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201"
-name="pb201">201</a>]</span></p>
-<p class="par">Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.</p>
-<p class="par">Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo
-gevaarlijk voor een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in
-bevolking dan wij.</p>
-<p class="par">Engeland was verwoed, dat het voor zulk eenen handvol
-kooplieden had moeten sidderen. Het schaamde zich voor de oogen van
-heel de wereld.</p>
-<p class="par">Frankrijk, over welk land de heerschzuchtige Koning
-Lodewijk XIV regeerde, had met een zeker welgevallen gezien, dat twee
-Mogendheden terzee elkander beoorloogden. Het hoopte, dat die twee
-elkander zoo goed als vernielen zouden, en als zij dan ook van meet af
-moesten beginnen, wel, dan kon Frankrijk ook mededingen naar de
-heerschappij terzee. Maar n&ograve;ch het een, n&ograve;ch het ander
-was gebeurd. Engeland was geslagen, maar niet vernietigd, en Nederland
-trad als overwinnaar sterker en machtiger dan ooit, na den vrede te
-voorschijn. En dan die Raadpensionaris, die Johan De Witt, die hem, den
-machtigen Lodewijk, te slim af was, die telkens liet blijken, dat hij
-voor slimheid geslepenheid inruil gaf, ja, die hem dikwijls noodzaakte
-te bekennen, dat hij hem in staatsmanswijsheid verre boven het hoofd
-gewassen was! Dat was voor den trotschen Lodewijk niet om te dulden. En
-Zweden, dat ook eens de macht van onze wapenen had moeten voelen, kon
-het eveneens moeielijk verkroppen, dat het voor een land, door
-kooplieden geregeerd, had moeten bukken, terwijl Denemarken er wel een
-weinig me&ecirc; verlegen was, dat het aan eene Republiek zooveel te
-danken had.</p>
-<p class="par">En toch, zij allen moesten het zien, dat die kleine hoop
-van boeren, kooplieden en visschers in Europa, zooveel als de eerste
-viool speelde, en, wilden ze geen gevaar loopen met dezelfde boeren,
-kooplieden en visschers aan den dans te gaan, dan moesten ze nog heel
-beleefd wezen op den koop toe; er was voorshands niets aan te doen.</p>
-<p class="par">Er zat voor het oogenblik voor Engeland en Zweden dus
-<span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name=
-"pb202">202</a>]</span>niets anders op, dan een drievoudig verbond te
-sluiten met de Republiek der Vereenigde Nederlanden.</p>
-<p class="par">Dat viel Frankrijk bitter tegen, doch het zweeg en
-wachtte zijnen tijd af, zelfs toen Spanje in 1669 tot het drievoudig
-verbond toetrad.</p>
-<p class="par">Toen begon Lodewijk al dadelijk middelen in het werk te
-stellen om dat verbond, dat eigenlijk alleen tegen hem gericht was, uit
-elkander te doen springen.</p>
-<p class="par">Het eerst beproefde hij dat bij de gehate Republiek, die
-hem evenwel het hoofd liet stooten.</p>
-<p class="par">Nu wendde hij zich tot Engeland, wiens Koning Karel II
-graag naar Lodewijk luisterde, als deze hem maar wat geld gaf. Want
-geld had deze verkwister maar al te veel noodig, en toen Koning
-Lodewijk hem een groot jaargeld beloofde, dacht Karel er geen oogenblik
-aan, of hij voor zijn volk, dat van het jaargeld geene voordeelen had,
-ook goed handelde, uit het drievoudig verbond te treden.</p>
-<p class="par">En Zweden?</p>
-<p class="par">Ook dat land had wel ooren voor de mooie woorden van
-Lodewijk, die zich in alle stilte verkneuterde, dat hij nu toch dien
-Hollandschen kaasboer en kruidenier, dien Jan De Witt, te slim af
-geweest was.</p>
-<p class="par">De man bedroog zich echter; want de Raadpensionaris wist
-alles reeds, ja, misschien nog eer dan Lodewijk.</p>
-<p class="par">Maar wat zou de Raadpensionaris doen?</p>
-<p class="par">Het was in het land ook al niet, zooals Joost Van den
-Vondel eens zong:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Het is al boter, tot den bo&ocirc;m,</p>
-<p class="line">Men zingt al Pais en Vree.&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">Integendeel, het was er verre af.</p>
-<p class="par">Willem Hendrik, Prins van Oranje, doch ambteloos burger
-in den Staat, was meerderjarig geworden en werd, na, als Eerste Edele
-van Zeeland opgetreden te zijn, ook Lid van den Raad van State.
-<span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name=
-"pb203">203</a>]</span></p>
-<p class="par">Maar hiermede was het volk niet tevreden. Het was de
-Stadhouderlooze Regeering reeds lang moede en wilde wat anders hebben.
-Het wilde dat de Prins w&aacute;t zou zijn.</p>
-<p class="par">Jawel, wat zijn, maar w&aacute;t? Noemt iets, noemt
-alles behalve Stadhouder Kapitein-Generaal en Admiraal der Unie, alles
-en we zullen zien, wat we doen zullen, heette het.</p>
-<p class="par">Daar begon Frankrijk onzen handel moeielijkheden in den
-weg te leggen.</p>
-<p class="par">Leer om leer, wij bemoeilijkten den zijnen,
-en&mdash;benoemden bovendien Willem Hendrik, Prins van Oranje tot
-Kapitein-Generaal voor &eacute;&eacute;nen veldtocht.</p>
-<p class="par">En er was geen oorlog?!</p>
-<p class="par">Neen, maar er zou oorlog komen, dat wees alles aan.
-Daarom had men ook al besloten de vloot weer in haren vroegeren
-toestand te brengen, het leger te lande te versterken en de
-vestingwerken te verbeteren.</p>
-<p class="par">Het eerste was tendeele geschied; het tweede en laatste
-moest nog gebeuren.</p>
-<p class="par">De vloot was het stokpaardje van den Raadpensionaris en
-van Holland en Zeeland, zeide men, en alles pleit er voor, dat dit zoo
-was.</p>
-<p class="par">Daar werd den zevenden April 1672 ons door Frankrijk den
-oorlog verklaard, niettegenstaande al het mogelijke beproefd was, dien
-te voorkomen.</p>
-<p class="par">En nauwelijks had men de oorlogsverklaring van Frankrijk
-gelezen, of daar kwam een brief vanwege den Koning van Engeland, die
-ons, in navolging van den man, die hem geld gaf voor zijne
-verkwistingen, ook den oorlog verklaarde.</p>
-<p class="par">Weg was het mooie plan van den Raadpensionaris om
-Frankrijk door Engeland en Engeland door Frankrijk in bedwang te
-houden.</p>
-<p class="par">Door twee machtige vijanden besprongen en voor
-&eacute;&eacute;n niet veel meer dan half klaar. De vloot was goed en
-men wachtte Engeland en Frankrijk op zee rustig af, want <span class=
-"sc">hij</span> <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204"
-name="pb204">204</a>]</span>leefde nog. <span class="sc">Hij</span> zou
-zich weer met eenen Gevolmachtigde aan het hoofd der vloot stellen,
-<span class="sc">hij</span>, die Engeland had doen sidderen en beven;
-<span class="sc">hij</span>, die door den trotschen Lodewijk als Ridder
-zonder vrees of blaam vereerd en gevleid werd; <span class=
-"sc">hij</span>, de Luitenant-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter;
-<span class="sc">hij</span>, Besteva&ecirc;r Michiel, die na vier jaren
-rust, het bordes van zijne woning op het Nieuwe-Waalseiland afstapte,
-de &bdquo;Zeven Provinci&euml;n,&rdquo; beklom en sprak: &bdquo;Hier
-ben ik! Tot uwen dienst, Mijne Heeren!&rdquo;</p>
-<p class="par">Laat komen Brit en Gal, onze Vlissinger Michiel zal hen
-te woord staan!</p>
-<p class="par">Maar te land stonden de zaken minder goed.</p>
-<p class="par">Een jongeling, ziek en zwak, zonder eenige ondervinding,
-aan het hoofd van een leger, dat er eigenlijk niet was, maar nog komen
-moest, die vestingen zou moeten verdedigen, waar het gras in de
-grachten groeide, en de kanonnen op de affuiten verroest waren. Een
-jongeling, stil en afgetrokken, wel door den Raadpensionaris doorkneed
-in staatsmanswijsheid, maar als Veldheer ongeoefend, tegenover Lodewijk
-XIV en zijne wakkere legerhoofden!</p>
-<p class="par">En alsof het niet genoeg ware dat Frankrijk de Republiek
-van de landzijde aanviel, kwamen in Mei de Bisschoppen van Munster en
-Keulen ons ook nog den oorlog verklaren.</p>
-<p class="par">Zegevierend trok de vijand ons land binnen.</p>
-<p class="par">En De Witt en zijne vrienden?</p>
-<p class="par">Lang hadden ze zich, trots alle kuiperijen en
-oproerskreten, staande gehouden, en ze gevoelden zich krachtig genoeg
-den lande verder te dienen, als maar de bevolking in die bange dagen,
-instede van tegen te werken, hen had willen helpen.</p>
-<p class="par">Maar van de medewerking van de zijde des Volks was niet
-veel te zien, integendeel, het zag er niet te best uit binnen de
-Republiek der Vereenigde Nederlanden. Nog eer de zomer zijnen intocht
-in ons land hield, lag Lodewijk XIV <span class="pagenum">[<a id=
-"pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span>al voor Utrecht en
-maakte er zich den drie&euml;ntwintigsten Juni meester van.</p>
-<p class="par">Slechts Holland, Zeeland en Friesland waren vrij van den
-vijand. Ook Zeeland met zijn wapen, dat eenen klimmenden leeuw in de
-golven voorstelt met het onderschrift: <i lang="la">Luctor et
-emergo</i>, dat is: &bdquo;Ik worstel en ontkom.&rdquo;</p>
-<p class="par">Ik worstel.</p>
-<p class="par">Men behoefde dat niemand te zeggen; ieder zag dat, ieder
-werd dat gewaar. Niemand was er, die het tegensprak of ontkende:
-&bdquo;<span lang="la">Luctor</span>&rdquo;!</p>
-<p class="par">Maar &bdquo;<span lang="la">emergo</span>&rdquo;?
-&bdquo;Ik ontkom?&rdquo;</p>
-<p class="par">D&agrave;t stond nog te bezien! Alles deed vreezen, dat
-de Zeeuwsche en de Hollandschen leeuwen, den kampstrijd moede, het
-opgeven zouden.</p>
-<p class="par">Maar is er dan niet &eacute;&eacute;n, die met forsche
-vuist den Engelschen Luipaard op de vlucht jaagt en de Fransche
-Leli&euml;n afmaait? Niet &eacute;&eacute;n?</p>
-<p class="par">&bdquo;Hei, Vlissinger Michiel! Waar zit ge,
-Besteva&ecirc;r?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hier ben ik! Tot uwen dienst, Mijne
-Heeren!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zouden die leeuw van Zeeland en die leeuw van
-Holland het houden, h&eacute;?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het houden, Mijne Heeren? Het houden? Als God en
-de mijnen maar helpen willen, dan zullen we dat onderschrift
-w&aacute;&aacute;r maken: <span lang="la">Luctor et emergo</span>! Heet
-mijn schip niet &bdquo;De Zeven Provinci&euml;n&rdquo;? Het zullen er
-zeven blijven, wat mij en mijne kinderen ter zee betreft. Waarheen zal
-het gaan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Waarheen? Waarheen? Overal waar de vijand is
-Admiraal!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Goed, Mijne Heeren, wij zullen hem overal zoeken
-waar hij te vinden is en te woord staan, zooals ons dat
-past.&rdquo;</p>
-<p class="par">Men vond hem eindelijk den zevenden Juli te Solebay.</p>
-<p class="par">Het was eene machtige vloot nu de Engelschen zich met de
-Franschen vereenigd hadden, en ze telde niet minder dan honderd
-twee&euml;nvijftig schepen van allerlei grootte en vorm. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name="pb206">206</a>]</span></p>
-<p class="par">De onze telde er honderd drie&euml;ndertig, doch het
-kleiner getal schepen werd goed gemaakt door eene keur van Aanvoerders
-en den uitnemenden geest der manschappen.</p>
-<p class="par">Als Gevolmachtigde van de Staten bevond Cornelis De Witt
-zich aanboord van De Ruyters Admiraalsschip, dat alweer &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; was.</p>
-<p class="par">Engel De Ruyter kommandeerde, als Kapitein, nu ook voor
-het eerst een eigen schip, &bdquo;De Deventer&rdquo; geheeten. Het
-voerde zesenzestig stukken geschut en had behalve zestig zeesoldaten of
-mariniers, tweehonderd vijftig man aanboord. Als Eerste Officier was
-Jan Lievensz., er ook. Hoewel hij ook Kapitein op een oorlogsschip had
-kunnen worden, had hij dit van de hand gewezen, omdat hij in dat geval
-dan een schip gekregen had om in de Middellandsche zee te kruisen.</p>
-<p class="par">Bij De Ruyter was de oude Lievensz. ook weer aanboord,
-hoewel de man te oud geworden was om den dienst van Bootsman waar te
-nemen. De Ruyter had hem echter niet voor het hoofd willen stooten, en
-was bovendien overtuigd dat de oude man door zijne ondervinding en
-zijnen voorbeeldeloozen ijver ruimschoots goed maakte, wat hij in
-vlugheid te kort kwam.</p>
-<p class="par">Zonder eenigen tegenstand kwam onze vloot bij de
-Engelsche kust en toen de uitkijk riep: &bdquo;Land vooruit!&rdquo;
-wist men dat men de Solebay naderde, en dat men daar de
-Engelsch-Fransche vloot zou vinden.</p>
-<p class="par">Deze liet zich ook niet lang wachten.</p>
-<p class="par">De Ruyter stond uit te kijken en riep eensklaps:
-&bdquo;Zeger! Zeger! kom eens hier, man!&rdquo;</p>
-<p class="par">Zeger, de Opperstuurman van &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; naderde en vroeg eerbiedig: &bdquo;Wat belieft
-u, Admiraal?&rdquo;</p>
-<p class="par">De Ruyter wees naar de vijandelijke vloot, en Zeger de
-richting van den wijsvinger des Admiraals volgende, zag het schip, dat
-deze aanwees.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat is onze man, Zeger!&rdquo; zeide De Ruyter
-nogmaals. <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name=
-"pb207">207</a>]</span></p>
-<p class="par">De Ruyter wees &bdquo;The Royal Prince&rdquo; het
-Admiraalsschip van de vijandelijke vloot aan, waarvan de Hertog van
-York zijne vlag liet waaien.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal gebeuren, Admiraal!&rdquo; zeide Zeger,
-beleefdelijk zijne muts afnemende en naar het roer gaande.</p>
-<p class="par">Zoo goed als de wind, die den onzen niet gunstig was en
-ook maar zacht woei, toeliet, hield &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; het op het Engelsche Admiraalsschip aan.</p>
-<p class="par">Even als bij Chattam de konstabels van Van Brakel,
-stonden de mannen van &bdquo;De Zeven Provinci&euml;n&rdquo; ook nu
-gereed vuur te geven, doch De Ruyter, die liefst maar niet op goed
-geluk af schoot, wachtte hiermede, tot ze op een pistoolschot afstands
-genaderd waren.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vuur!&rdquo; klonk het.</p>
-<p class="par">Met een luid &bdquo;Hoezee!&rdquo; werden de kanonnen
-losgebrand.</p>
-<p class="par">De Engelschman gaf geene krimp en beantwoordde het vuur
-met dezelfde hevigheid.</p>
-<p class="par">Toonde De Ruyter niet bang te wezen zijnen vijand onder
-de oogen te zien, de Hertog van York bewees van zijne zijde, dat
-<span class="ex">vrees</span> ook niet in zijn woordenboek stond.</p>
-<p class="par">Beiden waren tegen elkander opgewassen.</p>
-<p class="par">Toch was op het laatst &bdquo;The Royal Prince&rdquo;
-zoo doorschoten en gehavend, dat de Hertog van York op een ander schip
-moest overgaan. Hij deed dit alweer niet om lafhartig op de vlucht te
-slaan, maar omdat hij op zulk eenen ontredderden bodem zich niet
-bewegen kon, teneinde de noodige bevelen te geven, en dat De Ruyter hem
-daartoe noodzaakte, lag in de vlugheid waarmede aanboord van &bdquo;De
-Zeven Provinci&euml;n&rdquo; het geschut bediend werd.</p>
-<p class="par">Bijna op hetzelfde oogenblik dat onze Admiraal zijnen
-vijand zoo goed als overwonnen had en de matrozen met een
-&bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r! Hoezee!&rdquo; de Engelsche
-Admiraalsvlag van &bdquo;The Royal Prince&rdquo; zagen overgaan op de
-&bdquo;St<span class="corr" id="xd21e5567" title=
-"Niet in bron">.</span> Michiel&rdquo; kwam er eene sloep aanboord, die
-voor onzen Admiraal geene goede tijding bracht. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Wat is er, mannen, wat is er?&rdquo; vroeg hij
-den matrozen uit de sloep, toen dezen op het dek verschenen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Admiraal, uw zoon, Kapitein Engel, is door een
-stuk hout tegen de borst getroffen, en kan geen woord
-uitbrengen,&rdquo; klonk het antwoord<span class="corr" id="xd21e5575"
-title="Niet in bron">.</span></p>
-<p class="par">De Ruyter ontstelde, doch oogenblikkelijk deed hij met
-geweld de zorg eens Vaders plaats maken voor den plicht eens
-Opperbevelhebbers, en tamelijk bedaard zeide hij: &bdquo;We hopen, dat
-de wonde niet doodelijk zijn moge! Geeft de Dokter nog moed?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;De Dokter meent, dat hij er wel van herstellen
-zal!&rdquo; zeiden de matrozen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, kinderen, gaat dan aanboord terug! Zorgt goed
-voor mijnen jongen! Zoodra ik kan, kom ik bij hem!&rdquo;</p>
-<p class="par">De matrozen gingen heen en klommen van den valreep.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik mag wel mede, nietwaar, Admiraal?&rdquo; vroeg
-de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; ook naar den valreep gaande.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ga, vriend, ga!&rdquo; antwoordde De Ruyter, die
-den ouden man zeer goed begreep en daarom graag vertrekken liet.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ziet ge,&rdquo; zei de &bdquo;Barre
-Bruinvisch&rdquo; toen hij, tot verwondering van de matrozen, ook bij
-hen in de sloep kwam, &bdquo;ziet ge, ik met mijne stijve beenen kan
-toch niet veel meer doen. En weet ge, ik ben zooveel als de zeevader
-van Jonker Engel. Ik wil mijn zeekind oppassen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ha zoo, dan heet gij Lievensz., h&eacute;?&rdquo;
-vroeg de man aan het roer.</p>
-<p class="par">&bdquo;Om je te dienen, vriendschap! Ze noemen me anders
-ook nog wel eens &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;, zie je! En mijn zoon
-Jan is Eerste Officier bij mijn zeekind aanboord!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, jawel!&rdquo; zei de man aan het roer zoo
-kort mogelijk, doch er kwam een vreemde trek om den mond van den
-Janmaat.</p>
-<p class="par">&bdquo;En ik hoop, als dat hij dien Ro&ocirc;rokken zal
-hebben laten zien, als dat hij mijn jongen is! Heeft hij
-dat?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker, hij was een van de eerste aan den
-dans!&rdquo; klonk <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209"
-name="pb209">209</a>]</span>het weer, doch pas was dat gezegd of de
-Stuurman legde zonder dat Lievensz. het zag, den vinger voor den mond,
-wat toen ook al beteekende: &bdquo;Zwijgen! Niets zeggen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja,&rdquo; hernam de &bdquo;Barre&rdquo;
-opgewonden, &bdquo;hij zal ze laten dansen, ha, ha!&rdquo; en hier op
-liet hij in vroolijken, bijna dartelen overmoed het deuntje volgen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd21e2001">&bdquo;Hij zal ze laten dansen,</p>
-<p class="line xd21e147">Op zijn Engelsch en zijn Franschen,</p>
-<p class="line">Hij zal ze laten dansen den zevensprong!&rdquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">&bdquo;Kijk den &bdquo;Dolle&rdquo; eens rare
-sprongen gaan maken,&rdquo; riep de Stuurman, terwijl hij op de
-&bdquo;Groot-Hollandia&rdquo; een schip van vierenzestig stukken,
-wees.</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar is Van Brakel Kapitein op, is het niet
-zoo?&rdquo; vroeg een der matrozen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, de &bdquo;Dolle.&rdquo; En dat gaat zoo
-regelrecht af op de &bdquo;Royal James&rdquo;, het Admiraalsschip van
-Montague.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar hapert het den &bdquo;Dolle&rdquo; in zijne
-bovenkamer om daar met een schip van honderdvier stukken te gaan
-bakkeleien? Dat is toch geene partuur voor hem!&rdquo; sprak een ander
-der roeiers. &bdquo;De overmacht is hem immers veel te
-groot!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Partuur? Partuur?! Ja, daar vraagt de
-&bdquo;Dolle&rdquo; naar! Willen we eens wedden, dat hij dien grooten
-lobbes zoo netjes in het zonnetje zet, als gij het ooit gezien
-hebt,&rdquo; zeide de Stuurman, en zich hierop tot Lievensz. wendende
-vervolgde hij: &bdquo;En wat zegt onze oude Bootsman ervan?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Als ik er veel van zeg, blijft er weinig van
-over!&rdquo; antwoordde Lievensz. met een akelig boos gezicht.
-&bdquo;Hij zal dien olifant te woord staan; hij zal hem zijne volle
-bekomst geven; maar als dat gedaan is, zit er eene schrobbeering voor
-hem op, niet zuinig, man!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat! Eene schrobbeering?&rdquo; riepen eenige
-matrozen tegelijk, en vergaten van verwondering aan de riemen te
-trekken. <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name=
-"pb210">210</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Trekt dan, kerels,&rdquo; riep de man aan het
-roer. &bdquo;Trekt dan toch, anders komen we aanboord, als de boel
-afgeloopen is. De &bdquo;Barre&rdquo; meent er niemendal
-van!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Niet meenen? Niet meenen? De &bdquo;Dolle&rdquo;
-loopt zoo zeker eene....&rdquo; Terwijl hij sprak sloeg eene kleine
-kanonskogel hem over het hoofd en nam zijne wollen muts mede.</p>
-<p class="par">&bdquo;Goeden morgen,&rdquo; riep hij lachend.
-&bdquo;Die malle Ro&ocirc;rokken mikken op een oud man! Bah, hoe flauw
-is dat! Wat hebben ze er aan om eenen meer dan halfsleten zwabber naar
-de haaien te helpen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Barre&rdquo;, ze&icirc; de Stuurman, vol
-bewondering, &bdquo;ge zijt een echte zeerob, hoor! Dat verbleekt zelfs
-niet eens.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, dat komt omdat ik eenen wijnneus altijd voor
-mooier gehouden heb dan een karnemelks-gezicht,&rdquo; sprak Lievensz.
-&bdquo;Maar om nu op den &bdquo;Dolle&rdquo; terug te komen, ik zeg:
-hij loopt eene schrobbeering op zoo waar, als tweemaal twee vier
-is.&rdquo;</p>
-<p class="par">Terwijl hij dit zeide knoopte hij van zijnen bonten
-zakdoek een mutsje, zette dat op, doch....</p>
-<p class="par">Weer nam een kogel het weg en meteen een stuk van den
-duim.</p>
-<p class="par">Zonder dat er een spier van zijn gelaat pijn of schrik
-verried, zeide hij: &bdquo;Wel, zulke gevoellooze Koningsmoorders! Dat
-gunt mijnen kalen knikker zelfs geen blauw neusdoekje!&rdquo;</p>
-<p class="par">De matrozen van &bdquo;De Deventer&rdquo; dit ziende en
-hoorende, riepen als uit &eacute;&eacute;nen mond: &bdquo;Hoezee! voor
-den Barren Bruinvisch! Dat is er een van Besteva&ecirc;r!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maakt niet zulk een kabaal om een neusdoekje en
-een stukje duim,&rdquo; zeide Lievensz. &bdquo;Roeit maar voort, anders
-zit er voor u ook nog wat anders op dan een bedankje.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Maar,&rdquo; vroeg nu de stuurman, &bdquo;waarom
-zou de &bdquo;Dolle&rdquo; straf oploopen? Ik denk, als Besteva&ecirc;r
-het gezien heeft, dat....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie spreekt er van Besteva&ecirc;r,&rdquo;
-antwoordde Lievensz., <span class="pagenum">[<a id="pb211" href=
-"#pb211" name="pb211">211</a>]</span>het lesje geheel vergetend,
-hetwelk hij eens van De Ruyter ontvangen had. &bdquo;Wat heeft
-Besteva&ecirc;r in de melk te brokken? Zooveel als, niemendal immers?
-Neen, Meneer Cornelis De Witt zal hem straffen, omdat Van Brakel zich
-niet houdt aan het bevel, en op eigen houtje aan het klappen deelen
-gaat!&rdquo;<a class="noteref" id="xd21e5657src" href="#xd21e5657"
-name="xd21e5657src">1</a></p>
-<p class="par">&bdquo;Die Ruwaard is een lafbek, die van benauwdheid in
-het kabelgat gekropen is,&rdquo; riep een matroos.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, neen, kompeer, een lafbek, dat is hij
-allerminst,&rdquo; sprak de &bdquo;Barre&rdquo; vol vuur. &bdquo;Wie
-dat zegt, weet er niets van. Wat waar is, mag gezegd wezen. Zoolang het
-gevecht met den Hertog van York geduurd heeft, zat hij in eenen stoel
-bij de stuurmanshut, of, als hij moede van het zitten was, stond hij er
-bij. Maar of de mooie mannen van zijne lijfwacht om hem heen vielen als
-muizen, hij week geen duimbreed terug. Neen, neen, alle respect voor
-eene landrot, die zooveel moed heeft, maar ziet ge, ik heb het land aan
-alle dwarskijkers, die wat de zee betreft, nog op de schoolbanken
-moesten zitten, en die toch eenen held, die zijne zwarte haren op zee
-grijs heeft zien worden, als ondergeschikte behandelt.
-Ik....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;We zijn er,&rdquo; zeide de Stuurman, doch toen
-de riemen ingehaald waren en de &bdquo;Barre&rdquo; de eerste wilde
-zijn, die tegen den valreep opklimmen wilde, hield een der matrozen hem
-tegen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu, wat zal dat?&rdquo; vroeg Lievensz. boos.</p>
-<p class="par">&bdquo;Bootsman, wij hebben het onderweg zoo druk gehad
-met te vertellen van alles en nog wat, dat ik vergat u nog wat meer
-mede te deelen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hebt ge dan onzen Admiraal soms een sprookje
-opgedischt? <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name=
-"pb212">212</a>]</span>Is Jonker Engel dood? Is De Ruyters zoon
-gesneuveld?&rdquo;</p>
-<p class="par">Juist voer er eene sloep met Engelschen voorbij. Een
-ervan scheen zoo wat Hollandsch te kunnen verstaan, althans op de
-Engelsche vloot liep al heel spoedig het gerucht, dat Admiraal De
-Ruyter ernstig gekwetst was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen. Lievensz., neen! Onze Kapitein is slechts
-gewond, maar uw zoon is...&rdquo;</p>
-<p class="par">De Stuurman kon andermaal niet uitspreken; want met eene
-vlugheid, die men bij zulk eenen ouden man niet gezocht zou hebben,
-greep hij den valreep, klom naar boven en riep: &bdquo;Jan! Jan
-Lievensz., jongen, jongen, waar ben je?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat moet die man?&rdquo; vroeg de Officier, die
-inplaats van Kapitein Engel De Ruyter nu het bevel voerde.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het is de Vader van Luitenant Lievensz.,
-Meneer,&rdquo; antwoordt de Stuurman der sloep.</p>
-<p class="par">Maar de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; heeft daar wat
-met een zeil bedekt op het dek zien liggen. Hij weet wat dat beteekent.
-Hij licht het op en....</p>
-<p class="par">&bdquo;O, God, mijn jongen, mijn jongen
-gevallen!&mdash;Gevallen!&rdquo; roept hij snikkend, de verwrongen
-gelaatstrekken van den gesneuvelde met kussen overdekkend.</p>
-<p class="par">&bdquo;Gevallen als een held, Vader! Gij hebt zijne
-laatste groeten gehad ook voor zijne Moeder!&rdquo; sprak de
-bevelvoerende Officier, die zich hierop verwijderde om in de slagorde
-van de vloot te blijven en te doen wat zijn plicht was.</p>
-<p class="par">Eenigen tijd bleef Lievensz. daar bij zijnen zoon
-liggen, en richtte zich eerst op toen hij, haperend en stotterend, voor
-hem het &bdquo;Onze Vader&rdquo; gebeden had. Toen dekte hij hem aan
-alle kanten toe, drukte weer eenen kus op zijnen mond en ging,
-waggelend als een dronken man, naar de kajuit waar Jonker Engel
-lag.</p>
-<p class="par">&bdquo;J-jan-d-do-od;&rdquo; bracht deze er met moeite
-uit, doch drukte met zeemans hartelijkheid de hand van zijnen ouden
-<span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name=
-"pb213">213</a>]</span>zeevader, die in dat korte oogenblik zooveel
-ouder geworden scheen te zijn.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, dood! o, Engel, mijn jongen! Mijn
-jongen!&rdquo; snikte de Vader.</p>
-<p class="par">&bdquo;H-hij-v-v-iel aan m-mijne z-z-zijde;
-ik-ik-zag-h-het en k-kr-kreeg t-toe-toen....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik moet u het spreken ten ernstigste verbieden,
-Kapitein!&rdquo; sprak de Scheepsdokter, die hier toevallig iemand was,
-die pas de Hoogeschool had verlaten en die zijne krachten en diensten
-in dien benauwden tijd ook zijn Vaderland wilde wijden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Is u de Dokter?&rdquo; vroeg Lievensz.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, goede vriend,&rdquo; was het antwoord.
-&bdquo;Wilt ge wat weten soms?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;En was er niets meer aan mijnen zoon te doen,
-Dokter?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wie was uw zoon, ouwentje?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Luitenant Lievensz., Dokter!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, vriend, de musketkogel heeft hem doodelijk
-gewond. Hij leefde geene vijf minuten meer! Gij hebt zijne laatste
-groeten, en hij verzocht mij ook, of ik u vragen wilde, zijne Moeder en
-zuster vaarwel te kussen.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dank-je, Dokter, dank-je!&rdquo; sprak de
-&bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; zoo bedaard, alsof er niets gebeurd
-was.</p>
-<p class="par">Maar daar binnen was het niet bedaard! Daar woelde, en
-kookte, en bruiste het, als op eene stormachtige zee. Doch hij bedwong
-zich en begon zijn ander zeekind zoo trouwhartig te verzorgen, dat deze
-hem de hand drukte en zachtkens zei: &bdquo;Goed, bra-braaf,
-Gr-Grootva-vader-tje!&rdquo;&mdash;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel! Hoezee!&rdquo;
-klonk het een paar uren later aanboord van Engel De Ruyters schip.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ze schieten minder! Zou de slag gedaan
-zijn?&rdquo; vroeg de Dokter, die beneden bij de gekwetsten bleef en
-een deel zijner zorgen aan Engel wijdde, aan Lievensz.</p>
-<p class="par">&bdquo;Besteva&ecirc;r komt tenminste naar zijnen zoon
-kijken en dan zal de slag wel beslist zijn!&rdquo; antwoordde de oude
-man. <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name=
-"pb214">214</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel! Hoezee!&rdquo;
-klonk het nu nog luider van &bdquo;De Deventer&rdquo;, waar alles in de
-weer was om hem te ontvangen.</p>
-<p class="par">De Admiraal stapte aanboord, en het juichende volk
-vriendelijk toeknikkend, ging hij naar de kajuit.</p>
-<p class="par">Driftiger dan hij gewoon was trad hij binnen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dag Engel, dag jongen! Toch niet zwaar gewond,
-lieve jongen, h&eacute;?&rdquo; sprak De Ruyter.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dag, b-bes-beste, Va-Vader!&rdquo; antwoordde
-Engel en schudde de hand des Admiraals.</p>
-<p class="par">&bdquo;Mag ik voor hem antwoorden, Admiraal?&rdquo;
-vroeg de Dokter beleefd. &bdquo;Ik heb hem het spreken
-verboden!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Verboden? Goed, vriend, dan mag hij niet spreken.
-Gehoorzaamheid moet in alles betracht worden, in den oorlog en op het
-ziekbed. U is dan zeker de Dokter?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Admiraal! En ik kan u tevens gerust stellen.
-Als uw zoon zich maar bedaard houdt, dan is hij over een dag of drie
-weer zoover, dat hij ongehinderd spreken kan, ten minste, als wij nu
-weer maar niet al te spoedig aan den dans gaan, want dat hindert
-hem.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dank u, Dokter! Mijn zoon zal gehoorzamen, doch
-zal toehooren, als ik wat vertel, hem hinderen?&rdquo;</p>
-<p class="par">De Dokter schudde het hoofd.</p>
-<p class="par">&bdquo;Nu dan, jongen, het is er vandaag zoo van langs
-gegaan, als ik nog nooit heb bijgewoond. Ik zelf heb twintigduizend
-pond buskruit en vijfendertig honderd kanonskogels verschoten. Admiraal
-Montague van den vijand, is, jammer genoeg, want de man heeft zich
-kranig gedragen, verdronken. Van Brakel heeft gevochten als een stier,
-en al de anderen als leeuwen, en, al hebben we ook al geene
-schitterende overwinning behaald, wij hebben zee gehouden. Als het nu
-te land ook zoo maar gaat, jongen, dan ontkomen we den dans zeker. Het
-is anders een harde dobber, hoor!&rdquo;</p>
-<p class="par">Hier zweeg de Admiraal, en Lievensz. hem een teeken
-gevende, wenkte hem te volgen. <span class="pagenum">[<a id="pb215"
-href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span></p>
-<p class="par">De Ruyter voldeed hieraan en toen hij boven kwam waren
-ze juist gereed om Luitenant Lievensz. een eervol zeemans-graf te
-geven.</p>
-<p class="par">De bevelvoerende Officier deed het gebed, en toen dat
-ge&euml;indigd was, vroeg De Ruyter: &bdquo;Wie is dat, Lievensz.? Jan
-toch niet?&rdquo;</p>
-<p class="par">Lievensz. knikte, want het snikken belette hem eenig
-ander antwoord te geven.</p>
-<p class="par">&bdquo;Goede zeevader,&rdquo; sprak De Ruyter, &bdquo;is
-hij gevallen? God hebbe zijne ziel! De oorlog eischt vele offers. Heden
-mijn, morgen dijn! Treur niet te zeer, oude vriend! Hij ging u slechts
-wat voor! Daar boven ziet gij hem weder, willen we hopen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Lievensz. drukte de hand van zijnen Admiraal en deze
-zeide tot den Officier: &bdquo;Met uw verlof, Mijnheer, mag ik den
-dienst verder verrichten?&rdquo;</p>
-<p class="par">De Bevelhebber van het schip stamelde een verlegen:
-&bdquo;Ja zeker, Admiraal! O, als u d&aacute;t doen wilde,
-dan....&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ik heb er behoefte aan, het te doen,
-Mijnheer,&rdquo; sprak De Ruyter, en hierop het lijk van den dappere
-naderend, legde hij de hand, die den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig
-wist te voeren, op de windselen, ter plaatse waar een paar uren geleden
-een jong hart zoo warm klopte, en met eene ontroerde stem, die door al
-het scheepsvolk, dat eerbiedig het hoofd ontblootte, kon verstaan
-worden, sprak de vrome held: &bdquo;Jongen, gij zijt gevallen voor uw
-Vaderland in den opgang van een veel belovend leven! Moge God Uwe ziele
-hebben!&mdash;Het Vaderland zal u indachtig zijn! Uwe Ouders staren u
-in de hope des wederziens na, uwe vrienden zullen u nooit vergeten, en
-uw Admiraal zegt uit vriendschap voor uwen grijzen Vader en ter eere
-van u: een-twee-drie! In Godsnaam!&rdquo;</p>
-<p class="par">De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met
-het lijk er op schoof verder en&mdash;verdween in de diepte.
-<span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name=
-"pb216">216</a>]</span></p>
-<p class="par">Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust
-terug om deze te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed
-mogelijk te herstellen.</p>
-<p class="par">Hier ontving men minder gunstige berichten en niet
-overdreven was een woord uit die dagen afkomstig: &bdquo;De Regeering
-is radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.&rdquo;</p>
-<p class="par">Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk
-XIV toe. Men gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem
-van zijn leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht,
-verliet ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk
-afscheid genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik
-Prins van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.</p>
-<p class="par">De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den
-Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het
-Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij besefte
-volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus: &bdquo;Oranje
-boven!&rdquo; nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder de
-verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins
-vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de
-toekomst niet zoo donker in.</p>
-<p class="par">Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een
-lafaard gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten
-heeft.</p>
-<p class="par">Hij spreekt dat tegen, open en rond.</p>
-<p class="par">Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij
-bedankt heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.</p>
-<p class="par">De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker
-uit, want de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem
-van Oranje en Jan De Witt.</p>
-<p class="par">Nog wat later, op den twee&euml;ntwintigsten Augustus,
-komt de tijding op de vloot: &bdquo;De gebroeders De Witt zijn door het
-Haagsche gemeen schandelijk vermoord!&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name="pb217">217</a>]</span></p>
-<p class="par">Dat was een slag!</p>
-<p class="par">Wat zal er van het Vaderland worden?</p>
-<p class="par">Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het
-Zeeuwsche schip &bdquo;De Zelandia.&rdquo;</p>
-<p class="par">Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.</p>
-<p class="par">En De Ruyter leest: &bdquo;<i lang="la">Luctor et
-emergo.</i>&rdquo;</p>
-<p class="par">Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die
-ook vernomen heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij
-waagt te zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen
-Koning zou kunnen vallen.</p>
-<p class="par">De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het
-onderschrift van Zeelands wapen: &bdquo;Als &rsquo;t Landt al
-t&rsquo;eenemaal verloren gaat, zal ik met de vloot, ik weet niet waar,
-liever heenzeilen, dan mij aan uwen Koning, die geen woord noch verbond
-houdt, overgeven! <span lang="la">Luctor et emergo!</span>&rdquo;</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5657" href="#xd21e5657src" name="xd21e5657">1</a></span> Cornelis
-De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad zeer euvel op, en
-hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te roemen, noemde
-hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft is hij echter
-niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk wel wat gerekend
-had<span class="corr" id="xd21e5659" title="Niet in bron">,</span>
-bleef ook achterwege.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5657src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e399">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De Redder van het Vaderland.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het is op den zesden Juni van het jaar 1673, dat
-we ons weer verbeelden aanboord te zijn van &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo;, waarop onze Luitenant-Admiraal De Ruyter
-andermaal zijne vlag laat waaien.</p>
-<p class="par">Luitenant-Admiraal? Hei, hei, ge vergist u! &bdquo;De
-Zeven Provinci&euml;n&rdquo; draagt de vlag van den
-Luitenant-Admiraal-Generaal, de hoogste betrekking, die men op de vloot
-kan hebben, en onder hem staat de Luitenant-Admiraal Cornelis
-Tromp.</p>
-<p class="par">Wat? Cornelis Tromp weer aanboord? Hoe dat gaan zal?
-Twee mannen, die elkander zoo vijandig gezind zijn met slechts
-&eacute;&eacute;nen rang verschil van macht! Wie heeft dat dwaze stuk
-begaan? <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name=
-"pb218">218</a>]</span></p>
-<p class="par">Wel, wel, wat zijt ge nog een vreemdeling, dat ge niet
-weet wat er geschied is.</p>
-<p class="par">Laat mij u een en ander vertellen.</p>
-<p class="par">Sedert onze De Ruyter dat flinke antwoord aan dien
-Engelschman gaf, is er heel veel veranderd en, ten onzen voordeele.</p>
-<p class="par">Groningen is van den vijand bevrijd; Drente ziet hem
-niet meer.</p>
-<p class="par">Denemarken en Lotharingen zijn onze bondgenooten.
-Spanje, Duitschland en Brandenburg rusten zich ten oorlog toe tegen
-Frankrijk. Eene voorgenomen landing der Engelschen en Franschen is door
-storm en lagen waterstand mislukt. Slechts met moeite heeft Koning
-Karel II van zijn Parlement geld gekregen om den oorlog voort te
-zetten, en in den Stadhouder hebben we eenen man gevonden, die ons in
-de Raadzaal en voor de vloot, den grooten De Witt weinig doet missen,
-en in het leger ons meer geeft dan De Witt geven kon.</p>
-<p class="par">Toch zou men zich vergissen, als men meende, dat de
-Republiek reeds gered was. Neen, het is nog steeds <i lang=
-"la">luctor</i>, maar we zijn schoon op weg om het tot <i lang=
-"la">emergo</i> te brengen, als men maar krachtig volharden wil, in het
-voortzetten van den strijd.</p>
-<p class="par">Dat wil de Stadhouder van zijne zijde wel beloven, en
-ter zee, ja, dat hangt niet zoo geheel van hem af. Maar gelukkig heeft
-hij ook daar zijnen man. De Ruyter leeft nog. Wel was deze een groot
-vriend van de gebroeders De Witt, wel heeft hij onverholen, zelfs ten
-aanhoore van de machtigste vereerders van Oranje, schande gesproken van
-het volk, dat deze mannen op zulk eene schandelijke wijze vermoorden
-kon; maar dat belet den Stadhouder niet dien Luitenant-Admiraal te
-vertrouwen en te hoogachten. Hij zal niet doen, als dat Amsterdamsche
-grauw, dat de woning wilde plunderen van den man, die
-z&oacute;&oacute;veel voor het Vaderland gedaan had, en die er nog
-zooveel voor doen <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219"
-name="pb219">219</a>]</span>wilde. Is hij, de Stadhouder, niet
-Admiraal-Generaal? Welnu, wat belet hem dan dien braven Vaderlander,
-dien doorluchten zeeheld, dien vromen burger, in zijne plaats het
-opperbevel over de vloot te geven? Zeggen en doen gaan bij den
-Stadhouder hand aan hand, en den eenentwintigsten Februari van het jaar
-1673 werd Michiel Adriaensz. De Ruyter benoemd tot
-Luitenant-Admiraal-Generaal van Holland, Zeeland en West-Friesland.</p>
-<p class="par">Maar de Stadhouder zal nog meer doen.</p>
-<p class="par">Leeft daar niet in stille rust een man, onvergelijkelijk
-dapper, een liefhebber van zijn Vaderland en een zeeheld als er
-weinigen gevonden worden, maar, helaas, in vijandschap met De Ruyter?
-Als hij die twee eens met elkander verzoenen kon, Besteva&ecirc;r en
-Tromp, wel, dan zouden Engeland en Frankrijk het hoofd te pletter
-stooten op Nederlands bolwerk terzee, door die twee helden met hunne
-onderhoorigen verdedigd. Ook dit beproeft de Stadhouder en, na heel wat
-moeite, gelukt het hem de twee helden met elkander te verzoenen. En of
-het nu meenens is? Het is nog geene tien dagen geleden, dat
-Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp met zijn &bdquo;De gouden
-leeuw&rdquo; een prachtig schip van twee&euml;ntachtig stukken, bij de
-vloot, die onder De Ruyter bij Schooneveld<a class="noteref" id=
-"xd21e5855src" href="#xd21e5855" name="xd21e5855src">1</a> lag, is
-gekomen. En hoe? Als iemand, die niet onder De Ruyter wilde staan?
-Volstrekt niet. Hij liep achter &bdquo;De Zeven Provinci&euml;n&rdquo;
-om, begroette den Opperbevelhebber met eere-schoten, en kwam iets, dat
-in geen zeven jaar gebeurd was, bij De Ruyter aanboord.</p>
-<p class="par">De Ruyter wachtte Tromp bij den valreep op. In het kamp
-bij Bodegraven hadden ze elkander in tegenwoordigheid <span class=
-"pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span>van
-den Stadhouder, de hand van vriendschap gegeven, en nu: &bdquo;Welkom,
-welkom, aanboord van &bdquo;De Zeven Provinci&euml;n&rdquo;,
-Tromp!&rdquo; sprak De Ruyter en sloeg op ronde zeemans-wijs de
-rechterhand in die van Tromp.</p>
-<p class="par">Dat heeft het volk gezien.</p>
-<p class="par">De &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;, die na den dood van
-zijnen zoon Jan, geenen traan meer had laten vallen, die man zelfs
-voelt de oogen vochtig worden, en het kale hoofd, waarvan nog enkele
-lange, witte haren in den wind fladderen, ontblootend, roept hij met
-trillende stem: &bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel! Hoezee! Onze
-Tromp! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Alsof al het volk daarop gewacht heeft, mengt zich, met
-het kanongedonder der schepen, het gejuich van Janmaat: &bdquo;Hoezee!
-Besteva&ecirc;r Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Er is een gastmaal aanboord van &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; geweest, en in het bijzijn van de
-aanzienlijksten in den lande, hebben die twee met elkander geklonken en
-gedronken, en vriendschap en trouw gezworen tot in den dood!</p>
-<p class="par">Nu is het de zesde Juni.</p>
-<p class="par">Daar daalt De Ruyter van den valreep der &bdquo;Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; af, om aanboord van &bdquo;De gouden
-Leeuw&rdquo; eenen feestmaaltijd bij te wonen, door Tromp den
-Opperbevelhebber ter eere aangeboden.</p>
-<p class="par">Zie, daar beklimt De Ruyter het dek van Tromps
-Admiraalsschip, de twee helden drukken elkander nogmaals de hand, en
-terwijl er een vroolijk &bdquo;Wilhelmus van Nassouwe&rdquo; geblazen
-wordt, juicht het volk andermaal: &bdquo;Hoezee, Besteva&ecirc;r en
-Tromp! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Wat dunkt u, zouden Ne&ecirc;rlands twee grootste
-zeehelden zich met elkander verzoend hebben?</p>
-<p class="par">Het gastmaal is De Ruyter waardig.</p>
-<p class="par">Daar heft Tromp eenen vollen beker omhoog en drinkt het
-heil van het lieve Vaderland.</p>
-<p class="par"><a id="xd21e5884" name="xd21e5884"></a>Een luid
-&bdquo;Hoezee!&rdquo; klinkt op zijne gloeiende woorden.</p>
-<p class="par">Maar wat kijken allen daar naar de deur der kajuit?
-<span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name=
-"pb221">221</a>]</span></p>
-<p class="par">Wat moet die Opperschipper van &bdquo;De gouden
-Leeuw&rdquo; hier doen?</p>
-<p class="par">&bdquo;Admiraal,&rdquo; zegt hij, zich eerbiedig tot De
-Ruyter <span class="corr" id="xd21e5893" title=
-"Bron: wenwend">wendend</span>: &bdquo;De vijand is in
-aantocht!&rdquo;</p>
-<p class="par">Uit is de vroolijkheid.</p>
-<p class="par">Men snelt naar boven en&mdash;de heele zee aan den
-horizon is bedekt met de schepen der Engelsch-Fransche vloot.</p>
-<p class="par">De groote scheepsraad, zoo ongezocht vergaderd, is op
-het dek bijeen. Kort en vaardig deelt De Ruyter zijne bevelen uit,
-vermaant zijne Bevelhebbers Ne&ecirc;rlands zeeroem te handhaven, en
-ieder keert naar zijn schip terug.</p>
-<p class="par">Het is voor ieder duidelijk genoeg, wat die Engelschen
-en Franschen willen.</p>
-<p class="par">Morgen, den zevenden Juni, is het juist een jaar geleden
-dat de slag bij Solebay geleverd is, en morgen zullen ze de schande van
-Solebay wreken door eene landing.</p>
-<p class="par">Heeft niet de Lord-Kanselier bij het openen van het
-Britsche Parlement gezegd: &bdquo;Carthago moet verwoest worden!&rdquo;
-met Carthago de Republiek der Vereenigde Nederlanden bedoelende?</p>
-<p class="par">Daar komen ze nu om die woorden waar te maken; want die
-Nederlandsche schepen en scheepjes onder De Ruyter en Tromp, zijn in de
-oogen der overmachtige vijanden niets meer dan een stofje aan de
-weegschaal. Nu zal, nu moet de landing plaats hebben. Eene vereenigde
-vloot van honderd vijftig zware oorlogsschepen is niet te
-weerstaan!</p>
-<p class="par">Hoe die grootsprekers zich bedriegen zullen! De
-Nederlandsche vloot, sterk honderdvijf schepen, soms onvoldoende
-bemand, doch aangevoerd door helden, zal toonen, dat ze nog hetzelfde
-kan, als bij Solebay.</p>
-<p class="par">&bdquo;Het zal wel gaan!&rdquo; zegt Tromp, die de
-voorhoede heeft, en gaat aan den slag.</p>
-<p class="par">&bdquo;Komt, jongens, rept de handen!&rdquo; zegt
-Banckers, die de achterhoede heeft en valt ook aan. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Mannen, de vijand is nabij. Elk gedrage zich als
-een braaf kerel en daar hij voor scheep is gekomen. Ik beloof het u,
-het zal wel gaan!&rdquo; spreekt De Ruyter en stevent op den vijand
-los.</p>
-<p class="par">Naar alle kanten ziet het oog van den
-Opperbevelhebber.</p>
-<p class="par">&bdquo;Vooruit, mannen! Tromp is in nood. Gauw hem
-ontzet, eer het te laat is,&rdquo; roept hij na eene poos.</p>
-<p class="par">Het was hoog noodig. De dappere Luitenant-Admiraal heeft
-het hoofd te bieden tegen de helft der vijandelijke vloot. Het was hard
-voor De Ruyter, want hij was reeds aan de winnende hand, maar gedachtig
-aan den handdruk van Tromp ontvangen, zegt hij: &bdquo;Het zwaarste
-moet het zwaarste wegen. Het is beter vrienden te helpen, dan vijanden
-te schaden! Vooruit!&rdquo;</p>
-<p class="par">Tromp is van het eene op het andere schip overgegaan,
-overal zijne Admiraals-vlag meevoerende. Maar nu begint zijn volk den
-moed op te geven. Het kan niet meer.</p>
-<p class="par">Daar trekt de rook voor een oogenblik op, en tusschen
-die openingen heen ziet Tromp onzen De Ruyter komen om hem te
-ontzetten.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Mannen, daar is Besteva&ecirc;r! Die komt
-ons helpen! Ik zal hem ook niet verlaten, zoolang als ik leef!&rdquo;
-roept Tromp bijna triomfantelijk uit.</p>
-<p class="par">Dat helpt, en met een: &bdquo;Hoezee, Besteva&ecirc;r
-Michiel! Hoezee!&rdquo; laten ze opnieuw het geschut donderen.</p>
-<p class="par">Daar zien de vijanden &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vuur!&rdquo; beveelt De Ruyter.</p>
-<p class="par">De vijand deinst af! Die &bdquo;Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; kennen ze maar al te goed.</p>
-<p class="par">De Ruyter bemerkt den schrik, dien hij onder den vijand
-brengt, en zegt lachend tot hen, die bij hem staan: &bdquo;Hoezee,
-jongens, de vijanden hebben nog ontzag voor &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n!&rdquo;&mdash;Het was niet te veel gezegd. De vijanden
-laten Tromp spoedig liggen en trekken af.</p>
-<p class="par">Eindelijk valt de avond en het gevecht is
-ge&euml;indigd. <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223"
-name="pb223">223</a>]</span></p>
-<p class="par">Maar geen schip gaat naar Engeland of Frankrijk om daar
-de blijde boodschap te brengen: &bdquo;Carthago is gevallen!&rdquo;</p>
-<p class="par">De landing was mislukt, en uitgesteld tot later
-tijd.</p>
-<p class="par">De Ruyter schreef aan den Prins: &bdquo;<i lang="nl">Wij
-oordeelen absoluyt, dat dusverre de victorie (Gode zij lof) aan de
-zijden van dezen Staet en Uwe Hoogheit is.</i>&rdquo;</p>
-<p class="par">Luitenant-Admiraal Van Nes zeide: &bdquo;De vijand is
-zoodanig getracteerd, dat er geen nood is, dat hij daarvan liedekens
-zal gaan dichten.&rdquo;</p>
-<p class="par">Cornelis Tromp schreef aan zijne zuster:</p>
-<div lang="nl" class="blockquote">
-<p class="par first salute"><i>Beminde Zuster!</i></p>
-<p class="par"><i>Gisteren hebben wij den dans aangegaen, en ben, Godt
-sy gelooft, gesond, en hebben ons herte eens weder opghehaelt als
-keuningen. Ick ben op myn vierde Schip, &bdquo;de Komeetstar,&rdquo; en
-meene vandaeg een braven dans te dansen. Wij krijgen de Franschen so
-aen &rsquo;t loopen, dat zij bramzeyls en alles byzetten; en so het
-vandaeg so voortgaet, so hope ick, dat aller Vrienden en ons gebed
-verhoort sal zijn, en dat wij van de tirannye verlost zullen worden.
-Adieu! Couragie! Het sal waerachtig wel gaen.</i></p>
-<p class="par">8 Juni 1673.</p>
-<p class="par signed">C. Tromp.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Maar wie zou nu als Nederlander de zaak niet van zijne
-gunstige zijde laten zien? Was het wel zoo vast waar, wat Van Nes
-zeide; &bdquo;De vijand zal daarvan geene liedekens dichten?&rdquo;</p>
-<p class="par">Welnu, de Fransche Admiraal D&rsquo;Estr&eacute;es
-schreef aan zijne Regeering: &bdquo;De Ruyter is een groot meester in
-de kunst van den oorlog ter zee; hij heeft mij in dezen slag schoone
-lessen gegeven. Gaarne zou ik mijn leven laten voor den roem, die hij
-daarbij heeft verworven.&rdquo;</p>
-<p class="par">Het was er evenwel verre van af dat de Engelsch-Fransche
-vloot verslagen was. De Nederlanders zouden niet haring voor Sint Jan
-roepen; want den veertienden Juni <span class="pagenum">[<a id="pb224"
-href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span>zou het gevecht van
-Schooneveld hervat worden. Toch zouden zij niet de aanvallende partij
-zijn. Die eer gunde De Ruyter hun niet. Toen evenwel de vijand de onzen
-slagvaardig zag aankomen meerderden ze zeil, gingen noordelijk op en
-voeren daarop met volle zeilen naar hunne eigen kusten terug.</p>
-<p class="par">Geen geringe omkeer van zaken.</p>
-<p class="par">De Ruyter joeg hen evenwel na en noodzaakte hen tot het
-gevecht.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee, jongens, dat gaat er weer op los! Ferm,
-hoor, dat de vlokken er afstuiven!&rdquo; roept Van Brakel. En met een
-&bdquo;Hoezee!&rdquo; doen zijne jongens waartoe ze geroepen zijn. En
-niet alleen op dien bodem, maar op alle schepen van de Nederlandsche
-vloot vecht men, onder het beleidvolle bestuur van Besteva&ecirc;r, met
-weergalooze dapperheid. Al meer en meer deinst de vijand; al meer en
-meer dringt onze vloot vooruit en de verwarring onder de Engelschen is
-weldra zoo groot, dat men daar met blijdschap den invallenden nacht
-begroet en het moorddadige gevecht staken kan.</p>
-<p class="par">Wel wilde Prins Robert, de Bevelhebber der Engelschen,
-den volgenden dag den slag hervatten, maar geen zijner Bevelhebbers was
-hiertoe over te halen.</p>
-<p class="par">Als overwinnaar keerde De Ruyter naar zijnen post op de
-Zeeuwsche kusten terug.</p>
-<p class="par">Wel, Lord-Kanselier, zoudt ge nu nog niet een toontje
-lager gaan zingen, waar een uwer landgenooten verklaart: &bdquo;Prins
-Robert keerde met verlies van vele menschen, en met vele ontredderde
-schepen naar den Theems, en De Ruyter, hebbende, mits het voordeel van
-den wind, en met van ver te vechten<a class="noteref" id="xd21e5994src"
-href="#xd21e5994" name="xd21e5994src">2</a> weinig schade geleden,
-verkoos de Zeeuwsche kust weer tot zijnen post. In dit bedrijf gaf
-<span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name=
-"pb225">225</a>]</span>De Ruyter sprekende proeven, dat hij als het
-tijd was, den vijand zoowel kon opzoeken als vermijden, en dat hij
-zijne plaats nooit verliet dan om het voorhoofd te toonen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Lager zingen zouden Engeland en Frankrijk? Zouden zij
-zich zoo vernederen? Dat kon niet en dat zou niet! De landing
-<span class="ex">moest</span> plaats hebben! Dat Carthago van de
-zeventiende eeuw <span class="ex">moest</span> vernietigd worden, het
-<span class="ex">moest</span>.</p>
-<p class="par">De uitvoering van het stoute plan der onzen om de dagen
-van Chattam nog eens te doen herleven, diende evenwel achterwege te
-blijven, omdat er te veel zieken op onze vloot kwamen.</p>
-<p class="par">Ondertusschen kwam De Ruyter van eenen gevangen genomen
-Engelschen Predikant te weten, dat de vijandelijke vloot honderdacht
-schepen sterk was, en dat de schepen volgepropt waren met soldaten, ten
-getale van ongeveer achtduizend man en drie troepen ruiterij, ieder van
-honderdtwintig paarden. Het bevel over dat leger te lande had de Graaf
-von Schomberg.</p>
-<p class="par">Men behoefde zich niet suf te peinzen omtrent het doel
-er van. Het was weer maar de oude geschiedenis: er zou andermaal eene
-landing beproefd worden.</p>
-<p class="par">De eenentwintigste dag van Augustus 1673 zou bewijzen,
-dat Carthago het hoofd omhoog bleef houden.</p>
-<p class="par">De Engelsche Admiraal, Prins Robert, had in last de
-Nederlandsche vloot van de kust te lokken en slag te leveren, en
-terwijl dan de kust onbewaakt was, zou de Graaf von Schomberg
-landen.</p>
-<p class="par">Het plan was niet kwaad; maar Engeland had te veel
-verwachting van zijne slimheid.</p>
-<p class="par">Onze Stadhouder kwam uit het leger naar de kust, stelde
-die op verschillende plaatsen instaat van verdediging, liet tonnen en
-bakens wegnemen en voor de zeegaten kleine, doch welbemande vaartuigen
-brengen.</p>
-<p class="par">De Ruyter kreeg de boodschap, dat hij niet al te bezorgd
-voor de kust moest zijn; want dat deze tamelijk wel bewaakt
-<span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name=
-"pb226">226</a>]</span>werd. Hij mocht gerust alles doen, wat hij
-noodig achtte om den vijand te verdrijven, en de verwacht wordende
-koopvaardij-vloot in behouden haven te brengen.</p>
-<p class="par">Deze last werd door onzen Vlootvoogd getrouw
-volbracht.</p>
-<p class="par">Op den genoemden eenentwintigsten Augustus naderden de
-vijandelijke vloten onze kusten.</p>
-<p class="par">Van Vlissingens reede tot Texels duin was heel het
-strand vol leven en beweging.</p>
-<p class="par">Iedereen begreep dat het dien dag te doen was om
-vrijheid of slavernij.</p>
-<p class="par">En daar op zee lag onze vloot, kalm en gerust.</p>
-<p class="par">Maar ze was een Vesuvius, die uit zijne rust ontwakend,
-landen verderven en steden vernietigen kan.</p>
-<p class="par">Tromp heeft alweer de voor- en Banckers de achterhoede.
-De Ruyter beveelt den middentocht. V&oacute;&oacute;r &bdquo;De Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; ligt de &bdquo;Waesdorp&rdquo;, Kapitein Engel
-De Ruyter, en achter het Admiraalsschip ligt de
-&bdquo;Steenbergen&rdquo;, Kapitein Jan Van Gelder, schoonzoon van den
-Admiraal.</p>
-<p class="par">Banckers, de wakkere Zeeuw, begint den slag.</p>
-<p class="par">De Ruyter, ouder gewoonte, heeft weer zijnen man
-aangewezen, en deze is Prins Robert, die de hoofdmacht des vijands
-onder zijn onmiddellijk bevel heeft.</p>
-<p class="par">Tromp valt Spragg aan.</p>
-<p class="par">Het tooneel van den strijd is op Noord-Hollands kust en
-in de nabijheid van Kijkduin.</p>
-<p class="par">De strijd is vreeselijk.</p>
-<p class="par">Het gedonder der kanonnen dringt tot diep in het
-land.</p>
-<p class="par">Dat woelt, en streeft, en loopt naar de duinen, dat
-verdringt zich bij honderden, die telkens met honderden aangroeien op
-het strand, dat staart en tuurt met gewapende en ongewapende oogen in
-de verte, want men wil zien, wat daar voorvalt.</p>
-<p class="par">Er valt bijna niets te zien; want werkelijk is de kalme,
-rustige vloot der Nederlanders opeens, als een vuurberg geworden, die
-dood en vernieling teweeg brengt. <span class="pagenum">[<a id="pb227"
-href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span></p>
-<p class="par">Er valt een zware mist, die het vrije gezicht nog meer
-belemmert.</p>
-<p class="par">De mist trekt op, maar zware wolken rooks verrijzen.</p>
-<p class="par">Niemand ziet iets duidelijk; men hoort slechts het
-verschrikkelijk onweder op zee. De grond dreunt ervan; de harten worden
-angstig te moede. Wat wordt daar afgespeeld? Nederlands ondergang of de
-zegepraal van het kleine volk?</p>
-<p class="par">De kerkdeuren worden geopend en men smeekt God om den
-zege.</p>
-<p class="par">Al feller en feller dreunt het kanongedonder.</p>
-<p class="par">Het is een vreeselijk, een verschrikkelijk concert.</p>
-<p class="par">Wie zal het winnen?</p>
-<p class="par">Daar zijn weer schepen zichtbaar! Zij voeren de
-Engelsche en Fransche vlag.</p>
-<p class="par">&bdquo;Verloren! Verloren! Vlucht! Vlucht!&rdquo; roepen
-de flauwhartigen op gillenden toon.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, blijft mannen, blijft! Kijkt, kijkt dan,
-daar is &bdquo;De Zeven Provinci&euml;n&rdquo; met de Admiraals-vlag
-hoog in top. Houdt moed, Besteva&ecirc;r slaat de maat in het
-kartouwen-concert! Couragie! Couragie!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel! Hoezee!&rdquo;
-roept er een, die van zijne hooge standplaats op het duin en met eenen
-verrekijker gewapend, het Admiraalsschip ziet losbranden, zeehouden,
-meer, veel meer dan dat, ziet aanvallen op den vijand, die wijkt.</p>
-<p class="par">En naar het Zuiden, en naar het Noorden herhalen
-duizenden dien kreet, die het geprangde gemoed als het ware verlichting
-schenkt: &bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">Maar op de vloot hoort men niets van dat gejuich,
-ontdekt men niets van dat leven en die beweging op de kust.</p>
-<p class="par">Het is vijf uren in den middag.</p>
-<p class="par">De Ruyter verzamelt zijne verstrooide vloot, en alsof
-hij zoo pas den strijd begonnen was, slaat hij weer dwars <span class=
-"pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span>door
-de vijanden heen, keert terug en breekt opnieuw door de linie van
-schepen.</p>
-<p class="par">Het is of de zee in vuur en vlam staat.</p>
-<p class="par">Kogels, bouten, balken, splinters en schroot vliegen
-naar alle kanten.</p>
-<p class="par">&bdquo;De groeten aan vrouw en....&rdquo; stamelt
-Kapitein Jan Van Gelder en valt stervend neer.</p>
-<p class="par">De Vice-Admiralen Isa&auml;c Sweers en Johan De Liefde
-vallen ook voor de vrijheid van het Vaderland.</p>
-<p class="par">Honderden vallen met hen.</p>
-<p class="par">Men brengt De Ruyter de tijding van het sneuvelen zijns
-dapperen schoonzoons.</p>
-<p class="par">Tranen komen in zijne oogen, doch zich opheffend zegt
-hij: &bdquo;Ik weet dat dit de vruchten van den oorlog zijn, dat ik
-mijzelven Gods wille moet onderwerpen en daarin tevreden zijn. Heden
-was het zijne beurt, morgen zal het wellicht de mijne zijn! Vooruit, in
-Godsnaam! Vooruit!&rdquo;</p>
-<p class="par">En de Admiraals-staf wijst den zijnen weer den weg des
-roems en der glorie.</p>
-<p class="par">Het vreeselijk concert neemt weer toe in kracht.</p>
-<p class="par">Besteva&ecirc;r blijft onverdroten, onverzwakt, de maat
-slaan.</p>
-<p class="par">Nog eenmaal den Engelschen Admiraal, Prins Robert,
-aangevallen. Dat is eene partuur De Ruyter waardig.</p>
-<p class="par">Maar de Engelschen zien den gevreesden Admiraal
-aankomen, en omgeven hunnen Opperbevelhebber, als met een ringmuur van
-schepen en branders.</p>
-<p class="par">Mocht Prins Robert willen, zij willen zijn voor Engeland
-zoo kostbaar leven niet in de waagschaal stellen en dwingen hem, al
-vechtend, tot den terugtocht.</p>
-<p class="par">Het wordt donker op zee en donker op de kust.</p>
-<p class="par">Duizenden staren in de verte, doch kunnen bijna niets
-meer zien.</p>
-<p class="par">Hooren nog wel, en zeer goed ook.</p>
-<p class="par">Maar ook dat kanon-gebrom begint te klinken, als het
-aanhoudend dof gerommel van een afdrijvend onweder. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Hoezee! Hoezee! Ons de victorie! De vijand is van
-onze kust weggeslagen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Wanneer straks Besteva&ecirc;r, als overwinnaar,
-terugkeert, wat zullen we dan zeggen? Hoe zullen we hem noemen?</p>
-<p class="par">Eenen naam, eenen naam voor Besteva&ecirc;r Michiel!</p>
-<p class="par">Noemt hem <span class="ex">Redder des
-Vaderlands</span>!</p>
-<p class="par">En zoo geschiedde het.</p>
-<p class="par">Hier, daar en overal zag men weldra zijne afbeelding
-prijken met dit onderschrift:</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">&bdquo;Aenschouw den Heldt, der
-Staten-rechterhandt,</p>
-<p class="line">Den Redder van &rsquo;t vervallen Vaderlandt,</p>
-<p class="line">Die in &eacute;&eacute;n jaar twee groote
-koningrijken</p>
-<p class="line">Tot driemaal toe de trotsche vlagh deed strijken.</p>
-<p class="line">De roem der Vloot, den arm daar God door
-stre&ecirc;,</p>
-<p class="line">Door hem herleeft de vrijheit en de
-vre&ecirc;.&rdquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5855" href="#xd21e5855src" name="xd21e5855">1</a></span>
-Schooneveld is eene plaats in zee ten Westen van het eiland Walcheren.
-Ter hoogte van deze plaats vinden we op eene kaart van Zeeland van 1540
-het eiland Schoonevelde met de dorpen Schoonevelde en Wals-Vlaenderen.
-Misschien is de tegenwoordige ondiepte, bekend onder den naam van
-&bdquo;Bankje van Zoutelande&rdquo;, nog een overblijfsel van dit door
-de zee verzwolgen eiland.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5855src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e5994" href="#xd21e5994src" name="xd21e5994">2</a></span> In dat
-uit de verte vechten zou al licht blijken, dat de onzen niet durfden
-naderen. De Engelsche schrijver geeft er evenwel eene goede reden voor
-op als hij zegt: &bdquo;Het Hollandsche buskruit was krachtiger en hun
-geschut langer dan het onze.&rdquo;&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e5994src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd21e408">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Het einde van een heldenleven.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd
-reeds in het volgende jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield
-den krijg vol.</p>
-<p class="par">Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die
-in heel zijn land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene
-zon genoemd werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein
-landje. Gaven Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij
-zou alleen toonen wat hij kon.</p>
-<p class="par">De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen,
-dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van
-Frankrijks &bdquo;zon&rdquo; geen duimbreed gronds verloor.</p>
-<p class="par">Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het
-te kwaad met Sicili&euml;, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig
-werd. <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name=
-"pb230">230</a>]</span></p>
-<p class="par">Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er
-den wensch bij uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier
-hulpvloot staan zou.</p>
-<p class="par">De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te
-willigen, doch de hulp zou gering zijn.</p>
-<p class="par">Sedert korten tijd slechts was onze
-Luitenant-Admiraal-Generaal in den stillen, huiselijken kring
-teruggekeerd; want na de schitterende overwinning bij Kijkduin, was hij
-met een deel der Hollandsche vloot naar West-Indi&euml; geweest om daar
-de Franschen te gaan bestoken.</p>
-<p class="par">En eenmaal tot de zijnen teruggekeerd was hem op zijnen
-ouden dag de ruste z&oacute;&oacute; lief, dat hij de vereerende
-uitnoodiging van den Koning van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof
-te vertoeven, beleefdelijk weigerde.</p>
-<p class="par">Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste
-levensjaren aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem
-lief en dierbaar waren.</p>
-<p class="par">Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat
-ooit zijn doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien
-hield zijn zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien
-naam met eere op.</p>
-<p class="par">Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne
-hulp niet zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem
-het bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.</p>
-<p class="par">Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen;
-want, zonder rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij
-bezat, en zijn inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.</p>
-<p class="par">Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?</p>
-<p class="par">Maar het lot had anders beslist.</p>
-<p class="par">Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter
-met eene vloot naar de Middellandsche zee zenden.</p>
-<p class="par">Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere
-vaartuigen en vier branders werden hem toegezonden. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span></p>
-<p class="par">Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met
-wien De Ruyter niet overweg kon.</p>
-<p class="par">Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien,
-of hij schudde het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het
-Admiraliteits-collegie, die hem deze lijst brachten: &bdquo;Ik ken de
-Franschen. Ze hebben van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te
-vergeefs liet de slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk
-aan het gevecht deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder
-aanvoert, is een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij
-weten toch, dat hij slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man
-was, als UEd. denkt, zou hij het wel veel verder gebracht
-hebben.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;U kent hem niet, Heeren,&rdquo; sprak de Ruyter.
-&bdquo;Lodewijk zou hem reeds lang bevorderd hebben, als hij niet een
-Protestant was. Maar dat daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk
-hij te bevelen heeft, en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat
-niet. Achttien schepen is veel te weinig.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te
-rekenen, Meneer De Ruyter!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De
-Spanjaarden zullen ons helpen, zooals de Franschen de Engelschen in
-&rsquo;72 en &rsquo;73 hielpen. Zij zullen ons de kastanjes uit het
-vuur doen halen en van verre toekijken of ons dat werk ook gelukt. Ik
-herhaal het: mijne vloot is te klein!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden
-dag bevreesd begint te worden en den moed dreigt te laten
-zakken,&rdquo; merkte thans een der Heeren aan.</p>
-<p class="par">Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd,
-en den driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met
-waardigheid en ernst: &bdquo;Neen, ik begin den moed niet te laten
-vallen. Ik heb mijn leven veil voor het Vaderland; maar ik ben
-verwonderd, en het is mij leed <span class="pagenum">[<a id="pb232"
-href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span>dat de Heeren de vlag van den
-Staat zoo veil hebben en wagen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Welnu, die schande dragen wij dan,&rdquo; zeide
-dezelfde, &bdquo;en wij verzoeken UEd. toch naar zee te gaan met de
-vloot, die wij u geven willen.&rdquo;</p>
-<p class="par">Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze
-zeide hij: &bdquo;De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te
-gebieden. En al werd mij bevolen &rsquo;s Lands vlag op
-&eacute;&eacute;n enkel schip te voeren, ik zou daarmee naar zee gaan,
-en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen, zal ik mijn leven
-wagen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te
-dom, te opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van
-De Ruyter, te kunnen begrijpen.</p>
-<p class="par">Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd
-hij opeens door ziekten van den ouden dag overvallen.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ga toch niet naar zee!&rdquo; zoo smeekten vrouw,
-kinderen, en vrienden.</p>
-<p class="par">Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor
-houden, dat hij geenen moed meer had.</p>
-<p class="par">Ja, daarover moest hij heenstappen. &bdquo;Dat wist men
-wel beter,&rdquo; zeide men.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, neen,&rdquo; riep De Ruyter, &bdquo;ik zal
-naar zee gaan! Ik zal dien tocht doen, al zou men mij ook naar het
-schip dragen!&rdquo;</p>
-<p class="par">Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij
-deed het ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.</p>
-<p class="par">Waarom toch?</p>
-<p class="par">Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste
-vrienden.</p>
-<p class="par">&bdquo;Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen
-adieu, maar adieu voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal
-op dezen tocht blijven. Ik voel het!&rdquo;</p>
-<p class="par">Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de
-vergadering der Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar
-&rsquo;s Lands vloot te begeven. <span class="pagenum">[<a id="pb233"
-href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span></p>
-<p class="par">Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der
-vergadering, hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op
-dezen tocht weer schitterend zou blijken, dat het bevel van &rsquo;s
-Lands vloot aan geene betere handen kon toevertrouwd geworden
-zijn.<a class="noteref" id="xd21e6249src" href="#xd21e6249" name=
-"xd21e6249src">1</a></p>
-<p class="par">Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen
-Vice-Admiraal De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en
-dan de vloot te Cadiz af te wachten.</p>
-<p class="par">Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De
-Ruyter dus wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den
-Vice-Admiraal De Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot
-niets. Men hield onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en
-eindelijk kreeg hij last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar
-hij zes Spaansche schepen vinden zou.</p>
-<p class="par">Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee
-ingezeild was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van
-Algiers te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den
-stokouden Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang
-aangekeken had.</p>
-<p class="par">&bdquo;Admiraal,&rdquo; zeide deze eindelijk.</p>
-<p class="par">De Ruyter keerde zich om en zei: &bdquo;Zoo, Lievensz.,
-zijt gij daar?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Admiraal, hier ben ik!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Het gaat ons niet voor den wind, man!&rdquo;
-sprak De Ruyter.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, alles behalve dat, Admiraal,
-maar....&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234"
-name="pb234">234</a>]</span></p>
-<p class="par">Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk
-gezicht.</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat scheelt er aan?&rdquo; vroeg De Ruyter.</p>
-<p class="par">&bdquo;Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met
-vrede, dan zou ik hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman
-kunnen beschaamd zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken,
-Lievensz.! Uw oude dag vergt rust, en ge kunt toch best
-leven!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had
-moeten blijven, Admiraal!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er
-een, en dat zijt gij!&rdquo; riep de &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo;
-opeens uit. &bdquo;Gij hadt dien kerels, die van niemendal anders weten
-dan geld te ontvangen, den voornamen heer uit te hangen en eenen man
-als &bdquo;Besteva&ecirc;r Michiel&rdquo; is, te beleedigen, vierkant
-in het gezicht moeten zeggen: &bdquo;Ik ga niet of, als
-Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam
-past!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den
-ouden dag nog zoo trotsch?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch
-op u, dien ik gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn
-zesentachtigste jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den
-nederigsten en vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge
-het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier
-tegen u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is
-te vol. Michiel, Besteva&ecirc;r Michiel, ik voorzie er in, dat het mis
-met ons afloopt. We zullen verliezen en&mdash;jij, brave man, jij zult
-op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen
-Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den
-loop <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name=
-"pb235">235</a>]</span>gaan?&rdquo; vroeg De Ruyter met flikkerende
-oogen. &bdquo;Lievensz., Lievensz., d&agrave;t zal ik niet doen. Al
-vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar op den loop
-gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar
-is me dat nu een vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen
-met meer dan twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij
-Kijkduin?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te
-klein; maar denk er aan, man, wat de zee-oorlog van &rsquo;72 en
-&rsquo;73 gekost heeft, en wat de oorlog te lande n&oacute;g kost. Het
-land is uitgeput, en niet alle gewesten willen altijd met Holland en
-Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje, de Raadpensionaris Fagel, en
-het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, Mijnheer De Wildt, hebben alles
-gedaan, wat ze konden om mij meer schepen te geven; maar ze hebben het
-er niet door kunnen krijgen. De tocht mag ook niet langer dan zes
-maanden duren. We willen dus hopen, dat ge gauw terugkeeren
-kunt!&rdquo; zeide De Ruyter en ging nu naar zijnen Kapitein, den
-dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over hetgeen het best kon
-gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad toen hij zeide, dat
-de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou hebben. Overal waar hij
-aankwam werd hij met eerbewijzen overladen, maar hulp, waar het om te
-doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer hij hier, dan daar heen.
-Eindelijk kreeg men den zevenden Januari den vijand bij het eiland
-Stromboli in het gezicht, en hoewel deze vloot veel sterker dan de onze
-was, besloot De Ruyter haar toch aan te tasten. Hij riep alle
-Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord en beval hun, zich voor den dag
-van morgen tot den strijd gereed te houden. Dezen beloofden met
-zeemans-handslag hunnen plicht te zullen doen en verlieten het
-Admiraalsschip.</p>
-<p class="par">Nog v&oacute;&oacute;r de dageraad aanbrak gaf de
-Fransche Bevelhebber het sein om te wenden, en zoodoende het voordeel
-<span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name=
-"pb236">236</a>]</span>van den wind te krijgen, doch nauwelijks had De
-Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te voorkomen. En wie nu eenen
-zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt om te aanschouwen, zou met
-vermaak gekeken hebben naar de pogingen, die aangewend werden om
-elkander den loef af te winnen. De wind liep echter om en de Franschen
-wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende dien zeetocht had De
-Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van den vijand goed op te
-nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was, dan hij in het eerst
-gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel niet meer te denken;
-het gevecht moest plaats hebben.</p>
-<p class="par">De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter
-zich uit den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen
-tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed onder
-het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag, die
-door Duquesne beantwoord werd.</p>
-<p class="par">Dit was het teeken tot den strijd.</p>
-<p class="par">En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet
-zoo gering te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter,
-waarin deze getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus
-schutgevaarte gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had
-bijgewoond.</p>
-<p class="par">Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden
-ontzettend geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade
-eenigszins te herstellen.</p>
-<p class="par">De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade
-bekomen<span class="corr" id="xd21e6314" title="Bron: ,">.</span> Dezen
-hadden zich gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit
-de verte met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien.
-Maar alsof ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de
-Spaansche Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens
-te beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.</p>
-<p class="par">Hij schreef De Ruyter eenen brief van: &bdquo;nu moet
-men <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name=
-"pb237">237</a>]</span>dit en dan moet men dat,&rdquo; en zoo al voort
-en eindigde met te schrijven: &bdquo;<i>Uw grootste dienaar en vriend,
-die uwe handen kust</i>,</p>
-<p class="par signed"><span class="sc">Don Andrea de
-Avolos</span>.&rdquo;</p>
-<p class="par">Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen
-bluffenden brief een velletje best Hollandsch schrijfpapier te
-vermorsen. Hij liet althans eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het
-goed was, op de ommezijde van De Avolos&rsquo; brief zetten, en van
-handen kussen kwam niemendal voor.</p>
-<p class="par">Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den
-vijand op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De
-Ruyter bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden
-dan wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de
-voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte
-dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren,
-ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te
-vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had,
-dat die tijd door de Staten verlengd was<span class="corr" id=
-"xd21e6333" title="Bron: ,">.</span></p>
-<p class="par">Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De
-Ruyter, na zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na
-gevleid en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met
-kwalijk verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goed<a id=
-"xd21e6338" name="xd21e6338"></a> als geene versterking gekregen, en de
-Spanjaarden snoefden weer veel harder dan eenigen tijd geleden, doch
-als het op handelen aankwam, waren ze niet thuis. Zijne ongesteldheden
-kwamen ook gedurig terug en&mdash;dat akelig voorgevoel van zijn
-naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen was, toen hij de zes
-maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht, kwam nu en dan ook
-weer voor den dag, maar, hij zette zich met een: &bdquo;Als het moet,
-dan moet het,&rdquo; over alles heen, en toonde zich weldra weder
-dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was maar, dat
-hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandsche <span class=
-"pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" name="pb238">238</a>]</span>zee
-was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.</p>
-<p class="par">Dit zou evenwel niet geschieden.</p>
-<p class="par">Den twee&euml;ntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee
-vijandelijke vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.</p>
-<p class="par">De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij
-laten gaan.</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat zal een harde dobber geven, Kapitein,&rdquo;
-zeide De Ruyter op de Fransche vloot wijzende.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!&rdquo;
-antwoordde Callenburgh. &bdquo;Maar Uwe Edelheid heeft meer tegen de
-overmacht gestreden en overwonnen!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet
-haperen zal. Als ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van
-geen wijken weten. Maar&mdash;het zijn niet allemaal Callenburghs,
-en&mdash;de overmacht is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles
-en alles juist vijfenveertighonderd koppen met achthonderd
-twee&euml;nvijftig stukken op zevenentwintig gehavende schepen tellen?
-En de Franschman heeft zijne vloot in vier smaldeelen kunnen deelen,
-terwijl ik schepen zie van tachtig en negentig stukken. Hij is zeker
-driemaal sterker dan wij, Callenburgh!&rdquo;<a class="noteref" id=
-"xd21e6354src" href="#xd21e6354" name="xd21e6354src">2</a></p>
-<p class="par">De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch
-beloofde nog eens, dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip &bdquo;De
-Eendracht&rdquo; voor drie vocht.</p>
-<p class="par">In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenen
-<span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name=
-"pb239">239</a>]</span>aanvang nam, voerde De Ruyter de voorhoede aan,
-en weldra scheen het, dat de Etna verplaatst was.</p>
-<p class="par">En de Spanjaarden?</p>
-<p class="par">&bdquo;Daar liggen ze weer in lij te schieten als
-gekken,&rdquo; zeide Lievensz., die al druk bezig was om eenen
-gekwetste te verplegen; daar hij inderdaad nergens anders meer toe
-gebruikt kon worden.</p>
-<p class="par">Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even
-naar De Ruyter, die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne
-bevelen uit te deelen.</p>
-<p class="par">Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar
-het gevaar het grootst was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Hij draagt zijn negenenzestig jaren met
-eere!&rdquo; mompelde Lievensz. &bdquo;O, dat de kooplui hem daar zagen
-staan, ze zouden het hart niet meer hebben aan zijnen moed te
-twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!&rdquo;</p>
-<p class="par">Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en
-den gekwetsten makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed,
-ja, beter dan hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.</p>
-<p class="par">Wat was er gebeurd?</p>
-<p class="par">Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet
-weggenomen, en de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop
-was hij wel zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, Michiel, Michiel, Michiel,&rdquo; kermt de
-oude &bdquo;Barre&rdquo;, die de eerste was om den gevallene bij te
-staan.</p>
-<p class="par">&bdquo;O, God, jongens! Jongens, Besteva&ecirc;r is
-gesneuveld!&rdquo; schreeuwen de matrozen en komen in verwarring.</p>
-<p class="par">&bdquo;Neen, neen, mannen, niet gesneuveld!
-Besteva&ecirc;r leeft nog. Hij is aan den voet en het rechterbeen hevig
-gekwetst. Wreekt Besteva&ecirc;r, mannen, wreekt hem!&rdquo; roept
-Callenburgh. &bdquo;Den dood aan den Fransoos!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Den dood aan den Fransoos!&rdquo; schreeuwt het
-volk hem na en brandt de kanonnen zoo driftig los, alsof het musketten
-<span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name=
-"pb240">240</a>]</span>zijn. &bdquo;Op, op, voor onzen Besteva&ecirc;r!
-Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor Vaderland en
-Besteva&ecirc;r! God helpe ons!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Vooruit! Vuur! Vuur!&rdquo; beveelt Callenburgh,
-en alsof de held, die gewoon was als een stier op den vijand in te
-loopen, nog zelf stond te bevelen, slaat &bdquo;De Eendracht&rdquo;
-onder het donderen zijner kanonnen dwars door den vijand heen.</p>
-<p class="par">Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog
-herstel mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme
-man, telkens als zijn geschut losbrandt: &bdquo;Houdt moed, mijne
-kinderen, houdt moed! Z&oacute;&oacute; moet men doen om den zege te
-bevechten!&rdquo;</p>
-<p class="par">Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter
-zwaar gewond is.</p>
-<p class="par">&bdquo;Besteva&ecirc;r is gewond, kerels, brandt er op
-los!&rdquo; roepen de Kapiteins hun volk toe. &bdquo;Duizend Franschen
-voor Besteva&ecirc;r!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dan zal de Fransoos de rekening betalen,
-Kapitein! Tienduizend Fransozen voor &eacute;&eacute;nen Hollandschen
-Besteva&ecirc;r! Het moet er nu op of onder, overwinnen of sterven!
-Hoezee! Hoezee! Voor Besteva&ecirc;r De Ruyter! Hoezee!&rdquo;</p>
-<p class="par">En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander
-telde werkelijk voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen
-weken. Gedurende den nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de
-plaats des gevechts, en den volgenden morgen waren van de Fransche
-schepen, heel in de verte de toppen der masten slechts zichtbaar,
-zoodat het niet twijfelachtig was, wie eene luisterrijke zege behaald
-had.</p>
-<p class="par">Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich
-de overwinning durfden toeschrijven, en toch deden ze het.</p>
-<p class="par">De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse
-terug.</p>
-<p class="par">Wat al deelneming ondervond de groote man daar!</p>
-<p class="par">Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen
-oogenblik er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te
-laten stellen en onderteekenen. <span class="pagenum">[<a id="pb241"
-href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span></p>
-<p class="par">Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters
-verwonding in het Vaderland ontvangen.</p>
-<p class="par">Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat
-alleen uitputting van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij
-met zulk eene kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere
-hoogachting, die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de
-raadzaal van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had,
-was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd
-staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik, lag in
-zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht hadden. Ze
-schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief, en de Stadhouder
-deed dat eene maand later.</p>
-<p class="par">Maar geenen dier brieven had hij meer hooren
-voorlezen.</p>
-<p class="par">Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje
-hem tot Hertog benoemd had.</p>
-<p class="par">Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u
-niet meer, hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart?
-Straatjongen, herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den
-titel draagt van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u
-zelven nog Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?</p>
-<p class="par">Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is
-gesloten, gesloten voor immer en altoos.</p>
-<p class="par">De wonden stonden vrij gunstig,&mdash;doch er zijn
-koortsen bij gekomen, en omringd door zijne helden is hij gestorven,
-zacht en gerust, des avonds van den negenentwintigsten Augustus
-1676.</p>
-<p class="par">Een gebed is zijn laatste woord geweest.</p>
-<p class="par">Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!</p>
-<p class="par">Lievensz.<a id="xd21e6437" name="xd21e6437"></a> had het
-lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.</p>
-<p class="par">Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland
-gebracht!</p>
-<p class="par">O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche haven
-<span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name=
-"pb242">242</a>]</span>zeilde men voorbij, of de Fransche vlag werd
-halfstok geheschen en met eereschoten werd het lijk begroet, het lijk
-van den vijand van Frankrijk, van den nederigen burger. Dit had
-Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner vrienden, die hem zijne
-droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd heeft: &bdquo;Al juich
-ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen te zijn, dit belet
-mij niet gevoelig te zijn over den dood van een groot man!&rdquo;</p>
-<p class="par">Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.</p>
-<p class="par">Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe
-Besteva&ecirc;r Michiel in het hart van iederen Nederlander leefde.</p>
-<p class="par">Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het
-eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een
-Spaansch gezant stond en uitriep: &bdquo;Woont De Ruyter in d&agrave;t
-huis??&rdquo;</p>
-<p class="par">Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!</p>
-<p class="par">Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke
-plechtigheid in de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op
-kosten van den Staat<a id="xd21e6455" name="xd21e6455"></a> weldra een
-prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch opschrift vermeldt daar
-zijnen roem, en boven den ingang van den kelder staat nog een klein
-opschrift in het Latijn.</p>
-<p class="par">Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.</p>
-<p class="par">Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een
-stok-oud man in de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten,
-de beeltenis van den Admiraal te bekijken.</p>
-<p class="par">&bdquo;Een mooi praalgraf, he, ouwentje?&rdquo; zeide
-een deftig heer, die hem ongemerkt genaderd was.</p>
-<p class="par">&bdquo;Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te
-lezen?&rdquo;</p>
-<p class="par">De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den
-ouden man het opschrift.</p>
-<p class="par">Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude:
-&bdquo;Alles mooi en waar, Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En
-daar boven den ingang, staat daar ook niet wat?&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name="pb243">243</a>]</span></p>
-<p class="par">&bdquo;Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat:
-&bdquo;<span class="sc" lang="la">Intaminates fulget
-honoribus</span>.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Wat wil dat zeggen, Meneer?&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Dat wil zeggen: &bdquo;<span class="sc">Hij
-blinkt in onbedoezelde eere</span>.&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is
-waar!&rdquo;</p>
-<p class="par">&bdquo;Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend,
-oude?&rdquo; vroeg de heer, die den grijsaard oplettend aanzag.</p>
-<p class="par">&bdquo;Of ik hem gekend heb!&rdquo; riep de oude den
-heer toe, en hierop het beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon,
-aangrijpend schoon door de hartelijke geestdrift en liefde:
-&bdquo;Michiel, Besteva&ecirc;r Michiel, daar vragen ze Lievensz. of ik
-u gekend heb! De &bdquo;Barre Bruinvisch&rdquo; zou zijn zeekind niet
-gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik bij u, hoor! Mijn
-avondschot zal ook spoedig vallen.&rdquo;</p>
-<p class="par">De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd
-en strompelde naar huis.</p>
-<p class="par">De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit
-de oogen en fluisterde: &bdquo;Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van
-hoe weinigen kan men zeggen wat men van u zegt: &bdquo;Hij was groot
-als mensch, groot als held, groot als burger!&rdquo;</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende
-eeuw waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij
-betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien, dat
-ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het moet alleen
-ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden, als in de
-zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn, om te
-zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.</p>
-<p class="par">Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland
-eenmaal zoo groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van
-die eer weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden.
-Het is dan ook niet zoo <span class="pagenum">[<a id="pb244" href=
-"#pb244" name="pb244">244</a>]</span>zeer voor hen, dat een standbeeld
-verrijst, als wel om het volk van den tegenwoordigen tijd in
-herinnering te brengen, wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan
-te sporen te doen, zooals zij deden.</p>
-<p class="par">Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841,
-te Vlissingen een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat
-daar om ons, kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen:
-&bdquo;Niet <i>kunnen</i> bestaat niet; met God en goeden wil kan men
-bijna alles. Ik heb u den weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en
-arm, volg mijn voorbeeld na! In mijne dagen waren er bange tijden,
-banger dan gij ooit gekend hebt; maar inplaats van moedeloos de handen
-in den schoot te laten rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig
-ging het voorwaarts tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en
-vrij en frank ons weer overal konden vertoonen. &bdquo;De &bdquo;Zeven
-Provinci&euml;n&rdquo; konden veel; zouden &bdquo;De Elf
-Provinci&euml;n&rdquo; dan minder kunnen?&rdquo;<a class="noteref" id=
-"xd21e6507src" href="#xd21e6507" name="xd21e6507src">3</a></p>
-<p class="par">Besteva&ecirc;r, wij, oud en jong Nederland, hebben uw
-woord verstaan, en wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens
-een jaar als 1672 was, moest aanbreken, dat wij met het oog op
-Stadhouder Willem III roepen zullen: &bdquo;Oranje boven!&rdquo; en met
-het oog op u: &bdquo;Hoezee! Besteva&ecirc;r Michiel!
-Hoezee!&rdquo;</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6249" href="#xd21e6249src" name="xd21e6249">1</a></span> De
-levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt is niet
-vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was het niet
-enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De Ruyter
-minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren zich
-aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hem
-<span class="ex">beval</span> in alles den meesten dienst van het Land
-te betrachten. En om dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting
-te doen uitkomen, voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten
-&bdquo;op een gemeenen stoel zonder armen.&rdquo;&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd21e6249src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6354" href="#xd21e6354src" name="xd21e6354">2</a></span> De
-Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de branders. Er waren
-er <span class="corr" id="xd21e6356" title="Bron: 5">vijf</span> van 90
-of 96 stukken bij, vier van 80, elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70,
-vier van 50 enz. In het geheel was de vloot bemand met 10,665 koppen en
-gewapend 2,172 stukken geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de
-Spaansche niet geteld worden. De Franschman De Vivonne schrijft:
-&bdquo;De Spanjaarden schoten van zeer verre, zonder orde te houden,
-zoodat er slechts vier schepen van hen bij elkander waren, waaronder de
-Admiraal, schietende in het wilde en zonder op onzen middeltocht af te
-komen.&rdquo;&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e6354src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd21e6507" href="#xd21e6507src" name="xd21e6507">3</a></span> Den
-1<sup>sten</sup> Mei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en D.
-Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch in
-het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter te
-Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk hunne
-pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk dat zijne
-groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te hebben. Hulde
-daarom aan hen, die in die vereering
-v&oacute;&oacute;rgingen.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd21e6507src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="transcribernote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
-overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
-kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
-<a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href=
-"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
-Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e41"
-title="Externe link" href=
-"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
-<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line
-gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd21e41" title=
-"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke
-schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
-stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
-verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
-einde van dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2016-06-01 Begonnen.</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
-dat deze links voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctiontable" summary=
-"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e442">2</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e1638">41</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e1739">45</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2281">66</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e4261">144</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e4267">145</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5332">199</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e5884">220</a></td>
-<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e516">4</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e556">5</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e593">7</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1533">38</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e1656">42</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e1661">42</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1774">46</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2106">60</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e2343">67</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3634">113</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e4680">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e771">14</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2658">78</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e3289">102</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5659">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e903">19</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2025">56</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e4476">154</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5567">207</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e5575">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e971">21</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e1467">36</a></td>
-<td class="width40 bottom">kwajongen</td>
-<td class="width40 bottom">kw&acirc;jongen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1232">28</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e1530">38</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e1744">45</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2347">67</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e3404">106</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e4251">144</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4812">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1303">31</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e4925">180</a></td>
-<td class="width40 bottom">zett&rsquo;en</td>
-<td class="width40 bottom">zetten</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1670">42</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e4327">147</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e5138">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2062">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">vertrouwd</td>
-<td class="width40 bottom">vertrouwt</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2352">67</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e4841">176</a></td>
-<td class="width40 bottom">&rsquo;</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2397">69</a></td>
-<td class="width40 bottom">zuchte</td>
-<td class="width40 bottom">zuchtte</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2554">74</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2922">88</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd21e6338">237</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6437">241</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e6455">242</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2558">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">speelde</td>
-<td class="width40 bottom">speelden</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2671">79</a></td>
-<td class="width40 bottom">mekaer</td>
-<td class="width40 bottom">meka&ecirc;r</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3035">93</a></td>
-<td class="width40 bottom">koopvaardij schepen</td>
-<td class="width40 bottom">koopvaardijschepen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3211">100</a></td>
-<td class="width40 bottom">Levien</td>
-<td class="width40 bottom">Michiel</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3438">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">Biskayers</td>
-<td class="width40 bottom">Biscayers</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3593">112</a></td>
-<td class="width40 bottom">watertande</td>
-<td class="width40 bottom">watertandde</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3931">128</a></td>
-<td class="width40 bottom">Zij</td>
-<td class="width40 bottom">Zijn</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4043">133</a></td>
-<td class="width40 bottom">zooal</td>
-<td class="width40 bottom">zoo al</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4103">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">van van</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4147">138</a></td>
-<td class="width40 bottom">Senor</td>
-<td class="width40 bottom">Se&ntilde;or</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4216">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">Brugmam</td>
-<td class="width40 bottom">Brugman</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4298">146</a></td>
-<td class="width40 bottom">ooggegetuigen</td>
-<td class="width40 bottom">ooggetuigen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4407">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">Edel Mogenden</td>
-<td class="width40 bottom">Edelmogenden</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4934">180</a></td>
-<td class="width40 bottom">Groot-Britanni&euml;</td>
-<td class="width40 bottom">Groot-Brittanni&euml;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4939">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5021">186</a></td>
-<td class="width40 bottom">zelf</td>
-<td class="width40 bottom">zelfs</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5893">221</a></td>
-<td class="width40 bottom">wenwend</td>
-<td class="width40 bottom">wendend</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6314">236</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e6333">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6356">238</a></td>
-<td class="width40 bottom">5</td>
-<td class="width40 bottom">vijf</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Vlissinger Michiel, by P. Louwerse
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VLISSINGER MICHIEL ***
-
-***** This file should be named 52316-h.htm or 52316-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/3/1/52316/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/52316-h/images/book.png b/old/52316-h/images/book.png
deleted file mode 100644
index 963d165..0000000
--- a/old/52316-h/images/book.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/card.png b/old/52316-h/images/card.png
deleted file mode 100644
index 1ffbe1a..0000000
--- a/old/52316-h/images/card.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/external.png b/old/52316-h/images/external.png
deleted file mode 100644
index ba4f205..0000000
--- a/old/52316-h/images/external.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/frontispiece.jpg b/old/52316-h/images/frontispiece.jpg
deleted file mode 100644
index d67dfd3..0000000
--- a/old/52316-h/images/frontispiece.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/new-cover-tn.jpg b/old/52316-h/images/new-cover-tn.jpg
deleted file mode 100644
index 75c4d89..0000000
--- a/old/52316-h/images/new-cover-tn.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/new-cover.jpg b/old/52316-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index b9e9e55..0000000
--- a/old/52316-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/p046.jpg b/old/52316-h/images/p046.jpg
deleted file mode 100644
index 4cb02a6..0000000
--- a/old/52316-h/images/p046.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/p114.jpg b/old/52316-h/images/p114.jpg
deleted file mode 100644
index c142e93..0000000
--- a/old/52316-h/images/p114.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/p166.jpg b/old/52316-h/images/p166.jpg
deleted file mode 100644
index 8be97e8..0000000
--- a/old/52316-h/images/p166.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/52316-h/images/titlepage.jpg b/old/52316-h/images/titlepage.jpg
deleted file mode 100644
index bd70595..0000000
--- a/old/52316-h/images/titlepage.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ