diff options
Diffstat (limited to 'old/52315-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/52315-8.txt | 4386 |
1 files changed, 0 insertions, 4386 deletions
diff --git a/old/52315-8.txt b/old/52315-8.txt deleted file mode 100644 index 439e0c8..0000000 --- a/old/52315-8.txt +++ /dev/null @@ -1,4386 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Alewijn, de Lijfeigene, by E. Molt - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Alewijn, de Lijfeigene - Historisch verhaal uit de 12e eeuw - -Author: E. Molt - -Illustrator: B. W. Wierink - -Release Date: June 12, 2016 [EBook #52315] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALEWIJN, DE LIJFEIGENE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - ALEWIJN, DE LIJFEIGENE - HISTORISCH VERHAAL UIT DE 12e EEUW - - DOOR - E. MOLT. - - GEÏLLUSTREERD DOOR B. W. WIERINK. - - - DERDE DRUK. - - AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING. - - - -Toen Redbold gelukkig en wel van den kruistocht bij vrouw en kind was -teruggekeerd, kocht hij zich voor het overgespaarde geld een lapje -grond, niet ver van de abdij gelegen. 't Was een vruchtbaar plekje -en leverde meer op dan noodig was om van te leven. - -Geruimen tijd gingen de zaken dan ook heel goed. Door zuinigheid en -ijver wisten de eenvoudige menschen hun bezittingen langzaam maar -zeker te vermeerderen. - -Had het zoo maar mogen blijven! Helaas, hoe krachtig en ijverig -Redbold ook was, hoe trouw hij door zijn goede Marijke en door zijn -jongen in den zwaren veldarbeid werd bijgestaan, toch was de man niet -in staat, de zijnen bij voortduring gelukkig te maken. Redbold bezat -een treurige eigenschap, een eigenschap, die jammer en ellende zou -brengen in de hut, waar zooveel kalme vreugde kon heerschen. - -Redbold was een speler. - -Op den kruistocht had hij meermalen opgemerkt, hoe enkelen van zijn -krijgsmakkers soms groote sommen door het spel hadden gewonnen. - -Een enkelen keer had hij zelf meegedaan, maar altijd slechts weinig -geld gewaagd. - -Toen nu echter de vooruitgang naar zijn zin niet snel genoeg ging, -beproefde hij opnieuw zijn geluk. En dit bracht hem ten gronde. - -Want de fortuin was hem zeer ongunstig, en eindelijk verminderden -zijn bezittingen zoo bedenkelijk, dat hij land van de abdij in pacht -moest nemen. - -Nog was het tijd om tot inkeer te komen, nog kon alles weer hersteld -worden. Maar neen, de speelzucht zat er bij Redbold te sterk in. Hij -bleek ongeneeslijk. Niets was in staat, hem op den goeden weg terug -te brengen, zelfs de smeekingen van zijn lieve vrouw niet. - -Al meer en meer gingen de zaken achteruit, en toen Redbold eindelijk -niet bij machte bleek, zijn pacht te voldoen, moesten hij en de zijnen -daarvoor met hun vrijheid boeten. En nu gebeurde, wat de meier der -abdij al zoo vaak voorspeld had: Redbold met vrouw en zoon werden de -lijfeigenen van den abt. Wel waren ze hierdoor voor gebrek bewaard, -maar hun vrijheid hadden ze verloren. Ze moesten den arbeid verrichten, -dien de abt hun oplei. Ze waren geheel afhankelijk van hen, die door -den geestelijken heer waren aangewezen om op de onderhoorigen het -toezicht te houden. Voor Alewijn was nu de tijd voorbij, dat hij doen -mocht, wat hij wilde. Weldra liet de abt den knaap bij zich komen, -om hem te vertellen, dat hij spoedig geregeld werk zou krijgen. - -De abdij bestond uit een groote menigte houten en steenen gebouwen, -alle om een kerk geschaard, het geheel door een gracht en een muur -omgeven. De landerijen, die er toe behoorden, strekten zich naar alle -zijden zeer ver uit; tal van knechts waren er aan den arbeid. Ook -Alewijn verwachtte, dat hij weldra op het veld aan het werk gezet -zou worden. - -Dit viel echter mee. Men droeg hem vooreerst nog niets bepaalds -op. Zoo nu en dan moest hij Diedaart, den verzorger der hoenders, -behulpzaam zijn. - -Diedaart, een kort, vlug kereltje, verbeeldde zich heel wat te wezen, -zeker, omdat hij in rang boven den haan stond, die al een groot -gezag over zijn omgeving had. Alewijn kreeg het heel gemakkelijk; -zwaren arbeid behoefde hij niet te verrichten. Al het werk bepaalde -zich tot het doen van boodschappen, terwijl hij den overigen tijd bij -Diedaart op een bank mocht zitten, om naar diens verhalen te luisteren. - -Zoolang men Diedaart niet in het vaarwater kwam, was hij de beste man -van de wereld, maar men moest dan ook alles goedvinden en prijzen, -wat hij deed. Bovendien wilde hij niet graag op de vingers gezien -worden. Alewijn, die dikwijls op de abdij was geweest om eieren -te verkoopen, kende den pluimverzorger heel goed, en, daar hij een -bescheiden jongen was, bestond er alle reden om te verwachten, dat -hij het met zijn kort meestertje best zou kunnen vinden. - -De eerste dagen ging het ook heel goed; Diedaart was zeer met den knaap -ingenomen; zelfs begon Alewijn zich reeds in zijn lot te schikken, -toen er iets voorviel, dat een geheele verandering in zijn leven -veroorzaakte. - -Op een morgen riep Diedaart den jongen bij zich. - -"Komaan, kereltje"--de man was wel een hoofd kleiner dan Alewijn--"pluk -jij me dat kipje even. 't Is voor den abt bestemd. Een vet beestje, -he? Nu, wat zeg je er van?" - -Alewijn wist er niets anders van te zeggen, dan dat ook hij een en -al bewondering was over de vetheid van het hoen. - -"Ja, daar heb ik goed den slag van. Ze mogen zeggen, wat ze willen, -maar sedert Diedaart voor de hoenders zorgt, gaat het er in het -kippenhok veel beter uitzien. Weet je, wat de zaak is? Ik ken zoo -de rechte manier, hoe de beestjes gevoederd moeten worden. Daar komt -het op aan. Je moet weten, wat een dier toekomt. De meesten hebben er -heelemaal geen verstand van. Dat voedert de kippen alleen, enkel en -alleen met gerst! Denk eens aan, alleen met gerst. Zou jij je maal -graag alleen met brood doen? Ik niet. Ik heb er liefst wat drinken -bij. Zoo gaat het een hoentje ook. Kijk, ik meng het voeder altijd -met een flinken scheut bier aan. Nu mogen ze er over klagen, dat ik -zooveel bier gebruik, daar lach ik wat om. Mijn beestjes worden dik -en vet, de abt is tevreden, wat wil je nog meer. - -"Zie je die witte daar? Die heeft de kou te pakken gekregen, maar nu -zal ik je toch eens laten zien, hoe gauw ik ze weet op te knappen. Als -je straks de kip geplukt hebt, wil je zeker wel even voor me de -poort uitgaan?" - -Zoo babbelde de man door, nog drukker dan zijn gevleugeld volkje, -dat al maar klokkend en kakelend en pikkend door elkander liep. - -"Ja, ja, de abt heeft een heelen steun aan mij, al zeg ik het zelf." - -Intusschen zat Alewijn ijverig te plukken, een werkje, dat hij meer -gedaan had en dat hem dus nog al vlug van de hand ging. En toen hij -klaar was, droeg Diedaart hem op, even naar buiten te gaan en wat -schors van een esch te halen. - -"Wel, mijn jongen, je kijkt daar vreemd van op. Je denkt zeker: -"Wat wil hij daar nu mee uitvoeren?" Ik zal je dat zeggen. Als de -kippetjes verkouden zijn, is er geen beter geneesmiddel te bedenken -dan aftreksel van esschenschors; wat ze ook hebben verkoudheid, pip, -of zinking, je geneest ze er dadelijk mee. Nog sterker, laatst had ik -een kip, die al te gulzig was geweest en een grooten kikker ineens -had willen doorslikken. 't Beest zou stikken; ik geloofde vast, dat -het er nooit meer van kon opkomen. 't Ware jammer genoeg geweest, -want het dier begon juist zoo mooi vet te worden. Maar komaan dacht -ik, we kunnen altijd nog eens iets probeeren. Wat doe ik? Ik trek de -kip den bek open. Kijk, zoo!" - -De man nam een hoentje op, dat natuurlijk geweldig tegenspartelde en -sperde het den bek wijd open. - -"Ik trok het den kikker uit de keel. Maar nog bleef het dier voor dood -liggen. Nu goot ik het voorzichtig wat aftreksel van esschenschors in -den bek; dat had ik toen juist bij de hand, omdat er zooveel hoenders -verkouden waren en wat zag ik? Een klein poosje later liep de zieke -even gezond en monter rond, alsof er niets gebeurd was, ja, het leek -me toe, of het nog nooit zoo tierig was geweest. - -"Ha, je bent klaar, zie ik. Wacht, laat het even aan den kok zien, -met de complimenten van mij, en vraag, of het niet een heerlijk -beestje is. En zeg dan meteen, dat het bier op is." - -Alewijn vertrok en kwam na eenig zoeken in de keuken, waar een dikke -monnik ijverig bezig was. "Zoo kereltje, wat moet jij hier? O, kom -je van Diedaart? Dat is goed." - -"Diedaart vraagt, of hij niet wat bier kan krijgen." - -"Wat zeg je? Bier? Bier, mijn beste jongen? En gisteren heeft hij -nog een heele kruik gehad. Wat doet hij er toch mee?" - -Alewijn antwoordde, dat bier zoo goed voor de kippen scheen te zijn. - -"Zoo. Nu, ik kan niet anders zeggen, of dit is een mooi kluifje. Wel -wel, komt het van het bier? Neem die kruik dan maar mee, als je maar -oppast, dat je er niet van snoept, want dan kon je wel eens even vet -worden als de kippen en dat zou je dadelijk verraden." - -Alewijn bracht dus de kruik bier naar den pluimverzorger, die het -weltevreden aannam en hem nu opdroeg, wat esschenschors te halen. De -jongen talmde niet en ging dadelijk heen; onderweg bedacht hij echter, -dat een mes hem goed te pas zou komen. Daarom keerde hij nog eventjes -terug. Maar wat zag hij daar, toen hij het hoenderhok binnentrad? Iets, -dat hem ten hoogste verwonderde, maar waardoor hem tevens een licht -opging. Nu begreep hij, waarom Diedaart elken dag een kruik bier -noodig had. - -Op hetzelfde oogenblik toch, dat Alewijn binnen kwam, nam de goede -man de laatste teug uit de kruik. Het spreekt vanzelf, dat hij heel -raar op zijn neus keek, toen hij zich zoo verrast zag en in het eerste -oogenblik niet wist, wat hij zeggen moest. Spoedig echter herstelde -de snoepachtige hoenderverzorger zich en poogde hij zijn toestand -te verklaren door te zeggen: "Ja, zie je, ik proef het bier altijd -eerst zelf, vóór ik het den hoenders geef. Je weet nooit, wat bocht -men je in de handen duwt." - -Nu moest Alewijn toch hartelijk lachen, want pas had Diedaart dit -gezegd, of hem viel de kruik uit de handen, en nu bleek, dat er geen -druppel meer in was. De eerlijke pluimverzorger was bezig geweest, -niet de hoenders, maar zich zelf vet te maken, en, dit moet men zeggen, -hij deed het niet ten halve. Zijn buikje begon den laatsten tijd dan -ook al aardig rond te worden. - -Diedaart was eerst verlegen geweest, toen hij zich betrapt zag. Toen -hij echter meende op te merken, dat Alewijn hem uitlachte, werd hij -boos. Hij beroemde zich altijd op zijn trouw en eerlijkheid, en het -beviel hem dus in het geheel niet, dat iemand zijn snoeplust had -ontdekt. Het ernstige van het geval was, dat de onschuldige Alewijn -hiervoor moest boeten. - -"Zeg eens, wat moet je hier? Maak, dat je weg komt en doe, wat ik -gezegd heb," klonk het kortaf. - -Alewijn keek zeer vreemd op van den onvriendelijken toon, daar hij -juist het tegendeel verwacht had. Hij antwoordde: "Ik had nog vergeten, -een mes mee te nemen." - -"Had daar dan maar dadelijk om gedacht. Kom, waar wacht je nog op?" - -"Ik moet toch een mes hebben." - -"En hoefde je daarvoor nu terug te komen? Had je onderweg aan een -van de lui niet een mes te leen kunnen vragen? Vooruit, neem mee en -ruk uit. Laat ik je vooreerst niet weer zien." - -Alewijn deed, wat hem bevolen was, en Diedaart bleef alleen, in -een zeer ontevreden stemming. Wat was hij boos! Geen wonder! Langen -tijd had hij ongestoord kunnen genieten van het bier, dat voor zijn -kippetjes bestemd was; altijd had ieder hem voor een eerlijk man -gehouden, en nu was hij opeens betrapt door zoo'n kwajongen. Hij -vreesde, dat Alewijn het vertellen zou, maar nog meer was hij er -woedend om, dat hij het bierdrinken voortaan zou moeten laten. Een -oogenblik dacht hij er aan, den buit met Alewijn te deelen, maar -even spoedig verwierp hij dit plan weer. Neen, hij moest iets beters -bedenken. En ten laatste besloot hij een middel te verzinnen, om den -jongen kwijt te raken. - -Dit middel deed zich eerder voor, dan hij verwacht had. Want, toen -Diedaart den volgenden dag den abt ontmoette, hield deze hem staande -en sprak: "Wel, goede Diedaart, je hebt mij daar gisteren een lekker -kluifje bezorgd." - -Diedaarts gezicht glom van voldoening toen hij zoo geprezen werd. - -"O ja," vervolgde de abt, "dat moest ik je nog eens vragen, hoe gaat -het met dien jongen, och, hoe heet hij ook weer?" - -"Alewijn, bedoelt u?" - -"Juist, Alewijn." - -Plotseling kreeg de pluimverzorger een plan in zijn hoofd. Daar had -hij een gemakkelijk middel, om zich den lastigen jongen van den hals -te schuiven. Hij trok een paar rimpels in zijn voorhoofd en zette -een bedenkelijk gezicht. - -"Wat zal ik u zeggen? 't Gaat nog al, maar ik geloof niet, dat een -gemakkelijk leven, zooals hij bij me heeft, goed voor hem is." - -"Wat lui misschien?" - -"Lui, lui? Ik weet dat nog zoo niet, maar ik vertrouw wel, dat het -beter voor hem zou zijn, als hij flink aan het werk gezet werd. Ook -lijkt hij mij nogal weerspannig toe." - -De abt was een goed man, maar hij hield van strenge -tucht. Weerspannigheid werd door hem altijd zwaar gestraft. Daar -kwam in dit geval bij, dat hij van Diedaart, die zijn tafel zoo goed -verzorgde, nog al hield en er niet aan dacht, hem te wantrouwen. - -Hij zette dus bij dit ongunstige oordeel over den armen Alewijn een -zeer ernstig gezicht, en sprak: "He, dat had ik niet achter den jongen -gezocht. Het leek mij eerst een bedaarde, bescheiden knaap toe. We -moeten hem dan maar flink aanpakken. Weet je wat, ik zal hem eens -bij me laten komen." - -Dit was het juist, wat Diedaart graag wilde hebben, want hij vermoedde -wel, dat Alewijn zich zou pogen te verdedigen en dat hij hierdoor juist -een verkeerden indruk op den abt moest maken. En zoo gebeurde ook. De -jongen voelde zich niet weinig beklemd, toen hij bij den deftigen -man in de spreekkamer moest komen, en hier werd zijn verlegenheid -nog grooter. - -"Wat hoor ik van je, vrind, je bent niet heel vlijtig, he? Dat valt -me niet mee". - -"Wat?" vroeg Alewijn ten hoogste verwonderd en niet minder -verontwaardigd, want hij had nog niet geleerd, onderdanig te wezen, -"wie zegt dat?" - -"Je toon is tamelijk brutaal. Wie het zegt? Dat behoef ik je gelukkig -niet te verzwijgen. Diedaart de pluimverzorger heeft zich ernstig -over je te beklagen." - -"Och, wat verbeeldt hij zich wel? Laat hij liever naar zich zelf -kijken." - -"Hoor eens, eerst wou ik het niet gelooven, maar nu zie ik het toch -zelf, dat je brutaal bent en weerspannig bovendien. Neen, neen, je -behoeft mij niets meer te vertellen. Ik ken zulke praatjes. Maar ik -wil je eens voor al zeggen, dat de toon, dien jij aanslaat, volstrekt -niet past. Foei, Diedaart is een ernstig en degelijk man. Hoor eens, -mijn jongen, je bent nog jong en daarom zal ik je genadig behandelen, -maar laat het voor altijd een goede les zijn. In 't vervolg behoef -je niet meer in het hoenderhok te komen; ik zal je op den akker aan -het werk zetten. Hoor ik na verloop van tijd goeds van je, nu, dan -zullen we nog eens zien, maar anders, pas op!" - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -VERKOCHT. - - -Twee dagen later stond Alewijn reeds op den akker te arbeiden. Hij -was een krachtige, breede knaap, maar het kostte hem niet weinig -moeite, den ploeg, dien de ossen trokken, in het rechte spoor te -houden. Daar hij geen suffer was, poogde hij zich zoo goed mogelijk in -zijn rampzaligen toestand te schikken en de ellende te vergeten. En -hoe kon dat beter dan door hard te werken? Werken kon hij. Het was -een lust, hem te zien; stellig zou het niet lang behoeven te duren, -of hij kwam in de gunst van den abt, als--de meier geen vriend van -Diedaart den pluimverzorger was geweest. - -"Je moet dien knaap in het oog houden," had de laatste gezegd. - -"Ha, ha, is het er zoo eentje; nu, we zullen hem wel klein krijgen. Hij -werkt anders nog al flink." - -"Zeker, maar ik zeg je, hij heeft streken; dat heb ik al heel gauw -opgemerkt. Anders mocht hij wel bij me blijven." - -"Nu, ik verzeker je, dat hij niet veel meer zal hebben in te brengen." - -De meier begon dus reeds met den armen Alewijn te wantrouwen en dat -was voor den knaap heel ongelukkig. Want hoe gaat het in de wereld, -als de menschen het al vooruit op iemand niet begrepen hebben? Dan kan -hij zich niet eventjes vergissen, of het is mis. En zoo ging het hier -ook. De meier had geen oog voor den ijver, waarmee Alewijn arbeidde, -maar op fouten, wezenlijke of schijnbare, lette hij wel. Rustte de -jongen even, dan meende de man, dat hij wilde luieren; praatte hij -met een ander, de meier dacht, dat ze elkander opstookten. Dan kwam -hij met een barsch gezicht naderbij en bestrafte den jongen, die zich -natuurlijk niet onrechtvaardig liet behandelen, en, openhartig als -hij was, een flink antwoord terug gaf. - -Zoo hoorde de abt ook van den meier niet veel goeds van Alewijn en -werd hij versterkt in de meening, dat het een lastige, weerspannige -jongen was. - -Op een morgen was Alewijn bezig, de ossen voor den ploeg te -spannen. Hij stond dicht bij een breeden weg, die naar de abdij -leidde. Plotseling zag hij bij een hoek van achter een boschje een heel -gezelschap ruiters naderen. 't Waren een paar edelen met hun gevolg, -die blijkbaar het plan hadden, den abt een bezoek te brengen. Een der -ridders was een groote breede man, in volle wapenrusting: een malierok, -nauwsluitende hoozen met ringen en een helm op het hoofd. Trotsch -zat hij in het zadel en liet zijn blik gaan over de landerijen aan -weerszijden van den weg, terwijl hij nu en dan het woord richtte -tot zijn metgezel of antwoordde op de opmerkingen, die deze hem -deed. Plotseling kreeg de ridder Alewijn in het oog. Hij scheen wat -bijzonders aan hem te zien, want hij bekeek den knaap met buitengewone -aandacht. Alewijn voelde het en werd er verlegen van; hij wist niet, -wat hij doen moest. Ja, de ridder had het bepaald over hem, toen hij -weer eenige woorden sprak tot den ruiter naast hem. Wat hij zei, werd -Alewijn natuurlijk niet gewaar, maar hij zou het weldra ondervinden. - -Alewijn ving met ploegen aan en de ruiters zetten bedaard hun tocht -voort, totdat ze bij de abdij kwamen, waar men zeer vereerd was met het -deftig bezoek en waar de reizigers dan ook gastvrij werden ontvangen. - -Waarom de edelman Alewijn zoo opmerkzaam had aangekeken? We zullen -het spoedig zien. Want nog had hij niet lang bij den abt gezeten, -of hij sprak: "Eerwaarde, ik zag zooeven op uw akker een opgeschoten -knaap van een jaar of zestien. Ik zou zoo'n snuiter uitstekend kunnen -gebruiken; hadt u geen lust, hem mij over te doen?" - -"Nu, dan dien ik toch eerst te weten, over wien u het hebt. Wacht, -misschien kan broeder Lulof mij helpen." - -Lulof werd geroepen en moest met een der mannen van den ridder -meegaan om te onderzoeken, wie de kooplust van den edelman had gaande -gemaakt. Al spoedig kwam de man weer terug en deelde hij den abt mee, -dat het niemand anders dan Alewijn kon zijn. - -"Alewijn, Alewijn," dacht de abt, "van dien lummel heb ik tot -nu toe niet veel goeds gehoord; ook de meier is slecht over hem -tevreden. Zulke bedienden kan ik missen. Al wou hij hem haast voor -niets hebben, ik stond hem graag af." - -Maar de abt, die zeer bijdehand was, liet niets merken van hetgeen -er in hem omging en richtte dus het woord tot den edelman: "Ik moet -u eerlijk bekennen, dat ik werklui genoeg heb en dus een enkelen van -hen wel wil afstaan, vooral wanneer ik u daar een pleizier mee doe, -maar, deze knaap.... een van mijn flinkste ploegers...." - -"Nu, ik zal hem goed betalen." - -"Dat spreekt vanzelf," hernam de abt glimlachend, "als dat ook niet -zoo was, wou ik hem doodeenvoudig niet missen. Hoeveel dacht u voor -hem te geven?" - -"Als ik eens zei: Twee prachtige rijpaarden." - -Dit was een zeer hoog bod, zooals nooit voor een lijfeigene gedaan -werd, maar de ridder, die een krijgshaftigen aard had en graag een -troep flinkgebouwde strijders om zich heen zag, stond er nu eenmaal -op, Alewijn te koopen. Inmiddels gaf hij hiermede het bewijs, dat hij -niet voor koopman in de wieg was gelegd. Hij liet zich op deze wijze -geheel in de kaart kijken en dit was zeer dom, vooral tegenover een -slimmerd als de abt, die zijn oogen een weinig toekneep, het voorhoofd -wat fronste en sprak: "Laten we er maar niet meer over praten." Hij -deed, alsof hij van den geheelen handel niets meer weten wilde. - -Hierdoor wekte hij nog meer de begeerte van den edelman, die hem zoo -gauw niet losliet en zei: "Maar heer abt, twee paarden, wordt er ooit -zooveel voor een arbeider gegeven?" - -"'t Kan zijn, ik wil er den jongen eenvoudig niet voor missen." - -"Maar hoeveel vraagt u dan wel?" - -"Nu, als u hem volstrekt hebben wilt, leg er dan nog twee koeien bij -en u kunt den knaap onmiddellijk meenemen; maar voor minder doe ik -hem niet van de hand." - -De ridder gaf teekenen van verbazing over zulk een ongehoorden eisch; -maar de abt was er zeker van, dat de edelman ten laatste zou toeslaan, -en bleef dus onverzettelijk. De uitkomst bewees, dat hij juist had -gezien, ja, per slot van rekening was de ander nog blij, dat hij den -jongen had kunnen krijgen, al beklaagde hij zich ook herhaaldelijk -over den duren koop. - -Zoo was Alewijn dan verkocht, maar hij wist er zelf nog niets van; ook -'s avonds, toen hij naar huis ging, had hij het nog niet vernomen. Hij -was den edelman dan ook al weer vergeten en dacht aan geheel andere -dingen. Hij peinsde er over, wat de toekomst hem brengen zou. Overdag, -bij den drukken arbeid, vergat hij het eenigszins, welk een ellendige -toestand de slavernij toch was, maar 's avonds, bij het naar huis -gaan, kreeg de arme jongen vaak droevige gedachten. De aanblik van -zijn moeder, die, meer gebogen dan ooit, met somberen blik lusteloos -haar werk deed of droef peinzend op een bank zat, maakte hem ook -neerslachtig. - -"Zou daar nu niets aan te doen zijn?" dacht hij, "zou de gelegenheid -zich nooit voordoen, mij weer vrij te maken?" Als hij door hard -werken, door zuinig sparen eens zooveel verdiende, dat hij zich en -zijn ouders vrij kon koopen? En dan sprak hij er met zijn moeder over, -om haar te troosten. - -"Och, mijn jongen, eer het zoover is, ben ik al lang dood." - -"Kom, moeder, zeg dat niet; dat beneemt mij den moed en ik geloof -juist, dat alles nog wel terecht kan komen." - -"Ik weet niet." - -"Maar zou het dan niet doenlijk zijn, zooveel over te verdienen, -dat we ons weer vrij kunnen koopen?" - -"O, 't is zoo moeilijk. Och, jongen, als je ondervonden had, wat ik -heb geleden." - -"Wel, moeder, dat is toch voorbij; ik zie er nog wel licht in." - -En als Alewijn zoo sprak, begon de arme vrouw in het laatst wat -opgeruimder te worden; ze zag haar jongen met een liefdevollen blik -aan; neen, alle hoop wilde ze hem niet benemen. Ze was overtuigd, -dat de toekomst zich donker liet aanzien, maar toch, ja, ze moest ook -erkennen, dat het meer gezien was, dat lijfeigenen door zuinigheid -en vlijt hun vrijheid hadden weten te verwerven, vooral, als de heer -een zacht en eerlijk man was. - -Moeder en zoon zwegen; het gesprek had hen in wat opgeruimder stemming -gebracht; beiden droomden van blijder dagen. - -Daar trad de meier binnen, dezelfde, die haar het verlies der vrijheid -had aangekondigd. Opeens herinnerde Marijke zich, dat die man haar -de boodschap had gebracht van het grootste jammer, dat haar was -overkomen. En ze huiverde bij de gedachte daaraan. Zoodra ze den -meier zag, stond haar ongelukkige toestand in al zijn ellende haar -weer voor den geest. Wat voerde hem nu weer hierheen? Kwam hij weer -een jammerboodschap brengen? Kon het misschien nog ongelukkiger? - -Ja, het kon nog ongelukkiger. Maar van de tijding, die de meier -nu meebracht, had de arme Marijke in de verste verte niet kunnen -droomen. Het was, of de man het begreep, en of hij er tegen op zag, -dat hij het leed nog kwam vergrooten. Geruimen tijd bleef hij staan -zonder te spreken, als verwachtte hij, dat Marijke beginnen zou. De -vrouw keek hem droefvragend aan; ze las het op zijn gezicht, dat -hij aarzelde, dat hij haast niet voor den dag durfde te komen met -hetgeen hij had mee te deelen. Dit sloeg haar geheel ter neer; was -er dan weer iets gebeurd? Kon het dan wezenlijk nog erger? Welnu, -ze was op alles voorbereid. - -De meier zocht naar zijn woorden. 't Was een ruwe man, maar ook de -ruwste is niet geheel van gevoel ontbloot en hij begreep maar al te -goed, dat het ergste leed voor een moeder is, haar kind te verliezen. - -Haar kind te verliezen; nog vermoedde Marijke in het geheel niet, -wat verschrikkelijk lot haar boven het hoofd hing. - -"'t Zal misschien niet heel aangenaam zijn, wat ik je heb te -vertellen...." - -Daar had je het dus. Weer een jobstijding. En bitter viel de vrouw uit: -"Hoe, is het dan nog niet genoeg? Heb ik te weinig geleden? Moet -er nog meer ellende over mijn huis worden gebracht? Voor den dag -er dan mee. Ik kan alles verdragen. Je behoeft er niet om heen -te draaien. Maar ik begrijp waarlijk niet, wat er nog van mij te -halen is." - -Marijke zag om zich heen, maar begreep er niets van. Hoe zou ze ook? De -meier werd diep getroffen door den angst, die uit haar verweerde -trekken sprak en aarzelde nog altijd, het noodlottige woord uit -te spreken. - -"Maar zeg dan toch, man, wat je hebt." - -Nu moest het er wel uit. Vreeselijk was de uitwerking; de meier mocht -de zachtste woorden uitkiezen, die hij vinden kon, het hielp niet: de -rampzalige tijding trof de arme Marijke als een donderslag. Neen, zoo -iets had ze niet verwacht. Ook Alewijn stond diep verslagen. Verkocht; -als een stuk vee verkocht! - -Langen tijd stond de vrouw strak voor zich uit te staren. 't Was, -alsof haar hoofd geheel in de war was, of ze vruchteloos moeite deed, -om de gedachten te verzamelen. Ze sprak niet, ze schreide niet, maar -haar roerloos neerzitten bewees meer dan heftig snikken zou gedaan -hebben, hoezeer ze leed. - -In het laatst scheen het, of ze een poging tot uitredding wilde -wagen, of er een sprank van hoop in haar opflikkerde. Radeloos van -jammerlijken angst viel ze neer, kroop tot bij den meier voort, -omvatte zijn knieën, en smeekte hem: "Och, mijn goede heer, red -ons, heb medelij met een arme moeder; zeg, dat het niet waar is, -dat mijn jongen, mijn Alewijn bij me blijft. Wij kunnen elkander niet -missen. Niet waar, lieve, beste Alewijn, is het niet zoo, mijn jongen, -je oude moeder kan je niet missen." - -Zoo jammerde ze, biddend en smeekend, nu klagend, soms dreigend en in -het laatst zakte ze bewusteloos ineen. Alewijn viel bij zijn moeder -neer, vatte haar in de armen en riep haar: "Moeder, moeder!" - -'t Was een vreeselijk tooneel, en de meier, de ruwe meier, die gewoon -was, de lijfeigenen als honden te behandelen, voelde zijn oogen vochtig -worden. Maar tegelijk werd hij wrevelig, omdat hij gedwongen was, -getuige te zijn van zulk een droefheid, en, daar hij er toch niets -aan doen kon, keerde hij zich om en ging heen. - -Langzamerhand kwam de vrouw weer bij; nu schreide ze, stil, zonder te -spreken, maar de tranen vloeiden haar overvloedig over de wangen. Den -geheelen avond bleven Marijke en haar zoon bij elkander zitten, -hand in hand. Zij legde haar moede hoofd tegen zijn schouder. - -"Och," zuchtte ze, "ik had zoo gehoopt, je bij me te houden, het korte -poosje, dat ik nog leven zal. Och, och, dat het niet zoo heeft mogen -zijn. Alewijn, mijn lieve jongen...." - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -NIEUWE KENNISSEN. - - -Een week later reeds stond Alewijn ver van de plaats, waar zijn ouders -woonden, op het land van zijn nieuwen meester te werken. Tijd, om een -beetje op zijn verhaal te komen, had men hem niet gelaten. Waarvoor -ook? Lijfeigenen werden immers niet beter geteld dan vee, dat men -koopen en verkoopen kon, dat men mocht pijnigen of dooden, juist -zooals het den heer in de gedachten kwam. Men wist niet beter, of -het behoorde zoo. - -Maar Alewijn had de vrijheid gekend en hij gevoelde maar al te goed -zijn bitter verdriet. Weggerukt van zijn moeder, als slaaf meegesleept, -o, 't was een leed, om nooit te boven te komen. Zuchtend stak hij de -spade in den grond. Wel had de edelman hem voor krijgsman bestemd, -maar heer Diederik wilde eens zien, of Alewijn een flink werkman was, -en daarom liet hij hem een paar weken op het veld arbeiden. - -Werktuigelijk, al maar aan het ouderlijk huis denkende, ging Alewijn -met graven voort, toen hij plotseling uit zijn overpeinzingen werd -opgeschrikt doordat een steen dicht bij hem op den grond plofte. Eenige -oogenblikken later suisde een tweede steen hem om de ooren. - -Verbaasd keek hij rond, terwijl hij niet weinig knorrig was, dat men -de lui hier zoo onvriendelijk behandelde. Voor de derde maal kwam -een steen aanvliegen en het had waarlijk weinig gescheeld, of deze -was tegen Alewijns hoofd terecht gekomen. De jongen werd nu dan ook -ernstig boos en nam alvast een fermen knuppel op, om den onzichtbaren -aanvaller met gelijke munt te kunnen betalen. - -Op dit oogenblik kwam er uit een boschje een knaap te voorschijn, -die ongeveer van denzelfden ouderdom scheen, als Alewijn en eveneens -lijfeigene was, wat uit zijn kortgeknipte haren dadelijk bleek. - -"Probeer dat nog eens!" riep Alewijn dreigend. - -"Hei, hei, wat een verbeelding! Zeker pas hier gekomen, he?" - -"Wat zou dat? Daarom behoef jij niet met steenen te gooien." - -"En jij zoo'n drukte niet te hebben. Hoe kom je hier?" - -Alewijn was vroeger altijd gewoon geweest, met eenige minachting op -lijfeigenen neer te zien en het is dus niet te verwonderen, dat hij -zich zeer ergerde over den toon, dien de ander aansloeg. Hij keerde -hem dan ook heel eenvoudig den rug toe. Zoodra de vreemde knaap dit -zag, begon hij hartelijk te lachen: "Wat een heer! Zeker de een of -andere hooggeboren ridder, die in gevangenschap is geraakt! Stel je -nu niet zoo aan, mannetje!" - -"Houd je mond, of ik sla er op," riep Alewijn woedend en hij meende, -wat hij zei en hief de spade reeds dreigend omhoog. Intusschen toonde -de vreemde niet de minste vrees, want hij zette doodbedaard zijn -handen in de zij en sprak: "Dan zit je morgen in den kelder onder -den burcht. 't Is daar heel aardig, dat verzeker ik je." - -"Daar weet jij wat van." - -"Ik heb er ook gezeten. Kijk maar." De knaap keerde zich half om en -liet Alewijn de linkerzijde van het hoofd zien, waar het oor afgesneden -was. 't Was een verschrikkelijk gezicht en Alewijn begreep niet, -hoe die jongen daar nog om kon lachen. - -"Dat is mij verleden jaar overkomen; ik had gestolen, moet je -weten. Eigenlijk laat onze heer den dieven één hand of beide handen, -al naar hem dat zoo in den zin komt, afkappen, maar mij heeft hij -bij uitzondering genadig behandeld. Niet uit goedheid, maar omdat -het in zijn eigen voordeel was. Een slaaf, die zijn handen kwijt is, -zal nooit meer werken of vechten, en daar kan hij ons veel te goed -voor gebruiken." - -"Jij schijnt het anders niet heel druk te hebben." - -"Zeker heb ik het druk. Ik kom jou roepen." - -"Wie heeft je dat gezegd?" - -"De meier. Je moet meehelpen, ginds bij het hek. De meier zegt, -dat jij sterk bent." - -"Hoor eens, ik heb met jou niets te maken." - -"Goed, dan blijf je hier. Je moet het zelf ondervinden. Goeden dag." - -De knaap, Hark heette hij, wilde zich dus weer verwijderen, toen -Alewijn hem nog terugriep en zei: "Neen, luister nog even. Meen -je het?" - -"Wat?" - -"Dat de meier me laat roepen?" - -"Wat dacht jij dan?" - -"Dat het maar gekheid van je was." - -"Zeker, het is gekheid. Nu, ik kan niet langer wachten. Blijf jij -dan maar hier, als je wilt." - -Hark scheen de waarheid te hebben gesproken en Alewijn oordeelde -het dus het verstandigst, met hem mee te loopen in de richting van -het kasteel. - -Dit was een reusachtig steenen gebouw, waarvan de grijze massa zich -boven het omliggende groen verhief. Heel aantrekkelijk zag het er -niet uit, maar het was van verbazend dikke muren en geduchte torens -voorzien, en daar kwam het voor een edelman in de eerste plaats op aan. - -Naarmate men naderde, kon men de verschillende deelen beter -onderscheiden: de ronde vensters en de smalle kijk- en luchtgaten -grijnsden op het grauwe vlak van den muur den reiziger onheilspellend -aan. Het eigenlijke gebouw, de woning van den edelman, was door een -gracht omgeven en daar omheen lag het erf, waar altijd een groote -drukte heerschte van arbeiders, krijgslieden, kinderen en vee. Ook -stonden hier de hutten der lijfeigenen, de hokken van de dieren en -de berg- en de werkplaatsen. Het geheel besloeg een groote ruimte en -was omgeven door een palissade van dikke, gepunte palen, terwijl een -breede gracht den toegang nog moeilijker maakte. - -Op het oogenblik, dat Alewijn en Hark het kasteel naderden, stond -er een troepje werklui bij de poort. Enkelen hadden een paar dikke, -lange palen bij zich, terwijl een der mannen bezig was, zulk een -paal van een scherpe punt te voorzien. De meier hield toezicht op -den arbeid; een krijgsman, die blijkbaar niets te doen had en rustig -zijn gemak kon houden, zat niet ver van de brug te hengelen en keek -nu en dan lachend naar de arbeiders, alsof hij in zijn schik was, -dat die zoo hard moesten sloven. - -Zooals we al vernomen hebben, was de edelman in zijn hart een -echte vechtersbaas; hij dacht in den regel aan niets anders, -dan aan oorlogvoeren en jagen; zijn grootste zorg bepaalde zich -er toe, geschikte krijgers te hebben en zijn kasteel zoo sterk -mogelijk te maken. Herhaaldelijk deed hij persoonlijk de ronde, -om zich te overtuigen, of alles, de muren, de palissaden, de -verdedigingswerktuigen in orde waren. En als hij een paal al te veel -vermolmd, een muur wat verbrokkeld, de deelen van een blijde niet op -hun plaats vond, liet hij dat aanstonds verbeteren. - -Zoo had hij voor eenige dagen gemerkt, dat een deel der palissade -dringend herstelling behoefde en dit was de oorzaak van de -bedrijvigheid, waarmede de werklui bezig waren. - -"Ha, ben je daar," zei de meier, toen hij de beide knapen ontdekte, -"ga eens gauw met Ulfert mee naar het dennenbosch, om een paar palen -te halen." - -Alewijn deed aanstonds, wat hem bevolen werd en vergezelde Ulfert, -die een zware bijl bij zich had. Een half uur later kwamen ze met -een zwaren paal aanzeulen. Bij de brug gekomen, legden ze hem neer. - -"Hè," zei Ulfert, "dat was me een vrachtje; daar kun je warm -van worden." Ook Alewijn verheugde zich, dat hij een oogenblik -rusten kon. Terstond trad een der mannen toe, om den paal aan te -punten. Terwijl zoo drie, vier mannen naar dit werk stonden te kijken, -kreeg de hengelaar aan de gracht beet; hij sloeg op en slingerde een -fermen baars met een geduchten boog de lucht in. Ongelukkig scheen -het beest niet heel vast aan den haak te zitten, want het vloog -los en kwam met zijn scherpe, naar alle kanten uitstaande stekels, -vlak in het gezicht van Ulfert terecht, die, woedend van de pijn, -den visch opnam en hem in den zak poogde te steken. De hengelaar kwam -haastig toeloopen, om zijn buit op te rapen, en toen het Ulfert niet -gelukte, den baars te bergen, ging hij er zoo snel hij kon mee op -de vlucht, het hek door en het voorplein op. De hengelaar hem na, -terwijl de anderen alles lachend stonden aan te kijken. Door de -drukte, die de mannen maakten, verschrikten een aantal kippen zoo, -dat ze kakelend uiteen vlogen; een groot zwijn, dat, van een troep -biggetjes omringd, knorrend zijn voedsel in het zand zocht, maakte -zich eveneens uit de voeten. Woest kwam het op het hek aanrennen, -en het zou wezenlijk naar buiten gevlucht zijn, als de meier niet -geroepen had: "Het hek dicht, het hek dicht." Alewijn schoot toe, -om het hek te sluiten, terwijl een der andere lijfeigenen zijn best -deed, om het beest, dat wild geworden was, terug te jagen, toen zich -een verschrikte stem deed hooren: "Daar komt de heer aan." - -Het was vermakelijk te zien, welk een ontzag allen voor den geduchten -edelman hadden; niet zoodra zagen ze hem in de verte naderen, of -ieder ging ijverig in de weer. De meier zat het meest in angst, -want hij werd er altijd voor gestraft, als het werkvolk onder zijn -toezicht stond te luieren. Men kon natuurlijk in deze omstandigheden -het hek niet sluiten. Hierdoor vond het varken juist gelegenheid, -te ontsnappen, maar de meier greep het nog bij den staart en trok -het beest, dat geweldig schreeuwde en tegenspartelde, met veel moeite -het voorplein op, waar de biggetjes hun arme moeder met medelijdende -blikken aanzagen. Daar kwam de edelman aanrijden, vergezeld van een -vrij groot aantal wapenknechten, sommigen met bogen, anderen met -een goedendag, enkelen zelfs met knuppels gewapend. Twee mannen, -die een eind achteraan kwamen, hielden een viertal nijdige honden -aan een touw vast. - -De ridder was op de jacht geweest; maar het wekte de verbazing van -den meier, dat hij al zoo vroeg terugkeerde en ook, dat de jacht zeer -weinig had opgeleverd. Van wild was tenminste niets te bespeuren. Zou -het daardoor komen, dat heer Diederik zoo donker keek? Of zou er -iets anders zijn voorgevallen, dat den toorn van den machtigen ridder -had opgewekt? - -"Daar zat onweer aan de lucht," bromde de oude Alwaert een uurtje -later, terwijl hij op het voorplein in het zand zat, bezig, een helm -te poetsen, waar Alewijn, Hark en eenige anderen aandachtig naar -zaten te kijken. - -"Onweer?" vroeg Hark, "mij dunkt, daar ziet de lucht in het geheel -niet naar uit. Het weer is immers frisch." - -"Zoo bedoel ik het niet. Ik meen geen onweer in de natuur, maar in -het hoofd van onzen heer. Wat ging hij aan. Ik ben blij, dat ik -vandaag niet in zijn nabijheid behoef te komen. Wat een gezicht, -hè? Om bang voor te worden." - -"Wat zou hem toch schelen? Zou het zijn, omdat hij geen wild -meegebracht heeft?" - -"Kom, de jacht heeft niet eens plaats gehad, maar wat er -voorgevallen is, weet ik niet. Wacht, daar heb je Gerebrandt. Die -is mee geweest. Hij kan ons wel vertellen, hoe de vork in den steel -zat. Vooruit, Alewijn, roep jij hem eens hier." - -Toen Alewijn met zijn boodschap bij Gerebrandt kwam, die bezig was -een net te maken, antwoordde deze: "Wat, kan die oude de moeite niet -nemen, bij mij te komen? Ik heb geen tijd, zeg hem dat maar." - -Doch, voordat Alewijn weer weg was, bedacht Gerebrandt, een echte -babbelaar, die heel graag nieuwtjes mocht vertellen, zich nog en sprak: -"Weet je wat, dat net kan ik morgen ook wel afmaken, breng het even -naar mijn huis, dan ga ik mee." Alewijn was zeer gewillig en dacht er -niet aan, te weigeren; hij bracht dus het net weg, waarop Gerebrandt -hem vergezelde naar den kring, die om den ouden Alwaert geschaard -zat en waar men hem al met ongeduld wachtte. - -De oude Alwaert hield zich nog altijd met den helm bezig; 't was -een reusachtig voorwerp, van binnen gevoerd, en met een omgekeerden -vogelpoot er boven op. - -"Wat een ding, he?" zei Hark. - -"Ja jongen, daar is heel wat aan te poetsen; ik wou, dat heer Diederik -naar een betere bewaarplaats voor zijn wapenen uitzag. Ze liggen -nu zoo vochtig, dat je voortdurend werk hebt, om den roest er af -te wrijven. Kijk me dien helm eens aan; zou je wel willen gelooven, -dat hij voor zes dagen nog glom als een spiegel?" - -"'t Is zeker een heele zwaarte?" vroeg Alewijn. - -"Wil je het eens voelen?" De oude keek rond, of hij gezien werd, -en wenkte toen Alewijn om naderbij te treden, waarop hij den jongen -het kolossale hoofddeksel opzette. - -Wat een gewicht. Het hoofd werd dan ook geheel door het ijzer omsloten; -alleen aan den voorkant zaten er drie gleuven in: twee om door te -kijken en een ter hoogte van den mond. - -"Vertel eens," vroeg een der mannen, die zeer nieuwsgierig was en op -heete kolen zat, "wat is er toch gebeurd vandaag?" - -Gerebrandt hield zich, of hij de bedoeling van den vrager niet begreep -en zei dus: "Gebeurd, gebeurd? Ik weet van niets. Waar heb je het -nu over?" - -"Kom, je zou van niets weten. Maak dat een ander wijs. Je bent immers -mee op de jacht geweest." - -"Ja zeker, maar wat zou dat?" - -"Nu, dan kun je ook wel vertellen, hoe het komt, dat heer Diederik, -die anders nooit zonder wild terugkeert, nu met leege handen is -thuis gekomen." - -"En waarom hij zoo kwaad was." - -Gerebrandt poogde nog een onnoozel gezicht te zetten, maar het ging -hem moeilijk af, waar nog bij kwam, dat hij brandde van ongeduld om -het nieuwtje te vertellen. - -"Ja, jongens, dat is een heele geschiedenis." - -Allen kwamen een beetje naderbij en luisterden aandachtig. - -"Je weet dan, dat onze heer met ridder Hildegrin en jonker Herico en -nog eenige heeren een groote jachtpartij zouden houden." - -"Jonker Herico, jonker Herico?" vroeg Alwaert. - -"Wat, ken je hem niet; hij woont aan den overkant van de rivier, -waar zijn vader een sterk kasteel bezit." - -"Hoe komt hij hier dan?" - -"Bij ridder Hadrubant, die een oom van hem is, schijnt hij eenige -weken te vertoeven." - -"Maar jongens, wat komt er dat nu op aan? Laat hij liever verder -vertellen." - -"Hoor dan; ik geloof, dat onze heer en die jonker elkaar niet best -kunnen uitstaan. Of ze misschien vroeger al eens twist gehad hebben, -weet ik niet, maar Roger de valkenier zegt, dat er reeds heel lang wat -tusschen hen bestaat. Nu stonden die heeren in een kring aan den rand -van het bosch; en wij zaten op een afstand in het gras het oogenblik af -te wachten, dat de jacht beginnen zou. Ik keek zoo in gedachten naar -de lui, en vergeleek hun helmen eens; 't is aardig te zien, wat een -verschillen je zoo hebt. De een draagt, zooals onze heer, een vogelpoot -op den helm, de ander een kruis, een derde een heelen vogel...." - -"Nu ja, dat weten we wel." - -"Waarover ze praatten, kon ik natuurlijk niet verstaan, maar ze schenen -het over paarden te hebben; 't was net, of elk pochte op de uitstekende -hoedanigheid van zijn eigen beest. Tot nu toe ging alles goed, maar -al gauw kwam er een heftige woordenwisseling tusschen onzen heer en -dien jonker. 't Was bepaald over het paard van den laatste, want opeens -nam de jonker het dier bij den teugel en hield het heer Diederik voor, -als noodigde hij hem uit, het te bestijgen. Deze deed het, en poogde er -op rond te rijden. Nu weet je, heer Diederik is een uitstekend ruiter; -een paard mag lastig en wild zijn, hij zit er met evenveel gemak op, -als op een stoel. Wat nu het beest van Jonker Herico mankeerde, weet ik -niet; het draaide maar rond, het steigerde en wilde naar geen sturen -luisteren. Goed. Heer Diederik geeft het natuurlijk niet gauw op, -maar je kon het hem aanzien, dat hij kwaad werd; hij beet zich op -de lippen, hij trok het paard aan de teugels en martelde het met de -sporen; het gaf niets. En plotseling, vóórdat iemand er op bedacht -was, deed het beest een geweldigen sprong, ging op de achterpooten -staan en schoot als een pijl uit den boog weg. Heer Diederik scheen -zoo iets in het geheel niet te verwachten, want daar gebeurde, wat -nog nooit iemand van hem gezien had; hij verloor het evenwicht en lag -in het zand. Wij hielden ons natuurlijk doodstil, en ook de ridders -schenen zeer ontsteld. Heer Diederik poogde zich goed te houden, maar -hij werd rood van kwaadheid; misschien was het ook wel van schaamte, -dat weet ik zoo niet. Alleen jonker Herico, die nog zeer jong is en -veel van een grapje houdt, beschouwde de zaak van den vroolijken kant, -en stond hartelijk te lachen. Dat was olie in het vuur. Heer Diederik -werd nog gloeiender en we dachten niet anders, of hij zou zich op den -jonker werpen; de andere ridders verwachtten dat ook; één van hen, -heer Rodger plaatste zich tusschenbeiden, terwijl de jonker, die -waarlijk voor geen kleintje vervaard is, de hand aan zijn zwaard sloeg. - -"Of onze heer bang was, dat hij weer een gek figuur zou maken, weet ik -niet, maar wel weet ik, dat hij zich nog bijtijds bedacht. Zijn toorn -was intusschen niet bekoeld, want op norschen toon beval hij ons, -hem te volgen. Toen zette hij zich in het zadel en reed, knorrig en -zwijgende, weg. Zoo komt het nu, dat wij zonder wild terugkeerden." - -"Zouden de anderen nog aan de jacht begonnen zijn?" - -"Ik weet het waarlijk niet, maar je kunt er op aan, dat de zaak niet -uit is." - -"Reken daar maar op. Dat muisje heeft een staartje." - -"En een lang ook. Heer Diederik houdt veel van vechten. Hij zou om -veel minder gewichtige reden naar het zwaard grijpen." - -"Dus je denkt, dat heer Diederik van plan is, ten strijde te trekken?" - -"Dat weet ik zeker; hij zal niet rusten, vóór hij jonker Herico in -zijn handen heeft. Maar het zal niet meevallen, want deze moet op -een sterk kasteel wonen." - -"Heer Diederik alleen zal hem niet overwinnen," meende de oude Alwaert. - -"Geen denken aan, maar je weet, er zijn ridders genoeg in den omtrek, -die dolgraag een oorlog meemaken en onzen heer met genoegen de -behulpzame hand bieden. Ik denk niet, dat jonker Herico het tegen -zoo'n groote macht uithoudt." - -"Hij zal zich ook wel van bondgenooten voorzien." - -"Dat moet je niet zeggen; men schijnt over het algemeen niet veel met -zijn familie op te hebben, en onzen heer zien ze nog al naar de oogen." - -"Ik moet eerlijk bekennen, dat ik de zaak niet heel prettig vind." - -"Verbeeld jij je soms, dat onze heer je meeneemt?" - -"Volstrekt niet, maar het zal toch een heele drukte geven; de blijden -moeten in orde gebracht worden, misschien laat heer Diederik wel een -stormkat bouwen en zoo'n ding komt niet van zelf klaar, daar moeten -we allen aan meehelpen." - -"Nu, ik vind het wel aardig; dan beleef je nog eens wat," zei Hark, -terwijl hij een zwaren goedendag in het rond zwaaide. - -"'t Is me de aardigheid wel: de kans om met gebroken armen en beenen -van de reis terug te komen en dan nog blij te moeten wezen, als je -het leven er afbrengt." - -"Komaan, ik denk, dat we er spoedig wel meer van zullen hooren." - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -DE BELEGERING. - - -Het kwam precies uit, zooals Gerebrandt voorspeld had. Langzamerhand -verspreidde zich het praatje onder de lijfeigenen, dat heer Diederik -van plan was, de familie van jonker Herico den oorlog aan te doen. Dat -het gerucht waarheid moest bevatten, bleek al spoedig, want Folcrijt -de boogschutter, zoowel als Hoige, wisten te vertellen, dat ze met -den meier een bezoek hadden moeten brengen aan eenige edelen uit den -omtrek, om hun hulp in te roepen. De smid kreeg het ontzaglijk druk, -daar hij punten aan pijlen moest maken; de timmerlui hadden in last, -blijden en andere oorlogswerktuigen na te zien, weer anderen moesten -benoodigdheden voor tenten gereed maken; er heerschte de volgende -weken een groote bedrijvigheid. Ook Alewijn zou mee moeten doen, -want op een keer riep de oude Alwaert hem bij zich: "Kom eens hier, -mijn jongen; onze heer wil weten, of er een goede boogschutter in je -steekt. Kun je schieten?" - -Alewijn antwoordde, dat hij het veel had gedaan, en dat was waar: -menige vogel was door hem geraakt. - -"Kom aan, toon je kunsten dan maar. Schiet eens op.... op...., wacht, -ik zal het je in het begin niet al te moeilijk maken, op dien boom -daar." - -Hark en eenige anderen stonden aandachtig te kijken, toen Alewijn -een pijl op den boog legde, even mikte en schoot. - -"Dat valt me mee," zei de oude Alwaert, en ook de anderen gaven -hun goedkeuring te kennen, want Alewijn had den boom precies in het -midden geraakt. Intusschen bleek uit een enkel schot nog volstrekt -niet, of hij een goed schutter was: het kon immers best geluk zijn; -daarom wees de oude Alwaert een paal aan, die wat verder verwijderd -was dan de boom, maar zonder eenige moeite raakte Alewijn dien ook. - -"O, ik zie het al, je hebt het meer gedaan. Nu jij, Hark." - -Hark meende, dat hij een heele baas in het schieten was; hij -zette tenminste een verwaand gezicht, en toen de oude Alwaert hem -uitnoodigde, naar den boom te schieten, zeide hij: "We zullen maar -dadelijk ook dien paal nemen." - -"Ja baas, maar het is lastig, als je het niet meer gedaan hebt." - -"'t Is me ook wat," zei Hark en schoot een pijl af, maar door een -ongelukkige beweging vloog die een geheel verkeerden koers uit en -het had maar weinig gescheeld, of het gevederde ding was een der -omstanders in het been gevlogen. - -"Kijk dan toch, waar je schiet," riep deze nijdig en Alwaert nam Hark -den boog af, zeggende: "Neen kereltje, laat maar; je zou ons eigen -volk de oogen uitschieten. Maar jij wordt een boogschutter, Alewijn, -dat verzeker ik je. Zulke lui kan onze heer gebruiken." - -Alewijn was natuurlijk niet weinig trotsch op deze lofuiting. Hark, -die niet zuinig uitgelachen werd, was intusschen jaloersch en keek -zijn makker van terzijde nijdig aan. - -De volgende dagen gingen onder groote drukte voorbij. Hoe ieder zich -ook inspande, den edelman ging het niet gauw genoeg. Gedurig kwam -hij persoonlijk onder het werkvolk en de krijgslieden en spoorde -hij hen tot grooten ijver aan. Eindelijk was alles gereed; en op -een mooien morgen trok een groote bende op weg. De stoet leverde -een schilderachtig gezicht op: ridders op vurige paarden, gekleed -in maliënkolder en met de lans gewapend, boogschutters, den boog -in de hand en een koker met pijlen op den rug, slingeraars met hun -stokslingers, krijgslieden met speren, anderen met kolven, daartusschen -wagens met levensvoorraad, met hout, met stukken van blijden en ander -wapentuig. Het was een heele trein, die nog grooter werd, toen zich -een bondgenoot met zijn gevolg bij heer Diederik voegde. Daar er tal -van voetknechten waren, moesten de ruiters wel stapvoets rijden en -konden ze niet zooveel spoed maken. Het zou dan ook wel eenige dagen -duren, voor men de plaats der bestemming bereikte. - -Als de avond daalde, sloeg men tenten in het veld op; de paarden werden -aan boomen of aan pinnen vastgebonden en de vermoeide strijders legden -zich te slapen. Vooral de overtocht over den Rijn kostte niet weinig -moeite, maar toch werd hij gelukkig volbracht en na een reis van zes -dagen had men het kasteel, waar jonker Herico woonde, bereikt. Zooals -altijd, liet de ridder eerst den burcht opeischen, maar hij kreeg -een weigerend antwoord, wat ook wel te verwachten was geweest, daar -het kasteel sterke muren bezat, ruimschoots van levensmiddelen en -krijgsvoorraad was voorzien en de talrijke bezetting vol moed besloten -was, hun heer en zijn gezin tot het uiterste bij te staan. - -Het veiligste en gemakkelijkste zou zijn, de bewoners van het kasteel -door den honger tot overgave te dwingen, maar de krijgshaftige edelman -was van dit middel niet gediend. Toch zag hij heel goed in, dat aan -een bestorming in de eerste dagen niet te denken viel: van achter de -hechte muren zouden de aanvallers op zulk een wijze begroet worden, -dat ze stellig met groot verlies moesten afdeinzen. Daarom besloot -heer Diederik, mede op raad van zijn bondgenooten, den strijdlust -wat te bedwingen en alle middelen aan te wenden, om de muren van den -burcht te vernielen of te beschadigen. - -Weldra was het kasteel aan alle zijden ingesloten; overal in het veld -werden tenten opgeslagen; hier en daar stonden wagens; de paarden -liet men op de weiden grazen, en dichter bij het kasteel maakten de -belegeraars borstweringen en richtten ze blijden en springalen op, -om daarmede hun vijanden te bestoken. - -Het was voor de eerste maal, dat Alewijn zulk een belegering -bijwoonde; hij vergat alles, wat er den laatsten tijd met hem -gebeurd was en volgde met groote aandacht de toebereidselen, die -er gemaakt werden. Als hij dien grijzen, zwaren steenklomp aanzag, -waaruit dreigend zware torens omhoog rezen, verwonderde hij zich -zeer, hoe heer Diederik er aan kon denken, dien te vernielen of te -veroveren. Intusschen werd hem niet veel tijd tot nadenken gelaten; -ook hij moest, evenals Hark en Alwaert en anderen, ijverig meehelpen. - -Daar de aanvallers zeer onverwachts waren komen opdagen, hadden -de belegerden er nog niet aan gedacht, de boschjes en schuren -in den omtrek te vernielen. Dit was zeer in het voordeel van heer -Diederik. Zijn volk vond nu volop gelegenheid, een veilige schuilplaats -te zoeken, vanwaar men het den belegerden met pijlen en steenen zou -kunnen lastig maken. Overigens was men ook op andere middelen bedacht, -om goed beschut te zijn: hier richtten eenige mannen van zand en -rijshout een borstwering op, daar kwamen anderen met een scherm op -wielen aanrijden. Ook Alewijn zat achter zulk een scherm; hij hield -een pijl op zijn boog gereed en loerde door de gleuf naar de transen -van het kasteel, of zich daar misschien een krijgsman vertoonen zou. - -Intusschen kreeg hij niets in het oog; geen vijand kwam van achter de -tinnen voor den dag. Dat de bewoners van het kasteel echter wel wakker -waren, bleek uit de pijlen en steenen, waarmede ze onophoudelijk hun -aanvallers begroetten en die het hun zeer lastig maakten. - -Toen Alewijn zoo een half uur vruchteloos uitgekeken had, begon -het hem te vervelen; hij legde zijn boog neer en vestigde zijn -aandacht op eenige mannen in de buurt, die zeer druk aan den arbeid -waren. Eenige oogenblikken te voren hadden ze een grooten, taaien balk -aangedragen, die door Eggerik den timmerman in de lengte bijna geheel -was gespleten; alleen aan het eene eind had hij de beide helften aan -elkaar gelaten, terwijl de smid ze daar met eenige ijzeren banden -goed had bevestigd. Die balk nu werd met het einde, dat nog niet -gespleten was, in den grond geheid. - -"Ha," dacht Alewijn, "daarom was die dikke straks al bezig een kuil -te graven." 't Was een werk, dat met spoed moest gebeuren, want -men stond hier niet rustig en wel op het voorplein van het kasteel, -maar onder bereik van de vijandelijke pijlen. Geen wonder dus, dat -Eggerik, die toch al haastig was uitgevallen, en nooit veel zin had, -zijn huid te wagen, zich bijzonder gejaagd toonde. - -"Vooruit dan toch, luie kwajongen," riep hij tegen Hark, die ook -meehelpen moest, maar juist bezig was op een wortel te knabbelen. "Pak -aan, of...." - -Nu had Hark wel niet veel ontzag voor den timmerman, maar in deze -omstandigheden oordeelde hij het toch het verstandigste, niet te -talmen; hij nam dus den balk mee op en zette hem overeind. Niet lang -daarna stond het werptuig stevig en wel in den grond. 't Was een -springaal, een geducht middel, om er zware pijlen mee weg te schieten. - -"Nu wou ik het ding ook eens probeeren," zei Eggerik. "Kwam er maar -iemand voor den dag." - -"Laten we vast een pijl klaar leggen." - -"Goed." - -Boven aan de eene helft van den gespleten balk zat een haak en -door middel van een stevig touw, aan dien haak bevestigd, werd die -bovenhelft door Hark en Eggerik met geweld naar beneden getrokken. 't -Was een zwaar werkje, want het taaie hout bood geducht weerstand. - -"Mooi zoo, nu de pijlen." - -Daar had Ulfert al voor gezorgd; hij droeg een arm vol van die -scherpgepunte, gevederde dingen. - -"Vooruit, Hark, jij naar boven." - -Hark durfde niet te weigeren en klom den springaal in, om den pijl daar -boven op te leggen. 't Was anders geen baantje, want de belegerden -kregen hem in het oog en mikten op hem, zoodat hij wel drie, vier -keer gevaar liep, getroffen te worden. Toch bracht hij het er goed af. - -"Nu goed uitgekeken!" zei Eggerik, "we moeten nooit in het wild -schieten. Zul je goed vasthouden, Hark? Als ik een teeken geef, -laat je hem glippen.... Hé, wacht, bewoog daar niet iets?" - -"Ik zag niemand." - -"Nu, 't is toch voorbij, helpt me eens goed opletten." - -Plotseling vertoonde zich een boogschutter op den muur. Wat een -waaghals! Zag hij dan het gevaar niet, dat hem bedreigde? Nu.... Hoe -jammer, weg was hij. - -"Pas op nu! Als hij weer voor den dag durft te komen, krijgt hij hem." - -Allen keken in gespannen verwachting toe. Daar zag men weer iets: -Hark liet los, de eene helft van den springaal smakte tegen de andere -en met een groote snelheid schoot de gevaarlijke pijl weg. Hij trof -echter geen doel: men had te hoog aangelegd. - -Daarom moest Hark weer naar boven, om den springaal wat lager te -stellen en daarna een nieuwen pijl op te leggen. - -"'t Was een beetje te hoog, hé?" zei Eggerik handenwrijvend. "Toch -jammer, maar we hadden hem anders juist in de goede richting. Ziezoo, -nu zal het beter gaan. Ik verzeker je, dat de eerste de beste, die -zich durft te vertoonen, op een vreemde manier begroet wordt." - -Men wachtte dus weer; maar plotseling stoof het groepje uit elkander: -een zware steen kwam met groote vaart aanvliegen, recht op den -springaal aan. Eggerik was bij Alewijn achter het schietscherm -gekropen en keek nu angstig toe. Wat zou het hem spijten, als dat mooie -werptuig, waar hij zooveel moeite aan had gehad, ineens werd vernield. - -Pof! Plotseling begon Ulfert vreeselijk te schreeuwen: hij had -zich niet haastig genoeg uit de voeten gemaakt en nu was de steen -juist tegen hem aangekomen en had hem met verbrijzelden arm doen -nederstorten. - -"O," zei de timmerman, "'t is Ulfert maar." De man vond blijkbaar het -leven van zijn makker niet zooveel waard als een springaal. Ulfert -dacht er evenwel anders over; hij lag te schreeuwen van pijn, -zoodat men het wijd in het rond kon hooren; eenige mannen op het -kasteel kwamen ook eens over de tinnen kijken, wat er gaande was, -en als Alewijns gedachten niet bij den armen Ulfert waren geweest, -zou hij misschien wel een vijand hebben kunnen raken. - -"Schreeuw toch zoo niet, kerel!" bromde Eggerik, "je lijkt wel een -varken, dat gekeeld wordt." Maar de arme Ulfert leed ondragelijke -pijnen; ten laatste kwamen er een paar mannen aanloopen, die hem -opnamen en naar de plaats brachten, waar eenige vrouwen zich bezig -hielden met het verplegen der gewonden. - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DE KAT. - - -Van alle kanten werd het kasteel bestookt: hier met springalen, -daar met blijden, elders schoot men zware pijlen af met een arbaleet, -overal zaten boogschutters achter boschjes en schietschermen, maar de -belegerden gaven alles met woeker terug. Zoo vorderde heer Diederik -nog niet veel en reeds dacht hij er over, een algemeenen stormaanval -te bevelen. Zijn vrienden echter rieden hem dit af en gaven hem in -overweging, eerst een veiliger en tegelijk zekerder middel aan te -wenden: de kat. - -Alewijn zat op een morgen weer achter zijn schietscherm en mikte op de -vijanden, toen Eggerik hem kwam opzoeken en zei: "Alewijn, leg je boog -neer en ga mee. Je hebt sterke armen; we kunnen jou juist gebruiken." - -Alewijn deed, wat hem bevolen was en volgde Eggerik, terwijl hij -telkens achter schietschermen en aardhoopen en struiken wegschool en -dan weer op zij sprong, als er van die verraderlijke pijlen kwamen -aanvliegen. - -"Komaan, hier zijn we er." - -"Ha, is Alewijn daar? Dat is goed! Pak aan, jongen! Help eens mee -dat ding voortduwen." - -'t Was een heel gevaarte: precies een schuur. Aan de voorzijde hadden -eenige mannen druk werk; beschut door een afdak, legde men daar een -houten vloer. De benoodigde planken werden door anderen onophoudelijk -aangedragen. Zoodra de vloer klaar was, duwde en trok men uit alle -macht en de kat, die op rollen stond, bewoog zich weer een eind -vooruit, in de richting van het kasteel. - -De aangevallenen spaarden hun steenen echter niet, en toen er een -geweldig blok kwam neerploffen, dat met vreeselijk gekraak niet alleen -een deel der kat verbrijzelde, maar tevens een paar mannen doodelijk -gewond deed neerstorten, begon de ridder, die het toezicht had, -ongerust te worden. - -"Laat meer boogschutters aanrukken," riep hij driftig. - -Eenige oogenblikken later kwamen van verschillende zijden -schietschermen aanrollen. De boogschutters, die er achter verscholen -zaten, schoten zóó herhaaldelijk en met zóó vaste hand hun pijlen af, -dat de belegerden het op die plaats benauwd kregen en de kat wel wat -meer met rust moesten laten. - -Thans werd met verdubbelden ijver het werk voortgezet. De ridder -spoorde zijn volk voortdurend aan, nu eens met goedkeuringen, dan weer -met schelden en dreigen. 't Was een zware arbeid en ook de sterksten -moesten al hun krachten inspannen. - -"Een, twee, drie!" Plotseling schoot de kat een flink eind vooruit; -daarna bleef zij nog een korten afstand doorrollen, om plotseling -weer stil te staan. Nu ondervond men opnieuw grooten tegenstand: -allen werkten krachtig mee. "Een, twee, drie!" - -Zoo arbeidde men voort: Nu eens gelijkmatig verder glijdend, dan weer -met horten en stooten, bewoog zich het gevaarte naar den muur van het -kasteel. Zonder ophouden namen de werklui van achter de kat de planken -weg, om van voren opnieuw een vloer te leggen. Toen de avond viel, -was men slechts vijf meter meer van de gracht verwijderd. Allen, die -meegeholpen hadden, schenen even vermoeid; toch had elk er schik in, -dat het werk zoo goed gevorderd was. - -"Morgen vroeg verder," riepen ze elkaar toe; daarna ging men -slapen. Doch, hoezeer ieder naar rust verlangde, men verzuimde niet, -de waakzaamheid te betrachten. En dit was gelukkig ook, want de -belegerden, die tot nu toe vruchteloos hadden beproefd, de gevaarlijke -kat te vernielen, hoopten, begunstigd door de nachtelijke duisternis, -te bereiken, wat hun overdag niet wilde gelukken. - -De werklui waren onder het dak van de kat gaan slapen; ook Alewijn -had zich daar op een bos stroo neergelegd. Ieder sliep rustig, toen -plotseling een hevig gekraak de strijders deed opschrikken: een -geweldig blok was op het dak van de kat terechtgekomen. Een poosje -later smeten de belegerden weer een zwaren steenbrok naar omlaag en -de aanvallers moesten erkennen, dat hun vijanden goed wisten te mikken. - -Alewijn keek naar boven: hij verbeeldde zich, op den muur gedaanten -te zien, maar het was te donker om alles goed te onderscheiden. Toch -grepen de boogschutters naar de wapenen en schoten hun pijlen af. 't -Was wel op goed geluk af gemikt, maar ze schenen doel te treffen. De -belegerden, die zeker begrepen, dat hun vijanden waakzaam en bijdehand -waren, lieten hen verder wijselijk met rust en zochten ook zelf in -den slaap nieuwe krachten te verzamelen voor den volgenden dag. Het -schieten werd gestaakt, en overal op den muur keerde de rust terug. - -Dadelijk gingen de belegeraars aan den arbeid, om de kat, die aan één -zijde duchtig beschadigd was, te herstellen. Toen de morgen aanbrak, -stonden de krijgslieden van hun legerstede op en men hervatte het -werk van den vorigen dag. Weldra kwamen de belegeraars dicht bij de -gracht, maar hoe meer zij hun doel naderden, des te meer deden de -bewoners van het kasteel hun best, om het gevaar, dat hen dreigde, -af te wenden. Met grooten spoed droegen ze steenen en brandstoffen -aan en smeten die naar omlaag. De lieden, die aan de kat werkten, -hadden een gevaarlijk baantje; menig onvoorzichtige moest zijn -vermetelheid duur betalen. Onverpoosd werkte men voort; wie al te -vermoeid was, werd afgelost. Zoo vorderde de arbeid flink en weldra -was de kat, ondanks den heftigen tegenstand van den vijand, de gracht -genaderd. Maar nu kwam het moeilijkste eerst aan: hoe de kat tegen -den muur te krijgen? Er zat niets anders op dan de gracht te dempen. - -Terwijl de boogschutters achter de schietschermen tientallen pijlen op -den vijand afschoten, terwijl twee arbaleten zonder ophouden werkten -en een blijde telkens een zwaren steen omhoog wierp, kwamen de werklui -met zakken zand, met steenen en takkenbossen aandragen, ten einde, -beschut door het stevige dak van de kat, daarmee een fermen dam in -de gracht te maken. - -Woedend zagen de belegerden het aan, hoe hun vijanden vorderden; -ze stelden alle pogingen in het werk, om het verraderlijk -ding te vernielen en den werklui allen arbeid onmogelijk te -maken. Vergeefs! Ieder, die zich op den muur vertoonde, verkeerde in -doodsgevaar; pijlen deerden het stevige gevaarte niemendal; vuur, ja, -tegen vuur zou het houten ding niet bestand zijn. En ijverig togen de -belegerden aan het werk; haastig wierpen ze brandende takkenbossen en -pekkransen naar omlaag. Rookend en naar alle zijden vonken spattend, -kwam een regen van vuur nederdalen, maar ook hierop was men bedacht -geweest. - -In plaats van de houten kat in brand te steken, zooals de belegerden -hadden verwacht, doofde het vuur dadelijk uit, zoodra het op het -dak van het gevaarte terecht kwam. Geen wonder: de kat was met natte -koeienhuiden gedekt. - -Intusschen moesten de belegeraars toch voortdurend op hun hoede -blijven. - -Een der boogschutters, die dicht bij de kat achter een scherm zat, -had al zijn schichten verschoten, en riep Hark toe: "Zeg jongen, raap -mij even een paar pijlen op." Maar Hark vond het aangenamer, veilig -onder de kat te zitten, dan zich in gevaar te begeven, en antwoordde: -"Doe het zelf maar." - -"Jij bent er dichter bij." - -"Dat zal wel, maar ik heb geen zin, mijn huid te wagen." - -"Kom, durf jij dat nog niet?" zei een ander, die ook aan de kat -meehielp. - -"Jij zeker wel?" - -"Waarom niet?" - -"Wie zoo dwaas wil zijn, moet het zelf weten, ik bedank er voor." - -"Je zult toch wel wijzer wezen," waarschuwde Alewijn. "Laat die kerel -het zelf doen." - -"Nu, zooveel bijzonders is het niet; ik zal je laten zien, dat ik -het wel durf." - -Hierop begaf de man zich buiten de kat en raapte ijlings eenige pijlen -op; juist wilde hij ze den boogschutter toewerpen, toen plotseling -een klomp vuur op hem neerviel en zijn kleeren, die van een grove -wollen stof vervaardigd waren, oogenblikkelijk vlam deed vatten. - -"Daar heb je 't al," zei Hark, toen hij het ongeluk zag. - -De man stond een oogenblik als verbijsterd; hij wist blijkbaar niet, -wat te doen. - -"In de gracht! Spring in de gracht!" riepen zijn makkers, die bang -waren, dat hij de kat zou binnenloopen en daar nog grooter onheil -stichten. - -Gelukkig had de man zooveel tegenwoordigheid van geest, dat hij -dien goeden raad kon opvolgen; zonder aarzelen sprong hij het water -in. Dadelijk doofden zijn brandende kleeren uit. Maar de belegerden -hadden hem al opgemerkt: onder luid geschreeuw wierpen ze steenen -naar omlaag; van alle kanten plaste en plofte het en de man mocht -van geluk spreken, dat hij er nog heelhuids afkwam. - -Dit voorval had een korten tijd aller aandacht afgeleid, maar nu werd -het werk weer met frisschen moed opgevat. Voor en na kwamen mannen -en knapen met zakken zand en takkenbossen aandragen. - -"Wacht, reik mij dien zak nog even aan," zei Eggerik tot Alewijn, -die achter hem stond. - -"Hier heb je er nog een!" riep Hark. - -"Neen, houd dien zoolang bij je. Nu moet ik nog een takkenbos -hebben. Mooi. Ziezoo, nu kunnen we weer beginnen met er planken op -te leggen. Wat zeg jij, Gerebrandt?" - -"Welzeker." - -"Als het van voren maar niet inzakt," merkte een ander op. - -"Vooruit Hark, probeer jij den dam even." - -"Dank je wel," zei Hark. - -"Wat brom je daar?" - -"Dat ik er geen zin in heb." - -"Wat je zegt! Wil je nu wel eens een, twee, drie, doen, wat ik je -gebied? Anders...." - -Hark keek even naar de geduchte knuisten van den timmerman, daarop -naar diens gezicht en, wijl hij begreep, dat de man in staat zou -zijn, hem midden in de gracht te werpen, voldeed hij, hoezeer ook -met grooten tegenzin, aan het bevel. - -Al stak er een afdak van de kat naar voren, dat gaf Hark niet veel: -hij moest zich nog verder wagen en daarin had hij, blijkens zijn -tegenstribbelen, heel weinig trek. - -"Vooruit maar, kereltje, je zult niet smelten," riep de timmerman, -die er schik in had, dat Hark zoo bang was. "Ziezoo, dans nu maar even, -dan kan Gerebrandt zien, of de dam wel stevig genoeg is." - -"Als hij het mij wou laten doen, bedankte ik er toch voor," dacht -Alewijn. Nu, Hark was ook niet van plan, te dansen, maar plotseling -schoot er een pijl naar omlaag en raakte hem precies in de hand. - -"Au, au!" riep Hark en sprong in het rond van de pijn. Op het gezicht -hiervan begonnen allen hartelijk te lachen en de timmerman zei: -"Mooi zoo, mijn jongen, dat mag je nog eens weer doen; kom nu maar -hier, dan zal ik je even van dat lastige ding bevrijden." Hark was -wat blij, dat hij die gevaarlijke plaats mocht verlaten. Intusschen -deed de wonde geducht zeer; geen wonder ook: de pijl was hem dwars -door de hand gedrongen. - -Natuurlijk kon die daar niet blijven zitten; hij moest er uitgetrokken -worden. - -"Neen, neen," riep Hark verschrikt, "het doet mij al pijn genoeg." - -"Wou je er dan zoo mee rond blijven loopen? Dat zou een aardige -vertooning zijn. Nu, wat ben je van plan? Mag ik er niets aan doen? 't -Is mij goed." - -Hoewel aarzelend, kwam Hark toch naar den timmerman toe en stak zijn -hand uit. - -"Er zit niets anders op, dan den pijl midden door te breken. Pas -op. Druk je tanden maar op elkaar, dan voel je er niets van." - -De timmerman had mooi praten: Hark schreeuwde het uit, maar de -onbarmhartige Eggerik sprak: "Stel je niet zoo kinderachtig aan, -we zijn immers al klaar; je zult er heusch niet aan sterven. Ga nu -maar gauw heen en laat je verbinden. Komt, jongens, nu wij weer aan -het werk." - -Toen de avond daalde, had men de gracht halverwege gedempt. Nog werd -er niet bevolen, op te houden. De ridder, die het toezicht had, liet -in de kat een paar fakkels ontsteken, en bij het flikkerende licht -arbeidde men voort. Niemand toonde zich ontevreden, omdat hij niet -kon rusten: allen verlangden, het vernielende werktuig aan den gang -te zien. Reeds werd de zware balk, dien men aan het dikke einde met -ijzer beslagen had, klaar gelegd. - -Den volgenden middag eindelijk was men gereed: de kat lag pal tegen -den muur. Eerst nu werd den werklui eenigen tijd rust gegund, maar -slechts kort, want al spoedig zou de eigenlijke arbeid beginnen. De -balk moest in de kat opgehangen worden. 't Was een heele zwaarte; -zes sterke kerels hadden er dan ook moeite genoeg mee. - -Daar kwamen ze er mee aandragen. "Op zij, op zij," riep de timmerman, -die graag het hoogste woord mocht voeren, "Alewijn, geef jij dat touw -eens hier." - -Alewijn keek om en zag een dik touw op den grond liggen. Hij nam het -dadelijk op en bracht het den timmerman, die het om den balk bond; -hetzelfde gebeurde op een andere plaats; vervolgens werd het zware -ding langzaam naar boven geheschen, en daar bevestigde men de touwen -aan het dak van de schuur. - -"Ziezoo, nu allen uit den weg, die er niets mee te maken hebben." Men -zou het werktuig probeeren. - -Alewijn en nog twee anderen trokken den balk door middel van een -stevig touw naar achteren en wachtten, tot het teeken werd gegeven -om los te laten. - -"Eén, twee, drie!" - -Met een vreeselijken slag kwam de zware balk tegen den dikken muur. Het -ding werkte uitstekend; de timmerman wreef zich vergenoegd de handen -en vol ijver hielp hij mee, om den balk weer achteruit te trekken. - -Weldra zag ieder duidelijk in, dat men lang zou moeten beuken, -vóór de muur bezweek, want deze was blijkbaar buitengewoon dik en -sterk. Intusschen gaven de belegeraars zoo gauw den moed niet op; -den geheelen dag hield het beuken aan, en, al bleef de muur de eerste -dagen nog even onwrikbaar staan, zoo hoopten ze toch, dat hij in het -laatst voor de geduchte kracht van den stormram wel bezwijken zou. - -De bewoners van het kasteel schenen zich zeer ongerust te maken over -de uitwerking, die de kat kon hebben, want ze deden alles, wat ze -konden om haar te vernielen. Nog geen enkelen keer was er zulk een -vreeselijke regen van pijlen en steenen neergevallen. - -"Laat ze maar," zei een der mannen tot Alewijn, toen er weer twee -steenen op het dak bonsden; "we zitten hier veilig en wel." - -"Maar als er een zwaar blok op de kat neerkwam, zou onze veiligheid -niet lang duren." - -"Wees daar maar niet bang voor." - -"Waarom niet?" - -"Zware steenen kunnen ze niet op de kat laten vallen." - -"Dat begrijp ik niet." - -"Ik wel. Om zoo'n zwaar blok buiten den muur naar beneden te smijten, -zouden de lui zich op den muur moeten vertoonen, maar daar passen -ze wel voor op. Onze boogschutters schijnen goed te mikken: ieder, -dien ze in het oog krijgen, is verloren." - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -EEN GEVANGENE. - - -'t Was avond. Alewijn, Hark en eenige anderen zaten achter een zandhoop -veilig en wel een praatje te houden. - -"Hier Hark," zei Gerebrandt, "snijd daar maar een stuk voor je af." Dit -zeggende, reikte hij zijn makker een homp spek toe. Hark greep het -aan en poogde met de linkerhand zijn deel er af te snijden. - -"Hoe is het," vroeg Gerebrandt, "ben je linksch geworden?" - -"'t Lijkt wel zoo, hè? Ik heb een pijl door mijn rechterhand gekregen." - -"Laat eens kijken." - -"Ja, Hark, hoe gaat het er mee?" - -"Och," zei Hark, zijn hand uitstekende, waarop een groot litteeken -te zien was, "het gaat nog al. Ik had er in het eerst veel pijn aan, -maar nu wordt het wat beter." - -"Geef mij het spek ook eens," riep een ander. - -"Pak maar aan, maar zuinig wezen, begrepen? Jij bent nog al gulzig -uitgevallen." - -"Hoe gaat het met Alwaert?" - -"Ik denk niet, dat hij er van op zal komen. Hij kreeg een steen precies -op zijn hoofd; een gat, dat je er wel een vuist in kunt steken; en daar -komt nog bij, dat het leer van zijn kap in de wonde is gedrongen. Hij -moet nog altijd buiten kennis zijn." - -"Waar ligt hij?" - -"Ginds in de tent bij dien eikeboom. Je weet, dat heer Diederik hem -nogal graag lijden mag. Hij heeft bevolen, dat men Alwaert goed moet -verzorgen, en dat hij wijn moet hebben." - -"Komaan, daar zou je haast gewond voor willen zijn. Ik heb nog maar -eens van mijn leven wijn geproefd." - -"Dien had je dan zeker gestolen. Ik zou tenminste niet weten, hoe -jij aan wijn moest komen." - -"Dat gaat jou ook niemendal aan." - -"Nu, maar ik ben duizendmaal liever gezond, dan met een gat in het -hoofd te liggen, al zou ik er ook tien flesschen wijn voor krijgen. Ik -zeg je, dat Alwaert dood gaat, dat staat vast. Heer Diederik mag dan -zoo goed voor hem wezen, als hij wil." - -"Ik sta verbaasd over zijn gulheid. Heer Diederik is anders zoo -zachtaardig niet." - -"Och, hij heeft meer van die grillen." - -"Hoor eens, daar zal wel een reden voor bestaan. Misschien...." - -"Nu, ik ben liever kwade vrienden met heer Diederik, dan met zoo'n -vreeselijke wonde te liggen." - -"Dat zeg ik met je. Zoo iets loop je nu met die leeren kappen op; -die dingen beschermen je niemendal; je kunt evengoed een wollen -muts op je hoofd zetten. Neen, jongen, dan helpt zoo'n ijzeren helm -beter. Kijk eens!" - -"Ja, dat moest ik je nog eens vragen. Hoe kom je daar toch aan?" - -"Dat zal ik je zeggen. Rembrandt de smid moest voor onzen heer een -nieuwen helm smeden. Hij ging aan het werk en was er al een heel eind -mee klaar, toen de heer er naar kwam kijken en zei, dat het ding hem -heelemaal niet naar den zin was. Hij wilde een prachtigen grooten helm -met een omgekeerden vogelklauw er op hebben. Zoo bleef Rembrandt met -een half afgewerkten helm zitten. Juist kwam ik bij hem, en toen liet -hij mij het ding zien. "Wel," zei ik, "dat zou net iets voor mij zijn." - -"Wat geef je er voor?" vroeg hij. - -"Nu," zei ik, "ik wil eerst weten, of hij past." - -"Zet hem dan even op." - -"Ik deed dat, en--het leek wel, of hij apart voor mijn hoofd gemaakt -was. "Een schaap en vijf vette konijnen," zei ik toen en dadelijk -antwoordde hij: "Top." - -"Ik bracht hem de beesten en hij gaf mij den helm." - -"'t Zou mij te zwaar zijn, zoo'n ijzeren pot op het hoofd. Wat zeg -jij, Hark?" - -"Mij ook." - -"Laat jij je dan maar het hoofd inslaan; ik houd mijn huid liever -heel." - -"Maar zoo'n ding zit toch hard." - -"Daar heb ik al voor gezorgd," antwoordde Roger, keerde den helm om en -liet zien, hoe hij hem van binnen met een schapenhuid gevoerd had. "Je -merkt er haast niets van, dat je iets op je hoofd hebt. En ik moet je -zeggen, die helm heeft me goede diensten bewezen. Vandaag bijvoorbeeld -is er al drie keer een pijl tegen getikt; die waren voor mijn hoofd -bestemd, maar ik heb er in het geheel geen last van gehad. Zoo iets -had jou met je leeren kap eens moeten gebeuren; als je er nu nog een -ijzeren riem om had geslagen...." - -"Ik heb zulk een helm," riep Gerebrandt en liet zijn kap zien. - -"Juist, die zijn steviger, maar ik houd vol, niets beschermt je zoo -goed als een ijzeren kap." - -"Je lijkt er heer Diederik wel mee," zei Hark spottend. - -Roger de valkenier was niet weinig gestreeld over deze opmerking, -die hij voor ernst opnam en hij antwoordde: "Ik zou het niet graag -willen; hoe hooger je staat, des te eerder heeft de vijand het op je -gemunt. Komaan, jongens, het begint donker te worden; ik ga slapen; -morgen is het weer vroeg dag." - -"Hè, wat flauw; nu je het brood en het spek op hebt, ga je weg." - -"Kom, Roger, blijf nog een poosje." - -"Jullie hebt mooi praten; morgen moet ik weer onder de kat aan het -werk. 't Begint een vervelend werk te worden. Ik wou, dat ik mijn -goedendag maar eens gebruiken mocht. Jongens, dat zou me vrij wat -beter bevallen." - -"Nu, als het zoo doorgaat...." - -"Wat dan?" - -"Dan komen we nooit binnen het kasteel." - -"Zoo denk ik er ook over," zei Roger. "Wat een muur; er is geen -verwrikken aan." - -"Dat moet je niet zeggen; als je maar volhoudt, zul je het met een -kat altijd winnen. Nu, ik ga slapen." - -Roger verwijderde zich om zijn leger op te zoeken en Alewijn merkte op: -"Het begint al tamelijk donker te worden. Komaan, de aardigheid is -er nu toch af; ik ga ook maar weg." - -Juist was hij opgestaan, toen hij Roger zag terugkomen. - -"Heb je wat vergeten?" - -"St, jongen, wees eens stil," fluisterde Roger, "ik verbeeld me, -dat ik wat hoorde plassen in de gracht." - -"Willen we eens meegaan?" - -"Ja, ja!" Allen stonden op, begaven zich in de richting van de gracht -en luisterden. - -Het kasteel stond daar voor hen, donker en stil, als een zware, -zwarte massa. - -In het water zaten kikvorschen te kwaken, maar men vernam geen -ander geluid en reeds meenden de lui, dat Roger hen voor den gek had -gehouden, toen een donker lichaam voor den dag kwam en langzaam op -hen toeliep. Zij, die een wapen bij zich hadden, hielden dit gereed, -maar ze behoefden het niet te gebruiken, want de vreemde kwam niet -met vijandige bedoelingen. Gewillig liet hij zich grijpen. - -"Wil ik hem met mijn goedendag niet even....?" vroeg Hark, die vooral -dapper was, als zijn tegenpartij zich niet verweren kon. - -"Ben je mal, kwajongen; wat mankeert je wel? Laten we eerst hooren, -wat het voor een kerel is en of hij ook iets in zijn schild voert." - -"Ik wil je heer spreken." - -"Pas op, hij neemt je beet. 't Is een spion, wat ik je zeg." - -"Dat hindert niet. We kunnen hem met ons allen immers goed bewaken, -en onze heer zal zich niet laten verschalken, reken daar maar op. Wat -dunkt je, willen wij hem even wegbrengen?" - -"Ja, dat is goed. Wij gaan mee." - -Met den gevangene in hun midden begaven allen zich naar de tent van -den heer. Deze zat met een ander ridder op zijn gemak te schaken. Zijn -helm had hij afgezet; het breede zwaard stond tegen een stoel. Een -standaardvlam verlichtte met een flikkerend schijnsel de tent. - -"Wat hebben jullie daar?" - -"Een gevangene." - -"Zoo, brengt hem naar ridder Ernhard; die zal wel weg met hem weten, -en maakt nu, dat je weg komt." - -"Ja, heer, maar hij wenschte u te spreken: hij schijnt iets te willen -vertellen." - -"Zoo; hoe hebben jullie hem dan gevangen?" - -Dadelijk trad Gerebrandt, die graag haantje de voorste mocht zijn, -op den heer toe en deelde hem mee, hoe alles in zijn werk was gegaan. - -"Komaan," antwoordde de heer, "dan moet ik toch eens vernemen, wat -die sinjeur op zijn hart heeft; gaat maar heen." - -"Willen we eens luisteren, wat hij vertelt?" vroeg Gerebrandt zacht -aan zijn makkers. - -"Pas maar op, dat heer Diederik je niet ziet, want dan loopt het -ongemakkelijk met je af." - -"Ik doe het tenminste niet," zei Alewijn, en ging weg, door de anderen -gevolgd. Alleen Gerebrandt kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen -en zei: "'t Kan mij niet schelen, ik wil toch eens luisteren." - -"Laten we hier even wachten," merkte Hark op, "Gerebrandt zal direct -terugkomen." - -"Och, hij liegt het toch; denk je heusch, dat hij iets verstaan kan?" - -"Waarom niet? 't is immers in het geheel geen moeite, eventjes te -wachten." - -Dit deden ze. Reeds begon hun dit te vervelen, en wilden Alewijn en -een paar anderen zich verwijderen, toen Gerebrandt terugkwam: - -"Ik weet het al. Ga maar gauw mee, dan zul je het hooren. 't Is -een overlooper. Omdat hij gisteren voor een kleine vergissing zware -straf kreeg, heeft hij de plaat gepoetst, en nu verklapt hij iets, -dat geheim had moeten blijven." - -"Wat is dat dan?" - -"De belegerden willen een uitval doen." - -"Een uitval? En wanneer?" - -"Ik denk, deze week al, maar dat kon ik niet goed verstaan." - -"Och jongen, laat je nu niets wijsmaken." - -"Wijsmaken? Wijsmaken? Wat ik je zeg, is waar. Maar als je het niet -gelooven wilt, moet je het laten." - -"Neen, neen, vertel maar verder. En wat zei heer Diederik daar -wel van?" - -"Hij lachte er om en riep: "Och, och, ze meenen, dat wij 's nachts -niets anders doen dan slapen. Nu, dat zullen ze gewaar worden." En -toen voegde hij er nog bij: "Kerel, ik zal je laten vasthouden. Als -het blijkt, dat je gelogen hebt, zit er wat voor je op, maar als je -waarheid hebt gesproken, krijg je een flinke belooning." - -"Wat heer Diederik verder nog sprak, kan ik niet zeggen, want ik wist -er nu genoeg van en maakte, dat ik wegkwam." - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -DE UITVAL. - - -Het bleek, dat Gerebrandt waarheid gesproken had. - -Nog dienzelfden nacht gaf heer Diederik bevel, de wachten te -verdubbelen, en Hark, die al was gaan slapen, kreeg bevel op te staan -en mee wakker te blijven. Hoezeer ook met tegenzin, gehoorzaamde hij -dadelijk, maar werd door zijn makkers, die konden blijven liggen, -hartelijk uitgelachen. - -De geheele nacht ging echter voorbij, zonder dat er iets bijzonders -gebeurde en ook de twee volgende dagen bleef het rustig. - -Reeds begon de verrader, die in een der tenten geboeid lag, te vreezen, -dat er van het plan niets zou komen. Herhaaldelijk vroeg een der -bewakers hem spottend, of hij wezenlijk meende, dat heer Diederik -zich zoo gemakkelijk liet beetnemen. - -Ook de heer vermoedde, dat het bedrog was en gaf bevel, om, mocht ook -de twee volgende nachten de vijand geen uitval doen, den verklikker -eenvoudig op te hangen. - -"Hij hoopte zeker stilletjes te ontsnappen en toen hij gepakt werd, -zich door zoo'n leugen te redden," meende Hark. - -"Wel slim overlegd. Jammer voor hem, dat zijn plannetje zoo mislukt -is." - -"Ik geloof het nog maar niet, dat hij gelogen heeft," zei -Gerebrandt. "Ze zullen zeker nog een paar dagen wachten, omdat nu nog -den geheelen nacht de maan schijnt. Morgen is het laatste kwartier; -dan komt de maan te middernacht op, overmorgen nog weer later en zoo -gaat het door. Ik denk, dat dit eenvoudig de oorzaak is, waardoor we -nog niets van een uitval gemerkt hebben." - -Dit was heel goed van Gerebrandt gezien. In waarheid, de bewoners -van het kasteel achtten den tijd voor een uitval nog niet gekomen, -omdat het 's avonds nog niet donker genoeg was. Maar lang wilden -ze de zaak toch ook niet uitstellen. Het doel was namelijk, de kat, -die hun zooveel zorg baarde, in brand te steken. - -Gerebrandts voorspelling kwam uit. Twee dagen na den avond, waarop -dit laatste gesprek gehouden was, hoorde de wacht, die het dichtst -bij de poort stond, onverwachts een gedruisch. - -De poort kraakte, de ketting van de brug piepte, en dadelijk haastte -de wacht zich, om zijn krijgsmakkers te waarschuwen. Gelukkig had heer -Diederik nog steeds dezelfde voorzichtigheidsmaatregelen doen nemen; -daaraan was het te danken, dat in een oogwenk een aanzienlijk gedeelte -van het leger gereed stond om den vijand te ontvangen. - -Deze had anders zijn tijd wel goed gekozen: er heerschte een volslagen -duisternis in den omtrek. Was het plan niet verraden, de uitval zou -stellig veel kans van slagen gehad hebben. Maar thans! De belegerden -hadden het eens moeten weten, wat hun dreigde. Ze zouden zich stellig -nog wel bedenken. - -Want daar buiten stond een heele bende gereed. Ridders te paard, met -den helm op het hoofd en een maliënkolder aan, verbeidden ongeduldig -het uur van den strijd. Tal van voetknechten hadden zich om hen -verzameld. Sommigen droegen leeren, anderen ijzeren kappen. Nog -anderen, die zich den tijd niet hadden gegund, om iets mee te nemen, -liepen blootshoofds. De meesten waren in een leeren kolder gehuld, -maar er bevonden zich ook strijders in den troep, die eenvoudig een -dierenhuid hadden omgeslagen, ten einde hun lichaam toch eenigszins -tegen slagen en steken te beveiligen. - -Ook Alewijn bevond zich onder de strijders. Den boog had hij maar -met rust gelaten; in een gevecht van man tegen man zou hij met een -fermen kolf meer kunnen uitrichten. Zoo'n knuppel, aan het zware -einde van scherpe punten voorzien, mocht dan ook een geducht wapen -genoemd worden, vooral wanneer het gezwaaid werd door de sterke vuist -van Alewijn. - -Voor den eersten keer van zijn leven woonde de jongen een gevecht -bij. Hoewel het hem eigenlijk weinig kon schelen, of heer Diederik, dan -wel de vijand het won, begon hij toch schik in den krijg te krijgen, -zeker, omdat hij daarin gelegenheid had, zijn kracht te toonen. En -alsof het een veertje was, zoo zwaaide hij zijn kolf in het rond. - -"Hei," riep Hark, die dicht bij hem stond, "houd je wat kalm -asjeblieft; het lijkt wel, of je mij voor een van de vijanden -aanziet. Of wou je tegen de lucht vechten? Dat is gemakkelijk voor je." - -De omstanders begonnen te lachen, tot een der ridders, die in de -nabijheid zich bevond, fluisterend beval: "Stilte die lui daar; -let liever op, of je moet aanvallen." - -Dadelijk hielden allen zich rustig. Hoe scherp men ook uitkeek, -niemand kon nog iets onderscheiden, zoo donker was het. Enkelen -merkten reeds fluisterend op, dat het wel bedriegerij zou zijn, -toen er plotseling lichten schemerden. - -"Domme lui toch," bromde Gerebrandt, "nog fakkels mee te nemen!" - -Ja, dit leek ook wel wat dwaas, maar de belegerden wisten natuurlijk -niet, dat er zoo goed wacht werd gehouden. Ze waren in de vaste -overtuiging, dat het geheele leger rustig sliep, vermoeid van de groote -inspanning der laatste dagen. Zoo hoopten ze, eer nog de verschrikte -wachten alarm gemaakt hadden, het kamp te overvallen, en de houten -belegeringswerktuigen in brand te steken. En voor dit doel was het -vuur meegenomen. Alles: blijden, springalen, arbaleten, tot de kat toe, -ja, dit laatste werktuig vooral, hoopten ze in vlammen te doen opgaan. - -Ze hadden hun plan wel goed overlegd. Terwijl de voorste krijgers -den vijand moesten aanvallen, schrik brengende onder de slapenden, -om hen eindelijk in wanorde op de vlucht te jagen, zouden anderen met -brandende stoffen, pek en teer, de belegeringswerktuigen in vlammen -doen opgaan. - -Welk een teleurstelling! Want pas bevond zich de geheele bende buiten -de poort, of daar werd ze plotseling van alle zijden aangevallen. - -"Er mag niemand ontsnappen," had de edelman bevolen. En in zich zelf -lachte hij vergenoegd bij de gedachte, dat de jonker, die zich stellig -ook wel bij de bende zou bevinden, levend of dood in zijn handen moest -vallen. Ha, zulk een vangst was de moeite waard. De edelman had dan -ook ten strengste bevolen, dat men zijn best zou doen, om den jonker -te vangen. - -Ten einde den uitslag van het gevecht ontwijfelbaar te maken, had de -edelman aan de eene zijde een krachtigen troep welgewapende strijders -doen plaats nemen, die den vijand in den rug moesten aanvallen. - -Nog een oogenblik, en er ontstond een vreeselijk rumoer in den -donkeren nacht. Menschen en paarden woelden schreeuwend en hinnekend -dooreen. Overal sloeg men met zwaarden en knotsen er wild op in. Weldra -hoorde men aan alle zijden het akelig kermen der gekwetsten. - -In plaats van hun vijanden te verrassen, waren de belegerden zelf -in een val geloopen, een val, zoo vreeselijk, dat er aan uitkomst -niet te denken viel. En toen ze, inziende, dat hun plan zoo deerlijk -mislukt was, ontsteld op de vlucht sloegen, werden ze ook van de andere -zijde aangevallen. Zoo zagen ze zich ingesloten, aan alle kanten door -een overmachtigen vijand ingesloten. Hier kon geen strijden helpen, -hier liep men onvermijdelijk zijn verderf te gemoet. Weldra was het -dan ook geen vechten meer, het was slachten; of de ongelukkigen al -jammerend om genade smeekten, daar werd niet naar geluisterd; met een -ware moordlust sloegen de belegeraars op hun zwakke tegenpartij in, die -dan ook merkbaar verminderde. Slechts enkelen werden gevangen genomen. - -Bijna geen der belegerden kon nog de poort bereiken; de weinige -vluchtelingen werden op den voet gevolgd door hun juichende -vijanden. Dezen meenden reeds, op een gemakkelijke manier binnen het -kasteel te geraken, toen de zware deur hun nog juist bijtijds voor -den neus werd dichtgesmeten. - -Heer Diederik was verrukt over de prachtige overwinning; tal van -vijanden lagen dood of gewond neer; alleen speet het hem, dat hij -den jonker niet had kunnen vangen. Het scheen dus, dat deze bij het -gevecht niet tegenwoordig was geweest. Dit verminderde de vreugde van -heer Diederik wel wat; zoolang hij zich niet van den jonker meester -gemaakt had, was hij niet tevreden. Intusschen zou dit doel ook wel -bereikt worden: de bezetting van het kasteel was door den ongelukkigen -uitval zeer verzwakt; ze kon het nu onmogelijk lang meer uithouden. - -Toch vergiste de ridder zich, als hij meende, dat de jonker den -uitval niet had meegemaakt; deze was wel degelijk onder de strijdenden -geweest. Wat er dan met hem was voorgevallen? We zullen het spoedig -zien. - -Een uur na middernacht heerschte er weer diepe rust om het kasteel. De -meeste strijders waren gaan slapen, overtuigd, dat de bezetting -vooreerst geen tweeden uitval zou wagen. Alleen hier en daar stonden -de wachten en deden moeite om zich den slaap uit de oogen te houden. De -regen had opgehouden. De maan kwam op; het werd wat lichter. - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -OP WACHT. - - -"'t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn," zei Gerebrandt, -"je treft het, het weer klaart op." - -"Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken." - -"Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen," hernam -Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende. - -Alewijn rilde. "Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te -zijn," dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op -wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel -rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode -menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan. - -"Nu," zei Gerebrandt, "ik wensch je veel genoegen; pas maar op, -dat je niet in slaap valt." - -Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van -het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat -hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem -heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn -daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht -bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden; -dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan. - -Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa. - -"Hoe vreemd toch," dacht Alewijn. "Een paar uur geleden was die daar -nog gezond en wel en nu." - -Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak -naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij -wilde vluchten en kon het niet: 't was, alsof die doode zich -bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige -gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te -kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij -beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen, -dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo -duidelijk gezien. - -O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te -duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn -voelde zijn hart bonzen, hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem -stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij -zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven, -te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te -gevoelen, toch sidderde hij. - -Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat -aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde, -moedige natuur kreeg weer de overhand. - -Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem -met zijn spookachtige verschijning zoo'n schrik had aangejaagd. Een -paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog -door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe, -en, wat bleek nu? - -Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met -moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem: - -"Kom je om mij te dooden?" - -"Dat zal er van afhangen, wie je bent." - -"Toe, dood mij maar, dadelijk liefst." - -"Dat is een dwaze wensch; heb je zoo'n pijn misschien?" - -"Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb -medelij." - -"Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?" - -"Ja." - -Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half -opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging -hem een licht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen! - -"Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen." - -"Och, doe dat niet," smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn -moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman, -jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest -wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich -zoo niet verlagen. - -"Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?" - -"Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge -man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor -dan mijn bede." - -"De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen -barmhartig te toonen." - -"Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van -me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen." - -"Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker -levend gevangen te nemen." - -"Wat, hoe weet je....?" - -"Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van." - -"Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd -bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo'n groote weldaad, -waar je altijd dankbaar voor moet blijven?" - -Alewijn weifelde: "Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?" dacht -hij. - -De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij -had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn -eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn, -om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als -Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden, -zou zijn leed niet te overzien zijn. - -De jonker scheen zijn gedachten te raden. "Jonge man," zei hij, -"wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij -rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt, -dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me -niet levend aan mijn doodsvijand over." - -"Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit -ook mijn gevoel van eer," zei Alewijn op eenigszins scherpen -toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den -ongelukkigen gewonde. "Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te -maken?" mompelde hij. "Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft -hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet -voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen -opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?" - -Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker: -"Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan -en op mij te leunen." - -Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, en zie, hoe moeilijk het -ook ging, de jonker schreed langzaam voort. - -"Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste -achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge -voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen." - -"Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik -zal je goed beloonen." - -"Een beloning begeer ik niet," antwoordde Alewijn en hij vervolgde -glimlachend: "Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te -beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw -kasteel het niet lang meer uithoudt." - -"Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht -het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered." - -"Waar woont die?" - -"We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan; -ze zal den jonker niets weigeren, als hij om een schuilplaats smeekt." - -Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen -met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens -donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend -wezen. "Dat mag waarlijk een wonder heeten," dacht Alewijn, "hoe -dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik -kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word." - -Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste -was hij wel genoodzaakt, een door de maan beschenen vlakte over te -steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige -spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam -loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel -tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen. - -Eindelijk hadden ze het boschje bereikt. - -"Zie zoo," zei Alewijn, "ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet -ik maken, dat ik terugkom." - -Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk. - -"Wacht," hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk -brood te voorschijn halende, "'t is wel niet veel bijzonders, wat ik -u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel." - -De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was -hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje -dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn. - -Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel, -dat hij zijn mond hield. - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -DE OUDE WENA. - - -Het kasteel hield het langer uit, dan heer Diederik had verwacht. De -dikke muren boden weerstand aan de geduchte slagen van den stormram -en de edelman begon te vermoeden, dat hij met geweld niets zou -uitrichten. "Dan maar een ander middel te baat genomen," dacht hij, -"een middel, dat wel langzaam, maar zeker werkt: den honger." - -Zoo kwam het, dat op een morgen alle vijandelijkheden gestaakt werden; -de heer wilde niet onnoodig pijlen laten verschieten. - -Alewijn, Hark, Gerebrandt en eenige anderen hadden niets te doen en -zaten op een rustig plekje een stuk brood te deelen. - -"'t Wordt een schrale boel, jongens," zei Gerebrandt. - -"Hoe zoo?" - -"Ik hoor, dat onze voorraad is opgeraakt, en de wagens, die -uitgezonden werden, om meel, brood en vleesch te halen, zijn nog -niet teruggekeerd." - -"Vóór overmorgen kunnen ze hier onmogelijk wezen." - -"Dan wordt het vasten. Ik kan niet zeggen, dat ik daar veel mee -op heb." - -"Ik ook niet. We doen verstandig met ons zelf te helpen en dit stukje -voor van avond te bewaren." - -"Er zal toch in den omtrek nog wel iets te krijgen zijn." - -"Dat zou ik ook denken." - -"Als we er maar eens op uit mochten." - -"Durf jij het te vragen, Hark?" - -"Och, jawel, er is hier toch niets te doen." - -"Ja, jongens, waarom zou heer Diederik bevolen hebben, dat alles -moest ophouden?" - -"Misschien wil hij het kasteel uithongeren." - -"Daarom begint hij zeker met zijn eigen volk honger te laten lijden. Ik -geloof niet, dat dit de beste manier is." - -"Nu," zei Hark, "ik ga eens vragen." - -"Je krijgt toch geen verlof. De strijd kan elk oogenblik weer -beginnen." - -"Dat zullen we zien." - -Korten tijd, nadat Hark was heengegaan, kwam hij alweer terug en -riep heel blij: "Het mag, jongens, het mag, als we vóór van avond -maar weer terug zijn." - -Weldra gingen er vier op weg, gewapend met daggen, om den landlieden -ontzag in te boezemen. - -"Hei jongens, waar gaat dat naar toe?" riep Allert, die bij zijn -schietwerktuig op den grond zat. - -"Een wandeling doen, voor de gezondheid," antwoordde Hark. "Blijf jij -maar rustig bij je springaal zitten en pas op, dat de pijlen niet in -je eigen gezicht terecht komen." - -"Loop, flauwe rekel, of ik zal je." - -Alle vier begonnen hartelijk te lachen, vervolgden rustig hun weg en -trokken weldra het veld in. - -Ze zochten den geheelen ochtend; daar echter bijna alles in den omtrek -al plat geloopen was, vonden ze niets. - -Eindelijk kwamen ze bij een dicht boschje, waar zich, bijna -onmerkbaar voor het oog, een klein bouwvallig houten huisje bevond. De -onderzoekende blik van Gerebrandt had het al spoedig opgemerkt. - -"Wel," zei Hark, toen Gerebrandt hem het hutje had gewezen, "veel -bijzonders zal het wel niet zijn, maar licht is het de moeite waard." - -Dicht bij de hut zat op den grond een oud vrouwtje, met rimpelig, -maar vriendelijk gezicht. - -"Hoor eens, vrouwtje, je moest ons even een kijkje laten nemen. Wij -hebben honger." - -"Och, beste jongens, ik ben een doodarme vrouw; bij mij is niets -te halen." - -"Nu, dat begrijpen wij wel. 't Is ons dan ook maar om een heel klein -beetje te doen. Vooruit, laten wij maar eens gaan zien." - -Alewijn merkte met deernis op, hoe het arme vrouwtje blijkbaar in -de grootste verlegenheid verkeerde. Ze liep onrustig heen en weer -en wist niet, wat ze doen moest. Eindelijk zei ze: "Een kruikje melk -kan ik missen, maar dat is ook alles; laat mij asjeblieft met rust, -mijn dochter is ziek, ze zal zoo schrikken." - -"Kom, praatjes! Zieke dochter! Als wij niet te eten hebben, worden -we ook ziek." - -Alewijn begreep, dat hij tusschenbeiden moest komen; hij had innig -medelijden met de smeekende vrouw, die er zeer tegen op scheen te zien, -dat de ruwe gasten haar huisje zouden binnentreden. - -"Och jongens," zei hij, "zie je niet, dat je dat arme mensch een -schrik op het lijf jaagt? Weet je wat, blijven jullie hier, dan zal -ik maar eens kijken." - -"Zeker om den buit alleen te houden; neen baasje, wij zijn ook slim," -zei Hark. - -"Nu, ik vind het even goed, dat jij gaat," antwoordde Alewijn, "maar -dat weet ik wel, wij kunnen niet met ons vieren bij een ziek mensch -in huis komen." - -"Goed," zei Hark, maar Gerebrandt wist, dat die jongen zelf niet te -vertrouwen was en vond het daarom beter, dat Alewijn in het huisje -een kijkje zou nemen. Ten laatste moest Hark wel toegeven, en Alewijn -ging, na plechtig verzekerd te hebben, dat hij alles eerlijk met zijn -makkers zou deelen. - -Hoe de vrouw ook smeekte, hoe ze alle pogingen aanwendde om den -indringer buiten te houden, Alewijn trad het huisje binnen. Hij was -namelijk nieuwsgierig geworden. Waarom verzette die vrouw zich toch -zoo? Was dat alleen, omdat ze vreesde, dat men haar berooven zou? Wie -toch weinig bezat, had ook weinig te missen. Neen, daar moest iets -anders achter steken. - -"Wees maar gerust, moedertje, ik zal je geen kwaad doen." - -In het vertrek was het vrij duister. Het zag er natuurlijk zeer kaal -en armoedig uit. Op een bankje lag een stuk grijs brood, maar daar -wilde Alewijn de arme niet van berooven. - -"Toe, beste jongen," zei het vrouwtje, "neem dat maar en ga dan heen." - -"Gekheid," antwoordde Alewijn, "berg het liever goed weg: mijn makkers -zouden er zich anders nog van meester maken. Maar zeg me eens, hoe komt -het toch, dat je zoo gejaagd bent? En waar is je zieke dochter nu?" - -"Kom, wat kan je mijn ziek kind schelen? Steek dat brood bij je en -ga heen. Plaag een arme vrouw niet langer." - -Alewijn had er reeds aan gedacht te vertrekken, maar juist, doordat de -vrouw zoo aandrong, werd zijn nieuwsgierigheid nog meer opgewekt. Hij -keek goed rond en merkte in een hoek een donkere massa op. - -Bedaard trad hij nader, vragende: - -"Zoo, zoo, is ze dat? Heb je haar met opzet in het duister gelegd?" - -De arme vrouw verkeerde in den hoogsten angst. - -"O wee, wat zal me nu gebeuren!" mompelde zij. - -Alewijn bekeek het gewaande meisje en ontdekte tot zijn groote -verwondering, dat het niemand anders dan de jonker was. Hij herkende -den ridder dadelijk. - -"Ha, ha, nu, het had maar weinig gescheeld, of uw schuilplaats -was verraden. Ik vind het niet heel voorzichtig, hier zoo lang te -blijven. Weet ge wel, dat ge hier niet veilig zijt?" - -"Vanavond wou ik al verder gaan," bromde de jonker, "maar ik was -uitgeput; ik had rust noodig en daarom ben ik een paar dagen bij de -oude Wena gebleven." - -Deze luisterde met verwondering toe. - -"Och," zei ze, "verraad mijn goeden jonker toch niet." - -"Wees gerust, moedertje," antwoordde Alewijn glimlachend, "ik zal je -niet verklikken. Laat ik nu mijn best doen, mijn makkers hier vandaan -te krijgen; die zullen wel ongeduldig worden." - -Voor hij wegging, besloot hij het brood mee te nemen, om niet met -leege handen bij de anderen te komen. Hij vreesde wel, dat ze niet -heel tevreden zouden zijn over den gevonden buit en dat ze daarom -zelf eens een kijkje zouden gaan nemen. - -Tot zijn groote verwondering echter viel dit zeer mee: hij zag ze -met hun drieën op eenigen afstand van de hut druk bezig. - -"Wat zouden ze nu hebben?" dacht hij. Het scheen wel, of ze een -beest gevonden en geslacht hadden. Een schaap misschien? "Dat arme -mensch," mompelde Alewijn, "misschien was het wel 't eenig stuk vee, -dat ze bezat." - -"Niet veel te halen, jongens; 't is de moeite niet waard." - -"'t Hoeft ook niet," riepen de anderen, "we hebben ons zelf al -geholpen. Kijk eens, wat een pracht van een beest, hé?" - -Naderbij tredende, zag Alewijn met afschuw dat ze een hond geslacht -hadden. - -"Wat?" zei hij, "een hond? Waar wil je met dit beest naar toe?" - -"Ha, ha," lachte Gerebrandt, "vraag je dat nog? Wie een paar jaren in -heer Diederiks dienst is geweest, weet maar al te goed, wat honger -beteekent en hoe lekker hondevleesch er door wordt. Als onze heer -slechte tijden beleeft, laat hij dat het eerst aan zijn onderhoorigen -merken." - -"Nu," zei Alewijn, "ik wensch je smakelijk eten, maar ik zal mijn -maal liever met dit stuk brood doen." - -"Zeker niet," merkte Hark op, "alles eerlijk deelen. Jij kunt immers -ook van het vleesch krijgen?" - -"Maar hoort eens, jongens, dat meisje is wezenlijk heel zwak; zouden -we niet liever wat verder weg gaan?" - -"Je hebt gelijk," zei Gerebrandt, "in gindsche beek vinden we water; -daar kunnen we het vleesch afwasschen. En droog hout staat er in -overvloed." - -"Hoe komen we nu aan vuur?" - -"Daar kan Alewijn wel even voor zorgen. Kom, jongen, je hebt nog niet -veel goeds uitgevoerd. Ga bij dat vrouwtje wat halen." - -Alewijn had daar natuurlijk niets tegen, en, terwijl zijn makkers een -ander plaatsje opzochten, begaf hij zich nog even naar de hut. Daar -binnengetreden, merkte hij op, dat de jonker al verdwenen was. - -"Zoo, zoo, is de vogel gevlogen?" - -"Och, beste jongen, zul je me heusch niet verklappen? De jonker is -zoo goed voor me geweest; dikwijls kwam hij hier een poosje praten, -en in kwade tijden kon ik altijd op hem rekenen." - -"Wees maar gerust, vrouwtje; ik heb zelf reden om te zwijgen; als ik -jou verklapte, zou ik ook gevaar loopen. Nu, wees maar voorzichtig...." - -Toen het viertal des avonds terugkeerde, zagen ze tot hun groote -verwondering, dat het kasteel overgegeven was; de vlag van heer -Diederik woei reeds van een torentrans; een groot deel van het leger -bevond zich binnen het kasteel; de belegerden waren gevangen genomen -en werden op het voorplein bewaakt. Voor het eerst in langen tijd -behoefde Alewijn niet meer buiten te overnachten; hij mocht met Hark -en Gerebrandt in een der kamers van den burcht zijn leger gereedmaken. - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -ALEWIJNS RIJKDOM. - - -Heer Diederik wenschte nog eenigen tijd in het veroverde kasteel -te vertoeven; in dien tijd hadden zijn mannen natuurlijk niet veel -te doen; ze konden dus vrij rondloopen en op allerlei wijzen zich -vermaken. Alewijn hield veel van visschen, en, daar hij in den omtrek -eenige plassen ontdekte, die rijk aan visch waren, had hij op die -wijze al spoedig een aangename tijdkorting gevonden. Terwijl hij eens -met zijn hengel in de hand, geduldig wachtende, bij een beekje stond, -kwam er een vrouw op hem toeloopen. Het was het moedertje, bij wie -de jonker een schuilplaats had gezocht. - -"Gelukkig, dat ik je zie," sprak ze. - -De jongen keek ontsteld om en zei: "Wel, je zou me doen schrikken." - -"Zie ik daar nu naar uit?" vroeg het vrouwtje glimlachend. - -"Volstrekt niet, maar ik wist niet, dat er iemand bij me stond en -toen ik daar opeens je stem hoorde." - -"Nu, dat kan ik best begrijpen. Laat ik nu maar gauw mijn boodschap -doen, voor iemand ons ziet." - -Deze woorden van het oude moedertje verbaasden Alewijn zeer. "Wat zou -ze me te vertellen hebben?" dacht hij en hij legde zijn hengel neer, -daar de visch den laatsten tijd toch niet meer scheen te bijten. - -"Ik moet je de groeten van den jonker doen." - -"Zoo, is hij goed terecht gekomen?" - -"Ik denk het wel. Eergisteren werd mij bericht, dat hij bij een van -zijn vrienden een schuilplaats heeft gevonden. Nu wil hij, voor hij -verder reist, je een klein bewijs van zijn dankbaarheid geven. Zie -hier!" - -"Wat," riep Alewijn verrast, toen hij zag, hoe de vrouw hem een zakje -met klinkende schellingen toereikte, "ik behoefde er volstrekt niets -voor te hebben; zooveel was me de heele zaak niet waard. Neen, dat -neem ik niet aan." - -"Waar moet ik er dan mee heen? Ik kan het den jonker niet terugzenden, -en het in het water te gooien....." - -"Dat is ook niet noodig, maar ik zou denken, dat je het zelf best -kunt gebruiken." - -"'t Is voor mij niet bestemd; de jonker heeft het alleen gegeven als -belooning voor den redder van zijn leven. Ik vind, dat je het niet -weigeren kunt." - -"Wat toevallig, dat je me gevonden hebt. Wat zou je doen, als ik hier -niet aan het visschen was geweest?" - -"Dan zou ik heel brutaal het kasteel binnengaan; ik denk, dat ze -een arme oude vrouw wel geen kwaad doen, en als ik je daar dan zag, -wilde ik je vragen, even buiten te komen." - -"Zoo, zoo, dat is wel slim overlegd. Nu, als je er dan volstrekt op -staat, wil ik het geld wel aannemen, ofschoon ik eigenlijk niet weet, -wat er mee uit te voeren." - -"Wees maar gerust; er zal een tijd komen, dat je het best kunt -gebruiken; bewaar het goed en zorg vooral, dat niemand er achter komt." - -"Dank je wel. Dit zul je toch wel van me willen aannemen." Alewijn -bood de oude vrouw een paar geldstukken aan, die zij dankbaar in -ontvangst nam, waarop ze Alewijn vaarwel zei en haars weegs ging. - -Toen Alewijn alleen was, zette hij zich op een steen neer, haalde het -zakje met geld te voorschijn en toen hij zich had overtuigd, dat geen -onbescheiden oogen hem beloerden, nam hij de klinkende munten in de -hand en bekeek ze met schitterende oogen. Welk een rijkdom. Zooveel -geld had hij nog nooit bij elkaar gezien en aanstonds overlegde hij -bij zich zelf, wat er al niet mee gedaan kon worden. - -'t Was een ware schat voor den armen lijfeigene, maar geheel onvermengd -bleef zijn genoegen toch niet, want de arme jongen begreep heel goed, -dat hij er in den eersten tijd niet veel mee zou kunnen uitvoeren. De -vrouw had hem terecht tot voorzichtigheid aangemaand, en Alewijn was -verstandig genoeg om dezen goeden raad niet in den wind te slaan. Want -wat zouden de lui wel zeggen, als ze zagen, dat de jongen plotseling -in het bezit van zooveel geld gekomen was? En de verdenking alleen was -al voldoende, om een lijfeigene het bitterste lot op den hals te jagen. - -Zoo bij zich zelf overleggende, kwam Alewijn tot het besluit, dat hij -het verstandigst zou doen met zijn schat te verbergen, en zorgvuldig -eenigen tijd te bewaren, totdat het oogenblik aanbrak, om het op de -beste wijze te besteden. - -Het kwam er nu maar op aan, een geschikte plaats te vinden, een plaats, -waar niemand het vinden zou en waar hij het geld zoo nu en dan kon -bewonderen, zonder gevaar voor ontdekking te loopen. - -In het geheel niet meer denkende aan den hengel, waar nog wel een ferme -zeelt aan zat, die in zijn ijver om los te komen, den stok reeds half -in het water had geworpen, verliet hij zijn plaatsje aan de beek, -en zocht het veld rond. Geen enkele schuilplaats kon hem eigenlijk -voldoen. Eerst borg hij het geld tusschen eenige struiken, doch toen -hij eenige dagen later daar twee mannen aan het werk zag, begon hij -ongerust te worden. Hij vond dus geen rust, voor het hem gelukte, een -nieuwe schuilplaats te ontdekken. Ook nu was hij echter niet tevreden. - -Zoo ging het den knaap, totdat eindelijk de heer bevel gaf, op te -breken en het oude kasteel weer te betrekken. Pas had Alewijn vernomen, -dat hij en zijn makkers binnenkort den veroverden burcht weer zouden -moeten verlaten, of hij ijlde naar de plaats, waar zijn schellingen -in den grond gestopt waren en borg ze nu onder zijn kleeren op zijn -bloote lichaam. - -Eenige dagen later waren allen weer op hun vroegere woonplaats -teruggekeerd, en, daar de oogsttijd naderde, viel er voor de -krijgslieden van eenige weken geleden overvloedige arbeid te vinden: -de meesten van hen, waaronder ook Alewijn, moesten boog of speer of -kolf wegbergen en ijverig meehelpen aan den veldarbeid. - -Maar wat Alewijn ook deed, zijn schat ging hem geen oogenblik uit zijn -gedachten. Hoe verheugd hij er ook mee was, hoe goed hij hem ook had -verborgen, toch bekroop hem gedurig de vrees, dat het geld bij het werk -door een plotselinge sterke beweging voor den dag mocht komen. Deze -gedachte plaagde hem onophoudelijk, totdat hij eindelijk besloot, ook -nu weer een plaatsje op te zoeken, waar hij zijn rijkdom verbergen kon. - -Op een namiddag, toen hij het dagwerk verricht had, begaf hij zich -niet zooals anders in den kring van zijn makkers om een praatje te -houden, maar hij sloop stil de poort uit. - -"Hei, Alewijn, waar ga je naar toe?" riep Hark. - -Onwillekeurig werd Alewijn verlegen, en in zijn angst, dat de ander met -hem mee zou willen gaan, gaf hij maar het eerste antwoord het beste, -dat hem in den zin kwam. - -"Ik heb hengels gezet en ga zien, of er een snoek aan zit." - -"Jongen, dan moet ik mee." - -"Wat een vervelende kerel," dacht Alewijn, die niet weinig verlegen -was, daar hij in het geheel geen hengels gezet had, en zijn -verlegenheid werd nog grooter, toen Gerebrandt sprak: "Weet je wat, -ik wil ook wel eens zien, waar jij altijd die prachtige snoeken -vandaan haalt." - -Alewijn kon natuurlijk, nu hij eenmaal gelogen had, niet meer met -de waarheid aankomen en hij bracht zijn nieuwsgierige makkers naar -een sloot, waar, naar hij zei, de hengels zich moesten bevinden. De -grootste verwondering veinzende, zei hij: "Wel verbazend, daar hebben -ook dikke snoeken aan gezeten; alles is verdwenen." - -"Weet je, wat ik geloof?" zei Gerebrandt, terwijl hij aandachtig de -oppervlakte van het water onderzocht. - -"Nu?" vroeg Hark. - -"Dat hij ons leelijk voor den gek gehouden heeft." - -Als Hark daar eerst nog niet aan gedacht had, dan kon hij het nu -wel gissen, want Alewijn, die de kunst van veinzen slecht verstond, -kreeg een kleur als vuur en stamelde enkele woorden, om zijn houding -te verklaren. - -"Nu," zei Gerebrandt, "ik vind, dat het al een heel flauwe manier -van doen is. Wat heb je daar nu aan?" - -En Hark zei: "Ik zal je wel weer krijgen, vrind. Je had zeker andere -plannen, niet waar Alewijntje, plannen, waarbij je geen dwarskijkers -gebruiken kunt." - -"O, heelemaal niet," bracht Alewijn met moeite uit, terwijl zijn -kleur nog hooger werd. - -"Dan moeten wij hem niet storen," zei Gerebrandt spottend. "Kom, -Hark, ga je mee?" Plotseling keerden beiden zich om en maakten, -dat ze wegkwamen, terwijl Alewijn met een dwaas gezicht bij de sloot -bleef staan, niet wetende, wat te doen. - -Toen schoot het hem weer te binnen, met welk doel hij eigenlijk -uitgegaan was, maar hij durfde zijn plan niet te volvoeren, uit vrees, -dat Gerebrandt en Hark uit een boschje hem zouden beloeren. Daarom -keerde hij ten laatste naar het kasteel terug. Het spreekt van zelf, -dat er de volgende dagen geen denken aan was, het geld te verbergen; -daartoe hield de hooioogst hem, evenals de andere knechts van heer -Diederik, veel te druk bezig. Een dag of vier later was de gelegenheid -gunstig: Hark en Gerebrandt moesten voor den heer een sloot uitdiepen -en, toen Alewijn vrij was, vroeg hij aan Eggerik een schop ter leen, -begaf zich daarmee naar buiten en maakte op een eenzaam plekje een -kuil in den grond. Hier werd het zakje met geld verborgen. Om het -plaatsje later te kunnen terugvinden, mat hij, hoeveel passen het -verwijderd was van een boom, die daar in de buurt stond, vergewiste -zich, dat hij geen fout gemaakt had, en ging weer heen. Gelukkig was -hij zoo verstandig, er niet elken dag naar te gaan kijken; anders zou -het al spoedig de aandacht getrokken hebben, vooral daar Gerebrandt -en Hark op hem letten. Het kostte hem anders moeite genoeg, want -voortdurend had hij een groot verlangen om te zien, of zijn geld er -nog wel was. Weldra bemerkte hij tot zijn geruststelling, dat Hark -en Gerebrandt de geschiedenis vergeten schenen te zijn; op het door -hem gekozen plaatsje kwam nooit iemand en zoo had hij alle reden -tot tevredenheid. - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -HET TIENDMAAL. - - -Niet ver van den burcht woonde een boer, die tiendplichtig was aan -heer Diederik. Ook die landman had het druk met den oogst, zoo druk -zelfs, dat nog een groot deel van het koren op het veld stond, toen de -meeste werkzaamheden op de landerijen, die tot het kasteel behoorden, -reeds afgeloopen waren. Het weer bleef langen tijd gunstig, maar de -boer was er natuurlijk niet zeker van, dat het zoo blijven zou en -daarom zag hij uit naar rappe handen, die hem behulpzaam konden wezen. - -Hierdoor kwam het, dat Alewijn en Hark, terwijl ze op een afgemaaid -hooiland stonden te harken, plotseling een stem achter zich hoorden: - -"Hei, jongens, hoor eens even." - -Beiden keken om en zagen den boer naderen, die dichtbij gekomen, sprak: -"Hebben jelui lust, mij met het inhalen van het hooi te helpen?" - -Hark en Alewijn keken elkander aan. Hoewel ze nu niet bepaald op -overmatigen arbeid gesteld waren, schenen ze in dit geval wel zin te -hebben, aan de uitnoodiging van den boer te voldoen. Er was slechts -één bezwaar: "Zou heer Diederik het goedkeuren?" Mocht die er niets -tegen hebben, dan waren Hark en Alewijn wel tot helpen genegen, -want ze kenden den boer als een gul man en ze wisten dus, dat hun -bereidwilligheid geen windeieren zou leggen. Daarom gaven ze tot -antwoord, dat ze eerst de toestemming van heer Diederik moesten hebben. - -"O, als het daarvan afhangt, weet ik al zeker, dat ik op jullie rekenen -kan. In zulke gevallen is heer Diederik altijd heel schikkelijk." - -"Zou je denken? Dan geloof ik, dat je hem niet goed kent," meende Hark. - -"Wees maar gerust. Nu, je zult het zien." - -Het kwam uit, zooals de boer voorspeld had. De edelman maakte in -het geheel geen bezwaar; integendeel, hij vond het zeer goed, dat -zijn lijfeigenen, die op dat oogenblik toch niets te doen hadden, -aldus hun tijd nuttig besteedden. - -Op den bepaalden dag trokken Alewijn en Hark dan ook naar den boer -en werkten ijverig mee, zóó ijverig zelfs, dat de man des avonds -herhaaldelijk zijn tevredenheid betuigde en hun een buitengewoon -goed loon uitbetaalde. Maar meer nog dan met dit loon, waren de -knapen verheugd over de uitnoodiging, om aan het tiendmaal deel te -nemen. Zoodra namelijk het oogsten afgeloopen was, moesten aan den heer -de tienden betaald worden, maar deze gaf dan aan zijn tiendplichtige -boeren een feest, het tiendmaal. Op dezen maaltijd nu waren de mannen -zeer gesteld, want de edelman schonk hun door groote mildheid de -gelegenheid, zich eens buitengewoon te goed te doen. - -"Heb je lust, om aan het tiendmaal mee te doen?" vroeg de boer aan -de beide knapen. - -Men kan gemakkelijk raden, wat ze antwoordden. - -"Goed," zei de man weer, "ik zal mijn best doen, dat je daartoe -verlof krijgt; jullie hebt beiden zoo hard gewerkt, dat je wel een -pretje toekomt." - -Hij hield woord ook, en toen eenige dagen later het feest op de -hoeve van een der tiendplichtige boeren gegeven werd, kwamen Alewijn -en Hark al tijdig, om mede van de partij te zijn. Reeds den dag te -voren was een lange tafel in gereedheid gebracht en dat de heer bij -deze gelegenheid niet karig was, bleek, toen hij bevel gaf, eenige -koeien te slachten en een paar tonnen bier uit den kelder te halen. - -Oppervlakkig gezien, zou men denken, dat er wel te veel eten en drinken -was, maar heer Diederik kende de gasten en wist, dat ze, behalve een -opgeruimde stemming, ook een gezonde maag meebrachten op het feest. - -Weldra ging het er lustig toe: eten, dat er gedaan werd, eten! Men zou -het haast een wonder noemen. Het eene stuk gebraden vleesch vóór, het -andere na, verdween in een ommezien. Daarbij werd het bier natuurlijk -niet vergeten, en toen tegen den middag de heer een kijkje kwam nemen, -merkte hij tot zijn genoegen op, dat men van zijn gulheid een dankbaar -gebruik wist te maken. Hij moest er hartelijk om lachen, toen hij -zag, hoe weer een reusachtig stuk vleesch in ongelooflijk korten tijd -verorberd werd. Dadelijk gaf hij bevel, nieuwe spijzen aan te laten -brengen; ieder gerecht werd begroet met gejuich, dat luider werd, -naarmate de feestvierenden meer bier hadden genoten. - -Ook Alewijn, die zulk een feest nog nooit had bijgewoond, deed flink -mee aan de pret, en niet minder Hark, die een reusachtige maag scheen -te bezitten, want hij hield letterlijk niet op met eten. Toen het feest -gedaan was, begaven beiden zich in een recht genoeglijke stemming naar -huis. Alewijn had, om de waarheid te zeggen, meer bier gedronken dan -goed voor hem was; wel kon hij nog flink loopen, maar de bedaarde -jongen, die anders zoo voorzichtig was, gebruikte nu zijn verstand -niet meer en liet zich daardoor licht een woord ontvallen, dat hij -beter gedaan had met te verzwijgen. Dit zou zijn ongeluk veroorzaken, -en zoo had, zeer tegen verwachting, het tiendmaal voor Alewijn een -noodlottigen afloop. - -Hark kon men namelijk niet vertrouwen. Alewijn wist dit wel en was -dan ook in de nabijheid van Hark zoo voorzichtig mogelijk geweest. - -Onder den invloed van het zware bier scheen hij dezelfde kalme Alewijn -niet meer te zijn; lustig zingend liep hij naast Hark voort, en deze -deed dapper mee. Toen beiden uitgezongen waren, begon Hark: - -"Heb je op dien Liebaart gelet; wat kan hij eten, hè? Ik geloof, -dat hij wel een halve ton bier opgedronken heeft." - -"Dan is het geen wonder, dat hij zoo raar begon te doen. In het -laatst werd hij nog kwaad ook. 't Had weinig gescheeld, of er was -ruzie gekomen. Er is heel wat bier verdwenen." - -"Ik heb mijn deel ook wel gehad." - -"Toch mooi van heer Diederik, dat hij zoo gul is. Ik had het niet -van hem verwacht." - -"Hij krijgt het anders gemakkelijk genoeg; zelf behoeft hij nergens -een hand voor uit te steken." - -"Ja, je moet het geluk maar hebben. Wij kunnen sloven en hard werken -en hij....." - -"Dat werken is nog 't ergste niet, maar dat zoo'n man zoo den baas -over je kan spelen...." - -"O, ik vind dat slavenleven verschrikkelijk." - -"Werd er nog maar eens een kruistocht gehouden, dan deed ik ook mee." - -"Maar weet je wel, dat je dan veel kans had nooit terug te komen? Wat -had je dan aan je vrijheid?" - -"Zeker weet ik dat, maar wat moet je anders? Als ik geld had, kon ik -me vrij koopen, maar daar is nu eenmaal geen denken aan." - -"Wil ik je eens wat zeggen? Maar je moet het niet oververtellen." - -"Wat is het dan?" vroeg Hark vrij onverschillig, want hij vermoedde -niet, dat er wat bijzonders zou komen. - -"Ik heb geld." - -"Dat zal wel." - -"'t Is heusch waar. Wel zooveel, dat ik mij driemaal vrij zou kunnen -koopen." - -Nu was de belangstelling van Hark toch opgewekt, hoewel hij nog half -geloofde, dat Alewijn hem voor den gek hield. - -"Laat mij het dan eens zien." - -"Ik heb het natuurlijk niet bij me." - -"Waar heb je het dan?" Hark vroeg dit zoo haastig, en zijn oogen -keken zoo begeerig, dat Alewijn het antwoord nog bijtijds terug -hield. Plotseling zag hij in, welk een dwaasheid hij begaan had en -hij haastte zich dus, aan het gesprek een andere wending te geven: -"Kom, 't is maar gekheid." - -Maar juist hierdoor verklapte hij alles, want Hark merkte zijn -verlegenheid op en begreep daardoor, dat er iets van waar was. Dit -wekte zijn nieuwsgierigheid en--zijn hebzucht. - -"Zoo, zoo, mannetje," dacht hij, "nu weet ik meteen, wat jij laatst -moest uitvoeren, toen het heette, dat jij op snoek uit ging." - -Zwijgend vervolgden Alewijn en Hark hun weg. De eerste was stil -geworden; hij deed zich zelf aldoor de bitterste verwijten, en Hark -overlegde, hoe hij op de beste manier Alewijns geheim zou kunnen -uitvorschen. Zoo kwamen ze in het kasteel terug. Hark was tot het -besluit gekomen, dat Alewijn zijn schat zeker ergens zou verborgen -hebben. Om de plaats er van te vinden, behoefde hij slechts zijn -makker in het oog te houden en hem ongemerkt te volgen, als hij weer -een uitstapje deed. - -Intusschen vermoedde Alewijn, wat er in Hark omging en dit spoorde -hem aan, voorzichtig te wezen. Hoeveel moeite hem dit ook kostte, -hij keek de eerste dagen naar zijn geld niet om, maar Hark was het -gesprek niet vergeten en dacht: "Zoo'n oolijkerd, hij meent mij te -misleiden, maar dat zal hij anders gewaar worden." - -Op een namiddag hield Alewijn het niet langer uit; hij wilde en moest -weten, of zijn geld er nog was, en op een oogenblik, dat hij zich -onbespied waande, verliet hij het kasteel en sloeg den weg naar de -plek in, waar hij den schat had verborgen. Tot zijn genoegen was er -op den weg, dien hij volgde, niemand te zien. Gedurig keek hij om, -maar alles scheen veilig te zijn. Toch was dit niet zoo. Hark, de -brutale, valsche Hark had opgemerkt, dat Alewijn zoo omzichtig de -poort uitging en dadelijk ging hem een licht op. Aanstonds liet hij -de varkens, die hij bezig was te voeren, in den steek en begaf hij -zich niet naar buiten, maar de trap van een der torens op. Door smalle -luchtgaten kon hij het heele veld overzien en na eenig zoeken ontdekte -hij weldra Alewijn, die, zoo nu en dan omkijkende, het land over ging. - -"Nu maar eens goed opgelet, waar dat heengaat," dacht Hark en na -eenig wachten zag hij tot zijn groote vreugde, hoe Alewijn zich bukte, -toen weer rondkeek en daarna in den grond begon te graven. - -"Heel slim is hij toch niet," vond Hark; "wij zullen er wel een -beter plaatsje voor uitzoeken." Toen Alewijn eenige minuten later -terugkeerde, daalde Hark weltevreden de trap af, maar overtuigde -zich eerst, of hij de plek, waar het geld verborgen scheen te zijn, -zou kunnen vinden. - -De nieuwsgierige Hark had niet veel geduld, en met verlangen zag hij -den avond tegemoet; hij was van plan, in de schemering het bewuste -plaatsje op te zoeken, vervolgens te wachten, tot het donker was -geworden en eindelijk zijn booze daad te volvoeren. Tegen den tijd, -dat de zon onderging, spoedde hij zich op zijn beurt het hek uit, -terwijl hij den poortwachter op diens vraag naar het doel van den -tocht, antwoordde, dat hij voor den heer de kwakende kikkers moest -doodslaan. Toen de man echter den geheelen nacht de lieve beestjes in -het water vroolijker dan ooit hoorde kwaken, begreep hij, dat Hark -iets anders uitvoerde. "Maar wat gaat het mij ook aan?" dacht hij -en bekommerde zich om den heelen Hark niet meer, die intusschen op -dezelfde wijze als 's middags Alewijn gedaan had zijn weg over de -velden nam. Ook hij stond ieder oogenblik stil om rond te kijken, -ook hij had een kleine schop onder zijn buis verborgen. Eindelijk -ontdekte hij de plaats, waar Alewijn 's middags gegraven had; er kwam -een grijns van boosaardige vreugde op zijn gezicht, toen hij zag, -hoe op één plekje sporen waren te zien, die aanduidden, dat men er -moest hebben gegraven. - -"Ha, ha, daar heeft hij den aap verborgen. Nu nog maar even gewacht, -tot het donker is." - -Met een waar genoegen ging onze Hark in de nabijheid op den grond -zitten, en oefende zich in geduld. De duisternis daalde hem lang -niet snel genoeg; elk oogenblik hief hij zich half op, om aan het -werk te gaan, maar dan ging hij weer zitten, want hij was bang, -dat men hem bespieden zou, en hij wilde den buit geheel voor zich -alleen hebben. Eindelijk kon hij niet langer wachten; trouwens, de zon -was al lang onder en in den geheelen omtrek bevond zich geen levend -wezen. Alleen in de struiken achter zich hoorde Hark iets ritselen, -maar dat kon wel een wezel of zoo iets zijn. Na voor de zekerheid nog -eenige minuten geduld te hebben gehad, nam hij zijn spade ter hand -en begon haastig te graven. Daar stootte hij op iets; zijn gezicht -gloeide van blijde verwachting, zijn hand greep begeerig toe, maar tot -zijn teleurstelling bemerkte de zoekende Hark, dat het maar een steen -was, die hem zoo blij had gemaakt. Een weinig knorrig zette de knaap -zijn arbeid voort, en zijn stemming werd er niet beter op, toen er bij -verder graven niets anders voor den dag kwam dan stokjes en steenen en -kluitjes. Van geld geen sprake. De diefachtige Hark was zelf bedrogen. - -Want toen Alewijn des namiddags naar den schat was gaan kijken, kreeg -hij weer hetzelfde gevoel van onrust, dat hij al zoo vaak had gehad; -ook nu kon de plaats hem niet bevredigen en hij nam dus het zakje -met geld er weer uit, maakte den kuil met de aarde dicht en verborg -zijn rijkdom onder zijn buis. Vervolgens wilde hij een veiliger -schuilplaats zoeken, maar juist kwam, toen hij daarmee bezig was, -Gerebrandt voorbij, die etgroen had gemaaid. Gerebrandt vroeg aan -Alewijn, of hij meeging; deze wilde het niet weigeren, en zoo kwam -er van zijn plan niets. - -Het spreekt van zelf, dat Hark zijn makker allesbehalve vriendelijk -aankeek. Intusschen gaf hij de hoop niet op. Gelukte het hem niet, -door list zich van den buit meester te maken, dan moest hij maar -brutaal optreden. Den volgenden morgen stapte hij regelrecht op -Alewijn toe en zei, hem met zijn gluiperige oogen valsch aankijkend: -"Als je mij niet de helft van je geld geeft, zal ik vertellen, waar -je het geborgen hebt." - -Alewijn, die zoo iets niet verwacht had, werd plotseling bleek en -dit gaf Hark de zekerheid, dat zijn vermoeden waar was. - -"Geld! Wat praat je toch van geld? Hoe zou ik daaraan komen?" stamelde -Alewijn, die eigenlijk niet wist, wat hij zeggen moest. - -"Houd je nu maar niet onnoozel; ik heb alles gezien," hernam Hark, -die zijn makker hoopte te overbluffen. - -"Wat.... wat heb je gezien?" - -Hark wilde weer iets antwoorden, maar tot beider ontsteltenis klonk -er een stem dicht bij hen: "Zeg er eens, knapen, komt eens hier en -vertelt mij, waarover je het hebt." - -'t Was de meier, die in den koeienstal stond en het gesprek gehoord -had en er uit opmaakte, dat er iets bijzonders aan de hand was. Hark -vreesde, voor medeplichtige aangezien te worden en daarom achtte hij -het verstandiger, als aanklager op te treden. Vóórdat Alewijn nog -iets gezegd had, sprak de brutale rakker: "Hij heeft geld gestolen -en weggeborgen." - -Deze woorden maakten Alewijn woedend. Vuurrood van drift sprong hij -op Hark toe en zou hem bij de keel gegrepen hebben, als de meier -niet tusschenbeiden gekomen was. Met zijn geduchte vuist greep hij -den jongen bij den pols en sprak bedaard: "Heila ventje, dat gaat -maar zoo niet. Ik ben er ook nog." - -Alewijn poogde vruchteloos zich los te wringen uit de knellende -vingers, die hem vasthielden. Toen hij eindelijk wat bedaard was, -zei de meier: "Ziezoo, leg mij nu maar eens bedaard uit, wat je te -vertellen hebt." - -Nu Hark eenmaal a gezegd had, moest hij ook b zeggen, en, terwijl -Alewijn hem met kwalijk verbeten woede aanzag, en hem telkens in de -rede wilde vallen, deelde Hark alles mee, wat hij wist. Eindelijk -zei hij nog, dat Alewijn zijn geld in het land verstopt had, maar het -later weer op een andere plaats moest hebben gebracht. We zien hieruit, -dat Hark niet alleen een verklikker en een dief, maar ook een leugenaar -was, want hij vertelde meer dan hij zelf wist. Alewijn stond versteld: -ondanks alle voorzorgen had die valsche Hark hem toch bespied. - -Eén ding troostte hem: de verrader wist blijkbaar niet, waar de -schat eigenlijk wel verborgen zat; zoolang dit niet ontdekt werd, -kon niemand Alewijn met eenig recht van iets kwaads beschuldigen. - -Diefstallen kwamen onder de lijfeigenen nog al eens voor, maar werden, -bij ontdekking, zwaar gestraft. De meier wist niet beter te doen, -dan de beide knapen naar den heer te brengen, en dien te vertellen, -wat er gaande was. De edelman liet Alewijn dadelijk in de gevangenis -brengen, terwijl hij tevens beval, Hark, dien hij evenmin vertrouwde, -goed in het oog te houden. - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL. - - -Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere, -kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een -luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door -de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door -den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en -het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis -binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan, -zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen? - -De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid, -maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over -Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot, -dat hij hopeloos zich op een grooten steen liet neervallen en daar -langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten. - -Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het -verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn -makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het -ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo -plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid -niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren, -die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van -het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het -maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende -gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen -tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door -een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken. - -Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich -bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien, -maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang, -die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een -koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen, -liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den -killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien, -niets dan de donkere duisternis om hem heen. - -Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deur knarste. De man, -die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst -toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den -armen Alewijn. - -Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard -dan de meeste zijner tijdgenooten? - -Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich -aan zijn droefheid overgaf, te bespotten. - -Zijn stem was zacht, toen hij beval: "Je moet mij volgen naar den -heer." - -Maar Alewijn hoorde het niet. - -Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder -even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel. - -De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep -hij niet, wat men van hem wilde. - -Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te -gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde. - -Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft. - -Buiten gekomen, leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het -vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte -aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren. - -Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor. - -'t Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer -van den edelman doorbracht. Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon -hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen, -om den schat te behouden. - -De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman -in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen -er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te -vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan -het licht brengen. - -Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak -vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat -zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer -tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden. - -Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren. - -In den killen kelder bleef hij niet lang alleen. - -Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee -lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen -voorzien. - -Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden. - -Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet -minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem -reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één -tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn -machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de -kleeren af. - -Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag. - -Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in -kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen. - -Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel -komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een -pijnlijk verhoor. - -Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld -vandaan kwam. - -Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook -baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze -in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem -en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen. - -Bevend wachtte hij zijn vonnis af. - -De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover -hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan, -iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was. - -Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf -bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet -hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer -om te zien. - -In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij -vroeg zich herhaaldelijk af, aan welke oorzaak hij dien gelukkigen -afloop van de zaak had toe te schrijven. - -Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het -verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende -op zich zelf het ellendig leven van een slaaf? - -Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen. - -Zoo verzonk hij in een somber peinzen. - -Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste -geeselslag deed hem opschrikken. - -Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den -naakten rug en liet roode streepen achter. - -Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker, -die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen. - -Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen -neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid. - -Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo -verlaten, zoo rampzalig gevoeld. - -Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving, -alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam -het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid. - -Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen. - -Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijn krachten genoeg waren, -om dien te doen wankelen, dan weer beproefde hij aan den rand van -het luchtgat de steenen af te brokkelen. - -'t Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten -met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden. - -Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart -en barstte in woedend snikken uit. - -Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en -nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken. - -Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de -eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten, -ver van de plaats der ellende. - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -DE VLUCHT. - - -De gelegenheid tot vluchten deed zich eerder voor dan Alewijn zelf -verwachtte. - -De jongen toch wist niet beter, of hij zou geruimen tijd, misschien -wel zijn geheele leven in den vochtigen kerker moeten zuchten. - -Hoe groot was dus zijn verwondering, toen men hem eenige dagen later -kwam mededeelen, dat hij de gevangenis verlaten mocht. - -'t Was niet uit medelijden, dat de edelman hem de vrijheid schonk. - -Eigenbelang, anders niet. Vooreerst had heer Diederik overwogen, -dat er op zijn kasteel niet gestolen was. - -"Misschien," zoo dacht hij, "heeft de kwajongen zich bij de verovering -van den vijandelijken burcht van het geld meester gemaakt." - -Daar Alewijn overigens een bruikbaar krijgsman was gebleken, wilde de -ridder het dezen keer bij een geeseling laten. De toegediende straf -zou in allen gevalle wel voldoende zijn, om den lust tot stelen voor -immer te doen vergaan. - -Alewijn vond de ondervonden behandeling meer dan hard. Nauwelijks was -dan ook de kerkerdeur achter hem gesloten, nauwelijks mocht hij zich -weer in de frissche lucht en in het lieve, heldere daglicht bewegen, -of hij lette op alles, wat een gelegenheid tot vluchten kon bieden. - -Eén zaak was er, die hem tot blijven noopte. - -Dat was de zucht om zich op Hark te wreken. Die lafaard evenwel -vreesde Alewijns sterke vuist en ontweek zijn makker zooveel hij kon. - -Ook bezat Alewijn een zacht karakter. Hij vergaf spoedig en daardoor -werd die begeerte naar wraak al minder en minder. - -Het verlangen naar vrijheid echter wies aan. - -Elken dag loerde de jongen rond. Herhaaldelijk stond hij gereed om te -ontsnappen. Maar telkens kwam er iets in den weg. Nu eens riep men -hem om werk te verrichten, dan weer bevonden zich tal van arbeiders -op het veld. - -'t Was om moedeloos te worden. - -Maar Alewijn gaf de hoop niet op. Eindelijk zag hij de kans schoon. Op -een herfstmorgen werd hem bevolen, knollen te rapen op een akker, -ver van den burcht. - -Overal om hem heen was het stil, nergens bevond zich een levend wezen. - -Zulk een schoone gelegenheid kwam nooit weer. 't Ware zonde en -jammer, er geen gebruik van te maken. En Alewijn liet haar dan ook -niet voorbijgaan. - -Nog eenmaal keek hij rond, nog eenmaal overwoog hij de bezwaren, -aan een vlucht verbonden. - -Toen liep hij hard weg. - -Nu zijn besluit genomen was, maakte hij zich niet meer bezorgd over de -hinderpalen, die hij noodzakelijk moest aantreffen. Toch waren die niet -gering. Overal zou men hem dadelijk aan zijn kort geknipte haren als -lijfeigene herkennen. En de straf, die een ontvluchten slaaf wachtte, -was afschuwelijk. - -Maar Alewijn telde geen leven, dat in ellende moest worden -doorgebracht. Zonder ophouden liep hij door, zoo hard hij kon. Gelukte -het hem, de stad Utrecht te bereiken, dan zou de toekomst zich veel -beter laten aanzien. - -Elke slaaf toch, die bij haar een toevlucht zocht, was vrij, als hij -binnen een jaar niet werd opgeëischt. En het zou Alewijn niet moeilijk -vallen, door arbeid in zijn onderhoud te voorzien. - -Eindelijk had hij de landerijen van heer Diederik achter den rug. Maar -nu deden zijn beenen zich voelen. Geen wonder. Want hij had al maar -doorgeloopen, zonder zich een oogenblik rust te gunnen; had een enkele -maal de neiging tot zitten hem overvallen, dan was hij door den angst -weer sneller voortgedreven. - -Nu kon hij niet meer. Hij zocht een beschut plekje op, legde zich -neer en sliep dadelijk in. - -Lange rust werd hem echter niet gegund. - -Nog had hij slechts een paar uur geslapen, toen hij werd opgeschrikt -door een vreeselijk koud en nat gevoel. - -Het regende en niet zuinig ook; met stralen goot het water uit -den hemel. - -Op die natte plek kon hij niet blijven liggen. In een wip was hij -overeind, om naar een beter plaatsje te zoeken. Helaas, het bleek -moeilijk dit te vinden. - -De geheele omtrek was dofgrijs en de dichte regen belette het -uitzicht. Toch gaf Alewijn den moed niet op. Met rassche schreden -ging hij voort, naar alle kanten rondkijkende. - -Wel zag hij hier en daar een groepje boomen, maar die gaven al heel -weinig bescherming. - -Toen echter voor een kort oogenblik het licht doorbrak, schoot den -vluchteling een plan door het hoofd. Plotseling snelde hij op een -hoogen boom toe. Zonder zich te bedenken, sloeg hij armen en beenen -om den stam, moedig werkte hij zich omhoog, hoe lastig het ook ging, -den gladden, natten boom te beklimmen. - -Gelukkig had Alewijn dit werkje meer gedaan; al moest hij herhaaldelijk -rusten, al kwamen er oogenblikken, dat hij evenveel teruggleed, -als hij vorderde, toch bleef hij doorklimmen. - -Eindelijk had hij de onderste takken bereikt. - -Nu was het klauteren niet meer moeilijk. In minder dan geen tijd -zat Alewijn boven in den boom, zoo hoog, dat de tak, waarop hij zat, -bedenkelijk ging buigen. - -Hooger klimmen zou gevaarlijk zijn. 't Was trouwens ook niet noodig: -Alewijn was, waar hij wezen wilde. - -Wel regende het nog altijd, wel zag de omtrek donker en grijs, maar -eenigen tijd later braken de wolken. 't Werd helderder. - -Heel in het verschiet ontwaarde Alewijn de torens van een kasteel. - -Die plek moest dus zorgvuldig vermeden worden. - -De regen werd minder en hield eindelijk geheel op; de kring, die kon -overzien worden, breidde zich meer en meer uit. Daar kwam de zon voor -den dag. Vriendelijk straalde zij tusschen donkere wolken en bescheen -met een helder licht het geheele landschap. - -Nergens was een sterveling te zien; overal heerschte de diepste -stilte. Maar wat Alewijn ontdekte, gaf hem reden tot groote blijdschap. - -Daar zag hij, aan den horizon, een kronkelende, blinkende lijn op -het veld. - -Dat was de Rijn; daar liep de weg naar Utrecht. - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -AAN DEN RIJN. - - -De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch -aan de oevers der rivier uitrustte. - -Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij -gingen. - -Eindelijk stond hij op: 't was te koud om langer te blijven zitten. Het -gure weer dwong hem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken. - -Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte. - -Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel -naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond -achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand, -terwijl twee anderen ijverig in de weer waren. - -Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuig te bekijken; -nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren. - -Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet -langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water -te spartelen. - -De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip -zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten -zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven. - -Te laat. - -Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was -de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er -aan redden niet te denken viel. - -De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en -worstelde vruchteloos met de krachtige golven. - -Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles -zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn -plan gemaakt. - -Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong -hij te water. - -Dat was nog eens zwemmen! - -Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen, -herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer -liet zich niet afschrikken. - -Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij -tegen stroom en golven. - -Zoo ging hij regelrecht op het doel af. - -'t Was hoog tijd. - -Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten -uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed -zou zien verdwijnen. - -Herhaaldelijk riep hij om hulp. - -Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen -draaien: nu naderde het den oever. - -Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn, -hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de -drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na -spoelden golven over hem heen. - -Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het -en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij -hem was. - -Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden -greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te -moeten bekoopen. - -Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet -kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus, -dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven. - -Zoo dreven beiden met den stroom mede. - -Maar de hulp was nabij. - -Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn -zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem te -kunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten, -aarzelden ze niet. - -'t Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst -den ongelukkige bereiken? - -Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde -zijn pogingen; hij spande alle krachten in en--smaakte de voldoening, -zich boven te houden, tot de redding nabij was. - -Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden -allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt. - -Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep -van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch. - -De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te -brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven -en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde -niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch. - -Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende -broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde -er zich na het koude bad aangenaam warm in. - -Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf -de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: "Jongen, -ik dank je nog wel." - -Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde -ook niet, want de schipper praatte door. - -"Zonder jou lag ik nu op den bodem van de rivier. Hoe kan ik je een -bewijs van mijn dankbaarheid geven?" - -Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar -kwam niets van in. - -"Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar -bezwaar tegen?" - -Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje, -bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen? - -Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden -tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat -blijven mocht. - -"Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink -een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet -van den schrik eens goed bekomen." - -Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer -op zijn gemak. - -Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door. - -'t Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine, -slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen. - -Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu -had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche -kooplui afkomstig, aan boord. - -Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man -zijn waren met goede winst van de hand te doen. - -Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van -alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden -uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland, -Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen -te doen. - -In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk -vertier, maar op zoo'n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte -in de straten. - -En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon -levendig. - -Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens -ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat -hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen. - -De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger -in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen. - -Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde -hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel -van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel -wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden -een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij -het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen, -legde de koopman hem met een vriendelijk gebaar het zwijgen op. - -"Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig -verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet, -den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te -kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd -er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan, -ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt, -hoe je hier komt en wat je plan is." - -Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet -goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: "Als je -liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er -even goede vrienden om." - -Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem -zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste -verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij -druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig -toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een -uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei, -dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend: - -"Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in -slavernij te zuchten." - -Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn -jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het -zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen. Toen -de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte -en afscheid wilde nemen, zei de koopman: "Hoe is het? Zou je geen -lust hebben, de reis met mij te maken?" - -Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven -op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman -behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren -geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer, -in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij -als een vogel. - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -EEN ONAANGENAME ONTMOETING. - - -Nog eenige dagen bleef het schip op dezelfde plaats liggen; de koopman -behoefde geen haast te maken, daar de markt nog lang niet begonnen -was. Alewijn stond dikwijls op het dek en keek naar de voorbijgangers -op den weg, en naar de vaartuigen op de rivier. - -Op een morgen, den dag, voordat het schip vertrekken zou, zei een -der opvarenden tot zijn metgezel, die de rol van kok vervulde: -"Hoe is het, zou je het ontbijt maar niet gereed maken? - -"Ja, maar ik weet niet, of er wel veel meer te ontbijten is." - -"Kom, wat praat je nu? Niet veel meer te ontbijten, en dat schaap dan, -dat Steven twee dagen geleden gekocht heeft; dat kan nog niet op zijn." - -"Jongen, daar zeg je zoo wat; dat kon ik wel gereed maken; alleen...." - -"Nu, wat wou je zeggen?" - -"Ik heb geen hout meer. Kun jij niet even aan wal gaan, om wat -te halen?" - -"Neen, onmogelijk, ik moet het zeil wat opknappen, dat een weinig -gescheurd is. Maar loop jij zelf even." - -"Ik kan geen twee dingen te gelijk doen; ik moet het vleesch afsnijden -en schoonmaken en de potten nazien." - -"Op zoo'n manier krijgen we niets te eten." - -"Ik kan er niets aan doen; als je eten wilt, moet je er ook wat voor -over hebben." - -Alewijn hoorde het gesprek en was blij, dat hij gelegenheid had, -zijn metgezellen van nutte te zijn. - -"Wil ik even gaan?" - -"Wel ja, als je lust hebt. Wacht, dan zal ik je een mes geven. Kom -je gauw terug?" - -"Nu, dat weet ik niet. Die taaie twijgen daar aan den oever lijken me -niet heel geschikt toe, en ik moet zeggen, dat er dicht in de buurt -niet veel bosch te zien is." - -"Daar heb je gelijk in: nu, zie dan, dat je zoo gauw mogelijk wat hebt; -deze baas hier rammelt van den honger." - -Alewijn verliet het schip en ging den oever langs in de richting van -een boschje, dat hij in de verte ontdekt had. Tot zijn genoegen zag -hij, dat zich hier dun hout in overvloed bevond. Het boschje stond -ongeveer honderd schreden van den weg af. Alewijn verliet dus het pad, -stak het grasland over en was al spoedig druk aan den arbeid. Toen -hij een flinken bundel bijeen had, wilde hij terugkeeren, maar nu keek -hij rond, of er geen twijgje te zien was, geschikt om er den takkenbos -mee te binden. Toevallig zag hij op den weg twee mannen voorbijgaan. - -"Wacht," dacht Alewijn, "die hebben misschien een touwtje of zoo iets -bij zich. Ik kan het hun best even vragen." En, zonder zich langer -te bedenken, verliet hij het boschje. Toen liep hij naar den weg en -riep de mannen aan, in de hoop, dat ze even zouden blijven staan. - -Het scheen echter, of ze zoo druk in gesprek waren, dat ze van zijn -geroep niets hadden gehoord; daarom versnelde Alewijn zijn schreden, en -riep, toen hij hen op korten afstand genaderd was, voor de tweede maal. - -Beiden keken om, maar in plaats van hen om een touw te vragen, bleef -Alewijn verschrikt eenige oogenblikken staan en staarde met groote -oogen voor zich uit. - -En de beide mannen waren niet minder verbaasd dan hij: "Daar heb je -warempel den gevlogen vogel. Hoe komt hij nu hier?" - -Het waren twee mannen van heer Diederik, die Alewijn achtervolgd -hadden, maar natuurlijk vruchteloos hadden gezocht. - -"Nu mag hij ons toch niet ontsnappen," zei een van beiden, toen hij -zag, hoe Alewijn, zonder zich lang te bedenken, rechtsomkeert maakte, -en wegliep, zoo hard hij kon, dadelijk door de anderen gevolgd. - -Alewijn kon gelukkig hard loopen, en hij was al spoedig een flink -eind voor. Eerst was hij van plan, zijwaarts het veld in te vluchten, -maar hij begreep, dat dit niet het verstandigste zou zijn, daar hem -dan allerlei hindernissen in den weg konden komen. Daarom bleef hij -het pad volgen; hierdoor liep hij echter zijn ongeluk tegemoet. - -Want de mannen, die hem op de hielen zaten, waren niet alleen: -zij werden door een groot gezelschap gevolgd. En bij dit gezelschap -behoorde niemand minder dan heer Diederik zelf. De jongen merkte hen, -helaas, eerst op, toen hij op een bocht van den weg, waar een boschje -de reizigers voor zijn oog verborgen had, eensklaps voor hen stond. - -Nu was Alewijn wel gedwongen, het veld in te vluchten en hij deed -het ook dadelijk, maar 't was te laat. Hier hielp geen hard loopen aan. - -De heer, opmerkzaam geworden door het geschreeuw en Alewijn dadelijk -herkennende, beval eenigen van zijn volgelingen, eveneens aan de jacht -mee te doen. Zoo was de arme jongen spoedig ingehaald, gegrepen, en, -hoe hij zich ook verzette, bij heer Diederik gebracht. - -Het zal geen verwondering wekken, dat de edelman niet voor den -tweeden keer van plan was, den lastigen lijfeigene genadig te -behandelen. Integendeel, hij wilde korte metten maken en vroeg aan -zijn bedienden: "Wie heeft er een flink touw bij zich; dan zullen we -hem maar aan den eersten den besten boom opknoopen." - -Het was Alewijn angstig te moede; het scheen wel, of het ongeluk hem -nu altijd moest achtervolgen. Hoe dicht was hij nu niet bij zijn doel -geweest, en toch zag hij zich opeens onherroepelijk verloren. - -Want ditmaal scheen er voor hem in het geheel geen kans op, dat hij -den dans weer zou ontspringen. Reeds kwam een der mannen met een -valschen lach op het gezicht aanloopen en liet een stevig stuk touw -zien. Het meeste ergerde Alewijn zich nog, omdat die man pleizier -scheen te hebben in het ongeluk van iemand, die hem toch nooit wat -in den weg had gelegd. Maar de slavernij maakt de menschen ruw en -hardvochtig, en Alewijn had al meer dan eens kunnen opmerken, hoe die -lieden vaak in kwaad doen hun vermaak vonden. Slechts zelden was hem -vriendschap bewezen, bijna nooit had hij een hartelijken toon tusschen -de lijfeigenen vernomen. - -Zoo zou het dan met zijn leven gedaan zijn en Alewijn, die zag, dat -er toch niets aan de zaak te veranderen was, beproefde zich in zijn -ongeluk te schikken en zorgde, niets te laten merken van wat er in -hem omging. - -Toch liep het ook dezen keer nog goed voor hem af, want, toen heer -Diederik, rondkijkende, een fermen boom scheen uit te zoeken, die -sterk genoeg was, om een weggeloopen lijfeigene aan op te hangen, -sprak een ridder, die naast hem reed: "Zeg eens, waarde zwager, -zou je daar nog niet wat mee wachten?" - -Alewijn voelde een flauwe hoop in zich opleven, maar hij verwaardigde -zich niet, den spreker een dankbaren blik toe te werpen, want hij wist -heel goed, dat de ridder niet uit medelijden gesproken had. Het zou -spoedig blijken, dat hij goed gezien had. Toen heer Diederik vroeg: -"Waarom?" antwoordde de edelman: "Neem hem liever mee, dan kan je hem -op het kasteel op je gemak een geduchte straf toedienen en zoodoende -een waarschuwend voorbeeld stellen aan allen, die soortgelijke kuren -in hun hoofd mochten hebben." - -Heer Diederik dacht even na. Hoe onverschillig Alewijn ook voor zich -zag, toch voelde hij zijn hart kloppen: zoo lang hij nog leefde, -had hij hoop, te kunnen ontvluchten, op het oogenblik echter, dat de -heer hem zonder complimenten liet ophangen, was het natuurlijk voor -goed uit. Lang heerschte er een pijnlijk zwijgen. - -Weer wendde de edelman zich tot zijn zwager: "Dat is nu toch al de -derde keer dit jaar." - -"Zooveel te meer reden, om een flink voorbeeld te stellen." - -"En wat het vervelendste is: als ze ontsnapt zijn, zie je ze later -soms in Utrecht vrij rondloopen. Dat moest noodig veranderd worden." - -"Doe er maar eens wat aan." - -"Ik ben toch blij, dat we dezen snuiter te pakken hebben gekregen; -hij was zoo vriendelijk, ons recht tegen het lijf te loopen. Het leek -mij eerst nog al een kalme jongen toe." - -"Dat soort is dus het minst te vertrouwen. Maar om op de straf terug -te komen, ik geloof stellig, dat het hoogstnoodzakelijk is, een goed -voorbeeld te stellen." - -"Het kan zijn, dat je gelijk hebt. Als hij me onderweg maar niet -ontsnapt." - -"Zoo je hem goed laat bewaken, zal hij dit wel laten." - -Alewijn was dus vooreerst van den dood gered, maar dit diende slechts -om hem later gruwelijker straf te bezorgen. - -Toch was hij blij met dezen afloop, want hij gaf de hoop niet op, -dat een gelukkig toeval hem redden zou. Hij nam zich tenminste alvast -voor, naar alle kanten goed uit te kijken en van de eerste de beste -goede gelegenheid gebruik te maken. - -Het gezelschap zette de reis voort. Alewijn liep, geboeid en wel, -tusschen twee welgewapende mannen in, die in last hadden, den gevangene -goed te bewaken en hem bij de minste poging tot ontvluchten dood te -slaan. Deze bedreiging was voldoende, om Alewijn rustig voort te doen -stappen. Hij keek bedaard voor zich uit, maar wierp, toen men op de -plaats gekomen was, waar het schip lag, tersluiks een blik zijwaarts. - -Toen Alewijn zoo lang wegbleef, keken de opvarenden naar hem uit. Maar -nergens was een spoor van den jongen te ontdekken. - -De koopman had er toch allerminst vermoeden van, dat zijn jonge vriend -meeging met den troep reizigers, die daar den weg naar Utrecht volgden. - -Eindelijk kon men niet langer wachten. Het schip moest vertrekken -en in de hoop, dat men den verloren zwerveling in Utrecht weer zou -ontmoeten, zeilde de schipper de rivier verder af. - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -ONVERWACHTE UITREDDING. - - -'t Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui -en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen -vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen -te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis -getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen. - -De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in -Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond -zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere -stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af, -dat een kooper hem zou naderen. - -Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik -van het gewoel, maar tegelijk goed uitziende, of Alewijn zich ook -onder de menschenmassa mocht bevinden. - -De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den -redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de -gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen. - -Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn -aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den -deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had -moeten binnentreden. - -Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg -vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan, -Alewijn onder dat gezelschap te zoeken. - -Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen -wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen -belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met -gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling -behoorde. - -Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen. - -Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich -voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd. - -Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken. - -In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten -armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel -was. - -Ook 's ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar -beiden waren het er over eens, dat zoo'n kostbaar stuk buitengewoon -veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen -hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer -veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen. - -De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai -bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl -hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan, -ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op -had doen springen. Daar stond Alewijn! - -Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel -spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als -hij was, even gauw een besluit genomen. - -Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was -zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk -te beloonen. - -Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder -eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg, -antwoordde hij: "Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste, -dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook, -kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie -slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid -alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn." - -Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid -geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik -kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden; -eindelijk keek hij den koopman vragend aan: - -"En de prijs?" - -De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht -de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon -verwachten. - -"Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig, -om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een -van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den -uwen noemen." - -Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige -oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of -hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand -niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de -handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen -toon zijn eisch. - -Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan -eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou -zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen -prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men -behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de -echtheid van deze fijne stof te herkennen. - -"Maar man," riep de edelman eindelijk uit, "meen je, wat je zegt?" - -"Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me -hooge ernst." - -"Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je, -dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat, -ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb." - -Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de -koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op -een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak: -"Dank u, ik zoek liever zelf." - -Nog eens zeide hij ernstig: "Gij geeft mij immers verlof te kiezen?" - -"Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig." - -"Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met -u voert." - -Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet -minder zijn ergernis: "Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je -verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene." - -De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij -maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder -naar het kleed was, sprak hij bedaard: "We zijn het dus niet eens, -welnu, dan gaat de koop niet door." - -"Waarom vraag je niet een flinke som geld?" - -"Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is," antwoordde de handelaar -wel beleefd, maar toch zoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde -aan te dringen. - -Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel -blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen. - -Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van -een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen. - -Wat moest hij doen? - -Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich -met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk -gaf, wond den edelman op. - -"Spreek," riep heer Diederik ruw, "wat moet je voor den mantel -hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar...." - -"Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb," was het eenvoudige antwoord. - -Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar -nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren. - -Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de -verzoeking te sterk. - -"Vooruit dan maar," riep hij plotseling, tot groote verbazing van -de omstanders. - -Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving -den mantel. - -Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak -hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen -Alewijn zich bukte, om ze te kussen. - -Maar de handelaar glimlachte en sprak: "Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu -ben je vrij, voor altijd." - -De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader -en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte, -maar dat behoefde ook niet. - -Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders -op te zoeken. - -Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam -de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land -verkocht was. - -Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel -ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde -hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor -Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden -der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid. - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - - HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING 5 - VERKOCHT 16 - NIEUWE KENNISSEN 25 - DE BELEGERING 39 - DE KAT 48 - EEN GEVANGENE 59 - DE UITVAL 67 - OP WACHT 74 - DE OUDE WENA, 81 - ALEWIJNS RIJKDOM 89 - HET TIENDMAAL 97 - DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL 109 - DE VLUCHT 116 - AAN DEN RIJN 121 - EEN ONAANGENAME ONTMOETING 129 - ONVERWACHTE UITREDDING 136 - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Alewijn, de Lijfeigene, by E. Molt - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALEWIJN, DE LIJFEIGENE *** - -***** This file should be named 52315-8.txt or 52315-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/3/1/52315/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
