summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/51138-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/51138-0.txt')
-rw-r--r--old/51138-0.txt4574
1 files changed, 0 insertions, 4574 deletions
diff --git a/old/51138-0.txt b/old/51138-0.txt
deleted file mode 100644
index a9463a8..0000000
--- a/old/51138-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4574 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of De Koopman van Venetië, by William Shakespeare
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: De Koopman van Venetië
-
-Author: William Shakespeare
-
-Translator: Dr. L.A.J. Burgersdijk
-
-Release Date: February 6, 2016 [EBook #51138]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KOOPMAN VAN VENETIË ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE KOOPMAN VAN VENETIë.
-
-
-PERSONEN:
-
- De Doge van Venetië.
- De Prins van Marocco, }
- De Prins van Arragon, } dingende naar Portia's hand.
- Antonio, de koopman van Venetië.
- Bassanio, zijn vriend.
- Solanio, }
- Salarino, } vrienden van Antonio en Bassanio.
- Gratiano, }
- Lorenzo, minnaar van Jessica.
- Shylock, een rijke Jood.
- Tubal, een Jood, zijn vriend.
- Lancelot Gobbo, Shylocks knecht.
- De oude Gobbo, vader van Lancelot.
- Leonardo, bediende van Bassanio.
- Balthazar, }
- Stefano, } bedienden van Portia.
- Portia, een rijke erfgename.
- Nerissa, haar kamerjuffer.
- Jessica, dochter van Shylock.
-
- Senatoren van Venetië, Beambten van het gerechtshof, een
- Gevangenbewaker, Bedienden en verder Gevolg.
-
-
-Het stuk speelt gedeeltelijk te Venetië, gedeeltelijk te Belmont,
-het landgoed van Portia.
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Venetië. Een straat.
-
-Antonio, Salarino en Solanio komen op.
-
-
-ANTONIO. 'k Weet waarlijk niet, hoe ik zoo somber ben;
-Ik ben het moe; gij zegt, dat zijt gij ook;
-Maar hoe 't mij aanwoei, hoe ik er aan kwam,
-Van welken aard het is, en hoe ontstaan,
-Dat is me een raadsel;
-Die somberheid maakt mij tot zulk een zwakhoofd,
-Dat ik te nauwernood mijzelf herken.
-
-SALARINO. Uw geest wordt op den oceaan geslingerd,
-Waar uw galjoenen, fier het zeil in top,
-Als eed'len en grootburgers van de zee,
-Door statigheid hun hoogen rang verkonden
-En neerzien op de kleine handelsluî,
-Die needrig buigend hem begroeten, als
-Zij langs hen vliegen met geweven vleug'len.
-
-SOLANIO. Geloof mij, stond voor mij zoo veel op 't spel,
-Het beste deel van mijn gedachten waar'
-Ginds met mijn hoop aan 't dwalen. Telkens zou ik
-Gras plukken om de windstreek na te gaan,
-Op kaarten zien naar reeden, havens, hoofden;
-En alles, wat mij onheil kon doen duchten
-Voor schepen of voor lading, zou gewis
-Mij somber maken.
-
-SALARINO. Mijn blazen, dat mijn soep bekoelde, joeg
-Me een koude koorts op 't lijf, als ik bedacht,
-Wat schade op zee een sterke wind kan doen.
-Ik zag het zand niet loopen in het uurglas,
-Of dacht ook reeds aan ondiepten en banken,
-En zag mijn rijken Andries omgeslagen,
-Den masttop lager dan de zijde in 't zand,
-Als om zijn graf te kussen. Ging ik op
-Ter kerke, zou het heilig steengevaart'
-Mij fluks niet denken doen aan booze rotsen,
-Die, raken zij mijn ranke kiel slechts aan,
-Haar specerijen op den vloed verstrooien,
-Mijn zijde als mantels spreiden over 't diep,
-Kortom, wat pas nog schatten waard was, plotsling
-Als niets doen zijn? Is 't denkbaar, dat mijn geest
-Dit denken zou, en dan niet zou gaan denken
-Hoe zulk een ongeval mij leed zou doen?
-Neen, zeg maar niets; ik weet, Antonio
-Is somber, wijl hij aan zijn zaken denkt.
-
-ANTONIO. Geloof mij, neen, want, dank zij mijn geluk,
-Ik heb mijn goed niet aan één schip vertrouwd,
-Niet aan één plaats, en mijn vermogen hangt
-Niet af van 't slagen in een enkel jaar;
-Daarom, 't is niet mijn handel, die me ontstemt.
-
-SALARINO. Nu, dan zijt gij verliefd.
-
-ANTONIO. Foei, foei!
-
-SALARINO. Ook niet verliefd? Nu, dan, dan zijt ge treurig,
-Wijl gij niet vroolijk zijt, en zóó kondt gij
-Ook lachen, springen, zeggend: "ik ben vroolijk,
-Wijl ik niet treurig ben." Bij Janus' dubb'len kop,
-Natuur brengt soms toch rare snuiters voort:
-Die knijpt voortdurend de oogen toe van 't lachen,
-Als bij een doedelzak een papegaai;
-En de ander heeft zoo'n uitzicht van azijn,
-Dat hij door lachen nooit zijn tanden toont,
-Al deed een grap ook de' ouden Nestor schaat'ren.
-
-(Bassanio, Lorenzo en Gratiano komen op.)
-
-SOLANIO. Ziedaar Bassanio, uw eed'len neef,
-Gratiano en Lorenzo; vaar nu wel;
-Wij laten u in 't best gezelschap achter.
-
-SALARINO. 'k Had willen blijven, tot ge monter waart,
-Maar thans, nu beter komt, moog' minder wijken.
-
-ANTONIO. Geloof me, heeren, ik waardeer u hoog,
-Maar reken, dat uw zaken thans u roepen,
-En gij nu vrijheid vindt om heen te gaan.
-
-SALARINO. Vaartwel dan, eed'le heeren.
-
-BASSANIO. Vrienden, zegt,
-Wanneer weer eens een prettig samenzijn?
-Wij zien elkaar zoo weinig; waartoe dit?
-
-SALARINO. Als 't u gelegen komt, wij zijn bereid.
-
- (Salarino en Solanio af.)
-
-LORENZO. Daar gij Antonio nu gevonden hebt,
-Bassanio, willen wij u thans verlaten;
-Maar denk op 't etensuur present te zijn.
-
-BASSANIO. Daar kunt gij vast op reeknen.
-
-GRATIANO. Gij ziet er niet goed uit, Antonio,
-Gij trekt te veel u 's werelds zaken aan;
-Wie daar zijn hart op zet, verliest zijn rust.
-Geloof me, uw uitzicht is geheel veranderd.
-
-ANTONIO. Ik acht de wereld, vriend, zooals zij is,
-Een speeltooneel, waar elk zijn rol op speelt;
-De mijne is somber.
-
-GRATIANO. Ik speel dan den Nar.
-'k Wacht dartlend, lachend, rimplige' ouderdom,
-En laat, al drinkend, eer mijn lever schudden,
-Dan dat, door ach en wee, mijn hart verkilt.
-Waarom, als 't warme bloed nog stroomt, te zitten
-Als grootvaârs marm'ren beeld? waartoe te slapen,
-Als 't wakenstijd is? en de geelzucht zich
-Op 't lijf te kniezen? Neen, Antonio, hoor,
-Ik heb u lief en zoo spreekt nu mijn liefde:
-Er is een slag van lieden, wier gelaat
-Steeds ondoorschijnend is als stilstaand water,
-Die eigenzinnig zwijgen altijd door,
-Met doel om zich een dunk en roep te geven
-Van wijsheid, waardigheid en diepen zin,
-Als zeiden zij: "Ik ben 't orakel zelf,
-En open ik den mond, dan blaff' geen hond";
-Die daarom slechts den naam van wijzen dragen,
-Omdat zij nooit iets zeiden, doch voorwaar
-Hun hoorders, als zij spraken, strafbaar maakten,
-Wijl deez' hun broeders "dwazen" zouden noemen.
-Doch meer hiervan een ander maal; gij, hengel
-Dus niet met uw droefgeestigheid als aas
-Naar narren-katvisch, dezen wijsheidsschijn.
-Kom mee, Lorenzo.--Houd zoolang u goed;
-Na 't eten krijgt gij 't einde van mijn toespraak.
-
-LORENZO. Ja, wij verlaten u tot na den noen;
-Ik moet nu wel zoo'n wijze zwijger zijn,
-Want Gratiano laat mij nooit aan 't woord.
-
-GRATIANO. Ja, klamp u vast aan mij twee jaren lang,
-Dan kent gij zelfs uw eigen stem niet meer.
-
-ANTONIO. Vaarwel; op uw vermaan word ik een prater.
-
-GRATIANO. Zeer goed, want weet, dat zwijgen nooit behaagt,
-Dan van gerookte tong en van een schuchtre maagd.
-
-(Gratiano en Lorenzo af.)
-
-ANTONIO. Heeft hij daar nu iets ter wereld gezegd?
-
-BASSANIO. Gratiano praat oneindig veel, dat niets is, meer dan eenig
-mensch in geheel Venetië. Zijn verstandige gedachten zijn als twee
-tarwekorrels in twee schepels kaf; gij kunt er den geheelen dag naar
-zoeken, eer gij ze vindt; en als gij ze hebt, zijn ze de moeite van
-'t zoeken niet waard.
-
-ANTONIO. Hoe 't zij, vertel mij nu, naar welke jonkvrouw
-Gij in 't geheim die beêvaart zwoert te doen,
-Waarvan gij mij vandaag vertellen zoudt?
-
-BASSANIO. Antonio, 't is u al te wel bekend,
-Hoe zeer ik mijn vermogen heb verspild,
-Door vrij wat weidscher, rijker staat te voeren,
-Dan mijn gering fortuin verduren kon.
-Maar 'k roep geen ach en wee, dat ik moet afzien
-Van zulk een glans; mijn groote zorg is nu
-Met eer die groote schulden af te doen,
-Waarin mijn jeugd, die al te spilziek was,
-Mij heeft verstrikt; Antonio, 'k ben aan u
-Het meeste schuldig, geld niet slechts, maar liefde;
-Diezelfde liefde is mij een borg, dat ik
-U oop'ning doen mag van mijn plan, om al
-Die schulden, die mij drukken, af te werpen.
-
-ANTONIO. Ik bid u, vriend Bassanio, deel het mee,
-En kan het, even als gijzelf steeds doet,
-Voor 't oog der eer bestaan, wees dan verzekerd,
-Ikzelf, mijn beurs en al wat ik vermag,
-'t Is alles 't uwe, voor uw dienst gereed.
-
-BASSANIO. Verloor ik in mijn schooltijd soms een pijl,
-Dan schoot ik hem een tweeden van die soort,
-Denzelfden weg uit, na, gaf beter acht,
-Tot waar hij vloog, en, beide wagend, vond ik
-Ze beide vaak. Dit kindervoorbeeld past,
-Omdat wat volgt, ook louter onschuld is.
-Gij gaaft mij veel, en, als een wilde knaap,
-Verloor ik wat gij gaaft, maar waagt gij 't nu,
-Een tweeden pijl denzelfden weg te schieten,
-Den eersten achterna, ik maak mij sterk,
-Daar ik zijn vlucht bespiê, ze beî te vinden,
-Of breng, wat gij het laatste waagdet, weêr,
-En blijf uw dankb're schuldnaar voor het eerste.
-
-ANTONIO. Gij kent mij toch; wat spilt gij dan uw tijd,
-En neemt een kronklende' omweg tot uw vriend;
-Gij grieft mij waarlijk dieper, als ge twijfelt,
-Of ik voor u het uiterst wel zou doen,
-Dan als gij heel mijn have hadt verspild.
-Deel dus mij mee, wat gij van mij verlangt,
-Wat gij vermeent, dat ik vermag te doen;
-Ik ben bereid en daad'lijk; zeg het dus.
-
-BASSANIO. In Belmont woont een jonkvrouw, rijk in goedren,
-In schoonheid rijk, en, rijker nog dan dit,
-Ook rijk in deugden; uit haar oogen ving ik
-Reeds vroeger lieve stomme tijding op.
-Haar naam is Portia; ze is wedergâ
-Van Cato's dochter, Brutus' Portia.
-De wereld door is reeds haar roem verbreid;
-Van 't uiterste eind der aard, van iedre kust,
-Brengt iedre wind, om naar haar hand te dingen,
-De bloem der jonglingschap. Haar zonnig haar
-Golft om haar slapen als een gulden vlies;
-En Belmont is een tweede Colchisch strand,
-En menig Jason komt om haar te erlangen.
-Antonio, vriend, o, had ik slechts de midd'len,
-Om waardig mij met een van hen te meten,
-Dan mocht ik,--onbedrieglijk spelt mij dit
-Mijn hart, mijn ziel,--het hoogste heil verwachten.
-
-ANTONIO. Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee;
-Ik heb geen geld en ook geen koopmansgoedren,
-Die ik verpanden kan; maar ga, beproef,
-Wat in Venetië mijn krediet vermag;
-Ik verg er 't uiterst van, om u naar eisch
-Voor Portia, naar Belmont, uit te rusten,
-Vraag na, waar geld beschikbaar is; ook ik
-Doe 'tzelfde, en ben geen oogenblik bezorgd,
-Dat men niet gaarne, en op mijn woord, mij borgt.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Belmonte. Een kamer in Portia's huis.
-
-Portia en Nerissa komen op.
-
-
-PORTIA. Op mijn woord, Nerissa, mijn klein persoontje heeft van deze
-groote wereld meer dan genoeg.
-
-NERISSA. Dat mocht zoo wezen, lieve jonkvrouw, als uw ellende evenzoo
-bovenmatig was als thans uw geluk. Maar voor zoover ik zie, zijn
-zij, die zich overladen met te veel, al even ziek, als zij, die aan
-alles gebrek hebben. Het is daarom geen middelmatig geluk juist in
-de middelmaat te zijn; overvloed krijgt vroeger grijze haren, maar
-juist van pas leeft langer.
-
-PORTIA. Goede spreuken, en goed voorgedragen.
-
-NERISSA. Nog beter zouden zij wezen, als zij goed werden opgevolgd.
-
-PORTIA. Als doen even gemakkelijk was, als weten, wat goed is te doen,
-dan waren kapelletjes kerken, dagloonerswoningen vorstenpaleizen
-geworden. Het is een goed geestelijke, die zijn eigen voorschriften
-opvolgt; ik kan gemakkelijker aan twintig menschen leeren, wat zij
-moeten doen om goed te doen, dan een van de twintig zijn en mijn eigen
-lessen opvolgen. Het brein kan wel wetten voor het gestel uitdenken,
-maar een vurig bloed springt over een koel voorschrift heen; zulk een
-haas is de jongeling Onverstand, dat hij heenwipt over het net van
-Goeden Raad, den kreupele. Maar dit redeneeren helpt mij volstrekt
-niet bij het kiezen van een man.--O wee, dat woord kiezen! Ik mag niet
-kiezen, dien ik zou willen, en niet afwijzen dien ik niet mag lijden;
-en zoo is de wil van een levende dochter aan banden gelegd door den
-wil van een dooden vader.--Is het niet hard, Nerissa, dat ik niemand
-kiezen mag, en ook niemand afwijzen?
-
-NERISSA. Uw vader was een braaf man, en vrome menschen hebben bij hun
-dood goede ingevingen. Daarom zal bij de loterij, die hij uitgedacht
-heeft van die drie kastjes van goud, zilver en lood, (waardoor
-hij, die in zijn geest kiest, u kiest,) zonder eenigen twijfel door
-niemand de echte keus gedaan worden dan door een, die u echte liefde
-toedraagt. Maar hoe staat het met de warmte van uw genegenheid jegens
-een van de vorstelijke aanbidders, die alreeds gekomen zijn?
-
-PORTIA. O, wees zoo goed en noem ze op; als gij ze noemt, zal ik ze
-u beschrijven; en naar mijn beschrijving moogt ge mijn genegenheid
-afmeten.
-
-NERISSA. Vooreerst dan, de Napelsche prins.
-
-PORTIA. O, die is inderdaad een veulen, want hij doet niets dan van
-zijn paard spreken; en hij vindt het een belangrijk toevoegsel aan
-zijn begaafdheden, dat hij het zelf beslaan kan; ik vrees inderdaad,
-dat mevrouw zijn moeder valsch spel speelde met een hoefsmid.
-
-NERISSA. Dan verder de paltsgraaf.
-
-PORTIA. Die zet altijd een zuur gezicht, alsof hij zeggen wou:
-"Ben ik voor u niet goed genoeg, geen nood". Hij hoort vroolijke
-kwinkslagen en vertrekt geen spier; ik vrees, dat, als hij oud wordt,
-hij de weenende philosoof zal wezen in eigen persoon, daar hij nu in
-zijn jeugd al zoo onhebbelijk somber is. Ik was liever getrouwd met
-een doodshoofd, zoo met twee gekruiste knoken er onder, dan met een
-van die beiden. God beware mij voor alle twee!
-
-NERISSA. Wat zegt gij dan van den Franschen heer, Monsieur Le Bon?
-
-PORTIA. God schiep hem, laat hem daarom voor een man doorgaan. Ik weet,
-dat het zonde is een spotter te zijn, maar hij! Hij heeft een paard,
-beter dan de Napolitaan, een beter slechte gewoonte van zuurkijken
-dan de paltsgraaf; hij is iedereen en niemand; als een lijster zingt,
-begint hij dadelijk kapriolen te maken; hij zou kunnen vechten met zijn
-eigen schaduw. Als ik hèm nam, nam ik vijftig mannen te gelijk. Als
-hij mij versmaadde, zou ik het hem vergeven; want al had hij mij lief
-tot razend wordens toe, ik zou niets van hem willen weten.
-
-NERISSA. Wat hebt ge dan te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen
-Engelschen baron?
-
-PORTIA. Ge weet, ik zeg niets tegen hem, want hij verstaat mij niet
-en ik hem ook niet; hij kent geen Latijn of Fransch noch Italiaansch,
-en wat mijn Engelsch betreft, gij kunt gerust voor het gerecht een
-eed gaan doen, dat het geen armzaligen duit waard is. Hij is het
-afbeeldsel van een knap man, maar, ik bid u, wie kan omgaan met een
-stom beeld? En hoe bespottelijk kleedt hij zich! Ik geloof, dat hij
-zijn kamizool in Italië, zijn pof broek in Frankrijk, zijn muts in
-Duitschland en zijn manieren overal heeft opgedaan.
-
-NERISSA. Wat denkt ge van zijn buurman, den Schotschen lord?
-
-PORTIA. Dat hij wezenlijk wel christelijke liefde tot zijn naaste
-bezit, want hij borgde laatst een oorveeg van den Engelschman,
-en zwoer, dat hij hem dien terug zou betalen, zoodra hij in de
-gelegenheid zou wezen; ik denk, dat de Franschman zijn borg werd en
-voor den ander onderteekende.
-
-NERISSA. Hoe bevalt u de jonge Duitscher, de neef van den hertog
-van Saksen?
-
-PORTIA. Afschuwelijk in den morgen, als hij nuchter is, en
-allerafschuwelijkst in den middag, als hij beschonken is; als hij
-op zijn best is, is hij toch nog altijd iets minder dan een mensch,
-en als hij op zijn slechtst is, is hij nauwlijks meer dan een dier;
-als het ergste mocht gebeuren, dat gebeuren kan, hoop ik toch, dat
-ik wel een uitvlucht zal vinden om hem vrij te loopen.
-
-NERISSA. Als hij zich mocht aanmelden om te kiezen en het rechte
-kastje koos, dan zoudt ge toch weigeren uws vaders uitersten wil te
-volbrengen, als gij weigerdet hem te nemen.
-
-PORTIA. Daarom bid ik u, om het ergste te voorkomen, zet een flinken
-roemer Rijnwijn op het verkeerde kastje; want als de duivel er in
-was en deze verzoeking van buiten er bij, dan weet ik, dat hij het
-zou kiezen. Alles liever, Nerissa, dan met een spons te moeten trouwen.
-
-NERISSA. Gij behoeft niet beducht te wezen, mejonkvrouw, dat gij
-een van deze heeren zult krijgen, want zij hebben mij hun besluit
-meegedeeld, en dat is, waarlijk, naar huis te gaan en u niet verder met
-hun aanzoek lastig te vallen, tenzij gij op een andere wijze te winnen
-waart, dan door de bepaling van uw vader, ten opzichte van de kastjes.
-
-PORTIA. Al word ik zoo oud als Sibylla, wil ik toch zoo kuisch als
-Diana sterven, tenzij ik gewonnen word op de wijze van mijns vaders
-uitersten wil. Ik ben blij, dat dit partijtje vrijers zoo verstandig
-is, want er is er niet één bij of ik smacht naar zijn afzijn, en ik
-bid God, hun een voorspoedige heenreis te verleenen.
-
-NERISSA. Herinnert gij u niet, mejonkvrouw, uit den tijd dat uw vader
-nog leefde, een Venetiaan, die man van studie en krijgsman te gelijk
-was, en die hierheen kwam als metgezel van den markies van Montferrat?
-
-PORTIA. Ja, ja; het was Bassanio;--ik geloof ten minste, dat hij
-zoo heette.
-
-NERISSA. Juist, mejonkvrouw. Van alle mannen, die mijn dwaze oogen
-ooit gezien hebben, was hij wel het meest een schoone vrouw waard.
-
-PORTIA. Hij staat mij nog goed voor, en naar mijn herinnering is uw
-lof niet onverdiend.--Wel, wat is er?
-
-(Een Bediende, komt op.)
-
-BEDIENDE. Mejonkvrouw, de vreemde heeren vragen naar u om afscheid
-te nemen; en zoo even komt daar een voorrijder van een nieuwen, den
-prins van Marocco, die het bericht brengt, dat de prins, zijn meester,
-nog van avond hier zal zijn.
-
-PORTIA. Als ik dien nieuwen zoo van ganscher harte welkom kon
-heeten, als ik de anderen vaarwel zeg, zou ik verheugd wezen over
-zijn aankomst, als hij het binnenste heeft van een heilige en de
-huidkleur van een duivel,
-
- Dan groette ik liever hem als boetgezant,
- Dan dat ik hem mijn hand verpand.
-
-Kom, Nerissa.--Knaap, ga voor, maak voort.--
-
- Gaat één vrijer uit de poort,
- Dan wordt weer de stap van een ander, die nadert, gehoord.
-
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Venetië. Een plein.
-
-Bassanio en Shylock komen op.
-
-
-SHYLOCK. Drieduizend dukaten,--goed!
-
-BASSANIO. Voor drie maanden, Shylock.
-
-SHYLOCK. Voor drie maanden--goed!
-
-BASSANIO. En, zooals ik zeide, Antonio zal er borg voor zijn.
-
-SHYLOCK. Antonio zal er borg voor zijn,--goed!
-
-BASSANIO. Kunt gij mij helpen? Wilt ge mij het genoegen doen? Mag ik
-uw antwoord weten?
-
-SHYLOCK. Drieduizend dukaten, voor drie maanden, en Antonio borg.
-
-BASSANIO. En uw antwoord--?
-
-SHYLOCK. Antonio is een goed man.
-
-BASSANIO. Hebt gij ooit eenigszins het tegendeel van hem gehoord?
-
-SHYLOCK. O, neen, neen, neen, neen;--maar ik meende, toen ik zeide,
-dat hij een goed man is, zooals ge wel begrijpt, dat hij er goed voor
-is,--hoewel van zijn goed kan men eigenlijk maar bij onderstelling
-spreken; hij heeft een galjoen op weg naar Tripoli, een ander naar
-Indië, en hij heeft, zooals ik op den Rialto vernam, een derde naar
-Mexico, een vierde naar Engeland--en hij heeft nog meer varende
-have,--overal verspreid. Maar schepen zijn maar planken en matrozen
-zijn maar menschen, en er zijn landratten en waterratten, landdieven
-en waterdieven, ik bedoel zeeroovers; en dan heb je nog het gevaar
-van water en wind en klippen; maar toch, de man is er wel goed voor;
-drieduizend dukaten;--mij dunkt, ik zou zijn borgtocht wel kunnen
-aannemen.
-
-BASSANIO. Daar kunt ge zeker van zijn.
-
-SHYLOCK. Ik wil er zeker van zijn; en om er zeker van te zijn, wil
-ik er mij op bedenken;--zou ik Antonio eens kunnen spreken?
-
-BASSANIO. Als ge lust hebt, met ons te eten,--
-
-SHYLOCK. Nah, om varkensvleesch te ruiken, om te eten van de woning,
-waar uw profeet, de Nazarener, den duivel in verbannen heeft? ik
-wil met u handelen en wandelen, gaan en staan, koopen en verkoopen,
-en zoo voort; maar ik wil niet eten met u, niet drinken met u, niet
-bidden met u. Wat nieuws is er op den Rialto?--Wie komt daar aan?
-
-BASSANIO. Het is signore Antonio.
-
-(Antonio komt op.)
-
-SHYLOCK (ter zijde). Hoe lijkt hij een deemoedig tollenaar!
-Ik haat hem reeds, dewijl hij Christen is,
-En meer nog, wijl, in lage onnoozelheid,
-Hij gratis geld leent en de rente drukt,
-Die we anders in Venetië konden maken.
-Gelukt het me eens, hem bij de heup te pakken,
-Dan vier ik de' ouden wrok, dien 'k heb, toch bot;
-Hij haat ons heilig volk, en vloekt, juist daar,
-Waar alle kooplui plegen saam te komen,
-Op mij, mijn zaken en mijn eerlijk winstje;
-Dat noemt hij woeker. Zij mijn stam vervloekt,
-Als ik 't vergeef!
-
-BASSANIO. Hé, Shylock, wilt gij hooren?
-
-SHYLOCK. Ik rekende uit, hoeveel ik wel in kas heb;
-Zoo ver ik uit het hoofd het ramen kan,
-Kan ik die volle somma van drieduizend
-Dukaten zelf niet leev'ren. Maar wat doet dit?
-Tubal, een rijk Hebreër van mijn stam,
-Zal mij wel helpen.--Maar voor hoeveel maanden
-Verlangt gij 't geld?--(Tot Antonio.) Signore, welkom hier;
-Wij spraken juist daar van uw edelheid.
-
-ANTONIO. Shylock, hoewel ik, als ik gelden voorschiet
-Of opneem, nimmer winsten neem noch geef,
-Wil ik, om thans mijn vriend in nood te helpen,
-Met die gewoonte breken.--(Tot Bassanio.) Weet hij reeds,
-Hoeveel gij wenscht?
-
-SHYLOCK. Drieduizend, ja, dukaten.
-
-ANTONIO. En voor drie maanden.
-
-SHYLOCK. O, dat vergat ik,--voor drie maanden, ja.
-En gij zijt borg, ja goed,--maar hoorde ik wel
-Gij neemt of geeft geen intrest, als ge gelden
-Voorschiet of opneemt, zegt ge?
-
-ANTONIO. 'k Doe het nooit.
-
-SHYLOCK. Toen Jakob nog de schapen Labans weidde,--
-Hij was van onzen vader Abram af
-(Door 't schrander overleg van zijne moeder)
-De derde patriarch,--jawel, de derde,--
-
-ANTONIO. Wat wilt ge zeggen? leende hij op intrest?
-
-SHYLOCK. Neen, neen; hij nam geen interest, niet wat gij
-Zoo intrest noemt; merk op, wat Jakob deed.
-Toen tusschen hem en Laban de afspraak was,
-Dat al 't geplekte en zwarte van de lamm'ren
-Als Jakobs loon zou gelden, en de herfsttijd
-Weer de ooien met de rammen samenbracht
-En 't wolvee welig aan het paren ging,
-Toen nam de ervaren herder popelroeden
-En schilde ze met strepen en hij lei ze,
-Wanneer de dieren paarden, op de drinkplaats,
-Voor de oogen van de ritsige ooien neer,
-Die, zoo ontvangend, in den lammertijd
-Geplekte jongen wierpen, Jakobs deel.
-Zoo nam hij toe in welstand, werd gezegend;
-Want winst is zegen, als men 't maar niet steelt.
-
-ANTONIO. Dan diende Jakob, man, op goed geluk;
-Het stond niet in zijn macht dit te bewerken;
-Des hemels hand bestuurde en schikte 't zoo.
-Meldt dit de schrift om woeker te rechtvaardigen,
-Of is uw goud en zilver, ooi en ram?
-
-SHYLOCK. 'k Weet niet, ik laat het even snel vermeerdren;--
-Maar hoor, Signore.
-
-ANTONIO. Merk dit op, Bassanio;
-De duivel zelf beroept zich op de schrift.
-Een boos gemoed, dat heil'ge woorden spreekt,
-Is als een fielt met liefelijken lach;
-Een schijnschoone appel, maar in 't hart verrot;
-O, glanzend schoon is 't uiterlijk der valschheid!
-
-SHYLOCK. Drieduizend--'t is een goede ronde som!
-Drie maand, een verreljaars, laat zien dat maakt--
-
-ANTONIO. Nu, Shylock, kunnen we op u reeknen, zeg?
-
-SHYLOCK. Signore Antonio, meermalen, vaak,
-Hebt gij me op den Rialto doorgehaald
-Ter zake van mijn leenen en mijn rente;
-Ik zeide niets, maar trok de schouders op,
-Want dulden is het erfdeel van ons volk.
-Gij scholdt mij voor een onbekeerde, een bloedhond,
-Gij spuwdet op mijn tabbaard--en dat alles,
-Omdat ik weet te hand'len met wat mijn is.
-Welnu, thans blijkt het, dat ge mij behoeft,
-Zoo is 't; thans komt ge tot mij, en gij zegt:
-"Shylock, wij wenschen geld"; en dat zegt gij,
-Gij, die mijn baard bespuwdet, met den voet
-Mij stiet, zooals ge een vreemden hond zoudt schoppen
-Van uwen drempel, thans verlangt gij geld!
-Wat moet ik tot u zeggen? moet ik zeggen:
-"Heeft een hond geld? Is 't mooglijk, dat een bloedhond
-Drieduizend stukken gouds u leent?" Of moet ik
-Ten grond toe buigen, en gelijk een schuldnaar
-Met fluisterstem, waar needrigheid in suist,
-Dus spreken:
-"Uw edelheid heeft Woensdag mij bespuwd,
-Op dien dag weggeschopt, een ander maal
-Mij hond genoemd; voor zooveel vriendelijkheid
-Leen ik u zooveel geld?"
-
-ANTONIO. Ik was in staat u weder zoo te noemen,
-U weer te spuwen, met den voet te stooten.
-Wilt gij dit geld ons leenen, leen het niet
-Als aan uw vrienden,--vriendschap zou geen vrucht
-Van dood metaal ooit eischen van zijn vriend,--
-Maar leen 't veeleer uw vijand uit, want blijft
-Die in gebreke, des te scherper kunt gij
-Het uiterste eischen.
-
-SHYLOCK. Zie toch, welk een drift!
-Ik wilde uw vriend zijn, vriendlijkheid u toonen,
-Den smaad vergeten, dien 'k verduren moest,
-Het noodige u verschaffen, en voor rente
-Geen duit zelfs eischen, maar gij hoort niet eens;
-Mijn aanbod is toch vriendlijk.
-
-ANTONIO. 't Zou vriendlijk zijn.
-
-SHYLOCK. Ik doe die vriendlijkheid.--
-Ga mee naar den notaris, teeken daar
-Uw schuldbrief op uw naam; uit louter scherts,
-Opdat gij ziet, dat ik geen winst verlang,
-Als gij mij niet op den bepaalden dag,
-En daar of daar, die som of die, zooals
-Uw schuldbekentnis luiden zal, betaalt,
-Zij deze boete vastgesteld, dat ik
-Een zuiver pond mag snijden van uw vleesch,
-Uit welk deel van uw lichaam ik verkies.
-
-ANTONIO. Het zij zoo; op mijn woord; ik teeken 't stuk,
-En zeg: ook bij een jood is vriendlijkheid.
-
-BASSANIO. Neen, teeken zulk een borgtocht niet voor mij;
-Veel liever blijf ik nog in mijn ellend'.
-
-ANTONIO. Kom, vriend, geen angst; want ik betaal op tijd.
-In minder dan twee maanden, dus een maand
-Vóór ik 't behoef, verwacht ik schepen binnen,
-In waarde tien-, ja, twintigmaal deez' som.
-
-SHYLOCK. O vader Abram! hoe de christnen toch,
-Omdat zij zelf hardvochtig zijn, van andren
-Hetzelfde denken!--'k Bid u, zeg, zou mij,
-Als hij eens in gebreke bleef, het innen
-Der afgesproken boete voordeel zijn?
-Een pondje menschenvleesch, gesneden van
-Een man, is niet zoo goed, niet te verhandlen
-Als vleesch van rund of schaap. Ik zeide, ik wensch
-Zijn gunst, en bied mijn diensten. Neemt hij
-Die aan, zeer gaarne; weigert hij, 't zij uit;
-Maar smaad mij niet, ik bid u, om mijn goedheid.
-
-ANTONIO. Shylock, ik ben bereid het stuk te teek'nen.
-
-SHYLOCK. Gij ziet mij daadlijk weer, bij den notaris;
-Geef gij hem op, wat hij te stellen heeft,
-Met onze scherts er bij; ik zorg voor 't geld
-En pak het in, en 'k moet ook naar mijn huis,
-Waarop een dienaar past, die niet te best
-Betrouwbaar is, maar spoedig ben ik bij u.
-
- (Shylock af.)
-
-ANTONIO. Zoo haast u, goede jood.--Zie, deez' Hebreër
-Wordt waarlijk nog een christen; hij wordt goed.
-
-BASSANIO. 'k Vertrouw geen goedheid van een boos gemoed.
-
-ANTONIO. Geen zorg; ik heb geen roekloosheid begaan;
-Mijn schepen zijn een maand vooruit wel aan.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Belmont. Een vertrek in Portia's woning.
-
-Trompetgeschal. De Prins van Marocco met zijn Stoet, Portia, Nerissa
-en anderen van haar Gevolg komen op.
-
-
-MAROCCO. Versmaad mij om mijn kleur niet; 't is de donkre
-Livrei der helle zon, in wier nabijheid
-Ik ben geboren en mijn zetel heb.
-Maar koom' de blankste jongling van het noorden,
-Waar Febus' gloed de ijskegels nauwlijks smelt,
-En om uw min verwond' zich elk van ons,
-Tot proef, wiens bloed het roodst is, 't zijn of 't mijn.
-'k Verklaar u, jonkvrouw, dit gelaat deed zelfs
-Den stoutste sidd'ren; 'k zweer u bij mijn min,
-Dat het de fierste maagden van het zuid
-Bekoren kon; en 'k ruilde niet mijn kleur,
-Dan om, mijn koningin, uw hart te stelen.
-
-PORTIA. Mijn keuze, prins, wordt niet alleen geleid
-Door wat een ijdel meisjeshart begeert;
-De loterij, waaraan mijn toekomst hangt,
-Ontneemt mij zelfs het recht van eigen keus;
-Maar had mijn vader in zijn wijsheid mij
-Niet zoo beperkt, en mij niet opgelegd
-Slechts hem als echtgenoot te aanvaarden, die
-Mij op de wijze wint, die ik u noemde,
-Dan ware uw uitzicht, wijdvermaarde prins,
-Wel even schoon als dat van eenig ander,
-Die vóór u naar mij dong.
-
-MAROCCO. Reeds hiervoor dank.
-Ik bid u dus, geleid mij tot de kastjes,
-Om mijn geluk te toetsen. Bij deez' kling,--
-Die aan den Sophi, en een Perzisch prins,
-Voor wien de Sultan Soliman driemaal
-Het veld moest ruimen, 't leven nam,--ik zou
-Den fiersten blik der aard nog overfonklen,
-Het kloekste hart der aard nog overtrotsen,
-Aan de berin haar zuiglingwelpen nemen,
-Den leeuw beschimpen, brullende om een prooi,
-Voor uw bezit, signora. Maar helaas!
-Als Hercules en Lichas met den teerling
-Uitmaken wie het dapperst is, dan doet
-Wellicht de zwakste hand den hoogsten worp,
-En moet Alcides voor zijn schildknaap wijken;
-En zoo kan mij, als blind geluk beslist,
-Ontgaan, wat aan een mindren man ten deel valt,
-Zoodat ik sterf van smarte.
-
-PORTIA. Zoo is 't lot!
-Beslis dus, dat gij afziet van de keus,
-Of zweer vooraf, dat, als gij aav'rechts kiest,
-Gij u verbindt om nimmermeer een vrouw
-Ten echt te vragen. Overweeg dus wel.
-
-MAROCCO. Ik zweer het, nimmer! Kom, de keus gewaagd!
-
-PORTIA. Neen, eerst uw eed voor 't altaar. Na den noen
-Beproeft ge uw lot.
-
-MAROCCO. Gelukstèr, toon uw macht,
-Nu 't zaligst heil of diepste ellend' mij wacht!
-
- (Trompetgeschal. Allen af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Venetië. Een straat.
-
-Lancelot Gobbo komt op.
-
-
-LANCELOT. Zeker, mijn geweten zal wel toegeven, dat ik van dezen jood,
-mijn meester, wegloop. De booze is mij op de hielen, en verzoekt mij,
-en zegt: "Gobbo, Lancelot Gobbo", of "goede Gobbo", of "goede Lancelot
-Gobbo, sta op, haal je beenen na je, loop weg". Mijn geweten zegt:
-"neen; pas op, brave Lancelot", of, zooals daareven, "brave Lancelot
-Gobbo, ga niet op den loop; stamp met je hielen, dat je den brui geeft
-van dat wegloopen". Goed, maar de verbenedijde booze drijft mij aan,
-mij weg te pakken, en zegt: "Loop" zegt de booze, "voort!" zegt de
-booze, "in 's hemels naam; heb een hart in 't lijf", zegt de booze,
-"en loop weg". Goed, maar mijn geweten werpt zich om den hals van mijn
-hart en zegt op wijzen toon tot mij: "mijn brave vriend Lancelot,
-gij zoon van een braaf man",--of liever van een brave vrouw, want,
-inderdaad, van mijn vader gesproken, daar was wel een luchtje aan,
-hij had zoo zekere neigingen, zoo wat smaak in--, nu, mijn geweten
-dan zegt: "Lancelot, blijf", "blijf niet" zegt de booze; "blijf",
-zegt mijn geweten. Geweten, zeg ik, uw raad is goed; Booze, zeg ik,
-uw raad is ook goed; als ik aan mijn geweten gehoor geef, zou ik
-blijven bij den jood, mijn meester, die (God straffe mij, als ik
-lieg!) een soort van duivel is: en als ik van den jood wegliep,
-zou ik aan den booze gehoor geven, die, met verlof gezegd, de Duivel
-zelf is. Want dit is zeker, dat de jood de gevleeschelijkte duivel
-is; en, op mijn geweten, mijn geweten is een hard soort van geweten,
-dat het mij wil aanraden bij den jood te blijven. De booze geeft mij
-den besten vriendenraad; ik wil op den loop gaan, Booze; mijn hielen
-zijn tot uw dienst; ik wil op den loop gaan.
-
-(De oude Gobbo komt op, met een mand.)
-
-GOBBO. Mosjeu, jonge heer, gij, wees zoo goed en zeg mij, wat is de
-weg naar mijnheer den jood zijn huis?
-
-LANCELOT (ter zijde). Och hemel, daar is mijn echte vleeschelijke
-vader; hij heeft meer dan zand, hij heeft kiezel in zijn oogen en
-kent mij niet.--Ik wil toch eens wat excrementen met hem nemen.
-
-GOBBO. Mosjeu, jonge heer, wees zoo goed en zeg me, wat is de weg
-naar mijnheer den jood zijn huis?
-
-LANCELOT. Sla bij den eersten draai rechtsom, maar bij den allereersten
-draai linksom; maar onthoud, sla bij den allerallereersten draai
-noch rechts noch links om, maar sla dadelijk na een poos kaarsrecht
-af naar het huis van den jood.
-
-GOBBO. Sapperment, dat zal een moeilijke weg wezen om te vinden. Kunt
-ge mij zeggen, of zekere Lancelot, die bij hem dient, bij hem dient
-of niet?
-
-LANCELOT. Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?--(Ter zijde). Nu
-opgepast, nu leg ik hem het vuur aan de schenen.--Spreek je van den
-jongen mosjeu Lancelot?
-
-GOBBO. Geen mosjeu, heer, maar de zoon van een armen drommel; zijn
-vader is, al zeg ik het zelf, een brave doodarme kerel, en, Gode zij
-dank, heel welvarend.
-
-LANCELOT. Wel, laat zijn vader wezen wat hij wil, wij spreken nu van
-den jongen mosjeu Lancelot.
-
-GOBBO. Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot kortaf, heer.
-
-LANCELOT. Maar ik bid je, ergo, oude man, ergo, verzoek ik je, spreek
-je van den jongen mosjeu Lancelot?
-
-GOBBO. Uw edeles dienaar, en Lancelot, heer.
-
-LANCELOT. Ergo, mosjeu Lancelot; spreek niet van mosjeu Lancelot,
-vadertje; want die jonge heer heeft, ten gevolge van de noodlotten
-en lotsbeschikkingen en zulke vreemde gezegdens meer, de drie
-schikgodinnen en verdere geleerdhedens, het tijdelijke met het eeuwige
-verwisseld, of, om het platweg uit te drukken, hij is ter--hemel
-gevaren.
-
-GOBBO. Och, och, God beware! de jongen was zoowaar de staf van mijn
-ouderdom, mijn eenige steunpilaar.
-
-LANCELOT (ter zijde). Zie ik er uit als een knuppel of een tentpaal,
-een staf of een pilaar?--Ken je mij niet, vader?
-
-GOBBO. Ach hemel, ik ken u niet, jonge heer; maar ik bid u, zeg me,
-is mijn jongen, (God hebbe zijn ziel!) levend of dood?
-
-LANCELOT. Ken je mij niet, vader?
-
-GOBBO. Helaas, mijnheer, ik ben half blind, ik ken u niet.
-
-LANCELOT. Neen, maar waarlijk, al hadt je je oogen, dan zou het nog
-wel kunnen gebeuren, dat je mij niet kende; 't is een wijs vader, die
-zijn eigen kind kent. Komaan, oude man, ik zal je van je zoon bericht
-geven. (Hij knielt.) Geef mij uw zegen! De waarheid komt altijd aan
-het licht; een moord kan niet lang verborgen blijven, wel de zoon
-van een vader; maar toch, ten langen leste, komt de waarheid uit.
-
-GOBBO. Ik bid u, heer, sta op; ik weet zeker, dat gij Lancelot,
-mijn jongen, niet zijt.
-
-LANCELOT. Kom, ik bid je, alle gekheid op een stokje, maar geef
-mij je zegen; ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is,
-je kind dat wezen zal.
-
-GOBBO. Ik kan niet gelooven, dat gij mijn zoon zijt.
-
-LANCELOT. Dan weet ik ook niet, wat ik er van denken moet, maar ik
-ben Lancelot, bij den jood in dienst, en, dat weet ik zeker, Margriet,
-je vrouw, is mijn moeder.
-
-GOBBO. Ja wezenlijk, ze heet Margriet; en ik wil er op zweren, als
-je Lancelot bent, dat je dan mijn eigen vleesch en bloed bent. Maar,
-bij God en al zijn heiligen, wat een baard heb je gekregen; je hebt
-meer haar gekregen aan je kin, dan Hans, mijn sleeppaard, aan zijn
-staart heeft.
-
-LANCELOT. Dan lijkt het wel, dat Hans zijn staartharen achteruit
-groeien; toen ik hem het laatst gezien heb, had hij bepaald meer
-haren in zijn staart dan ik nu op mijn gezicht heb.
-
-GOBBO. Heerejé, wat ben je veranderd! En kun je met je meester nog al
-overweg? Ik heb hem een present meegebracht. Hoe sta je tegenwoordig
-met elkaar?
-
-LANCELOT. Zóó, zóó,--; maar voor mijn part, daar ik het er op gezet
-heb om van hem weg te loopen, zoo wil ik niet rusten, voor ik een heel
-eind achter de hielen heb. Mijn meester is een echte jood; hem een
-present brengen! geef hem een strop. Ik ben in zijn dienst verhongerd;
-je kunt iederen vinger, dien ik heb, met mijn ribben tellen. Vader,
-ik ben blij, dat je gekomen bent; maar geef je present aan zekeren
-heer Bassanio, die wezenlijk prachtige nieuwe livreien geeft; als ik
-niet bij hem terecht kan komen, wil ik loopen, zoo ver Gods aardbodem
-reikt.--O, wat een tref, wat een geluk! daar komt hij aan;--naar hem
-toe, vader; want ik ben een jood, als ik nog langer bij den jood blijf.
-
-(Bassanio komt op, met Leonardo en andere Bedienden.)
-
-BASSANIO. Zoo kun je het wel doen;--maar je moet er zoo veel spoed
-achter zetten, dat het avondmaal op zijn laatst tegen vijf uur gereed
-is. Bezorg deze brieven; maak dat de livreien in orde komen en verzoek
-Gratiano dadelijk bij mij te komen in mijn huis.
-
- (Een Bediende gaat heen.)
-
-LANCELOT. Nu naar hem toe, vader.
-
-GOBBO. God zegene uwe edelheid.
-
-BASSANIO. Dank je zeer; wou je iets van mij hebben?
-
-GOBBO. Hier is mijn zoon, heer, een arme jongen.
-
-LANCELOT. Niet een arme jongen, heer, maar de knecht van den rijken
-jood; en die graag, heer, zooals mijn vader zal spezivizeeren--
-
-GOBBO. Hij heeft een groote infectie, heer, om zoo te zeggen, om
-bij u--
-
-LANCELOT. Inderdaad, heer, het kort en het lang van de zaak is, dat
-ik bij den jood in dienst ben, en declinatie heb, zooals mijn vader
-zal spezivizeeren--
-
-GOBBO. Zijn meester en hij, met verlof van uw edelheid, leven zoo
-wat als kat en hond,--
-
-LANCELOT. Om kort te gaan, de zuivere waarheid is, heer, dat de jood
-mij verongelijkt heeft, en dat maakt, zooals mijn vader, die naar ik
-hoop een oud man is, u fructivizeeren zal--
-
-GOBBO. Ik heb hier een duivenschoteltje, dat ik aan uw edelheid wensch
-te vereeren, en mijn verzoek is,--
-
-LANCELOT. Om zoo kort mogelijk te zijn, het verzoek interruppeert
-mijzelf, zooals uw edelheid hooren zal van dezen braven ouden man,
-die, al zeg ik het zelf, schoon een oud man, toch een arm man en mijn
-vader is.
-
-BASSANIO. Niet beiden te gelijk;--wat wil je? spreek!
-
-LANCELOT. Bij u in dienst komen, heer.
-
-GOBBO. Ja, dat is het, dat wij u willen opponeeren, heer.
-
-BASSANIO. Ik ken u wel; 't verzoek is toegestaan;
-Shylock, uw heer, beval vandaag u aan
-Voor deez' bevordring, zoo 't bevordring is,
-Uit zulk een dienst als van een rijken jood,
-Te komen bij een armen edelman.
-
-LANCELOT. Het oude gezegde, heer, is zeer goed verdeeld tusschen mijn
-meester Shylock en u; gij hebt de genade Gods, heer, en hij heeft
-vele goederen.
-
-BASSANIO (tot Lancelot). Zeer juist. (Tot Gobbo.) Ga heen nu, vader
-met uw zoon,--
-Neem afscheid van uw vroeg'ren heer en kom
-Dan aan mijn huis.--(Tot zijn Bedienden.) Bezorgt hem een livrei,
-Wat meer bestrikt dan de andre; let daarop.
-
-LANCELOT. Kom, vader.--Neen, ik kan geen dienst krijgen; wel neen,
-ik heb mijn tongetje niet tot mijn dienst.--Nu, (Hij bekijkt de
-binnenvlakte van zijn hand.) als er in Italië iemand zoo'n mooie
-handpalm heeft om op de schrift te zweren! of ik ook geluk zal
-hebben!--Kijk eens, welk een onnoozel levenslijntje; 't is me daar
-een kleinigheidje vrouwen; acht, tien, vijftien vrouwen is nog niets:
-elf weduwen en negen jonge dochters is wel een onnoozel inkomen voor
-één man; en dan, driemaal bijna te verdrinken, en mijn leven haast
-te verliezen aan den rand van een veerenbed;--dat noem ik er genadig
-afkomen! Ik moet zeggen, als Fortuin een vrouw is, dan is zij in dàt
-opzicht een goeie meid.--Kom, vader; ik zal in een ommezientje klaar
-wezen met dat afscheidnemen van den jood.
-
- (Lancelot en de oude Gobbo af.)
-
-BASSANIO. Ik bid u, Leonardo, denk hieraan;
-En kom, is dit gekocht en alles klaar,
-Terstond terug, want al mijn goede vrienden
-Onthaal ik dezen avond. Haast u, ga.
-
-LEONARDO. Ik doe mijn best; gij zult tevreden zijn.
-
-(Gratiano komt op.)
-
-GRATIANO. Waar is uw meester?
-
-LEONARDO. Heer, daar gaat hij juist.
-
- (Leonardo af.)
-
-GRATIANO. Signor Bassanio!--
-
-BASSANIO. Gratiano!
-
-GRATIANO. Ik wensch een gunst van u!
-
-BASSANIO. Ze is toegestaan.
-
-GRATIANO. Ja, toestaan moet ge; ik moet met u naar Belmont.
-
-BASSANIO. Wat moet, dat moet; maar hoor dan toch, Gratiano,
-Gij zijt te wild, te ruw, te luid van stem;
-'t Gaat u goed af, en is volstrekt geen fout
-In oogen zooals de onze; maar het wordt,
-Waar men u zoo niet kent, al licht te vrij,
-Te dol gevonden;--temper, zoo gij kunt,
-Met enkle koude drupp'len stemmigheid
-Uw dart'len geest; opdat ik, door uw woestheid,
-Niet word' miskend, en wat ik wensch en hoop
-Niet derven moog'.
-
-GRATIANO. Gerust maar, vriend Bassanio;
-Hul ik mij niet in stemmige eerbaarheid,
-Praat ik niet deftig, vloek slechts nu en dan,
-En is mijn blik niet zedig, draag ik niet
-Een kerkboek in mijn zak, en houd ik niet
-Mijn hoed voor de oogen bij 't gebed, en zucht
-Ik niet, en zeg ik niet ootmoedig "amen",
-Neem ik naar eisch niet iedren vorm in acht,
-Als een, die om de gunst van grootmama
-Een uitgestreken facie toont, geloof mij
-Dan in 't vervolg nooit meer.
-
-BASSANIO. Wij zullen zien,
-Hoe gij u houden zult.
-
-GRATIANO. Maar, vriendlief, hoor,
-Deze avond geldt nog niet, gij moogt mij niet
-Verkett'ren om van avond.
-
-BASSANIO. Zeker niet,
-Dat zou wel jammer zijn, ik zou u eer
-Verzoeken uitgelaten dol te wezen,
-Want onze vrienden willen vroolijkheid.
-Doch nu vaarwel; ik heb nog wat te doen.
-
-GRATIANO. En ik moet naar Lorenzo en de vrienden,
-Maar kom met hen van avond goed op tijd.
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Een kamer in Shylock's huis.
-
-Jessica en Lancelot komen op.
-
-
-JESSICA. Het spijt me, dat ge ons huis verlaten gaat;
-Het is een hel, en gij, een snaaksche duivel,
-Hebt soms de slepende uren mij verkort.
-Maar 't ga u goed; neem deez' dukaat van mij;
-En, Lanc'lot, hoor; straks ziet ge op 't avondfeest
-Als gast van uwen nieuwen heer, Lorenzo;
-Geef hem deez' brief, maar doe het in 't geheim;
-En nu vaarwel; ik wil niet, dat mijn vader
-Ons samen spreken ziet.
-
-LANCELOT. Atjé!--tranen verlangen mijn tong.--Gij allerliefst
-heidinneke, allerzoetst Jodinneke! Als een Christen niet voor schelm
-heeft gespeeld en uw hart gestolen, dan weet ik er niets meer van. Maar
-atjé, deze bespottelijke druppels verdrinken mijn manlijkheid te
-veel; atjé.
-
- (Lancelot af.)
-
-JESSICA. Vaarwel, vriend Lancelot.--
-Ach, hoe afschuw'lijk is het toch in mij,
-Dat ik mij schaam mijns vaders kind te zijn!
-Maar ben ik ook zijn dochter naar den bloede,
-Ik ben 't niet naar den geest.--O, mijn Lorenzo,
-Geen strijd meer, neen; ik word, blijft gij mij trouw,
-Christinne, en met een hart vol liefde uw vrouw.
-
- (Jessica af.)
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Een straat.
-
-Gratiano, Lorenzo, Salarino en Solanio komen op.
-
-
-LORENZO. Hoort toe, wij sluipen weg van 't avondmaal,
-Vermommen ons bij mij aan huis en zijn
-Dan allen in een uur terug.
-
-GRATIANO. Wij zijn op zulk een feest niet voorbereid.
-
-SALARINO. Voor fakkeldragers is niet eens gezorgd.
-
-SOLANIO. 't Moet puik in orde zijn, of 't is niets waard;
-En dan zij 't, dunkt mij, liever niet begonnen.
-
-LORENZO. Het is nog pas vier uur; wij hebben dus
-Nog twee uur vóór ons.
-
-(Lancelot komt op, met een brief.)
-
- Lanc'lot, zoo! wat nieuws?
-
-LANCELOT. Als uwe edelheid dezen brief gelieft te openen, zal het
-schijnen te verduidelijken.
-
-LORENZO. Ik ken de hand; ja, 't is een schoone hand,
-En blanker dan 't papier, waarop zij schreef,
-De schoone hand, die schreef.
-
-GRATIANO. Een minnebriefje!
-
-LANCELOT (wil weggaan). Met uw verlof, heer.
-
-LORENZO. Zeg, waar moet gij heen?
-
-LANCELOT. Och heer, ik moet mijn ouden meester den Jood gaan intiveeren
-om bij mijn nieuwen meester den Christen van avond het nachtmaal te
-komen gebruiken.
-
-LORENZO. Ziedaar, (Hij geeft hem geld.)--en zeg de schoone Jessica,
-Dat ze op mij reek'nen kan;--zeg 't heimlijk; ga.--
-
- (Lancelot af.)
-
-Mijn heeren,
-Maakt ge alles nu voor 't maskerfeest gereed?
-Ik heb al iemand, die mijn fakkel draagt.
-
-SALARINO. Goed, op mijn woord, ik maak het daad'lijk klaar.
-
-SOLANIO. Ik ook.
-
-LORENZO. En komt dan, na een uur zoo wat,
-Aan Gratiano's huis; daar vindt ge ons tweeën.
-
-SALARINO. 't Is goed, wij zullen komen.
-
- (Salarino en Solanio af.)
-
-GRATIANO. Die brief was van de schoone Jessica?
-
-LORENZO. U moet ik alles zeggen: zie, zij schreef,
-Hoe ik haar uit haars vaders huis moet schaken;
-Hoe ze is voorzien van goud en edelsteenen;
-Hoe ze in een page zich verkleeden zal.
-Komt ooit de jood, haar vader, in den hemel,
-Dan is 't ter wille van zijn dochter slechts;
-En waagt ooit rampspoed haren weg te kruisen,
-Dan is er niets, dat zulk een doen verschoont,
-Dan dat zij 't kind is van een valschen jood.--
-Kom mede, en zie dit onderweg maar in;
-Mij draagt de schoone Jessica de fakkel.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-VIJFDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. De straat voor Shylock's huis.
-
-Shylock en Lancelot komen op.
-
-
-SHYLOCK. Nu, gij zult zien, met eigen oogen zien,
-Hoe anders 't is bij Shylock en Bassanio;--
-Hé, Jessica!--voorwaar, gij zult bij hem
-Niet slapen, snorken, telkens kleeren scheuren!--
-Hé, Jessica, nog eens!
-
-LANCELOT. Hé, Jessica!
-
-SHYLOCK. Wie zeide u haar te roepen? 'k zei 't u niet.
-
-LANCELOT. Uwe edelheid heeft mij vroeger altijd gezeid, dat ik nooit
-iets kan doen, of het moest mij gezeid worden.
-
-JESSICA. Wat is 't? Gij hebt geroepen?
-
-(Jessica komt op.)
-
-SHYLOCK. 'k Ben uitgevraagd ten eten, Jessica;
-Daar zijn mijn sleutels.--Maar waarom zou 'k gaan?
-Men vraagt mij niet als vriend, maar om te vleien;
-Maar ik, ik ga uit haat, en help den christen
-Zijn goed verspillen.--Jessica, mijn kind,
-Pas op mijn huis;--ik ga met tegenzin;
-Er broeit iets, vrees ik, dat mijn rust verstoort;
-Ik heb van nacht van zakken gouds gedroomd.
-
-LANCELOT. Ik bid u, heer, kom; mijn jonge meester wacht op uw
-bezoeking.
-
-SHYLOCK. Die zal wel gebeuren.
-
-LANCELOT. En ze hebben saamgezworen,--ik wil niet zeggen, dat gij een
-maskerade zult zien, maar als gij er een ziet, dan was het niet voor
-niets, dat mijn neus begon te bloeden op den laatsten Paaschmaandag
-'s morgens om zes uur, die dat jaar viel op Asschenwoensdag voor vier
-jaren in den namiddag.
-
-SHYLOCK. Wat, zijn daar maskers? Hoor mij, Jessica!
-Sluit dan de deur, en als gij tromm'len hoort
-En dat gegil van kromgenekte fluiten,
-Klim dan niet tot het venster op en steek
-Uw hoofd niet op de straat, en kijk niet uit
-Naar dat geverfd gelaat van christenzotten;
-Maar stop dan de ooren van mijn woning,--'k meen
-Mijn vensters,--dicht, opdat mijn eerbaar huis
-'t Geraas dier flauwe zotternij niet hoore.--
-Ik zweer bij Jacobs staf, ik heb geen zin
-Om buitenshuis van avond feest te vieren;
-Toch wil ik gaan.--Gij knaap, ga voor mij uit;
-Zeg, dat ik kom.
-
-LANCELOT. Ik zal vooruitgaan, heer.--
-(Fluisterend tot Jessica.) Maar kijk, meestres, alevel 't venster uit;
- Dra passeert een christen goed,
- Waard, dat een jodin hem groet.
-
- (Lancelot af.)
-
-SHYLOCK. Wat zeide daar die gek, die zone Hagars?
-
-JESSICA. Hij zeide mij vaarwel en anders niet.
-
-SHYLOCK. De dwaas is goedig, maar een wolf in 't eten;
-Bij 't werk een slak, in 't slapen overdag
-Een wilde kat; ik wil geen hommels houden;
-En daarom ga hij heen, en ga hij heen
-Naar iemand, wien hij den geborgden buidel
-Moog' helpen leêgen.--Jessica, naar binnen;
-Misschien kom ik zoo daad'lijk wel terug;
-Doe wat ik zeide en sluit de deuren goed;
- "Een dichte kast, weert meen'gen gast;"
-Zoo spreekt een elk, die op zijn zaken past.
-
- (Shylock af.)
-
-JESSICA. Vaarwel;--en als Fortuin mij niet bestrijdt,
-Ben ik een vader, gij een dochter kwijt.
-
- (Jessica af.)
-
-
-
-
-ZESDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar.
-
-Gratiano en Salarino komen op, gemaskerd.
-
-
-GRATIANO. Dit is het afdak, waar Lorenzo ons
-Verzocht te wachten.
-
-SALARINO. 't Uur is haast voorbij.
-
-GRATIANO. En 't is een wonder, dat hij 't uur verzuimt;
-Verliefden zijn meestal de klok vooruit.
-
-SALARINO. O, tienmaal sneller vliegen Venus' duiven
-Om nieuwe liefdebanden te bezeeg'len,
-Dan om gezworen trouw gestand te doen.
-
-GRATIANO. Ja, dat gaat door: wie staat ooit van een feest
-Met zooveel eetlust op, als hij ging zitten?
-Waar is het paard, dat op zijn lange baan
-Terugdraaft met hetzelfde ondoofbre vuur,
-Waarmee het steig'rend wegstoof? Ieder ding
-Wordt met meer vuur begeerd dan wel genoten.
-Ziet, hoe, gelijk een jong en kwistig zwakhoofd,
-Het nieuwe jacht daar zee kiest, vlag in top,
-Door dartel windgestreel gekust, geliefkoosd!
-Hoe keert het weer als de verloren zoon,
-De spanten bloot en met gescheurde zeilen,
-Verarmd en naakt door 't dartel windgestreel!
-
-(Lorenzo komt op.)
-
-SALARINO. Daar komt Lorenzo;--later dus 't vervolg.
-
-LORENZO. Verschoont mij, lieve vrienden, dat ik toefde;
-'k Had veel te doen; dat draag' de schuld, niet ik.
-Maar is 't ùw beurt eens om een vrouw te stelen,
-Dan wacht ik even lang op u.--Komt hier;
-Hier woont mijn jodenvader.--Wie is thuis?
-
-(Jessica verschijnt aan 't venster, in jongensgewaad.)
-
-JESSICA. Wie is daar? Zeg 't voor alle zekerheid,
-Hoewel ik zweren zou de stem te kennen.
-
-LORENZO. Lorenzo, en uw liefste.
-
-JESSICA. Lorenzo, zeker; en mijn liefste, ja;
-Want wien heb ik zoo lief? Maar wie, Lorenzo,
-Staat voor u in, dat ik u 't liefste ben?
-
-LORENZO. De hemel en uw hart zijn mijn getuigen.
-
-JESSICA. Hier, vang dit mandje; 't is de moeite waard.
-Goed, dat het nacht is, en ge mij niet ziet;
-Want ik ben erg beschaamd in deez' verkleeding;
-Maar liefde is blind; verliefden kunnen niet
-De vreemde streken zien, die zij bedrijven;
-Maar konden zij 't, Cupido zelf zou blozen,
-Als hij mij zoo als jongen zag verkleed.
-
-LORENZO. Kom af, gij moet mijn fakkeldrager zijn.
-
-JESSICA. Wat! moet ik 't licht doen vallen op mijn schande?
-Die is, voorwaar, van zelf reeds veel te licht.
-Dit is een post, mijn lief, die openbaart,
-En 'k moet verborgen zijn.
-
-LORENZO. Dat blijft gij, liefste,
-Als u 't bevallig pagekleed omhult.
-Maar haast u thans;
-Of de ons bevriende nacht gaat vluchtling spelen,
-En men verwacht ons bij Bassanio's feest.
-
-JESSICA. Ik ga de kasten sluiten en verguld mij
-Met meer dukaten nog, en kom dan fluks.
-
- (Zij gaat weg van 't venster.)
-
-GRATIANO. Ze is, bij mijn kap, Godinne, geen Jodinne.
-
-LORENZO. God straff' me, zoo 'k haar niet oprecht bemin;
-Verstandig is ze, als ik er iets van weet;
-En schoon is ze, als mijn oog mij niet bedriegt;
-En trouw is ze ook, dat heeft ze reeds getoond.
-En, zooals ze is, verstandig, schoon en trouw,
-Wordt zij mijn teêr en trouw beminde vrouw.
-
-(Jessica komt op, beneden.)
-
-LORENZO. Zoo, zijt ge er reeds?--Dan, heeren, voort, met spoed;
-Ginds wacht ons al sinds lang de maskerstoet.
-
- (Hij gaat heen, met Jessica en Salarino.)
-
-(Antonio komt op.)
-
-ANTONIO. Wie daar?
-
-GRATIANO. Signore Antonio?
-
-ANTONIO. Gratiano, foei! En waar zijn nu al de andren?
-'t Is negen uur; de vrienden wachten u.--
-Geen maskerade thans; de wind is om;
-Bassanio wil op 't oogenblik aan boord;
-Ik zond wel twintig man om u te zoeken.
-
-GRATIANO. Zeer gaarne, ja; want niets staat meer mij aan,
-Dan nog van avond scheep en weg te gaan.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-ZEVENDE TOONEEL.
-
-
-Belmont. Een zaal in Portia's huis.
-
-Trompetgeschal. Portia en de Prins van Marocco komen op, beiden
-met Gevolg.
-
-
-PORTIA. Goed, schuif den voorhang open en onthul
-De kastjes alle voor deez' eed'len prins;--
-(Tot den Prins.) Doe thans uw keus.
-
-MAROCCO. Van goud het eerste, dat tot opschrift heeft:
-"Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert".
-Van zilver 't tweede, dat ons dit belooft:
-"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient".
-Dit derde, zwaar, van lood, met plomp vermaan:
-"Die mij verkiest, die wage en geve al wat hij heeft".
-Hoe weet ik nu, of ik het rechte kies?
-
-PORTIA. Slechts één er van bevat mijn beelt'nis, prins;
-En kiest ge dat, dan ben ikzelf ook de uwe.
-
-MAROCCO. Een God bestuur' mijn oordeel dan! Laat zien;
-Nog eens wil ik die spreuken overlezen.
-Wat zegt dit looden kastje?
-"Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft".
-Die geev'--voor wat? voor lood? hij waag' voor lood?
-'t Is taal, die dreigt. En zij, die alles wagen,
-Doen dit op hoop van kostelijk gewin;
-Een gouden geest bukt niet naar schuim van erts;
-En ìk geef niets en waag ook niets, voor lood.
-Wat zegt het zilver, met zijn maagdeglans?
-"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient".
-Zooveel als hij verdient!--Denk na, Marocco,
-En weeg uw eigen waarde op de juiste hand;
-Waardeert men u, zooals ge uzelven schat,
-Genoeg is uw verdienste; schoon, genoeg
-Kan ontoereikend wezen voor de jonkvrouw.
-Doch, angst te koestren over mijn verdienste,
-Waar' zwak, onwaardig twijflen aan mijzelf.
-Zooveel als ik verdien!--Nu, 't is de jonkvrouw;
-'k Verdien haar door geboorte en door mijn goed'ren,
-Door gaven der natuur en door beschaving,
-Maar bovenal verdien ik haar door liefde.
-Als ik niet verder ging, en dit verkoos?--
-Maar toch, die spreuk van 't goud nog overwogen!
-"Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert".
-Nu, dat 's de jonkvrouw; iedereen begeert haar,
-En iedre hoek der aard brengt pelgrims aan,
-Om 't sterflijk, aad'mend heiligbeeld te kussen.
-Hyrcanië's wouden, de onafzienbre vlakten
-Van 't woest Arabië zijn gebaande wegen
-Voor vorsten thans, tot schoone Portia;
-Het rijk der waatren, dat met fiere kruinen
-Den hemel in 't gelaat spuwt, keert ze niet,
-Die zoo vermeet'le vreemden; neen, ze komen,
-Als door een beek, tot schoone Portia.--
-Eén van deez' drie omsluit haar hemelsch beeld.
-Is 't denkbaar, dat haar lood omsluit?--'t Waar' lastring,
-Zoo iets te denken; 't lood is te verachtlijk
-Om zelfs in 't donkre graf haar wâ te ompants'ren.--
-Of is 't te denken, dat ze in zilver huist,
-Wel tienmaal minder waard dan 't loutre goud?
-O zondig denkbeeld! zulk een rijk juweel
-Wordt steeds in goud gevat. In Eng'land is
-Een munt, van goud, gestempeld met een engel,
-Maar daar is 't beeld eens engels bovenop;
-Hier ligt een engel, door een gulden bed
-Geheel omsloten.--Geef den sleutel mij;
-Dit is mijn keus; geluk, wees aan mijn zij!
-
-PORTIA. Daar, neem hem, prins; en is mijn beeld hierin,
-Dan ben ik de uwe.
-
-(Bij ontsluit het gouden kastje.)
-
-MAROCCO. O, hel, wat vind ik hier?
-Een grijnzend doodshoofd, en in de oogkas ligt
-Een opgerold geschrift?--Ik wil het lezen.
- "Al wat blinkt, is nog geen goud,
- Wis is dit u vaak ontvouwd;
- Menig heeft den schijn vertrouwd,
- Maar te laat zijn doen berouwd.
- Gulden graven zijn gebouwd,
- Waar de worm toch huis in houdt.
- Waart gij even wijs als stout,
- Jong van leên, van oordeel oud,
- 't Afscheid hadt ge niet aanschouwd:
- Al uw gloed laat Portia koud."
- Koud voorwaar en moeite om niet;
- Welkom, koude; en gloed, ontvlied!--
-Leef, Portia, wel! Het vonnis doet mij pijn;
-'k Verloor; zoo moog' dan kort het afscheid zijn!
-
- (Marocco af, met zijn Gevolg.)
-
-PORTIA. O heuglijk eind!--Trek weer den voorhang toe;--
-Dat elk, die hem gelijkt, die keuze doe.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-ACHTSTE TOONEEL.
-
-
-Venetië. Een straat.
-
-Salarino en Solanio komen op.
-
-
-SALARINO. Ja, vriend, ik zag Bassanio onder zeil;
-Gratiano heeft zich met hem ingescheept,
-Maar zeker is Lorenzo niet op 't schip.
-
-SOLANIO. De jood, die hondsvot, tierde, tot de doge
-Met hem Bassanio's schip ging onderzoeken.
-
-SALARINO. Hij kwam te laat; het was reeds onder zeil.
-Toen echter kwam den doge dra ter oore,
-Dat men Lorenzo en zijn Jessica
-Gezien had in een gondel; bovendien
-Gaf ook Antonio de verzeek'ring, dat
-Zij niet Bassanio op zijn schip verzelden.
-
-SOLANIO. Nooit hoorde ik zulk een teugellooze woede,
-Zoo vreemd, zoo heftig, zoo van 't een op 't ander,
-Als van dien jood, dien hond, daar op de straat:
-"Mijn dochter!--Mijn dukaten!--O mijn dochter!--
-En met een christen!--O, mijn christ'lijke dukaten!--
-O recht en wet! mijn dochter! mijn dukaten!
-Eén zak, twee zak, verzegeld, vol dukaten!
-Dubb'le dukaten;--en mijn dochter stal ze!
-Juweelen ook, twee steenen, kostbre steenen!
-Mijn dochter stal ze!--Rakkers, zoekt die deern!
-Mijn steenen heeft ze bij zich, mijn dukaten!"
-
-SALARINO. De straatjeugd van Venetië schreeuwt hem na:--
-"Zijn steenen, zijn dukaten en zijn dochter!"
-
-SOLANIO. Als nu Antonio maar op tijd betaalt,
-Want anders zal hij 't boeten.
-
-SALARINO. Ja, zeer juist.
-'k Was gistren met een Franschman aan het praten;
-Die zeide mij, dat in de nauwe zee,
-Die Frankrijk scheidt van Eng'land, er een schip
-Vergaan was, rijk bevracht, en hier van daan.
-'k Dacht daad'lijk aan Antonio, toen hij 't zeide,
-En wenschte in stilte: "zij dat niet van hem!"
-
-SOLANIO. Gij moet hem toch vertellen, wat ge hoort;
-Maar niet te plotsling, want het mocht hem leed doen.
-
-SALARINO. Er is geen trouwer hart op aard; ik zag
-Bassanio's afscheid van Antonio.
-Bassanio zeide, dat hij spoed zou maken
-Om weêr te keeren; "Doe dat niet", was 't antwoord,
-"Verbroddel niet om mij uw zaak, Bassanio.
-Neen, laat de tijd haar rijpen. Wat den schuldbrief
-Betreft, dien ik den jood geteekend heb,
-Die rijz' niet voor uw geest naast uwe liefde;
-Wees opgeruimd en wijd al uw gedachten
-Aan hoflijkheid en de uiting uwer liefde,
-Aan al wat ginds u 't beste passen zal."
-Toen reikte hij,--zijn oog schoot vol van tranen,--
-Met afgewend gelaat zijn vriend de hand,
-En schudde, met een wonderdiepe ontroering,
-Met kracht Bassanio's hand. Zoo scheidden zij.
-
-SOLANIO. 'k Geloof, is hem de wereld nog iets waard,
-Dan is 't om hem. Kom, zoeken wij hem op,
-En zij door scherts of boert die somberheid,
-Die hem beving, verjaagd.
-
-SALARINO. Ja, doen wij dat!
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-NEGENDE TOONEEL.
-
-
-Belmont. Een zaal in Portia's woning.
-
-Nerissa komt op, met een Bediende.
-
-
-NERISSA. Kom, spoedig, spoedig, trek den voorhang weg;
-De prins van Arragon heeft de' eed gedaan
-En komt zoo daad'lijk zijn geluk beproeven.
-
-(Trompetgeschal. De Prins van Arragon en Portia komen op, beiden
-met Gevolg.)
-
-PORTIA. Gij ziet, daar staan de kastjes, edel prins;
-Verkiest gij dat, waarin mijn beeltnis is,
-Dan wordt terstond het huwlijksfeest gevierd;
-Maar faalt uw keuze, heer, dan moet gij ook
-Terstond en zonder tegenspraak vertrekken.
-
-ARRAGON. Drie dingen zijn door de' eed mij opgelegd:
-Ten eerste, nimmer iemand te openbaren,
-Welk kastje ik koos; dan, mocht ik 't rechte kastje
-Niet treffen, nimmer in mijn leven meer
-De hand van een'ge vrouw te vragen; eind'lijk,
-Indien 't geluk me een juiste keus ontzegt,
-Hier niet te toeven maar terstond te gaan.
-
-PORTIA. Hiertoe verplicht zich elk bij eede, die
-Voor mijn onwaardig ìk de kans komt wagen.
-
-ARRAGON. Ik nam het op mij. Thans, Fortuin, vervul
-Mijn hartewensch!--Goud, zilver, waardloos lood!
-"Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft";
-Glans vrij wat schooner, eer ik geef of waag!--
-Wat zegt het gouden kastje? Laat eens zien:--
-"Die mij verkiest, verkrijgt wat menig man begeert."
-Wat menig man begeert!--dit menig meent wellicht
-De dwaze menigt', die naar schijn slechts kiest,
-Niet meer ziet dan het ijdel oog kan leeren,
-Niet in het binnenst dringt, maar als de zwaluw
-Haar bouw bevestigt aan den buitenwand,
-Geheel aan storm en toeval prijsgegeven.
-Ik kies niet, neen, wat menig man begeert,
-Ik wil mij niet naar lage geesten schikken,
-Niet voegen bij den grooten dommen hoop.
-Dus thans tot u, gij zilvren schatbewaarder,
-Zeg mij het opschrift, dat gij draagt, nog eens:
-"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient".
-Zeer goed gezegd: want wie durft stout Fortuin
-Verschalken, en zich eere stelen, waar
-Verdienstes stempel op ontbreekt! Dat niemand
-Een onverdiende waardigheid zich eigen'!
-O, werden goed'ren, rang en ambten nooit
-Op laak'bre wijs verworven; eere steeds
-Onwraakbaar, door verdienste alleen, gekocht!
-Hoe menig dekte zich, die blootshoofds staat;
-Hoe menig, die beveelt, wierd dan de dienaar!
-Wat laag gepeupel zou de wan niet schiften
-Uit wat het zaad der eere is; hoeveel tarwe
-Waar' niet te lezen uit het kaf der tijden,
-En weer tot eer te brengen!--Maar, de keuze:--
-"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient."
-Ik kies verdienste;--ontsluit mij dit, opdat
-Me onthuld zij, hoe 't geluk mij is gezind.
-
-(Hij ontsluit het zilveren kastje.)
-
-PORTIA. Te lang gedraald voor dat, wat gij daar vindt.
-
-ARRAGON. Wat is dit hier? Het beeld eens zots, dat me aangrijnst,
-En een geschrift mij reikt? Ik wil het lezen.
-Hoe weinig zijt ge aan Portia gelijk!
-Hoe weinig aan mijn hoop en mijn verdiensten!
-"Die mij verkiest, verkrijgt zooveel als hij verdient."
-Verdien ik dan niets beters dan een zotskop?
-Is dat mijn loon? Is mijn verdienste zoo?
-
-PORTIA. Misdoen en rechtspraak gaan niet samen; 't een
-Verschilt in aard van 't ander.
-
-ARRAGON. Wat staat hier?
- "Zevenmaal in 't vuur geheet
- Werd dit zilver, en gesmeed;
- Zevenmaal is hij doorkneed,
- Die nooit dwaze keuze deed.
- Menig greep een schaduw beet,
- Die hem door de handen gleed.
- Dwazen zijn er, zoo ik weet,
- Als deez' nar, in zilvren kleed.
- Kies een meisje, grof of fijn,
- Altijd is uw hoofd als 't mijn;
- Gaat, laat dit genoeg u zijn."
- Grooter nar schijn ik mij toe,
- Als ik hier nog toeven doe.
- Eénen zotskop bracht ik mee,
- En ik ga nu weg met twee.--
- Nu, vaarwel, ik houd mijn eed,
- Zal geduldig zijn in 't leed.
-
- (De Prins van Arragon met Gevolg af.)
-
-PORTIA. Dat de mot de vlam niet meed!
-O, o, die wijze narren! als zij kiezen,
-Zijn zij zoo wijs, door wijsheid te verliezen.
-
-NERISSA. Hoe goed het oude spreekwoord het toch wist!
-Wie hangt, wie huwt, wordt door het lot beslist.
-
-PORTIA. Kom, trek 't gordijn weêr toe, Nerissa.
-
-(Een Bediende komt op.)
-
-BEDIENDE. Waar is mijn jonkvrouw?
-
-PORTIA. Hier; wat wil mijn heer?
-
-BEDIENDE. Mejonkvrouw, aan de poort is afgestegen
-Een jong Venetiaan, om u te melden,
-Dat weldra zijn gebieder u begroet;
-Hij brengt van deze' u liefdevolle groeten,
-Behalve hoff'lijk schoone woorden, gaven
-Van hooge waarde; en nimmer zag ik nog
-Een liefdeboô, zoo goed zijn boodschap waard;
-Want nooit kwam in April een dag zoo schoon,
-Om ons den fraaien zomer te voorspellen,
-Als deze boô vooraf zijn heer ons meldt.
-
-PORTIA. Genoeg, ik bid u; ik begin te vreezen,
-Dat gij zoo daad'lijk zegt: "hij is mijn broêr:"
-Zoo feestlijk zijt ge in 't roemen van zijn lof.
-Nerissa, kom; 'k wil zien wie 't is, die zoo
-Zijn liefde ons meldt, reeds door zijn liefdeboô.
-
-NERISSA. Geef, liefdegod, het zij Bassanio!
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Venetië. Een straat.
-
-Solanio en Salarino komen op.
-
-
-SOLANIO. Nu, wat nieuws is er op den Rialto?
-
-SALARINO. Ja, het wordt nog maar niet tegengesproken, dat Antonio
-een schip met rijke lading in die nauwe doorvaart verloren heeft. De
-Goodwins, geloof ik, heet de plaats, een gevaarlijke zandbank en
-als noodlottig bekend; er moeten vrij wat wrakken van groote schepen
-begraven liggen, als moei Gerucht een eerlijk wijf is, waar men op
-aan kan.
-
-SOLANIO. Ik wou, dat ze in dit geval zoo'n leugenachtige klappei
-bleek, als er ooit één gember geknauwd heeft of haar buren heeft
-wijsgemaakt, dat ze treurde om den dood van haar derden man. Maar
-het is waar,--zonder in wijdloopigheid te vervallen en van den effen
-grooten weg van het gesprek af te wijken,--dat de goede Antonio,
-die rechtschapen Antonio,--o, had ik een benaming, goed genoeg om
-zijn naam gezelschap te houden!--
-
-SALARINO. Kom, besluit!
-
-SOLANIO. Ach, wat zegt gij?--Nu, het eind van 't lied is, hij heeft
-een schip verloren.
-
-SALARINO. Ik wou, dat het zeker ook het eind was van zijn verliezen.
-
-SOLANIO. Laat ik bijtijds hier "amen" op zeggen, eer de duivel mijn
-gebed in den weg loopt, want daar komt hij aan, in de gedaante van
-een jood.
-
-(Shylock komt op.)
-
-Wel, Shylock, wat nieuws onder de koopluî?
-
-SHYLOCK. Gij wist, niemand zoo goed, niemand zoo goed als gij, van
-de vlucht van mijn dochter.
-
-SALARINO. Dat is waar; ik van mijn kant wist van den man, die haar
-de vleugels voor het wegvliegen gemaakt heeft.
-
-SOLANIO. En Shylock, van zijn kant, wist dat het vogeltje al wel
-vlug was; en dan ligt het bij allen in den aard, dat zij het nest
-ontvluchten.
-
-SHYLOCK. Zij zal er verdoemd voor zijn.
-
-SALARINO. Ja zeker, als de duivel haar rechter mag wezen.
-
-SHYLOCK. Mijn eigen vleesch en bloed in opstand!
-
-SALARINO. O foei, oude kreng, in opstand op jouw jaren!
-
-SHYLOCK. Ik zeg, mijn dochter in mijn vleesch en bloed.
-
-SALARINO. Er is meer verschil tusschen jouw vleesch en het hare, dan
-tusschen git en ivoor, meer tusschen je beider bloed, dan tusschen
-rooden wijn en Rijnschen;--maar zeg ons, heb je ook gehoord, of
-Antonio op zee het een of ander verlies heeft geleden of niet.
-
-SHYLOCK. Dat is ook al weer een kwade zaak voor me; een bankroetier,
-een verkwister, die te nauwernood zijn gezicht op den Rialto durft
-laten kijken;--een bedelaar, die altijd als een groot heer op de
-markt kwam,--laat hem denken aan zijn schuldbrief; hij noemde mij
-altoos een woekeraar,--laat hem denken aan zijn schuldbrief; hij
-leende altijd geld uit christelijke liefelijkheid,--laat hem denken
-aan zijn schuldbrief!
-
-SOLANIO. Nu, je zult natuurlijk, als hij in gebreke mocht blijven,
-zijn vleesch niet nemen; waar kan dat voor dienen?
-
-SHYLOCK. Om er visch mee te vangen; en als niets anders er mee
-gediend is, dan is mijn wraak er mee gediend. Hij heeft mij
-beschimpt, mij benadeeld voor een half millioen, gelachen bij
-mijn verliezen, gegrijnsd bij mijn winsten, mijn volk gesmaad,
-mijn handel gedwarsboomd, mijn vrienden koud, mijn vijanden warm
-gemaakt; en waarom toch, waarom?--Omdat ik een jood ben. Heeft een
-jood dan geen oogen? Heeft een jood geen handen, geen armen, geen
-beenen, geen gevoel, geen begeerten, geen hartstochten? wordt hij
-niet gevoed door 'tzelfde voedsel, verwond door dezelfde wapens,
-bezocht door dezelfde ziekten, genezen door dezelfde middelen, warm
-en koud door denzelfden winter en zomer, als een christen? Als gij
-ons een messteek geeft, bloeden wij dan niet? als gij ons vergiftigt,
-sterven wij dan niet? en als gij ons beleedigt, zullen wij dan geen
-wraak nemen? Als wij in het overige zijn als gij, willen wij ook
-daarin u gelijken. Als een christen door een jood beleedigd wordt,
-wat is dan zijn deemoedigheid?--wraakzucht. Als een jood door een
-christen beleedigd wordt, wat moet, naar christenvoorbeeld, zijn
-lijdzaamheid wezen? wel, wraakzucht. Het booze, dat gijlieden mij
-leert, dat wil ik doen,--en het zou mij tegenvallen, als ik het niet
-nog beter deed dan mijn meesters.
-
-(Een Bediende komt op.)
-
-BEDIENDE. Edele Heeren, Antonio, mijn meester, is tehuis en verlangt
-u beiden te spreken.
-
-SALARINO. Wij hebben hem al overal gezocht.
-
-(Tubal komt op.)
-
-SOLANIO. Daar komt een ander van dat gebroedsel; een derde is er wel
-niet bij te passen, of de duivel zelf moest jood worden.
-
- (Salarino, Solanio en Bediende af.)
-
-SHYLOCK. Zoo Tubal, wat voor tijdingen uit Genua? hebt gij mijn
-dochter gevonden?
-
-TUBAL. Ik ben verscheiden keeren geweest, waar van haar gesproken werd,
-maar haarzelf heb ik niet kunnen vinden.
-
-SHYLOCK. Och, och, och, och! Een diamant weg! heeft me toch tweeduizend
-dukaten gekost te Frankfort! De vloek is nu pas over ons volk gekomen;
-ik heb hem nog nooit gevoeld dan nu; tweeduizend dukaten met dat eene
-en dan nog andere kostelijke, kostelijke juweelen! Ik wou, dat mijn
-dochter dood voor mij lag en de juweelen in haar oor! ik wou, dat ze
-gekist lag aan mijn voeten en de dukaten in haar kist! Geen tijding
-van hen?--O, o! en dat zoeken heeft me al ik weet niet hoeveel gekost;
-och, schâ op schâ! De dief met zóóveel weg, en dan zóóveel om den dief
-te vinden, en geen voldoening nog, geen wraak! en geen ongeluk gebeurt
-er, dat niet op mijn hoofd neerkomt, geen zuchten dan die ik slaak,
-geen tranen dan die ik vergiet!
-
-TUBAL. Toch, andere menschen hebben ook ongelukken; Antonio, zooals
-ik in Genua hoorde,--
-
-SHYLOCK. Wat, wat, wat? ongelukken? ongelukken?
-
-TUBAL.--heeft een galjoen verloren, dat van Tripoli kwam.
-
-SHYLOCK. Goddank, Goddank!--Is het waar? is het waar?
-
-TUBAL. Ik heb eenige matrozen gesproken, die uit de schipbreuk
-gered zijn.
-
-SHYLOCK. Ik dank u, goede Tubal,--goede tijding, goede tijding;
-ha! ha!--Waar? In Genua?
-
-TUBAL. Uw dochter heeft in Genua, naar ik hoorde, op één avond tachtig
-dukaten verdaan.
-
-SHYLOCK. Ge boort een dolk in mijn hart!--nooit zie ik mijn geld terug;
-tachtig dukaten zoo in eens! tachtig dukaten!
-
-TUBAL. Verscheiden schuldeischers van Antonio zijn met me naar Venetië
-gereisd; die zeggen, dat het niet anders kan, of hij moet over den
-kop gaan.
-
-SHYLOCK. Dat doet me goed; ik zal hem pijnigen, ik zal hem folteren;
-dat doet me goed.
-
-TUBAL. Een van hen liet me een ring zien, dien hij van uw dochter
-gekregen had voor een aap.
-
-SHYLOCK. O, mijn vloek op haar! ge martelt me, Tubal; het was mijn
-turkoois; ik heb hem van Lea gekregen, toen we nog niet getrouwd waren;
-ik had hem niet gegeven voor een bosch vol apen.
-
-TUBAL. Maar met Antonio is het zeker mis.
-
-SHYLOCK. Ja, dat 's waar, dat 's zeker waar; ga, Tubal, huur een
-gerechtsdienaar voor me; bespreek hem een veertien daag vooruit; ik
-zal zijn hart hebben, als hij in gebreke blijft; want als hij Venetië
-uit is, kan ik zaken doen, zooveel ik verkies; ga, ga, Tubal; we vinden
-elkaar weêr in onze synagoge; ga, goede Tubal; in onze synagoge, Tubal!
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Belmont. Een zaal in Portia's woning.
-
-Bassanio, Portia, Gratiano, Nerissa en Gevolg komen op. De kastjes
-staan gereed.
-
-
-PORTIA. Ik bid u, wacht nog; toef een dag of twee,
-Aleer gij 't waagt; kiest gij verkeerd, dan moet
-Ik ook uw bijzijn derven; stel 't nog uit,
-Een stem spreekt in mij,--neen, het is geen liefde,--
-Dat ik u niet wil missen, en gij weet
-Het zelf wel, dat geen haat deez' raad u geeft;
-Maar hoor;--ik wensch, dat gij mij goed begrijpt,--
-Een maagd mag enkel met gedachten spreken,--
-Zoo gaarne hield ik u een maand of twee
-Terug, aleer gij 't waagt. Ik kon u wijzen
-Welk kastje 't is, maar dan ware ik meineedig,--
-Dat word ik nooit! En zoo kunt gij mij missen,
-Doch doet gij dit, dan wekt ge een boozen wensch,
-Dat ik meineedig waar geweest. Uw oogen,--
-O, toovermacht!--zij hebben mij gedeeld,
-En de eene helft is de uwe, de andre de uwe,--
-De mijne, meende ik, maar het mijne is 't uwe,
-En zoo is alles 't uwe. O! booze tijd,
-Die eig'naars van hun recht versteekt, en zoo
-Is 't uwe niet het uwe.--Faalt uw keus,
-Fortuin verdient dan eeuw'ge pijn, niet ik.
-Ik spreek te lang, maar 't is slechts om den tijd
-Te rekken; 'k win nog tijd en houd u af
-Van uwe keus.
-
-BASSANIO. Laat tot de keus mij toe,
-Want thans is 't mij, als lag ik op de pijnbank.
-
-PORTIA. Wat! op de pijnbank? O, beken mij dan,
-Wat hoogverraad zich in uw liefde mengt.
-
-BASSANIO. Verraad? geen ander dan vreesachtigheid,
-Wantrouwen op 't verwerven van uw liefde;
-Want eerder leefden vuur en sneeuw in vreê,
-Dan dat verraad zich aan mijn liefde paarde.
-
-PORTIA. Thans ducht ik, dat ge als op de pijnbank spreekt,
-Want dan zegt ieder alles wat verlangd wordt.
-
-BASSANIO. Beloof mij 't leven, en ik zal bekennen.
-
-PORTIA. Beken en leef.
-
-BASSANIO. 'k Beken, ik heb u lief;
-Ziedaar, wat mijn bekent'nis wezen kan.
-O, zaal'ge foltring, als de folteraar
-Mij zelve 't antwoord leert voor mijn bevrijding!
-Maar thans 't geluk beproefd, de keus gewaagd!
-
-PORTIA. Welnu dan, 't zij; ik ben in een der kastjes;
-Hebt gij mij lief, dan kiest gij 't rechte wel,--
-Nerissa en gij andren, gaat terug.--
-Maar dat muziek bij 't doen der keuze klink';
-Want mist hij 't doel, dan groete, als bij een zwaan,
-Muziek zijn stervensstonde; ja, dit beeld
-Is waar en juist; mijn oog is dan de stroom,
-Zijn vochtig doodsbed. Maar hij kan ook winnen;
-En wat is dan muziek? Dan is muziek
-Als 't juub'len, waar een opgetogen volk
-Zijn pasgekroonden vorst meê groet, of als
-De zoete tonen van den morgenstond,
-Die in des bruîgoms droomend oor weerklinken,
-En hem ten huw'lijk roepen. Ziet, hij treedt,
-Niet minder fier, maar liefd'rijker van hart
-Dan jonge Alcides, toen hij de eed'le maagd,
-Door 't snikkend Troje 't monster toegewijd,
-Van zeek'ren dood ging redden; ik ben 't offer;
-Die andren ginds zijn de Dardaansche vrouwen,
-Ontdaan en weenend saamgestroomd, om de' uitslag
-Van 't heldenfeit te zien.--Ga, Hercules!
-Leeft gij, dan leef ik;--o, hoe klopt mij 't hart;
-Veel meer dan u, die moedig 't noodlot tart.
-
-(Muziek, terwijl Bassanio bij de kastjes met zichzelf te rade gaat.)
-
-
- LIED.
-
- EERSTE STEM.
- Zegt, van waar de wufte min?
- Sluipt zij 't hart of 't hoofd ons in?
- Zegt me, wat is haar begin?
- Antwoord, antwoord!
-
- TWEEDE STEM.
- 't Oog is 't, dat haar 't leven schenkt,
- 't Leven door het zien verlengt,
- En haar ook tot sterven wenkt.
- Luid haar uit, gij klokgebrom!
- Ik begin het: bim, bam, bom!
-
- KOOR. Bim, bam, bom!
-
-
-BASSANIO. Hoe vaak is 't uiterlijk aan 't wezen vreemd;
-Steeds wordt de wereld door vertoon bedrogen.
-In 't recht, wat zaak is ooit zoo voos en valsch,
-Die niet, door schrandre en gladde tong verfraaid,
-Den schijn van 't kwaad bemantelt? In den godsdienst,
-Wat vloekb're dwaling, die door vroomheidsschijn
-Niet wordt geheiligd, met een tekst gesteund,
-En de' onzin niet door schoon vertoon verbergt?
-Geen boosheid, die de slimheid mist, om zich
-Met de' uiterlijken schijn van deugd te sieren.
-Hoe menig lafaard, aan een trap van zand
-Gelijk in vastheid, draagt niet om de kin
-Den baard van Hercules of fellen Mars,
-Al bergt de lever zelfs geen druppel gal?
-Hij kiest dit als een merk van dapperheid
-Alleen om barsch te schijnen. Ziet, de schoonheid;
-Gij vindt die mede bij 't gewicht gekocht;
-En bij die 't doet, bewerkt natuur een wonder:
-Die weegt het minst, wie 't meeste zich bezwaart;
-Die gulden lokken, zich als slangen kronklend,
-Die dartlen bij het suizen van den wind
-Om wat men schoon gelooft, wie kent ze niet,
-Dat er natuur een ander hoofd mee sierde?
-De schedel, waar ze op groeiden, rust in 't graf.
-Zoo is dan sieraad slechts 't bedrieglijk strand
-Van zeeën vol gevaars, de schoone sluier,
-Een spookgestalte omhullend, in één woord,
-Schijnwaarheid, tooisel van den sluwen tijd,
-Om wijzen te verschrikken.--Pronkrig goud,
-Gij harde Midaskost, u wil ik niet;
-Noch u, gij bleeke, lage slaaf, gereed
-Tot iedren dienst; maar u, gij glansloos lood,
-Die eerder dreigend spreekt dan iets belooft,
-Geen glans of opschrift trekt mij aan als gij;
-U kies ik;--dat mijn keuze vreugde zij!
-
-PORTIA. O, hoe elke andre hartstocht nu in lucht
-Verdwijnt, beklemdheid, bange twijfelzucht,
-En wanhoop en verbeten jaloezie!
-O, liefde! matig uw vervoering en gebiê
-Dien stroom van vreugde kalmte; boven 't peil
-Verheft zij zich, ik voel 't; o, minder 't heil
-Of de overmaat is doodlijk!
-
-BASSANIO (het looden kastje openend). Wat is dit?
-Het beeld van Portia? Wat halfgod kwam
-Het scheppen zoo nabij? Beweegt dit oog?
-Of schijnt het door het trillen van de mijne
-Bewogen? Zie, de lippen oop'nen zich
-Voor nectar-adem, die er doorgaat: lieflijk
-Moet wezen, wat zoo lieve zusters scheidt!
-En 't haar! De schilder weefde, een spin gelijk,
-Een gulden net, dat mannenharten vangt,
-Als muggen in een spinweb. Maar die oogen,
-Kon hij ze zien en schild'ren? Had hij 't een
-Gemaald, dan moest het, dunkt mij, beî de zijne
-Hem rooven en dus eenig blijven. Maar,
-Wat spreek ik? Al mijn lof blijft even ver
-Beneden deze schim, als deze schim
-De waarheid achterna hinkt.--O, ziehier
-'t Geschrift, dat kort begrip van mijn geluk!
-
-(Hij leest.)
-
- "Gij, die, niet door schijn verblind,
- Alles waagt en 't ware vindt!
- Daar ge deze maagd bemint,
- Dat ze u nu voor 't leven bind';
- Is haar "ja" u 't zoetst geluid,
- Waar uw hoogste heil uit spruit,
- Neem haar, ze is uw lieve bruid,
- En een kusje zij 't besluit!"
-
-Wat heerlijk woord!--Vergun, mijn lief, mijn leven,--
-Dit machtigt mij te ontvangen en te geven.
-
-(Hij kust haar.)
-
-Maar toch, als een, die in een strijd een prijs
-Beoogt, en in het volksgejuich 't bewijs
-Te ontvangen meent, dat hij verwinnaar is,
-Doch duiz'lend staart en vraagt: "is 't wel gewis?
-Geldt mij die kreet, of is dit zinsbedrog?"
-Zoo, driewerf schoone jonkvrouw, ziet ge nog
-Mij nu onzeker, of 't geluk mij wenkt,
-Totdat ge uw liefde, uw woord, uw ring mij schenkt.
-
-PORTIA. Gij ziet, Bassanio, thans mijn heer, mij voor u,
-Zooals ik ben; en schoon ik voor mijzelf
-Niet zoo eergierig ben in mijnen wensch,
-Dat ik mij veelmaal beter wensch, zou 'k thans
-Wel honderdmaal verdubbeld willen zijn,
-Wel duizendmaal zoo schoon, tienduizendmaal zoo rijk;
-Alleen om in uw schatting hoog te staan,
-Wilde ik in deugden, schoonheid, rijkdom, vrienden,
-Onschatbaar wezen; maar al wat ik ben,
-Is bijna niets; of, om 't in 't kort te zeggen,
-Een meisje, zonder kennis of ervaring,
-Die zich gelukkig rekent, dat zij niet
-Voor leeren te oud is; nog gelukkiger,
-Dat zij voor 't leeren niet te stomp zich acht;
-Maar meest gelukkig, dat zij geest en hart
-Geheel en gaarne uw leiding toevertrouwt,
-Als aan haar gâ, haar meester en haar vorst.
-Ikzelf en al het mijne is thans uw deel,
-Geheel het uwe; 'k was tot nu gebiedster
-In huis en hof, meestresse van mijn dienaars,
-Vorstinne van mijzelf; en nu, mijn heer,
-Dit huis, deez' dienaars en ditzelfde zelf
-Zijn de uwe; 'k geef ze u met deez' ring; en zoo
-Gij hem verliest of wegschenkt, er van scheidt,
-Dan is 't me een teeken, dat uw min vervloog,
-En geeft ge mij het recht tot luid beklag.
-
-BASSANIO. Mejonkvrouw, spraakloos moet ik voor u staan;
-Het bloed, dat in mijn aders zwelt, moog' spreken;
-Verwarring heerscht in mijn ontroerd gemoed,
-Gelijk zich, als een aangebeden vorst
-Door schoone taal de schare heeft geboeid,
-Een blij gemurmel onder 't volk doet hooren,
-Waar iedre klank en elk gebaar, schoon niets,
-Tot de uiting samensmelt van loutre vreugd,
-Welsprekend zonder spraak;--verlaat deez' ring
-Deez' vinger ooit, o dan verliet mij 't leven,
-O, zeg dan vrij, Bassanio is niet meer.
-
-NERISSA. Nu, edel heer en vrouwe, is 't ònze tijd,
-Daar wij ons aller wensch zoo schoon vervuld zien,
-Te roepen: heil, heil, onze heer en vrouwe!
-
-GRATIANO. Mijn vriend Bassanio, en gij, schoone jonkvrouw,
-Ik wensch u al de vreugd, die gij kunt wenschen,
-Want zeker wenscht ge er geene van mij weg;
-En is 't bepaald, wanneer uw edelheden
-Den echtknoop leggen willen, dan vraag ik,
-Dat ik terzelfder tijd mijn huw'lijk sluite.
-
-BASSANIO. Zorg voor een bruid, en dan van harte gaarne.
-
-GRATIANO. Ik dank u, heer, gij hebt me een bruid bezorgd.
-Mijn oog ziet even vlug als 't uwe rond;
-Gij zaagt de jonkvrouw, ik de dienares;
-Gij zwoert haar liefde, ik ook, want noodloos uitstel
-Vlijt mij al even weinig, heer, als u.
-Heel ùw geluk hing van die kastjes af,
-Maar ook het mijn', zooals het bleek; want toen
-Ik op haar aanhield, buiten adem schier,
-En liefde zwoer en zwoer, totdat mijn stem
-Er rauw en heesch van werd, werd ik in 't eind
-Geloofd, gelaafd door 't jawoord van deez' schoone,
-Maar slechts met dit beding, dat uw geluk
-Haar jonkvrouw zou veroov'ren.
-
-PORTIA. Zoo, Nerissa?
-
-NERISSA. Ja, jonkvrouw, als 't uw bijval mag verwerven.
-
-BASSANIO. En, Gratiano! kunt gij ernstig zijn?
-
-GRATIANO. Ja, heer, ik meen 't in ernst.
-
-BASSANIO. Uw echt verhoog' den luister van ons feest!
-
-GRATIANO (tot Nerissa). Nu, wij willen met hen om den eersten jongen
-wedden, om duizend dukaten.
-
-NERISSA. En leggen wij dat daad'lijk neer?
-
-GRATIANO. Neen, neen, daar mogen we eerst ons op beslapen, op mijn
-eer.--
-Maar wat! Lorenzo met zijn lief heidinneke?
-En dan, mijn oude vriend Solanio?
-
-(Lorenzo, Jessica en Solanio komen op.)
-
-BASSANIO. Lorenzo en Solanio, welkom hier;
-Wanneer mijn aanzien hier, zoo jeugdig nog,
-U welkom heeten màg.--'t Zij mij vergund,
-Dat ik mijn landgenooten, oude vrienden,
-Hier, Portia, welkom heet.
-
-PORTIA. Ik doe 't met u,
-Zij zijn mij hartlijk welkom.
-
-LORENZO. Ik dank uwe edelheid.--Wat mij betreft,
-'t Was, heer, mijn doel niet, u hier op te zoeken,
-Maar 'k heb op reis Solanio ontmoet,
-Die dwong mij zoo, om met hem mee te gaan,
-Dat ik niet weigren kon.
-
-SOLANIO. Zoo deed ik, heer,
-En 'k had er reden toe. Signore Antonio
-Zendt u zijn groete.
-
-(Hij geeft Bassanio een brief.)
-
-BASSANIO. Eer ik den brief ontsluit,
-Vertel mij, is hij wèl, mijn waarde vriend?
-
-SOLANIO. Niet krank, heer, als hij 't in 't gemoed niet is;
-Niet wel, als zijne ziele lijdt; zijn brief
-Doet u zijn toestand kennen.
-
-(Bassanio leest den brief.)
-
-GRATIANO. Breng gij die vreemdlinge ook uw groet, Nerissa,
-En heet haar welkom.--Wel, Solanio,
-Wat nieuws brengt gij ons van Venetië? Is
-Die koopman-vorst, Antonio, welvarend?
-O, wis verheugt hij zich in ons geluk;
-Wij wonnen hier, als Jasons, 't gulden vlies.
-
-SOLANIO. O, hadt gij 't vlies, dat hij geteekend heeft!
-
-PORTIA. Een kwade tijding brengt dat stuk papier,
-Daar 't aan Bassanio's wang de kleur ontrooft;
-Een dierbre vriend is dood, want om iets anders
-Zou toch een man, een man van moed, niet zóó
-Ontstellen. Wat? 't wordt erger nog en erger?--
-Bassanio, vriend, ik ben uw wederhelft,
-En mij behoort de helft van alles, wat
-Die brief u brengt.
-
-BASSANIO. O, dierbre Portia,
-'t Zijn enk'le woorden slechts, maar grievender,
-Dan ooit papier bevlekten! Lieve vrouw,
-Toen ik het eerst mijn liefde heb beleden,
-Zeide ik ronduit, dat heel mijn rijkdom mij
-In de aad'ren stroomde: ik was een edelman;
-En waarheid sprak ik toen; maar, dierbre vrouw,
-Al schatte ik mij op niets, toch blijkt u thans,
-Hoe ik een pocher was; want toen ik zeide,
-Dat al mijn have niets was, had ik beter
-Die minder nog dan niets genoemd; want, waarlijk,
-Mijzelf verpandde ik aan een dierbren vriend,
-Mijn vriend verpandde ik aan zijn ergsten vijand,
-Voor dezen tocht. Zie, jonkvrouw, dezen brief;
-'t Papier is als het lichaam van mijn vriend,
-En ieder woord is als een open wond,
-Waar 't leven uitstroomt.--Doch is 't waar, Solanio,
-Is alles dan mislukt, is niets gelukt?
-Van Tripoli, van Mexico, van England,
-Van Lissabon, van Barbarije en Indië?
-Ontging geen schip de klippen, die zoo vaak
-Den hand'laar dood'lijk zijn?
-
-SOLANIO. Geen enkel, heer;
-En erger, 't schijnt zelfs, dat, al had hij thans
-Het geld in kas tot delging van de schuld
-De jood het niet zou willen. 'k Zag nog nooit
-Een schepsel, van gedaante toch een mensch,
-Zoo wreed, zoo fel op andermans verderf.
-Hij vraagt den doge dag en nacht gehoor;
-'t Is met de vrijheid van den staat gedaan,
-Als hem zijn recht ontzegd wordt. Twintig hand'laars,
-De doge zelf, de leden van den raad,
-Zij hebben hun welsprekendheid beproefd,
-Maar niemand brengt hem af van zijnen eisch;
-De schuldbrief spreekt, hij wil zijn recht, de boete.
-
-JESSICA. Ik hoorde, toen 'k nog bij hem was, hem zweren,
-Aan Tubal en aan Chus, zijn landgenooten,
-Dat hij Antonio's vleesch nog liever had,
-Dan twintigmaal 't bedrag der som, die hij
-Te vordren heeft; en, heer, ik weet te goed,
-Als wet, gezag en macht het niet verbieden,
-Dan heeft Antonio het ergst te duchten.
-
-PORTIA. Is 't u een dierbre vriend, die zoo in nood is?
-
-BASSANIO. De dierbaarste, dien 'k heb, de beste mensch,
-Een eedle geest, trouwhartig, onvermoeibaar
-In 't weldoen, meer dan iemand; en een man,
-Wien meer de deugden van Oud-Rome sieren,
-Dan eenig man, die in Italië leeft.
-
-PORTIA. En hoeveel heeft de jood te vordren?
-
-BASSANIO. Drieduizend stuks dukaten.
-
-PORTIA. Wat! niet meer?
-Geef hem zesduizend, en verscheur den schuldbrief;
-Verdubbel dat en verdriedubbel dit,
-Eer aan een vriend van zulk een stempel ooit
-Een haar gekrenkt wordt door Bassanio's schuld.
-Nu eerst onze' echtknoop in de kerk gelegd;
-En ijl dan naar Venetië tot uw vriend;
-Geen rustig leven aan mijn zijde, aleer
-Deze onrust uit uw ziel geweken is.
-Ik geef u goud, wel twintigmaal zooveel
-Als deze kleine schuld; betaal ze en breng
-Uw trouwen vriend hier met u meê. Nerissa
-En ik, wij zullen hier als vroeger leven,
-Als onbestorven weeuwtjes tevens. Ja,
-Ik drijf u op uw huw'lijksdag van hier;
-Maar toch een blij gelaat, heet allen welkom,
-En neem uw plaats als heer des huizes in;
-Koop ik u duur, te duurzamer mijn min.
-Doch laat den brief van uwen vriend mij hooren.
-
-BASSANIO (leest). "Waarde Bassanio, mijn
-schepen zijn alle verongelukt; mijn schuldeischers
-worden onbarmhartig; mijn vermogen
-is geheel versmolten; mijn schuldbrief aan den
-jood is vervallen; en daar de betaling er van
-mij het leven zal kosten, zoo zijn alle schulden
-tusschen u en mij afgedaan, als ik u bij mijn
-sterven mag zien; ondertusschen, handel hierin,
-zooals gijzelf verkiest; als uwe vriendschap u
-niet van zelve tot mij drijft, laat dan ook mijn
-brief het niet doen".
-
-PORTIA. O, liefste, spoed gemaakt en ijlings heen!
-
-BASSANIO. Ja, ijlen wil ik, daar uw goedheid mij
- Tot handlen machtigt; maar, totdat ik keer,
-Zal mij geen slaap vertragen; want ik vlij
- Vóór ons terugzien niet ter rust mij neer.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Venetië. Een straat.
-
-Shylock, Solanio, Antonio en een Stokkeknecht komen op.
-
-
-SHYLOCK. Bewaker, let op hem; neen, geen genade!--
-Dit is de zotskap, die geen rente nam!
-Bewaker, let op hem!
-
-ANTONIO. Shylock, een woord!
-
-SHYLOCK. Ik wil mijn schuldbrief; wraak mijn schuldbrief niet;
-Ik eisch,--en zwoer een eed er voor,--mijn schuldbrief.
-Gij hebt me een hond genoemd, en hadt geen reden;
-Mijd thans, als ik een hond ben, mijn gebit.--
-De doge staat mijn recht mij toe.--Waarom,
-Onzinnige bewaker, toch die goedheid,
-Op zijn verlangen met hem uit te gaan?
-
-ANTONIO. Ik bid u, hoor een woord!
-
-SHYLOCK. Ik wil mijn schuldbrief; wil van u geen woord.
-Ik wil mijn schuldbrief; spaar daarom uw woorden.
-Gij maakt mij nooit tot zwakken, blinden zot,
-Die 't hoofd schudt, zucht, betreurt, en eindlijk toegeeft
-Aan christ'nen, die wat plooien. Volg maar niet,
-Ik wil geen woorden; 'k wil alleen mijn schuldbrief.
-
- (Shylock af.)
-
-SOLANIO. Dit is een hond, zoo wreed en onvermurwbaar,
-Als ooit met menschen huisde!
-
-ANTONIO. Laat hem; nimmer
-Zal 'k weer een ijdle bede tot hem richten.
-Mijn leven zoekt hij, en ik weet waarom;
-Vaak heb ik schuld'naars, die hun nood mij klaagden
-En redd'loos schenen, uit zijn greep gered;
-Van daar zijn haat.
-
-SOLANIO. Voorwaar, de doge zal
-Hem nooit het innen van de boete toestaan.
-
-ANTONIO. De doge kan den loop van 't recht niet stuiten;
-Want, als hij dit mocht wagen, zou 't vertrouwen
-Van vreemden op de onkreukbre wet en 't recht
-Van onzen staat geschokt zijn; en bedenk,
-Dat hier op 't vrij verkeer van alle volken
-De handel rust en welvaart. Ga dus nu;
-Mijn rampen en mijn hartzeer doen mij kwijnen,
-Zoodat mij nauwlijks een pond vleesch meer rest,
-Om morgen hem zijn bloedige' eisch te geven.--
-Bewaker, kom!--God geve, dat Bassanio
-Zijn schuld mij kwijten zie, dan is 't mij goed.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Belmont. Een kamer in Portia's woning.
-
-Portia, Nerissa, Lorenzo, Jessica en Balthazar komen op.
-
-
-LORENZO. Mejonkvrouw, laat mij 't in uw bijzijn zeggen:
-Gij toont een edel, echt en fijn gevoel,
-Dat vriendschap godd'lijk is, en dit blinkt uit,
-Door zoo het afzijn van uw gâ te dragen.
-Maar wist ge, aan wien ge zulk een eer bewijst,
-Wat echten edelman gij hulpe zendt,
-Aan welk een waren vriend van uw gemaal,
-Dan zoudt ge trotscher zijn op wat ge deedt,
-Dan 't hart, gewoon om wel te doen, u dringt.
-
-PORTIA. Nooit heeft mij nog een goede daad berouwd,
-En deez' zal 't ook niet doen; want trouwe makkers,
-Die samen immer leven en verkeeren,
-Wier zielen saam één juk van vriendschap dragen,
-Gelijk verdeeld, die moeten wel gelijk zijn
-In wezenstrekken, geest en wijs van doen;
-Dit doet mij denken, dat Antonio,
-De boezemvriend van mijn gemaal, geheel
-Als mijn gemaal moet zijn; en is dit zoo,
-Hoe luttel zijn dan de offers, die ik bracht,
-Om uit den greep van helsche wreedheid 't beeld,
-Het spiegelbeeld te slaken van mijn ziele!
-Maar dit begint naar eigen lof te zweemen;
-En dus genoeg hiervan; hoor nu iets anders.--
-Lorenzo, aan uw hand vertrouw ik toe
-'t Beheer en de bezorging van mijn huis,
-Totdat mijn gâ terugkomt; want ikzelf
-Deed aan den hemel een gelofte, dat
-Ik in bespieg'ling en gebed zou leven,
-Slechts door Nerissa vergezeld, totdat
-Onze echtgenooten zijn teruggekeerd;
-Ik neem met haar mijn intrek in een klooster,
-Twee mijlen hier van daan. Ik bid u thans,
-Dat gij deze opdracht aanneemt, die vertrouwen
-Op uwe vriendschap, en noodzaak'lijkheid
-Mij geven doen.
-
-LORENZO. Van ganscher hart, mejonkvrouw,
-Gehoorzaam ik uw vriendelijk bevel.
-
-PORTIA. Ik heb de mijnen reeds er van verwittigd;
-Zij zullen u en Jessica erkennen
-Als plaatsvervangers van mijn gade en mij.
-Zoo vaart dan wel, tot spoedig wederzien.
-
-LORENZO. Dat u een blij gemoed en heil verzellen!
-
-JESSICA. Ik wensch u, jonkvrouw, iedre vreugd des harten.
-
-PORTIA. Ik dank u voor uw bede, en wensch volgaarne
-Hetzelfde aan u; vaarwel dus, Jessica.
-
- (Jessica en Lorenzo af.)
-
-Nu, Balthazar,
-Ik vond u immer nauwgezet en trouw;
-Betoon u thans opnieuw zoo; neem deez' brief,
-En ijl zoo snel maar menschen moog'lijk is,
-Naar Padua; en stel hem zelf aan doctor
-Bellario ter hand, mijn eed'len neef;
-En, hoor! wat hij van kleed'ren of papieren
-U geeft, breng dat met allen denkb'ren spoed
-Naar 't veer, waarmeê men van het vaste land
-Venetië bereikt; verlies geen tijd
-Met vragen, ga; ik ben daar nog vóór u.
-
-BALTHAZAR. Mejonkvrouw, 'k ga met de' aanbevolen spoed.
-
- (Balthazar af.)
-
-PORTIA. Nerissa, kom; ik heb een plan in 't hoofd,
-Waarvan gij wel niet droomt, dat we onze mannen,
-En vóór ze 't denken, zien.
-
-NERISSA. En zij ons ook?
-
-PORTIA. Dat ook, Nerissa, maar in zulk een kleeding,
-Dat zij ons voor verheev'ner wezens achten,
-Dan vrouwen zijn. Ik wed om wat ge wilt,
-Dat, zijn we als jonge mannen uitgedoscht,
-Ik wel de knapste van ons tweeën ben,
-En ook mijn degen met meer gratie draag,
-En als een knaap, die man wordt, spreek, als stak
-De baard mij in de keel; twee trippelpassen
-In één stap samenneem; van mijn duëls
-Gewaag, als een jong pocher; leugens zwets,
-Hoe eedle vrouwen naar mijn liefde dongen,
-En, daar ik koel bleef, zich verkniezend, stierven;
-Ik kon 't niet helpen,--maar heb toch berouw,
-En wensch, dat ik ze in 't leven weêr kon roepen;--
-Wel twintig zulke leugens zal ik zwetsen,
-Dat ieder zweert: ik ben al wel een jaar
-De school ontloopen;--duizend stukjes heb ik
-Van zulke bluffers in mijn hoofd en breng ze
-Wel aan den man.
-
-NERISSA. Zóó mannen na te gaan!
-
-PORTIA. O foei! wat zegt ge daar?
-Als dat een looze woordverdraaier hoorde!--
-Maar kom, hen nagereden! Heel mijn plan
-Vertel ik u wel in mijn koets; die wacht
-Reeds aan de poort. Wij gaan in allerijl
-En vord'ren, hoop ik, heden twintig mijl.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-VIJFDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Een tuin.
-
-Lancelot en Jessica komen op.
-
-
-LANCELOT. Ja, waarlijk! want ziet ge, de zonden des vaders worden
-bezocht aan de kinderen; daarom, ik verzeker u, ben ik bang voor u. Ik
-ben altijd ronduit tegen u geweest, en zoo zeg ik nu ook mijn kompinie
-over de zaak; daarom, wees gerust, want waarachtig, ik geloof, dat gij
-verdoemd zijt. Daar is nog maar ééne hoop, die u wat goed kan doen;
-en dat is maar een soort van basterdhoop.
-
-JESSICA. En wat is dat dan voor een hoop, zeg?
-
-LANCELOT. Wel, ge kunt eenigermate hopen, dat ge uws vaders kind niet
-zijt, dat gij de dochter niet zijt van den jood.
-
-JESSICA. Dat zou wezenlijk een soort van basterdhoop zijn; want dan
-zouden de zonden van mijn moeder ook aan mij bezocht worden.
-
-LANCELOT. Waarachtig, dan vrees ik, dat gij verdoemd zijt, zoowel van
-vaders- als van moederskant, want als ik zoo Scylla uw vader ontwijk,
-verval ik op Charybdis uwe moeder; en zoo zijt ge op alle manieren weg.
-
-JESSICA. Ik zal behouden worden door mijn man; die heeft me
-gechristend.
-
-LANCELOT. Daar is hij waarachtig niet beter om; er zijn er al genoeg
-van ons christenen; net maar zooveel als er met elkaâr het leven
-kunnen hebben. Dat tot christenen maken zal de varkens duurder maken;
-als wij allemaal varkensvleesch-eters worden, zullen wij binnenkort
-voor nog zooveel geld geen reepje spek meer hebben in de pan.
-
-JESSICA. Ik zal mijn man eens vertellen, Lancelot, wat je zegt;
-daar komt hij.
-
-(Lorenzo komt op.)
-
-LORENZO. Zoo, Lancelot, ik zal gauw jaloersch op je worden, als je
-met mijn vrouw zoo apartjes hebt.
-
-JESSICA. Nu, je hoeft om ons niet bang te wezen, Lorenzo; 't is
-heelemaal mis tusschen Lancelot en mij; hij zegt me ronduit, dat ik
-in den hemel op geen genade heb te hopen, omdat ik de dochter van een
-jood ben; en hij zegt, dat jij geen goed burger van den staat bent;
-want als je joden tot christenen bekeert, drijf je den prijs van het
-varkensvleesch in de hoogte.
-
-LORENZO. Ik zal dat beter bij den staat kunnen verantwoorden, dan jij,
-dat jij je zoo met de morin hebt afgegeven; van die smet kun je je
-niet blank wasschen, Lancelot.
-
-LANCELOT. Ze heeft niet zwart afgegeven, heer, maar zij heeft al wel
-iets blanks van mij gekregen en is al meer geworden dan zij was.
-
-LORENZO. Wat kan toch ieder dwaas een woordspeling maken! Het zal,
-denk ik, niet lang meer duren, of verstand en geest komen het best
-uit door stil te zwijgen, en spraakzaamheid is nog alleen bij de
-papegaaien lofwaardig. Ga naar binnen, knaap, en zeg, dat alles klaar
-moet zijn voor het eten.
-
-LANCELOT. Dat is in orde, heer; ze hebben allen een maag.
-
-LORENZO. Hemelsche goedheid, wat wil je geestig zijn! zeg, dat het
-eten klaar moet zijn.
-
-LANCELOT. Dat is ook in orde, heer; er moet nog maar gedekt worden,
-dat is de zaak.
-
-LORENZO. Wil je dan maar dekken, knaap?
-
-LANCELOT. Dekken, heer? Zeker niet, ik weet wel, wat me past, heer.
-
-LORENZO. Nu, het vervolg een anderen keer! Wil je je heelen schat van
-geestigheden in eens uitkramen? Ik verzoek je, versta nu eenvoudige
-taal op eenvoudige manier. Ga naar je kameraden, laten ze de tafel
-dekken, het eten opdoen en wij zullen komen voor het maal.
-
-LANCELOT. De tafel, heer, die zal opgedaan, en het eten, dat zal
-gedekt worden, en uw komst voor het maal, heer, die zal gebeuren,
-zooals uw lust en luim het zullen verkiezen.
-
- (Lancelot af.)
-
-LORENZO. O heil'ge rede, wat gezocht vernuft!
-Wat kent de dwaas woordspelingen bij hoopen
-Van buiten! Och, ik ken wel meen'gen dwaas
-In hoogren stand, maar even bont van geest,
-Die ook de hoofdzaak prijs zou geven voor
-Een geestigheid.--Wel, Jessica, hoe is 't?
-Mijn hartedief, kom, zeg me uw oordeel eens,
-Hoe vindt ge wel Bassanio's gemalin?
-
-JESSICA. Bewondrenswaard, meer dan ik zeggen kan;
-Bassanio mag wel onberisp'lijk zijn
-In heel zijn wandel; zulk een zegen is ze,
-Dat hij op aarde 't heil des hemels smaakt,
-En weet hij 't hier beneden niet te schatten,
-Geen toegang tot den hemel ooit verdient.
-Ja, hadden ooit twee goden in den hemel
-Een weddingschap, en om twee aardsche vrouwen,
-En Portia was de een', dan moest bij de ander'
-Een toegift zijn, want de arme woeste wereld
-Heeft haars gelijke niet.
-
-LORENZO. Juist zulk een man
-Hebt gij in mij, als hij in haar een vrouw.
-
-JESSICA. Neen, vraag dan eerst, wat ik er wel van denk.
-
-LORENZO. Terstond, maar laat ons eerst aan tafel gaan.
-
-JESSICA. Neen, laat mij thans u schatten, nu ik trek heb.
-
-LORENZO. Neen, 'k bid u, spaar het voor gesprek bij 't maal,
-Ik zal 't dan, wat ge ook zegt, met andre dingen
-Wel slikken.
-
-JESSICA. Nu, je krijgt wat op je brood!
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Venetië. Een gerechtzaal.
-
-De Doge, de Senatoren, Antonio, Bassanio, Gratiano, Salarino, Solanio
-en anderen komen op.
-
-
-DOGE. Is hier Antonio verschenen?
-
-ANTONIO. Ik ben bereid, doorluchte heer.
-
-DOGE. Ik ben in zorg om u; gij hebt te doen
-Met een, die harder is dan steen, een onmensen,
-Voor medelijden doof, in wien geen vonkje
-Erbarmen huist.
-
-ANTONIO. Ik heb gehoord, uw hoogheid
-Gaf zich veel moeite om 't felle van zijn drijven
-Te matigen; maar daar hem niets vermurwt,
-En 't recht geen middel geeft om voor zijn wrok
-Mij te beschermen, stel ik lijdzaamheid
-Zijn grimmig streven tegen, en ik wapen
-Met kalmte mijn gemoed, om van het zijn'
-De volle woede en razernij te dragen.
-
-DOGE. Ga, zeg den jood, dat hij voor 't hof verschijne.
-
-SOLANIO. Hij wacht reeds aan de deur; daar komt hij, heer.
-
-(Shylock komt op.)
-
-DOGE. Maakt plaats; hij sta daar over onzen stoel.--
-Shylock, de wereld denkt, zooals ook ik,
-Gij drijft deez' schijn van uwe boosheid slechts
-Tot aan het uur der daad; en dan, dan toont ge
-Uw huiv'ring, uw erbarmen, wonderbaarder
-Dan deze uw wondre, schijnbre wreedheid is;
-Dan zult ge, schoon ge thans uw recht nog eischt,
-(Dat pond van dezes armen koopmans vleesch,)
-Niet slechts, zoo wacht men, daarvan afzien, maar,
-Door menschlijkheid en menschenmin geroerd,
-Een deel hem schenken van de schuld, erbarmen
-Betoonend om de slagen, die sinds kort
-Zoo dicht zijn schouders troffen, zwaar genoeg
-Om zelfs een koopman-vorst ten val te brengen,
-En meêlij met zijn toestand af te dwingen
-Aan koop'ren boezems, harten hard als steen,
-Aan stugge Turken en Tataren, die
-Nog nooit uit menschlijkheid een dienst bewezen.
-Wij allen wachten, Jood, een gunstig antwoord.
-
-SHYLOCK. Ik deelde uw hoogheid mee, wat ik verlang,
-En ik bezwoer bij onzen heil'gen sabbat,
-Te vordren, wat mij toekomt door mijn schuldbrief.
-Als gij dit weigert, brengt ge van uw stad
-De rechten en de vrijheid in gevaar.
-Vraagt gij, waarom ik liever zoo'n gewicht
-Van krengenvleesch wil hebben, dan drieduizend
-Dukaten wil ontvangen; 'k heb geen antwoord
-Dan dit: 't is mijn verkiezing. 't Is toch antwoord!
-Wat? als mijn huis gekweld is van een rat,
-En ik verkies voor 't dooden eens tienduizend
-Dukaten te off'ren? Nu, dit is toch antwoord?
-Deez' kan het schreeuwen van een big niet lijden,
-En die wordt dol, als hij een kat maar ziet,
-En die zit, bij den neustoon van de zakpijp,
-Op spelden schier; ja, voor- of tegenzin
-Beheerscht den geest en dwingt naar luim en lust
-Tot liefde of afschuw; nu, ziehier uw antwoord:
-Zooals geen grond of reden is te geven,
-Dat deez' geen schreeuwend varken velen kan,
-En die geen kat, zoo'n noodig, goedig dier,
-En die geen zakpijp, maar elk onweerstaanbaar
-Genoopt wordt tot het smadelijk bedrijf,
-Dat hij, getergd, nu zelf weer andren tergt,
-Zoo kan en wil ik ook geen reden geven,
-Dan ingevreten haat en bittren wrok,
-Dien 'k voor Antonio voel, wat mij mijn recht,
-Zelfs met verlies doet eischen. Is dit antwoord?
-
-BASSANIO. Dit is geen antwoord, schepsel zonder hart,
-Dat uw wreedaardig drijven kan verschoonen.
-
-SHYLOCK. Moet ik dan antwoord geven naar uw zin?
-
-BASSANIO. Brengt iedereen dàt om, wat hem mishaagt?
-
-SHYLOCK. Wie haat dan iets, en brengt het niet graag om?
-
-BASSANIO. Wat ons mishaagt, wekt daad'lijk nog geen haat.
-
-SHYLOCK. Laat gij u tweemaal bijten door een slang?
-
-ANTONIO. Bedenk, het is de jood, met wien ge u inlaat;
-Ga eerder nog naar 't strand der zee en geef
-Den vloed bevel, dat hij in eb verander;
-Daag eerder nog den wolf tot een verhoor,
-Waarom hij 't ooi deed blaten om het lam;
-Verbied veeleer den fieren pijn der bergen,
-Te schudden met den hoogen top, te ruischen,
-Als hem de storm met vlaag op vlaag bestookt,
-Leg eer de hardste taak u op, dan dat
-Gij 't hardste, dat bestaat, tracht te verzachten,
-Zijn jodenhart; en daarom, 'k smeek het u,
-Geen aanbod meer, geen middel meer beproefd,
-Maar kort en goed zij de uitspraak nu gedaan,
-Mijn lot beslist, en hebb' de jood zijn eisch.
-
-BASSANIO. Hier zijn dukaten, zes- voor uw drieduizend.
-
-SHYLOCK. Was ieder der zesduizend stuks dukaten
-Zesmaal gedeeld en elk deel een dukaat,
-Ik nam ze niet; ik vergde toch mijn schuldbrief.
-
-DOGE. Hoopt ge op genâ, gij, die er geen bewijst?
-
-SHYLOCK. Wat vonnis zou ik duchten? 'k Doe geen onrecht.
-Gij hebt wel meen'gen duurgekochten slaaf,
-Dien gij, gelijk uw ezels, paarden, honden,
-Tot slaafsch en laag en smaad'lijk werk gebruikt,
-Wijl gij ze kocht.--En als ik tot u zeide:
-Laat hen toch vrij en paart hen met uw erven;
-Wat zwoegen ze onder vrachten? laat hun bed
-Zoo zacht zijn als het uwe; streel hun tong
-Met spijzen, fijn als de uwe;--gij zult zeggen:
-Die slaven zijn gekocht.--Zoo zeg ik ook:
-Zie, dit pond vleesch, dat ik van hem verlang,
-'t Is duur gekocht, 't is mijn, en ik wil 't hebben.
-Als gij het weigert, spuw ik op uw wet!
-Dan heeft hier in Venetië 't recht geen kracht!
-Ik wacht op de uitspraak; antwoord! zal ik 't hebben?
-
-DOGE. Ik ben bevoegd de zitting op te heffen,
-Als niet Bellario, een doorkneed geleerde,
-Wiens rechtspraak ik in deze heb gevraagd,
-Vandaag verschijnt.
-
-SALARINO. Uw hoogheid, buiten staat
-Een bode, die met brieven van den doctor
-Daar juist van Padua komt.
-
-DOGE. Breng ons die brieven; laat den bode komen.
-
-BASSANIO. Schep moed, Antonio, heb slechts goeden moed!
-Eer krijgt de jood mijn vleesch, bloed, beendren, alles,
-Eer gij voor mij een druppel bloeds verliest.
-
-ANTONIO. Ik ben een zieklijk ram der kudde, rijp
-Ten dood; het is de zwakste vrucht, die 't eerst
-Ter aarde valt; zoo zij 't met mij; gij kunt
-Geen beetren dienst mij doen dan deez', Bassanio,
-Dat gij blijft leven en mijn grafschrift stelt.
-
-(Nerissa treedt op, als klerk van een rechtsgeleerde gekleed.)
-
-DOGE. Komt gij van Padua, van Bellario?
-
-NERISSA. Van beide, Heer; Bellario groet uw hoogheid.
-
-(Zij overhandigt een brief.)
-
-BASSANIO. Wat wet gij daar zoo ijverig uw mes?
-
-SHYLOCK. Om, wat mij toekomt, uit dien bankroetier te snijden.
-
-GRATIANO. Gij scherpt niet op uw zool, maar op uw ziel,
-Steenharde jood, uw mes; maar geen metaal,
-Neen, niet de bijl des beuls heeft half de scherpte
-Uws scherpen haats. Geen beê dringt in u door?
-
-SHYLOCK. Geen enkle, neen, die uw vernuft kan smeden.
-
-GRATIANO. Vervloekt dan, onverbidbre hond! En zij
-Gerechtigheid verklaagd, wijl gij nog leeft!
-Gij zoudt mij schier in mijn geloof doen wank'len,
-Om mij te scharen bij Pythagoras,
-Dat beestenzielen varen in het lichaam
-Van menschen; eens bezielde uw hondsche geest
-Een wolf; van dien, om menschenmoord gehangen,
-Ontvlood, daar aan de galg, de felle ziel,
-En voer, toen nog uw ongedoopte moeder
-U droeg, in u, in u; want uw begeerten
-Zijn wolfsch, bloeddorstig, hongrig en roofgierig.
-
-SHYLOCK. Tot gij dit zegel wegraast van mijn schuldbrief,
-Bederft ge uw longen maar met dat geschreeuw;
-Lap uwen geest wat op, jong mensch; zijn staat
-Mocht hoop'loos worden.--'k Sta hier voor mijn recht.
-
-DOGE. Bellario's schrijven hier beveelt aan 't hof
-Een jongen, zeer geleerden doctor aan;
-Waar is hij?
-
-NERISSA. Heer, hij wacht nabij deez' zaal
-Uw antwoord, of hij toegelaten wordt.
-
-DOGE. Van heeler hart;--dat drie of vier van u
-Hem hoff'lijk de gerechtszaal binnenleiden.--
-Intusschen hoore 't hof Bellario's brief.
-
-EEN KLERK (leest). "Deze is dienende om uwe
-hoogheid te berichten, dat ik bij de ontvangst
-van uw brief zeer ziek ben. Maar juist toen
-uw bode aankwam, bracht mij een jong doctor
-uit Rome, met name Balthazar, een vriendschappelijk
-bezoek; ik heb hem bekend gemaakt
-met het geding tusschen den Jood en den
-koopman Antonio; wij hebben samen vele rechtsgeleerde
-werken nageslagen; hij is volkomen
-met mijn inzichten bekend, die hij, verbeterd
-nog door zijn eigen geleerdheid (die zoo groot
-is, dat ik haar niet genoeg roemen kan), op
-mijn aandringen overbrengt, om uwe hoogheid
-in mijne plaats ten dienste te staan. Ik verzoek
-u dringend, laat zijn jeugdige leeftijd geen
-oorzaak wezen om hem eerbiedige achting te
-doen derven, want nooit zag ik een jong hoofd,
-zoo grijs in kennis. Ik reken voor hem met
-vertrouwen op een gunstige ontvangst bij uwe
-hoogheid; uw toetsing zal zijn lof beter verkondigen,
-dan ik het kan doen."
-
-DOGE. Gij hoort, wat de geleerde man ons schrijft;
-En hier, naar 'k denk, verschijnt de jonge doctor.
-
-(Portia komt op, in het gewaad van een rechtsgeleerde.)
-
-Uw hand, Heer;--'t is Bellario, die u zendt?
-
-PORTIA. Zoo is 't, doorluchte heer.
-
-DOGE. Neem plaats, wees welkom!
-Is u 't geding, dat op dit oogenblik
-Voor 't hof hier hangende is, alreeds bekend?
-
-PORTIA. 'k Ben van de zaak volkomen ingelicht.--
-Wie is de koopman hier, waar is de jood?
-
-DOGE. Antonio, oude Shylock, komt naar voren.
-
-PORTIA. Uw naam is Shylock?
-
-SHYLOCK. Shylock is mijn naam.
-
-PORTIA. Van vreemden aard is de eisch, dien gij hier doet,
-Maar in den vorm, zoodat Venetië's wet
-Bij 't voeren van 't geding u niet kan wraken.--
-(Tot Antonio.) Gij zijt het, die bedreigd wordt door zijn eisch?
-
-ANTONIO. Zooals hij zegt.
-
-PORTIA. En gij erkent den schuldbrief?
-
-ANTONIO. O ja.
-
-PORTIA. Dan moet de jood genadig zijn.
-
-SHYLOCK. Gij zegt, ik moet; wat dwingt me? zeg me, wat?
-
-PORTIA. Genade wordt verleend, niet afgedwongen;
-Zij drupt, als zachte regen, uit den hemel
-Op de aarde neer, en dubblen zegen brengt ze,
-Zij zegent hem, die geeft, en die ontvangt;
-Ze is 't machtigste in den machtigste; ze siert
-Den koning op zijn troon meer dan de kroon;
-De scepter toon' zijn wereldlijk gezag,
-Zij 't zinbeeld zijner macht en majesteit,
-Wekke eerbied en ontzag voor 't koningschap,
-Maar boven dezen scepter heerscht genade;
-Zij heeft haar zetel in der vorsten hart;
-Zij is een eigenschap der godheid zelf;
-En aardsche macht zweemt meest naar die van God,
-Wanneer genade 't recht doortrekt. Daarom,
-Beroept ge u, jood, op 't recht, bedenk ook dit,
-Dat, naar gerechtigheid, geen onzer ooit
-Behouden wordt; wij bidden om genade;
-En de eigen bede leert ons, zelf aan and'ren
-Genade te oef'nen. Hiermee dring ik aan,
-Dat gij de strengheid van uw eisch verzacht;
-Want, blijft ge er bij, dan moet Venetië's hof
-Zijn vonnis vellen tegen dezen koopman.
-
-SHYLOCK. Mijn daden op mijn hoofd; ik eisch de wet,
-De boete, de voldoening van mijn schuldbrief.
-
-PORTIA. Is hem 't betalen van het geld onmooglijk?
-
-BASSANIO. O, neen, hier voor het hof bied ik 't hem aan;
-Ja tweemaal zelfs; als dit nog niet genoeg is,
-Verbind ik mij het tienmaal te betalen,
-'k Verpand mijn handen, hoofd en hart er voor;
-Is dit nog niet genoeg, dan blijkt het nu,
-Dat boosheid braafheid onderdrukt. En 'k bid u,
-Verbuig voor eens nu 't recht door uw gezag;
-Om waarlijk recht te doen, pleeg luttel onrecht,
-En toom dien boozen duivel in zijn vaart.
-
-PORTIA. Dit mag niet zijn. Geen macht kan in Venetië
-Een wettig vastgestelde wet verwringen;
-'t Wierd aangehaald als voorbeeld voor 't vervolg;
-En menig misbruik vond, na zulk een voorgang,
-Wel ingang in den staat; het mag niet zijn.
-
-SHYLOCK. Een Daniël, die rechtspreekt! ja, een Daniël!--
-O wijze, jonge rechter, hoe 'k u eer!
-
-PORTIA. Ik bid u, laat mij eens den schuldbrief zien.
-
-SHYLOCK. Hier is hij, eed'le doctor, zie, hier is hij.
-
-PORTIA. Shylock, men biedt u driemaal thans uw geld.
-
-SHYLOCK. Een eed, een eed, ik zond een eed ten hemel!
-En zou ik meineed laden op mijn ziel?
-Voor gansch Venetië niet.
-
-PORTIA. Deez' schuld verviel;
-En 't stuk geeft aan den jood het recht, dat hij
-Een pond mag eischen van des koopmans vleesch,
-'t Moet snijden bij 's mans hart;--maar wees genadig,
-Neem driemaal 't geld, en laat mij 't stuk verscheuren.
-
-SHYLOCK. Als aan zijn letter is voldaan, eer niet.
-Het blijkt, dat gij een waardig rechter zijt;
-Gij kent de wet, en uw betoog was juist
-En bondig; ik bezweer u bij de wet,
-Waarvan ge een hechte steunpilaar u toont,
-Sla 't vonnis nu; ik zweer toch bij mijn ziel,
-Geen menschentong heeft in het minst de macht
-Mij te verand'ren; 'k sta hier op mijn schuldbrief.
-
-ANTONIO. Van ganscher harte smeek ik 't edel hof
-Om uitspraak in mijn zaak.
-
-PORTIA. Welnu, die luidt:
-Houd uwen boezem voor zijn mes bereid.
-
-SHYLOCK. O, edel rechter, wakker jongeling!
-
-PORTIA. De wet is duid'lijk; zin en woorden slaan
-Volkomen op de thans vervallen boete,
-Die in dit stuk verschuldigd wordt erkend.
-
-SHYLOCK. Volkomen waar; o, wijs en eerlijk rechter!
-O, hoeveel ouder zijt ge dan gij schijnt!
-
-PORTIA. Ontbloot alzoo uw boezem.
-
-SHYLOCK. Ja, zijn borst;
-Zoo zegt mijn stuk;--niet waar, hoogedel rechter?--
-Het naast aan 't hart;--staat het niet woord'lijk zoo?
-
-PORTIA. Zoo is 't. Hebt gij een weegschaal hier, om 't vleesch
-Te wegen?
-
-SHYLOCK. 'k Heb ze bij de hand.
-
-PORTIA. Zorg voor een wondarts, Shylock, op uw kosten,
-Die hem verbind', want anders bloedt hij dood.
-
-SHYLOCK. Is dat zoo voorgeschreven in den schuldbrief?
-
-PORTIA. Het staat er niet uitdrukk'lijk, maar wat doet dit?
-'t Waar' goed, dat gij uit menschlijkheid het deedt.
-
-SHYLOCK. Ik kan 't niet vinden, 't staat niet in den schuldbrief.
-
-PORTIA. Gij koopman, hebt gij ook nog iets te zeggen?
-
-ANTONIO. Slechts luttel; 'k ben bereid en welgewapend!--
-Geef mij de hand, Bassanio, vaar gij wel!
-Het grieve u niet, dat dit voor u mij treft;
-Want hierin toont zich 't Noodlot goediger,
-Dan 't anders pleegt te doen. Hoe vaak toch laat het
-Den bankroetier zijn schatten overleven,
-Om met gerimpeld voorhoofd, holstaand oog
-Een ouden dag van armoede af te wachten;
-Het spaart mij 't slepend leed van zulke ellend!
-Breng aan uw eedle ga mijn groeten over,
-Meld haar de toedracht van Antonio's sterven,
-Hoe ik u liefhad, roem den doode na,
-En is 't verhaal gedaan, laat haar beslissen,
-Of niet Bassanio eens een vriend bezat.
-Treurt gij slechts niet, dat gij een vriend verliest,
-Dan treurt hij niet, dat hij uw schuld betaalt;
-Want maakt de jood zijn snede diep genoeg,
-Dan kwijt ik haar in eens met heel mijn hart.
-
-BASSANIO. Antonio, vriend, ik heb een vrouw gehuwd,
-Die mij zoo dierbaar is als 't leven zelf;
-Maar 't leven zelf, mijn vrouw, de gansche wereld,
-Zij gelden mij niet hooger dan uw leven;
-'k Gaf alles prijs, dit alles offerde ik
-Dien duivel daar, om u van hem te ontslaan.
-
-PORTIA. Uw vrouw betuigde u zeker luttel danks,
-Was zij hierbij en hoorde ze uw betuiging.
-
-GRATIANO. Ik heb een vrouw, die 'k min, ik zweer 't; maar 'k wenschte
-Haar in den hemel, kon ze daar een macht
-Verbidden, die dien hondschen jood verkneedde.
-
-NERISSA. 't Is goed, dat gij dit in haar afzijn zegt:
-Uw wensch kon licht den vreê van 't huis verstoren.
-
-SHYLOCK (ter zijde). Zoo zijn de christenmannen;--'k heb een dochter,
-Maar had ze wien ook van Barabbas' stam
-Tot man genomen, eer nog dan een christen!--
-(Luid.) De tijd verloopt; ik bid u, kom tot de uitspraak.
-
-PORTIA. Een pond van dezes koopmans vleesch is u;
-Het hof erkent dit, en de wet verleent het.
-
-SHYLOCK. O hoogst rechtvaardig rechter!
-
-PORTIA. Gij moet dit vleesch hem snijden van de borst;
-De wet erkent dit, en het hof verleent het.
-
-SHYLOCK. Hoogstwijze rechter!--'t Is beslist, bereid u!
-
-PORTIA. Een oogenblik nog;--neem ook dit in acht:--
-De schuldbrief hier geeft u geen druppel bloeds;
-De woorden zijn uitdrukk'lijk: een pond vleesch.
-Neem dus uw schuldbrief, neem gij uw pond vleesch;
-Maar zoo, bij 't snijden, gij een drup vergiet,
-Een enklen druppel christenbloed, dan vallen
-Uw land en goedren, naar Venetië's wet,
-Den staat Venetië toe.
-
-GRATIANO. O, eerlijk rechter! jood; een wijze rechter!
-
-SHYLOCK. Is dat de wet?
-
-PORTIA. Gij zult de keur zelf zien;
-Gij eischtet recht, en, wees verzekerd, recht
-Zal u geworden, meer dan gij verlangt.
-
-GRATIANO. O wijze rechter! jood; een wijze rechter!
-
-SHYLOCK. 'k Neem 't aanbod aan;--betaal driemaal de schuld,
-En dat de christen ga.
-
-BASSANIO. Hier is het geld.
-
-PORTIA. Bedaar! Den jood
-Zal al zijn recht geworden!--neen, geen haast!
-De boete zal hij hebben en niets meer.
-
-GRATIANO. O, jood, een eerlijk rechter! een wijs rechter!
-
-PORTIA. Daarom, maak u gereed het vleesch te snijden.
-Maar stort geen bloed; en snijd niet min of meer
-Dan juist een pond; want neemt ge meer of minder
-Dan juist een pond;--al waar' 't ook maar zooveel,
-Dat het gewicht te licht wordt of te zwaar,
-Een onderdeel zelfs van een twintigste
-Van éénen scrupel;--slaat de weegschaal door,
-Ja, waar' 't ook slechts de breedte van een haar,--
-Dan sterft ge, en al uw goedren zijn verbeurd.
-
-GRATIANO. Een tweede Daniël! ja, een Daniël, jood!
-Nu, ongedoopte hond, nu hebben we u.
-
-PORTIA. Wat draalt de jood nog? Neem, wat u verviel.
-
-SHYLOCK. Geef mij mijn hoofdsom slechts, en laat mij gaan.
-
-BASSANIO. Ik heb het geld voor u gereed; hier is 't.
-
-PORTIA. Hij heeft het openlijk voor 't hof versmaad;
-Zijn recht slechts zal hij hebben en zijn schuldbrief.
-
-GRATIANO. Een Daniël, zeg ik weer, een tweede Daniël!--
-Ik dank u, jood, voor 't leeren van dat woord.
-
-SHYLOCK. Krijg ik dan nu niet eens mijn hoofdsom weer?
-
-PORTIA. Niets krijgt ge, niets, dan de vervallen boete;
-Die moogt ge op lijfsgevaar nu innen, jood.
-
-SHYLOCK. Dan doe de duivel hem er wel bij varen!
-Ik laat me er langer niet mee in.
-
-PORTIA. Blijf, jood;
-Het recht heeft nog iets anders van u te eischen.
-De wetten van Venetië stellen vast:--
-Als van een vreemdling te bewijzen is,
-Dat hij, 't zij rechtstreeks, 't zij op slinksche wijs,
-Een burger naar het leven heeft gestaan,
-Dan naast de burger, wiens verderf hij zocht,
-De helft van al zijn goedren; de andre helft
-Valt aan de schatkist van den staat ten deel;
-En 't leven van den schuldige berust
-In 's dogen hand, die niemands stem behoeft.
-Deze uitspraak, zeg ik, past geheel op u:
-'t Is uit uw handling hier voor 't hof gebleken,
-Dat gij èn rechtstreeks èn op slinksche wijs
-Met overleg het leven hebt bedreigd
-Van den verweerder; en de strafbedreiging,
-Zoo even aangehaald, is hier van kracht.
-Dus kniel, en smeek genade van den doge.
-
-GRATIANO. Smeek om verlof, dat gij uzelf verhangt;
-Want, daar gij al uw goed'ren hebt verbeurd,
-Bleef u de waarde zelfs niet van den strik,
-En moet de staat dat hangen nog betalen.
-
-DOGE. Opdat ge in ons een andren geest erkent,
-Schenk ik u 't leven, eer gij er om bidt;
-Uw halve have is voor Antonio,
-En de andre helft is aan den staat vervallen,
-Maar deemoed kan dit mindren tot een boete.
-
-PORTIA. Ja, voor den staat, niet voor Antonio.
-
-SHYLOCK. Neen, neem mij 't leven ook, schenk dat mij niet;
-Gij neemt mijn huis, als gij den steun mij neemt,
-Waar heel mijn huis op rust; gij neemt mijn leven,
-Als gij de midd'len neemt, waar ik door leef.
-
-PORTIA. En wat kan ùw genade zijn, Antonio?
-
-GRATIANO. Een strop voor niet; niets meer, om Gods wil, niets.
-
-ANTONIO. Behaagt het aan uw hoogheid en aan 't hof,
-Die straf van de eene helft hem kwijt te schelden,
-Dan is 't mij goed, mits hij mij de andre helft
-In bruikleen geven wil,--om na zijn dood
-Die weder af te staan aan de' edelman,
-Die onlangs hem zijn dochter heeft geschaakt;
-En nog twee eischen: dat, voor deze gunst,
-Hij van dit oogenblik een christen worde,
-Ten andre, dat hij, hier nu, voor het hof,
-Al wat hij bij zijn dood bezitten zal,
-Zijn zoon Lorenzo en zijn dochter schenke.
-
-DOGE. Dit zal hij doen, of anders trek ik in
-Wat ik reeds van genade heb gerept.
-
-PORTIA. Zijt gij tevreden, jood? wat is uw antwoord?
-
-SHYLOCK. Ik ben tevreden.
-
-PORTIA. Schrijver, stel een schenking.
-
-SHYLOCK. Ik bid u, sta mij toe van hier te gaan;
-Ik ben niet wel; zend mij de schenking na;
-Ik zal ze teek'nen.
-
-DOGE. Ga dan heen, maar teeken.
-
-GRATIANO. Twee peten zult ge hebben bij uw doop;
-Ware ik uw rechter, tien hadt gij er meer,
-Om u ter galg te leiden, niet ter doopvont.
-
- (Shylock af.)
-
-DOGE. Ik bid u, heer, gebruik het maal bij mij.
-
-PORTIA. Verschoon me, ik zeg uw hoogheid need'rig dank;
-Ik moet deze' avond nog in Padua zijn,
-En 't beste is dus, onmidd'lijk af te reizen.
-
-DOGE. Het spijt me, dat uw tijd het niet gehengt.--
-Antonio, toon u aan den doctor dankbaar,
-Want, naar mij dunkt, zijt gij hem veel verplicht.
-
- (De Doge, Senatoren en Gevolg af.)
-
-BASSANIO. Hoogedel heer, mijn vriend en ik, wij zijn
-Door uwe wijsheid heden vrijgesproken
-Van zware boete; en gaarne bieden we u,
-Wat aan den jood verschuldigd was, drieduizend
-Dukaten, voor uw edel hulpbetoon.
-
-ANTONIO. En blijven, als uw schuld'naars, bovendien
-Tot liefde en weêrdienst eeuwig u verplicht.
-
-PORTIA. Die weltevreden is, is welbetaald;
-Ik ben tevreden, dat ik u bevrijdde,
-En reken daardoor reeds mij welbetaald;
-Naar grooter loon heb ik nog nooit gestreefd.
-Eén bede: ken me, als gij mij weer ontmoet;
-Ik wensch u heil, en hiermeê neem ik afscheid.
-
-BASSANIO. Zoo laten we u niet los, mijn waarde heer;
-Neem een gedacht'nis aan, maar als geschenk,
-En niet als loon; twee gunsten vraag ik u:
-Sla dit niet af, en duid mijn drang niet euvel.
-
-PORTIA. Gij dringt mij sterk, en daarom geef ik toe.
-(Tot Antonio.) Uw handschoen dan; ik draag ze u ter gedacht'nis;
-(Tot Bassanio.) En daar gij 't wenscht, neem ik deez' ring van u;--
-Trek niet de hand terug; ik wil niet meer;
-En uwe vriendschap mag mij dit niet weig'ren.
-
-BASSANIO. Die ring, mijn heer,--ach, zulk een kleinigheid;
-Ik zou mij schamen, u dien aan te bieden.
-
-PORTIA. Ik wil niet anders hebben dan dien ring
-Hoe 't komt, ik weet niet, maar ik hecht er aan.
-
-BASSANIO. 't Is om de waarde niet, 't is om den ring;
-Den kostbaarste' in Venetië geef ik u,
-Dien openbare navraag vinden laat;
-Slechts deze' alleen, ik bid u, vraag dien niet.
-
-PORTIA. Gij biedt, dit zie ik, onbekrompen aan;
-Eerst leerdet gij mij beed'len, en nu, dunkt me,
-Nu leer ik, hoe men beedlaars antwoord geeft.
-
-BASSANIO. Deez' ring gaf, waarde heer, mijn vrouw me, en vroeg
-Bij 't aandoen mij een eed, dat ik hem nooit
-Verkoopen zou, verliezen, weg zou schenken.
-
-PORTIA. Met zulk een uitvlucht spaart men meen'ge gave.
-Maar is uw vrouw geen dwaze vrouw, en weet ze,
-Hoe ik dien ring verdiende, wis, zij zal
-Niet eeuwig toornig blijven, dat ge aan mij
-Hem weggaaft.--Nu, het zij zoo; 't ga u wel.
-
- (Portia en Nerissa af.)
-
-ANTONIO. Bassanio, vriend, sta hem den ring toch af;
-Dat zijn verdiensten en mijn vriendschap saam
-Hier gelden tegen wat uw vrouw gebood.
-
-BASSANIO. Gratiano, haast u, haal hem in, en geef
-Den ring hem nog; en breng hem, zoo ge kunt,
-Zelf bij ons, in Antonio's huis;--maak spoed!
-
- (Gratiano af.)
-
-Kom, gij en ik, wij gaan daar daad'lijk heen,
-En morgen in de vroegte vliegen wij
-Naar Belmont samen. Kom, Antonio.
-
- (Bassanio en Antonio af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Een straat.
-
-Portia en Nerissa komen op.
-
-
-PORTIA. Vraag naar de woning van den jood en laat
-Dit stuk hem teek'nen. Nog van avond gaan wij;
-Zoo zijn we een dag voor onze mannen thuis.
-Dit stuk zal aan Lorenzo welkom zijn.
-
-(Gratiano komt op.)
-
-GRATIANO. Goed, dat ik u nog inhaal, waarde heer!
-Bassanio, die tot beter inzicht kwam,
-Zendt U deez' ring door mij en noodigt u
-Van middag tot het maal.
-
-PORTIA. Dit kan niet zijn,
-Maar hartlijk dank ik hem voor dezen ring;
-En 'k bid u, zeg hem dit. Wees ook zoo goed
-Mijn klerk den weg naar Shylocks huis te wijzen.
-
-GRATIANO. Met veel genoegen.
-
-NERISSA (tot Portia, luid). Heer, een woord met u;--
-(Zacht.) 'k Wil zien, den ring te krijgen van mijn man,
-Dien ik hem zweren deed nooit weg te schenken!
-
-PORTIA. Dat kunt gij wis; dat zal een zweren zijn,
-Dat zij aan mannen slechts hun ringen schonken;
-Doch we òverkraaien, òverzweren hen.--
-Maar ga, maak haast; gij weet, waar ik u wacht.
-
-NERISSA. Kom, waarde heer, wilt gij zijn huis mij wijzen?
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Belmont. Een park voor Portia's woning.
-
-Lorenzo en Jessica komen op.
-
-
-LORENZO. 't Is heldre maan; in zulk een nacht als deze,
-Toen zachte lucht de boomen vriendlijk kuste
-En nauwlijks ruischen deed,--in zulk een nacht,
-Naar 'k denk, steeg Troilus op Troja's wal
-En zond zijn ziel haar zuchten naar de tenten
-Der Grieken heen, waar ook zijn Cressida
-Die nacht te sluim'ren lag.
-
-JESSICA. In zulk een nacht
-Sloop Thisbe, schuchter tripp'lend, op den dauw,
-En zag geen leeuw nog, maar alleen zijn schim,
-En nam vol angst de vlucht.
-
-LORENZO. In zulk een nacht
-Stond Dido, in haar hand een wilgetak,
-Op 't woeste zeestrand, om haar lief te wenken,
-Weêr naar Carthago's kust.
-
-JESSICA. In zulk een nacht
-Las zich Medea tooverkruid en maakte
-Den ouden Æson jong.
-
-LORENZO. In zulk een nacht
-Verloor de rijke jood zijn Jessica,
-Die uit Venetië met een spilziek lief
-En heel naar Belmont vlood.
-
-JESSICA. In zulk een nacht
-Zwoer haar Lorenzo, dat hij teêr haar minde,
-En stal met meen'gen eed van trouw haar hart,
-Doch alle waren valsch.
-
-LORENZO. In zulk een nacht
-Bekladde Jessica, die kleine feeks,
-Haar zoetelief, maar hij vergaf het haar.
-
-JESSICA. Ik zou u óver-nachten, kwam er niemand;
-Maar luister, 'k hoor den stap daar van een man.
-
-(Stefano komt op.)
-
-LORENZO. Wie komt zoo haastig in de stille nacht?
-
-STEFANO. Goed volk.
-
-LORENZO. Goed volk? wat volk? Zeg mij uw naam, goed volk!
-
-STEFANO. Mijn naam is Stefano; ik breng bericht,
-Dat de eedle vrouw voor de' aanvang van den dag
-Te Belmont zijn zal; ze is nog op haar tocht
-Langs heiligbeelden, waar ze knielt en bidt
-Om zegen op haar echt.
-
-LORENZO. En wie verzelt haar?
-
-STEFANO. Een heil'ge kluiz'naar en haar kamerjuffer.
-Maar zeg me, is de eedle heer nog niet terug?
-
-LORENZO. Nog niet; we ontvingen zelfs nog geen bericht.--
-Maar laat ons, Jessica, naar binnen gaan
-En zorgen, dat de meesteres van 't huis
-Nu met een plechtig welkom zij begroet.
-
-(Lancelot komt op.)
-
-LANCELOT. Hola, hola, ho, heila, hola, ho!
-
-LORENZO. Wie roept daar?
-
-LANCELOT. Hola! hebt gij den heer Lorenzo en mevrouw Lorenzo ook
-gezien? Hola! hola!
-
-LORENZO. Houd op met uw hola, man; hier.
-
-LANCELOT. Hola! waar? waar?
-
-LORENZO. Hier.
-
-LANCELOT. Zeg hem, dat er een postiljon is gekomen, die zijn hoorn
-vol goed nieuws heeft; mijn meester zal nog voor zonsopgang hier zijn.
-
- (Lancelot af.)
-
-LORENZO. Kom, liefste, binnen dan hun komst verbeid!
-Of neen, waartoe naar binnen? 't Is niet noodig,
-Vriend Stefano, ik bid u, meld aan allen
-In huis, dat de eedle vrouw in aantocht is,
-En breng de muzikanten mee naar buiten.
-
- (Stefano af.)
-
-Wat slaapt het maanlicht lieflijk op dien heuvel!
-Hier zetten we ons, hier drinke ons oor de tonen
-Der hemelsche muziek; de vreê der nacht
-Stemt met den klank van zoete harmonie.
-Kom, Jessica; zie, is het hemelwelf
-Niet ingelegd met schijfjes schitt'rend goud?
-Geen licht, hoe klein, dat ge daarboven ziet,
-Dat op zijn baan niet als een engel zingt,
-Bij 't koor der Cherubim met kinderoogen.
-Gelijke harmonie is in de zielen
-Der menschen, maar zoolang 't verganklijk kleed
-Onsterflijkheid omhult, is ze ons onhoorbaar.
-
-(De Muzikanten komen op.)
-
-Weest welkom, wekt Diana met een lied;
-Dringt met uw klanken door tot uw gebiedster,
-En toovert, lieflijk streelend, haar naar huis.
-
-(Muziek.)
-
-JESSICA. Ik ben bij lieflijke muziek nooit lustig.
-
-LORENZO. Dit komt, omdat uw geest haar luistrend volgt;
-Want zie maar eens een wilde, dartle kudde,
-Of troepje veulens, jong en ongetemd;
-Zij springen dol, zij loeien, brieschen luid,
-Want dat is de aard en de eisch van 't warme bloed;
-Maar nauwlijks hooren ze een trompet, die schalt,
-Of treft het ruischen van muziek hun oor,
-Gij ziet hen plotsling, luistrend, stil bijeen;
-De macht der tonen dwingt dat vlammend oog
-Tot kalmen blik. Van daar 't verhaal des dichters,
-Dat Orpheus boomen, rotsen, stroomen boeide,
-Daar niets zoo stug, zoo hard, zoo woedend is,
-Dat niet muziek het voor een tijd verandert.
-Heeft iemand in zichzelven geen muziek,
-Roert hem de meng'ling niet van zoete tonen,
-Die man deugt tot verraad, tot list en roof,
-'t Is duister in zijn geest als middernacht,
-In zijn gemoed zoo zwart als 't rijk der schimmen;--
-Vertrouw hem nooit!--O, hoor eens die muziek!
-
-(Portia en Nerissa komen op, nog op een afstand.)
-
-PORTIA. Dat licht daar, dat wij zien, brandt in de zaal;
-Hoe verre licht die kleine kaars! zoo straalt
-Een goede daad in deze booze wereld.
-
-NERISSA. Bij 't maanlicht zagen wij dat kaarslicht niet.
-
-PORTIA. Zoo doet een grooter glans een mind'ren tanen;
-Een plaatsvervanger straalt gelijk een vorst,
-Totdat de vorst verschijnt, en dan vervloeit
-Zijn praal, zooals een beekje van het land
-In 't groote bed der waat'ren. Hoor, muziek!
-
-NERISSA. 't Is de muziek, mejonkvrouw, van uw huis.
-
-PORTIA. Niets is er goed, naar 'k zie, dan op zijn tijd;
-Mij dunkt, ze klinkt veel schooner dan bij dag.
-
-NERISSA. De stilte schenkt haar die bekoorlijkheid.
-
-PORTIA. De leeuwrik zingt niet schooner dan de kraai,
-Dan voor een luistrend oor; en 'k denk, dat zelfs
-De nachtegaal, zong die bij dag zijn lied,
-Als alle ganzen snaat'ren, naar de schatting
-Geen beter zanger dan de musch zou zijn.
-Hoe menig ding wordt op zijn tijd alleen
-Naar waarde en naar volkomenheid geschat!--
-(Tot de Muzikanten.) Nu stil! De maan rust bij Endymion
-En sluimere ongestoord!
-
-(De muziek houdt op.)
-
-LORENZO. Dit is de stem,
-Of ik bedrieg mij zeer, van Portia.
-
-PORTIA. Hij kent mij, als een blindeman den koekoek,
-Aan 't leelijk roepen.
-
-LORENZO. Welkom, waarde jonkvrouw!
-
-PORTIA. Wij baden voor het heil van onze mannen,
-Dat, hoop ik, is vermeerderd door ons doen.
-Zijn ze al terug?
-
-LORENZO. Tot nu toe niet, mejonkvrouw;
-Maar wel kwam hun alreeds een boô vooruit
-Om aan te melden.
-
-PORTIA. Ga in huis, Nerissa.
-En geef aan mijn bedienden last, dat ieder
-Zich houde, als waren we altijd thuis geweest;--
-Ook gij, Lorenzo;--Jessica, ook gij.
-
-(Horengeschal.)
-
-LORENZO. Daar komt uw echtgenoot; het is zijn horen;
-Wij klappen niet, mejonkvrouw, wees gerust.
-
-PORTIA. Deez' nacht is, dunkt me, slechts een kwijnend daglicht;
-Zij ziet wat bleeker, maar het is nu dag,
-Zooals de dag is bij beloken zon.
-
-(Bassanio, Antonio en Gratiano komen op, met Gevolg.)
-
-BASSANIO. Verscheent gij steeds, als ons de zon verlaat,
-Dan hadden wij met de Antipoden dag.
-
-PORTIA. Geve ik u licht, ik zij niet licht van zin;
-Die lichtheid maakt een man licht zwaar te moede;
-En nimmer zij Bassanio dat door mij;
-Verhoede 't God!--Wees welkom thuis, mijn gade!
-
-BASSANIO. Ik dank u, lieve;--o, heet mijn vriend hier welkom!--
-Dit is Antonio, die voor heel mijn leven
-Onlosbaar mij aan zich verbonden heeft.
-
-PORTIA. Tot elken dank moogt ge u verbonden reek'nen,
-Want zwaar verbond hij zich, zoo 'k hoor, voor u.
-
-ANTONIO. Niet zoo, of hij en ik zijn thans weer vrij.
-
-PORTIA. Heer, gij zijt hartlijk welkom in ons huis;
-Maar 't moet zich anders toonen dan in woorden,
-En 'k spaar dus hoff'lijkheid van louter lucht.
-
-(Gratiano en Nerissa zijn middelerwijl in woordenwisseling geraakt.)
-
-GRATIANO. Ik zweer u bij de maan daar, dat ge dwaalt;
-Ik gaf hem, waarlijk aan des doctors klerk;
-En 'k woû, dat hij tot niets werd, die hem heeft,
-Daar 't u, melieve, zoo ter harte gaat.
-
-PORTIA. Wat! reeds een twist? eilieve, zeg waarom?
-
-GRATIANO. 't Is om een strookje gouds, een kleinen ring,
-Dien zij mij gaf; met alledaagsche spreuk,
-Zoo van die messenmakerspoëzie
-Op klingen: "wees mij trouw, begeef mij niet."
-
-NERISSA. Wat praat ge van de spreuk of van de waarde?
-Gij zwoert me, toen ik hem u gaf, dat gij
-Hem dragen zoudt tot in uw stervensuur,
-En dat hij met u rusten zou in 't graf;
-Gij moest hem reeds, om al uw schriklijke eeden,
-Zoo niet om mij, vereeren en bewaren.
-Des doctors klerk!--God weet, nooit krijgt die klerk,
-Wien gij hem afstondt, haar op zijn gezicht.
-
-GRATIANO. Ja toch, als hij maar leeft, tot hij een man is.
-
-NERISSA. Ja, als een vrouw maar leeft, tot zij een man is.
-
-GRATIANO. Zoo waar ik leef, ik gaf hem aan een jonkman,--
-Een jongen nog, een kriel, een kleinen dreumes,
-Niet grooter dan gijzelf, des rechters klerk,
-Een snappend kind; die vroeg hem als een fooi;
-Het ging me aan 't hart, maar 't was hem niet te weig'ren.
-
-PORTIA. Ronduit gezegd, het was verkeerd, lichtzinnig,
-Die eerste liefdegift zoo weg te werpen,
-Die gij met eeden aan uw vinger staakt,
-Als pand van trouw er aan had vastgeklonken.
-Ik gaf mijn liefste een ring en deed hem zweren,
-Nooit zou hij er van scheiden; zie, daar staat hij,
-En 'k zweer voor hem, dat hij hem nimmer afstaat,
-Nooit van den vinger neemt, neen, voor de schatten
-Der gansche wereld niet. Voorwaar, Gratiano,
-'t Is liefdloos zoo uw vrouw te grieven; ja,
-Gebeurde 't mij, ik ergerde mij dood.
-
-BASSANIO (ter zijde). Liefst kapte ik mij de hand, en zwoer, dat ik
-Den ring verloor, terwijl ik er voor streed.
-
-GRATIANO. Bassanio stond zijn ring den rechter af,
-Die dringend er om vroeg, en waarlijk dubbel
-Verdiend had, en toen vroeg de klerk, dat jongske,
-Dat druk genoeg geschreven had, den mijnen;
-En heer en dienaar wilden maar niets anders
-Dan die twee ringen.
-
-PORTIA. Welken ring stondt ge af,
-Mijn gâ? Toch niet, naar 'k hoop, dien ik u gaf?
-
-BASSANIO. Kon ik een leugen voegen bij 't vergrijp,
-Ik zou ontkennen; maar gij ziet, ik heb
-Geen ring meer aan mijn vinger, hij is weg.
-
-PORTIA. En evenzoo ontvlood de trouw uw hart.
-Bij God, wij zijn gescheiden, tot gij mij
-Den ring weer toont.
-
-NERISSA. Wij evenzeer, tot ik
-Den mijnen weerzie.
-
-BASSANIO. Dierbre Portia,
-Indien gij wist, aan wien ik gaf den ring,
-Indien gij wist, voor wien ik gaf den ring,
-Erkennen woudt, waarvoor ik gaf den ring,
-En hoe ongaarne ik afstond dezen ring,
-Daar niets werd aangenomen dan de ring,
-Uw gramschap en uw strengheid wierd verzacht.
-
-PORTIA. Hadt gij erkend de kracht van dezen ring,
-Slechts half geschat de geefster van den ring,
-Erkend, hoe zelfs uw eer hing aan den ring,
-Gij hadt niet kunnen scheiden van den ring.
-Wat man had zoo onreedlijk kunnen zijn,--
-Hadt gij uw ring met eenig vuur verdedigd,--
-Zoo onbescheiden, op iets aan te dringen,
-Door u als plechtig onderpand geschat?
-Nerissa toont mij, wat ik moet gelooven;
-Ik sterf er op, een vrouw verkreeg den ring.
-
-BASSANIO. Neen, op mijn eer, neen, bij mijn zaligheid,
-Geen vrouw verkreeg hem, maar een waardig man,
-Een doctor, die den ring vroeg, en drieduizend
-Dukaten afsloeg; 'k heb den ring geweigerd,
-En liet hem ontevreden gaan; en toch,
-Hij was het, die mijn dierbren vriend het leven
-Gered had. Zeg, wat kon ik doen, geliefde?
-Ik was genoopt den ring hem na te zenden;
-De plicht der hoff'lijkheid drong mij tot schaamte;
-Mijn eer verbood, dat grove ondankbaarheid
-Haar zoo besmette. Schenk vergiff'nis, beste!
-Gij hadt,--ik zweer 't u bij die heil'ge vonken!--
-Waart gij er bij geweest, mij zelf gevraagd,
-Mijn ring aan de' eedlen doctor af te staan.
-
-PORTIA. Dat toch die doctor nooit mijn huis betrede!
-Daar hij het mij zoo lief juweel verkreeg,
-Dat gij mij zwoert voor mij steeds te bewaren,
-Zoo wil ik niet in gulheid achterstaan,
-En niets hem weig'ren van wat ik bezit,
-Neen, noch mijn lichaam, noch mijn huwlijksbed;
-En kennen zal ik hem, dit weet ik zeker;
-Blijf nooit een nacht van huis; bewaak me als Argus;
-Doet gij dit niet en laat ge mij alleen,
-Dan, op mijn eer, die ik tot nu bewaarde,
-Dan is die doctor wis mijn bedgenoot.
-
-NERISSA. En zoo zijn klerk van mij; bedenk dus wel,
-Of gij me aan eigen hoede kunt vertrouwen.
-
-GRATIANO. Goed; maar ik loer; en krijg ik hem in 't net,
-Dan heeft zijn pen voor 't laatst een punt gezet.
-
-ANTONIO. Ik ben de onzalige oorzaak van deez' twisten.
-
-PORTIA. Heer, 't grieve u niet; toch zijt ge hartlijk welkom.
-
-BASSANIO. Portia, vergeef mij deez' gedwongen misstap;
-Ten overstaan van al deez' vrienden hier,
-Bezweer ik u, en bij uw lieflijke oogen,
-Waar ik mijzelf in spiegel,--
-
-PORTIA. Fraai bedacht!
-Hij ziet zich dubbel in dat tweetal oogen,
-Eens in elk oog; zweer bij uw dubbel ik!
-Dat is een kostlijke eed!
-
-BASSANIO. Ik bid u, hoor!
-Vergeef 't vergrijp; ik zweer u bij mijn ziel,
-Dat ik u nimmermeer een eed verbreek.
-
-ANTONIO (tot Portia). Eens leende ik lijf en leven voor zijn heil;
-Slechts hij, die van uw man zijn ring verkreeg,
-Heeft mij gered; opnieuw waag ik gerust
-Mijn ziele te verpanden, dat uw gâ
-Nooit, wetens willens, meer zijn eed verbreekt.
-
-PORTIA. Wees gij dus weer zijn borg; geef hem deez' ring,
-Hij zorg er beter dan voor de' eersten voor.
-
-ANTONIO. Bassanio, zweer, dat deze u heilig blijft!
-
-BASSANIO. Bij God! den eigen ring gaf ik den doctor!
-
-PORTIA. Vergeef me, ik heb den ring van hem, Bassanio;
-De doctor was mijn bedgenoot er door.
-
-NERISSA. Vergeef ook mij, mijn beste Gratiano,
-Zoo was des doctors klerk, die kleine dreumes,
-Voor dezen ring de laatste nacht bij mij.
-
-GRATIANO. Welzoo, 't is of men wegen ging verbeet'ren
-Des zomers, als zij best in orde zijn!
-Wat! horens reeds, en eer wij die verdienden?
-
-PORTIA (tot Gratiano). Spreek niet zoo ruw.--(Tot Bassanio.) Gij
- staat geheel verbluft;
-Hier hebt ge een brief; lees dien maar later door;
-Hij komt van Padua, van Bellario;
-Daar zult gij zien, dat Portia was de doctor;
-Nerissa daar, zijn klerk; Lorenzo hier
-Getuig', dat ik terstond nà u vertrok,
-Zoo juist terugkom en mijn huis nog niet
-Betreden heb.--Antonio, hartlijk welkom,
-Ik kan ook u een beter tijding brengen,
-Dan gij verwacht; ontzegel dezen brief;
-Gij zult vernemen, dat van uw galjoenen
-Een drietal, rijk beladen, binnenviel;
-Ik zeg u niet, door welk een wonder toeval
-Die brief me in handen kwam.
-
-ANTONIO. Ik sta verstomd.
-
-BASSANIO. Waart gij de doctor, en ik kende u niet?
-
-GRATIANO. Waart gij de klerk, die mij mijn vrouw ontvrijde?
-
-NERISSA. Ja, maar de klerk zal 't zeker nimmer doen,
-Tenzij dat hij 't beleeft, dat hij een man wordt.
-
-BASSANIO. Nu, doctor, wees mijn bedgenoot; 'k vertrouw,
-Moet ik er soms op uit, u graag mijn vrouw.
-
-ANTONIO. Gij, levenschenkster, schenkt mij thans ook leeftocht;
-Want hier zie ik bevestigd, dat mijn schepen
-In veil'ge haven zijn.
-
-PORTIA. En gij, Lorenzo!
-Mijn klerk heeft ook voor u een goed bericht.
-
-NERISSA. Ja, en ik geeft hem zonder schrijversloon;--
-Maar overhandig u en Jessica,
-Hier thans een schenking van den rijken jood
-Van alles, wat hij bij zijn dood bezit.
-
-LORENZO. Gij, eedle vrouwen, drupt een hongrig volk
-Hier manna op hun weg.
-
-PORTIA. 't Is bijna dag;
-En zeker ziet ge op verre na niet in,
-Hoe alles zich wel toedroeg. Gaan wij binnen,
-En neemt ons, als ge wilt, daar in 't verhoor;
-Wij geven u op alles klaar bescheid.
-
-GRATIANO. Ja, zij dat zoo; en de eerste vraag, die 'k stel,
-Nu ik Nerissa mag verhooren, is,
-Of zij dat lange waken uit kan staan,
-Of, twee uur vóór den dag, ter rust wil gaan;
-Maar zeker zou ik, kwam de dag, dan vragen,
-Dat hij voor eens zijn dagen will' vertragen.
-Hoe 't zij, mijn leven lang zal ik geen ding
-Zoo trouw bewaren als Nerissa's ring.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-
-Van "De Koopman van Venetië" verschenen in 1600 twee van elkander
-onafhankelijke uitgaven, de eene bij James Roberts, de andere bij
-Thomas Heyes, waarvan de eerste reeds 28 October 1598 in de registers
-van het boekhandelaarsgilde werd ingeschreven. Het verschil tusschen
-deze uitgaven is niet zeer groot, maar over het algemeen is de eerste
-beter te noemen. Toch is in de folio-uitgave van 1623 de tweede, met
-eenige wijziging, afgedrukt.--Dat het stuk in 1598 reeds bekend was,
-blijkt uit Francis Meres, die het in zijn Palladis Tamia noemt.--Een
-deel van Sh.'s werk, en wel het begin van het vijfde bedrijf, is
-nagebootst in een stuk Wily beguiled, van een onbekenden schrijver,
-dat in een geschrift van 1596 reeds vermeld wordt. Het is mogelijk,
-dat "De Koopman van Venetië" zelfs reeds een paar jaar vroeger
-geschreven werd; in het dagboek van den schouwburg-directeur Henslowe
-wordt op 25 Augustus 1594 gewag gemaakt van een nieuwe Venetiaansche
-comedie, die opgevoerd werd op het tooneel te Newington. Toen werd
-het tooneel dezer voorstad gemeenschappelijk bespeeld door den troep
-van Henslowe en dien, waar Sh. deel van uitmaakte, en het is mogelijk,
-dat "De Koopman van Venetië" bedoeld is; de stijl en de versificatie
-bevestigen, dat het stuk, zooal niet in 1594, dan toch zeker omstreeks
-dezen tijd is geschreven.
-
-Gelijk in zoovele andere gevallen, heeft de dichter ook in dit stuk
-verhalen, die in zijn tijd reeds lang bekend waren, verwerkt, en er
-een nieuwe schepping van gemaakt vol kracht en leven. Opmerkelijk is
-het na te gaan, hoe hij hier uit zeer ongelijksoortige stoffen een
-wonderschoon geheel heeft gevormd.
-
-Sh. heeft voor dit stuk geput uit een middeleeuwsche, Latijnsche
-verzameling van verhalen of sprookjes, getiteld Gesta Romanorum. In
-het 99ste hoofdstuk,--dat reeds in 1577 uit deze verzameling door
-Robert Robertson in het Engelsch vertaald was,--komt de geschiedenis
-der drie kastjes voor. Een koning van Apulië zendt zijn dochter
-over zee naar Rome, om met den zoon des keizers te huwen. Zij lijdt
-schipbreuk, wordt door een walvisch verslonden, maar uit diens buik
-te voorschijn gehaald. De keizer ontvangt haar, verheugd over haar
-behoud, zeer vriendelijk, maar wil haar op de proef stellen, of zij
-zijn zoon waardig is. Hij laat drie vazen brengen; de eene was van
-zuiver goud, uitwendig met kostbare edelgesteenten versierd, maar
-gevuld met doodsbeenderen; zij droeg het opschrift: "wie mij kiest,
-vindt wat hij verdient". De tweede was van zilver, met aarde en wormen
-gevuld, en had tot opschrift: "wie mij kiest, vindt wat zijn natuur
-verlangt". De derde was van lood, bevatte kostbare edelgesteenten
-en droeg het opschrift: "wie mij kiest, vindt wat God hem heeft
-toegekend". De keizer wees de vazen aan het meisje, met de woorden:
-"als gij de vaas kiest, welke bevat wat u en anderen nuttig is,
-dan zult gij mijn zoon hebben". Het meisje koos na rijp overleg de
-looden vaas en trouwde daarop met den zoon des keizers.
-
-Een ander verhaal uit dezelfde verzameling, getiteld: De Milite
-conventionem faciente cum Mercatore, verhaalt van een krijgsman of
-ridder, die van een christen-koopman geld borgde, op voorwaarde, dat
-hij al zijn vleesch ten behoeve van den koopman zou verbeurd hebben,
-als hij niet op tijd betaalde. Toen dit laatste inderdaad het geval
-werd en de ridder voor den rechter gedaagd was, komt zijn vrouw, als
-man verkleed, mede voor de rechtbank om den koopman te vermurwen, die
-echter steeds op zijn recht blijft staan. Daarop drong de vrouw bij den
-rechter aan, dat de koopman den ridder wel het vleesch van de beenderen
-zou mogen snijden, maar geen droppel bloeds vergieten.--De koopman
-wilde nu met de betaling van het geld genoegen nemen, maar dit werd
-hem geweigerd; hij ging heen zonder een penning te hebben ontvangen.
-
-In deze verhalen is er, zooals men ziet, nòch van een jood, nòch
-van een vriendschap als die van Antonio voor Bassanio sprake. Deze
-twee bijzonderheden vindt men echter terug in een verhaal eener
-Italiaansche Novellenverzameling van Giovanni Florentino, onder
-den titel Il Pecorone in 1554 in het licht gegeven. Het verhaal is
-daar het eerste der vierde afdeeling. Een rijk Venetiaansch koopman,
-Ansaldo, voedt een innige vriendschap voor zijn petekind Giannetto,
-die, na zijn vader, een Florentijnsch koopman, verlaten te hebben,
-door Ansaldo als kind was aangenomen. Aan een fraaie haven woont
-de schoone jonkvrouw van Belmonte, welke ieder, die daar landt,
-dwingt om de nacht op haar slot door te brengen, maar, zoo hij
-zich niet naar eisch gedraagt, en haar genegenheid niet kan winnen,
-hem van zijn schip en goederen berooft; wie de proef doorstaat, zal
-haar gemaal worden. Giannetto, op reis naar Alexandrië, hoort van de
-schoone jonkvrouw, landt bij haar en tracht haar gunst te winnen, maar
-te vergeefs; door een zoeten wijn, die hem gereikt wordt, slaapt hij
-in. Van schip en goederen beroofd, keert hij naar Venetië terug. Hij
-is ondertusschen door de jonkvrouw zoo betooverd, dat hij van zijn
-pleegvader een tweede, nog rijker bevracht schip afsmeekt, om naar haar
-hand te staan; hij slaapt weder in en keert nog berooider dan de eerste
-maal naar Venetië terug. Zijn vaderlijke vriend Ansaldo laat zich door
-zijn beden bewegen hem voor de derde maal een schip uit te rusten,
-maar moet daartoe van een jood in Mestin 10000 dukaten leenen onder
-voorwaarde, dat de schuld op den eerstvolgenden Sint Jan betaald zal
-worden, of dat anders de jood het recht zal hebben, een pond vleesch
-uit eenig deel van Ansaldo's lichaam te snijden. Giannetto is ditmaal
-gelukkiger en huwt de jonkvrouw van Belmonte. Maar in zijn vreugderoes
-denkt hij niet aan zijn weldoener, en deze komt hem eerst op Sint Jan
-toevallig weer voor den geest. Ondertusschen was Ansaldo reeds in de
-macht van den jood en had slechts met moeite eenig uitstel gekregen,
-om te wachten of Giannetto ook terugkwam. Deze kwam inderdaad, maar
-vond den jood onvermurwbaar. Doch ook de vrouwe van Belmonte kwam, als
-rechter vermomd, en zij beslist, nadat de jood honderdduizend dukaten
-had afgeslagen, de zaak als bij Sh., dat de jood niet meer en niet
-minder dan een pond mocht nemen en geen druppel bloeds moest storten,
-zoodat de jood de schuldbekentenis in woede verscheurt; zij slaat de
-honderdduizend dukaten, die haar man den gewaanden rechter aanbiedt,
-af, maar noopt hem zijn trouwring af te staan; zij zorgt te huis te
-zijn vóór haar man met Ansaldo er aankomt en neemt den schijn aan van
-recht verstoord te wezen op haar man, die zijn trouwring aan wie weet
-welke vrouw zou gegeven hebben, maar zij vertelt weldra, wie voor
-rechter gespeeld heeft, en zij leeft verder zeer gelukkig met haar man.
-
-Ongetwijfeld is dit verhaal van nog ouderen datum. Hoe de geschiedenis
-van den woekerjood opgang maakte, kan nog blijken uit een ballade,
-waarvan echter moeilijk te beslissen is, of zij ouder of jonger is
-dan Sh.'s stuk. Zij bevat enkel de geschiedenis van den koopman en
-den jood, met een (echten) rechter, die, op gelijke wijze als Portia,
-den jood van zijn vordering doet afzien.
-
-Men zie nu, wat Sh. uit deze gegevens wist te maken.
-
-Wil men zich rekenschap geven van de ligging van Belmonte, dan
-kan men zich dit zeer wel te Strà denken, waar vele Venetianen hun
-landgoederen hadden, en dan kan Balthazar (III. 4. 53) Portia zeer
-goed aan het gewone veer (tragetto), dat ten tijde van Sh. te Fusino
-aan de monding der Brenta was, inhalen.
-
-Over enkele namen nog een enkel woord. Shylock is zeker van
-Semietischen oorsprong, misschien verbasterd van Sjelah (I Mos. X. 24),
-dat pijl beteekent [1]. Tubal en Chus (zie blz. 313, III. 2. 28)
-vindt men I Mos. X. 2 en 6; Jessica zal wel Jiskah zijn (I Mos. XI,
-29), wat uitkijkster beteekent, vergelijk IIde Bedrijf, 5. 33. De
-naam Gobbo komt in Venetië meer voor; op de Isola del Rialto is een
-steenen figuur, die Gobbo di Rialto heet.
-
-
-
-I. 1. 98. Hun hoorders strafbaar maakten. Toespeling op Mattheus V. 22;
-"Wie tot zijn broeder zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door
-het helsche vuur."
-
-I. 2. 43. Die is inderdaad een veulen. Colt beteekent in het Engelsch
-zoowel een veulen als een jonge losbol.
-
-I. 2. 48. Dan verder de paltsgraaf. Johnson vermoedt hier een
-toespeling op een Poolschen paltsgraaf, Albertus a Lasco, die in
-het jaar 1583 in Londen groot opzien wekte, maar zich weldra wegens
-schulden uit de voeten maakte.
-
-I. 2. 88. Dat de Franschman zijn borg werd. Warburton vindt hier een
-toespeling op de veelvuldige beloften van hulp, die de Franschen
-aan de Schotten gaven bij de twisten der laatstgenoemden met de
-Engelschen.--Vermeldenswaard is, dat eenige regels vroeger, waar
-gesproken wordt van "den Schotschen lord", de folio van 1623 heeft
-"den anderen lord", omdat na de troonsbestijging van Jacobus I zulke
-aardigheden op de Schotten niet toegelaten werden; de quarto's hebben
-hier de ware lezing.
-
-I. 3. 20. Zooals ik op den Rialto vernam. Onder Rialto is de plaats te
-verstaan, die als beurs diende. Een tijdgenoot van Sh. beschrijft die
-als een groot gebouw met open galerijen, waar de kooplieden tweemaal
-daags samenkwamen, 's morgens tusschen 11 en 12 en 's namiddags
-tusschen 5 en 6 uren.
-
-I. 3. 45. De rente in Venetië. Een Engelsch schrijver over Italië
-(1561) zegt, dat de joden in Venetië zeer rijk werden, daar de gewone
-rente, die zij bij het uitleenen van geld wisten te maken, vijftien
-ten honderd 's jaars bedroeg.
-
-II. 1. 1. Om mijn kleur. In de oude uitgaven worden kleur en kostuum
-aangegeven: Enter Morochus a tawny Moor, all in white, and three or
-four followers accordingly.
-
-II. 1. 25. Den Sophi van Perzië vermeldt Sh. ook in het blijspel
-Driekoningenavond een paar keer; Lichas, reg. 32, de ongelukkige
-dienaar van Hercules (Alcides), die aan zijn meester het noodlottig
-gewaad overbracht, dat hem duldelooze pijnen veroorzaakte, en die
-daarom door zijn meester in zee geslingerd werd, wordt ook genoemd
-in Antonius en Cleopatra, IV. 12. 45.
-
-II. 3. 2. Het is een hel, en gij, een snaaksche duivel enz. Aan Jessica
-scheen haars vaders huis een hel toe en Lancelot was er de grappige
-duivel in. Op het oud-Engelsch tooneel speelde de duivel dikwijls de
-rol van den grappenmaker, zie blz. 15.
-
-II. 7. 56. De gouden munt, engel genoemd, wordt door Sh. meermalen
-genoemd, b.v. Koning Jan, III. 3. 8. Zij was 10 shilling waard (f6.-).
-
-II. 9. 28. Als de zwaluw. De huiszwaluw, in het Engelsch martlet
-(Hirundo urbica), maakt haar nest aan de buitenzijde van gebouwen;
-meestal vindt men er verscheidene dicht bijeen, zooals Sh. uitvoeriger
-in Macbeth I. 6. 4. beschrijft. Sh. wist, welke soort hij koos; de
-boerenzwaluw (Hirundo rustica) nestelt binnenshuis, b.v. in stallen,
-of, in onbewoonde streken, in rotsholten enz.
-
-III. 1. 4. De Goodwins, gevaarlijke ondiepten nabij den mond van de
-Theems, worden ook vermeld in Koning Jan, V. 3. 11.--Dat oude vrouwen
-gaarne gember knauwen reg. 10 (to knap is: in kleine stukjes bijten),
-wordt ook vermeld in Maat voor Maat, IV. 3. 8.
-
-III. 1. 126. Het was mijn turkoois. Aan dezen edelsteen werd
-bijzondere kracht toegeschreven; hij werd lichter of donkerder naar
-den gezondheidstoestand van den bezitter, beschermde dien voor gevaren,
-verzekerde de eendracht tusschen man en vrouw.
-
-III. 1. 131. Huur een gerechtsdienaar, die Antonio in hechtenis
-zou moeten nemen en hem overal vergezellen, opdat hij niet
-ontsnapte. Shylock heeft hem wel eerst over veertien dagen noodig,
-maar wil hem nu alvast bespreken.
-
-III. 2. 55. Jonge Alcides. Portia vergelijkt zich met Hesione, de
-dochter van den Trojaanschen koning Laomedon, die door haar vader
-aan een zeemonster was prijsgegeven, maar door Hercules bevrijd
-werd. Dardanen = Trojanen.
-
-III. 2. 63. Zegt, van waar de wufte min. In 't Engelsch fancy,
-een vluchtige, wufte, niet diepgaande min of verliefdheid, wel te
-onderscheiden van love, echte liefde. Portia laat hier uitdrukkelijk
-zingen, dat de fancy zich door 't oog laat leiden en kortstondig is. De
-love moet dus anders doen en zal duurzaam wezen. Portia zegt dus wel
-degelijk tot Bassanio, dat hij zich niet door den schijn moet laten
-verlokken, met andere woorden, liefst het looden kastje kiezen. Het
-verwondert mij, deze opmerking nog nergens te hebben aangetroffen. Dat
-Portia inderdaad een duidelijken wenk geeft, blijkt nog beter uit het
-oorspronkelijke; de vertaling vermocht hier niet het Engelsch geheel
-terug te geven:
-
-
- Tell me, where is fancy bred,
- Or in the heart, or in the head?
- How begot, how nourished?
- Reply, reply.
- It is engendered in the eyes,
- With gazing fed; and fancy dies
- In the cradle, when it lies.
- Let us all ring fancy's knell:
- I'll begin it,--Ding, dong, bell.
-
-
-III. 2. 86. Al bergt de lever zelfs geen droppel gal. In het Engelsch
-wordt van een melkwitte lever gesproken, die voor een blijk van
-lafheid geldt. In den volgenden regel wordt de baard eigenlijk een
-uitgroeisel van dapperheid, valour's excrement geheeten.--De gulden
-lokken worden meermalen door Sh. vermeld. Zij waren zeer in de mode,
-ongetwijfeld omdat Koningin Elizabeth roodachtig haar had. Zoo zegt
-Sh. b.v. in zijn 68ste sonnet:
-
-
- "Zoo is hij ons een beeld uit beter dagen,
- Toen schoonheid leefde en stierf als bloemen thans,
- Aleer zij waagde een basterdschild te dragen,
- En 't voorhoofd schittren deed met valschen glans;"
-
-
-Dit ziet op het blanketten, de valsche lokken volgen:
-
-
- "Eer gouden lokken, aan het graf geroofd,
- Van dooden afgemaaid, een tweede leven,
- Een valsch, begonnen op een tweede hoofd,
- Eer schoonheids dood aan andren schoon moest geven."
-
-
-Men zie hierover ook het Kostelick Mal van onzen Huygens, in 1622 te
-Londen voltooid.
-
-III. 4. 52. Breng, dat.... naar 't veer, waarmee men.... Venetië
-bereikt. Bring them.... Unto the traject, to the common ferry, which
-trades to Venice. Traiect (voor het zeker bedorven tranect gesteld)
-is geen zeer gewoon Engelsch woord, en wordt daarom verklaard; het
-is het Italiaansche tragetto.
-
-III. 4. 78. Zoo mannen na te gaan. In 't Engelsch is de woordspeling
-eenigszins anders; er staat: shall we turn to men = tot mannen worden
-en = ons naar de mannen wenden.
-
-IV. 1. 49. En die zit, bij den neustoon van de zakpijp, Op spelden
-schier. In het oorspronkelijke: And others, when the bagpipe sings i'
-the nose, Cannot contain their urine.
-
-IV. 1. 199. Dat, naar gerechtigheid, geen onzer ooit Behouden
-wordt. Diezelfde toespeling op het Christelijk geloof vindt men in Maat
-voor Maat, II. 2. 73. Het vervolg doelt blijkbaar op het Onze Vader.
-
-IV. 1. 247. De wet is duid'lijk; zin en woorden slaan Volkomen op
-de thans vervallen boete. De redeneeringen van den jeugdigen Daniël
-zijn recht aardig gevonden en bereiken het doel volkomen, maar mogen
-wel eens nader bekeken worden. Een echt jurist, zou, dunkt mij,
-de schuldbekentenis ipso jure nul en nietig hebben verklaard, omdat
-zij een onzedelijke bepaling bevatte. Maar erkende de rechter haar
-als geldig, dan mocht de jood snijden, en dan was het een slinksche,
-sluwe streek, hem het storten van bloed te verbieden, want dit was
-onvermijdelijk bij de toepassing van het recht tot snijden, dat door
-de schuldbekentenis was toegestaan. Verder: mocht de jood ook al
-niet meer dan een pond snijden, het minder nemen kon toch niet wel
-strafbaar zijn. De Romeinsche wetten der XII tafelen waren juister;
-bij het in stukken snijden (in partes secare) van schuldenaars wordt
-opgemerkt, dat het op iets meer of iets minder niet aankomt: si plus
-minusve secuerit, sine fraude esto. Heeft dus Sh. dit niet bedacht,
-toen hij uit zijn bronnen deze tragische episode in zijn blijspel
-invlocht? Nog één vraag komt bij ons op. Bezigt hij het ontfutselen,
-onmiddellijk na de gerechtsscène, der huwelijksringen door Portia en
-Nerissa, aan haar mannen, om in het vijfde bedrijf zijn toeschouwers na
-de geweldige spanning, waarin zij verkeerden, weder in de stemming van
-het blijspel terug te brengen? De wijze, waarop in den tegenwoordigen
-tijd de rol van Shylock wordt opgevat, moge dit doen denken, maar er
-is inderdaad alle reden om aan te nemen, dat deze opvatting niet de
-ware is, dat de dichter en zijn tijdgenooten in de gerechtsscène een
-tooneel zagen, dat werkelijk geheel in een blijspel paste.
-
-Sh.'s tijdgenoot en vriend, de groote tooneelspeler Burbage, die Sh.'s
-bedoelingen ongetwijfeld juist teruggaf, vatte, zooals bekend is,
-de rol van Shylock inderdaad als een comische rol op, doste zich uit
-en stelde den jood voor op een wijze, die het voor den toeschouwer
-werkelijk zeer vermakelijk maakte, dat Shylock op het oogenblik,
-dat hij zeker van zijn wraak dacht te zijn, er van verstoken werd;
-dat dit door louter sophismen geschiedde, maakte de zaak des te
-kostelijker. Zien wij, hoe Sh. den jood inderdaad gemeene trekken
-leende, deed wenschen, dat zijn dochter aan zijn voeten gekist lag,
-hem zijn mes op zijn schoenzool deed aanzetten, dan worden wij
-overtuigd, dat deze opvatting de ware is, dan zal de spanning bij
-de gerechtsscène nooit tot een tragische hoogte stijgen, want wij
-weten vooraf, dat de jood, hoe dan ook, bedrogen zal uitkomen, dan
-zijn de gronden van den baardeloozen rechter, hoe sophistisch ook,
-inderdaad volkomen passend, eenvoudig omdat zij tot het doel voeren,
-dan vragen wij niet, of ooit in Venetië de rechtspraak zoo aan een
-vreemden rechtsgeleerde werd overgegeven, dan is de vroolijkheid,
-opgewekt door Shylocks en Gratiano's vermelding van den wijzen
-Daniël en door Bassanio's en Gratiano's wenschen, dat zij met hun
-vrouwen Antonio's vrijheid konden koopen, volkomen op haar plaats,
-dan rillen wij niet bij de gedachte, dat de jood in zijn woede
-kan toestooten, dan is geen schrille tegenstelling tusschen het
-gerechtstooneel en het vervolg. De dichter behoeft niet plotseling
-tot het blijspel terug te keeren, want hij is er nooit van afgeweken;
-dat hij er iets huiveringwekkends ingebracht heeft, was alleen om
-later de vroolijkheid nog te verhoogen, zooals,--de opmerking is van
-Rümelin in zijn Shakespeare Studien--Sinterklaas en zijn knecht in
-de kinderkamer treden, om na een oogenblik van spanning den jubel
-des te grooter te maken.
-
-Inderdaad, letten we op de plaats, dien in Sh.'s tijd de joden in de
-maatschappij innamen, dan beseffen wij, dat de jood Shylock zeker niet
-als tragisch personage bedoeld kan zijn en dat alleen de bijzonderheid,
-dat Shakespeare, in onpartijdigheid zijn tijdgenooten ver vooruit,
-hem redeneeringen in den mond legt, waarvan wij de juistheid moeten
-toestemmen en die zijn woede verklaarbaar maken, er velen toe gebracht
-heeft, om hoogtragischen pathos daar te vinden, waar wij nog midden
-in het blijspel zijn.
-
-Eindelijk zij nog opgemerkt, dat alleen in een stuk, waarin tot vermaak
-van het publiek, de jood bedrogen moet uitkomen, de eisch kan gesteld
-worden, dat de jood, tot straf van zijn aanslag op Antonio, zich den
-doop moet laten toedienen. Een jood gruwt bij die gedachte, daarom
-werd deze boete aan Shylock niet gespaard; in een blijspel, dat zoo
-veel sprookjesachtigs heeft, kunnen wij ons dit zeer goed voorstellen,
-maar wanneer wij de gerechtsscène als een tooneel beschouwen, dat
-ons door tragischen ernst diep in de ziel moet grijpen, moet ons die
-eisch voorkomen als een profanatie van wat in veler oogen heilig is.
-
-IV. 1. 399. Tien hadt gij er meer. Twaalf gezworenen, die het schuldig
-zouden uitspreken.
-
-V. 1. 1. In zulk een nacht. Deze wisseling van gezegden, telkens met
-"In zulk een nacht" beginnende, is het, die in het stuk Wily beguiled
-is nagebootst; zie blz. 343. De verliefdheid van Troilus op Cressida
-was algemeen bekend, al ware 't slechts uit Chaucer's Troilus and
-Creseide. Een wilgetak of wilgekrans was het teeken eener verlaten
-geliefde; zie Koning Hendrik VI, derde deel, III. 3. 228. Othello,
-IV. 3. 42; daarom klimt ook Ophelia op een wilg, Hamlet, IV. 4. 167. De
-geschiedenis van Medea vindt men reeds in Gower's Confessio Amantis.
-
-V. 1. 220. Heil'ge vonken. In 't oorspronkelijke staat: kaarsen,
-candles of the night, evenals in Romeo and Julia, III. 5. 9.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING
-
-
-[1] Anders kan het veeleer samenhangen met het Joodsch-Arameesche
-sjelaq, verbrand worden, dat een enkele maal ook voor snijden gebruikt
-wordt; dan zou Shylock beteekenen: hij, die snijdt.
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's De Koopman van Venetië, by William Shakespeare
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KOOPMAN VAN VENETIË ***
-
-***** This file should be named 51138-0.txt or 51138-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/1/1/3/51138/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. \ No newline at end of file