diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-06 00:08:23 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-06 00:08:23 -0800 |
| commit | 1333afd752ebe53aadd3fd406df70c6f4ae49067 (patch) | |
| tree | 0956d632dfee323c40e220d6453de63a38201ecb | |
| parent | 4f68a1166e979a8329c951dac0e8a2a04905b156 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52315-8.txt | 4386 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52315-8.zip | bin | 72880 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h.zip | bin | 728970 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/52315-h.htm | 5159 | ||||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/book.png | bin | 218 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/card.png | bin | 249 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/cover.jpg | bin | 109967 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/external.png | bin | 172 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/logo.png | bin | 14196 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/ornament.png | bin | 12895 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/plate-1.jpg | bin | 162938 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/plate-2.jpg | bin | 141289 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/plate-3.jpg | bin | 162917 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/spine.jpg | bin | 16598 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/52315-h/images/titlepage.png | bin | 22241 -> 0 bytes |
18 files changed, 17 insertions, 9545 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..36c9a3e --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #52315 (https://www.gutenberg.org/ebooks/52315) diff --git a/old/52315-8.txt b/old/52315-8.txt deleted file mode 100644 index 439e0c8..0000000 --- a/old/52315-8.txt +++ /dev/null @@ -1,4386 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Alewijn, de Lijfeigene, by E. Molt - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Alewijn, de Lijfeigene - Historisch verhaal uit de 12e eeuw - -Author: E. Molt - -Illustrator: B. W. Wierink - -Release Date: June 12, 2016 [EBook #52315] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALEWIJN, DE LIJFEIGENE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - ALEWIJN, DE LIJFEIGENE - HISTORISCH VERHAAL UIT DE 12e EEUW - - DOOR - E. MOLT. - - GEÏLLUSTREERD DOOR B. W. WIERINK. - - - DERDE DRUK. - - AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING. - - - -Toen Redbold gelukkig en wel van den kruistocht bij vrouw en kind was -teruggekeerd, kocht hij zich voor het overgespaarde geld een lapje -grond, niet ver van de abdij gelegen. 't Was een vruchtbaar plekje -en leverde meer op dan noodig was om van te leven. - -Geruimen tijd gingen de zaken dan ook heel goed. Door zuinigheid en -ijver wisten de eenvoudige menschen hun bezittingen langzaam maar -zeker te vermeerderen. - -Had het zoo maar mogen blijven! Helaas, hoe krachtig en ijverig -Redbold ook was, hoe trouw hij door zijn goede Marijke en door zijn -jongen in den zwaren veldarbeid werd bijgestaan, toch was de man niet -in staat, de zijnen bij voortduring gelukkig te maken. Redbold bezat -een treurige eigenschap, een eigenschap, die jammer en ellende zou -brengen in de hut, waar zooveel kalme vreugde kon heerschen. - -Redbold was een speler. - -Op den kruistocht had hij meermalen opgemerkt, hoe enkelen van zijn -krijgsmakkers soms groote sommen door het spel hadden gewonnen. - -Een enkelen keer had hij zelf meegedaan, maar altijd slechts weinig -geld gewaagd. - -Toen nu echter de vooruitgang naar zijn zin niet snel genoeg ging, -beproefde hij opnieuw zijn geluk. En dit bracht hem ten gronde. - -Want de fortuin was hem zeer ongunstig, en eindelijk verminderden -zijn bezittingen zoo bedenkelijk, dat hij land van de abdij in pacht -moest nemen. - -Nog was het tijd om tot inkeer te komen, nog kon alles weer hersteld -worden. Maar neen, de speelzucht zat er bij Redbold te sterk in. Hij -bleek ongeneeslijk. Niets was in staat, hem op den goeden weg terug -te brengen, zelfs de smeekingen van zijn lieve vrouw niet. - -Al meer en meer gingen de zaken achteruit, en toen Redbold eindelijk -niet bij machte bleek, zijn pacht te voldoen, moesten hij en de zijnen -daarvoor met hun vrijheid boeten. En nu gebeurde, wat de meier der -abdij al zoo vaak voorspeld had: Redbold met vrouw en zoon werden de -lijfeigenen van den abt. Wel waren ze hierdoor voor gebrek bewaard, -maar hun vrijheid hadden ze verloren. Ze moesten den arbeid verrichten, -dien de abt hun oplei. Ze waren geheel afhankelijk van hen, die door -den geestelijken heer waren aangewezen om op de onderhoorigen het -toezicht te houden. Voor Alewijn was nu de tijd voorbij, dat hij doen -mocht, wat hij wilde. Weldra liet de abt den knaap bij zich komen, -om hem te vertellen, dat hij spoedig geregeld werk zou krijgen. - -De abdij bestond uit een groote menigte houten en steenen gebouwen, -alle om een kerk geschaard, het geheel door een gracht en een muur -omgeven. De landerijen, die er toe behoorden, strekten zich naar alle -zijden zeer ver uit; tal van knechts waren er aan den arbeid. Ook -Alewijn verwachtte, dat hij weldra op het veld aan het werk gezet -zou worden. - -Dit viel echter mee. Men droeg hem vooreerst nog niets bepaalds -op. Zoo nu en dan moest hij Diedaart, den verzorger der hoenders, -behulpzaam zijn. - -Diedaart, een kort, vlug kereltje, verbeeldde zich heel wat te wezen, -zeker, omdat hij in rang boven den haan stond, die al een groot -gezag over zijn omgeving had. Alewijn kreeg het heel gemakkelijk; -zwaren arbeid behoefde hij niet te verrichten. Al het werk bepaalde -zich tot het doen van boodschappen, terwijl hij den overigen tijd bij -Diedaart op een bank mocht zitten, om naar diens verhalen te luisteren. - -Zoolang men Diedaart niet in het vaarwater kwam, was hij de beste man -van de wereld, maar men moest dan ook alles goedvinden en prijzen, -wat hij deed. Bovendien wilde hij niet graag op de vingers gezien -worden. Alewijn, die dikwijls op de abdij was geweest om eieren -te verkoopen, kende den pluimverzorger heel goed, en, daar hij een -bescheiden jongen was, bestond er alle reden om te verwachten, dat -hij het met zijn kort meestertje best zou kunnen vinden. - -De eerste dagen ging het ook heel goed; Diedaart was zeer met den knaap -ingenomen; zelfs begon Alewijn zich reeds in zijn lot te schikken, -toen er iets voorviel, dat een geheele verandering in zijn leven -veroorzaakte. - -Op een morgen riep Diedaart den jongen bij zich. - -"Komaan, kereltje"--de man was wel een hoofd kleiner dan Alewijn--"pluk -jij me dat kipje even. 't Is voor den abt bestemd. Een vet beestje, -he? Nu, wat zeg je er van?" - -Alewijn wist er niets anders van te zeggen, dan dat ook hij een en -al bewondering was over de vetheid van het hoen. - -"Ja, daar heb ik goed den slag van. Ze mogen zeggen, wat ze willen, -maar sedert Diedaart voor de hoenders zorgt, gaat het er in het -kippenhok veel beter uitzien. Weet je, wat de zaak is? Ik ken zoo -de rechte manier, hoe de beestjes gevoederd moeten worden. Daar komt -het op aan. Je moet weten, wat een dier toekomt. De meesten hebben er -heelemaal geen verstand van. Dat voedert de kippen alleen, enkel en -alleen met gerst! Denk eens aan, alleen met gerst. Zou jij je maal -graag alleen met brood doen? Ik niet. Ik heb er liefst wat drinken -bij. Zoo gaat het een hoentje ook. Kijk, ik meng het voeder altijd -met een flinken scheut bier aan. Nu mogen ze er over klagen, dat ik -zooveel bier gebruik, daar lach ik wat om. Mijn beestjes worden dik -en vet, de abt is tevreden, wat wil je nog meer. - -"Zie je die witte daar? Die heeft de kou te pakken gekregen, maar nu -zal ik je toch eens laten zien, hoe gauw ik ze weet op te knappen. Als -je straks de kip geplukt hebt, wil je zeker wel even voor me de -poort uitgaan?" - -Zoo babbelde de man door, nog drukker dan zijn gevleugeld volkje, -dat al maar klokkend en kakelend en pikkend door elkander liep. - -"Ja, ja, de abt heeft een heelen steun aan mij, al zeg ik het zelf." - -Intusschen zat Alewijn ijverig te plukken, een werkje, dat hij meer -gedaan had en dat hem dus nog al vlug van de hand ging. En toen hij -klaar was, droeg Diedaart hem op, even naar buiten te gaan en wat -schors van een esch te halen. - -"Wel, mijn jongen, je kijkt daar vreemd van op. Je denkt zeker: -"Wat wil hij daar nu mee uitvoeren?" Ik zal je dat zeggen. Als de -kippetjes verkouden zijn, is er geen beter geneesmiddel te bedenken -dan aftreksel van esschenschors; wat ze ook hebben verkoudheid, pip, -of zinking, je geneest ze er dadelijk mee. Nog sterker, laatst had ik -een kip, die al te gulzig was geweest en een grooten kikker ineens -had willen doorslikken. 't Beest zou stikken; ik geloofde vast, dat -het er nooit meer van kon opkomen. 't Ware jammer genoeg geweest, -want het dier begon juist zoo mooi vet te worden. Maar komaan dacht -ik, we kunnen altijd nog eens iets probeeren. Wat doe ik? Ik trek de -kip den bek open. Kijk, zoo!" - -De man nam een hoentje op, dat natuurlijk geweldig tegenspartelde en -sperde het den bek wijd open. - -"Ik trok het den kikker uit de keel. Maar nog bleef het dier voor dood -liggen. Nu goot ik het voorzichtig wat aftreksel van esschenschors in -den bek; dat had ik toen juist bij de hand, omdat er zooveel hoenders -verkouden waren en wat zag ik? Een klein poosje later liep de zieke -even gezond en monter rond, alsof er niets gebeurd was, ja, het leek -me toe, of het nog nooit zoo tierig was geweest. - -"Ha, je bent klaar, zie ik. Wacht, laat het even aan den kok zien, -met de complimenten van mij, en vraag, of het niet een heerlijk -beestje is. En zeg dan meteen, dat het bier op is." - -Alewijn vertrok en kwam na eenig zoeken in de keuken, waar een dikke -monnik ijverig bezig was. "Zoo kereltje, wat moet jij hier? O, kom -je van Diedaart? Dat is goed." - -"Diedaart vraagt, of hij niet wat bier kan krijgen." - -"Wat zeg je? Bier? Bier, mijn beste jongen? En gisteren heeft hij -nog een heele kruik gehad. Wat doet hij er toch mee?" - -Alewijn antwoordde, dat bier zoo goed voor de kippen scheen te zijn. - -"Zoo. Nu, ik kan niet anders zeggen, of dit is een mooi kluifje. Wel -wel, komt het van het bier? Neem die kruik dan maar mee, als je maar -oppast, dat je er niet van snoept, want dan kon je wel eens even vet -worden als de kippen en dat zou je dadelijk verraden." - -Alewijn bracht dus de kruik bier naar den pluimverzorger, die het -weltevreden aannam en hem nu opdroeg, wat esschenschors te halen. De -jongen talmde niet en ging dadelijk heen; onderweg bedacht hij echter, -dat een mes hem goed te pas zou komen. Daarom keerde hij nog eventjes -terug. Maar wat zag hij daar, toen hij het hoenderhok binnentrad? Iets, -dat hem ten hoogste verwonderde, maar waardoor hem tevens een licht -opging. Nu begreep hij, waarom Diedaart elken dag een kruik bier -noodig had. - -Op hetzelfde oogenblik toch, dat Alewijn binnen kwam, nam de goede -man de laatste teug uit de kruik. Het spreekt vanzelf, dat hij heel -raar op zijn neus keek, toen hij zich zoo verrast zag en in het eerste -oogenblik niet wist, wat hij zeggen moest. Spoedig echter herstelde -de snoepachtige hoenderverzorger zich en poogde hij zijn toestand -te verklaren door te zeggen: "Ja, zie je, ik proef het bier altijd -eerst zelf, vóór ik het den hoenders geef. Je weet nooit, wat bocht -men je in de handen duwt." - -Nu moest Alewijn toch hartelijk lachen, want pas had Diedaart dit -gezegd, of hem viel de kruik uit de handen, en nu bleek, dat er geen -druppel meer in was. De eerlijke pluimverzorger was bezig geweest, -niet de hoenders, maar zich zelf vet te maken, en, dit moet men zeggen, -hij deed het niet ten halve. Zijn buikje begon den laatsten tijd dan -ook al aardig rond te worden. - -Diedaart was eerst verlegen geweest, toen hij zich betrapt zag. Toen -hij echter meende op te merken, dat Alewijn hem uitlachte, werd hij -boos. Hij beroemde zich altijd op zijn trouw en eerlijkheid, en het -beviel hem dus in het geheel niet, dat iemand zijn snoeplust had -ontdekt. Het ernstige van het geval was, dat de onschuldige Alewijn -hiervoor moest boeten. - -"Zeg eens, wat moet je hier? Maak, dat je weg komt en doe, wat ik -gezegd heb," klonk het kortaf. - -Alewijn keek zeer vreemd op van den onvriendelijken toon, daar hij -juist het tegendeel verwacht had. Hij antwoordde: "Ik had nog vergeten, -een mes mee te nemen." - -"Had daar dan maar dadelijk om gedacht. Kom, waar wacht je nog op?" - -"Ik moet toch een mes hebben." - -"En hoefde je daarvoor nu terug te komen? Had je onderweg aan een -van de lui niet een mes te leen kunnen vragen? Vooruit, neem mee en -ruk uit. Laat ik je vooreerst niet weer zien." - -Alewijn deed, wat hem bevolen was, en Diedaart bleef alleen, in -een zeer ontevreden stemming. Wat was hij boos! Geen wonder! Langen -tijd had hij ongestoord kunnen genieten van het bier, dat voor zijn -kippetjes bestemd was; altijd had ieder hem voor een eerlijk man -gehouden, en nu was hij opeens betrapt door zoo'n kwajongen. Hij -vreesde, dat Alewijn het vertellen zou, maar nog meer was hij er -woedend om, dat hij het bierdrinken voortaan zou moeten laten. Een -oogenblik dacht hij er aan, den buit met Alewijn te deelen, maar -even spoedig verwierp hij dit plan weer. Neen, hij moest iets beters -bedenken. En ten laatste besloot hij een middel te verzinnen, om den -jongen kwijt te raken. - -Dit middel deed zich eerder voor, dan hij verwacht had. Want, toen -Diedaart den volgenden dag den abt ontmoette, hield deze hem staande -en sprak: "Wel, goede Diedaart, je hebt mij daar gisteren een lekker -kluifje bezorgd." - -Diedaarts gezicht glom van voldoening toen hij zoo geprezen werd. - -"O ja," vervolgde de abt, "dat moest ik je nog eens vragen, hoe gaat -het met dien jongen, och, hoe heet hij ook weer?" - -"Alewijn, bedoelt u?" - -"Juist, Alewijn." - -Plotseling kreeg de pluimverzorger een plan in zijn hoofd. Daar had -hij een gemakkelijk middel, om zich den lastigen jongen van den hals -te schuiven. Hij trok een paar rimpels in zijn voorhoofd en zette -een bedenkelijk gezicht. - -"Wat zal ik u zeggen? 't Gaat nog al, maar ik geloof niet, dat een -gemakkelijk leven, zooals hij bij me heeft, goed voor hem is." - -"Wat lui misschien?" - -"Lui, lui? Ik weet dat nog zoo niet, maar ik vertrouw wel, dat het -beter voor hem zou zijn, als hij flink aan het werk gezet werd. Ook -lijkt hij mij nogal weerspannig toe." - -De abt was een goed man, maar hij hield van strenge -tucht. Weerspannigheid werd door hem altijd zwaar gestraft. Daar -kwam in dit geval bij, dat hij van Diedaart, die zijn tafel zoo goed -verzorgde, nog al hield en er niet aan dacht, hem te wantrouwen. - -Hij zette dus bij dit ongunstige oordeel over den armen Alewijn een -zeer ernstig gezicht, en sprak: "He, dat had ik niet achter den jongen -gezocht. Het leek mij eerst een bedaarde, bescheiden knaap toe. We -moeten hem dan maar flink aanpakken. Weet je wat, ik zal hem eens -bij me laten komen." - -Dit was het juist, wat Diedaart graag wilde hebben, want hij vermoedde -wel, dat Alewijn zich zou pogen te verdedigen en dat hij hierdoor juist -een verkeerden indruk op den abt moest maken. En zoo gebeurde ook. De -jongen voelde zich niet weinig beklemd, toen hij bij den deftigen -man in de spreekkamer moest komen, en hier werd zijn verlegenheid -nog grooter. - -"Wat hoor ik van je, vrind, je bent niet heel vlijtig, he? Dat valt -me niet mee". - -"Wat?" vroeg Alewijn ten hoogste verwonderd en niet minder -verontwaardigd, want hij had nog niet geleerd, onderdanig te wezen, -"wie zegt dat?" - -"Je toon is tamelijk brutaal. Wie het zegt? Dat behoef ik je gelukkig -niet te verzwijgen. Diedaart de pluimverzorger heeft zich ernstig -over je te beklagen." - -"Och, wat verbeeldt hij zich wel? Laat hij liever naar zich zelf -kijken." - -"Hoor eens, eerst wou ik het niet gelooven, maar nu zie ik het toch -zelf, dat je brutaal bent en weerspannig bovendien. Neen, neen, je -behoeft mij niets meer te vertellen. Ik ken zulke praatjes. Maar ik -wil je eens voor al zeggen, dat de toon, dien jij aanslaat, volstrekt -niet past. Foei, Diedaart is een ernstig en degelijk man. Hoor eens, -mijn jongen, je bent nog jong en daarom zal ik je genadig behandelen, -maar laat het voor altijd een goede les zijn. In 't vervolg behoef -je niet meer in het hoenderhok te komen; ik zal je op den akker aan -het werk zetten. Hoor ik na verloop van tijd goeds van je, nu, dan -zullen we nog eens zien, maar anders, pas op!" - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -VERKOCHT. - - -Twee dagen later stond Alewijn reeds op den akker te arbeiden. Hij -was een krachtige, breede knaap, maar het kostte hem niet weinig -moeite, den ploeg, dien de ossen trokken, in het rechte spoor te -houden. Daar hij geen suffer was, poogde hij zich zoo goed mogelijk in -zijn rampzaligen toestand te schikken en de ellende te vergeten. En -hoe kon dat beter dan door hard te werken? Werken kon hij. Het was -een lust, hem te zien; stellig zou het niet lang behoeven te duren, -of hij kwam in de gunst van den abt, als--de meier geen vriend van -Diedaart den pluimverzorger was geweest. - -"Je moet dien knaap in het oog houden," had de laatste gezegd. - -"Ha, ha, is het er zoo eentje; nu, we zullen hem wel klein krijgen. Hij -werkt anders nog al flink." - -"Zeker, maar ik zeg je, hij heeft streken; dat heb ik al heel gauw -opgemerkt. Anders mocht hij wel bij me blijven." - -"Nu, ik verzeker je, dat hij niet veel meer zal hebben in te brengen." - -De meier begon dus reeds met den armen Alewijn te wantrouwen en dat -was voor den knaap heel ongelukkig. Want hoe gaat het in de wereld, -als de menschen het al vooruit op iemand niet begrepen hebben? Dan kan -hij zich niet eventjes vergissen, of het is mis. En zoo ging het hier -ook. De meier had geen oog voor den ijver, waarmee Alewijn arbeidde, -maar op fouten, wezenlijke of schijnbare, lette hij wel. Rustte de -jongen even, dan meende de man, dat hij wilde luieren; praatte hij -met een ander, de meier dacht, dat ze elkander opstookten. Dan kwam -hij met een barsch gezicht naderbij en bestrafte den jongen, die zich -natuurlijk niet onrechtvaardig liet behandelen, en, openhartig als -hij was, een flink antwoord terug gaf. - -Zoo hoorde de abt ook van den meier niet veel goeds van Alewijn en -werd hij versterkt in de meening, dat het een lastige, weerspannige -jongen was. - -Op een morgen was Alewijn bezig, de ossen voor den ploeg te -spannen. Hij stond dicht bij een breeden weg, die naar de abdij -leidde. Plotseling zag hij bij een hoek van achter een boschje een heel -gezelschap ruiters naderen. 't Waren een paar edelen met hun gevolg, -die blijkbaar het plan hadden, den abt een bezoek te brengen. Een der -ridders was een groote breede man, in volle wapenrusting: een malierok, -nauwsluitende hoozen met ringen en een helm op het hoofd. Trotsch -zat hij in het zadel en liet zijn blik gaan over de landerijen aan -weerszijden van den weg, terwijl hij nu en dan het woord richtte -tot zijn metgezel of antwoordde op de opmerkingen, die deze hem -deed. Plotseling kreeg de ridder Alewijn in het oog. Hij scheen wat -bijzonders aan hem te zien, want hij bekeek den knaap met buitengewone -aandacht. Alewijn voelde het en werd er verlegen van; hij wist niet, -wat hij doen moest. Ja, de ridder had het bepaald over hem, toen hij -weer eenige woorden sprak tot den ruiter naast hem. Wat hij zei, werd -Alewijn natuurlijk niet gewaar, maar hij zou het weldra ondervinden. - -Alewijn ving met ploegen aan en de ruiters zetten bedaard hun tocht -voort, totdat ze bij de abdij kwamen, waar men zeer vereerd was met het -deftig bezoek en waar de reizigers dan ook gastvrij werden ontvangen. - -Waarom de edelman Alewijn zoo opmerkzaam had aangekeken? We zullen -het spoedig zien. Want nog had hij niet lang bij den abt gezeten, -of hij sprak: "Eerwaarde, ik zag zooeven op uw akker een opgeschoten -knaap van een jaar of zestien. Ik zou zoo'n snuiter uitstekend kunnen -gebruiken; hadt u geen lust, hem mij over te doen?" - -"Nu, dan dien ik toch eerst te weten, over wien u het hebt. Wacht, -misschien kan broeder Lulof mij helpen." - -Lulof werd geroepen en moest met een der mannen van den ridder -meegaan om te onderzoeken, wie de kooplust van den edelman had gaande -gemaakt. Al spoedig kwam de man weer terug en deelde hij den abt mee, -dat het niemand anders dan Alewijn kon zijn. - -"Alewijn, Alewijn," dacht de abt, "van dien lummel heb ik tot -nu toe niet veel goeds gehoord; ook de meier is slecht over hem -tevreden. Zulke bedienden kan ik missen. Al wou hij hem haast voor -niets hebben, ik stond hem graag af." - -Maar de abt, die zeer bijdehand was, liet niets merken van hetgeen -er in hem omging en richtte dus het woord tot den edelman: "Ik moet -u eerlijk bekennen, dat ik werklui genoeg heb en dus een enkelen van -hen wel wil afstaan, vooral wanneer ik u daar een pleizier mee doe, -maar, deze knaap.... een van mijn flinkste ploegers...." - -"Nu, ik zal hem goed betalen." - -"Dat spreekt vanzelf," hernam de abt glimlachend, "als dat ook niet -zoo was, wou ik hem doodeenvoudig niet missen. Hoeveel dacht u voor -hem te geven?" - -"Als ik eens zei: Twee prachtige rijpaarden." - -Dit was een zeer hoog bod, zooals nooit voor een lijfeigene gedaan -werd, maar de ridder, die een krijgshaftigen aard had en graag een -troep flinkgebouwde strijders om zich heen zag, stond er nu eenmaal -op, Alewijn te koopen. Inmiddels gaf hij hiermede het bewijs, dat hij -niet voor koopman in de wieg was gelegd. Hij liet zich op deze wijze -geheel in de kaart kijken en dit was zeer dom, vooral tegenover een -slimmerd als de abt, die zijn oogen een weinig toekneep, het voorhoofd -wat fronste en sprak: "Laten we er maar niet meer over praten." Hij -deed, alsof hij van den geheelen handel niets meer weten wilde. - -Hierdoor wekte hij nog meer de begeerte van den edelman, die hem zoo -gauw niet losliet en zei: "Maar heer abt, twee paarden, wordt er ooit -zooveel voor een arbeider gegeven?" - -"'t Kan zijn, ik wil er den jongen eenvoudig niet voor missen." - -"Maar hoeveel vraagt u dan wel?" - -"Nu, als u hem volstrekt hebben wilt, leg er dan nog twee koeien bij -en u kunt den knaap onmiddellijk meenemen; maar voor minder doe ik -hem niet van de hand." - -De ridder gaf teekenen van verbazing over zulk een ongehoorden eisch; -maar de abt was er zeker van, dat de edelman ten laatste zou toeslaan, -en bleef dus onverzettelijk. De uitkomst bewees, dat hij juist had -gezien, ja, per slot van rekening was de ander nog blij, dat hij den -jongen had kunnen krijgen, al beklaagde hij zich ook herhaaldelijk -over den duren koop. - -Zoo was Alewijn dan verkocht, maar hij wist er zelf nog niets van; ook -'s avonds, toen hij naar huis ging, had hij het nog niet vernomen. Hij -was den edelman dan ook al weer vergeten en dacht aan geheel andere -dingen. Hij peinsde er over, wat de toekomst hem brengen zou. Overdag, -bij den drukken arbeid, vergat hij het eenigszins, welk een ellendige -toestand de slavernij toch was, maar 's avonds, bij het naar huis -gaan, kreeg de arme jongen vaak droevige gedachten. De aanblik van -zijn moeder, die, meer gebogen dan ooit, met somberen blik lusteloos -haar werk deed of droef peinzend op een bank zat, maakte hem ook -neerslachtig. - -"Zou daar nu niets aan te doen zijn?" dacht hij, "zou de gelegenheid -zich nooit voordoen, mij weer vrij te maken?" Als hij door hard -werken, door zuinig sparen eens zooveel verdiende, dat hij zich en -zijn ouders vrij kon koopen? En dan sprak hij er met zijn moeder over, -om haar te troosten. - -"Och, mijn jongen, eer het zoover is, ben ik al lang dood." - -"Kom, moeder, zeg dat niet; dat beneemt mij den moed en ik geloof -juist, dat alles nog wel terecht kan komen." - -"Ik weet niet." - -"Maar zou het dan niet doenlijk zijn, zooveel over te verdienen, -dat we ons weer vrij kunnen koopen?" - -"O, 't is zoo moeilijk. Och, jongen, als je ondervonden had, wat ik -heb geleden." - -"Wel, moeder, dat is toch voorbij; ik zie er nog wel licht in." - -En als Alewijn zoo sprak, begon de arme vrouw in het laatst wat -opgeruimder te worden; ze zag haar jongen met een liefdevollen blik -aan; neen, alle hoop wilde ze hem niet benemen. Ze was overtuigd, -dat de toekomst zich donker liet aanzien, maar toch, ja, ze moest ook -erkennen, dat het meer gezien was, dat lijfeigenen door zuinigheid -en vlijt hun vrijheid hadden weten te verwerven, vooral, als de heer -een zacht en eerlijk man was. - -Moeder en zoon zwegen; het gesprek had hen in wat opgeruimder stemming -gebracht; beiden droomden van blijder dagen. - -Daar trad de meier binnen, dezelfde, die haar het verlies der vrijheid -had aangekondigd. Opeens herinnerde Marijke zich, dat die man haar -de boodschap had gebracht van het grootste jammer, dat haar was -overkomen. En ze huiverde bij de gedachte daaraan. Zoodra ze den -meier zag, stond haar ongelukkige toestand in al zijn ellende haar -weer voor den geest. Wat voerde hem nu weer hierheen? Kwam hij weer -een jammerboodschap brengen? Kon het misschien nog ongelukkiger? - -Ja, het kon nog ongelukkiger. Maar van de tijding, die de meier -nu meebracht, had de arme Marijke in de verste verte niet kunnen -droomen. Het was, of de man het begreep, en of hij er tegen op zag, -dat hij het leed nog kwam vergrooten. Geruimen tijd bleef hij staan -zonder te spreken, als verwachtte hij, dat Marijke beginnen zou. De -vrouw keek hem droefvragend aan; ze las het op zijn gezicht, dat -hij aarzelde, dat hij haast niet voor den dag durfde te komen met -hetgeen hij had mee te deelen. Dit sloeg haar geheel ter neer; was -er dan weer iets gebeurd? Kon het dan wezenlijk nog erger? Welnu, -ze was op alles voorbereid. - -De meier zocht naar zijn woorden. 't Was een ruwe man, maar ook de -ruwste is niet geheel van gevoel ontbloot en hij begreep maar al te -goed, dat het ergste leed voor een moeder is, haar kind te verliezen. - -Haar kind te verliezen; nog vermoedde Marijke in het geheel niet, -wat verschrikkelijk lot haar boven het hoofd hing. - -"'t Zal misschien niet heel aangenaam zijn, wat ik je heb te -vertellen...." - -Daar had je het dus. Weer een jobstijding. En bitter viel de vrouw uit: -"Hoe, is het dan nog niet genoeg? Heb ik te weinig geleden? Moet -er nog meer ellende over mijn huis worden gebracht? Voor den dag -er dan mee. Ik kan alles verdragen. Je behoeft er niet om heen -te draaien. Maar ik begrijp waarlijk niet, wat er nog van mij te -halen is." - -Marijke zag om zich heen, maar begreep er niets van. Hoe zou ze ook? De -meier werd diep getroffen door den angst, die uit haar verweerde -trekken sprak en aarzelde nog altijd, het noodlottige woord uit -te spreken. - -"Maar zeg dan toch, man, wat je hebt." - -Nu moest het er wel uit. Vreeselijk was de uitwerking; de meier mocht -de zachtste woorden uitkiezen, die hij vinden kon, het hielp niet: de -rampzalige tijding trof de arme Marijke als een donderslag. Neen, zoo -iets had ze niet verwacht. Ook Alewijn stond diep verslagen. Verkocht; -als een stuk vee verkocht! - -Langen tijd stond de vrouw strak voor zich uit te staren. 't Was, -alsof haar hoofd geheel in de war was, of ze vruchteloos moeite deed, -om de gedachten te verzamelen. Ze sprak niet, ze schreide niet, maar -haar roerloos neerzitten bewees meer dan heftig snikken zou gedaan -hebben, hoezeer ze leed. - -In het laatst scheen het, of ze een poging tot uitredding wilde -wagen, of er een sprank van hoop in haar opflikkerde. Radeloos van -jammerlijken angst viel ze neer, kroop tot bij den meier voort, -omvatte zijn knieën, en smeekte hem: "Och, mijn goede heer, red -ons, heb medelij met een arme moeder; zeg, dat het niet waar is, -dat mijn jongen, mijn Alewijn bij me blijft. Wij kunnen elkander niet -missen. Niet waar, lieve, beste Alewijn, is het niet zoo, mijn jongen, -je oude moeder kan je niet missen." - -Zoo jammerde ze, biddend en smeekend, nu klagend, soms dreigend en in -het laatst zakte ze bewusteloos ineen. Alewijn viel bij zijn moeder -neer, vatte haar in de armen en riep haar: "Moeder, moeder!" - -'t Was een vreeselijk tooneel, en de meier, de ruwe meier, die gewoon -was, de lijfeigenen als honden te behandelen, voelde zijn oogen vochtig -worden. Maar tegelijk werd hij wrevelig, omdat hij gedwongen was, -getuige te zijn van zulk een droefheid, en, daar hij er toch niets -aan doen kon, keerde hij zich om en ging heen. - -Langzamerhand kwam de vrouw weer bij; nu schreide ze, stil, zonder te -spreken, maar de tranen vloeiden haar overvloedig over de wangen. Den -geheelen avond bleven Marijke en haar zoon bij elkander zitten, -hand in hand. Zij legde haar moede hoofd tegen zijn schouder. - -"Och," zuchtte ze, "ik had zoo gehoopt, je bij me te houden, het korte -poosje, dat ik nog leven zal. Och, och, dat het niet zoo heeft mogen -zijn. Alewijn, mijn lieve jongen...." - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -NIEUWE KENNISSEN. - - -Een week later reeds stond Alewijn ver van de plaats, waar zijn ouders -woonden, op het land van zijn nieuwen meester te werken. Tijd, om een -beetje op zijn verhaal te komen, had men hem niet gelaten. Waarvoor -ook? Lijfeigenen werden immers niet beter geteld dan vee, dat men -koopen en verkoopen kon, dat men mocht pijnigen of dooden, juist -zooals het den heer in de gedachten kwam. Men wist niet beter, of -het behoorde zoo. - -Maar Alewijn had de vrijheid gekend en hij gevoelde maar al te goed -zijn bitter verdriet. Weggerukt van zijn moeder, als slaaf meegesleept, -o, 't was een leed, om nooit te boven te komen. Zuchtend stak hij de -spade in den grond. Wel had de edelman hem voor krijgsman bestemd, -maar heer Diederik wilde eens zien, of Alewijn een flink werkman was, -en daarom liet hij hem een paar weken op het veld arbeiden. - -Werktuigelijk, al maar aan het ouderlijk huis denkende, ging Alewijn -met graven voort, toen hij plotseling uit zijn overpeinzingen werd -opgeschrikt doordat een steen dicht bij hem op den grond plofte. Eenige -oogenblikken later suisde een tweede steen hem om de ooren. - -Verbaasd keek hij rond, terwijl hij niet weinig knorrig was, dat men -de lui hier zoo onvriendelijk behandelde. Voor de derde maal kwam -een steen aanvliegen en het had waarlijk weinig gescheeld, of deze -was tegen Alewijns hoofd terecht gekomen. De jongen werd nu dan ook -ernstig boos en nam alvast een fermen knuppel op, om den onzichtbaren -aanvaller met gelijke munt te kunnen betalen. - -Op dit oogenblik kwam er uit een boschje een knaap te voorschijn, -die ongeveer van denzelfden ouderdom scheen, als Alewijn en eveneens -lijfeigene was, wat uit zijn kortgeknipte haren dadelijk bleek. - -"Probeer dat nog eens!" riep Alewijn dreigend. - -"Hei, hei, wat een verbeelding! Zeker pas hier gekomen, he?" - -"Wat zou dat? Daarom behoef jij niet met steenen te gooien." - -"En jij zoo'n drukte niet te hebben. Hoe kom je hier?" - -Alewijn was vroeger altijd gewoon geweest, met eenige minachting op -lijfeigenen neer te zien en het is dus niet te verwonderen, dat hij -zich zeer ergerde over den toon, dien de ander aansloeg. Hij keerde -hem dan ook heel eenvoudig den rug toe. Zoodra de vreemde knaap dit -zag, begon hij hartelijk te lachen: "Wat een heer! Zeker de een of -andere hooggeboren ridder, die in gevangenschap is geraakt! Stel je -nu niet zoo aan, mannetje!" - -"Houd je mond, of ik sla er op," riep Alewijn woedend en hij meende, -wat hij zei en hief de spade reeds dreigend omhoog. Intusschen toonde -de vreemde niet de minste vrees, want hij zette doodbedaard zijn -handen in de zij en sprak: "Dan zit je morgen in den kelder onder -den burcht. 't Is daar heel aardig, dat verzeker ik je." - -"Daar weet jij wat van." - -"Ik heb er ook gezeten. Kijk maar." De knaap keerde zich half om en -liet Alewijn de linkerzijde van het hoofd zien, waar het oor afgesneden -was. 't Was een verschrikkelijk gezicht en Alewijn begreep niet, -hoe die jongen daar nog om kon lachen. - -"Dat is mij verleden jaar overkomen; ik had gestolen, moet je -weten. Eigenlijk laat onze heer den dieven één hand of beide handen, -al naar hem dat zoo in den zin komt, afkappen, maar mij heeft hij -bij uitzondering genadig behandeld. Niet uit goedheid, maar omdat -het in zijn eigen voordeel was. Een slaaf, die zijn handen kwijt is, -zal nooit meer werken of vechten, en daar kan hij ons veel te goed -voor gebruiken." - -"Jij schijnt het anders niet heel druk te hebben." - -"Zeker heb ik het druk. Ik kom jou roepen." - -"Wie heeft je dat gezegd?" - -"De meier. Je moet meehelpen, ginds bij het hek. De meier zegt, -dat jij sterk bent." - -"Hoor eens, ik heb met jou niets te maken." - -"Goed, dan blijf je hier. Je moet het zelf ondervinden. Goeden dag." - -De knaap, Hark heette hij, wilde zich dus weer verwijderen, toen -Alewijn hem nog terugriep en zei: "Neen, luister nog even. Meen -je het?" - -"Wat?" - -"Dat de meier me laat roepen?" - -"Wat dacht jij dan?" - -"Dat het maar gekheid van je was." - -"Zeker, het is gekheid. Nu, ik kan niet langer wachten. Blijf jij -dan maar hier, als je wilt." - -Hark scheen de waarheid te hebben gesproken en Alewijn oordeelde -het dus het verstandigst, met hem mee te loopen in de richting van -het kasteel. - -Dit was een reusachtig steenen gebouw, waarvan de grijze massa zich -boven het omliggende groen verhief. Heel aantrekkelijk zag het er -niet uit, maar het was van verbazend dikke muren en geduchte torens -voorzien, en daar kwam het voor een edelman in de eerste plaats op aan. - -Naarmate men naderde, kon men de verschillende deelen beter -onderscheiden: de ronde vensters en de smalle kijk- en luchtgaten -grijnsden op het grauwe vlak van den muur den reiziger onheilspellend -aan. Het eigenlijke gebouw, de woning van den edelman, was door een -gracht omgeven en daar omheen lag het erf, waar altijd een groote -drukte heerschte van arbeiders, krijgslieden, kinderen en vee. Ook -stonden hier de hutten der lijfeigenen, de hokken van de dieren en -de berg- en de werkplaatsen. Het geheel besloeg een groote ruimte en -was omgeven door een palissade van dikke, gepunte palen, terwijl een -breede gracht den toegang nog moeilijker maakte. - -Op het oogenblik, dat Alewijn en Hark het kasteel naderden, stond -er een troepje werklui bij de poort. Enkelen hadden een paar dikke, -lange palen bij zich, terwijl een der mannen bezig was, zulk een -paal van een scherpe punt te voorzien. De meier hield toezicht op -den arbeid; een krijgsman, die blijkbaar niets te doen had en rustig -zijn gemak kon houden, zat niet ver van de brug te hengelen en keek -nu en dan lachend naar de arbeiders, alsof hij in zijn schik was, -dat die zoo hard moesten sloven. - -Zooals we al vernomen hebben, was de edelman in zijn hart een -echte vechtersbaas; hij dacht in den regel aan niets anders, -dan aan oorlogvoeren en jagen; zijn grootste zorg bepaalde zich -er toe, geschikte krijgers te hebben en zijn kasteel zoo sterk -mogelijk te maken. Herhaaldelijk deed hij persoonlijk de ronde, -om zich te overtuigen, of alles, de muren, de palissaden, de -verdedigingswerktuigen in orde waren. En als hij een paal al te veel -vermolmd, een muur wat verbrokkeld, de deelen van een blijde niet op -hun plaats vond, liet hij dat aanstonds verbeteren. - -Zoo had hij voor eenige dagen gemerkt, dat een deel der palissade -dringend herstelling behoefde en dit was de oorzaak van de -bedrijvigheid, waarmede de werklui bezig waren. - -"Ha, ben je daar," zei de meier, toen hij de beide knapen ontdekte, -"ga eens gauw met Ulfert mee naar het dennenbosch, om een paar palen -te halen." - -Alewijn deed aanstonds, wat hem bevolen werd en vergezelde Ulfert, -die een zware bijl bij zich had. Een half uur later kwamen ze met -een zwaren paal aanzeulen. Bij de brug gekomen, legden ze hem neer. - -"Hè," zei Ulfert, "dat was me een vrachtje; daar kun je warm -van worden." Ook Alewijn verheugde zich, dat hij een oogenblik -rusten kon. Terstond trad een der mannen toe, om den paal aan te -punten. Terwijl zoo drie, vier mannen naar dit werk stonden te kijken, -kreeg de hengelaar aan de gracht beet; hij sloeg op en slingerde een -fermen baars met een geduchten boog de lucht in. Ongelukkig scheen -het beest niet heel vast aan den haak te zitten, want het vloog -los en kwam met zijn scherpe, naar alle kanten uitstaande stekels, -vlak in het gezicht van Ulfert terecht, die, woedend van de pijn, -den visch opnam en hem in den zak poogde te steken. De hengelaar kwam -haastig toeloopen, om zijn buit op te rapen, en toen het Ulfert niet -gelukte, den baars te bergen, ging hij er zoo snel hij kon mee op -de vlucht, het hek door en het voorplein op. De hengelaar hem na, -terwijl de anderen alles lachend stonden aan te kijken. Door de -drukte, die de mannen maakten, verschrikten een aantal kippen zoo, -dat ze kakelend uiteen vlogen; een groot zwijn, dat, van een troep -biggetjes omringd, knorrend zijn voedsel in het zand zocht, maakte -zich eveneens uit de voeten. Woest kwam het op het hek aanrennen, -en het zou wezenlijk naar buiten gevlucht zijn, als de meier niet -geroepen had: "Het hek dicht, het hek dicht." Alewijn schoot toe, -om het hek te sluiten, terwijl een der andere lijfeigenen zijn best -deed, om het beest, dat wild geworden was, terug te jagen, toen zich -een verschrikte stem deed hooren: "Daar komt de heer aan." - -Het was vermakelijk te zien, welk een ontzag allen voor den geduchten -edelman hadden; niet zoodra zagen ze hem in de verte naderen, of -ieder ging ijverig in de weer. De meier zat het meest in angst, -want hij werd er altijd voor gestraft, als het werkvolk onder zijn -toezicht stond te luieren. Men kon natuurlijk in deze omstandigheden -het hek niet sluiten. Hierdoor vond het varken juist gelegenheid, -te ontsnappen, maar de meier greep het nog bij den staart en trok -het beest, dat geweldig schreeuwde en tegenspartelde, met veel moeite -het voorplein op, waar de biggetjes hun arme moeder met medelijdende -blikken aanzagen. Daar kwam de edelman aanrijden, vergezeld van een -vrij groot aantal wapenknechten, sommigen met bogen, anderen met -een goedendag, enkelen zelfs met knuppels gewapend. Twee mannen, -die een eind achteraan kwamen, hielden een viertal nijdige honden -aan een touw vast. - -De ridder was op de jacht geweest; maar het wekte de verbazing van -den meier, dat hij al zoo vroeg terugkeerde en ook, dat de jacht zeer -weinig had opgeleverd. Van wild was tenminste niets te bespeuren. Zou -het daardoor komen, dat heer Diederik zoo donker keek? Of zou er -iets anders zijn voorgevallen, dat den toorn van den machtigen ridder -had opgewekt? - -"Daar zat onweer aan de lucht," bromde de oude Alwaert een uurtje -later, terwijl hij op het voorplein in het zand zat, bezig, een helm -te poetsen, waar Alewijn, Hark en eenige anderen aandachtig naar -zaten te kijken. - -"Onweer?" vroeg Hark, "mij dunkt, daar ziet de lucht in het geheel -niet naar uit. Het weer is immers frisch." - -"Zoo bedoel ik het niet. Ik meen geen onweer in de natuur, maar in -het hoofd van onzen heer. Wat ging hij aan. Ik ben blij, dat ik -vandaag niet in zijn nabijheid behoef te komen. Wat een gezicht, -hè? Om bang voor te worden." - -"Wat zou hem toch schelen? Zou het zijn, omdat hij geen wild -meegebracht heeft?" - -"Kom, de jacht heeft niet eens plaats gehad, maar wat er -voorgevallen is, weet ik niet. Wacht, daar heb je Gerebrandt. Die -is mee geweest. Hij kan ons wel vertellen, hoe de vork in den steel -zat. Vooruit, Alewijn, roep jij hem eens hier." - -Toen Alewijn met zijn boodschap bij Gerebrandt kwam, die bezig was -een net te maken, antwoordde deze: "Wat, kan die oude de moeite niet -nemen, bij mij te komen? Ik heb geen tijd, zeg hem dat maar." - -Doch, voordat Alewijn weer weg was, bedacht Gerebrandt, een echte -babbelaar, die heel graag nieuwtjes mocht vertellen, zich nog en sprak: -"Weet je wat, dat net kan ik morgen ook wel afmaken, breng het even -naar mijn huis, dan ga ik mee." Alewijn was zeer gewillig en dacht er -niet aan, te weigeren; hij bracht dus het net weg, waarop Gerebrandt -hem vergezelde naar den kring, die om den ouden Alwaert geschaard -zat en waar men hem al met ongeduld wachtte. - -De oude Alwaert hield zich nog altijd met den helm bezig; 't was -een reusachtig voorwerp, van binnen gevoerd, en met een omgekeerden -vogelpoot er boven op. - -"Wat een ding, he?" zei Hark. - -"Ja jongen, daar is heel wat aan te poetsen; ik wou, dat heer Diederik -naar een betere bewaarplaats voor zijn wapenen uitzag. Ze liggen -nu zoo vochtig, dat je voortdurend werk hebt, om den roest er af -te wrijven. Kijk me dien helm eens aan; zou je wel willen gelooven, -dat hij voor zes dagen nog glom als een spiegel?" - -"'t Is zeker een heele zwaarte?" vroeg Alewijn. - -"Wil je het eens voelen?" De oude keek rond, of hij gezien werd, -en wenkte toen Alewijn om naderbij te treden, waarop hij den jongen -het kolossale hoofddeksel opzette. - -Wat een gewicht. Het hoofd werd dan ook geheel door het ijzer omsloten; -alleen aan den voorkant zaten er drie gleuven in: twee om door te -kijken en een ter hoogte van den mond. - -"Vertel eens," vroeg een der mannen, die zeer nieuwsgierig was en op -heete kolen zat, "wat is er toch gebeurd vandaag?" - -Gerebrandt hield zich, of hij de bedoeling van den vrager niet begreep -en zei dus: "Gebeurd, gebeurd? Ik weet van niets. Waar heb je het -nu over?" - -"Kom, je zou van niets weten. Maak dat een ander wijs. Je bent immers -mee op de jacht geweest." - -"Ja zeker, maar wat zou dat?" - -"Nu, dan kun je ook wel vertellen, hoe het komt, dat heer Diederik, -die anders nooit zonder wild terugkeert, nu met leege handen is -thuis gekomen." - -"En waarom hij zoo kwaad was." - -Gerebrandt poogde nog een onnoozel gezicht te zetten, maar het ging -hem moeilijk af, waar nog bij kwam, dat hij brandde van ongeduld om -het nieuwtje te vertellen. - -"Ja, jongens, dat is een heele geschiedenis." - -Allen kwamen een beetje naderbij en luisterden aandachtig. - -"Je weet dan, dat onze heer met ridder Hildegrin en jonker Herico en -nog eenige heeren een groote jachtpartij zouden houden." - -"Jonker Herico, jonker Herico?" vroeg Alwaert. - -"Wat, ken je hem niet; hij woont aan den overkant van de rivier, -waar zijn vader een sterk kasteel bezit." - -"Hoe komt hij hier dan?" - -"Bij ridder Hadrubant, die een oom van hem is, schijnt hij eenige -weken te vertoeven." - -"Maar jongens, wat komt er dat nu op aan? Laat hij liever verder -vertellen." - -"Hoor dan; ik geloof, dat onze heer en die jonker elkaar niet best -kunnen uitstaan. Of ze misschien vroeger al eens twist gehad hebben, -weet ik niet, maar Roger de valkenier zegt, dat er reeds heel lang wat -tusschen hen bestaat. Nu stonden die heeren in een kring aan den rand -van het bosch; en wij zaten op een afstand in het gras het oogenblik af -te wachten, dat de jacht beginnen zou. Ik keek zoo in gedachten naar -de lui, en vergeleek hun helmen eens; 't is aardig te zien, wat een -verschillen je zoo hebt. De een draagt, zooals onze heer, een vogelpoot -op den helm, de ander een kruis, een derde een heelen vogel...." - -"Nu ja, dat weten we wel." - -"Waarover ze praatten, kon ik natuurlijk niet verstaan, maar ze schenen -het over paarden te hebben; 't was net, of elk pochte op de uitstekende -hoedanigheid van zijn eigen beest. Tot nu toe ging alles goed, maar -al gauw kwam er een heftige woordenwisseling tusschen onzen heer en -dien jonker. 't Was bepaald over het paard van den laatste, want opeens -nam de jonker het dier bij den teugel en hield het heer Diederik voor, -als noodigde hij hem uit, het te bestijgen. Deze deed het, en poogde er -op rond te rijden. Nu weet je, heer Diederik is een uitstekend ruiter; -een paard mag lastig en wild zijn, hij zit er met evenveel gemak op, -als op een stoel. Wat nu het beest van Jonker Herico mankeerde, weet ik -niet; het draaide maar rond, het steigerde en wilde naar geen sturen -luisteren. Goed. Heer Diederik geeft het natuurlijk niet gauw op, -maar je kon het hem aanzien, dat hij kwaad werd; hij beet zich op -de lippen, hij trok het paard aan de teugels en martelde het met de -sporen; het gaf niets. En plotseling, vóórdat iemand er op bedacht -was, deed het beest een geweldigen sprong, ging op de achterpooten -staan en schoot als een pijl uit den boog weg. Heer Diederik scheen -zoo iets in het geheel niet te verwachten, want daar gebeurde, wat -nog nooit iemand van hem gezien had; hij verloor het evenwicht en lag -in het zand. Wij hielden ons natuurlijk doodstil, en ook de ridders -schenen zeer ontsteld. Heer Diederik poogde zich goed te houden, maar -hij werd rood van kwaadheid; misschien was het ook wel van schaamte, -dat weet ik zoo niet. Alleen jonker Herico, die nog zeer jong is en -veel van een grapje houdt, beschouwde de zaak van den vroolijken kant, -en stond hartelijk te lachen. Dat was olie in het vuur. Heer Diederik -werd nog gloeiender en we dachten niet anders, of hij zou zich op den -jonker werpen; de andere ridders verwachtten dat ook; één van hen, -heer Rodger plaatste zich tusschenbeiden, terwijl de jonker, die -waarlijk voor geen kleintje vervaard is, de hand aan zijn zwaard sloeg. - -"Of onze heer bang was, dat hij weer een gek figuur zou maken, weet ik -niet, maar wel weet ik, dat hij zich nog bijtijds bedacht. Zijn toorn -was intusschen niet bekoeld, want op norschen toon beval hij ons, -hem te volgen. Toen zette hij zich in het zadel en reed, knorrig en -zwijgende, weg. Zoo komt het nu, dat wij zonder wild terugkeerden." - -"Zouden de anderen nog aan de jacht begonnen zijn?" - -"Ik weet het waarlijk niet, maar je kunt er op aan, dat de zaak niet -uit is." - -"Reken daar maar op. Dat muisje heeft een staartje." - -"En een lang ook. Heer Diederik houdt veel van vechten. Hij zou om -veel minder gewichtige reden naar het zwaard grijpen." - -"Dus je denkt, dat heer Diederik van plan is, ten strijde te trekken?" - -"Dat weet ik zeker; hij zal niet rusten, vóór hij jonker Herico in -zijn handen heeft. Maar het zal niet meevallen, want deze moet op -een sterk kasteel wonen." - -"Heer Diederik alleen zal hem niet overwinnen," meende de oude Alwaert. - -"Geen denken aan, maar je weet, er zijn ridders genoeg in den omtrek, -die dolgraag een oorlog meemaken en onzen heer met genoegen de -behulpzame hand bieden. Ik denk niet, dat jonker Herico het tegen -zoo'n groote macht uithoudt." - -"Hij zal zich ook wel van bondgenooten voorzien." - -"Dat moet je niet zeggen; men schijnt over het algemeen niet veel met -zijn familie op te hebben, en onzen heer zien ze nog al naar de oogen." - -"Ik moet eerlijk bekennen, dat ik de zaak niet heel prettig vind." - -"Verbeeld jij je soms, dat onze heer je meeneemt?" - -"Volstrekt niet, maar het zal toch een heele drukte geven; de blijden -moeten in orde gebracht worden, misschien laat heer Diederik wel een -stormkat bouwen en zoo'n ding komt niet van zelf klaar, daar moeten -we allen aan meehelpen." - -"Nu, ik vind het wel aardig; dan beleef je nog eens wat," zei Hark, -terwijl hij een zwaren goedendag in het rond zwaaide. - -"'t Is me de aardigheid wel: de kans om met gebroken armen en beenen -van de reis terug te komen en dan nog blij te moeten wezen, als je -het leven er afbrengt." - -"Komaan, ik denk, dat we er spoedig wel meer van zullen hooren." - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -DE BELEGERING. - - -Het kwam precies uit, zooals Gerebrandt voorspeld had. Langzamerhand -verspreidde zich het praatje onder de lijfeigenen, dat heer Diederik -van plan was, de familie van jonker Herico den oorlog aan te doen. Dat -het gerucht waarheid moest bevatten, bleek al spoedig, want Folcrijt -de boogschutter, zoowel als Hoige, wisten te vertellen, dat ze met -den meier een bezoek hadden moeten brengen aan eenige edelen uit den -omtrek, om hun hulp in te roepen. De smid kreeg het ontzaglijk druk, -daar hij punten aan pijlen moest maken; de timmerlui hadden in last, -blijden en andere oorlogswerktuigen na te zien, weer anderen moesten -benoodigdheden voor tenten gereed maken; er heerschte de volgende -weken een groote bedrijvigheid. Ook Alewijn zou mee moeten doen, -want op een keer riep de oude Alwaert hem bij zich: "Kom eens hier, -mijn jongen; onze heer wil weten, of er een goede boogschutter in je -steekt. Kun je schieten?" - -Alewijn antwoordde, dat hij het veel had gedaan, en dat was waar: -menige vogel was door hem geraakt. - -"Kom aan, toon je kunsten dan maar. Schiet eens op.... op...., wacht, -ik zal het je in het begin niet al te moeilijk maken, op dien boom -daar." - -Hark en eenige anderen stonden aandachtig te kijken, toen Alewijn -een pijl op den boog legde, even mikte en schoot. - -"Dat valt me mee," zei de oude Alwaert, en ook de anderen gaven -hun goedkeuring te kennen, want Alewijn had den boom precies in het -midden geraakt. Intusschen bleek uit een enkel schot nog volstrekt -niet, of hij een goed schutter was: het kon immers best geluk zijn; -daarom wees de oude Alwaert een paal aan, die wat verder verwijderd -was dan de boom, maar zonder eenige moeite raakte Alewijn dien ook. - -"O, ik zie het al, je hebt het meer gedaan. Nu jij, Hark." - -Hark meende, dat hij een heele baas in het schieten was; hij -zette tenminste een verwaand gezicht, en toen de oude Alwaert hem -uitnoodigde, naar den boom te schieten, zeide hij: "We zullen maar -dadelijk ook dien paal nemen." - -"Ja baas, maar het is lastig, als je het niet meer gedaan hebt." - -"'t Is me ook wat," zei Hark en schoot een pijl af, maar door een -ongelukkige beweging vloog die een geheel verkeerden koers uit en -het had maar weinig gescheeld, of het gevederde ding was een der -omstanders in het been gevlogen. - -"Kijk dan toch, waar je schiet," riep deze nijdig en Alwaert nam Hark -den boog af, zeggende: "Neen kereltje, laat maar; je zou ons eigen -volk de oogen uitschieten. Maar jij wordt een boogschutter, Alewijn, -dat verzeker ik je. Zulke lui kan onze heer gebruiken." - -Alewijn was natuurlijk niet weinig trotsch op deze lofuiting. Hark, -die niet zuinig uitgelachen werd, was intusschen jaloersch en keek -zijn makker van terzijde nijdig aan. - -De volgende dagen gingen onder groote drukte voorbij. Hoe ieder zich -ook inspande, den edelman ging het niet gauw genoeg. Gedurig kwam -hij persoonlijk onder het werkvolk en de krijgslieden en spoorde -hij hen tot grooten ijver aan. Eindelijk was alles gereed; en op -een mooien morgen trok een groote bende op weg. De stoet leverde -een schilderachtig gezicht op: ridders op vurige paarden, gekleed -in maliënkolder en met de lans gewapend, boogschutters, den boog -in de hand en een koker met pijlen op den rug, slingeraars met hun -stokslingers, krijgslieden met speren, anderen met kolven, daartusschen -wagens met levensvoorraad, met hout, met stukken van blijden en ander -wapentuig. Het was een heele trein, die nog grooter werd, toen zich -een bondgenoot met zijn gevolg bij heer Diederik voegde. Daar er tal -van voetknechten waren, moesten de ruiters wel stapvoets rijden en -konden ze niet zooveel spoed maken. Het zou dan ook wel eenige dagen -duren, voor men de plaats der bestemming bereikte. - -Als de avond daalde, sloeg men tenten in het veld op; de paarden werden -aan boomen of aan pinnen vastgebonden en de vermoeide strijders legden -zich te slapen. Vooral de overtocht over den Rijn kostte niet weinig -moeite, maar toch werd hij gelukkig volbracht en na een reis van zes -dagen had men het kasteel, waar jonker Herico woonde, bereikt. Zooals -altijd, liet de ridder eerst den burcht opeischen, maar hij kreeg -een weigerend antwoord, wat ook wel te verwachten was geweest, daar -het kasteel sterke muren bezat, ruimschoots van levensmiddelen en -krijgsvoorraad was voorzien en de talrijke bezetting vol moed besloten -was, hun heer en zijn gezin tot het uiterste bij te staan. - -Het veiligste en gemakkelijkste zou zijn, de bewoners van het kasteel -door den honger tot overgave te dwingen, maar de krijgshaftige edelman -was van dit middel niet gediend. Toch zag hij heel goed in, dat aan -een bestorming in de eerste dagen niet te denken viel: van achter de -hechte muren zouden de aanvallers op zulk een wijze begroet worden, -dat ze stellig met groot verlies moesten afdeinzen. Daarom besloot -heer Diederik, mede op raad van zijn bondgenooten, den strijdlust -wat te bedwingen en alle middelen aan te wenden, om de muren van den -burcht te vernielen of te beschadigen. - -Weldra was het kasteel aan alle zijden ingesloten; overal in het veld -werden tenten opgeslagen; hier en daar stonden wagens; de paarden -liet men op de weiden grazen, en dichter bij het kasteel maakten de -belegeraars borstweringen en richtten ze blijden en springalen op, -om daarmede hun vijanden te bestoken. - -Het was voor de eerste maal, dat Alewijn zulk een belegering -bijwoonde; hij vergat alles, wat er den laatsten tijd met hem -gebeurd was en volgde met groote aandacht de toebereidselen, die -er gemaakt werden. Als hij dien grijzen, zwaren steenklomp aanzag, -waaruit dreigend zware torens omhoog rezen, verwonderde hij zich -zeer, hoe heer Diederik er aan kon denken, dien te vernielen of te -veroveren. Intusschen werd hem niet veel tijd tot nadenken gelaten; -ook hij moest, evenals Hark en Alwaert en anderen, ijverig meehelpen. - -Daar de aanvallers zeer onverwachts waren komen opdagen, hadden -de belegerden er nog niet aan gedacht, de boschjes en schuren -in den omtrek te vernielen. Dit was zeer in het voordeel van heer -Diederik. Zijn volk vond nu volop gelegenheid, een veilige schuilplaats -te zoeken, vanwaar men het den belegerden met pijlen en steenen zou -kunnen lastig maken. Overigens was men ook op andere middelen bedacht, -om goed beschut te zijn: hier richtten eenige mannen van zand en -rijshout een borstwering op, daar kwamen anderen met een scherm op -wielen aanrijden. Ook Alewijn zat achter zulk een scherm; hij hield -een pijl op zijn boog gereed en loerde door de gleuf naar de transen -van het kasteel, of zich daar misschien een krijgsman vertoonen zou. - -Intusschen kreeg hij niets in het oog; geen vijand kwam van achter de -tinnen voor den dag. Dat de bewoners van het kasteel echter wel wakker -waren, bleek uit de pijlen en steenen, waarmede ze onophoudelijk hun -aanvallers begroetten en die het hun zeer lastig maakten. - -Toen Alewijn zoo een half uur vruchteloos uitgekeken had, begon -het hem te vervelen; hij legde zijn boog neer en vestigde zijn -aandacht op eenige mannen in de buurt, die zeer druk aan den arbeid -waren. Eenige oogenblikken te voren hadden ze een grooten, taaien balk -aangedragen, die door Eggerik den timmerman in de lengte bijna geheel -was gespleten; alleen aan het eene eind had hij de beide helften aan -elkaar gelaten, terwijl de smid ze daar met eenige ijzeren banden -goed had bevestigd. Die balk nu werd met het einde, dat nog niet -gespleten was, in den grond geheid. - -"Ha," dacht Alewijn, "daarom was die dikke straks al bezig een kuil -te graven." 't Was een werk, dat met spoed moest gebeuren, want -men stond hier niet rustig en wel op het voorplein van het kasteel, -maar onder bereik van de vijandelijke pijlen. Geen wonder dus, dat -Eggerik, die toch al haastig was uitgevallen, en nooit veel zin had, -zijn huid te wagen, zich bijzonder gejaagd toonde. - -"Vooruit dan toch, luie kwajongen," riep hij tegen Hark, die ook -meehelpen moest, maar juist bezig was op een wortel te knabbelen. "Pak -aan, of...." - -Nu had Hark wel niet veel ontzag voor den timmerman, maar in deze -omstandigheden oordeelde hij het toch het verstandigste, niet te -talmen; hij nam dus den balk mee op en zette hem overeind. Niet lang -daarna stond het werptuig stevig en wel in den grond. 't Was een -springaal, een geducht middel, om er zware pijlen mee weg te schieten. - -"Nu wou ik het ding ook eens probeeren," zei Eggerik. "Kwam er maar -iemand voor den dag." - -"Laten we vast een pijl klaar leggen." - -"Goed." - -Boven aan de eene helft van den gespleten balk zat een haak en -door middel van een stevig touw, aan dien haak bevestigd, werd die -bovenhelft door Hark en Eggerik met geweld naar beneden getrokken. 't -Was een zwaar werkje, want het taaie hout bood geducht weerstand. - -"Mooi zoo, nu de pijlen." - -Daar had Ulfert al voor gezorgd; hij droeg een arm vol van die -scherpgepunte, gevederde dingen. - -"Vooruit, Hark, jij naar boven." - -Hark durfde niet te weigeren en klom den springaal in, om den pijl daar -boven op te leggen. 't Was anders geen baantje, want de belegerden -kregen hem in het oog en mikten op hem, zoodat hij wel drie, vier -keer gevaar liep, getroffen te worden. Toch bracht hij het er goed af. - -"Nu goed uitgekeken!" zei Eggerik, "we moeten nooit in het wild -schieten. Zul je goed vasthouden, Hark? Als ik een teeken geef, -laat je hem glippen.... Hé, wacht, bewoog daar niet iets?" - -"Ik zag niemand." - -"Nu, 't is toch voorbij, helpt me eens goed opletten." - -Plotseling vertoonde zich een boogschutter op den muur. Wat een -waaghals! Zag hij dan het gevaar niet, dat hem bedreigde? Nu.... Hoe -jammer, weg was hij. - -"Pas op nu! Als hij weer voor den dag durft te komen, krijgt hij hem." - -Allen keken in gespannen verwachting toe. Daar zag men weer iets: -Hark liet los, de eene helft van den springaal smakte tegen de andere -en met een groote snelheid schoot de gevaarlijke pijl weg. Hij trof -echter geen doel: men had te hoog aangelegd. - -Daarom moest Hark weer naar boven, om den springaal wat lager te -stellen en daarna een nieuwen pijl op te leggen. - -"'t Was een beetje te hoog, hé?" zei Eggerik handenwrijvend. "Toch -jammer, maar we hadden hem anders juist in de goede richting. Ziezoo, -nu zal het beter gaan. Ik verzeker je, dat de eerste de beste, die -zich durft te vertoonen, op een vreemde manier begroet wordt." - -Men wachtte dus weer; maar plotseling stoof het groepje uit elkander: -een zware steen kwam met groote vaart aanvliegen, recht op den -springaal aan. Eggerik was bij Alewijn achter het schietscherm -gekropen en keek nu angstig toe. Wat zou het hem spijten, als dat mooie -werptuig, waar hij zooveel moeite aan had gehad, ineens werd vernield. - -Pof! Plotseling begon Ulfert vreeselijk te schreeuwen: hij had -zich niet haastig genoeg uit de voeten gemaakt en nu was de steen -juist tegen hem aangekomen en had hem met verbrijzelden arm doen -nederstorten. - -"O," zei de timmerman, "'t is Ulfert maar." De man vond blijkbaar het -leven van zijn makker niet zooveel waard als een springaal. Ulfert -dacht er evenwel anders over; hij lag te schreeuwen van pijn, -zoodat men het wijd in het rond kon hooren; eenige mannen op het -kasteel kwamen ook eens over de tinnen kijken, wat er gaande was, -en als Alewijns gedachten niet bij den armen Ulfert waren geweest, -zou hij misschien wel een vijand hebben kunnen raken. - -"Schreeuw toch zoo niet, kerel!" bromde Eggerik, "je lijkt wel een -varken, dat gekeeld wordt." Maar de arme Ulfert leed ondragelijke -pijnen; ten laatste kwamen er een paar mannen aanloopen, die hem -opnamen en naar de plaats brachten, waar eenige vrouwen zich bezig -hielden met het verplegen der gewonden. - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DE KAT. - - -Van alle kanten werd het kasteel bestookt: hier met springalen, -daar met blijden, elders schoot men zware pijlen af met een arbaleet, -overal zaten boogschutters achter boschjes en schietschermen, maar de -belegerden gaven alles met woeker terug. Zoo vorderde heer Diederik -nog niet veel en reeds dacht hij er over, een algemeenen stormaanval -te bevelen. Zijn vrienden echter rieden hem dit af en gaven hem in -overweging, eerst een veiliger en tegelijk zekerder middel aan te -wenden: de kat. - -Alewijn zat op een morgen weer achter zijn schietscherm en mikte op de -vijanden, toen Eggerik hem kwam opzoeken en zei: "Alewijn, leg je boog -neer en ga mee. Je hebt sterke armen; we kunnen jou juist gebruiken." - -Alewijn deed, wat hem bevolen was en volgde Eggerik, terwijl hij -telkens achter schietschermen en aardhoopen en struiken wegschool en -dan weer op zij sprong, als er van die verraderlijke pijlen kwamen -aanvliegen. - -"Komaan, hier zijn we er." - -"Ha, is Alewijn daar? Dat is goed! Pak aan, jongen! Help eens mee -dat ding voortduwen." - -'t Was een heel gevaarte: precies een schuur. Aan de voorzijde hadden -eenige mannen druk werk; beschut door een afdak, legde men daar een -houten vloer. De benoodigde planken werden door anderen onophoudelijk -aangedragen. Zoodra de vloer klaar was, duwde en trok men uit alle -macht en de kat, die op rollen stond, bewoog zich weer een eind -vooruit, in de richting van het kasteel. - -De aangevallenen spaarden hun steenen echter niet, en toen er een -geweldig blok kwam neerploffen, dat met vreeselijk gekraak niet alleen -een deel der kat verbrijzelde, maar tevens een paar mannen doodelijk -gewond deed neerstorten, begon de ridder, die het toezicht had, -ongerust te worden. - -"Laat meer boogschutters aanrukken," riep hij driftig. - -Eenige oogenblikken later kwamen van verschillende zijden -schietschermen aanrollen. De boogschutters, die er achter verscholen -zaten, schoten zóó herhaaldelijk en met zóó vaste hand hun pijlen af, -dat de belegerden het op die plaats benauwd kregen en de kat wel wat -meer met rust moesten laten. - -Thans werd met verdubbelden ijver het werk voortgezet. De ridder -spoorde zijn volk voortdurend aan, nu eens met goedkeuringen, dan weer -met schelden en dreigen. 't Was een zware arbeid en ook de sterksten -moesten al hun krachten inspannen. - -"Een, twee, drie!" Plotseling schoot de kat een flink eind vooruit; -daarna bleef zij nog een korten afstand doorrollen, om plotseling -weer stil te staan. Nu ondervond men opnieuw grooten tegenstand: -allen werkten krachtig mee. "Een, twee, drie!" - -Zoo arbeidde men voort: Nu eens gelijkmatig verder glijdend, dan weer -met horten en stooten, bewoog zich het gevaarte naar den muur van het -kasteel. Zonder ophouden namen de werklui van achter de kat de planken -weg, om van voren opnieuw een vloer te leggen. Toen de avond viel, -was men slechts vijf meter meer van de gracht verwijderd. Allen, die -meegeholpen hadden, schenen even vermoeid; toch had elk er schik in, -dat het werk zoo goed gevorderd was. - -"Morgen vroeg verder," riepen ze elkaar toe; daarna ging men -slapen. Doch, hoezeer ieder naar rust verlangde, men verzuimde niet, -de waakzaamheid te betrachten. En dit was gelukkig ook, want de -belegerden, die tot nu toe vruchteloos hadden beproefd, de gevaarlijke -kat te vernielen, hoopten, begunstigd door de nachtelijke duisternis, -te bereiken, wat hun overdag niet wilde gelukken. - -De werklui waren onder het dak van de kat gaan slapen; ook Alewijn -had zich daar op een bos stroo neergelegd. Ieder sliep rustig, toen -plotseling een hevig gekraak de strijders deed opschrikken: een -geweldig blok was op het dak van de kat terechtgekomen. Een poosje -later smeten de belegerden weer een zwaren steenbrok naar omlaag en -de aanvallers moesten erkennen, dat hun vijanden goed wisten te mikken. - -Alewijn keek naar boven: hij verbeeldde zich, op den muur gedaanten -te zien, maar het was te donker om alles goed te onderscheiden. Toch -grepen de boogschutters naar de wapenen en schoten hun pijlen af. 't -Was wel op goed geluk af gemikt, maar ze schenen doel te treffen. De -belegerden, die zeker begrepen, dat hun vijanden waakzaam en bijdehand -waren, lieten hen verder wijselijk met rust en zochten ook zelf in -den slaap nieuwe krachten te verzamelen voor den volgenden dag. Het -schieten werd gestaakt, en overal op den muur keerde de rust terug. - -Dadelijk gingen de belegeraars aan den arbeid, om de kat, die aan één -zijde duchtig beschadigd was, te herstellen. Toen de morgen aanbrak, -stonden de krijgslieden van hun legerstede op en men hervatte het -werk van den vorigen dag. Weldra kwamen de belegeraars dicht bij de -gracht, maar hoe meer zij hun doel naderden, des te meer deden de -bewoners van het kasteel hun best, om het gevaar, dat hen dreigde, -af te wenden. Met grooten spoed droegen ze steenen en brandstoffen -aan en smeten die naar omlaag. De lieden, die aan de kat werkten, -hadden een gevaarlijk baantje; menig onvoorzichtige moest zijn -vermetelheid duur betalen. Onverpoosd werkte men voort; wie al te -vermoeid was, werd afgelost. Zoo vorderde de arbeid flink en weldra -was de kat, ondanks den heftigen tegenstand van den vijand, de gracht -genaderd. Maar nu kwam het moeilijkste eerst aan: hoe de kat tegen -den muur te krijgen? Er zat niets anders op dan de gracht te dempen. - -Terwijl de boogschutters achter de schietschermen tientallen pijlen op -den vijand afschoten, terwijl twee arbaleten zonder ophouden werkten -en een blijde telkens een zwaren steen omhoog wierp, kwamen de werklui -met zakken zand, met steenen en takkenbossen aandragen, ten einde, -beschut door het stevige dak van de kat, daarmee een fermen dam in -de gracht te maken. - -Woedend zagen de belegerden het aan, hoe hun vijanden vorderden; -ze stelden alle pogingen in het werk, om het verraderlijk -ding te vernielen en den werklui allen arbeid onmogelijk te -maken. Vergeefs! Ieder, die zich op den muur vertoonde, verkeerde in -doodsgevaar; pijlen deerden het stevige gevaarte niemendal; vuur, ja, -tegen vuur zou het houten ding niet bestand zijn. En ijverig togen de -belegerden aan het werk; haastig wierpen ze brandende takkenbossen en -pekkransen naar omlaag. Rookend en naar alle zijden vonken spattend, -kwam een regen van vuur nederdalen, maar ook hierop was men bedacht -geweest. - -In plaats van de houten kat in brand te steken, zooals de belegerden -hadden verwacht, doofde het vuur dadelijk uit, zoodra het op het -dak van het gevaarte terecht kwam. Geen wonder: de kat was met natte -koeienhuiden gedekt. - -Intusschen moesten de belegeraars toch voortdurend op hun hoede -blijven. - -Een der boogschutters, die dicht bij de kat achter een scherm zat, -had al zijn schichten verschoten, en riep Hark toe: "Zeg jongen, raap -mij even een paar pijlen op." Maar Hark vond het aangenamer, veilig -onder de kat te zitten, dan zich in gevaar te begeven, en antwoordde: -"Doe het zelf maar." - -"Jij bent er dichter bij." - -"Dat zal wel, maar ik heb geen zin, mijn huid te wagen." - -"Kom, durf jij dat nog niet?" zei een ander, die ook aan de kat -meehielp. - -"Jij zeker wel?" - -"Waarom niet?" - -"Wie zoo dwaas wil zijn, moet het zelf weten, ik bedank er voor." - -"Je zult toch wel wijzer wezen," waarschuwde Alewijn. "Laat die kerel -het zelf doen." - -"Nu, zooveel bijzonders is het niet; ik zal je laten zien, dat ik -het wel durf." - -Hierop begaf de man zich buiten de kat en raapte ijlings eenige pijlen -op; juist wilde hij ze den boogschutter toewerpen, toen plotseling -een klomp vuur op hem neerviel en zijn kleeren, die van een grove -wollen stof vervaardigd waren, oogenblikkelijk vlam deed vatten. - -"Daar heb je 't al," zei Hark, toen hij het ongeluk zag. - -De man stond een oogenblik als verbijsterd; hij wist blijkbaar niet, -wat te doen. - -"In de gracht! Spring in de gracht!" riepen zijn makkers, die bang -waren, dat hij de kat zou binnenloopen en daar nog grooter onheil -stichten. - -Gelukkig had de man zooveel tegenwoordigheid van geest, dat hij -dien goeden raad kon opvolgen; zonder aarzelen sprong hij het water -in. Dadelijk doofden zijn brandende kleeren uit. Maar de belegerden -hadden hem al opgemerkt: onder luid geschreeuw wierpen ze steenen -naar omlaag; van alle kanten plaste en plofte het en de man mocht -van geluk spreken, dat hij er nog heelhuids afkwam. - -Dit voorval had een korten tijd aller aandacht afgeleid, maar nu werd -het werk weer met frisschen moed opgevat. Voor en na kwamen mannen -en knapen met zakken zand en takkenbossen aandragen. - -"Wacht, reik mij dien zak nog even aan," zei Eggerik tot Alewijn, -die achter hem stond. - -"Hier heb je er nog een!" riep Hark. - -"Neen, houd dien zoolang bij je. Nu moet ik nog een takkenbos -hebben. Mooi. Ziezoo, nu kunnen we weer beginnen met er planken op -te leggen. Wat zeg jij, Gerebrandt?" - -"Welzeker." - -"Als het van voren maar niet inzakt," merkte een ander op. - -"Vooruit Hark, probeer jij den dam even." - -"Dank je wel," zei Hark. - -"Wat brom je daar?" - -"Dat ik er geen zin in heb." - -"Wat je zegt! Wil je nu wel eens een, twee, drie, doen, wat ik je -gebied? Anders...." - -Hark keek even naar de geduchte knuisten van den timmerman, daarop -naar diens gezicht en, wijl hij begreep, dat de man in staat zou -zijn, hem midden in de gracht te werpen, voldeed hij, hoezeer ook -met grooten tegenzin, aan het bevel. - -Al stak er een afdak van de kat naar voren, dat gaf Hark niet veel: -hij moest zich nog verder wagen en daarin had hij, blijkens zijn -tegenstribbelen, heel weinig trek. - -"Vooruit maar, kereltje, je zult niet smelten," riep de timmerman, -die er schik in had, dat Hark zoo bang was. "Ziezoo, dans nu maar even, -dan kan Gerebrandt zien, of de dam wel stevig genoeg is." - -"Als hij het mij wou laten doen, bedankte ik er toch voor," dacht -Alewijn. Nu, Hark was ook niet van plan, te dansen, maar plotseling -schoot er een pijl naar omlaag en raakte hem precies in de hand. - -"Au, au!" riep Hark en sprong in het rond van de pijn. Op het gezicht -hiervan begonnen allen hartelijk te lachen en de timmerman zei: -"Mooi zoo, mijn jongen, dat mag je nog eens weer doen; kom nu maar -hier, dan zal ik je even van dat lastige ding bevrijden." Hark was -wat blij, dat hij die gevaarlijke plaats mocht verlaten. Intusschen -deed de wonde geducht zeer; geen wonder ook: de pijl was hem dwars -door de hand gedrongen. - -Natuurlijk kon die daar niet blijven zitten; hij moest er uitgetrokken -worden. - -"Neen, neen," riep Hark verschrikt, "het doet mij al pijn genoeg." - -"Wou je er dan zoo mee rond blijven loopen? Dat zou een aardige -vertooning zijn. Nu, wat ben je van plan? Mag ik er niets aan doen? 't -Is mij goed." - -Hoewel aarzelend, kwam Hark toch naar den timmerman toe en stak zijn -hand uit. - -"Er zit niets anders op, dan den pijl midden door te breken. Pas -op. Druk je tanden maar op elkaar, dan voel je er niets van." - -De timmerman had mooi praten: Hark schreeuwde het uit, maar de -onbarmhartige Eggerik sprak: "Stel je niet zoo kinderachtig aan, -we zijn immers al klaar; je zult er heusch niet aan sterven. Ga nu -maar gauw heen en laat je verbinden. Komt, jongens, nu wij weer aan -het werk." - -Toen de avond daalde, had men de gracht halverwege gedempt. Nog werd -er niet bevolen, op te houden. De ridder, die het toezicht had, liet -in de kat een paar fakkels ontsteken, en bij het flikkerende licht -arbeidde men voort. Niemand toonde zich ontevreden, omdat hij niet -kon rusten: allen verlangden, het vernielende werktuig aan den gang -te zien. Reeds werd de zware balk, dien men aan het dikke einde met -ijzer beslagen had, klaar gelegd. - -Den volgenden middag eindelijk was men gereed: de kat lag pal tegen -den muur. Eerst nu werd den werklui eenigen tijd rust gegund, maar -slechts kort, want al spoedig zou de eigenlijke arbeid beginnen. De -balk moest in de kat opgehangen worden. 't Was een heele zwaarte; -zes sterke kerels hadden er dan ook moeite genoeg mee. - -Daar kwamen ze er mee aandragen. "Op zij, op zij," riep de timmerman, -die graag het hoogste woord mocht voeren, "Alewijn, geef jij dat touw -eens hier." - -Alewijn keek om en zag een dik touw op den grond liggen. Hij nam het -dadelijk op en bracht het den timmerman, die het om den balk bond; -hetzelfde gebeurde op een andere plaats; vervolgens werd het zware -ding langzaam naar boven geheschen, en daar bevestigde men de touwen -aan het dak van de schuur. - -"Ziezoo, nu allen uit den weg, die er niets mee te maken hebben." Men -zou het werktuig probeeren. - -Alewijn en nog twee anderen trokken den balk door middel van een -stevig touw naar achteren en wachtten, tot het teeken werd gegeven -om los te laten. - -"Eén, twee, drie!" - -Met een vreeselijken slag kwam de zware balk tegen den dikken muur. Het -ding werkte uitstekend; de timmerman wreef zich vergenoegd de handen -en vol ijver hielp hij mee, om den balk weer achteruit te trekken. - -Weldra zag ieder duidelijk in, dat men lang zou moeten beuken, -vóór de muur bezweek, want deze was blijkbaar buitengewoon dik en -sterk. Intusschen gaven de belegeraars zoo gauw den moed niet op; -den geheelen dag hield het beuken aan, en, al bleef de muur de eerste -dagen nog even onwrikbaar staan, zoo hoopten ze toch, dat hij in het -laatst voor de geduchte kracht van den stormram wel bezwijken zou. - -De bewoners van het kasteel schenen zich zeer ongerust te maken over -de uitwerking, die de kat kon hebben, want ze deden alles, wat ze -konden om haar te vernielen. Nog geen enkelen keer was er zulk een -vreeselijke regen van pijlen en steenen neergevallen. - -"Laat ze maar," zei een der mannen tot Alewijn, toen er weer twee -steenen op het dak bonsden; "we zitten hier veilig en wel." - -"Maar als er een zwaar blok op de kat neerkwam, zou onze veiligheid -niet lang duren." - -"Wees daar maar niet bang voor." - -"Waarom niet?" - -"Zware steenen kunnen ze niet op de kat laten vallen." - -"Dat begrijp ik niet." - -"Ik wel. Om zoo'n zwaar blok buiten den muur naar beneden te smijten, -zouden de lui zich op den muur moeten vertoonen, maar daar passen -ze wel voor op. Onze boogschutters schijnen goed te mikken: ieder, -dien ze in het oog krijgen, is verloren." - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -EEN GEVANGENE. - - -'t Was avond. Alewijn, Hark en eenige anderen zaten achter een zandhoop -veilig en wel een praatje te houden. - -"Hier Hark," zei Gerebrandt, "snijd daar maar een stuk voor je af." Dit -zeggende, reikte hij zijn makker een homp spek toe. Hark greep het -aan en poogde met de linkerhand zijn deel er af te snijden. - -"Hoe is het," vroeg Gerebrandt, "ben je linksch geworden?" - -"'t Lijkt wel zoo, hè? Ik heb een pijl door mijn rechterhand gekregen." - -"Laat eens kijken." - -"Ja, Hark, hoe gaat het er mee?" - -"Och," zei Hark, zijn hand uitstekende, waarop een groot litteeken -te zien was, "het gaat nog al. Ik had er in het eerst veel pijn aan, -maar nu wordt het wat beter." - -"Geef mij het spek ook eens," riep een ander. - -"Pak maar aan, maar zuinig wezen, begrepen? Jij bent nog al gulzig -uitgevallen." - -"Hoe gaat het met Alwaert?" - -"Ik denk niet, dat hij er van op zal komen. Hij kreeg een steen precies -op zijn hoofd; een gat, dat je er wel een vuist in kunt steken; en daar -komt nog bij, dat het leer van zijn kap in de wonde is gedrongen. Hij -moet nog altijd buiten kennis zijn." - -"Waar ligt hij?" - -"Ginds in de tent bij dien eikeboom. Je weet, dat heer Diederik hem -nogal graag lijden mag. Hij heeft bevolen, dat men Alwaert goed moet -verzorgen, en dat hij wijn moet hebben." - -"Komaan, daar zou je haast gewond voor willen zijn. Ik heb nog maar -eens van mijn leven wijn geproefd." - -"Dien had je dan zeker gestolen. Ik zou tenminste niet weten, hoe -jij aan wijn moest komen." - -"Dat gaat jou ook niemendal aan." - -"Nu, maar ik ben duizendmaal liever gezond, dan met een gat in het -hoofd te liggen, al zou ik er ook tien flesschen wijn voor krijgen. Ik -zeg je, dat Alwaert dood gaat, dat staat vast. Heer Diederik mag dan -zoo goed voor hem wezen, als hij wil." - -"Ik sta verbaasd over zijn gulheid. Heer Diederik is anders zoo -zachtaardig niet." - -"Och, hij heeft meer van die grillen." - -"Hoor eens, daar zal wel een reden voor bestaan. Misschien...." - -"Nu, ik ben liever kwade vrienden met heer Diederik, dan met zoo'n -vreeselijke wonde te liggen." - -"Dat zeg ik met je. Zoo iets loop je nu met die leeren kappen op; -die dingen beschermen je niemendal; je kunt evengoed een wollen -muts op je hoofd zetten. Neen, jongen, dan helpt zoo'n ijzeren helm -beter. Kijk eens!" - -"Ja, dat moest ik je nog eens vragen. Hoe kom je daar toch aan?" - -"Dat zal ik je zeggen. Rembrandt de smid moest voor onzen heer een -nieuwen helm smeden. Hij ging aan het werk en was er al een heel eind -mee klaar, toen de heer er naar kwam kijken en zei, dat het ding hem -heelemaal niet naar den zin was. Hij wilde een prachtigen grooten helm -met een omgekeerden vogelklauw er op hebben. Zoo bleef Rembrandt met -een half afgewerkten helm zitten. Juist kwam ik bij hem, en toen liet -hij mij het ding zien. "Wel," zei ik, "dat zou net iets voor mij zijn." - -"Wat geef je er voor?" vroeg hij. - -"Nu," zei ik, "ik wil eerst weten, of hij past." - -"Zet hem dan even op." - -"Ik deed dat, en--het leek wel, of hij apart voor mijn hoofd gemaakt -was. "Een schaap en vijf vette konijnen," zei ik toen en dadelijk -antwoordde hij: "Top." - -"Ik bracht hem de beesten en hij gaf mij den helm." - -"'t Zou mij te zwaar zijn, zoo'n ijzeren pot op het hoofd. Wat zeg -jij, Hark?" - -"Mij ook." - -"Laat jij je dan maar het hoofd inslaan; ik houd mijn huid liever -heel." - -"Maar zoo'n ding zit toch hard." - -"Daar heb ik al voor gezorgd," antwoordde Roger, keerde den helm om en -liet zien, hoe hij hem van binnen met een schapenhuid gevoerd had. "Je -merkt er haast niets van, dat je iets op je hoofd hebt. En ik moet je -zeggen, die helm heeft me goede diensten bewezen. Vandaag bijvoorbeeld -is er al drie keer een pijl tegen getikt; die waren voor mijn hoofd -bestemd, maar ik heb er in het geheel geen last van gehad. Zoo iets -had jou met je leeren kap eens moeten gebeuren; als je er nu nog een -ijzeren riem om had geslagen...." - -"Ik heb zulk een helm," riep Gerebrandt en liet zijn kap zien. - -"Juist, die zijn steviger, maar ik houd vol, niets beschermt je zoo -goed als een ijzeren kap." - -"Je lijkt er heer Diederik wel mee," zei Hark spottend. - -Roger de valkenier was niet weinig gestreeld over deze opmerking, -die hij voor ernst opnam en hij antwoordde: "Ik zou het niet graag -willen; hoe hooger je staat, des te eerder heeft de vijand het op je -gemunt. Komaan, jongens, het begint donker te worden; ik ga slapen; -morgen is het weer vroeg dag." - -"Hè, wat flauw; nu je het brood en het spek op hebt, ga je weg." - -"Kom, Roger, blijf nog een poosje." - -"Jullie hebt mooi praten; morgen moet ik weer onder de kat aan het -werk. 't Begint een vervelend werk te worden. Ik wou, dat ik mijn -goedendag maar eens gebruiken mocht. Jongens, dat zou me vrij wat -beter bevallen." - -"Nu, als het zoo doorgaat...." - -"Wat dan?" - -"Dan komen we nooit binnen het kasteel." - -"Zoo denk ik er ook over," zei Roger. "Wat een muur; er is geen -verwrikken aan." - -"Dat moet je niet zeggen; als je maar volhoudt, zul je het met een -kat altijd winnen. Nu, ik ga slapen." - -Roger verwijderde zich om zijn leger op te zoeken en Alewijn merkte op: -"Het begint al tamelijk donker te worden. Komaan, de aardigheid is -er nu toch af; ik ga ook maar weg." - -Juist was hij opgestaan, toen hij Roger zag terugkomen. - -"Heb je wat vergeten?" - -"St, jongen, wees eens stil," fluisterde Roger, "ik verbeeld me, -dat ik wat hoorde plassen in de gracht." - -"Willen we eens meegaan?" - -"Ja, ja!" Allen stonden op, begaven zich in de richting van de gracht -en luisterden. - -Het kasteel stond daar voor hen, donker en stil, als een zware, -zwarte massa. - -In het water zaten kikvorschen te kwaken, maar men vernam geen -ander geluid en reeds meenden de lui, dat Roger hen voor den gek had -gehouden, toen een donker lichaam voor den dag kwam en langzaam op -hen toeliep. Zij, die een wapen bij zich hadden, hielden dit gereed, -maar ze behoefden het niet te gebruiken, want de vreemde kwam niet -met vijandige bedoelingen. Gewillig liet hij zich grijpen. - -"Wil ik hem met mijn goedendag niet even....?" vroeg Hark, die vooral -dapper was, als zijn tegenpartij zich niet verweren kon. - -"Ben je mal, kwajongen; wat mankeert je wel? Laten we eerst hooren, -wat het voor een kerel is en of hij ook iets in zijn schild voert." - -"Ik wil je heer spreken." - -"Pas op, hij neemt je beet. 't Is een spion, wat ik je zeg." - -"Dat hindert niet. We kunnen hem met ons allen immers goed bewaken, -en onze heer zal zich niet laten verschalken, reken daar maar op. Wat -dunkt je, willen wij hem even wegbrengen?" - -"Ja, dat is goed. Wij gaan mee." - -Met den gevangene in hun midden begaven allen zich naar de tent van -den heer. Deze zat met een ander ridder op zijn gemak te schaken. Zijn -helm had hij afgezet; het breede zwaard stond tegen een stoel. Een -standaardvlam verlichtte met een flikkerend schijnsel de tent. - -"Wat hebben jullie daar?" - -"Een gevangene." - -"Zoo, brengt hem naar ridder Ernhard; die zal wel weg met hem weten, -en maakt nu, dat je weg komt." - -"Ja, heer, maar hij wenschte u te spreken: hij schijnt iets te willen -vertellen." - -"Zoo; hoe hebben jullie hem dan gevangen?" - -Dadelijk trad Gerebrandt, die graag haantje de voorste mocht zijn, -op den heer toe en deelde hem mee, hoe alles in zijn werk was gegaan. - -"Komaan," antwoordde de heer, "dan moet ik toch eens vernemen, wat -die sinjeur op zijn hart heeft; gaat maar heen." - -"Willen we eens luisteren, wat hij vertelt?" vroeg Gerebrandt zacht -aan zijn makkers. - -"Pas maar op, dat heer Diederik je niet ziet, want dan loopt het -ongemakkelijk met je af." - -"Ik doe het tenminste niet," zei Alewijn, en ging weg, door de anderen -gevolgd. Alleen Gerebrandt kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen -en zei: "'t Kan mij niet schelen, ik wil toch eens luisteren." - -"Laten we hier even wachten," merkte Hark op, "Gerebrandt zal direct -terugkomen." - -"Och, hij liegt het toch; denk je heusch, dat hij iets verstaan kan?" - -"Waarom niet? 't is immers in het geheel geen moeite, eventjes te -wachten." - -Dit deden ze. Reeds begon hun dit te vervelen, en wilden Alewijn en -een paar anderen zich verwijderen, toen Gerebrandt terugkwam: - -"Ik weet het al. Ga maar gauw mee, dan zul je het hooren. 't Is -een overlooper. Omdat hij gisteren voor een kleine vergissing zware -straf kreeg, heeft hij de plaat gepoetst, en nu verklapt hij iets, -dat geheim had moeten blijven." - -"Wat is dat dan?" - -"De belegerden willen een uitval doen." - -"Een uitval? En wanneer?" - -"Ik denk, deze week al, maar dat kon ik niet goed verstaan." - -"Och jongen, laat je nu niets wijsmaken." - -"Wijsmaken? Wijsmaken? Wat ik je zeg, is waar. Maar als je het niet -gelooven wilt, moet je het laten." - -"Neen, neen, vertel maar verder. En wat zei heer Diederik daar -wel van?" - -"Hij lachte er om en riep: "Och, och, ze meenen, dat wij 's nachts -niets anders doen dan slapen. Nu, dat zullen ze gewaar worden." En -toen voegde hij er nog bij: "Kerel, ik zal je laten vasthouden. Als -het blijkt, dat je gelogen hebt, zit er wat voor je op, maar als je -waarheid hebt gesproken, krijg je een flinke belooning." - -"Wat heer Diederik verder nog sprak, kan ik niet zeggen, want ik wist -er nu genoeg van en maakte, dat ik wegkwam." - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -DE UITVAL. - - -Het bleek, dat Gerebrandt waarheid gesproken had. - -Nog dienzelfden nacht gaf heer Diederik bevel, de wachten te -verdubbelen, en Hark, die al was gaan slapen, kreeg bevel op te staan -en mee wakker te blijven. Hoezeer ook met tegenzin, gehoorzaamde hij -dadelijk, maar werd door zijn makkers, die konden blijven liggen, -hartelijk uitgelachen. - -De geheele nacht ging echter voorbij, zonder dat er iets bijzonders -gebeurde en ook de twee volgende dagen bleef het rustig. - -Reeds begon de verrader, die in een der tenten geboeid lag, te vreezen, -dat er van het plan niets zou komen. Herhaaldelijk vroeg een der -bewakers hem spottend, of hij wezenlijk meende, dat heer Diederik -zich zoo gemakkelijk liet beetnemen. - -Ook de heer vermoedde, dat het bedrog was en gaf bevel, om, mocht ook -de twee volgende nachten de vijand geen uitval doen, den verklikker -eenvoudig op te hangen. - -"Hij hoopte zeker stilletjes te ontsnappen en toen hij gepakt werd, -zich door zoo'n leugen te redden," meende Hark. - -"Wel slim overlegd. Jammer voor hem, dat zijn plannetje zoo mislukt -is." - -"Ik geloof het nog maar niet, dat hij gelogen heeft," zei -Gerebrandt. "Ze zullen zeker nog een paar dagen wachten, omdat nu nog -den geheelen nacht de maan schijnt. Morgen is het laatste kwartier; -dan komt de maan te middernacht op, overmorgen nog weer later en zoo -gaat het door. Ik denk, dat dit eenvoudig de oorzaak is, waardoor we -nog niets van een uitval gemerkt hebben." - -Dit was heel goed van Gerebrandt gezien. In waarheid, de bewoners -van het kasteel achtten den tijd voor een uitval nog niet gekomen, -omdat het 's avonds nog niet donker genoeg was. Maar lang wilden -ze de zaak toch ook niet uitstellen. Het doel was namelijk, de kat, -die hun zooveel zorg baarde, in brand te steken. - -Gerebrandts voorspelling kwam uit. Twee dagen na den avond, waarop -dit laatste gesprek gehouden was, hoorde de wacht, die het dichtst -bij de poort stond, onverwachts een gedruisch. - -De poort kraakte, de ketting van de brug piepte, en dadelijk haastte -de wacht zich, om zijn krijgsmakkers te waarschuwen. Gelukkig had heer -Diederik nog steeds dezelfde voorzichtigheidsmaatregelen doen nemen; -daaraan was het te danken, dat in een oogwenk een aanzienlijk gedeelte -van het leger gereed stond om den vijand te ontvangen. - -Deze had anders zijn tijd wel goed gekozen: er heerschte een volslagen -duisternis in den omtrek. Was het plan niet verraden, de uitval zou -stellig veel kans van slagen gehad hebben. Maar thans! De belegerden -hadden het eens moeten weten, wat hun dreigde. Ze zouden zich stellig -nog wel bedenken. - -Want daar buiten stond een heele bende gereed. Ridders te paard, met -den helm op het hoofd en een maliënkolder aan, verbeidden ongeduldig -het uur van den strijd. Tal van voetknechten hadden zich om hen -verzameld. Sommigen droegen leeren, anderen ijzeren kappen. Nog -anderen, die zich den tijd niet hadden gegund, om iets mee te nemen, -liepen blootshoofds. De meesten waren in een leeren kolder gehuld, -maar er bevonden zich ook strijders in den troep, die eenvoudig een -dierenhuid hadden omgeslagen, ten einde hun lichaam toch eenigszins -tegen slagen en steken te beveiligen. - -Ook Alewijn bevond zich onder de strijders. Den boog had hij maar -met rust gelaten; in een gevecht van man tegen man zou hij met een -fermen kolf meer kunnen uitrichten. Zoo'n knuppel, aan het zware -einde van scherpe punten voorzien, mocht dan ook een geducht wapen -genoemd worden, vooral wanneer het gezwaaid werd door de sterke vuist -van Alewijn. - -Voor den eersten keer van zijn leven woonde de jongen een gevecht -bij. Hoewel het hem eigenlijk weinig kon schelen, of heer Diederik, dan -wel de vijand het won, begon hij toch schik in den krijg te krijgen, -zeker, omdat hij daarin gelegenheid had, zijn kracht te toonen. En -alsof het een veertje was, zoo zwaaide hij zijn kolf in het rond. - -"Hei," riep Hark, die dicht bij hem stond, "houd je wat kalm -asjeblieft; het lijkt wel, of je mij voor een van de vijanden -aanziet. Of wou je tegen de lucht vechten? Dat is gemakkelijk voor je." - -De omstanders begonnen te lachen, tot een der ridders, die in de -nabijheid zich bevond, fluisterend beval: "Stilte die lui daar; -let liever op, of je moet aanvallen." - -Dadelijk hielden allen zich rustig. Hoe scherp men ook uitkeek, -niemand kon nog iets onderscheiden, zoo donker was het. Enkelen -merkten reeds fluisterend op, dat het wel bedriegerij zou zijn, -toen er plotseling lichten schemerden. - -"Domme lui toch," bromde Gerebrandt, "nog fakkels mee te nemen!" - -Ja, dit leek ook wel wat dwaas, maar de belegerden wisten natuurlijk -niet, dat er zoo goed wacht werd gehouden. Ze waren in de vaste -overtuiging, dat het geheele leger rustig sliep, vermoeid van de groote -inspanning der laatste dagen. Zoo hoopten ze, eer nog de verschrikte -wachten alarm gemaakt hadden, het kamp te overvallen, en de houten -belegeringswerktuigen in brand te steken. En voor dit doel was het -vuur meegenomen. Alles: blijden, springalen, arbaleten, tot de kat toe, -ja, dit laatste werktuig vooral, hoopten ze in vlammen te doen opgaan. - -Ze hadden hun plan wel goed overlegd. Terwijl de voorste krijgers -den vijand moesten aanvallen, schrik brengende onder de slapenden, -om hen eindelijk in wanorde op de vlucht te jagen, zouden anderen met -brandende stoffen, pek en teer, de belegeringswerktuigen in vlammen -doen opgaan. - -Welk een teleurstelling! Want pas bevond zich de geheele bende buiten -de poort, of daar werd ze plotseling van alle zijden aangevallen. - -"Er mag niemand ontsnappen," had de edelman bevolen. En in zich zelf -lachte hij vergenoegd bij de gedachte, dat de jonker, die zich stellig -ook wel bij de bende zou bevinden, levend of dood in zijn handen moest -vallen. Ha, zulk een vangst was de moeite waard. De edelman had dan -ook ten strengste bevolen, dat men zijn best zou doen, om den jonker -te vangen. - -Ten einde den uitslag van het gevecht ontwijfelbaar te maken, had de -edelman aan de eene zijde een krachtigen troep welgewapende strijders -doen plaats nemen, die den vijand in den rug moesten aanvallen. - -Nog een oogenblik, en er ontstond een vreeselijk rumoer in den -donkeren nacht. Menschen en paarden woelden schreeuwend en hinnekend -dooreen. Overal sloeg men met zwaarden en knotsen er wild op in. Weldra -hoorde men aan alle zijden het akelig kermen der gekwetsten. - -In plaats van hun vijanden te verrassen, waren de belegerden zelf -in een val geloopen, een val, zoo vreeselijk, dat er aan uitkomst -niet te denken viel. En toen ze, inziende, dat hun plan zoo deerlijk -mislukt was, ontsteld op de vlucht sloegen, werden ze ook van de andere -zijde aangevallen. Zoo zagen ze zich ingesloten, aan alle kanten door -een overmachtigen vijand ingesloten. Hier kon geen strijden helpen, -hier liep men onvermijdelijk zijn verderf te gemoet. Weldra was het -dan ook geen vechten meer, het was slachten; of de ongelukkigen al -jammerend om genade smeekten, daar werd niet naar geluisterd; met een -ware moordlust sloegen de belegeraars op hun zwakke tegenpartij in, die -dan ook merkbaar verminderde. Slechts enkelen werden gevangen genomen. - -Bijna geen der belegerden kon nog de poort bereiken; de weinige -vluchtelingen werden op den voet gevolgd door hun juichende -vijanden. Dezen meenden reeds, op een gemakkelijke manier binnen het -kasteel te geraken, toen de zware deur hun nog juist bijtijds voor -den neus werd dichtgesmeten. - -Heer Diederik was verrukt over de prachtige overwinning; tal van -vijanden lagen dood of gewond neer; alleen speet het hem, dat hij -den jonker niet had kunnen vangen. Het scheen dus, dat deze bij het -gevecht niet tegenwoordig was geweest. Dit verminderde de vreugde van -heer Diederik wel wat; zoolang hij zich niet van den jonker meester -gemaakt had, was hij niet tevreden. Intusschen zou dit doel ook wel -bereikt worden: de bezetting van het kasteel was door den ongelukkigen -uitval zeer verzwakt; ze kon het nu onmogelijk lang meer uithouden. - -Toch vergiste de ridder zich, als hij meende, dat de jonker den -uitval niet had meegemaakt; deze was wel degelijk onder de strijdenden -geweest. Wat er dan met hem was voorgevallen? We zullen het spoedig -zien. - -Een uur na middernacht heerschte er weer diepe rust om het kasteel. De -meeste strijders waren gaan slapen, overtuigd, dat de bezetting -vooreerst geen tweeden uitval zou wagen. Alleen hier en daar stonden -de wachten en deden moeite om zich den slaap uit de oogen te houden. De -regen had opgehouden. De maan kwam op; het werd wat lichter. - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -OP WACHT. - - -"'t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn," zei Gerebrandt, -"je treft het, het weer klaart op." - -"Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken." - -"Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen," hernam -Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende. - -Alewijn rilde. "Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te -zijn," dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op -wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel -rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode -menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan. - -"Nu," zei Gerebrandt, "ik wensch je veel genoegen; pas maar op, -dat je niet in slaap valt." - -Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van -het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat -hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem -heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn -daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht -bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden; -dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan. - -Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa. - -"Hoe vreemd toch," dacht Alewijn. "Een paar uur geleden was die daar -nog gezond en wel en nu." - -Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak -naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij -wilde vluchten en kon het niet: 't was, alsof die doode zich -bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige -gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te -kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij -beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen, -dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo -duidelijk gezien. - -O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te -duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn -voelde zijn hart bonzen, hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem -stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij -zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven, -te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te -gevoelen, toch sidderde hij. - -Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat -aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde, -moedige natuur kreeg weer de overhand. - -Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem -met zijn spookachtige verschijning zoo'n schrik had aangejaagd. Een -paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog -door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe, -en, wat bleek nu? - -Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met -moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem: - -"Kom je om mij te dooden?" - -"Dat zal er van afhangen, wie je bent." - -"Toe, dood mij maar, dadelijk liefst." - -"Dat is een dwaze wensch; heb je zoo'n pijn misschien?" - -"Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb -medelij." - -"Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?" - -"Ja." - -Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half -opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging -hem een licht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen! - -"Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen." - -"Och, doe dat niet," smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn -moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman, -jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest -wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich -zoo niet verlagen. - -"Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?" - -"Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge -man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor -dan mijn bede." - -"De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen -barmhartig te toonen." - -"Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van -me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen." - -"Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker -levend gevangen te nemen." - -"Wat, hoe weet je....?" - -"Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van." - -"Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd -bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo'n groote weldaad, -waar je altijd dankbaar voor moet blijven?" - -Alewijn weifelde: "Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?" dacht -hij. - -De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij -had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn -eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn, -om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als -Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden, -zou zijn leed niet te overzien zijn. - -De jonker scheen zijn gedachten te raden. "Jonge man," zei hij, -"wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij -rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt, -dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me -niet levend aan mijn doodsvijand over." - -"Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit -ook mijn gevoel van eer," zei Alewijn op eenigszins scherpen -toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den -ongelukkigen gewonde. "Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te -maken?" mompelde hij. "Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft -hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet -voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen -opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?" - -Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker: -"Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan -en op mij te leunen." - -Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, en zie, hoe moeilijk het -ook ging, de jonker schreed langzaam voort. - -"Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste -achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge -voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen." - -"Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik -zal je goed beloonen." - -"Een beloning begeer ik niet," antwoordde Alewijn en hij vervolgde -glimlachend: "Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te -beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw -kasteel het niet lang meer uithoudt." - -"Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht -het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered." - -"Waar woont die?" - -"We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan; -ze zal den jonker niets weigeren, als hij om een schuilplaats smeekt." - -Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen -met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens -donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend -wezen. "Dat mag waarlijk een wonder heeten," dacht Alewijn, "hoe -dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik -kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word." - -Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste -was hij wel genoodzaakt, een door de maan beschenen vlakte over te -steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige -spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam -loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel -tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen. - -Eindelijk hadden ze het boschje bereikt. - -"Zie zoo," zei Alewijn, "ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet -ik maken, dat ik terugkom." - -Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk. - -"Wacht," hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk -brood te voorschijn halende, "'t is wel niet veel bijzonders, wat ik -u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel." - -De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was -hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje -dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn. - -Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel, -dat hij zijn mond hield. - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -DE OUDE WENA. - - -Het kasteel hield het langer uit, dan heer Diederik had verwacht. De -dikke muren boden weerstand aan de geduchte slagen van den stormram -en de edelman begon te vermoeden, dat hij met geweld niets zou -uitrichten. "Dan maar een ander middel te baat genomen," dacht hij, -"een middel, dat wel langzaam, maar zeker werkt: den honger." - -Zoo kwam het, dat op een morgen alle vijandelijkheden gestaakt werden; -de heer wilde niet onnoodig pijlen laten verschieten. - -Alewijn, Hark, Gerebrandt en eenige anderen hadden niets te doen en -zaten op een rustig plekje een stuk brood te deelen. - -"'t Wordt een schrale boel, jongens," zei Gerebrandt. - -"Hoe zoo?" - -"Ik hoor, dat onze voorraad is opgeraakt, en de wagens, die -uitgezonden werden, om meel, brood en vleesch te halen, zijn nog -niet teruggekeerd." - -"Vóór overmorgen kunnen ze hier onmogelijk wezen." - -"Dan wordt het vasten. Ik kan niet zeggen, dat ik daar veel mee -op heb." - -"Ik ook niet. We doen verstandig met ons zelf te helpen en dit stukje -voor van avond te bewaren." - -"Er zal toch in den omtrek nog wel iets te krijgen zijn." - -"Dat zou ik ook denken." - -"Als we er maar eens op uit mochten." - -"Durf jij het te vragen, Hark?" - -"Och, jawel, er is hier toch niets te doen." - -"Ja, jongens, waarom zou heer Diederik bevolen hebben, dat alles -moest ophouden?" - -"Misschien wil hij het kasteel uithongeren." - -"Daarom begint hij zeker met zijn eigen volk honger te laten lijden. Ik -geloof niet, dat dit de beste manier is." - -"Nu," zei Hark, "ik ga eens vragen." - -"Je krijgt toch geen verlof. De strijd kan elk oogenblik weer -beginnen." - -"Dat zullen we zien." - -Korten tijd, nadat Hark was heengegaan, kwam hij alweer terug en -riep heel blij: "Het mag, jongens, het mag, als we vóór van avond -maar weer terug zijn." - -Weldra gingen er vier op weg, gewapend met daggen, om den landlieden -ontzag in te boezemen. - -"Hei jongens, waar gaat dat naar toe?" riep Allert, die bij zijn -schietwerktuig op den grond zat. - -"Een wandeling doen, voor de gezondheid," antwoordde Hark. "Blijf jij -maar rustig bij je springaal zitten en pas op, dat de pijlen niet in -je eigen gezicht terecht komen." - -"Loop, flauwe rekel, of ik zal je." - -Alle vier begonnen hartelijk te lachen, vervolgden rustig hun weg en -trokken weldra het veld in. - -Ze zochten den geheelen ochtend; daar echter bijna alles in den omtrek -al plat geloopen was, vonden ze niets. - -Eindelijk kwamen ze bij een dicht boschje, waar zich, bijna -onmerkbaar voor het oog, een klein bouwvallig houten huisje bevond. De -onderzoekende blik van Gerebrandt had het al spoedig opgemerkt. - -"Wel," zei Hark, toen Gerebrandt hem het hutje had gewezen, "veel -bijzonders zal het wel niet zijn, maar licht is het de moeite waard." - -Dicht bij de hut zat op den grond een oud vrouwtje, met rimpelig, -maar vriendelijk gezicht. - -"Hoor eens, vrouwtje, je moest ons even een kijkje laten nemen. Wij -hebben honger." - -"Och, beste jongens, ik ben een doodarme vrouw; bij mij is niets -te halen." - -"Nu, dat begrijpen wij wel. 't Is ons dan ook maar om een heel klein -beetje te doen. Vooruit, laten wij maar eens gaan zien." - -Alewijn merkte met deernis op, hoe het arme vrouwtje blijkbaar in -de grootste verlegenheid verkeerde. Ze liep onrustig heen en weer -en wist niet, wat ze doen moest. Eindelijk zei ze: "Een kruikje melk -kan ik missen, maar dat is ook alles; laat mij asjeblieft met rust, -mijn dochter is ziek, ze zal zoo schrikken." - -"Kom, praatjes! Zieke dochter! Als wij niet te eten hebben, worden -we ook ziek." - -Alewijn begreep, dat hij tusschenbeiden moest komen; hij had innig -medelijden met de smeekende vrouw, die er zeer tegen op scheen te zien, -dat de ruwe gasten haar huisje zouden binnentreden. - -"Och jongens," zei hij, "zie je niet, dat je dat arme mensch een -schrik op het lijf jaagt? Weet je wat, blijven jullie hier, dan zal -ik maar eens kijken." - -"Zeker om den buit alleen te houden; neen baasje, wij zijn ook slim," -zei Hark. - -"Nu, ik vind het even goed, dat jij gaat," antwoordde Alewijn, "maar -dat weet ik wel, wij kunnen niet met ons vieren bij een ziek mensch -in huis komen." - -"Goed," zei Hark, maar Gerebrandt wist, dat die jongen zelf niet te -vertrouwen was en vond het daarom beter, dat Alewijn in het huisje -een kijkje zou nemen. Ten laatste moest Hark wel toegeven, en Alewijn -ging, na plechtig verzekerd te hebben, dat hij alles eerlijk met zijn -makkers zou deelen. - -Hoe de vrouw ook smeekte, hoe ze alle pogingen aanwendde om den -indringer buiten te houden, Alewijn trad het huisje binnen. Hij was -namelijk nieuwsgierig geworden. Waarom verzette die vrouw zich toch -zoo? Was dat alleen, omdat ze vreesde, dat men haar berooven zou? Wie -toch weinig bezat, had ook weinig te missen. Neen, daar moest iets -anders achter steken. - -"Wees maar gerust, moedertje, ik zal je geen kwaad doen." - -In het vertrek was het vrij duister. Het zag er natuurlijk zeer kaal -en armoedig uit. Op een bankje lag een stuk grijs brood, maar daar -wilde Alewijn de arme niet van berooven. - -"Toe, beste jongen," zei het vrouwtje, "neem dat maar en ga dan heen." - -"Gekheid," antwoordde Alewijn, "berg het liever goed weg: mijn makkers -zouden er zich anders nog van meester maken. Maar zeg me eens, hoe komt -het toch, dat je zoo gejaagd bent? En waar is je zieke dochter nu?" - -"Kom, wat kan je mijn ziek kind schelen? Steek dat brood bij je en -ga heen. Plaag een arme vrouw niet langer." - -Alewijn had er reeds aan gedacht te vertrekken, maar juist, doordat de -vrouw zoo aandrong, werd zijn nieuwsgierigheid nog meer opgewekt. Hij -keek goed rond en merkte in een hoek een donkere massa op. - -Bedaard trad hij nader, vragende: - -"Zoo, zoo, is ze dat? Heb je haar met opzet in het duister gelegd?" - -De arme vrouw verkeerde in den hoogsten angst. - -"O wee, wat zal me nu gebeuren!" mompelde zij. - -Alewijn bekeek het gewaande meisje en ontdekte tot zijn groote -verwondering, dat het niemand anders dan de jonker was. Hij herkende -den ridder dadelijk. - -"Ha, ha, nu, het had maar weinig gescheeld, of uw schuilplaats -was verraden. Ik vind het niet heel voorzichtig, hier zoo lang te -blijven. Weet ge wel, dat ge hier niet veilig zijt?" - -"Vanavond wou ik al verder gaan," bromde de jonker, "maar ik was -uitgeput; ik had rust noodig en daarom ben ik een paar dagen bij de -oude Wena gebleven." - -Deze luisterde met verwondering toe. - -"Och," zei ze, "verraad mijn goeden jonker toch niet." - -"Wees gerust, moedertje," antwoordde Alewijn glimlachend, "ik zal je -niet verklikken. Laat ik nu mijn best doen, mijn makkers hier vandaan -te krijgen; die zullen wel ongeduldig worden." - -Voor hij wegging, besloot hij het brood mee te nemen, om niet met -leege handen bij de anderen te komen. Hij vreesde wel, dat ze niet -heel tevreden zouden zijn over den gevonden buit en dat ze daarom -zelf eens een kijkje zouden gaan nemen. - -Tot zijn groote verwondering echter viel dit zeer mee: hij zag ze -met hun drieën op eenigen afstand van de hut druk bezig. - -"Wat zouden ze nu hebben?" dacht hij. Het scheen wel, of ze een -beest gevonden en geslacht hadden. Een schaap misschien? "Dat arme -mensch," mompelde Alewijn, "misschien was het wel 't eenig stuk vee, -dat ze bezat." - -"Niet veel te halen, jongens; 't is de moeite niet waard." - -"'t Hoeft ook niet," riepen de anderen, "we hebben ons zelf al -geholpen. Kijk eens, wat een pracht van een beest, hé?" - -Naderbij tredende, zag Alewijn met afschuw dat ze een hond geslacht -hadden. - -"Wat?" zei hij, "een hond? Waar wil je met dit beest naar toe?" - -"Ha, ha," lachte Gerebrandt, "vraag je dat nog? Wie een paar jaren in -heer Diederiks dienst is geweest, weet maar al te goed, wat honger -beteekent en hoe lekker hondevleesch er door wordt. Als onze heer -slechte tijden beleeft, laat hij dat het eerst aan zijn onderhoorigen -merken." - -"Nu," zei Alewijn, "ik wensch je smakelijk eten, maar ik zal mijn -maal liever met dit stuk brood doen." - -"Zeker niet," merkte Hark op, "alles eerlijk deelen. Jij kunt immers -ook van het vleesch krijgen?" - -"Maar hoort eens, jongens, dat meisje is wezenlijk heel zwak; zouden -we niet liever wat verder weg gaan?" - -"Je hebt gelijk," zei Gerebrandt, "in gindsche beek vinden we water; -daar kunnen we het vleesch afwasschen. En droog hout staat er in -overvloed." - -"Hoe komen we nu aan vuur?" - -"Daar kan Alewijn wel even voor zorgen. Kom, jongen, je hebt nog niet -veel goeds uitgevoerd. Ga bij dat vrouwtje wat halen." - -Alewijn had daar natuurlijk niets tegen, en, terwijl zijn makkers een -ander plaatsje opzochten, begaf hij zich nog even naar de hut. Daar -binnengetreden, merkte hij op, dat de jonker al verdwenen was. - -"Zoo, zoo, is de vogel gevlogen?" - -"Och, beste jongen, zul je me heusch niet verklappen? De jonker is -zoo goed voor me geweest; dikwijls kwam hij hier een poosje praten, -en in kwade tijden kon ik altijd op hem rekenen." - -"Wees maar gerust, vrouwtje; ik heb zelf reden om te zwijgen; als ik -jou verklapte, zou ik ook gevaar loopen. Nu, wees maar voorzichtig...." - -Toen het viertal des avonds terugkeerde, zagen ze tot hun groote -verwondering, dat het kasteel overgegeven was; de vlag van heer -Diederik woei reeds van een torentrans; een groot deel van het leger -bevond zich binnen het kasteel; de belegerden waren gevangen genomen -en werden op het voorplein bewaakt. Voor het eerst in langen tijd -behoefde Alewijn niet meer buiten te overnachten; hij mocht met Hark -en Gerebrandt in een der kamers van den burcht zijn leger gereedmaken. - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -ALEWIJNS RIJKDOM. - - -Heer Diederik wenschte nog eenigen tijd in het veroverde kasteel -te vertoeven; in dien tijd hadden zijn mannen natuurlijk niet veel -te doen; ze konden dus vrij rondloopen en op allerlei wijzen zich -vermaken. Alewijn hield veel van visschen, en, daar hij in den omtrek -eenige plassen ontdekte, die rijk aan visch waren, had hij op die -wijze al spoedig een aangename tijdkorting gevonden. Terwijl hij eens -met zijn hengel in de hand, geduldig wachtende, bij een beekje stond, -kwam er een vrouw op hem toeloopen. Het was het moedertje, bij wie -de jonker een schuilplaats had gezocht. - -"Gelukkig, dat ik je zie," sprak ze. - -De jongen keek ontsteld om en zei: "Wel, je zou me doen schrikken." - -"Zie ik daar nu naar uit?" vroeg het vrouwtje glimlachend. - -"Volstrekt niet, maar ik wist niet, dat er iemand bij me stond en -toen ik daar opeens je stem hoorde." - -"Nu, dat kan ik best begrijpen. Laat ik nu maar gauw mijn boodschap -doen, voor iemand ons ziet." - -Deze woorden van het oude moedertje verbaasden Alewijn zeer. "Wat zou -ze me te vertellen hebben?" dacht hij en hij legde zijn hengel neer, -daar de visch den laatsten tijd toch niet meer scheen te bijten. - -"Ik moet je de groeten van den jonker doen." - -"Zoo, is hij goed terecht gekomen?" - -"Ik denk het wel. Eergisteren werd mij bericht, dat hij bij een van -zijn vrienden een schuilplaats heeft gevonden. Nu wil hij, voor hij -verder reist, je een klein bewijs van zijn dankbaarheid geven. Zie -hier!" - -"Wat," riep Alewijn verrast, toen hij zag, hoe de vrouw hem een zakje -met klinkende schellingen toereikte, "ik behoefde er volstrekt niets -voor te hebben; zooveel was me de heele zaak niet waard. Neen, dat -neem ik niet aan." - -"Waar moet ik er dan mee heen? Ik kan het den jonker niet terugzenden, -en het in het water te gooien....." - -"Dat is ook niet noodig, maar ik zou denken, dat je het zelf best -kunt gebruiken." - -"'t Is voor mij niet bestemd; de jonker heeft het alleen gegeven als -belooning voor den redder van zijn leven. Ik vind, dat je het niet -weigeren kunt." - -"Wat toevallig, dat je me gevonden hebt. Wat zou je doen, als ik hier -niet aan het visschen was geweest?" - -"Dan zou ik heel brutaal het kasteel binnengaan; ik denk, dat ze -een arme oude vrouw wel geen kwaad doen, en als ik je daar dan zag, -wilde ik je vragen, even buiten te komen." - -"Zoo, zoo, dat is wel slim overlegd. Nu, als je er dan volstrekt op -staat, wil ik het geld wel aannemen, ofschoon ik eigenlijk niet weet, -wat er mee uit te voeren." - -"Wees maar gerust; er zal een tijd komen, dat je het best kunt -gebruiken; bewaar het goed en zorg vooral, dat niemand er achter komt." - -"Dank je wel. Dit zul je toch wel van me willen aannemen." Alewijn -bood de oude vrouw een paar geldstukken aan, die zij dankbaar in -ontvangst nam, waarop ze Alewijn vaarwel zei en haars weegs ging. - -Toen Alewijn alleen was, zette hij zich op een steen neer, haalde het -zakje met geld te voorschijn en toen hij zich had overtuigd, dat geen -onbescheiden oogen hem beloerden, nam hij de klinkende munten in de -hand en bekeek ze met schitterende oogen. Welk een rijkdom. Zooveel -geld had hij nog nooit bij elkaar gezien en aanstonds overlegde hij -bij zich zelf, wat er al niet mee gedaan kon worden. - -'t Was een ware schat voor den armen lijfeigene, maar geheel onvermengd -bleef zijn genoegen toch niet, want de arme jongen begreep heel goed, -dat hij er in den eersten tijd niet veel mee zou kunnen uitvoeren. De -vrouw had hem terecht tot voorzichtigheid aangemaand, en Alewijn was -verstandig genoeg om dezen goeden raad niet in den wind te slaan. Want -wat zouden de lui wel zeggen, als ze zagen, dat de jongen plotseling -in het bezit van zooveel geld gekomen was? En de verdenking alleen was -al voldoende, om een lijfeigene het bitterste lot op den hals te jagen. - -Zoo bij zich zelf overleggende, kwam Alewijn tot het besluit, dat hij -het verstandigst zou doen met zijn schat te verbergen, en zorgvuldig -eenigen tijd te bewaren, totdat het oogenblik aanbrak, om het op de -beste wijze te besteden. - -Het kwam er nu maar op aan, een geschikte plaats te vinden, een plaats, -waar niemand het vinden zou en waar hij het geld zoo nu en dan kon -bewonderen, zonder gevaar voor ontdekking te loopen. - -In het geheel niet meer denkende aan den hengel, waar nog wel een ferme -zeelt aan zat, die in zijn ijver om los te komen, den stok reeds half -in het water had geworpen, verliet hij zijn plaatsje aan de beek, -en zocht het veld rond. Geen enkele schuilplaats kon hem eigenlijk -voldoen. Eerst borg hij het geld tusschen eenige struiken, doch toen -hij eenige dagen later daar twee mannen aan het werk zag, begon hij -ongerust te worden. Hij vond dus geen rust, voor het hem gelukte, een -nieuwe schuilplaats te ontdekken. Ook nu was hij echter niet tevreden. - -Zoo ging het den knaap, totdat eindelijk de heer bevel gaf, op te -breken en het oude kasteel weer te betrekken. Pas had Alewijn vernomen, -dat hij en zijn makkers binnenkort den veroverden burcht weer zouden -moeten verlaten, of hij ijlde naar de plaats, waar zijn schellingen -in den grond gestopt waren en borg ze nu onder zijn kleeren op zijn -bloote lichaam. - -Eenige dagen later waren allen weer op hun vroegere woonplaats -teruggekeerd, en, daar de oogsttijd naderde, viel er voor de -krijgslieden van eenige weken geleden overvloedige arbeid te vinden: -de meesten van hen, waaronder ook Alewijn, moesten boog of speer of -kolf wegbergen en ijverig meehelpen aan den veldarbeid. - -Maar wat Alewijn ook deed, zijn schat ging hem geen oogenblik uit zijn -gedachten. Hoe verheugd hij er ook mee was, hoe goed hij hem ook had -verborgen, toch bekroop hem gedurig de vrees, dat het geld bij het werk -door een plotselinge sterke beweging voor den dag mocht komen. Deze -gedachte plaagde hem onophoudelijk, totdat hij eindelijk besloot, ook -nu weer een plaatsje op te zoeken, waar hij zijn rijkdom verbergen kon. - -Op een namiddag, toen hij het dagwerk verricht had, begaf hij zich -niet zooals anders in den kring van zijn makkers om een praatje te -houden, maar hij sloop stil de poort uit. - -"Hei, Alewijn, waar ga je naar toe?" riep Hark. - -Onwillekeurig werd Alewijn verlegen, en in zijn angst, dat de ander met -hem mee zou willen gaan, gaf hij maar het eerste antwoord het beste, -dat hem in den zin kwam. - -"Ik heb hengels gezet en ga zien, of er een snoek aan zit." - -"Jongen, dan moet ik mee." - -"Wat een vervelende kerel," dacht Alewijn, die niet weinig verlegen -was, daar hij in het geheel geen hengels gezet had, en zijn -verlegenheid werd nog grooter, toen Gerebrandt sprak: "Weet je wat, -ik wil ook wel eens zien, waar jij altijd die prachtige snoeken -vandaan haalt." - -Alewijn kon natuurlijk, nu hij eenmaal gelogen had, niet meer met -de waarheid aankomen en hij bracht zijn nieuwsgierige makkers naar -een sloot, waar, naar hij zei, de hengels zich moesten bevinden. De -grootste verwondering veinzende, zei hij: "Wel verbazend, daar hebben -ook dikke snoeken aan gezeten; alles is verdwenen." - -"Weet je, wat ik geloof?" zei Gerebrandt, terwijl hij aandachtig de -oppervlakte van het water onderzocht. - -"Nu?" vroeg Hark. - -"Dat hij ons leelijk voor den gek gehouden heeft." - -Als Hark daar eerst nog niet aan gedacht had, dan kon hij het nu -wel gissen, want Alewijn, die de kunst van veinzen slecht verstond, -kreeg een kleur als vuur en stamelde enkele woorden, om zijn houding -te verklaren. - -"Nu," zei Gerebrandt, "ik vind, dat het al een heel flauwe manier -van doen is. Wat heb je daar nu aan?" - -En Hark zei: "Ik zal je wel weer krijgen, vrind. Je had zeker andere -plannen, niet waar Alewijntje, plannen, waarbij je geen dwarskijkers -gebruiken kunt." - -"O, heelemaal niet," bracht Alewijn met moeite uit, terwijl zijn -kleur nog hooger werd. - -"Dan moeten wij hem niet storen," zei Gerebrandt spottend. "Kom, -Hark, ga je mee?" Plotseling keerden beiden zich om en maakten, -dat ze wegkwamen, terwijl Alewijn met een dwaas gezicht bij de sloot -bleef staan, niet wetende, wat te doen. - -Toen schoot het hem weer te binnen, met welk doel hij eigenlijk -uitgegaan was, maar hij durfde zijn plan niet te volvoeren, uit vrees, -dat Gerebrandt en Hark uit een boschje hem zouden beloeren. Daarom -keerde hij ten laatste naar het kasteel terug. Het spreekt van zelf, -dat er de volgende dagen geen denken aan was, het geld te verbergen; -daartoe hield de hooioogst hem, evenals de andere knechts van heer -Diederik, veel te druk bezig. Een dag of vier later was de gelegenheid -gunstig: Hark en Gerebrandt moesten voor den heer een sloot uitdiepen -en, toen Alewijn vrij was, vroeg hij aan Eggerik een schop ter leen, -begaf zich daarmee naar buiten en maakte op een eenzaam plekje een -kuil in den grond. Hier werd het zakje met geld verborgen. Om het -plaatsje later te kunnen terugvinden, mat hij, hoeveel passen het -verwijderd was van een boom, die daar in de buurt stond, vergewiste -zich, dat hij geen fout gemaakt had, en ging weer heen. Gelukkig was -hij zoo verstandig, er niet elken dag naar te gaan kijken; anders zou -het al spoedig de aandacht getrokken hebben, vooral daar Gerebrandt -en Hark op hem letten. Het kostte hem anders moeite genoeg, want -voortdurend had hij een groot verlangen om te zien, of zijn geld er -nog wel was. Weldra bemerkte hij tot zijn geruststelling, dat Hark -en Gerebrandt de geschiedenis vergeten schenen te zijn; op het door -hem gekozen plaatsje kwam nooit iemand en zoo had hij alle reden -tot tevredenheid. - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -HET TIENDMAAL. - - -Niet ver van den burcht woonde een boer, die tiendplichtig was aan -heer Diederik. Ook die landman had het druk met den oogst, zoo druk -zelfs, dat nog een groot deel van het koren op het veld stond, toen de -meeste werkzaamheden op de landerijen, die tot het kasteel behoorden, -reeds afgeloopen waren. Het weer bleef langen tijd gunstig, maar de -boer was er natuurlijk niet zeker van, dat het zoo blijven zou en -daarom zag hij uit naar rappe handen, die hem behulpzaam konden wezen. - -Hierdoor kwam het, dat Alewijn en Hark, terwijl ze op een afgemaaid -hooiland stonden te harken, plotseling een stem achter zich hoorden: - -"Hei, jongens, hoor eens even." - -Beiden keken om en zagen den boer naderen, die dichtbij gekomen, sprak: -"Hebben jelui lust, mij met het inhalen van het hooi te helpen?" - -Hark en Alewijn keken elkander aan. Hoewel ze nu niet bepaald op -overmatigen arbeid gesteld waren, schenen ze in dit geval wel zin te -hebben, aan de uitnoodiging van den boer te voldoen. Er was slechts -één bezwaar: "Zou heer Diederik het goedkeuren?" Mocht die er niets -tegen hebben, dan waren Hark en Alewijn wel tot helpen genegen, -want ze kenden den boer als een gul man en ze wisten dus, dat hun -bereidwilligheid geen windeieren zou leggen. Daarom gaven ze tot -antwoord, dat ze eerst de toestemming van heer Diederik moesten hebben. - -"O, als het daarvan afhangt, weet ik al zeker, dat ik op jullie rekenen -kan. In zulke gevallen is heer Diederik altijd heel schikkelijk." - -"Zou je denken? Dan geloof ik, dat je hem niet goed kent," meende Hark. - -"Wees maar gerust. Nu, je zult het zien." - -Het kwam uit, zooals de boer voorspeld had. De edelman maakte in -het geheel geen bezwaar; integendeel, hij vond het zeer goed, dat -zijn lijfeigenen, die op dat oogenblik toch niets te doen hadden, -aldus hun tijd nuttig besteedden. - -Op den bepaalden dag trokken Alewijn en Hark dan ook naar den boer -en werkten ijverig mee, zóó ijverig zelfs, dat de man des avonds -herhaaldelijk zijn tevredenheid betuigde en hun een buitengewoon -goed loon uitbetaalde. Maar meer nog dan met dit loon, waren de -knapen verheugd over de uitnoodiging, om aan het tiendmaal deel te -nemen. Zoodra namelijk het oogsten afgeloopen was, moesten aan den heer -de tienden betaald worden, maar deze gaf dan aan zijn tiendplichtige -boeren een feest, het tiendmaal. Op dezen maaltijd nu waren de mannen -zeer gesteld, want de edelman schonk hun door groote mildheid de -gelegenheid, zich eens buitengewoon te goed te doen. - -"Heb je lust, om aan het tiendmaal mee te doen?" vroeg de boer aan -de beide knapen. - -Men kan gemakkelijk raden, wat ze antwoordden. - -"Goed," zei de man weer, "ik zal mijn best doen, dat je daartoe -verlof krijgt; jullie hebt beiden zoo hard gewerkt, dat je wel een -pretje toekomt." - -Hij hield woord ook, en toen eenige dagen later het feest op de -hoeve van een der tiendplichtige boeren gegeven werd, kwamen Alewijn -en Hark al tijdig, om mede van de partij te zijn. Reeds den dag te -voren was een lange tafel in gereedheid gebracht en dat de heer bij -deze gelegenheid niet karig was, bleek, toen hij bevel gaf, eenige -koeien te slachten en een paar tonnen bier uit den kelder te halen. - -Oppervlakkig gezien, zou men denken, dat er wel te veel eten en drinken -was, maar heer Diederik kende de gasten en wist, dat ze, behalve een -opgeruimde stemming, ook een gezonde maag meebrachten op het feest. - -Weldra ging het er lustig toe: eten, dat er gedaan werd, eten! Men zou -het haast een wonder noemen. Het eene stuk gebraden vleesch vóór, het -andere na, verdween in een ommezien. Daarbij werd het bier natuurlijk -niet vergeten, en toen tegen den middag de heer een kijkje kwam nemen, -merkte hij tot zijn genoegen op, dat men van zijn gulheid een dankbaar -gebruik wist te maken. Hij moest er hartelijk om lachen, toen hij -zag, hoe weer een reusachtig stuk vleesch in ongelooflijk korten tijd -verorberd werd. Dadelijk gaf hij bevel, nieuwe spijzen aan te laten -brengen; ieder gerecht werd begroet met gejuich, dat luider werd, -naarmate de feestvierenden meer bier hadden genoten. - -Ook Alewijn, die zulk een feest nog nooit had bijgewoond, deed flink -mee aan de pret, en niet minder Hark, die een reusachtige maag scheen -te bezitten, want hij hield letterlijk niet op met eten. Toen het feest -gedaan was, begaven beiden zich in een recht genoeglijke stemming naar -huis. Alewijn had, om de waarheid te zeggen, meer bier gedronken dan -goed voor hem was; wel kon hij nog flink loopen, maar de bedaarde -jongen, die anders zoo voorzichtig was, gebruikte nu zijn verstand -niet meer en liet zich daardoor licht een woord ontvallen, dat hij -beter gedaan had met te verzwijgen. Dit zou zijn ongeluk veroorzaken, -en zoo had, zeer tegen verwachting, het tiendmaal voor Alewijn een -noodlottigen afloop. - -Hark kon men namelijk niet vertrouwen. Alewijn wist dit wel en was -dan ook in de nabijheid van Hark zoo voorzichtig mogelijk geweest. - -Onder den invloed van het zware bier scheen hij dezelfde kalme Alewijn -niet meer te zijn; lustig zingend liep hij naast Hark voort, en deze -deed dapper mee. Toen beiden uitgezongen waren, begon Hark: - -"Heb je op dien Liebaart gelet; wat kan hij eten, hè? Ik geloof, -dat hij wel een halve ton bier opgedronken heeft." - -"Dan is het geen wonder, dat hij zoo raar begon te doen. In het -laatst werd hij nog kwaad ook. 't Had weinig gescheeld, of er was -ruzie gekomen. Er is heel wat bier verdwenen." - -"Ik heb mijn deel ook wel gehad." - -"Toch mooi van heer Diederik, dat hij zoo gul is. Ik had het niet -van hem verwacht." - -"Hij krijgt het anders gemakkelijk genoeg; zelf behoeft hij nergens -een hand voor uit te steken." - -"Ja, je moet het geluk maar hebben. Wij kunnen sloven en hard werken -en hij....." - -"Dat werken is nog 't ergste niet, maar dat zoo'n man zoo den baas -over je kan spelen...." - -"O, ik vind dat slavenleven verschrikkelijk." - -"Werd er nog maar eens een kruistocht gehouden, dan deed ik ook mee." - -"Maar weet je wel, dat je dan veel kans had nooit terug te komen? Wat -had je dan aan je vrijheid?" - -"Zeker weet ik dat, maar wat moet je anders? Als ik geld had, kon ik -me vrij koopen, maar daar is nu eenmaal geen denken aan." - -"Wil ik je eens wat zeggen? Maar je moet het niet oververtellen." - -"Wat is het dan?" vroeg Hark vrij onverschillig, want hij vermoedde -niet, dat er wat bijzonders zou komen. - -"Ik heb geld." - -"Dat zal wel." - -"'t Is heusch waar. Wel zooveel, dat ik mij driemaal vrij zou kunnen -koopen." - -Nu was de belangstelling van Hark toch opgewekt, hoewel hij nog half -geloofde, dat Alewijn hem voor den gek hield. - -"Laat mij het dan eens zien." - -"Ik heb het natuurlijk niet bij me." - -"Waar heb je het dan?" Hark vroeg dit zoo haastig, en zijn oogen -keken zoo begeerig, dat Alewijn het antwoord nog bijtijds terug -hield. Plotseling zag hij in, welk een dwaasheid hij begaan had en -hij haastte zich dus, aan het gesprek een andere wending te geven: -"Kom, 't is maar gekheid." - -Maar juist hierdoor verklapte hij alles, want Hark merkte zijn -verlegenheid op en begreep daardoor, dat er iets van waar was. Dit -wekte zijn nieuwsgierigheid en--zijn hebzucht. - -"Zoo, zoo, mannetje," dacht hij, "nu weet ik meteen, wat jij laatst -moest uitvoeren, toen het heette, dat jij op snoek uit ging." - -Zwijgend vervolgden Alewijn en Hark hun weg. De eerste was stil -geworden; hij deed zich zelf aldoor de bitterste verwijten, en Hark -overlegde, hoe hij op de beste manier Alewijns geheim zou kunnen -uitvorschen. Zoo kwamen ze in het kasteel terug. Hark was tot het -besluit gekomen, dat Alewijn zijn schat zeker ergens zou verborgen -hebben. Om de plaats er van te vinden, behoefde hij slechts zijn -makker in het oog te houden en hem ongemerkt te volgen, als hij weer -een uitstapje deed. - -Intusschen vermoedde Alewijn, wat er in Hark omging en dit spoorde -hem aan, voorzichtig te wezen. Hoeveel moeite hem dit ook kostte, -hij keek de eerste dagen naar zijn geld niet om, maar Hark was het -gesprek niet vergeten en dacht: "Zoo'n oolijkerd, hij meent mij te -misleiden, maar dat zal hij anders gewaar worden." - -Op een namiddag hield Alewijn het niet langer uit; hij wilde en moest -weten, of zijn geld er nog was, en op een oogenblik, dat hij zich -onbespied waande, verliet hij het kasteel en sloeg den weg naar de -plek in, waar hij den schat had verborgen. Tot zijn genoegen was er -op den weg, dien hij volgde, niemand te zien. Gedurig keek hij om, -maar alles scheen veilig te zijn. Toch was dit niet zoo. Hark, de -brutale, valsche Hark had opgemerkt, dat Alewijn zoo omzichtig de -poort uitging en dadelijk ging hem een licht op. Aanstonds liet hij -de varkens, die hij bezig was te voeren, in den steek en begaf hij -zich niet naar buiten, maar de trap van een der torens op. Door smalle -luchtgaten kon hij het heele veld overzien en na eenig zoeken ontdekte -hij weldra Alewijn, die, zoo nu en dan omkijkende, het land over ging. - -"Nu maar eens goed opgelet, waar dat heengaat," dacht Hark en na -eenig wachten zag hij tot zijn groote vreugde, hoe Alewijn zich bukte, -toen weer rondkeek en daarna in den grond begon te graven. - -"Heel slim is hij toch niet," vond Hark; "wij zullen er wel een -beter plaatsje voor uitzoeken." Toen Alewijn eenige minuten later -terugkeerde, daalde Hark weltevreden de trap af, maar overtuigde -zich eerst, of hij de plek, waar het geld verborgen scheen te zijn, -zou kunnen vinden. - -De nieuwsgierige Hark had niet veel geduld, en met verlangen zag hij -den avond tegemoet; hij was van plan, in de schemering het bewuste -plaatsje op te zoeken, vervolgens te wachten, tot het donker was -geworden en eindelijk zijn booze daad te volvoeren. Tegen den tijd, -dat de zon onderging, spoedde hij zich op zijn beurt het hek uit, -terwijl hij den poortwachter op diens vraag naar het doel van den -tocht, antwoordde, dat hij voor den heer de kwakende kikkers moest -doodslaan. Toen de man echter den geheelen nacht de lieve beestjes in -het water vroolijker dan ooit hoorde kwaken, begreep hij, dat Hark -iets anders uitvoerde. "Maar wat gaat het mij ook aan?" dacht hij -en bekommerde zich om den heelen Hark niet meer, die intusschen op -dezelfde wijze als 's middags Alewijn gedaan had zijn weg over de -velden nam. Ook hij stond ieder oogenblik stil om rond te kijken, -ook hij had een kleine schop onder zijn buis verborgen. Eindelijk -ontdekte hij de plaats, waar Alewijn 's middags gegraven had; er kwam -een grijns van boosaardige vreugde op zijn gezicht, toen hij zag, -hoe op één plekje sporen waren te zien, die aanduidden, dat men er -moest hebben gegraven. - -"Ha, ha, daar heeft hij den aap verborgen. Nu nog maar even gewacht, -tot het donker is." - -Met een waar genoegen ging onze Hark in de nabijheid op den grond -zitten, en oefende zich in geduld. De duisternis daalde hem lang -niet snel genoeg; elk oogenblik hief hij zich half op, om aan het -werk te gaan, maar dan ging hij weer zitten, want hij was bang, -dat men hem bespieden zou, en hij wilde den buit geheel voor zich -alleen hebben. Eindelijk kon hij niet langer wachten; trouwens, de zon -was al lang onder en in den geheelen omtrek bevond zich geen levend -wezen. Alleen in de struiken achter zich hoorde Hark iets ritselen, -maar dat kon wel een wezel of zoo iets zijn. Na voor de zekerheid nog -eenige minuten geduld te hebben gehad, nam hij zijn spade ter hand -en begon haastig te graven. Daar stootte hij op iets; zijn gezicht -gloeide van blijde verwachting, zijn hand greep begeerig toe, maar tot -zijn teleurstelling bemerkte de zoekende Hark, dat het maar een steen -was, die hem zoo blij had gemaakt. Een weinig knorrig zette de knaap -zijn arbeid voort, en zijn stemming werd er niet beter op, toen er bij -verder graven niets anders voor den dag kwam dan stokjes en steenen en -kluitjes. Van geld geen sprake. De diefachtige Hark was zelf bedrogen. - -Want toen Alewijn des namiddags naar den schat was gaan kijken, kreeg -hij weer hetzelfde gevoel van onrust, dat hij al zoo vaak had gehad; -ook nu kon de plaats hem niet bevredigen en hij nam dus het zakje -met geld er weer uit, maakte den kuil met de aarde dicht en verborg -zijn rijkdom onder zijn buis. Vervolgens wilde hij een veiliger -schuilplaats zoeken, maar juist kwam, toen hij daarmee bezig was, -Gerebrandt voorbij, die etgroen had gemaaid. Gerebrandt vroeg aan -Alewijn, of hij meeging; deze wilde het niet weigeren, en zoo kwam -er van zijn plan niets. - -Het spreekt van zelf, dat Hark zijn makker allesbehalve vriendelijk -aankeek. Intusschen gaf hij de hoop niet op. Gelukte het hem niet, -door list zich van den buit meester te maken, dan moest hij maar -brutaal optreden. Den volgenden morgen stapte hij regelrecht op -Alewijn toe en zei, hem met zijn gluiperige oogen valsch aankijkend: -"Als je mij niet de helft van je geld geeft, zal ik vertellen, waar -je het geborgen hebt." - -Alewijn, die zoo iets niet verwacht had, werd plotseling bleek en -dit gaf Hark de zekerheid, dat zijn vermoeden waar was. - -"Geld! Wat praat je toch van geld? Hoe zou ik daaraan komen?" stamelde -Alewijn, die eigenlijk niet wist, wat hij zeggen moest. - -"Houd je nu maar niet onnoozel; ik heb alles gezien," hernam Hark, -die zijn makker hoopte te overbluffen. - -"Wat.... wat heb je gezien?" - -Hark wilde weer iets antwoorden, maar tot beider ontsteltenis klonk -er een stem dicht bij hen: "Zeg er eens, knapen, komt eens hier en -vertelt mij, waarover je het hebt." - -'t Was de meier, die in den koeienstal stond en het gesprek gehoord -had en er uit opmaakte, dat er iets bijzonders aan de hand was. Hark -vreesde, voor medeplichtige aangezien te worden en daarom achtte hij -het verstandiger, als aanklager op te treden. Vóórdat Alewijn nog -iets gezegd had, sprak de brutale rakker: "Hij heeft geld gestolen -en weggeborgen." - -Deze woorden maakten Alewijn woedend. Vuurrood van drift sprong hij -op Hark toe en zou hem bij de keel gegrepen hebben, als de meier -niet tusschenbeiden gekomen was. Met zijn geduchte vuist greep hij -den jongen bij den pols en sprak bedaard: "Heila ventje, dat gaat -maar zoo niet. Ik ben er ook nog." - -Alewijn poogde vruchteloos zich los te wringen uit de knellende -vingers, die hem vasthielden. Toen hij eindelijk wat bedaard was, -zei de meier: "Ziezoo, leg mij nu maar eens bedaard uit, wat je te -vertellen hebt." - -Nu Hark eenmaal a gezegd had, moest hij ook b zeggen, en, terwijl -Alewijn hem met kwalijk verbeten woede aanzag, en hem telkens in de -rede wilde vallen, deelde Hark alles mee, wat hij wist. Eindelijk -zei hij nog, dat Alewijn zijn geld in het land verstopt had, maar het -later weer op een andere plaats moest hebben gebracht. We zien hieruit, -dat Hark niet alleen een verklikker en een dief, maar ook een leugenaar -was, want hij vertelde meer dan hij zelf wist. Alewijn stond versteld: -ondanks alle voorzorgen had die valsche Hark hem toch bespied. - -Eén ding troostte hem: de verrader wist blijkbaar niet, waar de -schat eigenlijk wel verborgen zat; zoolang dit niet ontdekt werd, -kon niemand Alewijn met eenig recht van iets kwaads beschuldigen. - -Diefstallen kwamen onder de lijfeigenen nog al eens voor, maar werden, -bij ontdekking, zwaar gestraft. De meier wist niet beter te doen, -dan de beide knapen naar den heer te brengen, en dien te vertellen, -wat er gaande was. De edelman liet Alewijn dadelijk in de gevangenis -brengen, terwijl hij tevens beval, Hark, dien hij evenmin vertrouwde, -goed in het oog te houden. - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL. - - -Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere, -kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een -luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door -de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door -den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en -het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis -binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan, -zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen? - -De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid, -maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over -Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot, -dat hij hopeloos zich op een grooten steen liet neervallen en daar -langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten. - -Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het -verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn -makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het -ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo -plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid -niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren, -die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van -het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het -maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende -gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen -tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door -een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken. - -Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich -bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien, -maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang, -die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een -koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen, -liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den -killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien, -niets dan de donkere duisternis om hem heen. - -Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deur knarste. De man, -die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst -toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den -armen Alewijn. - -Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard -dan de meeste zijner tijdgenooten? - -Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich -aan zijn droefheid overgaf, te bespotten. - -Zijn stem was zacht, toen hij beval: "Je moet mij volgen naar den -heer." - -Maar Alewijn hoorde het niet. - -Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder -even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel. - -De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep -hij niet, wat men van hem wilde. - -Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te -gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde. - -Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft. - -Buiten gekomen, leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het -vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte -aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren. - -Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor. - -'t Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer -van den edelman doorbracht. Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon -hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen, -om den schat te behouden. - -De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman -in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen -er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te -vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan -het licht brengen. - -Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak -vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat -zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer -tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden. - -Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren. - -In den killen kelder bleef hij niet lang alleen. - -Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee -lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen -voorzien. - -Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden. - -Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet -minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem -reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één -tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn -machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de -kleeren af. - -Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag. - -Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in -kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen. - -Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel -komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een -pijnlijk verhoor. - -Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld -vandaan kwam. - -Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook -baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze -in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem -en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen. - -Bevend wachtte hij zijn vonnis af. - -De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover -hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan, -iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was. - -Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf -bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet -hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer -om te zien. - -In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij -vroeg zich herhaaldelijk af, aan welke oorzaak hij dien gelukkigen -afloop van de zaak had toe te schrijven. - -Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het -verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende -op zich zelf het ellendig leven van een slaaf? - -Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen. - -Zoo verzonk hij in een somber peinzen. - -Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste -geeselslag deed hem opschrikken. - -Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den -naakten rug en liet roode streepen achter. - -Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker, -die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen. - -Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen -neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid. - -Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo -verlaten, zoo rampzalig gevoeld. - -Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving, -alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam -het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid. - -Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen. - -Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijn krachten genoeg waren, -om dien te doen wankelen, dan weer beproefde hij aan den rand van -het luchtgat de steenen af te brokkelen. - -'t Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten -met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden. - -Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart -en barstte in woedend snikken uit. - -Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en -nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken. - -Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de -eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten, -ver van de plaats der ellende. - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -DE VLUCHT. - - -De gelegenheid tot vluchten deed zich eerder voor dan Alewijn zelf -verwachtte. - -De jongen toch wist niet beter, of hij zou geruimen tijd, misschien -wel zijn geheele leven in den vochtigen kerker moeten zuchten. - -Hoe groot was dus zijn verwondering, toen men hem eenige dagen later -kwam mededeelen, dat hij de gevangenis verlaten mocht. - -'t Was niet uit medelijden, dat de edelman hem de vrijheid schonk. - -Eigenbelang, anders niet. Vooreerst had heer Diederik overwogen, -dat er op zijn kasteel niet gestolen was. - -"Misschien," zoo dacht hij, "heeft de kwajongen zich bij de verovering -van den vijandelijken burcht van het geld meester gemaakt." - -Daar Alewijn overigens een bruikbaar krijgsman was gebleken, wilde de -ridder het dezen keer bij een geeseling laten. De toegediende straf -zou in allen gevalle wel voldoende zijn, om den lust tot stelen voor -immer te doen vergaan. - -Alewijn vond de ondervonden behandeling meer dan hard. Nauwelijks was -dan ook de kerkerdeur achter hem gesloten, nauwelijks mocht hij zich -weer in de frissche lucht en in het lieve, heldere daglicht bewegen, -of hij lette op alles, wat een gelegenheid tot vluchten kon bieden. - -Eén zaak was er, die hem tot blijven noopte. - -Dat was de zucht om zich op Hark te wreken. Die lafaard evenwel -vreesde Alewijns sterke vuist en ontweek zijn makker zooveel hij kon. - -Ook bezat Alewijn een zacht karakter. Hij vergaf spoedig en daardoor -werd die begeerte naar wraak al minder en minder. - -Het verlangen naar vrijheid echter wies aan. - -Elken dag loerde de jongen rond. Herhaaldelijk stond hij gereed om te -ontsnappen. Maar telkens kwam er iets in den weg. Nu eens riep men -hem om werk te verrichten, dan weer bevonden zich tal van arbeiders -op het veld. - -'t Was om moedeloos te worden. - -Maar Alewijn gaf de hoop niet op. Eindelijk zag hij de kans schoon. Op -een herfstmorgen werd hem bevolen, knollen te rapen op een akker, -ver van den burcht. - -Overal om hem heen was het stil, nergens bevond zich een levend wezen. - -Zulk een schoone gelegenheid kwam nooit weer. 't Ware zonde en -jammer, er geen gebruik van te maken. En Alewijn liet haar dan ook -niet voorbijgaan. - -Nog eenmaal keek hij rond, nog eenmaal overwoog hij de bezwaren, -aan een vlucht verbonden. - -Toen liep hij hard weg. - -Nu zijn besluit genomen was, maakte hij zich niet meer bezorgd over de -hinderpalen, die hij noodzakelijk moest aantreffen. Toch waren die niet -gering. Overal zou men hem dadelijk aan zijn kort geknipte haren als -lijfeigene herkennen. En de straf, die een ontvluchten slaaf wachtte, -was afschuwelijk. - -Maar Alewijn telde geen leven, dat in ellende moest worden -doorgebracht. Zonder ophouden liep hij door, zoo hard hij kon. Gelukte -het hem, de stad Utrecht te bereiken, dan zou de toekomst zich veel -beter laten aanzien. - -Elke slaaf toch, die bij haar een toevlucht zocht, was vrij, als hij -binnen een jaar niet werd opgeëischt. En het zou Alewijn niet moeilijk -vallen, door arbeid in zijn onderhoud te voorzien. - -Eindelijk had hij de landerijen van heer Diederik achter den rug. Maar -nu deden zijn beenen zich voelen. Geen wonder. Want hij had al maar -doorgeloopen, zonder zich een oogenblik rust te gunnen; had een enkele -maal de neiging tot zitten hem overvallen, dan was hij door den angst -weer sneller voortgedreven. - -Nu kon hij niet meer. Hij zocht een beschut plekje op, legde zich -neer en sliep dadelijk in. - -Lange rust werd hem echter niet gegund. - -Nog had hij slechts een paar uur geslapen, toen hij werd opgeschrikt -door een vreeselijk koud en nat gevoel. - -Het regende en niet zuinig ook; met stralen goot het water uit -den hemel. - -Op die natte plek kon hij niet blijven liggen. In een wip was hij -overeind, om naar een beter plaatsje te zoeken. Helaas, het bleek -moeilijk dit te vinden. - -De geheele omtrek was dofgrijs en de dichte regen belette het -uitzicht. Toch gaf Alewijn den moed niet op. Met rassche schreden -ging hij voort, naar alle kanten rondkijkende. - -Wel zag hij hier en daar een groepje boomen, maar die gaven al heel -weinig bescherming. - -Toen echter voor een kort oogenblik het licht doorbrak, schoot den -vluchteling een plan door het hoofd. Plotseling snelde hij op een -hoogen boom toe. Zonder zich te bedenken, sloeg hij armen en beenen -om den stam, moedig werkte hij zich omhoog, hoe lastig het ook ging, -den gladden, natten boom te beklimmen. - -Gelukkig had Alewijn dit werkje meer gedaan; al moest hij herhaaldelijk -rusten, al kwamen er oogenblikken, dat hij evenveel teruggleed, -als hij vorderde, toch bleef hij doorklimmen. - -Eindelijk had hij de onderste takken bereikt. - -Nu was het klauteren niet meer moeilijk. In minder dan geen tijd -zat Alewijn boven in den boom, zoo hoog, dat de tak, waarop hij zat, -bedenkelijk ging buigen. - -Hooger klimmen zou gevaarlijk zijn. 't Was trouwens ook niet noodig: -Alewijn was, waar hij wezen wilde. - -Wel regende het nog altijd, wel zag de omtrek donker en grijs, maar -eenigen tijd later braken de wolken. 't Werd helderder. - -Heel in het verschiet ontwaarde Alewijn de torens van een kasteel. - -Die plek moest dus zorgvuldig vermeden worden. - -De regen werd minder en hield eindelijk geheel op; de kring, die kon -overzien worden, breidde zich meer en meer uit. Daar kwam de zon voor -den dag. Vriendelijk straalde zij tusschen donkere wolken en bescheen -met een helder licht het geheele landschap. - -Nergens was een sterveling te zien; overal heerschte de diepste -stilte. Maar wat Alewijn ontdekte, gaf hem reden tot groote blijdschap. - -Daar zag hij, aan den horizon, een kronkelende, blinkende lijn op -het veld. - -Dat was de Rijn; daar liep de weg naar Utrecht. - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -AAN DEN RIJN. - - -De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch -aan de oevers der rivier uitrustte. - -Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij -gingen. - -Eindelijk stond hij op: 't was te koud om langer te blijven zitten. Het -gure weer dwong hem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken. - -Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte. - -Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel -naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond -achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand, -terwijl twee anderen ijverig in de weer waren. - -Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuig te bekijken; -nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren. - -Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet -langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water -te spartelen. - -De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip -zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten -zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven. - -Te laat. - -Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was -de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er -aan redden niet te denken viel. - -De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en -worstelde vruchteloos met de krachtige golven. - -Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles -zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn -plan gemaakt. - -Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong -hij te water. - -Dat was nog eens zwemmen! - -Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen, -herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer -liet zich niet afschrikken. - -Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij -tegen stroom en golven. - -Zoo ging hij regelrecht op het doel af. - -'t Was hoog tijd. - -Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten -uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed -zou zien verdwijnen. - -Herhaaldelijk riep hij om hulp. - -Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen -draaien: nu naderde het den oever. - -Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn, -hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de -drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na -spoelden golven over hem heen. - -Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het -en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij -hem was. - -Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden -greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te -moeten bekoopen. - -Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet -kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus, -dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven. - -Zoo dreven beiden met den stroom mede. - -Maar de hulp was nabij. - -Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn -zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem te -kunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten, -aarzelden ze niet. - -'t Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst -den ongelukkige bereiken? - -Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde -zijn pogingen; hij spande alle krachten in en--smaakte de voldoening, -zich boven te houden, tot de redding nabij was. - -Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden -allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt. - -Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep -van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch. - -De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te -brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven -en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde -niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch. - -Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende -broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde -er zich na het koude bad aangenaam warm in. - -Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf -de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: "Jongen, -ik dank je nog wel." - -Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde -ook niet, want de schipper praatte door. - -"Zonder jou lag ik nu op den bodem van de rivier. Hoe kan ik je een -bewijs van mijn dankbaarheid geven?" - -Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar -kwam niets van in. - -"Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar -bezwaar tegen?" - -Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje, -bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen? - -Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden -tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat -blijven mocht. - -"Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink -een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet -van den schrik eens goed bekomen." - -Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer -op zijn gemak. - -Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door. - -'t Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine, -slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen. - -Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu -had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche -kooplui afkomstig, aan boord. - -Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man -zijn waren met goede winst van de hand te doen. - -Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van -alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden -uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland, -Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen -te doen. - -In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk -vertier, maar op zoo'n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte -in de straten. - -En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon -levendig. - -Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens -ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat -hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen. - -De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger -in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen. - -Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde -hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel -van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel -wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden -een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij -het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen, -legde de koopman hem met een vriendelijk gebaar het zwijgen op. - -"Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig -verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet, -den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te -kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd -er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan, -ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt, -hoe je hier komt en wat je plan is." - -Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet -goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: "Als je -liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er -even goede vrienden om." - -Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem -zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste -verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij -druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig -toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een -uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei, -dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend: - -"Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in -slavernij te zuchten." - -Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn -jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het -zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen. Toen -de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte -en afscheid wilde nemen, zei de koopman: "Hoe is het? Zou je geen -lust hebben, de reis met mij te maken?" - -Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven -op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman -behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren -geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer, -in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij -als een vogel. - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -EEN ONAANGENAME ONTMOETING. - - -Nog eenige dagen bleef het schip op dezelfde plaats liggen; de koopman -behoefde geen haast te maken, daar de markt nog lang niet begonnen -was. Alewijn stond dikwijls op het dek en keek naar de voorbijgangers -op den weg, en naar de vaartuigen op de rivier. - -Op een morgen, den dag, voordat het schip vertrekken zou, zei een -der opvarenden tot zijn metgezel, die de rol van kok vervulde: -"Hoe is het, zou je het ontbijt maar niet gereed maken? - -"Ja, maar ik weet niet, of er wel veel meer te ontbijten is." - -"Kom, wat praat je nu? Niet veel meer te ontbijten, en dat schaap dan, -dat Steven twee dagen geleden gekocht heeft; dat kan nog niet op zijn." - -"Jongen, daar zeg je zoo wat; dat kon ik wel gereed maken; alleen...." - -"Nu, wat wou je zeggen?" - -"Ik heb geen hout meer. Kun jij niet even aan wal gaan, om wat -te halen?" - -"Neen, onmogelijk, ik moet het zeil wat opknappen, dat een weinig -gescheurd is. Maar loop jij zelf even." - -"Ik kan geen twee dingen te gelijk doen; ik moet het vleesch afsnijden -en schoonmaken en de potten nazien." - -"Op zoo'n manier krijgen we niets te eten." - -"Ik kan er niets aan doen; als je eten wilt, moet je er ook wat voor -over hebben." - -Alewijn hoorde het gesprek en was blij, dat hij gelegenheid had, -zijn metgezellen van nutte te zijn. - -"Wil ik even gaan?" - -"Wel ja, als je lust hebt. Wacht, dan zal ik je een mes geven. Kom -je gauw terug?" - -"Nu, dat weet ik niet. Die taaie twijgen daar aan den oever lijken me -niet heel geschikt toe, en ik moet zeggen, dat er dicht in de buurt -niet veel bosch te zien is." - -"Daar heb je gelijk in: nu, zie dan, dat je zoo gauw mogelijk wat hebt; -deze baas hier rammelt van den honger." - -Alewijn verliet het schip en ging den oever langs in de richting van -een boschje, dat hij in de verte ontdekt had. Tot zijn genoegen zag -hij, dat zich hier dun hout in overvloed bevond. Het boschje stond -ongeveer honderd schreden van den weg af. Alewijn verliet dus het pad, -stak het grasland over en was al spoedig druk aan den arbeid. Toen -hij een flinken bundel bijeen had, wilde hij terugkeeren, maar nu keek -hij rond, of er geen twijgje te zien was, geschikt om er den takkenbos -mee te binden. Toevallig zag hij op den weg twee mannen voorbijgaan. - -"Wacht," dacht Alewijn, "die hebben misschien een touwtje of zoo iets -bij zich. Ik kan het hun best even vragen." En, zonder zich langer -te bedenken, verliet hij het boschje. Toen liep hij naar den weg en -riep de mannen aan, in de hoop, dat ze even zouden blijven staan. - -Het scheen echter, of ze zoo druk in gesprek waren, dat ze van zijn -geroep niets hadden gehoord; daarom versnelde Alewijn zijn schreden, en -riep, toen hij hen op korten afstand genaderd was, voor de tweede maal. - -Beiden keken om, maar in plaats van hen om een touw te vragen, bleef -Alewijn verschrikt eenige oogenblikken staan en staarde met groote -oogen voor zich uit. - -En de beide mannen waren niet minder verbaasd dan hij: "Daar heb je -warempel den gevlogen vogel. Hoe komt hij nu hier?" - -Het waren twee mannen van heer Diederik, die Alewijn achtervolgd -hadden, maar natuurlijk vruchteloos hadden gezocht. - -"Nu mag hij ons toch niet ontsnappen," zei een van beiden, toen hij -zag, hoe Alewijn, zonder zich lang te bedenken, rechtsomkeert maakte, -en wegliep, zoo hard hij kon, dadelijk door de anderen gevolgd. - -Alewijn kon gelukkig hard loopen, en hij was al spoedig een flink -eind voor. Eerst was hij van plan, zijwaarts het veld in te vluchten, -maar hij begreep, dat dit niet het verstandigste zou zijn, daar hem -dan allerlei hindernissen in den weg konden komen. Daarom bleef hij -het pad volgen; hierdoor liep hij echter zijn ongeluk tegemoet. - -Want de mannen, die hem op de hielen zaten, waren niet alleen: -zij werden door een groot gezelschap gevolgd. En bij dit gezelschap -behoorde niemand minder dan heer Diederik zelf. De jongen merkte hen, -helaas, eerst op, toen hij op een bocht van den weg, waar een boschje -de reizigers voor zijn oog verborgen had, eensklaps voor hen stond. - -Nu was Alewijn wel gedwongen, het veld in te vluchten en hij deed -het ook dadelijk, maar 't was te laat. Hier hielp geen hard loopen aan. - -De heer, opmerkzaam geworden door het geschreeuw en Alewijn dadelijk -herkennende, beval eenigen van zijn volgelingen, eveneens aan de jacht -mee te doen. Zoo was de arme jongen spoedig ingehaald, gegrepen, en, -hoe hij zich ook verzette, bij heer Diederik gebracht. - -Het zal geen verwondering wekken, dat de edelman niet voor den -tweeden keer van plan was, den lastigen lijfeigene genadig te -behandelen. Integendeel, hij wilde korte metten maken en vroeg aan -zijn bedienden: "Wie heeft er een flink touw bij zich; dan zullen we -hem maar aan den eersten den besten boom opknoopen." - -Het was Alewijn angstig te moede; het scheen wel, of het ongeluk hem -nu altijd moest achtervolgen. Hoe dicht was hij nu niet bij zijn doel -geweest, en toch zag hij zich opeens onherroepelijk verloren. - -Want ditmaal scheen er voor hem in het geheel geen kans op, dat hij -den dans weer zou ontspringen. Reeds kwam een der mannen met een -valschen lach op het gezicht aanloopen en liet een stevig stuk touw -zien. Het meeste ergerde Alewijn zich nog, omdat die man pleizier -scheen te hebben in het ongeluk van iemand, die hem toch nooit wat -in den weg had gelegd. Maar de slavernij maakt de menschen ruw en -hardvochtig, en Alewijn had al meer dan eens kunnen opmerken, hoe die -lieden vaak in kwaad doen hun vermaak vonden. Slechts zelden was hem -vriendschap bewezen, bijna nooit had hij een hartelijken toon tusschen -de lijfeigenen vernomen. - -Zoo zou het dan met zijn leven gedaan zijn en Alewijn, die zag, dat -er toch niets aan de zaak te veranderen was, beproefde zich in zijn -ongeluk te schikken en zorgde, niets te laten merken van wat er in -hem omging. - -Toch liep het ook dezen keer nog goed voor hem af, want, toen heer -Diederik, rondkijkende, een fermen boom scheen uit te zoeken, die -sterk genoeg was, om een weggeloopen lijfeigene aan op te hangen, -sprak een ridder, die naast hem reed: "Zeg eens, waarde zwager, -zou je daar nog niet wat mee wachten?" - -Alewijn voelde een flauwe hoop in zich opleven, maar hij verwaardigde -zich niet, den spreker een dankbaren blik toe te werpen, want hij wist -heel goed, dat de ridder niet uit medelijden gesproken had. Het zou -spoedig blijken, dat hij goed gezien had. Toen heer Diederik vroeg: -"Waarom?" antwoordde de edelman: "Neem hem liever mee, dan kan je hem -op het kasteel op je gemak een geduchte straf toedienen en zoodoende -een waarschuwend voorbeeld stellen aan allen, die soortgelijke kuren -in hun hoofd mochten hebben." - -Heer Diederik dacht even na. Hoe onverschillig Alewijn ook voor zich -zag, toch voelde hij zijn hart kloppen: zoo lang hij nog leefde, -had hij hoop, te kunnen ontvluchten, op het oogenblik echter, dat de -heer hem zonder complimenten liet ophangen, was het natuurlijk voor -goed uit. Lang heerschte er een pijnlijk zwijgen. - -Weer wendde de edelman zich tot zijn zwager: "Dat is nu toch al de -derde keer dit jaar." - -"Zooveel te meer reden, om een flink voorbeeld te stellen." - -"En wat het vervelendste is: als ze ontsnapt zijn, zie je ze later -soms in Utrecht vrij rondloopen. Dat moest noodig veranderd worden." - -"Doe er maar eens wat aan." - -"Ik ben toch blij, dat we dezen snuiter te pakken hebben gekregen; -hij was zoo vriendelijk, ons recht tegen het lijf te loopen. Het leek -mij eerst nog al een kalme jongen toe." - -"Dat soort is dus het minst te vertrouwen. Maar om op de straf terug -te komen, ik geloof stellig, dat het hoogstnoodzakelijk is, een goed -voorbeeld te stellen." - -"Het kan zijn, dat je gelijk hebt. Als hij me onderweg maar niet -ontsnapt." - -"Zoo je hem goed laat bewaken, zal hij dit wel laten." - -Alewijn was dus vooreerst van den dood gered, maar dit diende slechts -om hem later gruwelijker straf te bezorgen. - -Toch was hij blij met dezen afloop, want hij gaf de hoop niet op, -dat een gelukkig toeval hem redden zou. Hij nam zich tenminste alvast -voor, naar alle kanten goed uit te kijken en van de eerste de beste -goede gelegenheid gebruik te maken. - -Het gezelschap zette de reis voort. Alewijn liep, geboeid en wel, -tusschen twee welgewapende mannen in, die in last hadden, den gevangene -goed te bewaken en hem bij de minste poging tot ontvluchten dood te -slaan. Deze bedreiging was voldoende, om Alewijn rustig voort te doen -stappen. Hij keek bedaard voor zich uit, maar wierp, toen men op de -plaats gekomen was, waar het schip lag, tersluiks een blik zijwaarts. - -Toen Alewijn zoo lang wegbleef, keken de opvarenden naar hem uit. Maar -nergens was een spoor van den jongen te ontdekken. - -De koopman had er toch allerminst vermoeden van, dat zijn jonge vriend -meeging met den troep reizigers, die daar den weg naar Utrecht volgden. - -Eindelijk kon men niet langer wachten. Het schip moest vertrekken -en in de hoop, dat men den verloren zwerveling in Utrecht weer zou -ontmoeten, zeilde de schipper de rivier verder af. - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -ONVERWACHTE UITREDDING. - - -'t Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui -en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen -vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen -te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis -getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen. - -De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in -Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond -zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere -stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af, -dat een kooper hem zou naderen. - -Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik -van het gewoel, maar tegelijk goed uitziende, of Alewijn zich ook -onder de menschenmassa mocht bevinden. - -De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den -redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de -gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen. - -Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn -aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den -deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had -moeten binnentreden. - -Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg -vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan, -Alewijn onder dat gezelschap te zoeken. - -Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen -wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen -belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met -gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling -behoorde. - -Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen. - -Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich -voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd. - -Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken. - -In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten -armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel -was. - -Ook 's ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar -beiden waren het er over eens, dat zoo'n kostbaar stuk buitengewoon -veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen -hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer -veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen. - -De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai -bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl -hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan, -ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op -had doen springen. Daar stond Alewijn! - -Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel -spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als -hij was, even gauw een besluit genomen. - -Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was -zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk -te beloonen. - -Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder -eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg, -antwoordde hij: "Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste, -dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook, -kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie -slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid -alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn." - -Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid -geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik -kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden; -eindelijk keek hij den koopman vragend aan: - -"En de prijs?" - -De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht -de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon -verwachten. - -"Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig, -om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een -van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den -uwen noemen." - -Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige -oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of -hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand -niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de -handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen -toon zijn eisch. - -Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan -eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou -zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen -prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men -behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de -echtheid van deze fijne stof te herkennen. - -"Maar man," riep de edelman eindelijk uit, "meen je, wat je zegt?" - -"Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me -hooge ernst." - -"Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je, -dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat, -ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb." - -Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de -koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op -een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak: -"Dank u, ik zoek liever zelf." - -Nog eens zeide hij ernstig: "Gij geeft mij immers verlof te kiezen?" - -"Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig." - -"Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met -u voert." - -Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet -minder zijn ergernis: "Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je -verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene." - -De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij -maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder -naar het kleed was, sprak hij bedaard: "We zijn het dus niet eens, -welnu, dan gaat de koop niet door." - -"Waarom vraag je niet een flinke som geld?" - -"Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is," antwoordde de handelaar -wel beleefd, maar toch zoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde -aan te dringen. - -Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel -blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen. - -Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van -een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen. - -Wat moest hij doen? - -Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich -met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk -gaf, wond den edelman op. - -"Spreek," riep heer Diederik ruw, "wat moet je voor den mantel -hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar...." - -"Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb," was het eenvoudige antwoord. - -Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar -nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren. - -Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de -verzoeking te sterk. - -"Vooruit dan maar," riep hij plotseling, tot groote verbazing van -de omstanders. - -Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving -den mantel. - -Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak -hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen -Alewijn zich bukte, om ze te kussen. - -Maar de handelaar glimlachte en sprak: "Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu -ben je vrij, voor altijd." - -De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader -en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte, -maar dat behoefde ook niet. - -Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders -op te zoeken. - -Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam -de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land -verkocht was. - -Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel -ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde -hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor -Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden -der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid. - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - - HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING 5 - VERKOCHT 16 - NIEUWE KENNISSEN 25 - DE BELEGERING 39 - DE KAT 48 - EEN GEVANGENE 59 - DE UITVAL 67 - OP WACHT 74 - DE OUDE WENA, 81 - ALEWIJNS RIJKDOM 89 - HET TIENDMAAL 97 - DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL 109 - DE VLUCHT 116 - AAN DEN RIJN 121 - EEN ONAANGENAME ONTMOETING 129 - ONVERWACHTE UITREDDING 136 - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Alewijn, de Lijfeigene, by E. Molt - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALEWIJN, DE LIJFEIGENE *** - -***** This file should be named 52315-8.txt or 52315-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/3/1/52315/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/52315-8.zip b/old/52315-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 836d75a..0000000 --- a/old/52315-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h.zip b/old/52315-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index fb245e2..0000000 --- a/old/52315-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/52315-h.htm b/old/52315-h/52315-h.htm deleted file mode 100644 index c6ee136..0000000 --- a/old/52315-h/52315-h.htm +++ /dev/null @@ -1,5159 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" -"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2016-06-12T19:13:35Z. --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta name="generator" content= -"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> -<title>Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e -eeuw</title> -<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii"> -<meta name="generator" content= -"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Evert Lambert Molt (1874–1943)"> -<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href= -"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Evert Lambert Molt (1874–1943)"> -<meta name="DC.Title" content= -"Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument -{ -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.abbr { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0em 0.05em 0 0; -padding: 0px; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.advertisment { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0%; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0%; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indextoc { -text-align: center; -} -.transcribernote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.correctiontable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0% 7em 0%; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em 0% 2em 0%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0% 0em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -td.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0px solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -.cellDoubleUp { -border: 0px solid black !important; -width: 1em; -} -table.intralinear { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -} -table.intralinear td { -font-size: small; -text-align: center; -} -table.ditto { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -vertical-align: bottom; -} -table.ditto tr.s { -height: 0; -color: white; -line-height: 0; -} -table.ditto tr.s td { -padding: 0px; -border-style: none; -} -table.ditto tr.d td { -text-align: center; -line-height: 10pt; -border-style: none; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover { -background-color: #FFDCDC; -}body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum -{ -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -}.pagenum, .linenum { -speak: none; -} -</style> - -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd21e99width -{ -width:556px; -} -.xd21e105 -{ -text-align:center; -} -.xd21e109 -{ -text-align:center;font-size:small; -} -.xd21e114width -{ -width:533px; -} -.xd21e121width -{ -width:496px; -} -.xd21e150width -{ -width:191px; -} -.xd21e709width -{ -width:529px; -} -.xd21e2437width -{ -width:536px; -} -.xd21e2704width -{ -width:112px; -} -@media handheld -{ -} -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Alewijn, de Lijfeigene, by E. Molt - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Alewijn, de Lijfeigene - Historisch verhaal uit de 12e eeuw - -Author: E. Molt - -Illustrator: B. W. Wierink - -Release Date: June 12, 2016 [EBook #52315] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ASCII - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALEWIJN, DE LIJFEIGENE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e99width"><img src="images/cover.jpg" alt= -"Oorspronkelijke voorkant." width="556" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd21e105">ALEWIJN, DE LIJFEIGENE.</p> -</div> -</div> -<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd21e109">N.V. „DE NIEUWE TIJD”, -AMSTERDAM.</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e114width"><img src="images/plate-1.jpg" alt= -"Van alle kanten werd het kasteel bestookt." width="533" height="720"> -<p class="figureHead">Van alle kanten werd het kasteel bestookt.</p> -</div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e121width"><img src="images/titlepage.png" alt= -"Oorspronkelijke titelpagina." width="496" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">ALEWIJN, DE LIJFEIGENE</div> -<div class="subTitle">HISTORISCH VERHAAL UIT DE 12<sup>e</sup> -EEUW</div> -</div> -<div class="byline">DOOR<br> -<span class="docAuthor">E. MOLT.</span><br> -<span class="corr" id="xd21e143" title= -"Bron: GEÏLLUSTEERD">GEÏLLUSTREERD</span> DOOR B. W. -WIERINK.</div> -<div class="docImprint">DERDE DRUK.<br> -<div class="figure xd21e150width"><img src="images/logo.png" alt= -"Text: Vol Hardt En Waeckt" width="191" height="244"></div> -<br> -AMSTERDAM—VAN HOLKEMA & WARENDORF</div> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name= -"pb5">5</a>]</span></p> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2496">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"EERSTE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Hoe het Alewijn bij den -pluimverzorger ging.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Toen Redbold gelukkig en wel van den kruistocht -bij vrouw en kind was teruggekeerd, kocht hij zich voor het -overgespaarde geld een lapje grond, niet ver van de abdij gelegen. -’t Was een vruchtbaar plekje en leverde meer op dan noodig was om -van te leven.</p> -<p class="par">Geruimen tijd gingen de zaken dan ook heel goed. Door -zuinigheid en ijver wisten de eenvoudige menschen hun bezittingen -langzaam maar zeker te vermeerderen.</p> -<p class="par">Had het zoo maar mogen blijven! Helaas, hoe krachtig en -ijverig Redbold ook was, hoe trouw hij door zijn goede Marijke en door -zijn jongen in den zwaren veldarbeid werd bijgestaan, toch was de man -niet in staat, de zijnen bij voortduring gelukkig te <span class= -"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span>maken. -Redbold bezat een treurige eigenschap, een eigenschap, die jammer en -ellende zou brengen in de hut, waar zooveel kalme vreugde kon -heerschen.</p> -<p class="par">Redbold was een speler.</p> -<p class="par">Op den kruistocht had hij meermalen opgemerkt, hoe -enkelen van zijn krijgsmakkers soms groote sommen door het spel hadden -gewonnen.</p> -<p class="par">Een enkelen keer had hij zelf meegedaan, maar altijd -slechts weinig geld gewaagd.</p> -<p class="par">Toen nu echter de vooruitgang naar zijn zin niet snel -genoeg ging, beproefde hij opnieuw zijn geluk. En dit bracht hem ten -gronde.</p> -<p class="par">Want de fortuin was hem zeer ongunstig, en eindelijk -verminderden zijn bezittingen zoo bedenkelijk, dat hij land van de -abdij in pacht moest nemen.</p> -<p class="par">Nog was het tijd om tot inkeer te komen, nog kon alles -weer hersteld worden. Maar neen, de speelzucht zat er bij Redbold te -sterk in. Hij bleek ongeneeslijk. Niets was in staat, hem op den goeden -weg terug te brengen, zelfs de smeekingen van zijn lieve vrouw -niet.</p> -<p class="par">Al meer en meer gingen de zaken achteruit, en toen -Redbold eindelijk niet bij machte bleek, zijn pacht te voldoen, moesten -hij en de zijnen daarvoor met hun vrijheid boeten. En nu gebeurde, wat -de meier der abdij al zoo vaak voorspeld had: Redbold met vrouw en zoon -werden de lijfeigenen van den abt. Wel waren ze hierdoor voor gebrek -bewaard, maar hun vrijheid hadden ze verloren. Ze <span class="corr" -id="xd21e187" title="Bron: moesteu">moesten</span> den arbeid -verrichten, dien de abt hun oplei. Ze <span class="pagenum">[<a id= -"pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span>waren geheel afhankelijk van -hen, die door den geestelijken heer waren aangewezen om op de -onderhoorigen het toezicht te houden. Voor Alewijn was nu de tijd -voorbij, dat hij doen mocht, wat hij wilde. Weldra liet de abt den -knaap bij zich komen, om hem te vertellen, dat hij spoedig geregeld -werk zou krijgen.</p> -<p class="par">De abdij bestond uit een groote menigte houten en -steenen gebouwen, alle om een kerk geschaard, het geheel door een -gracht en een muur omgeven. De landerijen, die er toe behoorden, -strekten zich naar alle zijden zeer ver uit; tal van knechts waren er -aan den arbeid. Ook Alewijn verwachtte, dat hij weldra op het veld aan -het werk gezet zou worden.</p> -<p class="par">Dit viel echter mee. Men droeg hem vooreerst nog niets -bepaalds op. Zoo nu en dan moest hij Diedaart, den verzorger der -hoenders, behulpzaam zijn.</p> -<p class="par">Diedaart, een kort, vlug kereltje, verbeeldde zich heel -wat te wezen, zeker, omdat hij in rang boven den haan stond, die al een -groot gezag over zijn omgeving had. Alewijn kreeg het heel gemakkelijk; -zwaren arbeid behoefde hij niet te verrichten. Al het werk bepaalde -zich tot het doen van boodschappen, terwijl hij den overigen tijd bij -Diedaart op een bank mocht zitten, om naar diens verhalen te -luisteren.</p> -<p class="par">Zoolang men Diedaart niet in het vaarwater kwam, was hij -de beste man van de wereld, maar men moest dan ook alles goedvinden en -prijzen, wat hij deed. Bovendien wilde hij niet graag op de -<span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name= -"pb8">8</a>]</span>vingers gezien worden. Alewijn, die dikwijls op de -abdij was geweest om eieren te verkoopen, kende den pluimverzorger heel -goed, en, daar hij een bescheiden jongen was, bestond er alle reden om -te verwachten, dat hij het met zijn kort meestertje best zou kunnen -vinden.</p> -<p class="par">De eerste dagen ging het ook heel goed; Diedaart was -zeer met den knaap ingenomen; zelfs begon Alewijn zich reeds in zijn -lot te schikken, toen er iets voorviel, dat een geheele verandering in -zijn leven veroorzaakte.</p> -<p class="par">Op een morgen riep Diedaart den jongen bij zich.</p> -<p class="par">„Komaan, kereltje”—de man was wel een -hoofd kleiner dan Alewijn—„pluk jij me dat kipje even. -’t Is voor den abt bestemd. Een vet beestje, he? Nu, wat zeg je -er van?”</p> -<p class="par">Alewijn wist er niets anders van te zeggen, dan dat ook -hij een en al bewondering was over de vetheid van het hoen.</p> -<p class="par">„Ja, daar heb ik goed den slag van. Ze mogen -zeggen, wat ze willen, maar sedert Diedaart voor de hoenders zorgt, -gaat het er in het kippenhok veel beter uitzien. Weet je, wat de zaak -is? Ik ken zoo de rechte manier, hoe de beestjes gevoederd moeten -worden. Daar komt het op aan. Je moet weten, wat een dier toekomt. De -meesten hebben er heelemaal geen verstand van. Dat voedert de kippen -alleen, enkel en alleen met gerst! Denk eens aan, alleen met gerst. Zou -jij je maal graag alleen met brood doen? Ik niet. Ik heb er liefst wat -drinken <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name= -"pb9">9</a>]</span>bij. Zoo gaat het een hoentje ook. Kijk, ik meng het -voeder altijd met een flinken scheut bier aan. Nu mogen ze er over -klagen, dat ik zooveel bier gebruik, daar lach ik wat om. Mijn beestjes -worden dik en vet, de abt is tevreden, wat wil je nog meer.</p> -<p class="par">„Zie je die witte daar? Die heeft de kou te pakken -gekregen, maar nu zal ik je toch eens laten zien, hoe gauw ik ze weet -op te knappen. Als je straks de kip geplukt hebt, wil je zeker wel even -voor me de poort uitgaan?”</p> -<p class="par">Zoo babbelde de man door, nog drukker dan zijn -gevleugeld volkje, dat al maar klokkend en kakelend en pikkend door -elkander liep.</p> -<p class="par">„Ja, ja, de abt heeft een heelen steun aan mij, al -zeg ik het zelf.”</p> -<p class="par">Intusschen zat Alewijn ijverig te plukken, een werkje, -dat hij meer gedaan had en dat hem dus nog al vlug van de hand ging. En -toen hij klaar was, droeg Diedaart hem op, even naar buiten te gaan en -wat schors van een esch te halen.</p> -<p class="par">„Wel, mijn jongen, je kijkt daar vreemd van op. Je -denkt zeker: „Wat wil hij daar nu mee uitvoeren?” Ik zal je -dat zeggen. Als de kippetjes verkouden zijn, is er geen beter -geneesmiddel te bedenken dan aftreksel van esschenschors; wat ze ook -hebben verkoudheid, pip, of zinking, je geneest ze er dadelijk mee. Nog -sterker, laatst had ik een kip, die al te gulzig was geweest en een -grooten kikker ineens had willen doorslikken. ’t Beest zou -stikken; ik geloofde vast, dat het er nooit meer van kon opkomen. -<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name= -"pb10">10</a>]</span>’t Ware jammer genoeg geweest, want het dier -begon juist zoo mooi vet te worden. Maar komaan dacht ik, we kunnen -altijd nog eens iets probeeren. Wat doe ik? Ik trek de kip den bek -open. Kijk, zoo!”</p> -<p class="par">De man nam een hoentje op, dat natuurlijk geweldig -tegenspartelde en sperde het den bek wijd open.</p> -<p class="par">„Ik trok het den kikker uit de keel. Maar nog -bleef het dier voor dood liggen. Nu goot ik het voorzichtig wat -aftreksel van esschenschors in den bek; dat had ik toen juist bij de -hand, omdat er zooveel hoenders verkouden waren en wat zag ik? Een -klein poosje later liep de zieke even gezond en monter rond, alsof er -niets gebeurd was, ja, het leek me toe, of het nog nooit zoo tierig was -geweest.</p> -<p class="par">„Ha, je bent klaar, zie ik. Wacht, laat het even -aan den kok zien, met de complimenten van mij, en vraag, of het niet -een heerlijk beestje is. En zeg dan meteen, dat het bier op -is.”</p> -<p class="par">Alewijn vertrok en kwam na eenig zoeken in de keuken, -waar een dikke monnik ijverig bezig was. „Zoo kereltje, wat moet -jij hier? O, kom je van Diedaart? Dat is goed.”</p> -<p class="par">„Diedaart vraagt, of hij niet wat bier kan -krijgen.”</p> -<p class="par">„Wat zeg je? Bier? Bier, mijn beste jongen? En -gisteren heeft hij nog een heele kruik gehad. Wat doet hij er toch -mee?”</p> -<p class="par">Alewijn antwoordde, dat bier zoo goed voor de kippen -scheen te zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name= -"pb11">11</a>]</span></p> -<p class="par">„Zoo. Nu, ik kan niet anders zeggen, of dit is een -mooi kluifje. Wel wel, komt het van het bier? Neem die kruik dan maar -mee, als je maar oppast, dat je er niet van snoept, want dan kon je wel -eens even vet worden als de kippen en dat zou je dadelijk -verraden.”</p> -<p class="par">Alewijn bracht dus de kruik bier naar den -pluimverzorger, die het weltevreden aannam en hem nu opdroeg, wat -esschenschors te halen. De jongen talmde niet en ging dadelijk heen; -onderweg bedacht hij echter, dat een mes hem goed te pas zou komen. -Daarom keerde hij nog eventjes terug. Maar wat zag hij daar, toen hij -het hoenderhok binnentrad? Iets, dat hem ten hoogste verwonderde, maar -waardoor hem tevens een licht opging. Nu begreep hij, waarom Diedaart -elken dag een kruik bier noodig had.</p> -<p class="par">Op hetzelfde oogenblik toch, dat Alewijn binnen kwam, -nam de goede man de laatste teug uit de kruik. Het spreekt vanzelf, dat -hij heel raar op zijn neus keek, toen hij zich zoo verrast zag en in -het eerste oogenblik niet wist, wat hij zeggen moest. Spoedig echter -herstelde de snoepachtige hoenderverzorger zich en poogde hij zijn -toestand te verklaren door te zeggen: „Ja, zie je, ik proef het -bier altijd eerst zelf, vóór ik het den hoenders geef. Je -weet nooit, wat bocht men je in de handen duwt.”</p> -<p class="par">Nu moest Alewijn toch hartelijk lachen, want pas had -Diedaart dit gezegd, of hem viel de kruik uit de handen, en nu bleek, -dat er geen druppel meer in was. De eerlijke pluimverzorger was bezig -<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name= -"pb12">12</a>]</span>geweest, niet de hoenders, maar zich zelf vet te -maken, en, dit moet men zeggen, hij deed het niet ten halve. Zijn -buikje begon den laatsten tijd dan ook al aardig rond te worden.</p> -<p class="par">Diedaart was eerst verlegen geweest, toen hij zich -betrapt zag. Toen hij echter meende op te merken, dat Alewijn hem -uitlachte, werd hij boos. Hij beroemde zich altijd op zijn trouw en -eerlijkheid, en het beviel hem dus in het geheel niet, dat iemand zijn -snoeplust had ontdekt. Het ernstige van het geval was, dat de -onschuldige Alewijn hiervoor moest boeten.</p> -<p class="par">„Zeg eens, wat moet je hier? Maak, dat je weg komt -en doe, wat ik gezegd heb,” klonk het kortaf.</p> -<p class="par">Alewijn keek zeer vreemd op van den onvriendelijken -toon, daar hij juist het tegendeel verwacht had. Hij antwoordde: -„Ik had nog vergeten, een mes mee te nemen.”</p> -<p class="par">„Had daar dan maar dadelijk om gedacht. Kom, waar -wacht je nog op?”</p> -<p class="par">„Ik moet toch een mes hebben.”</p> -<p class="par">„En hoefde je daarvoor nu terug te komen? Had je -onderweg aan een van de lui niet een mes te leen kunnen vragen? -Vooruit, neem mee en ruk uit. Laat ik je vooreerst niet weer -zien.”</p> -<p class="par">Alewijn deed, wat hem bevolen was, en Diedaart bleef -alleen, in een zeer ontevreden stemming. Wat was hij boos! Geen wonder! -Langen tijd had hij ongestoord kunnen genieten van het bier, dat voor -zijn kippetjes bestemd was; altijd had ieder hem voor een eerlijk man -gehouden, en nu was hij opeens <span class="pagenum">[<a id="pb13" -href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>betrapt door zoo’n -kwajongen. Hij vreesde, dat Alewijn het vertellen zou, maar nog meer -was hij er woedend om, dat hij het bierdrinken voortaan zou moeten -laten. Een oogenblik dacht hij er aan, den buit met Alewijn te deelen, -maar even spoedig verwierp hij dit plan weer. Neen, hij moest iets -beters bedenken. En ten laatste besloot hij een middel te verzinnen, om -den jongen kwijt te raken.</p> -<p class="par">Dit middel deed zich eerder voor, dan hij verwacht had. -Want, toen Diedaart den volgenden dag den abt ontmoette, hield deze hem -staande en sprak: „Wel, goede Diedaart, je hebt mij daar gisteren -een lekker kluifje bezorgd.”</p> -<p class="par">Diedaarts gezicht glom van voldoening toen hij zoo -geprezen werd.</p> -<p class="par">„O ja,” vervolgde de abt, „dat moest -ik je nog eens vragen, hoe gaat het met dien jongen, och, hoe heet hij -ook weer?”</p> -<p class="par">„Alewijn, bedoelt u?”</p> -<p class="par">„Juist, Alewijn.”</p> -<p class="par">Plotseling kreeg de pluimverzorger een plan in zijn -hoofd. Daar had hij een gemakkelijk middel, om zich den lastigen jongen -van den hals te schuiven. Hij trok een paar rimpels in zijn voorhoofd -en zette een bedenkelijk gezicht.</p> -<p class="par">„Wat zal ik u zeggen? ’t Gaat nog al, maar -ik geloof niet, dat een gemakkelijk leven, zooals hij bij me heeft, -goed voor hem is.”</p> -<p class="par">„Wat lui misschien?”</p> -<p class="par">„Lui, lui? Ik weet dat nog zoo niet, maar ik -vertrouw wel, dat het beter voor hem zou zijn, als hij <span class= -"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span>flink -aan het werk gezet werd. Ook lijkt hij mij nogal weerspannig -toe.”</p> -<p class="par">De abt was een goed man, maar hij hield van strenge -tucht. Weerspannigheid werd door hem altijd zwaar gestraft. Daar kwam -in dit geval bij, dat hij van Diedaart, die zijn tafel zoo goed -verzorgde, nog al hield en er niet aan dacht, hem te wantrouwen.</p> -<p class="par">Hij zette dus bij dit ongunstige oordeel over den armen -Alewijn een zeer ernstig gezicht, en sprak: „He, dat had ik niet -achter den jongen gezocht. Het leek mij eerst een bedaarde, bescheiden -knaap toe. We moeten hem dan maar flink aanpakken. Weet je wat, ik zal -hem eens bij me laten komen.”</p> -<p class="par">Dit was het juist, wat Diedaart graag wilde hebben, want -hij vermoedde wel, dat Alewijn zich zou pogen te verdedigen en dat hij -hierdoor juist een verkeerden indruk op den abt moest maken. En zoo -gebeurde ook. De jongen voelde zich niet weinig beklemd, toen hij bij -den deftigen man in de spreekkamer moest komen, en hier werd zijn -verlegenheid nog grooter.</p> -<p class="par">„Wat hoor ik van je, vrind, je bent niet heel -vlijtig, he? Dat valt me niet mee”.</p> -<p class="par">„Wat?” vroeg Alewijn ten hoogste verwonderd -en niet minder verontwaardigd, want hij had nog niet geleerd, -onderdanig te wezen, „wie zegt dat?”</p> -<p class="par">„Je toon is tamelijk brutaal. Wie het zegt? Dat -behoef ik je gelukkig niet te verzwijgen. Diedaart de pluimverzorger -heeft zich ernstig over je te beklagen.” <span class= -"pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span></p> -<p class="par">„Och, wat verbeeldt hij zich wel? Laat hij liever -naar zich zelf kijken.”</p> -<p class="par">„Hoor eens, eerst wou ik het niet gelooven, maar -nu zie ik het toch zelf, dat je brutaal bent en weerspannig bovendien. -Neen, neen, je behoeft mij niets meer te vertellen. Ik ken zulke -praatjes. Maar ik wil je eens voor al zeggen, dat de toon, dien jij -aanslaat, volstrekt niet past. Foei, Diedaart is een ernstig en -degelijk man. Hoor eens, mijn jongen, je bent nog jong en daarom zal ik -je genadig behandelen, maar laat het voor altijd een goede les zijn. In -’t vervolg behoef je niet meer in het hoenderhok te komen; ik zal -je op den akker aan het werk zetten. Hoor ik na verloop van tijd goeds -van je, nu, dan zullen we nog eens zien, maar anders, pas op!” -<span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name= -"pb16">16</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2502">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"TWEEDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Verkocht.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Twee dagen later stond Alewijn reeds op den akker -te arbeiden. Hij was een krachtige, breede knaap, maar het kostte hem -niet weinig moeite, den ploeg, dien de ossen trokken, in het rechte -spoor te houden. Daar hij geen suffer was, poogde hij zich zoo goed -mogelijk in zijn rampzaligen toestand te schikken en de ellende te -vergeten. En hoe kon dat beter dan door hard te werken? Werken kon hij. -Het was een lust, hem te zien; stellig zou het niet lang behoeven te -duren, of hij kwam in de gunst van den abt, als—de meier geen -vriend van Diedaart den pluimverzorger was geweest.</p> -<p class="par">„Je moet dien knaap in het oog houden,” had -de laatste gezegd.</p> -<p class="par">„Ha, ha, is het er zoo eentje; nu, we zullen hem -wel klein krijgen. Hij werkt anders nog al flink.” <span class= -"pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p> -<p class="par">„Zeker, maar ik zeg je, hij heeft streken; dat heb -ik al heel gauw opgemerkt. Anders mocht hij wel bij me -blijven.”</p> -<p class="par">„Nu, ik verzeker je, dat hij niet veel meer zal -hebben in te brengen.”</p> -<p class="par">De meier begon dus reeds met den armen Alewijn te -wantrouwen en dat was voor den knaap heel ongelukkig. Want hoe gaat het -in de wereld, als de menschen het al vooruit op iemand niet begrepen -hebben? Dan kan hij zich niet eventjes vergissen, of het is mis. En zoo -ging het hier ook. De meier had geen oog voor den ijver, waarmee -Alewijn arbeidde, maar op fouten, wezenlijke of schijnbare, lette hij -wel. Rustte de jongen even, dan meende de man, dat hij wilde luieren; -praatte hij met een ander, de meier dacht, dat ze elkander opstookten. -Dan kwam hij met een barsch gezicht naderbij en bestrafte den jongen, -die zich natuurlijk niet onrechtvaardig liet behandelen, en, openhartig -als hij was, een flink antwoord terug gaf.</p> -<p class="par">Zoo hoorde de abt ook van den meier niet veel goeds van -Alewijn en werd hij versterkt in de meening, dat het een lastige, -weerspannige jongen was.</p> -<p class="par">Op een morgen was Alewijn bezig, de ossen voor den ploeg -te spannen. Hij stond dicht bij een breeden weg, die naar de abdij -leidde. Plotseling zag hij bij een hoek van achter een boschje een heel -gezelschap ruiters naderen. ’t Waren een paar edelen met hun -gevolg, die blijkbaar het plan hadden, den abt een bezoek te brengen. -Een der ridders was een groote breede man, in volle wapenrusting: een -malierok, <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name= -"pb18">18</a>]</span>nauwsluitende hoozen met ringen en een helm op het -hoofd. Trotsch zat hij in het zadel en liet zijn blik gaan over de -landerijen aan weerszijden van den weg, terwijl hij nu en dan het woord -richtte tot zijn metgezel of antwoordde op de opmerkingen, die deze hem -deed. Plotseling kreeg de ridder Alewijn in het oog. Hij scheen wat -bijzonders aan hem te zien, want hij bekeek den knaap met buitengewone -aandacht. Alewijn voelde het en werd er verlegen van; hij wist niet, -wat hij doen moest. Ja, de ridder had het bepaald over hem, toen hij -weer eenige woorden sprak tot den ruiter naast hem. Wat hij zei, werd -Alewijn natuurlijk niet gewaar, maar hij zou het weldra -ondervinden.</p> -<p class="par">Alewijn ving met ploegen aan en de ruiters zetten -bedaard hun tocht voort, totdat ze bij de abdij kwamen, waar men zeer -vereerd was met het deftig bezoek en waar de reizigers dan ook gastvrij -werden ontvangen.</p> -<p class="par">Waarom de edelman Alewijn zoo opmerkzaam had aangekeken? -We zullen het spoedig zien. Want nog had hij niet lang bij den abt -gezeten, of hij sprak: „Eerwaarde, ik zag zooeven op uw akker een -opgeschoten knaap van een jaar of zestien. Ik zou zoo’n snuiter -uitstekend kunnen gebruiken; hadt u geen lust, hem mij over te -doen?”</p> -<p class="par">„Nu, dan dien ik toch eerst te weten, over wien u -het hebt. Wacht, misschien kan broeder Lulof mij helpen.”</p> -<p class="par">Lulof werd geroepen en moest met een der mannen van den -ridder meegaan om te onderzoeken, <span class="pagenum">[<a id="pb19" -href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>wie de kooplust van den edelman -had gaande gemaakt. Al spoedig kwam de man weer terug en deelde hij den -abt mee, dat het niemand anders dan Alewijn kon zijn.</p> -<p class="par">„Alewijn, Alewijn,” dacht de abt, „van -dien lummel heb ik tot nu toe niet veel goeds gehoord; ook de meier is -slecht over hem tevreden. Zulke bedienden kan ik missen. Al wou hij hem -haast voor niets hebben, ik stond hem graag af.”</p> -<p class="par">Maar de abt, die zeer bijdehand was, liet niets merken -van hetgeen er in hem omging en richtte dus het woord tot den edelman: -„Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik werklui genoeg heb en dus een -enkelen van hen wel wil afstaan, vooral wanneer ik u daar een pleizier -mee doe, maar, deze knaap.... een van mijn flinkste -ploegers....”</p> -<p class="par">„Nu, ik zal hem goed betalen.”</p> -<p class="par">„Dat spreekt <span class="corr" id="xd21e353" -title="Bron: van zelf">vanzelf</span>,” hernam de abt -glimlachend, „als dat ook niet zoo was, wou ik hem doodeenvoudig -niet missen. Hoeveel dacht u voor hem te geven?”</p> -<p class="par">„Als ik eens zei: Twee prachtige -rijpaarden.”</p> -<p class="par">Dit was een zeer hoog bod, zooals nooit voor een -lijfeigene gedaan werd, maar de ridder, die een krijgshaftigen aard had -en graag een troep flinkgebouwde strijders om zich heen zag, stond er -nu eenmaal op, Alewijn te koopen. Inmiddels gaf hij hiermede het -bewijs, dat hij niet voor koopman in de wieg was gelegd. Hij liet zich -op deze wijze geheel in de kaart kijken en dit was zeer dom, vooral -tegenover een slimmerd als de abt, die zijn oogen een <span class= -"pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>weinig -toekneep, het voorhoofd wat fronste en sprak: „Laten we er maar -niet meer over praten.” Hij deed, alsof hij van den geheelen -handel niets meer weten wilde.</p> -<p class="par">Hierdoor wekte hij nog meer de begeerte van den edelman, -die hem zoo gauw niet losliet en zei: „Maar heer abt, twee -paarden, wordt er ooit zooveel voor een arbeider gegeven?”</p> -<p class="par">„’t Kan zijn, ik wil er den jongen eenvoudig -niet voor missen.”</p> -<p class="par">„Maar hoeveel vraagt u dan wel?”</p> -<p class="par">„Nu, als u hem volstrekt hebben wilt, leg er dan -nog twee koeien bij en u kunt den knaap onmiddellijk meenemen; maar -voor minder doe ik hem niet van de hand.”</p> -<p class="par">De ridder gaf teekenen van verbazing over zulk een -ongehoorden eisch; maar de abt was er zeker van, dat de edelman ten -laatste zou toeslaan, en bleef dus onverzettelijk. De uitkomst bewees, -dat hij juist had gezien, ja, per slot van rekening was de ander nog -blij, dat hij den jongen had kunnen krijgen, al beklaagde hij zich ook -herhaaldelijk over den duren koop.</p> -<p class="par">Zoo was Alewijn dan verkocht, maar hij wist er zelf nog -niets van; ook ’s avonds, toen hij naar huis ging, had hij het -nog niet vernomen. Hij was den edelman dan ook al weer vergeten en -dacht aan geheel andere dingen. Hij peinsde er over, wat de toekomst -hem brengen zou. Overdag, bij den drukken arbeid, vergat hij het -eenigszins, welk een ellendige toestand de slavernij toch was, maar -’s avonds, bij het naar huis gaan, kreeg de arme <span class= -"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>jongen -vaak droevige gedachten. De aanblik van zijn moeder, die, meer gebogen -dan ooit, met somberen blik lusteloos haar werk deed of droef peinzend -op een bank zat, maakte hem ook neerslachtig<span class="corr" id= -"xd21e377" title="Niet in bron">.</span></p> -<p class="par">„Zou daar nu niets aan te doen zijn?” dacht -hij, „zou de gelegenheid zich nooit voordoen, mij weer vrij te -maken?” Als hij door hard werken, door zuinig sparen eens zooveel -verdiende, dat hij zich en zijn ouders vrij kon koopen? En dan sprak -hij er met zijn moeder over, om haar te troosten.</p> -<p class="par">„Och, mijn jongen, eer het zoover is, ben ik al -lang dood.”</p> -<p class="par">„Kom, moeder, zeg dat niet; dat beneemt mij den -moed en ik geloof juist, dat alles nog wel terecht kan -komen.”</p> -<p class="par">„Ik weet niet.”</p> -<p class="par">„Maar zou het dan niet doenlijk zijn, zooveel over -te verdienen, dat we ons weer vrij kunnen koopen?”</p> -<p class="par">„O, ’t is zoo moeilijk. Och, jongen, als je -ondervonden had, wat ik heb geleden.”</p> -<p class="par">„Wel, moeder, dat is toch voorbij; ik zie er nog -wel licht in.”</p> -<p class="par">En als Alewijn zoo sprak, begon de arme vrouw in het -laatst wat opgeruimder te worden; ze zag haar jongen met een -liefdevollen blik aan; neen, alle hoop wilde ze hem niet benemen. Ze -was overtuigd, dat de toekomst zich donker liet aanzien, maar toch, ja, -ze moest ook erkennen, dat het meer gezien was, dat lijfeigenen door -zuinigheid en vlijt hun vrijheid hadden weten te verwerven, vooral, als -de heer een zacht en eerlijk man was. <span class="pagenum">[<a id= -"pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span></p> -<p class="par">Moeder en zoon zwegen; het gesprek had hen in wat -opgeruimder stemming gebracht; beiden droomden van blijder dagen.</p> -<p class="par">Daar trad de meier binnen, dezelfde, die haar het -verlies der vrijheid had aangekondigd. Opeens herinnerde Marijke zich, -dat die man haar de boodschap had gebracht van het grootste jammer, dat -haar was overkomen. En ze huiverde bij de gedachte daaraan. Zoodra ze -den meier zag, stond haar ongelukkige toestand in al zijn ellende haar -weer voor den geest. Wat voerde hem nu weer hierheen? Kwam hij weer een -jammerboodschap brengen? Kon het misschien nog ongelukkiger?</p> -<p class="par">Ja, het kon nog ongelukkiger. Maar van de tijding, die -de meier nu meebracht, had de arme Marijke in de verste verte niet -kunnen droomen. Het was, of de man het begreep, en of hij er tegen op -zag, dat hij het leed nog kwam vergrooten. Geruimen tijd bleef hij -staan zonder te spreken, als verwachtte hij, dat Marijke beginnen zou. -De vrouw keek hem droefvragend aan; ze las het op zijn gezicht, dat hij -aarzelde, dat hij haast niet voor den dag durfde te komen met hetgeen -hij had mee te deelen. Dit sloeg haar geheel ter neer; was er dan weer -iets gebeurd? Kon het dan wezenlijk nog erger? Welnu, ze was op alles -voorbereid.</p> -<p class="par">De meier zocht naar zijn woorden. ’t Was een ruwe -man, maar ook de ruwste is niet geheel van gevoel ontbloot en hij -begreep maar al te goed, dat het ergste leed voor een moeder is, haar -kind te verliezen.</p> -<p class="par">Haar kind te verliezen; nog vermoedde Marijke -<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name= -"pb23">23</a>]</span>in het geheel niet, wat verschrikkelijk lot haar -boven het hoofd hing.</p> -<p class="par">„’t Zal misschien niet heel aangenaam zijn, -wat ik je heb te vertellen....”</p> -<p class="par">Daar had je het dus. Weer een jobstijding. En bitter -viel de vrouw uit: „Hoe, is het dan nog niet genoeg? Heb ik te -weinig geleden? Moet er nog meer ellende over mijn huis worden -gebracht? Voor den dag er dan mee. Ik kan alles verdragen. Je behoeft -er niet om heen te draaien. Maar ik begrijp waarlijk niet, wat er nog -van mij te halen is.”</p> -<p class="par">Marijke zag om zich heen, maar begreep er niets van. Hoe -zou ze ook? De meier werd diep getroffen door den angst, die uit haar -verweerde trekken sprak en aarzelde nog altijd, het noodlottige woord -uit te spreken.</p> -<p class="par">„Maar zeg dan toch, man, wat je hebt.”</p> -<p class="par">Nu moest het er wel uit. Vreeselijk was de uitwerking; -de meier mocht de zachtste woorden uitkiezen, die hij vinden kon, het -hielp niet: de rampzalige tijding trof de arme Marijke als een -donderslag. Neen, zoo iets had ze niet verwacht. Ook Alewijn stond diep -verslagen. Verkocht; als een stuk vee verkocht!</p> -<p class="par">Langen tijd stond de vrouw strak voor zich uit te -staren. ’t Was, alsof haar hoofd geheel in de war was, of ze -vruchteloos moeite deed, om de gedachten te verzamelen. <span class= -"corr" id="xd21e423" title="Bron: Zij">Ze</span> sprak niet, ze -schreide niet, maar haar roerloos neerzitten bewees meer dan heftig -snikken zou gedaan hebben, hoezeer ze leed.</p> -<p class="par">In het laatst scheen het, of ze een poging tot -uitredding <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name= -"pb24">24</a>]</span>wilde wagen, of er een sprank van hoop in haar -opflikkerde. Radeloos van jammerlijken angst viel ze neer, kroop tot -bij den meier voort, omvatte zijn knieën, en smeekte hem: -„Och, mijn goede heer, red ons, heb medelij met een arme moeder; -zeg, dat het niet waar is, dat mijn jongen, mijn Alewijn bij me blijft. -Wij kunnen elkander niet missen. Niet waar, lieve, beste Alewijn, is -het niet zoo, mijn jongen, je oude moeder kan je niet -missen.”</p> -<p class="par">Zoo jammerde ze, biddend en smeekend, nu klagend, soms -dreigend en in het laatst zakte ze bewusteloos ineen. Alewijn viel bij -zijn moeder neer, vatte haar in de armen en riep haar: „Moeder, -moeder!”</p> -<p class="par">’t Was een vreeselijk tooneel, en de meier, de -ruwe meier, die gewoon was, de lijfeigenen als honden te behandelen, -voelde zijn oogen vochtig worden. Maar tegelijk werd hij wrevelig, -omdat hij gedwongen was, getuige te zijn van zulk een droefheid, en, -daar hij er toch niets aan doen kon, keerde hij zich om en ging -heen.</p> -<p class="par">Langzamerhand kwam de vrouw weer bij; nu schreide ze, -stil, zonder te spreken, maar de tranen vloeiden haar overvloedig over -de wangen. Den geheelen avond bleven Marijke en haar zoon bij elkander -zitten, hand in hand. Zij legde haar moede hoofd tegen zijn -schouder.</p> -<p class="par">„Och,” zuchtte ze, „ik had zoo -gehoopt, je bij me te houden, het korte poosje, dat ik nog leven zal. -Och, och, dat het niet zoo heeft mogen zijn. Alewijn, mijn lieve -jongen....” <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" -name="pb25">25</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2508">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"DERDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Nieuwe kennissen.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Een week later reeds stond Alewijn ver van de -plaats, waar zijn ouders woonden, op het land van zijn nieuwen meester -te werken. Tijd, om een beetje op zijn verhaal te komen, had men hem -niet gelaten. Waarvoor ook? Lijfeigenen werden immers niet beter geteld -dan vee, dat men koopen en verkoopen kon, dat men mocht pijnigen of -dooden, juist zooals het den heer in de gedachten kwam. Men wist niet -beter, of het behoorde zoo.</p> -<p class="par">Maar Alewijn had de vrijheid gekend en hij gevoelde maar -al te goed zijn bitter verdriet. Weggerukt van zijn moeder, als slaaf -meegesleept, o, ’t was een leed, om nooit te boven te komen. -Zuchtend stak hij de spade in den grond. Wel had de edelman hem voor -krijgsman bestemd, maar heer Diederik wilde eens zien, of Alewijn een -flink werkman <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name= -"pb26">26</a>]</span>was, en daarom liet hij hem een paar weken op het -veld arbeiden.</p> -<p class="par"><span class="corr" id="xd21e452" title= -"Bron: Wertuigelijk">Werktuigelijk</span>, al maar aan het ouderlijk -huis denkende, ging Alewijn met graven voort, toen hij plotseling uit -zijn overpeinzingen werd opgeschrikt doordat een steen dicht bij hem op -den grond plofte. Eenige oogenblikken later suisde een tweede steen hem -om de ooren.</p> -<p class="par">Verbaasd keek hij rond, terwijl hij niet weinig knorrig -was, dat men de lui hier zoo onvriendelijk behandelde. Voor de derde -maal kwam een steen aanvliegen en het had waarlijk weinig gescheeld, of -deze was tegen Alewijns hoofd terecht gekomen. De jongen werd nu dan -ook ernstig boos en nam alvast een fermen knuppel op, om den -onzichtbaren aanvaller met gelijke munt te kunnen betalen.</p> -<p class="par">Op dit oogenblik kwam er uit een boschje een knaap te -voorschijn, die ongeveer van denzelfden ouderdom scheen, als Alewijn en -eveneens lijfeigene was, wat uit zijn kortgeknipte haren dadelijk -bleek.</p> -<p class="par">„Probeer dat nog eens!” riep Alewijn -dreigend.</p> -<p class="par">„Hei, hei, wat een verbeelding! Zeker pas hier -gekomen, he?”</p> -<p class="par">„Wat zou dat? Daarom behoef jij niet met steenen -te gooien.”</p> -<p class="par">„En jij zoo’n drukte niet te hebben. Hoe kom -je hier?”</p> -<p class="par">Alewijn was vroeger altijd gewoon geweest, met eenige -minachting op lijfeigenen neer te zien en het is dus niet te -verwonderen, dat hij zich zeer ergerde <span class="pagenum">[<a id= -"pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span>over den toon, dien de -ander aansloeg. Hij keerde hem dan ook heel eenvoudig den rug toe. -Zoodra de vreemde knaap dit zag, begon hij hartelijk te lachen: -„Wat een heer! Zeker de een of andere hooggeboren ridder, die in -gevangenschap is geraakt! Stel je nu niet zoo aan, mannetje!”</p> -<p class="par">„Houd je mond, of ik sla er op,” riep -Alewijn woedend en hij meende, wat hij zei en hief de spade reeds -dreigend omhoog. Intusschen toonde de vreemde niet de minste vrees, -want hij zette doodbedaard zijn handen in de zij en sprak: „Dan -zit je morgen in den kelder onder den burcht. ’t Is daar heel -aardig, dat verzeker ik je.”</p> -<p class="par">„Daar weet jij wat van.”</p> -<p class="par">„Ik heb er ook gezeten. Kijk maar.” De knaap -keerde zich half om en liet Alewijn de linkerzijde van het hoofd zien, -waar het oor afgesneden was. ’t Was een verschrikkelijk gezicht -en Alewijn begreep niet, hoe die jongen daar nog om kon lachen.</p> -<p class="par">„Dat is mij verleden jaar overkomen; ik had -gestolen, moet je weten. Eigenlijk laat onze heer den dieven -één hand of beide handen, al naar hem dat zoo in den zin -komt, afkappen, maar mij heeft hij bij uitzondering genadig behandeld. -Niet uit goedheid, maar omdat het in zijn eigen voordeel was. Een -slaaf, die zijn handen kwijt is, zal nooit meer werken of vechten, en -daar kan hij ons veel te goed voor gebruiken.”</p> -<p class="par">„Jij schijnt het anders niet heel druk te -hebben.”</p> -<p class="par">„Zeker heb ik het druk. Ik kom jou -roepen.”</p> -<p class="par">„Wie heeft je dat gezegd?” <span class= -"pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p> -<p class="par">„De meier. Je moet meehelpen, ginds bij het hek. -De meier zegt, dat jij sterk bent.”</p> -<p class="par">„Hoor eens, ik heb met jou niets te -maken.”</p> -<p class="par">„Goed, dan blijf je hier. Je moet het zelf -ondervinden. Goeden dag.”</p> -<p class="par">De knaap, Hark heette hij, wilde zich dus <span class= -"corr" id="xd21e496" title="Niet in bron">weer</span> verwijderen, toen -Alewijn hem nog terugriep en zei: „Neen, luister nog even. Meen -je het?”</p> -<p class="par">„Wat?”</p> -<p class="par">„Dat de meier me laat roepen?”</p> -<p class="par">„Wat dacht jij dan?”</p> -<p class="par">„Dat het maar gekheid van je was.”</p> -<p class="par">„Zeker, het is gekheid. Nu, ik kan niet langer -wachten. Blijf jij dan maar hier, als je wilt.”</p> -<p class="par">Hark scheen de waarheid te hebben gesproken en Alewijn -oordeelde het dus het verstandigst, met hem <span class="corr" id= -"xd21e511" title="Niet in bron">mee</span> te loopen in de richting van -het kasteel.</p> -<p class="par">Dit was een reusachtig steenen gebouw, waarvan de grijze -massa zich boven het omliggende groen verhief. Heel aantrekkelijk zag -het er niet uit, maar het was van verbazend dikke muren en geduchte -torens voorzien, en daar kwam het voor een edelman in de eerste plaats -op aan.</p> -<p class="par">Naarmate men naderde, kon men de verschillende deelen -beter onderscheiden: de ronde vensters en de smalle kijk- en luchtgaten -grijnsden op het grauwe vlak van den muur den reiziger onheilspellend -aan. Het eigenlijke gebouw, de woning van den edelman, was door een -gracht omgeven en daar omheen lag het erf, waar altijd een groote -drukte heerschte van arbeiders, krijgslieden, kinderen en <span class= -"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>vee. Ook -stonden hier de hutten der lijfeigenen, de hokken van de dieren en de -berg- en de werkplaatsen. Het geheel besloeg een groote ruimte en was -omgeven door een palissade van dikke, gepunte palen, terwijl een breede -gracht den toegang nog moeilijker maakte.</p> -<p class="par">Op het oogenblik, dat Alewijn en Hark het kasteel -naderden, stond er een troepje werklui bij de poort. Enkelen hadden een -paar dikke, lange palen bij zich, terwijl een der mannen bezig was, -zulk een paal van een scherpe punt te voorzien. De meier hield toezicht -op den arbeid; een krijgsman, die blijkbaar niets te doen had en rustig -zijn gemak kon houden, zat niet ver van de brug te hengelen en keek nu -en dan lachend naar de arbeiders, alsof hij in zijn schik was, dat die -zoo hard moesten sloven.</p> -<p class="par">Zooals we al vernomen hebben, was de edelman in zijn -hart een echte vechtersbaas; hij dacht in den regel aan niets anders, -dan aan oorlogvoeren en jagen; zijn grootste zorg bepaalde zich er toe, -geschikte krijgers te hebben en zijn kasteel zoo sterk mogelijk te -maken. Herhaaldelijk deed hij persoonlijk de ronde, om zich te -overtuigen, of alles, de muren, de palissaden, de -verdedigingswerktuigen in orde waren. En als hij een paal al te veel -vermolmd, een muur wat verbrokkeld, de deelen van een blijde niet op -hun plaats vond, liet hij dat aanstonds verbeteren.</p> -<p class="par">Zoo had hij voor eenige dagen gemerkt, dat een deel der -palissade dringend herstelling behoefde en <span class= -"pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span>dit was -de oorzaak van de bedrijvigheid, waarmede de werklui bezig waren.</p> -<p class="par">„Ha, ben je daar,” zei de meier, toen hij de -beide knapen ontdekte, „ga eens gauw met Ulfert mee naar het -dennenbosch, om een paar palen te halen.”</p> -<p class="par">Alewijn deed aanstonds, wat hem bevolen werd en -vergezelde Ulfert, die een zware bijl bij zich had. Een half uur later -kwamen ze met een zwaren paal aanzeulen. Bij de brug <span class="corr" -id="xd21e533" title="Niet in bron">gekomen</span>, legden ze hem -neer.</p> -<p class="par">„<span class="corr" id="xd21e538" title= -"Bron: He">Hè</span>,” zei Ulfert, „dat was me een -vrachtje; daar kun je warm van worden.” Ook Alewijn verheugde -zich, dat hij een oogenblik rusten kon. Terstond trad een der mannen -toe, om den paal aan te punten. Terwijl zoo drie, vier mannen naar dit -werk stonden te kijken, kreeg de hengelaar aan de gracht beet; hij -sloeg op en slingerde een fermen baars met een geduchten boog de lucht -in. Ongelukkig scheen het beest niet heel vast aan den haak te zitten, -want het vloog los en kwam met zijn scherpe, naar alle kanten -uitstaande stekels<span class="corr" id="xd21e541" title= -"Niet in bron">,</span> vlak in het gezicht van Ulfert terecht, die, -woedend van de pijn, den visch opnam en hem in den zak poogde te -steken. De hengelaar kwam haastig toeloopen, om zijn buit op te rapen, -en toen het Ulfert niet gelukte, den baars te bergen, ging hij er zoo -snel hij kon mee op de vlucht, het hek door en het voorplein op. De -hengelaar hem na, terwijl de anderen alles lachend stonden aan te -kijken. Door de drukte, die de mannen maakten, verschrikten een aantal -kippen zoo, dat ze kakelend uiteen vlogen; een groot zwijn, dat, van -een troep biggetjes omringd, knorrend zijn <span class= -"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>voedsel -in het zand zocht, maakte zich eveneens uit de voeten. Woest kwam het -op het hek aanrennen, en het zou wezenlijk naar buiten gevlucht zijn, -als de meier niet geroepen had: „Het hek dicht, het hek -dicht.” Alewijn schoot toe, om het hek te sluiten, terwijl een -der andere lijfeigenen zijn best deed, om het beest, dat wild geworden -was, terug te jagen, toen zich een verschrikte stem deed hooren: -„Daar komt de heer aan.”</p> -<p class="par">Het was vermakelijk te zien, welk een ontzag allen voor -den geduchten edelman hadden; niet zoodra zagen ze hem in de verte -naderen, of ieder ging ijverig in de weer. De meier zat het meest in -angst, want hij werd er altijd voor gestraft, als het werkvolk onder -zijn toezicht stond te luieren. Men kon natuurlijk in deze -omstandigheden het hek niet sluiten. Hierdoor vond het varken juist -gelegenheid, te ontsnappen, maar de meier greep het nog bij den staart -en trok het beest, dat geweldig schreeuwde en tegenspartelde, met veel -moeite het voorplein op, waar de biggetjes hun arme moeder met -medelijdende blikken aanzagen. Daar kwam de edelman aanrijden, -vergezeld van een vrij groot aantal wapenknechten, sommigen met bogen, -anderen met een goedendag, enkelen zelfs met knuppels gewapend. Twee -mannen, die een eind achteraan kwamen, hielden een viertal nijdige -honden aan een touw vast.</p> -<p class="par">De ridder was op de jacht geweest; maar het wekte de -verbazing van den meier, dat hij al zoo vroeg terugkeerde en ook, dat -de jacht zeer <span class="corr" id="xd21e550" title= -"Bron: weigni">weinig</span> <span class="pagenum">[<a id="pb32" href= -"#pb32" name="pb32">32</a>]</span>had opgeleverd. Van wild was -tenminste niets te bespeuren. Zou het daardoor komen, dat heer Diederik -zoo donker keek? Of zou er iets anders zijn voorgevallen, dat den toorn -van den machtigen ridder had opgewekt?</p> -<p class="par">„Daar zat onweer aan de lucht,” bromde de -oude Alwaert een uurtje later, terwijl hij op het voorplein in het zand -zat, bezig, een helm te poetsen, waar Alewijn, Hark en eenige anderen -aandachtig naar zaten te kijken.</p> -<p class="par">„Onweer?” vroeg Hark, „mij dunkt, daar -ziet de lucht in het geheel niet naar uit. Het weer is immers -frisch.”</p> -<p class="par">„Zoo bedoel ik het niet. Ik meen geen onweer in de -natuur, maar in het hoofd van onzen heer. Wat ging hij aan. Ik ben -blij, dat ik vandaag niet in zijn nabijheid behoef te komen. Wat een -gezicht, <span class="corr" id="xd21e561" title= -"Bron: he">hè</span>? Om bang voor te worden.”</p> -<p class="par">„Wat zou hem toch schelen? Zou het zijn, omdat hij -geen wild meegebracht heeft?”</p> -<p class="par">„Kom, de jacht heeft niet eens plaats gehad, maar -wat er voorgevallen is, weet ik niet. Wacht, daar heb je Gerebrandt. -Die is mee geweest. Hij kan ons wel vertellen, hoe de vork in den steel -zat. Vooruit, Alewijn, roep jij hem eens hier.”</p> -<p class="par">Toen Alewijn met zijn boodschap bij Gerebrandt kwam, die -bezig was een net te maken, antwoordde deze: „Wat, kan die oude -de moeite niet nemen, bij mij te komen? Ik heb geen tijd, zeg hem dat -maar.”</p> -<p class="par">Doch, voordat Alewijn weer weg was, bedacht <span class= -"pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name= -"pb33">33</a>]</span>Gerebrandt, een echte babbelaar, die heel graag -nieuwtjes mocht vertellen, zich nog en sprak: „Weet je wat, dat -net kan ik morgen ook wel afmaken, breng het even naar mijn huis, dan -ga ik mee.” Alewijn was zeer gewillig en dacht er niet aan, te -weigeren; hij bracht dus het net weg, waarop Gerebrandt hem vergezelde -naar den kring, die om den ouden Alwaert geschaard zat en waar men hem -al met ongeduld wachtte.</p> -<p class="par">De oude Alwaert hield zich nog altijd met den helm -bezig; ’t was een reusachtig voorwerp, van binnen gevoerd, en met -een omgekeerden vogelpoot er boven op.</p> -<p class="par">„Wat een ding, he?” zei Hark.</p> -<p class="par">„Ja jongen, daar is heel wat aan te poetsen; ik -wou, dat heer Diederik naar een betere bewaarplaats voor zijn wapenen -uitzag. Ze liggen nu zoo vochtig, dat je voortdurend werk hebt, om den -roest er af te wrijven. Kijk me dien helm eens aan; zou je wel willen -gelooven, dat hij voor zes dagen nog glom als een spiegel?”</p> -<p class="par">„’t Is zeker een heele zwaarte?” vroeg -Alewijn.</p> -<p class="par">„Wil je het eens voelen?” De oude keek rond, -of hij gezien werd, en wenkte toen Alewijn om naderbij te treden, -waarop hij den jongen het kolossale hoofddeksel opzette.</p> -<p class="par">Wat een gewicht. Het hoofd werd dan ook geheel door het -ijzer omsloten; alleen aan den voorkant zaten er drie gleuven in: twee -om door te kijken en een ter hoogte van den mond.</p> -<p class="par">„Vertel eens,” vroeg een der mannen, die -zeer <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name= -"pb34">34</a>]</span>nieuwsgierig was en op heete kolen zat, „wat -is er toch gebeurd vandaag?”</p> -<p class="par">Gerebrandt hield zich, of hij de bedoeling van den -vrager niet begreep en zei dus: „Gebeurd, gebeurd? Ik weet van -niets. Waar heb je het nu over?”</p> -<p class="par">„Kom, je zou van niets weten. Maak dat een ander -wijs. Je bent immers mee op de jacht geweest.”</p> -<p class="par">„Ja zeker, maar wat zou dat?”</p> -<p class="par">„Nu, dan kun je ook wel vertellen, hoe het komt, -dat heer Diederik, die anders nooit zonder wild terugkeert, nu met -leege handen is thuis gekomen.”</p> -<p class="par">„En waarom hij zoo kwaad was.”</p> -<p class="par">Gerebrandt poogde nog een onnoozel gezicht te zetten, -maar het ging hem moeilijk af, waar nog bij kwam, dat hij brandde van -ongeduld om het nieuwtje te vertellen.</p> -<p class="par">„Ja, jongens, dat is een heele -geschiedenis.”</p> -<p class="par">Allen kwamen een beetje naderbij en luisterden -aandachtig.</p> -<p class="par">„Je weet dan, dat onze heer met ridder Hildegrin -en jonker Herico en nog eenige heeren een groote jachtpartij zouden -houden.”</p> -<p class="par">„Jonker Herico, jonker Herico?” vroeg -Alwaert.</p> -<p class="par">„Wat, ken je hem niet; hij woont aan den overkant -van de rivier, waar zijn vader een sterk kasteel bezit.”</p> -<p class="par">„Hoe komt hij hier dan?”</p> -<p class="par">„Bij ridder Hadrubant, die een oom van hem is, -schijnt hij eenige weken te vertoeven.” <span class= -"pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span></p> -<p class="par">„Maar jongens, wat komt er dat nu op aan? Laat hij -liever verder vertellen.”</p> -<p class="par">„Hoor dan; ik geloof, dat onze heer en die jonker -elkaar niet best kunnen uitstaan. Of ze misschien vroeger al eens twist -gehad hebben, weet ik niet, maar Roger de valkenier zegt, dat er reeds -heel lang wat tusschen hen bestaat. Nu stonden die heeren in een kring -aan den rand van het bosch; en wij zaten op een afstand in het gras het -oogenblik af te wachten, dat de jacht beginnen zou. Ik keek zoo in -gedachten naar de lui, en vergeleek hun helmen eens; ’t is aardig -te zien, wat een verschillen je zoo hebt. De een draagt, zooals onze -heer, een vogelpoot op den helm, de ander een kruis, een derde een -heelen vogel....”</p> -<p class="par">„Nu ja, dat weten we wel.”</p> -<p class="par">„Waarover ze praatten, kon ik natuurlijk niet -verstaan, maar ze schenen het over paarden te hebben; ’t was net, -of elk pochte op de uitstekende hoedanigheid van zijn eigen beest. Tot -nu toe ging alles goed, maar al gauw kwam er een heftige -woordenwisseling tusschen onzen heer en dien jonker. ’t Was -bepaald over het paard van den laatste, want opeens nam de jonker het -dier bij den teugel en hield het heer Diederik voor, als noodigde hij -hem uit, het te bestijgen. Deze deed het, en poogde er op rond te -rijden. Nu weet je, heer Diederik is een uitstekend ruiter; een paard -mag lastig en wild zijn, hij zit er met evenveel gemak op, als op een -stoel. Wat nu het beest van Jonker <span class="corr" id="xd21e628" -title="Bron: Herco">Herico</span> mankeerde, weet ik niet; het draaide -maar rond, het <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name= -"pb36">36</a>]</span>steigerde en wilde naar geen sturen luisteren. -Goed. Heer Diederik geeft het natuurlijk niet gauw op, maar je kon het -hem aanzien, dat hij kwaad werd; hij beet zich op de lippen, hij trok -het paard aan de teugels en martelde het met de sporen; het gaf niets. -En plotseling, vóórdat iemand er op bedacht was, deed het -beest een geweldigen sprong, ging op de achterpooten staan en schoot -als een pijl uit den boog weg. Heer Diederik scheen zoo iets in het -geheel niet te verwachten, want daar gebeurde, wat nog nooit iemand van -hem gezien had; hij verloor het evenwicht en lag in het zand. Wij -hielden ons natuurlijk doodstil, en ook de ridders schenen zeer -ontsteld. Heer Diederik poogde zich goed te houden, maar hij werd rood -van kwaadheid; misschien was het ook wel van schaamte, dat weet ik zoo -niet. Alleen jonker Herico, die nog zeer jong is en veel van een grapje -houdt, beschouwde de zaak van den vroolijken kant, en stond hartelijk -te lachen. Dat was olie in het vuur. Heer Diederik werd nog gloeiender -en we dachten niet anders, of hij zou zich op den jonker werpen; de -andere ridders verwachtten dat ook; één van hen, heer -Rodger plaatste zich tusschenbeiden, terwijl de jonker, die waarlijk -voor geen kleintje vervaard is, de hand aan zijn zwaard sloeg.</p> -<p class="par">„Of onze heer bang was, dat hij weer een gek -figuur zou maken, weet ik niet, maar wel weet ik, dat hij zich nog -bijtijds bedacht. Zijn toorn was intusschen niet bekoeld, want op -norschen toon beval hij ons, hem te volgen. Toen zette hij zich in het -<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name= -"pb37">37</a>]</span>zadel en reed, knorrig en zwijgende, weg. Zoo komt -het nu, dat wij zonder wild terugkeerden.”</p> -<p class="par">„Zouden de anderen nog aan de jacht begonnen -zijn?”</p> -<p class="par">„Ik weet het waarlijk niet, maar je kunt er op -aan, dat de zaak niet uit is.”</p> -<p class="par">„Reken daar maar op. Dat muisje heeft een -staartje.”</p> -<p class="par">„En een lang ook. Heer Diederik houdt veel van -vechten. Hij zou om veel minder gewichtige reden naar het zwaard -grijpen.”</p> -<p class="par">„Dus je denkt, dat heer Diederik van plan is, ten -strijde te trekken?”</p> -<p class="par">„Dat weet ik zeker; hij zal niet rusten, -vóór hij jonker Herico in zijn handen heeft. Maar het zal -niet meevallen, want deze moet op een sterk kasteel wonen.”</p> -<p class="par">„Heer Diederik alleen zal hem niet -overwinnen,” meende de oude Alwaert.</p> -<p class="par">„Geen denken aan, maar je weet, er zijn ridders -genoeg in den omtrek, die dolgraag een oorlog meemaken en onzen heer -met genoegen de behulpzame hand bieden. Ik denk niet, dat jonker Herico -het tegen zoo’n groote macht uithoudt.”</p> -<p class="par">„Hij zal zich ook wel van bondgenooten -voorzien.”</p> -<p class="par">„Dat moet je niet zeggen; men schijnt over het -algemeen niet veel met zijn familie op te hebben, en onzen heer zien ze -nog al naar de oogen.”</p> -<p class="par">„Ik moet eerlijk bekennen, dat ik de zaak niet -heel prettig vind.” <span class="pagenum">[<a id="pb38" href= -"#pb38" name="pb38">38</a>]</span></p> -<p class="par">„Verbeeld jij je soms, dat onze heer je -meeneemt?”</p> -<p class="par">„Volstrekt niet, maar het zal toch een heele -drukte geven; de blijden moeten in orde gebracht worden, misschien laat -heer Diederik wel een stormkat bouwen en zoo’n ding komt niet van -zelf klaar, daar moeten we allen aan meehelpen.”</p> -<p class="par">„Nu, ik vind het wel aardig; dan beleef je nog -eens wat,” zei Hark, terwijl hij een zwaren goedendag in het rond -zwaaide.</p> -<p class="par">„’t Is me de aardigheid wel: de kans om met -gebroken armen en beenen van de reis terug te komen en dan nog blij te -moeten wezen, als je het leven er afbrengt.”</p> -<p class="par">„Komaan, ik denk, dat we er spoedig wel meer van -zullen hooren.” <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" -name="pb39">39</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2514">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"VIERDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">De belegering.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Het kwam precies uit, zooals Gerebrandt voorspeld -had. Langzamerhand verspreidde zich het praatje onder de lijfeigenen, -dat heer Diederik van plan was, de familie van jonker Herico den oorlog -aan te doen. Dat het gerucht waarheid moest bevatten, bleek al spoedig, -want Folcrijt de boogschutter, zoowel als Hoige, wisten te vertellen, -dat ze met den meier een bezoek hadden moeten brengen aan eenige edelen -uit den omtrek, om hun hulp in te roepen. De smid kreeg het ontzaglijk -druk, daar hij punten aan pijlen moest maken; de timmerlui hadden in -last, blijden en andere oorlogswerktuigen na te zien, weer anderen -moesten benoodigdheden voor tenten gereed maken; er heerschte de -volgende weken een groote bedrijvigheid. Ook Alewijn zou mee moeten -doen, want op een <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" -name="pb40">40</a>]</span>keer riep de oude Alwaert hem bij zich: -„Kom eens hier, mijn jongen; onze heer wil weten, of er een goede -boogschutter in je steekt. Kun je schieten?”</p> -<p class="par">Alewijn antwoordde, dat hij het veel had gedaan, en dat -was waar: menige vogel was door hem geraakt.</p> -<p class="par">„Kom aan, toon je kunsten dan maar. Schiet eens -op.... op...., wacht, ik zal het je in het begin niet al te moeilijk -maken, op dien boom daar.”</p> -<p class="par">Hark en eenige anderen stonden aandachtig te kijken, -toen Alewijn een pijl op den boog legde, even mikte en schoot.</p> -<p class="par">„Dat valt me mee,” zei de oude Alwaert, en -ook de anderen gaven hun goedkeuring te kennen, want Alewijn had den -boom precies in het midden geraakt. Intusschen bleek uit een enkel -schot nog volstrekt niet, of hij een goed schutter was: het kon immers -best geluk zijn; daarom wees de oude Alwaert een paal aan, die wat -verder verwijderd was dan de boom, maar zonder eenige moeite raakte -Alewijn dien ook.</p> -<p class="par">„O, ik zie het al, je hebt het meer gedaan. Nu -jij, Hark.”</p> -<p class="par">Hark meende, dat hij een heele baas in het schieten was; -hij zette tenminste een verwaand gezicht, en toen de oude Alwaert hem -uitnoodigde, naar den boom te schieten, zeide hij: „We zullen -maar dadelijk ook dien paal nemen.”</p> -<p class="par">„Ja baas, maar het is lastig, als je het niet meer -gedaan hebt.”</p> -<p class="par">„’t Is me ook wat,” zei Hark en schoot -een pijl af, <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name= -"pb41">41</a>]</span>maar door een ongelukkige beweging vloog die een -geheel verkeerden koers uit en het had maar weinig gescheeld, of het -gevederde ding was een der omstanders in het been gevlogen.</p> -<p class="par">„Kijk dan toch, waar je schiet,” riep deze -nijdig en Alwaert nam Hark den boog af, zeggende: „Neen kereltje, -laat maar; je zou ons eigen volk de oogen uitschieten. Maar jij wordt -een boogschutter, Alewijn, dat verzeker ik je. Zulke lui kan onze heer -gebruiken.”</p> -<p class="par">Alewijn was natuurlijk niet weinig trotsch op deze -lofuiting. Hark, die niet zuinig uitgelachen werd, was intusschen -jaloersch en keek zijn makker van terzijde nijdig aan.</p> -<p class="par">De volgende dagen gingen onder groote drukte voorbij. -Hoe ieder zich ook inspande, den edelman ging het niet gauw genoeg. -Gedurig kwam hij persoonlijk onder het werkvolk en de krijgslieden en -spoorde hij hen tot grooten ijver aan. Eindelijk was alles gereed; en -op een mooien morgen trok een groote bende op weg. De stoet leverde een -schilderachtig gezicht op: ridders op vurige paarden, gekleed in -maliënkolder en met de lans gewapend, boogschutters, den boog in -de hand en een koker met pijlen op den rug, slingeraars met hun -stokslingers, krijgslieden met speren, anderen met kolven, daartusschen -wagens met levensvoorraad, met hout, met stukken van blijden en ander -wapentuig. Het was een heele trein, die nog grooter werd, toen zich een -bondgenoot met zijn gevolg bij heer Diederik voegde. Daar er tal van -voetknechten waren, <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" -name="pb42">42</a>]</span>moesten de ruiters wel stapvoets rijden en -konden ze niet zooveel spoed maken. Het zou dan ook wel eenige dagen -duren, voor men de plaats der bestemming bereikte.</p> -<div class="figure xd21e709width"><img src="images/plate-2.jpg" alt= -"Op een mooien morgen trok een groote bende op weg." width="529" -height="720"> -<p class="figureHead">Op een mooien morgen trok een groote bende op -weg.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Als de avond daalde, sloeg men tenten in het veld op; de -paarden werden aan boomen of aan pinnen vastgebonden en de vermoeide -strijders legden zich te slapen. Vooral de overtocht over den Rijn -kostte niet weinig moeite, maar toch werd hij gelukkig volbracht en na -een reis van zes dagen had men het kasteel, waar jonker Herico woonde, -bereikt. Zooals altijd, liet de ridder eerst den burcht opeischen, maar -hij kreeg een weigerend antwoord, wat ook wel te verwachten was -geweest, daar het kasteel sterke muren bezat, ruimschoots van -levensmiddelen en krijgsvoorraad was voorzien en de talrijke bezetting -vol moed besloten was, hun heer en zijn gezin tot het uiterste bij te -staan.</p> -<p class="par">Het veiligste en gemakkelijkste zou zijn, de bewoners -van het kasteel door den honger tot overgave te dwingen, maar de -krijgshaftige edelman was van dit middel niet gediend. Toch zag hij -heel goed in, dat aan een bestorming in de eerste dagen niet te denken -viel: van achter de hechte muren zouden de aanvallers op zulk een wijze -begroet worden, dat ze stellig met groot verlies moesten afdeinzen. -Daarom besloot heer Diederik, mede op raad van zijn bondgenooten, den -strijdlust wat te bedwingen en alle middelen aan te wenden, om de muren -van den burcht te vernielen of te beschadigen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span></p> -<p class="par">Weldra was het kasteel aan alle zijden ingesloten; -overal in het veld werden tenten opgeslagen; hier en daar stonden -wagens; de paarden liet men op de weiden grazen, en dichter bij het -kasteel maakten de belegeraars borstweringen en richtten ze blijden en -springalen op, om daarmede hun vijanden te bestoken.</p> -<p class="par">Het was voor de eerste maal, dat Alewijn zulk een -belegering bijwoonde; hij vergat alles, wat er den laatsten tijd met -hem gebeurd was en volgde met groote aandacht de toebereidselen, die er -gemaakt werden. Als hij dien grijzen, zwaren steenklomp aanzag, waaruit -dreigend zware torens omhoog rezen, verwonderde hij zich zeer, hoe heer -Diederik er aan kon denken, dien te vernielen of te veroveren. -Intusschen werd hem niet veel tijd tot nadenken gelaten; ook hij moest, -evenals Hark en Alwaert en anderen, ijverig meehelpen.</p> -<p class="par">Daar de aanvallers zeer onverwachts waren komen opdagen, -hadden de belegerden er nog niet aan gedacht, de boschjes en schuren in -den omtrek te vernielen. Dit was zeer in het voordeel van heer -Diederik. Zijn volk vond nu volop gelegenheid, een veilige schuilplaats -te zoeken, vanwaar men het den belegerden met pijlen en steenen zou -kunnen lastig maken. Overigens was men ook op andere middelen bedacht, -om goed beschut te zijn: hier richtten eenige mannen van zand en -rijshout een borstwering op, daar kwamen anderen met een scherm op -wielen aanrijden. Ook Alewijn zat achter zulk een scherm; hij hield een -pijl op zijn boog gereed <span class="pagenum">[<a id="pb44" href= -"#pb44" name="pb44">44</a>]</span>en loerde door de gleuf naar de -transen van het kasteel, of zich daar misschien een krijgsman vertoonen -zou.</p> -<p class="par">Intusschen kreeg hij niets in het oog; geen vijand kwam -van achter de tinnen voor den dag. Dat de bewoners van het kasteel -echter wel wakker waren, bleek uit de pijlen en steenen, waarmede ze -onophoudelijk hun aanvallers begroetten en die het hun zeer lastig -maakten.</p> -<p class="par">Toen Alewijn zoo een half uur vruchteloos uitgekeken -had, begon het hem te vervelen; hij legde zijn boog neer en vestigde -zijn aandacht op eenige mannen in de buurt, die zeer druk aan den -arbeid waren. Eenige oogenblikken te voren hadden ze een grooten, -taaien balk aangedragen, die door Eggerik den timmerman in de lengte -bijna geheel was gespleten; alleen aan het eene eind had hij de beide -helften aan elkaar gelaten, terwijl de smid ze daar met eenige ijzeren -banden goed had bevestigd. Die balk nu werd met het einde, dat nog niet -gespleten was, in den grond geheid.</p> -<p class="par">„Ha,” dacht Alewijn, „daarom was die -dikke straks al bezig een kuil te graven.” ’t Was een werk, -dat met spoed moest gebeuren, want men stond hier niet rustig en wel op -het voorplein van het kasteel, maar onder bereik van de vijandelijke -pijlen. Geen wonder dus, dat Eggerik, die toch al haastig was -uitgevallen, en nooit veel zin had, zijn huid te wagen, zich bijzonder -gejaagd toonde.</p> -<p class="par">„Vooruit dan toch, luie kwajongen,” riep hij -tegen Hark, die ook meehelpen moest, maar juist <span class= -"pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span>bezig -was op een wortel te knabbelen. „Pak aan, of....”</p> -<p class="par">Nu had Hark wel niet veel ontzag voor den timmerman, -maar in deze omstandigheden oordeelde hij het toch het verstandigste, -niet te talmen; hij nam dus den balk mee op en zette hem overeind. Niet -lang daarna stond het werptuig stevig en wel in den grond. ’t Was -een springaal, een geducht middel, om er zware pijlen mee weg te -schieten.</p> -<p class="par">„Nu wou ik het ding ook eens probeeren,” zei -Eggerik. „Kwam er maar iemand voor den dag.”</p> -<p class="par">„Laten we vast een pijl klaar leggen.”</p> -<p class="par">„Goed.”</p> -<p class="par">Boven aan de eene helft van den gespleten balk zat een -haak en door middel van een stevig touw, aan dien haak bevestigd, werd -die bovenhelft door Hark en Eggerik met geweld naar beneden getrokken. -’t Was een zwaar werkje, want het taaie hout bood geducht -weerstand.</p> -<p class="par">„Mooi zoo, nu de pijlen.”</p> -<p class="par">Daar had Ulfert al voor gezorgd; hij droeg een arm vol -van die scherpgepunte, gevederde dingen.</p> -<p class="par">„Vooruit, Hark, jij naar boven.”</p> -<p class="par">Hark durfde niet te weigeren en klom den springaal in, -om den pijl daar boven op te leggen. ’t Was anders geen baantje, -want de belegerden kregen hem in het oog en mikten op hem, zoodat hij -wel drie, vier keer gevaar liep, getroffen te worden. Toch bracht hij -het er goed af.</p> -<p class="par">„Nu goed uitgekeken!” zei Eggerik, „we -moeten nooit in het wild schieten. Zul je goed vasthouden, <span class= -"pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span>Hark? -Als ik een teeken geef, laat je hem glippen.... Hé, wacht, -bewoog daar niet iets?”</p> -<p class="par">„Ik zag niemand.”</p> -<p class="par">„Nu, ’t is toch voorbij, helpt me eens goed -opletten.”</p> -<p class="par">Plotseling vertoonde zich een boogschutter op den muur. -Wat een waaghals! Zag hij dan het gevaar niet, dat hem bedreigde? -Nu.... Hoe jammer, weg was hij.</p> -<p class="par">„Pas op nu! Als hij weer voor den dag durft te -komen, krijgt hij hem.”</p> -<p class="par">Allen keken in gespannen verwachting toe. Daar zag men -weer iets: Hark liet los, de eene helft van den springaal smakte tegen -de andere en met een groote snelheid schoot de gevaarlijke pijl weg. -Hij trof echter geen doel: men had te hoog aangelegd.</p> -<p class="par">Daarom moest Hark weer naar boven, om den springaal wat -lager te stellen en daarna een nieuwen pijl op te leggen.</p> -<p class="par">„’t Was een beetje te hoog, -hé?” zei Eggerik handenwrijvend. „Toch jammer, maar -we hadden hem anders juist in de goede richting. Ziezoo, nu zal het -beter gaan. Ik verzeker je, dat de eerste de beste, die zich durft te -vertoonen, op een vreemde manier begroet wordt.”</p> -<p class="par">Men wachtte dus weer; maar plotseling stoof het groepje -uit elkander: een zware steen kwam met groote vaart aanvliegen, recht -op den springaal aan. Eggerik was bij Alewijn achter het schietscherm -gekropen en keek nu angstig toe. Wat zou het hem spijten, als dat mooie -werptuig, waar hij <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" -name="pb47">47</a>]</span>zooveel moeite aan had gehad, ineens werd -vernield.</p> -<p class="par">Pof! Plotseling begon Ulfert vreeselijk te schreeuwen: -hij had zich niet haastig genoeg uit de voeten gemaakt en nu was de -steen juist tegen hem aangekomen en had hem met verbrijzelden arm doen -nederstorten.</p> -<p class="par">„O,” zei de timmerman, „’t is -Ulfert maar.” De man vond blijkbaar het leven van zijn makker -niet zooveel waard als een springaal. Ulfert dacht er evenwel anders -over; hij lag te schreeuwen van pijn, zoodat men het wijd in het rond -kon hooren; eenige mannen op het kasteel kwamen ook eens over de tinnen -kijken, wat er gaande was, en als Alewijns gedachten niet bij den armen -Ulfert waren geweest, zou hij misschien wel een vijand hebben kunnen -raken.</p> -<p class="par">„Schreeuw toch zoo niet, kerel!” bromde -Eggerik, „je lijkt wel een varken, dat gekeeld wordt.” Maar -de arme Ulfert leed ondragelijke pijnen; ten laatste kwamen er een paar -mannen aanloopen, die hem opnamen en naar de plaats brachten, waar -eenige vrouwen zich bezig hielden met het verplegen der gewonden. -<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= -"pb48">48</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2520">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"VIJFDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">De Kat.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Van alle kanten werd het kasteel bestookt: hier -met springalen, daar met blijden, elders schoot men zware pijlen af met -een arbaleet, overal zaten boogschutters achter boschjes en -schietschermen, maar de belegerden gaven alles met woeker terug. Zoo -vorderde heer Diederik nog niet veel en reeds dacht hij er over, een -algemeenen stormaanval te bevelen. Zijn vrienden echter rieden hem dit -af en gaven hem in overweging, eerst een veiliger en tegelijk zekerder -middel aan te wenden: de kat.</p> -<p class="par">Alewijn zat op een morgen weer achter zijn schietscherm -en mikte op de vijanden, toen Eggerik hem kwam opzoeken en zei: -„Alewijn, leg je boog neer en ga mee. Je hebt sterke armen; we -kunnen jou juist gebruiken.”</p> -<p class="par">Alewijn deed, wat hem bevolen was en volgde <span class= -"pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>Eggerik, -terwijl hij telkens achter schietschermen en aardhoopen en struiken -wegschool en dan weer op zij sprong, als er van die verraderlijke -pijlen kwamen aanvliegen.</p> -<p class="par">„Komaan, hier zijn we er.”</p> -<p class="par">„Ha, is Alewijn daar? Dat is goed! Pak aan, -jongen! Help eens mee dat ding voortduwen.”</p> -<p class="par">’t Was een heel gevaarte: precies een schuur. Aan -de voorzijde hadden eenige mannen druk werk; beschut door een afdak, -legde men daar een houten vloer. De benoodigde planken werden door -anderen onophoudelijk aangedragen. Zoodra de vloer klaar was, duwde en -trok men uit alle macht en de kat, die op rollen stond, bewoog zich -weer een eind vooruit, in de richting van het kasteel.</p> -<p class="par">De aangevallenen spaarden hun steenen echter niet, en -toen er een geweldig blok kwam neerploffen, dat met vreeselijk gekraak -niet alleen een deel der kat verbrijzelde, maar tevens een paar mannen -doodelijk gewond deed neerstorten, begon de ridder, die het toezicht -had, ongerust te worden.</p> -<p class="par">„Laat meer boogschutters aanrukken,” riep -hij driftig.</p> -<p class="par">Eenige oogenblikken later kwamen van verschillende -zijden schietschermen aanrollen. De boogschutters, die er achter -verscholen zaten, schoten zóó herhaaldelijk en met -zóó vaste hand hun pijlen af, dat de belegerden het op -die plaats benauwd kregen en de kat wel wat meer met rust moesten -laten.</p> -<p class="par">Thans werd met verdubbelden ijver het werk <span class= -"pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= -"pb50">50</a>]</span>voortgezet. De ridder spoorde zijn volk -voortdurend aan, nu eens met goedkeuringen, dan weer met schelden en -dreigen. ’t Was een zware arbeid en ook de sterksten moesten al -hun krachten inspannen.</p> -<p class="par">„Een, twee, drie!” Plotseling schoot de kat -een flink eind vooruit; daarna bleef zij nog een korten afstand -doorrollen, om plotseling weer stil te staan. Nu ondervond men opnieuw -grooten tegenstand: allen werkten krachtig mee. „Een, twee, -drie!”</p> -<p class="par">Zoo arbeidde men voort: Nu eens gelijkmatig verder -glijdend, dan weer met horten en stooten, bewoog zich het gevaarte naar -den muur van het kasteel. Zonder ophouden namen de werklui van achter -de kat de planken weg, om van voren opnieuw een vloer te leggen. Toen -de avond viel, was men slechts vijf meter meer van de gracht -verwijderd. Allen, die meegeholpen hadden, schenen even vermoeid; toch -had elk er schik in, dat het werk zoo goed gevorderd was.</p> -<p class="par">„Morgen vroeg verder,” riepen ze elkaar toe; -daarna ging men slapen. Doch, hoezeer ieder naar rust verlangde, men -verzuimde niet, de waakzaamheid te betrachten. En dit was gelukkig ook, -want de belegerden, die tot nu toe vruchteloos hadden beproefd, de -gevaarlijke kat te vernielen, hoopten, begunstigd door de nachtelijke -duisternis, te bereiken, wat hun overdag niet wilde gelukken.</p> -<p class="par">De werklui waren onder het dak van de kat gaan slapen; -ook Alewijn had zich daar op een bos stroo neergelegd. Ieder sliep -rustig, toen plotseling een <span class="pagenum">[<a id="pb51" href= -"#pb51" name="pb51">51</a>]</span>hevig gekraak de strijders deed -opschrikken: een geweldig blok was op het dak van de kat -terechtgekomen. Een poosje later smeten de belegerden weer een zwaren -steenbrok naar omlaag en de aanvallers moesten erkennen, dat hun -vijanden goed wisten te mikken.</p> -<p class="par">Alewijn keek naar boven: hij verbeeldde zich, op den -muur gedaanten te zien, maar het was te donker om alles goed te -onderscheiden. Toch grepen de boogschutters naar de wapenen en schoten -hun pijlen af. ’t Was wel op goed geluk af gemikt, maar ze -schenen doel te treffen. De belegerden, die zeker begrepen, dat hun -vijanden waakzaam en bijdehand waren, lieten hen verder wijselijk met -rust en zochten ook zelf in den slaap nieuwe krachten te verzamelen -voor den volgenden dag. Het schieten werd gestaakt, en overal op den -muur keerde de rust terug.</p> -<p class="par">Dadelijk gingen de belegeraars aan den arbeid, om de -kat, die aan één zijde duchtig beschadigd was, te -herstellen. Toen de morgen aanbrak, stonden de krijgslieden van hun -legerstede op en men hervatte het werk van den vorigen dag. Weldra -kwamen de belegeraars dicht bij de gracht, maar hoe meer zij hun doel -naderden, des te meer deden de bewoners van het kasteel hun best, om -het gevaar, dat hen dreigde, af te wenden. Met grooten spoed droegen ze -steenen en brandstoffen aan en smeten die naar omlaag. De lieden, die -aan de kat werkten, hadden een gevaarlijk baantje; menig onvoorzichtige -moest zijn vermetelheid duur betalen. <span class="pagenum">[<a id= -"pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span>Onverpoosd werkte men -voort; wie al te vermoeid was, werd afgelost. Zoo vorderde de arbeid -flink en weldra was de kat, ondanks den heftigen tegenstand van den -vijand, de gracht genaderd. Maar nu kwam het moeilijkste eerst aan: hoe -de kat tegen den muur te krijgen? Er zat niets anders op dan de gracht -te dempen.</p> -<p class="par">Terwijl de boogschutters achter de schietschermen -tientallen pijlen op den vijand afschoten, terwijl twee arbaleten -zonder ophouden werkten en een blijde telkens een zwaren steen omhoog -wierp, kwamen de werklui met zakken zand, met steenen en takkenbossen -aandragen, ten einde, beschut door het stevige dak van de kat, daarmee -een fermen dam in de gracht te maken.</p> -<p class="par">Woedend zagen de belegerden het aan, hoe hun vijanden -vorderden; ze stelden alle pogingen in het werk, om het verraderlijk -ding te vernielen en den werklui allen arbeid onmogelijk te maken. -Vergeefs! Ieder, die zich op den muur vertoonde, verkeerde in -doodsgevaar; pijlen deerden het stevige gevaarte niemendal; vuur, ja, -tegen vuur zou het houten ding niet bestand zijn. En ijverig togen de -belegerden aan het werk; haastig wierpen ze brandende takkenbossen en -pekkransen naar omlaag. Rookend en naar alle zijden vonken spattend, -kwam een regen van vuur nederdalen, maar ook hierop was men bedacht -geweest.</p> -<p class="par">In plaats van de houten kat in brand te steken, zooals -de belegerden hadden verwacht, doofde het vuur dadelijk uit, zoodra het -op het dak van het <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" -name="pb53">53</a>]</span>gevaarte terecht kwam. Geen wonder: de kat -was met natte koeienhuiden gedekt.</p> -<p class="par">Intusschen moesten de belegeraars toch voortdurend op -hun hoede blijven.</p> -<p class="par">Een der boogschutters, die dicht bij de kat achter een -scherm zat, had al zijn schichten verschoten, en riep Hark toe: -„Zeg jongen, raap mij even een paar pijlen op.” Maar Hark -vond het aangenamer, veilig onder de kat te zitten, dan zich in gevaar -te begeven, en antwoordde: „Doe het zelf maar.”</p> -<p class="par">„Jij bent er dichter bij.”</p> -<p class="par">„Dat zal wel, maar ik heb geen zin, mijn huid te -wagen.”</p> -<p class="par">„Kom, durf jij dat nog niet?” zei een ander, -die ook aan de kat meehielp.</p> -<p class="par">„Jij zeker wel?”</p> -<p class="par">„Waarom niet?”</p> -<p class="par">„Wie zoo dwaas wil zijn, moet het zelf weten, ik -bedank er voor.”</p> -<p class="par">„Je zult toch wel wijzer wezen,” waarschuwde -Alewijn. „Laat die kerel het zelf doen.”</p> -<p class="par">„Nu, zooveel bijzonders is het niet; ik zal je -laten zien, dat ik het wel durf.”</p> -<p class="par">Hierop begaf de man zich buiten de kat en raapte ijlings -eenige pijlen op; juist wilde hij ze den boogschutter toewerpen, toen -plotseling een klomp vuur op hem neerviel en zijn kleeren, die van een -grove wollen stof vervaardigd waren, oogenblikkelijk vlam deed -vatten.</p> -<p class="par">„Daar heb je ’t al,” zei Hark, toen -hij het ongeluk zag. <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" -name="pb54">54</a>]</span></p> -<p class="par">De man stond een oogenblik als verbijsterd; hij wist -blijkbaar niet, wat te doen.</p> -<p class="par">„In de gracht! Spring in de gracht!” riepen -zijn makkers, die bang waren, dat hij de kat zou binnenloopen en daar -nog grooter onheil stichten.</p> -<p class="par">Gelukkig had de man zooveel tegenwoordigheid van geest, -dat hij dien goeden raad kon opvolgen; zonder aarzelen sprong hij het -water in. Dadelijk doofden zijn brandende kleeren uit. Maar de -belegerden hadden hem al opgemerkt: onder luid geschreeuw wierpen ze -steenen naar omlaag; van alle kanten plaste en plofte het en de man -mocht van geluk spreken, dat hij er nog heelhuids afkwam.</p> -<p class="par">Dit voorval had een korten tijd aller aandacht afgeleid, -maar nu werd het werk weer met frisschen moed opgevat. Voor en na -kwamen mannen en knapen met zakken zand en takkenbossen aandragen.</p> -<p class="par">„Wacht, reik mij dien zak nog even aan,” zei -Eggerik tot Alewijn, die achter hem stond.</p> -<p class="par">„Hier heb je er nog een!” riep Hark.</p> -<p class="par">„Neen, houd dien zoolang bij je. Nu moet ik nog -een takkenbos hebben. Mooi. Ziezoo, nu kunnen we weer beginnen met er -planken op te leggen. Wat zeg jij, Gerebrandt?”</p> -<p class="par">„Welzeker.”</p> -<p class="par">„Als het van voren maar niet inzakt,” merkte -een ander op.</p> -<p class="par">„Vooruit Hark, probeer jij den dam -even.”</p> -<p class="par">„Dank je wel,” zei Hark.</p> -<p class="par">„Wat brom je daar?” <span class= -"pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p> -<p class="par">„Dat ik er geen zin in heb.”</p> -<p class="par">„Wat je zegt! Wil je nu wel eens een, twee, drie, -doen, wat ik je gebied? Anders....”</p> -<p class="par">Hark keek even naar de geduchte knuisten van den -timmerman, daarop naar diens gezicht en, wijl hij begreep, dat de man -in staat zou zijn, hem midden in de gracht te werpen, voldeed hij, -hoezeer ook met grooten tegenzin, aan het bevel.</p> -<p class="par">Al stak er een afdak van de kat naar voren, dat gaf Hark -niet veel: hij moest zich nog verder wagen en daarin had hij, blijkens -zijn tegenstribbelen, heel weinig trek.</p> -<p class="par">„Vooruit maar, kereltje, je zult niet -smelten,” riep de timmerman, die er schik in had, dat Hark zoo -bang was. „Ziezoo, dans nu maar even, dan kan Gerebrandt zien, of -de dam wel stevig genoeg is.”</p> -<p class="par">„Als hij het mij wou laten doen, bedankte ik er -toch voor,” dacht Alewijn. Nu, Hark was ook niet van plan, te -dansen, maar plotseling schoot er een pijl naar omlaag en raakte hem -precies in de hand.</p> -<p class="par">„Au, au!” riep Hark en sprong in het rond -van de pijn. Op het gezicht hiervan begonnen allen hartelijk te lachen -en de timmerman zei: „Mooi zoo, mijn jongen, dat mag je nog eens -weer doen; kom nu maar hier, dan zal ik je even van dat lastige ding -bevrijden.” Hark was wat blij, dat hij die gevaarlijke plaats -mocht verlaten. Intusschen deed de wonde geducht zeer; geen wonder ook: -de pijl was hem dwars door de hand gedrongen.</p> -<p class="par">Natuurlijk kon die daar niet blijven zitten; hij moest -er uitgetrokken worden. <span class="pagenum">[<a id="pb56" href= -"#pb56" name="pb56">56</a>]</span></p> -<p class="par">„Neen, neen,” riep Hark verschrikt, -„het doet mij al pijn genoeg.”</p> -<p class="par">„Wou je er dan zoo mee rond blijven loopen? Dat -zou een aardige vertooning zijn. Nu, wat ben je van plan? Mag ik er -niets aan doen? ’t Is mij goed.”</p> -<p class="par">Hoewel aarzelend, kwam Hark toch naar den timmerman toe -en stak zijn hand uit.</p> -<p class="par">„Er zit niets anders op, dan den pijl midden door -te breken. Pas op. Druk je tanden maar op elkaar, dan voel je er niets -van.”</p> -<p class="par">De timmerman had mooi praten: Hark schreeuwde het uit, -maar de onbarmhartige Eggerik sprak: „Stel je niet zoo -kinderachtig aan, we zijn immers al klaar; je zult er heusch niet aan -sterven. Ga nu maar gauw heen en laat je verbinden. Komt, jongens, nu -wij weer aan het werk.”</p> -<p class="par">Toen de avond daalde, had men de gracht halverwege -gedempt. Nog werd er niet bevolen, op te houden. De ridder, die het -toezicht had, liet in de kat een paar fakkels ontsteken, en bij het -flikkerende licht arbeidde men voort. Niemand toonde zich ontevreden, -omdat hij niet kon rusten: allen verlangden, het vernielende werktuig -aan den gang te zien. Reeds werd de zware balk, dien men aan het dikke -einde met ijzer beslagen had, klaar gelegd.</p> -<p class="par">Den volgenden middag eindelijk was men gereed: de kat -lag pal tegen den muur. Eerst nu werd den werklui eenigen tijd rust -gegund, maar slechts kort, want al spoedig zou de eigenlijke arbeid -beginnen. De balk moest in de kat opgehangen worden. ’t -<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name= -"pb57">57</a>]</span>Was een heele zwaarte; zes sterke kerels hadden er -dan ook moeite genoeg mee.</p> -<p class="par">Daar kwamen ze er mee aandragen. „Op zij, op -zij,” riep de timmerman, die graag het hoogste woord mocht -voeren, „Alewijn, geef jij dat touw eens hier.”</p> -<p class="par">Alewijn keek om en zag een dik touw op den grond liggen. -Hij nam het dadelijk op en bracht het den timmerman, die het om den -balk bond; hetzelfde gebeurde op een andere plaats; vervolgens werd het -zware ding langzaam naar boven geheschen, en daar bevestigde men de -touwen aan het dak van de schuur.</p> -<p class="par">„Ziezoo, nu allen uit den weg, die er niets mee te -maken hebben.” Men zou het werktuig probeeren.</p> -<p class="par">Alewijn en nog twee anderen trokken den balk door middel -van een stevig touw naar achteren en wachtten, tot het teeken werd -gegeven om los te laten.</p> -<p class="par">„Eén, twee, drie!”</p> -<p class="par">Met een vreeselijken slag kwam de zware balk tegen den -dikken muur. Het ding werkte uitstekend; de timmerman wreef zich -vergenoegd de handen en vol ijver hielp hij mee, om den balk weer -achteruit te trekken.</p> -<p class="par">Weldra zag ieder duidelijk in, dat men lang zou moeten -beuken, vóór de muur bezweek, want deze was blijkbaar -buitengewoon dik en sterk. Intusschen gaven de belegeraars zoo gauw den -moed niet op; den geheelen dag hield het beuken aan, en, al bleef de -muur de eerste dagen nog even onwrikbaar <span class="pagenum">[<a id= -"pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>staan, zoo hoopten ze -toch, dat hij in het laatst voor de geduchte kracht van den stormram -wel bezwijken zou.</p> -<p class="par">De bewoners van het kasteel schenen zich zeer ongerust -te maken over de uitwerking, die de kat kon hebben, want ze deden -alles, wat ze konden om haar te vernielen. Nog geen enkelen keer was er -zulk een vreeselijke regen van pijlen en steenen neergevallen.</p> -<p class="par">„Laat ze maar,” zei een der mannen tot -Alewijn, toen er weer twee steenen op het dak bonsden; „we zitten -hier veilig en wel.”</p> -<p class="par">„Maar als er een zwaar blok op de kat neerkwam, -zou onze veiligheid niet lang duren.”</p> -<p class="par">„Wees daar maar niet bang voor.”</p> -<p class="par">„Waarom niet?”</p> -<p class="par">„Zware steenen kunnen ze niet op de kat laten -vallen.”</p> -<p class="par">„Dat begrijp ik niet.”</p> -<p class="par">„Ik wel. Om zoo’n zwaar blok buiten den muur -naar beneden te smijten, zouden de lui zich op den muur moeten -vertoonen, maar daar passen ze wel voor op. Onze boogschutters schijnen -goed te mikken: ieder, dien ze in het oog krijgen, is verloren.” -<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name= -"pb59">59</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2526">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"ZESDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Een gevangene.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">’t Was avond. Alewijn, Hark en eenige -anderen zaten achter een zandhoop veilig en wel een praatje te -houden.</p> -<p class="par">„Hier Hark,” zei Gerebrandt, „snijd -daar maar een stuk voor je af.” Dit zeggende, reikte hij zijn -makker een homp spek toe. Hark greep het aan en poogde met de -linkerhand zijn deel er af te snijden.</p> -<p class="par">„Hoe is het,” vroeg Gerebrandt, „ben -je linksch geworden?”</p> -<p class="par">„’t Lijkt wel zoo, <span class="corr" id= -"xd21e975" title="Bron: he">hè</span>? Ik heb een pijl door mijn -rechterhand gekregen.”</p> -<p class="par">„Laat eens kijken.”</p> -<p class="par">„Ja, Hark, hoe gaat het er mee?”</p> -<p class="par">„Och,” zei Hark, zijn hand uitstekende, -waarop een groot litteeken te zien was, „het gaat nog al. Ik -<span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name= -"pb60">60</a>]</span>had er in het eerst veel pijn aan, maar nu wordt -het wat beter.”</p> -<p class="par">„Geef mij het spek ook eens,” riep een -ander.</p> -<p class="par">„Pak maar aan, maar zuinig wezen, begrepen? Jij -bent nog al gulzig uitgevallen.”</p> -<p class="par">„Hoe gaat het met Alwaert?”</p> -<p class="par">„Ik denk niet, dat hij er van op zal komen. Hij -kreeg een steen precies op zijn hoofd; een gat, dat je er wel een vuist -in kunt steken; en daar komt nog bij, dat het leer van zijn kap in de -wonde is gedrongen. Hij moet nog altijd buiten kennis zijn.”</p> -<p class="par">„Waar ligt hij?”</p> -<p class="par">„Ginds in de tent bij dien eikeboom. Je weet, dat -heer Diederik hem <span class="corr" id="xd21e999" title= -"Bron: nog al">nogal</span> graag lijden mag. Hij heeft bevolen, dat -men Alwaert goed moet verzorgen, en dat hij wijn moet -hebben.”</p> -<p class="par">„Komaan, daar zou je haast gewond voor willen -zijn. Ik heb nog maar eens van mijn leven wijn geproefd.”</p> -<p class="par">„Dien had je dan zeker gestolen. Ik zou tenminste -niet weten, hoe jij aan wijn moest komen.”</p> -<p class="par">„Dat gaat jou ook niemendal aan.”</p> -<p class="par">„Nu, maar ik ben duizendmaal liever gezond, dan -met een gat in het hoofd te liggen, al zou ik er ook tien flesschen -wijn voor krijgen. Ik zeg je, dat Alwaert dood gaat, dat staat vast. -Heer Diederik mag dan zoo goed voor hem wezen, als hij wil.”</p> -<p class="par">„Ik sta verbaasd over zijn gulheid. Heer Diederik -is anders zoo zachtaardig niet.”</p> -<p class="par">„Och, hij heeft meer van die grillen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name= -"pb61">61</a>]</span></p> -<p class="par">„Hoor eens, daar zal wel een reden voor bestaan. -Misschien....”</p> -<p class="par">„Nu, ik ben liever kwade vrienden met heer -Diederik, dan met zoo’n vreeselijke wonde te liggen.”</p> -<p class="par">„Dat zeg ik met je. Zoo iets loop je nu met die -leeren kappen op; die dingen beschermen je niemendal; je kunt evengoed -een wollen muts op je hoofd zetten. Neen, jongen, dan helpt zoo’n -ijzeren helm beter. Kijk eens!”</p> -<p class="par">„Ja, dat moest ik je nog eens vragen. Hoe kom je -daar toch aan?”</p> -<p class="par">„Dat zal ik je zeggen. Rembrandt de smid moest -voor onzen heer een nieuwen helm smeden. Hij ging aan het werk en was -er al een heel eind mee klaar, toen de heer er naar kwam kijken en zei, -dat het ding hem heelemaal niet naar den zin was. Hij wilde een -prachtigen grooten helm met een omgekeerden vogelklauw er op hebben. -Zoo bleef Rembrandt met een half afgewerkten helm zitten. Juist kwam ik -bij hem, en toen liet hij mij het ding zien. „Wel,” zei ik, -„dat zou net iets voor mij zijn.”</p> -<p class="par">„Wat geef je er voor?” vroeg hij.</p> -<p class="par">„Nu,” zei ik, „ik wil eerst weten, of -hij past.”</p> -<p class="par">„Zet hem dan even op.”</p> -<p class="par">„Ik deed dat, en—het leek wel, of hij apart -voor mijn hoofd gemaakt was. „Een schaap en vijf vette -konijnen,” zei ik toen en dadelijk antwoordde hij: -„Top.”</p> -<p class="par">„Ik bracht hem de beesten en hij gaf mij den -helm.” <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name= -"pb62">62</a>]</span></p> -<p class="par">„’t Zou mij te zwaar zijn, zoo’n -ijzeren pot op het hoofd. Wat zeg jij, Hark?”</p> -<p class="par">„Mij ook.”</p> -<p class="par">„Laat jij je dan maar het hoofd inslaan; ik houd -mijn huid liever heel.”</p> -<p class="par">„Maar zoo’n ding zit toch hard.”</p> -<p class="par">„Daar heb ik al voor gezorgd,” antwoordde -Roger, keerde den helm om en liet zien, hoe hij hem van binnen met een -schapenhuid gevoerd had. „Je merkt er haast niets van, dat je -iets op je hoofd hebt. En ik moet je zeggen, die helm heeft me goede -diensten bewezen. Vandaag bijvoorbeeld is er al drie keer een pijl -tegen getikt; die waren voor mijn hoofd bestemd, maar ik heb er in het -geheel geen last van gehad. Zoo iets had jou met je leeren kap eens -moeten gebeuren; als je er nu nog een ijzeren riem om had -geslagen....”</p> -<p class="par">„Ik heb zulk een helm,” riep Gerebrandt en -liet zijn kap zien.</p> -<p class="par">„Juist, die zijn steviger, maar ik houd vol, niets -beschermt je zoo goed als een ijzeren kap.”</p> -<p class="par">„Je lijkt er heer Diederik wel mee,” zei -Hark spottend.</p> -<p class="par">Roger de valkenier was niet weinig gestreeld over deze -opmerking, die hij voor ernst opnam en hij antwoordde: „Ik zou -het niet graag willen; hoe hooger je staat, des te eerder heeft de -vijand het op je gemunt. Komaan, jongens, het begint donker te worden; -ik ga slapen; morgen is het weer vroeg dag.”</p> -<p class="par">„<span class="corr" id="xd21e1058" title= -"Bron: He">Hè</span>, wat flauw; nu je het brood en het spek op -hebt, ga je weg.” <span class="pagenum">[<a id="pb63" href= -"#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p> -<p class="par">„Kom, Roger, blijf nog een poosje.”</p> -<p class="par">„Jullie hebt mooi praten; morgen moet ik weer -onder de kat aan het werk. ’t Begint een vervelend werk te -worden. Ik wou, dat ik mijn goedendag maar eens gebruiken mocht. -Jongens, dat zou me vrij wat beter bevallen.”</p> -<p class="par">„Nu, als het zoo doorgaat....”</p> -<p class="par">„Wat dan?”</p> -<p class="par">„Dan komen we nooit binnen het kasteel.”</p> -<p class="par">„Zoo denk ik er ook over,” zei Roger. -„Wat een muur; er is geen verwrikken aan.”</p> -<p class="par">„Dat moet je niet zeggen; als je maar volhoudt, -zul je het met een kat altijd winnen. Nu, ik ga slapen.”</p> -<p class="par">Roger verwijderde zich om zijn leger op te zoeken en -Alewijn merkte op: „Het begint al tamelijk donker te worden. -Komaan, de aardigheid is er nu toch af; ik ga ook maar weg.”</p> -<p class="par">Juist was hij opgestaan, toen hij Roger zag -terugkomen.</p> -<p class="par">„Heb je wat vergeten?”</p> -<p class="par">„St, jongen, wees eens stil,” fluisterde -Roger, „ik verbeeld me, dat ik wat hoorde plassen in de -gracht.”</p> -<p class="par">„Willen we eens meegaan?”</p> -<p class="par">„Ja, ja!” Allen stonden op, begaven zich in -de richting van de gracht en luisterden.</p> -<p class="par">Het kasteel stond daar voor hen, donker en stil, als een -zware, zwarte massa.</p> -<p class="par">In het water zaten kikvorschen te kwaken, maar men -vernam geen ander geluid en reeds meenden de <span class= -"pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>lui, dat -Roger hen voor den gek had gehouden, toen een donker lichaam voor den -dag kwam en langzaam op hen toeliep. Zij, die een wapen bij zich -hadden, hielden dit gereed, maar ze behoefden het niet te gebruiken, -want de vreemde kwam niet met vijandige bedoelingen. Gewillig liet hij -zich grijpen.</p> -<p class="par">„Wil ik hem met mijn goedendag niet -even....?” vroeg Hark, die vooral dapper was, als zijn -tegenpartij zich niet verweren kon.</p> -<p class="par">„Ben je mal, kwajongen; wat mankeert je wel? Laten -we eerst hooren, wat het voor een kerel is en of hij ook iets in zijn -schild voert.”</p> -<p class="par">„Ik wil je heer spreken.”</p> -<p class="par">„Pas op, hij neemt je beet. ’t Is een spion, -wat ik je zeg.”</p> -<p class="par">„Dat hindert niet. We kunnen hem met ons allen -immers goed bewaken, en onze heer zal zich niet laten verschalken, -reken daar maar op. Wat dunkt je, willen wij hem even -wegbrengen?”</p> -<p class="par">„Ja, dat is goed. Wij gaan mee.”</p> -<p class="par">Met den gevangene in hun midden begaven allen zich naar -de tent van den heer. Deze zat met een ander ridder op zijn gemak te -schaken. Zijn helm had hij afgezet; het breede zwaard stond tegen een -stoel. Een standaardvlam verlichtte met een flikkerend schijnsel de -tent.</p> -<p class="par">„Wat hebben jullie daar?”</p> -<p class="par">„Een gevangene.”</p> -<p class="par">„Zoo, brengt hem naar ridder Ernhard; die zal wel -weg met hem weten, en maakt nu, dat je weg komt.” <span class= -"pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span></p> -<p class="par">„Ja, heer, maar hij wenschte u te spreken: hij -schijnt iets te willen vertellen.”</p> -<p class="par">„Zoo; hoe hebben jullie hem dan -gevangen?”</p> -<p class="par">Dadelijk trad Gerebrandt, die graag haantje de voorste -mocht zijn, op den heer toe en deelde hem mee, hoe alles in zijn werk -was gegaan.</p> -<p class="par">„Komaan,” antwoordde de heer, „dan -moet ik toch eens vernemen, wat die sinjeur op zijn hart heeft; gaat -maar heen.”</p> -<p class="par">„Willen we eens luisteren, wat hij vertelt?” -vroeg Gerebrandt zacht aan zijn makkers.</p> -<p class="par">„Pas maar op, dat heer Diederik je niet ziet, want -dan loopt het ongemakkelijk met je af.”</p> -<p class="par">„Ik doe het tenminste niet,” zei Alewijn, en -ging weg, door de anderen gevolgd. Alleen Gerebrandt kon zijn -nieuwsgierigheid niet bedwingen en zei: „’t Kan mij niet -schelen, ik wil toch eens luisteren.”</p> -<p class="par">„Laten we hier even wachten,” merkte Hark -op, „Gerebrandt zal direct terugkomen.”</p> -<p class="par">„Och, hij liegt het toch; denk je heusch, dat hij -iets verstaan kan?”</p> -<p class="par">„Waarom niet? ’t is immers in het geheel -geen moeite, eventjes te wachten.”</p> -<p class="par">Dit deden ze. Reeds begon hun dit te vervelen, en wilden -Alewijn en een paar anderen zich verwijderen, toen Gerebrandt -terugkwam:</p> -<p class="par">„Ik weet het al. <span class="corr" id="xd21e1143" -title="Bron: Gaat">Ga</span> maar gauw mee, dan zul je het hooren. -’t Is een overlooper. Omdat hij gisteren voor een kleine -vergissing zware straf kreeg, heeft hij de plaat gepoetst, en nu -verklapt hij iets, dat geheim had moeten blijven.” <span class= -"pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name="pb66">66</a>]</span></p> -<p class="par">„Wat is dat dan?”</p> -<p class="par">„De belegerden willen een uitval doen<span class= -"corr" id="xd21e1151" title="Bron: ,">.</span>”</p> -<p class="par">„Een uitval? En wanneer?”</p> -<p class="par">„Ik denk, deze week al, maar dat kon ik niet goed -verstaan.”</p> -<p class="par">„Och jongen, laat je nu niets -wijsmaken.”</p> -<p class="par">„Wijsmaken? Wijsmaken? Wat ik je zeg, is waar. -Maar als je het niet gelooven wilt, moet je het laten.”</p> -<p class="par">„Neen, neen, vertel maar verder. En wat zei heer -Diederik daar wel van?”</p> -<p class="par">„Hij lachte er om en riep: „Och, och, ze -meenen, dat wij ’s nachts niets anders doen dan slapen. Nu, dat -zullen ze gewaar worden.” En toen voegde hij er nog bij: -„Kerel, ik zal je laten vasthouden. Als het blijkt, dat je -gelogen hebt, zit er wat voor je op, maar als je waarheid hebt -gesproken, krijg je een flinke belooning.”</p> -<p class="par">„Wat heer Diederik verder nog sprak, kan ik niet -zeggen, want ik wist er nu genoeg van en maakte, dat ik wegkwam.” -<span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name= -"pb67">67</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2532">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"ZEVENDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">De uitval.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Het bleek, dat Gerebrandt waarheid gesproken -had.</p> -<p class="par">Nog dienzelfden nacht gaf heer Diederik bevel, de -wachten te verdubbelen, en Hark, die al was gaan slapen, kreeg bevel op -te staan en mee wakker te blijven. Hoezeer ook met tegenzin, -gehoorzaamde hij dadelijk, maar werd door zijn makkers, die konden -blijven liggen, hartelijk uitgelachen.</p> -<p class="par">De geheele nacht ging echter voorbij, zonder dat er iets -bijzonders gebeurde en ook de twee volgende dagen bleef het rustig.</p> -<p class="par">Reeds begon de verrader, die in een der tenten geboeid -lag, te vreezen, dat er van het plan niets zou komen. Herhaaldelijk -vroeg een der bewakers hem spottend, of hij wezenlijk meende, dat heer -Diederik zich zoo gemakkelijk liet beetnemen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span></p> -<p class="par">Ook de heer vermoedde, dat het bedrog was en gaf bevel, -om, mocht ook de twee volgende nachten de vijand geen uitval doen, den -verklikker eenvoudig op te hangen.</p> -<p class="par">„Hij hoopte zeker stilletjes te ontsnappen en toen -hij gepakt werd, zich door zoo’n leugen te redden,” meende -Hark.</p> -<p class="par">„Wel slim overlegd. Jammer voor hem, dat zijn -plannetje zoo mislukt is.”</p> -<p class="par">„Ik geloof het nog maar niet, dat hij gelogen -heeft,” zei Gerebrandt. „Ze zullen zeker nog een paar dagen -wachten, omdat nu nog den geheelen nacht de maan schijnt. Morgen is het -laatste kwartier; dan komt de maan te middernacht op, overmorgen nog -weer later en zoo gaat het door. Ik denk, dat dit eenvoudig de oorzaak -is, waardoor we nog niets van een uitval gemerkt hebben.”</p> -<p class="par">Dit was heel goed van Gerebrandt gezien. In waarheid, de -bewoners van het kasteel achtten den tijd voor een uitval nog niet -gekomen, omdat het ’s avonds nog niet donker genoeg was. Maar -lang wilden ze de zaak toch ook niet uitstellen. Het doel was namelijk, -de kat, die hun zooveel zorg baarde, in brand te steken.</p> -<p class="par">Gerebrandts voorspelling kwam uit. Twee dagen na den -avond, waarop dit laatste gesprek gehouden was, hoorde de wacht, die -het dichtst bij de poort stond, onverwachts een gedruisch.</p> -<p class="par">De poort kraakte, de ketting van de brug piepte, en -dadelijk haastte de wacht zich, om zijn krijgsmakkers te waarschuwen. -Gelukkig had heer Diederik <span class="pagenum">[<a id="pb69" href= -"#pb69" name="pb69">69</a>]</span>nog steeds dezelfde -voorzichtigheidsmaatregelen doen nemen; daaraan was het te danken, dat -in een oogwenk een aanzienlijk gedeelte van het leger gereed stond om -den vijand te ontvangen.</p> -<p class="par">Deze had anders zijn tijd wel goed gekozen: er heerschte -een volslagen duisternis in den omtrek. Was het plan niet verraden, de -<span class="corr" id="xd21e1203" title="Bron: uitslag">uitval</span> -zou stellig veel kans van slagen gehad hebben. Maar thans! De -belegerden hadden het eens moeten weten, wat hun dreigde. Ze zouden -zich stellig nog wel bedenken.</p> -<p class="par">Want daar buiten stond een heele bende gereed. Ridders -te paard, met den helm op het hoofd en een maliënkolder aan, -verbeidden ongeduldig het uur van den strijd. Tal van voetknechten -hadden zich om hen verzameld. Sommigen droegen leeren, anderen ijzeren -kappen. Nog anderen, die zich den tijd niet hadden gegund, om iets mee -te nemen, liepen blootshoofds. De meesten waren in een leeren kolder -gehuld, maar er bevonden zich ook strijders in den troep, die eenvoudig -een dierenhuid hadden omgeslagen, ten einde hun lichaam toch eenigszins -tegen slagen en steken te beveiligen.</p> -<p class="par">Ook Alewijn bevond zich onder de strijders. Den boog had -hij maar met rust gelaten; in een gevecht van man tegen man zou hij met -een fermen kolf meer kunnen uitrichten. Zoo’n knuppel, aan het -zware einde van scherpe punten voorzien, mocht dan ook een geducht -wapen genoemd worden, vooral wanneer het gezwaaid werd door de sterke -vuist van Alewijn.</p> -<p class="par">Voor den eersten keer van zijn leven woonde de -<span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name= -"pb70">70</a>]</span>jongen een gevecht bij. Hoewel het hem eigenlijk -weinig kon schelen, of heer Diederik, dan wel de vijand het won, begon -hij toch schik in den krijg te krijgen, zeker, omdat hij daarin -gelegenheid had, zijn kracht te toonen. En alsof het een veertje was, -zoo zwaaide hij zijn kolf in het rond.</p> -<p class="par">„Hei,” riep Hark, die dicht bij hem stond, -„houd je wat kalm asjeblieft; het lijkt wel, of je mij voor een -van de vijanden aanziet. Of wou je tegen de lucht vechten? Dat is -gemakkelijk voor je.”</p> -<p class="par">De omstanders begonnen te lachen, tot een der ridders, -die in de nabijheid zich bevond, fluisterend beval: „Stilte die -lui daar; let liever op, of je moet aanvallen.”</p> -<p class="par">Dadelijk hielden allen zich rustig. Hoe scherp men ook -uitkeek, niemand kon nog iets onderscheiden, zoo donker was het. -Enkelen merkten reeds fluisterend op, dat het wel bedriegerij zou zijn, -toen er plotseling lichten schemerden.</p> -<p class="par">„Domme lui toch,” bromde Gerebrandt, -„nog fakkels mee te nemen!”</p> -<p class="par">Ja, dit leek ook wel wat dwaas, maar de belegerden -wisten natuurlijk niet, dat er zoo goed wacht werd gehouden. Ze waren -in de vaste overtuiging, dat het geheele leger rustig sliep, vermoeid -van de groote inspanning der laatste dagen. Zoo hoopten ze, eer nog de -verschrikte wachten alarm gemaakt hadden, het kamp te overvallen, en de -houten belegeringswerktuigen in brand te steken. En voor dit doel was -het vuur meegenomen. Alles: blijden, springalen, arbaleten, tot de kat -toe, ja, dit laatste <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" -name="pb71">71</a>]</span>werktuig vooral, hoopten ze in vlammen te -doen opgaan.</p> -<p class="par">Ze hadden hun plan wel goed overlegd. Terwijl de voorste -krijgers den vijand moesten aanvallen, schrik brengende onder de -slapenden, om hen eindelijk in wanorde op de vlucht te jagen, zouden -anderen met brandende stoffen, pek en teer, de belegeringswerktuigen in -vlammen doen opgaan.</p> -<p class="par">Welk een teleurstelling! Want pas bevond zich de geheele -bende buiten de poort, of daar werd ze plotseling van alle zijden -aangevallen.</p> -<p class="par">„Er mag niemand ontsnappen,” had de edelman -bevolen. En in zich zelf lachte hij vergenoegd bij de gedachte, dat de -jonker, die zich stellig ook wel bij de bende zou bevinden, levend of -dood in zijn handen moest vallen. Ha, zulk een vangst was de moeite -waard. De edelman had dan ook ten strengste bevolen, dat men zijn best -zou doen, om den jonker te vangen.</p> -<p class="par">Ten einde den uitslag van het gevecht ontwijfelbaar te -maken, had de edelman aan de eene zijde een krachtigen troep -welgewapende strijders doen plaats nemen, die den vijand in den rug -moesten aanvallen.</p> -<p class="par">Nog een oogenblik, en er ontstond een vreeselijk rumoer -in den donkeren nacht. Menschen en paarden woelden schreeuwend en -hinnekend dooreen. Overal sloeg men met zwaarden en knotsen er wild op -in. Weldra hoorde men aan alle zijden het akelig kermen der -gekwetsten.</p> -<p class="par">In plaats van hun vijanden te verrassen, waren de -<span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name= -"pb72">72</a>]</span>belegerden zelf in een val geloopen, een val, zoo -vreeselijk, dat er aan uitkomst niet te denken viel. En toen ze, -inziende, dat hun plan zoo deerlijk mislukt was, ontsteld op de vlucht -sloegen, werden ze ook van de andere zijde aangevallen. Zoo zagen ze -zich ingesloten, aan alle kanten door een overmachtigen vijand -ingesloten. Hier kon geen strijden helpen, hier liep men onvermijdelijk -zijn verderf te gemoet. Weldra was het dan ook geen vechten meer, het -was slachten; of de ongelukkigen al jammerend om genade smeekten, daar -werd niet naar geluisterd; met een ware moordlust sloegen de -belegeraars op hun zwakke tegenpartij in, die dan ook merkbaar -verminderde. Slechts enkelen werden gevangen genomen.</p> -<p class="par">Bijna geen der belegerden kon nog de poort bereiken; de -weinige vluchtelingen werden op den voet gevolgd door hun juichende -vijanden. Dezen meenden reeds, op een gemakkelijke manier binnen het -kasteel te geraken, toen de zware deur hun nog juist bijtijds voor den -neus werd dichtgesmeten.</p> -<p class="par">Heer Diederik was verrukt over de prachtige overwinning; -tal van vijanden lagen dood of gewond neer; alleen speet het hem, dat -hij den jonker niet had kunnen vangen. Het scheen dus, dat deze bij het -gevecht niet tegenwoordig was geweest. Dit verminderde de vreugde van -heer Diederik wel wat; zoolang hij zich niet van den jonker meester -gemaakt had, was hij niet tevreden. Intusschen zou dit doel ook wel -bereikt worden: de bezetting van het kasteel was door den ongelukkigen -uitval zeer <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name= -"pb73">73</a>]</span>verzwakt; ze kon het nu onmogelijk lang meer -uithouden.</p> -<p class="par">Toch vergiste de ridder zich, als hij meende, dat de -jonker den uitval niet had meegemaakt; deze was wel degelijk onder de -strijdenden geweest. Wat er dan met hem was voorgevallen? We zullen het -spoedig zien.</p> -<p class="par">Een uur na middernacht heerschte er weer diepe rust om -het kasteel. De meeste strijders waren gaan slapen, overtuigd, dat de -bezetting vooreerst geen tweeden uitval zou wagen. Alleen hier en daar -stonden de wachten en deden moeite om zich den slaap uit de oogen te -houden. De regen had opgehouden. De maan kwam op; het werd wat lichter. -<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name= -"pb74">74</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2538">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"ACHTSTE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Op wacht.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">„’t Is jouw beurt om de wacht te -houden, Alewijn,” zei Gerebrandt, „je treft het, het weer -klaart op.”</p> -<p class="par">„Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig -maken.”</p> -<p class="par">„Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis -gekomen,” hernam Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde -vijanden wijzende.</p> -<p class="par">Alewijn rilde. „Als al die lichamen toch nog eens -levend bleken te zijn,” dacht hij. De jongen gevoelde in het -geheel geen lust om op wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; -het zware kasteel rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik -van die doode menschen op den grond deed hem een huivering over den rug -gaan. <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name= -"pb75">75</a>]</span></p> -<p class="par">„Nu,” zei Gerebrandt, „ik wensch je -veel genoegen; pas maar op, dat je niet in slaap valt.”</p> -<p class="par">Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen -bijna niet van het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De -maan was wat hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en -tenten om hem heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe -langer Alewijn daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders -niet licht bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet -terughouden; dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij -had meegedaan.</p> -<p class="par">Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa.</p> -<p class="par">„Hoe vreemd toch,” dacht Alewijn. „Een -paar uur geleden was die daar nog gezond en wel en nu.”</p> -<p class="par">Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij -staarde strak naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te -verroeren. Hij wilde vluchten en kon het niet: ’t was, alsof die -doode zich bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn -angstige gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant -uit te kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke -punt. Hij beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben -bewogen, dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij -het zoo duidelijk gezien.</p> -<p class="par">O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al -te duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; -Alewijn voelde zijn hart bonzen, <span class="pagenum">[<a id="pb76" -href="#pb76" name="pb76">76</a>]</span>hij wilde om hulp schreeuwen, -maar zijn stem stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, -poogde hij zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed -beven, te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees -te gevoelen, toch sidderde hij.</p> -<p class="par">Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; -toen Alewijn wat aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; -zijn bedaarde, moedige natuur kreeg weer de overhand.</p> -<p class="par">Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het -was, die hem met zijn spookachtige verschijning zoo’n schrik had -aangejaagd. Een paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens -werd hij nog door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij -trad toe, en, wat bleek nu?</p> -<p class="par">Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde -ook, want met moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke -stem:</p> -<p class="par">„Kom je om mij te dooden?”</p> -<p class="par">„Dat zal er van afhangen, wie je bent.”</p> -<p class="par">„Toe, dood mij maar, dadelijk liefst.”</p> -<p class="par">„Dat is een dwaze wensch; heb je zoo’n pijn -misschien?”</p> -<p class="par">„Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer -moeilijk. Heb medelij.”</p> -<p class="par">„Je behoort zeker tot de lieden uit het -kasteel?”</p> -<p class="par">„Ja.”</p> -<p class="par">Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en -den half opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest -zijn. Opeens ging hem een <span class="pagenum">[<a id="pb77" href= -"#pb77" name="pb77">77</a>]</span>licht op: als het de jonker eens was! -Dat zou een vangst wezen!</p> -<p class="par">„Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen -te nemen.”</p> -<p class="par">„Och, doe dat niet,” smeekte de gewonde met -angstige stem. Alewijn moest in zich zelf er om lachen, dat een groot -heer, een edelman, jegens een lijfeigene zich als een smeekeling -gedroeg. Daar moest wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou -een ridder zich zoo niet verlagen.</p> -<p class="par">„Verlang je er dan niet naar, te blijven -leven?”</p> -<p class="par">„Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal -liever sterven. Jonge man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch -in je trilt, verhoor dan mijn bede.”</p> -<p class="par">„De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens -hun minderen barmhartig te toonen.”</p> -<p class="par">„Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; -allen houden ze van me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet -kunnen zeggen.”</p> -<p class="par">„Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft -bevolen, den jonker levend gevangen te nemen.”</p> -<p class="par">„Wat, hoe weet je....?”</p> -<p class="par">„Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker -van.”</p> -<p class="par">„Wie durft te beweren, dat je heer Diederik -gehoorzaamheid verschuldigd bent? Hij heeft je gekocht misschien; is -dat nu zoo’n groote weldaad, waar je altijd dankbaar voor moet -blijven?”</p> -<p class="par">Alewijn weifelde: „Waarom zou ik mij ook zoo -slaafs gedragen?” dacht hij. <span class="pagenum">[<a id="pb78" -href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span></p> -<p class="par">De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van -slavernij had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet -liever zijn eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden -voor Alewijn, om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen -veiligheid. Want als Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den -jonker te redden, zou zijn leed niet te overzien zijn.</p> -<p class="par">De jonker scheen zijn gedachten te raden. „Jonge -man,” zei hij, „wat ik je vraag, is voor je zelf niet de -minste opoffering; laat mij rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. -En, als je dat niet wilt, dood mij dan, maar heb medelijden, neem me -niet gevangen; geef me niet levend aan mijn <span class="corr" id= -"xd21e1335" title="Bron: doodvijand">doodsvijand</span> -over.”</p> -<p class="par">„Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid -gekend: ik bezit ook mijn gevoel van eer,” zei Alewijn op -eenigszins scherpen toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig -medelijden met den ongelukkigen gewonde. „Wat heb ik eigenlijk -ook met heer Diederik te maken?” mompelde hij. „Heeft hij -mij niet als een dier gekocht? Heeft hij me niet van mijn ouders -losgescheurd? Worden wij allen niet voortdurend als vee behandeld? -Waarom zal ik dan voor zijn belangen opkomen? Is het niet beter, -barmhartig te zijn?”</p> -<p class="par">Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak -tot den jonker: „Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. -Beproef op te staan en op mij te leunen.”</p> -<p class="par">Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, en -<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= -"pb79">79</a>]</span>zie, hoe moeilijk het ook ging, de jonker schreed -langzaam voort.</p> -<p class="par">„Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is -het gevaarlijkste achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, -indien ge voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te -verdwijnen.”</p> -<p class="par">„Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe -je heet, en ik zal je goed beloonen.”</p> -<p class="par">„Een beloning begeer ik niet,” antwoordde -Alewijn en hij vervolgde glimlachend: „Ik denk, dat ge ook niet -veel zult hebben, om te beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, -om in te zien, dat uw kasteel het niet lang meer uithoudt.”</p> -<p class="par">„Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. -Als ik van nacht het huisje van de oude Wena bereik, ben ik -gered.”</p> -<p class="par">„Waar woont die?”</p> -<p class="par">„We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch -dikwijls bijgestaan; ze zal den jonker niets weigeren, als hij -<span class="corr" id="xd21e1359" title="Bron: o">om</span> een -schuilplaats smeekt.”</p> -<p class="par">Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan -bescheen met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en -wagens donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een -levend wezen. „Dat mag waarlijk een wonder heeten,” dacht -Alewijn, „hoe dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het -kamp ronddwalen. Ik kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt -word.”</p> -<p class="par">Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, -maar ten laatste was hij wel genoodzaakt, <span class="pagenum">[<a id= -"pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>een door de maan -beschenen vlakte over te steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich -als geheimzinnige spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker -slechts langzaam loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield -hij het evenwel tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed -kreunen.</p> -<p class="par">Eindelijk hadden ze het boschje bereikt.</p> -<p class="par">„Zie zoo,” zei Alewijn, „ik heb voor u -gedaan, wat ik kon; nu moet ik maken, dat ik terugkom.”</p> -<p class="par">Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk.</p> -<p class="par">„Wacht,” hernam Alewijn, in den zak tastende -en daaruit een stuk brood te voorschijn halende, „’t is wel -niet veel bijzonders, wat ik u geven kan, maar als ge honger hebt, kan -het dienst doen. Vaarwel.”</p> -<p class="par">De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn -post. Niet lang was hij daar geweest, toen een makker hem kwam -aflossen. Had zijn uitstapje dus wat langer geduurd, dan zou zijn -afwezigheid ontdekt zijn.</p> -<p class="par">Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde -natuurlijk wel, dat hij zijn mond hield. <span class="pagenum">[<a id= -"pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2544">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"NEGENDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">De oude Wena.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Het kasteel hield het langer uit, dan heer -Diederik had verwacht. De dikke muren boden weerstand aan de geduchte -slagen van den stormram en de edelman begon te vermoeden, dat hij met -geweld niets zou uitrichten. „Dan maar een ander middel te baat -genomen,” dacht hij, „een middel, dat wel langzaam, maar -zeker werkt: den honger.”</p> -<p class="par">Zoo kwam het, dat op een morgen alle vijandelijkheden -gestaakt werden; de heer wilde niet onnoodig pijlen laten -verschieten.</p> -<p class="par">Alewijn, Hark, Gerebrandt en eenige anderen hadden niets -te doen en zaten op een rustig plekje een stuk brood te deelen.</p> -<p class="par">„’t Wordt een schrale boel, jongens,” -zei Gerebrandt.</p> -<p class="par">„Hoe zoo?” <span class="pagenum">[<a id= -"pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span></p> -<p class="par">„Ik hoor, dat onze voorraad is opgeraakt, en de -wagens, die uitgezonden werden, om meel, brood en vleesch te halen, -zijn nog niet teruggekeerd.”</p> -<p class="par">„Vóór overmorgen kunnen ze hier -onmogelijk wezen.”</p> -<p class="par">„Dan wordt het vasten. Ik kan niet zeggen, dat ik -daar veel mee op heb.”</p> -<p class="par">„Ik ook niet. We doen verstandig met ons zelf te -helpen en dit stukje voor van avond te bewaren.”</p> -<p class="par">„Er zal toch in den omtrek nog wel iets te krijgen -zijn.”</p> -<p class="par">„Dat zou ik ook denken.”</p> -<p class="par">„Als we er maar eens op uit mochten.”</p> -<p class="par">„Durf jij het te vragen, Hark?”</p> -<p class="par">„Och, jawel, er is hier toch niets te -doen.”</p> -<p class="par">„Ja, jongens, waarom zou heer Diederik bevolen -hebben, dat alles moest ophouden?”</p> -<p class="par">„Misschien wil hij het kasteel -uithongeren.”</p> -<p class="par">„Daarom begint hij zeker met zijn eigen volk -honger te laten lijden. Ik geloof niet, dat dit de beste manier -is.”</p> -<p class="par">„Nu,” zei Hark, „ik ga eens -vragen.”</p> -<p class="par">„Je krijgt toch geen verlof. De strijd kan elk -oogenblik weer beginnen.”</p> -<p class="par">„Dat zullen we zien.”</p> -<p class="par">Korten tijd, nadat Hark was heengegaan, kwam hij alweer -terug en riep heel blij: „Het mag, jongens, het mag, als we -vóór van avond maar weer terug zijn.”</p> -<p class="par">Weldra gingen er vier op weg, gewapend met daggen, om -den landlieden ontzag in te boezemen. <span class="pagenum">[<a id= -"pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span></p> -<p class="par">„Hei jongens, waar gaat dat naar toe?” riep -Allert, die bij zijn schietwerktuig op den grond zat.</p> -<p class="par">„Een wandeling doen, voor de gezondheid,” -antwoordde Hark. „Blijf jij maar rustig bij je springaal zitten -en pas op, dat de pijlen niet in je eigen gezicht terecht -komen.”</p> -<p class="par">„Loop, flauwe rekel, of ik zal je.”</p> -<p class="par">Alle vier begonnen hartelijk te lachen, <span class= -"corr" id="xd21e1443" title="Bron: vervolgde">vervolgden</span> rustig -hun weg en trokken weldra het veld in.</p> -<p class="par">Ze zochten den geheelen ochtend; daar echter bijna alles -in den omtrek al plat geloopen was, vonden ze niets.</p> -<p class="par">Eindelijk kwamen ze bij een dicht boschje, waar zich, -bijna onmerkbaar voor het oog, een klein bouwvallig houten huisje -bevond. De onderzoekende blik van Gerebrandt had het al spoedig -opgemerkt.</p> -<p class="par">„Wel,” zei Hark, toen Gerebrandt hem het -hutje had gewezen, „veel bijzonders zal het wel niet zijn, maar -licht is het de moeite waard.”</p> -<p class="par">Dicht bij de hut zat op den grond een oud vrouwtje, met -rimpelig, maar vriendelijk gezicht.</p> -<p class="par">„Hoor eens, vrouwtje, je moest ons even een kijkje -laten nemen. Wij hebben honger.”</p> -<p class="par">„Och, beste jongens, ik ben een doodarme vrouw; -bij mij is niets te halen.”</p> -<p class="par">„Nu, dat begrijpen wij wel. ’t Is ons dan -ook maar om een heel klein beetje te doen. Vooruit, laten wij maar eens -gaan zien.”</p> -<p class="par">Alewijn merkte met deernis op, hoe het arme vrouwtje -blijkbaar in de grootste verlegenheid verkeerde. <span class= -"pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span>Ze liep -onrustig heen en weer en wist niet, wat ze doen moest. Eindelijk zei -ze: „Een kruikje melk kan ik missen, maar dat is ook alles; laat -mij asjeblieft met rust, mijn dochter is ziek, ze zal zoo -schrikken.”</p> -<p class="par">„Kom, praatjes! Zieke dochter! Als wij niet te -eten hebben, worden we ook ziek.”</p> -<p class="par">Alewijn begreep, dat hij tusschenbeiden moest komen; hij -had innig medelijden met de smeekende vrouw, die er zeer tegen op -scheen te zien, dat de ruwe gasten haar huisje zouden binnentreden.</p> -<p class="par">„Och jongens,” zei hij, „zie je niet, -dat je dat arme mensch een schrik op het lijf jaagt? Weet je wat, -blijven jullie hier, dan zal ik maar eens kijken.”</p> -<p class="par">„Zeker om den buit alleen te houden; neen baasje, -wij zijn ook slim,” zei Hark.</p> -<p class="par">„Nu, ik vind het even goed, dat jij gaat,” -antwoordde Alewijn, „maar dat weet ik wel, wij kunnen niet met -ons vieren bij een ziek mensch in huis komen.”</p> -<p class="par">„Goed,” zei Hark, maar Gerebrandt wist, dat -die jongen zelf niet te vertrouwen was en vond het daarom beter, dat -Alewijn in het huisje een kijkje zou nemen. Ten laatste moest Hark wel -toegeven, en Alewijn ging, na plechtig verzekerd te hebben, dat hij -alles eerlijk met zijn makkers zou deelen.</p> -<p class="par">Hoe de vrouw ook smeekte, hoe ze alle pogingen aanwendde -om den indringer buiten te houden, Alewijn trad het huisje binnen. Hij -was namelijk nieuwsgierig geworden. Waarom verzette die vrouw zich toch -zoo? Was dat alleen, omdat ze vreesde, <span class="pagenum">[<a id= -"pb85" href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span>dat men haar berooven -zou? Wie toch weinig bezat, had ook weinig te missen. Neen, daar moest -iets anders achter steken.</p> -<p class="par">„Wees maar gerust, moedertje, ik zal je geen kwaad -doen.”</p> -<p class="par">In het vertrek was het vrij duister. Het zag er -natuurlijk zeer kaal en armoedig uit. Op een bankje lag een stuk grijs -brood, maar daar wilde Alewijn de arme niet van berooven.</p> -<p class="par">„Toe, beste jongen,” zei het vrouwtje, -„neem dat maar en ga dan heen.”</p> -<p class="par">„Gekheid,” antwoordde Alewijn, „berg -het liever goed weg: mijn makkers zouden er zich anders nog van meester -maken. Maar zeg me eens, hoe komt het toch, dat je zoo gejaagd bent? En -waar is je zieke dochter nu?”</p> -<p class="par">„Kom, wat kan je mijn ziek kind schelen? Steek dat -brood bij je en ga heen. Plaag een arme vrouw niet langer.”</p> -<p class="par">Alewijn had er reeds aan gedacht te vertrekken, maar -juist, doordat de vrouw zoo aandrong, werd zijn nieuwsgierigheid nog -meer opgewekt. Hij keek goed rond en merkte in een hoek een donkere -massa op.</p> -<p class="par">Bedaard trad hij nader, vragende:</p> -<p class="par">„Zoo, zoo, is ze dat? Heb je haar met opzet in het -duister gelegd?”</p> -<p class="par">De arme vrouw verkeerde in den hoogsten angst.</p> -<p class="par">„O wee, wat zal me nu gebeuren!” mompelde -zij.</p> -<p class="par">Alewijn bekeek het gewaande meisje en ontdekte -<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name= -"pb86">86</a>]</span>tot zijn groote verwondering, dat het niemand -anders dan de jonker was. Hij herkende den ridder dadelijk.</p> -<p class="par">„Ha, ha, nu, het had maar weinig gescheeld, of uw -schuilplaats was verraden. Ik vind het niet heel voorzichtig, hier zoo -lang te blijven. Weet ge wel, dat ge hier niet veilig zijt?”</p> -<p class="par">„<span class="corr" id="xd21e1511" title= -"Bron: Van avond">Vanavond</span> wou ik al verder gaan,” bromde -de jonker, „maar ik was uitgeput; ik had rust noodig en daarom -ben ik een paar dagen bij de oude Wena gebleven.”</p> -<p class="par">Deze luisterde met verwondering toe.</p> -<p class="par">„Och,” zei ze, „verraad mijn goeden -jonker toch niet.”</p> -<p class="par">„Wees gerust, moedertje,” antwoordde Alewijn -glimlachend, „ik zal je niet verklikken. Laat ik nu mijn best -doen, mijn makkers hier vandaan te krijgen; die zullen wel ongeduldig -worden.”</p> -<p class="par">Voor hij wegging, besloot hij het brood mee te nemen, om -niet met leege handen bij de anderen te komen. Hij vreesde wel, dat ze -niet heel tevreden zouden zijn over den gevonden buit en dat ze -<span class="corr" id="xd21e1522" title="Bron: daaro">daarom</span> -zelf eens een kijkje zouden gaan nemen.</p> -<p class="par">Tot zijn groote verwondering echter viel dit zeer mee: -hij zag ze met hun drieën op eenigen afstand van de hut druk -bezig.</p> -<p class="par">„Wat zouden ze nu hebben?” dacht hij. Het -scheen wel, of ze een beest gevonden en geslacht hadden. Een schaap -misschien? „Dat arme mensch,” mompelde Alewijn, -„misschien was het wel ’t eenig stuk vee, dat ze -bezat.” <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name= -"pb87">87</a>]</span></p> -<p class="par">„Niet veel te halen, jongens; ’t is de -moeite niet waard.”</p> -<p class="par">„’t Hoeft ook niet,” riepen de -anderen, „we hebben ons zelf al geholpen. Kijk eens, wat een -pracht van een beest, hé?”</p> -<p class="par">Naderbij tredende, zag Alewijn met afschuw dat ze een -hond geslacht hadden.</p> -<p class="par">„Wat?” zei hij<span class="corr" id= -"xd21e1538" title="Niet in bron">,</span> „<a id="xd21e1541" -name="xd21e1541"></a>een hond? Waar wil je met dit beest naar -toe?”</p> -<p class="par">„Ha, ha,” lachte Gerebrandt, „vraag je -dat nog? Wie een paar jaren in heer Diederiks dienst is geweest, weet -maar al te goed, wat honger beteekent en hoe lekker hondevleesch er -door wordt. Als onze heer slechte tijden beleeft, laat hij dat het -eerst aan zijn onderhoorigen merken.”</p> -<p class="par">„Nu,” zei Alewijn, „ik wensch je -smakelijk eten, maar ik zal mijn maal liever met dit stuk brood -doen.”</p> -<p class="par">„Zeker niet,” merkte Hark op, „alles -eerlijk deelen. Jij kunt immers ook van het vleesch krijgen?”</p> -<p class="par">„Maar hoort eens, jongens, dat meisje is wezenlijk -heel zwak; zouden we niet liever wat verder weg gaan?”</p> -<p class="par">„Je hebt gelijk,” zei Gerebrandt, „in -gindsche beek vinden we water; daar kunnen we het vleesch afwasschen. -En droog hout staat er in overvloed.”</p> -<p class="par">„Hoe komen we nu aan vuur?”</p> -<p class="par">„Daar kan Alewijn wel even voor zorgen. Kom, -jongen, je hebt nog niet veel goeds uitgevoerd. Ga bij dat vrouwtje wat -halen.”</p> -<p class="par">Alewijn had daar natuurlijk niets tegen, en, -<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= -"pb88">88</a>]</span>terwijl zijn makkers een ander plaatsje opzochten, -begaf hij zich nog even naar de hut. Daar binnengetreden, merkte hij -op, dat de jonker al verdwenen was.</p> -<p class="par">„Zoo, zoo, is de vogel gevlogen?”</p> -<p class="par">„Och, beste jongen, zul je me heusch niet -verklappen? De jonker is zoo goed voor me geweest; dikwijls kwam hij -hier een poosje praten, en in kwade tijden kon ik altijd op hem -rekenen.”</p> -<p class="par">„Wees maar gerust, vrouwtje; ik heb zelf reden om -te zwijgen; als ik jou verklapte, zou ik ook gevaar loopen. Nu, wees -maar voorzichtig....”</p> -<p class="par">Toen het viertal des avonds terugkeerde, zagen ze tot -hun groote verwondering, dat het kasteel overgegeven was; de vlag van -heer Diederik woei reeds van een torentrans; een groot deel van het -leger bevond zich binnen het kasteel; de belegerden waren gevangen -genomen en werden op het voorplein bewaakt. Voor het eerst in langen -tijd behoefde Alewijn niet meer buiten te overnachten; hij mocht met -Hark en Gerebrandt in een der kamers van den burcht zijn leger -gereedmaken. <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name= -"pb89">89</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2550">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"TIENDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Alewijns rijkdom.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Heer Diederik wenschte nog eenigen tijd in het -veroverde kasteel te vertoeven; in dien tijd hadden zijn mannen -natuurlijk niet veel te doen; ze konden dus vrij rondloopen en op -allerlei wijzen zich vermaken. Alewijn hield veel van visschen, en, -daar hij in den omtrek eenige plassen ontdekte, die rijk aan visch -waren, had hij op die wijze al spoedig een aangename tijdkorting -gevonden. Terwijl hij eens met zijn hengel in de hand, geduldig -wachtende, bij een beekje stond, kwam er een vrouw op hem toeloopen. -Het was het moedertje, bij wie de jonker een schuilplaats had -gezocht.</p> -<p class="par">„Gelukkig, dat ik je zie,” sprak ze.</p> -<p class="par">De jongen keek ontsteld om en zei: „Wel, je zou me -doen schrikken.” <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" -name="pb90">90</a>]</span></p> -<p class="par">„Zie ik daar nu naar uit?” vroeg het -vrouwtje glimlachend.</p> -<p class="par">„Volstrekt niet, maar ik wist niet, dat er iemand -bij me stond en toen ik daar opeens je stem hoorde.”</p> -<p class="par">„Nu, dat kan ik best begrijpen. Laat ik nu maar -gauw mijn boodschap doen, voor iemand ons ziet.<a id="xd21e1591" name= -"xd21e1591"></a>”</p> -<p class="par">Deze woorden van het oude moedertje verbaasden Alewijn -zeer. „Wat zou ze me te vertellen hebben?” dacht hij en hij -legde zijn hengel neer, daar de visch den laatsten tijd toch niet meer -scheen te bijten.</p> -<p class="par">„Ik moet je de groeten van den jonker -doen.”</p> -<p class="par">„Zoo, is hij goed terecht gekomen?”</p> -<p class="par">„Ik denk het wel. Eergisteren werd mij bericht, -dat hij bij een van zijn vrienden een schuilplaats heeft gevonden. Nu -wil hij, voor hij verder reist, je een klein bewijs van zijn -dankbaarheid geven. Zie hier!”</p> -<p class="par">„Wat,” riep Alewijn verrast, toen hij zag, -hoe de vrouw hem een zakje met klinkende schellingen toereikte, -„ik behoefde er volstrekt niets voor te hebben; zooveel was me de -heele zaak niet waard. Neen, dat neem ik niet aan.”</p> -<p class="par">„Waar moet ik er dan mee heen? Ik kan het den -jonker niet terugzenden, en het in het water te gooien.....”</p> -<p class="par">„Dat is ook niet noodig, maar ik zou denken, dat -je het zelf best kunt gebruiken.”</p> -<p class="par">„’t Is voor mij niet bestemd; de jonker -heeft het alleen gegeven als belooning voor den redder van zijn leven. -Ik vind, dat je het niet weigeren kunt.”</p> -<p class="par">„Wat toevallig, dat je me gevonden hebt. Wat -<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name= -"pb91">91</a>]</span>zou je doen, als ik hier niet aan het visschen was -geweest?”</p> -<p class="par">„Dan zou ik heel brutaal het kasteel binnengaan; -ik denk, dat ze een arme oude vrouw wel geen kwaad doen, en als ik je -daar dan zag, wilde ik je vragen, even buiten te komen.”</p> -<p class="par">„Zoo, zoo, dat is wel slim overlegd. Nu, als je er -dan volstrekt op staat, wil ik het geld wel aannemen, ofschoon ik -eigenlijk niet weet, wat er mee uit te voeren.”</p> -<p class="par">„Wees maar gerust; er zal een tijd komen, dat je -het best kunt gebruiken; bewaar het goed en zorg vooral, dat niemand er -achter komt.”</p> -<p class="par">„Dank je wel. Dit zul je toch wel van me willen -aannemen.” Alewijn bood de oude vrouw een paar geldstukken aan, -die zij dankbaar in ontvangst nam, waarop ze Alewijn vaarwel zei en -haars weegs ging.</p> -<p class="par">Toen Alewijn alleen was, zette hij zich op een steen -neer, haalde het zakje met geld te voorschijn en toen hij zich had -overtuigd, dat geen onbescheiden oogen hem beloerden, nam hij de -klinkende munten in de hand en bekeek ze met schitterende oogen. Welk -een rijkdom. Zooveel geld had hij nog nooit bij elkaar gezien en -aanstonds overlegde hij bij zich zelf, wat er al niet mee gedaan kon -worden.</p> -<p class="par">’t Was een ware schat voor den armen lijfeigene, -maar geheel onvermengd bleef zijn genoegen toch niet, want de arme -jongen begreep heel goed, dat hij er in den eersten tijd niet veel mee -zou kunnen uitvoeren. De vrouw had hem terecht tot voorzichtigheid -<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name= -"pb92">92</a>]</span>aangemaand, en Alewijn was verstandig genoeg om -dezen goeden raad niet in den wind te slaan. Want wat zouden de lui wel -zeggen, als ze zagen, dat de jongen plotseling in het bezit van zooveel -geld gekomen was? En de verdenking alleen was al voldoende, om een -lijfeigene het bitterste lot op den hals te jagen.</p> -<p class="par">Zoo bij zich zelf overleggende, kwam Alewijn tot het -besluit, dat hij het verstandigst zou doen met zijn schat te verbergen, -en zorgvuldig eenigen tijd te bewaren, totdat het oogenblik aanbrak, om -het op de beste wijze te besteden.</p> -<p class="par">Het kwam er nu maar op aan, een geschikte plaats te -vinden, een plaats, waar niemand het vinden zou en waar hij het geld -zoo nu en dan kon bewonderen, zonder gevaar voor ontdekking te -loopen.</p> -<p class="par">In het geheel niet meer denkende aan den hengel, waar -nog wel een ferme zeelt aan zat, die in zijn ijver om los te komen, den -stok reeds half in het water had geworpen, verliet hij zijn plaatsje -aan de beek, en zocht het veld rond. Geen enkele schuilplaats kon hem -eigenlijk voldoen. Eerst borg hij het geld tusschen eenige struiken, -doch toen hij eenige dagen later daar twee mannen aan het werk zag, -begon hij ongerust te worden. Hij vond dus geen rust, voor het hem -gelukte, een nieuwe schuilplaats te ontdekken. Ook nu was hij echter -niet tevreden.</p> -<p class="par">Zoo ging het den knaap, totdat eindelijk de heer bevel -gaf, op te breken en het oude kasteel <span class="pagenum">[<a id= -"pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span><span class="corr" id= -"xd21e1638" title="Bron: neer">weer</span> te betrekken. Pas had -Alewijn vernomen, dat hij en zijn makkers binnenkort den veroverden -burcht weer zouden moeten verlaten, of hij ijlde naar de plaats, waar -zijn schellingen in den grond gestopt waren en borg ze nu onder zijn -kleeren op zijn bloote lichaam.</p> -<p class="par">Eenige dagen later waren allen weer op hun vroegere -woonplaats teruggekeerd, en, daar de oogsttijd naderde, viel er voor de -krijgslieden van eenige weken geleden overvloedige arbeid te vinden: de -meesten van hen, waaronder ook Alewijn, moesten boog of speer of kolf -wegbergen en ijverig meehelpen aan den veldarbeid.</p> -<p class="par">Maar wat Alewijn ook deed, zijn schat ging hem geen -oogenblik uit zijn gedachten. Hoe verheugd hij er ook mee was, hoe goed -hij hem ook had verborgen, toch bekroop hem gedurig de vrees, dat het -geld bij het werk door een plotselinge sterke beweging voor den dag -mocht komen. Deze gedachte plaagde hem onophoudelijk, totdat hij -eindelijk besloot, ook nu weer een plaatsje op te zoeken, waar hij zijn -rijkdom verbergen kon.</p> -<p class="par">Op een namiddag, toen hij het dagwerk verricht had, -begaf hij zich niet zooals anders in den kring van zijn makkers om een -praatje te houden, maar hij sloop stil de poort uit.</p> -<p class="par">„Hei, Alewijn, waar ga je naar toe?” riep -Hark.</p> -<p class="par">Onwillekeurig werd Alewijn verlegen, en in zijn angst, -dat de ander met hem mee zou willen gaan, gaf hij maar het eerste -antwoord het beste, dat hem in den zin kwam. <span class= -"pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span></p> -<p class="par">„Ik heb hengels gezet en ga zien, of er een snoek -aan zit.”</p> -<p class="par">„Jongen, dan moet ik mee.”</p> -<p class="par">„Wat een vervelende kerel,” dacht Alewijn, -die niet weinig verlegen was, daar hij in het geheel geen hengels gezet -had, en zijn verlegenheid werd nog grooter, toen Gerebrandt sprak: -„Weet je wat, ik wil ook wel eens zien, waar jij altijd die -prachtige snoeken vandaan haalt.”</p> -<p class="par">Alewijn kon natuurlijk, nu hij eenmaal gelogen had, niet -meer met de waarheid aankomen en hij bracht zijn nieuwsgierige makkers -naar een sloot, waar, naar hij zei, de hengels zich moesten bevinden. -De grootste verwondering veinzende, zei hij: „Wel verbazend, daar -hebben ook dikke snoeken aan gezeten; alles is verdwenen<span class= -"corr" id="xd21e1661" title="Niet in bron">.</span>”</p> -<p class="par">„Weet je, wat ik geloof?” zei Gerebrandt, -terwijl hij aandachtig de oppervlakte van het water onderzocht.</p> -<p class="par">„Nu?” vroeg Hark.</p> -<p class="par">„Dat hij ons leelijk voor den gek gehouden -heeft.”</p> -<p class="par">Als Hark daar eerst nog niet aan gedacht had, dan kon -hij het nu wel gissen, want Alewijn, die de kunst van veinzen slecht -verstond, kreeg een kleur als vuur en stamelde enkele woorden, om zijn -houding te verklaren.</p> -<p class="par">„Nu,” zei Gerebrandt, „ik vind, dat -het al een heel flauwe manier van doen is. Wat heb je daar nu -aan?”</p> -<p class="par">En Hark zei: „Ik zal je wel weer krijgen, vrind. -Je had zeker andere plannen, niet waar Alewijntje, <span class= -"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>plannen, -waarbij je geen dwarskijkers gebruiken kunt.<span class="corr" id= -"xd21e1678" title="Niet in bron">”</span></p> -<p class="par">„O, heelemaal niet,” bracht Alewijn met -moeite uit, terwijl zijn kleur nog hooger werd.</p> -<p class="par">„Dan moeten wij hem niet storen,” zei -Gerebrandt spottend. „Kom, Hark, ga je mee?” Plotseling -keerden beiden zich om en maakten, dat ze wegkwamen, terwijl Alewijn -met een dwaas gezicht bij de sloot bleef staan, niet wetende, wat te -doen.</p> -<p class="par">Toen schoot het hem weer te binnen, met welk doel hij -eigenlijk uitgegaan was, maar hij durfde zijn plan niet te volvoeren, -uit vrees, dat Gerebrandt en Hark uit een boschje hem zouden beloeren. -Daarom keerde hij ten laatste naar het kasteel terug. Het spreekt van -zelf, dat er de volgende dagen geen denken aan was, het geld te -verbergen; daartoe hield de hooioogst hem, evenals de andere knechts -van heer Diederik, veel te druk bezig. Een dag of vier later was de -gelegenheid gunstig: Hark en Gerebrandt moesten voor den heer een sloot -uitdiepen en, toen Alewijn vrij was, vroeg hij aan Eggerik een schop -ter leen, begaf zich daarmee naar buiten en maakte op een eenzaam -plekje een kuil in den grond. Hier werd het zakje met geld verborgen. -Om het plaatsje later te kunnen terugvinden, mat hij, hoeveel passen -het verwijderd was van een boom, die daar in de buurt stond, vergewiste -zich, dat hij geen fout gemaakt had, en ging weer heen. Gelukkig was -hij zoo verstandig, er niet elken dag naar te gaan kijken; anders zou -het al spoedig de aandacht getrokken hebben, vooral <span class= -"pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>daar -Gerebrandt en Hark op hem letten. Het kostte hem anders moeite genoeg, -want voortdurend had hij een groot verlangen om te zien, of zijn geld -er nog wel was. Weldra bemerkte hij tot zijn geruststelling, dat Hark -en Gerebrandt de geschiedenis vergeten schenen te zijn; op het door hem -gekozen plaatsje kwam nooit iemand en zoo had hij alle reden tot -tevredenheid. <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name= -"pb97">97</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2557">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"ELFDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Het tiendmaal.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Niet ver van den burcht woonde een boer, die -tiendplichtig was aan heer Diederik. Ook die landman had het druk met -den oogst, zoo druk zelfs, dat nog een groot deel van het koren op het -veld stond, toen de meeste werkzaamheden op de landerijen, die tot het -kasteel behoorden, reeds afgeloopen waren. Het weer bleef langen tijd -gunstig, maar de boer was er natuurlijk niet zeker van, dat het zoo -blijven zou en daarom zag hij uit naar rappe handen, die hem behulpzaam -konden wezen.</p> -<p class="par">Hierdoor kwam het, dat Alewijn en Hark, terwijl ze op -een afgemaaid hooiland stonden te harken, plotseling een stem achter -zich hoorden:</p> -<p class="par">„Hei, jongens, hoor eens even.”</p> -<p class="par">Beiden keken om en zagen den boer naderen, die -<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name= -"pb98">98</a>]</span>dichtbij gekomen, sprak: „Hebben jelui lust, -mij met het inhalen van het hooi te helpen?”</p> -<p class="par">Hark en Alewijn keken elkander aan. Hoewel ze nu niet -bepaald op overmatigen arbeid gesteld waren, schenen ze in dit geval -wel zin te hebben, aan de uitnoodiging van den boer te voldoen. Er was -slechts <span class="corr" id="xd21e1709" title= -"Bron: een">één</span> bezwaar: „Zou heer Diederik -het goedkeuren?” Mocht die er niets tegen hebben, dan waren Hark -en Alewijn wel tot helpen genegen, want ze kenden den boer als een gul -man en ze wisten dus, dat hun bereidwilligheid geen windeieren zou -leggen. Daarom gaven ze tot antwoord, dat ze eerst de toestemming van -heer Diederik moesten hebben.</p> -<p class="par">„O, als het daarvan afhangt, weet ik al zeker, dat -ik op jullie rekenen kan. In zulke gevallen is heer Diederik altijd -heel schikkelijk.”</p> -<p class="par">„Zou je denken? Dan geloof ik, dat je hem niet -goed kent,” meende Hark.</p> -<p class="par">„Wees maar gerust. Nu, je zult het -zien.”</p> -<p class="par">Het kwam uit, zooals de boer voorspeld had. De edelman -maakte in het geheel geen bezwaar; integendeel, hij vond het zeer goed, -dat zijn lijfeigenen, die op dat oogenblik toch niets te doen hadden, -aldus hun tijd nuttig besteedden.</p> -<p class="par">Op den bepaalden dag trokken Alewijn en Hark dan ook -naar den boer en werkten ijverig mee, zóó ijverig zelfs, -dat de man des avonds herhaaldelijk zijn tevredenheid betuigde en hun -een buitengewoon goed loon uitbetaalde. Maar meer nog dan met dit loon, -waren de knapen verheugd over de uitnoodiging, <span class= -"pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>om aan -het tiendmaal deel te nemen. Zoodra namelijk het oogsten afgeloopen -was, moesten aan den heer de tienden betaald worden, maar deze gaf dan -aan zijn tiendplichtige boeren een feest, het tiendmaal. Op dezen -maaltijd nu waren de mannen zeer gesteld, want de edelman schonk hun -door groote mildheid de gelegenheid, zich eens buitengewoon te goed te -doen.</p> -<p class="par">„Heb je lust, om aan het tiendmaal mee te -doen?” vroeg de boer aan de beide knapen.</p> -<p class="par">Men kan gemakkelijk raden, wat ze antwoordden.</p> -<p class="par">„Goed,” zei de man weer, „ik zal mijn -best doen, dat je daartoe verlof krijgt; jullie hebt beiden zoo hard -gewerkt, dat je wel een pretje toekomt.”</p> -<p class="par">Hij hield woord ook, en toen eenige dagen later het -feest op de hoeve van een der tiendplichtige boeren gegeven werd, -kwamen Alewijn en Hark al tijdig, om mede van de partij te zijn. Reeds -den dag te voren was een lange tafel in gereedheid gebracht en dat de -heer bij deze gelegenheid niet karig was, bleek, toen hij bevel gaf, -eenige koeien te slachten en een paar tonnen bier uit den kelder te -halen.</p> -<p class="par">Oppervlakkig gezien, zou men denken, dat er wel te veel -eten en drinken was, maar heer Diederik kende de gasten en wist, dat -ze, behalve een opgeruimde stemming, ook een gezonde maag meebrachten -op het feest.</p> -<p class="par">Weldra ging het er lustig toe: eten, dat er gedaan werd, -eten! Men zou het haast een wonder noemen. Het eene stuk gebraden -vleesch vóór, het andere <span class="pagenum">[<a id= -"pb100" href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span>na, verdween in een -ommezien. Daarbij werd het bier natuurlijk niet vergeten, en toen tegen -den middag de heer een kijkje kwam nemen, merkte hij tot zijn genoegen -op, dat men van zijn gulheid een dankbaar gebruik wist te maken. Hij -moest er hartelijk om lachen, toen hij zag, hoe weer een reusachtig -stuk vleesch in ongelooflijk korten tijd verorberd werd. Dadelijk gaf -hij bevel, nieuwe spijzen aan te laten brengen; ieder gerecht werd -begroet met gejuich, dat luider werd, naarmate de feestvierenden meer -bier hadden genoten.</p> -<p class="par">Ook Alewijn, die zulk een feest nog nooit had -bijgewoond, deed flink mee aan de pret, en niet minder Hark, die een -reusachtige maag scheen te bezitten, want hij hield letterlijk niet op -met eten. Toen het feest gedaan was, begaven beiden zich in een recht -genoeglijke stemming naar huis. Alewijn had, om de waarheid te zeggen, -meer bier gedronken dan goed voor hem was; wel kon hij nog flink -loopen, maar de bedaarde jongen, die anders zoo voorzichtig was, -gebruikte nu zijn verstand niet meer en liet zich daardoor licht een -woord ontvallen, dat hij beter gedaan had met te verzwijgen. Dit zou -zijn ongeluk veroorzaken, en zoo had, zeer tegen verwachting, het -tiendmaal voor Alewijn een noodlottigen afloop.</p> -<p class="par">Hark kon men namelijk niet vertrouwen. Alewijn wist dit -wel en was dan ook in de nabijheid van Hark zoo voorzichtig mogelijk -geweest.</p> -<p class="par">Onder den invloed van het zware bier scheen hij dezelfde -kalme Alewijn niet meer te zijn; lustig zingend <span class= -"pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>liep -hij naast Hark voort, en deze deed dapper mee. Toen beiden uitgezongen -waren, begon Hark:</p> -<p class="par">„Heb je op dien Liebaart gelet; wat kan hij eten, -hè? Ik geloof, dat hij wel een halve ton bier opgedronken -heeft.”</p> -<p class="par">„Dan is het geen wonder, dat hij zoo raar begon te -doen. In het laatst werd hij nog kwaad ook. ’t Had weinig -gescheeld, of er was ruzie gekomen. Er is heel wat bier -verdwenen.”</p> -<p class="par">„Ik heb mijn deel ook wel gehad<span class="corr" -id="xd21e1754" title="Bron: ,">.</span>”</p> -<p class="par">„Toch mooi van heer Diederik, dat hij zoo gul is. -Ik had het niet van hem verwacht.”</p> -<p class="par">„Hij krijgt het anders gemakkelijk genoeg; zelf -behoeft hij nergens een hand voor uit te steken.”</p> -<p class="par">„Ja, je moet het geluk maar hebben. Wij kunnen -sloven en hard werken en hij.....”</p> -<p class="par">„Dat werken is nog ’t ergste niet, maar dat -zoo’n man zoo den baas over je kan spelen....”</p> -<p class="par">„O, ik vind dat slavenleven -verschrikkelijk.”</p> -<p class="par">„Werd er nog maar eens een kruistocht gehouden, -dan deed ik ook mee.”</p> -<p class="par">„Maar weet je wel, dat je dan veel kans had nooit -terug te komen? Wat had je dan aan je vrijheid?”</p> -<p class="par">„Zeker weet ik dat, maar wat moet je anders? Als -ik geld had, kon ik me vrij koopen, maar daar is nu eenmaal geen denken -aan.”</p> -<p class="par">„Wil ik je eens wat zeggen? Maar je moet het niet -oververtellen.”</p> -<p class="par">„Wat is het dan?” vroeg Hark vrij -onverschillig, want hij vermoedde niet, dat er wat bijzonders zou -komen. <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name= -"pb102">102</a>]</span></p> -<p class="par">„Ik heb geld.”</p> -<p class="par">„Dat zal wel.”</p> -<p class="par">„’t Is heusch waar. Wel zooveel, dat ik mij -driemaal vrij zou kunnen koopen.”</p> -<p class="par">Nu was de belangstelling van Hark toch opgewekt, hoewel -hij nog half geloofde, dat Alewijn hem voor den gek hield.</p> -<p class="par">„Laat mij het dan eens zien.”</p> -<p class="par">„Ik heb het natuurlijk niet bij me.”</p> -<p class="par">„Waar heb je het dan?” Hark vroeg dit zoo -haastig, en zijn oogen keken zoo begeerig, dat Alewijn het antwoord nog -bijtijds terug hield. Plotseling zag hij in, welk een dwaasheid hij -begaan had en hij haastte zich dus, aan het gesprek een andere wending -te geven: „Kom, ’t is maar gekheid.”</p> -<p class="par">Maar juist hierdoor verklapte hij alles, want Hark -merkte zijn verlegenheid op en begreep daardoor, dat er iets van waar -was. Dit wekte zijn nieuwsgierigheid en—zijn hebzucht.</p> -<p class="par">„Zoo, zoo, mannetje,” dacht hij, „nu -weet ik meteen, wat jij laatst moest uitvoeren, toen het heette, dat -jij op snoek uit ging.”</p> -<p class="par">Zwijgend vervolgden Alewijn en Hark hun weg. De eerste -was stil geworden; hij deed zich zelf aldoor de bitterste verwijten, en -Hark overlegde, hoe hij op de beste manier Alewijns geheim zou kunnen -uitvorschen. Zoo kwamen ze in het kasteel terug. Hark was tot het -besluit gekomen, dat Alewijn zijn schat zeker ergens zou verborgen -hebben. Om de plaats er van te vinden, behoefde hij slechts zijn makker -in het oog te houden en hem <span class="pagenum">[<a id="pb103" href= -"#pb103" name="pb103">103</a>]</span>ongemerkt te volgen, als hij weer -een uitstapje deed.</p> -<p class="par">Intusschen vermoedde Alewijn, wat er in Hark omging en -dit spoorde hem aan, voorzichtig te wezen. Hoeveel moeite hem dit ook -kostte, hij keek de eerste dagen naar zijn geld niet om, maar Hark was -het gesprek niet vergeten en dacht: „Zoo’n oolijkerd, hij -meent mij te misleiden, maar dat zal hij anders gewaar -worden.”</p> -<p class="par">Op een namiddag hield Alewijn het niet langer uit; hij -wilde en moest weten, of zijn geld er nog was, en op een oogenblik, dat -hij zich onbespied waande, verliet hij het kasteel en sloeg den weg -naar de plek in, waar hij den schat had verborgen. Tot zijn genoegen -was er op den weg, dien hij volgde, niemand te zien. Gedurig keek hij -om, maar alles scheen veilig te zijn. Toch was dit niet zoo. Hark, de -brutale, valsche Hark had opgemerkt, dat Alewijn zoo omzichtig de poort -uitging en dadelijk ging hem een licht op. Aanstonds liet hij de -varkens, die hij bezig was te voeren, in den steek en begaf hij zich -niet naar buiten, maar de trap van een der torens op. Door smalle -luchtgaten kon hij het heele veld overzien en na eenig zoeken ontdekte -hij weldra Alewijn, die, zoo nu en dan omkijkende, het land over -ging.</p> -<p class="par">„Nu maar eens goed opgelet, waar dat -heengaat,” dacht Hark en na eenig <span class="corr" id= -"xd21e1808" title="Bron: wachteu">wachten</span> zag hij tot zijn -groote vreugde, hoe Alewijn zich bukte, toen weer rondkeek en daarna in -den grond begon te graven.</p> -<p class="par">„Heel slim is hij toch niet,” vond Hark; -„wij zullen er wel een beter plaatsje voor uitzoeken.” Toen -<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name= -"pb104">104</a>]</span>Alewijn eenige minuten later terugkeerde, daalde -Hark weltevreden de trap af, maar overtuigde zich eerst, of hij de -plek, waar het geld verborgen scheen te zijn, zou kunnen vinden.</p> -<p class="par">De nieuwsgierige Hark had niet veel geduld, en met -verlangen zag hij den avond tegemoet; hij was van plan, in de -schemering het bewuste plaatsje op te zoeken, vervolgens te wachten, -tot het donker was geworden en eindelijk zijn booze daad te volvoeren. -Tegen den tijd, dat de zon onderging, spoedde hij zich op zijn beurt -het hek uit, terwijl hij den poortwachter op diens vraag naar het doel -van den tocht, antwoordde, dat hij voor den heer de kwakende kikkers -moest doodslaan. Toen de man echter den geheelen nacht de lieve -beestjes in het water vroolijker dan ooit hoorde kwaken, begreep hij, -dat Hark iets anders uitvoerde. „Maar wat gaat het mij ook -aan?” dacht hij en bekommerde zich om den heelen Hark niet meer, -die intusschen op dezelfde wijze als ’s middags Alewijn gedaan -had zijn weg over de velden nam. Ook hij stond ieder oogenblik stil om -rond te kijken, ook hij had een kleine schop onder zijn buis verborgen. -Eindelijk ontdekte <span class="corr" id="xd21e1817" title= -"Niet in bron">hij</span> de plaats, waar Alewijn ’s middags -gegraven had; er kwam een grijns van boosaardige vreugde op zijn -gezicht, toen hij zag, hoe op één plekje sporen waren te -zien, die aanduidden, dat men er moest hebben gegraven.</p> -<p class="par">„Ha, ha, daar heeft hij den aap verborgen. Nu nog -maar even gewacht, tot het donker is.”</p> -<p class="par">Met een waar genoegen ging onze Hark in de <span class= -"pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name= -"pb105">105</a>]</span>nabijheid op den grond zitten, en oefende zich -in geduld. De duisternis daalde hem lang niet snel genoeg; elk -oogenblik hief hij zich half op, om aan het werk te gaan, maar dan ging -hij weer zitten, want hij was bang, dat men hem bespieden zou, en hij -wilde den buit geheel voor zich alleen hebben. Eindelijk kon hij niet -langer wachten; trouwens<span class="corr" id="xd21e1826" title= -"Niet in bron">,</span> de zon was al lang onder en in den geheelen -omtrek bevond zich geen levend wezen. Alleen in de struiken achter zich -hoorde Hark iets ritselen, maar dat kon wel een wezel of zoo iets zijn. -Na voor de zekerheid nog eenige minuten geduld te hebben gehad, nam hij -zijn spade ter hand en begon haastig te graven. Daar stootte hij op -iets; zijn gezicht gloeide van blijde verwachting, zijn hand greep -begeerig toe, maar tot zijn teleurstelling bemerkte de zoekende Hark, -dat het maar een steen was, die hem zoo blij had gemaakt. Een weinig -knorrig zette de knaap zijn arbeid voort, en zijn stemming werd er niet -beter op, toen er bij verder graven niets anders voor den dag kwam dan -stokjes en steenen en kluitjes. Van geld geen sprake. De diefachtige -Hark was zelf bedrogen.</p> -<p class="par">Want toen Alewijn des namiddags naar den schat was gaan -kijken, kreeg hij weer hetzelfde gevoel van onrust, dat hij al zoo vaak -had gehad; ook nu kon de plaats hem niet bevredigen en hij nam dus het -zakje met geld er weer uit, maakte den kuil met de aarde dicht en -verborg zijn rijkdom onder zijn buis. Vervolgens wilde hij een veiliger -schuilplaats zoeken, maar juist kwam, toen hij daarmee bezig -<span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name= -"pb106">106</a>]</span>was, Gerebrandt voorbij, die etgroen had -gemaaid. Gerebrandt vroeg aan Alewijn, of hij meeging; deze wilde het -niet weigeren, en zoo kwam er van zijn plan niets.</p> -<p class="par">Het spreekt van zelf, dat Hark zijn makker allesbehalve -vriendelijk aankeek. Intusschen gaf hij de hoop niet op. Gelukte het -hem niet, door list zich van den buit meester te maken, dan moest hij -maar brutaal optreden. Den volgenden morgen stapte hij regelrecht op -Alewijn toe en zei, hem met zijn gluiperige oogen valsch aankijkend: -„Als je mij niet de helft van je geld geeft, zal ik vertellen, -waar je het geborgen hebt.”</p> -<p class="par">Alewijn, die zoo iets niet verwacht had, werd plotseling -bleek en dit gaf Hark de zekerheid, dat zijn vermoeden waar was.</p> -<p class="par">„Geld! Wat praat je toch van geld? Hoe zou ik -daaraan komen?” stamelde Alewijn, die eigenlijk niet wist, wat -hij zeggen moest.</p> -<p class="par">„Houd je nu maar niet onnoozel; ik heb alles -gezien,” hernam Hark, die zijn makker hoopte te overbluffen.</p> -<p class="par">„Wat.... wat heb je gezien?”</p> -<p class="par">Hark wilde weer iets antwoorden, maar tot beider -ontsteltenis klonk er een stem dicht bij hen: „Zeg er eens, -knapen, komt eens hier en vertelt mij, waarover je het hebt.”</p> -<p class="par">’t Was de meier, die in den koeienstal stond en -het gesprek gehoord had en er uit opmaakte, dat er iets bijzonders aan -de hand was. Hark vreesde, voor medeplichtige aangezien te worden en -daarom <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name= -"pb107">107</a>]</span>achtte hij het verstandiger, als aanklager op te -treden. Vóórdat Alewijn nog iets gezegd had, sprak de -brutale rakker: „Hij heeft geld gestolen en -weggeborgen.”</p> -<p class="par">Deze woorden <span class="corr" id="xd21e1852" title= -"Bron: maakte">maakten</span> Alewijn woedend. Vuurrood van drift -sprong hij op Hark toe en zou hem bij de keel gegrepen hebben, als de -meier niet tusschenbeiden gekomen was. Met zijn geduchte vuist greep -hij den jongen bij den pols en sprak bedaard: „Heila ventje, dat -gaat maar zoo niet. Ik ben er ook nog.”</p> -<p class="par">Alewijn poogde vruchteloos zich los te wringen uit de -knellende vingers, die hem vasthielden. Toen hij eindelijk wat bedaard -was, zei de meier: „Ziezoo, leg mij nu maar eens bedaard uit, wat -je te vertellen hebt.”</p> -<p class="par">Nu Hark eenmaal a gezegd had, moest hij ook b zeggen, -en, terwijl Alewijn hem met kwalijk verbeten woede aanzag, en hem -telkens in de rede wilde vallen, deelde Hark alles mee, wat hij wist. -Eindelijk zei hij nog, dat Alewijn zijn geld in het land verstopt had, -maar het later weer op een andere plaats moest hebben gebracht. We zien -hieruit, dat Hark niet alleen een verklikker en een dief, maar ook een -leugenaar was, want hij vertelde meer dan hij zelf wist. Alewijn stond -versteld: ondanks alle voorzorgen had die valsche Hark hem toch -bespied.</p> -<p class="par">Eén ding troostte hem: de verrader wist blijkbaar -niet, waar de schat eigenlijk wel verborgen zat; zoolang dit niet -ontdekt werd, kon niemand Alewijn <span class="pagenum">[<a id="pb108" -href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>met eenig recht van iets -kwaads beschuldigen.</p> -<p class="par">Diefstallen kwamen onder de lijfeigenen nog al eens -voor, maar werden, bij ontdekking, zwaar gestraft. De meier wist niet -beter te doen, dan de beide knapen naar den heer te brengen, en dien te -vertellen, wat er gaande was. De edelman liet Alewijn dadelijk in de -gevangenis brengen, terwijl hij tevens beval, Hark, dien hij evenmin -vertrouwde, goed in het oog te houden. <span class="pagenum">[<a id= -"pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2563">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"TWAALFDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">De Gevangenis van het -kasteel.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. -Het donkere, kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars -verlicht door een luchtgat, was wel in staat den binnentredende een -huivering door de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog -verhoogd door den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den -vuurpot en het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn -gevangenis binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur -bleef staan, zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten -duwen?</p> -<p class="par">De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de -eenzaamheid, maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen -brachten over Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed -zoo groot, dat hij hopeloos zich op een grooten steen <span class= -"pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name="pb110">110</a>]</span>liet -neervallen en daar langen tijd met het hoofd in de handen bleef -zitten.</p> -<p class="par">Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn -gedachten het verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk -huis, zijn makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in -het ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, -zoo plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke -waarheid niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze -muren, die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht -van het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei -het maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die -verlammende gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte -zijn handen tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik -als door een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen -getrokken.</p> -<p class="par">Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het -luchtgat zich bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te -zien, maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang, -die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een koude -huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen, liet hij -zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den killen wand -en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien, niets dan de -donkere duisternis om hem heen.</p> -<p class="par">Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deur -<span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name= -"pb111">111</a>]</span>knarste. De man, die binnenkwam, keek de -gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst toen zijn oog aan de halve -duisternis gewend was, ontdekte hij den armen Alewijn.</p> -<p class="par">Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij -zachter van aard dan de meeste zijner tijdgenooten?</p> -<p class="par">Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, -die zich aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.</p> -<p class="par">Zijn stem was zacht, toen hij beval: „Je moet mij -volgen naar den heer.”</p> -<p class="par">Maar Alewijn hoorde het niet.</p> -<p class="par">Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte -zijn schouder even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.</p> -<p class="par">De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, -als begreep hij niet, wat men van hem wilde.</p> -<p class="par">Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer -uit, mee te gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander -volgde.</p> -<p class="par">Het korte verblijf in den somberen kerker had hem -versuft.</p> -<p class="par">Buiten gekomen<span class="corr" id="xd21e1906" title= -"Niet in bron">,</span> leefde hij wat op door den weldadigen invloed -van het vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de -gedachte aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te -voren.</p> -<p class="par">Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.</p> -<p class="par">’t Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in -de spreekkamer van den edelman doorbracht. <span class= -"pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name= -"pb112">112</a>]</span>Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon hij er -toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen, om den -schat te behouden.</p> -<p class="par">De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte -den edelman in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. -Toen er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te -vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan het -licht brengen.</p> -<p class="par">Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de -wreede uitspraak vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij -wilde nog wat zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, -nog meer tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.</p> -<p class="par">Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene -weg te voeren.</p> -<p class="par">In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.</p> -<p class="par">Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er -traden twee lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde -knoopen voorzien.</p> -<p class="par">Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.</p> -<p class="par">Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar -niet minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem -reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van -één tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten -laatste lag Alewijn machteloos en hijgend op den grond en nu rukten -zijn beulen hem de kleeren af. <span class="pagenum">[<a id="pb113" -href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p> -<p class="par">Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor -den dag.</p> -<p class="par">Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met -de ontdekking in kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er -wel van zou zeggen.</p> -<p class="par">Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van -het kasteel komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van -een pijnlijk verhoor.</p> -<p class="par">Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar -dat geld vandaan kwam.</p> -<p class="par">Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. -Wat zou het ook baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een -eerlijke wijze in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er -tusschen hem en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef -hij zwijgen.</p> -<p class="par">Bevend wachtte hij zijn vonnis af.</p> -<p class="par">De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd -geval. Voor zoover hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het -ging toch niet aan, iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens -begaan was.</p> -<p class="par">Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te -zien. Hij gaf bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, -maar liet hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen -niet meer om te zien.</p> -<p class="par">In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze -uitspraak. Hij vroeg zich herhaaldelijk af, <span class= -"pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span>aan -welke oorzaak hij dien gelukkigen afloop van de zaak had toe te -schrijven.</p> -<p class="par">Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor -neerslachtigheid. Het verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. -Want wat beteekende op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?</p> -<p class="par">Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit -was nu heen.</p> -<p class="par">Zoo verzonk hij in een somber peinzen.</p> -<p class="par">Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den -kerker. De eerste geeselslag deed hem opschrikken.</p> -<p class="par">Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw -striemde den naakten rug en liet roode streepen achter.</p> -<p class="par">Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun -rampzaligen makker, die kermend ineenkromp onder de brandende -pijnen.</p> -<p class="par">Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich -op een steen neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.</p> -<p class="par">Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog -nooit zoo verlaten, zoo rampzalig gevoeld.</p> -<p class="par">Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille -omgeving, alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker -kwam het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte -vrijheid.</p> -<p class="par">Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen -kwamen en gingen.</p> -<p class="par">Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijn -<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name= -"pb115">115</a>]</span>krachten genoeg waren, om dien te doen wankelen, -<span class="corr" id="xd21e1977" title="Bron: Dan">dan</span> weer -beproefde hij aan den rand van het luchtgat de steenen af te -brokkelen.</p> -<p class="par">’t Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de -rotsharde muren spotten met de armzalige kracht van zwakke -menschenhanden.</p> -<p class="par">Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan -zijn smart en barstte in woedend snikken uit.</p> -<p class="par">Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem -verlicht en nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.</p> -<p class="par">Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn -besluit vast. Van de eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik -maken om weg te vluchten, ver van de plaats der ellende. <span class= -"pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2569">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"DERTIENDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">De Vlucht.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De gelegenheid tot vluchten deed zich eerder voor -dan Alewijn zelf verwachtte.</p> -<p class="par">De jongen toch wist niet beter, of hij zou geruimen -tijd, misschien wel zijn geheele leven in den vochtigen kerker moeten -zuchten.</p> -<p class="par">Hoe groot was dus zijn verwondering, toen men hem eenige -dagen later kwam mededeelen, dat hij de gevangenis verlaten mocht.</p> -<p class="par">’t Was niet uit medelijden, dat de edelman hem de -vrijheid schonk.</p> -<p class="par">Eigenbelang, anders niet. Vooreerst had heer Diederik -overwogen, dat er op zijn kasteel niet gestolen was.</p> -<p class="par">„Misschien,” zoo dacht hij, „heeft de -kwajongen zich bij de verovering van den vijandelijken burcht van het -geld meester gemaakt.<span class="corr" id="xd21e2007" title= -"Niet in bron">”</span> <span class="pagenum">[<a id="pb117" -href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span></p> -<p class="par">Daar Alewijn overigens een bruikbaar krijgsman was -gebleken, wilde de ridder het dezen keer bij een geeseling laten. De -toegediende straf zou in allen gevalle wel voldoende zijn, om den lust -tot stelen voor immer te doen vergaan.</p> -<p class="par">Alewijn vond de ondervonden behandeling meer dan hard. -Nauwelijks was dan ook de kerkerdeur achter hem gesloten, nauwelijks -mocht hij zich weer in de frissche lucht en in het lieve, heldere -daglicht bewegen, of hij lette op alles, wat een gelegenheid tot -vluchten kon bieden.</p> -<p class="par">Eén zaak was er, die hem tot blijven noopte.</p> -<p class="par">Dat was de zucht om zich op Hark te wreken. Die lafaard -evenwel vreesde Alewijns sterke vuist en ontweek zijn makker zooveel -hij kon.</p> -<p class="par">Ook bezat Alewijn een zacht karakter. Hij vergaf spoedig -en daardoor werd die begeerte naar wraak al minder en minder.</p> -<p class="par">Het verlangen naar vrijheid echter wies aan.</p> -<p class="par">Elken dag loerde de jongen rond. Herhaaldelijk stond hij -gereed om te ontsnappen. Maar telkens kwam er iets in den weg. Nu eens -riep men hem om werk te verrichten, dan weer bevonden zich tal van -arbeiders op het veld.</p> -<p class="par">’t Was om moedeloos te worden.</p> -<p class="par">Maar Alewijn gaf de hoop niet op. Eindelijk zag hij de -kans schoon. Op een herfstmorgen werd hem bevolen, knollen te rapen op -een akker, ver van den burcht.</p> -<p class="par">Overal om hem heen was het stil, nergens bevond zich een -levend wezen. <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name= -"pb118">118</a>]</span></p> -<p class="par">Zulk een schoone gelegenheid kwam nooit weer. ’t -Ware zonde en jammer, er geen gebruik van te maken. En Alewijn liet -haar dan ook niet voorbijgaan.</p> -<p class="par">Nog eenmaal keek hij rond, nog eenmaal overwoog hij de -bezwaren, aan een vlucht verbonden.</p> -<p class="par">Toen liep hij hard weg.</p> -<p class="par">Nu zijn besluit genomen was, maakte hij zich niet meer -bezorgd over de hinderpalen, die hij noodzakelijk moest aantreffen. -Toch waren die niet gering. Overal zou men hem dadelijk aan zijn kort -geknipte haren als lijfeigene herkennen. En de straf, die een -ontvluchten slaaf wachtte, was afschuwelijk.</p> -<p class="par">Maar Alewijn telde geen leven, dat in ellende moest -worden doorgebracht. Zonder ophouden liep hij door, zoo hard hij kon. -Gelukte het hem, de stad Utrecht te bereiken, dan zou de toekomst zich -veel beter laten aanzien.</p> -<p class="par">Elke slaaf toch, die bij haar een toevlucht zocht, was -vrij, als hij binnen een jaar niet werd opgeëischt. En het zou -Alewijn niet moeilijk vallen, door arbeid in zijn onderhoud te -voorzien.</p> -<p class="par">Eindelijk had hij de landerijen van heer Diederik achter -den rug. Maar nu deden zijn beenen zich voelen. Geen wonder. Want hij -had al maar doorgeloopen, zonder zich een oogenblik rust te gunnen; had -een enkele maal de neiging tot zitten hem overvallen, dan was hij door -den angst weer sneller voortgedreven.</p> -<p class="par">Nu kon hij niet meer. Hij zocht een beschut plekje op, -legde zich neer en sliep dadelijk in. <span class="pagenum">[<a id= -"pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span></p> -<p class="par">Lange rust werd hem echter niet gegund.</p> -<p class="par">Nog had hij slechts een paar uur geslapen, toen hij werd -opgeschrikt door een vreeselijk koud en nat gevoel.</p> -<p class="par">Het regende en niet zuinig ook; met stralen goot het -water uit den hemel.</p> -<p class="par">Op die natte plek kon hij niet blijven liggen. In een -wip was hij overeind, om naar een beter plaatsje <a id="xd21e2059" -name="xd21e2059"></a>te zoeken. Helaas, het bleek moeilijk dit te -vinden.</p> -<p class="par">De geheele omtrek was dofgrijs en de dichte regen -belette het uitzicht. Toch gaf Alewijn den moed niet op. Met rassche -schreden ging hij voort, naar alle kanten rondkijkende.</p> -<p class="par">Wel zag hij hier en daar een groepje boomen, maar die -gaven al heel weinig bescherming.</p> -<p class="par">Toen echter voor een kort oogenblik het licht doorbrak, -schoot den vluchteling een plan door het hoofd. Plotseling snelde hij -op een hoogen boom toe. Zonder zich te bedenken, sloeg hij armen en -beenen om den stam, moedig werkte hij zich omhoog, hoe lastig het ook -ging, den gladden, natten boom te beklimmen.</p> -<p class="par">Gelukkig had Alewijn dit werkje meer gedaan; al moest -hij herhaaldelijk rusten, al kwamen er oogenblikken, dat hij evenveel -teruggleed, als hij vorderde, toch bleef hij doorklimmen.</p> -<p class="par">Eindelijk had hij de onderste takken bereikt.</p> -<p class="par">Nu was het klauteren niet meer moeilijk. In minder dan -geen tijd zat Alewijn boven in den boom, zoo hoog, dat de tak, waarop -hij zat, bedenkelijk ging buigen. <span class="pagenum">[<a id="pb120" -href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span></p> -<p class="par">Hooger klimmen zou gevaarlijk zijn. ’t Was -trouwens ook niet noodig: Alewijn was, waar hij wezen wilde.</p> -<p class="par">Wel regende het nog altijd, wel zag de omtrek donker en -grijs, maar eenigen tijd later braken de wolken. ’t Werd -helderder.</p> -<p class="par">Heel in het verschiet ontwaarde Alewijn de torens van -een kasteel.</p> -<p class="par">Die plek moest dus zorgvuldig vermeden worden.</p> -<p class="par">De regen werd minder en hield eindelijk geheel op; de -kring, die kon overzien worden, breidde zich meer en meer uit. Daar -kwam de zon <span class="corr" id="xd21e2085" title= -"Bron: door">voor</span> den dag. Vriendelijk straalde zij tusschen -donkere wolken en bescheen met een helder licht het geheele -landschap.</p> -<p class="par">Nergens was een sterveling te zien; overal heerschte de -diepste stilte. Maar wat Alewijn ontdekte, gaf hem reden tot groote -blijdschap.</p> -<p class="par">Daar zag hij, aan den horizon, een kronkelende, -blinkende lijn op het veld.</p> -<p class="par">Dat was de Rijn; daar liep de weg naar Utrecht. -<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name= -"pb121">121</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2575">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"VEERTIENDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Aan den Rijn.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een -vermoeienden marsch aan de oevers der rivier uitrustte.</p> -<p class="par">Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend -voorbij gingen.</p> -<p class="par">Eindelijk stond hij op: ’t was te koud om langer -te blijven zitten. Het gure weer <span class="corr" id="xd21e2107" -title="Bron: drong">dwong</span> hem, een schuilplaats tegen den nacht -te zoeken.</p> -<p class="par">Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige -watervlakte.</p> -<p class="par">Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, -dat snel naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; -één man stond achter aan de linkerzijde van het schip en -had den stuurriem ter hand, terwijl twee anderen ijverig in de weer -waren.</p> -<p class="par">Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuig -<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name= -"pb122">122</a>]</span>te bekijken; nog eenige oogenblikken en het zou -hem voorbijvaren.</p> -<p class="par">Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon -zich niet langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste -water te spartelen.</p> -<p class="par">De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, -om het schip zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil -wilde laten zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.</p> -<p class="par">Te laat.</p> -<p class="par">Reeds had de wind het vaartuig een heel eind -voortgejaagd, reeds was de afstand tusschen schip en drenkeling zoo -groot geworden, dat er aan redden niet te denken viel.</p> -<p class="par">De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht -zwemmer te zijn en worstelde vruchteloos met de krachtige golven.</p> -<p class="par">Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, -nieuwsgierig, hoe alles zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar -en aanstonds was zijn plan gemaakt.</p> -<p class="par">Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. -Toen sprong hij te water.</p> -<p class="par">Dat was nog eens zwemmen!</p> -<p class="par">Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen -heen, herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene -zwemmer liet zich niet afschrikken.</p> -<p class="par">Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd -werkte hij tegen stroom en golven.</p> -<p class="par">Zoo ging hij regelrecht op het doel af. <span class= -"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span></p> -<p class="par">’t Was hoog tijd.</p> -<p class="par">Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten -raakten uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem -voorgoed zou zien verdwijnen.</p> -<p class="par">Herhaaldelijk riep hij om hulp.</p> -<p class="par">Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het -niet kunnen draaien: nu naderde het den oever.</p> -<p class="par">Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort -zwom Alewijn, hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk -schreeuwde de drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; -voor en na spoelden golven over hem heen.</p> -<p class="par">Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de -man voelde het en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat -zoo dicht bij hem was.</p> -<p class="par">Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den -knellenden greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den -dood te moeten bekoopen.</p> -<p class="par">Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat -Alewijn zich haast niet kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven -water; laat staan dus, dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever -te begeven.</p> -<p class="par">Zoo dreven beiden met den stroom mede.</p> -<p class="par">Maar de hulp was nabij.</p> -<p class="par">Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen -Alewijn zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem -te <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= -"pb124">124</a>]</span>kunnen overlaten; toen echter zijn krachten -blijkbaar te kort schoten, aarzelden ze niet.</p> -<p class="par">’t Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van -beiden zou het eerst den ongelukkige bereiken?</p> -<p class="par">Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij -verdubbelde zijn pogingen; hij spande alle krachten in en—smaakte -de voldoening, zich boven te houden, tot de redding nabij was.</p> -<p class="par">Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en -eindelijk hadden allen den vasten wal en niet lang daarna het schip -bereikt.</p> -<p class="par">Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit -den greep van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het -toch.</p> -<p class="par">De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig -bij te brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te -wrijven en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het -duurde niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.</p> -<p class="par">Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de -knieën reikende broek en een buis en, al mochten ze hem wat te -groot zijn, hij voelde er zich na het koude bad aangenaam warm in.</p> -<p class="par">Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip -zat, gaf de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: -„Jongen, ik dank je nog wel.”</p> -<p class="par">Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar -het behoefde ook niet, want de schipper praatte door.</p> -<p class="par">„Zonder jou lag ik nu op den bodem van de -<span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name= -"pb125">125</a>]</span>rivier. Hoe kan ik je een bewijs van mijn -dankbaarheid geven?”</p> -<p class="par">Alewijn verlangde geen belooning en sprak van -vertrekken, maar daar kwam niets van in.</p> -<p class="par">„Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn -gast. Of heb je daar bezwaar tegen?”</p> -<p class="par">Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm -vertrekje, bij goede, hartelijke menschen den avond door te -brengen?</p> -<p class="par">Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn -langen, vermoeienden tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, -als hij nog wat blijven mocht.</p> -<p class="par">„Welnu, praat dan vooreerst niet meer van -heengaan. Komaan, drink een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan -maar naar mij. Ik moet van den schrik eens goed bekomen.”</p> -<p class="par">Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich -meer en meer op zijn gemak.</p> -<p class="par">Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren -door.</p> -<p class="par">’t Was een man van vijf en dertig jaar, met -blonden baard en kleine, slimme oogen, die tegelijk heel goedig -rondzagen.</p> -<p class="par">Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa -door. Nu had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van -Oostersche kooplui afkomstig<span class="corr" id="xd21e2207" title= -"Niet in bron">,</span> aan boord.</p> -<p class="par">Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar -hoopte de man zijn waren met goede winst van de hand te doen. -<span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= -"pb126">126</a>]</span></p> -<p class="par">Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt -gehouden. Van alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren -en edellieden uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, -Duitschland, Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of -hoopten inkoopen te doen.</p> -<p class="par">In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende -koopstad druk vertier, maar op zoo’n marktdag woelde en krioelde -een dichte menigte in de straten.</p> -<p class="par">En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het -buitengewoon levendig.</p> -<p class="par">Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem -meer dan eens ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den -dag, dat hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog -komen.</p> -<p class="par">De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij -wat vroeger in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven -hopen.</p> -<p class="par">Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit -moedigde hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot -deel van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar -heel wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo -zelden een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was -bij het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen, -legde de koopman hem met een <span class="corr" id="xd21e2225" title= -"Bron: vriendelijke">vriendelijk</span> gebaar het zwijgen op. -<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name= -"pb127">127</a>]</span></p> -<p class="par">„Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp -was ik stellig verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel -genoegen doet, den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden -mijn dank te kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. -Maar ik houd er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever -wat. Komaan, ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op -jouw beurt, hoe je hier komt en wat je plan is.”</p> -<p class="par">Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en -blijkbaar niet goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er -bij: „Als je liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd -heb. We blijven er even goede vrienden om.”</p> -<p class="par">Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen -in, om hem zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de -eerste verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij -druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig -toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een -uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei, -dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman -goedkeurend:</p> -<p class="par">„Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je -geheele leven in slavernij te zuchten.”</p> -<p class="par">Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de -gastheer zijn jongen redder, des nachts op het schip te blijven. -Alewijn deed het zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed -te bevallen. <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name= -"pb128">128</a>]</span>Toen de jongen den volgenden ochtend dan ook -voor de gastvrijheid bedankte en afscheid wilde nemen, zei de koopman: -„Hoe is het? Zou je geen lust hebben, de reis met mij te -maken?”</p> -<p class="par">Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod -was; het leven op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en -de koopman behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren -vrienden waren geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen -gevaar meer, in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich -nu zoo vrij als een vogel. <span class="pagenum">[<a id="pb129" href= -"#pb129" name="pb129">129</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2581">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"VIJFTIENDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Een onaangename -ontmoeting.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Nog eenige dagen bleef het schip op dezelfde -plaats liggen; de koopman behoefde geen haast te maken, daar de markt -nog lang niet begonnen was. Alewijn stond dikwijls op het dek en keek -naar de voorbijgangers op den weg, en naar de vaartuigen op de -rivier.</p> -<p class="par">Op een morgen, den dag, voordat het schip vertrekken -zou, zei een der opvarenden tot zijn metgezel, die de rol van kok -vervulde: „Hoe is het, zou je het ontbijt maar niet gereed -maken?</p> -<p class="par">„Ja, maar ik weet niet, of er wel veel meer te -ontbijten is.”</p> -<p class="par">„Kom, wat praat je nu? Niet veel meer te -ontbijten, en dat schaap dan, dat Steven twee dagen geleden gekocht -heeft; dat kan nog niet op zijn.” <span class="pagenum">[<a id= -"pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p> -<p class="par">„Jongen, daar zeg je zoo wat; dat kon ik wel -gereed maken; alleen....”</p> -<p class="par">„Nu, wat wou je zeggen?”</p> -<p class="par">„Ik heb geen hout meer. Kun jij niet even aan wal -gaan, om wat te halen?”</p> -<p class="par">„Neen, onmogelijk, ik moet het zeil wat opknappen, -dat een weinig gescheurd is. Maar loop jij zelf even.”</p> -<p class="par">„Ik kan geen twee dingen te gelijk doen; ik moet -het vleesch afsnijden en schoonmaken en de potten nazien.”</p> -<p class="par">„Op zoo’n manier krijgen we niets te -eten.”</p> -<p class="par">„Ik kan er niets aan doen; als je eten wilt, moet -je er ook wat voor over hebben.”</p> -<p class="par">Alewijn hoorde het gesprek en was blij, dat hij -gelegenheid had, zijn metgezellen van nutte te zijn.</p> -<p class="par">„Wil ik even gaan?”</p> -<p class="par">„Wel ja, als je lust hebt. Wacht, dan zal ik je -een mes geven. Kom je gauw terug?”</p> -<p class="par">„Nu, dat weet ik niet. Die taaie twijgen daar aan -den oever lijken me niet heel geschikt toe, en ik moet zeggen, dat er -dicht in de buurt niet veel bosch te zien is.”</p> -<p class="par">„Daar heb je gelijk in: nu, zie dan, dat je zoo -gauw mogelijk wat hebt; deze baas hier rammelt van den -honger.”</p> -<p class="par">Alewijn verliet het schip en ging den oever langs in de -richting van een boschje, dat hij in de verte ontdekt had. Tot zijn -genoegen zag hij, dat zich hier dun hout in overvloed bevond. Het -boschje stond ongeveer honderd schreden van den weg af. <span class= -"pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= -"pb131">131</a>]</span>Alewijn verliet dus het pad, stak het grasland -over en was al spoedig druk aan den arbeid. Toen hij een flinken bundel -bijeen had, wilde hij terugkeeren, maar nu keek hij rond, of er geen -twijgje te zien was, geschikt om er den takkenbos mee te binden. -Toevallig zag hij op den weg twee mannen voorbijgaan.</p> -<p class="par">„Wacht,” dacht Alewijn, „die hebben -misschien een touwtje of zoo iets bij zich. Ik kan het hun best even -vragen.” En, zonder zich langer te bedenken, verliet hij het -boschje. Toen liep hij naar den weg en riep de mannen aan, in de hoop, -dat ze even zouden blijven staan.</p> -<p class="par">Het scheen echter, of ze zoo druk in gesprek waren, dat -ze van zijn geroep niets hadden gehoord; daarom versnelde Alewijn zijn -schreden, en riep, toen hij hen op korten afstand genaderd was, voor de -tweede maal.</p> -<p class="par">Beiden keken om, maar in plaats van hen om een touw te -vragen, bleef Alewijn verschrikt eenige oogenblikken staan en staarde -met groote oogen voor zich uit.</p> -<p class="par">En de beide mannen waren niet minder verbaasd dan hij: -„Daar heb je warempel den gevlogen vogel. Hoe komt hij nu -hier?”</p> -<p class="par">Het waren twee mannen van heer Diederik, die Alewijn -achtervolgd hadden, maar natuurlijk vruchteloos hadden gezocht.</p> -<p class="par">„Nu mag hij ons toch niet ontsnappen,” zei -een van beiden, toen hij zag, hoe Alewijn, zonder zich lang te -bedenken, rechtsomkeert maakte, en wegliep, zoo hard hij kon, dadelijk -door de anderen gevolgd. <span class="pagenum">[<a id="pb132" href= -"#pb132" name="pb132">132</a>]</span></p> -<p class="par">Alewijn kon gelukkig hard loopen, en hij was al spoedig -een flink eind voor. Eerst was hij van plan, zijwaarts het veld in te -vluchten, maar hij begreep, dat dit niet het verstandigste zou zijn, -daar hem dan allerlei hindernissen in den weg konden komen. Daarom -bleef hij het pad volgen; hierdoor liep hij echter zijn ongeluk -tegemoet.</p> -<p class="par">Want de mannen, die hem op de hielen zaten, waren niet -alleen: zij werden door een groot gezelschap gevolgd. En bij dit -gezelschap behoorde niemand minder dan heer Diederik zelf. De jongen -merkte hen, helaas, eerst op, toen hij op een bocht van den weg, waar -een boschje de reizigers voor zijn oog verborgen had, eensklaps voor -hen stond.</p> -<p class="par">Nu was Alewijn wel gedwongen, het veld in te vluchten en -hij deed het ook dadelijk, maar ’t was te laat. Hier hielp geen -hard loopen aan.</p> -<p class="par">De heer, opmerkzaam geworden door het geschreeuw en -Alewijn dadelijk herkennende, beval eenigen van zijn volgelingen, -eveneens aan de jacht mee te doen. Zoo was de arme jongen spoedig -ingehaald, gegrepen, en, hoe hij zich ook verzette, bij heer Diederik -gebracht.</p> -<p class="par">Het zal geen verwondering wekken, dat de edelman niet -voor den tweeden keer van plan was, den lastigen lijfeigene genadig te -behandelen. Integendeel, hij wilde korte metten maken en vroeg aan zijn -bedienden: „Wie heeft er een flink touw bij zich; dan zullen we -hem maar aan den eersten den besten boom opknoopen.”</p> -<p class="par">Het was Alewijn angstig te moede; het scheen -<span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name= -"pb133">133</a>]</span>wel, of het ongeluk hem nu altijd moest -achtervolgen. Hoe dicht was hij nu niet bij zijn doel geweest, en toch -zag hij zich opeens onherroepelijk verloren.</p> -<p class="par">Want ditmaal scheen er voor hem in het geheel geen kans -op, dat hij den dans weer zou ontspringen. Reeds kwam een der mannen -met een valschen lach op het gezicht aanloopen en liet een stevig stuk -touw zien. Het meeste ergerde Alewijn zich nog, omdat die man pleizier -scheen te hebben in het ongeluk van iemand, die hem toch nooit wat in -den weg had gelegd. Maar de slavernij maakt de menschen ruw en -hardvochtig, en Alewijn had al meer dan eens kunnen opmerken, hoe die -lieden vaak in <span class="corr" id="xd21e2319" title= -"Bron: kwaaddoen">kwaad doen</span> hun vermaak vonden. Slechts zelden -was hem vriendschap bewezen, bijna nooit had hij een hartelijken toon -tusschen de lijfeigenen vernomen.</p> -<p class="par">Zoo zou het dan met zijn leven gedaan zijn en Alewijn, -die zag, dat er toch niets aan de zaak te veranderen was, beproefde -zich in zijn ongeluk te schikken en zorgde, niets te laten merken van -wat er in hem omging.</p> -<p class="par">Toch liep het ook dezen keer nog goed voor hem af, want, -toen heer Diederik, rondkijkende, een fermen boom scheen uit te zoeken, -die sterk genoeg was, om een weggeloopen lijfeigene aan op te hangen, -sprak een ridder, die naast hem reed: „Zeg eens, waarde zwager, -zou je daar nog niet wat mee wachten?”</p> -<p class="par">Alewijn voelde een flauwe hoop in zich opleven, maar hij -verwaardigde zich niet, den spreker een <span class="pagenum">[<a id= -"pb134" href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span>dankbaren blik toe te -werpen, want hij wist heel goed, dat de ridder niet uit medelijden -gesproken had. Het zou spoedig blijken, dat hij goed gezien had. Toen -heer Diederik vroeg: „Waarom?” antwoordde de edelman: -„Neem hem liever mee, dan kan je hem op het kasteel op je gemak -een geduchte straf toedienen en zoodoende een waarschuwend voorbeeld -stellen aan allen, die soortgelijke kuren in hun hoofd mochten -hebben.”</p> -<p class="par">Heer Diederik dacht even na. Hoe onverschillig Alewijn -ook voor zich zag, toch voelde hij zijn hart kloppen: zoo lang hij nog -leefde, had hij hoop, te kunnen ontvluchten, op het oogenblik echter, -dat de heer hem zonder complimenten liet ophangen, was het natuurlijk -voor goed uit. Lang heerschte er een pijnlijk zwijgen.</p> -<p class="par">Weer wendde de edelman zich tot zijn zwager: „Dat -is nu toch al de derde keer dit jaar.”</p> -<p class="par">„Zooveel te meer reden, om een flink voorbeeld te -stellen.”</p> -<p class="par">„En wat het vervelendste is: als ze ontsnapt zijn, -zie je ze later soms in Utrecht vrij rondloopen. Dat moest noodig -veranderd worden.”</p> -<p class="par">„Doe er maar eens wat aan.”</p> -<p class="par">„Ik ben toch blij, dat we dezen snuiter te pakken -hebben gekregen; hij was zoo vriendelijk, ons recht tegen het lijf te -loopen. Het leek mij eerst nog al een kalme jongen toe.”</p> -<p class="par">„Dat soort is dus het minst te vertrouwen. Maar om -op de straf terug te komen, ik geloof stellig, dat het -hoogstnoodzakelijk is, een goed voorbeeld te stellen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name= -"pb135">135</a>]</span></p> -<p class="par">„Het kan zijn, dat je gelijk hebt. Als hij me -onderweg maar niet ontsnapt.”</p> -<p class="par">„Zoo je hem goed laat bewaken, zal hij dit wel -laten.”</p> -<p class="par">Alewijn was dus vooreerst van den dood gered, maar dit -diende slechts om hem later gruwelijker straf te bezorgen.</p> -<p class="par">Toch was hij blij met dezen afloop, want hij gaf de hoop -niet op, dat een gelukkig toeval hem redden zou. Hij nam zich tenminste -alvast voor, naar alle kanten goed uit te kijken en van de eerste de -beste goede gelegenheid gebruik te maken.</p> -<p class="par">Het gezelschap zette de reis voort. Alewijn liep, -geboeid en wel, tusschen twee welgewapende mannen in, die in last -hadden, den gevangene goed te bewaken en hem bij de minste poging tot -ontvluchten dood te slaan. Deze bedreiging was voldoende, om Alewijn -rustig voort te doen stappen. Hij keek bedaard voor zich uit, maar -wierp, toen men op de plaats gekomen was, waar het schip lag, tersluiks -een blik zijwaarts.</p> -<p class="par">Toen Alewijn zoo lang wegbleef, keken de opvarenden naar -hem uit. Maar nergens was een spoor van den jongen te ontdekken.</p> -<p class="par">De koopman had er toch allerminst vermoeden van, dat -zijn jonge vriend meeging met den troep reizigers, die daar den weg -naar Utrecht volgden.</p> -<p class="par">Eindelijk kon men niet langer wachten. Het schip moest -vertrekken en in de hoop, dat men den verloren zwerveling in Utrecht -weer zou ontmoeten, zeilde de schipper de rivier verder af. -<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name= -"pb136">136</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd21e2587">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt= -"ZESTIENDE HOOFDSTUK." width="548" height="86"></div> -<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main"><span class="sc">Onverwachte uitredding.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">’t Was druk in Utrecht; van alle kanten -hadden reizigers en kooplui en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; -voortdurend kwamen vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met -wagens, anderen te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een -lastige reis getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te -kunnen doen.</p> -<p class="par">De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was -eveneens in Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en -bevond zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de -andere stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik -af, dat een kooper hem zou naderen.</p> -<p class="par">Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in -den aanblik van het gewoel, maar tegelijk goed <span class= -"pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name= -"pb137">137</a>]</span>uitziende, of Alewijn zich ook onder de -menschenmassa mocht bevinden.</p> -<p class="par">De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid -jegens den redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan -dat hij de gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te -toonen.</p> -<p class="par">Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht -wel zou zijn aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van -den deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had -moeten binnentreden.</p> -<p class="par">Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een -talrijk gevolg vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er -allerminst aan, Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.</p> -<p class="par">Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel -en al. Geen wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met -onverholen belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een -kostelijken, met gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de -uitstalling behoorde.</p> -<p class="par">Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te -bewonderen.</p> -<p class="par">Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn -vrienden zich voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.</p> -<p class="par">Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem -spreken.</p> -<p class="par">In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in -den grooten armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het -kasteel was. <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name= -"pb138">138</a>]</span></p> -<p class="par">Ook ’s ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde -bewondering, maar beiden waren het er over eens, dat zoo’n -kostbaar stuk buitengewoon veel geld moest kosten. De laatste oorlog -mocht groote voordeelen hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten -verslonden en zeer veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk -ongelegen komen.</p> -<p class="par">De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, -dat het fraai bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou -verlokken. Terwijl hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den -ridder liet gaan, ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van -groote verbazing op had doen springen. Daar stond Alewijn!</p> -<p class="par">Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd -staan, al heel spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, -vindingrijk als hij was, even gauw een besluit genomen.</p> -<p class="par">Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en -het was zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering -rijk te beloonen.</p> -<p class="par">Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. -Toen de ridder eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den -mantel vroeg, antwoordde hij: „Heer ridder, dit kleed is -misschien het kostbaarste, dat gij op de geheele markt zult vinden. -Weinig edelen, hoe rijk ook, kunnen er zich op beroemen, zulk een -prachtigen mantel te bezitten. Zie slechts, hoe kunstig dit gouddraad -op de zijde is gestikt. De arbeid alleen, die er voor noodig is -geweest, moet met schatten betaald zijn.” <span class= -"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p> -<p class="par">Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de -gelegenheid geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer -Diederik kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk -afhouden; eindelijk keek hij den koopman vragend aan:</p> -<p class="par">„En de prijs?”</p> -<p class="par">De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk -gezicht de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet -kon verwachten.</p> -<p class="par">„Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een -fermen knaap noodig, om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat -gij mij toe, een van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien -fraaien mantel den uwen noemen.”</p> -<p class="par">Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en -eenige oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of -hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand niet -had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de handelaar -zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen toon zijn -eisch.</p> -<p class="par">Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, -nauwkeuriger dan eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het -maar namaak zou zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was -over den lagen prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te -doen had. Men behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te -hebben, om de echtheid van deze fijne stof te herkennen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span></p> -<p class="par">„Maar man,” riep de edelman eindelijk uit, -„meen je, wat je zegt?”</p> -<p class="par">„Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te -schertsen; het is me hooge ernst.”</p> -<p class="par">„Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar -ik verzeker je, dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of -weet je wat, ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij -heb.”</p> -<p class="par">Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den -ridder, was de koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den -dienaar, die op een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug -en sprak: „Dank u, ik zoek liever zelf.”</p> -<p class="par">Nog eens zeide hij ernstig: „Gij geeft mij immers -verlof te kiezen?”</p> -<p class="par">„Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me -heilig.”</p> -<p class="par">„Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij -als gevangene met u voert.”</p> -<p class="par">Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar -het wekte niet minder zijn ergernis: „Wat, daar had ik niet op -gerekend; ik gaf je verlof, een dienaar te kiezen, niet een -gevangene.”</p> -<div class="figure xd21e2437width"><img src="images/plate-3.jpg" alt= -"„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”" -width="536" height="720"> -<p class="figureHead">„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, -dien gij als gevangene met u voert.”</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. -Daar hij maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den -ridder naar het kleed was, sprak hij bedaard: „We zijn het dus -niet eens, welnu, dan gaat de koop niet door.”</p> -<p class="par">„Waarom vraag je niet een flinke som -geld?”</p> -<p class="par">„Omdat mijn mantel voor geld niet te koop -is,” antwoordde de handelaar wel beleefd, maar toch <span class= -"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>zoo -beslist, dat de ridder niet verder behoefde aan te dringen.</p> -<p class="par">Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; -die mantel blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.</p> -<p class="par">Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening -smaken van een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.</p> -<p class="par">Wat moest hij doen?</p> -<p class="par">Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar -hield zich met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan -hij blijk gaf, wond den edelman op.</p> -<p class="par">„Spreek,” riep heer Diederik ruw, „wat -moet je voor den mantel hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, -maar....”</p> -<p class="par">„Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb,” was -het eenvoudige antwoord.</p> -<p class="par">Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een -koppigheid, maar nog meer geërgerd, daar men hem durfde -wederstreven, zich omkeeren.</p> -<p class="par">Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu -werd de verzoeking te sterk.</p> -<p class="par">„Vooruit dan maar,” riep hij plotseling, tot -groote verbazing van de omstanders.</p> -<p class="par">Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de -edelman ontving den mantel.</p> -<p class="par">Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de -knieën, stamelend sprak hij zijn dank uit en tranen druppelden op -des koopmans handen, toen Alewijn zich bukte, om ze te kussen. -<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name= -"pb142">142</a>]</span></p> -<p class="par">Maar de handelaar glimlachte en sprak: „Elk zijn -beurt, mijn jongen. Nu ben je vrij, voor altijd.”</p> -<p class="par">De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, -dat het vader en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand -wist het rechte, maar dat behoefde ook niet.</p> -<p class="par">Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, -zijn ouders op te zoeken.</p> -<p class="par">Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij -gekomen, vernam de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een -vreemd land verkocht was.</p> -<p class="par">Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar -hij zooveel ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en -vergezelde hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven -voor Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle -oorden der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid. -<span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name= -"pb143">143</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<ul> -<li> <span class= -"tocPageNum">Bladz.</span></li> -<li><a href="#ch1" id="xd21e2496" name="xd21e2496">HOE HET ALEWIJN BIJ -DEN PLUIMVERZORGER GING</a> -<span class="tocPageNum">5</span></li> -<li><a href="#ch2" id="xd21e2502" name="xd21e2502">VERKOCHT</a> - <span class= -"tocPageNum">16</span></li> -<li><a href="#ch3" id="xd21e2508" name="xd21e2508">NIEUWE KENNISSEN</a> - <span class= -"tocPageNum">25</span></li> -<li><a href="#ch4" id="xd21e2514" name="xd21e2514">DE BELEGERING</a> - <span class= -"tocPageNum">39</span></li> -<li><a href="#ch5" id="xd21e2520" name="xd21e2520">DE KAT</a> - <span class= -"tocPageNum">48</span></li> -<li><a href="#ch6" id="xd21e2526" name="xd21e2526">EEN GEVANGENE</a> - <span class= -"tocPageNum">59</span></li> -<li><a href="#ch7" id="xd21e2532" name="xd21e2532">DE UITVAL</a> - <span class= -"tocPageNum">67</span></li> -<li><a href="#ch8" id="xd21e2538" name="xd21e2538">OP WACHT</a> - <span class= -"tocPageNum">74</span></li> -<li><a href="#ch9" id="xd21e2544" name="xd21e2544">DE OUDE WENA</a> - <span class= -"tocPageNum">81</span></li> -<li><a href="#ch10" id="xd21e2550" name="xd21e2550">ALEWIJNS -RIJKDOM</a> <span class= -"tocPageNum">89</span></li> -<li><a href="#ch11" id="xd21e2557" name="xd21e2557">HET TIENDMAAL</a> - <span class= -"tocPageNum">97</span></li> -<li><a href="#ch12" id="xd21e2563" name="xd21e2563">DE GEVANGENIS VAN -HET KASTEEL</a> <span class= -"tocPageNum">109</span></li> -<li><a href="#ch13" id="xd21e2569" name="xd21e2569">DE VLUCHT</a> - <span class= -"tocPageNum">116</span></li> -<li><a href="#ch14" id="xd21e2575" name="xd21e2575">AAN DEN RIJN</a> - <span class= -"tocPageNum">121</span></li> -<li><a href="#ch15" id="xd21e2581" name="xd21e2581">EEN ONAANGENAME -ONTMOETING</a> <span class= -"tocPageNum">129</span></li> -<li><a href="#ch16" id="xd21e2587" name="xd21e2587">ONVERWACHTE -UITREDDING</a> <span class= -"tocPageNum">136</span></li> -</ul> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name= -"pb144">144</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first">In deze serie verschenen:</p> -<ul> -<li><span class="itemNum">I.</span> <b>De ondergang van een ouden -burcht</b>, door E. MOLT. 3<sup>e</sup> druk, geïllustreerd door -<span class="sc">J. H. Isings</span> Jr.</li> -<li><span class="itemNum">II.</span> <b>In de wouden der Germanen</b>, -door E. MOLT. 3<sup>e</sup> druk, geïllustreerd door <span class= -"sc">B. W. Wierink</span>.</li> -<li><span class="itemNum">III.</span> <b>Roderik</b>, door E. MOLT. -3<sup>e</sup> druk, geïllustreerd door <span class="sc">B. W. -Wierink</span>.</li> -<li><span class="itemNum">IV.</span> <b>Alewijn de lijfeigene</b>, door -E. MOLT. 3<sup>e</sup> druk, geïllustreerd door <span class= -"sc">B. W. Wierink</span>.</li> -<li><span class="itemNum">V.</span> <b>Een valkenjacht op het kasteel -Brederode</b>, door E. MOLT. 3<sup>e</sup> druk, geïllustreerd -door <span class="sc">B. W. Wierink</span>.</li> -<li><span class="itemNum">VI.</span> <b>De kluizenaar in het woud van -Glenchon</b>, door E. MOLT. 3<sup>e</sup> druk, geïllustreerd door -<span class="sc">B. W. Wierink</span>.</li> -</ul> -<p class="par"></p> -<div class="par">Prijs per deel: -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">INGENAAID</td> -<td class="cellTop">ƒ</td> -<td class="cellRight cellTop">1.50</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">IN PRACHTBAND</td> -<td class="cellBottom"> -<table class="ditto"> -<tr class="s"> -<td>ƒ</td> -</tr> -<tr class="d"> -<td>,,</td> -</tr> -</table> -</td> -<td class="cellRight cellBottom">2.90</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<p class="par xd21e105">UITGAVEN VAN<br> -VAN HOLKEMA EN WARENDORF,<br> -AMSTERDAM.</p> -</div> -</div> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd21e2704width"><img src="images/spine.jpg" alt= -"Oorspronkelijke rug." width="112" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="transcribernote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen -overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het -kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de -<a class="exlink xd21e46" title="Externe link" href= -"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg -Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e46" -title="Externe link" href= -"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> -<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line -gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd21e46" title= -"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke -schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn -stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn -verbeterd.</p> -<p class="par">Deze tekst, ontleend aan de derde druk, is vergeleken -met die van de eerste druk (beschikbaar bij de <a class= -"exlink xd21e46" title="Externe link" href= -"http://www.dbnl.org/tekst/molt003alew01_01/">DBNL</a>). Hoewel hierbij -enkele redactionele aanpassingen zijn gevonden, is in deze editie, -behalve in enkele gevallen, de tekst van de derde druk gevolgt.</p> -<p class="par">Alle gemaakte aanpassingen zijn aangegeven in de colofon -aan het einde van dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2016-06-11 Begonnen.</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn -dat deze links voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctiontable" summary= -"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e143">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">GEÏLLUSTEERD</td> -<td class="width40 bottom">GEÏLLUSTREERD</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e187">6</a></td> -<td class="width40 bottom">moesteu</td> -<td class="width40 bottom">moesten</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e353">19</a></td> -<td class="width40 bottom">van zelf</td> -<td class="width40 bottom">vanzelf</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e377">21</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e1661">94</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e423">23</a></td> -<td class="width40 bottom">Zij</td> -<td class="width40 bottom">Ze</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e452">26</a></td> -<td class="width40 bottom">Wertuigelijk</td> -<td class="width40 bottom">Werktuigelijk</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e496">28</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">weer</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e511">28</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">mee</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e533">30</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">gekomen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e538">30</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e1058">62</a></td> -<td class="width40 bottom">He</td> -<td class="width40 bottom">Hè</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e541">30</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e1538">87</a>, <a class="pageref" href= -"#xd21e1826">105</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1906">111</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e2207">125</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e550">31</a></td> -<td class="width40 bottom">weigni</td> -<td class="width40 bottom">weinig</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e561">32</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e975">59</a></td> -<td class="width40 bottom">he</td> -<td class="width40 bottom">hè</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e628">35</a></td> -<td class="width40 bottom">Herco</td> -<td class="width40 bottom">Herico</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e999">60</a></td> -<td class="width40 bottom">nog al</td> -<td class="width40 bottom">nogal</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1143">65</a></td> -<td class="width40 bottom">Gaat</td> -<td class="width40 bottom">Ga</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1151">66</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e1754">101</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1203">69</a></td> -<td class="width40 bottom">uitslag</td> -<td class="width40 bottom">uitval</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1335">78</a></td> -<td class="width40 bottom">doodvijand</td> -<td class="width40 bottom">doodsvijand</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1359">79</a></td> -<td class="width40 bottom">o</td> -<td class="width40 bottom">om</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1443">83</a></td> -<td class="width40 bottom">vervolgde</td> -<td class="width40 bottom">vervolgden</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1511">86</a></td> -<td class="width40 bottom">Van avond</td> -<td class="width40 bottom">Vanavond</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1522">86</a></td> -<td class="width40 bottom">daaro</td> -<td class="width40 bottom">daarom</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1541">87</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1591">90</a></td> -<td class="width40 bottom">’</td> -<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1638">93</a></td> -<td class="width40 bottom">neer</td> -<td class="width40 bottom">weer</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1678">95</a>, -<a class="pageref" href="#xd21e2007">116</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1709">98</a></td> -<td class="width40 bottom">een</td> -<td class="width40 bottom">één</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1808">103</a></td> -<td class="width40 bottom">wachteu</td> -<td class="width40 bottom">wachten</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1817">104</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1852">107</a></td> -<td class="width40 bottom">maakte</td> -<td class="width40 bottom">maakten</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1977">115</a></td> -<td class="width40 bottom">Dan</td> -<td class="width40 bottom">dan</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2059">119</a></td> -<td class="width40 bottom">uit</td> -<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2085">120</a></td> -<td class="width40 bottom">door</td> -<td class="width40 bottom">voor</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2107">121</a></td> -<td class="width40 bottom">drong</td> -<td class="width40 bottom">dwong</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2225">126</a></td> -<td class="width40 bottom">vriendelijke</td> -<td class="width40 bottom">vriendelijk</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2319">133</a></td> -<td class="width40 bottom">kwaaddoen</td> -<td class="width40 bottom">kwaad doen</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Alewijn, de Lijfeigene, by E. Molt - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALEWIJN, DE LIJFEIGENE *** - -***** This file should be named 52315-h.htm or 52315-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/3/1/52315/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/52315-h/images/book.png b/old/52315-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8c9ee4f..0000000 --- a/old/52315-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/card.png b/old/52315-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1ffbe1a..0000000 --- a/old/52315-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/cover.jpg b/old/52315-h/images/cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4b590ca..0000000 --- a/old/52315-h/images/cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/external.png b/old/52315-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ba4f205..0000000 --- a/old/52315-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/logo.png b/old/52315-h/images/logo.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 03ed21c..0000000 --- a/old/52315-h/images/logo.png +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/ornament.png b/old/52315-h/images/ornament.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 629f425..0000000 --- a/old/52315-h/images/ornament.png +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/plate-1.jpg b/old/52315-h/images/plate-1.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f500630..0000000 --- a/old/52315-h/images/plate-1.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/plate-2.jpg b/old/52315-h/images/plate-2.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e96c092..0000000 --- a/old/52315-h/images/plate-2.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/plate-3.jpg b/old/52315-h/images/plate-3.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 356660f..0000000 --- a/old/52315-h/images/plate-3.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/spine.jpg b/old/52315-h/images/spine.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e8c6c53..0000000 --- a/old/52315-h/images/spine.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/52315-h/images/titlepage.png b/old/52315-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 32f0d81..0000000 --- a/old/52315-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
