diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-05 07:53:06 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-05 07:53:06 -0800 |
| commit | 9e8c6b2d6ffc649424bdc6241c962670c8a743fc (patch) | |
| tree | 5502e8199a01daeae567d8b4e6b836b2d4415d5b /old/51138-0.txt | |
| parent | 934d106571dec788c2f9bbe9cae73bc837d8d72b (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/51138-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/51138-0.txt | 4574 |
1 files changed, 0 insertions, 4574 deletions
diff --git a/old/51138-0.txt b/old/51138-0.txt deleted file mode 100644 index a9463a8..0000000 --- a/old/51138-0.txt +++ /dev/null @@ -1,4574 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De Koopman van Venetië, by William Shakespeare - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: De Koopman van Venetië - -Author: William Shakespeare - -Translator: Dr. L.A.J. Burgersdijk - -Release Date: February 6, 2016 [EBook #51138] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KOOPMAN VAN VENETIË *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - -DE KOOPMAN VAN VENETIë. - - -PERSONEN: - - De Doge van Venetië. - De Prins van Marocco, } - De Prins van Arragon, } dingende naar Portia's hand. - Antonio, de koopman van Venetië. - Bassanio, zijn vriend. - Solanio, } - Salarino, } vrienden van Antonio en Bassanio. - Gratiano, } - Lorenzo, minnaar van Jessica. - Shylock, een rijke Jood. - Tubal, een Jood, zijn vriend. - Lancelot Gobbo, Shylocks knecht. - De oude Gobbo, vader van Lancelot. - Leonardo, bediende van Bassanio. - Balthazar, } - Stefano, } bedienden van Portia. - Portia, een rijke erfgename. - Nerissa, haar kamerjuffer. - Jessica, dochter van Shylock. - - Senatoren van Venetië, Beambten van het gerechtshof, een - Gevangenbewaker, Bedienden en verder Gevolg. - - -Het stuk speelt gedeeltelijk te Venetië, gedeeltelijk te Belmont, -het landgoed van Portia. - - - - - - - -EERSTE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Venetië. Een straat. - -Antonio, Salarino en Solanio komen op. - - -ANTONIO. 'k Weet waarlijk niet, hoe ik zoo somber ben; -Ik ben het moe; gij zegt, dat zijt gij ook; -Maar hoe 't mij aanwoei, hoe ik er aan kwam, -Van welken aard het is, en hoe ontstaan, -Dat is me een raadsel; -Die somberheid maakt mij tot zulk een zwakhoofd, -Dat ik te nauwernood mijzelf herken. - -SALARINO. Uw geest wordt op den oceaan geslingerd, -Waar uw galjoenen, fier het zeil in top, -Als eed'len en grootburgers van de zee, -Door statigheid hun hoogen rang verkonden -En neerzien op de kleine handelsluî, -Die needrig buigend hem begroeten, als -Zij langs hen vliegen met geweven vleug'len. - -SOLANIO. Geloof mij, stond voor mij zoo veel op 't spel, -Het beste deel van mijn gedachten waar' -Ginds met mijn hoop aan 't dwalen. Telkens zou ik -Gras plukken om de windstreek na te gaan, -Op kaarten zien naar reeden, havens, hoofden; -En alles, wat mij onheil kon doen duchten -Voor schepen of voor lading, zou gewis -Mij somber maken. - -SALARINO. Mijn blazen, dat mijn soep bekoelde, joeg -Me een koude koorts op 't lijf, als ik bedacht, -Wat schade op zee een sterke wind kan doen. -Ik zag het zand niet loopen in het uurglas, -Of dacht ook reeds aan ondiepten en banken, -En zag mijn rijken Andries omgeslagen, -Den masttop lager dan de zijde in 't zand, -Als om zijn graf te kussen. Ging ik op -Ter kerke, zou het heilig steengevaart' -Mij fluks niet denken doen aan booze rotsen, -Die, raken zij mijn ranke kiel slechts aan, -Haar specerijen op den vloed verstrooien, -Mijn zijde als mantels spreiden over 't diep, -Kortom, wat pas nog schatten waard was, plotsling -Als niets doen zijn? Is 't denkbaar, dat mijn geest -Dit denken zou, en dan niet zou gaan denken -Hoe zulk een ongeval mij leed zou doen? -Neen, zeg maar niets; ik weet, Antonio -Is somber, wijl hij aan zijn zaken denkt. - -ANTONIO. Geloof mij, neen, want, dank zij mijn geluk, -Ik heb mijn goed niet aan één schip vertrouwd, -Niet aan één plaats, en mijn vermogen hangt -Niet af van 't slagen in een enkel jaar; -Daarom, 't is niet mijn handel, die me ontstemt. - -SALARINO. Nu, dan zijt gij verliefd. - -ANTONIO. Foei, foei! - -SALARINO. Ook niet verliefd? Nu, dan, dan zijt ge treurig, -Wijl gij niet vroolijk zijt, en zóó kondt gij -Ook lachen, springen, zeggend: "ik ben vroolijk, -Wijl ik niet treurig ben." Bij Janus' dubb'len kop, -Natuur brengt soms toch rare snuiters voort: -Die knijpt voortdurend de oogen toe van 't lachen, -Als bij een doedelzak een papegaai; -En de ander heeft zoo'n uitzicht van azijn, -Dat hij door lachen nooit zijn tanden toont, -Al deed een grap ook de' ouden Nestor schaat'ren. - -(Bassanio, Lorenzo en Gratiano komen op.) - -SOLANIO. Ziedaar Bassanio, uw eed'len neef, -Gratiano en Lorenzo; vaar nu wel; -Wij laten u in 't best gezelschap achter. - -SALARINO. 'k Had willen blijven, tot ge monter waart, -Maar thans, nu beter komt, moog' minder wijken. - -ANTONIO. Geloof me, heeren, ik waardeer u hoog, -Maar reken, dat uw zaken thans u roepen, -En gij nu vrijheid vindt om heen te gaan. - -SALARINO. Vaartwel dan, eed'le heeren. - -BASSANIO. Vrienden, zegt, -Wanneer weer eens een prettig samenzijn? -Wij zien elkaar zoo weinig; waartoe dit? - -SALARINO. Als 't u gelegen komt, wij zijn bereid. - - (Salarino en Solanio af.) - -LORENZO. Daar gij Antonio nu gevonden hebt, -Bassanio, willen wij u thans verlaten; -Maar denk op 't etensuur present te zijn. - -BASSANIO. Daar kunt gij vast op reeknen. - -GRATIANO. Gij ziet er niet goed uit, Antonio, -Gij trekt te veel u 's werelds zaken aan; -Wie daar zijn hart op zet, verliest zijn rust. -Geloof me, uw uitzicht is geheel veranderd. - -ANTONIO. Ik acht de wereld, vriend, zooals zij is, -Een speeltooneel, waar elk zijn rol op speelt; -De mijne is somber. - -GRATIANO. Ik speel dan den Nar. -'k Wacht dartlend, lachend, rimplige' ouderdom, -En laat, al drinkend, eer mijn lever schudden, -Dan dat, door ach en wee, mijn hart verkilt. -Waarom, als 't warme bloed nog stroomt, te zitten -Als grootvaârs marm'ren beeld? waartoe te slapen, -Als 't wakenstijd is? en de geelzucht zich -Op 't lijf te kniezen? Neen, Antonio, hoor, -Ik heb u lief en zoo spreekt nu mijn liefde: -Er is een slag van lieden, wier gelaat -Steeds ondoorschijnend is als stilstaand water, -Die eigenzinnig zwijgen altijd door, -Met doel om zich een dunk en roep te geven -Van wijsheid, waardigheid en diepen zin, -Als zeiden zij: "Ik ben 't orakel zelf, -En open ik den mond, dan blaff' geen hond"; -Die daarom slechts den naam van wijzen dragen, -Omdat zij nooit iets zeiden, doch voorwaar -Hun hoorders, als zij spraken, strafbaar maakten, -Wijl deez' hun broeders "dwazen" zouden noemen. -Doch meer hiervan een ander maal; gij, hengel -Dus niet met uw droefgeestigheid als aas -Naar narren-katvisch, dezen wijsheidsschijn. -Kom mee, Lorenzo.--Houd zoolang u goed; -Na 't eten krijgt gij 't einde van mijn toespraak. - -LORENZO. Ja, wij verlaten u tot na den noen; -Ik moet nu wel zoo'n wijze zwijger zijn, -Want Gratiano laat mij nooit aan 't woord. - -GRATIANO. Ja, klamp u vast aan mij twee jaren lang, -Dan kent gij zelfs uw eigen stem niet meer. - -ANTONIO. Vaarwel; op uw vermaan word ik een prater. - -GRATIANO. Zeer goed, want weet, dat zwijgen nooit behaagt, -Dan van gerookte tong en van een schuchtre maagd. - -(Gratiano en Lorenzo af.) - -ANTONIO. Heeft hij daar nu iets ter wereld gezegd? - -BASSANIO. Gratiano praat oneindig veel, dat niets is, meer dan eenig -mensch in geheel Venetië. Zijn verstandige gedachten zijn als twee -tarwekorrels in twee schepels kaf; gij kunt er den geheelen dag naar -zoeken, eer gij ze vindt; en als gij ze hebt, zijn ze de moeite van -'t zoeken niet waard. - -ANTONIO. Hoe 't zij, vertel mij nu, naar welke jonkvrouw -Gij in 't geheim die beêvaart zwoert te doen, -Waarvan gij mij vandaag vertellen zoudt? - -BASSANIO. Antonio, 't is u al te wel bekend, -Hoe zeer ik mijn vermogen heb verspild, -Door vrij wat weidscher, rijker staat te voeren, -Dan mijn gering fortuin verduren kon. -Maar 'k roep geen ach en wee, dat ik moet afzien -Van zulk een glans; mijn groote zorg is nu -Met eer die groote schulden af te doen, -Waarin mijn jeugd, die al te spilziek was, -Mij heeft verstrikt; Antonio, 'k ben aan u -Het meeste schuldig, geld niet slechts, maar liefde; -Diezelfde liefde is mij een borg, dat ik -U oop'ning doen mag van mijn plan, om al -Die schulden, die mij drukken, af te werpen. - -ANTONIO. Ik bid u, vriend Bassanio, deel het mee, -En kan het, even als gijzelf steeds doet, -Voor 't oog der eer bestaan, wees dan verzekerd, -Ikzelf, mijn beurs en al wat ik vermag, -'t Is alles 't uwe, voor uw dienst gereed. - -BASSANIO. Verloor ik in mijn schooltijd soms een pijl, -Dan schoot ik hem een tweeden van die soort, -Denzelfden weg uit, na, gaf beter acht, -Tot waar hij vloog, en, beide wagend, vond ik -Ze beide vaak. Dit kindervoorbeeld past, -Omdat wat volgt, ook louter onschuld is. -Gij gaaft mij veel, en, als een wilde knaap, -Verloor ik wat gij gaaft, maar waagt gij 't nu, -Een tweeden pijl denzelfden weg te schieten, -Den eersten achterna, ik maak mij sterk, -Daar ik zijn vlucht bespiê, ze beî te vinden, -Of breng, wat gij het laatste waagdet, weêr, -En blijf uw dankb're schuldnaar voor het eerste. - -ANTONIO. Gij kent mij toch; wat spilt gij dan uw tijd, -En neemt een kronklende' omweg tot uw vriend; -Gij grieft mij waarlijk dieper, als ge twijfelt, -Of ik voor u het uiterst wel zou doen, -Dan als gij heel mijn have hadt verspild. -Deel dus mij mee, wat gij van mij verlangt, -Wat gij vermeent, dat ik vermag te doen; -Ik ben bereid en daad'lijk; zeg het dus. - -BASSANIO. In Belmont woont een jonkvrouw, rijk in goedren, -In schoonheid rijk, en, rijker nog dan dit, -Ook rijk in deugden; uit haar oogen ving ik -Reeds vroeger lieve stomme tijding op. -Haar naam is Portia; ze is wedergâ -Van Cato's dochter, Brutus' Portia. -De wereld door is reeds haar roem verbreid; -Van 't uiterste eind der aard, van iedre kust, -Brengt iedre wind, om naar haar hand te dingen, -De bloem der jonglingschap. Haar zonnig haar -Golft om haar slapen als een gulden vlies; -En Belmont is een tweede Colchisch strand, -En menig Jason komt om haar te erlangen. -Antonio, vriend, o, had ik slechts de midd'len, -Om waardig mij met een van hen te meten, -Dan mocht ik,--onbedrieglijk spelt mij dit -Mijn hart, mijn ziel,--het hoogste heil verwachten. - -ANTONIO. Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee; -Ik heb geen geld en ook geen koopmansgoedren, -Die ik verpanden kan; maar ga, beproef, -Wat in Venetië mijn krediet vermag; -Ik verg er 't uiterst van, om u naar eisch -Voor Portia, naar Belmont, uit te rusten, -Vraag na, waar geld beschikbaar is; ook ik -Doe 'tzelfde, en ben geen oogenblik bezorgd, -Dat men niet gaarne, en op mijn woord, mij borgt. - - (Beiden af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Belmonte. Een kamer in Portia's huis. - -Portia en Nerissa komen op. - - -PORTIA. Op mijn woord, Nerissa, mijn klein persoontje heeft van deze -groote wereld meer dan genoeg. - -NERISSA. Dat mocht zoo wezen, lieve jonkvrouw, als uw ellende evenzoo -bovenmatig was als thans uw geluk. Maar voor zoover ik zie, zijn -zij, die zich overladen met te veel, al even ziek, als zij, die aan -alles gebrek hebben. Het is daarom geen middelmatig geluk juist in -de middelmaat te zijn; overvloed krijgt vroeger grijze haren, maar -juist van pas leeft langer. - -PORTIA. Goede spreuken, en goed voorgedragen. - -NERISSA. Nog beter zouden zij wezen, als zij goed werden opgevolgd. - -PORTIA. Als doen even gemakkelijk was, als weten, wat goed is te doen, -dan waren kapelletjes kerken, dagloonerswoningen vorstenpaleizen -geworden. Het is een goed geestelijke, die zijn eigen voorschriften -opvolgt; ik kan gemakkelijker aan twintig menschen leeren, wat zij -moeten doen om goed te doen, dan een van de twintig zijn en mijn eigen -lessen opvolgen. Het brein kan wel wetten voor het gestel uitdenken, -maar een vurig bloed springt over een koel voorschrift heen; zulk een -haas is de jongeling Onverstand, dat hij heenwipt over het net van -Goeden Raad, den kreupele. Maar dit redeneeren helpt mij volstrekt -niet bij het kiezen van een man.--O wee, dat woord kiezen! Ik mag niet -kiezen, dien ik zou willen, en niet afwijzen dien ik niet mag lijden; -en zoo is de wil van een levende dochter aan banden gelegd door den -wil van een dooden vader.--Is het niet hard, Nerissa, dat ik niemand -kiezen mag, en ook niemand afwijzen? - -NERISSA. Uw vader was een braaf man, en vrome menschen hebben bij hun -dood goede ingevingen. Daarom zal bij de loterij, die hij uitgedacht -heeft van die drie kastjes van goud, zilver en lood, (waardoor -hij, die in zijn geest kiest, u kiest,) zonder eenigen twijfel door -niemand de echte keus gedaan worden dan door een, die u echte liefde -toedraagt. Maar hoe staat het met de warmte van uw genegenheid jegens -een van de vorstelijke aanbidders, die alreeds gekomen zijn? - -PORTIA. O, wees zoo goed en noem ze op; als gij ze noemt, zal ik ze -u beschrijven; en naar mijn beschrijving moogt ge mijn genegenheid -afmeten. - -NERISSA. Vooreerst dan, de Napelsche prins. - -PORTIA. O, die is inderdaad een veulen, want hij doet niets dan van -zijn paard spreken; en hij vindt het een belangrijk toevoegsel aan -zijn begaafdheden, dat hij het zelf beslaan kan; ik vrees inderdaad, -dat mevrouw zijn moeder valsch spel speelde met een hoefsmid. - -NERISSA. Dan verder de paltsgraaf. - -PORTIA. Die zet altijd een zuur gezicht, alsof hij zeggen wou: -"Ben ik voor u niet goed genoeg, geen nood". Hij hoort vroolijke -kwinkslagen en vertrekt geen spier; ik vrees, dat, als hij oud wordt, -hij de weenende philosoof zal wezen in eigen persoon, daar hij nu in -zijn jeugd al zoo onhebbelijk somber is. Ik was liever getrouwd met -een doodshoofd, zoo met twee gekruiste knoken er onder, dan met een -van die beiden. God beware mij voor alle twee! - -NERISSA. Wat zegt gij dan van den Franschen heer, Monsieur Le Bon? - -PORTIA. God schiep hem, laat hem daarom voor een man doorgaan. Ik weet, -dat het zonde is een spotter te zijn, maar hij! Hij heeft een paard, -beter dan de Napolitaan, een beter slechte gewoonte van zuurkijken -dan de paltsgraaf; hij is iedereen en niemand; als een lijster zingt, -begint hij dadelijk kapriolen te maken; hij zou kunnen vechten met zijn -eigen schaduw. Als ik hèm nam, nam ik vijftig mannen te gelijk. Als -hij mij versmaadde, zou ik het hem vergeven; want al had hij mij lief -tot razend wordens toe, ik zou niets van hem willen weten. - -NERISSA. Wat hebt ge dan te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen -Engelschen baron? - -PORTIA. Ge weet, ik zeg niets tegen hem, want hij verstaat mij niet -en ik hem ook niet; hij kent geen Latijn of Fransch noch Italiaansch, -en wat mijn Engelsch betreft, gij kunt gerust voor het gerecht een -eed gaan doen, dat het geen armzaligen duit waard is. Hij is het -afbeeldsel van een knap man, maar, ik bid u, wie kan omgaan met een -stom beeld? En hoe bespottelijk kleedt hij zich! Ik geloof, dat hij -zijn kamizool in Italië, zijn pof broek in Frankrijk, zijn muts in -Duitschland en zijn manieren overal heeft opgedaan. - -NERISSA. Wat denkt ge van zijn buurman, den Schotschen lord? - -PORTIA. Dat hij wezenlijk wel christelijke liefde tot zijn naaste -bezit, want hij borgde laatst een oorveeg van den Engelschman, -en zwoer, dat hij hem dien terug zou betalen, zoodra hij in de -gelegenheid zou wezen; ik denk, dat de Franschman zijn borg werd en -voor den ander onderteekende. - -NERISSA. Hoe bevalt u de jonge Duitscher, de neef van den hertog -van Saksen? - -PORTIA. Afschuwelijk in den morgen, als hij nuchter is, en -allerafschuwelijkst in den middag, als hij beschonken is; als hij -op zijn best is, is hij toch nog altijd iets minder dan een mensch, -en als hij op zijn slechtst is, is hij nauwlijks meer dan een dier; -als het ergste mocht gebeuren, dat gebeuren kan, hoop ik toch, dat -ik wel een uitvlucht zal vinden om hem vrij te loopen. - -NERISSA. Als hij zich mocht aanmelden om te kiezen en het rechte -kastje koos, dan zoudt ge toch weigeren uws vaders uitersten wil te -volbrengen, als gij weigerdet hem te nemen. - -PORTIA. Daarom bid ik u, om het ergste te voorkomen, zet een flinken -roemer Rijnwijn op het verkeerde kastje; want als de duivel er in -was en deze verzoeking van buiten er bij, dan weet ik, dat hij het -zou kiezen. Alles liever, Nerissa, dan met een spons te moeten trouwen. - -NERISSA. Gij behoeft niet beducht te wezen, mejonkvrouw, dat gij -een van deze heeren zult krijgen, want zij hebben mij hun besluit -meegedeeld, en dat is, waarlijk, naar huis te gaan en u niet verder met -hun aanzoek lastig te vallen, tenzij gij op een andere wijze te winnen -waart, dan door de bepaling van uw vader, ten opzichte van de kastjes. - -PORTIA. Al word ik zoo oud als Sibylla, wil ik toch zoo kuisch als -Diana sterven, tenzij ik gewonnen word op de wijze van mijns vaders -uitersten wil. Ik ben blij, dat dit partijtje vrijers zoo verstandig -is, want er is er niet één bij of ik smacht naar zijn afzijn, en ik -bid God, hun een voorspoedige heenreis te verleenen. - -NERISSA. Herinnert gij u niet, mejonkvrouw, uit den tijd dat uw vader -nog leefde, een Venetiaan, die man van studie en krijgsman te gelijk -was, en die hierheen kwam als metgezel van den markies van Montferrat? - -PORTIA. Ja, ja; het was Bassanio;--ik geloof ten minste, dat hij -zoo heette. - -NERISSA. Juist, mejonkvrouw. Van alle mannen, die mijn dwaze oogen -ooit gezien hebben, was hij wel het meest een schoone vrouw waard. - -PORTIA. Hij staat mij nog goed voor, en naar mijn herinnering is uw -lof niet onverdiend.--Wel, wat is er? - -(Een Bediende, komt op.) - -BEDIENDE. Mejonkvrouw, de vreemde heeren vragen naar u om afscheid -te nemen; en zoo even komt daar een voorrijder van een nieuwen, den -prins van Marocco, die het bericht brengt, dat de prins, zijn meester, -nog van avond hier zal zijn. - -PORTIA. Als ik dien nieuwen zoo van ganscher harte welkom kon -heeten, als ik de anderen vaarwel zeg, zou ik verheugd wezen over -zijn aankomst, als hij het binnenste heeft van een heilige en de -huidkleur van een duivel, - - Dan groette ik liever hem als boetgezant, - Dan dat ik hem mijn hand verpand. - -Kom, Nerissa.--Knaap, ga voor, maak voort.-- - - Gaat één vrijer uit de poort, - Dan wordt weer de stap van een ander, die nadert, gehoord. - - - (Allen af.) - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Venetië. Een plein. - -Bassanio en Shylock komen op. - - -SHYLOCK. Drieduizend dukaten,--goed! - -BASSANIO. Voor drie maanden, Shylock. - -SHYLOCK. Voor drie maanden--goed! - -BASSANIO. En, zooals ik zeide, Antonio zal er borg voor zijn. - -SHYLOCK. Antonio zal er borg voor zijn,--goed! - -BASSANIO. Kunt gij mij helpen? Wilt ge mij het genoegen doen? Mag ik -uw antwoord weten? - -SHYLOCK. Drieduizend dukaten, voor drie maanden, en Antonio borg. - -BASSANIO. En uw antwoord--? - -SHYLOCK. Antonio is een goed man. - -BASSANIO. Hebt gij ooit eenigszins het tegendeel van hem gehoord? - -SHYLOCK. O, neen, neen, neen, neen;--maar ik meende, toen ik zeide, -dat hij een goed man is, zooals ge wel begrijpt, dat hij er goed voor -is,--hoewel van zijn goed kan men eigenlijk maar bij onderstelling -spreken; hij heeft een galjoen op weg naar Tripoli, een ander naar -Indië, en hij heeft, zooals ik op den Rialto vernam, een derde naar -Mexico, een vierde naar Engeland--en hij heeft nog meer varende -have,--overal verspreid. Maar schepen zijn maar planken en matrozen -zijn maar menschen, en er zijn landratten en waterratten, landdieven -en waterdieven, ik bedoel zeeroovers; en dan heb je nog het gevaar -van water en wind en klippen; maar toch, de man is er wel goed voor; -drieduizend dukaten;--mij dunkt, ik zou zijn borgtocht wel kunnen -aannemen. - -BASSANIO. Daar kunt ge zeker van zijn. - -SHYLOCK. Ik wil er zeker van zijn; en om er zeker van te zijn, wil -ik er mij op bedenken;--zou ik Antonio eens kunnen spreken? - -BASSANIO. Als ge lust hebt, met ons te eten,-- - -SHYLOCK. Nah, om varkensvleesch te ruiken, om te eten van de woning, -waar uw profeet, de Nazarener, den duivel in verbannen heeft? ik -wil met u handelen en wandelen, gaan en staan, koopen en verkoopen, -en zoo voort; maar ik wil niet eten met u, niet drinken met u, niet -bidden met u. Wat nieuws is er op den Rialto?--Wie komt daar aan? - -BASSANIO. Het is signore Antonio. - -(Antonio komt op.) - -SHYLOCK (ter zijde). Hoe lijkt hij een deemoedig tollenaar! -Ik haat hem reeds, dewijl hij Christen is, -En meer nog, wijl, in lage onnoozelheid, -Hij gratis geld leent en de rente drukt, -Die we anders in Venetië konden maken. -Gelukt het me eens, hem bij de heup te pakken, -Dan vier ik de' ouden wrok, dien 'k heb, toch bot; -Hij haat ons heilig volk, en vloekt, juist daar, -Waar alle kooplui plegen saam te komen, -Op mij, mijn zaken en mijn eerlijk winstje; -Dat noemt hij woeker. Zij mijn stam vervloekt, -Als ik 't vergeef! - -BASSANIO. Hé, Shylock, wilt gij hooren? - -SHYLOCK. Ik rekende uit, hoeveel ik wel in kas heb; -Zoo ver ik uit het hoofd het ramen kan, -Kan ik die volle somma van drieduizend -Dukaten zelf niet leev'ren. Maar wat doet dit? -Tubal, een rijk Hebreër van mijn stam, -Zal mij wel helpen.--Maar voor hoeveel maanden -Verlangt gij 't geld?--(Tot Antonio.) Signore, welkom hier; -Wij spraken juist daar van uw edelheid. - -ANTONIO. Shylock, hoewel ik, als ik gelden voorschiet -Of opneem, nimmer winsten neem noch geef, -Wil ik, om thans mijn vriend in nood te helpen, -Met die gewoonte breken.--(Tot Bassanio.) Weet hij reeds, -Hoeveel gij wenscht? - -SHYLOCK. Drieduizend, ja, dukaten. - -ANTONIO. En voor drie maanden. - -SHYLOCK. O, dat vergat ik,--voor drie maanden, ja. -En gij zijt borg, ja goed,--maar hoorde ik wel -Gij neemt of geeft geen intrest, als ge gelden -Voorschiet of opneemt, zegt ge? - -ANTONIO. 'k Doe het nooit. - -SHYLOCK. Toen Jakob nog de schapen Labans weidde,-- -Hij was van onzen vader Abram af -(Door 't schrander overleg van zijne moeder) -De derde patriarch,--jawel, de derde,-- - -ANTONIO. Wat wilt ge zeggen? leende hij op intrest? - -SHYLOCK. Neen, neen; hij nam geen interest, niet wat gij -Zoo intrest noemt; merk op, wat Jakob deed. -Toen tusschen hem en Laban de afspraak was, -Dat al 't geplekte en zwarte van de lamm'ren -Als Jakobs loon zou gelden, en de herfsttijd -Weer de ooien met de rammen samenbracht -En 't wolvee welig aan het paren ging, -Toen nam de ervaren herder popelroeden -En schilde ze met strepen en hij lei ze, -Wanneer de dieren paarden, op de drinkplaats, -Voor de oogen van de ritsige ooien neer, -Die, zoo ontvangend, in den lammertijd -Geplekte jongen wierpen, Jakobs deel. -Zoo nam hij toe in welstand, werd gezegend; -Want winst is zegen, als men 't maar niet steelt. - -ANTONIO. Dan diende Jakob, man, op goed geluk; -Het stond niet in zijn macht dit te bewerken; -Des hemels hand bestuurde en schikte 't zoo. -Meldt dit de schrift om woeker te rechtvaardigen, -Of is uw goud en zilver, ooi en ram? - -SHYLOCK. 'k Weet niet, ik laat het even snel vermeerdren;-- -Maar hoor, Signore. - -ANTONIO. Merk dit op, Bassanio; -De duivel zelf beroept zich op de schrift. -Een boos gemoed, dat heil'ge woorden spreekt, -Is als een fielt met liefelijken lach; -Een schijnschoone appel, maar in 't hart verrot; -O, glanzend schoon is 't uiterlijk der valschheid! - -SHYLOCK. Drieduizend--'t is een goede ronde som! -Drie maand, een verreljaars, laat zien dat maakt-- - -ANTONIO. Nu, Shylock, kunnen we op u reeknen, zeg? - -SHYLOCK. Signore Antonio, meermalen, vaak, -Hebt gij me op den Rialto doorgehaald -Ter zake van mijn leenen en mijn rente; -Ik zeide niets, maar trok de schouders op, -Want dulden is het erfdeel van ons volk. -Gij scholdt mij voor een onbekeerde, een bloedhond, -Gij spuwdet op mijn tabbaard--en dat alles, -Omdat ik weet te hand'len met wat mijn is. -Welnu, thans blijkt het, dat ge mij behoeft, -Zoo is 't; thans komt ge tot mij, en gij zegt: -"Shylock, wij wenschen geld"; en dat zegt gij, -Gij, die mijn baard bespuwdet, met den voet -Mij stiet, zooals ge een vreemden hond zoudt schoppen -Van uwen drempel, thans verlangt gij geld! -Wat moet ik tot u zeggen? moet ik zeggen: -"Heeft een hond geld? Is 't mooglijk, dat een bloedhond -Drieduizend stukken gouds u leent?" Of moet ik -Ten grond toe buigen, en gelijk een schuldnaar -Met fluisterstem, waar needrigheid in suist, -Dus spreken: -"Uw edelheid heeft Woensdag mij bespuwd, -Op dien dag weggeschopt, een ander maal -Mij hond genoemd; voor zooveel vriendelijkheid -Leen ik u zooveel geld?" - -ANTONIO. Ik was in staat u weder zoo te noemen, -U weer te spuwen, met den voet te stooten. -Wilt gij dit geld ons leenen, leen het niet -Als aan uw vrienden,--vriendschap zou geen vrucht -Van dood metaal ooit eischen van zijn vriend,-- -Maar leen 't veeleer uw vijand uit, want blijft -Die in gebreke, des te scherper kunt gij -Het uiterste eischen. - -SHYLOCK. Zie toch, welk een drift! -Ik wilde uw vriend zijn, vriendlijkheid u toonen, -Den smaad vergeten, dien 'k verduren moest, -Het noodige u verschaffen, en voor rente -Geen duit zelfs eischen, maar gij hoort niet eens; -Mijn aanbod is toch vriendlijk. - -ANTONIO. 't Zou vriendlijk zijn. - -SHYLOCK. Ik doe die vriendlijkheid.-- -Ga mee naar den notaris, teeken daar -Uw schuldbrief op uw naam; uit louter scherts, -Opdat gij ziet, dat ik geen winst verlang, -Als gij mij niet op den bepaalden dag, -En daar of daar, die som of die, zooals -Uw schuldbekentnis luiden zal, betaalt, -Zij deze boete vastgesteld, dat ik -Een zuiver pond mag snijden van uw vleesch, -Uit welk deel van uw lichaam ik verkies. - -ANTONIO. Het zij zoo; op mijn woord; ik teeken 't stuk, -En zeg: ook bij een jood is vriendlijkheid. - -BASSANIO. Neen, teeken zulk een borgtocht niet voor mij; -Veel liever blijf ik nog in mijn ellend'. - -ANTONIO. Kom, vriend, geen angst; want ik betaal op tijd. -In minder dan twee maanden, dus een maand -Vóór ik 't behoef, verwacht ik schepen binnen, -In waarde tien-, ja, twintigmaal deez' som. - -SHYLOCK. O vader Abram! hoe de christnen toch, -Omdat zij zelf hardvochtig zijn, van andren -Hetzelfde denken!--'k Bid u, zeg, zou mij, -Als hij eens in gebreke bleef, het innen -Der afgesproken boete voordeel zijn? -Een pondje menschenvleesch, gesneden van -Een man, is niet zoo goed, niet te verhandlen -Als vleesch van rund of schaap. Ik zeide, ik wensch -Zijn gunst, en bied mijn diensten. Neemt hij -Die aan, zeer gaarne; weigert hij, 't zij uit; -Maar smaad mij niet, ik bid u, om mijn goedheid. - -ANTONIO. Shylock, ik ben bereid het stuk te teek'nen. - -SHYLOCK. Gij ziet mij daadlijk weer, bij den notaris; -Geef gij hem op, wat hij te stellen heeft, -Met onze scherts er bij; ik zorg voor 't geld -En pak het in, en 'k moet ook naar mijn huis, -Waarop een dienaar past, die niet te best -Betrouwbaar is, maar spoedig ben ik bij u. - - (Shylock af.) - -ANTONIO. Zoo haast u, goede jood.--Zie, deez' Hebreër -Wordt waarlijk nog een christen; hij wordt goed. - -BASSANIO. 'k Vertrouw geen goedheid van een boos gemoed. - -ANTONIO. Geen zorg; ik heb geen roekloosheid begaan; -Mijn schepen zijn een maand vooruit wel aan. - - (Beiden af.) - - - - - - - -TWEEDE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Belmont. Een vertrek in Portia's woning. - -Trompetgeschal. De Prins van Marocco met zijn Stoet, Portia, Nerissa -en anderen van haar Gevolg komen op. - - -MAROCCO. Versmaad mij om mijn kleur niet; 't is de donkre -Livrei der helle zon, in wier nabijheid -Ik ben geboren en mijn zetel heb. -Maar koom' de blankste jongling van het noorden, -Waar Febus' gloed de ijskegels nauwlijks smelt, -En om uw min verwond' zich elk van ons, -Tot proef, wiens bloed het roodst is, 't zijn of 't mijn. -'k Verklaar u, jonkvrouw, dit gelaat deed zelfs -Den stoutste sidd'ren; 'k zweer u bij mijn min, -Dat het de fierste maagden van het zuid -Bekoren kon; en 'k ruilde niet mijn kleur, -Dan om, mijn koningin, uw hart te stelen. - -PORTIA. Mijn keuze, prins, wordt niet alleen geleid -Door wat een ijdel meisjeshart begeert; -De loterij, waaraan mijn toekomst hangt, -Ontneemt mij zelfs het recht van eigen keus; -Maar had mijn vader in zijn wijsheid mij -Niet zoo beperkt, en mij niet opgelegd -Slechts hem als echtgenoot te aanvaarden, die -Mij op de wijze wint, die ik u noemde, -Dan ware uw uitzicht, wijdvermaarde prins, -Wel even schoon als dat van eenig ander, -Die vóór u naar mij dong. - -MAROCCO. Reeds hiervoor dank. -Ik bid u dus, geleid mij tot de kastjes, -Om mijn geluk te toetsen. Bij deez' kling,-- -Die aan den Sophi, en een Perzisch prins, -Voor wien de Sultan Soliman driemaal -Het veld moest ruimen, 't leven nam,--ik zou -Den fiersten blik der aard nog overfonklen, -Het kloekste hart der aard nog overtrotsen, -Aan de berin haar zuiglingwelpen nemen, -Den leeuw beschimpen, brullende om een prooi, -Voor uw bezit, signora. Maar helaas! -Als Hercules en Lichas met den teerling -Uitmaken wie het dapperst is, dan doet -Wellicht de zwakste hand den hoogsten worp, -En moet Alcides voor zijn schildknaap wijken; -En zoo kan mij, als blind geluk beslist, -Ontgaan, wat aan een mindren man ten deel valt, -Zoodat ik sterf van smarte. - -PORTIA. Zoo is 't lot! -Beslis dus, dat gij afziet van de keus, -Of zweer vooraf, dat, als gij aav'rechts kiest, -Gij u verbindt om nimmermeer een vrouw -Ten echt te vragen. Overweeg dus wel. - -MAROCCO. Ik zweer het, nimmer! Kom, de keus gewaagd! - -PORTIA. Neen, eerst uw eed voor 't altaar. Na den noen -Beproeft ge uw lot. - -MAROCCO. Gelukstèr, toon uw macht, -Nu 't zaligst heil of diepste ellend' mij wacht! - - (Trompetgeschal. Allen af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Venetië. Een straat. - -Lancelot Gobbo komt op. - - -LANCELOT. Zeker, mijn geweten zal wel toegeven, dat ik van dezen jood, -mijn meester, wegloop. De booze is mij op de hielen, en verzoekt mij, -en zegt: "Gobbo, Lancelot Gobbo", of "goede Gobbo", of "goede Lancelot -Gobbo, sta op, haal je beenen na je, loop weg". Mijn geweten zegt: -"neen; pas op, brave Lancelot", of, zooals daareven, "brave Lancelot -Gobbo, ga niet op den loop; stamp met je hielen, dat je den brui geeft -van dat wegloopen". Goed, maar de verbenedijde booze drijft mij aan, -mij weg te pakken, en zegt: "Loop" zegt de booze, "voort!" zegt de -booze, "in 's hemels naam; heb een hart in 't lijf", zegt de booze, -"en loop weg". Goed, maar mijn geweten werpt zich om den hals van mijn -hart en zegt op wijzen toon tot mij: "mijn brave vriend Lancelot, -gij zoon van een braaf man",--of liever van een brave vrouw, want, -inderdaad, van mijn vader gesproken, daar was wel een luchtje aan, -hij had zoo zekere neigingen, zoo wat smaak in--, nu, mijn geweten -dan zegt: "Lancelot, blijf", "blijf niet" zegt de booze; "blijf", -zegt mijn geweten. Geweten, zeg ik, uw raad is goed; Booze, zeg ik, -uw raad is ook goed; als ik aan mijn geweten gehoor geef, zou ik -blijven bij den jood, mijn meester, die (God straffe mij, als ik -lieg!) een soort van duivel is: en als ik van den jood wegliep, -zou ik aan den booze gehoor geven, die, met verlof gezegd, de Duivel -zelf is. Want dit is zeker, dat de jood de gevleeschelijkte duivel -is; en, op mijn geweten, mijn geweten is een hard soort van geweten, -dat het mij wil aanraden bij den jood te blijven. De booze geeft mij -den besten vriendenraad; ik wil op den loop gaan, Booze; mijn hielen -zijn tot uw dienst; ik wil op den loop gaan. - -(De oude Gobbo komt op, met een mand.) - -GOBBO. Mosjeu, jonge heer, gij, wees zoo goed en zeg mij, wat is de -weg naar mijnheer den jood zijn huis? - -LANCELOT (ter zijde). Och hemel, daar is mijn echte vleeschelijke -vader; hij heeft meer dan zand, hij heeft kiezel in zijn oogen en -kent mij niet.--Ik wil toch eens wat excrementen met hem nemen. - -GOBBO. Mosjeu, jonge heer, wees zoo goed en zeg me, wat is de weg -naar mijnheer den jood zijn huis? - -LANCELOT. Sla bij den eersten draai rechtsom, maar bij den allereersten -draai linksom; maar onthoud, sla bij den allerallereersten draai -noch rechts noch links om, maar sla dadelijk na een poos kaarsrecht -af naar het huis van den jood. - -GOBBO. Sapperment, dat zal een moeilijke weg wezen om te vinden. Kunt -ge mij zeggen, of zekere Lancelot, die bij hem dient, bij hem dient -of niet? - -LANCELOT. Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?--(Ter zijde). Nu -opgepast, nu leg ik hem het vuur aan de schenen.--Spreek je van den -jongen mosjeu Lancelot? - -GOBBO. Geen mosjeu, heer, maar de zoon van een armen drommel; zijn -vader is, al zeg ik het zelf, een brave doodarme kerel, en, Gode zij -dank, heel welvarend. - -LANCELOT. Wel, laat zijn vader wezen wat hij wil, wij spreken nu van -den jongen mosjeu Lancelot. - -GOBBO. Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot kortaf, heer. - -LANCELOT. Maar ik bid je, ergo, oude man, ergo, verzoek ik je, spreek -je van den jongen mosjeu Lancelot? - -GOBBO. Uw edeles dienaar, en Lancelot, heer. - -LANCELOT. Ergo, mosjeu Lancelot; spreek niet van mosjeu Lancelot, -vadertje; want die jonge heer heeft, ten gevolge van de noodlotten -en lotsbeschikkingen en zulke vreemde gezegdens meer, de drie -schikgodinnen en verdere geleerdhedens, het tijdelijke met het eeuwige -verwisseld, of, om het platweg uit te drukken, hij is ter--hemel -gevaren. - -GOBBO. Och, och, God beware! de jongen was zoowaar de staf van mijn -ouderdom, mijn eenige steunpilaar. - -LANCELOT (ter zijde). Zie ik er uit als een knuppel of een tentpaal, -een staf of een pilaar?--Ken je mij niet, vader? - -GOBBO. Ach hemel, ik ken u niet, jonge heer; maar ik bid u, zeg me, -is mijn jongen, (God hebbe zijn ziel!) levend of dood? - -LANCELOT. Ken je mij niet, vader? - -GOBBO. Helaas, mijnheer, ik ben half blind, ik ken u niet. - -LANCELOT. Neen, maar waarlijk, al hadt je je oogen, dan zou het nog -wel kunnen gebeuren, dat je mij niet kende; 't is een wijs vader, die -zijn eigen kind kent. Komaan, oude man, ik zal je van je zoon bericht -geven. (Hij knielt.) Geef mij uw zegen! De waarheid komt altijd aan -het licht; een moord kan niet lang verborgen blijven, wel de zoon -van een vader; maar toch, ten langen leste, komt de waarheid uit. - -GOBBO. Ik bid u, heer, sta op; ik weet zeker, dat gij Lancelot, -mijn jongen, niet zijt. - -LANCELOT. Kom, ik bid je, alle gekheid op een stokje, maar geef -mij je zegen; ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is, -je kind dat wezen zal. - -GOBBO. Ik kan niet gelooven, dat gij mijn zoon zijt. - -LANCELOT. Dan weet ik ook niet, wat ik er van denken moet, maar ik -ben Lancelot, bij den jood in dienst, en, dat weet ik zeker, Margriet, -je vrouw, is mijn moeder. - -GOBBO. Ja wezenlijk, ze heet Margriet; en ik wil er op zweren, als -je Lancelot bent, dat je dan mijn eigen vleesch en bloed bent. Maar, -bij God en al zijn heiligen, wat een baard heb je gekregen; je hebt -meer haar gekregen aan je kin, dan Hans, mijn sleeppaard, aan zijn -staart heeft. - -LANCELOT. Dan lijkt het wel, dat Hans zijn staartharen achteruit -groeien; toen ik hem het laatst gezien heb, had hij bepaald meer -haren in zijn staart dan ik nu op mijn gezicht heb. - -GOBBO. Heerejé, wat ben je veranderd! En kun je met je meester nog al -overweg? Ik heb hem een present meegebracht. Hoe sta je tegenwoordig -met elkaar? - -LANCELOT. Zóó, zóó,--; maar voor mijn part, daar ik het er op gezet -heb om van hem weg te loopen, zoo wil ik niet rusten, voor ik een heel -eind achter de hielen heb. Mijn meester is een echte jood; hem een -present brengen! geef hem een strop. Ik ben in zijn dienst verhongerd; -je kunt iederen vinger, dien ik heb, met mijn ribben tellen. Vader, -ik ben blij, dat je gekomen bent; maar geef je present aan zekeren -heer Bassanio, die wezenlijk prachtige nieuwe livreien geeft; als ik -niet bij hem terecht kan komen, wil ik loopen, zoo ver Gods aardbodem -reikt.--O, wat een tref, wat een geluk! daar komt hij aan;--naar hem -toe, vader; want ik ben een jood, als ik nog langer bij den jood blijf. - -(Bassanio komt op, met Leonardo en andere Bedienden.) - -BASSANIO. Zoo kun je het wel doen;--maar je moet er zoo veel spoed -achter zetten, dat het avondmaal op zijn laatst tegen vijf uur gereed -is. Bezorg deze brieven; maak dat de livreien in orde komen en verzoek -Gratiano dadelijk bij mij te komen in mijn huis. - - (Een Bediende gaat heen.) - -LANCELOT. Nu naar hem toe, vader. - -GOBBO. God zegene uwe edelheid. - -BASSANIO. Dank je zeer; wou je iets van mij hebben? - -GOBBO. Hier is mijn zoon, heer, een arme jongen. - -LANCELOT. Niet een arme jongen, heer, maar de knecht van den rijken -jood; en die graag, heer, zooals mijn vader zal spezivizeeren-- - -GOBBO. Hij heeft een groote infectie, heer, om zoo te zeggen, om -bij u-- - -LANCELOT. Inderdaad, heer, het kort en het lang van de zaak is, dat -ik bij den jood in dienst ben, en declinatie heb, zooals mijn vader -zal spezivizeeren-- - -GOBBO. Zijn meester en hij, met verlof van uw edelheid, leven zoo -wat als kat en hond,-- - -LANCELOT. Om kort te gaan, de zuivere waarheid is, heer, dat de jood -mij verongelijkt heeft, en dat maakt, zooals mijn vader, die naar ik -hoop een oud man is, u fructivizeeren zal-- - -GOBBO. Ik heb hier een duivenschoteltje, dat ik aan uw edelheid wensch -te vereeren, en mijn verzoek is,-- - -LANCELOT. Om zoo kort mogelijk te zijn, het verzoek interruppeert -mijzelf, zooals uw edelheid hooren zal van dezen braven ouden man, -die, al zeg ik het zelf, schoon een oud man, toch een arm man en mijn -vader is. - -BASSANIO. Niet beiden te gelijk;--wat wil je? spreek! - -LANCELOT. Bij u in dienst komen, heer. - -GOBBO. Ja, dat is het, dat wij u willen opponeeren, heer. - -BASSANIO. Ik ken u wel; 't verzoek is toegestaan; -Shylock, uw heer, beval vandaag u aan -Voor deez' bevordring, zoo 't bevordring is, -Uit zulk een dienst als van een rijken jood, -Te komen bij een armen edelman. - -LANCELOT. Het oude gezegde, heer, is zeer goed verdeeld tusschen mijn -meester Shylock en u; gij hebt de genade Gods, heer, en hij heeft -vele goederen. - -BASSANIO (tot Lancelot). Zeer juist. (Tot Gobbo.) Ga heen nu, vader -met uw zoon,-- -Neem afscheid van uw vroeg'ren heer en kom -Dan aan mijn huis.--(Tot zijn Bedienden.) Bezorgt hem een livrei, -Wat meer bestrikt dan de andre; let daarop. - -LANCELOT. Kom, vader.--Neen, ik kan geen dienst krijgen; wel neen, -ik heb mijn tongetje niet tot mijn dienst.--Nu, (Hij bekijkt de -binnenvlakte van zijn hand.) als er in Italië iemand zoo'n mooie -handpalm heeft om op de schrift te zweren! of ik ook geluk zal -hebben!--Kijk eens, welk een onnoozel levenslijntje; 't is me daar -een kleinigheidje vrouwen; acht, tien, vijftien vrouwen is nog niets: -elf weduwen en negen jonge dochters is wel een onnoozel inkomen voor -één man; en dan, driemaal bijna te verdrinken, en mijn leven haast -te verliezen aan den rand van een veerenbed;--dat noem ik er genadig -afkomen! Ik moet zeggen, als Fortuin een vrouw is, dan is zij in dàt -opzicht een goeie meid.--Kom, vader; ik zal in een ommezientje klaar -wezen met dat afscheidnemen van den jood. - - (Lancelot en de oude Gobbo af.) - -BASSANIO. Ik bid u, Leonardo, denk hieraan; -En kom, is dit gekocht en alles klaar, -Terstond terug, want al mijn goede vrienden -Onthaal ik dezen avond. Haast u, ga. - -LEONARDO. Ik doe mijn best; gij zult tevreden zijn. - -(Gratiano komt op.) - -GRATIANO. Waar is uw meester? - -LEONARDO. Heer, daar gaat hij juist. - - (Leonardo af.) - -GRATIANO. Signor Bassanio!-- - -BASSANIO. Gratiano! - -GRATIANO. Ik wensch een gunst van u! - -BASSANIO. Ze is toegestaan. - -GRATIANO. Ja, toestaan moet ge; ik moet met u naar Belmont. - -BASSANIO. Wat moet, dat moet; maar hoor dan toch, Gratiano, -Gij zijt te wild, te ruw, te luid van stem; -'t Gaat u goed af, en is volstrekt geen fout -In oogen zooals de onze; maar het wordt, -Waar men u zoo niet kent, al licht te vrij, -Te dol gevonden;--temper, zoo gij kunt, -Met enkle koude drupp'len stemmigheid -Uw dart'len geest; opdat ik, door uw woestheid, -Niet word' miskend, en wat ik wensch en hoop -Niet derven moog'. - -GRATIANO. Gerust maar, vriend Bassanio; -Hul ik mij niet in stemmige eerbaarheid, -Praat ik niet deftig, vloek slechts nu en dan, -En is mijn blik niet zedig, draag ik niet -Een kerkboek in mijn zak, en houd ik niet -Mijn hoed voor de oogen bij 't gebed, en zucht -Ik niet, en zeg ik niet ootmoedig "amen", -Neem ik naar eisch niet iedren vorm in acht, -Als een, die om de gunst van grootmama -Een uitgestreken facie toont, geloof mij -Dan in 't vervolg nooit meer. - -BASSANIO. Wij zullen zien, -Hoe gij u houden zult. - -GRATIANO. Maar, vriendlief, hoor, -Deze avond geldt nog niet, gij moogt mij niet -Verkett'ren om van avond. - -BASSANIO. Zeker niet, -Dat zou wel jammer zijn, ik zou u eer -Verzoeken uitgelaten dol te wezen, -Want onze vrienden willen vroolijkheid. -Doch nu vaarwel; ik heb nog wat te doen. - -GRATIANO. En ik moet naar Lorenzo en de vrienden, -Maar kom met hen van avond goed op tijd. - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Aldaar. Een kamer in Shylock's huis. - -Jessica en Lancelot komen op. - - -JESSICA. Het spijt me, dat ge ons huis verlaten gaat; -Het is een hel, en gij, een snaaksche duivel, -Hebt soms de slepende uren mij verkort. -Maar 't ga u goed; neem deez' dukaat van mij; -En, Lanc'lot, hoor; straks ziet ge op 't avondfeest -Als gast van uwen nieuwen heer, Lorenzo; -Geef hem deez' brief, maar doe het in 't geheim; -En nu vaarwel; ik wil niet, dat mijn vader -Ons samen spreken ziet. - -LANCELOT. Atjé!--tranen verlangen mijn tong.--Gij allerliefst -heidinneke, allerzoetst Jodinneke! Als een Christen niet voor schelm -heeft gespeeld en uw hart gestolen, dan weet ik er niets meer van. Maar -atjé, deze bespottelijke druppels verdrinken mijn manlijkheid te -veel; atjé. - - (Lancelot af.) - -JESSICA. Vaarwel, vriend Lancelot.-- -Ach, hoe afschuw'lijk is het toch in mij, -Dat ik mij schaam mijns vaders kind te zijn! -Maar ben ik ook zijn dochter naar den bloede, -Ik ben 't niet naar den geest.--O, mijn Lorenzo, -Geen strijd meer, neen; ik word, blijft gij mij trouw, -Christinne, en met een hart vol liefde uw vrouw. - - (Jessica af.) - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Aldaar. Een straat. - -Gratiano, Lorenzo, Salarino en Solanio komen op. - - -LORENZO. Hoort toe, wij sluipen weg van 't avondmaal, -Vermommen ons bij mij aan huis en zijn -Dan allen in een uur terug. - -GRATIANO. Wij zijn op zulk een feest niet voorbereid. - -SALARINO. Voor fakkeldragers is niet eens gezorgd. - -SOLANIO. 't Moet puik in orde zijn, of 't is niets waard; -En dan zij 't, dunkt mij, liever niet begonnen. - -LORENZO. Het is nog pas vier uur; wij hebben dus -Nog twee uur vóór ons. - -(Lancelot komt op, met een brief.) - - Lanc'lot, zoo! wat nieuws? - -LANCELOT. Als uwe edelheid dezen brief gelieft te openen, zal het -schijnen te verduidelijken. - -LORENZO. Ik ken de hand; ja, 't is een schoone hand, -En blanker dan 't papier, waarop zij schreef, -De schoone hand, die schreef. - -GRATIANO. Een minnebriefje! - -LANCELOT (wil weggaan). Met uw verlof, heer. - -LORENZO. Zeg, waar moet gij heen? - -LANCELOT. Och heer, ik moet mijn ouden meester den Jood gaan intiveeren -om bij mijn nieuwen meester den Christen van avond het nachtmaal te -komen gebruiken. - -LORENZO. Ziedaar, (Hij geeft hem geld.)--en zeg de schoone Jessica, -Dat ze op mij reek'nen kan;--zeg 't heimlijk; ga.-- - - (Lancelot af.) - -Mijn heeren, -Maakt ge alles nu voor 't maskerfeest gereed? -Ik heb al iemand, die mijn fakkel draagt. - -SALARINO. Goed, op mijn woord, ik maak het daad'lijk klaar. - -SOLANIO. Ik ook. - -LORENZO. En komt dan, na een uur zoo wat, -Aan Gratiano's huis; daar vindt ge ons tweeën. - -SALARINO. 't Is goed, wij zullen komen. - - (Salarino en Solanio af.) - -GRATIANO. Die brief was van de schoone Jessica? - -LORENZO. U moet ik alles zeggen: zie, zij schreef, -Hoe ik haar uit haars vaders huis moet schaken; -Hoe ze is voorzien van goud en edelsteenen; -Hoe ze in een page zich verkleeden zal. -Komt ooit de jood, haar vader, in den hemel, -Dan is 't ter wille van zijn dochter slechts; -En waagt ooit rampspoed haren weg te kruisen, -Dan is er niets, dat zulk een doen verschoont, -Dan dat zij 't kind is van een valschen jood.-- -Kom mede, en zie dit onderweg maar in; -Mij draagt de schoone Jessica de fakkel. - - (Beiden af.) - - - - -VIJFDE TOONEEL. - - -Aldaar. De straat voor Shylock's huis. - -Shylock en Lancelot komen op. - - -SHYLOCK. Nu, gij zult zien, met eigen oogen zien, -Hoe anders 't is bij Shylock en Bassanio;-- -Hé, Jessica!--voorwaar, gij zult bij hem -Niet slapen, snorken, telkens kleeren scheuren!-- -Hé, Jessica, nog eens! - -LANCELOT. Hé, Jessica! - -SHYLOCK. Wie zeide u haar te roepen? 'k zei 't u niet. - -LANCELOT. Uwe edelheid heeft mij vroeger altijd gezeid, dat ik nooit -iets kan doen, of het moest mij gezeid worden. - -JESSICA. Wat is 't? Gij hebt geroepen? - -(Jessica komt op.) - -SHYLOCK. 'k Ben uitgevraagd ten eten, Jessica; -Daar zijn mijn sleutels.--Maar waarom zou 'k gaan? -Men vraagt mij niet als vriend, maar om te vleien; -Maar ik, ik ga uit haat, en help den christen -Zijn goed verspillen.--Jessica, mijn kind, -Pas op mijn huis;--ik ga met tegenzin; -Er broeit iets, vrees ik, dat mijn rust verstoort; -Ik heb van nacht van zakken gouds gedroomd. - -LANCELOT. Ik bid u, heer, kom; mijn jonge meester wacht op uw -bezoeking. - -SHYLOCK. Die zal wel gebeuren. - -LANCELOT. En ze hebben saamgezworen,--ik wil niet zeggen, dat gij een -maskerade zult zien, maar als gij er een ziet, dan was het niet voor -niets, dat mijn neus begon te bloeden op den laatsten Paaschmaandag -'s morgens om zes uur, die dat jaar viel op Asschenwoensdag voor vier -jaren in den namiddag. - -SHYLOCK. Wat, zijn daar maskers? Hoor mij, Jessica! -Sluit dan de deur, en als gij tromm'len hoort -En dat gegil van kromgenekte fluiten, -Klim dan niet tot het venster op en steek -Uw hoofd niet op de straat, en kijk niet uit -Naar dat geverfd gelaat van christenzotten; -Maar stop dan de ooren van mijn woning,--'k meen -Mijn vensters,--dicht, opdat mijn eerbaar huis -'t Geraas dier flauwe zotternij niet hoore.-- -Ik zweer bij Jacobs staf, ik heb geen zin -Om buitenshuis van avond feest te vieren; -Toch wil ik gaan.--Gij knaap, ga voor mij uit; -Zeg, dat ik kom. - -LANCELOT. Ik zal vooruitgaan, heer.-- -(Fluisterend tot Jessica.) Maar kijk, meestres, alevel 't venster uit; - Dra passeert een christen goed, - Waard, dat een jodin hem groet. - - (Lancelot af.) - -SHYLOCK. Wat zeide daar die gek, die zone Hagars? - -JESSICA. Hij zeide mij vaarwel en anders niet. - -SHYLOCK. De dwaas is goedig, maar een wolf in 't eten; -Bij 't werk een slak, in 't slapen overdag -Een wilde kat; ik wil geen hommels houden; -En daarom ga hij heen, en ga hij heen -Naar iemand, wien hij den geborgden buidel -Moog' helpen leêgen.--Jessica, naar binnen; -Misschien kom ik zoo daad'lijk wel terug; -Doe wat ik zeide en sluit de deuren goed; - "Een dichte kast, weert meen'gen gast;" -Zoo spreekt een elk, die op zijn zaken past. - - (Shylock af.) - -JESSICA. Vaarwel;--en als Fortuin mij niet bestrijdt, -Ben ik een vader, gij een dochter kwijt. - - (Jessica af.) - - - - -ZESDE TOONEEL. - - -Aldaar. - -Gratiano en Salarino komen op, gemaskerd. - - -GRATIANO. Dit is het afdak, waar Lorenzo ons -Verzocht te wachten. - -SALARINO. 't Uur is haast voorbij. - -GRATIANO. En 't is een wonder, dat hij 't uur verzuimt; -Verliefden zijn meestal de klok vooruit. - -SALARINO. O, tienmaal sneller vliegen Venus' duiven -Om nieuwe liefdebanden te bezeeg'len, -Dan om gezworen trouw gestand te doen. - -GRATIANO. Ja, dat gaat door: wie staat ooit van een feest -Met zooveel eetlust op, als hij ging zitten? -Waar is het paard, dat op zijn lange baan -Terugdraaft met hetzelfde ondoofbre vuur, -Waarmee het steig'rend wegstoof? Ieder ding -Wordt met meer vuur begeerd dan wel genoten. -Ziet, hoe, gelijk een jong en kwistig zwakhoofd, -Het nieuwe jacht daar zee kiest, vlag in top, -Door dartel windgestreel gekust, geliefkoosd! -Hoe keert het weer als de verloren zoon, -De spanten bloot en met gescheurde zeilen, -Verarmd en naakt door 't dartel windgestreel! - -(Lorenzo komt op.) - -SALARINO. Daar komt Lorenzo;--later dus 't vervolg. - -LORENZO. Verschoont mij, lieve vrienden, dat ik toefde; -'k Had veel te doen; dat draag' de schuld, niet ik. -Maar is 't ùw beurt eens om een vrouw te stelen, -Dan wacht ik even lang op u.--Komt hier; -Hier woont mijn jodenvader.--Wie is thuis? - -(Jessica verschijnt aan 't venster, in jongensgewaad.) - -JESSICA. Wie is daar? Zeg 't voor alle zekerheid, -Hoewel ik zweren zou de stem te kennen. - -LORENZO. Lorenzo, en uw liefste. - -JESSICA. Lorenzo, zeker; en mijn liefste, ja; -Want wien heb ik zoo lief? Maar wie, Lorenzo, -Staat voor u in, dat ik u 't liefste ben? - -LORENZO. De hemel en uw hart zijn mijn getuigen. - -JESSICA. Hier, vang dit mandje; 't is de moeite waard. -Goed, dat het nacht is, en ge mij niet ziet; -Want ik ben erg beschaamd in deez' verkleeding; -Maar liefde is blind; verliefden kunnen niet -De vreemde streken zien, die zij bedrijven; -Maar konden zij 't, Cupido zelf zou blozen, -Als hij mij zoo als jongen zag verkleed. - -LORENZO. Kom af, gij moet mijn fakkeldrager zijn. - -JESSICA. Wat! moet ik 't licht doen vallen op mijn schande? -Die is, voorwaar, van zelf reeds veel te licht. -Dit is een post, mijn lief, die openbaart, -En 'k moet verborgen zijn. - -LORENZO. Dat blijft gij, liefste, -Als u 't bevallig pagekleed omhult. -Maar haast u thans; -Of de ons bevriende nacht gaat vluchtling spelen, -En men verwacht ons bij Bassanio's feest. - -JESSICA. Ik ga de kasten sluiten en verguld mij -Met meer dukaten nog, en kom dan fluks. - - (Zij gaat weg van 't venster.) - -GRATIANO. Ze is, bij mijn kap, Godinne, geen Jodinne. - -LORENZO. God straff' me, zoo 'k haar niet oprecht bemin; -Verstandig is ze, als ik er iets van weet; -En schoon is ze, als mijn oog mij niet bedriegt; -En trouw is ze ook, dat heeft ze reeds getoond. -En, zooals ze is, verstandig, schoon en trouw, -Wordt zij mijn teêr en trouw beminde vrouw. - -(Jessica komt op, beneden.) - -LORENZO. Zoo, zijt ge er reeds?--Dan, heeren, voort, met spoed; -Ginds wacht ons al sinds lang de maskerstoet. - - (Hij gaat heen, met Jessica en Salarino.) - -(Antonio komt op.) - -ANTONIO. Wie daar? - -GRATIANO. Signore Antonio? - -ANTONIO. Gratiano, foei! En waar zijn nu al de andren? -'t Is negen uur; de vrienden wachten u.-- -Geen maskerade thans; de wind is om; -Bassanio wil op 't oogenblik aan boord; -Ik zond wel twintig man om u te zoeken. - -GRATIANO. Zeer gaarne, ja; want niets staat meer mij aan, -Dan nog van avond scheep en weg te gaan. - - (Beiden af.) - - - - -ZEVENDE TOONEEL. - - -Belmont. Een zaal in Portia's huis. - -Trompetgeschal. Portia en de Prins van Marocco komen op, beiden -met Gevolg. - - -PORTIA. Goed, schuif den voorhang open en onthul -De kastjes alle voor deez' eed'len prins;-- -(Tot den Prins.) Doe thans uw keus. - -MAROCCO. Van goud het eerste, dat tot opschrift heeft: -"Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert". -Van zilver 't tweede, dat ons dit belooft: -"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient". -Dit derde, zwaar, van lood, met plomp vermaan: -"Die mij verkiest, die wage en geve al wat hij heeft". -Hoe weet ik nu, of ik het rechte kies? - -PORTIA. Slechts één er van bevat mijn beelt'nis, prins; -En kiest ge dat, dan ben ikzelf ook de uwe. - -MAROCCO. Een God bestuur' mijn oordeel dan! Laat zien; -Nog eens wil ik die spreuken overlezen. -Wat zegt dit looden kastje? -"Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft". -Die geev'--voor wat? voor lood? hij waag' voor lood? -'t Is taal, die dreigt. En zij, die alles wagen, -Doen dit op hoop van kostelijk gewin; -Een gouden geest bukt niet naar schuim van erts; -En ìk geef niets en waag ook niets, voor lood. -Wat zegt het zilver, met zijn maagdeglans? -"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient". -Zooveel als hij verdient!--Denk na, Marocco, -En weeg uw eigen waarde op de juiste hand; -Waardeert men u, zooals ge uzelven schat, -Genoeg is uw verdienste; schoon, genoeg -Kan ontoereikend wezen voor de jonkvrouw. -Doch, angst te koestren over mijn verdienste, -Waar' zwak, onwaardig twijflen aan mijzelf. -Zooveel als ik verdien!--Nu, 't is de jonkvrouw; -'k Verdien haar door geboorte en door mijn goed'ren, -Door gaven der natuur en door beschaving, -Maar bovenal verdien ik haar door liefde. -Als ik niet verder ging, en dit verkoos?-- -Maar toch, die spreuk van 't goud nog overwogen! -"Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert". -Nu, dat 's de jonkvrouw; iedereen begeert haar, -En iedre hoek der aard brengt pelgrims aan, -Om 't sterflijk, aad'mend heiligbeeld te kussen. -Hyrcanië's wouden, de onafzienbre vlakten -Van 't woest Arabië zijn gebaande wegen -Voor vorsten thans, tot schoone Portia; -Het rijk der waatren, dat met fiere kruinen -Den hemel in 't gelaat spuwt, keert ze niet, -Die zoo vermeet'le vreemden; neen, ze komen, -Als door een beek, tot schoone Portia.-- -Eén van deez' drie omsluit haar hemelsch beeld. -Is 't denkbaar, dat haar lood omsluit?--'t Waar' lastring, -Zoo iets te denken; 't lood is te verachtlijk -Om zelfs in 't donkre graf haar wâ te ompants'ren.-- -Of is 't te denken, dat ze in zilver huist, -Wel tienmaal minder waard dan 't loutre goud? -O zondig denkbeeld! zulk een rijk juweel -Wordt steeds in goud gevat. In Eng'land is -Een munt, van goud, gestempeld met een engel, -Maar daar is 't beeld eens engels bovenop; -Hier ligt een engel, door een gulden bed -Geheel omsloten.--Geef den sleutel mij; -Dit is mijn keus; geluk, wees aan mijn zij! - -PORTIA. Daar, neem hem, prins; en is mijn beeld hierin, -Dan ben ik de uwe. - -(Bij ontsluit het gouden kastje.) - -MAROCCO. O, hel, wat vind ik hier? -Een grijnzend doodshoofd, en in de oogkas ligt -Een opgerold geschrift?--Ik wil het lezen. - "Al wat blinkt, is nog geen goud, - Wis is dit u vaak ontvouwd; - Menig heeft den schijn vertrouwd, - Maar te laat zijn doen berouwd. - Gulden graven zijn gebouwd, - Waar de worm toch huis in houdt. - Waart gij even wijs als stout, - Jong van leên, van oordeel oud, - 't Afscheid hadt ge niet aanschouwd: - Al uw gloed laat Portia koud." - Koud voorwaar en moeite om niet; - Welkom, koude; en gloed, ontvlied!-- -Leef, Portia, wel! Het vonnis doet mij pijn; -'k Verloor; zoo moog' dan kort het afscheid zijn! - - (Marocco af, met zijn Gevolg.) - -PORTIA. O heuglijk eind!--Trek weer den voorhang toe;-- -Dat elk, die hem gelijkt, die keuze doe. - - (Allen af.) - - - - -ACHTSTE TOONEEL. - - -Venetië. Een straat. - -Salarino en Solanio komen op. - - -SALARINO. Ja, vriend, ik zag Bassanio onder zeil; -Gratiano heeft zich met hem ingescheept, -Maar zeker is Lorenzo niet op 't schip. - -SOLANIO. De jood, die hondsvot, tierde, tot de doge -Met hem Bassanio's schip ging onderzoeken. - -SALARINO. Hij kwam te laat; het was reeds onder zeil. -Toen echter kwam den doge dra ter oore, -Dat men Lorenzo en zijn Jessica -Gezien had in een gondel; bovendien -Gaf ook Antonio de verzeek'ring, dat -Zij niet Bassanio op zijn schip verzelden. - -SOLANIO. Nooit hoorde ik zulk een teugellooze woede, -Zoo vreemd, zoo heftig, zoo van 't een op 't ander, -Als van dien jood, dien hond, daar op de straat: -"Mijn dochter!--Mijn dukaten!--O mijn dochter!-- -En met een christen!--O, mijn christ'lijke dukaten!-- -O recht en wet! mijn dochter! mijn dukaten! -Eén zak, twee zak, verzegeld, vol dukaten! -Dubb'le dukaten;--en mijn dochter stal ze! -Juweelen ook, twee steenen, kostbre steenen! -Mijn dochter stal ze!--Rakkers, zoekt die deern! -Mijn steenen heeft ze bij zich, mijn dukaten!" - -SALARINO. De straatjeugd van Venetië schreeuwt hem na:-- -"Zijn steenen, zijn dukaten en zijn dochter!" - -SOLANIO. Als nu Antonio maar op tijd betaalt, -Want anders zal hij 't boeten. - -SALARINO. Ja, zeer juist. -'k Was gistren met een Franschman aan het praten; -Die zeide mij, dat in de nauwe zee, -Die Frankrijk scheidt van Eng'land, er een schip -Vergaan was, rijk bevracht, en hier van daan. -'k Dacht daad'lijk aan Antonio, toen hij 't zeide, -En wenschte in stilte: "zij dat niet van hem!" - -SOLANIO. Gij moet hem toch vertellen, wat ge hoort; -Maar niet te plotsling, want het mocht hem leed doen. - -SALARINO. Er is geen trouwer hart op aard; ik zag -Bassanio's afscheid van Antonio. -Bassanio zeide, dat hij spoed zou maken -Om weêr te keeren; "Doe dat niet", was 't antwoord, -"Verbroddel niet om mij uw zaak, Bassanio. -Neen, laat de tijd haar rijpen. Wat den schuldbrief -Betreft, dien ik den jood geteekend heb, -Die rijz' niet voor uw geest naast uwe liefde; -Wees opgeruimd en wijd al uw gedachten -Aan hoflijkheid en de uiting uwer liefde, -Aan al wat ginds u 't beste passen zal." -Toen reikte hij,--zijn oog schoot vol van tranen,-- -Met afgewend gelaat zijn vriend de hand, -En schudde, met een wonderdiepe ontroering, -Met kracht Bassanio's hand. Zoo scheidden zij. - -SOLANIO. 'k Geloof, is hem de wereld nog iets waard, -Dan is 't om hem. Kom, zoeken wij hem op, -En zij door scherts of boert die somberheid, -Die hem beving, verjaagd. - -SALARINO. Ja, doen wij dat! - - (Beiden af.) - - - - -NEGENDE TOONEEL. - - -Belmont. Een zaal in Portia's woning. - -Nerissa komt op, met een Bediende. - - -NERISSA. Kom, spoedig, spoedig, trek den voorhang weg; -De prins van Arragon heeft de' eed gedaan -En komt zoo daad'lijk zijn geluk beproeven. - -(Trompetgeschal. De Prins van Arragon en Portia komen op, beiden -met Gevolg.) - -PORTIA. Gij ziet, daar staan de kastjes, edel prins; -Verkiest gij dat, waarin mijn beeltnis is, -Dan wordt terstond het huwlijksfeest gevierd; -Maar faalt uw keuze, heer, dan moet gij ook -Terstond en zonder tegenspraak vertrekken. - -ARRAGON. Drie dingen zijn door de' eed mij opgelegd: -Ten eerste, nimmer iemand te openbaren, -Welk kastje ik koos; dan, mocht ik 't rechte kastje -Niet treffen, nimmer in mijn leven meer -De hand van een'ge vrouw te vragen; eind'lijk, -Indien 't geluk me een juiste keus ontzegt, -Hier niet te toeven maar terstond te gaan. - -PORTIA. Hiertoe verplicht zich elk bij eede, die -Voor mijn onwaardig ìk de kans komt wagen. - -ARRAGON. Ik nam het op mij. Thans, Fortuin, vervul -Mijn hartewensch!--Goud, zilver, waardloos lood! -"Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft"; -Glans vrij wat schooner, eer ik geef of waag!-- -Wat zegt het gouden kastje? Laat eens zien:-- -"Die mij verkiest, verkrijgt wat menig man begeert." -Wat menig man begeert!--dit menig meent wellicht -De dwaze menigt', die naar schijn slechts kiest, -Niet meer ziet dan het ijdel oog kan leeren, -Niet in het binnenst dringt, maar als de zwaluw -Haar bouw bevestigt aan den buitenwand, -Geheel aan storm en toeval prijsgegeven. -Ik kies niet, neen, wat menig man begeert, -Ik wil mij niet naar lage geesten schikken, -Niet voegen bij den grooten dommen hoop. -Dus thans tot u, gij zilvren schatbewaarder, -Zeg mij het opschrift, dat gij draagt, nog eens: -"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient". -Zeer goed gezegd: want wie durft stout Fortuin -Verschalken, en zich eere stelen, waar -Verdienstes stempel op ontbreekt! Dat niemand -Een onverdiende waardigheid zich eigen'! -O, werden goed'ren, rang en ambten nooit -Op laak'bre wijs verworven; eere steeds -Onwraakbaar, door verdienste alleen, gekocht! -Hoe menig dekte zich, die blootshoofds staat; -Hoe menig, die beveelt, wierd dan de dienaar! -Wat laag gepeupel zou de wan niet schiften -Uit wat het zaad der eere is; hoeveel tarwe -Waar' niet te lezen uit het kaf der tijden, -En weer tot eer te brengen!--Maar, de keuze:-- -"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient." -Ik kies verdienste;--ontsluit mij dit, opdat -Me onthuld zij, hoe 't geluk mij is gezind. - -(Hij ontsluit het zilveren kastje.) - -PORTIA. Te lang gedraald voor dat, wat gij daar vindt. - -ARRAGON. Wat is dit hier? Het beeld eens zots, dat me aangrijnst, -En een geschrift mij reikt? Ik wil het lezen. -Hoe weinig zijt ge aan Portia gelijk! -Hoe weinig aan mijn hoop en mijn verdiensten! -"Die mij verkiest, verkrijgt zooveel als hij verdient." -Verdien ik dan niets beters dan een zotskop? -Is dat mijn loon? Is mijn verdienste zoo? - -PORTIA. Misdoen en rechtspraak gaan niet samen; 't een -Verschilt in aard van 't ander. - -ARRAGON. Wat staat hier? - "Zevenmaal in 't vuur geheet - Werd dit zilver, en gesmeed; - Zevenmaal is hij doorkneed, - Die nooit dwaze keuze deed. - Menig greep een schaduw beet, - Die hem door de handen gleed. - Dwazen zijn er, zoo ik weet, - Als deez' nar, in zilvren kleed. - Kies een meisje, grof of fijn, - Altijd is uw hoofd als 't mijn; - Gaat, laat dit genoeg u zijn." - Grooter nar schijn ik mij toe, - Als ik hier nog toeven doe. - Eénen zotskop bracht ik mee, - En ik ga nu weg met twee.-- - Nu, vaarwel, ik houd mijn eed, - Zal geduldig zijn in 't leed. - - (De Prins van Arragon met Gevolg af.) - -PORTIA. Dat de mot de vlam niet meed! -O, o, die wijze narren! als zij kiezen, -Zijn zij zoo wijs, door wijsheid te verliezen. - -NERISSA. Hoe goed het oude spreekwoord het toch wist! -Wie hangt, wie huwt, wordt door het lot beslist. - -PORTIA. Kom, trek 't gordijn weêr toe, Nerissa. - -(Een Bediende komt op.) - -BEDIENDE. Waar is mijn jonkvrouw? - -PORTIA. Hier; wat wil mijn heer? - -BEDIENDE. Mejonkvrouw, aan de poort is afgestegen -Een jong Venetiaan, om u te melden, -Dat weldra zijn gebieder u begroet; -Hij brengt van deze' u liefdevolle groeten, -Behalve hoff'lijk schoone woorden, gaven -Van hooge waarde; en nimmer zag ik nog -Een liefdeboô, zoo goed zijn boodschap waard; -Want nooit kwam in April een dag zoo schoon, -Om ons den fraaien zomer te voorspellen, -Als deze boô vooraf zijn heer ons meldt. - -PORTIA. Genoeg, ik bid u; ik begin te vreezen, -Dat gij zoo daad'lijk zegt: "hij is mijn broêr:" -Zoo feestlijk zijt ge in 't roemen van zijn lof. -Nerissa, kom; 'k wil zien wie 't is, die zoo -Zijn liefde ons meldt, reeds door zijn liefdeboô. - -NERISSA. Geef, liefdegod, het zij Bassanio! - - (Allen af.) - - - - - - - -DERDE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Venetië. Een straat. - -Solanio en Salarino komen op. - - -SOLANIO. Nu, wat nieuws is er op den Rialto? - -SALARINO. Ja, het wordt nog maar niet tegengesproken, dat Antonio -een schip met rijke lading in die nauwe doorvaart verloren heeft. De -Goodwins, geloof ik, heet de plaats, een gevaarlijke zandbank en -als noodlottig bekend; er moeten vrij wat wrakken van groote schepen -begraven liggen, als moei Gerucht een eerlijk wijf is, waar men op -aan kan. - -SOLANIO. Ik wou, dat ze in dit geval zoo'n leugenachtige klappei -bleek, als er ooit één gember geknauwd heeft of haar buren heeft -wijsgemaakt, dat ze treurde om den dood van haar derden man. Maar -het is waar,--zonder in wijdloopigheid te vervallen en van den effen -grooten weg van het gesprek af te wijken,--dat de goede Antonio, -die rechtschapen Antonio,--o, had ik een benaming, goed genoeg om -zijn naam gezelschap te houden!-- - -SALARINO. Kom, besluit! - -SOLANIO. Ach, wat zegt gij?--Nu, het eind van 't lied is, hij heeft -een schip verloren. - -SALARINO. Ik wou, dat het zeker ook het eind was van zijn verliezen. - -SOLANIO. Laat ik bijtijds hier "amen" op zeggen, eer de duivel mijn -gebed in den weg loopt, want daar komt hij aan, in de gedaante van -een jood. - -(Shylock komt op.) - -Wel, Shylock, wat nieuws onder de koopluî? - -SHYLOCK. Gij wist, niemand zoo goed, niemand zoo goed als gij, van -de vlucht van mijn dochter. - -SALARINO. Dat is waar; ik van mijn kant wist van den man, die haar -de vleugels voor het wegvliegen gemaakt heeft. - -SOLANIO. En Shylock, van zijn kant, wist dat het vogeltje al wel -vlug was; en dan ligt het bij allen in den aard, dat zij het nest -ontvluchten. - -SHYLOCK. Zij zal er verdoemd voor zijn. - -SALARINO. Ja zeker, als de duivel haar rechter mag wezen. - -SHYLOCK. Mijn eigen vleesch en bloed in opstand! - -SALARINO. O foei, oude kreng, in opstand op jouw jaren! - -SHYLOCK. Ik zeg, mijn dochter in mijn vleesch en bloed. - -SALARINO. Er is meer verschil tusschen jouw vleesch en het hare, dan -tusschen git en ivoor, meer tusschen je beider bloed, dan tusschen -rooden wijn en Rijnschen;--maar zeg ons, heb je ook gehoord, of -Antonio op zee het een of ander verlies heeft geleden of niet. - -SHYLOCK. Dat is ook al weer een kwade zaak voor me; een bankroetier, -een verkwister, die te nauwernood zijn gezicht op den Rialto durft -laten kijken;--een bedelaar, die altijd als een groot heer op de -markt kwam,--laat hem denken aan zijn schuldbrief; hij noemde mij -altoos een woekeraar,--laat hem denken aan zijn schuldbrief; hij -leende altijd geld uit christelijke liefelijkheid,--laat hem denken -aan zijn schuldbrief! - -SOLANIO. Nu, je zult natuurlijk, als hij in gebreke mocht blijven, -zijn vleesch niet nemen; waar kan dat voor dienen? - -SHYLOCK. Om er visch mee te vangen; en als niets anders er mee -gediend is, dan is mijn wraak er mee gediend. Hij heeft mij -beschimpt, mij benadeeld voor een half millioen, gelachen bij -mijn verliezen, gegrijnsd bij mijn winsten, mijn volk gesmaad, -mijn handel gedwarsboomd, mijn vrienden koud, mijn vijanden warm -gemaakt; en waarom toch, waarom?--Omdat ik een jood ben. Heeft een -jood dan geen oogen? Heeft een jood geen handen, geen armen, geen -beenen, geen gevoel, geen begeerten, geen hartstochten? wordt hij -niet gevoed door 'tzelfde voedsel, verwond door dezelfde wapens, -bezocht door dezelfde ziekten, genezen door dezelfde middelen, warm -en koud door denzelfden winter en zomer, als een christen? Als gij -ons een messteek geeft, bloeden wij dan niet? als gij ons vergiftigt, -sterven wij dan niet? en als gij ons beleedigt, zullen wij dan geen -wraak nemen? Als wij in het overige zijn als gij, willen wij ook -daarin u gelijken. Als een christen door een jood beleedigd wordt, -wat is dan zijn deemoedigheid?--wraakzucht. Als een jood door een -christen beleedigd wordt, wat moet, naar christenvoorbeeld, zijn -lijdzaamheid wezen? wel, wraakzucht. Het booze, dat gijlieden mij -leert, dat wil ik doen,--en het zou mij tegenvallen, als ik het niet -nog beter deed dan mijn meesters. - -(Een Bediende komt op.) - -BEDIENDE. Edele Heeren, Antonio, mijn meester, is tehuis en verlangt -u beiden te spreken. - -SALARINO. Wij hebben hem al overal gezocht. - -(Tubal komt op.) - -SOLANIO. Daar komt een ander van dat gebroedsel; een derde is er wel -niet bij te passen, of de duivel zelf moest jood worden. - - (Salarino, Solanio en Bediende af.) - -SHYLOCK. Zoo Tubal, wat voor tijdingen uit Genua? hebt gij mijn -dochter gevonden? - -TUBAL. Ik ben verscheiden keeren geweest, waar van haar gesproken werd, -maar haarzelf heb ik niet kunnen vinden. - -SHYLOCK. Och, och, och, och! Een diamant weg! heeft me toch tweeduizend -dukaten gekost te Frankfort! De vloek is nu pas over ons volk gekomen; -ik heb hem nog nooit gevoeld dan nu; tweeduizend dukaten met dat eene -en dan nog andere kostelijke, kostelijke juweelen! Ik wou, dat mijn -dochter dood voor mij lag en de juweelen in haar oor! ik wou, dat ze -gekist lag aan mijn voeten en de dukaten in haar kist! Geen tijding -van hen?--O, o! en dat zoeken heeft me al ik weet niet hoeveel gekost; -och, schâ op schâ! De dief met zóóveel weg, en dan zóóveel om den dief -te vinden, en geen voldoening nog, geen wraak! en geen ongeluk gebeurt -er, dat niet op mijn hoofd neerkomt, geen zuchten dan die ik slaak, -geen tranen dan die ik vergiet! - -TUBAL. Toch, andere menschen hebben ook ongelukken; Antonio, zooals -ik in Genua hoorde,-- - -SHYLOCK. Wat, wat, wat? ongelukken? ongelukken? - -TUBAL.--heeft een galjoen verloren, dat van Tripoli kwam. - -SHYLOCK. Goddank, Goddank!--Is het waar? is het waar? - -TUBAL. Ik heb eenige matrozen gesproken, die uit de schipbreuk -gered zijn. - -SHYLOCK. Ik dank u, goede Tubal,--goede tijding, goede tijding; -ha! ha!--Waar? In Genua? - -TUBAL. Uw dochter heeft in Genua, naar ik hoorde, op één avond tachtig -dukaten verdaan. - -SHYLOCK. Ge boort een dolk in mijn hart!--nooit zie ik mijn geld terug; -tachtig dukaten zoo in eens! tachtig dukaten! - -TUBAL. Verscheiden schuldeischers van Antonio zijn met me naar Venetië -gereisd; die zeggen, dat het niet anders kan, of hij moet over den -kop gaan. - -SHYLOCK. Dat doet me goed; ik zal hem pijnigen, ik zal hem folteren; -dat doet me goed. - -TUBAL. Een van hen liet me een ring zien, dien hij van uw dochter -gekregen had voor een aap. - -SHYLOCK. O, mijn vloek op haar! ge martelt me, Tubal; het was mijn -turkoois; ik heb hem van Lea gekregen, toen we nog niet getrouwd waren; -ik had hem niet gegeven voor een bosch vol apen. - -TUBAL. Maar met Antonio is het zeker mis. - -SHYLOCK. Ja, dat 's waar, dat 's zeker waar; ga, Tubal, huur een -gerechtsdienaar voor me; bespreek hem een veertien daag vooruit; ik -zal zijn hart hebben, als hij in gebreke blijft; want als hij Venetië -uit is, kan ik zaken doen, zooveel ik verkies; ga, ga, Tubal; we vinden -elkaar weêr in onze synagoge; ga, goede Tubal; in onze synagoge, Tubal! - - (Beiden af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Belmont. Een zaal in Portia's woning. - -Bassanio, Portia, Gratiano, Nerissa en Gevolg komen op. De kastjes -staan gereed. - - -PORTIA. Ik bid u, wacht nog; toef een dag of twee, -Aleer gij 't waagt; kiest gij verkeerd, dan moet -Ik ook uw bijzijn derven; stel 't nog uit, -Een stem spreekt in mij,--neen, het is geen liefde,-- -Dat ik u niet wil missen, en gij weet -Het zelf wel, dat geen haat deez' raad u geeft; -Maar hoor;--ik wensch, dat gij mij goed begrijpt,-- -Een maagd mag enkel met gedachten spreken,-- -Zoo gaarne hield ik u een maand of twee -Terug, aleer gij 't waagt. Ik kon u wijzen -Welk kastje 't is, maar dan ware ik meineedig,-- -Dat word ik nooit! En zoo kunt gij mij missen, -Doch doet gij dit, dan wekt ge een boozen wensch, -Dat ik meineedig waar geweest. Uw oogen,-- -O, toovermacht!--zij hebben mij gedeeld, -En de eene helft is de uwe, de andre de uwe,-- -De mijne, meende ik, maar het mijne is 't uwe, -En zoo is alles 't uwe. O! booze tijd, -Die eig'naars van hun recht versteekt, en zoo -Is 't uwe niet het uwe.--Faalt uw keus, -Fortuin verdient dan eeuw'ge pijn, niet ik. -Ik spreek te lang, maar 't is slechts om den tijd -Te rekken; 'k win nog tijd en houd u af -Van uwe keus. - -BASSANIO. Laat tot de keus mij toe, -Want thans is 't mij, als lag ik op de pijnbank. - -PORTIA. Wat! op de pijnbank? O, beken mij dan, -Wat hoogverraad zich in uw liefde mengt. - -BASSANIO. Verraad? geen ander dan vreesachtigheid, -Wantrouwen op 't verwerven van uw liefde; -Want eerder leefden vuur en sneeuw in vreê, -Dan dat verraad zich aan mijn liefde paarde. - -PORTIA. Thans ducht ik, dat ge als op de pijnbank spreekt, -Want dan zegt ieder alles wat verlangd wordt. - -BASSANIO. Beloof mij 't leven, en ik zal bekennen. - -PORTIA. Beken en leef. - -BASSANIO. 'k Beken, ik heb u lief; -Ziedaar, wat mijn bekent'nis wezen kan. -O, zaal'ge foltring, als de folteraar -Mij zelve 't antwoord leert voor mijn bevrijding! -Maar thans 't geluk beproefd, de keus gewaagd! - -PORTIA. Welnu dan, 't zij; ik ben in een der kastjes; -Hebt gij mij lief, dan kiest gij 't rechte wel,-- -Nerissa en gij andren, gaat terug.-- -Maar dat muziek bij 't doen der keuze klink'; -Want mist hij 't doel, dan groete, als bij een zwaan, -Muziek zijn stervensstonde; ja, dit beeld -Is waar en juist; mijn oog is dan de stroom, -Zijn vochtig doodsbed. Maar hij kan ook winnen; -En wat is dan muziek? Dan is muziek -Als 't juub'len, waar een opgetogen volk -Zijn pasgekroonden vorst meê groet, of als -De zoete tonen van den morgenstond, -Die in des bruîgoms droomend oor weerklinken, -En hem ten huw'lijk roepen. Ziet, hij treedt, -Niet minder fier, maar liefd'rijker van hart -Dan jonge Alcides, toen hij de eed'le maagd, -Door 't snikkend Troje 't monster toegewijd, -Van zeek'ren dood ging redden; ik ben 't offer; -Die andren ginds zijn de Dardaansche vrouwen, -Ontdaan en weenend saamgestroomd, om de' uitslag -Van 't heldenfeit te zien.--Ga, Hercules! -Leeft gij, dan leef ik;--o, hoe klopt mij 't hart; -Veel meer dan u, die moedig 't noodlot tart. - -(Muziek, terwijl Bassanio bij de kastjes met zichzelf te rade gaat.) - - - LIED. - - EERSTE STEM. - Zegt, van waar de wufte min? - Sluipt zij 't hart of 't hoofd ons in? - Zegt me, wat is haar begin? - Antwoord, antwoord! - - TWEEDE STEM. - 't Oog is 't, dat haar 't leven schenkt, - 't Leven door het zien verlengt, - En haar ook tot sterven wenkt. - Luid haar uit, gij klokgebrom! - Ik begin het: bim, bam, bom! - - KOOR. Bim, bam, bom! - - -BASSANIO. Hoe vaak is 't uiterlijk aan 't wezen vreemd; -Steeds wordt de wereld door vertoon bedrogen. -In 't recht, wat zaak is ooit zoo voos en valsch, -Die niet, door schrandre en gladde tong verfraaid, -Den schijn van 't kwaad bemantelt? In den godsdienst, -Wat vloekb're dwaling, die door vroomheidsschijn -Niet wordt geheiligd, met een tekst gesteund, -En de' onzin niet door schoon vertoon verbergt? -Geen boosheid, die de slimheid mist, om zich -Met de' uiterlijken schijn van deugd te sieren. -Hoe menig lafaard, aan een trap van zand -Gelijk in vastheid, draagt niet om de kin -Den baard van Hercules of fellen Mars, -Al bergt de lever zelfs geen druppel gal? -Hij kiest dit als een merk van dapperheid -Alleen om barsch te schijnen. Ziet, de schoonheid; -Gij vindt die mede bij 't gewicht gekocht; -En bij die 't doet, bewerkt natuur een wonder: -Die weegt het minst, wie 't meeste zich bezwaart; -Die gulden lokken, zich als slangen kronklend, -Die dartlen bij het suizen van den wind -Om wat men schoon gelooft, wie kent ze niet, -Dat er natuur een ander hoofd mee sierde? -De schedel, waar ze op groeiden, rust in 't graf. -Zoo is dan sieraad slechts 't bedrieglijk strand -Van zeeën vol gevaars, de schoone sluier, -Een spookgestalte omhullend, in één woord, -Schijnwaarheid, tooisel van den sluwen tijd, -Om wijzen te verschrikken.--Pronkrig goud, -Gij harde Midaskost, u wil ik niet; -Noch u, gij bleeke, lage slaaf, gereed -Tot iedren dienst; maar u, gij glansloos lood, -Die eerder dreigend spreekt dan iets belooft, -Geen glans of opschrift trekt mij aan als gij; -U kies ik;--dat mijn keuze vreugde zij! - -PORTIA. O, hoe elke andre hartstocht nu in lucht -Verdwijnt, beklemdheid, bange twijfelzucht, -En wanhoop en verbeten jaloezie! -O, liefde! matig uw vervoering en gebiê -Dien stroom van vreugde kalmte; boven 't peil -Verheft zij zich, ik voel 't; o, minder 't heil -Of de overmaat is doodlijk! - -BASSANIO (het looden kastje openend). Wat is dit? -Het beeld van Portia? Wat halfgod kwam -Het scheppen zoo nabij? Beweegt dit oog? -Of schijnt het door het trillen van de mijne -Bewogen? Zie, de lippen oop'nen zich -Voor nectar-adem, die er doorgaat: lieflijk -Moet wezen, wat zoo lieve zusters scheidt! -En 't haar! De schilder weefde, een spin gelijk, -Een gulden net, dat mannenharten vangt, -Als muggen in een spinweb. Maar die oogen, -Kon hij ze zien en schild'ren? Had hij 't een -Gemaald, dan moest het, dunkt mij, beî de zijne -Hem rooven en dus eenig blijven. Maar, -Wat spreek ik? Al mijn lof blijft even ver -Beneden deze schim, als deze schim -De waarheid achterna hinkt.--O, ziehier -'t Geschrift, dat kort begrip van mijn geluk! - -(Hij leest.) - - "Gij, die, niet door schijn verblind, - Alles waagt en 't ware vindt! - Daar ge deze maagd bemint, - Dat ze u nu voor 't leven bind'; - Is haar "ja" u 't zoetst geluid, - Waar uw hoogste heil uit spruit, - Neem haar, ze is uw lieve bruid, - En een kusje zij 't besluit!" - -Wat heerlijk woord!--Vergun, mijn lief, mijn leven,-- -Dit machtigt mij te ontvangen en te geven. - -(Hij kust haar.) - -Maar toch, als een, die in een strijd een prijs -Beoogt, en in het volksgejuich 't bewijs -Te ontvangen meent, dat hij verwinnaar is, -Doch duiz'lend staart en vraagt: "is 't wel gewis? -Geldt mij die kreet, of is dit zinsbedrog?" -Zoo, driewerf schoone jonkvrouw, ziet ge nog -Mij nu onzeker, of 't geluk mij wenkt, -Totdat ge uw liefde, uw woord, uw ring mij schenkt. - -PORTIA. Gij ziet, Bassanio, thans mijn heer, mij voor u, -Zooals ik ben; en schoon ik voor mijzelf -Niet zoo eergierig ben in mijnen wensch, -Dat ik mij veelmaal beter wensch, zou 'k thans -Wel honderdmaal verdubbeld willen zijn, -Wel duizendmaal zoo schoon, tienduizendmaal zoo rijk; -Alleen om in uw schatting hoog te staan, -Wilde ik in deugden, schoonheid, rijkdom, vrienden, -Onschatbaar wezen; maar al wat ik ben, -Is bijna niets; of, om 't in 't kort te zeggen, -Een meisje, zonder kennis of ervaring, -Die zich gelukkig rekent, dat zij niet -Voor leeren te oud is; nog gelukkiger, -Dat zij voor 't leeren niet te stomp zich acht; -Maar meest gelukkig, dat zij geest en hart -Geheel en gaarne uw leiding toevertrouwt, -Als aan haar gâ, haar meester en haar vorst. -Ikzelf en al het mijne is thans uw deel, -Geheel het uwe; 'k was tot nu gebiedster -In huis en hof, meestresse van mijn dienaars, -Vorstinne van mijzelf; en nu, mijn heer, -Dit huis, deez' dienaars en ditzelfde zelf -Zijn de uwe; 'k geef ze u met deez' ring; en zoo -Gij hem verliest of wegschenkt, er van scheidt, -Dan is 't me een teeken, dat uw min vervloog, -En geeft ge mij het recht tot luid beklag. - -BASSANIO. Mejonkvrouw, spraakloos moet ik voor u staan; -Het bloed, dat in mijn aders zwelt, moog' spreken; -Verwarring heerscht in mijn ontroerd gemoed, -Gelijk zich, als een aangebeden vorst -Door schoone taal de schare heeft geboeid, -Een blij gemurmel onder 't volk doet hooren, -Waar iedre klank en elk gebaar, schoon niets, -Tot de uiting samensmelt van loutre vreugd, -Welsprekend zonder spraak;--verlaat deez' ring -Deez' vinger ooit, o dan verliet mij 't leven, -O, zeg dan vrij, Bassanio is niet meer. - -NERISSA. Nu, edel heer en vrouwe, is 't ònze tijd, -Daar wij ons aller wensch zoo schoon vervuld zien, -Te roepen: heil, heil, onze heer en vrouwe! - -GRATIANO. Mijn vriend Bassanio, en gij, schoone jonkvrouw, -Ik wensch u al de vreugd, die gij kunt wenschen, -Want zeker wenscht ge er geene van mij weg; -En is 't bepaald, wanneer uw edelheden -Den echtknoop leggen willen, dan vraag ik, -Dat ik terzelfder tijd mijn huw'lijk sluite. - -BASSANIO. Zorg voor een bruid, en dan van harte gaarne. - -GRATIANO. Ik dank u, heer, gij hebt me een bruid bezorgd. -Mijn oog ziet even vlug als 't uwe rond; -Gij zaagt de jonkvrouw, ik de dienares; -Gij zwoert haar liefde, ik ook, want noodloos uitstel -Vlijt mij al even weinig, heer, als u. -Heel ùw geluk hing van die kastjes af, -Maar ook het mijn', zooals het bleek; want toen -Ik op haar aanhield, buiten adem schier, -En liefde zwoer en zwoer, totdat mijn stem -Er rauw en heesch van werd, werd ik in 't eind -Geloofd, gelaafd door 't jawoord van deez' schoone, -Maar slechts met dit beding, dat uw geluk -Haar jonkvrouw zou veroov'ren. - -PORTIA. Zoo, Nerissa? - -NERISSA. Ja, jonkvrouw, als 't uw bijval mag verwerven. - -BASSANIO. En, Gratiano! kunt gij ernstig zijn? - -GRATIANO. Ja, heer, ik meen 't in ernst. - -BASSANIO. Uw echt verhoog' den luister van ons feest! - -GRATIANO (tot Nerissa). Nu, wij willen met hen om den eersten jongen -wedden, om duizend dukaten. - -NERISSA. En leggen wij dat daad'lijk neer? - -GRATIANO. Neen, neen, daar mogen we eerst ons op beslapen, op mijn -eer.-- -Maar wat! Lorenzo met zijn lief heidinneke? -En dan, mijn oude vriend Solanio? - -(Lorenzo, Jessica en Solanio komen op.) - -BASSANIO. Lorenzo en Solanio, welkom hier; -Wanneer mijn aanzien hier, zoo jeugdig nog, -U welkom heeten màg.--'t Zij mij vergund, -Dat ik mijn landgenooten, oude vrienden, -Hier, Portia, welkom heet. - -PORTIA. Ik doe 't met u, -Zij zijn mij hartlijk welkom. - -LORENZO. Ik dank uwe edelheid.--Wat mij betreft, -'t Was, heer, mijn doel niet, u hier op te zoeken, -Maar 'k heb op reis Solanio ontmoet, -Die dwong mij zoo, om met hem mee te gaan, -Dat ik niet weigren kon. - -SOLANIO. Zoo deed ik, heer, -En 'k had er reden toe. Signore Antonio -Zendt u zijn groete. - -(Hij geeft Bassanio een brief.) - -BASSANIO. Eer ik den brief ontsluit, -Vertel mij, is hij wèl, mijn waarde vriend? - -SOLANIO. Niet krank, heer, als hij 't in 't gemoed niet is; -Niet wel, als zijne ziele lijdt; zijn brief -Doet u zijn toestand kennen. - -(Bassanio leest den brief.) - -GRATIANO. Breng gij die vreemdlinge ook uw groet, Nerissa, -En heet haar welkom.--Wel, Solanio, -Wat nieuws brengt gij ons van Venetië? Is -Die koopman-vorst, Antonio, welvarend? -O, wis verheugt hij zich in ons geluk; -Wij wonnen hier, als Jasons, 't gulden vlies. - -SOLANIO. O, hadt gij 't vlies, dat hij geteekend heeft! - -PORTIA. Een kwade tijding brengt dat stuk papier, -Daar 't aan Bassanio's wang de kleur ontrooft; -Een dierbre vriend is dood, want om iets anders -Zou toch een man, een man van moed, niet zóó -Ontstellen. Wat? 't wordt erger nog en erger?-- -Bassanio, vriend, ik ben uw wederhelft, -En mij behoort de helft van alles, wat -Die brief u brengt. - -BASSANIO. O, dierbre Portia, -'t Zijn enk'le woorden slechts, maar grievender, -Dan ooit papier bevlekten! Lieve vrouw, -Toen ik het eerst mijn liefde heb beleden, -Zeide ik ronduit, dat heel mijn rijkdom mij -In de aad'ren stroomde: ik was een edelman; -En waarheid sprak ik toen; maar, dierbre vrouw, -Al schatte ik mij op niets, toch blijkt u thans, -Hoe ik een pocher was; want toen ik zeide, -Dat al mijn have niets was, had ik beter -Die minder nog dan niets genoemd; want, waarlijk, -Mijzelf verpandde ik aan een dierbren vriend, -Mijn vriend verpandde ik aan zijn ergsten vijand, -Voor dezen tocht. Zie, jonkvrouw, dezen brief; -'t Papier is als het lichaam van mijn vriend, -En ieder woord is als een open wond, -Waar 't leven uitstroomt.--Doch is 't waar, Solanio, -Is alles dan mislukt, is niets gelukt? -Van Tripoli, van Mexico, van England, -Van Lissabon, van Barbarije en Indië? -Ontging geen schip de klippen, die zoo vaak -Den hand'laar dood'lijk zijn? - -SOLANIO. Geen enkel, heer; -En erger, 't schijnt zelfs, dat, al had hij thans -Het geld in kas tot delging van de schuld -De jood het niet zou willen. 'k Zag nog nooit -Een schepsel, van gedaante toch een mensch, -Zoo wreed, zoo fel op andermans verderf. -Hij vraagt den doge dag en nacht gehoor; -'t Is met de vrijheid van den staat gedaan, -Als hem zijn recht ontzegd wordt. Twintig hand'laars, -De doge zelf, de leden van den raad, -Zij hebben hun welsprekendheid beproefd, -Maar niemand brengt hem af van zijnen eisch; -De schuldbrief spreekt, hij wil zijn recht, de boete. - -JESSICA. Ik hoorde, toen 'k nog bij hem was, hem zweren, -Aan Tubal en aan Chus, zijn landgenooten, -Dat hij Antonio's vleesch nog liever had, -Dan twintigmaal 't bedrag der som, die hij -Te vordren heeft; en, heer, ik weet te goed, -Als wet, gezag en macht het niet verbieden, -Dan heeft Antonio het ergst te duchten. - -PORTIA. Is 't u een dierbre vriend, die zoo in nood is? - -BASSANIO. De dierbaarste, dien 'k heb, de beste mensch, -Een eedle geest, trouwhartig, onvermoeibaar -In 't weldoen, meer dan iemand; en een man, -Wien meer de deugden van Oud-Rome sieren, -Dan eenig man, die in Italië leeft. - -PORTIA. En hoeveel heeft de jood te vordren? - -BASSANIO. Drieduizend stuks dukaten. - -PORTIA. Wat! niet meer? -Geef hem zesduizend, en verscheur den schuldbrief; -Verdubbel dat en verdriedubbel dit, -Eer aan een vriend van zulk een stempel ooit -Een haar gekrenkt wordt door Bassanio's schuld. -Nu eerst onze' echtknoop in de kerk gelegd; -En ijl dan naar Venetië tot uw vriend; -Geen rustig leven aan mijn zijde, aleer -Deze onrust uit uw ziel geweken is. -Ik geef u goud, wel twintigmaal zooveel -Als deze kleine schuld; betaal ze en breng -Uw trouwen vriend hier met u meê. Nerissa -En ik, wij zullen hier als vroeger leven, -Als onbestorven weeuwtjes tevens. Ja, -Ik drijf u op uw huw'lijksdag van hier; -Maar toch een blij gelaat, heet allen welkom, -En neem uw plaats als heer des huizes in; -Koop ik u duur, te duurzamer mijn min. -Doch laat den brief van uwen vriend mij hooren. - -BASSANIO (leest). "Waarde Bassanio, mijn -schepen zijn alle verongelukt; mijn schuldeischers -worden onbarmhartig; mijn vermogen -is geheel versmolten; mijn schuldbrief aan den -jood is vervallen; en daar de betaling er van -mij het leven zal kosten, zoo zijn alle schulden -tusschen u en mij afgedaan, als ik u bij mijn -sterven mag zien; ondertusschen, handel hierin, -zooals gijzelf verkiest; als uwe vriendschap u -niet van zelve tot mij drijft, laat dan ook mijn -brief het niet doen". - -PORTIA. O, liefste, spoed gemaakt en ijlings heen! - -BASSANIO. Ja, ijlen wil ik, daar uw goedheid mij - Tot handlen machtigt; maar, totdat ik keer, -Zal mij geen slaap vertragen; want ik vlij - Vóór ons terugzien niet ter rust mij neer. - - (Allen af.) - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Venetië. Een straat. - -Shylock, Solanio, Antonio en een Stokkeknecht komen op. - - -SHYLOCK. Bewaker, let op hem; neen, geen genade!-- -Dit is de zotskap, die geen rente nam! -Bewaker, let op hem! - -ANTONIO. Shylock, een woord! - -SHYLOCK. Ik wil mijn schuldbrief; wraak mijn schuldbrief niet; -Ik eisch,--en zwoer een eed er voor,--mijn schuldbrief. -Gij hebt me een hond genoemd, en hadt geen reden; -Mijd thans, als ik een hond ben, mijn gebit.-- -De doge staat mijn recht mij toe.--Waarom, -Onzinnige bewaker, toch die goedheid, -Op zijn verlangen met hem uit te gaan? - -ANTONIO. Ik bid u, hoor een woord! - -SHYLOCK. Ik wil mijn schuldbrief; wil van u geen woord. -Ik wil mijn schuldbrief; spaar daarom uw woorden. -Gij maakt mij nooit tot zwakken, blinden zot, -Die 't hoofd schudt, zucht, betreurt, en eindlijk toegeeft -Aan christ'nen, die wat plooien. Volg maar niet, -Ik wil geen woorden; 'k wil alleen mijn schuldbrief. - - (Shylock af.) - -SOLANIO. Dit is een hond, zoo wreed en onvermurwbaar, -Als ooit met menschen huisde! - -ANTONIO. Laat hem; nimmer -Zal 'k weer een ijdle bede tot hem richten. -Mijn leven zoekt hij, en ik weet waarom; -Vaak heb ik schuld'naars, die hun nood mij klaagden -En redd'loos schenen, uit zijn greep gered; -Van daar zijn haat. - -SOLANIO. Voorwaar, de doge zal -Hem nooit het innen van de boete toestaan. - -ANTONIO. De doge kan den loop van 't recht niet stuiten; -Want, als hij dit mocht wagen, zou 't vertrouwen -Van vreemden op de onkreukbre wet en 't recht -Van onzen staat geschokt zijn; en bedenk, -Dat hier op 't vrij verkeer van alle volken -De handel rust en welvaart. Ga dus nu; -Mijn rampen en mijn hartzeer doen mij kwijnen, -Zoodat mij nauwlijks een pond vleesch meer rest, -Om morgen hem zijn bloedige' eisch te geven.-- -Bewaker, kom!--God geve, dat Bassanio -Zijn schuld mij kwijten zie, dan is 't mij goed. - - (Allen af.) - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Belmont. Een kamer in Portia's woning. - -Portia, Nerissa, Lorenzo, Jessica en Balthazar komen op. - - -LORENZO. Mejonkvrouw, laat mij 't in uw bijzijn zeggen: -Gij toont een edel, echt en fijn gevoel, -Dat vriendschap godd'lijk is, en dit blinkt uit, -Door zoo het afzijn van uw gâ te dragen. -Maar wist ge, aan wien ge zulk een eer bewijst, -Wat echten edelman gij hulpe zendt, -Aan welk een waren vriend van uw gemaal, -Dan zoudt ge trotscher zijn op wat ge deedt, -Dan 't hart, gewoon om wel te doen, u dringt. - -PORTIA. Nooit heeft mij nog een goede daad berouwd, -En deez' zal 't ook niet doen; want trouwe makkers, -Die samen immer leven en verkeeren, -Wier zielen saam één juk van vriendschap dragen, -Gelijk verdeeld, die moeten wel gelijk zijn -In wezenstrekken, geest en wijs van doen; -Dit doet mij denken, dat Antonio, -De boezemvriend van mijn gemaal, geheel -Als mijn gemaal moet zijn; en is dit zoo, -Hoe luttel zijn dan de offers, die ik bracht, -Om uit den greep van helsche wreedheid 't beeld, -Het spiegelbeeld te slaken van mijn ziele! -Maar dit begint naar eigen lof te zweemen; -En dus genoeg hiervan; hoor nu iets anders.-- -Lorenzo, aan uw hand vertrouw ik toe -'t Beheer en de bezorging van mijn huis, -Totdat mijn gâ terugkomt; want ikzelf -Deed aan den hemel een gelofte, dat -Ik in bespieg'ling en gebed zou leven, -Slechts door Nerissa vergezeld, totdat -Onze echtgenooten zijn teruggekeerd; -Ik neem met haar mijn intrek in een klooster, -Twee mijlen hier van daan. Ik bid u thans, -Dat gij deze opdracht aanneemt, die vertrouwen -Op uwe vriendschap, en noodzaak'lijkheid -Mij geven doen. - -LORENZO. Van ganscher hart, mejonkvrouw, -Gehoorzaam ik uw vriendelijk bevel. - -PORTIA. Ik heb de mijnen reeds er van verwittigd; -Zij zullen u en Jessica erkennen -Als plaatsvervangers van mijn gade en mij. -Zoo vaart dan wel, tot spoedig wederzien. - -LORENZO. Dat u een blij gemoed en heil verzellen! - -JESSICA. Ik wensch u, jonkvrouw, iedre vreugd des harten. - -PORTIA. Ik dank u voor uw bede, en wensch volgaarne -Hetzelfde aan u; vaarwel dus, Jessica. - - (Jessica en Lorenzo af.) - -Nu, Balthazar, -Ik vond u immer nauwgezet en trouw; -Betoon u thans opnieuw zoo; neem deez' brief, -En ijl zoo snel maar menschen moog'lijk is, -Naar Padua; en stel hem zelf aan doctor -Bellario ter hand, mijn eed'len neef; -En, hoor! wat hij van kleed'ren of papieren -U geeft, breng dat met allen denkb'ren spoed -Naar 't veer, waarmeê men van het vaste land -Venetië bereikt; verlies geen tijd -Met vragen, ga; ik ben daar nog vóór u. - -BALTHAZAR. Mejonkvrouw, 'k ga met de' aanbevolen spoed. - - (Balthazar af.) - -PORTIA. Nerissa, kom; ik heb een plan in 't hoofd, -Waarvan gij wel niet droomt, dat we onze mannen, -En vóór ze 't denken, zien. - -NERISSA. En zij ons ook? - -PORTIA. Dat ook, Nerissa, maar in zulk een kleeding, -Dat zij ons voor verheev'ner wezens achten, -Dan vrouwen zijn. Ik wed om wat ge wilt, -Dat, zijn we als jonge mannen uitgedoscht, -Ik wel de knapste van ons tweeën ben, -En ook mijn degen met meer gratie draag, -En als een knaap, die man wordt, spreek, als stak -De baard mij in de keel; twee trippelpassen -In één stap samenneem; van mijn duëls -Gewaag, als een jong pocher; leugens zwets, -Hoe eedle vrouwen naar mijn liefde dongen, -En, daar ik koel bleef, zich verkniezend, stierven; -Ik kon 't niet helpen,--maar heb toch berouw, -En wensch, dat ik ze in 't leven weêr kon roepen;-- -Wel twintig zulke leugens zal ik zwetsen, -Dat ieder zweert: ik ben al wel een jaar -De school ontloopen;--duizend stukjes heb ik -Van zulke bluffers in mijn hoofd en breng ze -Wel aan den man. - -NERISSA. Zóó mannen na te gaan! - -PORTIA. O foei! wat zegt ge daar? -Als dat een looze woordverdraaier hoorde!-- -Maar kom, hen nagereden! Heel mijn plan -Vertel ik u wel in mijn koets; die wacht -Reeds aan de poort. Wij gaan in allerijl -En vord'ren, hoop ik, heden twintig mijl. - - (Beiden af.) - - - - -VIJFDE TOONEEL. - - -Aldaar. Een tuin. - -Lancelot en Jessica komen op. - - -LANCELOT. Ja, waarlijk! want ziet ge, de zonden des vaders worden -bezocht aan de kinderen; daarom, ik verzeker u, ben ik bang voor u. Ik -ben altijd ronduit tegen u geweest, en zoo zeg ik nu ook mijn kompinie -over de zaak; daarom, wees gerust, want waarachtig, ik geloof, dat gij -verdoemd zijt. Daar is nog maar ééne hoop, die u wat goed kan doen; -en dat is maar een soort van basterdhoop. - -JESSICA. En wat is dat dan voor een hoop, zeg? - -LANCELOT. Wel, ge kunt eenigermate hopen, dat ge uws vaders kind niet -zijt, dat gij de dochter niet zijt van den jood. - -JESSICA. Dat zou wezenlijk een soort van basterdhoop zijn; want dan -zouden de zonden van mijn moeder ook aan mij bezocht worden. - -LANCELOT. Waarachtig, dan vrees ik, dat gij verdoemd zijt, zoowel van -vaders- als van moederskant, want als ik zoo Scylla uw vader ontwijk, -verval ik op Charybdis uwe moeder; en zoo zijt ge op alle manieren weg. - -JESSICA. Ik zal behouden worden door mijn man; die heeft me -gechristend. - -LANCELOT. Daar is hij waarachtig niet beter om; er zijn er al genoeg -van ons christenen; net maar zooveel als er met elkaâr het leven -kunnen hebben. Dat tot christenen maken zal de varkens duurder maken; -als wij allemaal varkensvleesch-eters worden, zullen wij binnenkort -voor nog zooveel geld geen reepje spek meer hebben in de pan. - -JESSICA. Ik zal mijn man eens vertellen, Lancelot, wat je zegt; -daar komt hij. - -(Lorenzo komt op.) - -LORENZO. Zoo, Lancelot, ik zal gauw jaloersch op je worden, als je -met mijn vrouw zoo apartjes hebt. - -JESSICA. Nu, je hoeft om ons niet bang te wezen, Lorenzo; 't is -heelemaal mis tusschen Lancelot en mij; hij zegt me ronduit, dat ik -in den hemel op geen genade heb te hopen, omdat ik de dochter van een -jood ben; en hij zegt, dat jij geen goed burger van den staat bent; -want als je joden tot christenen bekeert, drijf je den prijs van het -varkensvleesch in de hoogte. - -LORENZO. Ik zal dat beter bij den staat kunnen verantwoorden, dan jij, -dat jij je zoo met de morin hebt afgegeven; van die smet kun je je -niet blank wasschen, Lancelot. - -LANCELOT. Ze heeft niet zwart afgegeven, heer, maar zij heeft al wel -iets blanks van mij gekregen en is al meer geworden dan zij was. - -LORENZO. Wat kan toch ieder dwaas een woordspeling maken! Het zal, -denk ik, niet lang meer duren, of verstand en geest komen het best -uit door stil te zwijgen, en spraakzaamheid is nog alleen bij de -papegaaien lofwaardig. Ga naar binnen, knaap, en zeg, dat alles klaar -moet zijn voor het eten. - -LANCELOT. Dat is in orde, heer; ze hebben allen een maag. - -LORENZO. Hemelsche goedheid, wat wil je geestig zijn! zeg, dat het -eten klaar moet zijn. - -LANCELOT. Dat is ook in orde, heer; er moet nog maar gedekt worden, -dat is de zaak. - -LORENZO. Wil je dan maar dekken, knaap? - -LANCELOT. Dekken, heer? Zeker niet, ik weet wel, wat me past, heer. - -LORENZO. Nu, het vervolg een anderen keer! Wil je je heelen schat van -geestigheden in eens uitkramen? Ik verzoek je, versta nu eenvoudige -taal op eenvoudige manier. Ga naar je kameraden, laten ze de tafel -dekken, het eten opdoen en wij zullen komen voor het maal. - -LANCELOT. De tafel, heer, die zal opgedaan, en het eten, dat zal -gedekt worden, en uw komst voor het maal, heer, die zal gebeuren, -zooals uw lust en luim het zullen verkiezen. - - (Lancelot af.) - -LORENZO. O heil'ge rede, wat gezocht vernuft! -Wat kent de dwaas woordspelingen bij hoopen -Van buiten! Och, ik ken wel meen'gen dwaas -In hoogren stand, maar even bont van geest, -Die ook de hoofdzaak prijs zou geven voor -Een geestigheid.--Wel, Jessica, hoe is 't? -Mijn hartedief, kom, zeg me uw oordeel eens, -Hoe vindt ge wel Bassanio's gemalin? - -JESSICA. Bewondrenswaard, meer dan ik zeggen kan; -Bassanio mag wel onberisp'lijk zijn -In heel zijn wandel; zulk een zegen is ze, -Dat hij op aarde 't heil des hemels smaakt, -En weet hij 't hier beneden niet te schatten, -Geen toegang tot den hemel ooit verdient. -Ja, hadden ooit twee goden in den hemel -Een weddingschap, en om twee aardsche vrouwen, -En Portia was de een', dan moest bij de ander' -Een toegift zijn, want de arme woeste wereld -Heeft haars gelijke niet. - -LORENZO. Juist zulk een man -Hebt gij in mij, als hij in haar een vrouw. - -JESSICA. Neen, vraag dan eerst, wat ik er wel van denk. - -LORENZO. Terstond, maar laat ons eerst aan tafel gaan. - -JESSICA. Neen, laat mij thans u schatten, nu ik trek heb. - -LORENZO. Neen, 'k bid u, spaar het voor gesprek bij 't maal, -Ik zal 't dan, wat ge ook zegt, met andre dingen -Wel slikken. - -JESSICA. Nu, je krijgt wat op je brood! - - (Beiden af.) - - - - - - - -VIERDE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Venetië. Een gerechtzaal. - -De Doge, de Senatoren, Antonio, Bassanio, Gratiano, Salarino, Solanio -en anderen komen op. - - -DOGE. Is hier Antonio verschenen? - -ANTONIO. Ik ben bereid, doorluchte heer. - -DOGE. Ik ben in zorg om u; gij hebt te doen -Met een, die harder is dan steen, een onmensen, -Voor medelijden doof, in wien geen vonkje -Erbarmen huist. - -ANTONIO. Ik heb gehoord, uw hoogheid -Gaf zich veel moeite om 't felle van zijn drijven -Te matigen; maar daar hem niets vermurwt, -En 't recht geen middel geeft om voor zijn wrok -Mij te beschermen, stel ik lijdzaamheid -Zijn grimmig streven tegen, en ik wapen -Met kalmte mijn gemoed, om van het zijn' -De volle woede en razernij te dragen. - -DOGE. Ga, zeg den jood, dat hij voor 't hof verschijne. - -SOLANIO. Hij wacht reeds aan de deur; daar komt hij, heer. - -(Shylock komt op.) - -DOGE. Maakt plaats; hij sta daar over onzen stoel.-- -Shylock, de wereld denkt, zooals ook ik, -Gij drijft deez' schijn van uwe boosheid slechts -Tot aan het uur der daad; en dan, dan toont ge -Uw huiv'ring, uw erbarmen, wonderbaarder -Dan deze uw wondre, schijnbre wreedheid is; -Dan zult ge, schoon ge thans uw recht nog eischt, -(Dat pond van dezes armen koopmans vleesch,) -Niet slechts, zoo wacht men, daarvan afzien, maar, -Door menschlijkheid en menschenmin geroerd, -Een deel hem schenken van de schuld, erbarmen -Betoonend om de slagen, die sinds kort -Zoo dicht zijn schouders troffen, zwaar genoeg -Om zelfs een koopman-vorst ten val te brengen, -En meêlij met zijn toestand af te dwingen -Aan koop'ren boezems, harten hard als steen, -Aan stugge Turken en Tataren, die -Nog nooit uit menschlijkheid een dienst bewezen. -Wij allen wachten, Jood, een gunstig antwoord. - -SHYLOCK. Ik deelde uw hoogheid mee, wat ik verlang, -En ik bezwoer bij onzen heil'gen sabbat, -Te vordren, wat mij toekomt door mijn schuldbrief. -Als gij dit weigert, brengt ge van uw stad -De rechten en de vrijheid in gevaar. -Vraagt gij, waarom ik liever zoo'n gewicht -Van krengenvleesch wil hebben, dan drieduizend -Dukaten wil ontvangen; 'k heb geen antwoord -Dan dit: 't is mijn verkiezing. 't Is toch antwoord! -Wat? als mijn huis gekweld is van een rat, -En ik verkies voor 't dooden eens tienduizend -Dukaten te off'ren? Nu, dit is toch antwoord? -Deez' kan het schreeuwen van een big niet lijden, -En die wordt dol, als hij een kat maar ziet, -En die zit, bij den neustoon van de zakpijp, -Op spelden schier; ja, voor- of tegenzin -Beheerscht den geest en dwingt naar luim en lust -Tot liefde of afschuw; nu, ziehier uw antwoord: -Zooals geen grond of reden is te geven, -Dat deez' geen schreeuwend varken velen kan, -En die geen kat, zoo'n noodig, goedig dier, -En die geen zakpijp, maar elk onweerstaanbaar -Genoopt wordt tot het smadelijk bedrijf, -Dat hij, getergd, nu zelf weer andren tergt, -Zoo kan en wil ik ook geen reden geven, -Dan ingevreten haat en bittren wrok, -Dien 'k voor Antonio voel, wat mij mijn recht, -Zelfs met verlies doet eischen. Is dit antwoord? - -BASSANIO. Dit is geen antwoord, schepsel zonder hart, -Dat uw wreedaardig drijven kan verschoonen. - -SHYLOCK. Moet ik dan antwoord geven naar uw zin? - -BASSANIO. Brengt iedereen dàt om, wat hem mishaagt? - -SHYLOCK. Wie haat dan iets, en brengt het niet graag om? - -BASSANIO. Wat ons mishaagt, wekt daad'lijk nog geen haat. - -SHYLOCK. Laat gij u tweemaal bijten door een slang? - -ANTONIO. Bedenk, het is de jood, met wien ge u inlaat; -Ga eerder nog naar 't strand der zee en geef -Den vloed bevel, dat hij in eb verander; -Daag eerder nog den wolf tot een verhoor, -Waarom hij 't ooi deed blaten om het lam; -Verbied veeleer den fieren pijn der bergen, -Te schudden met den hoogen top, te ruischen, -Als hem de storm met vlaag op vlaag bestookt, -Leg eer de hardste taak u op, dan dat -Gij 't hardste, dat bestaat, tracht te verzachten, -Zijn jodenhart; en daarom, 'k smeek het u, -Geen aanbod meer, geen middel meer beproefd, -Maar kort en goed zij de uitspraak nu gedaan, -Mijn lot beslist, en hebb' de jood zijn eisch. - -BASSANIO. Hier zijn dukaten, zes- voor uw drieduizend. - -SHYLOCK. Was ieder der zesduizend stuks dukaten -Zesmaal gedeeld en elk deel een dukaat, -Ik nam ze niet; ik vergde toch mijn schuldbrief. - -DOGE. Hoopt ge op genâ, gij, die er geen bewijst? - -SHYLOCK. Wat vonnis zou ik duchten? 'k Doe geen onrecht. -Gij hebt wel meen'gen duurgekochten slaaf, -Dien gij, gelijk uw ezels, paarden, honden, -Tot slaafsch en laag en smaad'lijk werk gebruikt, -Wijl gij ze kocht.--En als ik tot u zeide: -Laat hen toch vrij en paart hen met uw erven; -Wat zwoegen ze onder vrachten? laat hun bed -Zoo zacht zijn als het uwe; streel hun tong -Met spijzen, fijn als de uwe;--gij zult zeggen: -Die slaven zijn gekocht.--Zoo zeg ik ook: -Zie, dit pond vleesch, dat ik van hem verlang, -'t Is duur gekocht, 't is mijn, en ik wil 't hebben. -Als gij het weigert, spuw ik op uw wet! -Dan heeft hier in Venetië 't recht geen kracht! -Ik wacht op de uitspraak; antwoord! zal ik 't hebben? - -DOGE. Ik ben bevoegd de zitting op te heffen, -Als niet Bellario, een doorkneed geleerde, -Wiens rechtspraak ik in deze heb gevraagd, -Vandaag verschijnt. - -SALARINO. Uw hoogheid, buiten staat -Een bode, die met brieven van den doctor -Daar juist van Padua komt. - -DOGE. Breng ons die brieven; laat den bode komen. - -BASSANIO. Schep moed, Antonio, heb slechts goeden moed! -Eer krijgt de jood mijn vleesch, bloed, beendren, alles, -Eer gij voor mij een druppel bloeds verliest. - -ANTONIO. Ik ben een zieklijk ram der kudde, rijp -Ten dood; het is de zwakste vrucht, die 't eerst -Ter aarde valt; zoo zij 't met mij; gij kunt -Geen beetren dienst mij doen dan deez', Bassanio, -Dat gij blijft leven en mijn grafschrift stelt. - -(Nerissa treedt op, als klerk van een rechtsgeleerde gekleed.) - -DOGE. Komt gij van Padua, van Bellario? - -NERISSA. Van beide, Heer; Bellario groet uw hoogheid. - -(Zij overhandigt een brief.) - -BASSANIO. Wat wet gij daar zoo ijverig uw mes? - -SHYLOCK. Om, wat mij toekomt, uit dien bankroetier te snijden. - -GRATIANO. Gij scherpt niet op uw zool, maar op uw ziel, -Steenharde jood, uw mes; maar geen metaal, -Neen, niet de bijl des beuls heeft half de scherpte -Uws scherpen haats. Geen beê dringt in u door? - -SHYLOCK. Geen enkle, neen, die uw vernuft kan smeden. - -GRATIANO. Vervloekt dan, onverbidbre hond! En zij -Gerechtigheid verklaagd, wijl gij nog leeft! -Gij zoudt mij schier in mijn geloof doen wank'len, -Om mij te scharen bij Pythagoras, -Dat beestenzielen varen in het lichaam -Van menschen; eens bezielde uw hondsche geest -Een wolf; van dien, om menschenmoord gehangen, -Ontvlood, daar aan de galg, de felle ziel, -En voer, toen nog uw ongedoopte moeder -U droeg, in u, in u; want uw begeerten -Zijn wolfsch, bloeddorstig, hongrig en roofgierig. - -SHYLOCK. Tot gij dit zegel wegraast van mijn schuldbrief, -Bederft ge uw longen maar met dat geschreeuw; -Lap uwen geest wat op, jong mensch; zijn staat -Mocht hoop'loos worden.--'k Sta hier voor mijn recht. - -DOGE. Bellario's schrijven hier beveelt aan 't hof -Een jongen, zeer geleerden doctor aan; -Waar is hij? - -NERISSA. Heer, hij wacht nabij deez' zaal -Uw antwoord, of hij toegelaten wordt. - -DOGE. Van heeler hart;--dat drie of vier van u -Hem hoff'lijk de gerechtszaal binnenleiden.-- -Intusschen hoore 't hof Bellario's brief. - -EEN KLERK (leest). "Deze is dienende om uwe -hoogheid te berichten, dat ik bij de ontvangst -van uw brief zeer ziek ben. Maar juist toen -uw bode aankwam, bracht mij een jong doctor -uit Rome, met name Balthazar, een vriendschappelijk -bezoek; ik heb hem bekend gemaakt -met het geding tusschen den Jood en den -koopman Antonio; wij hebben samen vele rechtsgeleerde -werken nageslagen; hij is volkomen -met mijn inzichten bekend, die hij, verbeterd -nog door zijn eigen geleerdheid (die zoo groot -is, dat ik haar niet genoeg roemen kan), op -mijn aandringen overbrengt, om uwe hoogheid -in mijne plaats ten dienste te staan. Ik verzoek -u dringend, laat zijn jeugdige leeftijd geen -oorzaak wezen om hem eerbiedige achting te -doen derven, want nooit zag ik een jong hoofd, -zoo grijs in kennis. Ik reken voor hem met -vertrouwen op een gunstige ontvangst bij uwe -hoogheid; uw toetsing zal zijn lof beter verkondigen, -dan ik het kan doen." - -DOGE. Gij hoort, wat de geleerde man ons schrijft; -En hier, naar 'k denk, verschijnt de jonge doctor. - -(Portia komt op, in het gewaad van een rechtsgeleerde.) - -Uw hand, Heer;--'t is Bellario, die u zendt? - -PORTIA. Zoo is 't, doorluchte heer. - -DOGE. Neem plaats, wees welkom! -Is u 't geding, dat op dit oogenblik -Voor 't hof hier hangende is, alreeds bekend? - -PORTIA. 'k Ben van de zaak volkomen ingelicht.-- -Wie is de koopman hier, waar is de jood? - -DOGE. Antonio, oude Shylock, komt naar voren. - -PORTIA. Uw naam is Shylock? - -SHYLOCK. Shylock is mijn naam. - -PORTIA. Van vreemden aard is de eisch, dien gij hier doet, -Maar in den vorm, zoodat Venetië's wet -Bij 't voeren van 't geding u niet kan wraken.-- -(Tot Antonio.) Gij zijt het, die bedreigd wordt door zijn eisch? - -ANTONIO. Zooals hij zegt. - -PORTIA. En gij erkent den schuldbrief? - -ANTONIO. O ja. - -PORTIA. Dan moet de jood genadig zijn. - -SHYLOCK. Gij zegt, ik moet; wat dwingt me? zeg me, wat? - -PORTIA. Genade wordt verleend, niet afgedwongen; -Zij drupt, als zachte regen, uit den hemel -Op de aarde neer, en dubblen zegen brengt ze, -Zij zegent hem, die geeft, en die ontvangt; -Ze is 't machtigste in den machtigste; ze siert -Den koning op zijn troon meer dan de kroon; -De scepter toon' zijn wereldlijk gezag, -Zij 't zinbeeld zijner macht en majesteit, -Wekke eerbied en ontzag voor 't koningschap, -Maar boven dezen scepter heerscht genade; -Zij heeft haar zetel in der vorsten hart; -Zij is een eigenschap der godheid zelf; -En aardsche macht zweemt meest naar die van God, -Wanneer genade 't recht doortrekt. Daarom, -Beroept ge u, jood, op 't recht, bedenk ook dit, -Dat, naar gerechtigheid, geen onzer ooit -Behouden wordt; wij bidden om genade; -En de eigen bede leert ons, zelf aan and'ren -Genade te oef'nen. Hiermee dring ik aan, -Dat gij de strengheid van uw eisch verzacht; -Want, blijft ge er bij, dan moet Venetië's hof -Zijn vonnis vellen tegen dezen koopman. - -SHYLOCK. Mijn daden op mijn hoofd; ik eisch de wet, -De boete, de voldoening van mijn schuldbrief. - -PORTIA. Is hem 't betalen van het geld onmooglijk? - -BASSANIO. O, neen, hier voor het hof bied ik 't hem aan; -Ja tweemaal zelfs; als dit nog niet genoeg is, -Verbind ik mij het tienmaal te betalen, -'k Verpand mijn handen, hoofd en hart er voor; -Is dit nog niet genoeg, dan blijkt het nu, -Dat boosheid braafheid onderdrukt. En 'k bid u, -Verbuig voor eens nu 't recht door uw gezag; -Om waarlijk recht te doen, pleeg luttel onrecht, -En toom dien boozen duivel in zijn vaart. - -PORTIA. Dit mag niet zijn. Geen macht kan in Venetië -Een wettig vastgestelde wet verwringen; -'t Wierd aangehaald als voorbeeld voor 't vervolg; -En menig misbruik vond, na zulk een voorgang, -Wel ingang in den staat; het mag niet zijn. - -SHYLOCK. Een Daniël, die rechtspreekt! ja, een Daniël!-- -O wijze, jonge rechter, hoe 'k u eer! - -PORTIA. Ik bid u, laat mij eens den schuldbrief zien. - -SHYLOCK. Hier is hij, eed'le doctor, zie, hier is hij. - -PORTIA. Shylock, men biedt u driemaal thans uw geld. - -SHYLOCK. Een eed, een eed, ik zond een eed ten hemel! -En zou ik meineed laden op mijn ziel? -Voor gansch Venetië niet. - -PORTIA. Deez' schuld verviel; -En 't stuk geeft aan den jood het recht, dat hij -Een pond mag eischen van des koopmans vleesch, -'t Moet snijden bij 's mans hart;--maar wees genadig, -Neem driemaal 't geld, en laat mij 't stuk verscheuren. - -SHYLOCK. Als aan zijn letter is voldaan, eer niet. -Het blijkt, dat gij een waardig rechter zijt; -Gij kent de wet, en uw betoog was juist -En bondig; ik bezweer u bij de wet, -Waarvan ge een hechte steunpilaar u toont, -Sla 't vonnis nu; ik zweer toch bij mijn ziel, -Geen menschentong heeft in het minst de macht -Mij te verand'ren; 'k sta hier op mijn schuldbrief. - -ANTONIO. Van ganscher harte smeek ik 't edel hof -Om uitspraak in mijn zaak. - -PORTIA. Welnu, die luidt: -Houd uwen boezem voor zijn mes bereid. - -SHYLOCK. O, edel rechter, wakker jongeling! - -PORTIA. De wet is duid'lijk; zin en woorden slaan -Volkomen op de thans vervallen boete, -Die in dit stuk verschuldigd wordt erkend. - -SHYLOCK. Volkomen waar; o, wijs en eerlijk rechter! -O, hoeveel ouder zijt ge dan gij schijnt! - -PORTIA. Ontbloot alzoo uw boezem. - -SHYLOCK. Ja, zijn borst; -Zoo zegt mijn stuk;--niet waar, hoogedel rechter?-- -Het naast aan 't hart;--staat het niet woord'lijk zoo? - -PORTIA. Zoo is 't. Hebt gij een weegschaal hier, om 't vleesch -Te wegen? - -SHYLOCK. 'k Heb ze bij de hand. - -PORTIA. Zorg voor een wondarts, Shylock, op uw kosten, -Die hem verbind', want anders bloedt hij dood. - -SHYLOCK. Is dat zoo voorgeschreven in den schuldbrief? - -PORTIA. Het staat er niet uitdrukk'lijk, maar wat doet dit? -'t Waar' goed, dat gij uit menschlijkheid het deedt. - -SHYLOCK. Ik kan 't niet vinden, 't staat niet in den schuldbrief. - -PORTIA. Gij koopman, hebt gij ook nog iets te zeggen? - -ANTONIO. Slechts luttel; 'k ben bereid en welgewapend!-- -Geef mij de hand, Bassanio, vaar gij wel! -Het grieve u niet, dat dit voor u mij treft; -Want hierin toont zich 't Noodlot goediger, -Dan 't anders pleegt te doen. Hoe vaak toch laat het -Den bankroetier zijn schatten overleven, -Om met gerimpeld voorhoofd, holstaand oog -Een ouden dag van armoede af te wachten; -Het spaart mij 't slepend leed van zulke ellend! -Breng aan uw eedle ga mijn groeten over, -Meld haar de toedracht van Antonio's sterven, -Hoe ik u liefhad, roem den doode na, -En is 't verhaal gedaan, laat haar beslissen, -Of niet Bassanio eens een vriend bezat. -Treurt gij slechts niet, dat gij een vriend verliest, -Dan treurt hij niet, dat hij uw schuld betaalt; -Want maakt de jood zijn snede diep genoeg, -Dan kwijt ik haar in eens met heel mijn hart. - -BASSANIO. Antonio, vriend, ik heb een vrouw gehuwd, -Die mij zoo dierbaar is als 't leven zelf; -Maar 't leven zelf, mijn vrouw, de gansche wereld, -Zij gelden mij niet hooger dan uw leven; -'k Gaf alles prijs, dit alles offerde ik -Dien duivel daar, om u van hem te ontslaan. - -PORTIA. Uw vrouw betuigde u zeker luttel danks, -Was zij hierbij en hoorde ze uw betuiging. - -GRATIANO. Ik heb een vrouw, die 'k min, ik zweer 't; maar 'k wenschte -Haar in den hemel, kon ze daar een macht -Verbidden, die dien hondschen jood verkneedde. - -NERISSA. 't Is goed, dat gij dit in haar afzijn zegt: -Uw wensch kon licht den vreê van 't huis verstoren. - -SHYLOCK (ter zijde). Zoo zijn de christenmannen;--'k heb een dochter, -Maar had ze wien ook van Barabbas' stam -Tot man genomen, eer nog dan een christen!-- -(Luid.) De tijd verloopt; ik bid u, kom tot de uitspraak. - -PORTIA. Een pond van dezes koopmans vleesch is u; -Het hof erkent dit, en de wet verleent het. - -SHYLOCK. O hoogst rechtvaardig rechter! - -PORTIA. Gij moet dit vleesch hem snijden van de borst; -De wet erkent dit, en het hof verleent het. - -SHYLOCK. Hoogstwijze rechter!--'t Is beslist, bereid u! - -PORTIA. Een oogenblik nog;--neem ook dit in acht:-- -De schuldbrief hier geeft u geen druppel bloeds; -De woorden zijn uitdrukk'lijk: een pond vleesch. -Neem dus uw schuldbrief, neem gij uw pond vleesch; -Maar zoo, bij 't snijden, gij een drup vergiet, -Een enklen druppel christenbloed, dan vallen -Uw land en goedren, naar Venetië's wet, -Den staat Venetië toe. - -GRATIANO. O, eerlijk rechter! jood; een wijze rechter! - -SHYLOCK. Is dat de wet? - -PORTIA. Gij zult de keur zelf zien; -Gij eischtet recht, en, wees verzekerd, recht -Zal u geworden, meer dan gij verlangt. - -GRATIANO. O wijze rechter! jood; een wijze rechter! - -SHYLOCK. 'k Neem 't aanbod aan;--betaal driemaal de schuld, -En dat de christen ga. - -BASSANIO. Hier is het geld. - -PORTIA. Bedaar! Den jood -Zal al zijn recht geworden!--neen, geen haast! -De boete zal hij hebben en niets meer. - -GRATIANO. O, jood, een eerlijk rechter! een wijs rechter! - -PORTIA. Daarom, maak u gereed het vleesch te snijden. -Maar stort geen bloed; en snijd niet min of meer -Dan juist een pond; want neemt ge meer of minder -Dan juist een pond;--al waar' 't ook maar zooveel, -Dat het gewicht te licht wordt of te zwaar, -Een onderdeel zelfs van een twintigste -Van éénen scrupel;--slaat de weegschaal door, -Ja, waar' 't ook slechts de breedte van een haar,-- -Dan sterft ge, en al uw goedren zijn verbeurd. - -GRATIANO. Een tweede Daniël! ja, een Daniël, jood! -Nu, ongedoopte hond, nu hebben we u. - -PORTIA. Wat draalt de jood nog? Neem, wat u verviel. - -SHYLOCK. Geef mij mijn hoofdsom slechts, en laat mij gaan. - -BASSANIO. Ik heb het geld voor u gereed; hier is 't. - -PORTIA. Hij heeft het openlijk voor 't hof versmaad; -Zijn recht slechts zal hij hebben en zijn schuldbrief. - -GRATIANO. Een Daniël, zeg ik weer, een tweede Daniël!-- -Ik dank u, jood, voor 't leeren van dat woord. - -SHYLOCK. Krijg ik dan nu niet eens mijn hoofdsom weer? - -PORTIA. Niets krijgt ge, niets, dan de vervallen boete; -Die moogt ge op lijfsgevaar nu innen, jood. - -SHYLOCK. Dan doe de duivel hem er wel bij varen! -Ik laat me er langer niet mee in. - -PORTIA. Blijf, jood; -Het recht heeft nog iets anders van u te eischen. -De wetten van Venetië stellen vast:-- -Als van een vreemdling te bewijzen is, -Dat hij, 't zij rechtstreeks, 't zij op slinksche wijs, -Een burger naar het leven heeft gestaan, -Dan naast de burger, wiens verderf hij zocht, -De helft van al zijn goedren; de andre helft -Valt aan de schatkist van den staat ten deel; -En 't leven van den schuldige berust -In 's dogen hand, die niemands stem behoeft. -Deze uitspraak, zeg ik, past geheel op u: -'t Is uit uw handling hier voor 't hof gebleken, -Dat gij èn rechtstreeks èn op slinksche wijs -Met overleg het leven hebt bedreigd -Van den verweerder; en de strafbedreiging, -Zoo even aangehaald, is hier van kracht. -Dus kniel, en smeek genade van den doge. - -GRATIANO. Smeek om verlof, dat gij uzelf verhangt; -Want, daar gij al uw goed'ren hebt verbeurd, -Bleef u de waarde zelfs niet van den strik, -En moet de staat dat hangen nog betalen. - -DOGE. Opdat ge in ons een andren geest erkent, -Schenk ik u 't leven, eer gij er om bidt; -Uw halve have is voor Antonio, -En de andre helft is aan den staat vervallen, -Maar deemoed kan dit mindren tot een boete. - -PORTIA. Ja, voor den staat, niet voor Antonio. - -SHYLOCK. Neen, neem mij 't leven ook, schenk dat mij niet; -Gij neemt mijn huis, als gij den steun mij neemt, -Waar heel mijn huis op rust; gij neemt mijn leven, -Als gij de midd'len neemt, waar ik door leef. - -PORTIA. En wat kan ùw genade zijn, Antonio? - -GRATIANO. Een strop voor niet; niets meer, om Gods wil, niets. - -ANTONIO. Behaagt het aan uw hoogheid en aan 't hof, -Die straf van de eene helft hem kwijt te schelden, -Dan is 't mij goed, mits hij mij de andre helft -In bruikleen geven wil,--om na zijn dood -Die weder af te staan aan de' edelman, -Die onlangs hem zijn dochter heeft geschaakt; -En nog twee eischen: dat, voor deze gunst, -Hij van dit oogenblik een christen worde, -Ten andre, dat hij, hier nu, voor het hof, -Al wat hij bij zijn dood bezitten zal, -Zijn zoon Lorenzo en zijn dochter schenke. - -DOGE. Dit zal hij doen, of anders trek ik in -Wat ik reeds van genade heb gerept. - -PORTIA. Zijt gij tevreden, jood? wat is uw antwoord? - -SHYLOCK. Ik ben tevreden. - -PORTIA. Schrijver, stel een schenking. - -SHYLOCK. Ik bid u, sta mij toe van hier te gaan; -Ik ben niet wel; zend mij de schenking na; -Ik zal ze teek'nen. - -DOGE. Ga dan heen, maar teeken. - -GRATIANO. Twee peten zult ge hebben bij uw doop; -Ware ik uw rechter, tien hadt gij er meer, -Om u ter galg te leiden, niet ter doopvont. - - (Shylock af.) - -DOGE. Ik bid u, heer, gebruik het maal bij mij. - -PORTIA. Verschoon me, ik zeg uw hoogheid need'rig dank; -Ik moet deze' avond nog in Padua zijn, -En 't beste is dus, onmidd'lijk af te reizen. - -DOGE. Het spijt me, dat uw tijd het niet gehengt.-- -Antonio, toon u aan den doctor dankbaar, -Want, naar mij dunkt, zijt gij hem veel verplicht. - - (De Doge, Senatoren en Gevolg af.) - -BASSANIO. Hoogedel heer, mijn vriend en ik, wij zijn -Door uwe wijsheid heden vrijgesproken -Van zware boete; en gaarne bieden we u, -Wat aan den jood verschuldigd was, drieduizend -Dukaten, voor uw edel hulpbetoon. - -ANTONIO. En blijven, als uw schuld'naars, bovendien -Tot liefde en weêrdienst eeuwig u verplicht. - -PORTIA. Die weltevreden is, is welbetaald; -Ik ben tevreden, dat ik u bevrijdde, -En reken daardoor reeds mij welbetaald; -Naar grooter loon heb ik nog nooit gestreefd. -Eén bede: ken me, als gij mij weer ontmoet; -Ik wensch u heil, en hiermeê neem ik afscheid. - -BASSANIO. Zoo laten we u niet los, mijn waarde heer; -Neem een gedacht'nis aan, maar als geschenk, -En niet als loon; twee gunsten vraag ik u: -Sla dit niet af, en duid mijn drang niet euvel. - -PORTIA. Gij dringt mij sterk, en daarom geef ik toe. -(Tot Antonio.) Uw handschoen dan; ik draag ze u ter gedacht'nis; -(Tot Bassanio.) En daar gij 't wenscht, neem ik deez' ring van u;-- -Trek niet de hand terug; ik wil niet meer; -En uwe vriendschap mag mij dit niet weig'ren. - -BASSANIO. Die ring, mijn heer,--ach, zulk een kleinigheid; -Ik zou mij schamen, u dien aan te bieden. - -PORTIA. Ik wil niet anders hebben dan dien ring -Hoe 't komt, ik weet niet, maar ik hecht er aan. - -BASSANIO. 't Is om de waarde niet, 't is om den ring; -Den kostbaarste' in Venetië geef ik u, -Dien openbare navraag vinden laat; -Slechts deze' alleen, ik bid u, vraag dien niet. - -PORTIA. Gij biedt, dit zie ik, onbekrompen aan; -Eerst leerdet gij mij beed'len, en nu, dunkt me, -Nu leer ik, hoe men beedlaars antwoord geeft. - -BASSANIO. Deez' ring gaf, waarde heer, mijn vrouw me, en vroeg -Bij 't aandoen mij een eed, dat ik hem nooit -Verkoopen zou, verliezen, weg zou schenken. - -PORTIA. Met zulk een uitvlucht spaart men meen'ge gave. -Maar is uw vrouw geen dwaze vrouw, en weet ze, -Hoe ik dien ring verdiende, wis, zij zal -Niet eeuwig toornig blijven, dat ge aan mij -Hem weggaaft.--Nu, het zij zoo; 't ga u wel. - - (Portia en Nerissa af.) - -ANTONIO. Bassanio, vriend, sta hem den ring toch af; -Dat zijn verdiensten en mijn vriendschap saam -Hier gelden tegen wat uw vrouw gebood. - -BASSANIO. Gratiano, haast u, haal hem in, en geef -Den ring hem nog; en breng hem, zoo ge kunt, -Zelf bij ons, in Antonio's huis;--maak spoed! - - (Gratiano af.) - -Kom, gij en ik, wij gaan daar daad'lijk heen, -En morgen in de vroegte vliegen wij -Naar Belmont samen. Kom, Antonio. - - (Bassanio en Antonio af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Aldaar. Een straat. - -Portia en Nerissa komen op. - - -PORTIA. Vraag naar de woning van den jood en laat -Dit stuk hem teek'nen. Nog van avond gaan wij; -Zoo zijn we een dag voor onze mannen thuis. -Dit stuk zal aan Lorenzo welkom zijn. - -(Gratiano komt op.) - -GRATIANO. Goed, dat ik u nog inhaal, waarde heer! -Bassanio, die tot beter inzicht kwam, -Zendt U deez' ring door mij en noodigt u -Van middag tot het maal. - -PORTIA. Dit kan niet zijn, -Maar hartlijk dank ik hem voor dezen ring; -En 'k bid u, zeg hem dit. Wees ook zoo goed -Mijn klerk den weg naar Shylocks huis te wijzen. - -GRATIANO. Met veel genoegen. - -NERISSA (tot Portia, luid). Heer, een woord met u;-- -(Zacht.) 'k Wil zien, den ring te krijgen van mijn man, -Dien ik hem zweren deed nooit weg te schenken! - -PORTIA. Dat kunt gij wis; dat zal een zweren zijn, -Dat zij aan mannen slechts hun ringen schonken; -Doch we òverkraaien, òverzweren hen.-- -Maar ga, maak haast; gij weet, waar ik u wacht. - -NERISSA. Kom, waarde heer, wilt gij zijn huis mij wijzen? - - (Allen af.) - - - - - - - -VIJFDE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Belmont. Een park voor Portia's woning. - -Lorenzo en Jessica komen op. - - -LORENZO. 't Is heldre maan; in zulk een nacht als deze, -Toen zachte lucht de boomen vriendlijk kuste -En nauwlijks ruischen deed,--in zulk een nacht, -Naar 'k denk, steeg Troilus op Troja's wal -En zond zijn ziel haar zuchten naar de tenten -Der Grieken heen, waar ook zijn Cressida -Die nacht te sluim'ren lag. - -JESSICA. In zulk een nacht -Sloop Thisbe, schuchter tripp'lend, op den dauw, -En zag geen leeuw nog, maar alleen zijn schim, -En nam vol angst de vlucht. - -LORENZO. In zulk een nacht -Stond Dido, in haar hand een wilgetak, -Op 't woeste zeestrand, om haar lief te wenken, -Weêr naar Carthago's kust. - -JESSICA. In zulk een nacht -Las zich Medea tooverkruid en maakte -Den ouden Æson jong. - -LORENZO. In zulk een nacht -Verloor de rijke jood zijn Jessica, -Die uit Venetië met een spilziek lief -En heel naar Belmont vlood. - -JESSICA. In zulk een nacht -Zwoer haar Lorenzo, dat hij teêr haar minde, -En stal met meen'gen eed van trouw haar hart, -Doch alle waren valsch. - -LORENZO. In zulk een nacht -Bekladde Jessica, die kleine feeks, -Haar zoetelief, maar hij vergaf het haar. - -JESSICA. Ik zou u óver-nachten, kwam er niemand; -Maar luister, 'k hoor den stap daar van een man. - -(Stefano komt op.) - -LORENZO. Wie komt zoo haastig in de stille nacht? - -STEFANO. Goed volk. - -LORENZO. Goed volk? wat volk? Zeg mij uw naam, goed volk! - -STEFANO. Mijn naam is Stefano; ik breng bericht, -Dat de eedle vrouw voor de' aanvang van den dag -Te Belmont zijn zal; ze is nog op haar tocht -Langs heiligbeelden, waar ze knielt en bidt -Om zegen op haar echt. - -LORENZO. En wie verzelt haar? - -STEFANO. Een heil'ge kluiz'naar en haar kamerjuffer. -Maar zeg me, is de eedle heer nog niet terug? - -LORENZO. Nog niet; we ontvingen zelfs nog geen bericht.-- -Maar laat ons, Jessica, naar binnen gaan -En zorgen, dat de meesteres van 't huis -Nu met een plechtig welkom zij begroet. - -(Lancelot komt op.) - -LANCELOT. Hola, hola, ho, heila, hola, ho! - -LORENZO. Wie roept daar? - -LANCELOT. Hola! hebt gij den heer Lorenzo en mevrouw Lorenzo ook -gezien? Hola! hola! - -LORENZO. Houd op met uw hola, man; hier. - -LANCELOT. Hola! waar? waar? - -LORENZO. Hier. - -LANCELOT. Zeg hem, dat er een postiljon is gekomen, die zijn hoorn -vol goed nieuws heeft; mijn meester zal nog voor zonsopgang hier zijn. - - (Lancelot af.) - -LORENZO. Kom, liefste, binnen dan hun komst verbeid! -Of neen, waartoe naar binnen? 't Is niet noodig, -Vriend Stefano, ik bid u, meld aan allen -In huis, dat de eedle vrouw in aantocht is, -En breng de muzikanten mee naar buiten. - - (Stefano af.) - -Wat slaapt het maanlicht lieflijk op dien heuvel! -Hier zetten we ons, hier drinke ons oor de tonen -Der hemelsche muziek; de vreê der nacht -Stemt met den klank van zoete harmonie. -Kom, Jessica; zie, is het hemelwelf -Niet ingelegd met schijfjes schitt'rend goud? -Geen licht, hoe klein, dat ge daarboven ziet, -Dat op zijn baan niet als een engel zingt, -Bij 't koor der Cherubim met kinderoogen. -Gelijke harmonie is in de zielen -Der menschen, maar zoolang 't verganklijk kleed -Onsterflijkheid omhult, is ze ons onhoorbaar. - -(De Muzikanten komen op.) - -Weest welkom, wekt Diana met een lied; -Dringt met uw klanken door tot uw gebiedster, -En toovert, lieflijk streelend, haar naar huis. - -(Muziek.) - -JESSICA. Ik ben bij lieflijke muziek nooit lustig. - -LORENZO. Dit komt, omdat uw geest haar luistrend volgt; -Want zie maar eens een wilde, dartle kudde, -Of troepje veulens, jong en ongetemd; -Zij springen dol, zij loeien, brieschen luid, -Want dat is de aard en de eisch van 't warme bloed; -Maar nauwlijks hooren ze een trompet, die schalt, -Of treft het ruischen van muziek hun oor, -Gij ziet hen plotsling, luistrend, stil bijeen; -De macht der tonen dwingt dat vlammend oog -Tot kalmen blik. Van daar 't verhaal des dichters, -Dat Orpheus boomen, rotsen, stroomen boeide, -Daar niets zoo stug, zoo hard, zoo woedend is, -Dat niet muziek het voor een tijd verandert. -Heeft iemand in zichzelven geen muziek, -Roert hem de meng'ling niet van zoete tonen, -Die man deugt tot verraad, tot list en roof, -'t Is duister in zijn geest als middernacht, -In zijn gemoed zoo zwart als 't rijk der schimmen;-- -Vertrouw hem nooit!--O, hoor eens die muziek! - -(Portia en Nerissa komen op, nog op een afstand.) - -PORTIA. Dat licht daar, dat wij zien, brandt in de zaal; -Hoe verre licht die kleine kaars! zoo straalt -Een goede daad in deze booze wereld. - -NERISSA. Bij 't maanlicht zagen wij dat kaarslicht niet. - -PORTIA. Zoo doet een grooter glans een mind'ren tanen; -Een plaatsvervanger straalt gelijk een vorst, -Totdat de vorst verschijnt, en dan vervloeit -Zijn praal, zooals een beekje van het land -In 't groote bed der waat'ren. Hoor, muziek! - -NERISSA. 't Is de muziek, mejonkvrouw, van uw huis. - -PORTIA. Niets is er goed, naar 'k zie, dan op zijn tijd; -Mij dunkt, ze klinkt veel schooner dan bij dag. - -NERISSA. De stilte schenkt haar die bekoorlijkheid. - -PORTIA. De leeuwrik zingt niet schooner dan de kraai, -Dan voor een luistrend oor; en 'k denk, dat zelfs -De nachtegaal, zong die bij dag zijn lied, -Als alle ganzen snaat'ren, naar de schatting -Geen beter zanger dan de musch zou zijn. -Hoe menig ding wordt op zijn tijd alleen -Naar waarde en naar volkomenheid geschat!-- -(Tot de Muzikanten.) Nu stil! De maan rust bij Endymion -En sluimere ongestoord! - -(De muziek houdt op.) - -LORENZO. Dit is de stem, -Of ik bedrieg mij zeer, van Portia. - -PORTIA. Hij kent mij, als een blindeman den koekoek, -Aan 't leelijk roepen. - -LORENZO. Welkom, waarde jonkvrouw! - -PORTIA. Wij baden voor het heil van onze mannen, -Dat, hoop ik, is vermeerderd door ons doen. -Zijn ze al terug? - -LORENZO. Tot nu toe niet, mejonkvrouw; -Maar wel kwam hun alreeds een boô vooruit -Om aan te melden. - -PORTIA. Ga in huis, Nerissa. -En geef aan mijn bedienden last, dat ieder -Zich houde, als waren we altijd thuis geweest;-- -Ook gij, Lorenzo;--Jessica, ook gij. - -(Horengeschal.) - -LORENZO. Daar komt uw echtgenoot; het is zijn horen; -Wij klappen niet, mejonkvrouw, wees gerust. - -PORTIA. Deez' nacht is, dunkt me, slechts een kwijnend daglicht; -Zij ziet wat bleeker, maar het is nu dag, -Zooals de dag is bij beloken zon. - -(Bassanio, Antonio en Gratiano komen op, met Gevolg.) - -BASSANIO. Verscheent gij steeds, als ons de zon verlaat, -Dan hadden wij met de Antipoden dag. - -PORTIA. Geve ik u licht, ik zij niet licht van zin; -Die lichtheid maakt een man licht zwaar te moede; -En nimmer zij Bassanio dat door mij; -Verhoede 't God!--Wees welkom thuis, mijn gade! - -BASSANIO. Ik dank u, lieve;--o, heet mijn vriend hier welkom!-- -Dit is Antonio, die voor heel mijn leven -Onlosbaar mij aan zich verbonden heeft. - -PORTIA. Tot elken dank moogt ge u verbonden reek'nen, -Want zwaar verbond hij zich, zoo 'k hoor, voor u. - -ANTONIO. Niet zoo, of hij en ik zijn thans weer vrij. - -PORTIA. Heer, gij zijt hartlijk welkom in ons huis; -Maar 't moet zich anders toonen dan in woorden, -En 'k spaar dus hoff'lijkheid van louter lucht. - -(Gratiano en Nerissa zijn middelerwijl in woordenwisseling geraakt.) - -GRATIANO. Ik zweer u bij de maan daar, dat ge dwaalt; -Ik gaf hem, waarlijk aan des doctors klerk; -En 'k woû, dat hij tot niets werd, die hem heeft, -Daar 't u, melieve, zoo ter harte gaat. - -PORTIA. Wat! reeds een twist? eilieve, zeg waarom? - -GRATIANO. 't Is om een strookje gouds, een kleinen ring, -Dien zij mij gaf; met alledaagsche spreuk, -Zoo van die messenmakerspoëzie -Op klingen: "wees mij trouw, begeef mij niet." - -NERISSA. Wat praat ge van de spreuk of van de waarde? -Gij zwoert me, toen ik hem u gaf, dat gij -Hem dragen zoudt tot in uw stervensuur, -En dat hij met u rusten zou in 't graf; -Gij moest hem reeds, om al uw schriklijke eeden, -Zoo niet om mij, vereeren en bewaren. -Des doctors klerk!--God weet, nooit krijgt die klerk, -Wien gij hem afstondt, haar op zijn gezicht. - -GRATIANO. Ja toch, als hij maar leeft, tot hij een man is. - -NERISSA. Ja, als een vrouw maar leeft, tot zij een man is. - -GRATIANO. Zoo waar ik leef, ik gaf hem aan een jonkman,-- -Een jongen nog, een kriel, een kleinen dreumes, -Niet grooter dan gijzelf, des rechters klerk, -Een snappend kind; die vroeg hem als een fooi; -Het ging me aan 't hart, maar 't was hem niet te weig'ren. - -PORTIA. Ronduit gezegd, het was verkeerd, lichtzinnig, -Die eerste liefdegift zoo weg te werpen, -Die gij met eeden aan uw vinger staakt, -Als pand van trouw er aan had vastgeklonken. -Ik gaf mijn liefste een ring en deed hem zweren, -Nooit zou hij er van scheiden; zie, daar staat hij, -En 'k zweer voor hem, dat hij hem nimmer afstaat, -Nooit van den vinger neemt, neen, voor de schatten -Der gansche wereld niet. Voorwaar, Gratiano, -'t Is liefdloos zoo uw vrouw te grieven; ja, -Gebeurde 't mij, ik ergerde mij dood. - -BASSANIO (ter zijde). Liefst kapte ik mij de hand, en zwoer, dat ik -Den ring verloor, terwijl ik er voor streed. - -GRATIANO. Bassanio stond zijn ring den rechter af, -Die dringend er om vroeg, en waarlijk dubbel -Verdiend had, en toen vroeg de klerk, dat jongske, -Dat druk genoeg geschreven had, den mijnen; -En heer en dienaar wilden maar niets anders -Dan die twee ringen. - -PORTIA. Welken ring stondt ge af, -Mijn gâ? Toch niet, naar 'k hoop, dien ik u gaf? - -BASSANIO. Kon ik een leugen voegen bij 't vergrijp, -Ik zou ontkennen; maar gij ziet, ik heb -Geen ring meer aan mijn vinger, hij is weg. - -PORTIA. En evenzoo ontvlood de trouw uw hart. -Bij God, wij zijn gescheiden, tot gij mij -Den ring weer toont. - -NERISSA. Wij evenzeer, tot ik -Den mijnen weerzie. - -BASSANIO. Dierbre Portia, -Indien gij wist, aan wien ik gaf den ring, -Indien gij wist, voor wien ik gaf den ring, -Erkennen woudt, waarvoor ik gaf den ring, -En hoe ongaarne ik afstond dezen ring, -Daar niets werd aangenomen dan de ring, -Uw gramschap en uw strengheid wierd verzacht. - -PORTIA. Hadt gij erkend de kracht van dezen ring, -Slechts half geschat de geefster van den ring, -Erkend, hoe zelfs uw eer hing aan den ring, -Gij hadt niet kunnen scheiden van den ring. -Wat man had zoo onreedlijk kunnen zijn,-- -Hadt gij uw ring met eenig vuur verdedigd,-- -Zoo onbescheiden, op iets aan te dringen, -Door u als plechtig onderpand geschat? -Nerissa toont mij, wat ik moet gelooven; -Ik sterf er op, een vrouw verkreeg den ring. - -BASSANIO. Neen, op mijn eer, neen, bij mijn zaligheid, -Geen vrouw verkreeg hem, maar een waardig man, -Een doctor, die den ring vroeg, en drieduizend -Dukaten afsloeg; 'k heb den ring geweigerd, -En liet hem ontevreden gaan; en toch, -Hij was het, die mijn dierbren vriend het leven -Gered had. Zeg, wat kon ik doen, geliefde? -Ik was genoopt den ring hem na te zenden; -De plicht der hoff'lijkheid drong mij tot schaamte; -Mijn eer verbood, dat grove ondankbaarheid -Haar zoo besmette. Schenk vergiff'nis, beste! -Gij hadt,--ik zweer 't u bij die heil'ge vonken!-- -Waart gij er bij geweest, mij zelf gevraagd, -Mijn ring aan de' eedlen doctor af te staan. - -PORTIA. Dat toch die doctor nooit mijn huis betrede! -Daar hij het mij zoo lief juweel verkreeg, -Dat gij mij zwoert voor mij steeds te bewaren, -Zoo wil ik niet in gulheid achterstaan, -En niets hem weig'ren van wat ik bezit, -Neen, noch mijn lichaam, noch mijn huwlijksbed; -En kennen zal ik hem, dit weet ik zeker; -Blijf nooit een nacht van huis; bewaak me als Argus; -Doet gij dit niet en laat ge mij alleen, -Dan, op mijn eer, die ik tot nu bewaarde, -Dan is die doctor wis mijn bedgenoot. - -NERISSA. En zoo zijn klerk van mij; bedenk dus wel, -Of gij me aan eigen hoede kunt vertrouwen. - -GRATIANO. Goed; maar ik loer; en krijg ik hem in 't net, -Dan heeft zijn pen voor 't laatst een punt gezet. - -ANTONIO. Ik ben de onzalige oorzaak van deez' twisten. - -PORTIA. Heer, 't grieve u niet; toch zijt ge hartlijk welkom. - -BASSANIO. Portia, vergeef mij deez' gedwongen misstap; -Ten overstaan van al deez' vrienden hier, -Bezweer ik u, en bij uw lieflijke oogen, -Waar ik mijzelf in spiegel,-- - -PORTIA. Fraai bedacht! -Hij ziet zich dubbel in dat tweetal oogen, -Eens in elk oog; zweer bij uw dubbel ik! -Dat is een kostlijke eed! - -BASSANIO. Ik bid u, hoor! -Vergeef 't vergrijp; ik zweer u bij mijn ziel, -Dat ik u nimmermeer een eed verbreek. - -ANTONIO (tot Portia). Eens leende ik lijf en leven voor zijn heil; -Slechts hij, die van uw man zijn ring verkreeg, -Heeft mij gered; opnieuw waag ik gerust -Mijn ziele te verpanden, dat uw gâ -Nooit, wetens willens, meer zijn eed verbreekt. - -PORTIA. Wees gij dus weer zijn borg; geef hem deez' ring, -Hij zorg er beter dan voor de' eersten voor. - -ANTONIO. Bassanio, zweer, dat deze u heilig blijft! - -BASSANIO. Bij God! den eigen ring gaf ik den doctor! - -PORTIA. Vergeef me, ik heb den ring van hem, Bassanio; -De doctor was mijn bedgenoot er door. - -NERISSA. Vergeef ook mij, mijn beste Gratiano, -Zoo was des doctors klerk, die kleine dreumes, -Voor dezen ring de laatste nacht bij mij. - -GRATIANO. Welzoo, 't is of men wegen ging verbeet'ren -Des zomers, als zij best in orde zijn! -Wat! horens reeds, en eer wij die verdienden? - -PORTIA (tot Gratiano). Spreek niet zoo ruw.--(Tot Bassanio.) Gij - staat geheel verbluft; -Hier hebt ge een brief; lees dien maar later door; -Hij komt van Padua, van Bellario; -Daar zult gij zien, dat Portia was de doctor; -Nerissa daar, zijn klerk; Lorenzo hier -Getuig', dat ik terstond nà u vertrok, -Zoo juist terugkom en mijn huis nog niet -Betreden heb.--Antonio, hartlijk welkom, -Ik kan ook u een beter tijding brengen, -Dan gij verwacht; ontzegel dezen brief; -Gij zult vernemen, dat van uw galjoenen -Een drietal, rijk beladen, binnenviel; -Ik zeg u niet, door welk een wonder toeval -Die brief me in handen kwam. - -ANTONIO. Ik sta verstomd. - -BASSANIO. Waart gij de doctor, en ik kende u niet? - -GRATIANO. Waart gij de klerk, die mij mijn vrouw ontvrijde? - -NERISSA. Ja, maar de klerk zal 't zeker nimmer doen, -Tenzij dat hij 't beleeft, dat hij een man wordt. - -BASSANIO. Nu, doctor, wees mijn bedgenoot; 'k vertrouw, -Moet ik er soms op uit, u graag mijn vrouw. - -ANTONIO. Gij, levenschenkster, schenkt mij thans ook leeftocht; -Want hier zie ik bevestigd, dat mijn schepen -In veil'ge haven zijn. - -PORTIA. En gij, Lorenzo! -Mijn klerk heeft ook voor u een goed bericht. - -NERISSA. Ja, en ik geeft hem zonder schrijversloon;-- -Maar overhandig u en Jessica, -Hier thans een schenking van den rijken jood -Van alles, wat hij bij zijn dood bezit. - -LORENZO. Gij, eedle vrouwen, drupt een hongrig volk -Hier manna op hun weg. - -PORTIA. 't Is bijna dag; -En zeker ziet ge op verre na niet in, -Hoe alles zich wel toedroeg. Gaan wij binnen, -En neemt ons, als ge wilt, daar in 't verhoor; -Wij geven u op alles klaar bescheid. - -GRATIANO. Ja, zij dat zoo; en de eerste vraag, die 'k stel, -Nu ik Nerissa mag verhooren, is, -Of zij dat lange waken uit kan staan, -Of, twee uur vóór den dag, ter rust wil gaan; -Maar zeker zou ik, kwam de dag, dan vragen, -Dat hij voor eens zijn dagen will' vertragen. -Hoe 't zij, mijn leven lang zal ik geen ding -Zoo trouw bewaren als Nerissa's ring. - - (Allen af.) - - - - - - - -AANTEEKENINGEN. - - -Van "De Koopman van Venetië" verschenen in 1600 twee van elkander -onafhankelijke uitgaven, de eene bij James Roberts, de andere bij -Thomas Heyes, waarvan de eerste reeds 28 October 1598 in de registers -van het boekhandelaarsgilde werd ingeschreven. Het verschil tusschen -deze uitgaven is niet zeer groot, maar over het algemeen is de eerste -beter te noemen. Toch is in de folio-uitgave van 1623 de tweede, met -eenige wijziging, afgedrukt.--Dat het stuk in 1598 reeds bekend was, -blijkt uit Francis Meres, die het in zijn Palladis Tamia noemt.--Een -deel van Sh.'s werk, en wel het begin van het vijfde bedrijf, is -nagebootst in een stuk Wily beguiled, van een onbekenden schrijver, -dat in een geschrift van 1596 reeds vermeld wordt. Het is mogelijk, -dat "De Koopman van Venetië" zelfs reeds een paar jaar vroeger -geschreven werd; in het dagboek van den schouwburg-directeur Henslowe -wordt op 25 Augustus 1594 gewag gemaakt van een nieuwe Venetiaansche -comedie, die opgevoerd werd op het tooneel te Newington. Toen werd -het tooneel dezer voorstad gemeenschappelijk bespeeld door den troep -van Henslowe en dien, waar Sh. deel van uitmaakte, en het is mogelijk, -dat "De Koopman van Venetië" bedoeld is; de stijl en de versificatie -bevestigen, dat het stuk, zooal niet in 1594, dan toch zeker omstreeks -dezen tijd is geschreven. - -Gelijk in zoovele andere gevallen, heeft de dichter ook in dit stuk -verhalen, die in zijn tijd reeds lang bekend waren, verwerkt, en er -een nieuwe schepping van gemaakt vol kracht en leven. Opmerkelijk is -het na te gaan, hoe hij hier uit zeer ongelijksoortige stoffen een -wonderschoon geheel heeft gevormd. - -Sh. heeft voor dit stuk geput uit een middeleeuwsche, Latijnsche -verzameling van verhalen of sprookjes, getiteld Gesta Romanorum. In -het 99ste hoofdstuk,--dat reeds in 1577 uit deze verzameling door -Robert Robertson in het Engelsch vertaald was,--komt de geschiedenis -der drie kastjes voor. Een koning van Apulië zendt zijn dochter -over zee naar Rome, om met den zoon des keizers te huwen. Zij lijdt -schipbreuk, wordt door een walvisch verslonden, maar uit diens buik -te voorschijn gehaald. De keizer ontvangt haar, verheugd over haar -behoud, zeer vriendelijk, maar wil haar op de proef stellen, of zij -zijn zoon waardig is. Hij laat drie vazen brengen; de eene was van -zuiver goud, uitwendig met kostbare edelgesteenten versierd, maar -gevuld met doodsbeenderen; zij droeg het opschrift: "wie mij kiest, -vindt wat hij verdient". De tweede was van zilver, met aarde en wormen -gevuld, en had tot opschrift: "wie mij kiest, vindt wat zijn natuur -verlangt". De derde was van lood, bevatte kostbare edelgesteenten -en droeg het opschrift: "wie mij kiest, vindt wat God hem heeft -toegekend". De keizer wees de vazen aan het meisje, met de woorden: -"als gij de vaas kiest, welke bevat wat u en anderen nuttig is, -dan zult gij mijn zoon hebben". Het meisje koos na rijp overleg de -looden vaas en trouwde daarop met den zoon des keizers. - -Een ander verhaal uit dezelfde verzameling, getiteld: De Milite -conventionem faciente cum Mercatore, verhaalt van een krijgsman of -ridder, die van een christen-koopman geld borgde, op voorwaarde, dat -hij al zijn vleesch ten behoeve van den koopman zou verbeurd hebben, -als hij niet op tijd betaalde. Toen dit laatste inderdaad het geval -werd en de ridder voor den rechter gedaagd was, komt zijn vrouw, als -man verkleed, mede voor de rechtbank om den koopman te vermurwen, die -echter steeds op zijn recht blijft staan. Daarop drong de vrouw bij den -rechter aan, dat de koopman den ridder wel het vleesch van de beenderen -zou mogen snijden, maar geen droppel bloeds vergieten.--De koopman -wilde nu met de betaling van het geld genoegen nemen, maar dit werd -hem geweigerd; hij ging heen zonder een penning te hebben ontvangen. - -In deze verhalen is er, zooals men ziet, nòch van een jood, nòch -van een vriendschap als die van Antonio voor Bassanio sprake. Deze -twee bijzonderheden vindt men echter terug in een verhaal eener -Italiaansche Novellenverzameling van Giovanni Florentino, onder -den titel Il Pecorone in 1554 in het licht gegeven. Het verhaal is -daar het eerste der vierde afdeeling. Een rijk Venetiaansch koopman, -Ansaldo, voedt een innige vriendschap voor zijn petekind Giannetto, -die, na zijn vader, een Florentijnsch koopman, verlaten te hebben, -door Ansaldo als kind was aangenomen. Aan een fraaie haven woont -de schoone jonkvrouw van Belmonte, welke ieder, die daar landt, -dwingt om de nacht op haar slot door te brengen, maar, zoo hij -zich niet naar eisch gedraagt, en haar genegenheid niet kan winnen, -hem van zijn schip en goederen berooft; wie de proef doorstaat, zal -haar gemaal worden. Giannetto, op reis naar Alexandrië, hoort van de -schoone jonkvrouw, landt bij haar en tracht haar gunst te winnen, maar -te vergeefs; door een zoeten wijn, die hem gereikt wordt, slaapt hij -in. Van schip en goederen beroofd, keert hij naar Venetië terug. Hij -is ondertusschen door de jonkvrouw zoo betooverd, dat hij van zijn -pleegvader een tweede, nog rijker bevracht schip afsmeekt, om naar haar -hand te staan; hij slaapt weder in en keert nog berooider dan de eerste -maal naar Venetië terug. Zijn vaderlijke vriend Ansaldo laat zich door -zijn beden bewegen hem voor de derde maal een schip uit te rusten, -maar moet daartoe van een jood in Mestin 10000 dukaten leenen onder -voorwaarde, dat de schuld op den eerstvolgenden Sint Jan betaald zal -worden, of dat anders de jood het recht zal hebben, een pond vleesch -uit eenig deel van Ansaldo's lichaam te snijden. Giannetto is ditmaal -gelukkiger en huwt de jonkvrouw van Belmonte. Maar in zijn vreugderoes -denkt hij niet aan zijn weldoener, en deze komt hem eerst op Sint Jan -toevallig weer voor den geest. Ondertusschen was Ansaldo reeds in de -macht van den jood en had slechts met moeite eenig uitstel gekregen, -om te wachten of Giannetto ook terugkwam. Deze kwam inderdaad, maar -vond den jood onvermurwbaar. Doch ook de vrouwe van Belmonte kwam, als -rechter vermomd, en zij beslist, nadat de jood honderdduizend dukaten -had afgeslagen, de zaak als bij Sh., dat de jood niet meer en niet -minder dan een pond mocht nemen en geen druppel bloeds moest storten, -zoodat de jood de schuldbekentenis in woede verscheurt; zij slaat de -honderdduizend dukaten, die haar man den gewaanden rechter aanbiedt, -af, maar noopt hem zijn trouwring af te staan; zij zorgt te huis te -zijn vóór haar man met Ansaldo er aankomt en neemt den schijn aan van -recht verstoord te wezen op haar man, die zijn trouwring aan wie weet -welke vrouw zou gegeven hebben, maar zij vertelt weldra, wie voor -rechter gespeeld heeft, en zij leeft verder zeer gelukkig met haar man. - -Ongetwijfeld is dit verhaal van nog ouderen datum. Hoe de geschiedenis -van den woekerjood opgang maakte, kan nog blijken uit een ballade, -waarvan echter moeilijk te beslissen is, of zij ouder of jonger is -dan Sh.'s stuk. Zij bevat enkel de geschiedenis van den koopman en -den jood, met een (echten) rechter, die, op gelijke wijze als Portia, -den jood van zijn vordering doet afzien. - -Men zie nu, wat Sh. uit deze gegevens wist te maken. - -Wil men zich rekenschap geven van de ligging van Belmonte, dan -kan men zich dit zeer wel te Strà denken, waar vele Venetianen hun -landgoederen hadden, en dan kan Balthazar (III. 4. 53) Portia zeer -goed aan het gewone veer (tragetto), dat ten tijde van Sh. te Fusino -aan de monding der Brenta was, inhalen. - -Over enkele namen nog een enkel woord. Shylock is zeker van -Semietischen oorsprong, misschien verbasterd van Sjelah (I Mos. X. 24), -dat pijl beteekent [1]. Tubal en Chus (zie blz. 313, III. 2. 28) -vindt men I Mos. X. 2 en 6; Jessica zal wel Jiskah zijn (I Mos. XI, -29), wat uitkijkster beteekent, vergelijk IIde Bedrijf, 5. 33. De -naam Gobbo komt in Venetië meer voor; op de Isola del Rialto is een -steenen figuur, die Gobbo di Rialto heet. - - - -I. 1. 98. Hun hoorders strafbaar maakten. Toespeling op Mattheus V. 22; -"Wie tot zijn broeder zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door -het helsche vuur." - -I. 2. 43. Die is inderdaad een veulen. Colt beteekent in het Engelsch -zoowel een veulen als een jonge losbol. - -I. 2. 48. Dan verder de paltsgraaf. Johnson vermoedt hier een -toespeling op een Poolschen paltsgraaf, Albertus a Lasco, die in -het jaar 1583 in Londen groot opzien wekte, maar zich weldra wegens -schulden uit de voeten maakte. - -I. 2. 88. Dat de Franschman zijn borg werd. Warburton vindt hier een -toespeling op de veelvuldige beloften van hulp, die de Franschen -aan de Schotten gaven bij de twisten der laatstgenoemden met de -Engelschen.--Vermeldenswaard is, dat eenige regels vroeger, waar -gesproken wordt van "den Schotschen lord", de folio van 1623 heeft -"den anderen lord", omdat na de troonsbestijging van Jacobus I zulke -aardigheden op de Schotten niet toegelaten werden; de quarto's hebben -hier de ware lezing. - -I. 3. 20. Zooals ik op den Rialto vernam. Onder Rialto is de plaats te -verstaan, die als beurs diende. Een tijdgenoot van Sh. beschrijft die -als een groot gebouw met open galerijen, waar de kooplieden tweemaal -daags samenkwamen, 's morgens tusschen 11 en 12 en 's namiddags -tusschen 5 en 6 uren. - -I. 3. 45. De rente in Venetië. Een Engelsch schrijver over Italië -(1561) zegt, dat de joden in Venetië zeer rijk werden, daar de gewone -rente, die zij bij het uitleenen van geld wisten te maken, vijftien -ten honderd 's jaars bedroeg. - -II. 1. 1. Om mijn kleur. In de oude uitgaven worden kleur en kostuum -aangegeven: Enter Morochus a tawny Moor, all in white, and three or -four followers accordingly. - -II. 1. 25. Den Sophi van Perzië vermeldt Sh. ook in het blijspel -Driekoningenavond een paar keer; Lichas, reg. 32, de ongelukkige -dienaar van Hercules (Alcides), die aan zijn meester het noodlottig -gewaad overbracht, dat hem duldelooze pijnen veroorzaakte, en die -daarom door zijn meester in zee geslingerd werd, wordt ook genoemd -in Antonius en Cleopatra, IV. 12. 45. - -II. 3. 2. Het is een hel, en gij, een snaaksche duivel enz. Aan Jessica -scheen haars vaders huis een hel toe en Lancelot was er de grappige -duivel in. Op het oud-Engelsch tooneel speelde de duivel dikwijls de -rol van den grappenmaker, zie blz. 15. - -II. 7. 56. De gouden munt, engel genoemd, wordt door Sh. meermalen -genoemd, b.v. Koning Jan, III. 3. 8. Zij was 10 shilling waard (f6.-). - -II. 9. 28. Als de zwaluw. De huiszwaluw, in het Engelsch martlet -(Hirundo urbica), maakt haar nest aan de buitenzijde van gebouwen; -meestal vindt men er verscheidene dicht bijeen, zooals Sh. uitvoeriger -in Macbeth I. 6. 4. beschrijft. Sh. wist, welke soort hij koos; de -boerenzwaluw (Hirundo rustica) nestelt binnenshuis, b.v. in stallen, -of, in onbewoonde streken, in rotsholten enz. - -III. 1. 4. De Goodwins, gevaarlijke ondiepten nabij den mond van de -Theems, worden ook vermeld in Koning Jan, V. 3. 11.--Dat oude vrouwen -gaarne gember knauwen reg. 10 (to knap is: in kleine stukjes bijten), -wordt ook vermeld in Maat voor Maat, IV. 3. 8. - -III. 1. 126. Het was mijn turkoois. Aan dezen edelsteen werd -bijzondere kracht toegeschreven; hij werd lichter of donkerder naar -den gezondheidstoestand van den bezitter, beschermde dien voor gevaren, -verzekerde de eendracht tusschen man en vrouw. - -III. 1. 131. Huur een gerechtsdienaar, die Antonio in hechtenis -zou moeten nemen en hem overal vergezellen, opdat hij niet -ontsnapte. Shylock heeft hem wel eerst over veertien dagen noodig, -maar wil hem nu alvast bespreken. - -III. 2. 55. Jonge Alcides. Portia vergelijkt zich met Hesione, de -dochter van den Trojaanschen koning Laomedon, die door haar vader -aan een zeemonster was prijsgegeven, maar door Hercules bevrijd -werd. Dardanen = Trojanen. - -III. 2. 63. Zegt, van waar de wufte min. In 't Engelsch fancy, -een vluchtige, wufte, niet diepgaande min of verliefdheid, wel te -onderscheiden van love, echte liefde. Portia laat hier uitdrukkelijk -zingen, dat de fancy zich door 't oog laat leiden en kortstondig is. De -love moet dus anders doen en zal duurzaam wezen. Portia zegt dus wel -degelijk tot Bassanio, dat hij zich niet door den schijn moet laten -verlokken, met andere woorden, liefst het looden kastje kiezen. Het -verwondert mij, deze opmerking nog nergens te hebben aangetroffen. Dat -Portia inderdaad een duidelijken wenk geeft, blijkt nog beter uit het -oorspronkelijke; de vertaling vermocht hier niet het Engelsch geheel -terug te geven: - - - Tell me, where is fancy bred, - Or in the heart, or in the head? - How begot, how nourished? - Reply, reply. - It is engendered in the eyes, - With gazing fed; and fancy dies - In the cradle, when it lies. - Let us all ring fancy's knell: - I'll begin it,--Ding, dong, bell. - - -III. 2. 86. Al bergt de lever zelfs geen droppel gal. In het Engelsch -wordt van een melkwitte lever gesproken, die voor een blijk van -lafheid geldt. In den volgenden regel wordt de baard eigenlijk een -uitgroeisel van dapperheid, valour's excrement geheeten.--De gulden -lokken worden meermalen door Sh. vermeld. Zij waren zeer in de mode, -ongetwijfeld omdat Koningin Elizabeth roodachtig haar had. Zoo zegt -Sh. b.v. in zijn 68ste sonnet: - - - "Zoo is hij ons een beeld uit beter dagen, - Toen schoonheid leefde en stierf als bloemen thans, - Aleer zij waagde een basterdschild te dragen, - En 't voorhoofd schittren deed met valschen glans;" - - -Dit ziet op het blanketten, de valsche lokken volgen: - - - "Eer gouden lokken, aan het graf geroofd, - Van dooden afgemaaid, een tweede leven, - Een valsch, begonnen op een tweede hoofd, - Eer schoonheids dood aan andren schoon moest geven." - - -Men zie hierover ook het Kostelick Mal van onzen Huygens, in 1622 te -Londen voltooid. - -III. 4. 52. Breng, dat.... naar 't veer, waarmee men.... Venetië -bereikt. Bring them.... Unto the traject, to the common ferry, which -trades to Venice. Traiect (voor het zeker bedorven tranect gesteld) -is geen zeer gewoon Engelsch woord, en wordt daarom verklaard; het -is het Italiaansche tragetto. - -III. 4. 78. Zoo mannen na te gaan. In 't Engelsch is de woordspeling -eenigszins anders; er staat: shall we turn to men = tot mannen worden -en = ons naar de mannen wenden. - -IV. 1. 49. En die zit, bij den neustoon van de zakpijp, Op spelden -schier. In het oorspronkelijke: And others, when the bagpipe sings i' -the nose, Cannot contain their urine. - -IV. 1. 199. Dat, naar gerechtigheid, geen onzer ooit Behouden -wordt. Diezelfde toespeling op het Christelijk geloof vindt men in Maat -voor Maat, II. 2. 73. Het vervolg doelt blijkbaar op het Onze Vader. - -IV. 1. 247. De wet is duid'lijk; zin en woorden slaan Volkomen op -de thans vervallen boete. De redeneeringen van den jeugdigen Daniël -zijn recht aardig gevonden en bereiken het doel volkomen, maar mogen -wel eens nader bekeken worden. Een echt jurist, zou, dunkt mij, -de schuldbekentenis ipso jure nul en nietig hebben verklaard, omdat -zij een onzedelijke bepaling bevatte. Maar erkende de rechter haar -als geldig, dan mocht de jood snijden, en dan was het een slinksche, -sluwe streek, hem het storten van bloed te verbieden, want dit was -onvermijdelijk bij de toepassing van het recht tot snijden, dat door -de schuldbekentenis was toegestaan. Verder: mocht de jood ook al -niet meer dan een pond snijden, het minder nemen kon toch niet wel -strafbaar zijn. De Romeinsche wetten der XII tafelen waren juister; -bij het in stukken snijden (in partes secare) van schuldenaars wordt -opgemerkt, dat het op iets meer of iets minder niet aankomt: si plus -minusve secuerit, sine fraude esto. Heeft dus Sh. dit niet bedacht, -toen hij uit zijn bronnen deze tragische episode in zijn blijspel -invlocht? Nog één vraag komt bij ons op. Bezigt hij het ontfutselen, -onmiddellijk na de gerechtsscène, der huwelijksringen door Portia en -Nerissa, aan haar mannen, om in het vijfde bedrijf zijn toeschouwers na -de geweldige spanning, waarin zij verkeerden, weder in de stemming van -het blijspel terug te brengen? De wijze, waarop in den tegenwoordigen -tijd de rol van Shylock wordt opgevat, moge dit doen denken, maar er -is inderdaad alle reden om aan te nemen, dat deze opvatting niet de -ware is, dat de dichter en zijn tijdgenooten in de gerechtsscène een -tooneel zagen, dat werkelijk geheel in een blijspel paste. - -Sh.'s tijdgenoot en vriend, de groote tooneelspeler Burbage, die Sh.'s -bedoelingen ongetwijfeld juist teruggaf, vatte, zooals bekend is, -de rol van Shylock inderdaad als een comische rol op, doste zich uit -en stelde den jood voor op een wijze, die het voor den toeschouwer -werkelijk zeer vermakelijk maakte, dat Shylock op het oogenblik, -dat hij zeker van zijn wraak dacht te zijn, er van verstoken werd; -dat dit door louter sophismen geschiedde, maakte de zaak des te -kostelijker. Zien wij, hoe Sh. den jood inderdaad gemeene trekken -leende, deed wenschen, dat zijn dochter aan zijn voeten gekist lag, -hem zijn mes op zijn schoenzool deed aanzetten, dan worden wij -overtuigd, dat deze opvatting de ware is, dan zal de spanning bij -de gerechtsscène nooit tot een tragische hoogte stijgen, want wij -weten vooraf, dat de jood, hoe dan ook, bedrogen zal uitkomen, dan -zijn de gronden van den baardeloozen rechter, hoe sophistisch ook, -inderdaad volkomen passend, eenvoudig omdat zij tot het doel voeren, -dan vragen wij niet, of ooit in Venetië de rechtspraak zoo aan een -vreemden rechtsgeleerde werd overgegeven, dan is de vroolijkheid, -opgewekt door Shylocks en Gratiano's vermelding van den wijzen -Daniël en door Bassanio's en Gratiano's wenschen, dat zij met hun -vrouwen Antonio's vrijheid konden koopen, volkomen op haar plaats, -dan rillen wij niet bij de gedachte, dat de jood in zijn woede -kan toestooten, dan is geen schrille tegenstelling tusschen het -gerechtstooneel en het vervolg. De dichter behoeft niet plotseling -tot het blijspel terug te keeren, want hij is er nooit van afgeweken; -dat hij er iets huiveringwekkends ingebracht heeft, was alleen om -later de vroolijkheid nog te verhoogen, zooals,--de opmerking is van -Rümelin in zijn Shakespeare Studien--Sinterklaas en zijn knecht in -de kinderkamer treden, om na een oogenblik van spanning den jubel -des te grooter te maken. - -Inderdaad, letten we op de plaats, dien in Sh.'s tijd de joden in de -maatschappij innamen, dan beseffen wij, dat de jood Shylock zeker niet -als tragisch personage bedoeld kan zijn en dat alleen de bijzonderheid, -dat Shakespeare, in onpartijdigheid zijn tijdgenooten ver vooruit, -hem redeneeringen in den mond legt, waarvan wij de juistheid moeten -toestemmen en die zijn woede verklaarbaar maken, er velen toe gebracht -heeft, om hoogtragischen pathos daar te vinden, waar wij nog midden -in het blijspel zijn. - -Eindelijk zij nog opgemerkt, dat alleen in een stuk, waarin tot vermaak -van het publiek, de jood bedrogen moet uitkomen, de eisch kan gesteld -worden, dat de jood, tot straf van zijn aanslag op Antonio, zich den -doop moet laten toedienen. Een jood gruwt bij die gedachte, daarom -werd deze boete aan Shylock niet gespaard; in een blijspel, dat zoo -veel sprookjesachtigs heeft, kunnen wij ons dit zeer goed voorstellen, -maar wanneer wij de gerechtsscène als een tooneel beschouwen, dat -ons door tragischen ernst diep in de ziel moet grijpen, moet ons die -eisch voorkomen als een profanatie van wat in veler oogen heilig is. - -IV. 1. 399. Tien hadt gij er meer. Twaalf gezworenen, die het schuldig -zouden uitspreken. - -V. 1. 1. In zulk een nacht. Deze wisseling van gezegden, telkens met -"In zulk een nacht" beginnende, is het, die in het stuk Wily beguiled -is nagebootst; zie blz. 343. De verliefdheid van Troilus op Cressida -was algemeen bekend, al ware 't slechts uit Chaucer's Troilus and -Creseide. Een wilgetak of wilgekrans was het teeken eener verlaten -geliefde; zie Koning Hendrik VI, derde deel, III. 3. 228. Othello, -IV. 3. 42; daarom klimt ook Ophelia op een wilg, Hamlet, IV. 4. 167. De -geschiedenis van Medea vindt men reeds in Gower's Confessio Amantis. - -V. 1. 220. Heil'ge vonken. In 't oorspronkelijke staat: kaarsen, -candles of the night, evenals in Romeo and Julia, III. 5. 9. - - - - - - - -AANTEEKENING - - -[1] Anders kan het veeleer samenhangen met het Joodsch-Arameesche -sjelaq, verbrand worden, dat een enkele maal ook voor snijden gebruikt -wordt; dan zou Shylock beteekenen: hij, die snijdt. - - - - - - -End of Project Gutenberg's De Koopman van Venetië, by William Shakespeare - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KOOPMAN VAN VENETIË *** - -***** This file should be named 51138-0.txt or 51138-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/1/1/3/51138/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
\ No newline at end of file |
