summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/52315-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/52315-8.txt')
-rw-r--r--old/52315-8.txt4386
1 files changed, 0 insertions, 4386 deletions
diff --git a/old/52315-8.txt b/old/52315-8.txt
deleted file mode 100644
index 439e0c8..0000000
--- a/old/52315-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4386 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Alewijn, de Lijfeigene, by E. Molt
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Alewijn, de Lijfeigene
- Historisch verhaal uit de 12e eeuw
-
-Author: E. Molt
-
-Illustrator: B. W. Wierink
-
-Release Date: June 12, 2016 [EBook #52315]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALEWIJN, DE LIJFEIGENE ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- ALEWIJN, DE LIJFEIGENE
- HISTORISCH VERHAAL UIT DE 12e EEUW
-
- DOOR
- E. MOLT.
-
- GEÏLLUSTREERD DOOR B. W. WIERINK.
-
-
- DERDE DRUK.
-
- AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING.
-
-
-
-Toen Redbold gelukkig en wel van den kruistocht bij vrouw en kind was
-teruggekeerd, kocht hij zich voor het overgespaarde geld een lapje
-grond, niet ver van de abdij gelegen. 't Was een vruchtbaar plekje
-en leverde meer op dan noodig was om van te leven.
-
-Geruimen tijd gingen de zaken dan ook heel goed. Door zuinigheid en
-ijver wisten de eenvoudige menschen hun bezittingen langzaam maar
-zeker te vermeerderen.
-
-Had het zoo maar mogen blijven! Helaas, hoe krachtig en ijverig
-Redbold ook was, hoe trouw hij door zijn goede Marijke en door zijn
-jongen in den zwaren veldarbeid werd bijgestaan, toch was de man niet
-in staat, de zijnen bij voortduring gelukkig te maken. Redbold bezat
-een treurige eigenschap, een eigenschap, die jammer en ellende zou
-brengen in de hut, waar zooveel kalme vreugde kon heerschen.
-
-Redbold was een speler.
-
-Op den kruistocht had hij meermalen opgemerkt, hoe enkelen van zijn
-krijgsmakkers soms groote sommen door het spel hadden gewonnen.
-
-Een enkelen keer had hij zelf meegedaan, maar altijd slechts weinig
-geld gewaagd.
-
-Toen nu echter de vooruitgang naar zijn zin niet snel genoeg ging,
-beproefde hij opnieuw zijn geluk. En dit bracht hem ten gronde.
-
-Want de fortuin was hem zeer ongunstig, en eindelijk verminderden
-zijn bezittingen zoo bedenkelijk, dat hij land van de abdij in pacht
-moest nemen.
-
-Nog was het tijd om tot inkeer te komen, nog kon alles weer hersteld
-worden. Maar neen, de speelzucht zat er bij Redbold te sterk in. Hij
-bleek ongeneeslijk. Niets was in staat, hem op den goeden weg terug
-te brengen, zelfs de smeekingen van zijn lieve vrouw niet.
-
-Al meer en meer gingen de zaken achteruit, en toen Redbold eindelijk
-niet bij machte bleek, zijn pacht te voldoen, moesten hij en de zijnen
-daarvoor met hun vrijheid boeten. En nu gebeurde, wat de meier der
-abdij al zoo vaak voorspeld had: Redbold met vrouw en zoon werden de
-lijfeigenen van den abt. Wel waren ze hierdoor voor gebrek bewaard,
-maar hun vrijheid hadden ze verloren. Ze moesten den arbeid verrichten,
-dien de abt hun oplei. Ze waren geheel afhankelijk van hen, die door
-den geestelijken heer waren aangewezen om op de onderhoorigen het
-toezicht te houden. Voor Alewijn was nu de tijd voorbij, dat hij doen
-mocht, wat hij wilde. Weldra liet de abt den knaap bij zich komen,
-om hem te vertellen, dat hij spoedig geregeld werk zou krijgen.
-
-De abdij bestond uit een groote menigte houten en steenen gebouwen,
-alle om een kerk geschaard, het geheel door een gracht en een muur
-omgeven. De landerijen, die er toe behoorden, strekten zich naar alle
-zijden zeer ver uit; tal van knechts waren er aan den arbeid. Ook
-Alewijn verwachtte, dat hij weldra op het veld aan het werk gezet
-zou worden.
-
-Dit viel echter mee. Men droeg hem vooreerst nog niets bepaalds
-op. Zoo nu en dan moest hij Diedaart, den verzorger der hoenders,
-behulpzaam zijn.
-
-Diedaart, een kort, vlug kereltje, verbeeldde zich heel wat te wezen,
-zeker, omdat hij in rang boven den haan stond, die al een groot
-gezag over zijn omgeving had. Alewijn kreeg het heel gemakkelijk;
-zwaren arbeid behoefde hij niet te verrichten. Al het werk bepaalde
-zich tot het doen van boodschappen, terwijl hij den overigen tijd bij
-Diedaart op een bank mocht zitten, om naar diens verhalen te luisteren.
-
-Zoolang men Diedaart niet in het vaarwater kwam, was hij de beste man
-van de wereld, maar men moest dan ook alles goedvinden en prijzen,
-wat hij deed. Bovendien wilde hij niet graag op de vingers gezien
-worden. Alewijn, die dikwijls op de abdij was geweest om eieren
-te verkoopen, kende den pluimverzorger heel goed, en, daar hij een
-bescheiden jongen was, bestond er alle reden om te verwachten, dat
-hij het met zijn kort meestertje best zou kunnen vinden.
-
-De eerste dagen ging het ook heel goed; Diedaart was zeer met den knaap
-ingenomen; zelfs begon Alewijn zich reeds in zijn lot te schikken,
-toen er iets voorviel, dat een geheele verandering in zijn leven
-veroorzaakte.
-
-Op een morgen riep Diedaart den jongen bij zich.
-
-"Komaan, kereltje"--de man was wel een hoofd kleiner dan Alewijn--"pluk
-jij me dat kipje even. 't Is voor den abt bestemd. Een vet beestje,
-he? Nu, wat zeg je er van?"
-
-Alewijn wist er niets anders van te zeggen, dan dat ook hij een en
-al bewondering was over de vetheid van het hoen.
-
-"Ja, daar heb ik goed den slag van. Ze mogen zeggen, wat ze willen,
-maar sedert Diedaart voor de hoenders zorgt, gaat het er in het
-kippenhok veel beter uitzien. Weet je, wat de zaak is? Ik ken zoo
-de rechte manier, hoe de beestjes gevoederd moeten worden. Daar komt
-het op aan. Je moet weten, wat een dier toekomt. De meesten hebben er
-heelemaal geen verstand van. Dat voedert de kippen alleen, enkel en
-alleen met gerst! Denk eens aan, alleen met gerst. Zou jij je maal
-graag alleen met brood doen? Ik niet. Ik heb er liefst wat drinken
-bij. Zoo gaat het een hoentje ook. Kijk, ik meng het voeder altijd
-met een flinken scheut bier aan. Nu mogen ze er over klagen, dat ik
-zooveel bier gebruik, daar lach ik wat om. Mijn beestjes worden dik
-en vet, de abt is tevreden, wat wil je nog meer.
-
-"Zie je die witte daar? Die heeft de kou te pakken gekregen, maar nu
-zal ik je toch eens laten zien, hoe gauw ik ze weet op te knappen. Als
-je straks de kip geplukt hebt, wil je zeker wel even voor me de
-poort uitgaan?"
-
-Zoo babbelde de man door, nog drukker dan zijn gevleugeld volkje,
-dat al maar klokkend en kakelend en pikkend door elkander liep.
-
-"Ja, ja, de abt heeft een heelen steun aan mij, al zeg ik het zelf."
-
-Intusschen zat Alewijn ijverig te plukken, een werkje, dat hij meer
-gedaan had en dat hem dus nog al vlug van de hand ging. En toen hij
-klaar was, droeg Diedaart hem op, even naar buiten te gaan en wat
-schors van een esch te halen.
-
-"Wel, mijn jongen, je kijkt daar vreemd van op. Je denkt zeker:
-"Wat wil hij daar nu mee uitvoeren?" Ik zal je dat zeggen. Als de
-kippetjes verkouden zijn, is er geen beter geneesmiddel te bedenken
-dan aftreksel van esschenschors; wat ze ook hebben verkoudheid, pip,
-of zinking, je geneest ze er dadelijk mee. Nog sterker, laatst had ik
-een kip, die al te gulzig was geweest en een grooten kikker ineens
-had willen doorslikken. 't Beest zou stikken; ik geloofde vast, dat
-het er nooit meer van kon opkomen. 't Ware jammer genoeg geweest,
-want het dier begon juist zoo mooi vet te worden. Maar komaan dacht
-ik, we kunnen altijd nog eens iets probeeren. Wat doe ik? Ik trek de
-kip den bek open. Kijk, zoo!"
-
-De man nam een hoentje op, dat natuurlijk geweldig tegenspartelde en
-sperde het den bek wijd open.
-
-"Ik trok het den kikker uit de keel. Maar nog bleef het dier voor dood
-liggen. Nu goot ik het voorzichtig wat aftreksel van esschenschors in
-den bek; dat had ik toen juist bij de hand, omdat er zooveel hoenders
-verkouden waren en wat zag ik? Een klein poosje later liep de zieke
-even gezond en monter rond, alsof er niets gebeurd was, ja, het leek
-me toe, of het nog nooit zoo tierig was geweest.
-
-"Ha, je bent klaar, zie ik. Wacht, laat het even aan den kok zien,
-met de complimenten van mij, en vraag, of het niet een heerlijk
-beestje is. En zeg dan meteen, dat het bier op is."
-
-Alewijn vertrok en kwam na eenig zoeken in de keuken, waar een dikke
-monnik ijverig bezig was. "Zoo kereltje, wat moet jij hier? O, kom
-je van Diedaart? Dat is goed."
-
-"Diedaart vraagt, of hij niet wat bier kan krijgen."
-
-"Wat zeg je? Bier? Bier, mijn beste jongen? En gisteren heeft hij
-nog een heele kruik gehad. Wat doet hij er toch mee?"
-
-Alewijn antwoordde, dat bier zoo goed voor de kippen scheen te zijn.
-
-"Zoo. Nu, ik kan niet anders zeggen, of dit is een mooi kluifje. Wel
-wel, komt het van het bier? Neem die kruik dan maar mee, als je maar
-oppast, dat je er niet van snoept, want dan kon je wel eens even vet
-worden als de kippen en dat zou je dadelijk verraden."
-
-Alewijn bracht dus de kruik bier naar den pluimverzorger, die het
-weltevreden aannam en hem nu opdroeg, wat esschenschors te halen. De
-jongen talmde niet en ging dadelijk heen; onderweg bedacht hij echter,
-dat een mes hem goed te pas zou komen. Daarom keerde hij nog eventjes
-terug. Maar wat zag hij daar, toen hij het hoenderhok binnentrad? Iets,
-dat hem ten hoogste verwonderde, maar waardoor hem tevens een licht
-opging. Nu begreep hij, waarom Diedaart elken dag een kruik bier
-noodig had.
-
-Op hetzelfde oogenblik toch, dat Alewijn binnen kwam, nam de goede
-man de laatste teug uit de kruik. Het spreekt vanzelf, dat hij heel
-raar op zijn neus keek, toen hij zich zoo verrast zag en in het eerste
-oogenblik niet wist, wat hij zeggen moest. Spoedig echter herstelde
-de snoepachtige hoenderverzorger zich en poogde hij zijn toestand
-te verklaren door te zeggen: "Ja, zie je, ik proef het bier altijd
-eerst zelf, vóór ik het den hoenders geef. Je weet nooit, wat bocht
-men je in de handen duwt."
-
-Nu moest Alewijn toch hartelijk lachen, want pas had Diedaart dit
-gezegd, of hem viel de kruik uit de handen, en nu bleek, dat er geen
-druppel meer in was. De eerlijke pluimverzorger was bezig geweest,
-niet de hoenders, maar zich zelf vet te maken, en, dit moet men zeggen,
-hij deed het niet ten halve. Zijn buikje begon den laatsten tijd dan
-ook al aardig rond te worden.
-
-Diedaart was eerst verlegen geweest, toen hij zich betrapt zag. Toen
-hij echter meende op te merken, dat Alewijn hem uitlachte, werd hij
-boos. Hij beroemde zich altijd op zijn trouw en eerlijkheid, en het
-beviel hem dus in het geheel niet, dat iemand zijn snoeplust had
-ontdekt. Het ernstige van het geval was, dat de onschuldige Alewijn
-hiervoor moest boeten.
-
-"Zeg eens, wat moet je hier? Maak, dat je weg komt en doe, wat ik
-gezegd heb," klonk het kortaf.
-
-Alewijn keek zeer vreemd op van den onvriendelijken toon, daar hij
-juist het tegendeel verwacht had. Hij antwoordde: "Ik had nog vergeten,
-een mes mee te nemen."
-
-"Had daar dan maar dadelijk om gedacht. Kom, waar wacht je nog op?"
-
-"Ik moet toch een mes hebben."
-
-"En hoefde je daarvoor nu terug te komen? Had je onderweg aan een
-van de lui niet een mes te leen kunnen vragen? Vooruit, neem mee en
-ruk uit. Laat ik je vooreerst niet weer zien."
-
-Alewijn deed, wat hem bevolen was, en Diedaart bleef alleen, in
-een zeer ontevreden stemming. Wat was hij boos! Geen wonder! Langen
-tijd had hij ongestoord kunnen genieten van het bier, dat voor zijn
-kippetjes bestemd was; altijd had ieder hem voor een eerlijk man
-gehouden, en nu was hij opeens betrapt door zoo'n kwajongen. Hij
-vreesde, dat Alewijn het vertellen zou, maar nog meer was hij er
-woedend om, dat hij het bierdrinken voortaan zou moeten laten. Een
-oogenblik dacht hij er aan, den buit met Alewijn te deelen, maar
-even spoedig verwierp hij dit plan weer. Neen, hij moest iets beters
-bedenken. En ten laatste besloot hij een middel te verzinnen, om den
-jongen kwijt te raken.
-
-Dit middel deed zich eerder voor, dan hij verwacht had. Want, toen
-Diedaart den volgenden dag den abt ontmoette, hield deze hem staande
-en sprak: "Wel, goede Diedaart, je hebt mij daar gisteren een lekker
-kluifje bezorgd."
-
-Diedaarts gezicht glom van voldoening toen hij zoo geprezen werd.
-
-"O ja," vervolgde de abt, "dat moest ik je nog eens vragen, hoe gaat
-het met dien jongen, och, hoe heet hij ook weer?"
-
-"Alewijn, bedoelt u?"
-
-"Juist, Alewijn."
-
-Plotseling kreeg de pluimverzorger een plan in zijn hoofd. Daar had
-hij een gemakkelijk middel, om zich den lastigen jongen van den hals
-te schuiven. Hij trok een paar rimpels in zijn voorhoofd en zette
-een bedenkelijk gezicht.
-
-"Wat zal ik u zeggen? 't Gaat nog al, maar ik geloof niet, dat een
-gemakkelijk leven, zooals hij bij me heeft, goed voor hem is."
-
-"Wat lui misschien?"
-
-"Lui, lui? Ik weet dat nog zoo niet, maar ik vertrouw wel, dat het
-beter voor hem zou zijn, als hij flink aan het werk gezet werd. Ook
-lijkt hij mij nogal weerspannig toe."
-
-De abt was een goed man, maar hij hield van strenge
-tucht. Weerspannigheid werd door hem altijd zwaar gestraft. Daar
-kwam in dit geval bij, dat hij van Diedaart, die zijn tafel zoo goed
-verzorgde, nog al hield en er niet aan dacht, hem te wantrouwen.
-
-Hij zette dus bij dit ongunstige oordeel over den armen Alewijn een
-zeer ernstig gezicht, en sprak: "He, dat had ik niet achter den jongen
-gezocht. Het leek mij eerst een bedaarde, bescheiden knaap toe. We
-moeten hem dan maar flink aanpakken. Weet je wat, ik zal hem eens
-bij me laten komen."
-
-Dit was het juist, wat Diedaart graag wilde hebben, want hij vermoedde
-wel, dat Alewijn zich zou pogen te verdedigen en dat hij hierdoor juist
-een verkeerden indruk op den abt moest maken. En zoo gebeurde ook. De
-jongen voelde zich niet weinig beklemd, toen hij bij den deftigen
-man in de spreekkamer moest komen, en hier werd zijn verlegenheid
-nog grooter.
-
-"Wat hoor ik van je, vrind, je bent niet heel vlijtig, he? Dat valt
-me niet mee".
-
-"Wat?" vroeg Alewijn ten hoogste verwonderd en niet minder
-verontwaardigd, want hij had nog niet geleerd, onderdanig te wezen,
-"wie zegt dat?"
-
-"Je toon is tamelijk brutaal. Wie het zegt? Dat behoef ik je gelukkig
-niet te verzwijgen. Diedaart de pluimverzorger heeft zich ernstig
-over je te beklagen."
-
-"Och, wat verbeeldt hij zich wel? Laat hij liever naar zich zelf
-kijken."
-
-"Hoor eens, eerst wou ik het niet gelooven, maar nu zie ik het toch
-zelf, dat je brutaal bent en weerspannig bovendien. Neen, neen, je
-behoeft mij niets meer te vertellen. Ik ken zulke praatjes. Maar ik
-wil je eens voor al zeggen, dat de toon, dien jij aanslaat, volstrekt
-niet past. Foei, Diedaart is een ernstig en degelijk man. Hoor eens,
-mijn jongen, je bent nog jong en daarom zal ik je genadig behandelen,
-maar laat het voor altijd een goede les zijn. In 't vervolg behoef
-je niet meer in het hoenderhok te komen; ik zal je op den akker aan
-het werk zetten. Hoor ik na verloop van tijd goeds van je, nu, dan
-zullen we nog eens zien, maar anders, pas op!"
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-VERKOCHT.
-
-
-Twee dagen later stond Alewijn reeds op den akker te arbeiden. Hij
-was een krachtige, breede knaap, maar het kostte hem niet weinig
-moeite, den ploeg, dien de ossen trokken, in het rechte spoor te
-houden. Daar hij geen suffer was, poogde hij zich zoo goed mogelijk in
-zijn rampzaligen toestand te schikken en de ellende te vergeten. En
-hoe kon dat beter dan door hard te werken? Werken kon hij. Het was
-een lust, hem te zien; stellig zou het niet lang behoeven te duren,
-of hij kwam in de gunst van den abt, als--de meier geen vriend van
-Diedaart den pluimverzorger was geweest.
-
-"Je moet dien knaap in het oog houden," had de laatste gezegd.
-
-"Ha, ha, is het er zoo eentje; nu, we zullen hem wel klein krijgen. Hij
-werkt anders nog al flink."
-
-"Zeker, maar ik zeg je, hij heeft streken; dat heb ik al heel gauw
-opgemerkt. Anders mocht hij wel bij me blijven."
-
-"Nu, ik verzeker je, dat hij niet veel meer zal hebben in te brengen."
-
-De meier begon dus reeds met den armen Alewijn te wantrouwen en dat
-was voor den knaap heel ongelukkig. Want hoe gaat het in de wereld,
-als de menschen het al vooruit op iemand niet begrepen hebben? Dan kan
-hij zich niet eventjes vergissen, of het is mis. En zoo ging het hier
-ook. De meier had geen oog voor den ijver, waarmee Alewijn arbeidde,
-maar op fouten, wezenlijke of schijnbare, lette hij wel. Rustte de
-jongen even, dan meende de man, dat hij wilde luieren; praatte hij
-met een ander, de meier dacht, dat ze elkander opstookten. Dan kwam
-hij met een barsch gezicht naderbij en bestrafte den jongen, die zich
-natuurlijk niet onrechtvaardig liet behandelen, en, openhartig als
-hij was, een flink antwoord terug gaf.
-
-Zoo hoorde de abt ook van den meier niet veel goeds van Alewijn en
-werd hij versterkt in de meening, dat het een lastige, weerspannige
-jongen was.
-
-Op een morgen was Alewijn bezig, de ossen voor den ploeg te
-spannen. Hij stond dicht bij een breeden weg, die naar de abdij
-leidde. Plotseling zag hij bij een hoek van achter een boschje een heel
-gezelschap ruiters naderen. 't Waren een paar edelen met hun gevolg,
-die blijkbaar het plan hadden, den abt een bezoek te brengen. Een der
-ridders was een groote breede man, in volle wapenrusting: een malierok,
-nauwsluitende hoozen met ringen en een helm op het hoofd. Trotsch
-zat hij in het zadel en liet zijn blik gaan over de landerijen aan
-weerszijden van den weg, terwijl hij nu en dan het woord richtte
-tot zijn metgezel of antwoordde op de opmerkingen, die deze hem
-deed. Plotseling kreeg de ridder Alewijn in het oog. Hij scheen wat
-bijzonders aan hem te zien, want hij bekeek den knaap met buitengewone
-aandacht. Alewijn voelde het en werd er verlegen van; hij wist niet,
-wat hij doen moest. Ja, de ridder had het bepaald over hem, toen hij
-weer eenige woorden sprak tot den ruiter naast hem. Wat hij zei, werd
-Alewijn natuurlijk niet gewaar, maar hij zou het weldra ondervinden.
-
-Alewijn ving met ploegen aan en de ruiters zetten bedaard hun tocht
-voort, totdat ze bij de abdij kwamen, waar men zeer vereerd was met het
-deftig bezoek en waar de reizigers dan ook gastvrij werden ontvangen.
-
-Waarom de edelman Alewijn zoo opmerkzaam had aangekeken? We zullen
-het spoedig zien. Want nog had hij niet lang bij den abt gezeten,
-of hij sprak: "Eerwaarde, ik zag zooeven op uw akker een opgeschoten
-knaap van een jaar of zestien. Ik zou zoo'n snuiter uitstekend kunnen
-gebruiken; hadt u geen lust, hem mij over te doen?"
-
-"Nu, dan dien ik toch eerst te weten, over wien u het hebt. Wacht,
-misschien kan broeder Lulof mij helpen."
-
-Lulof werd geroepen en moest met een der mannen van den ridder
-meegaan om te onderzoeken, wie de kooplust van den edelman had gaande
-gemaakt. Al spoedig kwam de man weer terug en deelde hij den abt mee,
-dat het niemand anders dan Alewijn kon zijn.
-
-"Alewijn, Alewijn," dacht de abt, "van dien lummel heb ik tot
-nu toe niet veel goeds gehoord; ook de meier is slecht over hem
-tevreden. Zulke bedienden kan ik missen. Al wou hij hem haast voor
-niets hebben, ik stond hem graag af."
-
-Maar de abt, die zeer bijdehand was, liet niets merken van hetgeen
-er in hem omging en richtte dus het woord tot den edelman: "Ik moet
-u eerlijk bekennen, dat ik werklui genoeg heb en dus een enkelen van
-hen wel wil afstaan, vooral wanneer ik u daar een pleizier mee doe,
-maar, deze knaap.... een van mijn flinkste ploegers...."
-
-"Nu, ik zal hem goed betalen."
-
-"Dat spreekt vanzelf," hernam de abt glimlachend, "als dat ook niet
-zoo was, wou ik hem doodeenvoudig niet missen. Hoeveel dacht u voor
-hem te geven?"
-
-"Als ik eens zei: Twee prachtige rijpaarden."
-
-Dit was een zeer hoog bod, zooals nooit voor een lijfeigene gedaan
-werd, maar de ridder, die een krijgshaftigen aard had en graag een
-troep flinkgebouwde strijders om zich heen zag, stond er nu eenmaal
-op, Alewijn te koopen. Inmiddels gaf hij hiermede het bewijs, dat hij
-niet voor koopman in de wieg was gelegd. Hij liet zich op deze wijze
-geheel in de kaart kijken en dit was zeer dom, vooral tegenover een
-slimmerd als de abt, die zijn oogen een weinig toekneep, het voorhoofd
-wat fronste en sprak: "Laten we er maar niet meer over praten." Hij
-deed, alsof hij van den geheelen handel niets meer weten wilde.
-
-Hierdoor wekte hij nog meer de begeerte van den edelman, die hem zoo
-gauw niet losliet en zei: "Maar heer abt, twee paarden, wordt er ooit
-zooveel voor een arbeider gegeven?"
-
-"'t Kan zijn, ik wil er den jongen eenvoudig niet voor missen."
-
-"Maar hoeveel vraagt u dan wel?"
-
-"Nu, als u hem volstrekt hebben wilt, leg er dan nog twee koeien bij
-en u kunt den knaap onmiddellijk meenemen; maar voor minder doe ik
-hem niet van de hand."
-
-De ridder gaf teekenen van verbazing over zulk een ongehoorden eisch;
-maar de abt was er zeker van, dat de edelman ten laatste zou toeslaan,
-en bleef dus onverzettelijk. De uitkomst bewees, dat hij juist had
-gezien, ja, per slot van rekening was de ander nog blij, dat hij den
-jongen had kunnen krijgen, al beklaagde hij zich ook herhaaldelijk
-over den duren koop.
-
-Zoo was Alewijn dan verkocht, maar hij wist er zelf nog niets van; ook
-'s avonds, toen hij naar huis ging, had hij het nog niet vernomen. Hij
-was den edelman dan ook al weer vergeten en dacht aan geheel andere
-dingen. Hij peinsde er over, wat de toekomst hem brengen zou. Overdag,
-bij den drukken arbeid, vergat hij het eenigszins, welk een ellendige
-toestand de slavernij toch was, maar 's avonds, bij het naar huis
-gaan, kreeg de arme jongen vaak droevige gedachten. De aanblik van
-zijn moeder, die, meer gebogen dan ooit, met somberen blik lusteloos
-haar werk deed of droef peinzend op een bank zat, maakte hem ook
-neerslachtig.
-
-"Zou daar nu niets aan te doen zijn?" dacht hij, "zou de gelegenheid
-zich nooit voordoen, mij weer vrij te maken?" Als hij door hard
-werken, door zuinig sparen eens zooveel verdiende, dat hij zich en
-zijn ouders vrij kon koopen? En dan sprak hij er met zijn moeder over,
-om haar te troosten.
-
-"Och, mijn jongen, eer het zoover is, ben ik al lang dood."
-
-"Kom, moeder, zeg dat niet; dat beneemt mij den moed en ik geloof
-juist, dat alles nog wel terecht kan komen."
-
-"Ik weet niet."
-
-"Maar zou het dan niet doenlijk zijn, zooveel over te verdienen,
-dat we ons weer vrij kunnen koopen?"
-
-"O, 't is zoo moeilijk. Och, jongen, als je ondervonden had, wat ik
-heb geleden."
-
-"Wel, moeder, dat is toch voorbij; ik zie er nog wel licht in."
-
-En als Alewijn zoo sprak, begon de arme vrouw in het laatst wat
-opgeruimder te worden; ze zag haar jongen met een liefdevollen blik
-aan; neen, alle hoop wilde ze hem niet benemen. Ze was overtuigd,
-dat de toekomst zich donker liet aanzien, maar toch, ja, ze moest ook
-erkennen, dat het meer gezien was, dat lijfeigenen door zuinigheid
-en vlijt hun vrijheid hadden weten te verwerven, vooral, als de heer
-een zacht en eerlijk man was.
-
-Moeder en zoon zwegen; het gesprek had hen in wat opgeruimder stemming
-gebracht; beiden droomden van blijder dagen.
-
-Daar trad de meier binnen, dezelfde, die haar het verlies der vrijheid
-had aangekondigd. Opeens herinnerde Marijke zich, dat die man haar
-de boodschap had gebracht van het grootste jammer, dat haar was
-overkomen. En ze huiverde bij de gedachte daaraan. Zoodra ze den
-meier zag, stond haar ongelukkige toestand in al zijn ellende haar
-weer voor den geest. Wat voerde hem nu weer hierheen? Kwam hij weer
-een jammerboodschap brengen? Kon het misschien nog ongelukkiger?
-
-Ja, het kon nog ongelukkiger. Maar van de tijding, die de meier
-nu meebracht, had de arme Marijke in de verste verte niet kunnen
-droomen. Het was, of de man het begreep, en of hij er tegen op zag,
-dat hij het leed nog kwam vergrooten. Geruimen tijd bleef hij staan
-zonder te spreken, als verwachtte hij, dat Marijke beginnen zou. De
-vrouw keek hem droefvragend aan; ze las het op zijn gezicht, dat
-hij aarzelde, dat hij haast niet voor den dag durfde te komen met
-hetgeen hij had mee te deelen. Dit sloeg haar geheel ter neer; was
-er dan weer iets gebeurd? Kon het dan wezenlijk nog erger? Welnu,
-ze was op alles voorbereid.
-
-De meier zocht naar zijn woorden. 't Was een ruwe man, maar ook de
-ruwste is niet geheel van gevoel ontbloot en hij begreep maar al te
-goed, dat het ergste leed voor een moeder is, haar kind te verliezen.
-
-Haar kind te verliezen; nog vermoedde Marijke in het geheel niet,
-wat verschrikkelijk lot haar boven het hoofd hing.
-
-"'t Zal misschien niet heel aangenaam zijn, wat ik je heb te
-vertellen...."
-
-Daar had je het dus. Weer een jobstijding. En bitter viel de vrouw uit:
-"Hoe, is het dan nog niet genoeg? Heb ik te weinig geleden? Moet
-er nog meer ellende over mijn huis worden gebracht? Voor den dag
-er dan mee. Ik kan alles verdragen. Je behoeft er niet om heen
-te draaien. Maar ik begrijp waarlijk niet, wat er nog van mij te
-halen is."
-
-Marijke zag om zich heen, maar begreep er niets van. Hoe zou ze ook? De
-meier werd diep getroffen door den angst, die uit haar verweerde
-trekken sprak en aarzelde nog altijd, het noodlottige woord uit
-te spreken.
-
-"Maar zeg dan toch, man, wat je hebt."
-
-Nu moest het er wel uit. Vreeselijk was de uitwerking; de meier mocht
-de zachtste woorden uitkiezen, die hij vinden kon, het hielp niet: de
-rampzalige tijding trof de arme Marijke als een donderslag. Neen, zoo
-iets had ze niet verwacht. Ook Alewijn stond diep verslagen. Verkocht;
-als een stuk vee verkocht!
-
-Langen tijd stond de vrouw strak voor zich uit te staren. 't Was,
-alsof haar hoofd geheel in de war was, of ze vruchteloos moeite deed,
-om de gedachten te verzamelen. Ze sprak niet, ze schreide niet, maar
-haar roerloos neerzitten bewees meer dan heftig snikken zou gedaan
-hebben, hoezeer ze leed.
-
-In het laatst scheen het, of ze een poging tot uitredding wilde
-wagen, of er een sprank van hoop in haar opflikkerde. Radeloos van
-jammerlijken angst viel ze neer, kroop tot bij den meier voort,
-omvatte zijn knieën, en smeekte hem: "Och, mijn goede heer, red
-ons, heb medelij met een arme moeder; zeg, dat het niet waar is,
-dat mijn jongen, mijn Alewijn bij me blijft. Wij kunnen elkander niet
-missen. Niet waar, lieve, beste Alewijn, is het niet zoo, mijn jongen,
-je oude moeder kan je niet missen."
-
-Zoo jammerde ze, biddend en smeekend, nu klagend, soms dreigend en in
-het laatst zakte ze bewusteloos ineen. Alewijn viel bij zijn moeder
-neer, vatte haar in de armen en riep haar: "Moeder, moeder!"
-
-'t Was een vreeselijk tooneel, en de meier, de ruwe meier, die gewoon
-was, de lijfeigenen als honden te behandelen, voelde zijn oogen vochtig
-worden. Maar tegelijk werd hij wrevelig, omdat hij gedwongen was,
-getuige te zijn van zulk een droefheid, en, daar hij er toch niets
-aan doen kon, keerde hij zich om en ging heen.
-
-Langzamerhand kwam de vrouw weer bij; nu schreide ze, stil, zonder te
-spreken, maar de tranen vloeiden haar overvloedig over de wangen. Den
-geheelen avond bleven Marijke en haar zoon bij elkander zitten,
-hand in hand. Zij legde haar moede hoofd tegen zijn schouder.
-
-"Och," zuchtte ze, "ik had zoo gehoopt, je bij me te houden, het korte
-poosje, dat ik nog leven zal. Och, och, dat het niet zoo heeft mogen
-zijn. Alewijn, mijn lieve jongen...."
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-NIEUWE KENNISSEN.
-
-
-Een week later reeds stond Alewijn ver van de plaats, waar zijn ouders
-woonden, op het land van zijn nieuwen meester te werken. Tijd, om een
-beetje op zijn verhaal te komen, had men hem niet gelaten. Waarvoor
-ook? Lijfeigenen werden immers niet beter geteld dan vee, dat men
-koopen en verkoopen kon, dat men mocht pijnigen of dooden, juist
-zooals het den heer in de gedachten kwam. Men wist niet beter, of
-het behoorde zoo.
-
-Maar Alewijn had de vrijheid gekend en hij gevoelde maar al te goed
-zijn bitter verdriet. Weggerukt van zijn moeder, als slaaf meegesleept,
-o, 't was een leed, om nooit te boven te komen. Zuchtend stak hij de
-spade in den grond. Wel had de edelman hem voor krijgsman bestemd,
-maar heer Diederik wilde eens zien, of Alewijn een flink werkman was,
-en daarom liet hij hem een paar weken op het veld arbeiden.
-
-Werktuigelijk, al maar aan het ouderlijk huis denkende, ging Alewijn
-met graven voort, toen hij plotseling uit zijn overpeinzingen werd
-opgeschrikt doordat een steen dicht bij hem op den grond plofte. Eenige
-oogenblikken later suisde een tweede steen hem om de ooren.
-
-Verbaasd keek hij rond, terwijl hij niet weinig knorrig was, dat men
-de lui hier zoo onvriendelijk behandelde. Voor de derde maal kwam
-een steen aanvliegen en het had waarlijk weinig gescheeld, of deze
-was tegen Alewijns hoofd terecht gekomen. De jongen werd nu dan ook
-ernstig boos en nam alvast een fermen knuppel op, om den onzichtbaren
-aanvaller met gelijke munt te kunnen betalen.
-
-Op dit oogenblik kwam er uit een boschje een knaap te voorschijn,
-die ongeveer van denzelfden ouderdom scheen, als Alewijn en eveneens
-lijfeigene was, wat uit zijn kortgeknipte haren dadelijk bleek.
-
-"Probeer dat nog eens!" riep Alewijn dreigend.
-
-"Hei, hei, wat een verbeelding! Zeker pas hier gekomen, he?"
-
-"Wat zou dat? Daarom behoef jij niet met steenen te gooien."
-
-"En jij zoo'n drukte niet te hebben. Hoe kom je hier?"
-
-Alewijn was vroeger altijd gewoon geweest, met eenige minachting op
-lijfeigenen neer te zien en het is dus niet te verwonderen, dat hij
-zich zeer ergerde over den toon, dien de ander aansloeg. Hij keerde
-hem dan ook heel eenvoudig den rug toe. Zoodra de vreemde knaap dit
-zag, begon hij hartelijk te lachen: "Wat een heer! Zeker de een of
-andere hooggeboren ridder, die in gevangenschap is geraakt! Stel je
-nu niet zoo aan, mannetje!"
-
-"Houd je mond, of ik sla er op," riep Alewijn woedend en hij meende,
-wat hij zei en hief de spade reeds dreigend omhoog. Intusschen toonde
-de vreemde niet de minste vrees, want hij zette doodbedaard zijn
-handen in de zij en sprak: "Dan zit je morgen in den kelder onder
-den burcht. 't Is daar heel aardig, dat verzeker ik je."
-
-"Daar weet jij wat van."
-
-"Ik heb er ook gezeten. Kijk maar." De knaap keerde zich half om en
-liet Alewijn de linkerzijde van het hoofd zien, waar het oor afgesneden
-was. 't Was een verschrikkelijk gezicht en Alewijn begreep niet,
-hoe die jongen daar nog om kon lachen.
-
-"Dat is mij verleden jaar overkomen; ik had gestolen, moet je
-weten. Eigenlijk laat onze heer den dieven één hand of beide handen,
-al naar hem dat zoo in den zin komt, afkappen, maar mij heeft hij
-bij uitzondering genadig behandeld. Niet uit goedheid, maar omdat
-het in zijn eigen voordeel was. Een slaaf, die zijn handen kwijt is,
-zal nooit meer werken of vechten, en daar kan hij ons veel te goed
-voor gebruiken."
-
-"Jij schijnt het anders niet heel druk te hebben."
-
-"Zeker heb ik het druk. Ik kom jou roepen."
-
-"Wie heeft je dat gezegd?"
-
-"De meier. Je moet meehelpen, ginds bij het hek. De meier zegt,
-dat jij sterk bent."
-
-"Hoor eens, ik heb met jou niets te maken."
-
-"Goed, dan blijf je hier. Je moet het zelf ondervinden. Goeden dag."
-
-De knaap, Hark heette hij, wilde zich dus weer verwijderen, toen
-Alewijn hem nog terugriep en zei: "Neen, luister nog even. Meen
-je het?"
-
-"Wat?"
-
-"Dat de meier me laat roepen?"
-
-"Wat dacht jij dan?"
-
-"Dat het maar gekheid van je was."
-
-"Zeker, het is gekheid. Nu, ik kan niet langer wachten. Blijf jij
-dan maar hier, als je wilt."
-
-Hark scheen de waarheid te hebben gesproken en Alewijn oordeelde
-het dus het verstandigst, met hem mee te loopen in de richting van
-het kasteel.
-
-Dit was een reusachtig steenen gebouw, waarvan de grijze massa zich
-boven het omliggende groen verhief. Heel aantrekkelijk zag het er
-niet uit, maar het was van verbazend dikke muren en geduchte torens
-voorzien, en daar kwam het voor een edelman in de eerste plaats op aan.
-
-Naarmate men naderde, kon men de verschillende deelen beter
-onderscheiden: de ronde vensters en de smalle kijk- en luchtgaten
-grijnsden op het grauwe vlak van den muur den reiziger onheilspellend
-aan. Het eigenlijke gebouw, de woning van den edelman, was door een
-gracht omgeven en daar omheen lag het erf, waar altijd een groote
-drukte heerschte van arbeiders, krijgslieden, kinderen en vee. Ook
-stonden hier de hutten der lijfeigenen, de hokken van de dieren en
-de berg- en de werkplaatsen. Het geheel besloeg een groote ruimte en
-was omgeven door een palissade van dikke, gepunte palen, terwijl een
-breede gracht den toegang nog moeilijker maakte.
-
-Op het oogenblik, dat Alewijn en Hark het kasteel naderden, stond
-er een troepje werklui bij de poort. Enkelen hadden een paar dikke,
-lange palen bij zich, terwijl een der mannen bezig was, zulk een
-paal van een scherpe punt te voorzien. De meier hield toezicht op
-den arbeid; een krijgsman, die blijkbaar niets te doen had en rustig
-zijn gemak kon houden, zat niet ver van de brug te hengelen en keek
-nu en dan lachend naar de arbeiders, alsof hij in zijn schik was,
-dat die zoo hard moesten sloven.
-
-Zooals we al vernomen hebben, was de edelman in zijn hart een
-echte vechtersbaas; hij dacht in den regel aan niets anders,
-dan aan oorlogvoeren en jagen; zijn grootste zorg bepaalde zich
-er toe, geschikte krijgers te hebben en zijn kasteel zoo sterk
-mogelijk te maken. Herhaaldelijk deed hij persoonlijk de ronde,
-om zich te overtuigen, of alles, de muren, de palissaden, de
-verdedigingswerktuigen in orde waren. En als hij een paal al te veel
-vermolmd, een muur wat verbrokkeld, de deelen van een blijde niet op
-hun plaats vond, liet hij dat aanstonds verbeteren.
-
-Zoo had hij voor eenige dagen gemerkt, dat een deel der palissade
-dringend herstelling behoefde en dit was de oorzaak van de
-bedrijvigheid, waarmede de werklui bezig waren.
-
-"Ha, ben je daar," zei de meier, toen hij de beide knapen ontdekte,
-"ga eens gauw met Ulfert mee naar het dennenbosch, om een paar palen
-te halen."
-
-Alewijn deed aanstonds, wat hem bevolen werd en vergezelde Ulfert,
-die een zware bijl bij zich had. Een half uur later kwamen ze met
-een zwaren paal aanzeulen. Bij de brug gekomen, legden ze hem neer.
-
-"Hè," zei Ulfert, "dat was me een vrachtje; daar kun je warm
-van worden." Ook Alewijn verheugde zich, dat hij een oogenblik
-rusten kon. Terstond trad een der mannen toe, om den paal aan te
-punten. Terwijl zoo drie, vier mannen naar dit werk stonden te kijken,
-kreeg de hengelaar aan de gracht beet; hij sloeg op en slingerde een
-fermen baars met een geduchten boog de lucht in. Ongelukkig scheen
-het beest niet heel vast aan den haak te zitten, want het vloog
-los en kwam met zijn scherpe, naar alle kanten uitstaande stekels,
-vlak in het gezicht van Ulfert terecht, die, woedend van de pijn,
-den visch opnam en hem in den zak poogde te steken. De hengelaar kwam
-haastig toeloopen, om zijn buit op te rapen, en toen het Ulfert niet
-gelukte, den baars te bergen, ging hij er zoo snel hij kon mee op
-de vlucht, het hek door en het voorplein op. De hengelaar hem na,
-terwijl de anderen alles lachend stonden aan te kijken. Door de
-drukte, die de mannen maakten, verschrikten een aantal kippen zoo,
-dat ze kakelend uiteen vlogen; een groot zwijn, dat, van een troep
-biggetjes omringd, knorrend zijn voedsel in het zand zocht, maakte
-zich eveneens uit de voeten. Woest kwam het op het hek aanrennen,
-en het zou wezenlijk naar buiten gevlucht zijn, als de meier niet
-geroepen had: "Het hek dicht, het hek dicht." Alewijn schoot toe,
-om het hek te sluiten, terwijl een der andere lijfeigenen zijn best
-deed, om het beest, dat wild geworden was, terug te jagen, toen zich
-een verschrikte stem deed hooren: "Daar komt de heer aan."
-
-Het was vermakelijk te zien, welk een ontzag allen voor den geduchten
-edelman hadden; niet zoodra zagen ze hem in de verte naderen, of
-ieder ging ijverig in de weer. De meier zat het meest in angst,
-want hij werd er altijd voor gestraft, als het werkvolk onder zijn
-toezicht stond te luieren. Men kon natuurlijk in deze omstandigheden
-het hek niet sluiten. Hierdoor vond het varken juist gelegenheid,
-te ontsnappen, maar de meier greep het nog bij den staart en trok
-het beest, dat geweldig schreeuwde en tegenspartelde, met veel moeite
-het voorplein op, waar de biggetjes hun arme moeder met medelijdende
-blikken aanzagen. Daar kwam de edelman aanrijden, vergezeld van een
-vrij groot aantal wapenknechten, sommigen met bogen, anderen met
-een goedendag, enkelen zelfs met knuppels gewapend. Twee mannen,
-die een eind achteraan kwamen, hielden een viertal nijdige honden
-aan een touw vast.
-
-De ridder was op de jacht geweest; maar het wekte de verbazing van
-den meier, dat hij al zoo vroeg terugkeerde en ook, dat de jacht zeer
-weinig had opgeleverd. Van wild was tenminste niets te bespeuren. Zou
-het daardoor komen, dat heer Diederik zoo donker keek? Of zou er
-iets anders zijn voorgevallen, dat den toorn van den machtigen ridder
-had opgewekt?
-
-"Daar zat onweer aan de lucht," bromde de oude Alwaert een uurtje
-later, terwijl hij op het voorplein in het zand zat, bezig, een helm
-te poetsen, waar Alewijn, Hark en eenige anderen aandachtig naar
-zaten te kijken.
-
-"Onweer?" vroeg Hark, "mij dunkt, daar ziet de lucht in het geheel
-niet naar uit. Het weer is immers frisch."
-
-"Zoo bedoel ik het niet. Ik meen geen onweer in de natuur, maar in
-het hoofd van onzen heer. Wat ging hij aan. Ik ben blij, dat ik
-vandaag niet in zijn nabijheid behoef te komen. Wat een gezicht,
-hè? Om bang voor te worden."
-
-"Wat zou hem toch schelen? Zou het zijn, omdat hij geen wild
-meegebracht heeft?"
-
-"Kom, de jacht heeft niet eens plaats gehad, maar wat er
-voorgevallen is, weet ik niet. Wacht, daar heb je Gerebrandt. Die
-is mee geweest. Hij kan ons wel vertellen, hoe de vork in den steel
-zat. Vooruit, Alewijn, roep jij hem eens hier."
-
-Toen Alewijn met zijn boodschap bij Gerebrandt kwam, die bezig was
-een net te maken, antwoordde deze: "Wat, kan die oude de moeite niet
-nemen, bij mij te komen? Ik heb geen tijd, zeg hem dat maar."
-
-Doch, voordat Alewijn weer weg was, bedacht Gerebrandt, een echte
-babbelaar, die heel graag nieuwtjes mocht vertellen, zich nog en sprak:
-"Weet je wat, dat net kan ik morgen ook wel afmaken, breng het even
-naar mijn huis, dan ga ik mee." Alewijn was zeer gewillig en dacht er
-niet aan, te weigeren; hij bracht dus het net weg, waarop Gerebrandt
-hem vergezelde naar den kring, die om den ouden Alwaert geschaard
-zat en waar men hem al met ongeduld wachtte.
-
-De oude Alwaert hield zich nog altijd met den helm bezig; 't was
-een reusachtig voorwerp, van binnen gevoerd, en met een omgekeerden
-vogelpoot er boven op.
-
-"Wat een ding, he?" zei Hark.
-
-"Ja jongen, daar is heel wat aan te poetsen; ik wou, dat heer Diederik
-naar een betere bewaarplaats voor zijn wapenen uitzag. Ze liggen
-nu zoo vochtig, dat je voortdurend werk hebt, om den roest er af
-te wrijven. Kijk me dien helm eens aan; zou je wel willen gelooven,
-dat hij voor zes dagen nog glom als een spiegel?"
-
-"'t Is zeker een heele zwaarte?" vroeg Alewijn.
-
-"Wil je het eens voelen?" De oude keek rond, of hij gezien werd,
-en wenkte toen Alewijn om naderbij te treden, waarop hij den jongen
-het kolossale hoofddeksel opzette.
-
-Wat een gewicht. Het hoofd werd dan ook geheel door het ijzer omsloten;
-alleen aan den voorkant zaten er drie gleuven in: twee om door te
-kijken en een ter hoogte van den mond.
-
-"Vertel eens," vroeg een der mannen, die zeer nieuwsgierig was en op
-heete kolen zat, "wat is er toch gebeurd vandaag?"
-
-Gerebrandt hield zich, of hij de bedoeling van den vrager niet begreep
-en zei dus: "Gebeurd, gebeurd? Ik weet van niets. Waar heb je het
-nu over?"
-
-"Kom, je zou van niets weten. Maak dat een ander wijs. Je bent immers
-mee op de jacht geweest."
-
-"Ja zeker, maar wat zou dat?"
-
-"Nu, dan kun je ook wel vertellen, hoe het komt, dat heer Diederik,
-die anders nooit zonder wild terugkeert, nu met leege handen is
-thuis gekomen."
-
-"En waarom hij zoo kwaad was."
-
-Gerebrandt poogde nog een onnoozel gezicht te zetten, maar het ging
-hem moeilijk af, waar nog bij kwam, dat hij brandde van ongeduld om
-het nieuwtje te vertellen.
-
-"Ja, jongens, dat is een heele geschiedenis."
-
-Allen kwamen een beetje naderbij en luisterden aandachtig.
-
-"Je weet dan, dat onze heer met ridder Hildegrin en jonker Herico en
-nog eenige heeren een groote jachtpartij zouden houden."
-
-"Jonker Herico, jonker Herico?" vroeg Alwaert.
-
-"Wat, ken je hem niet; hij woont aan den overkant van de rivier,
-waar zijn vader een sterk kasteel bezit."
-
-"Hoe komt hij hier dan?"
-
-"Bij ridder Hadrubant, die een oom van hem is, schijnt hij eenige
-weken te vertoeven."
-
-"Maar jongens, wat komt er dat nu op aan? Laat hij liever verder
-vertellen."
-
-"Hoor dan; ik geloof, dat onze heer en die jonker elkaar niet best
-kunnen uitstaan. Of ze misschien vroeger al eens twist gehad hebben,
-weet ik niet, maar Roger de valkenier zegt, dat er reeds heel lang wat
-tusschen hen bestaat. Nu stonden die heeren in een kring aan den rand
-van het bosch; en wij zaten op een afstand in het gras het oogenblik af
-te wachten, dat de jacht beginnen zou. Ik keek zoo in gedachten naar
-de lui, en vergeleek hun helmen eens; 't is aardig te zien, wat een
-verschillen je zoo hebt. De een draagt, zooals onze heer, een vogelpoot
-op den helm, de ander een kruis, een derde een heelen vogel...."
-
-"Nu ja, dat weten we wel."
-
-"Waarover ze praatten, kon ik natuurlijk niet verstaan, maar ze schenen
-het over paarden te hebben; 't was net, of elk pochte op de uitstekende
-hoedanigheid van zijn eigen beest. Tot nu toe ging alles goed, maar
-al gauw kwam er een heftige woordenwisseling tusschen onzen heer en
-dien jonker. 't Was bepaald over het paard van den laatste, want opeens
-nam de jonker het dier bij den teugel en hield het heer Diederik voor,
-als noodigde hij hem uit, het te bestijgen. Deze deed het, en poogde er
-op rond te rijden. Nu weet je, heer Diederik is een uitstekend ruiter;
-een paard mag lastig en wild zijn, hij zit er met evenveel gemak op,
-als op een stoel. Wat nu het beest van Jonker Herico mankeerde, weet ik
-niet; het draaide maar rond, het steigerde en wilde naar geen sturen
-luisteren. Goed. Heer Diederik geeft het natuurlijk niet gauw op,
-maar je kon het hem aanzien, dat hij kwaad werd; hij beet zich op
-de lippen, hij trok het paard aan de teugels en martelde het met de
-sporen; het gaf niets. En plotseling, vóórdat iemand er op bedacht
-was, deed het beest een geweldigen sprong, ging op de achterpooten
-staan en schoot als een pijl uit den boog weg. Heer Diederik scheen
-zoo iets in het geheel niet te verwachten, want daar gebeurde, wat
-nog nooit iemand van hem gezien had; hij verloor het evenwicht en lag
-in het zand. Wij hielden ons natuurlijk doodstil, en ook de ridders
-schenen zeer ontsteld. Heer Diederik poogde zich goed te houden, maar
-hij werd rood van kwaadheid; misschien was het ook wel van schaamte,
-dat weet ik zoo niet. Alleen jonker Herico, die nog zeer jong is en
-veel van een grapje houdt, beschouwde de zaak van den vroolijken kant,
-en stond hartelijk te lachen. Dat was olie in het vuur. Heer Diederik
-werd nog gloeiender en we dachten niet anders, of hij zou zich op den
-jonker werpen; de andere ridders verwachtten dat ook; één van hen,
-heer Rodger plaatste zich tusschenbeiden, terwijl de jonker, die
-waarlijk voor geen kleintje vervaard is, de hand aan zijn zwaard sloeg.
-
-"Of onze heer bang was, dat hij weer een gek figuur zou maken, weet ik
-niet, maar wel weet ik, dat hij zich nog bijtijds bedacht. Zijn toorn
-was intusschen niet bekoeld, want op norschen toon beval hij ons,
-hem te volgen. Toen zette hij zich in het zadel en reed, knorrig en
-zwijgende, weg. Zoo komt het nu, dat wij zonder wild terugkeerden."
-
-"Zouden de anderen nog aan de jacht begonnen zijn?"
-
-"Ik weet het waarlijk niet, maar je kunt er op aan, dat de zaak niet
-uit is."
-
-"Reken daar maar op. Dat muisje heeft een staartje."
-
-"En een lang ook. Heer Diederik houdt veel van vechten. Hij zou om
-veel minder gewichtige reden naar het zwaard grijpen."
-
-"Dus je denkt, dat heer Diederik van plan is, ten strijde te trekken?"
-
-"Dat weet ik zeker; hij zal niet rusten, vóór hij jonker Herico in
-zijn handen heeft. Maar het zal niet meevallen, want deze moet op
-een sterk kasteel wonen."
-
-"Heer Diederik alleen zal hem niet overwinnen," meende de oude Alwaert.
-
-"Geen denken aan, maar je weet, er zijn ridders genoeg in den omtrek,
-die dolgraag een oorlog meemaken en onzen heer met genoegen de
-behulpzame hand bieden. Ik denk niet, dat jonker Herico het tegen
-zoo'n groote macht uithoudt."
-
-"Hij zal zich ook wel van bondgenooten voorzien."
-
-"Dat moet je niet zeggen; men schijnt over het algemeen niet veel met
-zijn familie op te hebben, en onzen heer zien ze nog al naar de oogen."
-
-"Ik moet eerlijk bekennen, dat ik de zaak niet heel prettig vind."
-
-"Verbeeld jij je soms, dat onze heer je meeneemt?"
-
-"Volstrekt niet, maar het zal toch een heele drukte geven; de blijden
-moeten in orde gebracht worden, misschien laat heer Diederik wel een
-stormkat bouwen en zoo'n ding komt niet van zelf klaar, daar moeten
-we allen aan meehelpen."
-
-"Nu, ik vind het wel aardig; dan beleef je nog eens wat," zei Hark,
-terwijl hij een zwaren goedendag in het rond zwaaide.
-
-"'t Is me de aardigheid wel: de kans om met gebroken armen en beenen
-van de reis terug te komen en dan nog blij te moeten wezen, als je
-het leven er afbrengt."
-
-"Komaan, ik denk, dat we er spoedig wel meer van zullen hooren."
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-DE BELEGERING.
-
-
-Het kwam precies uit, zooals Gerebrandt voorspeld had. Langzamerhand
-verspreidde zich het praatje onder de lijfeigenen, dat heer Diederik
-van plan was, de familie van jonker Herico den oorlog aan te doen. Dat
-het gerucht waarheid moest bevatten, bleek al spoedig, want Folcrijt
-de boogschutter, zoowel als Hoige, wisten te vertellen, dat ze met
-den meier een bezoek hadden moeten brengen aan eenige edelen uit den
-omtrek, om hun hulp in te roepen. De smid kreeg het ontzaglijk druk,
-daar hij punten aan pijlen moest maken; de timmerlui hadden in last,
-blijden en andere oorlogswerktuigen na te zien, weer anderen moesten
-benoodigdheden voor tenten gereed maken; er heerschte de volgende
-weken een groote bedrijvigheid. Ook Alewijn zou mee moeten doen,
-want op een keer riep de oude Alwaert hem bij zich: "Kom eens hier,
-mijn jongen; onze heer wil weten, of er een goede boogschutter in je
-steekt. Kun je schieten?"
-
-Alewijn antwoordde, dat hij het veel had gedaan, en dat was waar:
-menige vogel was door hem geraakt.
-
-"Kom aan, toon je kunsten dan maar. Schiet eens op.... op...., wacht,
-ik zal het je in het begin niet al te moeilijk maken, op dien boom
-daar."
-
-Hark en eenige anderen stonden aandachtig te kijken, toen Alewijn
-een pijl op den boog legde, even mikte en schoot.
-
-"Dat valt me mee," zei de oude Alwaert, en ook de anderen gaven
-hun goedkeuring te kennen, want Alewijn had den boom precies in het
-midden geraakt. Intusschen bleek uit een enkel schot nog volstrekt
-niet, of hij een goed schutter was: het kon immers best geluk zijn;
-daarom wees de oude Alwaert een paal aan, die wat verder verwijderd
-was dan de boom, maar zonder eenige moeite raakte Alewijn dien ook.
-
-"O, ik zie het al, je hebt het meer gedaan. Nu jij, Hark."
-
-Hark meende, dat hij een heele baas in het schieten was; hij
-zette tenminste een verwaand gezicht, en toen de oude Alwaert hem
-uitnoodigde, naar den boom te schieten, zeide hij: "We zullen maar
-dadelijk ook dien paal nemen."
-
-"Ja baas, maar het is lastig, als je het niet meer gedaan hebt."
-
-"'t Is me ook wat," zei Hark en schoot een pijl af, maar door een
-ongelukkige beweging vloog die een geheel verkeerden koers uit en
-het had maar weinig gescheeld, of het gevederde ding was een der
-omstanders in het been gevlogen.
-
-"Kijk dan toch, waar je schiet," riep deze nijdig en Alwaert nam Hark
-den boog af, zeggende: "Neen kereltje, laat maar; je zou ons eigen
-volk de oogen uitschieten. Maar jij wordt een boogschutter, Alewijn,
-dat verzeker ik je. Zulke lui kan onze heer gebruiken."
-
-Alewijn was natuurlijk niet weinig trotsch op deze lofuiting. Hark,
-die niet zuinig uitgelachen werd, was intusschen jaloersch en keek
-zijn makker van terzijde nijdig aan.
-
-De volgende dagen gingen onder groote drukte voorbij. Hoe ieder zich
-ook inspande, den edelman ging het niet gauw genoeg. Gedurig kwam
-hij persoonlijk onder het werkvolk en de krijgslieden en spoorde
-hij hen tot grooten ijver aan. Eindelijk was alles gereed; en op
-een mooien morgen trok een groote bende op weg. De stoet leverde
-een schilderachtig gezicht op: ridders op vurige paarden, gekleed
-in maliënkolder en met de lans gewapend, boogschutters, den boog
-in de hand en een koker met pijlen op den rug, slingeraars met hun
-stokslingers, krijgslieden met speren, anderen met kolven, daartusschen
-wagens met levensvoorraad, met hout, met stukken van blijden en ander
-wapentuig. Het was een heele trein, die nog grooter werd, toen zich
-een bondgenoot met zijn gevolg bij heer Diederik voegde. Daar er tal
-van voetknechten waren, moesten de ruiters wel stapvoets rijden en
-konden ze niet zooveel spoed maken. Het zou dan ook wel eenige dagen
-duren, voor men de plaats der bestemming bereikte.
-
-Als de avond daalde, sloeg men tenten in het veld op; de paarden werden
-aan boomen of aan pinnen vastgebonden en de vermoeide strijders legden
-zich te slapen. Vooral de overtocht over den Rijn kostte niet weinig
-moeite, maar toch werd hij gelukkig volbracht en na een reis van zes
-dagen had men het kasteel, waar jonker Herico woonde, bereikt. Zooals
-altijd, liet de ridder eerst den burcht opeischen, maar hij kreeg
-een weigerend antwoord, wat ook wel te verwachten was geweest, daar
-het kasteel sterke muren bezat, ruimschoots van levensmiddelen en
-krijgsvoorraad was voorzien en de talrijke bezetting vol moed besloten
-was, hun heer en zijn gezin tot het uiterste bij te staan.
-
-Het veiligste en gemakkelijkste zou zijn, de bewoners van het kasteel
-door den honger tot overgave te dwingen, maar de krijgshaftige edelman
-was van dit middel niet gediend. Toch zag hij heel goed in, dat aan
-een bestorming in de eerste dagen niet te denken viel: van achter de
-hechte muren zouden de aanvallers op zulk een wijze begroet worden,
-dat ze stellig met groot verlies moesten afdeinzen. Daarom besloot
-heer Diederik, mede op raad van zijn bondgenooten, den strijdlust
-wat te bedwingen en alle middelen aan te wenden, om de muren van den
-burcht te vernielen of te beschadigen.
-
-Weldra was het kasteel aan alle zijden ingesloten; overal in het veld
-werden tenten opgeslagen; hier en daar stonden wagens; de paarden
-liet men op de weiden grazen, en dichter bij het kasteel maakten de
-belegeraars borstweringen en richtten ze blijden en springalen op,
-om daarmede hun vijanden te bestoken.
-
-Het was voor de eerste maal, dat Alewijn zulk een belegering
-bijwoonde; hij vergat alles, wat er den laatsten tijd met hem
-gebeurd was en volgde met groote aandacht de toebereidselen, die
-er gemaakt werden. Als hij dien grijzen, zwaren steenklomp aanzag,
-waaruit dreigend zware torens omhoog rezen, verwonderde hij zich
-zeer, hoe heer Diederik er aan kon denken, dien te vernielen of te
-veroveren. Intusschen werd hem niet veel tijd tot nadenken gelaten;
-ook hij moest, evenals Hark en Alwaert en anderen, ijverig meehelpen.
-
-Daar de aanvallers zeer onverwachts waren komen opdagen, hadden
-de belegerden er nog niet aan gedacht, de boschjes en schuren
-in den omtrek te vernielen. Dit was zeer in het voordeel van heer
-Diederik. Zijn volk vond nu volop gelegenheid, een veilige schuilplaats
-te zoeken, vanwaar men het den belegerden met pijlen en steenen zou
-kunnen lastig maken. Overigens was men ook op andere middelen bedacht,
-om goed beschut te zijn: hier richtten eenige mannen van zand en
-rijshout een borstwering op, daar kwamen anderen met een scherm op
-wielen aanrijden. Ook Alewijn zat achter zulk een scherm; hij hield
-een pijl op zijn boog gereed en loerde door de gleuf naar de transen
-van het kasteel, of zich daar misschien een krijgsman vertoonen zou.
-
-Intusschen kreeg hij niets in het oog; geen vijand kwam van achter de
-tinnen voor den dag. Dat de bewoners van het kasteel echter wel wakker
-waren, bleek uit de pijlen en steenen, waarmede ze onophoudelijk hun
-aanvallers begroetten en die het hun zeer lastig maakten.
-
-Toen Alewijn zoo een half uur vruchteloos uitgekeken had, begon
-het hem te vervelen; hij legde zijn boog neer en vestigde zijn
-aandacht op eenige mannen in de buurt, die zeer druk aan den arbeid
-waren. Eenige oogenblikken te voren hadden ze een grooten, taaien balk
-aangedragen, die door Eggerik den timmerman in de lengte bijna geheel
-was gespleten; alleen aan het eene eind had hij de beide helften aan
-elkaar gelaten, terwijl de smid ze daar met eenige ijzeren banden
-goed had bevestigd. Die balk nu werd met het einde, dat nog niet
-gespleten was, in den grond geheid.
-
-"Ha," dacht Alewijn, "daarom was die dikke straks al bezig een kuil
-te graven." 't Was een werk, dat met spoed moest gebeuren, want
-men stond hier niet rustig en wel op het voorplein van het kasteel,
-maar onder bereik van de vijandelijke pijlen. Geen wonder dus, dat
-Eggerik, die toch al haastig was uitgevallen, en nooit veel zin had,
-zijn huid te wagen, zich bijzonder gejaagd toonde.
-
-"Vooruit dan toch, luie kwajongen," riep hij tegen Hark, die ook
-meehelpen moest, maar juist bezig was op een wortel te knabbelen. "Pak
-aan, of...."
-
-Nu had Hark wel niet veel ontzag voor den timmerman, maar in deze
-omstandigheden oordeelde hij het toch het verstandigste, niet te
-talmen; hij nam dus den balk mee op en zette hem overeind. Niet lang
-daarna stond het werptuig stevig en wel in den grond. 't Was een
-springaal, een geducht middel, om er zware pijlen mee weg te schieten.
-
-"Nu wou ik het ding ook eens probeeren," zei Eggerik. "Kwam er maar
-iemand voor den dag."
-
-"Laten we vast een pijl klaar leggen."
-
-"Goed."
-
-Boven aan de eene helft van den gespleten balk zat een haak en
-door middel van een stevig touw, aan dien haak bevestigd, werd die
-bovenhelft door Hark en Eggerik met geweld naar beneden getrokken. 't
-Was een zwaar werkje, want het taaie hout bood geducht weerstand.
-
-"Mooi zoo, nu de pijlen."
-
-Daar had Ulfert al voor gezorgd; hij droeg een arm vol van die
-scherpgepunte, gevederde dingen.
-
-"Vooruit, Hark, jij naar boven."
-
-Hark durfde niet te weigeren en klom den springaal in, om den pijl daar
-boven op te leggen. 't Was anders geen baantje, want de belegerden
-kregen hem in het oog en mikten op hem, zoodat hij wel drie, vier
-keer gevaar liep, getroffen te worden. Toch bracht hij het er goed af.
-
-"Nu goed uitgekeken!" zei Eggerik, "we moeten nooit in het wild
-schieten. Zul je goed vasthouden, Hark? Als ik een teeken geef,
-laat je hem glippen.... Hé, wacht, bewoog daar niet iets?"
-
-"Ik zag niemand."
-
-"Nu, 't is toch voorbij, helpt me eens goed opletten."
-
-Plotseling vertoonde zich een boogschutter op den muur. Wat een
-waaghals! Zag hij dan het gevaar niet, dat hem bedreigde? Nu.... Hoe
-jammer, weg was hij.
-
-"Pas op nu! Als hij weer voor den dag durft te komen, krijgt hij hem."
-
-Allen keken in gespannen verwachting toe. Daar zag men weer iets:
-Hark liet los, de eene helft van den springaal smakte tegen de andere
-en met een groote snelheid schoot de gevaarlijke pijl weg. Hij trof
-echter geen doel: men had te hoog aangelegd.
-
-Daarom moest Hark weer naar boven, om den springaal wat lager te
-stellen en daarna een nieuwen pijl op te leggen.
-
-"'t Was een beetje te hoog, hé?" zei Eggerik handenwrijvend. "Toch
-jammer, maar we hadden hem anders juist in de goede richting. Ziezoo,
-nu zal het beter gaan. Ik verzeker je, dat de eerste de beste, die
-zich durft te vertoonen, op een vreemde manier begroet wordt."
-
-Men wachtte dus weer; maar plotseling stoof het groepje uit elkander:
-een zware steen kwam met groote vaart aanvliegen, recht op den
-springaal aan. Eggerik was bij Alewijn achter het schietscherm
-gekropen en keek nu angstig toe. Wat zou het hem spijten, als dat mooie
-werptuig, waar hij zooveel moeite aan had gehad, ineens werd vernield.
-
-Pof! Plotseling begon Ulfert vreeselijk te schreeuwen: hij had
-zich niet haastig genoeg uit de voeten gemaakt en nu was de steen
-juist tegen hem aangekomen en had hem met verbrijzelden arm doen
-nederstorten.
-
-"O," zei de timmerman, "'t is Ulfert maar." De man vond blijkbaar het
-leven van zijn makker niet zooveel waard als een springaal. Ulfert
-dacht er evenwel anders over; hij lag te schreeuwen van pijn,
-zoodat men het wijd in het rond kon hooren; eenige mannen op het
-kasteel kwamen ook eens over de tinnen kijken, wat er gaande was,
-en als Alewijns gedachten niet bij den armen Ulfert waren geweest,
-zou hij misschien wel een vijand hebben kunnen raken.
-
-"Schreeuw toch zoo niet, kerel!" bromde Eggerik, "je lijkt wel een
-varken, dat gekeeld wordt." Maar de arme Ulfert leed ondragelijke
-pijnen; ten laatste kwamen er een paar mannen aanloopen, die hem
-opnamen en naar de plaats brachten, waar eenige vrouwen zich bezig
-hielden met het verplegen der gewonden.
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE KAT.
-
-
-Van alle kanten werd het kasteel bestookt: hier met springalen,
-daar met blijden, elders schoot men zware pijlen af met een arbaleet,
-overal zaten boogschutters achter boschjes en schietschermen, maar de
-belegerden gaven alles met woeker terug. Zoo vorderde heer Diederik
-nog niet veel en reeds dacht hij er over, een algemeenen stormaanval
-te bevelen. Zijn vrienden echter rieden hem dit af en gaven hem in
-overweging, eerst een veiliger en tegelijk zekerder middel aan te
-wenden: de kat.
-
-Alewijn zat op een morgen weer achter zijn schietscherm en mikte op de
-vijanden, toen Eggerik hem kwam opzoeken en zei: "Alewijn, leg je boog
-neer en ga mee. Je hebt sterke armen; we kunnen jou juist gebruiken."
-
-Alewijn deed, wat hem bevolen was en volgde Eggerik, terwijl hij
-telkens achter schietschermen en aardhoopen en struiken wegschool en
-dan weer op zij sprong, als er van die verraderlijke pijlen kwamen
-aanvliegen.
-
-"Komaan, hier zijn we er."
-
-"Ha, is Alewijn daar? Dat is goed! Pak aan, jongen! Help eens mee
-dat ding voortduwen."
-
-'t Was een heel gevaarte: precies een schuur. Aan de voorzijde hadden
-eenige mannen druk werk; beschut door een afdak, legde men daar een
-houten vloer. De benoodigde planken werden door anderen onophoudelijk
-aangedragen. Zoodra de vloer klaar was, duwde en trok men uit alle
-macht en de kat, die op rollen stond, bewoog zich weer een eind
-vooruit, in de richting van het kasteel.
-
-De aangevallenen spaarden hun steenen echter niet, en toen er een
-geweldig blok kwam neerploffen, dat met vreeselijk gekraak niet alleen
-een deel der kat verbrijzelde, maar tevens een paar mannen doodelijk
-gewond deed neerstorten, begon de ridder, die het toezicht had,
-ongerust te worden.
-
-"Laat meer boogschutters aanrukken," riep hij driftig.
-
-Eenige oogenblikken later kwamen van verschillende zijden
-schietschermen aanrollen. De boogschutters, die er achter verscholen
-zaten, schoten zóó herhaaldelijk en met zóó vaste hand hun pijlen af,
-dat de belegerden het op die plaats benauwd kregen en de kat wel wat
-meer met rust moesten laten.
-
-Thans werd met verdubbelden ijver het werk voortgezet. De ridder
-spoorde zijn volk voortdurend aan, nu eens met goedkeuringen, dan weer
-met schelden en dreigen. 't Was een zware arbeid en ook de sterksten
-moesten al hun krachten inspannen.
-
-"Een, twee, drie!" Plotseling schoot de kat een flink eind vooruit;
-daarna bleef zij nog een korten afstand doorrollen, om plotseling
-weer stil te staan. Nu ondervond men opnieuw grooten tegenstand:
-allen werkten krachtig mee. "Een, twee, drie!"
-
-Zoo arbeidde men voort: Nu eens gelijkmatig verder glijdend, dan weer
-met horten en stooten, bewoog zich het gevaarte naar den muur van het
-kasteel. Zonder ophouden namen de werklui van achter de kat de planken
-weg, om van voren opnieuw een vloer te leggen. Toen de avond viel,
-was men slechts vijf meter meer van de gracht verwijderd. Allen, die
-meegeholpen hadden, schenen even vermoeid; toch had elk er schik in,
-dat het werk zoo goed gevorderd was.
-
-"Morgen vroeg verder," riepen ze elkaar toe; daarna ging men
-slapen. Doch, hoezeer ieder naar rust verlangde, men verzuimde niet,
-de waakzaamheid te betrachten. En dit was gelukkig ook, want de
-belegerden, die tot nu toe vruchteloos hadden beproefd, de gevaarlijke
-kat te vernielen, hoopten, begunstigd door de nachtelijke duisternis,
-te bereiken, wat hun overdag niet wilde gelukken.
-
-De werklui waren onder het dak van de kat gaan slapen; ook Alewijn
-had zich daar op een bos stroo neergelegd. Ieder sliep rustig, toen
-plotseling een hevig gekraak de strijders deed opschrikken: een
-geweldig blok was op het dak van de kat terechtgekomen. Een poosje
-later smeten de belegerden weer een zwaren steenbrok naar omlaag en
-de aanvallers moesten erkennen, dat hun vijanden goed wisten te mikken.
-
-Alewijn keek naar boven: hij verbeeldde zich, op den muur gedaanten
-te zien, maar het was te donker om alles goed te onderscheiden. Toch
-grepen de boogschutters naar de wapenen en schoten hun pijlen af. 't
-Was wel op goed geluk af gemikt, maar ze schenen doel te treffen. De
-belegerden, die zeker begrepen, dat hun vijanden waakzaam en bijdehand
-waren, lieten hen verder wijselijk met rust en zochten ook zelf in
-den slaap nieuwe krachten te verzamelen voor den volgenden dag. Het
-schieten werd gestaakt, en overal op den muur keerde de rust terug.
-
-Dadelijk gingen de belegeraars aan den arbeid, om de kat, die aan één
-zijde duchtig beschadigd was, te herstellen. Toen de morgen aanbrak,
-stonden de krijgslieden van hun legerstede op en men hervatte het
-werk van den vorigen dag. Weldra kwamen de belegeraars dicht bij de
-gracht, maar hoe meer zij hun doel naderden, des te meer deden de
-bewoners van het kasteel hun best, om het gevaar, dat hen dreigde,
-af te wenden. Met grooten spoed droegen ze steenen en brandstoffen
-aan en smeten die naar omlaag. De lieden, die aan de kat werkten,
-hadden een gevaarlijk baantje; menig onvoorzichtige moest zijn
-vermetelheid duur betalen. Onverpoosd werkte men voort; wie al te
-vermoeid was, werd afgelost. Zoo vorderde de arbeid flink en weldra
-was de kat, ondanks den heftigen tegenstand van den vijand, de gracht
-genaderd. Maar nu kwam het moeilijkste eerst aan: hoe de kat tegen
-den muur te krijgen? Er zat niets anders op dan de gracht te dempen.
-
-Terwijl de boogschutters achter de schietschermen tientallen pijlen op
-den vijand afschoten, terwijl twee arbaleten zonder ophouden werkten
-en een blijde telkens een zwaren steen omhoog wierp, kwamen de werklui
-met zakken zand, met steenen en takkenbossen aandragen, ten einde,
-beschut door het stevige dak van de kat, daarmee een fermen dam in
-de gracht te maken.
-
-Woedend zagen de belegerden het aan, hoe hun vijanden vorderden;
-ze stelden alle pogingen in het werk, om het verraderlijk
-ding te vernielen en den werklui allen arbeid onmogelijk te
-maken. Vergeefs! Ieder, die zich op den muur vertoonde, verkeerde in
-doodsgevaar; pijlen deerden het stevige gevaarte niemendal; vuur, ja,
-tegen vuur zou het houten ding niet bestand zijn. En ijverig togen de
-belegerden aan het werk; haastig wierpen ze brandende takkenbossen en
-pekkransen naar omlaag. Rookend en naar alle zijden vonken spattend,
-kwam een regen van vuur nederdalen, maar ook hierop was men bedacht
-geweest.
-
-In plaats van de houten kat in brand te steken, zooals de belegerden
-hadden verwacht, doofde het vuur dadelijk uit, zoodra het op het
-dak van het gevaarte terecht kwam. Geen wonder: de kat was met natte
-koeienhuiden gedekt.
-
-Intusschen moesten de belegeraars toch voortdurend op hun hoede
-blijven.
-
-Een der boogschutters, die dicht bij de kat achter een scherm zat,
-had al zijn schichten verschoten, en riep Hark toe: "Zeg jongen, raap
-mij even een paar pijlen op." Maar Hark vond het aangenamer, veilig
-onder de kat te zitten, dan zich in gevaar te begeven, en antwoordde:
-"Doe het zelf maar."
-
-"Jij bent er dichter bij."
-
-"Dat zal wel, maar ik heb geen zin, mijn huid te wagen."
-
-"Kom, durf jij dat nog niet?" zei een ander, die ook aan de kat
-meehielp.
-
-"Jij zeker wel?"
-
-"Waarom niet?"
-
-"Wie zoo dwaas wil zijn, moet het zelf weten, ik bedank er voor."
-
-"Je zult toch wel wijzer wezen," waarschuwde Alewijn. "Laat die kerel
-het zelf doen."
-
-"Nu, zooveel bijzonders is het niet; ik zal je laten zien, dat ik
-het wel durf."
-
-Hierop begaf de man zich buiten de kat en raapte ijlings eenige pijlen
-op; juist wilde hij ze den boogschutter toewerpen, toen plotseling
-een klomp vuur op hem neerviel en zijn kleeren, die van een grove
-wollen stof vervaardigd waren, oogenblikkelijk vlam deed vatten.
-
-"Daar heb je 't al," zei Hark, toen hij het ongeluk zag.
-
-De man stond een oogenblik als verbijsterd; hij wist blijkbaar niet,
-wat te doen.
-
-"In de gracht! Spring in de gracht!" riepen zijn makkers, die bang
-waren, dat hij de kat zou binnenloopen en daar nog grooter onheil
-stichten.
-
-Gelukkig had de man zooveel tegenwoordigheid van geest, dat hij
-dien goeden raad kon opvolgen; zonder aarzelen sprong hij het water
-in. Dadelijk doofden zijn brandende kleeren uit. Maar de belegerden
-hadden hem al opgemerkt: onder luid geschreeuw wierpen ze steenen
-naar omlaag; van alle kanten plaste en plofte het en de man mocht
-van geluk spreken, dat hij er nog heelhuids afkwam.
-
-Dit voorval had een korten tijd aller aandacht afgeleid, maar nu werd
-het werk weer met frisschen moed opgevat. Voor en na kwamen mannen
-en knapen met zakken zand en takkenbossen aandragen.
-
-"Wacht, reik mij dien zak nog even aan," zei Eggerik tot Alewijn,
-die achter hem stond.
-
-"Hier heb je er nog een!" riep Hark.
-
-"Neen, houd dien zoolang bij je. Nu moet ik nog een takkenbos
-hebben. Mooi. Ziezoo, nu kunnen we weer beginnen met er planken op
-te leggen. Wat zeg jij, Gerebrandt?"
-
-"Welzeker."
-
-"Als het van voren maar niet inzakt," merkte een ander op.
-
-"Vooruit Hark, probeer jij den dam even."
-
-"Dank je wel," zei Hark.
-
-"Wat brom je daar?"
-
-"Dat ik er geen zin in heb."
-
-"Wat je zegt! Wil je nu wel eens een, twee, drie, doen, wat ik je
-gebied? Anders...."
-
-Hark keek even naar de geduchte knuisten van den timmerman, daarop
-naar diens gezicht en, wijl hij begreep, dat de man in staat zou
-zijn, hem midden in de gracht te werpen, voldeed hij, hoezeer ook
-met grooten tegenzin, aan het bevel.
-
-Al stak er een afdak van de kat naar voren, dat gaf Hark niet veel:
-hij moest zich nog verder wagen en daarin had hij, blijkens zijn
-tegenstribbelen, heel weinig trek.
-
-"Vooruit maar, kereltje, je zult niet smelten," riep de timmerman,
-die er schik in had, dat Hark zoo bang was. "Ziezoo, dans nu maar even,
-dan kan Gerebrandt zien, of de dam wel stevig genoeg is."
-
-"Als hij het mij wou laten doen, bedankte ik er toch voor," dacht
-Alewijn. Nu, Hark was ook niet van plan, te dansen, maar plotseling
-schoot er een pijl naar omlaag en raakte hem precies in de hand.
-
-"Au, au!" riep Hark en sprong in het rond van de pijn. Op het gezicht
-hiervan begonnen allen hartelijk te lachen en de timmerman zei:
-"Mooi zoo, mijn jongen, dat mag je nog eens weer doen; kom nu maar
-hier, dan zal ik je even van dat lastige ding bevrijden." Hark was
-wat blij, dat hij die gevaarlijke plaats mocht verlaten. Intusschen
-deed de wonde geducht zeer; geen wonder ook: de pijl was hem dwars
-door de hand gedrongen.
-
-Natuurlijk kon die daar niet blijven zitten; hij moest er uitgetrokken
-worden.
-
-"Neen, neen," riep Hark verschrikt, "het doet mij al pijn genoeg."
-
-"Wou je er dan zoo mee rond blijven loopen? Dat zou een aardige
-vertooning zijn. Nu, wat ben je van plan? Mag ik er niets aan doen? 't
-Is mij goed."
-
-Hoewel aarzelend, kwam Hark toch naar den timmerman toe en stak zijn
-hand uit.
-
-"Er zit niets anders op, dan den pijl midden door te breken. Pas
-op. Druk je tanden maar op elkaar, dan voel je er niets van."
-
-De timmerman had mooi praten: Hark schreeuwde het uit, maar de
-onbarmhartige Eggerik sprak: "Stel je niet zoo kinderachtig aan,
-we zijn immers al klaar; je zult er heusch niet aan sterven. Ga nu
-maar gauw heen en laat je verbinden. Komt, jongens, nu wij weer aan
-het werk."
-
-Toen de avond daalde, had men de gracht halverwege gedempt. Nog werd
-er niet bevolen, op te houden. De ridder, die het toezicht had, liet
-in de kat een paar fakkels ontsteken, en bij het flikkerende licht
-arbeidde men voort. Niemand toonde zich ontevreden, omdat hij niet
-kon rusten: allen verlangden, het vernielende werktuig aan den gang
-te zien. Reeds werd de zware balk, dien men aan het dikke einde met
-ijzer beslagen had, klaar gelegd.
-
-Den volgenden middag eindelijk was men gereed: de kat lag pal tegen
-den muur. Eerst nu werd den werklui eenigen tijd rust gegund, maar
-slechts kort, want al spoedig zou de eigenlijke arbeid beginnen. De
-balk moest in de kat opgehangen worden. 't Was een heele zwaarte;
-zes sterke kerels hadden er dan ook moeite genoeg mee.
-
-Daar kwamen ze er mee aandragen. "Op zij, op zij," riep de timmerman,
-die graag het hoogste woord mocht voeren, "Alewijn, geef jij dat touw
-eens hier."
-
-Alewijn keek om en zag een dik touw op den grond liggen. Hij nam het
-dadelijk op en bracht het den timmerman, die het om den balk bond;
-hetzelfde gebeurde op een andere plaats; vervolgens werd het zware
-ding langzaam naar boven geheschen, en daar bevestigde men de touwen
-aan het dak van de schuur.
-
-"Ziezoo, nu allen uit den weg, die er niets mee te maken hebben." Men
-zou het werktuig probeeren.
-
-Alewijn en nog twee anderen trokken den balk door middel van een
-stevig touw naar achteren en wachtten, tot het teeken werd gegeven
-om los te laten.
-
-"Eén, twee, drie!"
-
-Met een vreeselijken slag kwam de zware balk tegen den dikken muur. Het
-ding werkte uitstekend; de timmerman wreef zich vergenoegd de handen
-en vol ijver hielp hij mee, om den balk weer achteruit te trekken.
-
-Weldra zag ieder duidelijk in, dat men lang zou moeten beuken,
-vóór de muur bezweek, want deze was blijkbaar buitengewoon dik en
-sterk. Intusschen gaven de belegeraars zoo gauw den moed niet op;
-den geheelen dag hield het beuken aan, en, al bleef de muur de eerste
-dagen nog even onwrikbaar staan, zoo hoopten ze toch, dat hij in het
-laatst voor de geduchte kracht van den stormram wel bezwijken zou.
-
-De bewoners van het kasteel schenen zich zeer ongerust te maken over
-de uitwerking, die de kat kon hebben, want ze deden alles, wat ze
-konden om haar te vernielen. Nog geen enkelen keer was er zulk een
-vreeselijke regen van pijlen en steenen neergevallen.
-
-"Laat ze maar," zei een der mannen tot Alewijn, toen er weer twee
-steenen op het dak bonsden; "we zitten hier veilig en wel."
-
-"Maar als er een zwaar blok op de kat neerkwam, zou onze veiligheid
-niet lang duren."
-
-"Wees daar maar niet bang voor."
-
-"Waarom niet?"
-
-"Zware steenen kunnen ze niet op de kat laten vallen."
-
-"Dat begrijp ik niet."
-
-"Ik wel. Om zoo'n zwaar blok buiten den muur naar beneden te smijten,
-zouden de lui zich op den muur moeten vertoonen, maar daar passen
-ze wel voor op. Onze boogschutters schijnen goed te mikken: ieder,
-dien ze in het oog krijgen, is verloren."
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-EEN GEVANGENE.
-
-
-'t Was avond. Alewijn, Hark en eenige anderen zaten achter een zandhoop
-veilig en wel een praatje te houden.
-
-"Hier Hark," zei Gerebrandt, "snijd daar maar een stuk voor je af." Dit
-zeggende, reikte hij zijn makker een homp spek toe. Hark greep het
-aan en poogde met de linkerhand zijn deel er af te snijden.
-
-"Hoe is het," vroeg Gerebrandt, "ben je linksch geworden?"
-
-"'t Lijkt wel zoo, hè? Ik heb een pijl door mijn rechterhand gekregen."
-
-"Laat eens kijken."
-
-"Ja, Hark, hoe gaat het er mee?"
-
-"Och," zei Hark, zijn hand uitstekende, waarop een groot litteeken
-te zien was, "het gaat nog al. Ik had er in het eerst veel pijn aan,
-maar nu wordt het wat beter."
-
-"Geef mij het spek ook eens," riep een ander.
-
-"Pak maar aan, maar zuinig wezen, begrepen? Jij bent nog al gulzig
-uitgevallen."
-
-"Hoe gaat het met Alwaert?"
-
-"Ik denk niet, dat hij er van op zal komen. Hij kreeg een steen precies
-op zijn hoofd; een gat, dat je er wel een vuist in kunt steken; en daar
-komt nog bij, dat het leer van zijn kap in de wonde is gedrongen. Hij
-moet nog altijd buiten kennis zijn."
-
-"Waar ligt hij?"
-
-"Ginds in de tent bij dien eikeboom. Je weet, dat heer Diederik hem
-nogal graag lijden mag. Hij heeft bevolen, dat men Alwaert goed moet
-verzorgen, en dat hij wijn moet hebben."
-
-"Komaan, daar zou je haast gewond voor willen zijn. Ik heb nog maar
-eens van mijn leven wijn geproefd."
-
-"Dien had je dan zeker gestolen. Ik zou tenminste niet weten, hoe
-jij aan wijn moest komen."
-
-"Dat gaat jou ook niemendal aan."
-
-"Nu, maar ik ben duizendmaal liever gezond, dan met een gat in het
-hoofd te liggen, al zou ik er ook tien flesschen wijn voor krijgen. Ik
-zeg je, dat Alwaert dood gaat, dat staat vast. Heer Diederik mag dan
-zoo goed voor hem wezen, als hij wil."
-
-"Ik sta verbaasd over zijn gulheid. Heer Diederik is anders zoo
-zachtaardig niet."
-
-"Och, hij heeft meer van die grillen."
-
-"Hoor eens, daar zal wel een reden voor bestaan. Misschien...."
-
-"Nu, ik ben liever kwade vrienden met heer Diederik, dan met zoo'n
-vreeselijke wonde te liggen."
-
-"Dat zeg ik met je. Zoo iets loop je nu met die leeren kappen op;
-die dingen beschermen je niemendal; je kunt evengoed een wollen
-muts op je hoofd zetten. Neen, jongen, dan helpt zoo'n ijzeren helm
-beter. Kijk eens!"
-
-"Ja, dat moest ik je nog eens vragen. Hoe kom je daar toch aan?"
-
-"Dat zal ik je zeggen. Rembrandt de smid moest voor onzen heer een
-nieuwen helm smeden. Hij ging aan het werk en was er al een heel eind
-mee klaar, toen de heer er naar kwam kijken en zei, dat het ding hem
-heelemaal niet naar den zin was. Hij wilde een prachtigen grooten helm
-met een omgekeerden vogelklauw er op hebben. Zoo bleef Rembrandt met
-een half afgewerkten helm zitten. Juist kwam ik bij hem, en toen liet
-hij mij het ding zien. "Wel," zei ik, "dat zou net iets voor mij zijn."
-
-"Wat geef je er voor?" vroeg hij.
-
-"Nu," zei ik, "ik wil eerst weten, of hij past."
-
-"Zet hem dan even op."
-
-"Ik deed dat, en--het leek wel, of hij apart voor mijn hoofd gemaakt
-was. "Een schaap en vijf vette konijnen," zei ik toen en dadelijk
-antwoordde hij: "Top."
-
-"Ik bracht hem de beesten en hij gaf mij den helm."
-
-"'t Zou mij te zwaar zijn, zoo'n ijzeren pot op het hoofd. Wat zeg
-jij, Hark?"
-
-"Mij ook."
-
-"Laat jij je dan maar het hoofd inslaan; ik houd mijn huid liever
-heel."
-
-"Maar zoo'n ding zit toch hard."
-
-"Daar heb ik al voor gezorgd," antwoordde Roger, keerde den helm om en
-liet zien, hoe hij hem van binnen met een schapenhuid gevoerd had. "Je
-merkt er haast niets van, dat je iets op je hoofd hebt. En ik moet je
-zeggen, die helm heeft me goede diensten bewezen. Vandaag bijvoorbeeld
-is er al drie keer een pijl tegen getikt; die waren voor mijn hoofd
-bestemd, maar ik heb er in het geheel geen last van gehad. Zoo iets
-had jou met je leeren kap eens moeten gebeuren; als je er nu nog een
-ijzeren riem om had geslagen...."
-
-"Ik heb zulk een helm," riep Gerebrandt en liet zijn kap zien.
-
-"Juist, die zijn steviger, maar ik houd vol, niets beschermt je zoo
-goed als een ijzeren kap."
-
-"Je lijkt er heer Diederik wel mee," zei Hark spottend.
-
-Roger de valkenier was niet weinig gestreeld over deze opmerking,
-die hij voor ernst opnam en hij antwoordde: "Ik zou het niet graag
-willen; hoe hooger je staat, des te eerder heeft de vijand het op je
-gemunt. Komaan, jongens, het begint donker te worden; ik ga slapen;
-morgen is het weer vroeg dag."
-
-"Hè, wat flauw; nu je het brood en het spek op hebt, ga je weg."
-
-"Kom, Roger, blijf nog een poosje."
-
-"Jullie hebt mooi praten; morgen moet ik weer onder de kat aan het
-werk. 't Begint een vervelend werk te worden. Ik wou, dat ik mijn
-goedendag maar eens gebruiken mocht. Jongens, dat zou me vrij wat
-beter bevallen."
-
-"Nu, als het zoo doorgaat...."
-
-"Wat dan?"
-
-"Dan komen we nooit binnen het kasteel."
-
-"Zoo denk ik er ook over," zei Roger. "Wat een muur; er is geen
-verwrikken aan."
-
-"Dat moet je niet zeggen; als je maar volhoudt, zul je het met een
-kat altijd winnen. Nu, ik ga slapen."
-
-Roger verwijderde zich om zijn leger op te zoeken en Alewijn merkte op:
-"Het begint al tamelijk donker te worden. Komaan, de aardigheid is
-er nu toch af; ik ga ook maar weg."
-
-Juist was hij opgestaan, toen hij Roger zag terugkomen.
-
-"Heb je wat vergeten?"
-
-"St, jongen, wees eens stil," fluisterde Roger, "ik verbeeld me,
-dat ik wat hoorde plassen in de gracht."
-
-"Willen we eens meegaan?"
-
-"Ja, ja!" Allen stonden op, begaven zich in de richting van de gracht
-en luisterden.
-
-Het kasteel stond daar voor hen, donker en stil, als een zware,
-zwarte massa.
-
-In het water zaten kikvorschen te kwaken, maar men vernam geen
-ander geluid en reeds meenden de lui, dat Roger hen voor den gek had
-gehouden, toen een donker lichaam voor den dag kwam en langzaam op
-hen toeliep. Zij, die een wapen bij zich hadden, hielden dit gereed,
-maar ze behoefden het niet te gebruiken, want de vreemde kwam niet
-met vijandige bedoelingen. Gewillig liet hij zich grijpen.
-
-"Wil ik hem met mijn goedendag niet even....?" vroeg Hark, die vooral
-dapper was, als zijn tegenpartij zich niet verweren kon.
-
-"Ben je mal, kwajongen; wat mankeert je wel? Laten we eerst hooren,
-wat het voor een kerel is en of hij ook iets in zijn schild voert."
-
-"Ik wil je heer spreken."
-
-"Pas op, hij neemt je beet. 't Is een spion, wat ik je zeg."
-
-"Dat hindert niet. We kunnen hem met ons allen immers goed bewaken,
-en onze heer zal zich niet laten verschalken, reken daar maar op. Wat
-dunkt je, willen wij hem even wegbrengen?"
-
-"Ja, dat is goed. Wij gaan mee."
-
-Met den gevangene in hun midden begaven allen zich naar de tent van
-den heer. Deze zat met een ander ridder op zijn gemak te schaken. Zijn
-helm had hij afgezet; het breede zwaard stond tegen een stoel. Een
-standaardvlam verlichtte met een flikkerend schijnsel de tent.
-
-"Wat hebben jullie daar?"
-
-"Een gevangene."
-
-"Zoo, brengt hem naar ridder Ernhard; die zal wel weg met hem weten,
-en maakt nu, dat je weg komt."
-
-"Ja, heer, maar hij wenschte u te spreken: hij schijnt iets te willen
-vertellen."
-
-"Zoo; hoe hebben jullie hem dan gevangen?"
-
-Dadelijk trad Gerebrandt, die graag haantje de voorste mocht zijn,
-op den heer toe en deelde hem mee, hoe alles in zijn werk was gegaan.
-
-"Komaan," antwoordde de heer, "dan moet ik toch eens vernemen, wat
-die sinjeur op zijn hart heeft; gaat maar heen."
-
-"Willen we eens luisteren, wat hij vertelt?" vroeg Gerebrandt zacht
-aan zijn makkers.
-
-"Pas maar op, dat heer Diederik je niet ziet, want dan loopt het
-ongemakkelijk met je af."
-
-"Ik doe het tenminste niet," zei Alewijn, en ging weg, door de anderen
-gevolgd. Alleen Gerebrandt kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen
-en zei: "'t Kan mij niet schelen, ik wil toch eens luisteren."
-
-"Laten we hier even wachten," merkte Hark op, "Gerebrandt zal direct
-terugkomen."
-
-"Och, hij liegt het toch; denk je heusch, dat hij iets verstaan kan?"
-
-"Waarom niet? 't is immers in het geheel geen moeite, eventjes te
-wachten."
-
-Dit deden ze. Reeds begon hun dit te vervelen, en wilden Alewijn en
-een paar anderen zich verwijderen, toen Gerebrandt terugkwam:
-
-"Ik weet het al. Ga maar gauw mee, dan zul je het hooren. 't Is
-een overlooper. Omdat hij gisteren voor een kleine vergissing zware
-straf kreeg, heeft hij de plaat gepoetst, en nu verklapt hij iets,
-dat geheim had moeten blijven."
-
-"Wat is dat dan?"
-
-"De belegerden willen een uitval doen."
-
-"Een uitval? En wanneer?"
-
-"Ik denk, deze week al, maar dat kon ik niet goed verstaan."
-
-"Och jongen, laat je nu niets wijsmaken."
-
-"Wijsmaken? Wijsmaken? Wat ik je zeg, is waar. Maar als je het niet
-gelooven wilt, moet je het laten."
-
-"Neen, neen, vertel maar verder. En wat zei heer Diederik daar
-wel van?"
-
-"Hij lachte er om en riep: "Och, och, ze meenen, dat wij 's nachts
-niets anders doen dan slapen. Nu, dat zullen ze gewaar worden." En
-toen voegde hij er nog bij: "Kerel, ik zal je laten vasthouden. Als
-het blijkt, dat je gelogen hebt, zit er wat voor je op, maar als je
-waarheid hebt gesproken, krijg je een flinke belooning."
-
-"Wat heer Diederik verder nog sprak, kan ik niet zeggen, want ik wist
-er nu genoeg van en maakte, dat ik wegkwam."
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-DE UITVAL.
-
-
-Het bleek, dat Gerebrandt waarheid gesproken had.
-
-Nog dienzelfden nacht gaf heer Diederik bevel, de wachten te
-verdubbelen, en Hark, die al was gaan slapen, kreeg bevel op te staan
-en mee wakker te blijven. Hoezeer ook met tegenzin, gehoorzaamde hij
-dadelijk, maar werd door zijn makkers, die konden blijven liggen,
-hartelijk uitgelachen.
-
-De geheele nacht ging echter voorbij, zonder dat er iets bijzonders
-gebeurde en ook de twee volgende dagen bleef het rustig.
-
-Reeds begon de verrader, die in een der tenten geboeid lag, te vreezen,
-dat er van het plan niets zou komen. Herhaaldelijk vroeg een der
-bewakers hem spottend, of hij wezenlijk meende, dat heer Diederik
-zich zoo gemakkelijk liet beetnemen.
-
-Ook de heer vermoedde, dat het bedrog was en gaf bevel, om, mocht ook
-de twee volgende nachten de vijand geen uitval doen, den verklikker
-eenvoudig op te hangen.
-
-"Hij hoopte zeker stilletjes te ontsnappen en toen hij gepakt werd,
-zich door zoo'n leugen te redden," meende Hark.
-
-"Wel slim overlegd. Jammer voor hem, dat zijn plannetje zoo mislukt
-is."
-
-"Ik geloof het nog maar niet, dat hij gelogen heeft," zei
-Gerebrandt. "Ze zullen zeker nog een paar dagen wachten, omdat nu nog
-den geheelen nacht de maan schijnt. Morgen is het laatste kwartier;
-dan komt de maan te middernacht op, overmorgen nog weer later en zoo
-gaat het door. Ik denk, dat dit eenvoudig de oorzaak is, waardoor we
-nog niets van een uitval gemerkt hebben."
-
-Dit was heel goed van Gerebrandt gezien. In waarheid, de bewoners
-van het kasteel achtten den tijd voor een uitval nog niet gekomen,
-omdat het 's avonds nog niet donker genoeg was. Maar lang wilden
-ze de zaak toch ook niet uitstellen. Het doel was namelijk, de kat,
-die hun zooveel zorg baarde, in brand te steken.
-
-Gerebrandts voorspelling kwam uit. Twee dagen na den avond, waarop
-dit laatste gesprek gehouden was, hoorde de wacht, die het dichtst
-bij de poort stond, onverwachts een gedruisch.
-
-De poort kraakte, de ketting van de brug piepte, en dadelijk haastte
-de wacht zich, om zijn krijgsmakkers te waarschuwen. Gelukkig had heer
-Diederik nog steeds dezelfde voorzichtigheidsmaatregelen doen nemen;
-daaraan was het te danken, dat in een oogwenk een aanzienlijk gedeelte
-van het leger gereed stond om den vijand te ontvangen.
-
-Deze had anders zijn tijd wel goed gekozen: er heerschte een volslagen
-duisternis in den omtrek. Was het plan niet verraden, de uitval zou
-stellig veel kans van slagen gehad hebben. Maar thans! De belegerden
-hadden het eens moeten weten, wat hun dreigde. Ze zouden zich stellig
-nog wel bedenken.
-
-Want daar buiten stond een heele bende gereed. Ridders te paard, met
-den helm op het hoofd en een maliënkolder aan, verbeidden ongeduldig
-het uur van den strijd. Tal van voetknechten hadden zich om hen
-verzameld. Sommigen droegen leeren, anderen ijzeren kappen. Nog
-anderen, die zich den tijd niet hadden gegund, om iets mee te nemen,
-liepen blootshoofds. De meesten waren in een leeren kolder gehuld,
-maar er bevonden zich ook strijders in den troep, die eenvoudig een
-dierenhuid hadden omgeslagen, ten einde hun lichaam toch eenigszins
-tegen slagen en steken te beveiligen.
-
-Ook Alewijn bevond zich onder de strijders. Den boog had hij maar
-met rust gelaten; in een gevecht van man tegen man zou hij met een
-fermen kolf meer kunnen uitrichten. Zoo'n knuppel, aan het zware
-einde van scherpe punten voorzien, mocht dan ook een geducht wapen
-genoemd worden, vooral wanneer het gezwaaid werd door de sterke vuist
-van Alewijn.
-
-Voor den eersten keer van zijn leven woonde de jongen een gevecht
-bij. Hoewel het hem eigenlijk weinig kon schelen, of heer Diederik, dan
-wel de vijand het won, begon hij toch schik in den krijg te krijgen,
-zeker, omdat hij daarin gelegenheid had, zijn kracht te toonen. En
-alsof het een veertje was, zoo zwaaide hij zijn kolf in het rond.
-
-"Hei," riep Hark, die dicht bij hem stond, "houd je wat kalm
-asjeblieft; het lijkt wel, of je mij voor een van de vijanden
-aanziet. Of wou je tegen de lucht vechten? Dat is gemakkelijk voor je."
-
-De omstanders begonnen te lachen, tot een der ridders, die in de
-nabijheid zich bevond, fluisterend beval: "Stilte die lui daar;
-let liever op, of je moet aanvallen."
-
-Dadelijk hielden allen zich rustig. Hoe scherp men ook uitkeek,
-niemand kon nog iets onderscheiden, zoo donker was het. Enkelen
-merkten reeds fluisterend op, dat het wel bedriegerij zou zijn,
-toen er plotseling lichten schemerden.
-
-"Domme lui toch," bromde Gerebrandt, "nog fakkels mee te nemen!"
-
-Ja, dit leek ook wel wat dwaas, maar de belegerden wisten natuurlijk
-niet, dat er zoo goed wacht werd gehouden. Ze waren in de vaste
-overtuiging, dat het geheele leger rustig sliep, vermoeid van de groote
-inspanning der laatste dagen. Zoo hoopten ze, eer nog de verschrikte
-wachten alarm gemaakt hadden, het kamp te overvallen, en de houten
-belegeringswerktuigen in brand te steken. En voor dit doel was het
-vuur meegenomen. Alles: blijden, springalen, arbaleten, tot de kat toe,
-ja, dit laatste werktuig vooral, hoopten ze in vlammen te doen opgaan.
-
-Ze hadden hun plan wel goed overlegd. Terwijl de voorste krijgers
-den vijand moesten aanvallen, schrik brengende onder de slapenden,
-om hen eindelijk in wanorde op de vlucht te jagen, zouden anderen met
-brandende stoffen, pek en teer, de belegeringswerktuigen in vlammen
-doen opgaan.
-
-Welk een teleurstelling! Want pas bevond zich de geheele bende buiten
-de poort, of daar werd ze plotseling van alle zijden aangevallen.
-
-"Er mag niemand ontsnappen," had de edelman bevolen. En in zich zelf
-lachte hij vergenoegd bij de gedachte, dat de jonker, die zich stellig
-ook wel bij de bende zou bevinden, levend of dood in zijn handen moest
-vallen. Ha, zulk een vangst was de moeite waard. De edelman had dan
-ook ten strengste bevolen, dat men zijn best zou doen, om den jonker
-te vangen.
-
-Ten einde den uitslag van het gevecht ontwijfelbaar te maken, had de
-edelman aan de eene zijde een krachtigen troep welgewapende strijders
-doen plaats nemen, die den vijand in den rug moesten aanvallen.
-
-Nog een oogenblik, en er ontstond een vreeselijk rumoer in den
-donkeren nacht. Menschen en paarden woelden schreeuwend en hinnekend
-dooreen. Overal sloeg men met zwaarden en knotsen er wild op in. Weldra
-hoorde men aan alle zijden het akelig kermen der gekwetsten.
-
-In plaats van hun vijanden te verrassen, waren de belegerden zelf
-in een val geloopen, een val, zoo vreeselijk, dat er aan uitkomst
-niet te denken viel. En toen ze, inziende, dat hun plan zoo deerlijk
-mislukt was, ontsteld op de vlucht sloegen, werden ze ook van de andere
-zijde aangevallen. Zoo zagen ze zich ingesloten, aan alle kanten door
-een overmachtigen vijand ingesloten. Hier kon geen strijden helpen,
-hier liep men onvermijdelijk zijn verderf te gemoet. Weldra was het
-dan ook geen vechten meer, het was slachten; of de ongelukkigen al
-jammerend om genade smeekten, daar werd niet naar geluisterd; met een
-ware moordlust sloegen de belegeraars op hun zwakke tegenpartij in, die
-dan ook merkbaar verminderde. Slechts enkelen werden gevangen genomen.
-
-Bijna geen der belegerden kon nog de poort bereiken; de weinige
-vluchtelingen werden op den voet gevolgd door hun juichende
-vijanden. Dezen meenden reeds, op een gemakkelijke manier binnen het
-kasteel te geraken, toen de zware deur hun nog juist bijtijds voor
-den neus werd dichtgesmeten.
-
-Heer Diederik was verrukt over de prachtige overwinning; tal van
-vijanden lagen dood of gewond neer; alleen speet het hem, dat hij
-den jonker niet had kunnen vangen. Het scheen dus, dat deze bij het
-gevecht niet tegenwoordig was geweest. Dit verminderde de vreugde van
-heer Diederik wel wat; zoolang hij zich niet van den jonker meester
-gemaakt had, was hij niet tevreden. Intusschen zou dit doel ook wel
-bereikt worden: de bezetting van het kasteel was door den ongelukkigen
-uitval zeer verzwakt; ze kon het nu onmogelijk lang meer uithouden.
-
-Toch vergiste de ridder zich, als hij meende, dat de jonker den
-uitval niet had meegemaakt; deze was wel degelijk onder de strijdenden
-geweest. Wat er dan met hem was voorgevallen? We zullen het spoedig
-zien.
-
-Een uur na middernacht heerschte er weer diepe rust om het kasteel. De
-meeste strijders waren gaan slapen, overtuigd, dat de bezetting
-vooreerst geen tweeden uitval zou wagen. Alleen hier en daar stonden
-de wachten en deden moeite om zich den slaap uit de oogen te houden. De
-regen had opgehouden. De maan kwam op; het werd wat lichter.
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-OP WACHT.
-
-
-"'t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn," zei Gerebrandt,
-"je treft het, het weer klaart op."
-
-"Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken."
-
-"Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen," hernam
-Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende.
-
-Alewijn rilde. "Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te
-zijn," dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op
-wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel
-rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode
-menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan.
-
-"Nu," zei Gerebrandt, "ik wensch je veel genoegen; pas maar op,
-dat je niet in slaap valt."
-
-Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van
-het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat
-hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem
-heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn
-daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht
-bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden;
-dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan.
-
-Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa.
-
-"Hoe vreemd toch," dacht Alewijn. "Een paar uur geleden was die daar
-nog gezond en wel en nu."
-
-Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak
-naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij
-wilde vluchten en kon het niet: 't was, alsof die doode zich
-bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige
-gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te
-kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij
-beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen,
-dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo
-duidelijk gezien.
-
-O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te
-duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn
-voelde zijn hart bonzen, hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem
-stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij
-zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven,
-te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te
-gevoelen, toch sidderde hij.
-
-Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat
-aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde,
-moedige natuur kreeg weer de overhand.
-
-Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem
-met zijn spookachtige verschijning zoo'n schrik had aangejaagd. Een
-paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog
-door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe,
-en, wat bleek nu?
-
-Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met
-moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem:
-
-"Kom je om mij te dooden?"
-
-"Dat zal er van afhangen, wie je bent."
-
-"Toe, dood mij maar, dadelijk liefst."
-
-"Dat is een dwaze wensch; heb je zoo'n pijn misschien?"
-
-"Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb
-medelij."
-
-"Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?"
-
-"Ja."
-
-Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half
-opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging
-hem een licht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen!
-
-"Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen."
-
-"Och, doe dat niet," smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn
-moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman,
-jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest
-wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich
-zoo niet verlagen.
-
-"Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?"
-
-"Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge
-man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor
-dan mijn bede."
-
-"De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen
-barmhartig te toonen."
-
-"Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van
-me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen."
-
-"Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker
-levend gevangen te nemen."
-
-"Wat, hoe weet je....?"
-
-"Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van."
-
-"Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd
-bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo'n groote weldaad,
-waar je altijd dankbaar voor moet blijven?"
-
-Alewijn weifelde: "Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?" dacht
-hij.
-
-De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij
-had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn
-eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn,
-om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als
-Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden,
-zou zijn leed niet te overzien zijn.
-
-De jonker scheen zijn gedachten te raden. "Jonge man," zei hij,
-"wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij
-rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt,
-dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me
-niet levend aan mijn doodsvijand over."
-
-"Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit
-ook mijn gevoel van eer," zei Alewijn op eenigszins scherpen
-toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den
-ongelukkigen gewonde. "Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te
-maken?" mompelde hij. "Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft
-hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet
-voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen
-opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?"
-
-Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker:
-"Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan
-en op mij te leunen."
-
-Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, en zie, hoe moeilijk het
-ook ging, de jonker schreed langzaam voort.
-
-"Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste
-achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge
-voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen."
-
-"Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik
-zal je goed beloonen."
-
-"Een beloning begeer ik niet," antwoordde Alewijn en hij vervolgde
-glimlachend: "Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te
-beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw
-kasteel het niet lang meer uithoudt."
-
-"Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht
-het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered."
-
-"Waar woont die?"
-
-"We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan;
-ze zal den jonker niets weigeren, als hij om een schuilplaats smeekt."
-
-Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen
-met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens
-donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend
-wezen. "Dat mag waarlijk een wonder heeten," dacht Alewijn, "hoe
-dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik
-kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word."
-
-Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste
-was hij wel genoodzaakt, een door de maan beschenen vlakte over te
-steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige
-spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam
-loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel
-tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen.
-
-Eindelijk hadden ze het boschje bereikt.
-
-"Zie zoo," zei Alewijn, "ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet
-ik maken, dat ik terugkom."
-
-Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk.
-
-"Wacht," hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk
-brood te voorschijn halende, "'t is wel niet veel bijzonders, wat ik
-u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel."
-
-De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was
-hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje
-dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn.
-
-Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel,
-dat hij zijn mond hield.
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-DE OUDE WENA.
-
-
-Het kasteel hield het langer uit, dan heer Diederik had verwacht. De
-dikke muren boden weerstand aan de geduchte slagen van den stormram
-en de edelman begon te vermoeden, dat hij met geweld niets zou
-uitrichten. "Dan maar een ander middel te baat genomen," dacht hij,
-"een middel, dat wel langzaam, maar zeker werkt: den honger."
-
-Zoo kwam het, dat op een morgen alle vijandelijkheden gestaakt werden;
-de heer wilde niet onnoodig pijlen laten verschieten.
-
-Alewijn, Hark, Gerebrandt en eenige anderen hadden niets te doen en
-zaten op een rustig plekje een stuk brood te deelen.
-
-"'t Wordt een schrale boel, jongens," zei Gerebrandt.
-
-"Hoe zoo?"
-
-"Ik hoor, dat onze voorraad is opgeraakt, en de wagens, die
-uitgezonden werden, om meel, brood en vleesch te halen, zijn nog
-niet teruggekeerd."
-
-"Vóór overmorgen kunnen ze hier onmogelijk wezen."
-
-"Dan wordt het vasten. Ik kan niet zeggen, dat ik daar veel mee
-op heb."
-
-"Ik ook niet. We doen verstandig met ons zelf te helpen en dit stukje
-voor van avond te bewaren."
-
-"Er zal toch in den omtrek nog wel iets te krijgen zijn."
-
-"Dat zou ik ook denken."
-
-"Als we er maar eens op uit mochten."
-
-"Durf jij het te vragen, Hark?"
-
-"Och, jawel, er is hier toch niets te doen."
-
-"Ja, jongens, waarom zou heer Diederik bevolen hebben, dat alles
-moest ophouden?"
-
-"Misschien wil hij het kasteel uithongeren."
-
-"Daarom begint hij zeker met zijn eigen volk honger te laten lijden. Ik
-geloof niet, dat dit de beste manier is."
-
-"Nu," zei Hark, "ik ga eens vragen."
-
-"Je krijgt toch geen verlof. De strijd kan elk oogenblik weer
-beginnen."
-
-"Dat zullen we zien."
-
-Korten tijd, nadat Hark was heengegaan, kwam hij alweer terug en
-riep heel blij: "Het mag, jongens, het mag, als we vóór van avond
-maar weer terug zijn."
-
-Weldra gingen er vier op weg, gewapend met daggen, om den landlieden
-ontzag in te boezemen.
-
-"Hei jongens, waar gaat dat naar toe?" riep Allert, die bij zijn
-schietwerktuig op den grond zat.
-
-"Een wandeling doen, voor de gezondheid," antwoordde Hark. "Blijf jij
-maar rustig bij je springaal zitten en pas op, dat de pijlen niet in
-je eigen gezicht terecht komen."
-
-"Loop, flauwe rekel, of ik zal je."
-
-Alle vier begonnen hartelijk te lachen, vervolgden rustig hun weg en
-trokken weldra het veld in.
-
-Ze zochten den geheelen ochtend; daar echter bijna alles in den omtrek
-al plat geloopen was, vonden ze niets.
-
-Eindelijk kwamen ze bij een dicht boschje, waar zich, bijna
-onmerkbaar voor het oog, een klein bouwvallig houten huisje bevond. De
-onderzoekende blik van Gerebrandt had het al spoedig opgemerkt.
-
-"Wel," zei Hark, toen Gerebrandt hem het hutje had gewezen, "veel
-bijzonders zal het wel niet zijn, maar licht is het de moeite waard."
-
-Dicht bij de hut zat op den grond een oud vrouwtje, met rimpelig,
-maar vriendelijk gezicht.
-
-"Hoor eens, vrouwtje, je moest ons even een kijkje laten nemen. Wij
-hebben honger."
-
-"Och, beste jongens, ik ben een doodarme vrouw; bij mij is niets
-te halen."
-
-"Nu, dat begrijpen wij wel. 't Is ons dan ook maar om een heel klein
-beetje te doen. Vooruit, laten wij maar eens gaan zien."
-
-Alewijn merkte met deernis op, hoe het arme vrouwtje blijkbaar in
-de grootste verlegenheid verkeerde. Ze liep onrustig heen en weer
-en wist niet, wat ze doen moest. Eindelijk zei ze: "Een kruikje melk
-kan ik missen, maar dat is ook alles; laat mij asjeblieft met rust,
-mijn dochter is ziek, ze zal zoo schrikken."
-
-"Kom, praatjes! Zieke dochter! Als wij niet te eten hebben, worden
-we ook ziek."
-
-Alewijn begreep, dat hij tusschenbeiden moest komen; hij had innig
-medelijden met de smeekende vrouw, die er zeer tegen op scheen te zien,
-dat de ruwe gasten haar huisje zouden binnentreden.
-
-"Och jongens," zei hij, "zie je niet, dat je dat arme mensch een
-schrik op het lijf jaagt? Weet je wat, blijven jullie hier, dan zal
-ik maar eens kijken."
-
-"Zeker om den buit alleen te houden; neen baasje, wij zijn ook slim,"
-zei Hark.
-
-"Nu, ik vind het even goed, dat jij gaat," antwoordde Alewijn, "maar
-dat weet ik wel, wij kunnen niet met ons vieren bij een ziek mensch
-in huis komen."
-
-"Goed," zei Hark, maar Gerebrandt wist, dat die jongen zelf niet te
-vertrouwen was en vond het daarom beter, dat Alewijn in het huisje
-een kijkje zou nemen. Ten laatste moest Hark wel toegeven, en Alewijn
-ging, na plechtig verzekerd te hebben, dat hij alles eerlijk met zijn
-makkers zou deelen.
-
-Hoe de vrouw ook smeekte, hoe ze alle pogingen aanwendde om den
-indringer buiten te houden, Alewijn trad het huisje binnen. Hij was
-namelijk nieuwsgierig geworden. Waarom verzette die vrouw zich toch
-zoo? Was dat alleen, omdat ze vreesde, dat men haar berooven zou? Wie
-toch weinig bezat, had ook weinig te missen. Neen, daar moest iets
-anders achter steken.
-
-"Wees maar gerust, moedertje, ik zal je geen kwaad doen."
-
-In het vertrek was het vrij duister. Het zag er natuurlijk zeer kaal
-en armoedig uit. Op een bankje lag een stuk grijs brood, maar daar
-wilde Alewijn de arme niet van berooven.
-
-"Toe, beste jongen," zei het vrouwtje, "neem dat maar en ga dan heen."
-
-"Gekheid," antwoordde Alewijn, "berg het liever goed weg: mijn makkers
-zouden er zich anders nog van meester maken. Maar zeg me eens, hoe komt
-het toch, dat je zoo gejaagd bent? En waar is je zieke dochter nu?"
-
-"Kom, wat kan je mijn ziek kind schelen? Steek dat brood bij je en
-ga heen. Plaag een arme vrouw niet langer."
-
-Alewijn had er reeds aan gedacht te vertrekken, maar juist, doordat de
-vrouw zoo aandrong, werd zijn nieuwsgierigheid nog meer opgewekt. Hij
-keek goed rond en merkte in een hoek een donkere massa op.
-
-Bedaard trad hij nader, vragende:
-
-"Zoo, zoo, is ze dat? Heb je haar met opzet in het duister gelegd?"
-
-De arme vrouw verkeerde in den hoogsten angst.
-
-"O wee, wat zal me nu gebeuren!" mompelde zij.
-
-Alewijn bekeek het gewaande meisje en ontdekte tot zijn groote
-verwondering, dat het niemand anders dan de jonker was. Hij herkende
-den ridder dadelijk.
-
-"Ha, ha, nu, het had maar weinig gescheeld, of uw schuilplaats
-was verraden. Ik vind het niet heel voorzichtig, hier zoo lang te
-blijven. Weet ge wel, dat ge hier niet veilig zijt?"
-
-"Vanavond wou ik al verder gaan," bromde de jonker, "maar ik was
-uitgeput; ik had rust noodig en daarom ben ik een paar dagen bij de
-oude Wena gebleven."
-
-Deze luisterde met verwondering toe.
-
-"Och," zei ze, "verraad mijn goeden jonker toch niet."
-
-"Wees gerust, moedertje," antwoordde Alewijn glimlachend, "ik zal je
-niet verklikken. Laat ik nu mijn best doen, mijn makkers hier vandaan
-te krijgen; die zullen wel ongeduldig worden."
-
-Voor hij wegging, besloot hij het brood mee te nemen, om niet met
-leege handen bij de anderen te komen. Hij vreesde wel, dat ze niet
-heel tevreden zouden zijn over den gevonden buit en dat ze daarom
-zelf eens een kijkje zouden gaan nemen.
-
-Tot zijn groote verwondering echter viel dit zeer mee: hij zag ze
-met hun drieën op eenigen afstand van de hut druk bezig.
-
-"Wat zouden ze nu hebben?" dacht hij. Het scheen wel, of ze een
-beest gevonden en geslacht hadden. Een schaap misschien? "Dat arme
-mensch," mompelde Alewijn, "misschien was het wel 't eenig stuk vee,
-dat ze bezat."
-
-"Niet veel te halen, jongens; 't is de moeite niet waard."
-
-"'t Hoeft ook niet," riepen de anderen, "we hebben ons zelf al
-geholpen. Kijk eens, wat een pracht van een beest, hé?"
-
-Naderbij tredende, zag Alewijn met afschuw dat ze een hond geslacht
-hadden.
-
-"Wat?" zei hij, "een hond? Waar wil je met dit beest naar toe?"
-
-"Ha, ha," lachte Gerebrandt, "vraag je dat nog? Wie een paar jaren in
-heer Diederiks dienst is geweest, weet maar al te goed, wat honger
-beteekent en hoe lekker hondevleesch er door wordt. Als onze heer
-slechte tijden beleeft, laat hij dat het eerst aan zijn onderhoorigen
-merken."
-
-"Nu," zei Alewijn, "ik wensch je smakelijk eten, maar ik zal mijn
-maal liever met dit stuk brood doen."
-
-"Zeker niet," merkte Hark op, "alles eerlijk deelen. Jij kunt immers
-ook van het vleesch krijgen?"
-
-"Maar hoort eens, jongens, dat meisje is wezenlijk heel zwak; zouden
-we niet liever wat verder weg gaan?"
-
-"Je hebt gelijk," zei Gerebrandt, "in gindsche beek vinden we water;
-daar kunnen we het vleesch afwasschen. En droog hout staat er in
-overvloed."
-
-"Hoe komen we nu aan vuur?"
-
-"Daar kan Alewijn wel even voor zorgen. Kom, jongen, je hebt nog niet
-veel goeds uitgevoerd. Ga bij dat vrouwtje wat halen."
-
-Alewijn had daar natuurlijk niets tegen, en, terwijl zijn makkers een
-ander plaatsje opzochten, begaf hij zich nog even naar de hut. Daar
-binnengetreden, merkte hij op, dat de jonker al verdwenen was.
-
-"Zoo, zoo, is de vogel gevlogen?"
-
-"Och, beste jongen, zul je me heusch niet verklappen? De jonker is
-zoo goed voor me geweest; dikwijls kwam hij hier een poosje praten,
-en in kwade tijden kon ik altijd op hem rekenen."
-
-"Wees maar gerust, vrouwtje; ik heb zelf reden om te zwijgen; als ik
-jou verklapte, zou ik ook gevaar loopen. Nu, wees maar voorzichtig...."
-
-Toen het viertal des avonds terugkeerde, zagen ze tot hun groote
-verwondering, dat het kasteel overgegeven was; de vlag van heer
-Diederik woei reeds van een torentrans; een groot deel van het leger
-bevond zich binnen het kasteel; de belegerden waren gevangen genomen
-en werden op het voorplein bewaakt. Voor het eerst in langen tijd
-behoefde Alewijn niet meer buiten te overnachten; hij mocht met Hark
-en Gerebrandt in een der kamers van den burcht zijn leger gereedmaken.
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-ALEWIJNS RIJKDOM.
-
-
-Heer Diederik wenschte nog eenigen tijd in het veroverde kasteel
-te vertoeven; in dien tijd hadden zijn mannen natuurlijk niet veel
-te doen; ze konden dus vrij rondloopen en op allerlei wijzen zich
-vermaken. Alewijn hield veel van visschen, en, daar hij in den omtrek
-eenige plassen ontdekte, die rijk aan visch waren, had hij op die
-wijze al spoedig een aangename tijdkorting gevonden. Terwijl hij eens
-met zijn hengel in de hand, geduldig wachtende, bij een beekje stond,
-kwam er een vrouw op hem toeloopen. Het was het moedertje, bij wie
-de jonker een schuilplaats had gezocht.
-
-"Gelukkig, dat ik je zie," sprak ze.
-
-De jongen keek ontsteld om en zei: "Wel, je zou me doen schrikken."
-
-"Zie ik daar nu naar uit?" vroeg het vrouwtje glimlachend.
-
-"Volstrekt niet, maar ik wist niet, dat er iemand bij me stond en
-toen ik daar opeens je stem hoorde."
-
-"Nu, dat kan ik best begrijpen. Laat ik nu maar gauw mijn boodschap
-doen, voor iemand ons ziet."
-
-Deze woorden van het oude moedertje verbaasden Alewijn zeer. "Wat zou
-ze me te vertellen hebben?" dacht hij en hij legde zijn hengel neer,
-daar de visch den laatsten tijd toch niet meer scheen te bijten.
-
-"Ik moet je de groeten van den jonker doen."
-
-"Zoo, is hij goed terecht gekomen?"
-
-"Ik denk het wel. Eergisteren werd mij bericht, dat hij bij een van
-zijn vrienden een schuilplaats heeft gevonden. Nu wil hij, voor hij
-verder reist, je een klein bewijs van zijn dankbaarheid geven. Zie
-hier!"
-
-"Wat," riep Alewijn verrast, toen hij zag, hoe de vrouw hem een zakje
-met klinkende schellingen toereikte, "ik behoefde er volstrekt niets
-voor te hebben; zooveel was me de heele zaak niet waard. Neen, dat
-neem ik niet aan."
-
-"Waar moet ik er dan mee heen? Ik kan het den jonker niet terugzenden,
-en het in het water te gooien....."
-
-"Dat is ook niet noodig, maar ik zou denken, dat je het zelf best
-kunt gebruiken."
-
-"'t Is voor mij niet bestemd; de jonker heeft het alleen gegeven als
-belooning voor den redder van zijn leven. Ik vind, dat je het niet
-weigeren kunt."
-
-"Wat toevallig, dat je me gevonden hebt. Wat zou je doen, als ik hier
-niet aan het visschen was geweest?"
-
-"Dan zou ik heel brutaal het kasteel binnengaan; ik denk, dat ze
-een arme oude vrouw wel geen kwaad doen, en als ik je daar dan zag,
-wilde ik je vragen, even buiten te komen."
-
-"Zoo, zoo, dat is wel slim overlegd. Nu, als je er dan volstrekt op
-staat, wil ik het geld wel aannemen, ofschoon ik eigenlijk niet weet,
-wat er mee uit te voeren."
-
-"Wees maar gerust; er zal een tijd komen, dat je het best kunt
-gebruiken; bewaar het goed en zorg vooral, dat niemand er achter komt."
-
-"Dank je wel. Dit zul je toch wel van me willen aannemen." Alewijn
-bood de oude vrouw een paar geldstukken aan, die zij dankbaar in
-ontvangst nam, waarop ze Alewijn vaarwel zei en haars weegs ging.
-
-Toen Alewijn alleen was, zette hij zich op een steen neer, haalde het
-zakje met geld te voorschijn en toen hij zich had overtuigd, dat geen
-onbescheiden oogen hem beloerden, nam hij de klinkende munten in de
-hand en bekeek ze met schitterende oogen. Welk een rijkdom. Zooveel
-geld had hij nog nooit bij elkaar gezien en aanstonds overlegde hij
-bij zich zelf, wat er al niet mee gedaan kon worden.
-
-'t Was een ware schat voor den armen lijfeigene, maar geheel onvermengd
-bleef zijn genoegen toch niet, want de arme jongen begreep heel goed,
-dat hij er in den eersten tijd niet veel mee zou kunnen uitvoeren. De
-vrouw had hem terecht tot voorzichtigheid aangemaand, en Alewijn was
-verstandig genoeg om dezen goeden raad niet in den wind te slaan. Want
-wat zouden de lui wel zeggen, als ze zagen, dat de jongen plotseling
-in het bezit van zooveel geld gekomen was? En de verdenking alleen was
-al voldoende, om een lijfeigene het bitterste lot op den hals te jagen.
-
-Zoo bij zich zelf overleggende, kwam Alewijn tot het besluit, dat hij
-het verstandigst zou doen met zijn schat te verbergen, en zorgvuldig
-eenigen tijd te bewaren, totdat het oogenblik aanbrak, om het op de
-beste wijze te besteden.
-
-Het kwam er nu maar op aan, een geschikte plaats te vinden, een plaats,
-waar niemand het vinden zou en waar hij het geld zoo nu en dan kon
-bewonderen, zonder gevaar voor ontdekking te loopen.
-
-In het geheel niet meer denkende aan den hengel, waar nog wel een ferme
-zeelt aan zat, die in zijn ijver om los te komen, den stok reeds half
-in het water had geworpen, verliet hij zijn plaatsje aan de beek,
-en zocht het veld rond. Geen enkele schuilplaats kon hem eigenlijk
-voldoen. Eerst borg hij het geld tusschen eenige struiken, doch toen
-hij eenige dagen later daar twee mannen aan het werk zag, begon hij
-ongerust te worden. Hij vond dus geen rust, voor het hem gelukte, een
-nieuwe schuilplaats te ontdekken. Ook nu was hij echter niet tevreden.
-
-Zoo ging het den knaap, totdat eindelijk de heer bevel gaf, op te
-breken en het oude kasteel weer te betrekken. Pas had Alewijn vernomen,
-dat hij en zijn makkers binnenkort den veroverden burcht weer zouden
-moeten verlaten, of hij ijlde naar de plaats, waar zijn schellingen
-in den grond gestopt waren en borg ze nu onder zijn kleeren op zijn
-bloote lichaam.
-
-Eenige dagen later waren allen weer op hun vroegere woonplaats
-teruggekeerd, en, daar de oogsttijd naderde, viel er voor de
-krijgslieden van eenige weken geleden overvloedige arbeid te vinden:
-de meesten van hen, waaronder ook Alewijn, moesten boog of speer of
-kolf wegbergen en ijverig meehelpen aan den veldarbeid.
-
-Maar wat Alewijn ook deed, zijn schat ging hem geen oogenblik uit zijn
-gedachten. Hoe verheugd hij er ook mee was, hoe goed hij hem ook had
-verborgen, toch bekroop hem gedurig de vrees, dat het geld bij het werk
-door een plotselinge sterke beweging voor den dag mocht komen. Deze
-gedachte plaagde hem onophoudelijk, totdat hij eindelijk besloot, ook
-nu weer een plaatsje op te zoeken, waar hij zijn rijkdom verbergen kon.
-
-Op een namiddag, toen hij het dagwerk verricht had, begaf hij zich
-niet zooals anders in den kring van zijn makkers om een praatje te
-houden, maar hij sloop stil de poort uit.
-
-"Hei, Alewijn, waar ga je naar toe?" riep Hark.
-
-Onwillekeurig werd Alewijn verlegen, en in zijn angst, dat de ander met
-hem mee zou willen gaan, gaf hij maar het eerste antwoord het beste,
-dat hem in den zin kwam.
-
-"Ik heb hengels gezet en ga zien, of er een snoek aan zit."
-
-"Jongen, dan moet ik mee."
-
-"Wat een vervelende kerel," dacht Alewijn, die niet weinig verlegen
-was, daar hij in het geheel geen hengels gezet had, en zijn
-verlegenheid werd nog grooter, toen Gerebrandt sprak: "Weet je wat,
-ik wil ook wel eens zien, waar jij altijd die prachtige snoeken
-vandaan haalt."
-
-Alewijn kon natuurlijk, nu hij eenmaal gelogen had, niet meer met
-de waarheid aankomen en hij bracht zijn nieuwsgierige makkers naar
-een sloot, waar, naar hij zei, de hengels zich moesten bevinden. De
-grootste verwondering veinzende, zei hij: "Wel verbazend, daar hebben
-ook dikke snoeken aan gezeten; alles is verdwenen."
-
-"Weet je, wat ik geloof?" zei Gerebrandt, terwijl hij aandachtig de
-oppervlakte van het water onderzocht.
-
-"Nu?" vroeg Hark.
-
-"Dat hij ons leelijk voor den gek gehouden heeft."
-
-Als Hark daar eerst nog niet aan gedacht had, dan kon hij het nu
-wel gissen, want Alewijn, die de kunst van veinzen slecht verstond,
-kreeg een kleur als vuur en stamelde enkele woorden, om zijn houding
-te verklaren.
-
-"Nu," zei Gerebrandt, "ik vind, dat het al een heel flauwe manier
-van doen is. Wat heb je daar nu aan?"
-
-En Hark zei: "Ik zal je wel weer krijgen, vrind. Je had zeker andere
-plannen, niet waar Alewijntje, plannen, waarbij je geen dwarskijkers
-gebruiken kunt."
-
-"O, heelemaal niet," bracht Alewijn met moeite uit, terwijl zijn
-kleur nog hooger werd.
-
-"Dan moeten wij hem niet storen," zei Gerebrandt spottend. "Kom,
-Hark, ga je mee?" Plotseling keerden beiden zich om en maakten,
-dat ze wegkwamen, terwijl Alewijn met een dwaas gezicht bij de sloot
-bleef staan, niet wetende, wat te doen.
-
-Toen schoot het hem weer te binnen, met welk doel hij eigenlijk
-uitgegaan was, maar hij durfde zijn plan niet te volvoeren, uit vrees,
-dat Gerebrandt en Hark uit een boschje hem zouden beloeren. Daarom
-keerde hij ten laatste naar het kasteel terug. Het spreekt van zelf,
-dat er de volgende dagen geen denken aan was, het geld te verbergen;
-daartoe hield de hooioogst hem, evenals de andere knechts van heer
-Diederik, veel te druk bezig. Een dag of vier later was de gelegenheid
-gunstig: Hark en Gerebrandt moesten voor den heer een sloot uitdiepen
-en, toen Alewijn vrij was, vroeg hij aan Eggerik een schop ter leen,
-begaf zich daarmee naar buiten en maakte op een eenzaam plekje een
-kuil in den grond. Hier werd het zakje met geld verborgen. Om het
-plaatsje later te kunnen terugvinden, mat hij, hoeveel passen het
-verwijderd was van een boom, die daar in de buurt stond, vergewiste
-zich, dat hij geen fout gemaakt had, en ging weer heen. Gelukkig was
-hij zoo verstandig, er niet elken dag naar te gaan kijken; anders zou
-het al spoedig de aandacht getrokken hebben, vooral daar Gerebrandt
-en Hark op hem letten. Het kostte hem anders moeite genoeg, want
-voortdurend had hij een groot verlangen om te zien, of zijn geld er
-nog wel was. Weldra bemerkte hij tot zijn geruststelling, dat Hark
-en Gerebrandt de geschiedenis vergeten schenen te zijn; op het door
-hem gekozen plaatsje kwam nooit iemand en zoo had hij alle reden
-tot tevredenheid.
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-HET TIENDMAAL.
-
-
-Niet ver van den burcht woonde een boer, die tiendplichtig was aan
-heer Diederik. Ook die landman had het druk met den oogst, zoo druk
-zelfs, dat nog een groot deel van het koren op het veld stond, toen de
-meeste werkzaamheden op de landerijen, die tot het kasteel behoorden,
-reeds afgeloopen waren. Het weer bleef langen tijd gunstig, maar de
-boer was er natuurlijk niet zeker van, dat het zoo blijven zou en
-daarom zag hij uit naar rappe handen, die hem behulpzaam konden wezen.
-
-Hierdoor kwam het, dat Alewijn en Hark, terwijl ze op een afgemaaid
-hooiland stonden te harken, plotseling een stem achter zich hoorden:
-
-"Hei, jongens, hoor eens even."
-
-Beiden keken om en zagen den boer naderen, die dichtbij gekomen, sprak:
-"Hebben jelui lust, mij met het inhalen van het hooi te helpen?"
-
-Hark en Alewijn keken elkander aan. Hoewel ze nu niet bepaald op
-overmatigen arbeid gesteld waren, schenen ze in dit geval wel zin te
-hebben, aan de uitnoodiging van den boer te voldoen. Er was slechts
-één bezwaar: "Zou heer Diederik het goedkeuren?" Mocht die er niets
-tegen hebben, dan waren Hark en Alewijn wel tot helpen genegen,
-want ze kenden den boer als een gul man en ze wisten dus, dat hun
-bereidwilligheid geen windeieren zou leggen. Daarom gaven ze tot
-antwoord, dat ze eerst de toestemming van heer Diederik moesten hebben.
-
-"O, als het daarvan afhangt, weet ik al zeker, dat ik op jullie rekenen
-kan. In zulke gevallen is heer Diederik altijd heel schikkelijk."
-
-"Zou je denken? Dan geloof ik, dat je hem niet goed kent," meende Hark.
-
-"Wees maar gerust. Nu, je zult het zien."
-
-Het kwam uit, zooals de boer voorspeld had. De edelman maakte in
-het geheel geen bezwaar; integendeel, hij vond het zeer goed, dat
-zijn lijfeigenen, die op dat oogenblik toch niets te doen hadden,
-aldus hun tijd nuttig besteedden.
-
-Op den bepaalden dag trokken Alewijn en Hark dan ook naar den boer
-en werkten ijverig mee, zóó ijverig zelfs, dat de man des avonds
-herhaaldelijk zijn tevredenheid betuigde en hun een buitengewoon
-goed loon uitbetaalde. Maar meer nog dan met dit loon, waren de
-knapen verheugd over de uitnoodiging, om aan het tiendmaal deel te
-nemen. Zoodra namelijk het oogsten afgeloopen was, moesten aan den heer
-de tienden betaald worden, maar deze gaf dan aan zijn tiendplichtige
-boeren een feest, het tiendmaal. Op dezen maaltijd nu waren de mannen
-zeer gesteld, want de edelman schonk hun door groote mildheid de
-gelegenheid, zich eens buitengewoon te goed te doen.
-
-"Heb je lust, om aan het tiendmaal mee te doen?" vroeg de boer aan
-de beide knapen.
-
-Men kan gemakkelijk raden, wat ze antwoordden.
-
-"Goed," zei de man weer, "ik zal mijn best doen, dat je daartoe
-verlof krijgt; jullie hebt beiden zoo hard gewerkt, dat je wel een
-pretje toekomt."
-
-Hij hield woord ook, en toen eenige dagen later het feest op de
-hoeve van een der tiendplichtige boeren gegeven werd, kwamen Alewijn
-en Hark al tijdig, om mede van de partij te zijn. Reeds den dag te
-voren was een lange tafel in gereedheid gebracht en dat de heer bij
-deze gelegenheid niet karig was, bleek, toen hij bevel gaf, eenige
-koeien te slachten en een paar tonnen bier uit den kelder te halen.
-
-Oppervlakkig gezien, zou men denken, dat er wel te veel eten en drinken
-was, maar heer Diederik kende de gasten en wist, dat ze, behalve een
-opgeruimde stemming, ook een gezonde maag meebrachten op het feest.
-
-Weldra ging het er lustig toe: eten, dat er gedaan werd, eten! Men zou
-het haast een wonder noemen. Het eene stuk gebraden vleesch vóór, het
-andere na, verdween in een ommezien. Daarbij werd het bier natuurlijk
-niet vergeten, en toen tegen den middag de heer een kijkje kwam nemen,
-merkte hij tot zijn genoegen op, dat men van zijn gulheid een dankbaar
-gebruik wist te maken. Hij moest er hartelijk om lachen, toen hij
-zag, hoe weer een reusachtig stuk vleesch in ongelooflijk korten tijd
-verorberd werd. Dadelijk gaf hij bevel, nieuwe spijzen aan te laten
-brengen; ieder gerecht werd begroet met gejuich, dat luider werd,
-naarmate de feestvierenden meer bier hadden genoten.
-
-Ook Alewijn, die zulk een feest nog nooit had bijgewoond, deed flink
-mee aan de pret, en niet minder Hark, die een reusachtige maag scheen
-te bezitten, want hij hield letterlijk niet op met eten. Toen het feest
-gedaan was, begaven beiden zich in een recht genoeglijke stemming naar
-huis. Alewijn had, om de waarheid te zeggen, meer bier gedronken dan
-goed voor hem was; wel kon hij nog flink loopen, maar de bedaarde
-jongen, die anders zoo voorzichtig was, gebruikte nu zijn verstand
-niet meer en liet zich daardoor licht een woord ontvallen, dat hij
-beter gedaan had met te verzwijgen. Dit zou zijn ongeluk veroorzaken,
-en zoo had, zeer tegen verwachting, het tiendmaal voor Alewijn een
-noodlottigen afloop.
-
-Hark kon men namelijk niet vertrouwen. Alewijn wist dit wel en was
-dan ook in de nabijheid van Hark zoo voorzichtig mogelijk geweest.
-
-Onder den invloed van het zware bier scheen hij dezelfde kalme Alewijn
-niet meer te zijn; lustig zingend liep hij naast Hark voort, en deze
-deed dapper mee. Toen beiden uitgezongen waren, begon Hark:
-
-"Heb je op dien Liebaart gelet; wat kan hij eten, hè? Ik geloof,
-dat hij wel een halve ton bier opgedronken heeft."
-
-"Dan is het geen wonder, dat hij zoo raar begon te doen. In het
-laatst werd hij nog kwaad ook. 't Had weinig gescheeld, of er was
-ruzie gekomen. Er is heel wat bier verdwenen."
-
-"Ik heb mijn deel ook wel gehad."
-
-"Toch mooi van heer Diederik, dat hij zoo gul is. Ik had het niet
-van hem verwacht."
-
-"Hij krijgt het anders gemakkelijk genoeg; zelf behoeft hij nergens
-een hand voor uit te steken."
-
-"Ja, je moet het geluk maar hebben. Wij kunnen sloven en hard werken
-en hij....."
-
-"Dat werken is nog 't ergste niet, maar dat zoo'n man zoo den baas
-over je kan spelen...."
-
-"O, ik vind dat slavenleven verschrikkelijk."
-
-"Werd er nog maar eens een kruistocht gehouden, dan deed ik ook mee."
-
-"Maar weet je wel, dat je dan veel kans had nooit terug te komen? Wat
-had je dan aan je vrijheid?"
-
-"Zeker weet ik dat, maar wat moet je anders? Als ik geld had, kon ik
-me vrij koopen, maar daar is nu eenmaal geen denken aan."
-
-"Wil ik je eens wat zeggen? Maar je moet het niet oververtellen."
-
-"Wat is het dan?" vroeg Hark vrij onverschillig, want hij vermoedde
-niet, dat er wat bijzonders zou komen.
-
-"Ik heb geld."
-
-"Dat zal wel."
-
-"'t Is heusch waar. Wel zooveel, dat ik mij driemaal vrij zou kunnen
-koopen."
-
-Nu was de belangstelling van Hark toch opgewekt, hoewel hij nog half
-geloofde, dat Alewijn hem voor den gek hield.
-
-"Laat mij het dan eens zien."
-
-"Ik heb het natuurlijk niet bij me."
-
-"Waar heb je het dan?" Hark vroeg dit zoo haastig, en zijn oogen
-keken zoo begeerig, dat Alewijn het antwoord nog bijtijds terug
-hield. Plotseling zag hij in, welk een dwaasheid hij begaan had en
-hij haastte zich dus, aan het gesprek een andere wending te geven:
-"Kom, 't is maar gekheid."
-
-Maar juist hierdoor verklapte hij alles, want Hark merkte zijn
-verlegenheid op en begreep daardoor, dat er iets van waar was. Dit
-wekte zijn nieuwsgierigheid en--zijn hebzucht.
-
-"Zoo, zoo, mannetje," dacht hij, "nu weet ik meteen, wat jij laatst
-moest uitvoeren, toen het heette, dat jij op snoek uit ging."
-
-Zwijgend vervolgden Alewijn en Hark hun weg. De eerste was stil
-geworden; hij deed zich zelf aldoor de bitterste verwijten, en Hark
-overlegde, hoe hij op de beste manier Alewijns geheim zou kunnen
-uitvorschen. Zoo kwamen ze in het kasteel terug. Hark was tot het
-besluit gekomen, dat Alewijn zijn schat zeker ergens zou verborgen
-hebben. Om de plaats er van te vinden, behoefde hij slechts zijn
-makker in het oog te houden en hem ongemerkt te volgen, als hij weer
-een uitstapje deed.
-
-Intusschen vermoedde Alewijn, wat er in Hark omging en dit spoorde
-hem aan, voorzichtig te wezen. Hoeveel moeite hem dit ook kostte,
-hij keek de eerste dagen naar zijn geld niet om, maar Hark was het
-gesprek niet vergeten en dacht: "Zoo'n oolijkerd, hij meent mij te
-misleiden, maar dat zal hij anders gewaar worden."
-
-Op een namiddag hield Alewijn het niet langer uit; hij wilde en moest
-weten, of zijn geld er nog was, en op een oogenblik, dat hij zich
-onbespied waande, verliet hij het kasteel en sloeg den weg naar de
-plek in, waar hij den schat had verborgen. Tot zijn genoegen was er
-op den weg, dien hij volgde, niemand te zien. Gedurig keek hij om,
-maar alles scheen veilig te zijn. Toch was dit niet zoo. Hark, de
-brutale, valsche Hark had opgemerkt, dat Alewijn zoo omzichtig de
-poort uitging en dadelijk ging hem een licht op. Aanstonds liet hij
-de varkens, die hij bezig was te voeren, in den steek en begaf hij
-zich niet naar buiten, maar de trap van een der torens op. Door smalle
-luchtgaten kon hij het heele veld overzien en na eenig zoeken ontdekte
-hij weldra Alewijn, die, zoo nu en dan omkijkende, het land over ging.
-
-"Nu maar eens goed opgelet, waar dat heengaat," dacht Hark en na
-eenig wachten zag hij tot zijn groote vreugde, hoe Alewijn zich bukte,
-toen weer rondkeek en daarna in den grond begon te graven.
-
-"Heel slim is hij toch niet," vond Hark; "wij zullen er wel een
-beter plaatsje voor uitzoeken." Toen Alewijn eenige minuten later
-terugkeerde, daalde Hark weltevreden de trap af, maar overtuigde
-zich eerst, of hij de plek, waar het geld verborgen scheen te zijn,
-zou kunnen vinden.
-
-De nieuwsgierige Hark had niet veel geduld, en met verlangen zag hij
-den avond tegemoet; hij was van plan, in de schemering het bewuste
-plaatsje op te zoeken, vervolgens te wachten, tot het donker was
-geworden en eindelijk zijn booze daad te volvoeren. Tegen den tijd,
-dat de zon onderging, spoedde hij zich op zijn beurt het hek uit,
-terwijl hij den poortwachter op diens vraag naar het doel van den
-tocht, antwoordde, dat hij voor den heer de kwakende kikkers moest
-doodslaan. Toen de man echter den geheelen nacht de lieve beestjes in
-het water vroolijker dan ooit hoorde kwaken, begreep hij, dat Hark
-iets anders uitvoerde. "Maar wat gaat het mij ook aan?" dacht hij
-en bekommerde zich om den heelen Hark niet meer, die intusschen op
-dezelfde wijze als 's middags Alewijn gedaan had zijn weg over de
-velden nam. Ook hij stond ieder oogenblik stil om rond te kijken,
-ook hij had een kleine schop onder zijn buis verborgen. Eindelijk
-ontdekte hij de plaats, waar Alewijn 's middags gegraven had; er kwam
-een grijns van boosaardige vreugde op zijn gezicht, toen hij zag,
-hoe op één plekje sporen waren te zien, die aanduidden, dat men er
-moest hebben gegraven.
-
-"Ha, ha, daar heeft hij den aap verborgen. Nu nog maar even gewacht,
-tot het donker is."
-
-Met een waar genoegen ging onze Hark in de nabijheid op den grond
-zitten, en oefende zich in geduld. De duisternis daalde hem lang
-niet snel genoeg; elk oogenblik hief hij zich half op, om aan het
-werk te gaan, maar dan ging hij weer zitten, want hij was bang,
-dat men hem bespieden zou, en hij wilde den buit geheel voor zich
-alleen hebben. Eindelijk kon hij niet langer wachten; trouwens, de zon
-was al lang onder en in den geheelen omtrek bevond zich geen levend
-wezen. Alleen in de struiken achter zich hoorde Hark iets ritselen,
-maar dat kon wel een wezel of zoo iets zijn. Na voor de zekerheid nog
-eenige minuten geduld te hebben gehad, nam hij zijn spade ter hand
-en begon haastig te graven. Daar stootte hij op iets; zijn gezicht
-gloeide van blijde verwachting, zijn hand greep begeerig toe, maar tot
-zijn teleurstelling bemerkte de zoekende Hark, dat het maar een steen
-was, die hem zoo blij had gemaakt. Een weinig knorrig zette de knaap
-zijn arbeid voort, en zijn stemming werd er niet beter op, toen er bij
-verder graven niets anders voor den dag kwam dan stokjes en steenen en
-kluitjes. Van geld geen sprake. De diefachtige Hark was zelf bedrogen.
-
-Want toen Alewijn des namiddags naar den schat was gaan kijken, kreeg
-hij weer hetzelfde gevoel van onrust, dat hij al zoo vaak had gehad;
-ook nu kon de plaats hem niet bevredigen en hij nam dus het zakje
-met geld er weer uit, maakte den kuil met de aarde dicht en verborg
-zijn rijkdom onder zijn buis. Vervolgens wilde hij een veiliger
-schuilplaats zoeken, maar juist kwam, toen hij daarmee bezig was,
-Gerebrandt voorbij, die etgroen had gemaaid. Gerebrandt vroeg aan
-Alewijn, of hij meeging; deze wilde het niet weigeren, en zoo kwam
-er van zijn plan niets.
-
-Het spreekt van zelf, dat Hark zijn makker allesbehalve vriendelijk
-aankeek. Intusschen gaf hij de hoop niet op. Gelukte het hem niet,
-door list zich van den buit meester te maken, dan moest hij maar
-brutaal optreden. Den volgenden morgen stapte hij regelrecht op
-Alewijn toe en zei, hem met zijn gluiperige oogen valsch aankijkend:
-"Als je mij niet de helft van je geld geeft, zal ik vertellen, waar
-je het geborgen hebt."
-
-Alewijn, die zoo iets niet verwacht had, werd plotseling bleek en
-dit gaf Hark de zekerheid, dat zijn vermoeden waar was.
-
-"Geld! Wat praat je toch van geld? Hoe zou ik daaraan komen?" stamelde
-Alewijn, die eigenlijk niet wist, wat hij zeggen moest.
-
-"Houd je nu maar niet onnoozel; ik heb alles gezien," hernam Hark,
-die zijn makker hoopte te overbluffen.
-
-"Wat.... wat heb je gezien?"
-
-Hark wilde weer iets antwoorden, maar tot beider ontsteltenis klonk
-er een stem dicht bij hen: "Zeg er eens, knapen, komt eens hier en
-vertelt mij, waarover je het hebt."
-
-'t Was de meier, die in den koeienstal stond en het gesprek gehoord
-had en er uit opmaakte, dat er iets bijzonders aan de hand was. Hark
-vreesde, voor medeplichtige aangezien te worden en daarom achtte hij
-het verstandiger, als aanklager op te treden. Vóórdat Alewijn nog
-iets gezegd had, sprak de brutale rakker: "Hij heeft geld gestolen
-en weggeborgen."
-
-Deze woorden maakten Alewijn woedend. Vuurrood van drift sprong hij
-op Hark toe en zou hem bij de keel gegrepen hebben, als de meier
-niet tusschenbeiden gekomen was. Met zijn geduchte vuist greep hij
-den jongen bij den pols en sprak bedaard: "Heila ventje, dat gaat
-maar zoo niet. Ik ben er ook nog."
-
-Alewijn poogde vruchteloos zich los te wringen uit de knellende
-vingers, die hem vasthielden. Toen hij eindelijk wat bedaard was,
-zei de meier: "Ziezoo, leg mij nu maar eens bedaard uit, wat je te
-vertellen hebt."
-
-Nu Hark eenmaal a gezegd had, moest hij ook b zeggen, en, terwijl
-Alewijn hem met kwalijk verbeten woede aanzag, en hem telkens in de
-rede wilde vallen, deelde Hark alles mee, wat hij wist. Eindelijk
-zei hij nog, dat Alewijn zijn geld in het land verstopt had, maar het
-later weer op een andere plaats moest hebben gebracht. We zien hieruit,
-dat Hark niet alleen een verklikker en een dief, maar ook een leugenaar
-was, want hij vertelde meer dan hij zelf wist. Alewijn stond versteld:
-ondanks alle voorzorgen had die valsche Hark hem toch bespied.
-
-Eén ding troostte hem: de verrader wist blijkbaar niet, waar de
-schat eigenlijk wel verborgen zat; zoolang dit niet ontdekt werd,
-kon niemand Alewijn met eenig recht van iets kwaads beschuldigen.
-
-Diefstallen kwamen onder de lijfeigenen nog al eens voor, maar werden,
-bij ontdekking, zwaar gestraft. De meier wist niet beter te doen,
-dan de beide knapen naar den heer te brengen, en dien te vertellen,
-wat er gaande was. De edelman liet Alewijn dadelijk in de gevangenis
-brengen, terwijl hij tevens beval, Hark, dien hij evenmin vertrouwde,
-goed in het oog te houden.
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL.
-
-
-Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere,
-kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een
-luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door
-de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door
-den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en
-het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis
-binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan,
-zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen?
-
-De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid,
-maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over
-Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot,
-dat hij hopeloos zich op een grooten steen liet neervallen en daar
-langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten.
-
-Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het
-verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn
-makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het
-ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo
-plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid
-niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren,
-die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van
-het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het
-maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende
-gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen
-tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door
-een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken.
-
-Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich
-bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien,
-maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang,
-die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een
-koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen,
-liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den
-killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien,
-niets dan de donkere duisternis om hem heen.
-
-Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deur knarste. De man,
-die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst
-toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den
-armen Alewijn.
-
-Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard
-dan de meeste zijner tijdgenooten?
-
-Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich
-aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.
-
-Zijn stem was zacht, toen hij beval: "Je moet mij volgen naar den
-heer."
-
-Maar Alewijn hoorde het niet.
-
-Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder
-even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.
-
-De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep
-hij niet, wat men van hem wilde.
-
-Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te
-gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde.
-
-Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft.
-
-Buiten gekomen, leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het
-vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte
-aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren.
-
-Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.
-
-'t Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer
-van den edelman doorbracht. Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon
-hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen,
-om den schat te behouden.
-
-De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman
-in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen
-er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te
-vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan
-het licht brengen.
-
-Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak
-vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat
-zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer
-tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.
-
-Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren.
-
-In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.
-
-Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee
-lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen
-voorzien.
-
-Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.
-
-Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet
-minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem
-reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één
-tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn
-machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de
-kleeren af.
-
-Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag.
-
-Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in
-kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen.
-
-Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel
-komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een
-pijnlijk verhoor.
-
-Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld
-vandaan kwam.
-
-Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook
-baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze
-in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem
-en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen.
-
-Bevend wachtte hij zijn vonnis af.
-
-De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover
-hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan,
-iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was.
-
-Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf
-bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet
-hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer
-om te zien.
-
-In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij
-vroeg zich herhaaldelijk af, aan welke oorzaak hij dien gelukkigen
-afloop van de zaak had toe te schrijven.
-
-Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het
-verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende
-op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?
-
-Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen.
-
-Zoo verzonk hij in een somber peinzen.
-
-Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste
-geeselslag deed hem opschrikken.
-
-Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den
-naakten rug en liet roode streepen achter.
-
-Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker,
-die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen.
-
-Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen
-neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.
-
-Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo
-verlaten, zoo rampzalig gevoeld.
-
-Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving,
-alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam
-het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid.
-
-Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen.
-
-Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijn krachten genoeg waren,
-om dien te doen wankelen, dan weer beproefde hij aan den rand van
-het luchtgat de steenen af te brokkelen.
-
-'t Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten
-met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden.
-
-Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart
-en barstte in woedend snikken uit.
-
-Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en
-nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.
-
-Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de
-eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten,
-ver van de plaats der ellende.
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE VLUCHT.
-
-
-De gelegenheid tot vluchten deed zich eerder voor dan Alewijn zelf
-verwachtte.
-
-De jongen toch wist niet beter, of hij zou geruimen tijd, misschien
-wel zijn geheele leven in den vochtigen kerker moeten zuchten.
-
-Hoe groot was dus zijn verwondering, toen men hem eenige dagen later
-kwam mededeelen, dat hij de gevangenis verlaten mocht.
-
-'t Was niet uit medelijden, dat de edelman hem de vrijheid schonk.
-
-Eigenbelang, anders niet. Vooreerst had heer Diederik overwogen,
-dat er op zijn kasteel niet gestolen was.
-
-"Misschien," zoo dacht hij, "heeft de kwajongen zich bij de verovering
-van den vijandelijken burcht van het geld meester gemaakt."
-
-Daar Alewijn overigens een bruikbaar krijgsman was gebleken, wilde de
-ridder het dezen keer bij een geeseling laten. De toegediende straf
-zou in allen gevalle wel voldoende zijn, om den lust tot stelen voor
-immer te doen vergaan.
-
-Alewijn vond de ondervonden behandeling meer dan hard. Nauwelijks was
-dan ook de kerkerdeur achter hem gesloten, nauwelijks mocht hij zich
-weer in de frissche lucht en in het lieve, heldere daglicht bewegen,
-of hij lette op alles, wat een gelegenheid tot vluchten kon bieden.
-
-Eén zaak was er, die hem tot blijven noopte.
-
-Dat was de zucht om zich op Hark te wreken. Die lafaard evenwel
-vreesde Alewijns sterke vuist en ontweek zijn makker zooveel hij kon.
-
-Ook bezat Alewijn een zacht karakter. Hij vergaf spoedig en daardoor
-werd die begeerte naar wraak al minder en minder.
-
-Het verlangen naar vrijheid echter wies aan.
-
-Elken dag loerde de jongen rond. Herhaaldelijk stond hij gereed om te
-ontsnappen. Maar telkens kwam er iets in den weg. Nu eens riep men
-hem om werk te verrichten, dan weer bevonden zich tal van arbeiders
-op het veld.
-
-'t Was om moedeloos te worden.
-
-Maar Alewijn gaf de hoop niet op. Eindelijk zag hij de kans schoon. Op
-een herfstmorgen werd hem bevolen, knollen te rapen op een akker,
-ver van den burcht.
-
-Overal om hem heen was het stil, nergens bevond zich een levend wezen.
-
-Zulk een schoone gelegenheid kwam nooit weer. 't Ware zonde en
-jammer, er geen gebruik van te maken. En Alewijn liet haar dan ook
-niet voorbijgaan.
-
-Nog eenmaal keek hij rond, nog eenmaal overwoog hij de bezwaren,
-aan een vlucht verbonden.
-
-Toen liep hij hard weg.
-
-Nu zijn besluit genomen was, maakte hij zich niet meer bezorgd over de
-hinderpalen, die hij noodzakelijk moest aantreffen. Toch waren die niet
-gering. Overal zou men hem dadelijk aan zijn kort geknipte haren als
-lijfeigene herkennen. En de straf, die een ontvluchten slaaf wachtte,
-was afschuwelijk.
-
-Maar Alewijn telde geen leven, dat in ellende moest worden
-doorgebracht. Zonder ophouden liep hij door, zoo hard hij kon. Gelukte
-het hem, de stad Utrecht te bereiken, dan zou de toekomst zich veel
-beter laten aanzien.
-
-Elke slaaf toch, die bij haar een toevlucht zocht, was vrij, als hij
-binnen een jaar niet werd opgeëischt. En het zou Alewijn niet moeilijk
-vallen, door arbeid in zijn onderhoud te voorzien.
-
-Eindelijk had hij de landerijen van heer Diederik achter den rug. Maar
-nu deden zijn beenen zich voelen. Geen wonder. Want hij had al maar
-doorgeloopen, zonder zich een oogenblik rust te gunnen; had een enkele
-maal de neiging tot zitten hem overvallen, dan was hij door den angst
-weer sneller voortgedreven.
-
-Nu kon hij niet meer. Hij zocht een beschut plekje op, legde zich
-neer en sliep dadelijk in.
-
-Lange rust werd hem echter niet gegund.
-
-Nog had hij slechts een paar uur geslapen, toen hij werd opgeschrikt
-door een vreeselijk koud en nat gevoel.
-
-Het regende en niet zuinig ook; met stralen goot het water uit
-den hemel.
-
-Op die natte plek kon hij niet blijven liggen. In een wip was hij
-overeind, om naar een beter plaatsje te zoeken. Helaas, het bleek
-moeilijk dit te vinden.
-
-De geheele omtrek was dofgrijs en de dichte regen belette het
-uitzicht. Toch gaf Alewijn den moed niet op. Met rassche schreden
-ging hij voort, naar alle kanten rondkijkende.
-
-Wel zag hij hier en daar een groepje boomen, maar die gaven al heel
-weinig bescherming.
-
-Toen echter voor een kort oogenblik het licht doorbrak, schoot den
-vluchteling een plan door het hoofd. Plotseling snelde hij op een
-hoogen boom toe. Zonder zich te bedenken, sloeg hij armen en beenen
-om den stam, moedig werkte hij zich omhoog, hoe lastig het ook ging,
-den gladden, natten boom te beklimmen.
-
-Gelukkig had Alewijn dit werkje meer gedaan; al moest hij herhaaldelijk
-rusten, al kwamen er oogenblikken, dat hij evenveel teruggleed,
-als hij vorderde, toch bleef hij doorklimmen.
-
-Eindelijk had hij de onderste takken bereikt.
-
-Nu was het klauteren niet meer moeilijk. In minder dan geen tijd
-zat Alewijn boven in den boom, zoo hoog, dat de tak, waarop hij zat,
-bedenkelijk ging buigen.
-
-Hooger klimmen zou gevaarlijk zijn. 't Was trouwens ook niet noodig:
-Alewijn was, waar hij wezen wilde.
-
-Wel regende het nog altijd, wel zag de omtrek donker en grijs, maar
-eenigen tijd later braken de wolken. 't Werd helderder.
-
-Heel in het verschiet ontwaarde Alewijn de torens van een kasteel.
-
-Die plek moest dus zorgvuldig vermeden worden.
-
-De regen werd minder en hield eindelijk geheel op; de kring, die kon
-overzien worden, breidde zich meer en meer uit. Daar kwam de zon voor
-den dag. Vriendelijk straalde zij tusschen donkere wolken en bescheen
-met een helder licht het geheele landschap.
-
-Nergens was een sterveling te zien; overal heerschte de diepste
-stilte. Maar wat Alewijn ontdekte, gaf hem reden tot groote blijdschap.
-
-Daar zag hij, aan den horizon, een kronkelende, blinkende lijn op
-het veld.
-
-Dat was de Rijn; daar liep de weg naar Utrecht.
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-AAN DEN RIJN.
-
-
-De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch
-aan de oevers der rivier uitrustte.
-
-Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij
-gingen.
-
-Eindelijk stond hij op: 't was te koud om langer te blijven zitten. Het
-gure weer dwong hem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken.
-
-Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte.
-
-Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel
-naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond
-achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand,
-terwijl twee anderen ijverig in de weer waren.
-
-Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuig te bekijken;
-nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren.
-
-Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet
-langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water
-te spartelen.
-
-De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip
-zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten
-zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.
-
-Te laat.
-
-Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was
-de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er
-aan redden niet te denken viel.
-
-De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en
-worstelde vruchteloos met de krachtige golven.
-
-Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles
-zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn
-plan gemaakt.
-
-Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong
-hij te water.
-
-Dat was nog eens zwemmen!
-
-Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen,
-herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer
-liet zich niet afschrikken.
-
-Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij
-tegen stroom en golven.
-
-Zoo ging hij regelrecht op het doel af.
-
-'t Was hoog tijd.
-
-Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten
-uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed
-zou zien verdwijnen.
-
-Herhaaldelijk riep hij om hulp.
-
-Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen
-draaien: nu naderde het den oever.
-
-Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn,
-hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de
-drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na
-spoelden golven over hem heen.
-
-Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het
-en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij
-hem was.
-
-Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden
-greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te
-moeten bekoopen.
-
-Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet
-kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus,
-dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven.
-
-Zoo dreven beiden met den stroom mede.
-
-Maar de hulp was nabij.
-
-Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn
-zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem te
-kunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten,
-aarzelden ze niet.
-
-'t Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst
-den ongelukkige bereiken?
-
-Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde
-zijn pogingen; hij spande alle krachten in en--smaakte de voldoening,
-zich boven te houden, tot de redding nabij was.
-
-Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden
-allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt.
-
-Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep
-van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch.
-
-De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te
-brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven
-en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde
-niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.
-
-Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende
-broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde
-er zich na het koude bad aangenaam warm in.
-
-Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf
-de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: "Jongen,
-ik dank je nog wel."
-
-Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde
-ook niet, want de schipper praatte door.
-
-"Zonder jou lag ik nu op den bodem van de rivier. Hoe kan ik je een
-bewijs van mijn dankbaarheid geven?"
-
-Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar
-kwam niets van in.
-
-"Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar
-bezwaar tegen?"
-
-Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje,
-bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen?
-
-Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden
-tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat
-blijven mocht.
-
-"Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink
-een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet
-van den schrik eens goed bekomen."
-
-Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer
-op zijn gemak.
-
-Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door.
-
-'t Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine,
-slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen.
-
-Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu
-had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche
-kooplui afkomstig, aan boord.
-
-Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man
-zijn waren met goede winst van de hand te doen.
-
-Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van
-alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden
-uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland,
-Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen
-te doen.
-
-In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk
-vertier, maar op zoo'n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte
-in de straten.
-
-En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon
-levendig.
-
-Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens
-ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat
-hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen.
-
-De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger
-in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen.
-
-Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde
-hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel
-van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel
-wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden
-een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij
-het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen,
-legde de koopman hem met een vriendelijk gebaar het zwijgen op.
-
-"Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig
-verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet,
-den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te
-kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd
-er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan,
-ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt,
-hoe je hier komt en wat je plan is."
-
-Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet
-goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: "Als je
-liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er
-even goede vrienden om."
-
-Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem
-zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste
-verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij
-druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig
-toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een
-uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei,
-dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend:
-
-"Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in
-slavernij te zuchten."
-
-Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn
-jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het
-zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen. Toen
-de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte
-en afscheid wilde nemen, zei de koopman: "Hoe is het? Zou je geen
-lust hebben, de reis met mij te maken?"
-
-Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven
-op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman
-behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren
-geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer,
-in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij
-als een vogel.
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN ONAANGENAME ONTMOETING.
-
-
-Nog eenige dagen bleef het schip op dezelfde plaats liggen; de koopman
-behoefde geen haast te maken, daar de markt nog lang niet begonnen
-was. Alewijn stond dikwijls op het dek en keek naar de voorbijgangers
-op den weg, en naar de vaartuigen op de rivier.
-
-Op een morgen, den dag, voordat het schip vertrekken zou, zei een
-der opvarenden tot zijn metgezel, die de rol van kok vervulde:
-"Hoe is het, zou je het ontbijt maar niet gereed maken?
-
-"Ja, maar ik weet niet, of er wel veel meer te ontbijten is."
-
-"Kom, wat praat je nu? Niet veel meer te ontbijten, en dat schaap dan,
-dat Steven twee dagen geleden gekocht heeft; dat kan nog niet op zijn."
-
-"Jongen, daar zeg je zoo wat; dat kon ik wel gereed maken; alleen...."
-
-"Nu, wat wou je zeggen?"
-
-"Ik heb geen hout meer. Kun jij niet even aan wal gaan, om wat
-te halen?"
-
-"Neen, onmogelijk, ik moet het zeil wat opknappen, dat een weinig
-gescheurd is. Maar loop jij zelf even."
-
-"Ik kan geen twee dingen te gelijk doen; ik moet het vleesch afsnijden
-en schoonmaken en de potten nazien."
-
-"Op zoo'n manier krijgen we niets te eten."
-
-"Ik kan er niets aan doen; als je eten wilt, moet je er ook wat voor
-over hebben."
-
-Alewijn hoorde het gesprek en was blij, dat hij gelegenheid had,
-zijn metgezellen van nutte te zijn.
-
-"Wil ik even gaan?"
-
-"Wel ja, als je lust hebt. Wacht, dan zal ik je een mes geven. Kom
-je gauw terug?"
-
-"Nu, dat weet ik niet. Die taaie twijgen daar aan den oever lijken me
-niet heel geschikt toe, en ik moet zeggen, dat er dicht in de buurt
-niet veel bosch te zien is."
-
-"Daar heb je gelijk in: nu, zie dan, dat je zoo gauw mogelijk wat hebt;
-deze baas hier rammelt van den honger."
-
-Alewijn verliet het schip en ging den oever langs in de richting van
-een boschje, dat hij in de verte ontdekt had. Tot zijn genoegen zag
-hij, dat zich hier dun hout in overvloed bevond. Het boschje stond
-ongeveer honderd schreden van den weg af. Alewijn verliet dus het pad,
-stak het grasland over en was al spoedig druk aan den arbeid. Toen
-hij een flinken bundel bijeen had, wilde hij terugkeeren, maar nu keek
-hij rond, of er geen twijgje te zien was, geschikt om er den takkenbos
-mee te binden. Toevallig zag hij op den weg twee mannen voorbijgaan.
-
-"Wacht," dacht Alewijn, "die hebben misschien een touwtje of zoo iets
-bij zich. Ik kan het hun best even vragen." En, zonder zich langer
-te bedenken, verliet hij het boschje. Toen liep hij naar den weg en
-riep de mannen aan, in de hoop, dat ze even zouden blijven staan.
-
-Het scheen echter, of ze zoo druk in gesprek waren, dat ze van zijn
-geroep niets hadden gehoord; daarom versnelde Alewijn zijn schreden, en
-riep, toen hij hen op korten afstand genaderd was, voor de tweede maal.
-
-Beiden keken om, maar in plaats van hen om een touw te vragen, bleef
-Alewijn verschrikt eenige oogenblikken staan en staarde met groote
-oogen voor zich uit.
-
-En de beide mannen waren niet minder verbaasd dan hij: "Daar heb je
-warempel den gevlogen vogel. Hoe komt hij nu hier?"
-
-Het waren twee mannen van heer Diederik, die Alewijn achtervolgd
-hadden, maar natuurlijk vruchteloos hadden gezocht.
-
-"Nu mag hij ons toch niet ontsnappen," zei een van beiden, toen hij
-zag, hoe Alewijn, zonder zich lang te bedenken, rechtsomkeert maakte,
-en wegliep, zoo hard hij kon, dadelijk door de anderen gevolgd.
-
-Alewijn kon gelukkig hard loopen, en hij was al spoedig een flink
-eind voor. Eerst was hij van plan, zijwaarts het veld in te vluchten,
-maar hij begreep, dat dit niet het verstandigste zou zijn, daar hem
-dan allerlei hindernissen in den weg konden komen. Daarom bleef hij
-het pad volgen; hierdoor liep hij echter zijn ongeluk tegemoet.
-
-Want de mannen, die hem op de hielen zaten, waren niet alleen:
-zij werden door een groot gezelschap gevolgd. En bij dit gezelschap
-behoorde niemand minder dan heer Diederik zelf. De jongen merkte hen,
-helaas, eerst op, toen hij op een bocht van den weg, waar een boschje
-de reizigers voor zijn oog verborgen had, eensklaps voor hen stond.
-
-Nu was Alewijn wel gedwongen, het veld in te vluchten en hij deed
-het ook dadelijk, maar 't was te laat. Hier hielp geen hard loopen aan.
-
-De heer, opmerkzaam geworden door het geschreeuw en Alewijn dadelijk
-herkennende, beval eenigen van zijn volgelingen, eveneens aan de jacht
-mee te doen. Zoo was de arme jongen spoedig ingehaald, gegrepen, en,
-hoe hij zich ook verzette, bij heer Diederik gebracht.
-
-Het zal geen verwondering wekken, dat de edelman niet voor den
-tweeden keer van plan was, den lastigen lijfeigene genadig te
-behandelen. Integendeel, hij wilde korte metten maken en vroeg aan
-zijn bedienden: "Wie heeft er een flink touw bij zich; dan zullen we
-hem maar aan den eersten den besten boom opknoopen."
-
-Het was Alewijn angstig te moede; het scheen wel, of het ongeluk hem
-nu altijd moest achtervolgen. Hoe dicht was hij nu niet bij zijn doel
-geweest, en toch zag hij zich opeens onherroepelijk verloren.
-
-Want ditmaal scheen er voor hem in het geheel geen kans op, dat hij
-den dans weer zou ontspringen. Reeds kwam een der mannen met een
-valschen lach op het gezicht aanloopen en liet een stevig stuk touw
-zien. Het meeste ergerde Alewijn zich nog, omdat die man pleizier
-scheen te hebben in het ongeluk van iemand, die hem toch nooit wat
-in den weg had gelegd. Maar de slavernij maakt de menschen ruw en
-hardvochtig, en Alewijn had al meer dan eens kunnen opmerken, hoe die
-lieden vaak in kwaad doen hun vermaak vonden. Slechts zelden was hem
-vriendschap bewezen, bijna nooit had hij een hartelijken toon tusschen
-de lijfeigenen vernomen.
-
-Zoo zou het dan met zijn leven gedaan zijn en Alewijn, die zag, dat
-er toch niets aan de zaak te veranderen was, beproefde zich in zijn
-ongeluk te schikken en zorgde, niets te laten merken van wat er in
-hem omging.
-
-Toch liep het ook dezen keer nog goed voor hem af, want, toen heer
-Diederik, rondkijkende, een fermen boom scheen uit te zoeken, die
-sterk genoeg was, om een weggeloopen lijfeigene aan op te hangen,
-sprak een ridder, die naast hem reed: "Zeg eens, waarde zwager,
-zou je daar nog niet wat mee wachten?"
-
-Alewijn voelde een flauwe hoop in zich opleven, maar hij verwaardigde
-zich niet, den spreker een dankbaren blik toe te werpen, want hij wist
-heel goed, dat de ridder niet uit medelijden gesproken had. Het zou
-spoedig blijken, dat hij goed gezien had. Toen heer Diederik vroeg:
-"Waarom?" antwoordde de edelman: "Neem hem liever mee, dan kan je hem
-op het kasteel op je gemak een geduchte straf toedienen en zoodoende
-een waarschuwend voorbeeld stellen aan allen, die soortgelijke kuren
-in hun hoofd mochten hebben."
-
-Heer Diederik dacht even na. Hoe onverschillig Alewijn ook voor zich
-zag, toch voelde hij zijn hart kloppen: zoo lang hij nog leefde,
-had hij hoop, te kunnen ontvluchten, op het oogenblik echter, dat de
-heer hem zonder complimenten liet ophangen, was het natuurlijk voor
-goed uit. Lang heerschte er een pijnlijk zwijgen.
-
-Weer wendde de edelman zich tot zijn zwager: "Dat is nu toch al de
-derde keer dit jaar."
-
-"Zooveel te meer reden, om een flink voorbeeld te stellen."
-
-"En wat het vervelendste is: als ze ontsnapt zijn, zie je ze later
-soms in Utrecht vrij rondloopen. Dat moest noodig veranderd worden."
-
-"Doe er maar eens wat aan."
-
-"Ik ben toch blij, dat we dezen snuiter te pakken hebben gekregen;
-hij was zoo vriendelijk, ons recht tegen het lijf te loopen. Het leek
-mij eerst nog al een kalme jongen toe."
-
-"Dat soort is dus het minst te vertrouwen. Maar om op de straf terug
-te komen, ik geloof stellig, dat het hoogstnoodzakelijk is, een goed
-voorbeeld te stellen."
-
-"Het kan zijn, dat je gelijk hebt. Als hij me onderweg maar niet
-ontsnapt."
-
-"Zoo je hem goed laat bewaken, zal hij dit wel laten."
-
-Alewijn was dus vooreerst van den dood gered, maar dit diende slechts
-om hem later gruwelijker straf te bezorgen.
-
-Toch was hij blij met dezen afloop, want hij gaf de hoop niet op,
-dat een gelukkig toeval hem redden zou. Hij nam zich tenminste alvast
-voor, naar alle kanten goed uit te kijken en van de eerste de beste
-goede gelegenheid gebruik te maken.
-
-Het gezelschap zette de reis voort. Alewijn liep, geboeid en wel,
-tusschen twee welgewapende mannen in, die in last hadden, den gevangene
-goed te bewaken en hem bij de minste poging tot ontvluchten dood te
-slaan. Deze bedreiging was voldoende, om Alewijn rustig voort te doen
-stappen. Hij keek bedaard voor zich uit, maar wierp, toen men op de
-plaats gekomen was, waar het schip lag, tersluiks een blik zijwaarts.
-
-Toen Alewijn zoo lang wegbleef, keken de opvarenden naar hem uit. Maar
-nergens was een spoor van den jongen te ontdekken.
-
-De koopman had er toch allerminst vermoeden van, dat zijn jonge vriend
-meeging met den troep reizigers, die daar den weg naar Utrecht volgden.
-
-Eindelijk kon men niet langer wachten. Het schip moest vertrekken
-en in de hoop, dat men den verloren zwerveling in Utrecht weer zou
-ontmoeten, zeilde de schipper de rivier verder af.
-
-
-
-
-
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-ONVERWACHTE UITREDDING.
-
-
-'t Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui
-en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen
-vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen
-te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis
-getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen.
-
-De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in
-Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond
-zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere
-stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af,
-dat een kooper hem zou naderen.
-
-Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik
-van het gewoel, maar tegelijk goed uitziende, of Alewijn zich ook
-onder de menschenmassa mocht bevinden.
-
-De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den
-redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de
-gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen.
-
-Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn
-aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den
-deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had
-moeten binnentreden.
-
-Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg
-vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan,
-Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.
-
-Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen
-wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen
-belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met
-gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling
-behoorde.
-
-Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen.
-
-Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich
-voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.
-
-Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken.
-
-In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten
-armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel
-was.
-
-Ook 's ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar
-beiden waren het er over eens, dat zoo'n kostbaar stuk buitengewoon
-veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen
-hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer
-veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen.
-
-De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai
-bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl
-hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan,
-ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op
-had doen springen. Daar stond Alewijn!
-
-Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel
-spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als
-hij was, even gauw een besluit genomen.
-
-Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was
-zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk
-te beloonen.
-
-Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder
-eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg,
-antwoordde hij: "Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste,
-dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook,
-kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie
-slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid
-alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn."
-
-Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid
-geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik
-kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden;
-eindelijk keek hij den koopman vragend aan:
-
-"En de prijs?"
-
-De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht
-de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon
-verwachten.
-
-"Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig,
-om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een
-van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den
-uwen noemen."
-
-Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige
-oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of
-hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand
-niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de
-handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen
-toon zijn eisch.
-
-Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan
-eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou
-zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen
-prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men
-behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de
-echtheid van deze fijne stof te herkennen.
-
-"Maar man," riep de edelman eindelijk uit, "meen je, wat je zegt?"
-
-"Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me
-hooge ernst."
-
-"Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je,
-dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat,
-ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb."
-
-Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de
-koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op
-een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak:
-"Dank u, ik zoek liever zelf."
-
-Nog eens zeide hij ernstig: "Gij geeft mij immers verlof te kiezen?"
-
-"Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig."
-
-"Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met
-u voert."
-
-Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet
-minder zijn ergernis: "Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je
-verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene."
-
-De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij
-maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder
-naar het kleed was, sprak hij bedaard: "We zijn het dus niet eens,
-welnu, dan gaat de koop niet door."
-
-"Waarom vraag je niet een flinke som geld?"
-
-"Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is," antwoordde de handelaar
-wel beleefd, maar toch zoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde
-aan te dringen.
-
-Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel
-blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.
-
-Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van
-een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.
-
-Wat moest hij doen?
-
-Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich
-met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk
-gaf, wond den edelman op.
-
-"Spreek," riep heer Diederik ruw, "wat moet je voor den mantel
-hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar...."
-
-"Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb," was het eenvoudige antwoord.
-
-Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar
-nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren.
-
-Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de
-verzoeking te sterk.
-
-"Vooruit dan maar," riep hij plotseling, tot groote verbazing van
-de omstanders.
-
-Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving
-den mantel.
-
-Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak
-hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen
-Alewijn zich bukte, om ze te kussen.
-
-Maar de handelaar glimlachte en sprak: "Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu
-ben je vrij, voor altijd."
-
-De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader
-en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte,
-maar dat behoefde ook niet.
-
-Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders
-op te zoeken.
-
-Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam
-de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land
-verkocht was.
-
-Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel
-ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde
-hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor
-Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden
-der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid.
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
-
- HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING 5
- VERKOCHT 16
- NIEUWE KENNISSEN 25
- DE BELEGERING 39
- DE KAT 48
- EEN GEVANGENE 59
- DE UITVAL 67
- OP WACHT 74
- DE OUDE WENA, 81
- ALEWIJNS RIJKDOM 89
- HET TIENDMAAL 97
- DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL 109
- DE VLUCHT 116
- AAN DEN RIJN 121
- EEN ONAANGENAME ONTMOETING 129
- ONVERWACHTE UITREDDING 136
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Alewijn, de Lijfeigene, by E. Molt
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALEWIJN, DE LIJFEIGENE ***
-
-***** This file should be named 52315-8.txt or 52315-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/3/1/52315/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-