summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-05 04:03:14 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-05 04:03:14 -0800
commit7d55ecf0e7a6863f2a4c324b6dca36bd5a4ba1fd (patch)
tree72b52a80f7d251713a762538f08a280e10fb8cae
parente2ebe66b4e66da7c6796e8d4f47acd2f66ac1274 (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/50677-0.txt14662
-rw-r--r--old/50677-0.zipbin224791 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h.zipbin466432 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/50677-h.htm19386
-rw-r--r--old/50677-h/images/initial-m.pngbin3698 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/lbrace2.pngbin239 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/new-cover-tn.jpgbin10938 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/new-cover.jpgbin54786 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o088.pngbin502 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o143.pngbin1185 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o156.pngbin2448 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o158.pngbin947 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o173.pngbin1832 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o176.pngbin1348 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o182.pngbin1191 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o190.pngbin2886 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o206.pngbin1130 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o210.pngbin2213 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o221.pngbin1121 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o225.pngbin1008 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o230.pngbin1556 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o238.pngbin3177 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o252.pngbin3196 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o261.pngbin4143 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o269.pngbin3540 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o284.pngbin1959 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o292.pngbin2294 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o302.pngbin1772 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o306.pngbin783 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/o312.pngbin1538 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/rbrace2.pngbin236 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/rbrace3.pngbin231 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/titlepage.pngbin19020 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/50677-h/images/wapen.jpgbin18794 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/old/50677-8.txt14663
-rw-r--r--old/old/50677-8.zipbin224004 -> 0 bytes
39 files changed, 17 insertions, 48711 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..6913022
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #50677 (https://www.gutenberg.org/ebooks/50677)
diff --git a/old/50677-0.txt b/old/50677-0.txt
deleted file mode 100644
index 683f93d..0000000
--- a/old/50677-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,14662 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Beówulf, by Anonymous
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Beówulf
- Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met
- inleiding en aanteekeningen voorzien
-
-Author: Anonymous
-
-Translator: L. Simons
-
-Release Date: December 12, 2015 [EBook #50677]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEÓWULF ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE
- VOOR TAAL- & LETTERKUNDE
-
- BEOWULF
-
- ANGELSAKSISCH VOLKSEPOS
-
- VERTAALD IN STAFRIJM
-
- EN MET INLEIDING
- EN AANTEEKENINGEN VOORZIEN
-
- DOOR
-
- Dr. L. SIMONS
-
- BRIEFWISSELEND LID
- DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE
- VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE
- LEERAAR AAN 'T KONINKLIJK ATHENAEUM TE BRUSSEL.
-
-
-
- GENT
- A. SIFFER
- Drukker der Koninklijke Vlaamsche Academie
-
- 1896
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN WOORD VOORAF
-
-
-Mijn doel bij het uitgeven dezer Beowulf-bewerking was, in eene leemte
-te voorzien en tevens de uitkomsten van de onderzoekingen over een
-der belangrijkste letterkundige voortbrengselen in breeder kring
-te verspreiden.
-
-Daarom zijn aan de vertaling talrijke ophelderingen en eene
-breedvoerige inleiding toegevoegd.
-
-Ik heb den tekst van Socin gevolgd; daar waar ik de voorkeur geef
-aan eene andere lezing, heb ik mijne handelwijze gerechtvaardigd in
-de Aanmerkingen op het einde van het werk.
-
-Van de vertaling valt niets bijzonders te zeggen; ik sluit mij
-zoo getrouw mogelijk bij mijn voorbeeld aan, en dat dit geene
-gemakkelijke taak was, zal hij, die in den ingewikkelden tekst van het
-oorspronkelijke thuis is, het best begrijpen, vooral als hij nagaat,
-hoe ver ons Nederlandsch in rijkdom van zinverwante woorden ten achter
-staat bij de Angelsaksische epiek.
-
-Een enkel woord over de versmaat.
-
-Ik had, evenals de Geyter, het Reinaertsvers kunnen aanwenden, dat uit
-het algemeen Oudgermaansche vers gesproten is, vooral daar het heel wat
-meer speelruimte aanbiedt dan de, door mij gebezigde, eng begrensde
-vijfvoetige jambus; nochtans heb ik van zijn gebruik afgezien, omdat
-het, zooals Max Rooses te recht aanmerkt, «te gemeenzaam klinkt voor
-epische verhalen».
-
-Buitendien leent zich de vijfvoetige jambus zeer goed tot de indeeling
-in halfverzen, het hoofdkenmerk der oude epische versmaat.
-
-Heb ik mij door het verwerpen van het Reinaertsvers een blok aan 't
-been gelegd, van den anderen kant veroorloof ik mij meer vrijheid
-van beweging bij het stafrijm; en geen wonder, want onze taal is
-er geheel en al aan ontwend. In dit opzicht sluit ik mij aan bij de
-Middelengelsche dichters, die op dit punt wat minder nauwgezet waren
-dan hunne voorgangers.
-
-Vandaar dat de twee halfverzen niet altijd door een gemeenschappelijk
-stafrijm (naar het voorbeeld ab ab) tot een geheel vereenigd worden,
-maar integendeel elk op zich zelf een afzonderlijk stafrijm hebben
-(aa bb).
-
-Het schijnt mij zelfs toe, dat het stafrijm in onze tegenwoordige
-taal op deze laatste wijze alleen het best tot zijn recht komt.
-
-Men leze en oordeele.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TE RAADPLEGEN LITERATUUR OVER DEN BEOWULF.
-
-
-De volgende uitgebreide lijst is ontleend aan James M. Garnett,
-Beowulf, An Anglo-Saxon Poem; Boston U. S. A. 1893.
-
-Eenige na dien tijd verschenen werken heb ik er aan toegevoegd.
-
-
-Uitgaven:
-
-Thorkelin. De Danorum rebus gestis secul. III et IV poema Danicum
-dialecto Anglosaxonica. Havniae, 1815, met eene Latijnsche vertaling.
-
-Conybeare. Illustrations of Anglo-Saxon Poetry, London,
-1826. Thorkelin's uitgave wordt er met het Hs. vergeleken en eene
-Latijnsche en voor sommige plaatsen eene Engelsche vertaling aan
-toegevoegd.
-
-Kemble. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Traveller's song and
-the Battle of Finnsburg, London, 1833; 2de uitgave, 1835-37, in twee
-deelen, waarvan het tweede eene volledige Engelsche vertaling behelst.
-
-Schaldemose. Beowulf og Scopes Widsidh, Kopenhagen, 1847, 2de uitgave,
-1851. Kemble's tekst met Deensche vertaling.
-
-Thorpe. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Scôp or Gleeman's
-Tale, and the Fight at Finnsburg, Oxford, 1855; met Engelsche
-vertaling. Herdruk zonder wijzigingen in 1875.
-
-Grein. Bibliothek der Angelsächsischen Poesie, 1ste deel, blz. 255,
-Beowulf; Göttingen, 1857.
-
-Grundtvig. Beowulfes Beorh; Kopenhagen, Londen en Leipzig, 1861,
-met eene vergelijking van de twee afschriften van het Hs. in 1786
-door Thorkelin gemaakt.
-
-Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863; 2de uitgave, 1868; 3de uitg., 1873;
-4de uitg., 1879; 5de uitg., door Socin bezorgd, 1888; met het beste
-glossarium.
-
-Grein. Beowulf nebst den Fragmenten Finnsburg und Waldere; Cassel en
-Göttingen, 1867.
-
-Ettmüller, Carmen de Beowulfi Gautarum regis rebus praeclare gestis
-atque interitu, quale fuerit antequam in manus interpolatoris,
-monachi Vestsaxonici, inciderat. Turici, 1875.
-
-Arnold, Thomas. Beowulf. A heroic poem of the eighth century, London,
-1876; met eene Engelsche vertaling.
-
-Wülcker. Grein's Bibliothek der A. S. Poesie. Neu bearbeitet
-u. s. w. 1ste deel, 1ste helft; Cassel, 1881. Herstelde tekst met
-critische nota's in 1ste deel, 2de helft; Cassel, 1883.
-
-Holder. Beowulf. I. Abdruck der Handschrift; 2de uitg. Freiburg en
-Tübingen, 1882. Hs. door Holder vergeleken in 1875 met gebruik
-van Thorpe's oorspronkelijke collatie in 1830. II. Tekst en
-glossarium. 1884.
-
-Harrison en Sharp. Beowulf; volgens Heyne's tekst en
-woordenlijst. Boston, 1883; 2de uitg., 1885; 3de vermeerderde uitg.,
-1888.
-
-Zupitza. Beowulf; Autotypes of the unique Cotton MS. Vitellius
-A. XV. in the British Museum; with a transliteration and notes;
-London, 1882; Early English Text Society.
-
-Kölbing. Zur Beowulf-Handschrift. Herrig's Archiv für das Studium
-der neueren Sprachen; LVI, 91. Eene volledige vergelijking van het Hs.
-
-
-Afzonderlijke vertalingen.
-
-Grundtvig. Bjowulfs Drape; Kopenhagen, 1820, 2de uitgave, 1865.
-
-L. Ettmüller, Beowulf. Heldengedicht des achten Jahrhunderts, zum
-ersten Male aus dem Angelsächsischen in das Neuhochdeutsche stabreimend
-übersetzt und mit Einleitung und Anmerkungen vorsehen. Zürich, 1840.
-
-Wackerbarth. Beowulf, translated into English verse; London, 1849.
-
-Grein. Dichtungen der Angelsachsen, stabreimend übersetzt; 2 deelen;
-Göttingen, 1857-59; 1ste deel, 2de uitg., 1863. Afzonderlijke uitgave
-van de Beowulf-vertaling, Cassel, 1883.
-
-Sandras. De carminibus Caedmoni adjudicatis; Parijs, 1859; met
-uittreksel van Beowulf en Latijnsche vertaling.
-
-Simrock. Beowulf, übersetzt und erläutert; Stuttgart en Augsburg, 1859.
-
-Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863.
-
-Von Wolzogen. Beowulf; Leipzig, Reclam-Bibliothek.
-
-Botkine. Beowulf. Epopée Anglo-Saxonne, traduite en francais pour la
-première fois; Havre, 1877.
-
-Lumsden. Beowulf, translated into modern rhymes; London, 1881; 2de
-uitg., 1883.
-
-Zinsser. Der Kampf Beowulfs mit Grendel. Probe einer metrischen
-Uebersetzung des A. S. epos Beowulf; Jahresbericht van de Realschule
-te Forbach, 1881.
-
-Grion, Giusto. Beovulf, poema epico anglo-sassone del VII secolo,
-tradotto e illustrato; Lucca, 1883. De eerste Italiaansche vertaling.
-
-Wickberg. Beowulf, en fornengelek hjeltedikt, äfersatt; Westervik. De
-eerste Zweedsche vertaling.
-
-Voegen wij er nog bij de reeds aangehaalde Engelsche vertaling van
-Garnett.
-
-
-Werken van bijzonderen aard.
-
-Müllenhoff. Beowulf. Untersuchungen über das Angelsächsische Epos
-und die älteste Geschichte der germanischen Seevölker; Berlijn,
-1889. Mythus, geschichtliche Elemente; die Geaten und Schweden,
-die Dänen, die Angeln und Sachsen.
-
-B. ten Brink. Beowulf. Untersuchungen; Strassburg, 1888. De schrijver
-houdt er zich vooral bezig met de innerlijke geschiedenis van het epos.
-
-Sarrazin. Beowulf-Studien; Berlijn, 1888. Ursprung der Sage, die
-Skand. orig. Dichtung, die Angels. Bearbeitung, die Stellung des
-Beowulf-epos in der Entwicklung der altengl. Poesie.
-
-Kemble. Ueber die Stammtafel der Westsachsen; Munchen, 1836.
-
-Heyne. Ueber die Lage und Construction der Halle Heorot; Paderborn,
-1864.
-
-Botkine. Beowulf. Analyse historique et géographique; Parijs, 1876.
-
-Dederich. Historische und geographische Studien zum Angelsächsischen
-Beowulfsliede; Keulen, 1877.
-
-Grein. Die historischen Verhaltnisse des Beowulfliedes. Ebert's
-Jahrbuch für rom. und engl. Literatur, IV, 260 (1862).
-
-Schultze. Altheidnisches in der A. S. Poesie, speciell im
-Beowulfsliede; Berlijn, 1877.
-
-Skeat. The Name Beowulf. Academy, 1877, I. 163.
-
-Leo. Beowulf, das älteste deutsche, in angelsächsischer Mundart
-erhaltene Heldengedicht, nach seinem Inhalte und mythologischen
-Beziehungen betrachtet; Halle, 1839; met vertaalde uittreksels.
-
-Sarrazin. Der Schauplatz des ersten Beowulfliedes und die Heimat des
-Dichters. Paul und Braune's Beiträge, XI, 528-541.
-
-Id. Die Beowulfsage in Dänemark. Anglia, IX, 195-199.
-
-Id. Beowa und Böthvar. Anglia, IX, 200-204.
-
-Id. Beowulf und Kynewulf. Anglia, IX, 515-550.
-
-Id. Altnordisches im Beowulfliede. Beiträge, XI, 528-541.
-
-Sievers. Die Heimat des Beowulf-dichters. Beiträge, XI, 354-362.
-
-Id. Altnordisches im Beowulf? Beiträge, XII, 168-200.
-
-Klöpper. Heorot-Hall in the Anglo-Saxon Poem of Beowulf. Festschrift
-für K. E. Krause. Rostock.
-
-Haigh. The Anglo-Saxon Sagas; Londen, 1861; eene poging om de in het
-epos vermelde plaatsen in Engeland thuis te brengen.
-
-Müller, N. Die Mythen im Beowulf in ihrem Verhältniss zur germanischen
-Mythologie betrachtet; Leipzig, 1878.
-
-Suchier. Ueber die Sage von Offa und Thrydho. Beiträge, IV, 500.
-
-Vigfusson. Grettis Saga, in de voorrede van zijne Sturlunga Saga;
-Oxford, 1878.
-
-Gering. Der Beowulf und die Isländische Grettissaga; Anglia, III, 74.
-
-Smith, C. Sprague. Beowulf Gretti, in New Englander, IV, 49.
-
-Ettmüller. Altnordischer Sagenschatz, 1870.
-
-Symons. Heldensage. Grundriss der Germanischen Philologie; VII
-Abschnitt.
-
-G. Kurth. Histoire poétique des Mérovingiens; Paris, 1893.
-
-Müllenhoff. Der Mythus von Beowulf. Haupt's Zeitschrift, VII, 419.
-
-Skeat. The Monster Grendel in «Beowulf». Journal of Philology, No
-29, XV.
-
-Schneider. Der Kampf mit Grendels Mutter. Program des
-Friedrichs-Realgymnasiums; Berlijn, 1887.
-
-Hornburg. Die Composition des Beowulf. Program van het Lyceum in
-Metz, 1877.
-
-Möller. Das altenglische Volksepos in der ursprünglichen strophischen
-Form; Kiel, 1883.
-
-Rönning. Beowulfs-Kvadet. En literaer-historisk
-undersögelse. Kopenhagen, 1883.
-
-Krüger. Ueber Ursprung und Entwickelung des Beowulfliedes. Herrig's
-Archiv, LXXI, 129, 1884.
-
-Id. Zum Beowulfliede. Program des städtischen Realgymnasiums in
-Bromberg, 1884.
-
-Merbot. Aesthetische studiën zur angelsächsischen Poesie; Breslau,
-1883.
-
-March. The World of Beowulf. Proceedings of the
-Amer. Phil. Association, 1882.
-
-Harrison. Old Teutonic Life in «Beowulf». Overland Monthly, July, 1884.
-
-Bugge. Studien über das Beowulfepos. Beiträge XII, 1-80 en 360-375.
-
-Sarrazin. Entgegnung. Englische studien, XIV, 421-427. Een antwoord op
-Koeppel's beoordeeling van Sarrazin's Beowulf-Studien. Eng. Stud. XIII,
-475.
-
-Koeppel's antwoord; Eng. Stud. XIV, 427-432.
-
-Deskau. Zum Studium des Beowulf. Berichte des freien deutschen
-Hochstiftes. 1890.
-
-Hertz. Beowulf, das älteste germanische Epos. Nord und Süd, XXIX,
-229-253; 1884.
-
-Weinhold. Altnordisches Leben, 1856.
-
-Kalund. Sitte. Skandinavische Verhältnisse. Grundriss der Germanischen
-Philologie, XIII. Abschnitt.
-
-Schultz. Sitte. Deutsch-Englische Verhältnisse. Grundriss enz.
-
-Deze schrijver maakt er een komaf mee met de volgende verklaring:
-«Von hoher Bedeutung dagegen für die Sittengeschichte der Angelsachsen
-ist das Beowulflied.»
-
-Fahlbeck. Beowulfsqvädet enz. Antiquarisk Tidskrift för Sverige, VIII.
-
-Lehmann. Brünne und Helm im angelsächsischen Beowulfliede; Leipzig,
-1885.
-
-Id. Ueber die Waffen im angelsächsischen Beowulfliede, Germania,
-XXXI, 486-497.
-
-Bugge. Til de oldengelske digte om Beowulf og Waldere. Tidskrift for
-Philologi og Pädagogik, VIII, 1869-70.
-
-Davidson, Chas. Differences between the Scribes of «Beowulf». Modern
-Language, Notes, V, 85 en 378; 1890.
-
-Mc Clumpha, Chas. Differences between the Scribes of
-«Beowulf». Mod. Lang. Notes, V, 245, 1890.
-
-Schultze. Ueber das Beowulfslied. Program van de Realschule te
-Elbing, 1864.
-
-Schröder. Om Bjowulfs-drapen. Kopenhagen, 1875.
-
-Arnheim. Ueber das Beowulflied. Bericht über die Jacobsonsche Schule
-zu Seesen, 1867-71.
-
-Kölbing. Kleine Beiträge. Kölbing's Englische Studiën, III, 92;
-zu Beowulf, 168.
-
-Outzen. Ueber das A. S. Beowulfs-Gedicht. Kieler Blätter, III,
-312; 1816.
-
-Schemann. Beowulf. Antichissimo poema epico de' popoli
-Germanici. Giornale Neapolitano di filosofia e lettere, scienze morale
-e politiche, IV, Vol. VII, 63, 175.
-
-Earle. Beowulf. Canadian Monthly, II, 83, 1872.
-
-Id. Beowulf. Household Words, XVII, 459.
-
-Id. Beowulf. London Times, Weekly ed., Oct. 9, 1885.
-
-Gibb. Gudrun, Beowulf and Roland; 2de uitg. Londen, 1883.
-
-Powell. Recent Beowulf Literature (Harrison, Holder, Lumsden). Academy,
-no 648, Oct. 4, 1884.
-
-Id. Harrison's «Beowulf». Academy, no 654, Nov. 15, 1884.
-
-Harrison. Beowulf. Academy, no 653, Nov. 8, 1884.
-
-Garnett. The Translation of Anglo-Saxon Poetry. Public. of the
-Mod. Lang. Assoc. of America. Vol. VI, no 3; 1891.
-
-Bright. Review of Harrison and Sharp's «Beowulf». Litteraturblatt
-für germ. und rom. Philologie; Juni, 1884.
-
-Gummere. The Translation of «Beowulf». Amer. Journal of Philology,
-VII, 1886.
-
-Schilling. The Finnsburg-Fragment and the
-Finn-Episode. Mod. Lang. Notes, II, 291, 1887.
-
-Corson. A passage of Beowulf (2724 vlg.). Mod. Lang. Notes, III,
-193; 1888.
-
-Krüger. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 571-578.
-
-Kittredge. Zu Beowulf, 107 vlg. Beiträge, XIII, 210.
-
-Miller. The Position of Grendel's Arm in Heorot. Anglia, XII, 396-400.
-
-Zupitza. Zu Beowulf, 850. Herrig's Archiv, 84, 124; 1890.
-
-Joseph. Zwei Versversetzungen im Beowulf. Zeitschrift für deutsche
-Philologie, XXII, 385-397.
-
-Schröer. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIII, 333-348.
-
-Sievers. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIV, 133-146.
-
-Kluge. Sprachhistorische Miscellen. Beiträge VIII, 532.
-
-Id. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 187.
-
-Cosijn. Zum Beowulf. Beiträge, VIII, 508.
-
-Id. Beowulf. Taalkundige bijdragen, I, 286.
-
-Id. Aanteekeningen op den Beowulf; Leiden, 1892.
-
-Sievers. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 135 en 370.
-
-Nader. Zur Syntax des Beowulf. Twee programma's van de
-Staats-Oberrealschule te Brünn, 1879-80.
-
-Lichtenheld. Das schwache Adjectiv im Angelsächsischen. Haupt's
-Zeitschrift, XVI, 325.
-
-Nader. Der Genitiv im Beowulf. Program van de Staats-Oberrealschule
-te Brünn, 1882.
-
-Id. Dativ und Instrumental im Beowulf. Jahresbericht van de Weener
-Oberrealschule, 1882-83.
-
-Hotz. On the Use of the Subjunctive Mood in Anglo-Saxon and its
-further history in Old English; Zurich, 1882.
-
-Köhler. Der syntaktische Gebrauch des Infinitivs und Particips im
-Beowulf; Münster, 1886.
-
-Nader. Tempus und Modus im Beowulf. Anglia, X, 542-563, en XI, 444-449.
-
-Davidson. The Phonology of the Stressed Vowels in «Beowulf». Public. of
-the Mod. Lang. Associat. of America. Vol. VI, no 3. 1891.
-
-Harrison. List of Irregular (strong) Verbs in «Beowulf». Amer. Journal
-of Philology, IV, 462.
-
-Schubert. De Anglosaxonum arte metrica; Berlijn, 1870.
-
-Vetter. Ueber die Germanische Alliterationspoesie; Weenen, 1872.
-
-Rehrmann. Essay on Anglo-Saxon Poetry. Program van de Hoogere
-Burgerschool in Lübben, 1876.
-
-Rieger. Die Alt- und Angel-sächsische verskunst; Halle, 1876.
-
-Schipper. Englische Metrik. I deel, Altenglische Metrik; Bonn, 1882.
-
-Tolman. The Style of Anglo-Saxon Poetry. Transactions of the Modern
-Language Association of America; Vol. III, 1887.
-
-Hirt. Untersuchungen zur West-germanischen verskunst; Leipzig, 1889.
-
-Guest. History of English Rhythms, 2 deelen, 1838; heruitgegeven in
-1 deel door Skeat, 1882.
-
-Banning. Die epischen Formeln im Beowulf; Marburg, 1886.
-
-Bode. Die Kenningar in der angelsächsischen Dichtung; Darmstadt en
-Leipzig, 1886.
-
-Arndt. Ueber die altgermanische epische Sprache; Paderborn, 1877.
-
-Schemann. Die Synonyma im Beowulfsliede, mit Rücksicht auf Composition
-und Poetik des Gedichts; Hagen, 1882.
-
-Hoffmann. Der bildliche ausdruck im Beowulf und in der Edda. Englische
-Studien, VI, 1883.
-
-Heinzel. Ueber den Stil der altergermanischen Poesie; Strasburg, 1875.
-
-Gummere. The Anglo-Saxon Methaphor; Halle, 1881.
-
-Schulz. Die Sprachfonnen des Hildebrandsliedes im Beowulf. Program
-van de Realschule te Koningsbergen, 1882.
-
-Sievers. Zur rhythmik des germanischen
-alliterationsverses. I. Vorbemerkungen. Die metrik des
-Beowulf. Beiträge, X, 209-314. II. Sprachliche ergebnisse. Beiträge,
-X, 451-545.
-
-Id. Der angelsächsische Schwellvers. Beiträge, XII, 454-482.
-
-Id. Altgermanische Melrik. Grundriss der Germanischen Philologie. IX
-Abschnitt.
-
-ten Brinck. Altenglische Literatur. Grundriss enz. VIII Abschnitt.
-
-Haupt's Zeitschrift für Deutsches Altertum:
-
- V. 10. Haupt. Zum Beowulf.
- VII. 410. Müllenhoff. Sceaf und seine Nachkommen.
- VII. 524. Bachlechner. Die Merovinge im Beowulf.
- XI. 59. Bouterwek. Zur Kritik des Beowulfliedes.
- XI. 176. Rieger. Ingaevonen, Istaevonen, Hermionen.
- XI. 272. Müllenhoff. Zur Kritik des A. S. Volksepos.
- XI. 409. Dietrich. Rettungen.
- XII. 259. Müllenhoff. Zeugnisse und Excurse zur deutschen
- Heldensage.
- XIV. 193. Müllenhoff. Die innere Geschichte des Beowulfs.
-
-Zeitschrift für deutsche Philologie (Höpfner en Zacher):
-
- II. 305. Köhler. Die Einleitung des Beowulfliedes, en Die
- beiden Episoden von Heremod.
- II. 371. Rieger. Beoordeeling van Heyne's 2de uitgave.
- III. 381. Rieger. Zum Beowulf.
- IV. 192. Bugge. Zum Beowulf.
-
-Germania (Pfeiffer):
-
- I. 297 en 455. Bachlechner. Eomaer und Heming (Hamlac).
- I. 384. Bouterwek. Das Beowulflied. Eine Vorlesung.
- VIII. 489. Holtzmann. Zu Beowulf. (Textkritik.)
- XIII. 129. Köhler. Germanische Alterthümer im Beowulf.
-
-Anglia IV, 69. Wülcker. Bespreking van de Beowulfvertalingen.
-
-ten Brink. Geschichte der englischen Litteratur; 1ste deel, Berlijn,
-1877.
-
-Wülcker. Grundriss zur Geschichte der angelsächsischen Litteratur;
-Leipzig, 1885.
-
-Robinson, W. Clarke. Introduction to our Early English Literature;
-Londen, Durham en Heidelberg, 1885.
-
-Earle. Anglo-Saxon Literature; 1884.
-
-Taylor. Historic Survey of German Poetry; 3 deelen, 1830.
-
-Lonfellow. Anglo-Saxon Literature. N. Am. Review, XLVII, no 100; 1838.
-
-Petheram. Historical Sketch of Anglo-Saxon Literature in England, 1840.
-
-Wright. Biographia Britannica Literaria, Vol. I, Anglo-Saxon Period,
-1842.
-
-Lappenberg. History of England under the Anglo-Saxon kings. Translated
-by B. Thorpe, 2 vols. 1845.
-
-Kemble. Saxons in England, 2 vols. 1849.
-
-Green. The Making of England, 1882.
-
-Grimm. Deutsche Mythologie.
-
-Simrock. Handbuch der Deutschen Mythologie, 1878.
-
-Mone. Untersuchunqen zur Geschichte der deutschen Heldensage, 1836.
-
-Grimm. Die Deutsche Heldensage, 1867.
-
-Wagner. Deutsche Heldensage, 1881.
-
-Wagner en Mc Dowall. Epics and Romances of the Middle Ages, 1883.
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
- Wat is den arme 't schoon der lente? Niets!
- Een starrenhemel? Niets! Wat is hem kunst?
- Wat zijn hem tonen, tinten, geuren? Niets!
- Wat is hem Poëzie?
-
-
-Zonder zich juist op het standpunt te moeten plaatsen van Multatuli,
-zal wel menig dichter met hem instemmen bij het zien van de practische
-richting onzer eeuw, waarin onder de ontwikkelden slechts weinigen,
-eenige fijnproevers en voor het overige beoordeelaars, wier vak het
-meebrengt, belang stellen in de poëzie, terwijl de groote menigte in
-de beslommeringen en bekommeringen van den strijd om 't bestaan doof
-blijft voor alle «godentaal» en «hemelval».
-
-Welk verschil met de eerste eeuwen onzer beschaving, met het
-heldentijdperk onzer Germaansche voorouders, toen de poëzie, in en door
-het volk geschapen, aan een gemeenschappelijk ideaal beantwoordde,
-alle borsten deed zwellen, aller begeestering afdwong en zoozeer
-vergroeid was met het «profanum vulgus», dat de dichter, welke thans
-als eene scherpe, hooger begaafde persoonlijkheid optreedt, in de
-groote massa verloren ging, als een druppel in den oceaan.
-
-Evenals het tot man opgroeiend kind zijne begoochelingen aflegt,
-naarmate het, door weetgierigheid geprikkeld, de koude en ernstige
-werkelijkheid leert kennen, zoo ook hebben de beschaafde volken
-sinds lang de ongekunstelde voorstellingen hunner jeugd over boord
-geworpen; en indien er nog eenige sporen voorhanden zijn van de oude,
-dichterlijke overleveringen, dan zijn ze tot den nederigen rang van
-sprookjes afgedaald, welke nog alleen in de kinderwereld onder de
-strooien daken rond den zetel van het goedhartige, kind geworden
-grootje, te vinden zijn.
-
-Hofdijk zegt te recht van de sage:
-
-
- Toen vlood de onterfde maagd, door twijfels kille handen
- Beroofd van kroon en bloemenwâ,
- En vond in 't halflicht van de ruwe, leemen wanden
- Der schaamle eenvoudigheid genâ.
-
-
-Welnu, keeren wij in deze lang vervlogen tijden, in het rijk der sage
-terug; het is immers zoet voor het hart, zich de schoone jeugd weer
-voor den geest te halen.
-
-Aan de Oudengelsche letteren is het voorrecht te beurt gevallen den
-Beowulf, het oudste Germaansche epos, te bezitten. Alle Germaansche
-volken hadden wel is waar dichterlijke overleveringen, doch deze
-gaven slechts het ontstaan aan afzonderlijke liederen of sagen.
-
-Op dezen trap bleven de Scandinaviërs staan, terwijl bij de Franken
-de oude heldensage grootendeels voor de poëzie verloren ging. Alleen
-de Duitschers kunnen met rechtmatigen trots op volksheldendichten
-als de Nibelungen en Gudrun wijzen, doch deze zijn van veel lateren
-oorsprong dan de Beowulf.
-
-Het is waar, de Beowulf is geen eigenlijk heldendicht in de hooge
-beteekenis, welke men, verwend als men is door het Grieksche epos,
-aan dit woord toekent.
-
-Er wordt geene gebeurtenis van zulk algemeen nationaal belang als de
-oorlog van Troje geschilderd; zelfs ontbreekt de eenheid, welke alleen
-een letterkundig voortbrengsel tot volmaakt kunstwerk kan stempelen;
-het Angelsaksische epos werd immers in het midden zijner ontwikkeling
-tot staan gebracht door de uitbreiding van het Christendom. Doch dit
-neemt niet weg, dat het een juweel is, en als zoodanig onze warme
-belangstelling verdient.
-
-Immers het gedicht, dat in de grondtrekken heidensch is gebleven,
-is een der weinige schatten, welke gered zijn uit de schipbreuk
-van de rijke Germaansche volkspoëzie; de taal, de epische stijl,
-de geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden, de aanwezigheid
-der voornaamste heldensagen, de bestanddeelen waaruit het tot een
-geheel is saamgevloeid, dat alles spreekt tot den beschaafden lezer
-en tot den dichter, dat alles biedt de taalwetenschap, geschiedenis,
-letterkunde en tekstcritiek een rijk veld ter ontginning aan.
-
-Wat de laatste wetenschap betreft, zij heeft zich in de herstelling
-van den Beowulftekst een blijvend gedenkteeken gesticht.
-
-De gebrekkige toestand van het handschrift hulde het gedicht in een
-apocalyptisch duister; dank aan de onderzoekingen van Bugge, Cosyn,
-Kluge en Sievers is er licht ontsproten uit den baaierd, zoodat wij
-ons thans in eenen leesbaren tekst kunnen verheugen. Om zich hiervan
-te overtuigen vergelijke men de oude vertaling van Ettmüller en
-zelfs die van Heyne met die van Grein, en men zal moeten bekennen,
-dat op dit gebied reuzenstappen zijn gedaan.
-
-Voor ons, Nederlanders, heeft het gedicht nog eene bijzondere reden
-tot belangstelling: de inval der Denen, het eenige geschiedkundig na
-te wijzen feit, heeft op Nederlandschen bodem plaats gehad. Dit is
-des te meer opmerkelijk, nu diezelfde gewesten zich niet onbetuigd
-hebben gelaten bij de totstandkoming van de Nibelungen en Gudrun [1].
-
-Doch nog om eene andere reden is de Beowulf belangrijk. Indien
-het boven allen twijfel verheven is, dat elk letterkundig werk van
-eenigen omvang de uitdrukking zijn moet van zijnen tijd, wil het
-op den naam van meesterstuk aanspraak maken, dan is dit vooral waar
-van het volksepos, dat natuurlijk uitvloeisel van de ziel der natie,
-van het gemeenschappelijk leven en streven gedurende heel een tijdvak.
-
-Dit vinden wij bij het Oudengelsche gedicht bewaarheid; het is de
-uitdrukking van het volksideaal en bijgevolg de nagenoeg trouwe
-afbeelding van het karakter, van de zeden en gewoonten der oude
-Germanen.
-
-De krijgshaftige inborst van het volk, welke wij uit de geschiedenis
-als zijn hoofdkenmerk leerden waardeeren, zijn leven verdeeld
-tusschen oorlog en drinkgelagen, zijn voorliefde en afkeer, zijn
-rechtsbegrippen, de opvoeding van den jongen krijgsman, de inrichting
-van de woningen der grooten, de beschrijving van de gastmalen
-en begrafenisplechtigheden: het treedt hier in kleur en beeld, in
-levenden lijve voor het voetlicht.
-
-Beter dan de kronieken met hare dorre opsomming van feiten stelt het
-volksepos den geschiedschrijver in staat, om den juisten maatstaf te
-leggen aan de beschaving der eerste middeleeuwen, daar wij eenen
-dieperen blik slaan in de geaardheid van het volk, waarvan de
-gebeurtenissen slechts eene afspiegeling zijn.
-
-Onderzoeken wij daarom den toestand van de maatschappij, die in
-ons epos te voorschijn treedt, zoo zullen wij ons rekenschap kunnen
-geven van
-
-
-
-
-DE BESCHAVING IN DEN BEOWULF.
-
-Men kan gerust staande houden, dat de oud-engelsche beschaving,
-zooals zij zich in ons gedicht afteekent, eene verrassing, ja eene
-openbaring mag heeten voor elken onpartijdigen lezer, die niet behept
-is met de Fransche vooroordeelen omtrent Germaansche toestanden.
-
-Deze vooroordeelen dagteekenen reeds van de vroegste tijden.
-
-Met uitzondering van Tacitus, den man gewapend met den adelaarsblik
-van het vernuft, hebben geschiedschrijvers als Gregorius van Tours,
-wiens geest gevormd was in de school der Romeinsche beschaving,
-niet altijd recht laten wedervaren aan de Noordsche denkbeelden.
-
-Welnu uit den Beowulf straalt eene betrekkelijk hooge ontwikkeling,
-waarop wij ons geenszins bij de «Noordsche barbaren» verwachten,
-en die gunstig afsteekt bij de bloederige tooneelen der Edda en de
-reusachtige, teugellooze hartstochten der Nibelungen.
-
-Deze ontwikkeling spreekt zich uit op maatschappelijk, stoffelijk,
-geestelijk en zedelijk gebied.
-
-Op maatschappelijk gebied zijn de toestanden, zooals Tacitus die
-beschreven heeft, in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. Nog altoos treedt
-het volksleger op, dat op de bloedverwantschap is gevestigd, zoodat
-ieder gezond, vrij man dienstplichtig is; zelfs ontmoeten wij nog de
-dienstgevolgschappen, comitatus van Tacitus; doch het gezag des konings
-heeft zich uitgebreid, en zijne waardigheid is erfelijk geworden.
-
-De koning blinkt uit door edele geboorte en door persoonlijken moed;
-hij voert het leger ten strijde.
-
-Van Hrodgar heet het:
-
-
- Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,
- Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. (Vert. 1055-56.)
-
-
-Het gevolgschap was eene vrijwillige vereeniging van strijdlustige
-mannen, waaronder ook bloedverwanten, onder het gezag van eenen vorst,
-wien zij onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaamheid beloofden.
-
-Het bestond uit beproefde krijgers (dugudh) en aankomende jongelingen
-(geogodh).
-
-Bij voorkeur schaarden zij zich onder de banier van een dapper
-krijgshoofd.
-
-
- Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,
- De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen
- Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,
- De breede jonglingschaar. (65-68.)
-
-
-Deze afhankelijkheid was geene schande, immers de zonen der
-aanzienlijkste geslachten gingen er toe over: Beowulf had in zijne
-jeugd Hredel gediend en op zijne beurt stelt hij aan Hrodgars zoon
-de gelegenheid open, om zich bij Hygelac aan te sluiten.
-
-De dienstgevolgschappen doen zich in het gedicht voor als een bond
-van blijvenden, ten minste niet van voorloopigen aard, evenals bij
-Tacitus; ofschoon niets belet, dat de verplichting met toestemming
-des vorsten voor een tijd lang kan opgeheven worden. Zoo zien we,
-dat Beowulf met Hygelacs oorlof de Denen ter hulp snelt, om daarna
-weer tot zijnen vroegeren heer terug te keeren:
-
-
- Geheel mijn hulde
- Zij wendt zich weder uwaart. (2206.)
-
-
-De dienstman ontving van den vorst: 1º huisvesting en voedsel:
-
-
- (Wij zijn) Hygelacs genooten aan de haardstee. (263.)
-
-
-2º zijne wapens; Wiglaf zegt:
-
-
- Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen
- En in de hal aan onzen heer beloofden,
- Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings
- Vergelden zouden enz. (2715-18.)
-
-
-3º allerhande geschenken, kleinoodiën, paarden en vooral spiraalvormige
-ringen, die tot munt dienden, zoodat men er een stuk van kon afbreken;
-4º daarenboven een aandeel in den krijgsbuit:
-
-
- Niet lag aan 't lot wie rooven zou den rijkdom. (3239.)
-
-
-en 5º ook landerijen. Beowulf zegt van Hygelac:
-
-
- Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds. (2565.)
-
-
-Wiglaf herinnert zich Beowulfs mildheid:
-
-
- Hij was alsdan het eigendom gedachtig,
- Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,
- De weeldevolle woning der Waegmundings,
- Elk volksbezit, gelijk bezat zijn vader. (2685-88.)
-
-
-Wij zien insgelijks, dat Hygelac met landerijen Wulf en Eotor
-beschenkt en zelfs den laatste met de hand zijner dochter. Uit de
-aangehaalde woorden van Wiglaf blijkt, alsmede uit andere plaatsen,
-dat de koning een stuk van het aan de gezamenlijkheid, aan den stam
-behoorend eigendom aan enkelen toewees.
-
-De latere Engelsche koningen pasten die handelwijze in het breede
-toe, en zoo ontstond mettertijd de dienst- en bezitsadel, welke den
-oorspronkelijken geboorteadel over het hoofd wies. In den Beowulf
-zijn dus de kiemen van het leenstelsel reeds aanwezig.
-
-Uit het gevolgschap koos de vorst soms eenige dapperen uit voor eene
-moeilijke onderneming; dit zien wij bij gelegenheid van Beowulfs
-tocht naar Denemarken en later bij zijnen kamp met den draak.
-
-In tijd van vrede maakten de mannen van het gevolgschap den hofstoet
-des konings uit.
-
-Zij bekleedden de hoogste waardigheden, als daar zijn: raadsheer
-(Aeschere); schenker (501, 2088); zanger (Unferd); ceremoniemeester
-(Wulfgar); hofmeester (1835).
-
-Men wane niet, dat wij met eene maatschappij te doen hebben, welke een
-bekrompen en armoedig bestaan leidde, zooals die bij Tacitus. Verre
-van daar.
-
-Onder stoffelijk oogpunt heerscht er aan de vorstenhoven zoo niet
-weelde, dan ten minste welvaart.
-
-Het verblijf der Deensche koningen bestaat uit de burcht, welke nogal
-aanzienlijk moet geweest zijn, en uit Heorot, de troonzaal, die zich
-in de nabijheid verheft; het geheel is omgeven met een ruim plein, het
-medeërf v. 1674, waar zich ongetwijfeld andere bijgebouwen bevonden.
-
-Het gedicht vermeit zich in de beschrijving van Heorots pracht,
-
-
- De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.
- Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld
- Bij 't menschdom, waar de machtige verwijlde.
- De vuurglans lichtte over vele landen. (310-13.)
-
-
-Het gebouw was van binnen met ijzeren bouten versterkt; kostbare
-kleeden met geborduurde tafereelen bedekten de wanden; goudversieringen
-blonken allerwegen, en een veelkleurig geplaveide weg, breed genoeg
-om een troep ruiters te laten draven, voerde er heen:
-
-
- De baan was bont bevloerd. (321.)
-
-
-De schepen zijn met een zeil en met kunstig gesmukten steven
-voorzien. Bij de onbekrompen feestmalen, waar een beker de ronde doet,
-wordt niet alleen bier en honigdrank, maar ook wijn geschonken. De
-beschrijving van den drakeschat met zijn schemerenden standaard en
-kostbaar vaatwerk, die van de sieraden, welke de koning ten geschenke
-geeft, bewijst ten volle, dat de kunst van het goudsmeden, die alleen
-bestaanbaar is met eene zekere welvaart, eene aanzienlijke hoogte
-had bereikt.
-
-Wat het meeste pleit voor den stoffelijken vooruitgang en de zucht
-tot weelde en prachtvertoon is de kleederdracht of beter de uitrusting.
-
-Mannen zoowel als vrouwen dragen versierselen:
-
-
- De man (zal) geen tooisel dragen tot gedachtnis,
- Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben. (3123-24.)
-
-
-Het harnas is een meesterwerk van smeedkunst, de helm draagt een
-gulden everbeeld. Beide zijn dikwijls uit kostbaar metaal vervaardigd,
-zoo Beowulfs helm:
-
-
- Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven. (1478)
-
-
-Hoe rijk de verschillende wapens ook zijn, het zwaard met deugdelijk
-ijzeren lemmer en sierlijk bewerkt gevest overtreft ze alle; enkel
-aan het schild wordt minder pracht ten koste gelegd; het is gewoonlijk
-van lindenhout en slechts bij uitzondering van staal en wel dan, als
-het voor Beowulf zake is zich voor het vuur des draaks te beschutten.
-
-Paarden staan de edellieden ten dienste; dikwerf is zadel en tuig
-met goud belegd; wandelritjes worden tot uitspanning ondernomen, en
-alsdan hebben zelfs wedrennen plaats, welke als de voorloopers kunnen
-beschouwd worden van het zoo geliefkoosde tijdverdrijf der Engelschen.
-
-Stappen wij over tot de verstandelijke ontwikkeling.
-
-De helden koesteren den grootsten eerbied voor de rijpe ervaring,
-voor de meerderheid van den geest; dit mag als een grondtrek van het
-epos aanzien worden.
-
-Hrodgar is de «wijze heerscher» (1428) «door jaren wijs» (1758)
-«bekend door kundigheden.» (930)
-
-De raadsheeren staan in hoog aanzien, hunne uitspraak wordt op prijs
-gesteld. In de Finn-episode treden zij als scheidsrechters op.
-
-Hygelac keurde Beowulfs tocht naar Denemarken af, toch zet deze zijn
-plan door, want de raadslieden stijven hem in zijn voornemen:
-
-
- Bij lang niet laakten wijze liên die reize. (208)
-
-
-Degene, die door den koning het meest gewaardeerd wordt, is Aeschere,
-des konings
-
-
- alvertrouwde en raad verstrekker tevens. (1349)
-
-
-Bij de oprichting van Beowulfs grafheuvel worden deskundigen in den
-arm genomen:
-
-
- Zij wierpen eenen wal er om, zoo deugdelijk
- Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden. (2276)
-
-
-Niet alleen bij de ouderlingen, maar ook bij de jongeren werd wijze
-bezadigdheid op prijs gesteld. Hrodgar vat Beowulfs aanspraken op
-vermaardheid in twee woorden samen:
-
-
- Gestadig waakt gij op dit alles, sterkte
- En wijsheid van gemoed. (1738)
-
-
-Is het dus te verwonderen dat de welsprekendheid zoo hoog aangeschreven
-stond bij deze ernstige mannen?
-
-Eene wijze rede wordt op ééne lijn gesteld met het kostbare goud:
-Beowulf «opent de schatten des woords» (261) en verzoekt om met
-Hrodgar «den woordenschat te mogen wisselen.» (367)
-
-Voor deze «barbaren» bestond het ideaal van den held niet alleen
-in lichaamskracht, maar ook in de evenredige ontwikkeling van hart
-en geest!
-
-Op meer dan eene plaats wordt dit uitgesproken.
-
-De kustwachter zegt:
-
-
- Ja, een scherpe schildman
- Van beide weet bescheid, van woord en werken.
-
-
-Hrodgar reikt aan Beowulf het volgende getuigschrift uit:
-
-
- Van geenen man nog hoorde
- Ik op die jonge jaren rijper rede.
- Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
- Aan woorden wijs. (1884-87)
-
-
-Welke diepe kloof ligt er niet tusschen dezen held en de ridders
-van het leenwezen, die ijzervreters, wier bekrompen verwaandheid
-de domme kracht alleen huldigde, zoodat de dichter van Reinaert,
-ons Nederlandsch volksepos, ze in Bruin den beer aan de kaak heeft
-gesteld tot lachwekkend schouwspel voor alle eeuwen!
-
-Al de redevoeringen munten uit door eenen ernstigen, kalmen, waardigen
-toon, welken de Engelsche letterkunde niet meer heeft afgelegd.
-
-Niet minder dan de welsprekendheid staat de dichtgave hoog
-aangeschreven, de kunst om (882) «naar eisch gerangschikt nieuwberijmde
-woorden» d. i. stafrijmen te vinden.
-
-Wij gelooven niet, dat Hrodgar er eenen hofnar op zou nagehouden
-hebben, doch hij bezat iets beters, den hofdichter, den thyled of
-spreker, die niet alleen aangesteld was om de daden der beroemde helden
-te bezingen, maar ook om het gezellige onderhoud gaande te houden.
-
-Dit ambt vervult Unferd. Hij behoort tot het gevolg des konings en is,
-wat edele geboorte en dapperheid betreft, de evenknie van den besten
-onder zijne wapenmakkers. Zelfs kunnen wij zeggen, dat hij boven al
-de overigen gewaardeerd wordt, want zijne plaats is aan de voeten
-des konings, d. i. op de derde eereplaats na Hrodgar en Beowulf.
-
-Evenals het ambt van hofdichter zoo stond ook de dichtkunst zelve in
-hooge eer. Zij speelt eene rol in al de omstandigheden des levens,
-in lief en leed, bij feestmalen en begrafenis.
-
-In dit opzicht heeft het Oudengelsch gedicht eenige overeenkomst met
-dat der Finnen, de Kalewala, bij welke de macht der poëzie schering
-en inslag is van het volksepos.
-
-Halen wij eenige voorbeelden aan tot staving van het gezegde.
-
-Hildeburg treurt bij den brandstapel van de in den strijd gesneuvelde
-dierbaren:
-
-
- De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder
- In klaaggezang. (1130)
-
-
-Hredel heeft zijnen oudsten zoon op noodlottige wijze verloren en
-vindt nog alleen vertroosting in de poëzie:
-
-
- Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied. (2530)
-
-
-Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich boven Beowulfs
-brandmijt:
-
-
- Zij klaagden lustverstoken
- Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
- Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken
- Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
- Door zorgen aangezet enz. (3262-66)
-
-
-Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden de zonen van de
-twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken:
-
-
- Zij wilden weder klagen, weer gewagen
- Van hunnen koning, weder spreuken konden
- En nopens hem verhalen al het goede. (3286-88)
-
-
-Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den dag tot laat
-in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid, scherts en
-lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met begeleiding van
-de harp.
-
-Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal voordragen,
-zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar de
-Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht.
-
-Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt van de gezellige
-bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat de Germanen,
-zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen, desniettegenstaande
-bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het dichterlijk gevoel.
-
-
- Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
- Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend.
- Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
- De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
- Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
- Ofwel de grootgezinde koning zette
- Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid.
- Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
- Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
- Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,
- Wanneer, door winters oud, hij 't aantal nadacht. (2160-70)
-
-
-Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke voordracht alles behalve
-gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo geliefkoosde tijdverdrijf
-niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap van het meer terugkeert,
-waar zij het spoor van den gewonden Grendel gevolgd hebben, en de
-paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage van Sigmund op,
-terwijl hij zelfs, en dit is merkwaardig genoeg, Beowulfs wapenfeit,
-dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de vuist bezingt en met
-dien held der dichterlijke overlevering in verband brengt. Ziedaar een
-sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die haren oorsprong neemt
-uit een werkelijk feit en dit met eenen mythischen held samenvlecht.
-
-
-
-Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der Oudengelsche
-wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den veldslag
-tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en
-Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (3025 vlg.)
-
-Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht, dat getuigt
-van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid.
-
-Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte stelling, drijft
-Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den volgenden morgen
-daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en werpt hem terug
-in zijne verschansing.
-
-Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen; doch nog meer:
-De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op de vlucht,
-doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit zich
-toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te gewaagd
-zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand in
-den rug heeft aangetast.
-
-Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat het helderste
-licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde barbaren.
-
-Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja zekere
-voorgeschreven plichtplegingen, welke aan het hof van Hrodgar den
-toon geven.
-
-De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene eigenschap van
-den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene eer, door hun
-gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de kennis
-der hofgebruiken.
-
-Het zijn allen in meer dan een opzicht echte «gentlemen,» al is het
-woord dan ook van latere Engelsche vinding.
-
-Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering drukken hunnen
-stempel op het dagelijksch verkeer.
-
-Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de Deensche kust,
-aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne afkomst en
-bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal.
-
-
- Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten? (241)
-
-
-Vooral trekt de aanvoerder zijne aandacht; want zijn edel uiterlijk
-heeft niets gemeen met dat van eenen dorper:
-
-
- 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger
- Dan uwer een, dien ridder in de rusting.
- Voorwaar geen huisman is 't, gedost in 't wapen,
- Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege. (251-54)
-
-
-Met welke voorkomendheid bejegent hij niet de vreemdelingen, nadat
-zij het doel hunner reis hebben blootgelegd! Hij doet hun een eind
-weegs uitgeleide en belooft een wakend oog te houden op hun schip.
-
-Aan het hof gekomen moeten de bezoekers eerst om gehoor vragen,
-alvorens bij den koning toegelaten te worden.
-
-Wulfgar komt hun te gemoet en doet de gebruikelijke vragen, want hij
-is Hrodgars bode of liever ceremoniemeester, volgens onze hedendaagsche
-begrippen.
-
-Daarna treedt hij weder binnen, om hen in gepaste, eerbiedige taal
-aan te dienen; hij plaatst zich niet recht voor den koning, maar ter
-zijde, aan zijnen schouder, want:
-
-
- Hij kende de handelwijs van 't hof. (360)
-
-
-Hrodgar beveelt alsdan Wulfgar, hem de hooge vreemdelingen voor te
-stellen. Deze spoedt zich weer naar buiten en deelt Beowulf mede,
-dat zijn verzoek om pleeggehoor is ingewilligd. De wellevendheid
-vordert nochtans, dat zij hunne schilden en lansen buiten laten
-staan. Onder den blinkenden helm en in het klinkende harnas stapt
-Beowulf met zijne mannen achter Wulfgar de zaal binnen en nadat hij
-staande den koning begroet en dezes antwoord ontvangen heeft, wordt
-hem eene eereplaats aangewezen.
-
-Het gebruik eischte, dat elke gast de zitplaats innam, die met zijnen
-rang overeenkwam.
-
-Daarom verwaarloost Beowulf niet, als hij later bij Hygelac is
-teruggekeerd en deze hem «op heusche wijs» ondervraagt, op deze voor
-hem belangrijke omstandigheid te wijzen:
-
-
- Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
- Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen
- Van mijn ontwerp. (2062-64)
-
-
-Niet te vergeten is ook de eerbied, waarmede het gevolg den
-koning toespreekt. Weidsche benamingen als «de hooge heerscher,
-de wijdvermaarde vorst, de schuts der Schyldings» enz. worden hem
-toegezwaaid; nochtans hebben zij niets vernederends, niets kruipends,
-niets wat naar de vleierij van hovelingen zweemt.
-
-Kenteekenend is hier vooral de toespraak van de koningin Wealchtheow
-tot haren heer en gemaal:
-
-
- Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
- O goudbegever. Wees nu wel te moede,
- O schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
- Met milden mond. (1189-92)
-
-
-Deze taal is verre van vertrouwelijk en gemeenzaam, doch zoo vorderde
-het de voorname toon van het hof.
-
-Immers wordt niet van haar gezegd:
-
-
- Dan Wealchtheow naakte,
- Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig.
- Zij groette, goudgekleed, de hallegasten.
- Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer,
- De hooggeboren vrouwe, toe den beker. (624-28)
-
-
-Daarom wordt ook van Hygd, Hygelacs gade, gezegd, dat zij vriendelijk
-en mild was voor de krijgers, doch niet gemeenzaam. (1979)
-
-Bij het feestmaal, aan de overwinnaars geschonken, wordt uitdrukkelijk
-vermeld, dat de gasten zich aan tafel als welopgevoede, welgemanierde
-edellieden gedroegen:
-
-
- 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,
- Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer. (1025-26)
-
-
-Zij dronken met waardigheid:
-
-
- Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd
- Hun hart ophaalden, menig medebeker
- Met waardigheid ontvingen. (1028-30)
-
-
-Deze innemende gezelschapstoon treedt zelfs in fijne schakeeringen
-te voorschijn.
-
-Zoo hoopt Beowulf, na de inbraak van Grendels moeder, dat Hrodgar
-goed geslapen heeft, ofschoon hij van het tegendeel overtuigd is;
-doch dit vergde de wellevendheid.
-
-Zoo bedankt hij Unferd voor het hem geleende zwaard, dat hem niet
-dienstig is geweest; doch hij wacht zich wel van zulk ongunstig
-oordeel er over uit te spreken, maar prijst het integendeel:
-
-
- Hij schatte dit geschikt een kampvriend
- En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
- Van 't staal met woorden. (1851-53)
-
-
-Zal niet ieder lezer moeten bekennen, dat eene maatschappij, welke
-zoozeer aan plichtplegingen, aan heuschheid in al haar doen en laten
-gehecht is, onder het oogpunt van de beschaving des geestes eene
-zekere hoogte moet bereikt hebben, en voorzeker niet op eene lijn
-dient gesteld te worden met de overige Germaansche volken?
-
-Men zou kunnen opwerpen, dat deze uiterlijke vormen nog geen bewijs
-zijn van de ware, van de innerlijke beschaving, die van het gemoed;
-dat zij niets meer zijn dan een schoone tint, een vernis, waaronder
-de aangeboren woestheid van den Germaanschen natuurmensch zich
-verbergt. Daarom zal het noodig zijn ons eene voorstelling te maken
-van de zedelijke ontwikkeling der helden, van de drijfveeren, die
-hen deden handelen.
-
-Wij zagen reeds, dat het dienstgevolgschap nog altoos bloeit, eene
-instelling, welke op trouw en aanhankelijkheid en niet, zooals het
-latere leenstelsel, op louter zelfzucht berust, en derhalve alleen
-mogelijk is bij eene maatschappij, welke een hoog zedelijk peil
-heeft bereikt.
-
-Hrodgar is niet alleen de beschermer, maar ook de vriend der
-Schyldings. Hij is het hoofd van het groote gezin. Eene vaderlijke
-bezorgdheid koestert hij voor zijne mannen en dit is de reden, waarom
-hij zich door het geheele epos zoo weekhartig voordoet; zoodat hij
-veel heeft van eenen door leed en jaren suf geworden huilebalk.
-
-Grendel heeft twaalf jaren lang eene schromelijke slachting onder de
-Denen aangericht, en gedurende al dien tijd
-
-
- broeide hij voortdurend,
- De zoon van Healfdeen, zorgen voor het heden; (192-93)
-
-
-want hij
-
-
- had der trouwen,
- Der dierbre mannenschaar weer des te minder. (492-93)
-
-
-Het sneven van Grendel schenkt hem slechts eene kortstondige
-verademing, daar Grendels moeder Aeschere «des konings meest beminden
-kamper» doodt. Deze tweede slag verplettert hem gansch:
-
-
- Naar welstand vraag me niet. De nood is weder
- Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aeschere,
- Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder. (1346-48)
-
-
-Groot is dan ook zijne dankbaarheid jegens zijnen redder en hij weet
-er niets beters op te vinden, dan hem tot zoon aan te nemen. Als
-eindelijk het uur der scheiding geslagen is, neemt hij onder tranen
-van hem afscheid, want een voorgevoel zegt hem, dat hij hem nimmer
-zal weerzien:
-
-
- Hierop kuste
- De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
- Der helden besten, zijnen hals omvattend.
- Den zilvergrijze zegen neer de tranen. (1914-17)
-
-
-Geene mindere genegenheid voor zijne mannen legt Beowulf aan den dag.
-
-Hij alleen waakt in Heorot, terwijl zijne onversaagde makkers zich aan
-den slaap overleveren, vol vertrouwen als ze zijn op zijne machtige
-hoede, al zijn ze er dan ook zeker van, dat voor hen geen tweede
-morgen zal dagen:
-
-
- Niemand hunner hoopte
- Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten,
- Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen. (705-7)
-
-
-Op het punt van in 't grondelooze meer te springen drukt hij Hrodgar
-wel op het hart, om in zijne plaats de tochtgenooten tot vader te
-strekken, mocht hij er het leven bij inschieten:
-
-
- Indien ik eens in uwen dienst het leven
- Verlaat, dat gij voor mij, den overledene,
- Voortaan vervullen zult de plaats van vader.
- O, Wees de wachter van de wapenlieden,
- Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt. (1505-9)
-
-
-Alvorens te sterven geeft hij aan Wiglaf zijne eigen wapenrusting
-tot aandenken, als het kostbaarste pand, dat hij hem kon overlaten.
-
-Niet alleen is de koning een vriend en vader voor zijne mannen,
-maar ook een weldoener. Wij zagen reeds, op welke wijze hij den
-wapendienst vergeldt.
-
-Vrijgevigheid is een der hoofddeugden van den Germaanschen vorst,
-terwijl de gierigheid naast den overmoed als oorzaak van zijnen
-ondergang wordt aangemerkt; dit wordt bij Heremod bewaarheid.
-
-En geen wonder, want door mildheid kon hij zich alleen eene uitgelezen
-schaar aanwerven; rijkdom was voor hem een onontbeerlijke hefboom
-van het gezag.
-
-Hij heet dan ook de goudvriend, de schatheer, de gever van het goud;
-de troonzaal is de giftstoel, de goudzaal.
-
-De gevolgsman draagt er niet weinig roem op, eenen milden heer
-te dienen:
-
-
- Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen,
- De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
- Dat ik een meer dan milden goudbegever
- Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. (1512-15)
-
-
-Het geschenk moet den gever en den begiftigde waardig zijn, zoodat
-niemand er iets op af te dingen heeft:
-
-
- Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen
- Het kampgeraas de wijdberoemde koning,
- De schatheer van den stam; gelijk geen stervling,
- Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen. (1060-63)
-
-
-Hetzelfde oordeel wordt uitgesproken over de aan Wulf en Eofor
-toegekende belooning. (3101)
-
-Hrodgars geschenken dragen integendeel de goedkeuring weg van Beowulfs
-mannen:
-
-
- Onderwege
- Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. (1930)
-
-
-De drie hoedanigheden, welke Beowulf tot toonbeeld maken van den
-Oudengelschen heerscher, zijn vervat in de slotverzen:
-
-
- Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
- Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen,
- Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst.
-
-
-Gaan wij nu de verhouding na van den gevolgsman tot zijnen gevolgsheer.
-
-Hier treedt de onverbreekbare trouw overal op den voorgrond.
-
-'t Is waar, de latere Romaansche volksdichten, alsmede het
-Nibelungenlied, steken luide de loftrompet over de trouw van den
-leenman tot zijnen leenheer; doch de Beowulf is hen voor geweest in
-de verheerlijking dezer ridderlijke eigenschap, welke uit het volle
-Germaansche gemoed is gegrepen.
-
-De wederzijdsche verknochtheid van heer en dienstman wordt
-volgenderwijze uitgesproken:
-
-
- Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel,
- Aan dezen was de neef geheel genegen.
- Elk hunner was des andren heil gedachtig. (2226-28)
-
-
-Deze verkleefdheid toont de gevolgsman eerst en vooral op het slagveld:
-
-
- 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,
- Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk
- Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was. (2562-64)
-
-
-Wiglaf drukt in zijne gloeiende rede hetzelfde uit. (2715 vlg.).
-
-Deze gehechtheid aan den vorst is niet het uitvloeisel van de hebzucht,
-van het verlangen naar eene rijke belooning, maar van een hooger
-beginsel, het plichtgevoel; al is het dan ook waar, dat een geschenk
-steeds welkom is.
-
-Hiervoor pleit Beowulfs gedrag, die de hem door Hrodgar geschonken
-kostbaarheden aan Hygelac en dezes gade afstaat, ja zelfs het
-onwaardeerbare halssieraad, het eenige in zijne soort.
-
-Hrodgar roept Beowulfs hulp in, door hem te bezweren bij het leven
-van Hygelac:
-
-
- Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
- Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel. (2188-89)
-
-
-De verknochtheid aan den koning der Denen, waarvan de held blijk
-geeft, (hij belooft hem zelfs uit zijn land te hulp te komen, zoo
-het noodig is), weegt niet op tegen die aan Hygelac. Daarom verzoekt
-hij den vorst, alvorens het gevecht aan te gaan met Grendel, zijne
-wapenrusting aan Hygelac te zenden, zoo hij er het leven laat.
-
-
- Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegrukt,
- Naar Hygelac het puike pantser henen,
- Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed. (455-57)
-
-
-Vóór den kamp op den bodem van het meer boezemen dezelfde gevoelens
-hem de woorden in:
-
-
- En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
- De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. (1510-11.)
-
-
-Dezelfde trouw, welke Beowulf voor zijnen heer aan den dag legt,
-wordt hem op zijne beurt door zijne eigen krijgers bewezen.
-
-Denken wij aan het tooneel op den oever van het Nikkermeer, waar de
-Gooten Beowulfs terugkomst reikhalzend te gemoet zien. Een bloedstraal
-schiet te voorschijn. Het wachten moede aanvaarden de radelooze Denen
-den terugtocht; de anderen nochtans blijven ter plaatse met den dood
-in het hart.
-
-
- De vreemden zaten droef van zin en tuurden
- Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden
- Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. (1635-37).
-
-
-Er is nog een ander held, die zijnen meester in den drakekamp trouw
-ter zijde staat. Het is de jonge Wiglaf, van wien de dichter zegt:
-
-
- Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen. (2797)
-
-
-Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is uitgetrokken,
-ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde krijgers,
-op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het plichtgevoel
-gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu het ook zijn
-bloedverwant is:
-
-
- Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap
- Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (2679-80)
-
-
-Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te kort te schieten:
-
-
- God weet van mij; mij ware 't wenschelijker,
- Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler
- Het vuur omving. (2732-34)
-
-
-Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid zijner heldenziel heeft
-neergelegd, is eene der schoonste bladzijden van het gedicht.
-
-Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat van denzelfden
-jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter diens schild den
-vuurspuwenden draak te lijf gaat.
-
-Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van Wiglaf, de
-vruchtelooze pogingen, die hij in het werk stelt om zijnen heer,
-aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het leven terug te roepen;
-het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog op Beowulfs jongste
-beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch vooral zijne
-bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en zwijgend komen
-aangedropen.
-
-Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan zijnen heer
-in den steek te laten.
-
-Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende redevoering. Vreeselijk
-is de straf, welke de eerloozen zal treffen; men zal met hen handelen
-als onlangs in Frankrijk geschied is met Dreyfus, den verrader:
-zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood verklaard, zij met
-hunne bloedverwanten.
-
-
- De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
- Het heele haardgenot en heil, 't zal alles
- Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
- Verstoken van het landbezit der stammen,
- Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
- Vernemen uwe vlucht vanuit de verte,
- Uw roemberoofde daad. De dood is beter
- Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven! (2986-93)
-
-
-In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal gewaagd van wrevel,
-zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de duistere episode
-van Heremod, doch men houde wel in 't oog, dat wij hier met eenen
-dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was met zijne
-plichten als gevolgsheer onder den voet te halen.
-
-Even onberispelijk als de verhouding tusschen gevolgsheer en
-gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het zijn
-wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord.
-
-Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca niet moederziel
-alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij gedurende 7 dagen
-in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit elkander slaat.
-
-
- In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
- Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
- Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (552-54)
-
-
-Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder de Denen.
-
-Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de Deensche
-krijgslieden voor te stellen:
-
-
- Verzoek hen in te gaan en al te gader
- Het broederbond te schouwen van de schare. (386-87)
-
-
-Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf hare zonen met zijne
-raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde eensgezindheid
-blijve heerschen.
-
-
- Elk krijger hier is heel verknocht den andren
- En mild van zin. (1248)
-
-
-Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook tusschen de Denen en
-hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn op de heldendaden van
-de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs nemen zij er geenen
-aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische vrijmoedigheid
-hun ronduit durft verklaren:
-
-
- Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,
- Den onbesuisden lansstorm uwer lieden
- Niet zeer te duchten heeft. (607-9)
-
-
-Dat pleit niet weinig voor de welwillende voorkomendheid, waarmede
-de Denen hunne gasten bejegenden.
-
-Hrodgar mag dus wel vóór het afscheid met volle vertrouwen verzekeren,
-dat Denen en Gooten voortaan de handen broederlijk zullen ineenslaan,
-zoodat de vriend of de vijand van het eene volk dit ook voor het
-andere zal zijn:
-
-
- De staalomwonden kiel zal over 't water
- De gaven brengen met de gunstbewijzen.
- Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
- Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
- In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (1905-9)
-
-
-Beschouwen wij nu het karakter van de helden op zich zelf; wij zullen
-er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons met verbazing
-slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen onsterfelijken
-naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman, zooals het,
-ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te voorschijn
-treedt.
-
-Roemzucht is de voornaamste drijfveer van al de daden.
-
-
- Nu wil ik, grijze wachter van de volken,
- Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven. (2584)
-
-
-Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige heerscher voor den
-drakekamp.
-
-Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de andere menschen
-te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van zijn lange
-leven herinnert hem Wiglaf daaraan:
-
-
- Beste Beowulf,
- Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger
- Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer
- Uw eere laten zinken bij uw leven. (2745-48)
-
-
-Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men luistere naar de
-volgende fiere taal:
-
-
- Dat hij behale,
- Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven!
- 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. (1413-15)
-
-
-Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten arbeid:
-
-
- Gij hebt verkregen,
- Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
- Altoos voor later tijd. (968-70)
-
-
-Dit verlangen verbonden met een levendig plichtbesef, dat wij reeds bij
-Wiglaf leerden op prijs stellen, zet tot handelen aan. Overheerschend
-is deze begeerte naar roem; zij overwint alle aarzelingen, zet alle
-beschouwingen ter zijde en wapent den held met doodsverachting.
-
-Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt voor hem niet
-op tegen den roem:
-
-
- Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,
- De kiel beklom met mijnen drom van dappren,
- Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,
- Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.
- Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,
- Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (643-48)
-
-
-Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht met Grendels moeder
-(1518) en met den draak (2609).
-
-Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet enkel
-voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is nog
-iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door
-een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk:
-
-
- Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid
- In 't strijden staan. (613)
-
-
-Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te bevechten; zijn doel
-is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen zijn eigen volk en
-de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van de hand wijst.
-
-Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het vaderlandsche
-doel, dat hij voor oogen had bij al zijne ondernemingen:
-
-
- Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt
- Door 't wapenfeit. (2150)
-
-
-Dit streven naar roem, de springveer van alle groote daden, brengt
-die zucht naar avonturen mede, waarvan de tocht naar Hrodgar het
-klaarste blijk is:
-
-
- Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
- Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (1880-81)
-
-
-De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek afgelegd. Er
-valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen tusschen de
-Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne strooptochten
-ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van door zulke
-lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om Hrodgar
-zijne hulp aan te bieden:
-
-
- Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,
- Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen
- Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (203-5)
-
-
-En wat verder:
-
-
- Hrodgar kan ik wijzen
- Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede
- Den vijand vleuglen zal. (280-82)
-
-
-Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem «tot hulpbetooning»
-heeft opgezocht.
-
-Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als de
-veronderstelling, dat Beowulf door gouddorst aangezet wordt. Bij de
-vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze kantteekening
-toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te lichten.
-
-De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel uit:
-
-
- Goudgierig was hij niet. (3185)
-
-
-Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd.
-
-Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de schatten
-onaangeroerd:
-
-
- Niet meerder schatten
- Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
- Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen
- Met dat gevest van glimmend goud. (1643-46)
-
-
-'t Is waar, bij het zien van de juweelen uit het drakenhol springt
-zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit goud, dat hij met
-zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal komen:
-
-
- Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
- Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
- Voor al de schatten, die ik hier beschouwe;
- Omdat ik deze, vóór mijn stervensstonde,
- Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
- Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
- Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden. (2889-95)
-
-
-Welke edele taal in den mond van eenen heiden!
-
-Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op hunne beurt niet
-ten achter bij hunnen vorst.
-
-Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde handen over
-te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem verdwijnen:
-
-
- Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
- Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels,
- Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
- Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
- De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken. (3118-22)
-
-
-Zelfs niet het geringste kleinood zal tot gedachtenis
-overschieten! (3123-24)
-
-De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij komen niet op
-tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf toegedachte rijkdom
-voor hen verloren gaat; en toch moest die verblindende pracht hun de
-oogen uitsteken:
-
-
- Niet een dien 't rouwde,
- Toen zij in aller ijl naar buiten brachten
- Den kostbren schat. (3243)
-
-
-De drakeschat wordt in den grafheuvel neergelegd:
-
-
- Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
- Het goud in 't zand, alwaar het zit tot heden,
- Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen.
-
-
-Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder tonen en grooter
-afmetingen de eigen dapperheid, de eigen doodsverachting en trouw
-te voorschijn, hij treedt in de schaduw overal, waar het op adel van
-gevoelens, op zedelijke ontwikkeling aankomt.
-
-Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt, zelfs niet voor
-eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de ridder «zonder
-vrees noch blaam».
-
-Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot hoogste wet
-verheven is; integendeel hij is zachtaardig:
-
-
- Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
- Bewaakte met de meeste macht eens menschen
- De reuzengave, hem door God geschonken. (2238-40)
-
-
-Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan springt hij kloekmoedig
-in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk zijne reuzenkracht ter
-beschikking van het goede recht, het komt er niet op aan, of de
-ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of vreemdelingen zijn.
-
-In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven zoekt, tracht
-hij de anderen er niet aan bloot te stellen.
-
-Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen zal het hoofd
-bieden aan den draak:
-
-
- Niet uwe taak is dit, niet toegemeten
- Aan een der mannen, dan aan mij den ééne,
- Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte
- En ridderdaân verricht. (2606-9)
-
-
-Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te hebben, ten einde
-zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te behalen.
-
-Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te mogen bestrijden
-enkel en alleen met zijne Gooten:
-
-
- U, hoofd der Helden-Denen,
- U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede:
- Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert,
- O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,
- Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
- Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (429-34)
-
-
-Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak met een leger aan
-te vallen:
-
-
- De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
- Nochtans, den ommevlieger aan te tasten
- Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. (2410-12)
-
-
-De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat hij Grendel, de
-belichaming van de domme kracht, wien alle edele gevoelens vreemd
-zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen ridderlijken tweekamp
-aan te bieden.
-
-De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij gevolg zal de
-held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem verzekert:
-
-
- Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,
- Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.
- Hij kent de kampgewoonte niet van weder
- Te schenken eenen slag, het schild te beuken,
- Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten.
- Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,
- Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (692-98)
-
-
-Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer, dat hij het noodig
-acht zich te verontschuldigen, omdat hij met wapenrusting en schild
-tegen den draak te velde trekt:
-
-
- Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur,
- Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens
- Het schild en krijgerkleed. (2594-96)
-
-
-Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen gewetenloozen en
-geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel verzaken: dat zijn
-twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen nieuwen adelbrief,
-de ridderlijkheid, toekennen.
-
-De taal bezit insgelijks het woord: eorl-scipe: ridderlijkheid;
-eorlscipe efnan: ridderlijke daden volbrengen.
-
-Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom der
-Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische volkspoëzie
-bewijst het) onderscheiden zich van de al te stoffelijke Semieten
-door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in geen volksepos is er
-een held aan te wijzen, die, wat zedelijke grootheid betreft, onzen
-Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag onder dit opzicht gerust
-de vergelijking met Homeros' helden doorstaan; zij zal niet in zijn
-nadeel uitvallen.
-
-Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom, om de
-zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan eens
-zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren.
-
-Vermelden wij nog ter loops den eerbied voor den ouderdom, alsmede
-Beowulfs rechtschapenheid, immers hij weigert den troon, hem door
-Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met de waarneming van de
-voogdijschap tijdens de minderjarigheid van Heardred; en gaan wij
-over tot eenen laatsten karaktertrek, die den aangeboren ernst der
-Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen.
-
-Müllenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste, de grootspraak,
-de ophemeling van eigen wapenfeiten.
-
-En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering aan zijne
-groote ondernemingen.
-
-Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft hij lucht aan
-dien onweerstaanbaren aandrang:
-
-
- Zij kenden toch de maat van mijne krachten;
- Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
- Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
- Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
- Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers
- Bemeesterd in het midden van de baren,
- Benarden nood beleefd, het leed der Weders
- Gewroken (want zij duldden vele weeën)
- 't Vijandig volk vergruisd. (419-27)
-
-
-Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht te denken, als
-wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op eigen kracht,
-hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen is.
-
-Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de uitdagingsrede,
-de gilp-cwide, welke door het gebruik was voorgeschreven.
-
-Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders. De helden
-zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den eenvoud
-des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel
-is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt,
-ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach
-van tevredenheid weet te onderdrukken.
-
-Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets bijhangt; het
-is geen opsnijder, geen lachwekkende miles gloriosus van het oude
-blijspel.
-
-Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de schildering van den
-zwemwedstrijd en voegt daarom toe:
-
-
- Niet bral ik dies. (598)
-
-
-Verre van zijne tegenstanders te beschimpen of te kleineeren, laat hij
-hun recht wedervaren, al acht hij zich ook hun meerdere; dit bevinden
-wij bij Brecca, wiens stoutmoedigheid en zeegehardheid door hem ten
-volle erkend worden.
-
-Hij geeft toe, dat Grendel wijdberoemd is door wapenfeiten (696)
-en dat hij hem niet kon beletten te vluchten:
-
-
- Ik kon hem, daar het God niet gunde,
- Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
- Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand. (980-82)
-
-
-Zoo hij er het leven heeft afgebracht tegenover Grendels moeder,
-dan is het dank aan hoogere tusschenkomst:
-
-
- Mij was het strijden
- Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. (1689)
-
-
-Unferd is de eenige persoon, die door afgunst geprikkeld, zich tegen
-de heuschheid bezondigt, welke hij aan de gasten verschuldigd is. Tot
-verschooning kan aangevoerd worden, dat hij bedronken was.
-
-'t Is ook de man, die zich aan zijne bloedverwanten vergrepen heeft.
-
-De gerechte straf blijft niet uit, al is het ook waar, dat hij later
-berouw gevoelt en zijne handelwijze tracht te vergoelijken, met zijn
-zwaard aan Beowulf te leenen. Voor hem is de ondankbare rol weggelegd;
-want het stuit allen tegen de borst, dat een man, die zich zulke
-aanmatigende taal veroorloofde en van wiens dapperheid zij eenen
-hoogen dunk hadden, niet hetzelfde aandurft als Beowulf:
-
-
- Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. (1498)
-
-
-Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet noemenswaardige
-plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij gezien, dat de
-eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke zich in de
-Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde bewaarheidt, ook
-hier eene teedere snaar had doen trillen in die mannelijke harten;
-doch troosten wij ons, want het schoone Fransche epos, la Chanson de
-Roland, waar Aude eene vluchtige, schoon onvergetelijke rol vervult,
-heeft dit met het Engelsch gedicht gemeen.
-
-De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan de jonkvrouw
-«met samengebonden lokken» (3264), welke bij Beowulfs brandstapel haar
-verloren levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken
-van wettige echtgenoote kunnen worden uitgereikt.
-
-
-
-Doch kleven er geene smetten aan die schitterende heldengestalten,
-die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze vergetelheid? Hebben
-zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene trekken behouden
-van de vroegere barbaarschheid?
-
-Het antwoord luidt bevestigend.
-
-Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de plunderingen, waaraan
-zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval en bij Finns dood, de
-schaking van Ongentheows echtgenoote door krijgsgeweld, doch vooral
-de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de Nibelungen zoolang na
-de invoering van het Christendom heeft stand gehouden.
-
-Wij hebben het oog op de bloedwraak, dien vreeselijksten aller
-hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met hun «slingerslangig
-haar», welke in de geschiedenis van alle volken, doch vooral bij de
-Germaansche stammen thuis hoort.
-
-Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen te voorschijn,
-die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te bekoren, zoo
-groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de diepte woelen
-onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen.
-
-Bloedwraak is de heiligste plicht.
-
-Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd, Grendel te
-doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten schoten
-daarin te kort.
-
-
- Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
- Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
- In deze drankzaal met de grijns der degens
- Te willen wachten op den greep van Grendel. (485-88)
-
-
-Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers, de veete heeft
-van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit netelig
-oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch nu
-treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt:
-'t is Grendels moeder.
-
-
- Nu daagde een ander machtig euveldader,
- Het was zijn doelwit, zijnen zoon te wreken. (1663-64)
-
-
-De grijze koning voorziet geen einde meer aan al die bloedtooneelen:
-
-
- En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. (1365)
-
-
-Wij zien ook, dat Beowulf na zijne troonsbeklimming zich met Eadgils
-verbindt, om wraak te nemen over den dood van Heardred, die vroeger
-in den oorlog met de Zweden gevallen was.
-
-In deze twee voorbeelden kan men ten minste de wraakoefening billijken,
-wel te verstaan van het heidensch standpunt beschouwd der betrokken
-personen; doch er doen zich ook gevallen voor, waar de denkbeelden,
-die, naar wij gezien hebben, de mannen zich van eenen held vormden,
-geheel en al worden omvergegooid; want tegenover dezen plicht houden
-alle andere plichten op.
-
-De bloedwraak wettigt de vuigste, minst ridderlijke daden; zij
-veroorlooft eedbreuk, ondankbaarheid, kwade trouw en huichelarij.
-
-Wat anders zien wij in de Finnsepisode, waar de Denen in bezongen
-worden?
-
-Hengest kan den dood van Hnaf niet verkroppen; voor het oogenblik
-nochtans is hij machteloos en in naam zijner Denen zweert hij aan Finn,
-den Friezenkoning:
-
-
- Dat hunner niemand, noch door woord noch werken,
- Het bond ooit breken zou, door arglist letten. (1112-13)
-
-
-Hij ontvangt huisvesting en geschenken van den vorst, blijft den
-langen winter bij hem, men zou zeggen, in de beste verstandhouding:
-
-
- In alles een bij Finn; (1143)
-
-
-terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in het geheim de
-onfeilbare wraak uitbroeit.
-
-Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de aangebeden gade.
-
-Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om hem met zich te
-verzoenen schenkt Hrodgar hem de hand zijner dochter. Een tijd lang
-sluimert de wraakzucht in de borst van den jongen krijger, ingewiegd
-als zij is door het huwelijksheil. Doch daarna breekt zij plotseling
-en verdelgend los, en de vreugde verkeert in wanhoop:
-
-
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
- En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (2118)
-
-
-De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn geweest van zulken
-plotselingen omkeer, want er staat:
-
-
- Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer
- Een korte wijle na den val des konings,
- Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (2082-84)
-
-
-Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die den gevallen
-bloedverwant niet wreekt.
-
-Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja onovertroffen
-verhaal van koning Hredel.
-
-Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn, toevallig
-bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding; dit is
-de ijzeren wet.
-
-Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard, welke treurt
-over het verlies van zijnen oudsten zoon!
-
-
- Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
- De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren;
- Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder
- Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot.
-
-
-Wie beseft niet den strijd, welke in zijn binnenste omgaat tusschen
-zijnen plicht en zijn vaderhart; immers hij kan den dooder niet
-straffen, want het is ook zijn zoon!
-
-
- Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,
- Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan 't galghout.
- Dan moge hij 't weemoedig lied verheffen,
- Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
- De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
- Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (2514-19)
-
-
-Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen, verbergt hij zich
-in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want
-
-
- het leek hem alles
- Te ruim, en veld en woon. (2531)
-
-
-De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst in den dood:
-
-
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
- En zocht het licht van God. (2538-40)
-
-
-Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk gedaan heeft
-aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt eene
-loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe onverklaarbaar
-dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch is gebleven.
-
-Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak nooit zijn
-gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met kalmte
-te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te verwijten:
-
-
- (ik) zocht geen moordlist,
- Noch legde menig eed af onrechtmatig.
- Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
- Om 't al verheugen, want de Heer der menschen
- Zal mij den moord niet wijten van de magen. (2826-30)
-
-
-
-
-CHRISTENDOM.
-
-Alle beoordeelaars zijn het eens, dat het Christendom geenen
-ingrijpenden, maar eenen hoogst oppervlakkigen invloed op het epos
-heeft uitgeoefend.
-
-Deze invloed is aan den inlasscher te wijten, wiens bedrijvigheid
-gemakkelijk te onderkennen is.
-
-Gaan wij de sporen van zijne werkzaamheid na.
-
-Wat aan het heidendom herinnerde werd of weggelaten (dit kunnen wij
-dus niet meer nagaan), of met eene christelijke kleur overgoten. Zoo
-trad de ééne God in de plaats van het heidensche godendom.
-
-De inlasscher volgt hier dus dezelfde gedragslijn als die, welke de
-geloofspredikers zich bij de heidensche gebruiken en bijgeloovigheden
-hadden voorgeschreven: zij roeiden ze niet uit, want ieder nieuw
-beginsel kan slechts gedijen door zich bij 't bestaande aan te sluiten,
-maar zij ontnamen er het heidensche karakter aan, door ze met de
-kerkelijke plechtigheden of met den dienst der heiligen in verband
-te brengen.
-
-1º Aan God wordt in het gedicht eene ruime plaats ingeruimd.
-
-Hij bestuurt het menschdom: hij schenkt roem en overwinning (dit
-is nochtans ook een kenmerk van Wodan); hij stelt eenen wachter op
-tegen Grendel, zijnen vijand, want hij alleen kan hem beteugelen;
-hij gedoogt niet, dat de op hem vertrouwende Beowulf door Grendels
-hand zal sterven; hij toont hem het reuzenzwaard, enz. enz.
-
-God wordt bedankt voor verleende hulp: zoo prijst Hrodgar hem bij
-Beowulfs opbeurende woorden, bij de nederlaag van Grendel, bij het
-zien van dezes hoofd; zoo doet Beowulf na den voorspoedigen overtocht,
-zoo de Gooten als hun vorst uit het meer opduikt, en Hygelac bij het
-terugzien van Beowulf.
-
-Hij bestuurt het heelal: hij is de ware schepper, regelt de
-jaargetijden, doet de planten groeien en schenkt ons het licht der zon.
-
-Hemel, hel en duivel worden ook genoemd.
-
-2º Deze invloed doet zich nog gelden in de bijbelsche toespelingen:
-dag des oordeels, schepping, zondvloed, Kaïn, en in de christelijke
-zedelessen, welke rechts en links met kwistige hand zijn rondgestrooid
-en waarop wij bij gelegenheid zullen terugkomen.
-
-3º Eenige Kenningar zijn van christelijken oorsprong. Hiertoe behooren
-de omschrijvingen van God, b. v. de eenige heer, de koning der glorie,
-de albestuurder, de hemelkoning, de roembeschikker, de hemelbestuurder,
-de glorievorst, de glorieherder, de albeheerscher, de vader, de heer
-des levens, der daden rechter enz.
-
-Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat Wodan ook vader, alvader, uitdeeler
-der glorie, roemvervuller geheeten wordt.
-
-Hel, hemel en duivel worden niet met Kenningar bedacht; want het is
-niet uit te maken, of de benamingen van Grendel oorspronkelijk van
-den duivel gezegd werden.
-
-Sterven wordt omschreven door: in 's Heeren hoede sterven; het heil
-des hemels zien; het heil der heiligen, het licht van God zoeken.
-
-Men ziet hieruit, dat het wezen zelf van het epos onaangetast blijft.
-
-4º Christelijke inwerking is nog te bespeuren in Beowulfs opvatting
-van den tweekamp, waarin hij een soort van godsoordeel ziet; dit doet
-hij tot tweemaal uitschijnen:
-
-
- En wien de dood dan wegrukt,
- Die zal verstaan des Albestuurders oordeel. (442)
- De wijze Godheid zal daarop de zege
- Verbinden aan de hand van een van beiden,
- De heilige Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt (699-701).
-
-
-Deze opvatting ontstond in 't begin der 6de eeuw alleen bij de Germanen
-en dan nog na hunnen overgang tot het Christendom [2].
-
-Het dient opgemerkt, dat de Christelijke toevoegsels nu en dan zich
-tegenspreken.
-
-De dichter zegt van de Denen, als er sprake is van de heidensche
-tooverkunsten om Grendel te bezweren:
-
-
- Dat waren zoo hun zeden,
- Hun heiden-denkwijs; naar de helle streefden
- Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester enz. (182-84).
-
-
-Het waren dus heidenen! Later nochtans ziet de inlasscher deze
-uitspraak over het hoofd, wanneer hij Hrodgar bij herhaling God laat
-bedanken en hem zelfs eene stichtelijke redevoering in den mond legt:
-
-
- O Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
- Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,
- En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend welzijn (1794-96).
-
-
-Eenige sporen van het heidendom hebben zelfs stand gehouden, als
-de wichelarij (208), het weefsel der zege, de vloek op 't goud,
-de everhelmen, de reuzen en nikkers, doch vooral het geloof aan
-het noodlot:
-
-
- Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot. (459).
-
- 't Noodlot sleepte
- De helden heen naar Grendels schrikverschijning (481).
-
-
-Zelfs wordt het op ééne lijn met God genoemd:
-
-
- Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid
- Met Wyrd en moed des mans (1070-71).
-
-
-
-
-HELDENSAGE EN VOLKSEPOS.
-
-Het volksepos put zijne stof uit de heldensage.
-
-Door heldensage verstaat men den gezamenlijken schat van nationale
-overleveringen uit het heldentijdvak van een volk, welke het ontstaan
-schonken aan eenen kring van epische liederen, met een of meer helden
-tot middelpunt.
-
-De heldensage bestaat dus uit afzonderlijke sagen, die elk op zich
-een bepaald feit als een afgesloten geheel behandelen.
-
-Zoo schildert het Hildebrandslied, dat tot de Oostgotische heldensage
-van Diederik van Bern behoort, den strijd tusschen Diederiks dienstman
-Hildebrand en dezes zoon Hadruband.
-
-Zoo toovert ons het schoone Finnsburgfragment, dat tot den kring
-der Noordzeeheldensage gerekend wordt, den aanval der Friezen op de
-Finnsburg voor oogen.
-
-Bijna alle epische zangen, welke zich in het volksheldendicht
-opgelost hebben, zijn als zelfstandig geheel verloren geraakt;
-nochtans kan men uit hoofde van het hier gezegde hun bestaan niet in
-twijfel trekken, te meer daar zij bij de ontleding van elk volksepos
-in zijne hoofdbestanddeelen bij benadering zijn aan te wijzen.
-
-Twee andere bewijzen vinden wij in de geschiedenis, welke, zooals
-gewoonlijk, ook hier eene hulpvaardige hand aan de letterkunde reikt.
-
-Tacitus zegt, dat de geschiedenis der Germanen uit aloude zangen
-bestond, waarin zij hunne goden en helden verheerlijkten [3]. In
-zijnen tijd bezongen zij zelfs Arminius, die eenige jaren te voren
-het volk van het Romeinsche juk bevrijd had [4].
-
-Jornandes [5] getuigt hetzelfde van de Goten:
-
-«Zij verheerlijkten in het lied door zang en harp de daden
-der voorvaderen, van Ethespamara, Amala, Fridigern, Widicula en
-anderen, van welke deze volken eenen hoogen dunk hebben, zoodat de
-bewonderenswaardige oudheid nauwelijks er op kan bogen, zulke helden
-te hebben gehad.»
-
-De dichterlijke overlevering in den volksmond is een der hoofdbronnen,
-waaruit de eerste kroniekschrijvers over Germaansche toestanden hunne
-berichten geput hebben, bij gebrek aan geschiedkundige bescheiden. Het
-is de taak des geschiedschrijvers, deze sagen, in een historisch gewaad
-gestoken, van de geschiedkundige bestanddeelen streng af te zonderen;
-voor ons is de wetenschap voldoende, dat zij bestaan.
-
-Jornandes heeft, hoofdzakelijk waar hij over Hermanaric en Attila
-spreekt, buiten kijf de volkspoëzie geraadpleegd.
-
-Savagner erkent dit in zijne inleiding:
-
-«...l'on ne peut reconnaître et déterminer les passages que Jornandès
-doit à Cassiodore, ceux qu'il doit à d'autres auteurs, ceux enfin où
-il prétend s'appuyer sur les antiques traditions et sur les chants
-nationaux des Goths.» bl. VII.
-
-Paulus Diaconus heeft ons in zijne geschiedenis der Longobarden den
-rijksten schat van heldenoverleveringen bewaard.
-
-De monnik Widukind nam meer dan een oud lied in zijne Res gestae
-Saxonicae op.
-
-Saxo Grammaticus behandelde de ontelbare dichterlijke verhalen, welke
-hij uit den mond zijner landgenooten opteekende, als de kostbaarste
-bouwstof voor zijne geschiedenis der Denen. Zij beslaan de negen
-eerste boeken zijner kroniek en vormen gedurende verscheidene eeuwen
-uitsluitend de geschiedenis van Denemarken [6]. Van al de Germaansche
-stammen werden tot nog toe alleen de Franken beschouwd als arm te
-zijn aan epische overleveringen.
-
-Dit dwaalbegrip heeft Kurth in zijn standaardwerk voor goed uit den
-weg geruimd [7], een werk dat de sagenvorscher in het vervolg dient
-te raadplegen en dat den geschiedkundige het middel aan de hand doet
-om historie en dichterlijke overlevering te schiften.
-
-Hij toont aan, dat de drie kroniekschrijvers van het Merovingische
-tijdperk: Gregorius van Tours, Fredegarius en de naamlooze schrijver
-van Liber Historiae op vele plaatsen geenen anderen zegsman kunnen
-gehad hebben dan de levende volksoverlevering.
-
-Uit de balans van geschiedenis en sage, welke hij opmaakt, blijkt
-zonneklaar, dat in dit opzicht de Franken door geen ander Germaansch
-volk in de schaduw gesteld worden.
-
-Nu dat het bestaan van afzonderlijke sagen boven allen twijfel
-verheven is, kan men zich afvragen, hoe zij tot stand kwamen. Zij
-zijn te beschouwen als de natuurlijke uiting van den algemeenen
-volksindruk bij het aanschouwen van eene belangrijke gebeurtenis of
-van een treffend natuurverschijnsel.
-
-Geven wij hier het woord aan Jonckbloet [8]:
-
-«Hoe jonger een volk, hoe meer er een algemeen peil van ontwikkeling
-is, waarboven zich ter nauwernood iemand verheft.
-
-Treffende gebeurtenissen moeten dus wel op allen nagenoeg denzelfden
-indruk maken: vandaar, dat het epische lied, door één begaafde
-ontboezemd, weerklank vindt bij allen, gemakkelijk onthouden en van
-mond tot mond voortgeplant wordt.
-
-Daar het gewrocht van een enkelen intusschen niet volkomen den geheelen
-volksgeest teruggeeft, wordt er bij de mondelinge overlevering hier
-een trek weggelaten, daar een andere aan toegevoegd, totdat eindelijk
-het geheel, ontdaan van wat er nog individueels aan mocht kleven,
-werkelijk de ware volksuitdrukking genoemd mag worden. Daarom draagt
-die overlevering terecht den naam van volksoverlevering, of, daar zij
-zich steeds in dichterlijken vorm openbaart, van volkspoëzie. En geen
-afzonderlijke zanger is als de zelfstandige dichter aan te wijzen,
-omdat inderdaad de geheele stam, het geheele volk, heeft bijgedragen
-om haar te vormen.»
-
-De dichter of beter de voordrager van zulke sagen heette bij de
-Angelsaksen scop; soms was hij te gelijkertijd toonkunstenaar en
-begeleidde zijne voordracht met de harp; somtijds reisde hij van
-land tot land, gelijk het overal in de middeleeuwen de gewoonte der
-wandeldichters gebleven is.
-
-Zoo was het mogelijk, dat de heldensagen van het vasteland in Beowulf
-eenen weerklank vonden, ja, dat bij de Angelsaksen een gedicht kon
-ontstaan, dat het wereldburgerschap van het latere Engelsche volk
-reeds in de kiem vertoonde, de Wîdsîdh of Verbereisde, hun oudste
-letterkundig gewrocht, waarin wij een overzicht hebben van al de
-destijds bekende helden der volksverbeelding.
-
-Doch hieruit volgt ook, dat het voortbestaan van de sagen aan vele
-wisselvalligheden onderhevig moest zijn.
-
-Dit springt nog meer in 't oog, wanneer men nagaat, dat deze liederen
-enkel aan het geheugen toevertrouwd werden en dat zij mettertijd in
-aantal moesten toenemen.
-
-Zoo kon, gelijk ten Brink aanmerkt, den eenen dichter iets bekend
-zijn en den anderen niet, en zoo was het geval mogelijk, dat eene
-sage, welke oorspronkelijk bij eenen bepaalden stam inheemsch was,
-er later uit den vreemde in gewijzigden vorm terugkeerde en als iets
-nieuws werd opgenomen.
-
-Zoo doet zich het verschijnsel ook voor, dat dezelfde dichterlijke
-gegevens opvolgendlijk in den loop der tijden op verschillende personen
-worden overgedragen [9].
-
-Dit zien wij in de Sigmund-episode.
-
-Nochtans kon er geen sprake zijn van oorspronkelijkheid in de
-tegenwoordige beteekenis van het woord.
-
-Niet alleen was de dichter, ten minste voor 't Angelsaksisch,
-aan eene bepaalde beeldspraak en versmaat gebonden, maar hij was
-ook verplicht zich, wat de stof aanbelangt, aan de overlevering
-te houden, zooals die iedereen in de voornaamste trekken voor den
-geest zweefde; b. v. aan het ideaal, dat zich het volk voorstelde,
-aan de schildering van een karakter, waarvan men zich eene bepaalde
-en geliefkoosde voorstelling gemaakt had.
-
-Ten Brink kenschetst dezen toestand in de volgende woorden:
-
-«Dies ist also ein geistiger Zustand, wo fast jede Reproduktion etwas
-von eigener Produktion und wo jede Produktion ohne Ausnahme ein gut
-Teil blosser Reproduktion in sich enthält.»
-
-Deze, zooals blijkt, van nature zoo veranderlijke sagen werden nog door
-twee groote geschiedkundige feiten gewijzigd: door de volksverhuizing,
-welke het oude op den achtergrond schoof en met eenen nieuwen
-toevoer van personen en daden vermengde, en door de invoering van het
-Christendom, dat de heidensche bestanddeelen uitroeide, vervormde,
-of er christelijke denkbeelden bijtrok.
-
-Op deze wijze bleef de heldensage als een levend iets in onafgebroken
-wording, in gedurige stofwisseling voortbestaan, totdat eindelijk
-een min of meer bekwaam dichter opstond, die de losse deelen tot één
-geheel vereenigde: het volksepos was geboren.
-
-F.-A. Wolf heeft op het einde der vorige eeuw den weg gebaand tot
-deze levenwekkende beschouwing van het volksepos in zijne Prolegomena
-ad Homerum, waarin hij aantoont, dat de Odyssee en de Ilias niet het
-uitsluitend werk van eenen dichter, maar van onderscheiden rhapsoden
-zijn.
-
-De Duitsche geleerden, welke op het gebied der Germaansche letterkunde
-denzelfden weg insloegen hebben dit stelsel verder ontwikkeld en op
-deze wijze aan de geschiedenis een vuurbaak ontstoken op het duistere
-pad der vroegste middeleeuwen.
-
-Eene andere vraag doet zich op: Welk is het wezen der heldensage;
-uit welke soort van dichterlijke overleveringen is zij saamgevloeid?
-
-Drie bestanddeelen zijn in de Germaansche heldensage te onderscheiden:
-geschiedenis, mythus en dichterlijke vinding.
-
-Gaan wij elk der drie punten na:
-
-Het epos is bij alle volkeren de eerste vorm van geschiedenis geweest;
-'t is, naar de eigenaardige uitdrukking van Kurth, de geschiedenis
-vóór de geschiedschrijvers. Het volk onthoudt alleen die trekken,
-welke het begrijpt, welke tot zijne verbeelding spreken, den weg tot
-zijn hart vinden; het bewondert den held en mensch, niet den staatsman,
-en ziet dikwerf gebeurtenissen over het hoofd, die onder geschiedkundig
-oogpunt het meeste gewicht in de schaal leggen.
-
-Wat b. v. de volksverbeelding in Clovis zoozeer boeit, is niet de
-groote rol, welke hij in Gods wereldplan vervulde, de verovering van
-Gallië en de grondvesting van een machtig christelijk rijk; maar wel de
-omstandigheden van zijn huwelijk, de parten, welke een geslepen Romein
-hem speelde, zijne ongenadige bijlslagen en zijne moorddaden [10].
-
-Zoo lang als de menigte de dichterlijke overleveringen voor zuivere
-waarheid aanneemt, blijft epos en geschiedenis vermengd; doch zoodra
-zij het onderscheid begint in te zien tusschen de geschiedkundige
-werkelijkheid en de ideale voorstelling, welke zij er zich van gemaakt
-heeft, dan is het morgenrood voor de geschiedenis en de avondglans
-voor het volksepos verschenen [11].
-
-Een groot feit, dat den eigen stam of naburige stammen getroffen heeft,
-moet onmiddellijk, onder den indruk der gebeurtenissen, liederen
-doen ontluiken, op straffe van anders te verdwijnen met het geslacht,
-dat er van getuige was; want eene geschiedkundige volksoverlevering
-bestaat er niet.
-
-Het is opmerkenswaardig, dat dit groot feit gewoonlijk eene nederlaag
-is. De reden ligt voor de hand [12].
-
-Voor krijgshaftige volken is de zegepraal hunner vorsten iets zeer
-natuurlijks en gewoons, terwijl hunne nederlaag ondenkbaar is.
-
-Hiertegen komt de gekrenkte volkstrots in verzet; hij tracht de
-nederlaag te verbloemen door den tegenstand zoo heldhaftig mogelijk
-op te hemelen, den roem der weerpartij echter te verkleinen door de
-overwinning aan de overmacht ofwel aan verraad toe te schrijven [13].
-
-Stappen wij over tot het tweede punt.
-
-De zucht om de daden van zulk een geschiedkundigen held breeder uit te
-meten en in een bovennatuurlijk licht te plaatsen heeft de versmelting
-ten gevolge van de historische sage, waarvan wij hierboven spraken,
-met de mythische of heroïsche, d. i. met overleveringen van goden
-en halfgoden uit een ouder tijdperk, overleveringen, die in den
-grond niets anders zijn dan eene dichterlijke verpersoonlijking der
-natuurkrachten.
-
-De neiging tot het bovennatuurlijke is eigen aan de volken, welke nog
-op den eersten trap der beschaving staan. Ziet men dit niet bij de
-wilde stammen, die vrije kinderen der natuur, ja bij sommige eenvoudige
-landlieden uit onze onmiddellijke omgeving? Zoo spreekt, om maar één
-voorbeeld te noemen, Gustave Aimard in een zijner boeiende verhalen
-van zijne persoonlijke kennismaking met een Indiaansch opperhoofd,
-die maar niet kon gelooven, dat Napoleon I gestorven was. Immers de
-zon sterft nooit, en de groote sachem der blanken was voor hem een zoon
-der zon en diende bij gevolg onder de goden gerangschikt te worden.
-
-Aimard voegt er bij, dat ongetwijfeld menig Fransche landman in die
-meening deelde.
-
-Het derde bestanddeel is eindelijk de dichtkunst, welke de daden van
-den zoo vergoddelijkten held met omstandigheden van eigen schepping
-opsmukt en somtijds aan hoogere, zedelijke eischen voldoening geeft.
-
-Passen wij deze beginselen op het Beowulfepos toe.
-
-Onze taak zal zijn aan te toonen, dat er een geschiedkundige Beowulf
-bestaan heeft, op wien de daden van eenen heros, Beowa geheeten,
-zijn overgebracht.
-
-
-
-
-GESCHIEDENIS.
-
-De geschiedkundige grond van den Beowulf is eene nederlaag en wel de
-inval, welken de Deensche koning Chochilaicus in 515 in de gouw der
-Hattuarische Franken ondernam.
-
-In ons epos wordt ook gewaagd van andere gebeurtenissen, welke,
-blijkens het boven gezegde omtrent het volksepos, van geschiedkundigen
-aard moeten zijn.
-
-Wij bedoelen namelijk den oorlog met de Zweden, waarvan geen
-geschiedkundig getuigenis bestaat; doch deze oorlog komt hier niet
-in aanmerking, daar Hygelac en niet Beowulf er de hoofdrol speelt,
-zoodat deze strijd niet de aanleiding kan zijn geweest tot het ontstaan
-van het gedicht.
-
-De Frankische kroniekschrijvers hebben gelukkigerwijze den strooptocht
-van Chochilaicus aan de vergetelheid ontrukt.
-
-Het bericht van Gregorius van Tours, III, 3, luidt als volgt:
-
-«Na dit alles randen de Denen onder hunnen koning, Chochilaicus
-geheeten, over zee Gallië aan met eene vloot. Na aan wal gestapt te
-zijn verwoesten zij een pagus (gouw) van Theodoriks gebied, zij maken
-gevangenen en bereiden zich om naar hun vaderland terug te keeren,
-na de schepen zoowel met de gevangenen als met den overigen buit te
-hebben beladen.
-
-Hun koning was op den oever neergezeten in afwachting dat de schepen
-in volle zee waren, om daarna zelf te volgen.
-
-Toen dit aan Theodorik bericht werd, nl. dat zijn rijk door de
-buitenlanders verwoest werd, zond hij zijnen zoon Theodebert naar
-die streken af met een groot leger en eene groote oorlogstoerusting.
-
-Deze versloeg, na den koning gedood te hebben, de vijanden in een
-scheepsgevecht en gaf den ganschen krijgsroof aan de landzaten terug.»
-
-De andere Frankische bron, Liber Historiae (Gesta regum Fraticorum,)
-zegt hetzelfde op beknopte wijze en duidt tevens de streek aan met
-den naam van pagus Hattuarius.
-
-De koning der Franken, waarvan sprake is, is Clovis' oudste zoon,
-Theodorik I van Austrasië, de held van meer dan een epischen zang.
-
-Om hem te onderscheiden van den Oost-Gotenkoning Theodorik den Groote,
-werd hij Theodorik de Frank of de Huge geheeten, en als zoodanig
-verschijnt hij onder den naam van Hug-Dietrich in de Duitsche
-heldensage.
-
-Daar noch Gregorius van Tours noch zijne opvolgers eenige schriftelijke
-oorkonde omtrent Clovis' zonen ten dienste stond, moeten zij deze
-wetenschap uit de epische overlevering der Franken opgedaan hebben
-[14].
-
-Dit wordt nog bevestigd door het volgende bericht, dat toevalligerwijze
-in een handschrift van Phaedrus uit de 10e eeuw is opgenomen:
-
-In de 9e en 10e eeuw waren nog in een eiland, aan de Rijnmonding
-gelegen, reuzig groote beenderen te zien, welke naar het volksgeloof
-aan koning Hunglac, waarvan wondere zaken verteld werden, zouden
-hebben toebehoord [15].
-
-Het staat dus vast, dat deze strooptocht der Denen zulken diepen
-indruk op de overwinnaars had te weeg gebracht, dat de herinnering
-ervan na vier eeuwen nog niet was uitgewischt.
-
-Doch overweldigend moet de schok dier nederlaag geweest zijn op het
-gemoed der Denen, daar zij het aanzijn schonk aan den Beowulf.
-
-En inderdaad het verhaal van den Frankischen geschiedschrijver stemt
-in de hoofdlijnen overeen met de beschrijving, welke het epos ons
-op meer dan eene plaats geeft van de nederlaag der Deensche Gooten
-onder hunnen koning Hygelac, een naam, die volgens de wetten der
-woordafleiding aan Chochilaicus beantwoordt.
-
-Het spreekt van zelf, dat de geprikkelde eigenliefde van het volk
-deze nederlaag met de schoonste kleuren heeft afgemaald, zoodat
-Hygelac slechts voor de overmacht zwichtte, en zijn neef Beowulf,
-met de wapenrusting van dertig Franken beladen, in zee sprong, nadat
-al zijne aanvallers in het stof hadden gebeten.
-
-Is Hygelac dus een geschiedkundig persoon, dan staat niets in den
-weg om ditzelfde van zijnen moedigen neef Beowulf aan te nemen, juist
-wegens zijne verhouding tot den historischen oom; ofschoon geen ander,
-noch geschiedkundig noch dichterlijk gedenkschrift, buiten ons epos
-van hem gewaagt.
-
-Dat het gedicht de overwinnaars onder vier verschillende benamingen
-aanduidt, legt geenen onoverkomelijken hinderpaal in den weg;
-immers Friezen, Hetwaren, Franken en Hugen zijn in den grond een en
-hetzelfde volk.
-
-Hugen is de naam, welken de Noordsche volken van de 6e tot de 11e
-eeuw aan de Franken toekenden. Eigenlijk heetten zoo de bewoners
-van Hugmerki «de mark of het grensgewest der Hugen», op de grenzen
-van Saksen en Friesland; daarna werd de naam door de Saksen en
-Scandinaviërs aan de Franken in het algemeen gegeven [16].
-
-De Pagus Hattuarius behoorde tot Friesland, dat zich in den breeden
-zin van het woord van af de grenspalen van Denemarken tot aan de
-Scheldemonden en de poorten van Brugge uitstrekte.
-
-Deze streek maakte deel van het rijk der Ripuarische Franken, zoodat
-de Hetwaren onder aardrijkskundig oogpunt Friezen en onder staatkundig
-Franken heeten [17].
-
-Leo plaatst de gouw der Hattuariërs op den rechter oever der Maas,
-langs beide zijden der Niers; dus in de omstreken van Kleef, Gelder
-en Meurs, zooals Müllenhoff zegt.
-
-Hygelac was derhalve met zijne vloot tot zoover doorgedrongen, en deze
-overrompeling van de binnenlanden door middel van de riviermondingen
-bleef in 't vervolg de krijgskunde der Noormannen.
-
-
-
-
-MYTHOS.
-
-Welk is de mythische kern van de Beowulf-heldensage?
-
-Vooraf zij opgemerkt, dat wij het stelsel uiteenzetten, zooals het door
-Ettmüller, Leo en anderen, doch vooral door Müllenhoff is ontworpen,
-die zich op dit gebied vooral verdienstelijk heeft gemaakt, om er
-vervolgens eenige kantteekeningen aan toe te voegen.
-
-Wij hebben er reeds op gewezen, dat Müllenhoff bij de Angelsaksen
-eenen alouden, mythischen held aanneemt, Beów(a) of Beáw(a) genaamd,
-den overwinnaar van Grendel, welke later met den geschiedkundigen
-Beowulf versmolt; zoodat de daden van Beówa op Hygelacs neef werden
-overgebracht.
-
-Daar Müllenhoffs betoog ingewikkeld en niet al te helder is, zullen
-wij achtereenvolgens de volgende vragen beantwoorden:
-
-Heeft er een halfgod Beowa bestaan; was hij door de Angelsaksen gekend;
-heeft hij Grendel overwonnen, en kan men bewijzen, dat deze Beowa in
-den held van ons epos is schuilgegaan?
-
-I. Van de Angelsaksische koningen, die in Engeland na de
-volksverhuizing regeerden, zijn geslachtslijsten tot ons gekomen,
-waarvan sommige van Engelsche andere van Scandinavische herkomst zijn.
-
-Al deze genealogieën komen hierin overeen, dat zij tot den god Wodan,
-den stamvader der Angelsaksische koningen, opklimmen.
-
-In sommige echter, onder anderen in de Saksenkroniek, zijn nog eenige
-namen als voorvaders van Wodan toegevoegd; de lijst begint met Sceaf,
-dan volgt Sceldwa (of Scyldwa), dan Beaw (elders Beawa, Beow, Beowa
-geheeten) en zoo verder tot aan Wodan, terwijl ook Heremod en Geát
-genoemd worden.
-
-Welnu deze Sceaf is, als voorvader van den door de Duitsche volken
-als hun stamvader beschouwden Wodan, reeds daardoor zelf een mythisch
-wezen.
-
-Dit blijkt nog uit andere berichten; volgens deze zouden de Saksen
-naar Sceaf genoemd en zijn zoon Scyld de eerste bewoner van Germanië
-geweest zijn; terwijl aan de negen zonen van zijnen kleinzoon Beovinus
-alle Germaansche volken langs Oost- en Noordzee het ontstaan te
-danken hebben.
-
-Van Sceaf gaat ook de sage uit van het geheimzinnige schip, waarin
-hij als kind werd uitgezet op eene korenschoof, te midden van wapens
-en kleinoodiën.
-
-Schip en garve zien op zeevaart en akkerbouw, wapens en kleinoodiën
-op krijg en koninkschap; van Sceaf dagteekent dus de eerste beschaving
-der Germaansche kustbewoners.
-
-Doch niet alleen Sceaf is een mythisch wezen, maar ook zijne twee
-nakomelingen Scyld en Beowa.
-
-Het zijn slechts mythische uitbreidingen van de natuur van Sceaf, die
-zijne beteekenis verder uitwerken en in wezenlijkheid niets anders
-zeggen dan hetgeen Sceafs mythos reeds te kennen geeft; want vader
-en zoon zijn in de godenleer doorgaans verschillende namen van een
-en hetzelfde wezen.
-
-Dit leert ons de ontleding van de namen: Scyld, Sceldwa, Scyldwa
-is de «schermheer, de met het schild dekkende» en vertegenwoordigt
-het koninkschap.
-
-Beá van de wortel bhu «zijn, wonen, worden, wassen,» verpersoonlijkt
-het vreedzame verblijf in woningen [18].
-
-Wat nog pleit voor de eenzelvigheid van Sceaf en Scyld is, dat in
-ons epos de sage van Sceafs scheepvaart op den zoon is overgebracht.
-
-Ten slotte kunnen wij ons beroepen op eene geschiedkundige getuigenis,
-waaruit blijkt, dat Geát, een der voorloopers van Wodan, als eene
-godheid werd aangemerkt:
-
-Kurth, blz. 92, geeft de volgende aanhaling: quem Getam jamdudum
-pagani pro Deo venerabantur. (Asser, De rebus gestis Aelfredi in
-Script. Rer. Brit. blz. 468.)
-
-II. Was deze Beaw, wiens mythisch karakter ons gebleken is, in
-Engeland inheemsch?
-
-Het antwoord moet bevestigend luiden, immers de geslachtslijsten, welke
-van zijn bestaan getuigenis afleggen, behooren alle oorspronkelijk
-in Engeland thuis, daar de Scandinavische genealogieën op de
-Angelsaksische leest geschoeid zijn [19].
-
-Doch een bewijs, dat den doorslag geeft, vindt Müllenhoff in eenige
-Engelsche plaatsnamen, welke in oude oorkonden voorkomen: Beowan
-hamm «Beowa's hoeve», Grendles mere «Grendels meer», Grindles bec
-«Grendels beek», Grindeles pytt «Grendels moeras», en Béas brôc
-«Beaws broekland.»
-
-Deze plaatsnamen zijn het stelligste bewijs, dat het geloof aan eenen
-heros Beowa in zuidelijk Engeland bij het volk algemeen verbreid was.
-
-III. Deze Beowa werd door de Angelsaksen vereerd als de dooder van
-het watermonster Grendel.
-
-Hoe weet Müllenhoff dat? Hier ligt juist de knoop; immers aan te
-nemen, dat Beowa Grendel doodde, enkel en alleen omdat Beowulf dit
-in het epos doet, en van den anderen kant, dat Beowulf een mythische
-held is geworden, omdat er een mythische Grendeldooder Beowa bestond:
-dit zou een goochelkunstje zijn, dat men in de redeneerkunde met den
-deftiger naam van petitio principii bestempelt.
-
-Het afzonderlijk voorkomen van plaatsnamen als Beowan hamm en Grendles
-mere geeft ook geene uitkomst; wél, indien de twee namen te zamen
-voorkomen, want dan is men gewettigd een oorspronkelijk verband
-tusschen Beowa en Grendel aan te nemen.
-
-Dit nu is gelukkigerwijze het geval, en hier ligt dus het zwaartepunt
-van Müllenhoffs gezamenlijk betoog.
-
-IV. Eene opgave van het hoogste belang is vast te stellen, dat deze
-Beowa zich in den geschiedkundigen held heeft opgelost; zoo niet,
-dan zijn al de tot hiertoe verkregen uitkomsten doelloos.
-
-Men diene in het oog te houden, dat in ons epos twee personen den
-naam van Beowulf dragen: Beowulf de Deen, welken wij door Beowulf(1)
-voorstellen en die, als zoon van Scyld en als grootvader van den
-Deenschen koning Hrodgar, alleen in de Inleiding verschijnt, en
-Beowulf de Goot of Beowulf(2), de held van het gedicht.
-
-In Beowulf(1) steekt de Angelsaksische heros. Door invloed van Beowulf(2)
-werd in plaats van Beow, zooals het had moeten zijn, Beowulf(1)
-geschreven, welke naam buitendien er op gelijkt.
-
-Dit volgt onmiddellijk uit de vergelijking van de boven genoemde
-koningslijsten met Hrodgars stamboom in de inleiding van het
-gedicht. Hrodgars voorouders zijn: Sceaf, Scyld, Beowulf(1).
-
-Deze trits namen is, met uitzondering van den 3den, identisch met
-Sceaf, Scyldwa, Beow uit de Angelsaksische genealogieën; dus is
-Beowulf(1) voor Beow verschreven.
-
-Doch nog meer, de sage van den mythischen Sceaf ontmoeten wij
-insgelijks in het epos, ofschoon op Scyld toegepast; een bewijs dat
-wij in den grond met een en dezelfde lijst te doen hebben.
-
-Daaruit moet men besluiten, dat het gedicht den stamboom der
-Angelsaksische koningen aan het Deensche vorstenhuis heeft toegekend.
-
-Müllenhoff schrijft deze overdrage toe aan de gelijkheid van naam
-tusschen den Scyldwa of Scyld der Angelsaksen en den eponymus of
-naamgever der Deensche koningen, welke Scyldingen d. i. «afstammelingen
-van Scyld» zijn bijgenaamd.
-
-De rest der redeneering is klaar. Daar de mythische Beow, de dooder
-van Grendel, in het epos voorkomt, doch zonder vermelding van zulk
-wapenfeit, hetwelk integendeel aan Beowulf(2) wordt toegeschreven, zoo
-ligt het voor de hand, dat zijne daden op Beowulf(2) zijn overgebracht.
-
-Zoo werd de halfgod, wegens de overeenkomst van naam, vereenzelvigd
-met den geschiedkundigen neef van Hygelac.
-
-V. Welke dichterlijke opvatting der natuurkrachten ligt aan dezen
-Beowa-mythos en bijgevolg aan Beowulf(2) ten grondslag?
-
-Beowulf is de lichtheros, welke in 't voorjaar de overstroomende zee
-terugdrijft, doch bij het aanbreken van den winter verdwijnt.
-
-Müllenhoff verklaart deze voorstelling als volgt:
-
-Drie groote heldendaden van Beowulf dragen een mythisch karakter:
-
-1º De zwemwedstrijd met Brecca, waarin Beowulf den 7n dag het land
-der Finnen d. i. Lapland bereikt.
-
-Hij is bijgevolg den poolstroom te gemoet gezwommen en kan diensvolgens
-als een mythisch wezen opgevat worden, dat in zijne jeugd, d. i. in
-het voorjaar de winterstormen der zee overwint.
-
-De zee is door zijnen tegenstander, Brecca, vertegenwoordigd. Immers
-Brecca «die door de golven breekt» is vorst der Brondigen d. i. de
-branding. De naam zijns vaders Beánstan hangt samen met bauni
-«walvisch».
-
-2º Op zijnen mannelijken leeftijd bekampt Beowulf den reus Grendel
-en dezes moeder.
-
-Nu is hij het goddelijke wezen, dat den mensch tegen watermonsters
-d. i. de stormige zee beschermt; Grendel en diens moeder stellen de
-wilde Noordzee voor.
-
-3º Na eene vijftigjarige vreedzame regeering doodt de vergrijsde held
-den draak, doch niet zonder zich van zijne schatten meester gemaakt
-te hebben.
-
-De draak beteekent dikwerf een vernielend stroomend water en
-verbeeldt hier de overstroomende Noordzee in den herfst na den
-rustigen zomertijd.
-
-De zonneheros schenkt de schatten van den bodem aan de menschen,
-doch zijne macht loopt ten einde, want de noordsche winter staat voor
-de deur.
-
-VI. Müllenhoff gaat nog verder en ziet in Beowa-Beowulf den god Ing
-d. i. Freyr, den stamvader der Ingaevonen, of beter Niordr en Freyr,
-vader en zoon. Immers Freyr heet ook Yngwi, Yngwifreyr.
-
-De Ingaevonen waren, volgens Tacitus, de volken, welke aan de kust
-der Noordzee leefden «proximi Oceano Ingaevones»; hiertoe behoorden
-dus ook de Angelen en Saksen.
-
-Freyr beschermt oogst, handel en scheepvaart; hij verslaat Beli, den
-zoon van den zeereus Gymir, met een hertegewei, dat deze dieren in
-de lente afleggen; hij maakt door zijne zege de zee weder bevaarbaar
-en verdrijft de den menschen verderfelijke reuzenmachten.
-
-VII. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Beowa-mythos den
-Angelsaksen in hun oorspronkelijk verblijf op het vasteland
-d. i. in Sleeswijk-Holstein bekend was en van daar naar Engeland
-werd overgeplant.
-
-Wortelde hij zich daar vast, alvorens hij op Beowulf werd overgedragen,
-zooals Müllenhoff meent; ofwel had, volgens Symons, ten Brink en
-anderen, de versmelting reeds in Denemarken plaats; ziedaar eene
-twistvraag, welke wij in het midden laten.
-
-Volledigheidshalve zij enkel nog bijgevoegd, dat Mannhardt, Simrock
-en Nathanaël Müller zich niet voor een Freyr--maar voor een Thorheld
-uitspreken; de laatste onderscheidt buitendien tusschen Beowulf(1),
-die als derde bijgestalte van Sceaf den god Wali, en Beowulf(2), die
-alleen Thor voorstelt.
-
-Na Müllenhoffs stelsel uiteengezet te hebben is het zake van er eenige
-beschouwingen aan toe te voegen; immers ieder niet-mytholoog zal
-erkennen, dat de aangevoerde bewijzen op geene volslagen zekerheid,
-maar hoogstens op waarschijnlijkheid kunnen aanspraak maken.
-
-1º Verschillende geleerden, onder anderen Symons, zien in Beowulf
-enkel en alleen eenen heros; zoodat het overbodig is, tot eenen
-vermenschelijkten god zijne toevlucht te nemen.
-
-2º Indien de naam van Beowulf(2) den halfgod Beowa verkeerdelijk
-tot Beowulf(1) herdoopt heeft, dan mag men zich afvragen, waarom die
-terugwerking zich maar binnen zekere grenzen heeft doen gevoelen,
-daar Sceaf, Scyld en Beowulf(1) alleen de voorvaders van de Deensche
-koningen en niet van Beowulf(2) geworden zijn.
-
-Of zou dit pleiten voor eene Deensche herkomst van den eersten zang?
-
-Dat die invloed op zoo'n goeden weg is blijven steken, is des te
-meer te verwonderen, als men nagaat, dat niet Hrodgar maar Beowulf(2)
-identisch is met Beowulf(1), ten minste volgens Müllenhoff.
-
-3º Indien de Beowa-mythos zoozeer verspreid was in Engeland, waarom
-bewaart de Widsidh er dan het zwijgen over?
-
-4º Als men de volksheldendichten beschouwt, komt men tot de ervaring,
-dat het mythisch wezen van den held langzamerhand in de schaduw is
-gedoken, terwijl zijn menschelijk karakter in gelijke mate op den
-voorgrond treedt. Dit neemt nochtans niet weg, dat er kenmerken
-gebleven zijn, die den vroegeren halfgod verraden.
-
-Zoo zien wij in de Ilias, dat Achilleus met de goden omgaat, dat hij
-onkwetsbaar is en daarenboven eene godin tot moeder heeft.
-
-Eenige overgebleven mythische trekken zijn ook in het Duitsche
-Nibelungenlied waar te nemen, om niet te spreken van de Noordsche
-overlevering, waar het mythische bestanddeel overwegend is. Sigfried
-is onkwetsbaar, evenals Achilleus, en beschikt over de onzichtbaar
-makende tarnkappe.
-
-Indien bijgevolg Beowulf oorspronkelijk een hooger wezen is, dan moeten
-wij den vinger kunnen leggen op eenige sporen van die oude opvatting.
-
-Dit nu is niet het geval, integendeel wij vinden ons in een geheel en
-al menschelijk midden verplaatst, al de daden en roerselen getuigen
-dit eene: homo sum!
-
-Of moet Beowulfs bovenmatige kracht, welke tegen die van dertig man
-opwoog, moet zijne bedrevenheid in het zwemmen, waardoor hij eerst
-tot in het hooge Noorden doordrong en later van Nederland uit Jutland
-bereikte, als mythische trekken worden beschouwd, daar zij het vermogen
-van een gewoon sterveling te boven gaan?
-
-Dit schijnt mij niet aannemelijk, immers deze groote lichaamsgaven
-maken juist van Beowulf den held, maar stempelen hem daarom nog niet
-tot een mythisch wezen, tot eenen halfgod.
-
-Immers de held van het epos kenmerkt zich door daden, die van het
-treurspel door hartstochten, welke het gewone peil verre overschrijden.
-
-Daar Beowa Grendel doodde en als zoodanig alleen vereerd werd,
-zou men met recht bij de beschrijving van dien kamp eenig mythisch
-spoor verwachten; doch vruchteloos, tenzij men de handschoen voor
-zoo iets houde!
-
-Beowulfs gevecht in de onderzeesche woning met Grendels moeder draagt
-eerder eene phantastische dan wel mythische kleur, en ik zou ook
-geneigd zijn, dit van den kamp met den draak aan te nemen, zoo niet
-de draak in tal van mythen eene rol speelde.
-
-Wij trekken hieruit het besluit, dat geen mythische trek in het epos is
-aan te wijzen buiten den draak, welke onmetelijke schatten bewaakt;
-want al doemen er ook andere gestalten in op als Sceaf, Sigmund,
-Hama, Weland, die allen oorspronkelijk mythische wezens zijn, geen
-dier personen behoort tot de kern van de Beowulf-sage.
-
-Nochtans komen wij hiermee niet veel verder, daar, zooals blijkt
-uit de plaatsnamen, alleen Grendel, doch niet de draak, iets met den
-Beowa-mythos te maken heeft.
-
-5º Wij hebben gezien, dat de twee te zamen behoorende plaatsnamen
-Beowan hamm en Grendles mere de spil zijn, waarop heel het betoog
-van Müllenhoff draait.
-
-Ontbreekt die overeenstemming, dan blijft het nog altoos waar, dat
-een heros Beowa bestaan heeft; doch of die in eenig verband staat
-met Grendel en bijgevolg met Beowulf, kunnen wij alsdan uit niets
-afleiden, of het zou uit eene verre overeenkomst van naam (Beowa,
-Beowulf) moeten zijn.
-
-Men ziet, hoe Müllenhoffs stelsel, al vormt het ook een afgerond en
-scherpzinnig geheel, op de punt eener naald is opgetrokken.
-
-Jammer dat deze zwakke steun dan nog wordt omgeknipt door Thomas
-Miller in The Academy (1894, 12 May).
-
-Hij toont aan, dat in de plaatsnamen bowan hammes en grendles mere,
-welke in het «Cartularium Saxonicum» no 677 voorkomen, Grendel niet een
-eigennaam maar een gemeennaam is, welke drain d. i. afwateringsbeek
-beteekent. Hij vertaalt grendles mere door the cess pool d. i. het
-afwateringsmeer, het turfmeer.
-
-Miller leidt deze beteekenis van het woord af uit twee andere plaatsen
-van dezelfde oorkonde, waar het woord grendel alleenstaande voorkomt.
-
-De slotsom dezer beschouwingen is, dat men tot nog toe het mythische
-bestanddeel der Beowulf-heldensage met geene voldoende zekerheid of
-zelfs waarschijnlijkheid kan aanwijzen, en dat Müllenhoffs uitspraak,
-op het zachtst uitgedrukt, voorbarig mag heeten, wanneer hij zegt:
-
-«Es ist nicht zu bezweifeln dass die Angeln und Sachsen, die sich
-in England niederliessen, den mythus vom kampf mit dem wasserunhold
-Grendel, den das gedicht dem Beowulf beilegt, ursprünglich von dem
-mythischen Beav ihrer genealogie erzählten.....» Men kan het Thorpe dus
-niet euvel duiden, als hij een loopje neemt met de Duitsche mythologen.
-
-
-
-
-GEÁTAS.
-
-Het volk, wiens heldenfeiten bezongen worden, zijn niet de Denen,
-maar de Geátas; Beowulf(2), dien wij in 't vervolg kortweg Beowulf
-zullen heeten, was een Geát.
-
-Welk Germaansch volk beantwoordt aan de Geátas? [20]
-
-De meeningen loopen uiteen. Kemble hield de Geátas voor Angelen;
-Ettmüller, Thorpe en Müllenhoff voor de bewoners van zuidelijk Zweden;
-want de vorm Geátas stemt, volgens de woordafleiding, overeen met
-Zweedsch Gotar, Oudnoordsch Gautar, waardoor de bevolking van de
-Zweedsche landstreek Westergötland bedoeld wordt.
-
-Leo en Bugge zien er integendeel de Jutten in, al stuiten zij ook op
-de spraakkundige moeilijkheid, dat de vorm «Jutten» in 't Angelsaksisch
-Eótas, Jotas, (Oudnoordsch Jótar) en niet Geátas moest opleveren.
-
-Halen wij Bugge's voornaamste bewijsgronden aan, hoofdzakelijk ontleend
-aan den Zweedschen geschiedschrijver Pontus Fahlbeck, en welke mijns
-inziens de schaal te zijnen voordeele doen overhellen.
-
-Een taalkundig bewijs tegenover taalkundig bewijs is het volgende: In
-de vertaling van Beda's werk De Jutarum Origine geeft koning Alfred,
-die toch in het Angelsaksisch thuis moest zijn, den naam Jutten door
-Geátas weer, daar hij het Latijnsche opschrift door Of Geáta fruman
-vertolkt.
-
-Uit talrijke plaatsen van het gedicht komt men tot de overtuiging,
-dat de Geátas een zeevarend volk zijn. Dit past geheel en al bij de
-Jutten, maar niet bij de Westergoten, wier hoofdnederzetting sinds
-alouden tijd bij Skara is geweest. Deze Zweedsche Westergoten hebben
-bijna geene kusten en laten zich in de geschiedenis niet als eigenlijk
-zeevolk aanwijzen.
-
-Geátas en Swéon (Zweden) zijn door de zee gescheiden, welke naar luid
-van het epos de eenige verbindingsweg moet zijn.
-
-Welnu deze gemeenschap langs den waterweg is onvereenigbaar met de
-plaatselijke verhouding tusschen Westergotland en het eigenlijke
-Zweden, doch noodzakelijk bij de ligging van Jutland.
-
-Hygelac, koning der Geátas, onderneemt eenen krijgstocht, naar het
-land der Franken; in overeenstemming hiermede beschouwen de Geátas
-de Franken en Friezen als hunne hoofdvijanden na de Zweden.
-
-Dit klinkt zonderling, als er van de verre Westergoten sprake is,
-doch is natuurlijk, als men aan de Jutten denkt.
-
-Bij de Frankische kroniekschrijvers wordt Hygelacs volk Dani
-geheeten. Dit verstaat zich gemakkelijk van de Jutten, die in de
-Noordsche bronnen van historischen tijd onder de Denen begrepen worden,
-doch niet van de Zweden.
-
-Dat ons epos Geátas en Denen streng uit elkander houdt, vindt zijne
-verklaring in den staatkundigen toestand der beide volken, die elk
-een afzonderlijk rijk uitmaakten.
-
-B. ten Brink neemt eene afzonderlijke stelling in. Voor hem zijn
-de Geátas noch Angelen, noch Zweden, noch Deensche Jutten, maar
-Engelsche Jutten.
-
-Hij beroept zich op de volgende plaats van Beda: «De Jutarum origine
-(Deensche Jutten) sunt Cantuarii (die van Kent) et Victuarii, hoc
-est ea gens, quae Vectam (eiland Wight) tenet insulam et ea, quae
-usque hodie in provincia Occidentalium Saxonum (Wessex) Jutarum natio
-nominatur, posita contra ipsam insulam Vectam.»
-
-Dus Kent, Wight en de tegenoverliggende kuststreek in Wessex werden
-door denzelfden stam bewoond, terwijl de laatsten in Beda's tijd nog
-den naam van Jutten voerden.
-
-Deze Engelsche Jutten waren, volgens ten Brink, niet van hetzelfde
-bloed als de latere bewoners van Jutland. Hij veronderstelt, dat hun
-naam aan het land gebleven is na hun vertrek naar Brittanje, zoodat
-hij op de later komende Deensche Jutten overging. Deze oudste Jutten
-zijn derhalve de Geátas.
-
-Er bestaat geen ernstige grond om tusschen de Engelsche en Deensche
-Jutten eene scheidslijn te trekken.
-
-Much neemt aan, dat zich Jutten onder de Germaansche veroveraars van
-Engeland bevonden, doch hij ziet er en met hem Möller geen van de
-Deensche Jutten onderscheiden, maar wel hetzelfde Duitsche volk in,
-waarvan een deel op Jutland bleef en met de nieuw aangekomen Denen
-het land verdeelde. [21]
-
-
-
-
-NATIONALITEIT VAN DEN BEOWULF.
-
-Of Beowulf het werk van eenen Engelschen, Deenschen, dan wel Zweedschen
-dichter is, blijft tot nog toe de twistappel.
-
-Drie punten vergen vooraf de aandacht:
-
-1º Hoe komt het, dat de Angelen en Saksen niet genoemd worden in een
-in het Angelsaksisch opgesteld gedicht, dat zoovele volksnamen behelst?
-
-Hierop is nog geen bevredigend antwoord ingediend. Ten Brink geeft de
-volgende verklaring: Toen de gebeurtenissen plaats grepen, welke het
-ontstaan zouden geven aan Beowulf, was een groot deel der Engelsche
-stammen reeds naar Brittanië vertrokken. Van hen, die in het vaderland
-waren gebleven, waren de meesten reisvaardig en dachten alleen aan
-de nieuwe woonstede.
-
-2º Daar de Geátas herdacht worden in een Angelsaksisch gedicht, staan
-wij voor het verbazende feit, dat vreemdelingen bezongen worden in
-een nationaal epos.
-
-Deze moeilijkheid valt weg, als men zich te binnen brengt wat
-boven gezegd werd, dat zich onder de uitgewekenen naar Engeland ook
-Jutten bevonden, welke, zooniet van denzelfden stam, dan toch met de
-Angelsaksen verwant waren.
-
-3º Over Deensche toestanden wordt met kennis van zaken en met
-belangstelling uitgeweid; immers de ligging van Hrodgars burcht niet
-ver van zee, de zorgvuldige beschrijving van Heorot en vooral van de
-omgeving, de bekendheid met de verhoudingen aan het Deensche hof,
-dit alles bewijst, dat de dichter de landstreek tusschen Roeskilde
-en Lerje, de oude zetelplaats der Deensche koningen op Seeland,
-met eigen oogen heeft opgenomen.
-
-Deze getrouwheid der plaatsbeschrijving, welke men zich in de
-veronderstelling van een in Engeland geboren epos moeilijk kan
-verklaren, is een der voornaamste redenen, waarom Sarrazin in den
-Beowulf de vertaling ziet van een oorspronkelijk Deensch gedicht.
-
-Thorpe kent er, schoon steunende op zwakker gronden, eenen Zweedschen
-oorsprong aan toe. Hij beroept zich op het vers in de Inleiding, waar
-gezegd wordt, dat Beowulfs roem de Schedelanden d. i. Scandinavië
-binnendrong; waardoor de dichter te kennen geeft, dat het verhaal
-hem in zijn eigen «home» bereikt heeft.
-
-Vervolgens zou het gedicht naar Engeland zijn overgebracht, alwaar
-het tijdens de invallen der Denen vertaald werd. Rönning werkt Thorpes
-opvatting verder uit.
-
-Eindelijk hebben wij de meening van Müllenhoff en ten Brink; voor
-hen is de Beowulf geene vertaling, geen vreemd lettervoortbrengsel,
-maar een echt Oudengelsch gewrocht.
-
-Deze laatste zienswijze vindt de meeste voorstanders.
-
-Wij zullen de verschillende bewijsgronden niet nagaan, welke voor of
-tegen elk der drie meeningen zijn ingebracht, maar ons bepalen bij
-eene beschouwing van ten Brink, welke ons afdoende voorkomt.
-
-De eigenschappen, waardoor de Beowulf uitblinkt, veronderstellen
-eenen hoogen graad van zedelijke ontwikkeling, van beschaving, welke
-in de 7e eeuw en 8ste eeuw bij geen Germaansch volk, tenzij bij de
-Engelschen, wordt aangetroffen en allerminst bij de Scandinaviërs
-(Denen en Zweden).
-
-«Man vergegenwärtige sich doch nur den Verkehr zwischen Beowulf und
-dem Dänenkönige, seinem ganze Verlaufe nach, um die Ueberzeugung zu
-gewinnen, dass hier eine Humanität sich äussert, von der die ältere
-Dichtung anderer germanischer und ebenso romanischer Völker kein
-Beispiel bietet.»
-
-Ten Brink merkt buitendien nog op, dat geen der verwante Scandinavische
-sagen den echten naam van den held kent, welke Bjólfr zou moeten
-luiden, evenmin als de Noordsche overlevering eenige herinnering
-bewaard heeft van den strooptocht naar den Rijn, die den stoot gaf
-tot de vorming onzer heldensage.
-
-
-
-
-TIJD VAN VOLTOOIING.
-
-Uit welken tijd dagteekent de vervaardiging van het Beowulf-epos? Het
-ligt in den aard der zaak, dat het epos slechts langzamerhand door
-ineensmelting van meer of minder oude zangen zijnen tegenwoordigen
-vorm verkregen heeft, zoodat deze letterkundige kristallisatie zich
-over verschillende eeuwen kan hebben uitgestrekt.
-
-Daarom zullen wij eerst de grenzen afbakenen, waartusschen het gedicht
-moet tot stand gekomen zijn.
-
-Afgezien van den Beowa-mythos kan er van het eigenlijke epos geen
-sprake zijn vóór 515-20, toen de inval van Hygelac plaats greep.
-
-Van den anderen kant moet het gedicht vóór de 9de eeuw, d. i. vóór
-de plundertochten der Denen in Engeland, kant en klaar zijn geweest;
-hoe zou men anders aan de Denen zulken lof toegezwaaid hebben?
-
-In deze speelruimte van ruim twee en een halve eeuw valt een tijdperk
-uit de Engelsche geschiedenis aan te wijzen, dat onder het oogpunt
-van beschaving aan de voorwaarden beantwoordt, welke ons epos
-noodzakelijkerwijze vooropstelt.
-
-Deze voorwaarden zijn volgens ten Brink: een volksbewustzijn, dat
-zich uit in het gevolgschapswezen, beschaving, verzachting der zeden,
-verdraagzaam samenzijn van christendom en heidendom.
-
-Welnu aan al deze eischen voldoet de maatschappelijke toestand van het
-Northumberlandsche rijk in 't begin der 7de eeuw, onder de regeering
-van Eádwini.
-
-Hij was het die Bernicië en Deira tot één rijk vereenigde, zijn
-gezag uitbreidde, de Kelten en Schotten met goed gevolg beoorloogde,
-de openbare veiligheid, eene voorwaarde van alle ware beschaving,
-in de hand werkte en in 627 tot het Christendom overging.
-
-Na hem bereikte Northumberland onder Oswald en daarna onder Oswiu
-zijne hoogste macht.
-
-Toen vormde zich die breede epische stijl, welke in de 2de helft der
-7de eeuw in het naburige rijk Mercië zijn beslag kreeg, vooral door
-toevoeging van episoden.
-
-Het Beowulf-epos werd dus in den loop der 7de eeuw voltooid.
-
-
-
-
-HET HANDSCHRIFT.
-
-Het handschrift klimt op tot de 10de eeuw en wel tot de 2de helft,
-naar ten Brink; het is het werk van twee afschrijvers, van welke
-de tweede, die zich vooral door het gebruik van ió in plaats van eó
-kenmerkt, bij het woord môste v. 1940 begint.
-
-Het handschrift bevindt zich te Londen, in de Cottonische Bibliotheek
-van het British Museum.
-
-Ziehier wat Thorpe er in zijne Inleiding over zegt:
-
-Al de handschriften der Angelsaksische poëzie zijn van eene
-betreurenswaardige onnauwkeurigheid en verraden bijna op elke
-bladzijde de onwetendheid van eenen ongeletterden afschrijver, die
-(gelijk het de kloostergewoonte was) dikwijls op dictee neerschreef;
-maar onder de Angelsaksische handschriften mag, ik ben er zeker van,
-dat van den Beowulf in gemoede als het slechtste beschouwd worden,
-afgezien van zijnen huidigen beklaaglijken toestand, ten gevolge
-van den brand in Cotton House in 1731, die het ernstig beschadigde,
-zoodat het gedeeltelijk wrijfbaar als zwam is geworden.
-
-
-
-
-DE VERSBOUW.
-
-Algemeene Bemerkingen. De versbouw van den Beowulf is aan alle Duitsche
-volken gemeen en bestaat in het rijmlooze geallitereerde vers.
-
-Het geallitereerde vers is, ten minste bij de Westgermanen, uit
-twee deelen nl. halfverzen samengesteld, welke door de stemrust
-gescheiden zijn.
-
-Het stafrijm, dat beide halfverzen tot een geheel verbindt, brengt
-de eenheid tot stand.
-
-Niet alleen de verzen, maar ook de halfverzen van denzelfden regel
-volgen niet altijd eenen eenvormigen rhythmus; integendeel, er heeft
-wisseling van verscheiden bepaalde versmaten plaats.
-
-Zoo heerscht er afwisseling en vrijheid van beweging.
-
-Maken we dit klaar door eene veronderstelling.
-
-Terwijl onze tegenwoordige dichters zich doorgaans in hetzelfde
-stuk aan ééne verssoort houden, b. v. hexameter, alexandrijn,
-vijfvoetige jambe, enz., zou de Oudgermaansche zanger in den bouw
-zijner halfverzen nu een gedeelte van eenen hexameter gekozen hebben,
-dan van een alexandrijn, dan weer van de vijfvoetige jambe, enz.
-
-Welk zijn dan de versmaten, die in het geallitereerde vers afwisselen?
-
-Om hierop te antwoorden, behooren wij twee stelsels te onderscheiden:
-sommigen, waaronder Sievers, nemen twee heffingen aan voor het
-halfvers; anderen, waaronder ten Brink, integendeel vier.
-
-Wij zullen in breede trekken een begrip geven van beide theorieën
-en verwijzen voor de bijzonderheden naar de uiteenzetting door beide
-geleerden in den «Grundriss der Germanischen Philologie.» [22]
-
-
-
-
-I. TWEE HEFFINGEN.
-
-Bouw van het halfvers in 't algemeen. Sievers onderscheidt er de
-volgende bestanddeelen:
-
-1º de beklemtoonde lettergrepen of heffingen (´); zij zijn twee
-in getal.
-
-2º de onbetoonde lettergrepen of dalingen (×).
-
-3º de minder betoonde lettergrepen, welke, naar gelang hunne omgeving,
-dienst kunnen doen voor dalingen b. v. kérkdeu×r, of voor
-bijheffingen (`) b. v. wíndmòle×n.
-
-Het halfvers bestaat doorgaans uit vier leden, welke hetzij
-paarsgewijze zijn verbonden, volgens het schema 2 + 2, hetzij niet
-paarsgewijze, volgens het schema 1 + 3 ofwel 3 + 1.
-
-Vandaar, wat de maat betreft, vijf verschillende grondvormen in
-het halfvers:
-
-
- A -´ × | -´ ×
- B × -´ | × -´ schema 2 + 2
- C × -´ | -´ ×
-
- D -´ | -´ -` × schema 1 + 3
- -´ | -´ × -`
-
- E -´ -` × | -´ schema 3 + 1
- -´ × -` | -´
-
-
-Buitendien komen er nog onderverdeelingen in aanmerking, drie voor A,
-drie voor C, vier voor D, twee voor E.
-
-In het Angelsaksisch komt de grondvorm A het meeste voor, dan in
-afnemende orde B, C, D. Het minst vertegenwoordigd is E.
-
-Het stafrijm valt op de heffingen; in ons epos gewoonlijk op de
-beide heffingen van het eerste, en op de eerste heffing van het
-tweede halfvers.
-
-Alle klinkers allitereeren met elkander, eveneens gelijke medeklinkers,
-alsmede v en w, uitgezonderd de verbindingen sk, st, sp, welke noch
-op elkaar, noch op andere s-groepen, noch op eenvoudige s kunnen slaan.
-
-
-
-
-II. VIER HEFFINGEN.
-
-ten Brink's stelsel wijkt onder meer dan een punt van het vorige af.
-
-Het allitereerend vers bestaat uit vijf verschillende versmaten,
-waaraan nochtans een zelfde rhythmisch schema ten grondslag ligt.
-
-Dit grondschema is voor het halfvers:
-
-
- × ×´ × ×` | × ×´ × ×`
-
-
-Het halfvers bestaat dus uit vier tweeledige voeten en vier heffingen:
-twee hoofd- en twee bijheffingen; de rest zijn dalingen.
-
-Elk lid van den tweeledigen voet vormt een tijddeel of more (×). Het
-halfvers bestaat dus uit acht moren. Uit dit oorspronkelijk schema, dat
-wij met ten Brink a zullen heeten, zijn vier andere rhythmen ontstaan,
-naar de verschillende wijzen, waarop de heffingen elkander volgen.
-
-b De volgorde van hoofd- en bijheffing wordt in den 1sten en 2den
-voet omgezet:
-
-
- × ×` × ×´ | × ×´ × ×`
-
-
-c In den 3den en 4den voet:
-
-
- × ×´ × ×` | × ×` × ×´
-
-
-d In 1,2 en 3,4:
-
-
- × ×` × ×´ | × ×` × ×´
-
-
-e 3 en 4 worden tusschen 1 en 2 ingeschoven.
-
-
- × ×´ × ×´ | × ×` × ×`
-
-
-Alvorens dit nader toe te lichten, dienen wij eerst een woord te
-zeggen over de quantiteit en de betoning.
-
-Quantiteitsregel: Eene more (×) kan ingevuld of gedekt worden zoowel
-door de korte als lange lettergreep (×).
-
-Twee moren kunnen alleen gedekt worden door eene lange lettergreep,
-welke alsdan door het teeken (-) wordt voorgesteld.
-
-Onder de lange lettergrepen zijn ook die te rekenen, welke door twee
-medeklinkers gesloten worden.
-
-De betoning grijpt veel verder om zich dan bij Sievers. Kunnen
-betoond worden en bijgevolg aan heffing onderhevig zijn: 1º alle
-eenlettergrepige woorden, uitgenomen ne; 2º bij de veellettergrepige
-alle syllaben; uitgenomen die op korte betoonde lettergrepen volgen
-en de toonlooze eenlettergrepige voorvoegsels.
-
-De twee hoofdheffingen vallen bijgevolg met de lettergrepen te zamen,
-die den klemtoon hebben.
-
-De twee bij heffingen vallen aan minder betoonde lettergrepen te beurt,
-b. v. kerkdeùr, windmòlen; en in het algemeen aan die lettergrepen,
-welke door eene nog zwakker betoonde worden voorafgegaan of gevolgd,
-waardoor zij in kracht winnen.
-
-Op het einde van het halfvers heeft geregeld heffing plaats, indien
-de lettergreep er voor vatbaar is.
-
-Eene betoonde lettergreep tusschen twee sterker betoonde wordt ofwel
-daling, ofwel heffing, naar de eischen van het vers.
-
-Keeren wij nu terug tot de versmaat.
-
-Het halfvers zou geheel en al volledig wezen, zoo elk der acht moren
-door eene lettergreep vertegenwoordigd of gedekt was; doch dit heeft
-uiterst zelden plaats, en dan nog alleen bij den grondvorm a b. v.:
-
-
- gewâ´t him thâ` to wárodhè = × ×´ × ×` × ×´ × ×`
-
-
-Gewoonlijk ontbreken er een of meer dalingen.
-
-Deze onderdrukking der daling is aan twee oorzaken toe te schrijven:
-
-a) ofwel de daling wordt door eene pooze (^) vervangen;
-
-b) ofwel de daling wordt opgeslorpt door de lange lettergreep (-)
-welke, zooals gezegd is, voor twee moren kan gelden.
-
-Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken.
-
-a. Met pooze in 't begin:
-
-
- wî´ge ùnder wáeterè = ^ ×´ × ×` × ×´ × ×`.
-
-
-Pooze en opslorping der daling door de lange lettergreep:
-
-
- mýnelìcne mâ´ddum = ^ ×´ × ×` × -´ ×`.
-
-
-(-´ ×` staat voor ×´ × ×`, zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd
-worden.)
-
-b. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep
-van straete:
-
-
- òfer lágustráetè = ^ ×´ × ×´ × -´ ×`.
-
-
-c. Met pooze en opslorping der daling door de derde lettergreep
-van aedelinga:
-
-
- aédelìngà gedrýht = ^ ×´ × -` ×` × ×´.
-
-
-d. òfer géofenès begóng = ^ ×` × ×´ × ×` × ×´.
-
-
-e. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep
-van ydha:
-
-
- átol y´dhà gethrìng = ^ ×´ × -´ ×` × ×`.
-
-
-Al de hier opgesomde verzen zijn volledig, omdat er de vier heffingen
-zijn; ontbreekt één der bijheffingen, dan is het vers onvolledig.
-
-In dit geval kan de ontbrekende bijheffing op twee wijzen vervangen
-worden:
-
-1º door de pooze, b. v.
-
-
-a. geslô´h thî`n faéder = × -´ -` ×´× ^`.
-
-
-2º Ofwel, en dit heeft slechts in één geval plaats, worden twee
-heffingen, nl. hoofd- en bijheffing, door ééne lettergreep gedekt,
-zoodat deze lettergreep zich over drie moren uitstrekt:
-
-
-a. hâ´`m gesô´htè = ^ -´` × -´ ×`.
-
-
-Men zou dus bij het lezen há-a-àm moeten scandeeren.
-
-Ziedaar in het kort de hoofdlijnen van de tweeheffings- en
-vierheffingstheorie.
-
-Het ligt niet op onzen weg te beslissen, welke de beste is; dit laten
-wij aan meer bevoegden over.
-
-Nochtans al is het waar, dat Sievers' meening meer aanhangers telt,
-toch zal men moeten toegeven, dat het stelsel van ten Brink heel
-wat minder ingewikkeld, en dat de uitspraak van den laatste niet van
-allen grond ontbloot is, als hij zegt:
-
-«Sievers... gelangte zu einem System, nach welchem es ebenso unmöglich
-sein dürfte, Verse zu lesen, wie es unmöglich gewesen sein muss,
-Verse darnach zu bauen.»
-
-
-
-
-EPISCHE STIJL.
-
-Wie, in tegenstelling met Monsieur Jourdain, poëzie van proza weet
-te onderscheiden, zal bij de inzage van het epos erkennen, dat er
-bij de Angelsaksen eene epische taal bestond, welke zich uit de
-omgangstaal tot eene hoogere volmaaktheid had ontwikkeld; want hij
-zal, afgezien van de versmaat, geregeld terugkeerende woordfiguren,
-vaste uitdrukkingen en bepaalde zinswendingen aantreffen.
-
-Wat vooral de aandacht vestigt, is het ruim gebruik, dat gemaakt wordt
-van het vermogen om samenstellingen te vormen, waarvan de meeste een
-dichterlijk beeld voor den geest roepen.
-
-Voor bijzonderheden verwijzen wij naar het opstel van Theodor Storch,
-Angelsächsische Nominalcomposita. Strassburg, 1886.
-
-Wij willen hier alleen wijzen op de bonte rij van samengestelde
-bijvoeglijke naamwoorden met verzwegen voorzetsel: goldhladen
-goudbeladen, goldhroden goudgekleed, daed-cêne daadkoen, blôd-fâg
-bloedbont, heoro-blâc bleek door het zwaard, zwaard-gedood,
-wlite-beorht met stralend aanschijn, beadu-rôf kampberoemd,
-beadu-scearp slagscherp, scherp tot den slag; ellen-seóc krachtberoofd,
-gold-wlanc goud-pronkend, headhogeong kampjong, sadol-beorht met
-glanzend zadel, sae-mêde zeemoede, man-thwaere menschenvriendelijk,
-enz. [23].
-
-Een ander kenmerk van den epischen stijl is de verbazende rijkdom van
-zinverwante woorden om sommige begrippen uit te drukken, vooral die,
-welke op oorlog en zeevaart, de twee voornaamste bezigheden van het
-volk, betrekking hebben.
-
-Om b. v. krijgsbende, krijger, vorst, kamp, pantser, moedig, zee
-en schip te zeggen, beschikt het epos over tal van eigenlijke en
-oneigenlijke uitdrukkingen, waaruit niet alleen de woordvoorraad
-van het Angelsaksisch, maar ook de vindingrijkheid des dichters te
-voorschijn treedt. De oneigenlijke uitdrukkingen bekleeden vooral
-eene breede plaats. Men heet ze Kenningar, eene benaming, welke aan
-de Oudnoordsche letteren ontleend is.
-
-De Kenning is eene minder gewone voorstelling van een begrip, waarvoor
-een gebruikelijke term voorhanden is. Ziehier eenige voorbeelden:
-
-De koning heet: goudgever, ringuitdeeler; het zwaard: kampvlam;
-het harnas: krijgsnet; de helm: kamphoofd; de lans: krachthout; de
-strijd: schildspel, zwaardstorm; het bloed: kampzweet, kampkegels
-(beeld aan het ijs ontleend); het schip: golfganger, kronkelsteven;
-het hert: heideganger; de harp: vreugdehout, enz.
-
-Ook bij de werkwoorden komen Kenningar voor, b. v. gaan: het schild
-dragen, de speer dragen, den weg meten; spreken: den woordenschat
-ontsluiten; sterven: het menschengejubel opgeven, het gelach
-neerleggen, enz.
-
-Leven, sterven, spreken, mensch, koning, zwaard, harnas, helm, schild,
-speer, kamp, schip en God: ziedaar de voornaamste begrippen, welke
-door Kenningar worden uitgedrukt.
-
-Al de Angelsaksische werken zijn rijk aan deze woordfiguur en niet
-het minst de Beowulf die, volgens de door Bode opgemaakte verhouding,
-9.9 Kenningar op 100 regels telt. Uit de lijsten, welke deze schrijver
-heeft samengesteld, zullen wij twee voorbeelden kiezen nl. krijger en
-zee, en tevens de ontbrekende vormen bijvoegen, ten einde den rijkdom
-van de epische taal in den Beowulf te toonen.
-
-Eigenlijke uitdrukkingen voor krijger:
-
-Cempa, wîga, ôretta (kamper); oretmaecg, hilderinc (kampheld); hererinc
-(legerheld); gûdhwîga (kampstrijder).
-
-Wij voegen erbij:
-
-häledh, beorn, rinc, wer, secg, gewinna (held, strijder); thegn,
-magu-thegn (ridder); sige-beorn (zegeheid); magorinc (manheld);
-hilde-mecg, beado-rinc, gûdhrinc, headho-rinc, gûdh-beorn (kampheld);
-fyrd-gestealla (tochtgenoot); dryht-gesîd, dryht-guma (schaargenoot);
-waepned-man (wapenman).
-
-Kenningar of oneigenlijke uitdrukkingen:
-
-Bode haalt aan: lindhäbbend, rondhäbbend, bordhäbbend (schildhebber);
-searohäbbend (harnashebber); helmberend (helmdrager); scildfreca
-(schildwolf); sweordfreca (zwaardwolf); wîgfreca, hildfreca (kampwolf);
-hildehlemma (kampwilde); sceotend (schutter); -sceada (-beschadiger).
-
-Hier behooren nog bij:
-
-fêdha, fêde-cempa (voetkamper); byrn-wiga (harnas-kamper); freca
-(wolf); gûdh-freca (strijdwolf); gâr-wiga, äsc-wiga (speerkamper);
-lind-gestealla (schildgenoot); lind-wiga, rond-wiga, scild-wiga
-(schildkamper).
-
-Eigenlijke uitdrukkingen voor zee: mere, sae, sund, holm, heàdu, brim,
-lagu, lagu-streàm, eàgor-streàm, êg-streàm, geofen, wäd, flôd, waeg.
-
-Buitendien nog: brim-streàm, farodh, ford, streàm.
-
-Kenningar voor zee.
-
-Bode teekent aan: fîfelcynnes eard (gebied der zeegedrochten);
-ganotes bädh (bad der duikereend); hronrâd (walvischweg); swanrâd
-(zwaneweg); segelrâd (zeilstraat); ydha ful (der golven beker);
-seoledha begang (der bochten d. i. stille wateren, bereik); flôdes
-wylm (vloedbranding); sealt wäter (zout water); seo fealu flôd (de
-vale vloed); se ginna grund (de spalkende grond); gârsecg.
-
-Deze reeds lange reeks kan nog door de volgende uitdrukkingen
-aangevuld worden: brim-wylm, flôd-ydh, holm-wylm, wäter-ydh,
-saewylm (zeegegolf); sundgebland, ydhgebland (zeegemengel); brimlâd,
-lagu-straet, mere-straet (zeeweg); geswing, wälm (branding); waeg-holm
-(golvenzee); deóp wäter (diep water); wîd wäter (uitgestrekt water);
-holma gethring (zeegewoel); mere-grund (zeegrond); wäteres hrycg
-(waterrug); ydha gewealc (golfgewentel); ydhgewin (golfgeworstel).
-
-De vorm, waaronder de Kenningar gewoonlijk voorkomen, is, als blijkt,
-de samenstelling.
-
-Bij sommige is het rijm onmiskenbaar b. v. hranrâd, swanrâd.
-
-Welk is de natuur der Kenningar?
-
-Zij beperken het begrip door eene bepaalde zijde van een persoon of
-zaak, ééne eigenschap, één deel in het licht te stellen, hetzij door
-middel van ontleding, hetzij van vergelijking.
-
-Zoo wordt de krijger door een deel zijner bewapening voorgesteld
-b. v. schilddrager; ziedaar de ontleding.
-
-Wordt integendeel de aandacht getrokken op zijne strijdbaarheid,
-dan roept die eigenschap de vergelijking te voorschijn met den wolf,
-b. v. kampwolf.
-
-De Kenningar, welke op deze laatste wijze zijn ontstaan, zijn niets
-anders dan een leenspreuk of metaphora; deze woordfiguur speelt dus
-eene groote rol in den Beowulf.
-
-Waaraan is de veelvuldigheid van Kenningar toe te schrijven?
-
-Eene voorname reden is, dat zij, vooral in het tweede halfvers,
-als stopwoorden worden aangewend, om aan de eischen van het stafrijm
-te voldoen.
-
-Een sprekend bewijs hiervan levert ons de onechte plaats v. 184-87:
-
-
- Zij kenden niet den meester,
- Der daden doemer, geenen God, den heerscher;
- Zij konden niet des hemels heul bekennen,
- Den God der glorie.
-
-
-De dichter, wiens taak het was, overgeleverde stof in overgeleverde
-vormen te gieten, zooals Bode zich uitdrukt, vond hier eene gewenschte
-gelegenheid om door het smeden van nieuwe woordverbindingen zijne
-kunst te toonen.
-
-Dat nochtans de zucht om met nieuwe Kenningar te schitteren zoover
-gedreven werd, dat vele Oudgermaansche dichters tot hetzelfde besluit
-zouden zijn gekomen als Ronsard, wanneer hij zegt: «Les excellents
-poètes nomment peu souvent les choses par leur nom,» dat kan ik Bode
-niet toegeven.
-
-Men zou diensvolgens moeten aannemen, dat in die vroegste tijden
-reeds jacht werd gemaakt op gezochte, gekunstelde woordkoppelingen,
-dus ongeveer in den aard van de Précieuses, over welke Molière zich
-vroolijk maakt.
-
-Dit strijdt met het karakter van het volksepos, dat juist door zijne
-waarheid, door zijne oprechtheid gunstig bij de latere persoonlijke
-poëzie afsteekt, welke doorgaans iets meer of minder conventionneels
-of overeengekomens vertoont. Wat zeggen buitendien de feiten?
-
-Indien men in Bode's lijst de Kenningar uit den Beowulf vergelijkt
-met die uit het volgende Angelsaksisch tijdperk, dan komt men tot
-de ervaring, dat daar waar er sprake is van koningsschap, krijgs-
-en zeewezen, slechts weinig nieuwe vormen, ten minste wat den zin
-betreft, zijn bijgekomen.
-
-De voornaamste nieuwe Kenningar zijn die, welke op duivel, hel
-en vooral op God betrekking hebben; doch zij zijn het werk van
-christelijke dichters en hebben niets gemeen met het volksepos.
-
-Indien bijgevolg de latere kunstdichters, die er toch het naaste
-aan toe waren, een beperkt gebruik maakten van de vrijheid om nieuwe
-uitdrukkingen te scheppen, dan zal de onpersoonlijke Beowulf-dichter
-zich nog minder vrijheid veroorloofd hebben.
-
-Daar de meeste Kenningar tot de leenspreuk kunnen herleid worden, zal
-de hoofdreden van hun gebruik wel in de jeugd van het volk te zoeken
-zijn, wiens levendige verbeelding en pas ontwaakte kunst alleen het
-gebruik van de leenspreuk of metaphoor mogelijk maakte.
-
-Kinderen en weinig ontwikkelden bedienen zich bij voorkeur van deze
-beeldspraak.
-
-De Kenningar beantwoorden aan de behoefte om met meer kracht te
-spreken.
-
-De metaphoor of onuitgewerkte vergelijking is daarenboven de grondslag
-van den overdrachtelijken stijl.
-
-Van haar gaat onmiddellijk de verpersoonlijking uit, welke gegrondvest
-is op de zwijgende vergelijking tusschen de onbezielde natuur en een
-levend wezen.
-
-Figuren van hoogere orde zijn de allegorie en de vergelijking.
-
-De allegorie is eene aaneenschakeling van twee of meer leenspreuken
-en veronderstelt bij den dichter eene letterkundige bedrevenheid,
-welke onvereenigbaar is met eene nog jeugdige kunstuiting.
-
-Dit is ook het geval met de vergelijking. Zij vergt van den dichter
-veel kunstbewustzijn, de gave van ontleding en zelfbeheersching, want
-hij verlaat zijn onderwerp, om in een verwijderd, ongelijksoortig
-wezen eene overeenkomstige eigenschap uit te werken.
-
-Onder logisch oogpunt gaat de vergelijking de leenspreuk vooraf,
-maar in de werkelijkheid, in de tijdsorde heeft het omgekeerde plaats.
-
-De eerste de beste zal zeggen: «zijne oogen schoten vuur,» bij het
-zien van iemand, die woedend is, zonder aan eene woordfiguur en nog
-minder aan eene verborgen vergelijking te denken; dit laatste is het
-werk van het wijsgeerige verstand, dat daarna aan het ontleden gaat.
-
-Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij in den Beowulf methaphoren
-(onder den vorm van Kenningar) en verpersoonlijkingen aantreffen,
-daarentegen hoogst zelden eene allegorie en eene vergelijking. Dit
-verschijnsel hangt samen met den toestand van de Angelsaksische
-dichtkunst, welke zich nog in de wieg bevond en op verre na niet de
-hoogte had bereikt van de Grieksche volkspoëzie.
-
-Treden wij in eenige bijzonderheden.
-
-De verpersoonlijking is een geliefkoosd beeld bij kinderen en
-ongeletterden.
-
-Heeft een kind zich bezeerd, dan moet het «ondeugend» mes gestraft
-worden, wil men de waterlanders zien verdwijnen.
-
-Voor den natuurmensch is het heelal bezield; vandaar de
-verpersoonlijking der natuurkrachten, vandaar ook de diersage bij de
-oude Germanen, voor wie er bijna geene grenslijn tusschen mensch en
-dier bestond.
-
-Het is dus natuurlijk, dat het zwaard in een heldengedicht als de
-Beowulf zoo vaak als een bezield wezen wordt voorgesteld.
-
-Het «verricht zijn ambt», evenals een tafelknecht; het «beslist een
-pleit», het «zingt een kamplied op iemands schedel», het «bijt»
-en «groet» den vijand, het «rukt den gedoode mede», het vermaakt
-zich in het gevecht als bij een «spel», en de wonde, die het slaat,
-is de «zwaarddronk».
-
-Hetzelfde kan van de overige wapens gezegd worden: de werpspies
-«vervolgt in hare vederuitrusting» den pijl, evenals een havik de
-weerlooze vogels, en het schild, dat met de lans geslagen wordt,
-«antwoordt aan de schacht».
-
-Dit verklaart ook, dat sommige zwaarden van helden als personen gedacht
-worden, die hunnen eigen naam voeren. Unferds zwaard heet Hrunting,
-dat van Hun Lafing en van Beowulf Nageling [24].
-
-De allegorie is schaars vertegenwoordigd en strekt zich bovendien
-bijna nooit over meer dan twee termen uit.
-
-Het schip is het zeeros (saegenga), dat aan het anker rijdt; het
-woord is het staal, dat de borst doorbreekt; het ijs is de waterboei,
-welke God losmaakt; de dood is de slaap van het lichaam, dat op het
-rustbed sluimert.
-
-Deze laatste plaats (Vert. 1020-22) is nochtans onzeker.
-
-Het gedicht biedt slechts één voorbeeld aan van eene breed uitgesponnen
-allegorie, welke de kunstenaarshand verraadt. (Vert. 1776-81).
-
-De bekoring wordt er voorgesteld onder het beeld van eenen
-sluipmoordenaar, die door middel van eenen pijl den slapende onverhoeds
-wondt, niettegenstaande dezes wapenrusting; terwijl de wachter,
-het geweten, is ingesluimerd.
-
-Doch hier bevestigt de uitzondering den regel, want deze plaats is
-buiten allen twijfel aan de inlassching van eenen kloosterling toe
-te schrijven.
-
-Dat somtijds onvereenigbare begrippen tot eene allegorie verbonden
-worden, kan, de onvolkomenheid der dichtkunst in aanmerking genomen,
-geenen aanstoot geven.
-
-Ziehier eenige staaltjes:
-
-seo beado-leóma bîtan nolde: de kampvlam wilde niet bijten. v. 1524.
-
-hine sorh-wylmas lemede tô lange: de zorggolven hadden hem te lang
-verlamd. v. 905.
-
-him hilde-grâp heortan wylmas, bân-hûs gebräc: de kampgreep verbrak
-hem des harten golvingen, het beenderhuis. v. 2508-9.
-
-De vergelijkingen zijn dun gezaaid en worden daarenboven niet
-volgehouden, maar zoo kort mogelijk als in de kiem aangeduid. Men
-oordeele:
-
-«Het schuimhalzige schip ging over de golfzee, gelijk aan eenen vogel».
-
-«Ieder van de nagels was op staal gelijkend».
-
-«Uit Grendels oogen ging een ongure schijn, gelijk aan eene vlam».
-
-«Het zwaard bliksemde, evenals de hemelfakkel helder aan de transen
-schijnt».
-
-«Het zwaard versmolt geheel en al, gelijk het ijs, wanneer de Alvader
-den band van de vorst losmaakt».
-
-De schoonste vergelijking prijkt in het Finnsburglied:
-
-«Het zwaardgebliksem rees, even alsof de heele Finnsburg in
-lichterlaaie stond».
-
-Welk verschil tusschen de zeldzame, stamelende vergelijkingen van den
-Beowulf en de talrijke, breed aangelegde en meesterlijk afgewerkte
-beelden van de kunstgezinde Grieken!
-
-De meerderheid van deze laatsten blijkt ook uit de schilderende
-bijvoeglijke woorden.
-
-Niet dat het gedicht geene echt teekenachtige epitheten of
-bijbenamingen heeft aan te wijzen, maar de groote massa mist
-die aanschouwelijkheid en evenredigheid, welke wij bij Homeros
-bewonderen. En met reden: het zelfstandig naamwoord blijft, zoodat
-de vergezellende bijbenaming eene zekere maat moet houden, waartoe
-zich de wilde verbeelding van het Noorden moeilijk kon plooien. De
-Kenningar daarentegen laten volle vrijheid toe.
-
-Vandaar dat de Beowulf in evenredigheid arm is aan epitheten, maar rijk
-aan Kenningar, terwijl zich het tegenovergestelde bij Homeros voordoet.
-
-Zelfs is het geval niet zeldzaam, dat een Kenning uit den Beowulf in
-de Ilias aan eene bijbenaming beantwoordt, b. v. Pontoporos, het
-zeedoorschrijdend schip, zegt hetzelfde als saegenga, ydhlida:
-zeedoorschrijder, golvenganger.
-
-Voor meer zulke overeenstemmingen raadplege men Bode, die er eenige
-voor schip en wapen opsomt.
-
-De vorm der schilderende bijbenamingen is de samenstelling; zij bieden
-zich alweer hoofdzakelijk aan bij alles wat op oorlog en zeevaart
-betrekking heeft, nochtans niet bij het begrip zee, dat door de
-Kenningar ruimschoots uitgebeeld is.
-
-Het zou ons te ver leiden, moesten wij al de epitheten opsommen; zij
-komen in hoofdzaak in de volgende gevallen voor: Zij betitelen den
-vorst op vereerende wijze, geven den moed te kennen van den krijgsman
-(dit zijn de talrijkste), ofwel de uitputting van den gewonde, zij
-schilderen het oorlogspaard en de wapens, vooral zwaard en harnas.
-
-Kiezen wij de bijbenamingen van zwaard en schip.
-
-Het zwaard is blôd fâg: bloedgepurperd, swât-fâg: zweetgepurperd,
-fyr-heard: vuurgehard, graeg-mael: grauwgeteekend, hring-mael:
-ringversierd, morgen-ceald: morgenkil (na nachtelijke tochten),
-wreodhen-hilt: met gewonden gevest voorzien, wunden-mael:
-met kronkelende teekens voorzien, wyrm-fâh: glanzend door
-slangversieringen.
-
-Eenige bijbenamingen van schip hoeven voor die van Homeros niet onder
-te doen:
-
-fâmig-heals: schuimhalzig, wunden-heals: kronkelhalzig, sîd-fädhme:
-ruimboezemig, nîw-tyrwed: nieuw-geteerd, sae-geáp: zeeruim (ruim
-genoeg om zee te bouwen).
-
-De levenlooze natuur is zeer karig bedeeld; het veld is maar eens
-betiteld met wlite-beorht: glansstaltig.
-
-Wij hebben nog op twee soorten van staande uitdrukkingen te wijzen,
-welke ook een kenteeken van de dichterlijke taal zijn:
-
-Samenkoppelingen van twee woorden door middel van het voegwoord en,
-om een verband of eene tegenstelling uit te drukken, in den aard van
-onze tegenwoordige Nederlandsche stafrijmen. b. v. leóht and lîf:
-licht en leven, wordum and weorcum: met woorden en werken, hand and
-rand: hand en schild, leóf and lâdh: lief en leed, îdel and unnyt:
-ijdel en onnut, frôd and gôd: vroed en goed, habban and healdan:
-hebben en houden, singan and secgan: zingen en zeggen, innan and ûtan:
-binnen en buiten.
-
-Ten slotte merken wij nog het gebruik op van zekere wendingen om een
-persoon sprekend in te leiden, wendingen die schijnen als van Homeros
-afgekeken te zijn. Voorbeelden:
-
-
- Unferdh madhelode Ecglâfes bearn:
- Unferd sprak de zoon van Ecglaf.
- Hrôdhgâr madhelode, helm Scyldinga:
- Hrodgar sprak, de schuts der Schyldings.
- Beówulf madhelode, bearn Ecgtheówes:
- Beowulf sprak, de zoon van Ecgtheów.
-
-
-Deze epische wendingen vinden hunne verklaring in het overwegend
-belang, dat de jonge volken aan de bloedverwantschap hechten.
-
-Gaan wij nu over tot een tweede bestanddeel van den epischen stijl,
-nl. de woordschikking.
-
-Wij zullen ons bepalen bij de meest in het oog springende kenmerken.
-
-De zinbouw heeft in den Beowulf iets van het werk eens beginnelings,
-iets dat als de tegenvoeter van de klassieke periode kan aanzien
-worden.
-
-De dichter legt, vooral in beschrijvingen, zijne voorliefde voor
-de bijschikking aan den dag, terwijl het voegwoord niet zelden is
-weggelaten:
-
-
- Een van de vijftien zocht hij op het zeehout.
- Een kampheld wees, een waterkundig krijger,
- De landgrens langs. De wachttijd was verstreken.
- De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte.
- De helden stegen uitgedost ten steven.
- De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand.
- Zij droegen op den schoot des schips de schoonste
- Juweelen neer, de weidsche kampgewaden;
- (En) tot de lustvaart boomden (nu) de lieden,
- De kampers, hun gebonden kiel naar buiten (211-20).
-
-
-Er heerscht gebrek aan voegwoorden, vooral bij de overgangen, welke
-gewoonlijk door thâ (dat buitendien voor verschillende betrekkingen
-dienst moet doen) worden ingeleid en iets eentonigs aan het geheel
-bijzetten.
-
-Treden verschillende helden op, dan blijven wij dikwijls in het
-onzekere omtrent den persoon, op welken b. v. het voornaamwoord
-hij terugziet.
-
-De ingelaschte zin of parenthese verschijnt meer dan lief is en draagt
-voorzeker niet bij tot den ongestoorden gang van het verhaal.
-
-Ontkennende uitdrukkingen verschijnen er bij de vleet, ook zulke,
-welke tot doel hebben om met meer kracht te bevestigen (litotes).
-
-
- «Bij lang niet laakten wijze liên die reize». (206).
-
- «Niet beter zal 't hem wezen». (2339)
-
- «Niet dunkt me dit betaamlijk,
- De schilden weer te brengen naar de woning». (2734)
-
- «Minder hevig beet het (zwaard)
- Dan hij behoefte had, de volksbeheerscher». (2656)
-
-
-Het eigenaardigste kenmerk van de Angelsaksische woordschikking, dat
-er de ziel, het wezen van uitmaakt, is het gebruik der parallelvormen
-of bijstellingen.
-
-De dichter duidt met één, soms met meer woorden denzelfden persoon,
-dezelfde eigenschap, dezelfde handeling nog eens aan, en wel door
-middel van eene zinverwante uitdrukking.
-
-In de aangehaalde beschrijving van de aanstalten tot de zeereis vinden
-wij de volgende parallelvormen:
-
-Personen en zaken: kampheld, waterkundig krijger--boot,
-schip--strooming, zee--juweelen, weidsche kampgewaden--lieden, kampers.
-
-Hoedanigheden:
-
-
- Haar was te wachten
- 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie (83).
-
-
-Handelingen:
-
-
- (Gij) die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven,
- Langsheen de waterwegen, die de helmen
- Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen (242-44).
-
-
-Al is de herhaling van meer of minder gelijkbeteekenende woorden
-slechts een eerste stap op het gebied der woordschikking, de dichter
-weet die vormen zoo kunstig aan te wenden, dat zij geenen onwil
-verwekken, maar--dank aan de Kenningar welke, door het stafrijm
-gerugsteund, hier vooral optreden,--aan den stijl eene eigenaardige
-kleur en bekoorlijkheid verleenen.
-
-Na de taal en de woordschikking besproken te hebben, ligt het op
-onzen weg eens na te gaan, hoe de dichter zich, in de bearbeiding
-van de stof, van zijne taak heeft gekweten.
-
-Hiertoe onderscheiden wij verhaal, redevoering en beschrijving, de
-drie hoofdvormen, welke bij elk letterkundig werk, en vooral bij het
-epos, in aanmerking komen. De verhaaltrant heeft iets onbeholpens,
-hij is onsamenhangend en duister.
-
-Verschillende gebreken, waarvan sommige op rekening van het ontstaan
-uit afzonderlijke zangen zijn te stellen, brengen hiertoe het
-hunne bij.
-
-1º De herhalingen, niet alleen van korte plaatsen, maar ook van
-betrekkelijk groote gedeelten.
-
-In de nota's aan den voet der vertaling wordt hierop gewezen,
-b. v. Beowulfs voornemen om van alle wapen af te zien; de strijd met
-Grendel; het gevecht op den bodem van het meer.
-
-Deze twee wapenfeiten worden, na in 't breede beschreven te zijn,
-nog tweemaal opgedischt, eerst aan Hrodgar, daarna aan Hygelac.
-
-2º De onderbrekingen van 't verhaal, hetzij door christelijke, vaak
-onnoozele overwegingen; hetzij door herinneringen aan oorlogen en
-oude sagen; hetzij door toespelingen op de te volgen ontknooping.
-
-3º Gebrekkige overgangen, zoodat de dichter soms met de deur in het
-huis valt, b. v. Grendels en Beowulfs optreden, de sage van Sigmund
-en Heremod, en vooral die van Thrydo.
-
-4º Tegenspraak.
-
-Voor dit punt alsmede het volgende zie men de nota's, waar al de
-gevallen vermeld worden.
-
-5º Toespelingen op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld
-worden.
-
-6º De ontknooping is, in vergelijking met wat voorafgaat, gewoonlijk
-te kort. Men zou zeggen, dat de dichter zich niet de moeite wil
-getroosten van er langer bij te verwijlen.
-
-
-Sceaf-episode:
-
- Niet kunnen menschen zeggen,
- Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden
- Beneên de wolken, wie ontving de lading. (51-53)
-
-
-Brecca-episode:
-
- Zij lagen boven
- Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,
- Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen,
- Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden
- Beletten langs de barning van de baren. (575-79)
-
-
-Sigmund-episode:
-
- Nochtans het lukte
- Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,
- Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand. (903-5)
-
-
-Finn-episode:
-
- Bloedig was de halle
- Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,
- Verslagen in het midden zijner manschap,
- En heengevoerd de koninginne Hildburg. (1167-70)
-
-
-Headobarden-episode:
-
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
- En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft
- Door 't zorggezwalp. (2118-21)
-
-
-Heardred-episode:
-
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
- En zocht het licht van God. (2538-40)
-
-
-Zweden-episode:
-
- Sinds wreekte die zijn koud en zorgvol dolen
- En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer. (2464-65)
-
-
-Gaan wij over tot de redevoeringen. Hieraan is geen gebrek,
-eenige zelfs zijn van langen adem. Het zal wel niet noodig zijn de
-verschillende omstandigheden na te gaan, waarin hun eene plaats
-wordt ingeruimd, immers de lezing van het gedicht geeft daarover
-eene uitkomst.
-
-In een mannelijk epos als de Beowulf is hunne rol bij de gevechten
-van zelf aangewezen, en wel vóór, gedurende en na den strijd.
-
-Eene afzonderlijke vermelding verdient de uitdagingsrede vóór den
-strijd, waarin de held zich groote daden voorneemt; zij draagt den
-naam van gilp-cwide: trotsrede. Uitdagende woorden moeten bij het
-volk gebruikelijk zijn geweest, alvorens den strijd aan te binden;
-want anders zou Beowulf vóór den drakekamp niet gezegd hebben, dat
-hij van alle tartende taal afziet.
-
-Daarom wordt de held, die aan vele gevechten deelgenomen heeft,
-geheeten gilp-hläden, d. i. met trotstoespraken beladen.
-
-Wijzen wij op eenige voorbeelden.
-
-Beowulf zegt tot Hrodgar, op Grendel doelende:
-
-
- Doch 'k zal hem vatten,
- Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten,
- Man tegen man. (440-42)
-
-
-Bij 't slapen gaan onmiddellijk voor Grendels aankomst spreekt hij
-zijne mannen toe:
-
-
- Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder
- Voor 't wapenwerk, dan Grendel waant te wezen. (690-91)
-
-
-Alvorens in 't meer te springen neemt hij afscheid en besluit met de
-stoute taal:
-
-
- 'k Verwerf met Hrunting
- Mij roem, of anders rukt de dood mij mede. (1518-19)
-
-
-Hiertoe behooren ook de bedreigingen, welke Ongentheow de in 't
-Ravenbosch gevluchte Gooten toestuurt:
-
-
- Hij sprak het uit, hij wilde
- Hen met den morgen door het lemmer dooden,
- Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. (3042-44)
-
-
-Opmerkelijk is het, dat de helden vóór het gevecht elkander niet de
-bekende en zoo natuurlijke Homerische scheldwoorden naar het hoofd
-werpen. Hunne noordsche, in zich zelf gekeerde natuur was daartoe
-te ernstig. Al zet Beowulf dan ook aan zijnen vuistgreep geen klem
-bij door eenige krachtige uitdrukkingen, zijn vastberaden besluit
-staat daarom niet minder pal, en de dichter verzuimt niet ons op dat
-hardnekkig voornemen te wijzen.
-
-Somtijds dient de redevoering om herinneringen van korter of langer
-dagteekening op te halen: Hrodgar herinnert aan Ecgtheóws veete met
-de Wylfingen, Beowulf aan de Headobarden en aan Hredel.
-
-Rechtmatige trots op de daden der voorvaderen, welke bij Homeros'
-helden zoozeer uitblinkt, spreekt zich ook uit in den Beowulf,
-ofschoon minder sterk.
-
-Men denke aan het antwoord, dat Beowulf aan den kustwachter geeft,
-en aan zijne eerste aanspraak tot Hrodgar.
-
-Een spottende toon ligt in Beowulfs antwoord aan Unferd, doch vooral
-in de gilp-cwide van Sigeferd uit het Finnsburgfragment.
-
-De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van den
-eenzamen schatbezitter, in de Hredel-episode en in Beowulfs laatste
-woorden tot Wiglaf.
-
-Slaan wij nu eenen blik op de beschrijvingen.
-
-In dit opzicht staat ons epos beneden de Ilias.
-
-Ten Brink zegt ongeveer als volgt: Terwijl Homeros de beelden van
-de buitenwereld in handeling tracht om te zetten, ons de voorwerpen
-aanschouwelijker maakt door te zeggen, hoe zij ontstaan zijn, zoekt
-het Oudengelsch epos eerder de handeling in een aantal beelden op
-te lossen.
-
-En verder: Bij Homeros zijn de verschillende tijdsgewrichten vast
-verbonden, geen wezenlijk lid ontbreekt, de keten is gesloten,
-de voortduring der handeling is gewaarborgd; terwijl alleen de
-hoofdpunten in den Beowulf worden uitgezocht en zelfstandig, elk voor
-zich, geschetst.
-
-Tot staving hiervan wijst ten Brink op de beschrijving van den
-overtocht naar Hrodgar (215-31). Inscheping, vertrek, reis, land in
-'t zicht, uitscheping: ziedaar de vijf hoofdpunten, welke afzonderlijk
-behandeld worden, terwijl bijzaken, bijzonderheden en overgangen niet
-in aanmerking komen.
-
-Indien men nagaat, welke onderwerpen aanleiding plegen te geven
-tot beschrijvingen, dan komen wij alweer tot het besluit, dat de
-Angelsaksen een bij uitstek krijgshaftig en zeevarend volk geweest
-zijn. Het is hiermee gelegen als met de Kenningar en schilderende
-bijbenamingen, welke om zoo te zeggen het stilzwijgen bewaren
-over het land en zijne bekoorlijkheden. De rozevingerige Aurora der
-Grieken maakt geenen indruk op het gemoed des noordschen dichters. De
-zonsopgang wordt slechts in korte trekken geteekend:
-
-
- Van 't Oosten zeeg het licht, de zegestanderd,
- De glanzende van God. (580-81)
- Totdat de donkre raaf, verheugd van harte,
- Des hemels weelde weder kwam verkonden. (1840-41)
-
-
-Buiten de beschrijving van het Grendelmeer met omgeving, welke ons
-voor het ontbreken van verdere tafereelen schadeloos stelt, wordt de
-levenlooze natuur niet herdacht. Eene enkele natuurbeschrijving is
-aan te stippen, doch zij is het werk van den inlasscher.
-
-De zanger verhaalt in Heorot:
-
-
- dat de Almachte
- Deze aarde had gevormd met hare velden,
- Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;
- Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig
- Tot licht gesteld had voor de landbewoners,
- Getooid met twijg en blad der velden boezem. (93-98)
-
-
-Eene ruimer plaats valt aan de zee te beurt.
-
-Wij zagen reeds Beowulfs overtocht naar Hrodgar; voegen wij
-er zijne terugreis bij en vooral het grootsche tooneel van den
-nachtelijken zwemtocht te midden der ontketende stormen en dreigende
-zeemonsters. Hier heeft alles reusachtige afmetingen. Het is de poëzie
-eens titans, de zee waardig.
-
-Het leeuwenaandeel is nochtans voor de slagbeschrijvingen weggelegd
-en alles wat ermede gepaard gaat, als de onmetelijke schatten,
-de drijfveer tot den oorlog, waarvan het noordsche brein droomde,
-(men vergelijke den drakeschat 2842 vlg.), de kostbare wapens, bij
-welker opsomming de dichter gaarne verwijlt, de lijkverbranding na
-den val der helden in de Finn-episode en bij Beowulfs begrafenis,
-de luidruchtige feestgelagen, hetzij om te verbroederen, hetzij om
-de overwinning te vieren.
-
-Men verwachte zich niet op beschrijvingen als bij Homeros, die de hooge
-feiten van elken kamper een voor een nagaat, zoodat het handgemengel
-in eene rij van afzonderlijke gevechten vervalt, waarvan elk op zijne
-beurt samenwerkt tot den kunstvollen eindindruk van het geheel; neen,
-onze dichter stapt over alle bijzonderheden heen en spoedt zich naar
-het feit, welks uitteekening hij zich ten doel heeft gesteld.
-
-Dit zien wij in de Zweden-episode, waar de gebeurtenissen in beknopten
-vorm worden opgesomd, elkander in onafgebroken gang en met versnelde
-vaart verdringen, om eindelijk stil te staan bij den kamp van den
-slagvaardigen Ongentheow met de gebroeders Wulf en Eofor, hetgeen
-enkel en alleen hoofdzaak is voor den dichter:
-
-
- Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar
- Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,
- Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten.
- Nu stapte heen de stoute met de makkers,
- De ontroostbre grijs, om op de burcht te trekken,
- Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.
-
-
-Dan onderbreekt de dichter de feiten om, gelijk zijn gewoonte is, op
-de gemoedsstemming van den hoofdpersoon het licht te doen vallen. Hij
-gaat daarna voort:
-
-
- En dicht bij zijnen aardwal dook weer de oude.
- Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden,
- En Hygelac ter hand gesteld hun standaard.
- Zij stapten over hun versterkte stelling.
- Nu drongen Hredels drommen naar de schildspits. (3049-65)
-
-
-Nochtans is de indruk van meer dan eene slag-beschrijving aangrijpend,
-overweldigend in hare korte gespierdheid. Beowulf heeft dikwijls
-getrotst
-
-
- den ijzerhagel,
- Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen
- Heenbruiste boven eene schans van schilden
- En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,
- De schacht zijn diensten deed, den pijl vervolgde. (3229-33)
-
-
-Onder de strijdtafereelen spant de kamp op den bodem van het nikkermeer
-en de aanval op de Finnsburg ontegenzeggelijk de kroon.
-
-De dichter veroorlooft ons tevens eenen dieperen blik te slaan in
-het gemoed der strijdende partijen, dank aan trekken, welke, hoe
-kort dan ook, getuigenis afleggen van een loffelijk streven naar
-zielkundige ontleding.
-
-Nauwelijks is Grendel de troonzaal binnengetreden, of het gezicht
-van de slapende mannen prikkelt zijne vraatzucht en vervult hem
-met vreugde:
-
-
- Toen lachte daar zijn harte. (746)
-
-
-Beowulf is droef te moede, als hij Grendel eenen zijner mannen ziet
-verscheuren:
-
-
- Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac. (752)
-
-
-Grendel stuit op onvoorzienen tegenstand en het hart zakt hem in
-de schoenen:
-
-
- 't Werd hem bang in 't binnenst. (767)
-
-
-De «hooggestemde» Beowulf put nieuwe kracht bij het terugdenken aan
-zijne uitdagingswoorden:
-
-
- De wakkre neef van Hygelac geheugde
- Zich toen de toespraak van den eigen avond. (774-75)
-
-
-Tweemaal wordt gewezen op de gemoedsstemming van de zich buiten
-bevindende Denen:
-
-
- Den Denen al gewerd, den burgbewoners,
- Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting. (785-86)
-
- En gruwbre ontzetting greep te gaar de Denen. (802)
-
-
-Beowulf legt de hem aangeboren grootmoedigheid door de volgende
-redeneering het zwijgen op:
-
-
- Hem docht zijn (Grendels) levensdag aan niemand nuttig. (810)
-
-
-De verbittering der beide tegenstanders wordt in éénen regel
-veraanschouwelijkt:
-
-
- Zoolang de een leefde was 't den andre leedvol. (828)
-
-
-In de slagbeschrijvingen wordt op twee bijzonderheden veel nadruk
-gelegd, op de vermelding der wapenen: harnas, helm, schild en zwaard,
-en op de «lijkschoffeerende» roofdieren.
-
-Wij zagen reeds bij de behandeling van de dichterlijke taal, dat
-het zwaard met voorliefde wordt betiteld en zelfs als een levend
-wezen gedacht.
-
-In het gansche leven en streven treedt het op den voorgrond.
-
-Het is het meest gewaardeerde erfstuk; manschap wordt bewezen door
-de zinnebeeldige ontvangst van het wapen des vorsten (Hengest); de
-krijger ontvangt het ten geschenke tot loon voor zijne dapperheid
-of andere diensten, en hij verwerft daardoor de bijzondere achting
-zijner makkers (de scheepswachter); wordt het uitgeleend, dan is dit
-een bewijs van vriendschap en hoogachting (Unferd); de held schat
-het zelfs zoo hoog, dat hij zich weigerachtig maakt om het aan zijnen
-zoon te schenken (Heorogar), en dan alleen daartoe overgaat, wanneer
-de jongeling in staat is het waardig te voeren (Wigstan). Het is een
-trouwe «krijgsvriend», dien men nooit verlaat, zelfs niet gedurende
-de nachtrust, en die op zijne beurt den bezitter nooit in den steek
-laat. Is het zwaard deugdelijk, dan is het wijd en zijd bekend en
-luistert het den volksstam op (Friezen).
-
-Het is een kunstwerk, soms het gewrocht van Weland, den besten
-wapensmid; het is zelfs met hoogere kracht bedeeld (reuzenzwaard)
-en prijkt met opschrift en voorstellingen van gebeurtenissen, zoodat
-wij hier den vinger kunnen leggen op eene verre overeenstemming met
-het wonderschild van Achilleus.
-
-Niet minder kenteekenend voor de noordsche slagbeschrijvingen is het
-optreden van raaf, arend en wolf.
-
-Het zijn geene redelooze dieren meer, maar zelfbewuste wezens, die
-zich verheugen over den rijken oogst der dooden en elkander op het
-slagveld hunne indrukken mededeelen.
-
-Welk ijzingwekkend tooneel als dat in het Finnsburgfragment!
-
-
- Nu zwierf de rave zwierend om de lijken,
- Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig. (36-37)
-
-
-En welke tegenstelling tusschen het aanvalligste beeld en het
-Tantalstooneel met al zijne verschrikkingen op het nachtelijke
-slagveld:
-
-
- Geenszins zal het harpgefluister
- De dappren wekken; maar de donkre rave
- Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,
- Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,
- Toen zij de riffen met den wolf beroofde. (3131-35)
-
-
-Al zijn de slagbeschrijvingen onder de best geslaagde tooneelen
-van ons epos te rekenen, toch valt het niet te verhelen, dat deze
-lichtende plaatsen hunne schaduwzijde hebben.
-
-Wij bedoelen de hebbelijkheid des dichters van telkens het verhaal
-af te breken door het invlechten van overwegingen, welke niet alleen
-den gang stremmen, de opmerkzaamheid afleiden, maar ook wegens hun
-gering gehalte doorgaans veilig kunnen gemist worden.
-
-Komen wij nog eens terug op het gevecht met Grendel.
-
-Grendel is Heorot binnengedrongen, een tweeslachtig licht schemert
-in zijne oogen, moordlust en vreugde.
-
-Onze verwachting is gespannen, wij zijn benieuwd om te weten, wat er
-gaat gebeuren.
-
-Daar drukt de dichter het hoofd in aan onze belangstelling met eene
-bemerking, ontnuchterend als een koud bad:
-
-
- Nochtans gehengde hem het lot niet langer,
- Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen. (750-51)
-
-
-Een tweede waterstraal wordt ons toegediend, als Beowulf Grendel
-heeft vastgeklampt en deze te vergeefs het hazepad tracht te kiezen:
-
-
- Niet boden zich alhier de bezigheden,
- Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. (772-73)
-
-
-en wat verder:
-
-
- De tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot
- De weebewerker. (783)
-
-
-Heeft het gevecht het hoogste punt bereikt, nu Grendel zich met de
-kracht der wanhoop verdedigt, zoodat de zaal dreigt in te storten
-onder het geweld der reusachtige kampvechters, dan wordt alweer de
-domper op onze blakende geestdrift gezet:
-
-
- Hierop hadden
- De raden eer der Schyldings niet gerekend,
- Dat ooit der mannen een door krachtvermogen
- De weidsche, met gewei getooide woning
- Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;
- Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen
- In rook. (795-801)
-
-
-Ten slotte wordt ons alweer oudbakken nieuws opgedischt bij het
-vruchteloos bijspringen van Beowulfs tochtgenooten:
-
-
- Toch zou armzalig wezen
- Het einde zijns bestaans op deze stonde,
- In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. (820-22)
-
-
-Hetzelfde laat zich aantoonen bij alle eenigszins uitgebreide
-beschrijvingen; overal schemert de subjectiviteit van den dichter door.
-
-Kamp met Grendels moeder: 1554-57, 1564-66, 1567, 1581-87, 1608-16.
-
-Kamp met den draak: 2650-52, 2656-58, 2661-69 enz. enz.
-
-Zoo spreiden zich deze overwegingen als een roode draad door het heele
-gedicht ten toon; overal verraadt zich de zucht van den dichter om
-zich ook eens te laten gelden, in plaats van zich uitsluitend bij
-zijn onderwerp te houden.
-
-Dit gebrek aan objectiviteit is stuitend, doch vindt zijne
-verklaring en tevens zijne verontschuldiging in den aard zelf van
-het volksepos. De nadichter of, beter gezegd, de inlasscher was
-gebonden door de overgeleverde epische stof, ja door den vorm, en
-kon slechts op deze wijze, door middel van persoonlijke overwegingen,
-zijne dichtjeukte tot bedaren brengen.
-
-Wijzen wij ten slotte nog op het geliefkoosd gebruik der
-tegenstellingen, waardoor de personen des te scherper te voorschijn
-treden: op den stokouden koning en den krachtvollen man (Hrodgar en
-Beowulf); op den jeugdigen Ingeld en zijnen grijzen raadgever; op
-den vergrijsden held en zijnen pas volwassen krijgsmakker (Beowulf
-en Wiglaf); op den voorbeeldigen vorst en den dwingeland (Beowulf en
-Heremod); op zelfverloochenende trouw en laffe zelfzucht (Wiglaf en
-zijne makkers), en eindelijk op de zachte, minnende echtgenoote Hygd
-en de wildfiere Thrydo.
-
-
-
-
-INNERLIJKE GESCHIEDENIS.
-
-Wij hebben er reeds op gewezen dat ons epos op geene kunsteenheid
-kan bogen.
-
-Inderdaad er worden twee afzonderlijke onderwerpen in behandeld,
-de kamp met de watermonsters en die met den vuurdraak; deze wordt
-geleverd in Jutland, gene op Seeland; deze door den honderdjarigen
-koning, gene toen de held nog niet den troon beklommen had en zich
-in de volheid zijner krachten mocht verheugen.
-
-Verschillende pogingen zijn in het werk gesteld, om de oorspronkelijke
-kern van het epos van de latere bijbewerkingen af te zonderen.
-
-Degene die hiermede een begin heeft gemaakt, is Ettmüller.
-
-Zijne pogingen hadden vooral de terzijdestelling van de Christelijke
-toevoegsels ten doel, welke bovendien gemakkelijk te herkennen zijn.
-
-Daarenboven scheidt hij van het onderwerp de episoden of bijverhalen
-af, welke negen in getal zijn, te weten: Brecca, Sigmund-Heremod,
-Finn, Thrydo, Headobarden, de eenzame schatbezitter, de oorlogen met
-Franken en Zweden, en Ongentheows dood.
-
-Müllenhoff werkte op deze gegevens voort.
-
-Hij drong dieper door in de schifting van de interpolaties en bouwde
-op dezen grondslag een heel stelsel omtrent de oorspronkelijke en
-later toegevoegde onderdeden van het epos.
-
-Hij onderscheidt vijf afzonderlijke deelen:
-
-1º Inleiding 1-193.
-
-2º Beowulfs gevecht met Grendel 194-836.
-
-3º Gevecht met Grendels moeder 837-1628.
-
-4º Beowulfs terugkeer 1629-2199.
-
-5º Kamp met den draak en Beowulfs dood 2200-3183.
-
-Het gevecht met Grendel en dat met den draak, ziedaar de twee
-oorspronkelijke bestanddeelen, welke nochtans niet het werk zijn van
-denzelfden dichter.
-
-Het eerste oude lied kreeg, waarschijnlijk van twee verschillende
-voortzetters, eene dubbele uitbreiding: eerst het gevecht met Grendels
-moeder, daarna de Inleiding.
-
-Een derde voortzetter A voegde Beowulfs terugkeer er aan toe en vulde,
-om zijn aanhangsel met het geheel in overeenstemming te brengen,
-het eerste en vooral het tweede oude lied op verscheiden plaatsen aan.
-
-Een vierde voortzetter B, of in de rij der Beowulfdichters no 6,
-verbond eindelijk den drakekamp met het door A tot 2199 voortgezette
-werk en verwaterde het gansche epos door allerlei lapwerk van
-zedekundigen en godgeleerden aard.
-
-Deze B is de eigenlijke interpolator.
-
-Men mag er Müllenhoff een verwijt van maken, dat hij in het brandmerken
-van de, volgens hem, van elders aangewaaide plaatsen al te voortvarend
-is te werk gegaan. Vandaar dat hij, na aftrek van de onechte verzen,
-het epos bijna tot op de helft besnoeit.
-
-Immers in elk der vijf deelen vinden de volgende regels slechts genade:
-
-1º 126 regels; 2º 490; 3º 333; 4º 399; 5º 440; te zamen 1788 echte
-verzen op de 3183.
-
-Hermann Möller tracht de oorspronkelijke bestanddeelen in vierregelige
-strophen te rangschikken.
-
-Ofschoon deze meening geen opgang maakt, nemen ten Brink en Heinzel
-toch aan, dat eene zekere neiging tot vierregelige strophen in den
-verhaaltrant niet te miskennen is.
-
-Eene laatste poging is die van ten Brink.
-
-Het zou ons te ver leiden, moesten wij zijn betoog, waarmede wel een
-twintigtal bladzijden gemoeid zouden zijn, tot in de bijzonderheden
-napluizen.
-
-Trachten wij daarom het grondbeginsel, waarvan hij uitgaat, duidelijk
-te maken.
-
-Het gebrek van Müllenhoff's theorie is, dat zij aan den inlasscher
-eene overwegende rol toekent.
-
-Daardoor heeft hij de natuur van het volksepos uit het oog verloren,
-waarvan de afwijkingen niet uitsluitend het werk zijn van den
-interpolator, zooals dit het geval is bij de kunstpoëzie.
-
-Drie invloeden zijn, volgens ten Brink, werkzaam geweest bij het
-opstellen van den Beowulf: de mondelingsche afwijkingen, de diaskeuast
-of rangschikker, en de interpolator.
-
-Het voortbestaan der heldensage door de voordracht riep
-natuurlijkerwijze verschillende varianten in het leven, welke
-mettertijd eene gansch verschillende gedaante konden aannemen. Het was
-de taak van den rangschikker, eenheid te brengen in die uiteenloopende
-behandelingen. Veronderstellen wij, dat hij twee bewerkingen van
-dezelfde stof voor zich had; wat was natuurlijker dan de bewerking,
-die hem het geschiktste voorkwam, ten grondslag te leggen en daarnevens
-de andere bij gelegenheid te benuttigen!
-
-Hij zelf voegde niets van het zijne toe.
-
-Daarna toog de inlasscher aan den arbeid, die in den tot stand gekomen
-tekst zijne godgeleerde en zedekundige aanmerkingen binnensmokkelde.
-
-Steunend op dit beginsel, trekt ten Brink op de volgende wijze de
-grenzen tusschen de vijf van Müllenhoff overgenomen deelen:
-
-1º Inleiding 1-193.
-
-2º Kamp met Grendel 194-836.
-
-3º Kamp met Grendels moeder 837-1904 of 1913.
-
-4º Beowulfs terugkeer 1905 of 1914-2199.
-
-5º Kamp met den draak 2200-3183.
-
-De grenzen tusschen 3e en 4e bakent hij anders af dan Müllenhoff.
-
-Dit stelsel heeft dit nog voor op het vorige, dat niet de helft van
-het gedicht als onecht over boord wordt geworpen.
-
-Welke zijn de verschillende lezingen of varianten, die de rangschikker
-in elk der vijf deelen benuttigd heeft?
-
-1º De Inleiding is naar twee lezingen samengesteld: A, welke tot
-richtsnoer is genomen, en B, welke slechts ter loops is aangewend.
-
-2º Als onder 1º, de grondvorm A en de bijvorm B.
-
-3º Grondvorm C, bijvorm D.
-
-4º Eéne lezing E; dit is het jongste deel.
-
-5º Grondvorm F, bijvorm G.
-
-B, D en E zijn gekenmerkt door de opmerkzaamheid, welke zij aan de
-Deensche toestanden wijden.
-
-Ten Brink plaatst de 1ste Beowulf bewerking (A C F) in 't jaar 690;
-de 2de (B D E G) tegen 710; terwijl van de volledige afwerking,
-waardoor A C F door B D E G gewijzigd werd, zich alleen laat zeggen,
-dat zij vermoedelijk nog de 8ste eeuw toebehoort.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-I.
-
-Inleiding. Geslachtslijst der Deensche koningen: Scyld, zoon van Sceaf,
-landt als kind over zee aan; hij breidt later zijne macht uit. Hem
-wordt een zoon, Beowulf de Deen, geboren. Scyld sterft en zijn lijk
-wordt te midden van wapenen en schatten op een schip gelegd en aan
-de zee prijsgegeven.
-
-
-II.
-
-Vervolg der geslachtslijst: Beowulf, zoon van Scyld.--Healfdeen.--
-Heorogar, Hrodgar, Halga en Elan.--Na Heorogars dood beklimt Hrodgar
-den troon.
-
-Begin van 't verhaal: Hrodgar laat Heorot bouwen. Gezellige vreugde
-aldaar, scheppingslied. Grendels wrevel. Oorsprong der monsters.
-
-
-III.
-
-Grendel verslindt 's nachts dertig Denen in Heorot. Opschudding des
-morgens. Den volgenden nacht herhaling. Heorot blijft ledig. Grendel
-woedt twaalf jaren lang. Zijn onverzoenbare wrok. De Denen nemen te
-vergeefs hunne toevlucht tot de goden. Het waren heidenen. Zedeles.
-
-
-IV.
-
-Hrodgars radeloosheid. Beowulf, de Goot, verneemt in Jutland het
-gebeurde. Zijn voornemen om Grendel te bevechten gaat door. Hij scheept
-zich in met veertien makkers. Overtocht. Aankomst in Seeland na 24
-uren reizens. Ontscheping. De Deensche kustwachter ondervraagt hem.
-
-
-V.
-
-Beowulf legt zijne afkomst en het doel zijner reis bloot. Gunstig
-antwoord van den kustwachter. Hij doet hun een eind weegs uitgeleide
-en neemt dan afscheid, om op zijnen post terug te keeren.
-
-
-VI.
-
-De Gooten bereiken Heorot en zetten zich buiten neer. Wulfgar vraagt
-wie ze zijn. Beowulfs antwoord. Wulfgar belast zich met hen aan te
-dienen. Hij gaat naar binnen en maakt hun verlangen aan Hrodgar bekend.
-
-
-VII.
-
-Hrodgars antwoord aan Wulfgar: Ik heb Beowulf als knaap gekend;
-zeelieden vertelden, dat hij de kracht van dertig man bezit; ik
-hoop dat hij ons komt helpen; verzoek hem binnen te komen.--Wulfgar
-kwijt zich van zijne opdracht. De lansen en schilden worden aan de
-hoede van eenige krijgers toevertrouwd. Zij treden binnen. Beowulfs
-aanspraak: Hij doet zich kennen; hij heeft Grendels wanbedrijven
-vernomen en komt, op aanraden zijner vrienden, om hem te bekampen;
-zijne vroegere wapenfeiten stellen hem omtrent den uitslag gerust;
-hij verzoekt om alleen met zijne makkers het waagstuk te ondernemen;
-wapenen zal hij niet gebruiken; delft hij het onderspit, zoo wordt hij
-verslonden en hoeft men niet te zorgen voor brandstapel en begrafenis;
-Hrodgar moet alsdan zijne wapenrusting naar Hygelac zenden.
-
-
-VIII.
-
-Hrodgars antwoord: Hij laat recht wedervaren aan Beowulfs
-grootmoedigheid en herinnert hem, hoe hij zelf in 't begin zijner
-regeering Beowulfs vader eenen dienst heeft bewezen bij gelegenheid van
-dezes veete met de Wylfingen; hij komt terug op zijnen twaalfjarigen
-rampspoed: Grendel heeft zijne beste krijgers gedood.--Gastmaal.
-
-
-IX.
-
-Hunferds ijverzuchtige toespraak: Gij, Beowulf, werdt door Brecca
-in den zwemwedstrijd overwonnen; bijgevolg zult ge insgelijks in
-deze onderneming niet slagen.--Beowulf antwoordt: Deze wedstrijd
-dagteekent uit onze jeugd; wij zwommen gedurende vijf dagen, zonder
-dat ik Brecca wilde verlaten, tot de storm ons des nachts scheidde.
-
-
-X.
-
-Ik doodde verscheiden zeemonsters en bereikte eindelijk
-Finmarken. Brecca heeft nooit iets dergelijks uitgevoerd. Doch gij
-hebt uwen broeder gedood. Waart gij zoo dapper, als gij voorgeeft,
-Grendel zou nooit dit onheil gesticht hebben; maar ik zal er met
-mijne Gooten een einde aan stellen.--De koningin reikt eenen beker
-aan de helden rond. Beowulfs fiere taal: hij zal overwinnen of
-sterven. Voortzetting van het drinkgelag. De avond valt en Hrodgar
-gaat slapen, na Heorot aan Beowulfs hoede toevertrouwd te hebben.
-
-
-XI.
-
-Beowulf legt zijne wapenrusting af. Hij herhaalt, dat hij van het
-gebruik der wapens afziet, en vlijt zich neder naast zijne makkers.
-
-Allen slapen weldra in, uitgenomen hij.
-
-
-XII.
-
-Grendel nadert de zaal, stoot de deur open en verslindt een der
-Gooten, Hondscio. Daarna grijpt hij Beowulf vast, doch ontmoet eenen
-onverwachten tegenstand. Beschrijving van de worsteling. De reus
-tracht vruchteloos te ontvluchten. De zaal lijdt last. Schrik der
-Denen. Grendels gejammer.
-
-
-XIII.
-
-Voortzetting der beschrijving: De makkers springen bij, doch hunne
-zwaarden hebben geen vat op Grendel. Hij vlucht, doch laat arm en
-schouder in Beowulfs handen achter. Overweging des dichters. Beowulf
-plaatst den arm als zegeteeken voor den ingang.
-
-
-XIV.
-
-Den volgenden morgen gaat men van heinde en verre Grendels bloedspoor
-zien, dat naar het nikkermeer voert. Op den terugweg wordt Beowulf
-in verzen geprezen, er wordt geharddraafd en daarna verhaalt men
-de sage van Sigmund en Heremod. De morgen is reeds gevorderd, als
-zij in Heorot terugkomen. Hrodgar verlaat met zijne echtgenoote het
-slaapvertrek en begeeft zich naar de troonzaal, om het tooneel der
-worsteling in oogenschouw te nemen.
-
-
-XV.
-
-Hrodgars toespraak: Eerst dankt hij God, daarna zijnen redder; hij zal
-hem als een zoon beschouwen en rijk beloonen.--Beowulf geeft verslag
-van de worsteling. Hunferds beschaming. De ridders bewonderen den
-reusachtigen klauw van Grendel.
-
-
-XVI.
-
-Heorot wordt gesmukt. Het gebouw was erg gehavend. Hrodgar begeeft
-er zich heen tot het feestmaal. Hij geeft aan Beowulf geschenken:
-standaard, helm, harnas, paarden.
-
-
-XVII.
-
-Vervolg van 't feestmaal: De andere helden worden ook niet
-vergeten door den milden vorst; voor Hondscio wordt weergeld
-betaald. Finn-episode.
-
-
-XVIII.
-
-Voortzetting van de Finn-episode.--Het drinkgelag duurt
-voort. Wealchtheow, de koningin, zet haren gemaal aan tot
-vrijgevigheid. Zij hoopt dat Hrodulf, Hrodgars mederegent, zich
-na dezes dood dankbaar zal toonen en hare zonen vriendschappelijk
-bejegenen.
-
-
-XIX.
-
-Vervolg van 't feestmaal: Beowulf wordt uitgenoodigd om te
-drinken; nieuwe geschenken, hem door de vorstin overhandigd:
-ringen, armtooisels, rusting, prachtig halsjuweel. Sage van Hama
-en den Brosinghalsband.--Latere lotgevallen van het aan den held
-geschonken halsjuweel: het geraakte door het sneven van Hygelac
-in het bezit der Franken.--De koningin houdt eene toespraak bij
-het aanbieden der geschenken en hoopt, dat Beowulf goed zal wezen
-voor hare zonen. Hrodgar gaat slapen, terwijl vele Denen Heorot tot
-nachtverblijf kiezen.
-
-
-XX.
-
-Grendels moeder begeeft zich naar Heorot om haren zoon te wreken. De
-Denen stellen zich te weer. Zij vlucht, doch ontvoert een ridder,
-Aschere, alsmede den arm van haren zoon.
-
-Vóór dag en dauw laat Hrodgar Beowulf ontbieden.
-
-
-XXI.
-
-Hrodgars klacht over het verlies van zijnen besten raadsheer; hij
-beschrijft het Grendelmeer en hoopt, dat Beowulf er zich zal inbegeven.
-
-
-XXII.
-
-Beowulf belooft het. Beiden begeven zich met hun gevolg op weg. Aan
-den oever vinden zij het hoofd van Aschere. Een watermonster wordt
-gedood en op het droge getrokken. Beowulf rust zich uit. Hunferd
-leent hem het voortreffelijke zwaard Hrunting.
-
-
-XXIII.
-
-Beowulf richt het verzoek tot Hrodgar om zijne makkers tot vader te
-verstrekken, zoo hij niet meer terugkomt, en zijne ontvangen geschenken
-aan Hygelac te zenden. Hij bedankt Hunferd voor het leenen van zijn
-zwaard en springt in het meer. Grendels moeder sleurt hem mede naar
-hare onderzeesche woning. Hrunting wil niet vatten. Worsteling. De
-held wordt omvergeworpen en is op het punt van gedood te worden.
-
-
-XXIV.
-
-Door eene bijzondere bestiering Gods valt zijn oog op een oud
-reuzenzwaard aan den wand. Hiermede doodt hij den vijand en houwt hij
-tevens het hoofd af van Grendels lijk. Het water wordt bloedig. De
-krijgers meenen dat Beowulf gedood is. Hrodgar vertrekt met de
-zijnen. De Gooten blijven wachten. Het reuzenzwaard smelt tot op
-het gevest, ten gevolge van het bloed des monsters. Beowulf komt te
-voorschijn met het gevest en Grendels hoofd. Terugkeer naar Heorot. Het
-zegeteeken wordt door vier mannen gedragen.
-
-
-XXV.
-
-Beowulf verhaalt zijn wedervaren in de diepte en schenkt het
-zwaardgevest aan den koning. Hrodgars dankrede: hij vergelijkt
-Beowulfs gedrag en dat van Heremod; het gevaar der grootheid, zij
-ontaardt dikwijls tot overmoed
-
-
-XXVI.
-
-en tot schraapzucht. Hij wijst op zichzelf: 50 jaar regeerde hij
-voorspoedig, daarna overviel hem rampspoed; hij bedankt God voor de
-redding.--Maaltijd. Met het invallen van den nacht begeeft men zich
-ter ruste. Beowulf wordt naar zijn slaapvertrek geleid. Als de morgen
-aanbreekt, staat Beowulf reisvaardig, hij geeft Hrunting terug aan
-Hunferd en begeeft zich naar Heorot, om afscheid te nemen van Hrodgar.
-
-
-XXVII.
-
-Beowulfs toespraak: hij verlangt naar huis, doch zal altijd tot
-Hrodgars en Hrederics dienst gereed zijn. Hrodgars antwoord: hij hoopt
-dat Beowulf later na Hygelacs dood tot koning gekozen zal worden;
-dank aan hem is eene hechte vriendschap tusschen de twee volken
-gesloten.--Hij schenkt hem twaalf kostbaarheden en neemt slechts
-noode van hem afscheid. Beowulf begeeft zich scheepwaarts.
-
-
-XXVIII.
-
-De kustwachter ontvangt hem vriendschappelijk. Inscheping. Overtocht
-naar Jutland. De strandwachter. Ontscheping. Zij begeven zich naar
-Hygelacs woning. Tegenstelling tusschen het karakter van Hygd en dat
-van Thrydo.
-
-
-XXIX.
-
-Onthaal bij Hygelac. Hij ondervraagt Beowulf. Deze geeft verslag over
-de gebeurtenissen en lascht er de Headobarden-episode in.
-
-
-XXX.
-
-Slot der Headobarden-episode. Daarna neemt Beowulf den draad van
-zijn verhaal weder op; Grendel, handschoen, feestmaal, Aschere,
-Grendels moeder.
-
-
-XXXI.
-
-Vervolg van Beowulfs verslag: Geschenken.--Beowulf staat zijne
-geschenken aan Hygelac en Hygd af. De dichter spreekt van Beowulfs
-onmannelijke jeugd. Hygelac beloont Beowulf met Hredels zwaard,
-landerijen en burcht.--Beowulf beklimt den troon na den dood van
-Heardred, Hygelacs zoon, en heerscht vijftig jaar op voorspoedige,
-wijze, totdat zekere slaaf eenen beker ontvoert uit het hol van eenen
-draak, die in eenen grafheuvel eenen onmetelijken schat bewaart.
-
-
-XXXII.
-
-De slaaf had eene schuilplaats gezocht en zoo toevalligerwijze den
-schat ontdekt. Geschiedenis van den schat: hij was daar neergelegd
-door den laatsten afstammeling van een oud geslacht; klacht van den
-eenzamen grijsaard; na zijnen dood maakt de draak zich van de have
-meester.--De draak ontdekt den diefstal; hij is strijdlustig en vliegt
-met de avondschemering uit, om wraak te nemen.
-
-
-XXXIII.
-
-Hij verbrandt Beowulfs woning en keert met den morgen terug
-in zijn hol. Droefheid van den koning bij het vernemen van de
-verwoestingen. Hij laat een stalen schild vervaardigen. Afwijking van
-den dichter: Beowulfs vroegere wapenfeiten, Grendelkamp, oorlog met
-de Franken, waarin de held met de schilden van dertig gesneuvelde
-vijanden te water springt; hij weigert den troon, welken Hygd hem
-aanbiedt, en beklimt dien slechts later na den dood van Heardred,
-die Zweedsche vluchtelingen had opgenomen en daarom door Onela,
-den vorst der Zweden, verslagen werd.
-
-
-XXXIV.
-
-Voortzetting der afwijking: Beowulf Wreekt later den dood
-van zijnen voorganger en verbindt zich met Eadgils, een der
-vluchtelingen, die Onela van het leven berooft.--Beowulf begeeft
-zich met elf tochtgenooten naar het drakenhol op aanwijzing van den
-slaaf. Voorgevoel van zijnen dood. Beowulfs rede: hij heeft zijne
-jeugd aan het hof van Hredel doorgebracht; Hredel-episode.
-
-
-XXXV.
-
-Vervolg van de Hredel-episode; na Hredels dood breekt de oorlog uit met
-de Zweden, waarin Hadcyn en Ongentheow sneuvelen; hij heeft Hygelac
-altoos trouw ter zijde gestaan en Daghrefn gewurgd in den strijd
-met de Franken; nu zal hij zijnen laatsten kamp wagen.--Beowulf
-groet ieder zijner makkers en neemt weer het woord op: hij draagt
-eene wapenrusting, om tegen het vuur beschut te zijn; zijne mannen
-zullen in de nabijheid wachten, hij zal alleen den draak dooden of
-sterven.--Beschrijving van den drakekamp: Beowulf begeeft zich naar
-den ingang van het hol; beschrijving ervan; hij roept, en de draak
-komt te voorschijn; Beowulfs zwaard dringt niet door, hij moet zich
-wegens de hitte terugtrekken. Zelfde vruchtelooze uitslag bij eene
-tweede poging. De helpers nemen de vlucht, uitgenomen Wiglaf.
-
-
-XXXVI.
-
-Wiglafs afkomst. Hij herinnert zich Beowulfs weldaden en trekt het
-zwaard. Lotgevallen ervan. Zijne toespraak tot de vluchtelingen:
-hun meester schonk de wapenrusting, koos hen als de dappersten uit,
-dus moeten zij hem helpen; hij voor zich wil liever sterven dan hem in
-den steek te laten; zonder hem kunnen zij niet terugkeeren; Beowulf
-heeft het niet verdiend alleen te moeten vallen.--Wiglaf dringt door
-den vlammengloed en spreekt Beowulf moed in. Tweede aanval van den
-kant des draaks: Wiglafs houten schild verbrandt, hij vlucht achter
-dat van zijnen koning. Deze wondt het hoofd van den draak, doch zijn
-zwaard breekt, want zijne vuist is te sterk. Derde aanval vanwege
-den draak: hij omklemt met zijne tanden den hals van Beowulf.
-
-
-XXXVII.
-
-Wiglaf wondt nu den draak op doodelijke wijze, doch verbrandt tevens
-zijne hand. Beowulf komt tot zichzelven en hakt met zijn slagmes den
-draak middendoor. Hij is vergiftigd en zijgt neder. Wiglaf besprenkelt
-hem met water en ontgespt zijnen helm. Beowulf komt bij en zegt,
-dat hij met volle gerustheid sterft, want hij heeft gedurende vijftig
-jaren rechtvaardig geregeerd; hij verzoekt Wiglaf in het hol te gaan,
-om hem de schatten voor de eerste en laatste maal te toonen.
-
-
-XXXVIII.
-
-Wiglaf begeeft zich onder de rots. Beschrijving van de schatten. Met
-kostbaarheden beladen keert hij terug en vindt Beowulf in bewusteloozen
-toestand. Ten tweeden male besprenkelt hij hem met water en met goed
-gevolg. Beowulfs laatste woorden: hij bedankt God voor die schatten,
-welke zijne mannen zullen te stade komen, beveelt, dat men hem eenen
-hoogen grafheuvel zal oprichten aan den oever der zee en schenkt
-aan Wiglaf, den laatste van zijnen stam, halssieraad, helm, ring en
-harnas. Daarna geeft hij den geest.
-
-
-XXXIX.
-
-Overweging van den dichter. De tien vluchtelingen komen terug. Wiglafs
-strafrede: Beowulf heeft zijne geschenken aan onwaardigen gegeven;
-toch heeft hij de zege behaald; ik heb hem naar vermogen geholpen;
-gij zult voorbeeldig gestraft worden.--
-
-
-XL.
-
-Een bode bericht het nieuws aan het hof: Beowulf en de draak zijn
-gedood; Wiglaf houdt er de wacht; nu staat de oorlog te wachten met
-de Franken, die hun vijandig zijn sedert Hygelacs inval. Ook zullen
-de Zweden hen aantasten; tot staving hiervan verhaalt hij de episode
-van den Zwedenkrijg.
-
-
-XLI.
-
-Voortzetting van den Zwedenkrijg. Men spoede zich om Beowulfs lijk te
-verbranden met den drakeschat, zoodat er geen sieraad tot herinnering
-zal overblijven, want hachelijke tijden zijn ophanden.--Men begeeft
-zich naar het strand, waar Beowulf naast den draak en de kostbaarheden
-ligt uitgestrekt. Afwijking: de schat was betooverd.
-
-
-XLII.
-
-De afwijking wordt voortgezet. Wiglafs redevoering: Beowulf wilde niet
-den raad involgen om den draak ongemoeid te laten; ik heb de schatkamer
-bezichtigd; Beowulf heeft eenen lijkheuvel verzocht. Wiglaf beveelt
-de schatten uit het hol te dragen en het hout tot den brandstapel aan
-te voeren.--De schat wordt te zamen met het lijk des konings naar de
-walvischhoogte vervoerd, terwijl de draak in de zee wordt gestort.
-
-
-XLIII.
-
-Beschrijving van Beowulfs lijkverbranding: de brandstapel wordt
-opgericht en aangestoken. Jammerklachten van de jonkvrouw. De graf
-heuvel wordt opgeworpen en de rijkdom er in geborgen. De zonen der
-twaalf rijksgrooten rijden om het graf. Hun rouwzang. Beowulf was
-het toonbeeld van een koning.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
- Voorwaar, der Denen roem in voortijdsdagen,
- Der volksbeheerschers hebben wij vernomen,
- Hoe de eêlgeboornen heldendaân voldongen.
- De Scheving [25] Schyld ontnam aan 's vijands scharen,
-5 Aan vele stammen vaak de medezetels [26].
- De held had veel gehard, nadat hij hulploos
- Gevonden was geworden in den aanvang.
- Des trof hij troost. Hij wies beneên de wolken,
- Gedijde in waardigheên, totdat hem ieder
-10 Der ommewoners langs de walvischwegen
- Gehoorzaamheid verschuldigd was en schatting
- Betalen moest. Dit was een machtig koning!
- Hem werd daarna een erfgenaam geboren,
- Jong in het koningshof, dien zond de Hemel
-15 Het volk tot heul: Hij [27] zag 't vervolgingsonheil,
- Dat zij, de koningsloozen, eerst beleefden
- Een langen tijd. De Levensheer diensvolgens,
- De glansbeschikker, schonk hem [28] wereldglorie. [29]
- Bekend werd Beowulf [30]; verre sprong de konde
-20 Van Schyldes spruit de Schedelanden [31] binnen.
- Zoo moet een jeugdig man zich mild bewijzen
- Door groote giften jegens vaders vrienden,
- Opdat hem weer gewillig wapenmakkers
- In d'ouderdom [32], als kamp ontstaat, omstuwen,
-25 De heirschaar vormen: door gevierde daden
- Zal zich een held bij elken stam verheffen.
- Verscheiden ging nu Schyld, de veelbewogen,
- Ter lotbestemde stond in 's Heeren hoede [33].
- Hem brachten toen de trouwe wapenbroeders
-30 Naar 't zeegezwalp, gelijk hij zelf verzocht had,
- Terwijl 't bevel de vriend der Schyldings [34] voerde,
- De lieve landbestuurder lang een tijdruim {1}.
- Daar aan de reede stond de kronkelsteven,
- Yshelder, reizensree, des heerschers vaartuig.
-35 Zij legden toen den lieven koning neder,
- Den schatbescheerder, op den schoot des vaartuigs,
- Den wijdvermaarden bij den mast. Er waren
- Juweelen veel, gebracht langs verre wegen,
- En kostbaarheden opgehoopt. Ik hoorde
-40 Wel nooit van zulk een kiel, voorzien zoo kostlijk
- Met heertuig, krijgerkleên, met zwaard en harnas.
- Veel schatten lagen op den schoot [35]. Zij zouden
- Ver medezwalken in de macht der baren.
- Zij monsterden niet minder gul met gaven
-45 Hem uit en schatgeschenken dan het deden
- Degenen, die hem in 't begin verzonden
- Alleen op 't zeegewoel, een wichtje zijnde. [36]
- Men stelde hem daarbij een gulden standaard [37]
- Hoog boven 't hoofd en liet de baar hem beuren
-50 En gaf hem aan de golf. Hun geest was weevol,
- Bezorgd hun zin. Niet kunnen menschen zeggen,
- Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden
- Beneên de wolken [38], wie ontving de lading.
-
-
-
-
-
-II.
-
-
- Ter burcht verwijlde nu der Schyldings Beowulf,
-55 De lieve landsheer, lang, den volken roemrijk; {2}
- (De vader week van daar, de vorst van 't erfgoed [39])
- Totdat hem werd verwekt de hooge Healfdeen.
- Die heerschte op heusche wijs, zoolang hij leefde,
- Bedaagd en oorlogsduchtig, bij de Schyldings.
-60 Hem kwam in rechte rij een viertal kinders
- Ter wereld: Heorogar, de hordenheerscher,
- Hrodgar en strijdbre Halga. 'k Heb vernomen,
- Dat Elan werd van Ongentheow [40] de weerhelft,
- De bedgenoote van den Wapen-Schilfing [41].
-65 Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,
- De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen [42]
- Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,
- De breede jonglingschaar. Hem schoot te binnen,
- Dat hij een hal bevelen moest te maken
-70 Aan zijne mannen, eene medewoning,
- Een machtiger dan menschenzonen zagen;
- Om alles daar aan jong en oud te deelen,
- Als God hem had gegeven, uitgezonderd
- De legerschaar en 't leven zijner lieden [43].
-75 'k Vernam, hoe werk werd opgelegd in 't wijde
- Aan menig man langs de aard, de steê te sieren.
- Het viel in tijds hem mede, bij de menschen,
- Dat kant en klaar verrees der hallen hoogste.
- Den naam van Heort bestemde haar de heerscher,
-80 Wiens woorden kracht van wet in 't wijd bezaten.
- Hij deed zijn woord gestand en deelde ringen
- En goed aan 't gastmaal. Stout verhief, met hoornen
- Voorzien [44] zich ruim de zaal--Haar was te wachten
- 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie.
-85 Niet was de tijd reeds daar, dat wapenwoede
- Door bloedhaat blaken zou bij zoon en vader [45].--
- Nu moest den heelen tijd in arren moede
- De weerbre geest, die woonde in duisternissen,
- Het dulden, dagelijks het luid gejubel
-90 Te hooren in de hal. Daar klonk de harptoon,
- De zoete zang des dichters. Deze zeide,
- Die 't eerst ontstaan des menschen wist te melden
- Van hooger af, verhaalde, dat de Almachte
- Deze aarde had gevormd met hare velden,
-95 Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;
- Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig
- Tot licht gesteld had voor de landbewoners,
- Getooid met twijg en blad der velden boezem.
- Het leven schiep Hij insgelijks voor ieder
-100 Der wezens, die bezield zich voortbewegen.
- Zoo leefden in genot de kampgenooten
- En overvloed, tot één begon, de vijand,
- Verderf te stichten in de stede [46]. Grendel
- Zoo was de gast, de grimme geest geheeten.
-105 Grenslooper lang berucht, die in moerassen
- En venen was genesteld, zijne vrijburg.
- 't Wanzalig wezen had een lange wijle
- Het schuilvertrek van 't reuzenras betrokken,
- Nadat de Wereldheer hem had verwezen.
-110 Der eeuwen Heer verhaalde op Kaïns afkomst,
- Omdat hij Abel had verdaan, den doodslag.
- Hij mocht zich in de misdaad niet verheugen,
- Maar in de verte joeg hem voort de Schepper,
- Om dezen moord, gebannen uit het menschdom.
-115 Hier werden uit verwekt de wangedrochten,
- De reuzen, elven met de watermonsters,
- Giganten ook, die tegen God zich kantten
- Een langen tijd. Hij loonde hen diensvolgens [47] [48].
-
-
-
-
-
-III.
-
-
- Hij [49] ging bezien, sinds nederzeeg de nachtstond,
-120 De hooge huizing, hoe de Harnas-Denen
- Zich na de bierontvangst gevestigd hadden.
- Daar binnen trof hij toen den troep der eedlen
- In slaap na 't feestgeslemp. Geen kommer kenden,
- Geen leed de lieden. Vreeselijk, vraatzuchtig
-125 Was ras gereed de daemon der verderfnis,
- Verwoed en wild, en roofde van het rustbed
- Der dappren dertigtal [50]. Dan weder wendde
- Hij roemend op den roof van hier zich huiswaarts
- En kwam met kampbuit [51] weer in zijne woning.
-130 Toen bleek des ochtends bij het morgenblozen
- De worstelmacht van Grendel aan de mannen.
- Toen steeg na 't feestgelag 't gesteen naarboven,
- Het machtig morgenwee. De hooge heerscher,
- De eervolle vorst, was lusteloos gezeten,
-135 Beleefde leed, de zorg om zijne strijders,
- Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand.
- Den doembren geest. De droefheid was te drukkend,
- Geweldig, onverpoosd. Niet was er uitstel,
- Hij stichtte na dien eenen nacht alweder
-140 moorden meer en schuwde leed noch lagen,
- Hij was maar al te zeer gezet op deze.
- Nu waren vele lieden licht te vinden,
- Die ergens elders ruimer rustbed zochten,
- Een bed in 't burgvertrek. Nu was bewezen
-145 En wis en waar beduid door bare blijken
- De haat van 't halgedrocht, nu hield een ieder,
- Die 't monster was ontvlucht, zich ver en veilig.
- Zoo heerschte hij en woedde wederrechtig
- Eén tegen allen, tot der huizen heerlijkst
-150 Daar ledig stond. Dat duurde lang een tijdruim.
- De Denenvriend verduurde een twaalftal winters [52]
- De woede en ieder wee, de zwaarste zorgen.
- Sinds werd het klaar bekend den menschenkindren
- Op leede wijs door 't lied, dat Grendel Hrodgar
-155 Aantastte langen tijd. Hij had berokkend
- Haatvijandschap, vervolgingslisten, veete
- Wel menig halfjaar met gestage strijden.
- Hij wenschte geenszins aan te gaan den vrede
- Met een der dappren uit de bloem der Denen,
-160 Te keeren 't levenszeer, met geld te zoenen [53] {3},
- En geen der raden dorst glansrijker boete [54]
- Verhopen met de handen van den dooder {4}.
- De booze daemon kwelde, bond en doodde,
- De duistre doodsgeest, meerderen en mindren. [55]
-165 Eeuwnachten had hij in de nevelmoeren
- Zijn woon gevest. Dit weten niet de menschen,
- Waarheen in 't rond de toovenaars zich richten.
- Zoo menig ramp berokte vaak de vijand
- Des menschen, harden hoon, de eenzame zwerver.
-170 Hij huisde in Heort, de goudverlichte halle,
- Bij naren nacht. (Toch zou hij niet bezetten
- Het schenkgestoelt, uit hoofde van den Schepper, [56]
- Het pronkjuweel, noch waren dit zijn wenschen. [57] {5}
- Dat was den vriend der Schyldings wreede kommer,
-175 Een knak der ziel. Ten raadslag zaten dikwerf
- Gevolg en vorst. Zij wikten dan en wogen,
- Wat voor de boudgestemden 't beste ware
- Te wagen tegen onverwachte inbreuk.
- Somtijds beloofden zij den godentempels [58]
-180 Een afgodsofferand en riepen dringend
- Den wurggeest [59] aan, dat deze weer zou bieden
- In 't volksgevaar. Dat waren zoo hun zeden,
- Hun heidendenkwijs. Naar de helle streefden
- Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester,
-185 Der daden doemer, geenen God, den heerscher;
- Zij konden niet des hemels heul bekennen,
- Den God der glorie. Wee, die zal verzinken
- De ziel door wilde zucht in 's vuurs omvatting,
- Ontbeiden geenen troost, zich geenszins beteren!
-190 Wel hem, die na den dood den Heer mag naken,
- Een vrijburg vragen in des Vaders armen! [60]
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
- Op deze wijze broeide hij voortdurend,
- De zoon van Healfdeen [61], zorgen voor het heden.
- Niet stond den wijzen held het wee te wenden:
-195 De strijd toch was te sterk, te lang, te lijdig.
- Die nu was neergekomen op de kampers,
- De norsche nooddwang, 't neetligst nachtlijk onheil.
- Nu hoorde Hygelaces leenman [62], onder
- De Gooten [63] goed, te huis de gruwlen Grendels.
-200 Hij was in weerbaarheid der menschen machtigst
- In gindschen leeftijd, eêl, doorluchtig. Treflijk
- Een waterros gebood hij uit te rusten;
- Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,
- Den hoogen heerscher, langs het zog der zwanen
-205 Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen.
- Bij lang niet laakten wijze liên die reize [64],
- Hoe waard hij was; den wildgezinde zetten
- Zij aan en namen waar gewenschte teekens [65].
- De koene had tot kampers uitgekoren
-210 De Gootenmannen, die hij vond het moedigst;
- Eén van de vijftien, zocht hij op het zeehout;
- Een kampheld [66] wees, een waterkundig krijger,
- De landgrens langs. (De wachttijd was verstreken {6}.)
- De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte {7}.
-215 De helden stegen uitgedost ten steven.
- De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand [67] {8}.
- Zij droegen op den schoot des schips de schoonste
- Juweelen neer, de weidsche kampgewaden
- En tot de lustvaart boomden nu de lieden,
-220 De kampers hun gebonden kiel [68] naar buiten.
- Door winden aangewakkerd vloog, een vogel
- Gelijk, 't schuimhalzig schip langsheen de baren,
- Totdat den tweeden dag, ter eigen ure [69],
- De slankgedraaide boeg was voortgedrongen,
-225 Dat land de varenslieden zagen blinken,
- Strandklippen, steile bergen, breede kapen.
- Doortogen was het tij, de tocht ten einde.
- Nu sprongen snel aan wal de Wederlieden [70],
- Zij meerden 't meerhout vast (de kolders klonken,
-230 De krijgerkleên) en gaven dank der Godheid,
- Dat heilvol hun de vloedweg was geworden.
- Nu zag van zijnen wal de grensbewaker
- Der Schyldings, die de schuimklip had te hoeden,
- Hoe schitterende schilden, reede rustings
-235 Daar langs de loopplank werden uitgeladen.
- Hem brak het brein door 't gissen nieuwsbegeerte
- Om toch te weten, wie die mannen waren.
- Toen stormde strandwaarts heen, het ros berijdend,
- De dienstman Hrodgars, 't krachthout duchtig drillend
-240 In zijne vuist, en ondervroeg met woorden:
- «Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten,
- Die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven,
- Langsheen de waterwegen, die de helmen
- Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen?
-245 'k Was grensbezetter, houd alhier de zeewacht [71],
- Opdat in 't land der Denen geen baldadig
- Vermag te schaden met een schepenleger.
- Hier onderwonden oopner schildbeschermden
- Zich nooit te naken. Wis vernaamt gij 't oorlof
-250 Der strijdbewerkers niet, des stams vergunning.
- 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger
- Dan uwer één [72], dien ridder in de rusting.
- Voorwaar, geen huisman [73] is 't, gedost in wapens,
- Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege.
-255 Vernemen zal ik nu uw aller afkomst,
- Eerdat in 't Denenland gij verder vordert
- Van hier, als ongehinderde bezoekers.
- Nu hoort gij, vergehuisden, zeebezeilers,
- Mijn slechte, rechte meening: Haast is heilzaamst
-260 Te kondigen, vanwaar uw komst mag wezen.»
-
-
-
-
-
-V.
-
-
- Hem schonk bescheid en opende de schatten
- Des woords de waardigste, het hoofd der horde:
- «Wij zijn de strijders van den stam der Gooten
- En Hygelacs genooten aan de haardstee.
-265 Mijn vader was roemruchtig bij de volken
- En Ecgtheow was de hooge vorst geheeten.
- Hij leefde een lang getal van wintertijden,
- Eer, grijs, hij scheiden ging uit zijnen zetel.
- Hem heugt zich maar te wel zoo menig raadsheer
-270 Op 't wijde wereldrond. Goedgunstig kwamen
- Wij uwen heerscher, Healfdeens zoon, bezoeken,
- Den rijksscherm. Wees ons met berichten gunstig!
- Den breedvermaarden vorst der Denen brengen
- Wij wichtig nieuws, waarvan, ik wil het hopen,
-275 Niets zal verholen zijn. Gij weet of 't zoo is,
- Gelijk wij hoorden waarheidstrouw verhalen,
- Dat bij de Schyldings 'k weet niet welke schender,
- Verborgen booswicht, met het dichtste duister
- Schrikwekkend toont een nooit vernomen woede
-280 En wee en slachting. Hrodgar kan ik wijzen
- Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede
- Den vijand vleuglen zal, zoo ooit de aanvechting
- Der kwalen neemt een keer, een uitkomst opdaagt,
- En koeler worden zijne kommergolven.
-285 Zoo niet, dan lijdt hij later steeds benauwing
- En 't nijpen van den nood, zoolang 't gelukkigst
- Der huizen zich verheffen zal ter hoogte.» [74]
- De wachter wedervoer, in 't zaal gezeten,
- De dappre dienstman: «Ja, een scherpe schildman
-290 Van beide weet bescheid, van woord en werken,
- Die deeglijk denkt. Dit hoor ik: aan den heerscher
- Der Schyldings is verknocht dees krijgerschare.
- Gaat, voert de wapens mede met gewaden.
- Ik wijs den weg en zal aan mijne maagschap
-295 Bevelen tevens, 't vaartuig voor den vijand,
- Het nieuwgeteerde schip op 't zand te schutten [75],
- Totdat het kronkelhalzig hout den heerscher,
- Den waarden, wedervoert op 't vloedgewiegel
- Ter Gootengrens; aan wien het zij gegeven
-300 Te midden zijner helden, dat hij heilvol
- Het kampgetuimel mag te boven komen.»
- Nu gingen zij huns weegs. En rustig wachtte
- De bodem met de touwen vastgebonden,
- Aan 't anker vast het breedgeboezemd vaartuig.
-305 Nu blonken boven 't wangstuk [76] de everbeelden,
- Met goud bekleed, ontgloeid, gehard in vlammen.
- Nu hield het everzwijn omhoog de schildwacht.
- Kampmoedig stoven, snoven heen de mannen [77]
- En daalden samen af, totdat zij zagen
-310 De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.
- Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld
- Bij 't menschdom, waar de machtige [78] verwijlde.
- De vuurglans lichtte over vele landen.
- Hun toonde toen het pralend hof der helden
-315 De wapenwakkre man, opdat zij derwaarts
- Nu rechtstreeks konden gaan. De kamper zwenkte
- Zijn ros en richtte schuins hun toe de toespraak:
- «Voor mij is 't trekkens tijd. De Alheerscher hoede
- In 't avontuur u ongerept en roemvol!
-320 Ik wil naar zee, op roovend rot te waken.»
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
- De baan was bont bevloerd; de straatweg voerde
- De strijders al te zaam. Hun kamphemd straalde,
- Het harde, handgevlochten. 't Staal, het heldre,
- Het ringversierde, zong op hunne rusting,
-325 Juist als ze in 't schrikgewaad ten zaalbouw schreden.
- De zeevermoeiden zetten 't schild het machtig,
- Het strijdrondas geweldig sterk, nu tegen
- Den buitenwand des bouws en bogen bankwaarts.
- De rusting rinkelde, der helden harnas.
-330 De lansen stonden saam, der zeeliên strijdtuig,
- Hun esscheschacht, blauwschemerig van boven [79].
- Hoe wel was de ijzerdrom gedost in 't wapen!
- De krijgstrawanten vroeg een wakker kamper [80]
- Naar de edele afkomst: «Waar van daan toch draagt ge
-335 De schitterende schilden, 't stalen strijdhemd,
- De maskerhelmen met de macht van speren?
- Ik ben de bode Hrodgars, dezes dienstman;
- Niet heb ik ooit gezien een zulke menigt [81]
- Van buitenlandsche meer vermeetle mannen.
-340 Ik gis, dat gij, wel verre van voortvluchtig,
- Hrodgar bezoekt uit hoogen zin en stoutheid.»
- De krachtgevierde vorst, de nooit vervaarde,
- Der Weders wedervoer daarop met woorden:
- «Wij zijn van Hygelac de dischgezellen
-345 En Beowulf luidt mijn naam. 'k Verlang mijn boodschap
- Te konden Healfdeens zoon, den hoogen heerscher
- En uwen vorst, indien hij wil gedoogen,
- Dat wij hem, zoo goedzinnig, mogen groeten.»
- En Wulfgar sprak (hij was Wandalenkoning;
-350 Aan velen was zijn roekeloosheid ruchtbaar,
- Zijn strijdgevatheid met zijn ondervinding):
- «Den Denenvriend, den Schyldingvorst zal 'k vragen,
- Den gever van het goud, den hoogen heerscher,
- Gelijk uw bede luidt, omtrent uw tochten
-355 En onverwijld u 't antwoord laten weten,
- Dat mij de goedertieren denkt te geven.»
- Dan trad hij ijlings toe, waar Hrodgar troonde,
- Bedaagd en grijs, met zijnen drom van dappren;
- De sterke schreed, totdat hij bij de schouders [82]
-360 Des Denenkonings zich bevond. Hij kende
- De handelwijs van 't hof. Dan zeide Wulfgar
- Tot zijnen vriend en heerscher: «Herwaarts voeren
- Er verbereisde gasten van de Gooten,
- Langsheen der baren omvang. Beowulf heeten
-365 Den eersten onder allen de oorlogshelden.
- Hun bede brengt, o mijn gebieder, mede,
- Met u den woordenschat te mogen wisselen,
- o, Weiger 't wederwoord hun niet, genadige!
- Zij schijnen waardig in de stormgewaden
-370 Der helden achting. Zeker deugt de hoofdman,
- Die herwaarts heeft gevoerd de heirgenooten.»
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
- En Hrodgar sprak, beschermheer van de Schyldings:
- «Hem kende ik als een' knaap. Zijn vader noemde
- Zich destijds Ecgtheow [83], wien zijn eenge dochter
-375 Op zijne goedren gaf der Gooten Hredel.
- Nu is zijn spruit, de koene, hier gekomen
- En zocht den trouwen vriend [84]. Toen zeiden zeeliên,
- Die tot geschenk der Gooten schatten brachten [85]
- Alhier {9}, dat hij de kracht van dertig krijgers,
-380 De kampgevierde, voerde in zijnen vuistgreep.
- o, Zeker zond hem, naar ik heb de hope,
- De goede God op weg ten Wester-Denen [86],
- Ons tot een toeverlaat bij Grendels gruwheid.
- Ja, schatten wil ik schenken aan den goede
-385 Voor zijnen koenen zin. Gij, rep u rugwaarts;
- Verzoek hen in te gaan en al te gader
- Het broederbond te schouwen van de schare.
- Verzeker hun daarbij om 't zeerst, zij allen
- Zij heeten welkom aan het heer der Denen.»
-390 Toen spoedde Wulfgar henen naar de haldeur
- En binnenwaarts ontbood hij met de woorden:
- «Mijn zegevorst, Oost-Denen [87] heer, laat zeggen:
- Hij kent uw adel. Langs de waterkolken,
- o Hardgezinden, weest alhier hem welkom!
-395 Nu moogt ge in 't maliekolder met den strijdhelm
- Hrodgar aanschouwen gaan; doch laat het slagschild,
- Der lansen hout, de doodelijke schachten,
- Hier wachten op den uitslag van de woorden.»
- De sterke [88] rees en rond hem menig ridder,
-400 Der eedlen stoute stoet. Daar buiten bleven
- Er enklen om het heergetuig [89] te hoeden,
- Gelijk hun had besteld de wapenstoute [90].
- Te gader gingen, waar hun wees de weerbre,
- Zij onder Heorots dak; de dappre stapte
-405 Gehelmd, de stoute, tot hij stond ter troonzaal.
- En Beowulf zeide (hem omblaakte 't harnas,
- Het kampnet, saamgetrensd door kunst van smeden):
- «U zij, o Hrodgar, heil! Ik ben van Hyglac
- De maag en ridder. Menig roemvol waagstuk
-410 Bestond ik in mijn jeugd. Mij werd de strijdzaak
- Van Grendel op mijn erfgrond klaar gekondigd.
- Zeevaarders zeggen: ledig staat de zaalbouw,
- Onnut het heerlijkst huis voor alle helden,
- Zoo ras het schemerrood des avonds onder
-415 De wijkplaats van den hemel wordt verholen.
- Toen stelden mij dit voor mijn strijdgezellen [91],
- De uitmuntendste, de meest ervaren mannen,
- Dat 'k u bezoeken zou, o heerscher Hrodgar.
- Zij kenden toch de macht van mijne krachten;
-420 Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
- Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
- Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
- Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers [92]
- Bemeesterd in het midden van de baren,
-425 Benarden nood beleefd, het leed der Weders
- Gewroken (want zij duldden vele weeën),
- 't Vijandig volk vergruisd. Ik zal met Grendel,
- Den daemon, thans alleen 't geding beslechten,
- Met dezen reus [93]. U, hoofd der Helden-Denen,
-430 U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede:
- Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert,
- O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,
- Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
- Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren.
-435 Ook heb ik nog gehoord, dat deze doembre
- In zijnen waan zich niet bekreunt om wapens [94]. {10}
- 'k Versmaad nu dit, zoo waar mij gunstig weze
- In 't harte Hygelac, mijn leenheer, 't lemmer
- Of 't reuzige rondas, het goudgerande,
-440 Te voeren bij 't gevecht. Doch 'k zal hem vatten,
- Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten,
- Man tegen man. En wien de dood dan wegrukt,
- Die zal verstaan des Albestuurders oordeel [95],
- 'k Geloof, hij is verlangend, mag het lukken,
-445 De Gootenhelden in de worstelhalle
- Te vreten onbevreesd, als menig malen
- Hij met de macht gedaan heeft van de Denen.
- Gij hoeft met geene wacht mijn lijk te hoeden [96]:
- Want zoo mij zoekt de dood, hij zal me hebben
-450 Nog bont van 't bloed. {11} Het lillend overblijfsel
- Ontvoert hij ver, hij neemt zich voor te schrokken,
- De eenzame zwerver eet het blij van zinnen
- En merkt met moord de vluchtplaats in de venen.
- Gij hoeft geenszins te zorgen voor mijn lijktooi [97]; {12}
-455 Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegsleurt,
- Naar Hygelac het puike pantser henen,
- Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed;
- Het is een erfstuk Hredels, 't werk van Weland [98].
- Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot [99].»
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-460 En Hrodgar sprak, beschutter van de Schyldings
- «Tot weergeworstel hebt gij, beste Beowulf,
- Alzoo ons opgezocht, uit huldbetooning. {13}
- Uw vader vocht weleer de koenste kampen.
- Hij werd voor Headolaf bij dezes Wylfings [100]
-465 Tot wurger met de vuist. Het kroost der Weders
- Vermocht hem [101] wegens heirschrik niet te houden.
- Van daar bezocht hij 't volk der Wester-Denen,
- Der Zege-Schyldings over 't zeegeschommel.
- 'k Beval toen juist den Denenstam en jeugdig
-470 Vertoefde ik op de goudgetooide schatburg
- Der helden. Heorogar, de zoon van Healfdeen,
- Was destijds reede dood, ontlast van 't leven,
- Mijn oudste broeder. Deze was mijn betere!
- De vijandschappen zoende ik [102] sinds met schatten
-475 En zond den Wylfings langs den rug des waters
- Aloud sieraad, en Ecgtheow zwoer mij eeden.
- Het doet mij zeer in mijne ziel te zeggen
- Aan wien het zij der menschen, wat mij Grendel
- Al hoon berokkend heeft uit haatgedachten,
-480 Arglistig leed in Heorot. Mijne halschaar,
- Mijn slagtroep is geslonken. 't Noodlot sleepte
- De helden heen naar Grendels schrikverschijning [103].
- Alleen vermag gemakkelijk de Godheid
- Den stouten dooder in zijn daân te stuiten.
-485 Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
- Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
- In deze drankzaal met de grijns der degens
- Te willen wachten op den greep van Grendel.
- Dan was dees medehal bij 't morgenkrieken,
-490 De weidsche woning bloedig bont, als 't daagde,
- Met bloed de gansche bankvloer [104] overgoten,
- De hal met wapenvocht. Ik had der trouwen,
- Der dierbre mannenschaar weer des te minder,
- Die 't noodlot mij alweder had ontnomen.
-495 Doch neig u neer aan 't maal, ontvouw uw meening,
- Uw zegehoop 't gehoor, naar 't hart u aanzet.»
- Toen werd der Gooten gasten al te gader [105]
- Ras ingeruimd een rustbank in de bierzaal.
- Op deze gingen dan de geestgestaalden
-500 Zich nederzetten zij, de uitstekend stouten.
- Het ambt verrichtte een ridder, welke de aalkan [106],
- De schoongetooide, met de handen torste
- En schonk het vonklend vocht. Dan zong de zanger
- In Heorot helder. 't Was gejuich der helden,
-505 Een groote weelde zoo van Deen als Weder {14}.
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
- En Hunferd zeide toen, de zoon van Ecglaf,
- Die aan de voeten [107] zat des Schyldingvorsten,
- Het kampgeheim ontkeetnend [108]: (Beowulfs aankomst,
- Des koenen golfvaart gaf hem grooten aanstoot,
-510 Omdat hij geenszins aan een ander gunde
- Der mannen, meerder roem op aard te rapen,
- Beneên de wolken, dan hem was geworden).
- «Zijt gij die Beowulf, die met Brecca aanbond
- Den wedstrijd op de wijde zee, in 't zwemmen
-515 Met dezen streven dorst, toen boud gij beiden
- Navorschtet in den vloed en gij uit grootspraak
- Uw leven waagdet in het diepe water?
- Geen stervling was in staat, noch vriend noch vijand,
- De roekelooze reis u af te raden.
-520 Toen braakt gij beiden roeiend door de baren
- En dektet onder uwen arm de deining,
- Gij maat de zeebaan, zwaaiend met de handen,
- Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven
- De kil opklotste bij des winters branding.
-525 Op deze wijze wurmdet gij te gader
- Wel zeven nachten in 't bezit der zeeën.
- Doch gene ging in vaart u ver te boven;
- Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde
- Hem met den morgen heen ten Headoraemen [109],
-530 Van waar hij wedervond, de volksgevierde,
- Het lieve stambezit, het land der Brondings [110],
- De schoone schatburg, waar hij wapenlieden
- En goed en goud bezat. De zoon van Beanstan
- Hield tegen u geheel zijn woord in waarheid.
-535 Nochtans ik reken op geringer uitslag
- Voor u, al waart gij steeds bij alle stormen
- Bestand, bij grimmen strijd, zoo gij op Grendels
- Nabijheid waagt een nachtgewricht te wachten.»
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-540 «Voorwaar, mijn waarde Hunferd, veel gewaagdet
- Gij, dronken door het biergebras, van Brecca,
- Vertellend zijnen tocht. 'k Beweer in waarheid:
- Ik had meer zeegehardheid ik en arbeid
- In 't midden van het meer dan een der menschen.
-545 Wij kwamen 't overeen als knapen, ons verbindend,
- (Toen waren wij nog beiden jong van jaren)
- Dat wij in zee het leven zouden wagen
- En deden desgelijks. Wij hielden 't lemmer,
- Het bloote, vast, terwijl wij voorwaarts roeiden
-550 Te zaam op zee, het harde, met de handen.
- Zoo wilden wij ons vrijden van den walvisch.
- In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
- Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
- Noch wilde ik zelve mij van hem verwijdren.
-555 Zoo zwalkten wij te zamen op de zeeën
- Vijf dagen lang, totdat de vloed ons scheidde,
- De bolle golfgang bij het barste weder,
- De nacht de omhullende; uit het noorden stormde
- Kampwoedend aan de wind; de diepten woelden.
-560 Nu was gewet de drift der zeegedrochten.
- Toen schonk mijn lijf beschutting mij bescherming,
- Het handgevlochten harnas, voor den vijand;
- Het strijdkleed lag op 't lijf, het goudgestrengeld.
- Mij rukte reeds een schemerschubbig ondier
-565 Ten afgrond mee, mij klemde in zijne klauwen
- De ongure vast. Toch werd het mij gegeven,
- Dat ik het monster met het wapen wondde,
- Het staal des strijds. Het kampgeraas ontrukte
- Door mijnen arm het machtig meergevaarte.
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-570 Aldus bedrongen deze leedbelagers
- Mij dikwijls driftig. Met den goeden degen
- Onthaalde ik hen nochtans, gelijk 't betaamde.
- Zij vonden bij den buit geen vreugd de wreeden,
- Dat zij mij zouden grijpen, 't maal omzitten
-575 Nabij den zeegrond; maar zij lagen boven
- Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,
- Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen,
- Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden
- Beletten langs de barning van de baren.
-580 Van 't oosten zeeg het licht, de zegestanderd,
- De glanzende van God. De stormen stilden,
- Zoodat ik de oeverkapen kon beschouwen,
- Het windbestreken strand. Vaak strekt het noodlot
- Tot redding van d'onvoorbestemden stervling,
-585 Indien zijn sterkte deugt. Ik trof het trouwens
- Te dooden met den degen negen nikkers.
- Nooit hoorde ik onder 't wulfsel van den hemel
- Van neteliger strijd bij nacht, noch armer
- Vergeten man te midden van den meervloed.
-590 Toch borg ik 't leven uit den greep der boozen,
- Ontzenuwd door den tocht. De zeevloed tilde
- Mij met de strooming mee naar 't land der Finnen [111],
- Het wellend water. 'k Hoorde nooit verhalen
- Van uwen kant van zulke kampbestoking
-595 En zwaardontzetting; nimmer bracht ook Brecca
- Bij 't strijdvermaak tot stand, noch uwer iemand
- Zoo stout een stuk met bloedbespatte speren;
- (Niet bral ik dies [112]) ofschoon gij voor uw broeders
- De dooder wierdt en uwe hoofdverwanten [113] {15}.
-600 Gij zult om deze zaak verdoemnis dulden
- Ter helle, hoe gevat uw brein ook blijke.
- O Ecglafs zoon, dit zeg ik u in waarheid:
- Meer gruwlen had de snoode daemon Grendel,
- Meer hoon uw heerscher [114] niet verwekt in Heorot,
-605 Indien uw denkkracht was geweest, uw inborst,
- Zoo oorlogszuchtig als gij uitbazuindet.
- Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,
- Den onbesuisden lansstorm uwer lieden
- Niet zeer te duchten heeft, der Zege-Schyldings [115].
-610 Hij neemt zijn noodpand [116] mede, niemand spaart hij
- Der Denenliên en woedt naar hartelusten;
- Hij doodt en zwelgt en ducht geen wraak der Denen.
- Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en koenheid
- In 't strijden staan. Dan keere wie het kunne
-615 Weer moedig tot de meê, als 't morgengloren [117]
- Des nieuwen dags op 't menschdom nederblikkert,
- De glansomgorde zon van uit het zuiden!»
- Nu was der schatten schenker vol van vreugde
- Hij, grijsgelokt en kampvermaard. De koning
-620 Der Helden-Denen had het hoogst vertrouwen
- In hunne hulp. Hij hoorde toch aan Beowulf
- De volkenherder 't vastbesloten streven.
- Nu schaterde de schaar, de tonen schalden,
- De woorden waren lief. Dan Wealchtheow naakte
-625 Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig.
- Zij groette, goudgekleed, de hallegasten;
- Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer
- De hooggeboren vrouwe toe den beker.
- Zij bad hem blij te wezen bij den bierdronk,
-630 En voor de lieden lief. Met lust aanvaardde
- De zegerijke vorst en maal en zaalkroes [118].
- Nu ging in 't rond de koningin der Helmings [119],
- Gaf ieder, hoog en nedrig [120], keurkleinooden,
- Totdat de beurt zich bood [121], dat zij den beker
-635 De ringomstraalde vrouw, de hooggestemde,
- Aan Beowulf gaf. Den vorst der Gooten groette
- Zij dan en dankte God met wijze woorden,
- Dat nu haar wensch bewaarheid was geworden:
- Der rampen redding van een held te hopen.
-640 Den beker kreeg de kampvermeetle krijger
- Van Wealchtheow, rijmde dan, gereed ten strijde,
- En sprak de woorden, hij de spruit van Ecgtheow:
- «Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,
- De kiel beklom met mijnen drom van dappren.
-645 Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,
- Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.
- Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,
- Of in de hal mijn laatsten dag beleven.»
- Der edelvrouw gevielen wel die woorden,
-650 Die taal, zoo tartend, van den vorst der Gooten.
- De goudgehulde, hooge volksvorstinne
- Ging naast haar echtgenoot [122] zich nedervlijen.
- Nu werd alweder in de hal geheven
- Zoo menig moedig woord. 't Gevolg was vroolijk.
-655 Het was geschetter van de zegescharen,
- Totdat opeens de hooge zoon van Healfdeen
- Voornemens was, de nachtrust op te zoeken.
- Hij wist, dat strijd bestoken was aan 't monster
- Ter hooge zaal, nadat zij 't licht der zonne
-660 Niet meer bemerken konden, nu het nachtfloers
- En schaduwschepsels kwamen aangeschreden,
- De duistere, vanonder 't wolkendeksel.
- Nu rees de riddergroep. Met spreuken groette
- Een held den andren, Hrodgar Beowulf, wenschte
-665 Hem zege toe, 't bezit der zaal [123], en uitte
- De woorden: «Sinds ik hand en schild kan heffen,
- Vertrouwde ik vroeger toe der Denen troonzaal
- Aan geen der helden, buiten u voor heden.
- Aanvaard en handhaaf 't heerlijkst aller huizen,
-670 Gedenk uw roemdaân, spreid uw reuzenkrachten
- Ten toon en waak nu tegen dezen woestaard.
- Niet zal u mangel zijn aan 't wenschenswaarde,
- Zoo gij bestaat de lofdaad met het leven [124].»
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
- Nu stapte met den stoet van helden Hrodgar,
-675 De schuts der Schyldings, uit den bouw naar buiten.
- De strijdbestuurder wilde Wealchtheow zoeken,
- De ga, tot nachtgenoot. De Heer der heerschers,
- Gelijk de lieden hoorden, had aan Grendel
- Gesteld een stedehoeder: Hij vervulde
-680 Zijn dienst in dezen om den Denenkoning
- En hij beriep den reus een wachter [125] [126]. Waarlijk
- Hij bouwde vast, de voerder van de Gooten,
- Op koene kracht en op de gunst der Godheid.
- Hij deed alsdan zich af het stalen strijdhemd,
-685 Den helm van 't hoofd; hij gaf den gulden degen,
- Der klingen keur, een zijner dienstgezellen
- En zei hem, op het wapentuig te waken.
- De dappre hield alsdan een trotsche toespraak,
- Der Gooten Beowulf, eer hij zeeg te bedde:
-690 [127]«Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder
- Voor 't wapenwerk dan Grendel waant te wezen.
- Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,
- Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.
- Hij kent de kampgewoonte niet van weder
-695 Te schenken eenen slag, het schild te beuken [128],
- Al is hij wijdberucht door wapenfeiten.
- Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,
- Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen.
- De wijze Godheid zal daarop de zege
-700 Verbinden aan de hand van een van beiden,
- De heilge Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt.»
- De kampvermeetle neigde zich dan neder,
- De peul ontving het voorhoofd van den ridder.
- Wel menig moedig zeeheld liet op 't leger
-705 Zich naast hem neder. Niemand hunner hoopte,
- Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten
- Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen.
- Zij wisten toch, dat vroeger in de wijnzaal
- Een nare doodstrijd al te veel genooten
-710 Der Denen had gehaald. Nu schonk de Schepper
- Het weefsel van het wapenheil [129] den Weders
- En stut en steun; zoodat zij door de spierkracht
- Des eenen op den vijand zegevierden,
- Door zijne zelfde kracht. 't Is waar verkondigd [130],
-715 Dat steeds een machtig God bestuurt het menschdom.
- Nu schreed de nachtgeest nader door het duister.
- De schutters, die de hoornzaal moesten hoeden,
- Zij sliepen allen, uitgenomen eenen;
- (Den menschen werd bekend dat hen de wurger
-720 Niet zenden zou ten schimmen, daar de Schepper
- Het geenszins wilde) want tot grim des gruwbren
- Verbeidde Beowulf, in de ziel verbolgen,
- Terwijl hij wakker was, het pleit der worsteling {16}.
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
- Van 't moer begaf uit mistomgeven klippen
-725 Zich Grendel thans. Hij droeg den toorn der Godheid.
- De dooder meende van het volk der mannen
- Er veel te omstrikken in de steile halle.
- Daar sloop hij henen onder 't wolkenhulsel,
- Tot waar hij zeker wist, dat stond de wijnzaal,
-730 Der Gooten goudwoon [131] blinkend van het bladgoud.
- Het was niet de eerste wijl, dat hij de woonstee
- Van Hrodgar had bezocht. Doch nooit of nimmer
- Ontmoette die in zijne levensdagen
- Een weerbrer held en wachters van de woning.
-735 Nu was het wezen, vreemd aan alle vreugde,
- Tot bij den bouw gegaan en open gierde
- Aanstonds de deur, gestut door ijzren staven,
- Zoodra hij haar beroerde met de handen.
- De wrevelzieke, woedend was hij, wrikte
-740 Der halle monding [132] los en haastig stapte
- De vijand langs den bontgeverfden bodem
- En ging al grijnzend voort. Gelijk aan vlammen
- Schoot onheilspellend uit zijn oog een schemer.
- Daar zag hij menig man in slaap gezonken,
-745 Te zamen in de zaal de zwaardgenooten,
- Den heldenhoop. Toen lachte daar zijn harte.
- Hij dacht te scheiden, eer het daglicht daagde,
- De dolle dooder, ieders lijf van 't leven,
- Nu hem de hoop verscheen op rijklijk schrokken.
-750 Nochtans gehengde hem het lot niet langer,
- Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen [133].
- Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac,
- Op welke wijze deze wanbedrijver
- Voortwoeden wou bij de onverwachte grepen.
-755 Niet dat het monster dacht te dralen. Eensklaps
- Ontrukt hij de eerste reis een slapend ridder,
- Verscheurt hem schielijk, breekt de beengeleding,
- Slurpt beken bloed en halst met rustloos rijten. [134]
- Zoo had hij zonder dralen doorgezwolgen
-760 Den levenlooze heel met hand en voeten [135].
- Hij rukte naderbij en greep op 't rustbed
- Met handen naar den hooggestemden strijdheld [136].
- De vijand voer hem tegen met de vuisten,
- Ontving hem snel, den valschgezinde, en stutte [137]
-765 Zich op den arm. De moordbeschutter merkte
- Fluks, dat hij nooit ontmoette op 't ondermaansche,
- Op 's aardrijks schoot, bij eenig ander sterveling
- Een vaster vuistgreep. 't Werd hem bang in 't binnenst,
- In 't hart. Niet kon hij des te sneller henen.
-770 Zijn inzicht was ter vlucht, hij wilde wijken
- Naar zijne krocht, der duivels drijven [138] zoeken.
- Niet boden zich alhier de bezigheden,
- Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. [139] [140]
- De wakkre neef van Hygelac geheugde
-775 Zich toen de toespraak van den eigen avond.
- Hij rees dan recht in zijne gansche grootte,
- Omving hem vast. De vingers borsten open.
- Naar buiten wou de reus; hij rukte verder;
- Hij dacht, de moordberuchte, mocht het lukken,
-780 Zich weg te maken, wijder voort te vlieden
- Naar 't moordhol; maar hij wist: in 's vijands vuisten
- Bevond zich heel 't beheer van zijne vingers. [141]
- Die tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot
- De weebewerker. Heel de halle dreunde.
-785 Den Denen al gewerd, den burgbewoners [142],
- Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting [143].
- Zij waren wild de beide reuzenwachters.
- De woning schudde. 't Was een groote wonder,
- Dat wederstond de bouw den strijdverwoeden,
-790 En niet ter neder zonk de zalige aardwoon.
- Doch stevig stond zij, kunstig vastgeklonken
- Met banden staal van binnen en van buiten.
- Wel menig meebank [144], (volgens mijn ervaren)
- Met goud omgeven, stortte van haar steunsel,
-795 Alwaar de woesten streden. Hierop hadden
- De raden eer der Schyldings niet gerekend,
- Dat ooit der mannen een door krachtvermogen
- De weidsche, met gewei getooide woning
- Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;
-800 Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen [145]
- In rook. Nu rees een nooit vernomen noodkreet,
- En gruwbre ontzetting greep te gaâr de Denen,
- Die van den wal het hulpgejammer hoorden,
- Het angstlied stemmen door Gods tegenstander,
-805 Den zegeloozen zang, het wee beweenen
- Door deze helleprooi. Hem hield te stevig
- Hij, die der mannen machtigst was ter wereld.
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
- De schuts der scharen wilde op geene wijze
- Den doodsbedreiger in het leven laten,
-810 Hem docht zijn levensdag aan niemand nuttig.
- Toen zwaaide 't erfzwaard menig makker Beowulfs;
- Zij wilden 't hoofd vrijwaren van den heerscher [146],
- Den wijdvermaarden meester, naar vermogen.
- Zij wisten niet, terwijl zij slagen sloegen,
-815 De strijdontstoken kampers, dezen dachten
- Te houwen halverwijs, de ziel te zoeken,
- Dat noch het beste staal, noch oorlogsbijlen
- Op 't wereldrond den woestaard wilden deren.
- Hij had bezworen al de zegezwaarden
-820 En elk geweer. Toch zou armzalig wezen
- Het einde zijns bestaans op deze stonde,
- In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. [147]
- Hij ondervond, die vaak met hartevreugde
- Zijn moed weleer aan 't kroost der menschen koelde,
-825 (Hij toornde tegen God) dat langer 't lichaam
- Niet wilde volgen, want de dappre dienstmaag
- Van Hygelac omknelde hem de handen.
- Zoolang de een leefde, was 't den andre leedvol.
- 't Verwaten wezen vond er leed des lichaams;
-830 Ten schouder werd de onheelbre wonde schouwbaar,
- De zenuw zwichtte, 't beengetimmert barstte;
- Aan Beowulf bleef de zege. Grendel zoude
- Van daar ten dood gewond ter veenklip vlieden
- En zoeken zijne weeldelooze woning [148].
-835 Hij wist te wel: zijn einde was genaderd,
- Des daarzijns dagental. Nu was den Denen
- Verwezenlijkt de wensch na 't wapenwoeden.
- Hij, die te voren landde van zoo verre,
- Had kloek en koengezind de zaal van Hrodgar
-840 Gereinigd, voor den overval beveiligd.
- Hij smaakte nu genot in 't nachtlijk waagstuk,
- In 't heldenfeit. Nu had de Gootenheerscher
- Zijn stoute taal gestand gedaan den Denen
- En ook gelenigd alle leed en kampzorg,
-845 Voorheen door hen beleefd, uit drang gedragen;
- Geen kleine kwaal. Dit was toch klaar een teeken,
- Toen voor de ruime deur de strijdgeduchte
- De hand geslingerd had met arm en schouder. {17}
- Daar lag te hoop de heele greep van Grendel.
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-850 En met den morgen schoolden om de schenkzaal
- Veel strijders samen, volgens mijn ervaren [149].
- Volksvoerders togen heen van heinde en verre
- Langs verre wegen om te zien het wonder,
- Des vijands voetspoor [150]. Niemand van de helden
-855 Scheen leedvol toe de slaking van zijn leven,
- Die gadesloeg den gang des roemberoofden,
- Hoe deze, doodvermoeid, van daar ontduikend,
- Gekortwiekt door den kamp, naar 't meer der nikkers
- Voortvluchtig, veeg, zijn stervenssporen strooide.
-860 Daar was met aderbloed het wellend water,
- De gruwbre dans der golven gansch gemengeld
- Met rookend bloed; daar zwalpte van het zwaardbloed
- Het moordgepurperd meer, nadat hij 't leven,
- Der vreugde vreemd, had afgelegd in 't veenoord,
-865 [151]De heidenziele, waar de hel hem opnam. {18}
- Van hier begaven zich de grijze helden
- En menig jonge man, na 't vroolijk mennen,
- Kloekmoedig van het meer terug op rossen,
- De krijgers op hun appelgrauwe kleppers.
-870 Verbreid werd Beowulfs faam. Vaak tuigden velen,
- Dat zuid- noch noordwaarts tusschen tweelingzeeën [152],
- Op 't wereldrond, beneên 't bereik der wolken,
- Een ander hooger was der schildverheffers
- En waardiger 't bewind. Voorwaar, niet laakten
-875 Zij hunnen heer en vriend, den milden Hrodgar;
- Daar 't was een duchtig vorst [153]. Bij wijlen lieten
- De helden hunne vale rossen rennen
- Ten wedstrijd, waar hun schoon de paden schenen
- En puik beproefd. Dan vond een held des vorsten,
-880 Een strijder stoutbespraakt, de spreuk indachtig,
- Wien heel een schat aloude sagen heugde [154],
- Naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden. {19}
- Dan weer begon de borst het waagstuk Beowulfs
- Kunstvaardig voor te dragen en gevoeglijk
-885 De welgekozen spreuken uit te spinnen,
- Met woorden wisselend. Elk liet nu weten [155], {20}
- Alwat hij van de wapenfeiten Sigmunds
- Had hooren konden, veel van 't onbekende,
- Den kamp des Walsings [156], zijne wijde vaarten,
-890 Zijn veete met zijn vijandschap, van welke
- De menschenkindren gansch onkundig waren,
- Behalve Fitela [157] alleen, zijn helper;
- Indien hij zulks gewillig was te zeggen,
- Als oom aan neef, naardien zij toch voortdurend
-895 Bij elke veete wapenmagen waren.
- Zij hadden velen van het rot der reuzen [158]
- Verpletterd met den degen. Na zijn doodsdag
- Verrees een niet geringe roem voor Sigmund,
- Toen hij, de weerbre bij het slaggeworstel,
-900 Den vuurdraak [159] had geveld, der schatten hoeder.
- Van onder eene grijze rots verrichtte
- De koningsspruit alleen de stoute lofdaad.
- Niet was er Fitela. Nochtans het lukte
- Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,
-905 Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand.
- Geweldig was het sneven van den vuurdraak.
- Krachtdadig had de wapenheld verkregen,
- Naar eigen wil den ringschat aan te wenden.
- Hij laadde een zeeboot. Walses zoon vervoerde
-910 Klinkklare schatten op den schoot des vaartuigs,
- Terwijl de reuzenworm, de heete, wegsmolt.
- Ja, deze was wel verreweg bij 't menschdom
- De meest vermaarde held, de schuts der mannen
- Door wapendaân, (hij wies daarom in luister)
-915 Sinds Heremodes kampzin was verminderd,
- Zijn macht en heldendeugd. {21} In 's vijands handen
- Bij 't reuzendom [160] werd Sigmund sinds verraden [161],
- Verdreven dra. Hem had de drang der zorgen
- Te lang verlamd: hij werd voor zijne lieden,
-920 Zijn eedle kampers al tot levenskommer [162]. {22}
- Zoo ook betreurde vaak in vroeger tijden
- Wel menig schrander man 't vertrek des koenen [163],
- Die hulp der kwalen had verwacht bij Heermod,
- Dat deze vorstentelg in eer zou vordren,
-925 Ontvangen 's vaders adel, 't volk besturen,
- Den schat en heerschersburg, het rijk der helden,
- Der Schyldings stamgebied. [164]--De bloedvriend Hyglacs [165]
- Verstrekte heel den heldenstam, den vrienden,
- Tot vreugde; boosheid viel te beurt aan gene [166].
-930 Wedrennend maten zij temet op rossen
- De bonte baan. Gevorderd, voortgeschreden
- Was 't morgenlicht [167]. Wel menig leenman richtte
- Zich toen kloekhartig naar de hooge halle,
- Het wonderfeit [168] te zien. De koning zelve
-935 Verliet nu insgelijks 't vertrek der gade,
- De hoeder van den schat, de luistervaste,
- Bekend door kundigheên, met grooten heirstoet;
- En langs den medeweg [169] begaf zich mede
- Zijn echtgenoote met den sleep van maagden.
-
-
-
-
-
-XV
-
-
-940 En Hrodgar zei: (hij was ter hal gewandeld,
- Stond op de stoep [170] en staarde naar de steile
- Goudhelle deur en naar de hand van Grendel) {23}
- «Nu dra gedankt den schepper voor dit schouwspel,
- 'k Beleefde talloos leed en hinderlagen
-945 Door Grendel. God, der heerlijkheden hoeder,
- Bewerken kan Hij wonder boven wonder. [171]
- Nog onlangs was 't, dat ik van geen der weeën
- Nog hulp verhoopte voor het later leven,
- Toen bloedigbont daar stond en zwaardbezoedeld
-950 Het heerlijkst huis. De ramp had alle raden
- Verdreven wijd en zijd, die waanden geenszins
- Der lieden burcht in later tijd te schutten
- Voor vijandschap, voor schaduwgeest en schimmen.
- Nu heeft een held volvoerd door 's hemels voeging
-955 Een waagstuk, welk voorheen niet een der onzen
- Bewerkte door beleid. Voorwaar, de vrouwe,
- Wie zij ook zij [172], die dezen zoon eens baarde
- Te midden van het menschdom, mag wel zeggen,
- Mits deze leeft, dat bij des kinds geboorte
-960 Haar gunstig is geweest de aloude Godheid.
- Nu wil ik u, mijn Beowulf, waardste ridder,
- Gelijk een zoon in mijne ziel beminnen.
- Bewaar toch wel voortaan uw tweede maagschap;
- Niet zal u mangel zijn aan een der schatten
-965 Ter wereld, over welke ik kan bevelen.
- Ik deelde dikwerf loon voor minder daden,
- Sieraden rond aan een geringer kamper,
- Een trager tot den krijg. Gij hebt verkregen
- Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
-970 Altoos voor later tijd. Met goed begeve
- U de Albeheerscher, als hij deed tot heden.»
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «Dit heldenwerk volbrachten wij, die worstling
- Volgaarne en tartten boud de kracht des boozen;
-975 Ik wenschte zeer, gij hadt gezien den vijand
- In zijnen tooi [173], tot stervens toe ontzenuwd.
- Ik dacht hem dra met vaste vuist te boeien
- Op 't bed des doods, zoodat hij door mijn handgreep
- Doodmoede zwichten moest, tenzij zijn lichaam
-980 Ontkwam. Ik kon hem, daar het God niet gunde,
- Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
- Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand;
- Te snel was de onverlaat in 't henenloopen.
- Toch liet hij hier de hand tot levensredding
-985 Getuigen zijnen tocht, en arm en schouder.
- Geen troost nochtans erlangde 't ellendig wezen.
- Niet langer leeft hij meer de leedbesteller,
- Door schuld benard; hem heeft met norsche grepen
- Eng pijn omklemd in doodelijke kluisters.
-990 Ontbeiden zal de man, belaân met misdaân,
- De groote dagvaart [174] daar, op welke wijze
- De stralende Albestuurder hem zal straffen.»
- Dan zwijgzaam was de zoon van Ecglaf, Unferd,
- Met woordenpraal op eigen wapenfeiten,
-995 Nadat de ridders, dank de kracht des vorsten,
- Daar voor de hooge deur de hand bestaarden,
- Des vijands vingers, ieder voor zich zelven.
- Met staal was ieder van de sterke nagels
- Te vergelijken {24}, de handspoor van den heiden,
-1000 De ontzetbre klauwen van den kampgezinde.
- Elk zeide: geen zoo goedbewezen wapen
- Der dappren kon hem deren, noch den daemon
- De roodbebloede worstelrechte schenden.
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
- Bevolen werd, inwendig Heort met handen
-1005 Te smukken onverwijld. Er was een menigt
- Van mannen daar en maagden, die de wijnzaal
- Versierden, 't gastverblijf. Goudblikkrend blonken
- De weefsels [175] langs den wand, een wonder schouwspel
- Voor alle strijders, welke zulks bestaren.
-1010 Het weidsch gebouw, geheel met ijzren bouten
- Bevestigd, was van binnen zeer gebarsten.
- De harren waren stuk. Slechts hield van 't heele
- Nog ongedeerd het dak, nadat de booswicht,
- Ter dood verwezen door zijn wanbedrijven,
-1015 De vlucht gezocht had zonder hoop op leven.
- Dit [176] valt niet licht te ontvluchten, (laat het iemand
- Verrichten, wie het wil) hij zal bereiken
- Door nood genoopt de vastgestelde stede
- Voor al 't bezielde, voor de menschenzonen,
-1020 De landbewoners, zelfs alwaar zijn lichaam [177],
- Geboeid op 't legerbed na feestgelagen,
- Is ingedommeld [178] {25}.--'t Was alsdan de dagstond [179],
- Dat naar de hal de zoon van Healfdeen heentoog.
- Voornemens was de vorst het maal te nutten.
-1025 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,
- Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer.
- Ter rustbank negen toen de roembezitters,
- (Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd
- Hun hart ophaalden, menig medebeker
-1030 Ontvingen hoffelijk) Hrodgar en Hrodulf [180],
- De sterkgezinden, in de steile woning.
- Met vrienden was vervuld de hal [181]; nog hadden
- De Denen geen beruchte daân berokkend.
- Healfdeens geboorne gaf alsdan aan Beowulf
-1035 Een gulden legervaan tot loon der zege,
- Een standaard, goudgestikt, met eene handvat,
- En helm en harnas. Menigeen bemerkte,
- Hoe vóór den vorst [182] een prachtvermaarde pronkzwaard
- Werd aangebracht. En Beowulf greep den beker
-1040 Ter halle vast. Hij had zich voor de schutters
- Der schatgift niet te schamen. Nooit vernam ik,
- Dat bij de bierbank menig man den andren
- Vier gaven guller schonk, voorzien met goudwerk.
- Rondom het helmdek had de hoofdbeschutting,
-1045 Met kronkeldraad omkruist, uitwendig knoppen,
- Opdat hem koen de blankgevijlde klingen,
- De kampgeharde, nimmer konden deren,
- Wanneer de schildheld naar den vijand optrok.
- Der ridders heul beval een achttal rossen [183],
-1050 Met goud gebreideld, voor de woon te brengen
- Tot in de zaal. Een dezer dekte een zadel
- Van kunstig werk, versierd met kostkleinooden.
- Dit was het kampzaal van den hoogen koning,
- Als Healfdeens zoon het zwaardspel wilde zoeken.
-1055 Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,
- Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden.
- Beschikking schonk daarop der Denen [184] schutsheer
- Aan Beowulf over beide, ros en rusting,
- En bracht hem toe den wensch, ze wel te bruiken.
-1060 Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen
- Het kampgeraas de wijdberoemde koning,
- De schatheer van den stam; gelijk geen sterveling,
- Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen.
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
- De heer der helden gaf aan elk dergenen,
-1065 Die stevenden met Beowulf langs den stroomweg,
- Ter meebank kostbaarheden met een erfzwaard.
- Hij zei, men zou met goud den man [185] vergelden,
- Dien Grendel eer zoo gruwzaam had verslonden;
- Gelijk hij had bestemd aan velen hunner,
-1070 Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid
- Met Wyrd [186] en moed des mans. De Heer behoedde
- Het heele menschdom, als hij doet tot heden.
- Daarom zal overal die overtuiging
- Het beste zijn, dit overleg van 't binnenst.
-1075 Die lang hier 't leven smaakt zal veel bevinden,
- Veel lief en leed in deze worsteldagen. [187] [188]
- Nu werd er veel gezang en spel te zamen
- Vereenigd over Hnäf [189], den heervoogd Healfdeens; {26}
- Nu werd de harp gegroet, het hout der vreugde,
-1080 De spreuk ontsponnen. 't Was nu halleweelde. {27}
- Langsheen de medezetels zou de zanger
- Van Hrodgar [190] zingen over Finnes zonen [191],
- Ten tijde toen hen overrompling [192] aangreep:
- «Der Schyldings Hnäf, Half-Denen [193] held, moest sneven
-1085 Op 't Friezenveld [194]. Voorwaar, niet hoefde Hildburg [195]
- Te loven Eotentrouw [196], der lieve loten
- En broeders [197] schuldeloos beroofd bij 't schildspel;
- Zij stortten, speerdoornageld, in hun noodlot.
- Het was een droeve vrouw! Met recht beweende
-1090 Zij, Hokes dochter, toen de morgen daagde [198],
- Des Hemels schikking, nu zij kon beschouwen
- Bij 't helder hemellicht den moord der magen,
- In wie zij vroeger vond de hoogste weelde.
- 't Gevecht, op weinig na, had weggenomen
-1095 De helden Fins, zoodat hij op de dingplaats [199]
- Niets hoegenaamd op Hengest [200] kon bevechten,
- Noch met geweld de armzaalge rest der zijnen
- Beschutten voor den veldheer van den koning [201] {28}.
- Zij [202] boden dus verdragen aan. Den Denen
-1100 Ontruimden zij geheel een tweede halle,
- Een zaal en zetelwoon; zoodat de Denen
- Het half gezag bezitten zouden tegen
- Der Eoten kroost, en Fin, de zoon van Folcwald,
- Bij 't geldbedeelen elken dag de Denen
-1105 Beschonk en Hengest' schaar onthaalde op ringen
- Zoo gul, op kostbaar goed van goud, als wilde [203]
- Hij 't Friezenvolk aanvuren in de drinkzaal.
- Zij sloten beiderzijds het vaste bondschap,
- En hecht, onwrikbaar zwoer het Fin aan Hengest,
-1110 Dat hij de resten van de ramp [204] in eere
- Zou houden volgens 't oordeel van de raden [205];
- Dat hunner [206] niemand noch door woord noch werken
- Het bond ooit breken zou, door arglist letten,
- Ofschoon zij vorstenloos den dooder volgden
-1115 Huns ringuitdeelers, daar de nood hen noopte. [207]
- Indien der Friezen een de vroegre veete
- Gedenken mocht door overmoedig spreken,
- Dan zou de snede van het zwaard het straffen.
- Dan afgelegd was de eed, ontleend der schatkist
-1120 Het glanzend goud [208]. De koenste wapenkrijger [209]
- Der Leger-Schyldings lag gereed ter vuurmijt.
- Op dezen stapel was zeer wel te ontwaren
- Het bloedbesmeurde harnas met een helmzwijn,
- Geheel van goud, een ever hard als ijzer, [210]
-1125 En menig eedle weggerukt door wonden.
- Er waren velen in den kamp gevallen!
- Dan Hildeburg beval op 's broeders brandmijt [211]
- Te leveren aan de laai haar eigen zonen, {29}
- Te branden 't beenderstel, op 't vuur te brengen.
-1130 De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder [212]
- In klaaggezang. De held werd recht geheven.
- De breede lijkbrand wond zich tot de wolken,
- Opbruisend voor den heuvel [213]. Hunne hoofden
- Zij slonken weg; de mond der wonden barstte,
-1135 Het bloed ontsprong de letsels van het lichaam;
- De vlam verzwolg hen gansch, der geesten vratigst
- Hen allen, die de strijd uit beide stammen [214]
- Had weggesleept. Zoo was hun vaag gevloden.
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
- De strijdschaar ging, verstoken van de vrienden,
-1140 De woon bezoeken, Friesland weer begroeten,
- De huizen met den heerschersburcht [215] {30}. Dan Hengest
- Verwijlde noch dien bloeddoorweekten winter
- In alles een [216] bij Finn, het heim geheugend.
- Toch was hij niet in staat in zee te sturen
-1145 Den staalomwonden steven, 't Water bruiste
- Door stormen op, het worstelde met winden.
- De winter sloot het water in de ijsboei,
- Totdat een ander jaar alweder daagde
- In hunne woon, het heerlijk heldre weder,
-1150 Dat immer volgt, als nu, zijn vaste beurten. {31}
- Zoo was het wintertij alweer verstreken;
- Der aarde schoot was schoon. De strijder streefde,
- De gast, te ontwijken deze woon, doch haakte
- Naar moordvergelding meer dan naar de zeereis,
-1155 Of hij verkrijgen kon een toornig treffen,
- Om daar het Friezenzaad te zijn gedachtig. [217]
- Dus weigerde hij niet de wapenlieden, {32}
- Als Hun de kampvlam Lafing nederlegde
- Op zijnen schoot, 't onschatbaarst aller wapens;
-1160 Want bij de Friezen was bekend het krijgstuig. [218] {33}
- Als Hnäf, zoo greep nu Fin, den fiergezinden,
- De wilde wapendood in zijne woning,
- Nadat Gudlaf en Oslaf [219], na de golfvaart [220],
- Den ruwen storm op Hnäf eerst rouwvol hadden
-1165 Verkond, verweten hunne harde weeën.
- Hun rusteloos gemoed was niet bij machte
- Zich in te houden [221] {34}. Bloedig was de halle
- Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,
- Verslagen in het midden zijner manschap,
-1170 En heengevoerd de koninginne Hildburg {35}.
- De Deensche schutters droegen naar de schepen
- Geheel de have van den landbeheerscher,
- Alwat ze in Finnes woning konden vinden
- Aan smuk, aan smaakvol ingezet gesmijde.
-1175 Zij leidden de edelvrouwe [222] langs den zeeweg
- Tot bij de Denen, naar de stamgenooten.»
- Gezongen was het lied, de zang des dichters.
- Weer rees geruisch, het bankgeschater schalde,
- De schenkers schonken wijn uit wonder vaatwerk.
-1180 Nu kwam gegaan met gouden hoofdwrong Wealchtheow,
- Waar oom en broederzoon [223], de dappren, zaten.
- De bloedverwantschap was nog eenig [224], beiden
- Elkander hou en trouw. Ook zat er Hunferd,
- De spreker, aan den voet des Schyldingvorsten.
-1185 Zij waren zeker van zijn zin, dat deze
- Veel moed bezat, ofschoon hij niet rechtschapen
- Met zijne broeders was geweest in 't wapen. [225]
- En Wealchtheow nam het woord, vorstin der Schyldings:
- «Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
-1190 O, Goudbegever. Wees nu wel te moede
- O, Schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
- Met milden mond. Zoo moet een krijgsman handelen.
- Wees voor uw Gooten goed, de gift gedachtig.
- Ja, heinde en verre hebt gij nu den vrede.
-1195 Men zegde mij, dat gij tot zoon verlangdet
- Den held [226] te hebben. Thans is Heort gereinigd,
- De weidsche ringzaal. Spil nu veel juweelen,
- Zoolang gij zulks vermoogt; doch laat uw zonen [227]
- Het land met luiden na, wanneer gij henen
-1200 Zult zijn gegaan, des Scheppers glans te schouwen. [228]
- Ik ken mijn heuschen Hrodulf, die de knapen
- Waardeeren zal, indien gij, scherm der Schyldings,
- Het leven eer dan hij verlaat. [229] Ik hope,
- Dat hij met goed vergelden zal ons zonen,
-1205 Indien hij 't al gedenkt, de vroeger diensten,
- Die wij hem, zijnde nog een wicht, bewezen
- Naar wensch en eere.» Thans begaf zich Wealchtheow
- Ter zitplaats heen, waar zaten hare zonen,
- Hredric en Hrodmund, met de heldentelgen,
-1210 De strijdjeugd saam. Daar [230] zetelde ook de stoute,
- Der Gooten Beowulf, bij de twee gebroeders.
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-
- Een beker werd hem nu gereikt, met woorden
- Hem toegebracht de heusche bee te drinken,
- Ringvormig goud werd huldevol geboden,
-1215 Armtooisels twee en ring en rusting, 't grootste
- Der halssieraân, waarvan ik hoorde op aarde.
- Nooit hoorde ik van een held zoo heilvol onder
- Het hemellicht door schatten, sedert Hama [231]
- Naar zijnen hoogen burg den Brosinghalsband [232]
-1220 (Den kostbren schat) met dezes schrijn ontvoerde. [233]
- Hij nam de vlucht voor Ermenrics vervolging [234]
- En koos zich 't eeuwig heil [235].--Der Gooten Hyglac
- Was in 't bezit des rings [236] de laatste reize.
- De kleinzoon Swertings [237], toen, den schat beschuttend,
-1225 Hij voor den slagbuit [238] streed bij zijnen standerd.
- Toen rukte Wyrd hem weg [239], terwijl hij moedig
- Het wee doorstond, de worstling met de Friezen.
- Den smuk, de kostbre steenen, had de koning
- Toen meegebracht langsheen der baren beker.
-1230 Daar viel hij onder 't schild. Het lijk des vorsten
- Geraakte in Frankenhand [240] met ring en borstkleed;
- Want na beslechting van den slag beroofden
- Er slechter kampvermeetlen [241] de verslagenen;
- De Gootenlieden bleven op de lijkstee.--
-1235 Zij nam het halskleinood {36} en Wealchtheow zeide
- En voor de volkschaar sprak zij: «Beste Beowulf
- Gebruik met heil, o jonge held, dien halsring;
- Aanvaard dit harnas, deze kostbaarheden.
- Gedij ter dege. Word bekend door krachten
-1240 En wees mijn zoon ook [242] welgezind door lessen.
- Ik wil daarom uw loon gedachtig wezen.
- Gij hebt bewerkt, dat heinde en ver de helden
- U steeds, zoover haar windomwaaide stranden
- De zee bespoelen zal, u zullen achten.
-1245 o, Wees, zoolang gij leeft, een rijke ridder.
- Ik gun u dezen goudschat. Wees door daden
- Mijn zonen vriendelijk, gij vreugderijke.
- Elk krijger hier is heel verknocht den andren
- En mild van zin, den mannenheer gehoorzaam.
-1250 Wilvaardig zijn de helden, 't volk is volgzaam.
- Ik bid u, blijft zoo handlen [243], drankverheugden {37}.»
- Vervolgens richtte zij zich naar den zetel.
- Het maal was keurig. Wijn de mannen dronken.
- Zij wisten van geen Wyrd, geen nare noodlot,
-1255 Gelijk het moest vergaan met menig edele [244],
- Nadat verschenen was de schemeravond,
- En Hrodgar heenging naar zijn hof, de hooge,
- Naar zijne rust. Een reuzig tal van ridders [245]
- Behoedde weer, als vroeger [246] vaak, de halle.
-1260 Den bankvloer ruimden ze op [247]. Hij werd in 't ronde
- Geheel bedekt met bedden en met bolsters.
- Reeds vlijde zich een schenker [248] op het vloerbed,
- Den dood vervallen, veeg {38}. Het strijdschild stelden
- Zij aan het hoofd, het schitterende schildhout.
-1265 Daar op de bank was boven de edellieden {39}
- De hooge helm te zien, 't gevlochten harnas,
- 't Geweldig krachthout. 't Waren hun gewoonten
- Van steeds ten strijde kant en klaar te wezen,
- In 't heir en thuis en tevens op elk tijdstip,
-1270 Wanneer de nooddwang voor den volksbeheerscher
- Zich op mocht werpen. [249] 't Was een wakkre schare.
-
-
-
-
-
-XX.
-
-
- Nu zegen zij ten slaap. Met wee bezuurde
- Er één [250] zijn avondrust; als 't menig reize
- Vergaan was, sedert Grendel hunne goudwoon
-1275 Bezette, wrevel zocht, totdat het einde
- Was opgedaagd, de dood na de euveldaden.
- Dit werd bemerkbaar, wijdbekend voor 't menschdom,
- Dat nog een wreker [251] leefde na den vijand,
- Nog langen tijd na 't kommervolle kampen. [252] {40}
-1280 Nu was 't daemonisch wijf, de moeder Grendels,
- Gedachtig zijnen dood, zij, welke de ijzing
- Der kolk [253], den kouden waterschoot bewoonde;
- Sinds Kaïn werd den broeder door het wapen
- Tot moordenaar, den zoon eens zelfden vaders.
-1285 Toen vlood hij vredeloos, door bloed gebrandmerkt,
- De wereldweelde en trok in wildernissen.
- Hier werden uit verwekt de ongure geesten.
- Van hen was Grendel één, de hatelijke,
- De zwaardgedoemde, die den man ontmoette,
-1290 Den wrekenden, in Heort, de worstling wachtend,
- Waar 't monster met hem handgemeen zou worden.
- Doch die [254] gedacht de veerkracht van zijn spieren,
- De reuzengift, die God hem had gegeven.
- Hij bouwde voor zich zelven op den bijstand
-1295 Des Albestuurders, op zijn steun en sterking.
- Hij kwam daardoor te boven dezen booze,
- Versloeg het helgedrocht. Toen droop het smaadvol,
- Van heil verstoken henen, hij, de vijand
- Des stervelings, de doodenstee te zoeken.-- [255]
-1300 Nu zocht daarbij vraatzuchtig, duisterzinnig
- Zijn moeder 't jammervolle pad [256] te volgen,
- Te wreken haren zoon. Zij kwam naar Heorot,
- Waar langs de woon [257] de Wapen-Denen sliepen.
- Den ridders overkwam nu ras een omkeer [258],
-1305 Zoodra naar binnen drong de moeder Grendels.
- Nochtans de vrees was minder groot dan vroeger,
- Zooveel als kracht en kampgrim van de vrouwen
- Tot strijders staat, als 't goudomgeven slagzwaard [259],
- De hardgeklonken kling, de bloedgekleurde,
-1310 Scherpvlijmig scheert den ever van de helmen.
- Het taaie zwaard werd in de hal getogen,
- De degen over hunne banken henen [260],
- Geheven menig schild met forsche handen
- Niet dacht aan helm, niet aan het groote harnas,
-1315 Wien overviel de vrees. [261] De vijand ijlde,
- Hij wilde weg van hier, het lijf behoeden,
- Nu dat hij was ontdekt. Toch greep hij gretig
- Een ridder [262] vast bij 't vluchten naar de venen.
- Dit was des konings meest beminde kamper
-1320 Van zijn gevolgschap bij de beide zeeën,
- Een schrikbaar schildheld, dien hij doodde op 't leger,
- Een hooggevierde borst. Niet was er Beowulf;
- Want na de uitdeeling werd een andre woning
- Den Goot, den wijdvermaarden, aangewezen.
-1325 Geraas verrees in Heorot. Hij ontvoerde
- De roodbebloede hand, de wijdberuchte. [263]
- Het wee was weer vernieuwd in hunne woning.
- Niet deeglijk was de handel, dat de helden
- Betalen moesten met der makkers leven
-1330 De boozen beiderzijds [264]. De vorst [265], de vroede,
- De grijze wapenheld, was wild te moede,
- Toen levenloos hij wist den waardsten raadsman.
- In aller ijle werd uit zijne woning
- Gehaald de held, de zegeblijde, Beowulf.
-1335 Voor dag en dauw nog spoedde met zijn mannen
- De held zich heen, de koengestemde kamper,
- Alwaar de wijze Hrodgar zat te wachten,
- Of de Algebieder na die bange boodschap
- Hem ooit een wending wilde voorbewaren.
-1340 Hij stapte langs den vloer de wapenstoute
- Met zijnen drom, (het hout der halle dreunde)
- Den wijzen Denenheer met woorden welkom
- Te heeten, vroeg, of, naar zijn heusche wenschen [266],
- Voor hem ook heilvol was geweest de nachtrust.
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-
-1345 En Hrodgar sprak, de schermheer van de Schyldings:
- «Naar welstand vraag me niet. De nood is weder
- Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aschere,
- Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder,
- Mijn alvertrouwde en raadverstrekker tevens,
-1350 Mijn zijgenoot, wanneer wij 't hoofd behoedden
- In 't veld, wanneer te zamen stiet het voetvolk,
- Helmevers stormden {41}. Zoo toch zij een strijder,
- Een ridder lang beproefd, gelijk was Aschere.
- Hem werd tot wurger in de hallewoning
-1355 De duistre doodsgeest. 'k Weet niet, waar de gruwbre
- Al bogend op den buit teruggereisde,
- Door 't rooven van de prooi alleen verraden. [267]
- Hij heeft aldaar op ons verhaald de veete,
- Omdat gij gistren nacht zijn Grendel dooddet
-1360 Op woeste wijs met harden handgreep; immers
- Die dunde en doodde reeds te lang mijn lieden.
- Hij viel in 't krijt, vervallen van het leven.
- Nu daagde een ander machtig euveldader,
- Het was zijn doelwit zijnen zoon te wreken,
-1365 En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. [268] {42}
- Diensvolgens mag het menig dappre dunken,
- Die naar den heerscher [269] haakt in zijne ziele,
- Een harde hartkwetsuur. Nu rust de rechte [270],
- Die willig was voor ieder uwer wenschen.
-1370 Dit hoorde ik landbewoners, {43} mijne lieden,
- Mijn zaalbewakers zeggen: dat ze een tweetal
- Van zulke reuziggroote grensbesluipers
- Gehuisvest zagen midden in de moeren,
- Twee menschenschuwe schimmen. De eene dezer
-1375 Scheen, naar hun beste weten, volgens 't wezen
- Een vrouw te zijn, terwijl de tweede wanmensch
- In mansgedaante op ballingswegen [271] doolde.
- Slechts was hij machtiger dan een der mannen.
- Hem heette Grendel sinds den grijzen voortijd
-1380 Het aardevolk. Zij kennen niet zijn vader,
- Noch of hem ooit ontsproten duistre daemons.
- Zij nestelen in ongenaakbre streken, [272]
- In wolfskrocht, windombruiste voorgebergten,
- Verraderlijke paden door moerassen,
-1385 Alwaar de bergvloed uit de omwolkte klippen
- Terneder stort, het stroomend nat bij de aarde.
- Niet wijd van hier, op weinig mijlen afstands
- Daar ligt het meer, waar rijpbeladen bosschen
- Zich overbuigen, wouden vast door wortels.
-1390 Ze omhuiven 't nat. Daar zal men alle nachten
- Een vreeslijk wonder zien, een vuur in 't water.
- Niet leeft een zoo diepzinnig zoon der menschen,
- Die zijnen bodem kent. Al zoekt, door honden
- In 't nauw gebracht, het hert, de heideganger,
-1395 't Geweigeweldige, het woud, van verre
- Verjaagd, veel liever levert dit zijn leven
- Eerst over, zijnen adem aan de zoomen,
- Dan dat het in wil, om zijn hoofd te hoeden.
- 't Is geen aanminnig oord, vanwaar 't gemengel
-1400 Der golven, 't zwarte, tot het zwerk opsteigert,
- Wanneer de winden wentlen norsche vlagen,
- Tot donker wordt de lucht, de transen weenen. [273]
- Bij U alleen berust alweer de redding.
- Nog kent gij niet de plaats, de plek, de nare,
-1405 Alwaar gij 't snoode wezen moogt ontmoeten.
- O, zoek het, zoo ge durft, 'k Vergeld met gaven
- 't Gevecht en ouden smuk, als 'k deed te voren,
- Met gouden ringen, zoo gij gaaf terugkomt.»
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-1410 «Zorg niet, hoogwijze vorst! 't Is elk gewenschter
- Te wreken zijnen vriend, dan veel te rouwen.
- Een ieder onzer zal het eind ervaren
- Van 't leven hier omlaag. Dat hij behale,
- Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven!
-1415 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. [274]
- Rijkshoeder, rijs! Welaan, met rassche schreden
- Gegaan, beschouwd den gang van Grendels moeder!
- Dit zeg ik toe: Zij zal zich niet onttrekken
- In eene schuilplaats, noch den schoot der aarde,
-1420 Noch in het berggeboomt, noch op den bodem
- Der golven, ga ze dan alwaar ze wille.
- Gij oefen nog geduld voor dezen dagstond
- Met ieder leed, gelijk ik u dit toewensch.»
- Nu rees de grijze recht. Hij dankte Gode,
-1425 Den sterken Heer, voor 't geen de held daar zeide.
- Getoomd werd toen des konings ros, de klepper
- Met langgelokte manen. Statig stapte
- De wijze heerscher heen; de voetschaar volgde
- Der schildbeschutten. Verre was te schouwen
-1430 Langsheen de wegen van het woud het voetspoor
- Des vijands, zijne vlucht langsheen de vlakte,
- Alwaar hij wegsloop over 't donkre drasland
- En met zich bracht d'ontzielden man [275], den besten
- Van hen, die 't huis beheerden met den heerscher.
-1435 Nu toog der eedlen telg [276] langs steile steenklip,
- Langs enge steegjes, voor den stap eens enklen,
- Langs wegen nooit gekend, langs nauwe riffen
- En menig nikkerhuis. Aan 't hoofd der enklen,
- Der wijze lieden, ging hij [277] 't land doorvorschend,
-1440 Totdat hij eensklaps aantrof 't berggeboomte,
- Dat langs de grauwe rotsen overleunde,
- Het vreugdelooze woud. Daar lag beneden
- Het water bloedigrood en wildbewogen.
- Het viel den Denen al, den Schyldingsvrienden,
-1445 En menig held in 't hart wel zwaar te harden;
- Een rilling was 't voor ieder van de ridders,
- Toen ze Aschers hoofd ontmoetten op de meerklip.
- Van 't bloed, het heete hartbloed, woelde 't water.
- De helden zagen toe. Soms zong de horen
-1450 Een vaartree oorlogslied. De heele voetschaar
- Was neergezeten. Langs het water zagen
- Zij meer dan een van 't slag der monsterwormen,
- Ontzetbre zeegedrochten 't nat doorzoeken,
- Ook nikkers, in de rotskloof nederliggend,
-1455 Die tegen middagtijd gevreesde tochten
- Niet zelden ondernemen langs de zeilstraat [278],
- Gewormte en wild gebroed. Zij stoven woedend
- En opgetergd daarhenen, toen zij hoorden
- Het schel geschal, het klinken van den kamphoorn.
-1460 De Gootenvorst beroofde van het leven
- En 't zwemgedartel éénen door den pijlboog,
- Dat hem in 't harte drong de scherpe heerschicht;
- En loomer, naar gelang de dood hem wegnam,
- Werd deze bij het zwemmen door de zeeën.
-1465 Gezwind met eversprieten, scherp als zwaarden
- Geweerhaakt, werd hij fel benard in 't water,
- Om strijd bestookt en op het strand getrokken,
- De wondre golvenschudder. 't Volk beschouwde
- Den gruwbren gast. [279] Toen rustte in ridderkleeding
-1470 Zich Beowulf uit; niet beefde hij voor 't leven.
- Het handgevlochten, wonderglanzig harnas,
- Het breede, zou met hem de zee ervaren,
- 't Geen bergen kon zijn lichaam, dat de kampvuist
- Niet zijne borst, de sluwe greep des boozen
-1475 Zijn leven schaden mocht. Doch 't hoofd beschermde
- De helm, de heldre, die zich met de diepte
- Vereenen zou, het zeegewentel zoeken,
- Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven,
- Gelijk in 't lang voorheen hem had vervaardigd
-1480 De wapensmid, bewerkt op wondre wijze,
- Bezet met everzwijnen, zóó dat sedert
- Noch brand [280] noch degen hem vermocht te deren.
- Ook was de kling geen kleine steun der sterkte,
- Die tot behulp de spreker Hrodgars, Hunferd,
-1485 Hem had geleend. Het lemmer heette Hrunting.
- Dit eene stond vooraan bij de erfkleinooden;
- Van staal was 't zwaard en bruin van zwadderdroppen,
- Gehard in 't bloed. Geen held, dien 't ooit beschaamde
- In 't veld, die 't zwaaide met de vuist, angstwegen [281]
-1490 Betreden dorst, het volkrenveld des vijands.
- 't Verrichtte niet voor de eerste reize krachtdaân.
- Voorzeker niet gedacht de zoon van Ecglaf [282],
- De koene aan kracht, alwat hij eerst beweerde,
- Beneveld door den wijn, nu dat hij 't wapen
-1495 Wou leenen aan gelukkiger een zwaardheld.
- Niet dorst hij zelf op 't spel het leven zetten
- In 't golfgestorm, een stoute daad voldingen.
- Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte.
- Niet stond het desgelijks gesteld met d'andre [283],
-1500 Toen deze zich gewapend had ter worstling.
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «Geheug u nu, o hooge spruit van Healfdeen,
- o Vroede vorst, nu 'k tot den tocht ben reede,
- o Vriend der vromen [284], wat wij vroeger spraken:
-1505 Indien ik eens in uwen dienst het leven
- Verlaat, dat gij voor mij [285], den overledene,
- Voortaan vervullen zult de plaats van vader,
- o, Wees de wachter van de wapenlieden,
- Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt,
-1510 En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
- De mij geschonken schatten heen aan Hyglac.
- Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen,
- De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
- Dat ik een meer dan milden goudbegever
-1515 Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde.
- En gij, mijn Unferd, laat het oude lemmer,
- Het kostbre, zware zwaard, het harde, hebben
- Een wijdberoemden held. [286] 'k Verwerf met Hrunting
- Mij roem, of anders rukt de dood mij mede.»
-1520 Geweldig ijlde weg bij deze woorden
- Der Weder-Gooten [287] vorst; hij wachtte geenszins
- Het antwoord af. De vloed ontving den strijdheld.
- Wel eene stond' des dags verstreek [288] {44}, alvorens
- Hij 't bodemvlak bereiken kon der baren.
-1525 Nu werd terstond gewaar die honderd winters
- Strijdgierig had bewaakt den schoot der golven,
- De booze, vraatgeduchte, dat van boven
- Der menschen een naar 't oord der monsters vorschte. [289]
- Zij tastte toe en greep met gruwbre klauwen
-1530 Den wapenheld, doch wondde niet inwendig
- Het onverlette lijf. Dit borg van buiten
- Het ringkuras, dat [290] zij niet door kon rukken
- Den wapenrok, de welgevlochten halsberg,
- Met grimmige vuist. De zeewolvin ontvoerde
-1535 Der ringen heer, nu zij den boôm bereikte,
- Naar hare woning, dat hij over 't wapen
- (Hem schoot de moed te kort) niet kon beschikken {45}:
- Want zwemmend drongen om hem veel gedrochten
- En menig zeedier tornde met den kamptand
-1540 Aan 't wapennet; zij zetten na den vijand. [291]
- Nu vond de vorst, hij was in zekre woning
- Der diepte, waar hem geene golven deerden,
- Noch wegens 't dak de valsche greep des waters
- Hem kon omknellen. Hij ontwaarde een weerschijn
-1545 Van vuur, een hellen gloed, die helder glansde. [292]
- Nu zag de dappre de wolvin der diepte,
- Het schrikbaar waterwijf. Hij schonk het slagzwaard [293]
- Een reuzenzwaai. Niet trokken zich terugge
- De handen tot den houw, zoodat de degen
-1550 Op haren schedel zong een hongrig kamplied.
- Toen ondervond de vreemde [294], dat de strijdstraal [295]
- Niet wilde vatten, noch het leven letten;
- Het lemmer liet den vorst in nood verlegen.
- Het had weleer getrotst zoo menig treffen,
-1555 De helmen vaak gekloofd, des veegen kampkleed.
- Voor 't eerste viel het voor aan 't prachtig pronkstuk,
- Dat nederlag zijn roem. Doch vastberaden,
- Den kamp niet moede, maar zijn daân gedachtig,
- Bevond zich nu opnieuw de neef van Hyglac.
-1560 Hij wierp 't gebloemde zwaard [296], 't juweelomwonden,
- De gramme strijder, dat het sloeg ten gronde,
- 't Staalsnedig, stevig zwaard. Op zijne sterkte
- Berustte hij, de handgreep zijner rechte.--
- Zoo moet een man voortvaren, welke in 't wapen
-1565 Zich onvergangbren lof begeert te gaâren;
- Niet schort hem 't eigen leven.--Bij den schouder
- Omvatte toen (niet vreesde hij de veete)
- De meester van de Gooten Grendels moeder.
- De kampgeduchte schudde, daar hij toornde,
-1570 Den levensvijand, dat die viel ten gronde;
- Doch deze gaf hem onverwijld vergelding
- Met gruwelijken klauw en greep hem tegen.
- De moegezwoegde [297] stiet den kampbestuurder
- Omver, den voetheld, dat hij kwam te vallen {46}.
-1575 Nu zat zij over hem, den zaalindringer,
- En trok de breede zas met bronzen lemmer;
- Zij zocht haar zoon, haar eenig zaad, te wreken.
- Op zijnen schouder lag 't geschakeld lijfnet;
- Dit borg nu zijnen boezem, want het weerde
-1580 Den toegang tegen alle spits of snede.
- Nu zou hij onder d'opgespalkten zeegrond
- Gewis bezweken zijn, de zoon van Ecgtheow,
- De Gootenheld, zooniet het oorlogsharnas
- Hem had geholpen, 't harde maliekolder,
-1585 De heilge God niet had bestuurd de zege.
- De wijze Heer, de Hemelheerscher, sliste
- Het licht naar recht, nadat hij [298] was gerezen {47}. [299]
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-
- Alsdan ontwaarde hij bij andre wapens
- Een zeegrijk zwaard, een oud rapier der reuzen,
-1590 Geducht van snee, der strijders sier. Het beste
- Der wapens was het; enkel woog het zwaarder
- Dan dat een ander krijger [300] tot het kampspel
- Het goed en schoon gigantenwerk kon voeren.
- Hij [301] vatte toen 't gevest, der Schyldings strijdwolf,
-1595 Hij zwaaide 't zwaard vergramd en ijzergrimmig,
- Het ringgetooide, reeds aan 't leven twijflend.
- Hij hieuw in 't wilde, dat het hard ten halze
- Naar binnen drong en brak de beenderwervels,
- Het lemmer 't veege lijf geheel doorvlijmde.
-1600 Ten bodem bonsde zij. Het staal was bloedig,
- En over 't werk verheugd de wapenkrijger.
- Nu bliksemde de kling [302]; vanuit haar binnenst
- Ontschoot een schemer, evenzoo als schittrend
- Vanaf den trans de hemeltoortse blikkert.
-1605 Nu blikte hij de halle rond en richtte
- Daarna zich naar den wand. Hij hief het wapen
- De dappre bij de handgreep, Hyglacs dienstman,
- Verwoed en vastberaân. Niet was het wapen
- Van ondienst aan den slagheld, want hij wilde
-1610 Aan Grendel menig aangreep snel vergoeden,
- Door dezen aangedaan den Wester-Denen,
- Veel meer dan eene maal; toen hij van Hrodgar
- De haardgenooten sloeg in hunnen sluimer
- En vijftien in den slaap van 't volk der Denen
-1615 Verzwolg, een tweede vijftiental ontvoerde,
- Een gruwzaam offer. Doch hem gaf vergelding
- De onstuime held, tot waar hij afgestreden
- En zielloos Grendel liggen zag op 't leger,
- Gelijk voorheen de worsteling in Heorot
-1620 Hem toegetakeld had. Daarhenen rolde
- De romp, nu dat hij dulden moest na 't sneven
- Den strook, den zwaren slag van 't zwaard, en Beowulf
- Hem nederhieuw het hoofd. [303] De wijze helden
- Die, welke zagen naar de zee met Hrodgar,
-1625 Bemerkten nu aanstonds, dat heel de strooming
- Gemengeld bleek, met bloed geverfd de baren.
- De grauwgebaarde grijsaards onderhielden
- Zich al te gader over hem, den goede,
- Dat zij niet hoopten van den held, dat zeegrijk
-1630 Hij weer bezoeken zou den hoogen heerscher.
- 't Scheen menigeen, hem had gedood de meerwolf.
- Toen was het negende uur [304] des dags genaderd.
- Nu scheidden van de kaap de koene Schyldings,
- En huiswaarts ging van daar der helden schatvriend [305].
-1635 De vreemden [306] zaten droef van zin en tuurden
- Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden
- Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher.
- Nu ving het staal door 't bloed, door 't strijdgedruppel, [307]
- De slagbijl aan te slinken. 't Was een wonder,
-1640 Hoe 't gansch versmolt, als 't ijs, wanneer de Godheid
- De banden slaakt der vorst, de waterboeien
- Ontbindt, zij die gebiedt aan tijd en stonde.--
- De ware Schepper is 't.--Niet meerder schatten
- Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
-1645 Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen
- Met dat gevest van glimmend goud; [308] te voren
- Was 't zwaard verteerd, verbrand 't getogen lemmer:
- Zoo heet was 't bloed, de hellegeest zoo giftig,
- Die daar het lijf in liet. Gezwind ontzwom hij,
-1650 Die in 't gevecht den kampdood had ervaren
- Der boozen, dook naar boven door het water.
- Nu was geheel het golfgewoel gezuiverd,
- De wijde watervlakte, waar de daemon
- Zijn levensdagen achter had gelaten,
-1655 Het wuft bestaan. De steun der varenslieden
- Kwam kloekgestemd gezwommen naar de stranden.
- Nu praalde hij op zijne prooi der diepte,
- Het vrachtgevaarte, dat hij met zich voerde.
- Nu gingen hem te moet en dankten Gode
-1660 De stoute ridderstoet, vervuld van vreugde
- Om hunnen heer, nu zij hem heilvol zagen.
- Den opgewonden werden helm en harnas
- Nu dra ontnomen. Drabbig werd het water,
- De zeevloed onder 't zwerk en rood van 't bloedbad.
-1665 Zij ijlden voort van daar langsheen het voetpad
- Met lichten geest. Zij maten weer de landstraat,
- Den welbekenden weg. De koene mannen
- Vervoerden nu het hoofd van 't voorgebergte:
- Iets moeitevols voor elk der moedvervulden.
-1670 Al zwoegend moesten vier op hunne veldspeer
- Het hoofd van Grendel dragen naar de goudhal,
- Totdat zij ras het zaalgebouw bereikten
- De veertien [309] dappre kampgeduchte Gooten,
- En op het medeërf [310] begaf kloekmoedig
-1675 Zich in hun midden voort de mannenheerscher.
- Daar kwam hij ingegaan de krijgerkoning,
- De man, door daden koen, door moed verheerlijkt,
- De slaggeharde held, te groeten Hrodgar.
- Nu werd het hoofd van Grendel bij de haren
-1680 Ter woon gedragen, waar de mannen dronken,
- Den ridders vreeslijk [311] als der edelvrouwe.
- De mannen zagen naar het zeldzaam schouwspel.
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «Voorwaar, o Healfdeens zoon, o heer der Schyldings,
-1685 Wij brachten vroolijk tot een zegeteeken
- U dezen zeebuit, dien gij hier bezichtigt.
- 'k Volvoerde 't nauwlijks met gevaar van 't leven:
- Ter nauwernood in 't worstlen onder 't water
- Bestond ik deze daad. Mij was het strijden
-1690 Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had.
- Niets werkte ik uit met Hrunting in de worstling,
- Schoon deugt de degen; maar de Heer der menschen
- Verleende mij, dat 'k aan den muur zag hangen
- Een vonkelglanzig, oud, geweldig wapen;
-1695 (Hoe vaak geleidde Hij de vriendenloozen!)
- Dit drilde ik tot geweer. Ik doodde in 't worstlen
- (Daar gunstig was de kans) der woning wachters [312].
- Het kampzwaard teerde weg, 't getogen lemmer
- Op 't oogenblik, waarop het bloed ontspatte,
-1700 Het heetste wapenvocht. Van daar ontvoerde
- Ik aan den vijand dit gevest. Zoo wreekte
- Ik de euveldaân, de doodskwaal van de Denen,
- Gelijk het paste. Dit beloof ik heden:
- Gij kunt in Heorot slapen onbekommerd
-1705 Met uwer helden stoet en elken strijder
- Van uwe mannen, meerderen of mindren;
- Zoodat gij niet meer noodig hebt te duchten,
- o Denenvorst, van dezen kant de doodskwaal,
- Gelijk gij vroeger deedt, voor uwe lieden.»
-1710 Nu werd den ouden held de gouden handvat,
- Het grijze wapenhoofd [313], ter hand gegeven,
- 't Aloud gewrocht der reuzen. [314] Dit geraakte
- Nu in 't bezit, dit werk der wondersmeden,
- Des Denenvorsten, na den val der duivels.
-1715 De wrevelzieke man, Gods tegenwrijter,
- Had moordbelaân verlaten deze wereld,
- Zijn moeder mee. Nu viel 't te beurt den waardsten
- Der wereldvorsten bij de beide zeeën,
- Die schatten deelden op het Schedeneiland [315].
-1720 Toen zeide Hrodgar;--hij bezag de handgreep,
- Het oude stuk, waarop 't ontstaan des voorkamps [316]
- Was ingegrift. Alsdan versloeg de deining,
- Het overstroomend nat de reuzenstammen.
- Zij bleken boos. 't Geslacht het was weerbarstig
-1725 Den eeuwgen Heer. Des gaf hun de Albeheerscher
- De slotvergelding door den vloed der golven. [317]
- Op 't hechtbeslag van heerlijk goud was tevens
- Beteekend, trouw gezet, gezegd in runen [318],
- Voor wien eerst was bewerkt de keur der klingen
-1730 Met slankgewrongen, slangomslongen handgreep. [319]--
- Toen nam het woord [320] de wijze zoon van Healfdeen,
- En ieder zweeg:
- «Voorwaar, dit zal hij zeggen,
- Die onder 't volk bevordert recht en waarheid,
- Van ver het gansch gedenkt, als grijze goedsheer,
-1735 Dat deze dappre beter [321] werd geboren.
- Langs wijde wegen is, mijn beste Beowulf,
- Uw roem gevaren over alle volken.
- Gestadig waakt gij op dit alles: sterkte
- En wijsheid van 't gemoed. U wil 'k bewijzen
-1740 Mijn dankbaarheid, als wij voorheen bespraken. [322]
- Gij zult nog lang uw lieden tot vertroosting,
- Tot hulp uw helden zijn. Niet zoo was Heermod [323]
- Voor 't zaad Ecgwela's, voor de Zege-Schyldings.
- Niet groeide hij tot lust der Denenlieden,
-1745 Maar wel tot lijkenval en stervenslijden.
- Dolzinnig doodde hij de dischgenooten,
- Zijn schoudermakkers, tot hij eenzaam scheidde [324]
- De hooge heerscher, ver van 't heldenwoelen.
- Ofschoon een machtig God hem met de weelde
-1750 Der heldenkracht en sterkte had verheerlijkt
- En over alle mannen heen verheven,
- Toch groeiden in zijn borst bloedgierige tochten.
- Hij deelde geene ringen [325] aan de Denen,
- Als hun gewoonte was: verweesd van vreugde
-1755 Ervoer hij, dat hij drang om zijn vervolging
- Te harden had, het eindelooze lijden. [326]
- Gij, leer hieruit en grijp naar mannengrootheid.
- Ik sprak, door jaren wijs, voor u die spreuken.
- Een wonderbare zaak is 't om te zeggen,
-1760 Hoe dat een machtig Schepper aan het menschdom
- Uit milden grootzin wijsheid geeft en woning
- En heldenhoogheid. Hij gebiedt aan alles.
- Somwijlen laat Hij zijnen zin in liefde
- Ontvonken voor een man van hoogen huize {48}.
-1765 Hij geeft hem op zijn goed 't genot der aarde,
- Om op der helden heerschersburg te huizen;
- Hij [327] onderwerpt hem zoo der wereld deelen,
- De groote rijken, dat hij zelf [328] de grenspaal
- Zich wegens 't onverstand niet voor kan stellen.
-1770 Hij leeft in overvloed; niets kan hem letten,
- 't Zij krankte of ouderdom; vervolgingskommer
- Benevelt niet den zin; noch kamp, noch zwaardhaat
- Vertoont zich, waar 't ook weze; maar de wereld
- Zij wendt zich naar zijn wil. Hij kent geen onspoed;
-1775 Tot de overmoed inwendig wast en woekert;
- De hoeder [329] sluimert dan, der ziele herder,
- De slaap is diep, geketend door vermoeidheid,
- De moorder [330] zeer nabij, die met den pijlboog
- Zal wonden op verraderlijke wijze.
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-
-1780 Dan zal hij in den boezem zijn getroffen
- Door scherpe schichten onder 't helmbeschutsel [331].
- Niet kan hij zich vrijwaren van de zonde
- Door 't wondervol gebod des boozen geestes [332].
- Hem lijkt wat hij te lang bezat te luttel.
-1785 Nu schraapt hij stuurschgestemd, hij schenkt uit praalzin
- [333]
- Geen gouden ringen; hij vergeet, verwaarloost
- Zijn later lot, omdat hem God, de uitdeeler
- Der glansen, vroeger gaf onmeetbre glorie, [334]
- 't Gebeurt ten leste, dat het broze lichaam
-1790 Te zamen zinkt en dat vervalt het veege.
- Een ander erft het rijk, die zonder rouwen
- De have kwist, des eedlen kostbaarheden,
- En zich aan later zorg niet laat gelegen,
- o, Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
-1795 Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,
- En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend [335] welzijn.
- Betracht geen overmoed, vermaarde kamper!
- Een tijdlang tiert de volheid van uw krachten;
- Maar 't draagt weldra zich toe, dat zwaard of ziekte
-1800 U rooven uwe kracht, hetzij de omkronkling
- Der vlammen, of het zwalpen van de vloeden,
- Hetzij de greep van 't zwaard, de vlucht der werpspies,
- De gruwe grijsheid, of de glans der oogen
- Verdwijnt en taant. Dan schielijk zal't geschieden, [336]
-1805 Dat u, den legerman, de dood vermeestert. [337]
- Zoo heerschte ik honderd halve jaren over
- De Harnas-Denen onder 't dak des hemels
- En hoedde hen voor strijd met vele stammen
- Dit aardrijk langs door esschelans en lemmer;
-1810 Zoodat ik onder 't wulfsel van de wolken
- Voor mij niet eenen tegenstander telde.
- Gewis, mij overviel daarom een wending
- Op 't stamgoed, smart na vreugde, sedert Grendel, [338]
- De aloude vijand, werd mijn woonbezoeker.
-1815 Voortdurend droeg ik onder die verdrukking
- Geweldig hartewee. De Schepper weze
- Geloofd, der eeuwen Heer, dat ik beleve
- Op mijnen ouden dag, met dees mijn oogen
- Te blikken naar het hoofd [339], het zwaardbebloede,
-1820 Na 't oude zeer. Begeef u naar uw zetel
- En deel in 't dischgenot, o krijgsbekroonde.
- Wel menig schat zal zijn gemeen ons beiden,
- Zoodra de morgen aanbreekt.»
- Wel te moede
- Was nu de Goot en ijlings ging hij verder
-1825 Zijn zetel zoeken [340], als beval de vroede.
- Den krachtgevierden werd alweer, als vroeger,
- Een weidsch onthaal bereid, den halbezetters,
- Een nieuwe reis. De nachtelijke hulle,
- De duistere, verdonkerde zich over
-1830 Het wapenvolk. De ridders rezen allen.
- De grauwgelokte wilde 't leger zoeken,
- De grijze Schylding. Ook den Goot, den schildheld,
- Den wijdberoemden, lustte 't zeer te rusten.
- Den strijdvermoeiden man, den verontstamden,
-1835 Geleidde fluks van daar een halbediende,
- Die naar het hofgebruik in elke nooddruft
- Eens ridders zou voorzien, gelijk de zeeliên [341]
- Gedurende den dag behoefte hadden.
- Hij rustte de eelgezinde. Ruim, goudglanzig
-1840 Verrees de bouw; de vreemde sliep er binnen,
- Totdat de donkre raaf [342], verheugd van harte,
- Des hemels weelde weder kwam verkonden.
- Daar gleed de zonne glanzend over 't aardrijk;
- De weerbren ijlden. De edellieden waren
-1845 Gereed terug te varen naar hun volksstam.
- De vreemdeling, de hooggestemde, haakte
- Om ver van daar zijn vaartuig weer te vinden.
- De held beval nu Hrunting voor te brengen,
- Verzocht aan Ecglafs zoon [343] het zwaard te nemen,
-1850 Het dierbre staal; hij dankte voor 't geleende {49}
- En zei, hij schatte dit geschikt een kampvriend
- En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
- Van 't staal met woorden. 't Was een moedig strijder! [344]
- Als nu de reisverheugde kampers reede
-1855 In 't harnas stonden, stapte hij, de heerscher [345],
- Den Denen dier, ten troon, alwaar de tweede
- Slagwakkre man verwijlde, en groette Hrodgar.
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «Wij, zeebezeilers, willen thans u zeggen
-1860 Wij, wijdbereisden, dat we wenschen Hyglac
- Terug te zien. Wij zijn als 't voegt ontvangen [346]
- Naar wil en wensch; gij waart ons toegenegen.
- Indien ik eenigszins op deze wereld
- Nog meer uw hartemin vermag te winnen,
-1865 o Heer der dappren, dan ik deed tot dezen
- Door wapendaân, ik sta aanstonds wilvaardig.
- En zoo ik dit aan gene zij der zeeën
- Verneem, dat u bestookt met strijd de nabuur,
- Gelijk voorheen de haatgezinden [347] deden,
-1870 Zoo zal ik duizend mijner dappren brengen,
- Der helden, tot uw hulp. Wat Hyglac aangaat,
- Den Gootenvorst, ik weet, hoe jong hij weze,
- Dat hij, der volken herder, mij zal helpen
- Met raad en daad; zoodat ik ruk ter heervaart
-1875 En 't wapenhout [348] tot hulp, tot steun der sterkte
- U breng, indien ge hebt gebrek aan mannen.
- Zoo Hrederic, de vorstenzoon, zich voorneemt,
- Der Gooten burgen eens te gaan bezoeken, {50}
- Zoo zal hij vele vrienden ginder vinden.
-1880 Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
- Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte.» [349]
- En Hrodgar voegde toe, hem tot een antwoord:
- «Die redevoering gaf de wijze Godheid
- U in 't gemoed. Van geenen man nog hoorde
-1885 Ik op die jonge jaren [350] rijper rede.
- Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
- Aan woorden wijs. Ik koester dus verwachting
- Dat--zoo het eens geschieden zou, dat werpspies
- Of staalverwoede strijd den zoon van Hredel [351]
-1890 Wegrukken zal, hetzij dan ziekte of ijzer,
- Den herder van het volk en uwen heerscher,
- En gij in leven zijt--dat dan de Zee-Goot
- Geen beter heer dan u tot schatbehoeder
- Der helden heeft te kiezen, zoo te heerschen
-1895 Gij mocht verlangen over 't rijk der magen. [352]
- Mij, beste Beowulf, lijkt uw moed hoe langer
- Hoe meer. Gij hebt gemaakt, dat voor de volken,
- De Gootenliên en lansgeduchte Denen,
- Gemeenbezitting wezen zal de vrede;
-1900 De strijd gestaakt en de overvallingsveete,
- Die ze eer bezuurden; dat hij zal verblijven,
- Zoolang ik 't uitgestrekte rijk besture,
- Gemeen de schat, en menigeen den andre
- Met giften over 't duiklaarsbad [353] zal groeten. [354]
-1905 De staalomwonden kiel zal over 't water
- De gaven brengen met de gunstbewijzen.
- Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
- Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
- In alles zonder blaam, naar de oude zeden.»
-1910 Toen schonk hem bovendien de schuts der ridders,
- Hij Healfdeens zoon, een twaalftal kostbaarheden.
- Hij hoopte, dat hij met die gaven heilvol
- Zijn trouwe volksliên weder zoude vinden
- En ras teruggekeeren. Hierop kuste
-1915 De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
- Der helden besten, zijnen hals omvattend.
- Den zilvergrijze zegen neer de tranen,
- Verwachting was er voor den ouden wijze
- Van alle twee, nochtans van 't andre sterker [355]:
-1920 Dat zij voortaan, de bouden bij de toespraak [356],
- Elkander nimmer zouden kunnen weerzien {51}.
- Hem was de man zoo waard, dat hij de woeling
- Des harten niet vermocht in toom te houden;
- Maar in de borst, besloten in de boeien
-1925 Van zijn gedachten, haakte stil de heerscher, [357]
- Ondanks het bloed [358], naar dezen dierbren krijger.
- Trotsch op de schatten trok de kampheld Beowulf,
- Verheugd om 't goud, nu henen langs de graszoo.
- Het waterros, dat op het anker rukte,
-1930 Verwachtte zijn bezitter. Onderwege
- Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar.
- Een eenig heerscher was 't, geheel onlaakbaar,
- Tot hem 't genot der kracht ontnam de grijsheid,
- Die menigmaal zoovelen heeft vermeesterd.
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-
-1935 Nu kwam aan 't strand der dappren stoet [359], der helden
- Zij droegen 't ringnet, hun gevlochten rusting
- Der leden. Weder sloeg de landwacht gade
- De komst der krijgers, als hij deed voordezen.
- Niet met gegrauw begroette hij de gasten
-1940 Vanaf de rotskaap, maar hij reed hen tegen
- En zei, dat zij, de glansomgeven gasten, [360]
- Den Wederlieden welkom scheepwaarts schreden.
- Toen werd op 't oeverzand de ruime zeeboot
- Met strijdgewaad bevracht, de stalen steven,
-1945 Met smuk en paarden. Boven Hrodgars puikschat
- Verhief de mast zich. Beowulf schonk den hoeder [361]
- Van zijne boot een zwaard, met goud gebonden,
- Dat deze sedert des te meer ter meebank
- Werd hooggeschat om dit geschenk, dit erfzwaard.
-1950 Nu klom hij op het zeeschip, om te klieven
- Den diepen vloed, verliet het land der Denen.
- Een zeegewaad, een zeil, gesnoerd door zeelen,
- Bevond zich aan den mast. Het meerhout dreunde
- En langs den vloed belemmerden de winden
-1955 Den zeebeschrijder niet in zijne reize.
- De golvenganger toog; schuimhalzig scheerde
- Hij langs de baren voort, 't gebonden vaartuig,
- Langs 't zeegetuimel; tot men zag de klippen
- Der Gooten met de goedbekende kapen.
-1960 Naar boven drong de boot en windomwarreld
- Stond zij nu op het strand. De havenhoeder
- Bevond zich onverwijld gereed aan 't water,
- Hij welke, wachtend op de lieve lieden,
- Zoo menigmaal te voren in de verte
-1965 Had uitgekeken bij de waterkolken.
- Hij meerde vast het breedgeboezemd vaartuig
- Op 't strand met ankertouw, opdat de stuwing
- Des vloeds hun niet de kostbre kiel ontvoerde.
- Hij heette toen der edellieden have,
-1970 Het keurkleinood en bladgoud op te brengen.
- Men had niet ver van daar den schatuitdeeler
- Te zoeken: Hyglac, Hredels zoon, verwijlde
- Er zelve metterwoon en met de mannen
- Nabij den zoom der zee. Het huis was heerlijk.
-1975 Geweldig was de heerscher, hoogverheven
- In zijne halle. Hygd [362] was uiterst jeugdig
- En wijs en hoog van zin, schoon Häreds dochter
- Geschouwd had weinig winters onder 't schutsel
- Des burgs. Niet was zij evenwel gemeenzaam,
-1980 Noch voor het Gootenvolk met giften karig
- En schatgeschenken.--Thrydo [363] daarentegen
- Zij voedde toorn de schoone volksgebiedster
- En vreeselijke wraak. Niet dorst een dappre
- Het wagen van haar trouwe lijftrawanten,
-1985 Tenzij haar echtheer, dat hij haar in de oogen
- Des daags bestaarde, daar zij hem de doodsboei,
- Gestrengeld door de hand, bestemde en oplei.
- Daarna, na deze hechtenis, was spoedig
- Het staal bestemd, zoodat het doodlijk wapen
-1990 Beslissen moest, het moordbedrijf vermelden. [364]
- Niet zulks is maagdenzede, voor een vrouwe
- Niet uit te voeren, schoon zij door haar schoonheid
- Ook eenig weze, dat de vredeweefster [365]
- Een waarden krijger, naar vermeende krenking,
-1995 Naar 't leven staat. Wis stuitte 't Hemings bloedmaag [366]
- Want bij den bierdronk zeiden zij iets anders [367]
- Dat zij berokkende geringer gruwlen [368]
- En listig leed, nadat de goudgedoste
- Van hoogen stam ten huwlijk werd gegeven
-2000 Een jeugdig held, nadat zij Offa's halle [369]
- Op reis bereikt had langs de vale vloeden,
- Naar vaders raad. Sindsdien vervulde deze
- Op haren heerschersstoel op waarde wijze
- Het levenslot, vermaard om hare mildheid.
-2005 Den heldenvorst [370] bewees zij hooge liefde,
- Der menschen besten, volgens mijn ervaren,
- Der menschenzonen bij de beide zeeën.
- Hierdoor was Offa door zijn daân en giften,
- Een speerbehendig man, alom verheerlijkt.
-2010 Hij hield 't bewind met wijsheid over 't erfland.
- Uit hem ontsproot, tot hulp der helden, Eomaer,
- Maag Hemings, Garmunds neef, de sterke in 't strijden. [371]
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-
- Nu ging de held [372] met zijne handgezellen
- Zelf langs het zand, den zoom der zee betredend.
-2015 De wereldtoorts, de zonne, scheen zich wendend
- Vanuit het Zuid [373]. Zij zetten voort de voetreis
- En schreden duchtig door, tot waar zij wisten,
- Dat binnen in den burcht de hulp der helden,
- Verwinnaar Ongentheows [374], de wapenkoning
-2020 De jonge, kampgeduchte, ringen deelde.
- Dan ras was Beowulfs komst bericht aan Hyglac:
- Dat op het erf aldaar de stut der stouten,
- Zijn schildvriend, hofwaarts kwam geschreden, levend
- En gaaf van 't wapenspel. Nu werd er spoedig,
-2025 Gelijk de vorst gebood, een zaal van binnen
- Den voetbereisden gasten opgeredderd.
- Daar zat hij nu [375] hem zelven tegenover
- Hij, welke vele kampen had bevochten,
- Maag over maag, nadat de mannenkoning [376]
-2030 In hooge taal den trouwe had verwelkomd
- Met weidsche woorden. Met de medekannen
- Begaf zich Hareds dochter [377] langs den halbouw;
- Zij stond den lieden lief ten dienst en stelde
- Ter hand de wijnschaal aan de Heide-Gooten.
-2035 En Hygelac begon ter hooge halle
- Op hoofsche wijs zijn huisvriend te ondervragen.
- De lust hem ledebraakte [378], welke waren
- Geweest de tochten van de Water-Gooten.
- «Hoe ging het u op reis, mijn goede Beowulf,
-2040 Toen ge onverwachts besloten waart, om verre
- Den strijd te zoeken over 't zilte water,
- Den kamp in Heorot? Hebt gij dan bij Hrodgar,
- Den hoogen heerscher, eenigszins verholpen
- Het wijdberuchte wee? Om deze reden
-2045 Verduwde ik leed bij 't deinen van de zorgen.
- Den tocht des waarden mans betrouwde ik weinig;
- Ik bad u menigwerf, dat gij den moordgeest
- Volstrekt niet zoeken zoudt en in 't bestrijden
- Van Grendel liet begaan den Zuid-Deen zelven.
-2050 God weet ik dank, u welbewaard te schouwen.»
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «o Heerscher Hygelac, niet bleef verholen
- Aan menig man het wijdvermaarde treffen,
- Wat oorlogstijd er tusschen mij en Grendel
-2055 Ontstond op gene stede, waar hij weeën
- In groote menigt schiep den Zege-Schyldings
- En hoon voor 't leven, 'k Heb het al gewroken,
- Dat geen van Grendels broed op aard mag brallen
- Op gindschen uchtendgil [379], die veenomvangen
-2060 Het langst van 't hatelijk geslacht zal leven.
- Eerst ging ik Hrodgar groeten in de ringzaal;
- Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
- Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen
- Van mijn ontwerp. De schare was in weelde;
-2065 Nog nooit ontwaarde ik onder 't hemelwulfsel
- Bij hallevrienden grooter medevreugde.
- Bij wijlen ging der volken vreeverwante [380],
- De statige vorstin, langs heel de halle,
- Aanmoedigend bij 't maal de jonge mannen,
-2070 En menig reis bedeelde zij een ridder
- Met ringsmuk, eer zij heenging naar de rustbank.
- De dochter Hrodgars [381] bood somtijds de bierschaal
- Den hoofden aan, den helden aan de slagspits.
- Ik hoorde deze door de hallegasten
-2075 Freaware heeten, waar zij knopjuweelen
- Den helden gaf. De jonge, goudgehulde
- Was toegezegd den eedlen zoon van Froda [382].
- Het had den Schyldingsvriend [383] zoo goed geschenen.
- Den hoeder van het rijk, en tevens rekent
-2080 Hij 't eene winst, dat hij door deze weerhelft
- De moordwraak, vele veeten mocht beslechten. [384]
- Niet zelden, maar te dikwerf rust de moordspeer
- Een korte wijle na den val des konings, {52}
- Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen.
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-
-2085 Dan mag 't hierom den heer der Headobarden [385]
- En ieder krijger zijner lieden krenken,
- Als hij de zaal betreedt met zijne gade [386],
- En van de Denen daar een edel krijgsknaap
- De schare heeft bediend. [387] Aan dezen schittert
-2090 Des vaders heertuig [388], hard, verrijkt met ringen,
- De kostbre have van de Headobarden,
- Zoolang zij heerschten over hunne wapens;
- Totdat zij wierpen in het schildgeworstel
- De lieve makkers met hun eigen leven.
-2095 Dan spreekt bij 't bier hij, die bespeurt de halsboot,
- Een grijze lansheld [389], wien geheugt het gansche,
- Der trouwen speerdood, (toornen zal zijn ziele)
- En duisterzinnig vangt hij aan de denkwijs
- Des jongen krijgerkonings [390] te ondertasten
-2100 Door zijner ziele zucht, en dan de kampkwaal
- Te wekken en hij spreekt zich uit in woorden:
- «Kunt gij, mijn vriend, nog dezen vochtel kennen,
- Dien onder 't legermasker voor het laatste
- Uw vader in 't gevecht eens met zich voerde.
-2105 De kostbre kling, als hem de Denen doodden,
- Als 't veld behielden na den val des helden
- (Sinds schoot de wraak tekort) de koene Schyldings?
- Nu stapt de zoon van eenen zijner moorders
- Hier door de halle, trotsch op zijne tooisels,
-2110 Nu praalt hij op den moord en draagt het pronkzwaard,
- Hetgene gij rechtmatig moest bezitten.»
- Zoo maant, herinnert hij hem telken male
- Met stekelwoorden, tot de stond eens aanbreekt,
- Dat bloedig inslaapt bij den beet der zwaarden
-2115 En levenloos de dienaar van de vrouwe [391]
- Voor 's vaders daân. Vandaar ontduikt de tweede [392]
- Nog onverlet, hij kent het land ter dege.
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
-2120 En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft [393]
- Door 't zorggezwalp. Des houd ik niet de hulde,
- Der Headobarden heertrouw tot de Denen
- Voor argeloos, {53} noch vast gevest hun vriendschap. [394]
- Ik wil nu verder weer van Grendel spreken,
-2125 Opdat u gansch verneemt, o goudbegever,
- Hoe voorts verliep het vuistgestorm der kampers.
- Zoodra 't juweel der transen [395] was getrokken
- Langs 't aardrijk, kwam de vreemdeling, de kwade,
- De leede nachtbelager ons bestoken,
-2130 Alwaar wij wel te moe de zaal bewaakten.
- Verderflijk viel een kamp ten deel aan Hondscio [396],
- Geweldig sterven aan den doodbestemde.
- Hij sneefde 't eerst de staalomgorde strijder:
- Met zijnen muil werd Grendel tot den moorder
-2135 Van mijn vermaarden maat. Hij zwolg het lichaam
- Des lieven mans geheel. Met leege handen
- Nochtans verlangde toen nog niet bloedtandig
- De wurger, tuk op moord, de woon te ontwijken;
- Maar waagde zich aan mij, de woeste aan krachten.
-2140 Vuistgretig greep hij toe. Hem hing een handschoen [397],
- Zeer wijd en wonderbaar, door tooverbanden
- Bevestigd. Deze was met kunst vervaardigd
- Uit drakevellen door des duivels toedoen.
- Hij wilde mij, de gruwbre wanbedrijver,
-2145 Met menigeen daarbinnen schuldloos bergen.
- Niet kon hij 't evenwel, zoodra ik woedend
- In volle lengte rees. Te lang zal 't wezen
- Te zeggen, hoe ik dezen volksverheerder
- Voor ieder euveldaad het loon uitdeelde.
-2150 Ik heb, mijn vorst, uw volk [398] aldaar verheerlijkt
- Door 't wapenfeit. Hij droop dan weg en luttel
- Genoot hij nog de vreugde van het daarzijn.
- Zijn rechterhand nochtans verried zijn sporen
- In Heort, en hoonvol zonk, in 't hart verbitterd,
-2155 Hij naar den bodem van de zee te zamen.
- De Schyldingsvriend beloonde dezen lijfkamp
- Mij mild met goud en menigte juweelen,
- Nadat de morgenschemer was verschenen,
- En wij gezeten waren aan het feestmaal.
-2160 Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
- Vertelde uit vroeger tijd naar menig vorschend.
- Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
- De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
- Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
-2165 Ofwel de grootgezinde koning zette
- Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid. [399]
- Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
- Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
- Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,
-2170 Wanneer, door winters wit, hij 't aantal nadacht. [400]
- Wij vonden zoo gezelschapsvreugd daarbinnen
- Den ganschen dag [401], tot daalde een tweede nachtstond
- Op 't menschenkroost. Toen was alweer de moeder
- Van Grendel ras gereed tot leedvergelding.
-2175 Daar toog zij troosteloos: de slagdood sleepte
- Haar zoon daarheen, de wapenhaat der Weders.
- Zij wreekte haren zoon 't ongure zeewijf:
- Een ridder doodde zij op ruwe wijze.
- Voor Ascher ging te loor, den grijzen raadsman,
-2180 Den langbeproefden, 't licht. De Denenlieden
- Zelfs konden niet, nadat de morgen naakte,
- Verbranden in den brand den levenlooze,
- Noch laden op de mijt den lieven makker:
- Zij had ontvoerd in haren arm het lichaam
-2185 Des vijands {54} onder aan den val des bergstrooms.
- Voor Hrodgar was 't het wreedste aller weeën,
- Dat trof sinds langen tijd den volksgeleider.
- Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
- Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel,
-2190 Blootstelde mijn bestaan, iets dappers dede.
- Het loon beloofde hij. Ik vond vervolgens
- Den wilden, gruwelijken grondbewaker
- Der wijdbekende kolk. Een tijdlang waren
- Wij handgemeen. Bloedschuimig sloeg de meervloed.
-2195 Toen hieuw ik af het hoofd in gene grondwoon
- Aan Grendels moeder met het wichtig wapen.
- Ik droeg van daar zoo licht niet weg het leven.
- Nog was ik niet bestemd om dan te sterven;
- Maar mij beschonk alweer de schuts der ridders
-2200 Met macht van kostbaarheên, de zoon van Healfdeen.
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-
- Zoo leefde naar het voegt de volksgebieder.
- Volstrekt niet ging mij 't loon, de prijs verloren
- Der heldenkracht, maar Healfdeens zoon bedeelde
- Met zijne schatten mij, tot mijn beschikking.
-2205 Die haak ik u te brengen, heer der mannen,
- Eerbiedig aan te biên. Geheel mijn hulde
- Zij wendt zich weder uwaart [402] {55}. Hoofdverwanten
- Bezit ik luttel meer, tenzij u, Hyglac [403].»
- Het everbeeld gebood hij in te brengen,
-2210 De hoofdbanier [404] {56}; het kampbeheerschend hoofdscherm,
- Het stalen harnas met uitstekend strijdzwaard,
- En sprak dan 't woord:
- «Hrodgar, de wijze koning,
- Gaf mij dit krijgsgewaad; hij wenschte woordlijk,
- Dat ik vervolgens zei diens wedervaren,
-2215 En hij verhaalde, dat de heer der Schyldings,
- Vorst Heorogar [405], het lange had bezeten.
- Toch wilde die aan Hereward, den koenen,
- Zijn zoon, niet schenken deze borstbeschutting,
- Al schatte hij hem hoog. Gebruik het heilvol.»
-2220 'k Vernam, dat na die schatten vier genetten,
- Gelijk en appelvaal, op 't voetspoor [406] volgden.
- Van ros en have deed hij Hyglac hulde.--
- De magen moeten zich alzoo gedragen,
- Geen net der valschheid voor den andre vlechten,
-2225 Noch 's makkers dood bereiden door een toover.
- Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel,
- Aan dezen was de neef geheel genegen.
- Elk hunner was des andren heil gedachtig.--
- Ik hoorde, dat hij schonk aan Hygd den halsring [407],
-2230 Het kunstig wonderwerk, waarmee hem Welchtheow,
- De vorstendochter, had bedeeld; daarboven
- Een drietal slanke, goudgezaalde dravers.
- Versierd was sinds na 't bootgeschenk haar boezem.
- 't Is zoo, dat Ecgtheows zoon zich onderscheidde,
-2235 De kampvermaarde man, door dappre daden.
- Hij leefde volgens eer en velde geenszins
- De met hem aangezeten haardgezellen.
- Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
- Bewaakte met de meeste macht eens menschen
-2240 De reuzengave, hem door God geschonken [408] {57}.
- Hij leefde lang verguisd, zoodat de Gooten
- Hem in 't geheel niet hielden voor heldhaftig,
- En hem de heer der manschap bij de meebank
- Iets koens niet waardig keurde. Zeker waanden
-2245 Zij, dat hij was te loom, een weerloos eedle.
- Een keer gewerd den luisterrijken kamper
- Voor elken hoon. [409] De schuts der ridders, Hyglac,
- De kampberoemde koning, liet het lemmer,
- Met goud belegd, van Hredel binnenbrengen.
-2250 Alsdan bevond zich in den vorm van slagzwaard
- Geen waarder goudgewrocht bij al de Gooten.
- Hij lei 't in Beowulfs schoot en schonk een landmaat [410]
- Van zeven duizend, burcht en koningszetel.
- Hun beiden, bij het volk, was 't land vervallen
-2255 Met grondbezit en recht op 't erfgoed rustend.
- Den tweede [411] viel, den beste van geboorte,
- Er meer, de breede koningsmacht ten beste.-- [412]
-
- Dit viel vervolgens bij de strijdonstuimen [413]
- In later dagen voor: Sinds Hyglac neerlag,
-2260 En Heardred [414] het heirzwaard onder 't schilddek
- Geworden was tot dooder--daar de Schilfings [415],
- De stoute krijgerhelden, hem bestormden
- In 't midden van zijn zegevolk [416] en dezen,
- Den neef van Hererik [417], door kamp benarden--
-2265 Sinds raakte 't breede rijk in Beowulfs handen {58}.
- Wel vijftig winters [418] heerschte deze heilvol,
- (Toen was 't een wijze vorst, een grijze goedsheer)
- Totdat alsdan begon bij duistre nachten
- Een draak te heerschen, die een schat behoedde,
-2270 Een steile steenrots op de hooge heide.
- Een steegje lag beneên, vermoed door niemand.
- Een dienstman, 'k weet niet welke, dook er binnen;
- Begeerlijk greep hij naar het goed des heidens [419],
- Zijn vuist ontvoerde een vaas met gelen goudglans.
-2275 Nochtans hij gaf ze in later tijd niet weder,
- Al had hij door een dievenlist den hoeder
- Beslopen in zijn slaap. Gewaar zou worden
- 't Gewest der mannen, dat hij was in woede. [420]
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-
- Noch eigenmachtig werd tot gast des monsters
-2280 Noch des gewild {59} hij, wien het zeer zou schaden [421];[422]
- Maar door het nijpen van den nood ontslipte
- Een slaaf van zekren heldenzoon de slagen
- Des haats, van huis beroofd, en borg zich binnen.
- De schuldgedrukte schouwde dra in 't ronde;
-2285 Ofschoon den vreemde schrik en zielsontzetting
- Bemachtigd had [423], bemerkte toch de ellendige,
- De armzaalge man, op zoek naar eenen ingang [424],
- Toen hem de vrees beving, het gulden vaatwerk [425] {60}.
- Er waren vele zulke voortijdsschatten
-2290 In 't hol, gelijk in lang verdwenen dagen
- Ik weet niet welke man 't onmeetlijk erfgoed
- Eens eedlen stams, verdiept in zijn gedachten,
- Aldaar verborgen had, het dierbaar pronkwerk.
- Hen allen had de dood voorheen verdreven,
-2295 En nu een enkel nog der schaargenooten,
- Die 't langst er waarde, een vriendbeweenend wachter,
- Verlangde dit alleen nog uit te stellen:
- d'Onmeetbren schat slechts kort te mogen smaken. [426]
- Er rees geheel gereed een doodenheuvel
-2300 In 't veld omhoog, niet verre van de baren,
- Een nieuwe nog, nabij het voorgebergte.
- En wel beveiligd door versperringswerken.
- Der kostbaarheên en ringen hoeder voerde
- Er dan den loggen last van bladgoud binnen
-2305 En sprak in weinig woorden:
- «Wil, o aarde,
- Behoeden, daar de helden dit niet konden,
- Het eigendom der eedlen. Immers dappren
- Ontvingen dit van u [427] in vroeger tijden.
- De lansdood rukte weg, het levenseuvel,
-2310 Elk moedig krijger onder mijne mannen,
- Die 't leven lieten, 't heil des hemels [428] zagen.
- En niemand heb ik nog, die draagt den degen,
- Of wischt den gulden kroes, de weidsche drinkschaal;
- Naar elders is verreisd de ridderschare.
-2315 Den harden helm, gesmukt met goudgesmijde,
- Ontvallen zal hem spoedig zijn versiering:
- De dienaars slapen, die het oorlogsmasker
- Herstelden; insgelijks is nu het strijdhemd,
- Dat bij 't geworstel boven 't schildgeschilfer
-2320 Den beet van 't staal ontbeidde, stuk gebroken
- Na zijnen heer. Niet zal 't geringde harnas
- Nog verre, na den val des oorlogsvorsten,
- Den helden gaan ter zij. Geen harpeweelde,
- Geen vreugde van 't gezellig hout! [429] Geen havik,
-2325 Geen wakkre, klapwiekt langs de woning henen.
- En 't rappe ros het slaat niet meer de slotplaats.
- Zoo sleepte van 't geslacht, het levensvolle,
- Een harde dood er velen verre henen.» [430]
- Dus somberstemmig kermde hij door kommer,
-2330 Na allen nog alleen, en rouwde lustloos
- Bij dag en nacht, totdat hem sloeg om 't harte
- De deining van den dood.
- De schoone schatten
- Vond openstaan de aloude schemervijand,
- Die barnend bergen [431] zoekt, de naakte nooddraak,
-2335 En ommevliegt des nachts met vuur omvangen.
- Hem hadden wijd ontwaard de grondbewoners.
- Hij zoekt de schatten binnen in den bodem,
- Alwaar hij wacht houdt bij de heidenhave,
- Aan winters oud. Niet beter zal 't hem wezen [432].
-2340 Zoo had driehonderd jaar de volksverheerder
- 't Gezegde goudhuis in den grond bezeten,
- 't Onmeetbre, tot hem gene man [433] vertoornde
- In zijn gemoed. Die bracht nu bij zijn meester [434]
- De gouden vaas en bad den vorst om vrede.
-2345 Zoo werd 't juweel ontdekt, de ringenrijkdom
- Geschend, de wensch des armen mans bewilligd.
- De meester staarde op 't oud gewrocht der menschen
- Voor de eerste maal. Als 't monster weer ontwaakte,
- Was 't strijdgeding vernieuwd. De stoutgestemde
-2350 Berook de rots en vond des vijands voetspoor,
- Die door geheime hulp te gauw ontglipte,
- Ofschoon niet verre van het hoofd des vuurdraaks.
- Licht mag zoo met het leven leed, verbanning
- Ontgaan hij, die behoudt de gunst des Heeren. [435]
-2355 Nu speurde gretig langs den grond de hoeder
- Der have; want hij wou den dief ontdekken,
- Die hem bereid had in zijn rust die kwelling,
- En blakend, toorn gezwollen zwierf van buiten
- Hij menigmalen om den heuvel henen.
-2360 Geen wezen was in deze woestenije;
- Nochtans hij juichte toe den kamp, het krijgswerk. [436]
- Soms stoof hij naar den berg en zocht den beker;
- Hij merkte dit weldra [437], dat een der menschen
- Had weggekaapt het goud, de keurjuweelen.
-2365 Ter nauwernood vermocht de schatbeschutter
- Te wachten tot de schemer was verschenen
- Des heuvels hoeder was ontbrand in woede;
- De vijand wou met vuur en vlam vergelden
- Den kostbren kroes. Nu was de dag verdwenen,
-2370 Den draak naar wil en wensch. Niet langer wilde
- Hij hokken in het hol, maar vloog met vlammen,
- Met vuur gewapend weg. 't Begin was gruwzaam
- Den lieden in het land, gelijk het spoedig
- Met scha zou einden voor hun schattenplenger [438].
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-
-2375 De gast alsdan begon zijn gloed te braken,
- De weidsche heerenhoven [439] weg te branden.
- Den stervling tot ontzetting steeg de vuurschijn.
- Zoo haakte hij, de leede luchtbezeiler,
- Niets levendigs er overig te laten.
-2380 Het woeden van den worm was wijde zichtbaar,
- Des doodelijken veete heinde en verre,
- Op welke wijze deze kampbekneller
- De helden van de Gooten haatte en hoonde.
- Dan schoot hij weder weg bij zijne schatten,
-2385 De duistre wonderhalle, vóór den dagstond.
- Hij had omstrikt met brand de streekbewoners,
- Met vuur en vlam. Hij bouwde op zijne bergrots,
- Op strijd en wand [440]. Toch faalde die verwachting.
- Toen werd naar waarheid ras bericht de schrikmaar
-2390 Aan Beowulf, dat zijn eigen dak, het heerlijkst
- Der huizen, werd verteerd door 't vlamgewentel,
- Der Gooten giftgestoelt [441]. Dit was den goede
- In 't harte leed, het hevigst zielelijden.
- De wijze waande, dat hij, tegen de oude
-2395 Geboden in, den Heer, den eeuwgen Heerscher,
- Geweldig had vertoornd. Inwendig woelde
- Zijn binnenst bij die duistere gedachten,
- Gelijk het geen gewoonte was bij dezen. [442]
- De vuurdraak had den volksburg met de meerkust [443]
-2400 Daarbuiten, heel 't gebied verteerd door vlammen.
- Des zon de wapenvorst, de heer der Weders,
- Op wederwraak. Der strijders heul bestelde,
- Te klinken heel van staal een kunstig kampschild,
- Der helden heer; hij wist het wel, dat boschhout,
-2405 Het lindeschild niet vrijde voor de laaie.
- Zoo zou nu de edelman, de lang verwachte,
- Het einde zien der wisselzieke dagen,
- Des levens hier omlaag, en 't monster mede.
- Al had het lang [444] bewaard de macht juweelen.
-2410 De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
- Nochtans den ommevlieger aan te tasten
- Met strijders, met een uitgestrekte heermacht.
- Hij vreesde dit gevecht niet voor zich zelven [445],
- Noch stelde hoog de strijdkracht van den vuurworm,
-2415 Zijn sterkte en stoutheid; want gevaren wagend
- Had hij voorheen bevochten vele kampen
- De kampverwoede, sinds hij Hrodgars woning
- De zegerijke krijger, had gezuiverd
- En in 't gevecht vergruisd het oir van Grendel,
- Het heilloos zaad.
-2420 Niet kleinst was 't handgemengel [446]
- Geweest, alwaar men Hyglac had verslagen,
- Toen deze Gootenvorst, der volken heervriend,
- Bij 't slaggestorm in Friesland was gestorven,
- De zoon van Hredel, door den dronk der zwaarden,
-2425 Gedood door 't staal. Van daar ontsnapte Beowulf
- Door eigen sterkte en stelde in 't werk de zwemkunst.
- Hij droeg alleen op de armen dertig rustings [447]
- Bij 't duiken in den vloed. De Franken [448] dorsten
- Om 't voetgevecht geenszins praalzuchtig wezen,
-2430 Die op hem toe de houten schilden torsten [449],
- 't Gelukte alleen aan weinigen, om weder
- Te ontkomen van den kampheld [450] naar de haardstee.
- En Ecgtheows zoon doorzwom de stille strooming,
- Een arm verlateling, ten lieden weder, [451]
-2435 Waar Hygd hem 't rijk met schat en ringen aanbood
- En koningstroon: Zij stelde geen vertrouwen
- In haren zoon [452], dat hij het stamgestoelte
- Vermocht te houden tegen vreemde heermacht,
- Thans nu dat Hygelac was overleden.
-2440 Niet zouden zij, verlatenen [453], erlangen,
- Op welke wijs dan ook, van dezen eedle,
- Dat hij voor Heardred worden zou de heerscher,
- Ofwel het koningschap zich wilde kiezen.
- Nochtans hij schraagde hem aan 't hoofd der schare
-2445 In gunst en eer met goedgezinde lessen,
- Tot Heardred ouder werd, beval den Weders. [454]
- Hem [455] hadden langs de watren bannelingen, {61}
- De zonen Ochters [456], opgezocht. Zij hadden
- Zich tegen hunnen Schilfingheer [457] vergrepen,
-2450 Den waardsten zeevorst hunner, welke schatten
- Deelden in 't Zwedenrijk, een roemvol koning.
- Dit zou voor Heardred zijn des levens grenspaal:
- Voor zijn onthaal [458] ontving de zoon van Hyglac
- De doodswond door het zwaaien van de zwaarden.
-2455 Nu rukte weer terug, de woon te zoeken,
- Sinds Heardred nederzeeg, de zoon van Ongentheow. [459]
- Hij liet den heerscherszetel Beowulf houden,
- Het volk [460] gebieden. 't Was een beste koning! [461]
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-
- Doch op vergelding voor den val des vorsten [462]
-2460 Was hij [463] bedacht in later dagen. Eadgils
- Gewerd hij tot een vriend, den vreugdeloozen.
- Hij steunde langs de wijde zee met leger,
- Met weerbren en met wapens Ochters afkomst.
- Sinds wreekte die [464] zijn koud en zorgvol dolen {62}
-2465 En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer [465].
- Alzoo had Ecgtheows zoon bestaan elk strijden, [466]
- Elk slimmen slag en elk geweldig waagstuk,
- Tot dezen eenen dag, waarop hij diende
- Te worstlen met den worm. Van woede blakend
-2470 Begaf, als een der twaalf, de Gootenkoning
- Zich heen, den draak te zien. Hij had vernomen,
- Hoe was verwekt de haat, der helden onheil,
- Want door ontdekkers [467] hand was 't heerlijk pronkvat
- Geraakt in zijnen schoot. Hij was der schare
-2475 Dertiende strijder die 't ontstaan der twisten
- Berokkend had. Geboeid en bang in 't harte
- Zou deze hun de hooge vlakte duiden.
- Dus toog hij tegen wil en wensch er henen,
- Tot waar hij wist te zijn gezegde grondwoon,
-2480 De grafstee in den grond, nabij de baren,
- Het kolkgeklots. Zij was gevuld inwendig
- Met smuk en draadjuweel. De ongure wachter,
- De reede strijder, hoedde steeds den rijkdom,
- Grijs onder zijnen grond. Niet licht te erlangen
-2485 Was dit een zaak voor wie het zij der menschen.
- Daar zat ter klip de kampgeharde koning,
- Terwijl hij heil zijn haardgenooten wenschte,
- Der Gooten goudvriend. 't Harte was hem weevol,
- Onstadig, stervenszwaar. Zeer na was 't noodlot,
-2490 Dat groeten zou den grijs, den schat der ziele
- Opzoeken zou en 't lijf van 't lichaam scheiden.
- Niet langer zou voortaan de levensadem
- Des edelmans omhuld zijn met den vleesche.
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-2495 «Ik heb in mijne jeugd wel menig heerstorm
- En oorlogstijd gehard; mij heugt het gansche.
- Ik telde zeven winters, toen de schatheer,
- Der schare vorst en vriend, mij aan mijn vader
- Ontnam; mij hield en had de heerscher Hredel.
-2500 Hij gaf me goud en maal, gedacht de maagschap.
- Ik was voor hem op 't huis, zoolang hij leefde,
- Geen minder man dan een van zijne zonen,
- Dan Herebald en Hadcyn of mijn Hyglac.
- Den oudsten [468] werd op onverdiende wijze
-2505 Gespreid het doodsbed door des broeders daden,
- Toen Hadcyn hem vermoordde met den hoornboog,
- Door middel van den pijl zijn vriend en meerdre [469],
- Toen hij zijn maag, het doelwit missend, doodde,
- De broer zijn broer, met bloedbespatte werpspies.
-2510 Dat was een onverzoenbaar [470] wapenmisdrijf,
- Begaan te roekeloos en geestafmattend
- Voor het gemoed [471]. Des ondanks moest de jonker
- Uit deze wereld ongewroken wijken:
- Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,
-2515 Dat ginds zijn zoon [472], de jonge, rijdt aan 't galghout.
- Dan moge hij 't weemoedig lied [473] verheffen,
- Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
- De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
- Verleenen kan, bejaard en hoog van leeftijd.
-2520 Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
- De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren [474];
- Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder [475]
- Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot,
- Nu de een met stervensdwang ervoer den doodslag.
-2525 Dan in de woon des zoons [476] bestaart hij zorgvol
- De woeste hal, een wijkplaats voor de winden,
- Beroofd van 't feestgeruisch. Hij rust de rijder,
- De held, in 't heuvelgraf {63}. Geen harpgefluister,
- Geen juichtoon heerscht in 't huis, gelijk voorhenen.
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-
-2530 Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied [477],
- De eene om den eene [478]. 't Leek hem alles
- Te ruim [479], en veld en woon. Zoo torste woelend
- De schuts der Wederliên het wee des harten
- Om zijnen Herebald. Hij kon de bloedschuld
-2535 Niet in het minste wreken op den moorder,
- Ook mocht hij evenmin den strijder straffen
- Met strenge daân, al was hem die niet dierbaar [480].
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
-2540 En zocht het licht van God. Hij liet den zonen [481]
- Dan na het land met heerschersburcht, als handelt
- Een schatrijk man, bij 't scheiden uit het leven.
- Nu was het twist van Zweed en Goot en tweedracht
- En wederzijdsche kamp langs 't wijde water,
-2545 Een felle strijd, als Hredel was gestorven,
- En krijgsgeducht en koen het kroost zich toonde
- Van Ongentheow [482]. Zij wilden langs het water
- Geen vrede voeren, doch volbrachten dikwerf
- Bij Hreosnaberg [483] gevreesde stroopersvaarten.
-2550 Dit alles wreekten mijn verwante vrienden [484],
- Die list en lagen, naar het werd vernomen;
- Schoon de eene 't moest betalen met het leven,
- Met eenen harden koop: voor Hadcyn immers,
- Den Gootenkoning, werd de kamp verderflijk.
-2555 'k Vernam, dat bij den morgen met de bijlspits
- Een maag [485] den andren [486] op den moorder wreekte,
- Waar Ongentheow te zamen trof met Eofor {64}.
- De strijdhelm botste stuk, de grijze Schilfing [487]
- Hij stortte neder, door het staal bestorven.
-2560 De hand [488] geheugde zich de reeks van rampen
- En trok zich niet terugge tot den doodslag,
- 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,
- Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk
- Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was.
-2565 Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds.
- Behoefte had hij geen om bij de Gifden [489],
- Den Zwaard-Deen, of in 't Zwedenrijk te zoeken
- Een zwakker kampgezel [490], met goud te koopen.
- Steeds wilde ik in zijn schaar de voorste wezen,
-2570 Ter legerspits alleen {65}. En zoo voor 't leven
- Zal 'k slagen slaan, zoolang dit lemmer 't uithoudt,
- Dat mij zoo vaak, voorheen als later, volgde,
- Nadat ik door geweld Daghrefnes wurger
- Geworden was, den oorlogsheld der Hugen [491].
-2575 Niet kon hij 't keurjuweel den Friezenkoning,
- Den borsttooi brengen, want hij viel de vaandrig [492]
- In dezen krijg, de held in zijne krachten.
- Niet werd het staal zijn dooder, maar mijn strijdvuist
- Verbrak het bruisend harte bij 't gebeente.
-2580 Nu zal de punt van dit rapier zich kwijten,
- De hand, het scherpe zwaard om deze schatten.» [493]
- Voor 't laatst zei Beowulf, zich door 't woord verbindend:
- «Ik waagde menig kamp in mijne jonkheid;
- Nu wil ik, grijze wachter van de volken,
-2585 Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven,
- Mocht uit zijn krocht de booze mij bekrijgen.» [494]
- Hij groette eeniegelijk van zijne lieden,
- Zijn dappre helmgedosten, voor het laatste,
- De trouwe tochtgezellen: «'k Zou den degen,
-2590 Het wapen naar den worm niet willen voeren,
- Indien ik wist, op welke wijs ik anders
- Mijn kampwoord [495] houden kon met dezen daemon;
- Zooals ik eens met Grendel heb gehandeld.
- Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur,
-2595 Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens
- Het schild en krijgerkleed. Ik wil niet wijken
- Een voetbreed voor den hoeder van den heuvel,
- Den grimmigen dooder; doch nabij den bergwand
- Gebeuren zal 't aan ieder van ons beiden,
-2600 Als Wyrd het heeft beschikt, der menschen Schepper. [496]
- 'k Ben stoutgestemd van zin, zoodat ik daarlaat
- De uitdagingswoorden tot den kampgewiekte.
- Verbeidt gij bij den berg, beschut door 't harnas,
- Gij strijders in het staal, wie 't best van beiden
-2605 Kan onderstaan de wonden na de strijdvlaag.
- Niet uwe taak is dit, niet toegemeten
- Aan een der mannen, dan aan mij den ééne,
- Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte
- En ridderdaân verricht. Ik wil geweldig
-2610 Verwerven 't goud, ofwel zoo rukt de worsteling,
- Het harde levenseuvel mee uw heerscher.»
- Nu rees op 't schild de roembekroonde kamper
- Omhoog, de stoute met den helm, en stapte
- In zijne rusting onder 't rotsgevaarte,
-2615 Slechts steunend op de sterkte van een enkle [497].
- Dat blijkt de handelwijze niet eens bloodaards!
- Toen merkte bij den muur hij, die een menigt
- Gevechten had bestaan, de uitstekend dappre,
- De onstuime bij den strijd, als legers stormden,
-2620 Dat daar een rotsboog stond, vanwaar een stortbeek
- Uitbruiste van den berg; het brongeborrel
- Was brandend door 't vijandig vlammenbraken.
- Niet was hij bij den buit [498] in staat, een stonde
- Het ongedeerd te houden in de diepte,
-2625 Uit hoofde van het vuur des draaks. De heerscher
- Der Wester-Gooten liet nu woorden schallen
- Uit zijnen boezem, want hij was verbolgen.
- De koengezinde riep, en kampschel bruiste [499]
- De stem naar binnen onder 't grauw gesteente.
-2630 De haat was opgehitst. Der schatten hoeder
- Vernam de stem eens mans. Er schoot geen stonde
- Meer over tot het treffen van den vrede.
- Des vijands adem kwam het eerst te voorschijn
- Vanuit het rotsgesteent, het gloeiend strijdzweet.
-2635 De bodem dreunde. Bij de bergkloof schudde
- De held het schild, der Gooten heerscher, tegen
- d'Ontzettingsgast. De zin des ringgekromden
- Was nu geneigd om een gevecht te aanvaarden.
- De dappre krijgerkoning had den degen,
-2640 't Voorvaderlijke zwaard met vlijmend lemmer
- Te voren al gevat, en boosheid broeiend
- Gevoelden beiden ijzing voor elkander.
- Sterkmoedig stond hij bij den breeden schildrand
- Der vrienden vorst, terwijl de worm zich ijlings
-2645 Te zamen wond. Hem wachtte hij in 't harnas.
- Roodgloeiend kwam die kronklend aangegleden,
- Al tuimlend toegeschoten. 't Schild behoedde
- Den wijdbekenden vorst een korter wijle
- Dan zijn verlangen zocht, het lijf en 't leven; [500]
-2650 Daar hij alsdan den eersten keer, de koene
- Te midden der gevechten, moest ervaren,
- Hetgeen hem nooit het noodlot had beschoren. [501]
- Der Gooten heerscher zwaaide hoog de rechte
- En sloeg den gloedontzetbre met het slagzwaard,
-2655 Zoodat het wapen gleed, het blauwgeglansde,
- Op zijn gebeente. Minder hevig beet het [502]
- Dan hij behoefte had de volksbeheerscher
- Door nood genoopt. Nu was de heuvelwachter
- Na dezen wapenstrook in wilde stemming.
-2660 Hij wierp versmachtend vuur, in 't wijde sprongen
- De stralen van den strijd. Der Gooten goudvriend
- Bazuinde geenszins uit zijn zegeluister.
- Nu zwichtte 't zwaard, het blanke, bij den aanval,
- Als 't niet gemoeten, 't langbeproefde lemmer.
-2665 Het was geen blijde weg, als Ecgtheows afkomst,
- De stoute, zijne stelling [503] zocht te ontruimen;
- Naar elders [504] moest hij om des monsters wille
- Verwisselen van woning. Ieder wezen
- Zal desgelijks verlaten 't wufte leven.
-2670 Het leed niet lang daarna, of nogmaals stieten
- De kampers op elkaar. De schatbeschutter
- (Zijn boezem bolde door 't geschuifel) schepte
- Een tweede male moed; weer duldde doodsangst,
- Met vuur omvaâmd, die eerst het volk bestuurde [505] {66}.
-2675 Niet drongen in een drom de handgenooten
- Om hem met heldenzin, der eedlen zonen,
- Maar scholen in het bosch en borgen 't leven.
- Bij éénen hunner woelde 't hart met zorgen:
- Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap
-2680 Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren [506] {67}.
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-
- Wiglaf, zoo heette hij, de zoon van Weohstan,
- Een waarde schildgenoot, een vorst der Schilfings [507],
- Alfheres bloedverwant. Hij zag zijn heerscher
- De laaie dulden onder 't legermasker.
-2685 Hij was alsdan het eigendom gedachtig,
- Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,
- De weeldevolle woning der Waegmundings [508],
- Elk volksbezit [509], gelijk bezat zijn vader.
- Zich houden kon hij niet. Zijn hand omvatte
-2690 Den beukelaar, den gelen bast der linde.
- Hij toog den ouden degen, die het erfstuk
- Eánmundes, Ochters zoon, was bij de menschen;
- Aan welken vreugdeloozen zwerver [510] Weohstan
- Tot dooder werd in 't wapen door de zwaardspits.
-2695 En Weohstan bracht daarop aan diens verwanten [511]
- Den bruingebronsden helm, 't geringde harnas,
- Het oude zijdgeweer, het werk der reuzen.
- Dit schonk hem [512] Onela: de legerkleeren
- Zijns maags, het treflijk heertuig; maar hij repte
-2700 Niet van de vijandschap, ofschoon dat Weohstan
- Toch had ontzield den zoon van zijnen broeder {68}
- Die kostbaarheên behield hij [513] vele jaren,
- Rapier en rusting, tot zijn zoon eens roemdaân
- Volvoeren zou, gelijk weleer de vader.
-2705 Hij gaf hem dies te midden zijner Gooten
- Ontelbre legerkleên, als hij het leven
- Verliet, de hoogbedaagde, voor de heenreis.--
- 't Was de eerste keer voor dezen jongen kamper [514],
- Dat hij den heerstorm waagde met zijn meester.
-2710 Niet smolt zijn moed daarheen, noch miste 't slagzwaard
- Des vaders in 't gevecht. Dat zou ervaren
- De reuzenworm, nadat zij slaags geraakten.
- Wel menig richtig woord verkondde Wiglaf
- En zei (zijn zin was droef) tot zijne makkers:
-2715 «Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen
- En in de hal aan onzen heer beloofden,
- Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings
- Vergelden zouden, mocht hem zulke nooddwang
- Gemoeten, en den helm en 't harde lemmer. [515]
-2720 Daarom toch koos hij ons tot deze kampvaart,
- Te midden zijner schaar, naar eigen schikking,
- En maande ons aan tot moed en schonk mij schatten,
- Omdat hij ons aanzag voor dappre speerlui,
- Helmvoerders onvervaard; al dacht de heerscher
-2725 Dit krachtbestaan alleen tot stand te brengen,
- De volkenmenner, daar hij 't meest der mannen
- Roemdaden heeft verricht en stoute stukken.
- Nu daagde hij de dag, dat onze heirvorst
- De krachten noodig heeft van kloeke krijgers.
-2730 Op! toegestormd, den oorlogsvoogd te steunen,
- Terwijl de hitte duurt, de wilde vuurvrees.
- God weet van mij: mij ware 't wenschelijker,
- Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler [516]
- Het vuur omving. Niet dunkt me dit betaamlijk,
-2735 De schilden weer te brengen naar de woning,
- Tenzij wij eerst den vijand kunnen vellen
- En 't leven hoeden van den Wederhoofdman.
- Ik weet het maar te wel, dat zóó niet waren,
- Zijn daân van vroeger her, dat deze, de eenge
-2740 Der Gootenridders, dulden zou den rampspoed [517]
- En vallen in 't gevecht. Ons beiden blijve
- Vereenigd kling en helm met schild {69} en harnas.» [518]
- Hij stapte door den doodelijken stikwalm [519],
- Den vorst tot steun aanrukkend met het strijdhoofd [520],
-2745 En zei in weinig woorden: «Beste Beowulf,
- Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger
- Gezegd hebt in uw jeugd. Gij zoudet nimmer
- Uw eere laten zinken bij uw leven.
- Gij daadberoemde, vastberaden heerscher,
-2750 Gij moet althans met alle macht uw leven
- Behoeden. Ik verleen u mijne hulpe.»
- Na deze woorden kwam het woedend ondier,
- De gruwe moordgast, voor de tweede male,
- Omblaakt door 't vlamgeblaas, op zijn bestokers
-2755 Zich storten, zijn gehate tegenstanders.
- 't Rondas verteerde door het vuurgekronkel
- Tot op den rand. [521] Beschutting kon de rusting
- Den jongen lansenzwaaier niet verleenen;
- Maar onder 't schild des bloedverwants verschuilde
-2760 De borst zich dan gezwind, omdat het zijne
- Vergaan was in den gloed. De krijgerkoning
- Was dan nog eens zijn heldendaân gedachtig.
- Hij rukte neer met reuzenkracht het kampzwaard,
- Zoodat het in het drakenhoofd zich hechtte,
-2765 Geperst door woest geweld. Daar sprong in splinters
- Zijn Nageling; het zwaard van Beowulf zwichtte
- In dit gevecht, het oude, vaalgevlamde.
- Het was hem niet verleend, dat stalen lemmers
- Hem helpen konden in den kamp. Zijn handgreep
-2770 Was al te kloek, die elke kling, mijns wetens,
- Bij 't treffen overmocht. Al bracht hij mede
- In 't krijt het hardste zwaard, het kon niet helpen.
- Ten derden male was de volksverderver,
- Het dreigend vuurgedrocht, den kamp indachtig.
-2775 Het rukte, nu daartoe zich bood de ruimte {70},
- Den sterke tegen, gloeiend, strijdontstoken,
- En knelde heel den hals met scherpe kaken.
- Hij [522] werd geheel met hartebloed bedropen,
- In golven gulpte weg het vocht der wonde.
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-
-2780 'k Vernam, dat nu in dezen nood des konings
- De rechtgesprongen held zijn spierkracht toonde,
- 't Geweld, de stoutheid, als hem eigen waren.
- Niet telde hij zijn leven {71}, daarentegen
- Werd heel de hand verbrand des koenen kampers,
-2785 Terwijl hij zijnen bloedverwant verweerde;
- Zoodat hij luttel lager stak den strijdgast [523]
- De ridder in 't kuras; zoodat de degen,
- De glimmend gulden, binnengleed en 't gloeien
- Van lieverleên nu aanving na te laten.
-2790 Toen kwam de koning weder tot bewustzijn.
- Hij zwaaide 't slagmes, scherp, ten kamp geslepen,
- Hetgeen hij op het harnas droeg. Nu hakte
- De Wederschuts den reuzenworm doormidden.
- Hij velde neer den vijand, dreef de ziele
-2795 Naar elders [524] heen {72}. Zoo hadden zij de beide
- Door 't bloed verbonden eedlen hem gebroken.--
- Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen--
- Den landheer was 't de laatste zegestonde
- Voor eigen daân, het jongst bedrijf op aarde.
-2800 Alsdan begon de wonde, die de gronddraak
- Had toegebracht, te branden, op te zwellen.
- Hij werd weldra gewaar, dat doodlijk woeden
- Hem golfde door de borst, het gift van binnen.
- Voort ging de vorst, totdat hij bij den bergwand
-2805 Wijszinnig op de zitplaats nederzakte.
- Hij liet den blik op 't werk der reuzen weiden,
- Hoe dat het steengewelf, gesteund door pijlers,
- In zijnen schoot verschool de grijze grondwoon.
- Nu laafde hem met water [525] eigenhandig,
-2810 Den kampbebloeden vorst, den wijdgevierden,
- De held bij uitstek vroom, den vriend en heerscher,
- Des strijdens moe [526]; hij maakte los den hoofdhelm.
- En Beowulf zei, gebukt op zijn kwetsuren {73},
- De doodelijke wond: (Hij wist ter dege,
-2815 Hij had beleefd het tijdsbeloop der dagen,
- Het heil der aard; nu was geheel verstreken
- Der dagen tal en gansch nabij het doodsuur.)
- «Ik zou mijn zoon de legertooisels laten,
- Indien mij eenig erfbewaarder ware
-2820 Na mij bestemd, vermaagschapt met mijn lichaam. [527]
- 'k Bestuurde deze stammen vijftig winters;
- Van al de buren was geen volksgebieder,
- Die zich vermat door middel van de zwaarden
- Mij aan te klampen, mij met angst te omklemmen.
-2825 Op 't stamgoed sleet ik mijne lotsbestemming,
- Bewaarde wel het mijne, zocht geen moordlist,
- Noch legde menig eed af [528] onrechtmatig.
- Dus mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
- Om 't al verheugen; want de Heer der menschen
-2830 Zal mij den moord niet wijten van de magen,
- Nu dat mijn leven scheiden gaat van 't lichaam.
- Begeef u gauw, den schat te schouwen, onder
- Het vale rotsgevaart, mijn waarde Wiglaf,
- Nu nederligt de worm en weedoornageld
-2835 Den sluimer [529] slaapt, beroofd van zijnen rijkdom.
- Nu rep u voort, dat ik den schat des voortijds,
- De gouden have zie, geheel bestare
- De kunstgesteenten, stralend als de hemel;
- Opdat ik na de volheid van kleinooden
-2840 Het leven des te lichter mag verlaten,
- De stamgenooten, die ik lang bestuurde.»
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-
- 'k Vernam, dat onverwijld de zoon van Wichstan
- Na deze woorden zijn gewonden koning
- Gehoorzaamheid bewees, den kampgeknakten,
-2845 En dat hij onder 't rotsdak voorwaarts rukte
- In 't ringnet, zijn gevlochten oorlogsrusting.
- De zegerijke zag bij 't gaan ter zitplaats [530], {74}
- De koene ridder, vele schijfsieraden,
- Het goudgestraal, zich strekkend langs den bodem,
-2850 De wondren langs den wand. Hij zag het leger [531]
- Des vlammendraaks, des ouden uchtendvliegers,
- Ook kruiken staan [532], der voortijdsmenschen kroezen,
- Beroofd van schenkers, met ontrukte tooisels.
- Daar rustte menig helm, aloud en roestig,
-2855 En menig smuk des arms, met smaak gevlochten.
- Licht kan zulk goed, zoo'n goudschat langs den bodem,
- Verblinden wie 't ook zij der menschenzonen. [533]
- Hij hoede zich, alwie zich wil vrijwaren!
- Daar zag hij insgelijks een standerd liggen,
-2860 Geheel van goud, hoog boven op de have.
- Het was het heerlijkst wonderwerk der handen,
- Getrensd door vlechtersvlijt. Een schijn ontschoot er,
- Zoodat hij volgen kon de bodemvlakte
- En in het rond beschouwen al de schatten.
-2865 Van draak geen zweem, hem had toch 't zwaard verdorven.--
- Ik hoorde, hoe de krijger [534] in den heuvel
- De schatten roofde, 't oud gewrocht der reuzen,
- Met schaal en schotels zijnen schoot belaadde
- Naar kust en keur. Ook nam hij met zich mede
-2870 De banderol, het luisterrijkste teeken.
- De degen had geschaad den schatbeheerscher [535],
- (Van staal was 't lemmer) hem, die lange jaren
- De hoeder was geweest van die juweelen {75}.
- Hij had verbreid de heete brandontzetting,
-2875 De moordgewiekte, om 't goud, bij middernachten
- Totdat hij sneefde door den dood der wapens.
- De bode [536] liep, verlangend naar de weerkomst,
- Door 't goud genoopt [537]: hem kwelde 't nieuwsverlangen,
- Of hij, de hooggezinde, nog den heerscher
-2880 Der Weders levend weder zoude vinden,
- In zijne kracht gefnuikt, te zelfder stede,
- Alwaar hij kortelings hem had verlaten.
- Nu vond hij met zijn schat den hoogen meester,
- Zijn bloedbegruisden vorst, aan 's levens grenspaal.
-2885 Alweer begon hij dien met nat te werpen,
- Totdat de punt der woorden door het hulsel
- Des boezems binnendrong. En Beowulf zeide,
- De grijsaard in zijn zorg: (hij zag den goudschat.)
- «Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
-2890 Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
- Voor al de schatten, die ik hier beschouwe,
- Omdat ik deze vóór mijn stervensstonde
- Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
- Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
-2895 Nu lenig gij de nooddruft van de lieden.
- Ik mag voortaan niet langer hier [538] vertoeven.
- Beveel den strijdberoemden [539], op te richten
- Een heuvelgraf een heerlijk, na de houtmijt [540],
- Niet verre van der baren voorgebergte.
-2900 Het zal aldaar, mijn mannen tot gedachtnis,
- Zich hemelwaarts op Hrones klip [541] verheffen,
- Opdat nadien de zeebezeilers 't heeten
- De Beowulfshoogte, zij die hunne bodems
- Ver henendrijven door der golven duister.»
-2905 Vervolgens hief hij van den hals de goudwrong [542],
- De boudgestemde vorst; hij gaf den strijder,
- Den jongen speergeharden, zijnen hoofdhelm,
- Goudgeluw, met zijn ring en wapenrusting
- En hoopte, dat het tot zijn heil zou dienen:
-2910 «Van heel ons maagschap, van de Waegemundings
- Zijt gij de laatste rest; het noodlot rukte
- Mijn stamgenooten naar hun lotsbestemming,
- De krijgers in hun kracht. Ik volg hun voetspoor.»
- Dit was des grijzen jongste woord in 't binnenst
-2915 Van zijnen boezem, voor hij koos de vuurmijt,
- Het heete strijdgegolf [543]. Vanuit het harte
- Ging zijne ziel het heil der heilgen zoeken. [544]
-
-
-
-
-
-XXXIX.
-
-
- Zoo droeg het zich dan toe op droeve wijze
- Voor dezen jongen borst, dat hij ten bodem
-2920 Den liefste zag, op d'uitgang van het leven,
- In hulpeloozen staat. Ook lag de dooder,
- Van 't levenslicht beroofd, de gruwbre gronddraak,
- Daar neder, door den stervensnood bedwongen.--
- De kromgewonden worm hij kon niet langer
-2925 Beschikken over dezen schat van ringen;
- Want hem had weggerukt de snee der wapens,
- Der hamers smeedwerk, hard, gewet ter worstling,
- Zoodat de zwerver, roerloos door de wonden,
- Ten gronde nederbonsde naast de schatwoon
-2930 En langer niet bij middernacht door 't luchtruim
- Klapwiekend waarde en trotsch op zijn bezitting
- Zijn wezen toonde. Maar hij werd ten gronde
- Gedreven door het vuistgeweld des vorsten.
- Het ware wis gelukt aan geen, mijns wetens,
-2935 Der mannen in het land, der machtbezitters,
- Al mocht hij zijn tot elke daad vermetel,
- Van in te gaan op 't snuiven van den gifdraak
- En met de hand de ringzaal aan te randen,
- Indien hij daar den wachter wakend aantrof,
-2940 Genesteld in den berg. Zoo werd aan Beowulf
- Zijn gansche puikschat door den dood vergolden, [545]
- En bracht het elk van beiden tot den eindpaal
- Van 't wufte leven.--'t Leed hierop niet langer,
- Of zij verlieten 't houtgewas de lafaards,
-2945 De loome trouwverzakers, tien te zamen,
- Die welke 't flus niet waagden, met de speren
- Te vechten bij den hoogsten nood huns vorsten.
- Zij naakten nu beschaamd met hunne schilden
- En wapenrustings, waar de grijsaard rustte;
-2950 Naar Wiglaf zagen zij. Hij zat de voetheld
- Vermoeid nabij den schouder van zijn meester
- En wekte hem met water [546]. Niet gelukte 't.
- Niet kon hij, gunde hij het hem ook gaarne,
- Op aard des hoofdmans leven tegenhouden,
-2955 Noch wijzigen in 't minst den wil des Scheppers.
- De macht der Godheid wilde gansch het menschdom
- Met daân beheerschen; als Hij doet tot heden. [547]
- Nu waren gramme woorden bij den jonker
- Voor allen licht te ontvangen, die te voren
-2960 Verloren hadden hunne heldenkoenheid.
- En Wiglaf zeide dan, de zoon van Wichstan,
- De held in 't hart bedroefd, de schuwbren [548] schouwend:
- «Wel mag, wie waarheid spreken wil, beweren,
- Dat uw gebieder, die u bood die schatten,
-2965 Dat strijdgewaad, waarin gij staat gestoken--
- Toen deze bij den bierdisch menigmalen
- Aan zijne halgenooten helm en pantser
- Uitdeelde, hij de heerscher aan zijn helden,
- De beste [549], die hij, 't zij nabij of verre,
-2970 Maar ergens vinden kon--dat die den kamptooi
- Geheel en al verdeed [550] op doembre wijze,
- Nu dat hem dit gevecht heeft overvallen.
- De volksbestuurder had volstrekt niet noodig
- Zich trotsch te toonen op zijn tochtgenooten.
-2975 Toch gunde God, de gever van de zege,
- Dat hij alleen zich wreekte met het lemmer,
- Toen hij behoefte had aan heldenkrachten.
- Ik kon hem luttel lijfbeschutting schenken [551]
- Bij 't strijden, doch begon niettegenstaande
-2980 Den maag te helpen boven mijn vermogen.
- Te zwakker werd hij [552], toen ik met den zwaarde
- Hem wondde, dien belager van het leven {76},
- Het vuur ontwelde minder wild zijn binnenst.
- Den heer omstuwden al te weinig helpers,
-2985 Als de oorlogsstond zich op hem nederstortte.
- De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
- Het heele haardgenot en heil, 't zal alles
- Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
- Verstoken van het landbezit der stammen. [553]
-2990 Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
- Vernemen uwe vlucht vanuit de verte [554],
- Uw roemberoofde daad. De dood is beter
- Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven.» [555]
-
-
-
-
-
-XL.
-
-
- Alsdan beval hij, 't kampbedrijf te konden
-2995 Bergopwaarts langs de zeekaap naar het landgoed [556],
- Alwaar 't gevolg der mannen heel den morgen
- Angstvallig nederzat, de schildbezitters,
- In twijfel tusschen deze twee: den doodsdag
- Ofwel de wederkomst des dierbren konings.
-3000 Geenszins verheelde 't nieuws, het ongehoorde,
- Die [557] over 't strandgebergte kwam gestoven,
- Maar voegde toe aan allen volgens waarheid:
- «Nu is de wenschvervuller van de Weders,
- De vorst der Gooten vastgeboeid op 't doodsbed,
-3005 Bewoont de lijkstee door des monsters daden.
- Aan zijne zijde rust de lijfbelager,
- Zieltogend door den dolksteek. Met den degen
- Vermocht hij niet den worm te slaan een wonde,
- 't Zij min of meer. Wiglaf, de zoon van Wichstan,
-3010 Zit over Beowulf, de eene ridder boven
- Den levenloozen heen; hij houdt de lijkwacht [558]
- Bij deze dooden, voor den vriend en vijand.
- Nu staat een oorlogstijd den stam te wachten,
- Wanneer de val des vorsten aan de Franken
-3015 En Friezen wordt bekend gemaakt in 't wijde.
- De vijandschap, de harde, met de Hugen [559]
- Was dan ontstaan, toen Hyglac kwam gestevend
- Met eene legervloot naar 't land der Friezen,
- Alwaar hem velden in 't gevecht de Franken
-3020 En met geweld door overmacht bewerkten,
- Dat zwichten moest de staalomgorde strijder
- En zonk in zijne schaar. Niet zou de heerscher
- Nog schatten aan de krijgstrawanten schenken.
- Sinds werd ons Merewingers gunst [560] geweigerd.
-3025 Ook hoop ik in 't geheel geen vrede of vriendschap
- Van 't Zwedenvolk. Het was toch verre ruchtbaar,
- Dat Ongentheow aan Hadcyn, zoon van Hredel,
- Het leven bij het Ravenbosch [561] ontrukte,
- Alwaar in overmoed der Gooten mannen
-3030 Het eerst de Schilfings hadden aangeschonden [562] {77}.
- Doch schielijk schonk hem [563] Ochters oude vader [564]
- Den tegenhouw, de grijze, grimvervulde;
- Hij velde neer den watervoogd, bevrijdde
- Zijn vrouwe [565] hij, de grijze, zijne gade,
-3035 Beroofd van goudsieraden, Ochters moeder
- En Onela's; hij zette zijn belagers
- Toen na, tot zij, beroofd van hunnen rijksvorst,
- Ter nauwernood het Ravenbosch bereikten.
- Alsdan omsloot hij de aan het zwaard ontslipten
-3040 Met een geweldig heer, de wondverzwakten,
- En dreigde heel den nacht het arme hoopje
- Herhaald met wee. Hij sprak het uit, hij wilde
- Hen met den morgen door het lemmer dooden,
- Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. [566]
-3045 Doch troost verscheen opnieuw bij 't daggeschemer
- Den hopeloozen [567], toen zij Hyglacs horen,
- Der trompen klank vernamen, nu de kloeke
- Kwam aangerukt op 't spoor der ridderschare.
-
-
-
-
-
-XLI.
-
-
- Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar
-3050 Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,
- Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten.
- Nu stapte heen de stoute [568] met de makkers,
- De ontroostbre grijs, om op den burcht te trekken;
- Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.
-3055 Hij had 't gevecht van Hygelac ervaren {78},
- Des stouten strijdgeweld. Hij telde weinig
- Op tegenstand, dat hij vermocht te stuiten
- Het varensvolk [569], of voor de zeebezeilers
- Zijn goed te schutten met zijn kroost en gade;
-3060 En dicht bij zijnen aardwal {79} dook weer de oude.
- Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden,
- En Hygelac ter hand gesteld hun standaard [570].
- Zij [571] stapten over hun [572] versterkte stelling {80}.
- Nu drongen Hredels drommen [573] naar de schildspits {81}.
-3065 Aldaar werd Ongentheow tot staan gedwongen,
- De grijsgelokte, door der zwaarden lemmer;
- Zoodat de volksbeheerscher had te dulden
- 't Geweld alleen van Eofor. [574] Woedend tastte
- Hem [575] Wulf [576] aan, zoon van Wanred, met het wapen,
-3070 Dat door den strook het bloed ontsprong in stroomen
- Vanonder 't hoofdhaar. Doch hij bleek niet bloode
- De grijze Schilfing, maar hij loonde schielijk
- Den doodelijken slag op slimmer wijze,
- Zoodra zich hemwaart had gekeerd de koning. [577]
-3075 Niet kon de kampgewende zoon van Wanred [578]
- Den ouden held een tegenhouw bestemmen,
- Want deze hieuw hem eerder stuk den helmkam
- Op 't hoofd, dat hij genoodzaakt was te nijgen
- Met bloed bevlekt en op den bodem bonsde.
-3080 Niet was hij toch bestemd om reeds te sterven,
- Schoon hem de wonde sloeg, genas hij weder {82}.
- Dan Eofor liet, de forsche leenman Hyglacs,
- Het breede zwaard, toen nederzeeg zijn broeder,
- De aloude reuzenkling, den helm, hun kunstwerk [579],
-3085 Inbreken boven op de schildverschansing.
- Toen zonk de vorst, de leidsman van de volken;
- Hij was ter dood gewond. Er waren velen
- Die zijnen broer verbonden, ras hem rechtten,
- Daar 't hun [580] was toegevallen 't veld te houden.
-3090 Terwijl beroofde de eene ridder d'andren, [581]
- Ontrukte aan Ongentheow zijn ijzerrusting,
- Het harde zwaard met greep, den helm benevens
- En bracht aan Hygelac des grijzen heertuig.
- Die nam den tooi en zei hem toe vriendschaplijk
-3095 Een loon met zijne liên en deed diensvolgens.
- Het kampgestorm vergold de Gootenkoning [582],
- Hij Hredels zoon, zooras hij 't huis bereikte,
- Aan Wulf en Eofor met onmeetbre schatten.
- Aan ieder hunner schonk hij honderdduizend [583]
-3100 Aan landerijen, met gedraaide ringen.
- Niet onderwond zich eenig man ter wereld
- Dat loon te laken [584], sedert zij de lofdaad
- Voldongen hadden. Ook bedacht hij Eofor
- Alsdan met zijne dochter [585], met zijn ééne,
-3105 Den pronk van 't hof, tot pand van zijne hulde.
- Ziedaar de veete en vijandschap, den doodshaat
- Van 't krijgervolk; waarom ik vreeze koester,
- Dat ons bestoken zal der Zweden strijdmacht,
- Wanneer zij zullen hooren, dat de heerscher
-3110 Van 't leven is beroofd, die land en schatten
- Weleer behoedde tegen haatgezinden,
- De dappre Schyldings na den dood der helden [586] {83};
- Die voorstond 't nut des volks en nog daarboven
- Het ridderwerk volbracht. Het ware 't beste,
-3115 Ons thans te haasten [587], om den volksbeheerscher
- Te zien en naar de branduitvaart [588] te brengen,
- Dengene die met ringen ons bedeelde.
- Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
- Verteeren; maar daar ligt die schat van tooisels,
-3120 Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
- Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
- De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken; [589]
- De man geen tooisels dragen tot gedachtnis;
- Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben
-3125 Om haren hals, maar deze zal rouwzinnig,
- Van 't goud beroofd, wel meer dan eene reize
- Het vreemde land betreên, nu 's legers leidsman [590]
- 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven.
- Hierom wordt menig speer, de morgenklamme [591],
-3130 Door vuisten vastgekneld, omhoog geheven
- Met handen. Geenszins zal het harpgefluister
- De dappren wekken, maar de donkre rave
- Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,
- Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,
-3135 Toen zij de riffen met den wolf beroofde.» [592]
- Zoo zei de koene strijder [593] nare konde
- En geenszins loog hij nopens lot en woorden. [594]
- Nu rees de ridderstoet; zij trokken treurig [595]
- In tranen badend onder 't aargebergte [596],
-3140 Het wonder waar te nemen. Daar ontdekten
- Ze op 't leger in het zand den levenlooze,
- Dengene die hun vroeger ringen gunde.
- Zoo was gedaagd de doodsdag voor den dappre,
- Zoodat de wapenvorst, de heer der Weders,
-3145 Door wondren dood het leven had gelaten.
- Vervolgens zagen zij zeldzamer schouwspel [597]:
- Den reuzenworm, den woestaard nederliggend
- Daar op den bodem tegenover Beowulf. {84}
- De vlammendraak, de stugge dreiggestalte,
-3150 Was door het vuur gezengd. Hij was wel vijftig
- Voetmaten lang op 't leger. Hij vermeide
- Zich met den nachtstond in 't genot der luchten [598]
- En zeeg dan weder neer en zocht de holte,
- Nu lag hij neder, door den dood gekluisterd;
-3155 Hij had het eind van 't holverblijf genoten.
- Daar stonden kruiken nevens hem en kroezen;
- Er lagen schalen met onschatbre zwaarden, [599]
- Verroest, doorknaagd, gelijk zij daar al rustten
- In 't ingewand der aard sinds duizend winters [600].
-3160 Alstoen [601] werd deze reuzig groote rijkdom,
- Het goud der voortijdsmenschen, met een toover
- Omstrikt, dat niemand raken mocht de ringzaal;
- Tenzij dan God, de ware zegekoning,
- (Hij is des stervlings steun) aan wien hij wilde
-3165 Het had vergund den goudschat op te breken,
- Juist zulk een, als hem docht te zijn het voegzaamst.
-
-
-
-
-
-XLII.
-
-
- Zoo hadden dit tot op den dag des oordeels {85}
- De hooggeroemde heerschers [602] diep betooverd,
- Die 't hier verscholen, dat hij schuld zou dragen
-3170 Aan 't wanvergrijp, in 't vloekverblijf gegrendeld,
- In hellekluisters vastgeklonken worden,
- Bezwaard met zonden, die de plaats zou plundren.
- Nu was het klaar, dat niet de kamp beklijfde:
- Aan hem [603], die wederrechtig in den rotswand
-3175 De have had bewaard, (hem had de wachter [604]
- Alleen vooreerst gedood) nu dat de veete
- Met kracht gewroken was. Het is iets wonders,
- Wáár 't wezen zal, wanneer een wapenkrijger,
- Een krachtberoemde, 't eind bereikt des levens;
-3180 Als langer niet de man de medehuizing
- Bewonen mag te zamen met de magen. [605]
- En zoo gebeurde 't Beowulf, als hij opzocht
- Den wachter van den berg, den strijd. Niet wist hij,
- Waardoor geschieden zou zijn levensscheiding. [606]
-3185 Goudgierig was hij niet [607]: hij had volgaarne
- Des goudbezitters gunst gezien te voren. {86}
- En Wiglaf nam het woord, de zoon van Wichstan:
- «Wel menigwerf om wille van een enkle
- Zal menig oorlogsman vervolging lijden, [608]
-3190 Als 't ons nu overkomen is. Wij konden
- Den dierbren heer, den herder van de volken,
- Niet helpen met een raad: dat hij den hoeder
- Des gouds niet ging te lijf, maar dezen liever
- Zou laten rusten, waar hij lang verwijlde,
-3195 Zijn krocht bewonen tot het eind der wereld.
- Ons trof een harde lot. De kostbaarheden
- Zij zijn gezien en moeitevol bemeesterd.
- Te machtig was de buit, die mijn gebieder
- Er henen troonde. Ik heb getoefd daarbinnen,
-3200 In 't ronde 't al gezien, 't sieraad der woning;
- Daar mij gegeven was, vergund de toegang,
- In 't minste niet genoeglijk, in den aardwal.
- Ik greep in aller haast met beide handen
- Een groote reuzenvracht van keursieraden
-3205 En droeg ze weg van daar naar mijnen meester.
- Hij was alsnog bij leven, wijs, bewustvol.
- Veel zei in zorg de grijs. Hij liet u groeten
- En vroeg, dat gij den vriend een brandplaats stichtet,
- Een hoogen heuvel, volgens dezes daden,
-3210 Beroemd en rijzig; daar hij in het ronde
- Der mannen waardste kamper was ter wereld,
- Zoolang als hij genoot de burchtkleinooden.
- Welaan, nu voortgerept een tweede reize,
- Gezien en opgezocht de kunstverzaamling,
-3215 De wonderdingen onder deze wanden.
- Ik wijs den weg, dat gij nabij bewondert
- Genoegzaam ringen met het reuzig goudwerk.
- De lijkbaar sta gereed, bereid ter stonde,
- Als wij te voorschijn komen en vervolgens
-3220 Ons aller vorst, den dierbren man, vervoeren,
- Waar hij in 's Heeren hoede lang zal wijlen.»
- De zoon van Wichstan liet vervolgens weten,
- De wapenstoute held, aan tal van strijders,
- Van landbezitters, dat zij tot den lijkbrand
-3225 De mutsaards brengen moesten uit de verte,
- De legerhoofden naar den goede [609] henen.
- «Nu zal (bij 't zwellen van de zwarte vlammen)
- Het vuur der oorlogslieden vorst verslinden, {87}
- Die dikwijls heeft getrotst den ijzerhagel,
-3230 Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen
- Heenbruiste boven eene schans van schilden,
- En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,
- De schacht zijn diensten deed, den schicht vervolgde.» [610]
- Nu riep te zaam de wijze zoon van Wichstan
-3235 Uit 's konings stoet de zeven beste strijders
- En trok in 't moordvertrek [611] als een van 't achttal.
- Een fakkel hield er een der oorlogshelden
- In zijne hand, die aan het hoofd vooropging.
- Niet lag 't aan 't lot [612] wie rooven zou den rijkdom,
-3240 Nu zonder hoeder hoegenaamd de helden
- Hem opgestapeld zagen in de stede,
- Daar rusten roestverweerd. Niet een dien 't rouwde,
- Toen zij in allerijl naar buiten brachten
- Den kostbren schat. [613] Zij schoven mee het monster,
-3245 Den reuzenworm, langs 't oeverrif en lieten
- Hem grijpen door de golf, der have herder,
- Omvangen door den vloed. Dan werd op wagens
- 't Gewonden goudsieraad, het gansch ontelbre,
- Opeengehoopt, en naar de Walvischhoogte
-3250 De vorst gebracht, de grijze wapenvoerder.
-
-
-
-
-
-XLIII.
-
-
- Nu hoopten op den grond de Gootenhelden
- Een sterken stapel op, omhuifd met helmen,
- Met oorlogsschilden, schitterblanke pantsers;
- Als luidde zijne beê. Vervolgens legden
-3255 Ze in 't midden neer den hoogvermaarden koning
- De droeve helden hunnen lieven heerscher.
- Daarop ontstaken op den berg [614] de strijders
- Den breedsten lijkenbrand. De houtwalm hief zich [615]
- De zwarte boven smook, het vlamgezwirrel,
-3260 Doorkruist met kreten;--'t windgewentel rustte--
- Totdat het had verheerd, de borst doorblakend,
- Het beendrenstel. Zij klaagden lustverstoken
- Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
- Ook zong alzoo de jonkvrouw [616] jammerspreuken
-3265 Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
- Door zorgen aangezet. Zij zei genoegzaam,
- Dat zij de zure rampspoedsdagen duchtte,
- d'Onmeetbren lijkenoogst, den angst der mannen,
- En hoon en hechtenis. [617] Nu had de hemel
-3270 Den rook verzwolgen {88}. Op de rotskaap richtten
- De Wederlieden op een lijkenheuvel,
- Die rijzig was en breed, die in het wijde
- Zou zichtbaar wezen voor de zeebevaarders.
- In tiental dagen bouwden zij 't gedenkstuk
-3275 Des slagberoemden, bij de rest des lijkbrands.
- Zij wierpen eenen wal erom, zoo deugdelijk
- Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden.
- Zij borgen ringen in den berg [618] en tooisels,
- Al zulke sier als krijgsgezinde mannen
-3280 Ontvoerden uit de schatten kort te voren.
- Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
- Het goud in 't zand; alwaar het zit tot heden,
- Zoo nutteloos den mensch, gelijk voorhenen.
- Toen reden rond het graf de wapenwakkren,
-3285 Van de edelliên, van alle twaalf, de loten. [619]
- Zij wilden weder klagen, weer gewagen
- Van hunnen koning, weder spreuken konden
- En nopens hem verhalen al het goede.
- Zij roemden zijnen riddermoed, vermeldden
-3290 Zijn heldenfeiten, volgens hun vermogen,
- Als 't past zijn vorst en vriend door 't woord te prijzen,
- Te heugen in het hart, wanneer hij heenvaart, [620]
- Wanneer hij zich ontledigt van het lichaam.
- Zoo rouwden om den dood des rijksgebieders
-3295 De Gootenhelden al, de haardgenooten.
- Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
- Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen,
- Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst. [621]
-
-
-
-
-
-De Bestorming van den Finnsburg. [622]
-
-
- Nu {89} hief hij aan de wapenjonge heerscher [623]:
- «Niet daagt het in het Oost, niet vliegt er vuurdraak,
- Niet brandt de horentrans [624] van deze halle;
- Maar helden rukken aan met legerharnas,
-5 Gezwaaiden pijlboog; oorlogsvogels [625] zingen; [626] {90}
- Het bruin kuras rinkinkt, het kamphout [627] klettert,
- 't Schild antwoordt [628] aan de schacht. Nu schijnt het
- maanlicht,
- Het volle, door de wolk, nu rijzen weedaân [629],
- Die dezen volkshaat tot volvoering brengen.
-10 Op! waakt nu allen op, gij mijne weerbren,
- Den lindebast [630] gebeurd, gestreefd naar stoutheid,
- Gevochten aan de heerspits, weest heldhaftig!»
- Daar hief zich menig held, met goud behangen [631],
- En gordde zich het zwaard; nu gingen deurwaarts
-15 Sigferd en Eaha, de onversaagde kampers,
- Zij togen 't staal; Ordlaf en Gudlaf stapten
- Nu heen naar de andre deur, en Hengest zelve
- Hij volgde op 't spoor.
- De Strijd-Deen [632] stuurde Garulf [633]
- Nu toe, dat deze dit doorluchtig leven,
-20 Zijn krijgssieraden niet bij de eerste reize
- Zou henendragen naar der halle deuren;
- Daar hij, de wapenstoute, 't [634] wilde nemen. [635]
- Maar over allen heen en onverholen
- Vroeg deze dappre [636], wie de deur bewaarde.
-25 «Mijn naam is Sigeferd, hernam de tweede,
- 'k Ben vorst der Secgen, ver gevierd een ridder,
- 'k Beleefde talrijk leed en sture strijden.
- U weggelegd is dit nu: wat van beide [637]
- Gij zelve wenscht bij mij te komen zoeken.»
-30 Nu was het bij den wand gedreun des doodkamps,
- Nu moest het kille schild {91} ter hand des koenen,
- De beerhelm [638] barsten. Heel de halle schokte;
- Totdat in dit gevecht het eerst ineenkromp
- Van al de krijgers Garulf, zoon van Gudlaf,
-35 En rondom dezen menigeen der dappren.
- Nu zwierf de rave zwierend om de lijken, [639]
- Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig.
- Het zwaardgebliksem ging, of gansch de Finnsburg
- In lichter laaie stond. Nog nooit vernam ik,
-40 Dat beter bij der mannen kamp zich kweten
- En waardiger een zestig zegehelden,
- Noch dat goedgeefser borsten ooit vergolden
- De zoete mede, dan aan Hnäf de mannen.
- Vijf dagen vochten zij, dat van 't gevolgschap
-45 Niet één er zeeg; maar zij de deur bezetten.
- Nu keerde weder een gewonde kamper [640];
- Hij zei, gebroken was 't kuras, onbruikbaar
- Het strijdgewaad, en zijn helmet doorstoken.
- Dan vroeg hem fluks de herder van de volkschaar [641],
-50 Of wél de kampers voeren bij hun wonden,
- Of niet de moed der jonge mannen naliet... [642] {92}
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANMERKINGEN.
-
-
-Vooraf zij opgemerkt, dat de cijfers naar Socins uitgave en niet meer
-naar de vertaling verwijzen.
-
-De vertaling in proza, welke ik soms toevoeg, is die volgens den
-tekst van Socin, tenzij het tegenovergestelde gezegd wordt.
-
-
-
-
-1
-
-
- thenden wordum wéold wine Scyldinga,
- leóf land-fruma lange âhte. 30-31.
-
- Zoolang over de woorden ('t bevel) beschikte de vriend der
- Schyldings,
- de lieve landvorst lang (het gezag) bezat.
-
-
-Deze plaats heeft tot veel geschrijf en gewrijf aanleiding gegeven.
-
-Heyne zoekt het ontbrekend voorwerp van âhte uit wordum weóld van
-het vorige vers op te maken en vult aan: geweald, gezag.
-
-Cosijn verandert lange âhte in lange thrâge: langen tijd.
-
-Regel 31 is dan eene voortzetting van «de eerste gedachte, dat de
-wine Scyldinga reeds tijdens zijn leven de noodige beschikkingen voor
-zijne begrafenis genomen had. Daaraan werd vastgeknoopt de mededeeling,
-dat die regeering langen tijd geduurd heeft.»
-
-Dat nochtans Heynes «kühne Construction door geen enkel voorbeeld
-gestaafd wordt» kan ik niet zoo grif aannemen. Vgl. v. 1003:
-
-Nô thät ydhe bydh tô befleónne «dat zal niet gemakkelijk zijn te
-ontvluchten,» waar thät op een zelfst. naamw. dood moet slaan, dat
-uit voorafgaand aldres or-wêna is op te maken.
-
-Nochtans geef ik toe, dat op eene verminkte plaats als deze laatste
-niet veel te bouwen is.
-
-Andere verklaringen, b. v. die van Rieger, Bugge en Kluge, laat ik,
-daar zij mijn bestek te buiten gaan, in het midden.
-
-
-
-
-2
-
-
- Thâ wäs on burgum Béowulf Scyldinga,
- leóf leód-cyning, longe thrâge
- folcum gefraege. 53-55.
-
- Toen was op den burcht der Schyldingen Beowulf,
- de lieve volkskoning, langen tijd
- den volken vermaard.
-
-
-Beowulf leefde langen tijd op zijnen burcht en niet: hij was langen
-tijd vermaard, alsof hij het nu niet meer was.
-
-lange thrâge bepaalt beter wäs dan gefraege, daarom plaats ik een
-komma na thrâge.
-
-
-
-
-3
-
-
- sibbe ne wolde
- widh manna hwone mägenes Deniga
- feorh-bealo feorran, feó thingian. 154-56.
-
- Uit vriendschap wilde hij niet
- tegenover iemand van de macht der Denen
- het levenseuvel verwijderen, voor geld bijleggen.
-
-
-sibbe is instrumentalis. Nochtans is de vriendschap eerder het gevolg
-der verzoening dan wel de oorzaak.
-
-Daarom komt Bugges verklaring, die sibbe als voorwerp beschouwt van
-wolde en een komma plaatst na Deniga, mij aannemelijker voor.
-
-
-
-
-4
-
-
- nê thaer naenig witena wênan thorfte
- beorthre bôte tô banan folmum. 157-58.
-
-
-Ik vertaal:
-
-
- Noch een der raden dorst er verwachten
-
-
-Schitterender voldoening van den kant des moordenaars door middel
-van de handen d. i. door het zwaard.
-
-Grein:
-
-
- Erwarten durfte da der Weisen keiner
- des Mordes Sühngeld aus des Mörders Handen.
-
-
-Bôte is volgens hem zoengeld en schijnt dit ook te zijn voor Socin,
-daar hij ter plaatse: Leistung zur Sühne, Genugtuung, Tribut aanhaalt.
-
-Doch dan hebben wij slechts eene herhaling van feó thingian, en komt
-nê en beorhtre niet tot zijn recht.
-
-
-
-
-5
-
-
- nê his mynne wisse. 169.
-
-
-(Grendel zou den Deenschen troon niet beklimmen ter oorzake van God)
-noch had hij daar lust toe.
-
-Zoo verklaart Wülcker, waarbij Cosijn zich aansluit.
-
-Socin: ook kende hij niet zijne (Gods) liefde, hetgeen, naar hij
-zelf bekent, stuitend is met het oog op 181-82, «welcher Satz auch
-das Heidentum der Danen hervorhebt.»
-
-
-
-
-6
-
-
- fyrst fordh gewât. 210.
-
- de tijd was verstreken.
-
-
-Ik open hier de parenthese naar 't voorbeeld van Cosijn.
-
-
-
-
-7
-
-
- flota wäs on ydhum,
-
- bât under beorge. 210-11.
-
-
-Under beorge is niet onder den berg (Socin), maar bij den berg
-(Cosijn).
-
-
-
-
-8
-
-
- streámas wundon sund widh sande 212-13.
- Die Stromflut wogte der Sund gen dem Sande. (Grein.)
-
-
-sund is nom. en parallel met streámas.
-
-Socin vat sund verkeerdelijk als acc. op: «de stroomen wonden de zee
-tegen het zand.»
-
-
-
-
-9
-
-
- thonne sägdon thät sae-lidhende,
- thâ the gif-sceattas Geáta fyredon.
- thyder tô thance. 377-79.
-
- toen zeiden dit zeevarenden,
- die de kostgaven der Gooten brachten
- daarheen (naar 't land der Gooten) ten geschenke.
-
-
-Deze opvatting van Grundtvig wordt door Bugge niet aangenomen; immers
-ze doet onderstellen, dat de Gootische zeevaarders, die Hygelac
-geschenken brachten, eerst bij Hrodgars verblijfplaats aanlegden.
-
-Hij leest daarom in plaats van den gen. Geáta den dat. Geátum: zoodat
-het Deensche zeelieden waren, die aan de Gooten geschenken brachten.
-
-Cosijn verandert thyder «daarheen» in hyder «hierheen»; gevers en
-schippers zijn dan Gooten.
-
-Deze laatste verklaring veroorlooft ons, het hier vermelde feit
-met andere gebeurtenissen in verband te brengen; immers niets staat
-het vermoeden in den weg, dat deze geschenken voor Hrodgar werden
-aangevoerd, ter beslechting van de veete met de Wylfingen.
-
-
-
-
-10
-
-
- häbbe ic eác geâhsod, that se aeglaeca
- for his won-hydum waepna ne rêccedh. 433-34.
-
-
-Cosijn teekent hierbij aan: waepna ne reccedh «hij geeft om geen
-wapens,» duplici sensu: hij, de vermetele, draagt geen wapen en vreest
-voor geen wapen, natuurlijk omdat hij zich onkwetsbaar gemaakt had
-door tooverspreuken.
-
-Dit «natuurlijk» wil er bij mij zoo maar niet in.
-
-Beowulf heeft vernomen, dat Grendel niet bang is voor wapens, maar
-dat geen wapen hem kan deren, omdat het door hem bezworen is, weet
-hij niet.
-
-Er bestaat toch een verschil tusschen: hij vreest geen wapen en hij
-heeft geen wapen te vreezen.
-
-Buitendien zou Beowulf in tegenspraak zijn met zijne eigen woorden 680:
-
-
- erschlagen will ich ihn drum mit dem Schwerte nicht
- und so sein Alter kürzen, obwol ichs all so könnte. (Grein.)
-
-
-Welk van beide plaatsen is dan onecht?
-
-Ten slotte zou 792-809 (vert. 808-22) ook geen genade kunnen vinden;
-wat het geval is bij Ettmüller en Müllenhoff, die deze verzen
-uitwerpen.
-
-Ettmüllers beweren: «da Beowulf in seiner Heimat schon wusste, dass
-Grendel nichts von Waffen zu fürchten habe, so werden auch seine
-Begleiter das gewusst haben» berust juist op die verkeerde opvatting
-van waepna ne rêccedh. Beowulf wist dat niet en zijne makkers evenmin.
-
-Müllenhoffs redeneering schijnt mij geheel en al uit de lucht
-gegrepen. Hij zegt: «792-809. Auch diese Verse sind schon von Ettmüller
-verworfen.
-
-Beowulf sagt 680 f. «ich will ihn nicht mit dem schwerte hinstrecken
-und des lebens berauben, obgleich ich es sehr wohl könnte,» theáh ic
-eal mäge. Nur um den waffenlosen Grendel nicht in ungleichem kampfe
-zu bestehen, will auch er nicht der waffen gegen ihn sich bedienen.»
-En hij vervolgt:
-
-«die annahme dieser verse 792-809, dass gegen Grendel mit waffen
-nichts auszurichten sei, weil er sich hiebfest gemacht hatte, ist
-daher ganz ungehörig.»
-
-Iets even «ungehörig» is wel Müllenhoffs lezing.
-
-De tekst zegt niet: Beowulfs makkers wisten, dat er met wapens bij
-Grendel geene eer in te leggen was, maar juist het tegendeel: hîe
-thät ne wiston, zij wisten dat niet.
-
-De slotsom van deze uiteenzetting is, dat waepna ne rêccedh enkel
-en alleen beduidt: Grendel vreest geen wapen, zoodat twee plaatsen
-gehandhaafd blijven, wier echtheid anders aan gegronden twijfel
-onderhevig zou zijn.
-
-
-
-
-11
-
-
- nâ thû mînne thearft
- hafalan hydan, ac hê mê habban wile
- dreóre fâhne, gif mec deádh nimedh. 445-47.
-
-
-Vertaald volgens Thorpe en Cosijn; zoo komt de redegevende beteekenis
-van ac = want beter uit.
-
-Socin denkt aan eene eerewacht, welke volgens de Angelsaksische wet aan
-den koning gegeven werd en dus ook aan Beowulf, die van koninklijken
-bloede was.
-
-Hij vertaalt diensvolgens: «gij hoeft met geene eerewacht mijn hoofd
-te hoeden,» iets waarvan de ongerijmdheid voor de hand ligt, daar
-Grendel het lijk zal meevoeren.
-
-
-
-
-12
-
-
- nô thû ymb mînes ne thearft
- lîces feorme leng sorgian. 450-51.
-
- mir brauchst du nicht
- um meines Leibes Nahrung langer dann zu sorgen. (Grein.)
-
-
-Evenzoo Socin, naar het voorbeeld van Bugge.
-
-De zin komt dus hierop neer: «ben ik dood dan hoeft gij mij den kost
-niet te geven.»
-
-Cosijn wijst er op, dat de oorzaak van Bugges dwaling gezocht moet
-worden «in de letterlijke opvatting van leng met een negatie. Beteekent
-dit «niet langer,» dan heeft Bugge gelijk... Maar ne-leng beduidt hier:
-geen oogenblik, volstrekt niet.»
-
-
-
-
-13
-
-
- for were-fyhtum, thû, wine mîn Beówulf,
- ond for âr-stafum ûsic sôhtest. 457-58.
-
-
-Cosijn verwerpt Bugges vermoeden waere ryhtum thû: door de
-verplichting, die de waêr, het verbond tusschen vorst en trawant
-(waêrgengea) oplegt, uit bondsverplichting.
-
-Daar hij voorloopig geene oplossing te gemoet ziet, berust ik met
-Socin bij de gissing van Grundtvig.
-
-
-
-
-14
-
-
- thaer wäs häledha dreám,
- dugudh unlytel Dena ond Wedera. 497-98.
-
- da war der Helden Jubel
- und nicht wenig Männer der Wedern und der Dänen. (Grein.)
-
-
-Socin kent insgelijks aan dugudh de beteekenis van krijgsschaar toe;
-nochtans verwacht men eenen parallelvorm met dreám.
-
-Dugudh kan hier alleen goed zijn, wanneer het häledha dreám nader
-verklaart. Hymne XI, 11 wordt de aardsche heerlijkheid door dugudhe
-and dreámas aangeduid. (Cosijn).
-
-
-
-
-15
-
-
- Breca naefre git
- ät headho-lâce, nê gehwäder incer
- swâ deórlice daed gefremede
- fâgum sweordum . . . .
- . . . . . . nô ic thäs gylpe;
- theáh thû thînum brôdrum tô banan wurde. 583-88.
-
-
-Socin neemt eene leemte van een vers aan; vandaar dat hij in 't
-vervolg één vers vooruit is op de overige uitgaven.
-
-Ik plaats met Grein nô ic thäs gylpe, dat op zich zelf verstaanbaar
-genoeg is, tusschen haakjes en laat den zin doorloopen.
-
-Niet bral ik dies d. i. op mijnen zwemtocht, eene swâ deórlice
-daed. Socins tittels zijn dus overbodig.
-
-
-
-
-16
-
-
- (swaefon) ealle bûton ânum. Thät was yldum cûdh,
- thät hîe ne môste, thâ metod nolde,
- se syn-scadha under sceadu bregdan;
- ac hê wäccende wrâdhum on andan
- bâd bolgen-môd beadwa gethinges. 706-10.
-
- (sie schliefen) alle ausser einem: Kund ward allen Menschen,
- dass sie der Gramfeind nicht, da Gott nicht wollte,
- der schuldvolle Schädiger durfte unter Schatten schwingen,
- sondern wachend harrte er dem Wüterich zum Aerger
- auf die Begegnung des Kampfs ergrimmten Mutes. (Grein.)
-
-
-Socins gegevens stemmen hiermede overeen.
-
-De tegenstelling ac: sondern komt niet tot haar recht.
-
-Cosijn plaatst thät wäs-bregdan tusschen haakjes en laat ac, dat
-hier redegevend is, op bûton ânum slaan; ac: want verklaart alsdan,
-waarom allen sliepen uitgenomen Beowulf. De punt na ânum zal dan door
-een komma moeten vervangen worden.
-
-
-
-
-17
-
-
- thät wäs tâcen sweotol,
- sydhdhan hilde-deór hond âlegde,
- earm ond eaxle (thaer wäs eal geador
- Grendles grâpe) under geápne hrôf. 834-37.
-
-
-Socin: onder het ruime dak.
-
-«Under geápne hrôf is op te vatten als under beorge 211 (voor den
-berg); het «zegeteeken» van Beowulf werd vóór de deur on stapol «op
-stoep» op het perron gelegd, waar ieder het zien kon.» (Cosijn).
-
-
-
-
-18
-
-
- thaer wäs on blôde brim weallende,
- atol ydha geswing(,) eal gemenged
- hâton heolfre, heoro-dreóre weól;
- deádh-faege deóg, sidhdhan dreáma leás
- in fen-freodho feorh âlegde, 848-52.
-
- daar was in bloed de branding golvend,
- het afschuwelijk golfgeklots, gansch gemengd
- met heeten etter, zwalpte van het zwaardbloed;
- de den dood vervallen (Grendel) verborg zich, terwijl hij
- vreugdeloos
- in de veenverschansing het leven aflegde.
-
-
-Socin kent hier aan sidhdhan de beteekenis toe van terwijl, zoodat
-hij Grendel te gelijker tijd laat onderduiken en sterven, terwijl
-men verwacht, hem te zien sterven, nadat hij ondergedoken is.
-
-Het euvel ware te verhelpen geweest door met sidhdhan eenen nieuwen
-hoofdzin te beginnen en dit te laten slaan op deádh-faege deóg:
-«sedert d. i. nadat hij zich verscholen had, legde hij het leven af.»
-
-Cosijns bemerking kan ik niet beamen: «en leest men na een punt
-sidhdhan, dan begrijpt niemand, waar dit sidhdhan op slaat.»
-
-Ziehier nu, hoe Cosijn den zin omwerkt:
-
-Hij verandert on blôde in blôde, plaatst een kommapunt na heolfre en
-schrapt ze na weól.
-
-Hij steunt op 1631 lagu drûsade ..... wäl-dreóre fâg, om deádh-faege
-in deádh-fâge (= wälfâge, bont door den moord) te veranderen.
-
-Vandaar verwerpt hij deádh-faeges deóp «des veegen diep» van Sievers
-en leest in plaats daarvan deádh-fâge deóp «het moordgepurperd diep.»
-
-Ten slotte is heoro-dreóre weól deádfâge deóp parallel met het
-voorgaande.
-
-
-
-
-19
-
-
- word ôdher... sôdhe gebunden 871 d. i. nieuwberijmde woorden.
-
-
-
-
-20
-
-
- wel-hwylc gecwädh
- thät hê fram Sigemundes secgan hyrde
- ellen-daedum. 875-77.
-
- hij zei alwat
- hij had hooren zeggen van Sigemunds
- krachtdaden.
-
-
-Bij Cosijn is wel-hwylc = aêghwylc (iedereen) en nom. sing. in plaats
-van acc. neutr.
-
-
-
-
-21
-
-
- Sê wäs wreccena wîde maerost
- Ofer wer-theóde, wigendra hleó
- ellen-daedum: he thäs âron thâh.
- Sidhdhan Heremôdes hild swedhrode,
- eafodh ond ellen. 899-903.
-
- Deze (Sigmund) was der helden wijd vermaardste
- boven de volken, der kampers scherm
- door krachtdaden: des nam hij toe in eer.
- Sedert nam Heremodes kampgeduchtheid af,
- Zijn sterkte en moed.
-
-
-Het springt in 't oog, dat Heremod hier met de haren er bij getrokken
-is. Immers welk verband bestaat er tusschen sidhdhan 902 en het
-voorafgaande? Hoegenaamd geen.
-
-De verschillende pogingen tot verbetering laat ik onbesproken.
-
-Müllenhoff schijnt mij het ware getroffen te hebben, en het zij mij
-geoorloofd hier bij te voegen, dat ik buiten hem om op eigen hand
-tot dezelfde uitkomst was geraakt.
-
-Hij verbindt sidhdhan «nadat» met den hoofdzin sê wäs en plaatst een
-komma na ellen-daedum.
-
-hê thäs âron thâh komt in aanmerking als een ingelaschte zin. Men
-vergelijke de vertaling.
-
-Een klein bezwaar heb ik tegen een van Müllenhoffs verdere
-ophelderingen: Sigmund is niet de voornaamste held geweest vóór
-Heremod maar na Heremod.
-
-1º Het is de natuurlijke uitlegging van den zin: Sigmund was de
-vermaardste held, sinds Heremods kracht was afgenomen.
-
-2º Heremod komt op de stamtafels der Angelsaksische koningen
-als voorvader van Wôdan voor en wel op de 6de plaats van bovenaf
-te beginnen, onmiddellijk voor Sceldwa (Scyld). Vgl. Ettmüller,
-Einleitung bl. 7, en Sievers, Beiträge, XVI bl. 361.
-
-3º hê his leódum weardh... tô aldor-ceare 906: «hij werd zijne lieden
-tot levenskommer» laat ik slaan op Sigmund.
-
-Welnu er volgt onmiddellijk: Zoo ook (evenals bij Sigmund) betreurde
-aerran maelum, in vroeger dagen menig held den tocht van Heremod. Ergo
-leefde deze naar de voorstelling des dichters in een vroeger tijdperk
-dan Sigmund.
-
-
-
-
-22
-
-
- Hê mid eotenum weardh
- on feónda geweald fordh forlâcen,
- snûde forsended. Hine sorh-wylmas
- lemede tô lange, hê his leódum weardh,
- eallum ädhelingum tô aldor-ceare. 903-7.
-
-
-Over de letterlijke vertaling dezer verzen zijn de uitgevers het
-eens, insgelijks over het feit dat vv. 908-14 van Heremod gewagen;
-doch de knoop ligt hier:
-
-Is er sprake van Sigmund ofwel van Heremod, en in hoeverre? Immers
-de Angelsaksische tekst springt meer dan eens nog al wild om met de
-persoonlijke voornaamwoorden, zoodat de lezer zich moet afvragen,
-wie eigenlijk gemeend is.
-
-Deze eigenaardigheid, welke de duidelijkheid in den weg staat,
-doch de critiek eene ruime stof tot bespreking aan de hand doet,
-is buiten kijf toe te schrijven aan het ontstaan van het epos uit
-verschillende afzonderlijke liederen.
-
-Bugge laat den heelen zin op Heremod slaan: deze werd forlâcen:
-verraden, on feónda geweald: in de macht des duivels, snûde: door
-eenen plotselingen dood.
-
-Daar hij geenen weg weet met de tegenspraak tusschen: hine sorhwylmas
-lemede tô lange, dat eenen goeden, en: he his leódum weard... tô
-aldor-ceare, dat eenen slechten Heremod veronderstelt, verandert hij
-hine sorhwylmas in: sorhwylma hrine: «door den greep der woelende
-zorgen verlamde hij het volk te lang.»
-
-mid eotenum = onder de reuzen; zoo worden Heremods vijanden
-geheeten wegens de aanleuning met Sigmund, daar de dichter de eerste
-Heremod-episode aan de Sigmund-episode heeft vastgeknoopt.
-
-De schering en inslag zijner redeneering is als volgt:
-
-De latere tijd, waarin Heremod zijne lieden tot levenskommer wierd
-905-7, wordt vergeleken met vroegere tijden, aerran maelum 908-14.
-
-Ook in het eerste tijdperk van zijn leven beantwoordde hij niet aan de
-verwachtingen van zijns vaders raadgevers. Hij ontving niet 's vaders
-adel, hij verdedigde niet het volk en het rijk der Schildingen. Hij
-ondernam toen eenen tocht sîdh 909, dien menig wijze man afkeurde:
-In plaats van het hard bestookte rijk te verdedigen, was hij naar
-elders vertrokken, waarschijnlijk om daar te kampen.
-
-Later kwam hij terug en heerschte zoo gruwzaam over de Schildingen,
-dat hij verraden en in de eenzaamheid vermoord werd. 903-5. Tot
-hiertoe Bugge.
-
-Het gaat niet aan, de lezing van het Hs. zoo maar over boord te werpen,
-vooral als geen andere grond kan ingeroepen worden, dan het niet alleen
-staande gebruik van het enkelv. lemede bij een meervoudig onderwerp,
-mid eotenum blijft in de toepassing op Heremod altijd gewaagd.
-
-Eindelijk, en dit is het voornaamste bezwaar, wordt Sigmund geheel
-en al uit het oog verloren, alsof er geen betrekking tusschen hem en
-Heremod bestond.
-
-Waarom heeft de dichter hem dan met Heremod in verband gebracht? In de
-Edda worden zij ook te zamen genoemd, dat is dus niet louter toevallig.
-
-Blijkens mijne vertaling betrekt zich hê 903, hine 905, hê 906
-uitsluitend op Sigmund. Na tô lange plaats ik een dubbel punt; hê his
-leódum weardh to aldor-ceare zinspeelt op Sigmunds dood in de macht
-der Nevelingen.
-
-Zoodoende blijft de tekst gewaarborgd, staat mid eotenum op zijne
-plaats, wordt Sigmund niet doodgezwegen, en vervalt alle tegenspraak.
-
-Door Heremods sidh «gang, tocht» is dan zijn vertrek in de ballingschap
-te verstaan, hetzij hij de tegenkanting moede vrijwillig ging,
-hetzij gedwongen.
-
-Immers v. 916 wordt gezegd, dat «vervolging, vijandschap» aan Heremod
-ten deel viel, hine fyren onwôd.
-
-
-
-
-23
-
-
- stôd on stapole, geseah steápne hrôf
- golde fâhne ond Grendles hond. 927-28.
-
-
-(Hrodgar) stond tegen eene zuil, zag naar het steile dak het goudbonte
-en naar Grendels hand.
-
-
- sidhdhan ädelingas eorles cräfte
- ofer heáhne hrôf hand sceáwedon. 983-84.
-
- sinds de edellieden dank aan des helden kracht
- over den hoogen dakstoel de hand schouwden.
-
-
-«Het heeft er veel van, alsof de hand later boven of ter hoogte
-van het dak was aangebracht... We weten nu wel beter, dank zij
-Miller. Verkeerdelijk verklaart Socin: ofer heâhne hrôf, über den
-hohen Dachstuhl hinweg, d. i. den Raum des Dachstuhls ausfüllend;
-ergo ofer = under!
-
-Ten slotte: vs. 1303 moet Grendel's hand weer van het dak
-verwijderd zijn, want zijn moeder klautert niet naar boven.»
-Cosijn. Vgl. Aanm. 17. Millers opstel over deze plaats heb ik niet
-kunnen raadplegen.
-
-
-
-
-24
-
-
- (sceáwedon) feóndes fingras, foran aeghwylc;
- wäs stêdra nägla gehwylc style gelîcost. 985-86
-
-
-Mijne vertaling van deze veel bestreden plaats sluit zich bij
-Socin aan.
-
-Sievers plaatst een dubbel punt na fingras, zoodat foran aeghwylc
-tot wäs behoort; hij leest stîdhra (hard) in plaats van stêdra (vast):
-
-«van voren was elk der harde nagels het meest gelijkend op staal.»
-
-Cosijn houdt het met het Hs: steda en slaat aêghwaêr (in plaats van
-aêghwylc) voor, dat met een gen. van plaats verbonden wordt: aêghwaêr
-steda, op alle plaatsen (waar nagels groeien). Wij krijgen dus:
-
-«Op alle plaatsen waren de nagels van voren (de punten der nagels)
-het meest gelijkend op staal d. i. hard als staal.»
-
-
-
-
-25
-
-
- Nô thät ydhe bydh
- tô befleónne (fremme se the wille!)
- ac gesacan sceal sâwl-berendra
- nyde genydde nidhdha bearna
- grund-bûendra gearwe stôwe,
- thaer his lîc-homa leger-bedde fäst
- swefedh äfter symle. 1003-9.
-
- nicht leicht wirds einem,
- dem zu entfliehen (vollführ' es wer da will!)
- sondern suchen soll der Seelentragenden
- der Erdbewohner jeder, der Edelinge Kinder,
- mit Gewalt genötigt die wartende Stätte,
- allwo sein Leichnam dann am Lagerbette fest
- (nach den Mahle) schläft.
-
-
-Aldus Grein, doch met de beteekenis van symle: beständig. Deze
-gebrekkige plaats biedt twee moeilijkheden aan:
-
-1º Waarop betrekt zich thät 1003?
-
-Ik blijf het antwoord schuldig, tenzij ik met Thorpe uit aldres
-or-wêna «aan 't leven vertwijfelend» het antecedent dood opmaak.
-
-2º Ziehier der lange rede korten zin: de dood is niet gemakkelijk te
-ontvlieden, want iedereen zal sterven!
-
-Mijne vertaling tracht er eene mouw aan te passen: lîc-homa is lichaam
-en niet lijk; leger-bedde fäst is «gekluisterd op het rustbed» en
-niet op het doodsbed, waarvoor on wälbedde 965 en deádbedde fäst
-2902 voorkomt.
-
-fremme sê the wille is eene flauwe opmerking.
-
-Men zou eerder: «volvoere hij wat hij wil» of iets dergelijks
-verwachten.
-
-
-
-
-26
-
-
- fore Healfdenes hilde-wîsan 1065
-
-
-Naar Cosijn kan dit alleen beteekenen: voor de oogen d. i. in
-tegenwoordigheid of ten aanhooren van Healfdeens krijgsoverste.
-
-Indien dit zoo is, en niemand zal op het gebied der Angels. taalkennis
-zijn gezag in twijfel trekken, zou dan de moeilijkheid niet uit den
-weg te ruimen zijn door Healfdenes in Healfdena te veranderen? De
-vertaling zou luiden:
-
-
- Toen werd gezang en klank te zaam vereenigd
- In 't bijzijn van den vorst der Hallef-Denen
-
-
-d. i. van Hrodgar; immers Halfdeen en Deen kunnen voor elkaar gebruikt
-worden. Vgl. 1091.
-
-
-
-
-27
-
-
- thonne heal-gamen Hrôdgâres scop
- äfter medo-bence maenan scolde. 1067-68.
-
-
-Na heal-gamen plaats ik een kommapunt en onderversta wäs: nu was
-er hallevreugd.
-
-Derhalve moet er bij Socin, indien zijn heal-gamen nom. sing. geen
-vergissing is, noodwendig een scheiteeken volgen.
-
-De uitgevers zien in heal-gamen een acc. afhangende van maenan;
-thonne leidt alsdan den bijzin in:
-
-(Het lied werd aangeheven), toen Hrodgars zanger de hallevreugde
-langs de medebanken moest verkonden.
-
-Cosijn koestert nochtans bedenkingen tegen den vorm: healgamen maênan.
-
-
-
-
-28
-
-
- thät hê ne mehte on thaem medhel-stede
- wîg Hengeste wiht gefeohtan,
- nê thâ weá-lâfe wîge forthringan
- theódnes thegne. 1083-86
-
- dat hij geenszins vermocht op de onderhandelingsplaats
- aan (met) Hengest den kamp te kampen,
- noch (zijne) ongeluksresten in den strijd te ontrukken
- aan 's konings veldheer.
-
-
-Wîg komt tweemaal voor; buitendien zeggen 1085-86 in den grond
-hetzelfde als de twee voorafgaande verzen.
-
-Waar blijft dan de kracht van nê: noch 1085, dat toch iets anders
-moet te berde brengen?
-
-Rieger krijgt een goeden zin, mits de geringe verandering van wîg
-Hengeste wiht gefeohtan in wiht Hengeste widh gefeohtan: Finn kan
-noch een voordeel verkrijgen, noch datgene behouden wat hij nog bezat.
-
-Ik heb Riegers gewijzigden tekst gevolgd.
-
-
-
-
-29
-
-
- hire selfre sunu. 1116.
-
-
-Sunu is niet acc. sing. als bij Socin en Ettmüller, maar acc. plur.:
-«die eignen Gebornen.» (Grein.)
-
-
-
-
-30
-
-
- Gewiton him tha wîgend wîca neósian,
- freóndum befeallen Frysland geseón,
- hâmas ond heá-burh. 1126-28.
-
-
-In sommige bijzonderheden wijkt Socin van Bugges opvatting der
-Finnepisode af.
-
-De wîgend: strijders zijn voor hem andere Denen, die inmiddels zijn
-overgekomen, om hunne vrienden, waarvan zij zoo lang beroofd waren,
-te bezoeken.
-
-heà-burh is dan de Finnsburg en bevindt zich in Friesland.
-
-Men kan Socin in overweging geven, waarom Hengest, na deze versterking,
-nog den ganschen, langen winter blijft dralen, alvorens zijn opzet
-uit te voeren; daar toch Finns krijgers tot een onbeduidend hoopje
-geslonken zijn?
-
-
-
-
-31
-
-
- odh thät ôdher côm
- geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh,
- thâ the syngales sêle bewitiadh,
- wuldor-torhtan weder. 1134-37,
-
- totdat een ander jaar gekomen was
- in het hof, zooals het nu nog doet,
- indien men voortdurend op den gunstigen tijd let,
- op het heerlijk heldere weder.
-
-
-Socin vat thâ the als indien en wuldor-torhtan weder als acc. op;
-dit laatste ook Grein.
-
-Deze verklaring komt mij al te gezocht voor; om te weten dat de lente
-geregeld terugkomt, moet men toch geen weerprofeet zijn.
-
-De onregelmatigheid bestaat hierin, dat het relat. plur. thâ zich
-niet alleen betrekt op geâr; maar ook op een woord, dat volgt, op
-wuldor-torhtan weder.
-
-Alsdan is de zin: totdat een ander jaar, de lente kwam,
-welke voortdurend op hun tijd letten d. i. te hunnen tijde
-verschijnen. wuldor-torhtan weder is dan nom.
-
-Cosijn verdedigt deze opvatting.
-
-Zou men de volgorde der verzen niet kunnen wijzigen en lezen:
-
-
- odh thät ôdher côm
- geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh,
- wuldor-torhtan weder, thâ the syngales
- sêle bewitiadh?
-
-
-
-
-32
-
-
- worod-raedenne. 1143.
-
-
-Möller en Bugge vertalen dit woord door Gefolgschaftsverhältnis,
-leenmanschap.
-
-Cosijn staaft door verscheidene aanhalingen, dat worod-raedenne alleen
-«troepschap, troepuitmaking, troep» kan beteekenen. Mijn «wapenlieden»
-is eene toenadering tot deze beteekenis.
-
-
-
-
-33
-
-
- swâ hê ne forwyrnde worod-raedenne,
- thonne him Hûn Lâfing hilde-leóman,
- billa sêlest, on bearm dyde:
- thäs waeron mid Eotenum ecge cûdhe. 1143-46.
-
-
-Cosijn neemt weer de oude verklaring op van Hornburg, die voorslaat,
-Hûnlâfing niet te scheiden en als den naam van één persoon te
-beschouwen. De zin is alsdan:
-
-Dus weigerde Hengest niet zich bij den troep aan te sluiten (tot
-de samengezworen Denen over te gaan), toen Hunlafing (een der
-samenzweerders) hem het zwaard aanbood, welks snede onder de Friezen
-beroemd was (dat in den kamp met de Friezen reeds goede diensten
-had bewezen).
-
-Moet men Hûnlâfing met Bugge in twee of met Cosijn in een woord
-lezen? Adhuc sub judice lis est.
-
-Wat ten gunste van den laatste pleit is, dat Hengest niet meer noodig
-had Finns leenman te worden, daar hij het al was; immers had hij hem
-niet sinds een jaar als koning aanerkend?
-
-
-
-
-34
-
-
- ne meahte wäfre môd
- forhabban in hredhre. 1151-52.
-
- niet kon (Finns) weifelende levensgeest
- zich houden in de borst.
-
-
-d. i. Finn moest sterven. Socin ziet over het hoofd, dat ne meahte
-forhabben: zich niet inhouden, zich niet betoomen beduidt. Vgl. 2610
-ne mihte thâ forhabban: Wiglaf kon zich toen niet meer inhouden,
-maar zijne hand greep het schild enz.
-
-Cosijn verwerpt Bugges opvatting (zie Vert.) en laat meahte slaan òf op
-(Finnes) môd òf op Finn zelf.
-
-De zin is in deze veronderstelling:
-
-Zoo greep nu Finn de wapendood in zijne eigen woning, nadat Gudlaf
-en Oslaf hunnen grooten rampspoed aan Finn hadden verweten. Bij die
-verwijtingen kon Finn zijn bruisend gemoed, zijnen toorn niet in zijne
-borst betoomen. (ofwel: kon Finns bruisend gemoed zich niet betoomen.)
-
-Wie van beiden heeft het ware voor?
-
-
-
-
-35
-
-
- Ad. 1158.
-
-
-Dat Hildeburg waarschijnlijk eene in den oorlog geschaakte Deensche
-vorstin is, als Socin voorgeeft, blijkt nergens. Vgl. vert. 1085 nota.
-
-Zijne verwijzing naar 2931 is glad verkeerd; daar is sprake van
-Ongentheows echtgenoote, Elan, en niet van Hildeburg.
-
-
-
-
-36
-
-
- heal swêge onfêng 1215.
-
-
-Socin behoudt de lezing van het Hs. «de hal ontving het gejubel»
-d. i. de hal weerklonk van het gejubel.
-
-«Maar de uitdrukking is te singulier»; vandaar dat Cosijn healsbêge
-onfêng: «Wealchtheow ontving de halsboot» voorslaat.
-
-
-
-
-37
-
-
- druncne dryht-guman, dôdh swâ ic bidde 1232
-
- ihr trunknen Helden, thut wie ich euch bitte. (Grein.)
-
-
-Het verzoek der koningin kan toch niet tot doel hebben, zooals Sievers
-zegt, om de helden tot pooien aan te zetten. Wat moeten zij dan doen?
-
-Sievers verandert dôdh in dô en doet het op het boven aan Beowulf
-gerichte verzoek slaan.
-
-Kluge ziet er met recht eene opwekking in om eensgezind te blijven
-en verandert is 1229 in si (sî) d. i. in de bijvoegende wijs. In
-hetzelfde opstel wijst hij er op, dat men de oude uitgevers dient te
-raadplegen: «Grade die älteren Editoren haben manchen guten Gedanken
-gehabt, der nie recht zur Geltung gekommen ist.»
-
-Welnu zijne opvatting bevindt zich reeds bij Ettmüller, welke bij thut
-wie ich bitte aanteekent: «trinket und seid in Eintracht fröhlich.»
-
-Ik stel voor na swâ een komma te plaatsen: dôdh swâ, ic bidde: «doet
-alzoo, ik verzoek het u.»
-
-swâ ziet alsdan terug op 1229-30 hêr is aeghwylc eorl ôdhrum getrywe
-enz.
-
-
-
-
-38
-
-
- beór-scealca sum
- fûs ond faege flet-räste gebeág. 1241-42.
-
-
-Grein: der Bierdiener mancher; Socin in voce beór-scealc: einer von
-Hrodgârs Gefolgsleuten.
-
-Daar sum in beide beteekenissen voorkomt, staat de keus vrij; vooral
-nu het gedicht, dat in het vervolg van geenen beór-scealc rept,
-geene uitkomst oplevert.
-
-
-
-
-39
-
-
- thaer on bence wäs
- ofer ädhelinge ydh-gesêne
- headho-steàpa helm 1244-46.
-
- An der Bank war da
- offen sichtbar über dem Edelinge
- der ragendhohe Helm. (Grein.)
-
-
-Wie is die edelman? Het kan niemand anders zijn dan Beowulf. Of is
-hier soms béor-scealca sum, ofwel de veel later genoemde Aschere
-gemeend? Voor Socin, in voce ädheling, is het Beowulf.
-
-Doch Beowulf was er niet, näs Beowulf thaer 1300, later wordt hij
-geroepen 1311.
-
-Bij gevolg blijft er niets anders over dan het enkelv. ofer ädhelinge
-in het meerv. ofer ädhelingum te veranderen.
-
-Het zijn alsdan de in Heorot vernachtende Deensche krijgers.
-
-
-
-
-40
-
-
- thät gesyne weardh,
- wîd-cûdh werum, thätte wrecend thû gyt
- lifde äfter lâdhum, lange thrâge
- äfter gûdh-ceare. 1256-59.
-
-
-thätte wrecend thâ gyt lifde «dat er nog een wreker leefde» is volgens
-Ettmüller, Grein en Müllenhoff niemand anders dan Grendels moeder.
-
-Maar welke waarde moet dan toegekend worden aan lange thrâge, eenen
-langen tijd?
-
-Er waren toch hoogstens 24 uren verloopen sedert Grendels dood!
-
-Het ligt dus voor de hand, dat Grendels moeder onmogelijk kan bedoeld
-worden. Grendel had gedurende twaalf jaren in Heorot vreeselijk
-huisgehouden, na dien langen tijd zou God hem straffen.
-
-Deze verzen zijn uit de pen gevloeid van den christelijken nadichter.
-
-
-
-
-41
-
-
- thonne wê on orlege
- hafelan weredon, thonne hniton fêdhan,
- eoferas cnysedan. 1327-29.
-
-
-Is het wel noodig met Socin eoferas overdrachtelijk te verstaan voor
-koene krijgers? Kan het woord niet met Grein in letterlijke beteekenis
-worden opgevat: als de evers, die zich op de helmen bevonden, op
-elkander instormden?
-
-De aanschouwelijkheid der voorstelling zou er veel bij winnen.
-
-Buitendien wordt in ons gedicht een dapper krijgsman wel wolf geheeten,
-maar nergens ever: heore-wearh 1268, freca Scyldinga 1564.
-
-Cosijn stelt voor de interpunctie te wijzigen; dan vervalt het boven
-gezegde.
-
-Hij plaatst thonne hniton fêdhan tusschen haakjes en ziet in eoferas
-eenen acc. beheerscht door cnysedan:
-
-«Als wij in den oorlog het hoofd beschermden (terwijl de voetknechten
-op elkander stieten) en de helmevers verbrijzelden.»
-
-
-
-
-42
-
-
- ge feor hafadh faehdhe gestaeled 1341.
-
-
-Cosijn bewijst uit andere teksten, dat faehde staelan niets anders
-kan beteekenen dan «veete, vijandschap bedrijven.»
-
-Socins verklaring: «Grendels Mutter hat uns fernerhin ihre Feindschaft
-auferlegt» kan dus niet in aanmerking komen.
-
-
-
-
-43
-
-
- lond-bûend 1346 nom. plur.
-
-
-Dit zal wel eene drukfout wezen voor acc. plur.
-
-Eveneens fyr 1367, waarbij het acc. sing. en niet nom. sing. moet
-heeten.
-
-
-
-
-44
-
-
- thâ wäs hwîl däges,
- aer hê thone grund-wong ongytan mehte. 1496-97.
-
- er was de duur van eenen dag mede gemoeid,
- alvorens hij de bodemvlakte kon bereiken.
-
-
-Müllenhoff kent aan hwîl däges de beteekenis toe van eine stunde
-tages en niet ten onrechte.
-
-De meening van Socin en anderen is in tegenspraak met de
-feiten. Beowulf kon geenen ganschen dag noodig gehad hebben, om
-den bodem van het meer te bereiken, daar hij zich 's morgens op weg
-begeeft en om 3 uur 's namiddags weer terug is 1601.
-
-Hoe kon ook het water blijkens 1592 vlg. aanstonds, sôna, roodgekleurd
-zijn?
-
-Eindelijk moest Beowulfs terugkomst uit de diepte ook weer eenen
-ganschen dag in beslag nemen!
-
-
-
-
-45
-
-
- swâ hê ne mihte nô (hê thäs môdig was)
- waepna gewealdan. 1509-10.
-
- Zoodat hij niet vermocht (hij was daartoe moedig)
- over de wapens te beschikken.
-
-
-Om wille van de juiste verdeeling van het vers verbinden Sievers
-en Cosijn de ontkenning nô met de parenthese: nô hê thäs mödig wäs;
-daar nô als begin van het laatste halfvers meer voorkomt.
-
-
-
-
-46
-
-
- Oferwearp thâ wêrig-môd wigena strengest,
- fêdhe-cempa, thät hê on fylle weardh. 1544-45.
-
- Zielsvermoeid struikelde toen de sterkste der strijders,
- der voetkampers, dat hij kwam te vallen.
-
-
-Cosijn brengt de vertaling dezer verzen volgenderwijze terecht:
-
-oferweorpan beteekent «omverwerpen» en is overgankelijk. Ter wille
-van deze plaats fabriceert men een intransitief oferweorpan in den
-zin van «struikelen.»
-
-De wolvin is hier onderwerp en werpt bij wijze van andleán Beowulf op
-den grond. Ze is wêrigmôd, doordat ze on flet gebeáh. In plaats van
-strengest leze men strengel en voege aan fêdhecempa eene n toe, die
-het Anglisch origineel waarschijnlijk niet kende. Dus fêdhecempan acc.
-
-
-
-
-47
-
-
- rodera raedend hit on ryht gescêd
- ydelîce, sydhdhan he eft âstôd. 1556-57.
-
-
-Sorin verbindt in voce ydelîce dit laatste met âstôd:
-
-
- de hemelbestuurder besliste het volgens recht,
- met gemak stond hij daarna weder op
-
-
-In dit geval hapert er iets, nl. de zinstorende wijze, waarop hij de
-scheiteekens plaatst, immers het komma na ydelîce moet wegvallen en
-na gescêd staan.
-
-Sievers verbindt ydelîce met gescêd:
-
-God besliste het gemakkelijk volgens recht en toen stond Beowulf
-weder op.
-
-Cosijn heeft het ware voor. Men raadplege de vertaling.
-
-Immers Gods hulp bestaat niet hierin, dat hij Beowulf weder laat
-opstaan; maar dat hij hem het reuzenzwaard aan den wand laat bemerken.
-
-Vgl. v. 1662: «God verleende mij, dat ik een oud reuzenzwaard zag
-hangen.»
-
-
-
-
-48
-
-
- hwîlum hê on lufan laetedh hworfan
- monnes môd-gethonc, maeran cynnes. 1729-30.
-
- Somtijds laat hij (God) op landbezit gaan
- den hartelust eens mans van vermaard geslacht.
-
-
-Cosijns verklaring geeft niet alleen aan lufa = liefde de juiste
-beteekenis, maar past ook het beste in den samenhang:
-
-God laat zijnen geest (môd-gethanc) verkeeren (ontbranden) in liefde
-(on lufan) voor eenen man enz.
-
-Heyne-Socin kennen aan lufa de beteekenis van «Grundbesitz, Ländereien»
-toe, ofschoon zij luf-tâcen 1864 door «Liebeszeichen» heáhlufan 1955
-door «hohe Liebe» en lufian 1983 door «lieben» weergeven.
-
-
-
-
-49
-
-
- heht thâ se hearda Hrunting beran,
- sunu Ecglâtes, heht his sweord niman,
- leóflîc îren; sagde him thäs leánes thanc. 1808-10.
-
-
-Deze plaats is voor verschillende verklaringen vatbaar. Grein vertaalt:
-
-
- Da hiess den Hrunting der Beherzte bringen
- der Sohn des Ecglaf, hiess ihn sein Schwert empfangen,
- das liebliche Eisen. Er dankte der Liebesgabe.
-
-
-Het onderwerp van heht 1808 en 1809 is se hearda d. i. Unferd; sunu
-Ecglâfes is bijstelling van se hearda.
-
-Integendeel, het onderwerp van sägde is Beowulf.
-
-Zoo blijft de lezing van het Hs. leänes, dat «loon, vergelding»
-beteekent, doch hier dienst moet doen in den zin van «geschenk,
-Liebesgabe.»
-
-Volgens Greins opvatting moet de lezer veronderstellen, dat Beowulf
-het zwaard inmiddels aan Unferd heeft teruggegeven, iets waarvan het
-gedicht geene melding maakt.
-
-Waarom had Unferd het dan niet aanstonds geweigerd? Buitendien biedt
-het onderwerp van sägde iets onregelmatigs aan, want het is niet
-hetzelfde als dat van heht in den onmiddellijk voorafgaanden zin.
-
-Het is wel waar, dat ons gedicht den lezer aan die onregelmatigheid
-langzamerhand gewend heeft.
-
-Grundtvig slaat eenen anderen weg in:
-
-De dappere (Beowulf) beval Hrunting te brengen aan Ecglafs zoon,
-hij (Beowulf) beval hem (Unferd) zijn zwaard te nemen, hij (Beowulf)
-zei hem dank voor het geleende.
-
-Hier is geene verwisseling van onderwerp meer mogelijk; sunu nom. is
-suna dat. geworden en het minder gepaste leánes zeer gelukkig veranderd
-in laenes: het geleende (zwaard).
-
-Mijne vertaling steunt op Grundtvig, doch tracht sunu, de lezing van
-het Hs., te behouden: sunu. is acc. sing.; heht 1809 sleept eenen
-acc. c. inf. na zich.
-
-heht sunu Ecglâfes his sweord niman: Beowulf beval, dat Ecglafs zoon
-zijn zwaard zou terugnemen.
-
-Socins slordige interpunctie brengt hier alweer op een
-dwaalspoor. Ofschoon hij in sunu acc. sing. ziet, deelt hij den zin
-juist zoo in als Grein. Derhalve moet zijn komma na Ecglâfes wegvallen;
-anders blijft de zin raadselachtig.
-
-
-
-
-50
-
-
- gif him thonne Hrêdhrîc tô hofum Geáta gethingedh. 1837-38.
-
- indien dan Hredric aan het hof der Gooten een verdrag sluit.
-
-
-gethingan: «einen Vertrag machen.» Socin.
-
-Cosijn stelt uit verschillende teksten vast, dat gethingan beteekent
-besluiten (te gaan), het verbum meandi zijnde uitgelaten; dus zich
-opmaken.
-
-
-
-
-51
-
-
- hruron him teáras
- blonden-feaxum: him wäs bega wên,
- ealdum infrôdum, ôdhres swîdhor,
- thät hîe seodhdhan (nê) geseón môston. 1873-76.
-
-
-Bugge voegt nê 1876 bij; immers Hrodgars tranen zijn dan vooral
-verklaarbaar, wanneer hij vreest, dat hij Beowulf niet meer terug
-zal zien.
-
-Socin teekent bij infrôdum dat. plur. aan. Ik vraag me te vergeefs af,
-hoe het meervoud kan gewettigd worden.
-
-Indien het Hrodgars raadslieden zijn, wat komen die hier doen? Is
-Hrodgar en Beowulf gemeend, dan is de keuze van het woord wat den
-laatste betreft niet gelukkig.
-
-
-
-
-52
-
-
- oft nô seldan hwaer
- äfter leód-hryre lytle hwîle
- bon-gâr bûgedh. 2030-32.
-
-
-Bugges verandering van hwaer «ergens», dat vrij kan gemist worden,
-in waere schijnt mij prijzenswaardig toe.
-
-Dan luidt de vertaling: dikwijls (en) niet zelden rust de moordspeer
-door vergelijk (waere) eenen korten tijd na den val des vorsten.
-
-Freawares «mariage de raison» mag wel een vergelijk heeten.
-
-
-
-
-53
-
-Socins unfaecne nom. sing. 2069 in plaats van acc. sing. is blijkbaar
-eene drukfout.
-
-
-
-
-54
-
-
- hió thät lîc ätbär
- feóndes fädhmum. 2129.
-
-
-Socin in voce fädhm: «instr. plur. feóndes fädhmum».
-
-Hij laat dus feóndes van fädhmum afhangen, hetgeen den volgenden
-zin geeft:
-
-Grendels moeder vervoerde het lijk door de hand des vijands d. i. door
-hare eigen vijandelijke hand.
-
-Waartoe knorven in de biezen gezocht? Is het niet veel eenvoudiger
-feóndes met lîc te verbinden: «het lijk des vijands»?
-
-
-
-
-55
-
-
- gên is eall ät thê lissa gelong. 2150-51.
-
- geheel mijne liefde wendt zich nog uwaart.
-
-
-Bugge vat gên op als weder, opnieuw:
-
-Mijne geheele liefde wendt zich weder uwaart nl. zooals vroeger.
-
-Zóó is de zin veel natuurlijker.
-
-
-
-
-56
-
-
- hêt thâ in beran eafor, heáfod-segn. 2153.
-
-
-heáfod-segn is eene verklaring van eafor en beteekent de voornaamste
-banier, evenals in het voorgaande vers ic lyt hafo heá fod-mâga «ik heb
-luttel hoofdverwanten» heá fod-mâga «voornaamste verwanten» wil zeggen.
-
-Cosijn slaat het compositum eoforheáfodsegn (everhoofdbanier) voor.
-
-
-
-
-57
-
-
- näs him hreóh sefa
- ac hê man-cynnes maeste cräfte
- gin--fästan gife, thê him god sealde,
- heóld hilde-deór. 2181-84.
-
-
-Socin, in voce healdan, brengt onder meer deze plaats overeen met
-1955 welke behelst: hióld heáh-lufan «zij bewaarde hooge liefde.»
-
-Diensvolgens zou het hier moeten luiden: «hij hield d. i. bewaarde
-de geweldige gave,» the greatest strength possess'd bij Thorpe.
-
-Grein stemt hiermee overeen als hij vertaalt:
-
-
- nicht war das Herz ihm wild,
- sondern mit der grösten Kraft vom ganzen Menschenvolke
- hielt die grossfeste Gabe, die Gott ihm schenkte,
- der Edeling der Kampftheure.
-
-
-Zoo komt de tegenstelling niet tot haar recht, wél indien wij healdan,
-den zin van bewaken en aan ac eene redegevende beteekenis toekennen,
-welke meer voorkomt. Wij vertalen dus: zijn inborst was niet ruw,
-want (ac) hij bewaakte (d. i. beteugelde) zijne reuzenkracht.
-
-
-
-
-58
-
-
- eft thät geióde ufaran dôgrum
- hilde-hlämmun, sydhdhan Hygelâc läg
- ond Heardrêde hilde-mêceas
- under bord-hreódhan tô bonan wurdon;
- tha hyne gesöhtan on sige-theóde
- hearde hilde-frecan, Headho-Scilfingas,
- nîdha genaegdan nefan Hererîces.
- Sydhdhan Beówulfe brâde rîce
- on hand gehwearf. 2201-2209.
-
-
-Grein vertaalt letterlijk:
-
-
- Das fügte sich darnach in folgenden Tagen
- durch Heerkampfs Getümmel, seit Hygelak lag
- und dem kühnen Heardred die Kampfschwerter wurden
- unter des Schildrandes Schirm zum Mörder,
- da ihn suchten in dem Siegesvolke
- die harten kampfkühnen Headoskylfinge
- und heftig angriffen Hereriks Neffen.
- Drauf kam das breite Reich dem Beowulf
- zur Hand.
-
-
-Waar blijft de hoofdzin?? Greins vertaling geeft hier geen licht. Voor
-Müllenhoff lijdt het geen twijfel of deze zin is onvolledig:
-
-Gleich der erste satz ist ungeschickt. Denn in eft thät geeóde ufaran
-dôgrum 2201 hat das thät keine beziehung im vorhergehenden... Der
-satz is unvollstandig....
-
-Der verfasser wagte nicht nach dem langen mit sidhdhan beginnenden
-satze 2202-2207 noch einen subjektsatz mit thät folgen zu lassen,
-sondern brach lieber ab und fuhr mit einem neuen satze mit sidhdhan
-fort 2208.
-
-Moet men zich bij deze uitspraak neerleggen en voor lief nemen,
-dat er niets anders op te vinden is?
-
-Twee verklaringen, zijn mogelijk:
-
-1º eft thät geeóde slaat niet op wat voorafgaat, maar op wat volgt;
-na hilde-hlämmum plaatse men een dubbelpunt en vertale ond door ook,
-zooals Heyne in zijne vrije vertolking doet; de hoofdzin is: Heardrêde
-hilde-mêceas tô bonan wurdon.
-
-Wij krijgen dan het volgende: Dit (volgende) gebeurde daarna in
-later dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was, werd ook voor Heardred
-het kampzwaard ten dooder, daar enz.
-
-Het valt nochtans te bezien, of ond (en), evenals in de klassieke
-talen, in den zin van ook voorkomt.
-
-2º Ond behoudt de beteekenis van en; de hoofdzin is: sydhdhan Beówulfe
-brâde rîce on hand gehwearf; de punt na Hererîces valt dan weg. Van
-het eerste sydhdhan 2202 hangen twee bijzinnen af: läg en tô bonan
-wurdon; thâ hyne... nefan Hererîces is een tusschenzin; het tweede
-sydhdhan dient alsdan om het eerste in het geheugen terug te roepen:
-
-Dit gebeurde in volgende dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was en het
-zwaard voor Heardred tot dooder was geworden, daar hem enz., sedert
-kwam het rijk in Beowulfs handen.
-
-De zin is wel wat lang, maar dat kan geen onoverkomelijk bezwaar zijn,
-vooral voor Duitsche recensenten.
-
-
-
-
-59
-
-2215-22. Bugge herstelt den tekst als volgt:
-
-
- thaer on innan gióng
- nidhdha nâthwylc, neóde tô gefêng
- haedhnum horde; hond ätgenam
- seleful since fâh; nê hê thät sydhdhan âgeaf,
- theáh the hê slaepende besyrede hyrde
- theófes cräfte: thät se thióden onfand,
- by-folc beorna, thät hê gebolgen wäs.
-
-
-Insgelijks 2233:
-
-
- nealles mid gewealdum wyrmes weard gäst
- sylfes willum.
-
-
-Socins theow (slaaf?) 2225 zal wel theów moeten luiden.
-
-
-
-
-60
-
-
-2228-32. Bugges aanvulling van den tekst wijzig ik volgenderwijze:
-
-
- secg synbysig sôna onwlâtode.
- theáh thâm gyste gryrebrôga stôd,
- hwädhre earmsceapan innganges thearfa
- feásceapen, thâ hyne se faer begeat,
- sinc-fät geseah.
-
-
-Bugges tittels tusschen het 3de en 4de vers zijn weggelaten en de
-punt na begeat vervangen door een komma: Ofschoon (theáh) de vreemde
-indringer met schrik geslagen was bij het zien van den draak, toch
-(hwädre) had hij de vaas bemerkt.
-
-Men vergelijke de vertaling.
-
-
-
-
-61
-
-
-2380-97. Socins opvatting van deze gansche plaats, waarin de oorlog
-met de Zweden behandeld wordt, stemt niet overeen met die van Bugge,
-Müllenhoff en Grein.
-
-Ziehier zijne uiteenzetting:
-
-Ochters zonen, Eanmund en Eadgils, zijn tegen hunnen vader opgestaan
-2382, ten gevolge waarvan zij Zweden moeten verlaten 2380 en naar
-Heardred de wijk nemen 2381. Een hunner verslaat Heardred onder ons
-niet nader bekende omstandigheden 2386, het moet Eanmund geweest zijn,
-welken de aan het Gootenhof levende Wichstan daarom onmiddellijk doodt
-2613. Eadgils keert naar Zweden terug 2388, waar ondertusschen zijn
-vader Ochter schijnt gestorven te zijn.
-
-Nadat Beowulf koning der Gooten geworden is 2390, wil hij zich op
-Eadgils wreken 2392 en hij wordt hem tot vijand. Eadgils doet eenen
-inval in het land der Gooten 2394-95, maar wordt door Beowulf gedood
-2397.
-
-In Socins stelsel is helm Scylfinga 2382 Ochter en niet Onela,
-Ongentheówes bearn 2388 kleinzoon en niet zoon, wordt freónd «vriend»
-van het Hs. in feónd «vijand» veranderd, en gestêpte «ondersteunde»
-in gestepte van gesteppan: stappen, trekken.
-
-Bugges verklaring komt mij heel wat aannemelijker voor, want 1º
-Heardreds dood blijft in het duister.
-
-2º Eadgils kan niet naar Zweden terugkeeren, waaruit hij door Ochter
-verbannen is; daarom vindt Socin er een middeltje op, 't is van Ochter
-intusschentijds te laten sterven.
-
-3º Bugges opvatting stemt in de hoofdpunten overeen met de
-overeenkomstige Zweedsche sage van Ali.
-
-4º Onela wordt 2933 het eerst genoemd; dit pleit er voor, dat hij
-de oudste en bijgevolg Ongentheows opvolger is. Vgl. 61 (Heorogar,
-Hrodgar, Halga); 2435 (Herebeald, Hadcyn, Hygelac).
-
-Afgezien van de handschriftelijke lezing freónd geeft Bugges verklaring
-rekenschap van alle bijzonderheden, terwijl Heardreds dood bij Socins
-opvatting de groote struikelblok blijft. Het is immers stuitend, dat
-Heardred door den man gedood wordt, dien hij gastvrij heeft opgenomen.
-
-Eene opheldering van zulke verregaande ondankbaarheid ware zeker
-niet misplaatst, en voorzeker zou de inlasscher weer de baan schoon
-gevonden hebben, om nog eens den preektoon aan te slaan.
-
-
-
-
-62
-
-
- he gewräc sydhdhan
- cealdum cear-sîdhum. 2396-97.
-
- er rächte seitdem
- mit kalten Kummerfahrten. (Grein).
-
-
-Bugge ziet in cealdum cear-sîdhum de natuurlijke koude, daar de kamp,
-waarin Adhils (= Eadgîls), volgens de overeenkomstige noordsche sage,
-Ali (= Onela) versloeg, op het ijs van het meer Vaenir plaats had.
-
-Cosijn teekent bij deze verzen aan: De samenhang eischt cealde
-cearsîdhas, want gewrecan beteekent wraak nemen over (of straffen)
-en de ellips van hit (dit, Socin) is te verwerpen. Eadgils nam wraak
-voor zijne koude, kommervolle omzwervingen als balling.
-
-
-
-
-63
-
-
- rîdend swefadh,
- häledh in hodhman 2458-59.
-
- de rijders slapen,
- de helden in het graf.
-
-
-Socin: rîdend, häledh nom. plur.
-
-Ik verkies met Grein het enkelv. te lezen: «der Reiter schlummert;»
-er is immers sprake van Herebeald alleen.
-
-
-
-
-64
-
-
- thâ ic on morgne gefrägn maeg ôdherne
- billes ecgum on bonan staelan,
- thaer Ongentheów Eofores niósadh. 2485-87.
-
-
-Socin legt uit als volgt: Ik heb dan vernomen, dat de eene broeder
-(Wulf) den anderen (Eofor) naar zijnen moordenaar (Ongentheow)
-heentrok.
-
-Cosijn toont het onhoudbare van die aanteekening ten overvloede aan:
-staelan = ten laste leggen, als mnl. banen.
-
-De strijd wordt dus als een rechtsgeding voorgesteld:
-
-Ik vernam dat toen de eene maag (Hygelac) den ander (Hadcyn) den
-dooder te laste legde met het scherp van het zwaard, den dood met
-het zwaard op hem verhaalde, wreekte.
-
-Dat Wulf niet gedood werd, maar alleen buiten gevecht gesteld, ziet
-Socin voorbij.
-
-
-
-
-65
-
-
- symle ic him on fêdhan beforan wolde,
- âna on orde. 2498-99
-
-
-Socin verstaat beforan: vroeger, van den tijd, welke toch reeds in
-symle besloten ligt.
-
-On orde «aan de spits» vergt eenen parallelvorm, daarom geef ik
-beforan weer door vooraan.
-
-
-
-
-66
-
-
- sê the aer on folce weóld 2596.
- aer: «von langen Zeiten her.» Bugge.
-
-
-Cosijn bemerkt hierbij; het komt mij voor, dat deze woorden eerder
-beteekenen «die toen van zijn volk verlaten was, er niet meer over
-te bevelen had.»
-
-Deze uitlegging wordt gesteund door wat volgt 2597-2600.
-
-
-
-
-67
-
-
- sibb aefre ne mäg
- wiht onwendan thâm thê wel thencedh 2601-2.
-
-
-Socin: in dem der wohl denkt, kann die Liebe zum Blutsfreunde auf
-keine Weise beseitigt werden.
-
-Voor hem is onwendan onovergankelijk en sibb nom.
-
-Cosijn wijst er op, dat een intr. onwendan alleen in den zin van
-«terugkeeren» voorkomt.
-
-Men zal dus wiht als nom. sing. en sibb' als acc. sing. dienen aan
-te nemen: onwendan is dan «keeren, verhinderen zich te uiten.»
-
-
-
-
-68
-
-
- ond his mâgum ätbär
- brûn-fâgne helm, hringde byrnan,
- eald sweord etonisc, thät him Onela forgeaf,
- his gädelinges gûdh-gewaedu,
- fyrd-searo fûslic: nô ymbe thâ faehdhe spräc,
- theáh the hê his brôdhar bearn âbredwade. 2615-20.
-
- dem Sippen er raubte
- den braunschönen Helm, die Brünne von Ringen,
- das enzische Altschwert, das ihm Onela gab,
- seines Gatelinges Gundgeraethe,
- das köstliche Kriegszeug.--Nie von diesem Kampf ersprach,
- obgleich er an Brüders Söhnen Balthaten übte.
-
-
-Uit deze vertaling van Ettmüller blijkt dat gûdh-gewaedu en fyrd-searo
-parallel zijn met helm, byrnan, sweord; him 2617 is Eanmund; het
-onderwerp van spräc 2619 is Weohstan.
-
-De zin komt hierop neer: Weohstan berooft Eanmund van het zwaard,
-dat Onela aan dezen laatste had gegeven; doch hij, Weohstan, rept
-nooit een woord van dat wapenfeit.
-
-Grein slaat denzelfden weg in als Ettmüller, als blijkt uit de
-volgende verzen:
-
-
- und entführte seinen Maagen
- den braunbunten Helm, die Brünne die geringte,
- das alte Riesenschwert, das Onela ihm gab,
- seines Verwandten Waffenrüstung,
- die stattlichen Fahrtgewande: um die Feindschaft sprach er nicht,
- obgleich er seines Bruders Gebornen tödtete.
-
-
-Greins opvatting schijnt mij aan gegronden twijfel onderhevig. Ätberan
-beteekent niet rauben, entführen maar aanbrengen, ergens heen voeren.
-
-Doch daarvan afgezien, kan men zich afvragen welke «Maagen» Grein
-bedoelt?
-
-Ontvoerde Weohstan aan Eanmunds magen d. i. Onela het zwaard?
-
-Maar welk recht had Onela er op, daar volgens de oorlogswet de
-overwinnaar zich den wapenroof kon toeeigenen?
-
-Ofwel ontvoerde hij het zwaard his magum d. i. ten voordeele van zijn
-eigen magen, ergo van Wiglaf?
-
-Doch dat druist in tegen 2621, waar volgens Weohstan het zwaard
-zelf behoudt.
-
-Greins vertaling van «his mâgum ätbär» is dus voor verscheiden
-uitleggingen vatbaar.
-
-his mâgum ätbär beteekent: Weohstan bracht aan Eanmunds magen d. i. aan
-Onela den krijgsroof.
-
-Daarom ware het beter geweest, zooals Cosijn zeer juist aanmerkt,
-het enkelv. his maege i. e. Onelan te lezen. Thät him Onela forgeaf:
-(het zwaard) dat Onela aan Eanmund had gegeven.
-
-thät slaat, blijkens Cosijns terechtwijzing, grammatisch op sweord,
-logisch op de drie spolia, die 2618 als gûdh-gewaedu worden aangeduid.
-
-his gädelinges, dat onmiddellijk volgt op thät him Onela forgeaf, is
-niets anders dan eene zinledige en gebrekkige herhaling. Men oordeele:
-«het zwaard dat Onela aan Eanmund had gegeven, het strijdgewaad van
-Onela's Eanmund;» immers «het strijdgewaad van zijnen (d. i. Onela's)
-bloedverwant» zegt op de keper beschouwd hetzelfde als het ééne
-woord Eanmund.
-
-nó ymbe thâ faehdhe spräc: «Weohstan sprak niet over dat gevecht.»
-Zoo heet het bij Ettmüller en ook bij Grein; want in dezes vertaling
-«um die Feindschaft sprach er nicht» kan er zich slechts betrekken
-op het onderwerp van den vorigen hoofdzin d. i. op Weohstan.
-
-De vraag ligt hier voor de hand, waarom Weohstan nooit sprak van
-zijn heldenfeit?
-
-Niet alleen is het eene vraag, waaraan ons epos het antwoord schuldig
-blijft, maar er bestaat ook hoegenaamd geene reden tot verzwijging,
-vooral nu Weohstan zooveel gewicht hecht aan die wapens, dat hij ze
-jaren lang bewaart en ze niet aan Wiglaf toevertrouwt, vooraleer deze
-volwassen is.
-
-Om al die redenen wijzig ik het zinsverband zooals volgt:
-
-Ik plaats een punt na etonisc; thät him Onela forgeaf is een hoofdzin;
-thät is aanwijzend voornaamwoord en him ziet terug op Weohstan;
-na fûslic kome een punt te staan.
-
-Het onderwerp van nô ymbe thâ faehdhe spräc is Onela en niet Weohstan.
-
-De wijziging, welke den tekst onaangeroerd laat, geeft eenen goeden
-zin:
-
-Weohstan bracht aan Onela Eanmunds zwaard met toebehooren. Onela
-wilde het niet aannemen, maar liet het hem houden; hij verweet zelfs
-niet aan Weohstan, dat deze Eanmund, den zoon van zijn eigen broeder,
-gedood had.
-
-Men vergete niet, dat Onela, volgens het Germaansche oorlogsrecht,
-verplicht was zijnen neef te wreken.
-
-Zoo biedt de zin niets meer aan, wat niet in den haak is.
-
-
-
-
-69
-
-
- Byrdu-scrûd 2661
-
-
-Ik heb dit woord door schild weergegeven; immers Cosijn teekent
-hierbij aan:
-
-«De beteekenis Schildschmuck, die dienst moet doen om glossatoren uit
-de verlegenheid te helpen, is geheel verzonnen. In geen geval kan het
-schild hier gemist worden: ergo is byrne een lapsus memoriae voor bord
-(schild).»
-
-
-
-
-70
-
-
- raesde on thone rôfan, thâ him rûm âgeald. 2691
-
- raste gegen den Ruhmvollen, da er Raum ihm gab. Grein.
-
-
-Het handelt zich hier over den derden aanval van den draak op Beowulf.
-
-Ik vraag me te vergeefs af, hoe zich deze «beschikbare ruimte» met
-den samenhang laat overeenbrengen. Had de draak dan te voren niet
-genoeg plaats, om aanvallender wijze te werk te gaan?
-
-In het geheel niet; want hij had tweemaal den aanval gewaagd.
-
-Buitendien greep het gevecht plaats niet in het hol, maar aan den
-ingang; er schoot dus ruimte genoeg over voor de twee eerste aanvallen.
-
-Daarom komt mij Ettmüllers vertaling da er ihm reichlich vergalt
-gegrond voor; al is het ook waar, dat bij Socin alleen gildan en niet
-âgildan met de beteekenis van loonen, betalen verschijnt.
-
-
-
-
-71
-
-
- ne hêdde hê thäs heafolan, ac sió hand gebarn
- môdiges mannes. 2698-99.
-
- hij gaf geen acht op het hoofd (des draaks), maar de hand verbrandde
- des moedigen mans.
-
-
-Deze uitlegging van Bugge gaat uit van het feit, dat uit Beowulfs
-vruchtelooze poging de onkwetsbaarheid van het drakenhoofd is gebleken.
-
-Hij vat hoofd in den letterlijken zin op.
-
-Niet zoo Cosijn, voor wien thaes heafolan «capitis sui i. e. vitæ
-suae» is.
-
-De kracht van ac komt in deze opvatting ten volle uit:
-
-Wiglaf gaf niets om zijn eigen leven, want zijne hand verbrandde enz.
-
-
-
-
-72
-
-
- feónd gefyldan (ferh ellen wräc) 2707.
-
- Zij velden den vijand (het leven verdreef de kracht).
-
-
-d. i. met het leven verdween ook de kracht. Zoo ook Grein.
-
-Dit is ongetwijfeld eene ongewone en duistere wijze van zich uit
-te drukken.
-
-Mijne vertaling sluit zich aan bij Sievers, welke voorstelt:
-
-
- feónd gefylde, feorh ellen (ellor) wräc.
-
-
-Cosijn keurt deze lezing goed; ellen komt nog voor in de plaats van
-ellor: elders; wräc is onovergankelijk op te vatten.
-
-
-
-
-73
-
-
- hê ofer benne spräc 2725.
-
- hij sprak over zijne wonde.
-
-
-Deze beteekenis kent insgelijks Grein aan ofer toe. Men zal nochtans
-vruchteloos in Beowulfs rede eene toespeling op zijne wonden zoeken.
-
-Daarom geeft Cosijn de keus tusschen post vulnus acceptum en over de
-wond sc. gebukt.
-
-
-
-
-74
-
-
- thâ hê bi sesse geóng 2757.
-
-
-Socin in voce sesse: «nach dem Sitze» en hij voegt er de verklaring
-aan toe: vor der Drachenhöhle.
-
-Deze verklaring ware beter achterwege gebleven; immers Wiglaf trekt
-wel degelijk de schatkamer binnen, het wordt uitdrukkelijk gezegd:
-
-gefrägn sunu Wihstânes... hring-net beran... under beorges hrôf: ik
-heb vernomen dat Wichstans zoon het ringpantser onder het rotsgewelf
-bracht d. i. er geharnast binnenging.
-
-Buitendien bevindt zich het goud niet voor het drakenhol, maar er in.
-
-
-
-
-75
-
-
- bill aer gescôd
- (ecg was iren) eald-hlâfordes
- thâm thâra mâdhma mund-bora wäs 2778-80.
-
-
-Socin drukt Bugges voetstappen en verstaat:
-
-De degen des ouden heerschers (Beowulf)--van staal was het lemmer--had
-hem (den draak) eer geschaad, die der schatten hoeder was geweest.
-
-Wülcker ziet in aer-gescôd eene samenstelling, evenals Thorpe, en
-laat bill aer-gescôd afhangen van genôm 2777:
-
-Wiglaf nam het met brons geschoeide zwaard (d. i. met bronzen scheede)
-van den eersten bezitter (de man van edele afkomst 2234) insgelijks
-uit de schatkamer mede.
-
-Cosijn leest met Rieger eald-hläforde dat. sing. Men raadplege de
-vertaling.
-
-
-
-
-76
-
-
- symle wäs thy saemra, thonne ic sweorde drep
- ferhd-genîdhlan 2881-82.
-
-
-Met Grein en Sievers beschouw ik den draak als onderwerp van
-wäs. Cosijn verbindt wäs met Beowulf: en ik begon den maag te helpen
-(te zwakker werd hij nl. Beowulf) toen ik den levensschadiger met
-het zwaard sloeg. symle wäs thy saemra is dan een ingelaschte zin.
-
-
-
-
-77
-
-
- ac wäs wîde cûdh,
- thätte Ongenthió ealdre besnydhede
- Hädhcyn Hrêdhling widh Hrefna-wudu,
- thâ for on-mêdlan aerest gesôhtan
- Geáta leóde Gûdh-Scilfingas 2924-28.
-
- es ward ja weithin kund,
- dass Ongentheow des Alters beraubte
- den Hädkynn den Hredling beim Hrefnaholze,
- da aus Uebermut zum ersten kamen
- zu den Kempen der Geaten die Kampfskylfinge.
-
-
-Blijkens deze vertaling beschouwt Grein leóde als acc. en
-Gûdh-Scilfingas als nom.; in andere woorden: de Zweden vielen de
-Gooten aan en niet omgekeerd.
-
-Met deze opvatting kan ik mij niet vereenigen, niet de Zweden maar
-de Gooten zijn de aanvallers.
-
-Eerst en vooral hebben de Gooten de zee moeten oversteken, want het
-Ravenbosch Hrefna-wudu lag op Zweedsch grondgebied.
-
-Verder dient for on-mêdlon: uit overmoed op de Gooten te slaan; want
-zij worden door Ongentheow verslagen en ontsnappen slechts aan eenen
-gezamenlijken ondergang door Hygelacs komst, die den volgenden morgen
-tot ontzet opdaagt.
-
-Daar nu de aanvallers alleen «overmoedig» kunnen heeten en niet zij
-die aangevallen worden, ergo...
-
-Dit wordt nog bevestigd door de omstandigheid, dat Ongentheow zijne
-gade bevrijdt, dus hadden de Gooten haar gewapenderhand opgelicht.
-
-Ten slotte wordt van Ongentheow gezegd, dat hij Hadcyn den tegenslag
-schonk, ond-slyht âgeaf; dus waren de vijandelijkheden niet van
-hem uitgegaan.
-
-Wij trekken dus uit deze gegevens de slotsom, dat leóde als nom. en
-Gudh-Scilfingas als acc. moeten aangemerkt worden.
-
-
-
-
-78
-
-
- häfde Higelâces hilde gefrûnen 2953.
-
-
-Thorpe: he of Hygelac's warfare had heard, hij had Hygelacs
-krijgsgeduchtheid vernomen.
-
-
-
-Socin schijnt ook in deze meening te deelen, daar hij in voce gefrignan
-alleen aanteekent «erfragen, durch Erzählen erfahren.»
-
-Nochtans aanvaardde Ongentheow den terugtocht, omdat hij werkelijk
-door Hygelac verslagen was 2947-49, en niet omdat hij duchtte met
-Hygelac slaags te geraken. gefrignan beteekent hier: ondervinden,
-uit ervaring weten.
-
-
- Er hatte Hygelakes Heersturm erfahren. Grein.
-
-
-
-
-79
-
-
- under eord-weall 2958.
-
-
-Niet onder maar vlak bij den aarden wal, als under beorge «bij den
-berg» 211. Cosijn.
-
-
-
-
-80
-
-
- freodho-wong thone fordh ofereódon 2960.
-
- sie eilten fürder über das Friedefeld. Grein.
-
-
-Cosijn, wiens scherpzinnige verbeteringen vooral op deze episode
-het helderste licht hebben doen vallen, verstaat door freodho-wong
-«versterkte stelling.»
-
-'t Is de fästen of eordh-weall 2951, 2958 en niet de benaming van
-eene bepaalde plaats Friedensfeld oder Schutzfeld, als Socin aan de
-hand doet.
-
-
-
-
-81
-
-
- sydhdhan Hrêdhlingas to hâgan thrungon 2961.
-
- als da die Hredlinge gen Gehöfte drangen. Grein.
-
-
-Cosijn brengt weer deze plaats terecht:
-
-haga volgens Socin «eingefriedigtes Grundstück, Gehöft, kleines
-Landgut,» dus zoo iets als La-Haye-Sainte bij Waterloo.
-
-Bedoeld is de bordhaga of wîghaga, waarbij man aan man met schild
-aan schild palstaat tegen den aanvaller.
-
-'t Is de scild-weall 3119, de Germaansche testudo.
-
-
-
-
-82
-
-
- ac hê hyne gewyrpte, theáh the him wund hrine 2977.
-
- maar hij sprong op ofschoon hem de wonde had aangetast.
-
-
-Cosijn merkt hierbij aan: «Socin blijft hier hine gewyrpan door
-aufspringen, erheben verklaren, hoewel ik de onjuistheid daarvan heb
-aangetoond en uit vs. 2983 duidelijk blijkt, dat Wulf op den grond
-bleef liggen, totdat anderen hem ophielpen en verbonden.»
-
-Hine gewyrpte: hij herstelde van zijne wonde.
-
-Grein heeft verkeerdelijk «sondern wälzte sich.»
-
-
-
-
-83
-
-
- thone the aer geheóld
- widh hettendum hord ond rîce,
- äfter häledha hryre hwate Scildingas. 3004-6.
-
-
-Uit geheóld hwate Scildingas trekt Thorpe het besluit, dat Beowulf na
-Hrodgars verscheiden ook over de Schildingen of Denen zou geheerscht
-hebben; misschien is voor Scildingas Scilfingas (Zweden) te lezen,
-zoodat Beowulf, die Eadgils heeft gedood, waarschijnlijk tevens het
-land veroverde.
-
-Müllenhoff echter ziet in 3006 eene gedachtelooze herhaling van het
-gelijkluidende vers 2053.
-
-In alle geval verwerpt hij de wijziging in Scilfingas, omdat juist
-tegen de Zweden of Schilfingen schat en rijk moest beschermd worden.
-
-Ik zie niet in hoe geheóld t. a. p. regeeren kan beteekenen, ofschoon
-gehealdan met twee beteekenissen «bewaren, beschermen» en «regeeren»
-verschijnt.
-
-Geheóld heeft drie voorwerpen: hord, rice, Scildingas en behoort dus
-eene beteekenis te hebben, die op alle drie toepasselijk is.
-
-Geheóld hord: «hij heerschte over den schat» geeft geenen goeden
-zin in de verbinding met de bepaling widh hettendum «tegenover de
-haatgezinden.»
-
-Integendeel «hij beschermde tegen hen schat, rijk, de Schildings»
-biedt geene zwarigheid meer aan.
-
-geheóld hord ond rîce doelt gevoeglijkst op Beowulfs oorlog met de
-Zweden 2392; hwate Scildingas integendeel op zijnen kamp met Grendel.
-
-Grein vertaalt geheóld door er behauptete; onder dit opzicht ten
-minste wijkt mijne vertaling niet van de zijne af.
-
-
-
-
-84
-
-
- aer hî gesêgan syllîcran wiht,
- wyrm on wonge 3039-40
-
- Zij zagen eerst een zeldzamer wezen,
- den worm op het veld.
-
-
-Dit «eerst» klinkt nog al vreemd. Cosijn verandert aer in aeft
-(eft) daarna.
-
-Bugge lascht de ontkenning nê in en neemt eene leemte aan van een vers:
-
-
- banon eác fundon bennum seócne,
- (nê aer hî thaem gesêgan syllîcran wiht)
- wyrm on wonge:
-
- Zij vonden ook den dooder door wonden ontzenuwd,
- (nooit zagen zij vroeger een zeldzamer wezen dan dit)
- den worm op het veld.
-
-
-
-
-85
-
-
-3049-74. In hoofdzaak heb ik mij aangesloten bij de door Bugge
-gewijzigde volgorde der regels.
-
-Zijne indeeling is: 3070-74; 3075-76; 3059-69; 3077.
-
-Daar 3069 van Beowulf gesproken wordt, knoop ik 3075-76 er onmiddellijk
-aan vast, zoodat hê 3075 niet meer in de lucht hangt, maar op Beowulf
-terugziet.
-
-
-
-
-86
-
-
- näs he gold-hwät: gearwor häfde
- âgendes êst aer gesceáwod 3075-76.
-
-
-Ofschoon deze plaats eene bonte rij van gissingen heeft uitgelokt
-blijf ik vooralsnog bij het oude en schaar mij bij Ettmüller, wiens
-verklaring met den samenhang strookt; iets wat voor eene bedorven
-plaats als deze bevredigend mag heeten.
-
-Eene afdoende oplossing is niet te verwachten.
-
-Cosijn stelt eene nieuwe lezing voor:
-
-«In geenen deele had Beowulf met goudgierige oogen vóór zijn dood des
-eigenaars nalatenschap nauwkeuriger beschouwd»; want Wihstan had hem
-alleen een klein deel der schatten kunnen toonen.
-
-
-
-
-87
-
-
- nû sceal glêd fretan
- (weaxan wonna lêg) wigena strengel 3115-16.
-
- nu zal de gloed vreten
- (wassen de zwarte vlam) der strijders aanvoerder.
-
-
-De parenthese levert geenen op zich zelf staanden zin op; vandaar dat
-Cosijn vermoedt: nu zal de gloed vreten, de zwarte vlam verslinden enz.
-
-weaxan zou parallel zijn met fretan en iets overeenkomstigs beteekenen.
-
-Grein stelt zich de zaak ook zoo voor:
-
-
- Nun soll die Glut fressen,
- schmelzen die schwarze Lohe der Schlachthelden stärksten.
-
-
-
-
-88
-
-
-3151-57. Bugge herstelt de gapingen als volgt:
-
-
- swylce giômor-gyd sió geó-meowle
- aefter Beówulfe bunden-heorde
- song sorg-cearig, saede geneahhe,
- thät hió hyre hearm-dagas hearde ondrêde,
- wälfylla worn, wîgendes egesan,
- hyndo ond häftnyd, heóf on rîce wealg.
-
-
-Wat het laatste halfvers betreft: heóf on rîce wealg:
-
-het gejammer in een vreemd rijk, houd ik het liever met Socin, die
-met het Hs. leest: heofon rêce swealg «de hemel slurpte den rook op.»
-
-
-
-
-89
-
-
- .... hornas byrnadh naefre? 1.
-
- branden niet de horens (horentrans).
-
-
-Het Finnsburg-fragment begint met deze slotwoorden van de door een
-der Denen gestelde vraag. Ik heb ze in de vertaling weggelaten.
-
-
-
-
-90
-
-
-Bugges tekstverbeteringen zijn als volgt:
-
-
- ac hêr fordh beradh fyrdsearu rincas,
- flacre flânbogan, fugelas singadh. 5-6.
-
-
-letterlijk:
-
-
- maar hier brengen helden het legerharnas aan,
- den zwaaienden boog, vogels zingen.
-
- 18-21 Thâ gyt Gûdhdene Gârulf styrode,
- thät hê swâ freólîc feorh forman sîdhe
- tô thaere healle durum hyrsta ne baere,
- nû hîe nîdha heard ânyman wolde.
-
-
-Zijne verandering van Gûdhere, een eigennaam, in Gûdhdene, Strijd-Deen
-draagt Jellineks goedkeuring weg.
-
-
- hwearf flacra hraew hräfen, wandrode 34.
-
-
-
-
-91
-
-
- Céled bord 29 «het koude schild» Jellinek.
-
-
-De oorspronkelijke tekst heeft celaes, waarvoor men gewoonlijk celod
-leest, dat ook duister is.
-
-Jellineks verbetering céled, koud past zeer goed bij het door den
-nachtelijken dauw genette schild.
-
-Tot staving hiervan wijst hij op gâr morgenceald «de morgenkoude speer»
-Beowulf 3023.
-
-
-
-
-92
-
-
-De vertaling, welke wij van dit raadselachtig brokstuk geleverd hebben,
-steunt op Socins uitgave van 1883 en volgt in hoofdzaak de zienswijze
-van Möller.
-
-Sedertdien heeft Jellinek een stap nader gedaan tot een duidelijk
-inzicht van het geheel.
-
-Er hapert iets aan Möllers en Bugges opvatting: Garulf, de zoon van
-Gudlaf, Gûdhlâfes sunu 33, zou een Fries, dus een aanvaller zijn,
-terwijl volgens het fragment en volgens Beowulf 1149 Gudlaf een
-Deen is.
-
-Vandaar dat Möller Gûdhlâfes 33 door Gûdhulfes vervangt. Jellinek ruimt
-deze tegenspraak uit den weg, want voor hem blijft Garulf een Deen.
-
-Zijne uiteenzetting komt hierop neer:
-
-Aan de eene deur wordt post gevat door Sigeferd en Eaha, aan de andere
-door Ordlaf, Gudlaf, Hengest en Garulf.
-
-In overeenstemming hiermede dient na sylf 17 en na Gârulf 18 een punt
-te staan en die na lâste 17 weg te vallen.
-
-Het onderwerp van styrode 18 is Garulf; Gûdhdene slaat op Hengest.
-
-De vrije vertaling luidt alsdan:
-
-«Naar de andere deur begaf zich Ordlaf, Gudlaf en Hengest zelf. Ook
-volgde hen Garulf. Hij (Garulf) stuurde den Strijd-Deen (Hengest)
-toe, dat deze zijn zoo doorluchtig leven niet bij den eersten aanval
-moest blootstellen, daar de kampduchtige Finn, nîdha heard, het hem
-ontnemen wilde.»
-
-Alvorens zich van de deur naar binnen in den burcht terug te trekken,
-wil Hengest zich overtuigen, of de deur goed bewaakt is en hij vraagt
-diensvolgens, want het is nacht, wie de eerste deur, daar waar zich
-Sigeferd en Eaha bevinden, bezet houdt. Sigeferd maakt zich daarop
-bekend. Zijn antwoord kan tweederlei beteekenen.
-
-Ofwel «U staat hier gereed, al wat gij van mij moogt verlangen»
-d. i. ik ben geheel en al tot uwen dienst. Ofwel ligt er iets
-uitdagends in zijne woorden (Vgl. Vert.), en dan moet men aannemen,
-dat hij Hengest ook niet aanstonds herkend heeft.
-
-Garulf sneuvelt niet aanstonds, zooals men uit den tekst zou kunnen
-opmaken, maar eerst na den vijfden dag; hierdoor wordt de schijnbare
-tegenspraak met wat volgt opgeheven.
-
-Wij hebben hier te doen met een hysteronproteron d. i. op de
-ontknooping wordt reeds van den beginne af gewezen, een verschijnsel
-waarvan het Beowulfepos meer dan een voorbeeld aanwijst.
-
-De «gewonde held» wund häledh 43 is een Deen, die zich naar het
-binnenste des burgs terugtrekt, waar zich Hengest bevindt, zoodat
-door folces hyrde 46 «de herder des volks» Hengest gemeend is.
-
-Bugges verbetering: hwearf flacra hraew hräfen, wandrode, waar hwearf
-op ongewone wijze met acc. en niet met een voorzetsel verschijnt,
-verandert hij in:
-
-
- hwearf lâdhra hreás, hräfen wandrode:
- «de troep der vijanden viel, de raaf dwaalde enz.»
-
-
-Ten slotte ziet Jellinek in headho-geong cyning 2 «de kampjonge koning»
-niet Hnäf, zooals Bugge, maar Hengest; doch zijne redeneering komt
-mij eenigszins duister voor.
-
-Hoe verklaart hij dan, dat de Denen later vorstenloos theóden-leáse
-(Beowulf 1104) waren?
-
-B. ten Brink breekt eene lans voor Möllers verklaring:
-
-Indien Garulf, die ealra aerest eordhbûendra valt, tot de verdedigers
-van den burcht behoort, dan volgt daaruit, dat gedurende vijf
-dagen niet alleen niemand van de verdedigers viel, maar ook van de
-aanvallers; hetgeen ongerijmd is.
-
-Zou eordhbûendra «landbewoners, menschen» niet in den engeren zin
-van burchtbewoners kunnen opgevat worden; ofwel is soms eardbûendra
-«goed-woonbewoners» te lezen?
-
-Dit is eene gissing, meer niet, welke ik aan het oordeel van meer
-bevoegden onderwerp.
-
-B. ten Brinks gegronde opwerping is dan ontzenuwd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DRUKFOUTEN.
-
-
-Eenige teekens zijn met onduidelijke letter gedrukt:
-
-Bl. 97, regel 22-23, lees: zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd
-worden.
-
-Ib. regel 26, lees: òfer lágustráetè.
-
-Bl. 98, regel 11, lees: × ´ -` ×´ × ` ^.
-
-Ib. regel 16, lees: ^ -´` × -´ ×`.
-
-Bl. 147, v. 136, lees:
-
-Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand.
-
-
-Zinstorende fouten zijn de volgende:
-
-Bl. 106, regel 18, staat:
-
-De metaphoor of uitgewerkte vergelijking; lees: .... of onuitgewerkte
-vergelijking.
-
-Bl. 118, regel 7-9, staat:
-
-De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van
-den eenzamen schatbezitter uit de Hredelepisode en in Beowulfs
-laatste woorden tot Wiglaf; lees: ... in de rede van den eenzamen
-schatbezitter, in de Hredelepisode en in Beowulfs laatste woorden enz.
-Andere misstellingen, als verkeerd geslacht, verkeerde interpunctie
-enz. gelieve de lezer zelf te verbeteren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De reeds vermelde Beowulf (Biewulf) is een Angelsaksisch gedicht
-der VIIIe eeuw, dat misschien wel nooit uit dien tongval in het Dietsch
-werd overgebracht, maar toch in de volste mate onze belangstelling
-verdient, om het tooneel, waar het speelt--op de Noordzeekusten, op
-de Maas en de Niers--en om de nauwe verwantschap, welke er bestond
-tusschen onze vaderen en den Angelsaksischen stam, die ons zijn zonen
-als geloofspredikers zond en wiens taal zooveel overeenkomst met die
-der Friezen heeft.
-
-Everts, Geschiedenis der Nederlandsche Letteren, blz. 8.
-
-[2] Origines du Duel Judiciaire par le P.-C. de Smedt, Paris
-1894. (Extrait des Etudes Religieuses, Philosophiques, Historiques
-et Littéraires).
-
-[3] Celebrant carminibus antiquis, quod unum apud illos memoriae
-et annalium genus, Tuisconem deum terra editum et filium Mannum,
-originem gentis conditoresque. Germ. C. 2.
-
-[4] Caniturque adhuc barbaras apud gentes. Annal. II, 88.
-
-[5] De origine actuque Getarum C. 3. Uitgave van Savagner, Paris, 1883.
-
-Hier zijn de volgende teksten nog bij te voegen: Quemadmodum in priscis
-eorum carminibus paene historico ritu in commune recolitur. ib. C. 2.
-
-Adhuc hodie suis cantionibus reminiscuntur C. 4.
-
-Ut ipsi suis fabulis ferunt C. 5.
-
-Vgl. Kurth, Hist. Poét. des Mérov. Chap. I. Les Sources.
-
-[6] Kurth t. a. p.
-
-[7] Jonckbloet wijst er reeds op, dat bij Gregorius van Tours in de
-eerste boeken een zwakke, maar toch duidelijke nagalm van de heldensage
-vernomen wordt. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 69.
-
-[8] Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 25.
-
-[9] Vgl. Kurth, bl. 486.
-
-Deze wet, welke hij met den naam van transfert épique bestempelt,
-doet zich vooral in de Frankische sage gelden. Zoo maakte in de
-voorstelling van het volk Clovis plaats voor Dagobert I en deze voor
-Karel Martel, tot de laatste eindelijk in Karel den Grooten opging,
-bij wien het epos, als verblind door zijnen glans, bleef staan.
-
-[10] Kurth, blz. 225-26.
-
-[11] Kurth, blz. 3.
-
-[12] Kurth, blz. 334.
-
-La défaite c'est la muse épique par excellence!
-
-L. de Monge. Etudes morales et littéraires. II, blz. 67.
-
-[13] Onze eeuw van koud onderzoek, twijfel en winstbejag leent zich
-voorzeker niet tot het ontstaan van het kinderlijke, geestdriftige
-volksepos, en toch biedt zij iets min of meer overeenkomstigs in
-Frankrijk aan, waar dagbladpers, romans, lier- en tooneeldichters,
-beeldhouwers, schilders en geleerden de nederlaag van hun «année
-terrible» als om strijd trachten om te scheppen; terwijl het
-zegevierende Duitschland nog altijd op een groot dichter wacht,
-om het glansrijkste feit uit zijne geschiedenis te verheerlijken.
-
-Ook heeft Frankrijk zijnen Ganelon in Bazaine gevonden.
-
-[14] Kurth, bl. 344.
-
-[15] Müllenhoff veronderstelt te recht, dat het de beenderen van
-eenen walvisch of iets dergelijks moeten geweest zijn.
-
-In de ontdekking van zulke versteende overblijfselen ziet Kurth de
-verklaring van het zoozeer verbreide volksgeloof aan het vroegere
-reuzendom.
-
-Ik herinner mij iets overeenkomstigs in de Origines Antwerpianae
-van Goropius Becanus gelezen te hebben, als hij degenen wederlegt,
-die den naam van Antwerpen uit Handwerpen verklaren en zich beroepen
-op de aldaar bewaarde reusachtige beenderen, welke de hand van den
-reus zouden zijn.
-
-Becanus, die als natuurkundige zich minder met hersenschimmen paaide
-dan als taalkundige, beweert, dat het de voet van een olifant is en
-bewijst het door het versteende geraamte van zulk dier (mammouth?) te
-beschrijven, dat men in zijnen tijd bij het aanleggen van het kanaal
-van Willebroek opgedolven had.
-
-Génard in zijn prachtwerk Anvers à travers les âges spreekt integendeel
-van walvischbeenderen.
-
-[16] Kurth, blz. 342.
-
-[17] Kurth, blz. 338, 528. Jonckbloet I, 71. Kurth is niet ongenegen
-in de Hugen met Ettmüller, Van den Bergh en Winkler de Chauci van
-Tacitus te zien.
-
-[18] Zoo duidt ook Nathanael Müller den naam van Beowulf.
-
-Thorpe ziet er eene samentrekking in van beadowulf d. i. strijdwolf;
-Cosijn verklaart den naam door «zegewolf»; anderen zien er weer
-«bijenwolf» d. i. specht in.
-
-[19] P. u B. Beiträge: Sceâf in den Nordischen Genealogien, door
-Sievers.
-
-[20] Wij vertalen op het voorbeeld van Cosijn Geátas door Gooten,
-want Angels. eá vertegenwoordigt de Nederl. scherplange oo. Zoo laten
-wij de verschillende meeningen onaangeroerd en voorkomen wij tevens
-de verwarring met de vermaarde Oost- en Westgoten der geschiedenis.
-
-[21] P. u. B. Beiträge, XVII: Goten und Ingvaeonen.
-
-[22] Het scheen mij wenschelijk, wat langer bij ten Brink stil te
-staan, omdat zijn proza, verre van op de Fransche helderheid te kunnen
-bogen, maar al te zeer in Noordschen nevel gehuld is.
-
-[23] Het Nederlandsch leent zich ook tot zulke samenstellingen, en
-nochtans worden zij afgekeurd door hen, die zich tot wetgevers van
-de spraakmakende gemeente opwerpen, als zijnde in strijd met den aard
-onzer taal.
-
-De Germaansche talen hebben dit voor op de Romaansche, welke hunne
-toevlucht moeten nemen tot het Grieksch en Latijn, dat zij door middel
-van de samenstelling nieuwe woorden uit eigen boezem kunnen scheppen.
-
-«Stel wachters bij de bronnen!» Doch de wachters laten deze levende
-bron onzer moedertaal van lieverlede uitdrogen. Zal het Nederlandsch er
-bij gebaat zijn, wanneer het, in het dwangbuis gestoken der schoolsche
-regelmatigheid, ten laatste alle kleur en vrijheid van beweging zal
-hebben afgelegd?
-
-Deze schilderachtige woorden zijn onontbeerlijk in de poëzie, vandaar
-dat de dichters ze niet versmaden, zelfs degenen die er den staf over
-breken, als b. v. Bilderdijk.
-
-Ik lees in Urzijn en Valentijn:
-
-
- Maar kunstgeleerde dapperheid
- Betemt het woest geweld.
-
-
-Hij schrijft goudgevloekt, godverwaten, kunstversierd, landverwezen,
-wondgeslagen en andere.
-
-Schaepman bracht aan den dichter van «het Menschdom verlost» deze
-verkeerde woordverbindingen onder het oog, doch deze wees den
-beoordeelaar op zijn eigen vers in de Keizersklok:
-
-
- Zoo roept de wapenbode
- In 't goudgestikte kleed.
-
-
-Men zou eene heele lijst van dergelijke voorbeelden uit de
-Nederlandsche dichters kunnen samenstellen. Stemt overigens het
-Nederlandsche volk zonder de minste hapering, ja «met onbeklemde borst»
-aan de hand van Tollens niet het godgevallig feestlied in?
-
-Doch beschouwen wij de zaak wat van nabij.
-
-Wat verstaat men door den aard onzer taal?
-
-Ik kan er slechts twee beteekenissen aan toekennen.
-
-Indien deze samenstellingen in strijd zijn met het Nederlandsch als
-Germaansche taal, dan verwijzen wij naar de Engelsche en Duitsche
-poëzie, waar zij legio zijn, en naar de oude Germaansche dialecten.
-
-Het Gotisch heeft handu-waurhts, waaraan het Latijnsche manufactus
-geheel beantwoordt. Het zal wel onnoodig zijn, op hun gebruik in het
-Grieksch en Sanskrit te wijzen.
-
-Ofwel verstaat men door den aard der taal het algemeen gangbare
-spraakgebruik der beschaafden, dat, zooals Bilderdijk zegt, geene
-andere betrekkingen dan den genitief toelaat, b. v. huisdeur = deur
-van het huis?
-
-Nochtans vinden wij eene menigte voorbeelden van andere betrekkingen,
-zoowel bij zelfstandige als bijvoeglijke naamwoorden, waar het
-hier vooral op aankomt, en wij twijfelen er niet aan, of de huidige
-dialecten leveren ook dergelijke samenstellingen op.
-
-Zelfst. nw.: hemelvaart, watervrees, broodnijd, steendruk, kindergek,
-koordedanser, slaapwandelaar, wielrijder, geldgebrek, zwaardvechter,
-regenscherm, zeeroover, stoelgang, kleurenblindheid, leedvermaak,
-enz. enz.
-
-Bij dit laatste woord teekent Van Dale aan:
-
-«De reden, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd zeggen, is,
-omdat wij bij de uiteenzetting dezer samenstelling niet zeggen kunnen:
-vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom
-is ook het thans gebruikelijke leedvermaak (eene vertaling van het
-Hoogd. Schadenfreude) af te keuren.»
-
-Bij deze regels denk ik onwillekeurig aan de kunstmatig ingedrukte
-voetjes der Chineesche dames.
-
-Bijvoegl. nw.: composita met rijk: roemrijk, volkrijk, scheeprijk
-enz.; die met schuw: menschenschuw, zonneschuw, lichtschuw; die met
-blind: dagblind, sneeuwblind; bedlegerig, bijbelvast, godebehaaglijk,
-wereldberoemd, godgewijd, zeevaardig, dienstvaardig, waterdicht,
-luchtdicht, handtastelijk, proefondervindelijk, slagvaardig,
-kinderzalig, godzalig, godgeleerd, nagelvast, handgemeen, mondgemeen,
-vingersnel, handgauw, handgetrouw, natuurtrouw, zeehard, zeeziek,
-het in de dagbladen niet ongewone wereldkundig, staatsgevaarlijk,
-levensgevaarlijk, enz. enz.
-
-Deze lijst zou gemakkelijk vermeerderd kunnen worden bij eene
-nauwgezette doorbladering van het woordenboek en bij het raadplegen
-der gewestspraak.
-
-Wij besluiten hieruit, dat zij, die deze samenstellingen afkeuren,
-den vooruitgang der taal op willekeurige wijs belemmeren, en op éene
-lijn kunnen gesteld worden met hen, die misbruik maken van vreemde
-woorden, in plaats van hun «moers taal» te spreken, om het met Kegge
-onbewimpeld uit te drukken.
-
-[24] Het Fransche volksepos «La Chanson de Roland» is van Germaanschen
-oorsprong.
-
-Vandaar de eigennamen als Durandal voor Roelants zwaard en Joyeuse
-voor dat van den Keizer «à la barbe fleurie».
-
-[25] 4 Scheving: zoon van Scef of Sceáf, welke naam Schoof
-beteekent. Vgl. v. 47 Nota.
-
-[26] 5 medezetels: de banken, waarop de krijgers bij de gastmalen
-hunner vorsten zaten, en waar bier en mede geschonken werd. Werd de
-eene vorst door den anderen overwonnen, zoo hielden de drinkgelagen
-op. Ettmüller.
-
-[27] 15 Hij: de Hemel. Deze verzen doelen op de oorlogen, welke het
-tijdperk van regeeringloosheid, dat de aankomst van Schyld zou zijn
-voorafgegaan, moesten kenmerken.
-
-[28] 18 hem: Beowulf, zoon van Schyld.
-
-[29] 14b-18 zijn blijkbaar een toevoegsel van christelijke hand.
-
-[30] 19 Deze Beowulf, de Deen, waarin de uitgevers den mythischen
-held Beáv of Beóv zien, is niet te verwarren met Beowulf, den Goot,
-den held van het gedicht.
-
-[31] 20 de Schedelanden: het Denenrijk.
-
-[32] 24 in d'ouderdom: als hij op zijne beurt koning is geworden.
-
-[33] 28b Ingeschoven.
-
-[34] 31 Schildings: Denen.
-
-[35] 42 op den schoot: van het schip. Vgl. v. 36.
-
-[36] 47 De sage van deze wonderbare aanlanding in het oude Anglië wordt
-ook vermeld door de Engelsche kroniekschrijvers, doch niet aan Scyld,
-maar aan Sceáf, zijnen vader, toegeschreven. Kemble deelt, onder meer,
-den volgenden tekst van Willem van Malmesbury mede:
-
-Iste (Sceaf), ut fertur, in quandam insulam Germaniae Scandzam, de
-qua Jordanes, historiographus Gothorum, loquitur, appulsus navi sine
-remige puerulus, posito ad caput frumenti manipulo, ideoque Sceáf
-(Ned. schoof) nuncupatus, ab hominibus regionis illius pro miraculo
-exceptus et sedulo nutritus, adulta aetate regnavit in oppido, quod
-tunc Slasvic, nunc vero Haitheby appellalur: est autem regio illa
-Anglia vetus dicta, unde Angli venerunt in Britanniam, inter Saxones
-et Gothos constituta.
-
-Voor meer aanhalingen verwijs ik naar Ettmüllers inleiding.
-
-Volgens Nathanaël Muller moet Sceáf de Germaansche Ulysses geweest
-zijn, waarvan Tacitus gewaagt: Caeterum et Ulixem quidam opinantur
-longo illo et fabuloso errore in hunc oceanum delatum adisse Germaniae
-terras... Germ. Cap. 3.
-
-De aankomst van den Zwaanridder in het geheimzinnige bootje komt met
-de sage van Sceaf overeen.
-
-[37] 48 Een gouden banier of schild boven aan den mast was het teeken
-van de aanwezigheid eens konings. Ettmüller.
-
-[38] 53 beneên de wolken: op aarde.
-
-[39] 56 Schyld was gestorven.
-
-[40] 63 Ongentheow: is eene gissing, daar het handschrift hier eene
-leemte vertoont.
-
-[41] 64 Schilfing: Zweed.
-
-Ettmüller merkt te recht aan, dat deze inleiding de afstamming
-behelst van den Deenschen koning Hrodgar en niet, zooals het diende,
-van Beowulf den Goot, die nochtans de held van 't epos is. Een bewijs,
-onder meer andere, dat dit gedeelte later bijgevoegd is.
-
-[42] 66 zijn dierbre magen: quodque praecipuum fortitudinis
-incitamentum est, non casus nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum
-facit, sed familiae et propinquitates. Tacitus, Germania, 7.
-
-[43] 73-74 uitgezonderd de Koningsmacht? De regel «is ten eenenmale
-onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator
-ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn
-legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en
-niet tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen
-de historie hier licht geven.» Cosijn. Ook werpt hij het vers uit,
-evenals Ettmüller.
-
-[44] 82 met hoornen voorzien: met hertegewei, dat den gevel
-bekroonde. Vandaar de naam Heort of Heorot.
-
-[45] 83-86 Hier wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet
-in het gedicht behandeld worden, maar die het onderwerp moesten
-uitmaken van afzonderlijke zangen: den brand van Heorot, en de
-vijandschap tusschen Hrodgar en zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst
-der Headobarden. Vgl. v. 800 en vooral XXX.
-
-[46] 90b-103a Ingelaschte verzen, volgens Müllenhofs indeeling,
-terwijl Ettmüller minder juist ook 103b-106 verwerpt.
-
-[47] 107-118 Ingeschoven plaats.
-
-[48] 115-118 Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten
-van Kaïn afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke
-oudheid. Vgl. v. 1283 vlg.
-
-[49] 119 hij: Grendel.
-
-[50] 127 Van dit dertigtal verslond hij er vijftien en sleepte de
-overigen naar zijn hol. Vgl. v. 1614.
-
-[51] 129 met kampbuit: de vijftien overgeblevenen van v. 127.
-
-[52] 151 winters: jaren, volgens de Germaansche gewoonte van naar
-winters te tellen.
-
-[53] 160 met geld te zoenen: het weergeld, volgens de oude
-rechtspleging.
-
-[54] 161 glansrijker boete: door hem te dooden in den strijd.
-
-[55] 164 meerderen en mindren: de krijgsschaar bestond uit strijders
-van hoogeren en lageren rang, in den trant van de ridders en
-schildknapen der middeleeuwen.
-
-[56] 172 God belette hem den Deenschen troon te bestijgen; immers
-Grendel ging gebukt onder Zijnen vloek. Vgl. v. 725. Ook wenschte
-Grendel zulks niet.
-
-[57] 168-73 Inlassching.
-
-[58] 179 Den Godentempels. Ags. hearg-träf. «Götterzelt, Tempel.»
-
-De tempels werden in den regel op plaatsen gebouwd, die reeds op zich
-zelf als heilig golden, vooral in bosschen. Ags. hearh beteekent dus
-zoowel «heilig bosch» als «tempel».
-
-Sarrazin besluit uit deze plaats, dat zich in de nabijheid van Hrodgars
-burcht een offerwoud bevond.
-
-En inderdaad, op eenige minuten van Lerje ligt een beukenbosch, het
-Herthadal, vroeger ook het «heilig woud» geheeten, hetgeen volgens de
-oude overlevering en volgens de meening van Deensche oudheidkundigen
-eene heidensche offerplaats geweest is. In dit bosch bevindt zich
-het Herthameer, dat vroeger het «heilig meer» genoemd werd.
-
-Als laatste bewijs haalt Sarrazin het oude getuigenis aan van Diethmar
-van Merseburg.
-
-Is dus Lerje, blijkens het hier aangehaalde, reeds merkwaardig genoeg,
-het wint nog in belangrijkheid, dank aan het opstel van Much, «Goten
-und Ingvaeonen».
-
-Het geheimzinnige meer aan de godin Hertha (Nerthus) gewijd, waarvan
-Tacitus Germ. 40 zulk aangrijpend tooneel ophangt, bevindt zich
-volgens hem niet op Rügen, maar op het vruchtbare Seeland en is juist
-het Herthameer in de nabijheid van Lerje.
-
-Seeland was dus het Nerthuseiland en Lerje (het oude Hleithra of
-Lethra) het middelpunt van den Vaneneeredienst.
-
-[59] 181 wurggeest: duivel.
-
-[60] 183-191 Onechte plaats. De Denen naar de hel verwijzen enkel
-omdat zij heidenen waren, getuigt van eene bekrompen godsdienstige
-opvatting. Dat wij dit nochtans zoo nauw niet moeten nemen, zagen
-wij reeds in de Inleiding.
-
-[61] 193 de zoon van Healfdeen: Hrodgar.
-
-[62] 198 Higelaces leenman: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het
-eerst en zonder verband met het voorafgaande de held van het epos op.
-
-[63] 199 de Gooten. Vgl. Inleiding.
-
-[64] 206 Zij rieden het hem sterk aan (litotes.) Cosijn.
-
-Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen neef te doen blijven
-Vgl. v. 2047.
-
-[65] 208 gewenschte teekens: Auspicia sortesque ut qui maxime observant
-Tacitus. Germ. 10.
-
-[66] 212 Een kampheld: hij geleidde hen naar het strand.
-
-[67] 216 Het was hoog tij.
-
-[68] 220 gebonden kiel: beslagen kiel.
-
-[69] 223 De overtocht had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met
-de beide veronderstellingen omtrent de woonplaats der Gooten laat
-overeenbrengen, hetzij de reis van het zuidelijkste punt van Zweden
-naar Jutland, ofwel van Jutland naar Roeskilde uitgaat.
-
-[70] 228 Wederlieden: Gooten.
-
-[71] 246 Ofschoon de strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen
-zich eerst in de 9de en 10de eeuw op eene groote schaal uitbreidden,
-hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd. Tacitus zegt:
-Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines cujusque civitatis
-fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de Deensche kustwachter
-alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v. 1961.
-
-[72] 252 uwer een: Beowulf.
-
-[73] 253 huisman: in tegenstelling met
-edelman. Angs. seld-guma. seld-guma ist hier offenbar der gemeine Mann,
-der nur ein seld besitzt, im gegensatze zu dem edlen, der einen hof
-zu eigen hat. Socin.
-
-[74] 285-87 Indien het ongeluk niet ophoudt, dan zal hij steeds in
-'t ongeluk zijn!
-
-Nuchtere opmerking van interpolator La Palice.
-
-Müllenhoff schrapt 282b-284.
-
-[75] 296 De vaartuigen werden, evenals onze visschersschuiten, op
-het zand getrokken. Vgl. v. 1943, 1960-61.
-
-[76] 305 Wangstuk: dat gedeelte van den helm dat de wangen
-beschut. Het everzwijn was het aan Freyr gewijde dier. Formas aprorum
-gestant. Tacitus, Germ. 45.
-
-Eene op Oeland in Zweden gevonden bronzen schijf stelt twee krijgers
-voor, die boven op hunnen helm een everbeeld hebben.
-
-[77] 308 Sarrazin geeft de volgende plaatsbeschrijving van Lerje
-en omstreken:
-
-De afstand van de zeehaven Roeskilde naar Lerje bedraagt ongeveer
-5/4 uur gaans. De weg is eerst vlak, stijgt dan ongemerkt, totdat hij
-halverwege het hoogste punt bereikt om daarna te dalen; zoodat men in
-de verte rechts het dorp Lerje en links het slot Ledreborg ziet, dat
-zich op eene hoogte verheft, ter plaatse waar, volgens de overlevering,
-zich de oude burcht bevond. Sporen van de oude geplaveide baan zouden
-vroeger nog te zien zijn geweest.
-
-In overeenstemming hiermede bevindt zich Hrodgars burcht met
-de belendende koningszaal Heorot op eenigen afstand van de zee,
-welke in betrekkelijk korten tijd te voet kan afgelegd worden. De
-kustwachter doet aan de Gooten uitgeleide (300), totdat het hoogste
-punt bereikt is, vanwaar Heorots transen zichtbaar zijn (310, 313);
-hier neemt hij van hen afscheid (314), terwijl zij vervolgens afdalen
-(309) en langs den steenweg (321) Hrodgars verblijf bereiken.
-
-[78] 312 De machtige: Hrodgar.
-
-[79] 331 Blauwschemerig van boven: met stalen punt.
-
-[80] 333 Kamper: Wulfgar.
-
-[81] 338 Een zulke menigte is wel wat opvallend, immers zij waren
-maar met hun vijftien. Vgl. v. 211.
-
-[82] 359 bij de schouders: ter zijde, niet recht vóór hem.
-
-[83] 373 Ecgtheow was uitgeweken wegens doodslag aan Headolaf, een
-Wulfing, gepleegd en «had Beowulf meegenomen». Cosijn.
-
-Beowulf moet op het oogenblik, dat deze gebeurtenissen plaats grijpen,
-een goede vijftig jaar oud zijn. Immers toen Ecgtheow uitweek, had
-Hrodgar, welke thans 50 jaar koning is (v. 1806), juist den troon
-beklommen. Vgl. v. 469 vlg.
-
-[84] 377 vriend: Hrodgar.
-
-[85] 378 Waarschijnlijk wegens de beslechting van de veete met de
-Wulfings. 't Is natuurlijk, dat bij die gelegenheid de Gootische
-schippers van hunnen landgenoot Beowulf gewaagden. Cosijn.
-
-[86] 382 Wester-Denen: Denen.
-
-[87] 392 Oost-Denen: Denen.
-
-[88] 399 De sterke: Beowulf.
-
-[89] 401 heergetuig: de schilden en lansen, welke welstaanshalve
-buiten moesten blijven.
-
-[90] 402 de wapenstoute: Wulfgar.
-
-[91] 416 Vgl. v. 206.
-
-[92] 423 Nergens in het gedicht wordt nader melding gemaakt van
-Beowulfs kamp met de reuzen; het verslaan der Nikkers schijnt niet
-te zien op v. 585.
-
-[93] 429 reus: Grendel wordt als een reus voorgesteld. Vgl. v. 1370
-vlg.
-
-[94] 435-36 Hij draagt geen wapen en vreest voor geen wapen.
-
-[95] 442b-43 Christelijke wereldbeschouwing.
-
-[96] 448 Gij hoeft niet de wacht bij mijn lijk te houden. Zoo wordt
-later ook gezegd van Wiglaf, dat hij waakt bij het lijk van Beowulf
-en den draak. In den tekst staat niet lijk, maar hoofd.
-
-[97] 454 Daar Grendel, in de veronderstelling dat hij overwinnaar
-blijft, Beowulf zal verslinden, kan er geen sprake wezen van het
-lijk af te leggen: De neusgaten werden gesloten, daarna werd de doode
-gewasschen en gekleed.
-
-De tekst heeft niet lijktooi maar lichaam.
-
-[98] 458 Weland: Wieland in de Duitsche sage, Volundr in de
-Volundarkvitha der Edda.
-
-De sage van den kreupelen Weland, den Germaanschen Hephaistos, is,
-volgens Symons, in Nederduitschland ontstaan. Het is een mythisch
-wezen en vertegenwoordigt bij uitstek den schranderen dwerg, die de
-onderaardsche schatten aan zijne kunst dienstbaar maakt.
-
-In de Edda wordt de sage volgenderwijze verhaald:
-
-Nithothr, koning der Niaren, neemt den vindingrijken smid Volundr
-gevangen en laat hem op een eiland zijne kunst uitoefenen, na hem
-de kniepees doorgesneden te hebben. Volundr koelt zijne wraak door
-'s konings zonen te dooden en dezes dochter te verkrachten.
-
-Van de bekkeneelen der knapen had hij drinkschalen voor den koning
-vervaardigd, van de oogen edelsteenen voor de koningin en van de
-tanden borstspelden voor de koningsdochter.
-
-Degenen die hierover meer wenschen te vernemen, verwijs ik naar het
-opstel van J. Kleyntjens «Een Eddalied vertaald en opgehelderd,»
-voor zoover als ik weet de eenige studie, welke in Vlaamsch België
-over de Oudnoordsche letteren verschenen is.
-
-L'Enseignement des Langues Modernes. Jaargang 1894-95.
-
-[99] 459 Het noodlot is onwankelbaar.
-
-[100] 464 De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten, of ten
-minste als nauw ermede verwant.
-
-Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten te doen blijven,
-vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht was voor de
-wraak der Wylfings: (heirschrik v. 466).
-
-Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte daardoor Ecgtheow. De
-plaats is vrij duister.
-
-Müllenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden der Oostzee thuis.
-
-Het geslacht der Wylfingen, Wulfingen, dat ook in Widsidh vermeld
-wordt, is in de Duitsche heldensage bekend.
-
-Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen, de moedige dienstman
-van Diederik van Bern (Theodorik de Groote).
-
-[101] 466 hem: Ecgtheow.
-
-[102] 474 zoende ik: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening
-te bewerken, daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen
-vermaagschapt was. Vgl. 632. Nota.
-
-[103] 482 naar Grendels schrikverschijning: naar den verschrikkelijken
-Grendel.
-
-[104] 491 bankvloer: de vaste bodem, waar zich de banken of
-tafels bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het
-nachtleger. Vgl. v. 1260.
-
-[105] 497 Beowulf heeft dus staande zijne aanspraak gehouden.
-
-[106] 501 aalkan: bierkan.
-
-[107] 507 aan de voeten: op de tweede eereplaats rechts van den ingang,
-vóór Hrodgar, doch eene trede lager. Vgl. v. 2847. Nota.
-
-[108] 508 het kampgeheim ontkeetnend: den woordenstrijd beginnend. De
-uitdagende woorden worden vergeleken met een wild dier, dat men
-loslaat.
-
-[109] 529 Heado-raemen. Müllenhoff schrijft Heado-reámen
-(Strijd-Reámen) en ziet erin de Raumaricii van Jordanes, de bewoners
-van Raumariki ten zuiden van Noorwegen. (Angs eá = au).
-
-[110] 531 Brondings: Zie Inleiding, blz. 80.
-
-[111] 592 het land der Finnen: Finmarken aan de IJszee.
-
-Volgens Bugge is de episode van Brecca verwant met de IJslandsche
-sage van Egil.
-
-[112] 598 niet bral ik dies. IJdele woordenpraal werd door de Germanen
-in den hoogsten graad verafschuwd.
-
-Hunne nakomelingen, die nog niet wegloopen met de Fransche «blague»,
-schijnen er niet op gebeterd te zijn.
-
-[113] 595-99 Vlijmende spotternij. Gij, Hunferd, hebt nooit zulke
-moedige daad volbracht, of het moest de moord van uwe bloedverwanten
-zijn.
-
-[114] 604 uw heerscher: aan uwen heerscher.
-
-[115] 607-9 Waarlijk Beowulf windt er geene doekjes om!
-
-Er diende nochtans vrijmoedigheid toe, om deze voor de Denen zoo
-geringschattende woorden in de tegenwoordigheid van al de rijksgrooten
-uit te spreken.
-
-[116] 610 noodpand: gedwongen pand, nl. de lijken.
-
-[117] 614-15 Dan mogen de Denen weer hunnen intrek nemen in Heorot.
-
-[118] 631 zaalkroes: in de zaal gereikte kroes.
-
-[119] 632 Wealchtheow was van den stam der Helmingen.
-
-Volgens Widsidh heerschte Helm over de Wulfingen.
-
-[120] 633 hoog en nedrig: Krijgers van hoogeren en lageren rang.
-
-[121] 634 totdat de beurt zich bood: zij ging eerst de rij rond
-aan den kant van Hrodgar en kwam daarna bij Beowulf, die op de 2de
-eereplaats recht tegenover Hrodgar gezeten was.
-
-[122] 652 naast haar echtgenoot: aan zijne linkerhand.
-
-Ons gedicht hangt een levendig tafereel op van de Germaansche
-feestmalen. Eene hoofdzaak was het, aan de gasten eene met hunnen rang
-overeenkomende plaats aan te wijzen. Liederen werden voorgedragen,
-sagen en eigen daden verhaald. De braspartij werd besloten met het
-uitdeelen van geschenken aan elk der gasten.
-
-Mullenhoff ziet in vv. 624-55 eene inlassching, omdat Wealchtheow
-opeens verdwenen moet zijn, want v. 656 wordt alleen van Hrodgar
-gezegd, dat hij de zaal verlaat.
-
-Staat er niet v. 934-35 dat Hrodgar het vertrek der gade verlaat? Kon
-de dichter dus de gevolgtrekking niet aan den lezer overlaten? Vgl. nog
-v. 676.
-
-[123] 665 't bezit der zaal: de inbezitneming van Heorot te handhaven
-tegenover Grendel.
-
-[124] 673 Zoo gij er het leven van afbrengt.
-
-[125] 677b-81 Christelijke overweging.
-
-[126] 679-81 Ter oorzake van Hrodgar verleende God in dezen d. i. in
-dit bijzonder geval zijne hulp, door Beowulf af te zenden.
-
-[127] 690 De volgende verzen zijn eene herhaling van v. 435 vlg.
-
-[128] 694-95 Hij is niet bedreven in het hanteeren der wapenen,
-zooals het eenen ridder past.
-
-[129] 711 het weefsel van het wapenheil: het geluk der wapens.
-
-Volgens de Edda weefden de Walkuren het weefsel van den slag.
-
-Wij hebben hier een mengelmoes van heidensche en christelijke
-denkbeelden.
-
-[130] 714b.-23 Ettmüller en Müllenhoff beschouwen deze regels als van
-lateren oorsprong. Ook wordt v. 724 nog eens gezegd, dat Grendel in
-aantocht is.
-
-[131] 730 goudwoon: zoo geheeten, omdat er de koning goud uitdeelde.
-
-[132] 740 der halle monding: de deur.
-
-[133] 750-51 Hier wordt, als zoo dikwerf in 't gedicht, de ontknooping
-in het verschiet gesteld.
-
-[134] 755-58 De Goot, die hier zoo ongelukkig aan zijn einde komt,
-is Hondsció, zooals blijkt uit het mondelingsch verslag van zijnen
-tocht, dat Beowulf later aan Hygelac doet. Vgl. v. 2131.
-
-[135] 760 met hand en voeten: met huid en haar.
-
-[136] 762, 763 strijdheld, de vijand: Beowulf.
-
-[137] 764 en stutte; Beowulf stutte zich met den arm op de bovenste
-trede der bankvloer. Vgl. v. 2847 Nota.
-
-[138] 771 der duivels drijven: de overige monsters. Vgl. v. 1538.
-
-[139] 770-73 Overtollige uitbreiding.
-
-[140] 772-73 Hij vond hier niet meer de gelegenheid om, zooals vroeger,
-een bloedbad aan te richten.
-
-[141] 781-82 Beowulfs vuist hield Grendels hand in bedwang.
-
-[142] 785 Immers de Denen sliepen niet meer in Heorot, maar in den
-burcht. Vgl. v. 142 vlg.
-
-[143] 786 doodsontzetting: ealu-scerwen, eigenlijk bierschrik,
-eene epische, destijds misschien reeds verduisterde uitdrukking,
-oorspronkelijk eene plotselinge verdwijning van het bier beteekenende.
-
-[144] 793 menig meebank: die in 't midden van de zaal verplaatst
-waren. Vgl. v. 1260.
-
-[145] 800 Tweede toespeling op eenen toekomstigen brand. Vgl. v. 83.
-
-[146] 812 Illum (principem) defendere, tueri... praecipuum sacramentum
-est. Tacitus Germ. 14.
-
-[147] 808-22 Ettmüller verwerpt deze verzen, immers daar Beowulf in
-zijn land vernomen had, dat Grendel geene wapens te vreezen had (v. 435
-vlg.), moesten zijne makkers het ook geweten hebben. Müllenhoff wijst
-ook op eene tegenspraak. Beider gevoelen komt mij niet aannemelijk
-voor. Vgl. Aanmerkingen.
-
-[148] 834 weeldelooze woning: het meer, dat zich te midden der
-moerassen aan den voet der rotsen uitstrekte.
-
-[149] 851 volgens mijn ervaren: De dichter doet een beroep op de
-dichterlijke overlevering van zijnen tijd. Deze getuigenis keert bij
-herhaling terug.
-
-[150] 854 voetspoor: Zij begaven zich naar het meer.
-
-Beowulf was er niet bij; immers later zegt hem Hrodgar:
-
-«Nog kent gij niet de plek» en hij beschrijft hem dan het geheimzinnige
-meer. Vgl. v. 1387 vlg.
-
-[151] 865 Ingelascht vers.
-
-[152] 871 tusschen tweelingzeeën: tusschen Noord- en Oostzee.
-
-[153] 876a Hrodgar krijgt meer dan eens zoo'n pluimpje, ofschoon
-het gedicht een eerbiedig zwijgen bewaart over zijne wapenfeiten. De
-grijsaard komt mij al te jammerend voor.
-
-Ik denk hier onwillekeurig aan Tacitus Germ. 14. «sua... fortia facta
-gloriae eius (principis) adsignare praecipuum sacramentum est.»
-
-[154] 881 Het ideaal van zulk een dichter wordt ons in Widsidh
-voorgesteld.
-
-[155] 886 elk liet nu weten: De overgang van Beowulf, den dooder van
-Grendel, op Sigmund, den dooder van Fafnir, ligt voor de hand.
-
-[156] 889 des Walsings: Sigmund, zoon van Wals.
-
-[157] 892 Fitela: Sinfjötli in de Edda, de oudste zoon en neef van
-Sigmund, die zijnen vader op de zwerftochten ter zijde stond.
-
-[158] 896 der reuzen: Nevelingen.
-
-[159] 900 vuurdraak: Fafnir; de schat, waarvan sprake, is de schat
-der Nevelingen.
-
-Het Angelsaksisch gedicht verwart hier den vader met den zoon: Niet
-Sigmund, maar zijn zoon Sigfried, de held van de Wolsungensage in de
-Edda en van het Duitsche Nibelungenlied, doodde den draak en verwierf
-daardoor den schat der Nibelungen.
-
-[160] 917 bij 't reuzendom: de Nibelungen, welke oorspronkelijk
-de daemonische, duistere machten zijn, die het eerste den schat
-bezaten. In den tekst staat niet Sigmund maar hij.
-
-De volgende zin ziet op het verdriet van Sigmund in zijne
-gevangenschap.
-
-[161] 912-16 Sigmund was de vermaardste held geweest na Heremod.
-
-[162] 920 tot levenskommer: door te sterven. Het ongelukkig uiteinde
-van Sigmund in het geweld der Nibelungen was voor zijne lieden een
-levenslange kommer.
-
-Volgens Bugge is hier sprake van Heremod, die bij de reuzen
-verraderlijk gedood werd en in 's vijands handen, d. i. de macht des
-duivels, geraakte. Ook volgens Müllenhoff slaat v. 918-920 op Heremod.
-
-[163] 922 't vertrek des koenen: van Heremod.
-
-[164] 921-27 Evenals Sigmunds tochtgenooten zijne verdwijning
-betreurden in de macht der Nibelungen, zoo ook betreurden de
-Denen, dat de even dappere Heremod, die hetzij vrijwillig, hetzij
-gedwongen vertrokken was, door zijne wreedheid de van hem gekoesterde
-verwachtingen bedrogen had.
-
-Het lot van Heremod wordt met dat van Sigmund vergeleken. Er zijn twee
-punten van aanraking: hunne heldenkracht en hun ongelukkig uiteinde.
-
-[165] 927 De bloedvriend Hygelacs: Beowulf.
-
-[166] 929 aan gene: aan Heremod. Wij hebben hier eene tegenstelling
-tusschen het gedrag van Beowulf en dat van Heremod.
-
-Deze verzen dienen tevens tot aanknooping van de
-Sigmund--Heremodepisode met den held van het gedicht.
-
-Later wordt nog op twee plaatsen van Heremod melding gemaakt: 1742
-vlg. en 2236 vlg.
-
-De sage van Heremod heeft, volgens Bugge, veel overeenkomst met de
-Noordsche sage van Ali frokni (de koene).
-
-[167] 932 morgenlicht: morgenzon.
-
-[168] 934 het wonderfeit: de arm van Grendel.
-
-[169] 938 langs den medeweg: langs den weg naar Heorot, de drinkhalle.
-
-[170] 941 Grendels hand, het zegeteeken van Beowulf, werd vóór de deur,
-op de stoep gelegd, waar ieder ze zien kon.
-
-[171] 945-46 Ingelascht.
-
-[172] 957 Wie zij ook zij: Deze woorden zijn opvallend in Hrodgars
-mond; immers wij weten, (v. 374) dat hij Beowulfs moeder «Hredels
-eenige dochter» kende, al blijft ook haar naam in het duister.
-
-[173] 976 in zijnen tooi: wapenrusting.
-
-[174] 991 de groote dagvaart: dag des oordeels.
-
-Deze drie verzen zijn blijkbaar van christelijken oorsprong.
-
-[175] 1008 de weefsels: Het was de gewoonte bij feestelijke
-gelegenheden de wanden met kostbare stoffen te bedekken, waarop
-dikwijls kunstvolle onderwerpen waren voorgesteld.
-
-[176] 1016 dit: de dood. Het onderwerp moet uit de beteekenis van
-den vorigen zin worden opgemaakt.
-
-[177] 1017-20 de noodwendig voor iedereen bereide doodstede.
-
-[178] 1016-22 Iedereen moet sterven, dit kan zelfs dan gebeuren,
-wanneer men zich het minste er op verwacht b. v. als men is ingedommeld
-na het feestmaal.
-
-Deze gebrekkige verzen zijn blijkbaar een inlapsel.
-
-[179] 1022 de dagstond: Daar er, ten minste in het Noorden, twee
-hoofdmaaltijden plaats grepen, een om 9 uur 's morgens en een 's
-avonds na volbrachte dagtaak, moeten wij 9 uur aannemen.
-
-Immers het was nog morgen (931-35) en later wordt gezegd, dat zij
-den ganschen dag tafelden (2171).
-
-Ook kan de tocht naar het meer, die vooraf had plaats gehad, geen
-bezwaar opleveren, want de afstand was niet groot (1387) en zij lieten
-somtijds hunne paarden draven (876).
-
-Het feestmaal duurde tot 's avonds. Vgl. 1256, 2171.
-
-[180] 1030 Hrodulf: Hrodgars neef en mederegent.
-
-[181] 1032 Een strijd tusschen Hrodgar en Hrodulf wordt in het
-verschiet gesteld, strijd waarover het gedicht het zwijgen bewaart. Zie
-ook v. 1182. De dichter zinspeelt hier, evenals vroeger bij de
-verhouding tusschen Hrodgar en Ingeld (v. 83), op de dichterlijke
-overlevering van zijnen tijd.
-
-[182] 1038 den vorst: Beowulf.
-
-[183] 1049 Van deze acht paarden schenkt Beowulf er later vier aan
-Hygelac en drie aan Hygd. Vgl. 2220, 2232.
-
-[184] 1057 der Denen: der Ingwinen, in den tekst.
-
-Deze naam herinnert ons aan de Ingaevones van Tacitus. De volkeren
-langs de Noordzee vereerden den god Ing d. i. Freyr.
-
-[185] 1067 den man: Hondsció. Vgl. v. 2131.
-
-[186] 1071 Wyrd: noodlot, eigenlijk een der drie Nornen of
-schikgodinnen; doch wordt, evenals in den Heliand, gebezigd voor
-Gods Voorzienigheid. Christendom en heidendom worden weer in eenen
-adem genoemd.
-
-[187] 1069-76 Stichtelijk gerijm.
-
-[188] 1073-76 Het vertrouwen op God is de beste steun in al de
-omstandigheden dezes levens. worsteldagen: aardsche leven.
-
-[189] 1078 Hnäf: vorst der Half-Denen en veldheer van Healfdeen,
-koning der Denen. Daar Hrodgar, Healfdeens zoon, nu vijftig jaar het
-bewind voerde, was er ruim eene halve eeuw verloopen sinds de hier
-vermelde gebeurtenissen.
-
-[190] 1081 de zanger van Hrodgar: Hunferd.
-
-[191] 1082 Finnes zonen: de mannen van Finn, koning der Friezen.
-
-[192] 1083 overrompeling: van den kant der zich wrekende
-Denen. Vgl. 1161 vlg.
-
-[193] 1084 Half-Denen: Volgens Bugge waren dit geene eigenlijke Denen,
-ofschoon hunne bondgenooten; want Hnäf behoorde tot de Hokingen en
-Sigeferd, waarvan in het Finsburglied sprake is, tot de Secgas. De
-overige benamingen integendeel, als Noord-Oost-Zuid-Deen, zijn zoovele
-benamingen voor een en hetzelfde volk nl. de Denen.
-
-[194] 1085 't Friezenveld: slagveld, waar veel Friezen gevallen waren,
-de Finsburg met omgeving. Vgl. 1094 vlg.
-
-De kamp, waarin Hnäf verraderlijk viel onder de slagen van Finn en
-zijne Friezen, wordt ons in het Finsburgfragment geschilderd en gaat
-bijgevolg de hier verhaalde gebeurtenissen onmiddellijk vooraf.
-
-[195] Hildburg, bloedverwante, misschien de zuster van Hnäf, en Finns
-gemalin. In Widsidh heet Hnäf de vorst der Hokingen; daar nu Hildeburg
-Hokes dochter is (Vgl. v. 1090), zoo was het vermoedelijk eene oude
-veete, die door het huwelijk van Finn en Hildeburg was bijgelegd,
-doch die nu weer losbreekt door den verraderlijken overval in Finsburg.
-
-Dit verklaart dan Eotentrouw. Ettmüller.
-
-[196] 1086 Eotentrouw: Friezentrouw.
-
-[197] lieve loten en broeders: hare zonen en broeders, welke zich
-onder de gesneuvelde Half-Denen bevonden.
-
-[198] 1090 toen de morgen daagde: De Half-Denen werden 's nachts in
-Finsburg overvallen.
-
-[199] 1095 dingplaats: de vergaderplaats, waar beide partijen tot
-onderhandeling of, desnoods, tot een nieuw gevecht tegenover elkander
-stonden.
-
-[200] 1096 Hengest: Hnäfs opvolger als bevelhebber der Half-Denen.
-
-[201] 1098 veldheer van den koning: Hengest, veldheer van Healfdeen.
-
-[202] 1099 Zij: de Friezen.
-
-[203] 1106 als wilde enz. Finn onthaalde de Denen of Half-Denen,
-alsof het zijne eigen Friezen waren.
-
-[204] 1110 de resten van de ramp: de overblijvende Deensche strijders.
-
-[205] 1111 volgens 't oordeel van de raden: in geval van oneenigheid
-zouden de raadslieden uitspraak doen.
-
-[206] 1112 hunner: Denen.
-
-[207] 1114-15 Ofschoon de Denen Finn moesten gehoorzamen, den dooder
-van Hnäf.
-
-Finn vertegenwoordigt zijn volk, immers wij weten niet, of hij zelf
-de dooder was.
-
-1110-11 behelst den eed der Friezen, alsmede 1116-18;
-
-1112-15 dien der Denen.
-
-[208] 1120 het glanzend goud: waarmede Finn volgens v. 1103 vlg. de
-Friezen en de Denen moest beschenken.
-
-[209] de koenste wapenkrijger: Hnäf.
-
-[210] 1122-24 sua cuique arma... igni.. adjicitur. Tac. Germ. 27.
-
-[211] 1127 op 's broeders brandmijt: de tekst heeft: op Hnäfs
-brandmijt.
-
-[212] 1130 bij den schouder: van Hnäf.
-
-[213] 1133 heuvel: grafheuvel.
-
-[214] 1137 beide stammen: Friezen en Denen.
-
-Geven wij hier duidelijkheidshalve een overzicht:
-
-Finn, de koning der Friezen, heeft de Half-Denen of Denen, hetgeen op
-hetzelfde neerkomt, des nachts verraderlijk overrompeld in Finsburg. De
-vorst der Half-Denen, Hnäf, bevelhebber van den Deenschen koning,
-en broeder van Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden.
-
-Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn, betreurt bij het aanbreken
-van den morgen den dood harer Deensche bloedverwanten.
-
-Daar de meeste Friezen bij den aanval op Finsburg zijn gesneuveld, is
-Finn niet meer bij machte om de overgebleven Denen te vernietigen. Hij
-onderhandelt bij gevolg met Hengest, opvolger van Hnäf als bevelhebber,
-en een vredesverdrag komt tot stand.
-
-Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel rechten als de Friezen,
-worden gehuisvest en zullen met de gebruikelijke geschenken bedeeld
-worden door Finn, dien zij als koning erkennen. De geschillen zullen
-door de raadslieden worden bijgelegd.
-
-Mocht een Fries zinspelen op de vroegere vijandschap, hij zal dit
-met het leven boeten.
-
-Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de koningsgaven uit aan
-beide stammen.
-
-Daarna wordt een groote brandstapel opgericht, waarop het lijk van
-Hnäf met de gesneuvelde vrienden en vijanden verbrand wordt, terwijl
-Hildeburg den gebruikelijken klaagzang aanheft.
-
-[215] 1139-41. De verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne
-gesneuvelde vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij
-gevolg moet de Finsburg, waar de in 't vorige hoofdstuk vermelde
-gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland,
-maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen zijn.
-
-[216] 1143 in alles een: in de beste verstandhouding, ten minste
-in schijn.
-
-[217] 1152-56. Met de aankomst der lente was de zee bevaarbaar,
-derhalve wenschte Hengest naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was
-hij nog meer verlangend zich op de Friezen in een gevecht te wreken.
-
-[218] 1157-60 Om zijn tweevoudig doel te bereiken, weigerde Hengest
-niet, zich voor eenen dienstman van Finn te verklaren.
-
-Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier vermelde zinnebeeldige
-handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des Konings, dat hem door
-Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand te nemen.
-
-Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh de Koning der
-Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de Friezen
-verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland gedaan
-heeft (Vgl. 2420 vlg.), zoo verschijnt hier Hun aan het hof van Finn.
-
-Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een onderkoning van Finn
-is, evenals Hnäf, die toch zelf koning geheeten wordt, Heal'deens
-veldheer was.
-
-[219] 1163 Gudlaf en Oslaf: twee Deensche krijgers, welke ook in
-'t Finsburglied te zamen vermeld worden.
-
-[220] na de golfvaart: zij waren teruggekeerd uit Denemarken.
-
-[221] 1161-67. Bugge stelt zich de toedracht der zaak volgenderwijze
-voor:
-
-Als dienstman van Finn is Hengest verplicht, den Koning geschenken
-aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar Denemarken en keert
-daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en Oslaf.
-
-Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn voorloopig in alles te
-gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze geveinsde rol niet lang
-volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de Denen overvallen en
-Hnäf verraderlijk gedood had.
-
-Zoo werd de ontknooping bespoedigd.
-
-Wat eene andere, even aanneembare, verklaring betreft, verwijs ik
-naar de Aanmerkingen.
-
-Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat zij verscheiden
-tekstwijzigingen met zich brengt.
-
-[222] 1175 de edelvrouwe: Hildeburg.
-
-[223] 1181 Oom en broederzoon: Hrodgar en Hrodulf.
-
-Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van Halga, Hrodgars jongsten
-broeder. Vgl. 62.
-
-[224] 1182 Vgl. 1032 Nota.
-
-[225] 1186-87 Vgl. v. 598. Alweer eene vingerwijzing op de epische
-sagen, want uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds
-laakbare daad.
-
-[226] 1196 den held: Beowulf.
-
-[227] 1198 uw zonen: Hredric en Hrodmund.
-
-[228] 1200 christelijke opvatting.
-
-[229] 1201-3 Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was.
-
-[230] 1210 daar: tegenover Hrodgar.
-
-[231] 1218 Hama: Hij wordt in Widsidh vermeld en komt in de
-Hoogduitsche sage voor onder den naam van Heime; (ei = angs a). Hij
-staat er in betrekking met Diederik van Bern en met Ermanric en
-vertegenwoordigt den trouweloozen, omkoopbaren strijder. Oorspronkelijk
-is 't een mythisch wezen.
-
-[232] 1219 Brosinghalsband: de halsband, dien de Brisingen eens
-bezaten. 't Is hetzelfde kleinood als het Brisinga-men uit de Edda,
-de beroemde halsband van Freyja.
-
-[233] 1217-20 Sedert Hama, den bezitter van den Brosinghalsband,
-had nooit een held schooner halsjuweel bezeten dan nu Beowulf.
-
-[234] 1221 Ermenrics vervolging: Ermenric zette nl. den dief
-na. Ermenric is de machtige koning der Oost-Goten Ermanarik uit de
-4de eeuw. Hij vormt het middelpunt der Ermanaricssage.
-
-Saxo bericht van hem, dat hij groote schatten bezat en deze in zijnen
-burcht verborg.
-
-Ons Middelnederlandsch gedicht Van den Vos Reynaerde kent hem ook:
-
- 2047 Wilen tere stonden
- Hadde mine here mijn vader vonden
- Des conincs Ermelincx scat
- In eene verholne stat.
-
- 2374 Daer suldi vinden oec die crone
- Die Ermelync die coninc droech.
-
-[235] 1222 en koos zich 't eeuwig heil: hij trad in een klooster;
-zooals in de Diederiksage van Heime verhaald wordt.
-
-B. Symons toont aan, hoe deze plaats van 't gedicht den sleutel geeft
-tot het verhaal van Jordanes, Historia Gothorum, c. 24, waar van
-Hermanaricus gezegd wordt, dat hij eene vrouw, Sunilda, door paarden
-liet vierendeelen, omdat haar echtgenoot zich bedrieglijk uit de
-voeten had gemaakt; zonder dat dezes naam noch misdrijf vermeld wordt.
-
-Wij weten nu uit ons gedicht, dat Hama de echtgenoot was, en dat zijn
-misdrijf bestond in het rooven van Ermanariks schat.
-
-[236] 1223 des rings: Beowulfs halssieraad.
-
-[237] 1224 Swerting: Hygelacs grootvader. Higelac is de geschiedkundige
-Chochilaicus, koning der Denen. Zie Inleiding.
-
-[238] 1225 slagbuit: Dit bewijst, dat Hygelac een strooptocht
-ondernomen had, dat zeerooverij bij gevolg in zwang was.
-
-[239] 1226 hij sneuvelde.
-
-[240] 1231 in Frankenhand: Het gedicht komt nog driemaal op dezen
-tocht terug: XXXIII, XXXV, XL.
-
-[241] 1233 slechter kampvermeetlen: de Franken; de dichter heet ze
-zoo, omdat zij, naar zijne meening, als krijgslieden tegen de Gooten
-niet konden opwegen; want Hygelac met de zijnen moest alleen voor de
-overmacht bukken (Vgl. v. 3020.)
-
-[242] 1240 mijn zoon ook: Ettmüller maakt de opmerking, dat Wealchtheow
-den oudsten zoon Hredric op het oog heeft, die eens na Hrodgar zal
-regeeren.
-
-[243] 1251 blijft zoo handlen: blijft zoo verknocht, gehoorzaam
-en wilvaardig.
-
-[244] 1255 met menig edele: nochtans liet maar één ridder nl. Aschere
-er het leven.
-
-[245] 1258 een reuzig tal van ridders: het zijn Denen en geene
-Gooten. Vgl. 1303, 1322. Beowulf had vóór zijnen strijd met Grendel
-beloofd, dat zij den volgenden morgen weer bezit konden nemen van
-Heorot. Vgl. 614 vlg.
-
-[246] 1259 als vroeger: voor twaalf jaren.
-
-[247] 1260 den bankvloer ruimden ze op: door het wegbrengen der
-banken of tafels, om op de beschikbaar geworden ruimte stroozakken
-of kermisbedden te plaatsen.
-
-[248] 1262 Wie die beór-scealc, schenker, is, blijft in het onzekere,
-daar er geene verdere melding van wordt gemaakt.
-
-Probably some lines are wanting. Thorpe.
-
-[249] 1267-71 Nihil autem neque publicae neque privatae rei nisi
-armati agunt. Tacitus Germ. 13.
-
-Ad convivia procedunt armati ib. 22.
-
-Het was insgelijks bij de Scandinavische volken regel, dat ieder man
-zijne wapens des nachts boven zijn bed had hangen.
-
-[250] 1273 een: Aschere.
-
-[251] 1278 een wreker: God.
-
-[252] 1277-79 Christelijke voorstelling.
-
-[253] 1281 de ijzing der kolk: de ijselijke kolk.
-
-[254] 1292 die: Beowulf.
-
-[255] 1283-99 Deze verzen, welke slechts zoutelooze herhalingen
-vermengd met christelijke denkbeelden behelzen, zijn uit te werpen.
-
-[256] 1301 het jammervolle pad: Grendels spoor, dat zich van het
-nikkermeer tot aan Heorot uitstrekte.
-
-[257] 1303 langs de woon: de bankvloer strekte zich langs de
-hoofdzijden der zaal uit. Vgl. v. 2847 Nota.
-
-[258] 1304 een omkeer: eene verandering ten kwade.
-
-[259] 1306-8 Evenals de kracht der vrouw het niet kan halen bij die
-eens krijgsmans, zoo ook boezemde het verschijnen van Grendels moeder
-minder schrik in dan dat van haren zoon.
-
-Deze bemerking kan men zoo voetstoots niet aannemen, immers het blijkt
-later, dat Beowulf ter nauwernood en alleen door Gods hulp Grendels
-moeder overwon.
-
-[260] 1312 Zij waren dus van het leger opgesprongen, om zich achter
-de in het midden der zaal geschoven banken te verschansen.
-
-[261] 1315 wien overviel de vrees nl. de Denen.
-
-[262] 1318 een ridder: Aschere.
-
-[263] 1325-26 Hij d. i. de vijand. De reuzin nam bij het uitgaan
-Grendels schouder mede, welken Beowulf tot zegeteeken voor de deur
-had neergelegd.
-
-[264] 1330 de boozen beiderzijds: immers Grendel en zijne moeder
-hadden hun slachtoffers geëischt.
-
-[265] de vorst: Hrodgar.
-
-[266] 1343 naar zijn heusche wenschen: naar Beowulfs wensch.
-
-[267] 1355-57 De juiste schuilplaats van Grendels moeder t. w. de
-onderzeesche woning is den koning natuurlijk onbekend; waar het
-monster zich ophoudt, weet hij zeer goed, gelijk later blijkt. Cosijn.
-
-[268] 1365 Grendels moeder heeft een begin gemaakt met de
-vijandelijkheden, waarvan het einde niet te voorzien is. Men vergete
-niet, dat de bloedwraak openlijk, niet arglistig moest geschieden,
-zoodat er geen zweem van misdaad mocht bestaan. Vandaar euveldader
-v. 1363.
-
-[269] 1367 heerscher: Aschere. Nog een ander vorst, Wulfgar, behoorde
-tot Hrodgars gevolg. Vgl. 340.
-
-[270] 1368-69 Ascheres hand zal geene geschenken meer uitdeelen,
-zooals een vorst pleegt te doen.
-
-[271] 1377 op ballingswegen: in de eenzaamheid, ver van het menschdom.
-
-[272] 1382 Sarrazin beschrijft de omgeving ten Noorden van Lerje
-als volgt. Daar bevindt zich een moeras, het Kattinge-moor, waarbij
-zich oostwaarts het kleine en groote Kattinge-meer aansluiten. Dit
-laatste staat met den Roeskilder fjord door middel van de Kornerup-Aae
-in verbinding, welke nu eene beek, doch vroeger eene bevaarbare
-rivier was.
-
-Het eigenlijke verblijf van Grendel is er achter, in de bocht, ter
-plaatse waar een stroom door eene kloof in zee stort 1385.
-
-Deze kloof meent hij te herkennen in het oude bed der Kornerup-Aae,
-waar deze in den vorm van ravijn uitmondt.
-
-Hier tegenover ligt in den inham zelf een klein eiland, waarop een
-hert zich zou kunnen redden 1394.
-
-Dit eiland is de eigenlijke schuilplaats van Grendel, ofschoon de
-heele omgeving, het moeras en de twee meren, tot zijn gebied behooren.
-
-Wat de rotsen en klippen betreft, waarvan het gedicht gewag maakt,
-vindt Sarrazin geene verklaring, daar er in werkelijkheid slechts
-duinen en zandheuvels te vinden zijn.
-
-Hij heet dit dan ook eene overdrijving, welke aan de dichterlijke
-phantasie is toe te schrijven. (?)
-
-[273] 1399-1402 Een bewijs dat Grendel oorspronkelijk een stormgeest
-was. Als zoodanig vertoont hij zich, volgens Sarrazin, nu nog in de
-volkssprookjes te Roeskilde.
-
-Is het wel noodig, op deze sombere, aangrijpende beschrijving van
-het geheimzinnige Grendelmeer te wijzen?
-
-[274] 1410-15 Deze woorden doen de scherpe tegenstelling uitkomen
-tusschen den weekhartigen Hrodgar en den roemzuchtigen Beowulf,
-den man van het Noorden «met daden in de vuisten.» Daarom kan ik mij
-niet met Ettmüller vereenigen, die 1412-15 uitwerpt, als zijnde te
-zeer zinspreukig.
-
-[275] 1433 d'ontzielden man: Aschere.
-
-[276] 1435 der eedlen telg: Hrodgar.
-
-[277] 1439 hij: Hrodgar.
-
-[278] 1456 zeilstraat: Zee.
-
-[279] 1460-1469a Müllenhoff breekt zoo maar klakkeloos den staf over
-deze regels. Hij vindt ze doelloos, ja onnoozel!
-
-[280] 1482 noch brand: dit woord kan, evenals het Angs. brond, zoowel
-vuur als zwaard beteekenen.
-
-[281] 1489 angstwegen: het krijgspad.
-
-[282] 1492 de zoon van Ecglaf: Hunferd. Zijne woordenwisseling over
-Brecca's zwemtocht wordt hier in herinnering gebracht.
-
-[283] 1499 met d'andere: Beowulf.
-
-[284] 1504 der vromen: in de oude beteekenis van dapper.
-
-[285] 1506 voor mij: in stede van mij.
-
-[286] 1516-18 Laat mij (nl. Beowulf) het zwaard hebben. Hunferd had
-immers Hrunting aan Beowulf geleend. Vgl. v. 1483.
-
-[287] 1521 Weder-Gooten: Weders, Gooten.
-
-[288] 1523 Vgl. v. 1392 vlg.
-
-[289] 1525-28 Grendels moeder werd gewaar, dat iemand in het meer
-was gedoken.
-
-[290] 1532 dat: zoodat.
-
-[291] 1525-40 Müllenhoff strijkt deze verzen, omdat niet gezegd
-wordt, hoe Beowulf uit de klauwen van het monster is losgekomen,
-hetgeen nochtans met het oog op v. 1547b vlg. moet verondersteld
-worden. Het valt nochtans te betwijfelen of het afwezig zijn van eene
-omstandigheid, welke men gemakkelijk uit den samenhang kan opmaken,
-tegen een grooter bezwaar nl. het wegcijferen van de heele plaats,
-kan opwegen.
-
-[292] 1544-45 De open haardstede, die, volgens Oud-Germaansche
-gewoonte, zich in het midden van het vertrek bevond. Ook hingen er,
-zooals het gebruik was, wapens aan den wand. Vgl. 1588.
-
-[293] 1547 slagzwaard: Hrunting.
-
-[294] de vreemde: Beowulf.
-
-[295] 1551 strijdstraal: zwaard.
-
-[296] 1560 't gebloemde zwaard: gedamasceerd.
-
-[297] 1573 de moegezwoegde: het monster.
-
-[298] 1587 hij: Beowulf.
-
-De kamp met het meerwijf is verwant met de IJslandsche Grettissaga
-en met de Noordsche sage van Ormr Storolfsson. Bugge.
-
-[299] 1585-87 Inlassching.
-
-God verleende aan Beowulf zijne hulp door dezes blik te doen vallen
-op het reuzenzwaard aan den wand, zooals volgt. Vgl. 1692 vlg.
-
-[300] 1592 een ander krijger: dan Beowulf.
-
-[301] 1594 hij: Beowulf.
-
-Wat levendigheid van schildering aangaat en wisseling van krijgskans,
-die de spanning voortdurend gaande houdt, overtreft deze beschrijving
-die van den kamp met Grendel en mag als een waardig tegenhanger naast
-het gevecht met den draak gelegd worden.
-
-[302] 1602 Het reuzenzwaard begint gloeiend te worden en zal daarna
-wegsmelten. Vgl. v. 1638.
-
-[303] 1605-23a Müllenhoff kan zich niet vereenigen met Beowulfs inval,
-om aan Grendels lijk het hoofd af te slaan. Dat een bloedstroom uit
-het lijk ontspringt vindt hij bedenkelijk; volgens hem is het bloedig
-worden van het water een gevolg van den slag, waardoor Beowulf Grendels
-moeder doodt.
-
-[304] 1632 het negende uur: drie uur 's namiddags.
-
-[305] 1634 schatvriend: vriend, die schatten uitdeelt; Hrodgar.
-
-[306] 1635 de vreemden: de Gooten.
-
-[307] 1638 Later (1645 vlg.) wordt nog eens hierop
-teruggekomen. Vandaar dat Müllenhoff 1638-43a verwerpt.
-
-[308] 1645-46 Buiten Grendels hoofd en het gevest van het reuzenzwaard
-moet Beowulf ook Hrunting meegenomen hebben, immers hij geeft het
-geleende aan Hunferd terug. Vgl. 1848.
-
-[309] 1673 de veertien: Van de vijftien Gooten (v. 211) was er één,
-nl. Hondsció door Grendel gedood.
-
-[310] 1674 medeërf: Heorots onmiddellijke omgeving.
-
-[311] 1681 vreeslijk: betrekt zich op Grendels hoofd.
-
-[312] 1697 der woning wachters: Grendels moeder en, ofschoon het
-niet uitdrukkelijk gezegd wordt, eenige van de overige watermonsters
-(v. 1538), met inbegrip van het op den oever getrokken gedrocht.
-
-[313] 1711 het grijze wapenhoofd: Hrodgar, 3de naamval.
-
-[314] 1712b-14 Van latere hand, immers eenige regels verder (v. 1717
-vlg.) wordt hetzelfde herhaald.
-
-[315] 1719 Schedeneiland: Schonen, het zuidelijkste deel van Zweden,
-aan Denemarken behoorend, doch in ons epos eene benaming voor het
-Deensche rijk in het algemeen. Socin.
-
-[316] 1721 voorkamps: kamp uit den voortijd.
-
-[317] 1721-26 Ingeschoven toespeling op de giganten en op den
-zondvloed.
-
-Onmiddellijk hierop wordt gezegd, dat de naam van den eersten bezitter
-op het zwaardgevest stond ingegrift.
-
-Eene blijkbare tegenspraak.
-
-[318] 1728 runen: schrijfteekens der oude Germanen. Het runenschrift,
-waarin verscheidene opschriften tot ons zijn gekomen, werd in de eerste
-eeuwen onzer jaartelling aan het latere Latijnsche alphabet ontleend.
-
-[319] 1730 adorned with figures of snakes interlaced, a favourite
-and universal ornament among the Scandinavian nations. Thorpe.
-
-[320] 1731 toen nam het woord: neemt den na v. 1720 afgebroken draad
-van het verhaal weer op.
-
-[321] 1735 beter: dan ik.
-
-[322] 1740 Vgl. v. 961.
-
-[323] 1742 Tweede herinnering aan Heremod; tegenstelling tusschen
-hem en Beowulf.
-
-[324] 1747 tot hij eenzaam scheidde: hij verliet, hetzij vrijwillig
-of gedwongen, zijne Denen.
-
-Volgens Bugge beteekenen deze regels, dat hij stierf in de eenzaamheid
-en verlatenheid.
-
-[325] 1753 hij deelde geene ringen: volgens de Germaansche opvatting
-een blijk van een slecht vorst.
-
-Heremod is het afschrikkend voorbeeld van den dwingeland.
-
-[326] 1755-56 Bugge verklaart: na zijnen dood werd hij in de hel
-gestraft.
-
-[327] 1767 hij: God.
-
-[328] 1768 hij zelf: de man van hoogen huize, de koning.
-
-[329] 1776 de hoeder: het geweten.
-
-[330] 1778 de moorder: de bekoring.
-
-[331] 1781 helmbeschutsel: ofschoon hij zich tegen het kwaad wil
-verzetten.
-
-Müllenhoff oppert de meening, dat de nadichter den brief aan de
-Ephesiërs voor oogen heeft gehad: In omnibus sumentes scutum fidei,
-in quo possitis omnia tela nequissimi ignea extinguere. Eph. 6, 16.
-
-[332] 1783 des boozen geestes: de bekoring.
-
-[333] 1785 uit praalzin: hij schenkt geene gouden ringen meer, zooals
-hij eerst uit praalzin deed.
-
-Dit is een Germaansche trek, welke onder deze christelijke denkbeelden
-ingeslopen is.
-
-[334] 1787-88 Hij verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door
-hoogmoed verblind is. 't Is het oude thema: quos perdere vult Jupiter,
-dementat.
-
-[335] 1796 eeuwigdurend welzijn: het eeuwig heil.
-
-[336] 1803b-4 door de tooverkunsten van het kwade oog.
-
-[337] 1732b-1805 Müllenhoff schrijft deze verzen aan den interpolator
-B toe, die zijne bedrevenheid in de Godgeleerdheid en zijne kennis der
-sagen pleegt ten toon te spreiden. Het eerste gedeelte der toespraak
-(1732-1805) is eene preek in den mond van den heidenschen Hrodgar;
-het tweede gedeelte integendeel, dat met v. 1806 begint, is geheel
-en al in overeenstemming met het verhaal.
-
-[338] 1812-13 Te veel voorspoed haalt onspoed binnen; zoo dachten de
-oude Grieken er ook over.
-
-Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in hunne jeugd geene
-verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later boven alle anderen
-onderscheiden.
-
-Dit was het geval met Scyld (v. 6 vlg.) en vooral met Beowulf. (v. 2241
-vlg.)
-
-Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die later door
-bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het Noorden den
-eigenaardigen naam van kolenbijters (kolbitar), omdat zij den ganschen
-dag bij het vuur in de asch zaten gedoken.
-
-[339] 1819 het hoofd: van Grendel.
-
-[340] 1825 zijn zetel zoeken: op den tegenovergestelden bankvloer.
-
-[341] 1837 de zeeliên: de Gooten.
-
-[342] 1841 de donkre raaf: speelt eene groote rol in de Germaansche
-wereld; wij zien hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door
-twee raven vergezeld: Hugin (gedachte) en Munin (herinnering).
-
-[343] 1849 Ecglafs zoon: Hunferd.
-
-[344] 1853 't was een moedig strijder: nl. Beowulf.
-
-Volgens Müllenhoff is hier Hunferd gemeend; doch waar blijven
-dan de afkeurende woorden van vroeger: «hier ging zijn roem te
-loor»? Vgl. v. 1498.
-
-[345] 1855 de heerscher: Beowulf.
-
-Müllenhoff werpt 1848-53 uit, omdat bij Beowulfs terugkeer
-uit de diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard
-medebracht. Vgl. 1645 vlg.
-
-Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij Beowulfs kamp op den
-bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te strenge methode
-gewezen.
-
-[346] 1861 Ofschoon eene waarlijk vorstelijke gastvrijheid bij de
-Germanen heerschte, zoo was het nochtans minder welvoeglijk, indien
-men meer dan drie nachten op dezelfde plaats vertoefde.
-
-Dit verklaart Beowulfs onmiddellijk vertrek, nadat hij zich van zijne
-taak gekweten heeft.
-
-Den eersten nacht na zijne aankomst verslaat hij Grendel in Heorot;
-den tweeden nacht brengt hij door in een ander verblijf dan Heorot,
-hoogstwaarschijnlijk in den burcht, terwijl Grendels moeder in de
-troonzaal binnendringt; den derden dag doodt hij haar op den bodem
-van het meer, waarna hij alweer ongestoord mag slapen.
-
-Den vierden dag heeft eindelijk het vertrek plaats, zoodat hij, de
-twee etmalen er bijgerekend, welke de heen- en terugreis vorderde,
-op den 6den dag na zijn vertrek bij Hygelac terugkomt.
-
-[347] 1869 de haatgezinden: Grendel en diens moeder.
-
-[348] 1875 wapenhout: de lans.
-
-[349] 1880-81 Tacitus Germ. 14. plerique nobilium adulescentium petunt
-ultra eas nationes, quae tum bellum aliquod gerunt, quia et ingrata
-genti quies et facilius inter ancipitia clarescunt.
-
-In plaats van thuis te blijven, zal Hredric dus beter doen, zoo hij, in
-den aard der schildknapen in de middeleeuwen, zich bij Hygelac in den
-wapenhandel komt bekwamen. Ook Beowulf had zijne jeugd doorgebracht bij
-Hredel. Zich roem in den vreemde verwerven, behoorde tot de opvoeding
-der Scandinavische jongelingen.
-
-[350] 1885 op die jonge jaren: Dat Beowulf niet meer piepjong was,
-blijkt uit v. 373 nota. Hrodgar heeft hem misschien zoo geheeten,
-omdat hij aan het verschil tusschen Beowulfs ouderdom en zijnen eigen
-hoogen leeftijd dacht.
-
-[351] 1889 den zoon van Hredel: Hygelac.
-
-[352] 1894-95 Wij zullen later zien, dat zulks zijn wensch niet was.
-
-[353] 1904 duikelaarsbad: de zee, het bad der duikereend.
-
-[354] 1901b-4 Gaudent praecipue finitimarum gentium donis. Tacitus
-Germ. 15.
-
-[355] 1919 Hrodgar hoopte, dat Beowulf frisch en gezond zijn land
-zou bereiken, en daarna spoedig terugkeeren. Vgl. 1912-14.
-
-Wat dit laatste betreft, koesterde hij nochtans slechts eene flauwe
-hoop.
-
-[356] 1920 bij de toespraak: in de volksvergadering.
-
-[357] 1924-25 in het geheim
-
-[358] 1926 ondanks het bloed: Ofschoon Beowulf niet tot zijne familie
-behoorde, beminde Hrodgar hem meer dan zijne eigen kinderen.
-
-[359] 1935 der dappren stoet: de Gooten
-
-[360] 1941-42 Hun terugkeer naar het land der Gooten zou den
-landgenooten aldaar welkom wezen.
-
-De wensch des kustwachters (v. 299 vlg.) had zich dus bewaarheid.
-
-[361] 1946 den hoeder: Vgl. v. 294 vlg.
-
-[362] 1976 Hygd: Hygelacs gemalin, Häreds dochter.
-
-[363] 1981 Thrydho: gemalin van Offa en bekend om hare wreedheid. De
-zachte, vrouwelijke aard van Hygd wordt in het licht gesteld door
-tegenstelling met het fier, wildjonkvrouwelijk karakter van Thrydho,
-dat ons aan de noordsche Walkuren en aan Brunhilde herinnert.
-
-[364] 1986-90 Zij liet den vermetele in boeien klinken en daarna ter
-dood brengen.
-
-[365] 1993 de vredeweefster: zoo heet de koningsgade, welke dikwijls
-uitgehuwelijkt werd, om den vrede tusschen twee vijandelijke stammen
-te stichten. Men herinnere zich Hildburg en Fin en vergelijke vooral
-Freoware en Ingeld v. 2078 vlg. Over het algemeen hadden de noordsche
-volken zeer kalme en beredeneerde beschouwingen bij het sluiten van
-een huwelijk.
-
-[366] 1595 Hemings bloedmaag: Offa, koning der oude Angelen.
-
-Hij maakte een einde aan Thrydho's wreedheid, door haar andere
-gevoelens in te boezemen, als volgt.
-
-Deze Offa der sage, die in de vroegere verblijfplaats der Angelen
-heerschte, wordt ook in Widsidh vermeld. Volgens dit gedicht lag zijn
-rijk in Sleeswijk.
-
-Ons epos heet zijne schoone echtgenoote Thrydho, dat kracht, zooveel
-als virago beteekent en nog in ons Geertruid, de speerkrachtige,
-voortleeft.
-
-Verder wordt gezegd, dat zij eene hardvochtige vrouw was. Geen man,
-uitgenomen haren echtgenoot, mocht de oogen naar haar opslaan, of
-hij werd aanstonds geboeid en daarna gedood.
-
-Nadat zij op raad van haren vader de zee was overgestoken en in
-Offa, den koning der Angelen, eenen waarden echtgenoot had gevonden,
-veranderde haar inborst en werd zij eene voortreffelijke koningin en
-liefhebbende gade.
-
-Deze lezing is, volgens Müllenhoff, de oudste vorm der sage, terwijl
-in latere bewerkingen haar oorspronkelijk wild karakter weer bovenkomt.
-
-Buiten dezen Offa der sage, is er ook een geschiedkundige Offa, koning
-van Mercië, gestorven in 796. Zijne echtgenoote heette Cynethrydh
-d. i. virago regia, en in het Vita Offae II Drida (Thrydho) of na
-haar huwelijk Quendrida d. i. koningin Drida.
-
-In dit Vita Offae I en II uit de 13de eeuw werden, wegens de dubbele
-overeenkomst van naam, op deze laatste al de wreedheden van de gemalin
-des eersten Offa's overgebracht; een bewijs dat de sage van Offa bij
-de Angelsaksen zeer verbreid was. Suchier toont aan, dat zij zich
-ook bij de Kelten en Romanen voortplantte.
-
-Müllenhoff schrijft de heele Thrydho-Offaepisode aan den interpolator
-B toe.
-
-[367] 1996 zeiden zij iets anders: De krijgers, welke bij de
-drinkgelagen oude sagen plegen op te halen, verhaalden iets anders
-over de gehuwde Thrydho.
-
-[368] 1997 geringer gruwlen: in 't geheel geene
-gruwelen. (litotes.) Cosijn.
-
-[369] 2000 Offa's halle: in het oude Anglië.
-
-[370] 2005 den heldenvorst: Offa.
-
-[371] 2011-12 Deze drie eigennamen komen maar eens voor; het zijn
-helden van de Angelsaksische volksoverlevering.
-
-[372] 2013 de held: Beowulf. Zij begeven zich naar Hygelacs
-woning. Vgl. v. 1971 vlg.
-
-[373] 2016 vanuit het Zuid: het was middag.
-
-[374] 2019 Verwinnaar Ongentheows: het was niet Hygelac, maar Eofor,
-een zijner mannen, die den koning der Zweden doodde, doch de vorst
-vertegenwoordigt zijne onderhoorigen.
-
-[375] 2027 daar zat hij nu: Beowulf; hij zat, als voornaamste gast,
-op den tegenovergestelden bankvloer.
-
-[376] 2029 de mannenkoning: Hygelac.
-
-[377] 2032 Hareds dochter: Hygd.
-
-[378] 2037 Hij werd gefolterd door nieuwsgierigheid, om te weten enz.
-
-[379] 2059 op gindschen uchtendgil: ziet terug op «het machtig
-morgenwee» (v. 132-33) dat door de Denen werd aangeheven bij het zien
-van het door Grendel aangerichte bloedbad.
-
-Als nog eenig monster leeft, dan hoeft het niet te pochen op Grendels
-daden.
-
-[380] 2067: vreeverwante: Wealhtheow, Hrodgars gemalin; het woord
-beteekent hetzelfde als vredeweefster.
-
-[381] 2072 Vroeger is van Freaware geen sprake geweest.
-
-[382] 2077 Froda: vorst der Headobarden en Ingelds vader.
-
-[383] 2078 Schyldingsvriend: Hrodgar
-
-[384] 2080-81 Vandaar de naam vredeweefster, vreeverwante.
-
-Men houde in het oog, dat Beowulf hier toekomstige gebeurtenissen
-voorspelt; Freaware heeft hij alleen als verloofde (v. 2077) gekend.
-
-De episode der Headobarden komt hierop neer:
-
-Froda, de vorst der Headobarden, heeft het onderspit gedolven in het
-gevecht met de Denen en is er gesneuveld. Ten einde de twee volken
-met elkander te verzoenen, schenkt Hrodgar de hand zijner dochter
-Freaware aan den jeugdigen Headobardenkoning Ingeld, zoon van Froda.
-
-Onder Freawares dienaars bevindt zich de zoon van den Deen, welke Froda
-gedood heeft. Terwijl hij bedient in de koningshal, pronkt hij met den
-door zijnen vader buitgemaakten krijgstooi van Froda, onder anderen met
-het zwaard. Dit ziet slechts noode een oud krijger der Headobarden,
-die alle gevechten heeft meegemaakt. Hij wijst er Ingeld op en zet
-hem door zijne verontwaardigde taal langzamerhand tot wraakneming
-aan. De jonge, praalzieke Deen wordt gedood; de moordenaar ontvlucht
-en de strijd tusschen Denen en Headobarden is weer losgebroken. Men
-vergete niet dat, volgens de Oudgermaansche denkbeelden, het voor
-den zoon een heilige plicht was zijnen vader te wreken.
-
-[385] 2085 den heer der Headobarden: Ingeld.
-
-[386] 2087 met zijne gade: Freaware, Hrodgars dochter; de zaal
-is Heorot.
-
-[387] 2088-89 Een der edelen was belast met het bier in te
-schenken. Vgl. v. 501.
-
-[388] 2090 des vaders heertuig: de kamptooi van Froda, Ingelds vader.
-
-[389] 2096 een grijze lansheld; een krijgsman der Headobarden; zijn
-naam wordt niet vermeld evenmin als die van Froda's dooder en den
-Deenschen hofjonker.
-
-[390] 2099 des jongen krijgerkonings: Ingeld.
-
-[391] 2115 de dienaar van de vrouwe: de jonge Deen, welke aan Freaware
-tot hofjonker werd gegeven.
-
-[392] 2116 de tweede: de moordenaar van den jongen Deen.
-
-Zou het misschien de grijze lansheld zijn geweest?
-
-[393] 2119-20 De zucht om zijnen vader en zijn volk te wreken legt
-het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne Deensche gade.
-
-Voorwaar een echt dramatische toestand!
-
-[394] 2121b-23 Dat Beowulfs voorspelling zich bewaarheid heeft,
-hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling gezien. Hoe deze strijd
-afgeloopen is, weten wij buitendien uit Widsidh, waar gezegd wordt,
-dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf in Heorot verslagen werden.
-
-Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben over den krijg met de
-Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig.
-
-Immers Müllenhoff toont ons een overeenkomstig verhaal bij den
-Deenschen schrijver Saxo Grammaticus omtrent Frotho, den vader van
-Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche vertaling mede van twee
-liederen uit de 10de eeuw, die in hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen
-van eenen ouden strijder, Starcatherus geheeten, die Ingellus tot
-wraak aanzet.
-
-Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan van het volksepos uit
-afzonderlijke epische liederen.
-
-Müllenhoff schrijft de Headobarden-episode (v. 2085-2120a) aan
-inlasscher B toe.
-
-Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden, maar een volk, dat
-tot de Herulers behoorde.
-
-Het zijn de bewoners van Seeland, die op het einde der 5de of in 't
-begin der 6de eeuw door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes
-bericht, dat de Denen van uit Scandinavië (Schonen) afzakkende de
-Herulers uit hun land verdreven.
-
-Müllenhoff veronderstelt diensvolgens, dat beide volken een tijdlang
-hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als zelfstandig koning naast
-Hrodgar kan optreden.
-
-Ons epos herinnert hier dus een feit van overwegend belang, nl. de
-grondvesting van het Deensche rijk. Much neemt deze verklaring aan.
-
-[395] 2127 't juweel der transen: de zon.
-
-[396] 2131 Hondsció Vgl. 756, 1067.
-
-[397] 2140 een handschoen: eene nieuwe bijzonderheid.
-
-[398] 2150 uw volk: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen,
-zij kenden geen volk of natie in de tegenwoordige beteekenis van het
-woord. Het eenige verband tusschen verschillende stammen was alleen
-van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen.
-
-[399] 2162-66 Müllenhoff zet deze verzen op rekening van den
-nadichter. Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat
-verwondering baren, vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar
-zijn zanger de Finn-episode voordroeg.
-
-[400] 2167-70 Deze weemoedige stemming bij het terugdenken
-aan de vroegere heldenkracht is een kenmerkende trek van het
-gedicht. Vgl. v. 1934.
-
-[401] 2172 den ganschen dag: diem noctemque continuare potando nulli
-probrum. Tacitus, Germ. 22.
-
-[402] 2206-7 Nu dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden
-koning meer.
-
-[403] 2208 tenzij U, Hyglac: Als eene halve eeuw later Beowulf zal
-sterven, blijft nog alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings,
-waartoe Beowulf behoort. Vgl. v. 2910 vlg.
-
-[404] 2210 de hoofdbanier: voornaamste banier; zij was bekroond met
-een everkop.
-
-De geschenken, welke hier aan Hygelac worden aangeboden, zijn dezelfde,
-welke aan Beowulf v. 1034-54 door Hrodgar werden gegeven.
-
-[405] 2216 Heorogar: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood
-was. Vgl. v. 471.
-
-[406] 2221 op 't voetspoor: onmiddellijk hierop.
-
-[407] 2229 den halsring: Wij hebben gezien, hoe later dit
-prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der Franken
-geraakte. Vgl. v. 1222 vlg.
-
-Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan hebben.
-
-[408] 2236-40 Toespeling op Heremod.
-
-[409] 2234-47a Müllenhoff beschouwt deze verzen, welke den gang van
-het verhaal stremmen, als een invoegsel, vooral met het oog op de
-hem hier toegeschreven onmannelijke jeugd.
-
-Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd met Brecca, dien hij als
-knaap ondernam, en van zijne eigen woorden «Menig roemvol waagstuk
-bestond ik in mijn jeugd» v. 409?
-
-[410] 2252 een landmaat: volgens Bugge de hid d. i. een halve
-vierkante meter.
-
-[411] 2256 den tweede: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op
-en had dus meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts
-de neef was.
-
-[412] 2258 Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos; de kamp
-met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte uitmaakt,
-heeft ten minste eene halve eeuw later plaats, daar Beowulf reeds
-vijftig jaar over de Gooten heerscht.
-
-Volgens Müllenhoff zijn de verzen 2258-2465 het werk van B, om de
-twee deelen aan elkaar te verbinden.
-
-[413] bij de strijdonstuimen: bij de Gooten.
-
-[414] 2260 Heardred: de zoon van Hygelac, 3de naamval.
-
-[415] 2261 de Schilfings: Zweden, het zijn hier de zonen van Ochter,
-den koning der Zweden.
-
-Men verwarre niet de Schilfings (Zweden) met de Schyldings (Denen).
-
-[416] 2263 zijn zegevolk: de Gooten.
-
-[417] 2264 Den neef van Hererik: Heardred; deze naam komt maar
-eens voor.
-
-De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn zoon Heardred, die
-hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen inval, welken
-de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom Beowulf den
-troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg met de Zweden;
-er wordt nog driemaal XXXIII, XXXV, XL-XLI op teruggekomen.
-
-In XXXIII worden nadere bijzonderheden gegeven over hetgeen hier
-slechts ter loops is aangestipt.
-
-[418] 2266 wel vijftig winters: Beowulf was dus meer dan honderd jaar
-oud toen hij stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij
-Grendel doodde (Vgl. v. 373 nota) en het was slechts in later dagen,
-(v. 2259) dat hij den troon beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen
-ouderdom op 120 jaar aanslaan.
-
-[419] 2273 des heidens: de eenzame edelman. Vgl. v. 2338.
-
-[420] 2274-78 vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige
-letters na is verloren gegaan.
-
-[421] 2279-80a Vertaald naar Bugges gissing.
-
-[422] 2280 wien het zeer zou schaden: de dief, immers hij moet later
-zijns ondanks den weg naar het drakenhol toonen. Of hij eene andere
-straf onderging, wordt niet vermeld.
-
-[423] 2285-86a bij het zien van den slapenden draak.
-
-[424] 2287 op zoek naar eenen ingang: naar een
-toevluchtsoord. Vgl. v. 2283.
-
-[425] 2284-88 Vertaald naar Bugges verbetering van den geheel en al
-verminkten tekst.
-
-[426] 2297-98 Hij wenschte zijnen stervensdag uit te stellen, om nog
-lang de schatten te kunnen genieten.
-
-[427] 2308 ontvingen dit van u: het goud, dat uit den grond wordt
-opgedolven, hetzij uit mijnen, hetzij uit grafsteden.
-
-[428] 2311 't heil des hemels: Angs, sele-dreám; het kan ook beteekenen
-het zaalgejubel, en moet dan verstaan worden van de luidruchtige
-drinkgelagen.
-
-[429] 2324 gezellig hout: de harp.
-
-[430] 2328 In de klacht van dezen eenzamen edelling vertoont zich
-reeds dat weemoedige waas, dat, als een herfstnevel, aan de Engelsche
-en Duitsche letteren die droomerige, hoogst dichterlijke tint bijzet.
-
-Nochtans vraag ik me af, of de oude Engelschen zich door hunne weekheid
-van gemoed kenmerkten, zooals Heinzel, ten Brink en anderen beweren.
-
-Wij zien dit wel is waar bij Hrodgar, doch hier zijn bijzondere
-redenen toe.
-
-Mij dunkt, dat de levensopvatting eerder blijmoedig mag heeten;
-ten bewijze de lustige feestmalen en de omschrijvingen voor sterven,
-als de volgende:
-
-
- en luttel
- genoot hij nog de vreugde van het daarzijn 2152.
-
- nu 's legers leidsman
- 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. 3127.
-
-
-Bugge verklaart den elegischen toon, die op sommige plaatsen
-onmiskenbaar is, door Keltischen invloed.
-
-[431] 2334 bergen: grafheuvels, waar schatten in verborgen zijn.
-
-[432] 2339 niet beter zal 't hem wezen: vingerwijzing op de
-ontknooping.
-
-[433] 2342 gene man: de dief.
-
-[434] 2343 bij zijn meester, Beowulf. Vgl. v. 2473. De «heldenzoon»
-(v. 2282) wiens slagen de arme ontvlucht, moet iemand anders
-zijn. Müllenhoff.
-
-[435] 2353-54 Christelijke beschouwing. Hiervolgens moet door geheime
-hulp (v. 2351) geen toovermacht, maar Gods bijstand verstaan worden.
-
-[436] 2361 De draak verheugde zich bij voorbaat in de verwoestingen,
-die hij zou aanrichten.
-
-[437] 2363 Hij bemerkte dit reeds voor den derden keer (2350, 2355).
-
-[438] 2374 schattenplenger: Beowulf.
-
-[439] 2376 heerenhoven: Beowulfs hof, de volksburg van v. 2399.
-
-De draak maakte Beowulf aansprakelijk voor den diefstal, want volgens
-de Germaansche rechtsbegrippen was de meester verantwoordelijk voor
-de daden van zijnen slaaf.
-
-Het koningshof was niets anders dan eene groote hoeve.
-
-Zulke hoeve bestond in 't Noorden uit minstens drie of vier woonhuizen,
-buiten bijgebouwen en stallen.
-
-De hoeve vormde een op zich zelf staand geheel, dat in zijne eigen
-behoeften moest voorzien.
-
-Vandaar dat elk van de vrij talrijke bewoners zijnen bepaalden
-werkkring had. Vgl. v. 2317 waar van de wapensmeden gesproken wordt.
-
-[440] 2388 op strijd en wand: op zijnen moed en op de rotswanden van
-den grafheuvel.
-
-[441] 2392 giftgestoelte: koningshalle.
-
-[442] 2392b-98 Christelijke overweging.
-
-[443] 2399 Het verblijf der Gootische koningen bevond zich dicht bij
-zee. Vgl. v. 1971 vlg.
-
-[444] 2409 lang: 300 jaar. Vgl. v. 2340.
-
-[445] 2413 Hij vreesde niet de kampvaardigheid van den draak, maar
-wel zijnen vuurgloed.
-
-[446] 2420 Hier wordt voor den tweeden keer de krijg met de Franken
-of Friezen vermeld. Vgl. XIX, XXXIII, XXXV, XL.
-
-[447] 2427 Hij had ja de kracht van dertig man. Vgl. v. 377 vlg.
-
-[448] 2428 de Franken: de tekst heeft Hetwaren.
-
-[449] 2430 die hem aanvielen.
-
-[450] 2432 van den kampheld: uit Beowulfs handen.
-
-[451] 2433-34 Beowulf legde dus den afstand van den Benedenrijn tot
-Jutland al zwemmende af.
-
-[452] 2437 haren zoon: Heardred.
-
-[453] 2440 verlatenen: de koningslooze Gooten.
-
-[454] 2444-46 Tijdens de minderjarigheid van Heardred oefende Beowulf
-de voogdijschap uit.
-
-[455] 2447 hem: Heardred.
-
-[456] 2448 de zonen Ochters: Eánmund en Eádgils.
-
-[457] 2449 Schilfingheer: Onela, hun oom, vorst der Zweden. Daar hij
-ouder was dan zijn broeder Ochter, beklom hij den troon na den dood
-van Ongentheow.
-
-[458] 2453 voor zijn onthaal: Heardred werd door Onela aangevallen,
-omdat hij de twee vluchtelingen had opgenomen.
-
-[459] 2455-56 Onela keerde na Heardreds dood naar Zweden terug.
-
-[460] 2458 het volk: over het volk.
-
-[461] een beste koning: Onela. Vgl. v. 2450.
-
-[462] 2459 des vorsten: Heardred.
-
-[463] 2460 hij: Beowulf.
-
-[464] 2464 die: Ochters afkomst, Eádgils.
-
-[465] 2465 rijksheer: Onela.
-
-Hier wordt voor den tweeden keer (Vgl. v. 2257 vlg.) van den oorlog met
-de Zweden gesproken. Gooten en Zweden leefden na den dood van Hredel
-(vgl. v. 2543) op gespannen voet. Dit verklaart waarom de Gootenvorst,
-Heardred, eene schuilplaats schonk aan de Zweedsche ballingen Eánmund
-en Eádgils, die tegen hunnen oom Onela, opvolger van Ongentheow,
-waren opgestaan.
-
-De gastvrijheid aan zijne neven geschonken was Onela een doorn in het
-oog; hij deed eenen inval in het land der Gooten en doodde Heardred.
-
-Door Heardreds dood stond de troon voor Beowulf open. Onela verzette
-zich niet tegen Beowulfs troonsbestijging en trok naar Zweden terug.
-
-Later wilde Beowulf den dood van Heardred op Onela wreken en
-ondersteunde te dien einde den banneling Eádgils in zijnen krijg met
-den Zwedenkoning.
-
-Eádgils doodde Onela en nam alzoo wraak over zijne ballingschap.
-
-[466] 2466 Met dit vers laat Müllenhoff het oorspronkelijke lied
-beginnen, mits verandering van alzoo in voorwaar.
-
-[467] 2473 ontdekkers: de dief van de kostbare vaas.
-
-[468] 2504 den oudsten: Herebald.
-
-[469] 2507 vriend en meerdre: Angs freáwine d. i. heer en vriend,
-Herebald was ja de oudste.
-
-[470] 2510 onverzoenbaar: Hredel kon geen weergeld vorderen, want
-dan moest hij het aan zich zelf betalen, noch den bewerker van den
-manslag dooden, want dan verloor hij twee zonen.
-
-[471] 2512 voor het gemoed: van Hredel.
-
-[472] 2515 zijn zoon: Hadcyn.
-
-[473] 2516 weemoedig lied: het gebruikelijke rouwlied.
-
-[474] 2521 vroegstgeboren: Herebald.
-
-[475] 2522 een ander erfbewaarder: Waar blijft dan Hygelac, de
-jongste zoon?
-
-[476] 2525 des zoons: Herebald.
-
-Müllenhoff neemt niet aan «dass der junge, noch nicht dem
-knabenalter entwachsene Herebeald, der sich noch mit seinem bruder im
-bogenschiessen übte, schon in einem eignen hause hof gehalten habe.»
-Maar waar staat het vermeld, dat Herebeald nog niet de kinderschoenen
-ontwassen is?
-
-Of kan zich geen volwassene in het boogschieten oefenen?
-
-[477] 2530 een rouwlied: de dichtkunst werd dikwijls als het beste
-middel beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te
-verlichten.
-
-[478] 2531 de eene om den eene: Hredel om Herebald.
-
-[479] 2532 te ruim: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet
-blijven, verbergt hij zich in de engste schuilhoeken.
-
-[480] 2537 al was hem die niet dierbaar: hij beminde Hadcyn niet meer.
-
-[481] 2540 den zonen: Hadcyn en Hygelac.
-
-[482] 2546 kroost van Ongentheow: Onela en Ochter.
-
-[483] 2549 bij Hreosnaberg: voorgebergte in 't land der Gooten;
-volgens Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige benaming.
-
-[484] 2550 mijn verwante vrienden: de neven, Hadcyn en Hygelac.
-
-[485] 2556 een maag: Hygelac.
-
-[486] den andren: Hadcyn.
-
-De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder Hadcyn op den
-moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de krijgsman van
-Hygelac, Ongentheow doodde.
-
-Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne mannen, zooals wij meer
-dan eens gezien hebben.
-
-[487] 2558 de grijze Schilfing: Ongentheow.
-
-[488] 2560 de hand: van Eofor.
-
-In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal van den oorlog met de
-Zweden na Hredels dood. In XLI, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde
-geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden behandeld.
-
-[489] 2566 de Gifden: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd.
-
-[490] 2568 een zwakker kampgezel: dan ik, Beowulf.
-
-[491] 2574 der Hugen: een Frankische stam; Ettmüller ziet er de
-Chauci in.
-
-Hier wordt voor den derden keer op de Franken of Friezen gewezen.
-
-[492] 2575-76 Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs
-dooder, gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen
-krijgsroof aan den Friezenkoning te brengen.
-
-[493] 2495-2581 Voor Müllenhoff is heel deze plaats later bijgevoegd.
-
-[494] 2582-86 Ettmüller strijkt deze verzen, daar zij slechts herhalen
-wat Beowulf boven (2495-96) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf
-hier niet voor het laatste, zooals aanstonds zal blijken.
-
-Ettmüller ziet er het bewijs in, dat ons gedicht uit afzonderlijke
-liederen is samengesteld geworden, een stelsel dat B. Ten Brink later
-heeft uitgebreid.
-
-[495] 2592 mijn kampwoord: Vgl. v. 2580 vlg.
-
-[496] 2600 Heidendom en Christendom.
-
-[497] 2615 op de sterkte van een enkle: op zijne eigen sterkte.
-
-[498] 2623 bij den buit: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn.
-
-[499] 2628 In zijnen toorn vergeet hij, dat hij van alle
-uitdagingswoorden wilde afzien. Vgl. v. 2601 vlg.
-
-[500] 2647-49 Het opzettelijk tot dit gevecht vervaardigde stalen
-schild verleende hem geene voldoende bescherming.
-
-Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v. 2759 vlg.
-
-[501] 2650-52 Hij zou voor het eerst vreemde hulp noodig hebben,
-hetgeen hen nog nooit overkomen was.
-
-Anders Socin: «er muste zum ersten Male den Feind im Schwertkampfe
-angreifen, in dem ihm das Geschick den Sieg versagte». Vgl. in
-voce môtan.
-
-Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke wapen, eerst Hrunting
-en later het reuzenzwaard, had aangetast!
-
-[502] 2656 minder hevig beet het: het drong in 't geheel niet
-door. (litotes.) Dit wordt 2663 nog eens herhaald. Later zullen we
-zien, dat Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. 2765.
-
-[503] 2666 Zijne stelling: het terrein vóór de schatkamer. Beowulf
-had zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. 2633.
-
-[504] 2667 Naar elders: hij moest sterven.
-
-[505] 2674 die eerst het volk bestuurde: Beowulf.
-
-Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten was; immers zijne
-makkers sloegen op de vlucht.
-
-[506] 2679-80. Bij een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds
-tot zwijgen brengen.
-
-[507] 2682 een vorst der Schilfings: der Zweden.
-
-Müllenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang bij de Zweden had geleefd
-en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot de Gooten overging, toen
-Beowulf, die inmiddels koning was geworden, hem het oude erfgoed der
-Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had laten behouden.
-
-[508] 2687 Waegmundings: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan
-Beowulf ook verwant was.
-
-[509] 2688 volksbezit: bezit en rechten der gezamenlijke krijgsschaar.
-
-Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den dood van Weohstan
-ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan deelgenomen had aan den
-inval van Onela in 't Gootenland en zelfs Eánmund had gedood.
-
-[510] 2693 vreugdeloozen zwerver: Eánmund en Eádgils waren
-bannelingen. Vgl. v. 2447.
-
-[511] 2695 aan diens verwanten: aan Onela, oom van Eánmund.
-
-[512] 2698 hem: Weohstan.
-
-[513] 2702 hij: Weohstan.
-
-Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken voorstel:
-
-Weohstan heeft Eánmund gedood en geeft zijne spolia, drie in getal,
-aan Onela, den oom des gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan
-terug en verwijt hem zelfs niet den dood van Eánmund, den zoon van
-Ochter, zijnen broeder.
-
-Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende vele jaren en schenkt
-ze aan Wiglaf, als deze volwassen is.
-
-Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe hij nochtans verplicht
-was, afgezien van zijne verhouding tot den gedoode. Een blijk van
-edelmoedigheid.
-
-[514] 2708 voor dezen jongen kamper: Wiglaf.
-
-[515] 2715-19. Exigunt enim a principis sui liberalitate..... illam
-cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ. 14.
-
-[516] 2732-34 Ik zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te
-overleven.
-
-[517] 2738-40 Door zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd
-de anderen te hulp kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van
-ons twaalf te sterven.
-
-[518] 2713-42 Müllenhoff beschouwt deze eerste toespraak van Wiglaf als
-onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om eene lange redevoering
-te houden, vooral met het oog op v. 2730-31. Buitendien schijnt
-de dichter vergeten te hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden
-genomen. Vgl. 2675 vlg.
-
-Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak veel overeenkomst heeft
-met de woorden, welke in de Noordsche sage van Hrolf kraki aan Hjalti
-in den mond worden gelegd en welke Saxo in 't Latijn weergeeft.
-
-De zaak is licht verklaarbaar, indien men volgens het stelsel van
-ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten aanneemt.
-
-[519] 2741-43 Wij beiden zullen te zamen strijden.
-
-[520] 2744 strijdhoofd: dichterlijke benaming voor helm.
-
-[521] 2756 Wiglafs schild was van lindenhout. Vgl. v. 2690.
-
-[522] 2778 Hij: Beowulf.
-
-[523] 2786 Wiglaf stak den draak een weinig lager dan het hoofd,
-waarop Beowulf zijn zwaard had stuk geslagen. Vgl. v. 2764.
-
-[524] 2795 naar elders: naar de hel.
-
-[525] 2809 met water: er ontsprong immers eene beek.
-
-[526] 2812 des strijdens moe: bepaalt vriend en heerscher.
-
-[527] 2819-20 na mij bestemd: bestemd om na mij te heerschen.
-
-De grijsheid stond niet zooals bij de Grieken in bijzondere achting
-bij de Germanen; het verval der lichaamskrachten, de verzwakking der
-verstandelijke vermogens wekten eerder hun medelijden dan wel eerbied
-op. Doch des te meer werd hij bewonderd, die ondanks zijne hooge jaren,
-zijne spierkracht onverzwakt behouden had. Dit zien wij bij Ongentheow,
-doch vooral bij Beowulf.
-
-[528] 2827 noch legde menig eed af: in het geheel geen eed. (litotes).
-
-[529] 2835 den sluimer: doodslaap.
-
-[530] 2847 ter zitplaats nl. binnen in de schatkamer.
-
-Wij geven hier eene korte beschrijving van de Scandinavische woning.
-
-Zij vormde een langwerpig vierkant. Het dak werd door vier rijen
-stutten geschraagd. De twee buitenste rijen bevonden zich dicht langs
-de hoofdzijwanden, de twee overige meer naar binnen, op een derde
-der huisbreedte van de eerste verwijderd, zoodat het vertrek in een
-middenschip en twee zijschepen verdeeld was. In het middenvak bevond
-zich de open haard. (Vgl. v. 1544). De twee zijvakken waren geheel
-door eenen planken bodem, bankvloer, (Vgl. v. 491), ingenomen, die
-zich trapsgewijze, gewoonlijk met twee treden, langs den wand verhief
-en die tot zitplaats diende. Van deze twee bankvloeren was de eene,
-rechts van den ingang, de voornaamste.
-
-Juist in het midden van elken bankvloer bevonden zich de twee
-eereplaatsen, waarvan de bovenste, naar blijkt uit ons gedicht,
-de voornaamste was, en die ruim genoeg waren voor verscheiden personen.
-
-Hunferd, die aan de voeten van Hrodgar zat (v. 507), bevond zich dus
-op de onderste eereplaats.
-
-De eerste eereplaats, die van den voornaamsten bankvloer, werd steeds
-door den huisheer ingenomen; de tweede op de tegenovergestelde zijde
-door den voornaamsten gast.
-
-Beowulf was op deze laatste eereplaats gezeten bij zijn bezoek aan
-Hrodgar en aan Hygelac. (Vgl. v. 497, 634 vlg., 1207 vlg., 1820,
-2063, 2027.)
-
-De losse tafels, welke eigenlijk niets anders dan banken moeten
-geweest zijn, werden op den rand des bankvloers geplaatst.
-
-Op dezen bankvloer sliepen de Gooten en Denen, nadat de
-tafels of banken naar den bodem in 't middenvak der zaal waren
-verhuisd. (Vgl. v. 1260, 1303).
-
-[531] 2850 het leger: het goud. Ettmüller.
-
-[532] 2852 Ook (zag hij) kruiken staan.
-
-[533] 2856 Toespeling op den diefstal der kostbare vaas.
-
-[534] 2866 de krijger: Wiglaf.
-
-[535] 2871 den schatbeheerscher: den draak, de degen van Wiglaf.
-
-[536] 2877 de bode: Wiglaf.
-
-[537] 2878 door 't goud genoopt: genoopt door 't verlangen om het
-goud aan Beowulf te toonen.
-
-[538] 2896 hier: op aarde.
-
-[539] 2897 beveel den strijdberoemden: beveel aan de Gooten.
-
-[540] 2898 na de houtmijt: na de verbranding van Beowulfs lijk.
-
-[541] 2901 Hrones klip: de Walvischklip. Bugge ziet er eene louter
-dichterlijke benaming in.
-
-[542] 2905 de goudwrong: Buiten de ringen aan arm en vinger, was het
-ook de gewoonte eenen prachtigen gouden of zilveren halsband te dragen.
-
-[543] 2916 het heete strijdgegolf: van de vlammen.
-
-[544] 2917 Christelijke inlassching.
-
-[545] 2924-41 Enkel uit herhalingen samengeflanste plaats.
-
-[546] 2952 en wekte hem met water: trachtte hem met water te wekken.
-
-[547] 2955-57 Inlassching.
-
-God wilde door dit feit nl. Beowulfs dood aan het menschdom toonen,
-dat hij de meester is.
-
-[548] 2962 de schuwbren: de tien lafaards.
-
-[549] 2969 de beste nl. helmen en pantsers.
-
-[550] 2971 verdeed: hij schonk den kamptooi aan onwaardigen, daar
-deze hem in den steek lieten.
-
-[551] 2978 Ofschoon Müllenhoff Wiglafs strafrede alleszins gepast
-vindt, kan hij geenen vrede hebben met de verzen, waar Wiglaf zich
-zelven ophemelt. Indien er eigenlof bestaat, dan mag die volgens
-v. 2980-82 zeer bescheiden heeten.
-
-[552] 2981 hij: de draak.
-
-[553] 2989 landbezit der stammen: gemeenschappelijk bezit. Agri
-pro numero cultorum ab universis in vices occupantur. Tacitus,
-Germ. 26. De Germanen ten tijde van Tacitus bewoonden reeds omheinde
-dorpen. De woning met voorraadskelder en tuin was het eigendom van
-het gezin. Daarenboven had elk dorp een bepaald grondgebied (mark),
-waarvan het bouwland onder al de gemeenteleden verdeeld was, terwijl
-de weiden, bosschen en woeste gronden voor algemeen gebruik bleven.
-
-[554] 2991 vanuit de verte: moet verbonden worden met vernemen.
-
-[555] 2992b-93 Turpe comitatui virtutem principis non adaequare. Iam
-vero infame in omnem vitam ac probrosum superstitem principi suo ex
-acie recessisse. Tacitus, Germ. 14.
-
-[556] 2995 het landgoed: Beowulfs hof.
-
-[557] 3001 die: een bode.
-
-[558] 3011 hij houdt de lijkwacht: Vgl. v. 448 volgens Oudgermaansch
-gebruik.
-
-De oude gebruiken houden vooral bij sterfgevallen stand; zoo bestaat
-deze gewoonte nog in Hollandsch Limburg, waar de buren 's nachts bij
-het lijk blijven waken.
-
-[559] 3016 De oorlog met de Franken of Friezen wordt hier voor de
-vierde maal in herinnering gebracht.
-
-[560] 3024 Merewingers gunst: de koning der Franken. Naklank der
-geschiedenis.
-
-[561] 3028 het Ravenbosch: eene dichterlijke benaming, volgens Bugge.
-
-[562] 3029-30 De Gooten hadden eenen inval gedaan in Zweden.
-
-[563] 3031 hem: Hadcyn, de Goot.
-
-[564] Ochters oude vader: Ongentheow, de Zweed.
-
-[565] 3034 zijn vrouwe: Elan, zooals aangenomen wordt, de dochter
-van den Denenkoning Healfdeen. Vgl. v. 63.
-
-Hadcyn moet haar dus hebben gevangen genomen.
-
-[566] 3042-44 Hij wilde hen in 't gevecht dooden door het zwaard en
-de overgeblevenen ophangen.
-
-Deze verzen gaan mank; Bugge vult aan: Hij zeide, dat hij met den
-morgen door de snede van het zwaard hen wilde dooden, en voor eenigen
-galghouten in het bosch kappen en hen er aan hangen tot vreugde
-der vogels.
-
-[567] 3046 den hopeloozen: den Gooten.
-
-[568] 3052 de stoute: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden.
-
-[569] 3058 het varensvolk: de Gooten.
-
-[570] 3062 hun standaard: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden.
-
-[571] 3063 Zij: de Gooten.
-
-[572] hun: de Zweden.
-
-[573] 3064 Hredels drommen: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen;
-Hredel zelf was immers gestorven.
-
-[574] 3068a dit ziet op de ontknooping.
-
-[575] 3069 hem: Ongentheow.
-
-[576] Wulf: Eofors broeder; beiden zijn Gooten.
-
-[577] 3074 Zoodra de Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar
-Wulf, die hem dezen slag had toegebracht.
-
-[578] 3075 zoon van Wanred: Wulf.
-
-[579] 3084 hun kunstwerk: der reuzen kunstwerk.
-
-[580] 3089 hun: aan de Gooten.
-
-[581] 3090 Eofor beroofde Ongentheow.
-
-Daar de strijd met de Franken en Friezen op verschillende plaatsen
-van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier al die gegevens
-samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht alle verwarring
-te voorkomen.
-
-Oorlog met de Franken of Friezen.
-
-Hygelac had over zee eenen strooptocht in Friesland gedaan; hij
-sneuvelde in den strijd en de Franken maakten zich van zijn kostbaar
-halskleinood meester. XIX.
-
-Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte Beowulf, met dertig
-schilden op den arm, door in 't water te springen, nadat hij al zijne
-Frankische aanranders had verslagen. XXXIII.
-
-Beowulf doodt den Frank Däghrefn met de vuist, zoodat deze in de
-onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs krijgssieraden aan den
-Franken- of Friezenkoning te brengen. XXXV.
-
-Hygelac was met eene vloot naar Friesland gestevend, waar hij bezweek
-onder de overmacht der Franken. Sinds dien tijd bestond er vijandschap
-tusschen Gooten en Franken. XL.
-
-Oorlog met de Zweden.
-
-Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood van Hredel, en later
-bij de opname van de Zweedsche ballingen door Heardred.
-
-Eerste oorlog:
-
-XXXV. Na Hredels dood breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en
-Onela doen invallen bij Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac,
-ofschoon de eerste bij 't Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt
-op Ongentheow Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt.
-
-XL, XLI. Verhaal van den bode:
-
-De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden aangevallen (3029). Ongentheow
-schonk aan Hadcyn den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne
-eigen gade (3030 vlg.); hij zette de Gooten na (3036), die zich in
-het Ravenbosch verscholen (3038). Daar omsingelde hij hen (3039) en
-bedreigde hen den ganschen nacht (3041 vlg.). 's Morgens daagt Hygelac
-op, om de Gooten te ontzetten (3045); een gevecht heeft plaats (3049
-vlg.); Ongentheow moet wijken (3052) en trekt zich terug bij zijne
-verschansing (3060). De Gooten vervolgen hem (3061), maken zijnen
-standaard buit (3062) en trekken over de versterkte stelling, welke
-de Zweden verlaten hebben (3063). Zij brengen Ongentheow tot staan
-(3065). Wulf wondt Ongentheow (3069 vlg.), doch wordt door dezen buiten
-gevecht gesteld (3071 vlg.). Eofer, Wulfs broeder, doodt nu Ongentheow
-(3082 vlg.) en berooft hem van zijne wapenrusting (3090). Wulf wordt
-door zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld
-moeten ruimen.
-
-Tweede oorlog:
-
-XXXI. Heardred, zoon van Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden,
-en Beowulf beklimt den troon.
-
-XXXIII. Heardred ontvangt de zonen Ochters, Eánmund en Eádgils,
-die tegen Onela, koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een
-inval in 't land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den
-troon beklimmen.
-
-Later, maar deze derde krijgstocht wordt slechts ter loops aangestipt,
-wreekt Beowulf Heardreds dood door Eádgils te ondersteunen, die Onela
-van 't leven berooft.
-
-[582] 3096 de Gootenkoning: Hygelac.
-
-[583] 3099 honderd duizend. Vgl. v. 2252.
-
-[584] 3101 Niemand schatte het loon te gering.
-
-In de Noordsche sage wordt door Hrolf Kraki dezelfde belooning
-toegekend als hier door Hygelac. Bugge.
-
-[585] 3104 met zijne dochter: Het is moeilijk aan te nemen, dat
-Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v. 2020), reeds eene
-huwbare dochter zou gehad hebben. Müllenhoff stelt te recht deze
-verzen op rekening van den inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt,
-dat Hygelac en Beowulf van denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan
-ik hem geen gelijk geven.
-
-[586] 3112 die de dappre Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat
-op Beowulfs tocht naar Hrodgar; de gedoode helden zijn Grendels
-slachtoffers.
-
-[587] 3115 ons thans te haasten: die aanbeveling van den bode komt
-wel wat laat.
-
-[588] 3116 branduitvaart: plechtige optocht naar den brandstapel.
-
-[589] 3118-22 de heele schat en niet een enkel deel ervan zal met
-hem op den brandstapel gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de
-heele schat in den lijkheuvel begraven werd.
-
-[590] 3124-27 Perhaps a glee-maiden is maint, who, having lost her
-patron, is compelled to wander abroad. Thorpe.
-
-[591] 3129 de morgenklamme: vochtig na nachtelijke tochten. In andere
-woorden: Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen.
-
-[592] 3131-35 Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving.
-
-[593] 3136 de koene strijder: de bode. Vgl. 2994 vlg.
-
-[594] 3003-3137 Müllenhoff ziet er het werk van den interpolator in.
-
-[595] 3137 Er brak derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te
-beweren, moet de dichter het oog gehad hebben op epische liederen.
-
-[596] 3139 aargebergte: adelaarsgebergte, Earna-naes, in 't land der
-Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. onder:
-aan den voet.
-
-[597] 3146-47 zeldzamer schouwspel: dan dat van den gesneuvelden vorst.
-
-[598] 3152 't genot der luchten: genotvolle lucht.
-
-[599] 3156-57 Dit moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn,
-want het lijk van den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp
-vóór den ingang had plaats gegrepen. Vgl. 3213 vlg.
-
-[600] 3159 duizend winters: niet letterlijk op te vatten, daar de draak
-er slechts 300 jaar gehuisvest was; duizend wordt hier overdrachtelijk
-gebezigd voor een onbepaald groot aantal jaren.
-
-[601] 3160 Alstoen: toen de schat in den grond geborgen
-werd. Vgl. v. 2290. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij ook
-in de Nibelungen.
-
-[602] 3168: de hooggeroemde heerschers: Vlg. v. 2289.
-
-[603] 3174 Aan hem: aan den draak.
-
-[604] 3175 hem had de wachter: de wachter of draak had hem alleen
-nl. Beowulf eerst gedood. De zin is: de vloek werd bewaarheid; de
-draak had Beowulf gedood, maar hij zelf liet er ook het leven.
-
-[605] 3177b--81 't Is soms verwonderlijk, waar, op welke plaats een
-held moet sterven: men kan niet vooruit weten, waar men sterven zal.
-
-[606] 3146-85 Het springt in 't oog, dat dit een inlapsel
-is. Müllenhoff merkt te recht aan, dat deze verzen de lamlendigste
-van het gansche gedicht zijn.
-
-[607] 3184-85 Volgens Ettmüller. Beowulf had den draak (goudbezitter)
-niet aangetast, om zijn goud machtig te worden, maar om het land
-te verlossen, want reeds vroeger zou hij volgaarne met den draak
-vriendschap gesloten hebben; dan was hij nu niet genoodzaakt geweest
-hem te bevechten. Volgens v. 2349 was het strijdgeding vernieuwd;
-hieruit kan men veronderstellen, dat de draak voorheen al verwoestingen
-had aangericht. Hiermede schijnt mij v. 3192-95 niet in tegenspraak.
-
-[608] 3188-89 Ziet dit op de straf der lafaards, ofwel op toekomstige
-verwikkelingen met Franken en Zweden? Dit laatste komt mij het
-aannemelijkst voor.
-
-[609] 3226: naar den goede: naar Beowulf.
-
-[610] 3232-33 Als de werpspies het spoor volgde van den pijl; als
-gestreden werd.
-
-[611] 3236 in 't moordvertrek: in de onderaardsche schatkamer.
-
-[612] 3239 Niet lag aan 't lot: De bestemming van den schat stond
-vast; hij moest met Beowulf ten deele verbrand en ten deele begraven
-worden; bijgevolg hoefde hij niet door het lot verdeeld te worden,
-zooals geschiedt bij eenen onbeheerden buit.
-
-[613] 3242-44a Ik versta dit als volgt: niemand was droevig bij het
-zien van die schatten, welke zij zelven niet mochten bezitten.
-
-Dit zou pleiten voor hunne verkleefdheid aan Beowulf, dien zij,
-niettegenstaande hij het anders verzocht had, alles wilden meegeven.
-
-[614] 3257: op den berg: op de walvischhoogte.
-
-[615] 3258 de houtwalm hief zich: het hoog opstijgen der vlam was
-een teeken, dat den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te
-beurt vallen.
-
-[616] 3264 de jonkvrouw: Beowulfs bijslaap. Vgl. v. 3124 vlg.
-
-Heur naar voorgevoel stemt overeen met de voorspelling van den bode.
-
-Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van Beowulfs weduwe,
-zooals Socin aanneemt en ook Müllenhoff, die nochtans den inlasscher
-voor deze bijzonderheid verantwoordelijk stelt.
-
-[617] 3264-69 Vertaald volgens Bugge's aanvulling, want de tekst
-biedt tal van leemten aan.
-
-[618] 3278: in den berg: in den grafheuvel.
-
-Men heeft groote schatten uit de noordsche grafsteden opgedolven. De
-rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der ijzerperiode verrassend;
-in een later tijdperk komt meer zilver voor.
-
-Ons gedicht levert ons hier eene juiste en volledige beschrijving
-van de Oudgermaansche begraafplaatsen.
-
-Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd een heuvel
-opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden werden
-den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren. Dikwijls
-werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip uitgestrekt. Een
-steenen wal omgaf somtijds het gansche.
-
-Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen lijk onbegraven blijven
-liggen.
-
-Quando rex jacebat in hac civitate, servabant eum XII homines de
-melioribus civitatis.
-
-Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel bij de Germanen,
-welke eene zekere onderscheiding, doch geene voorrechten genoot.
-
-Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende beschrijving van
-Attila's begrafenis van eene soortgelijke plechtigheid gewaagt.
-
-«Nam de tota gente Hunnorum electissimi equites in eo loco, quo erat
-positus, in modum circensium cursibus ambientes, facta ejus cantu
-funereo.. referebant.» Cap. 16.
-
-[619] 3284-85 De zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke
-laatsten, volgens Domesdaybook, de eerewacht des konings uitmaakten.
-
-[620] 3291-92 Dolorem et tristitiam tarde ponunt; feminis lugere
-honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ. 27.
-
-[621] 3296-98 Ziedaar het ideaal van den Germaanschen koning!
-
-Het zij mij hier vergund de aandacht in te roepen op eenige
-merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en de Westvlaamsche
-folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de bereidwillige mededeeling
-van Dr. Gezelle te danken heb en welke aantoonen, dat de sage van
-Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in Vlaanderen. Om niet
-te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene merkwaardige
-overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het volgende
-volstaan.
-
-De mede, die in de middeleeuwen in onze streken zeer verspreid was,
-zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er eene belasting op
-stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche kust gedronken
-en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren behoorende tot het
-timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten hoornboom, hoornbalke,
-hetgeen aan Heorot doet denken; Grendele, Degrendele is nog zoo
-algemeen in Westvl. als Dendievel.
-
-Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog op de uitdrukking de
-duivel en zijn moer, die in Vlaanderen (en ook in Hollandsch Limburg)
-van algemeen gebruik is en aan Grendel en diens moeder herinnert.
-
-[622] Men herinnere zich, dat dit fragment de gebeurtenissen verhaalt,
-die de in het epos behandelde Finn-episode voorafgaan.
-
-[623] 1 de wapenjonge heerscher: Hnäf, volgens Bugge.
-
-Een der Deensche krijgers in Finnsburg moet bij het ontwaren van
-eenen schemer te midden der duisternis gevraagd hebben: Wordt het dag,
-vliegt een vuurdraak voorbij, of staat de burg in brand?
-
-De koning antwoordt eerst ontkennend op elk der drie punten en geeft
-daarna eene stellige uitkomst: De Friezen, wier wapens in het maanlicht
-glanzen, naderen om ons aan te vallen.
-
-[624] 3 de horentrans: de Finnsburg is, evenals Heorot, met een
-gewei bekroond.
-
-[625] 5 oorlogsvogels: de pijlen. De tekst heeft vogels alleen; ten
-Brink ziet er geene beeldspraak in, maar de slagvogels: raaf en arend.
-
-[626] 4-5 vertaald naar Bugges verbeterden tekst.
-
-[627] 6 het kamphout: de houten lans met stalen punt.
-
-[628] 7 't schild antwoordt: de Friezen slaan met hunne lansen op
-de schilden.
-
-[629] 8 weedaân: vijandelijkheden staan te gebeuren, waardoor zich
-de haat der Friezen zal uiten.
-
-[630] 11 lindebast: schild.
-
-[631] 13 met goud behangen: Bugge verwijst naar eenen tekst van Saxo,
-waarvolgens de arm met ringen werd bezwaard, om des te forscher slagen
-toe te dienen.
-
-[632] 18 de Strijd-Deen: Sigeferd.
-
-[633] Garulf is een Fries volgens Möller en Bugge.
-
-[634] 22 hij: Sigeferd; het: Garulfs leven.
-
-Sigeferd daagt Garulf in spottende taal uit, om de deur, waar hij op
-post staat, aan te vallen.
-
-[635] 18-22 zijn vertaald naar den door Bugge gewijzigden tekst.
-
-[636] 24 deze dappre: Garulf.
-
-[637] 28 wat van beide: leed of harde kamp, als blijkt uit het
-voorgaande vers.
-
-Sigeferd laat hem bij wijze van galgenhumor de keus tusschen deze twee.
-
-Deze verklaring van ten Brink schijnt mij aannemelijker dan die van
-Socin, welke bij swädher = utrumcunque onderverstaat «Schlimmes oder
-Gutes, Tod oder Leben.»
-
-[638] 32 de beerhelm: everhelm.
-
-[639] 36 Bugges lezing is hier gevolgd.
-
-[640] 46 een gewonde kamper: een Fries, volgens Holtzmann en Möller.
-
-[641] 49 de herder van de volkschaar: Finn, volgens Holtzmann en
-Möller.
-
-[642] 51 Gedeeltelijk zoek geraakt vers, door Bugge hersteld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Beówulf, by Anonymous
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEÓWULF ***
-
-***** This file should be named 50677-0.txt or 50677-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/0/6/7/50677/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/50677-0.zip b/old/50677-0.zip
deleted file mode 100644
index 4d97407..0000000
--- a/old/50677-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h.zip b/old/50677-h.zip
deleted file mode 100644
index 8d8ea30..0000000
--- a/old/50677-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/50677-h.htm b/old/50677-h/50677-h.htm
deleted file mode 100644
index 7f4725f..0000000
--- a/old/50677-h/50677-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,19386 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
-"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Beowulf: Angelsaksisch Volksepos</title>
-
-<style type="text/css">
-
-body {
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-font-size: 100%;
-line-height: 1.2em;
-text-align: left;
-}
-.div0 {
-padding-top: 5.6em;
-}
-.div1 {
-padding-top: 4.8em;
-}
-.div2 {
-padding-top: 3.6em;
-}
-.div3, .div4, .div5 {
-padding-top: 2.4em;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument
-{
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-padding-top: 2.4em;
-padding-bottom: 1.6em;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-.pagenum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.abbr {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-height: 1px;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-width: 45%;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5em;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-line-height: 1em;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.40em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.71em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0em 0.05em 0 0;
-padding: 0px;
-line-height: 0.8em;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.advertisment {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-a.noteref, a.pseudonoteref {
-font-size: 80%;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .label, .par.footnote .label {
-float: left;
-width: 2em;
-height: 12pt;
-display: block;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0%;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0%;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.indextoc {
-text-align: center;
-}
-.transcribernote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.correctiontable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0% 7em 0%;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 3.5em;
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0% 0em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTop, .figBottom {
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-td.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0px solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0px solid black !important;
-width: 1em;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0% .5em 0%;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0% 0 0%;
-}
-span.hemistich {
-color: white;
-}
-.versenum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, .h1 {
-padding-bottom: 5em;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
-{
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteref:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}.pagenum, .linenum {
-speak: none;
-}
-</style>
-
-<style type="text/css">
-.lineNum {
-font-weight: bold;
-color: #0D3894 !important;
-}
-.lineNumRef {
-font-weight: bold;
-color: #6E2B61 !important;
-}
-.lineNumRef a {
-text-decoration: none;
-color: #6E2B61 !important;
-}
-span.label a.apparatusnote {
-color: white;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd21e147width
-{
-width:480px;
-}
-.xd21e154
-{
-text-align:center;
-}
-.xd21e162width
-{
-width:463px;
-}
-.xd21e186width
-{
-width:242px;
-}
-.xd21e205
-{
-background: url(images/initial-m.png) no-repeat top left;
-}
-.xd21e205init
-{
-float: left;
-width: 112px;
-height: 112px;
-background: url(images/initial-m.png) no-repeat;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd21e1307
-{
-text-indent:2em;
-}
-.xd21e4522width
-{
-width:41px;
-}
-.xd21e4783
-{
-vertical-align:middle;
-}
-.xd21e4785
-{
-vertical-align:middle;
-}
-.xd21e4818
-{
-vertical-align:middle;
-}
-.xd21e4830
-{
-vertical-align:middle;
-}
-.xd21e7659width
-{
-width:71px;
-}
-.xd21e8281width
-{
-width:71px;
-}
-.xd21e8852width
-{
-width:139px;
-}
-.xd21e9032width
-{
-width:65px;
-}
-.xd21e9681width
-{
-width:88px;
-}
-.xd21e9899width
-{
-width:197px;
-}
-.xd21e10323width
-{
-width:90px;
-}
-.xd21e10521width
-{
-width:95px;
-}
-.xd21e10893width
-{
-width:95px;
-}
-.xd21e11041width
-{
-width:94px;
-}
-.xd21e11526width
-{
-width:88px;
-}
-.xd21e11749width
-{
-width:146px;
-}
-.xd21e12043width
-{
-width:71px;
-}
-.xd21e12563width
-{
-width:108px;
-}
-.xd21e12933width
-{
-width:85px;
-}
-.xd21e13343width
-{
-width:58px;
-}
-.xd21e13685width
-{
-width:83px;
-}
-.xd21e14306width
-{
-width:155px;
-}
-.xd21e14697width
-{
-width:97px;
-}
-.xd21e15072width
-{
-width:58px;
-}
-.xd21e15528width
-{
-width:88px;
-}
-.xd21e15935width
-{
-width:71px;
-}
-.xd21e16272width
-{
-width:141px;
-}
-.xd21e16977width
-{
-width:177px;
-}
-.xd21e17500width
-{
-width:197px;
-}
-.xd21e18428width
-{
-width:176px;
-}
-.xd21e18888width
-{
-width:71px;
-}
-.xd21e19254width
-{
-width:177px;
-}
-.xd21e19962width
-{
-width:197px;
-}
-.xd21e20401width
-{
-width:85px;
-}
-.xd21e20647width
-{
-width:108px;
-}
-.xd21e21045width
-{
-width:71px;
-}
-.xd21e21354width
-{
-width:155px;
-}
-.xd21e21615width
-{
-width:197px;
-}
-.xd21e22383width
-{
-width:110px;
-}
-.xd21e22738width
-{
-width:49px;
-}
-.xd21e23327width
-{
-width:85px;
-}
-.xd21e23454
-{
-text-indent:8em;
-}
-.xd21e23855
-{
-text-indent:6em;
-}
-.xd21e24256
-{
-text-indent:4em;
-}
-.xd21e27589width
-{
-width:146px;
-}
-</style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-The Project Gutenberg EBook of Beówulf, by Anonymous
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Beówulf
- Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met
- inleiding en aanteekeningen voorzien
-
-Author: Anonymous
-
-Translator: L. Simons
-
-Release Date: December 12, 2015 [EBook #50677]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEÓWULF ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e147width"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name="pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd21e154">BEO&#787;WULF</p>
-<p class="par xd21e154">ANGELSAKSISCH VOLKSEPOS <span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name="pb3">3</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e162width"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="463" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="seriesTitle">KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE VOOR TAAL-
-&amp; LETTERKUNDE</div>
-<div class="mainTitle">BEO&#787;WULF</div>
-<div class="subTitle">ANGELSAKSISCH VOLKSEPOS</div>
-</div>
-<div class="byline">VERTAALD IN STAFRIJM<br>
-EN MET INLEIDING EN AANTEEKENINGEN VOORZIEN<br>
-DOOR<br>
-<span class="docAuthor">Dr. L. SIMONS</span><br>
-BRIEFWISSELEND LID DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE VOOR TAAL- EN
-LETTERKUNDE LEERAAR AAN &rsquo;T KONINKLIJK ATHENAEUM TE BRUSSEL.</div>
-<div class="figure xd21e186width"><img src="images/wapen.jpg" alt="Belgisch Wapen." width="242" height="266"></div>
-<div class="docImprint">GENT<br>
-A. SIFFER<br>
-<i>Drukker der Koninklijke Vlaamsche Academie</i><br>
-<span class="docDate">1896</span></div>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p>
-<div id="preface" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">EEN WOORD VOORAF</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par xd21e205"><span class="xd21e205init">M</span>ijn doel bij
-het uitgeven dezer Beowulf-bewerking was, in eene leemte te voorzien en
-tevens de uitkomsten van de onderzoekingen over een der belangrijkste
-letterkundige voortbrengselen in breeder kring te verspreiden.</p>
-<p class="par">Daarom zijn aan de vertaling talrijke ophelderingen en
-eene breedvoerige inleiding toegevoegd.</p>
-<p class="par">Ik heb den tekst van <span class="sc">Socin</span>
-gevolgd; daar waar ik de voorkeur geef aan eene andere lezing, heb ik
-mijne handelwijze gerechtvaardigd in de <i>Aanmerkingen</i> op het
-einde van het werk.</p>
-<p class="par">Van de vertaling valt niets bijzonders te zeggen; ik
-sluit mij zoo getrouw mogelijk bij mijn voorbeeld aan, en dat dit geene
-gemakkelijke taak was, zal hij, die in den ingewikkelden tekst van het
-oorspronkelijke thuis is, het best begrijpen, vooral als hij nagaat,
-hoe ver ons Nederlandsch in rijkdom van zinverwante woorden ten achter
-staat bij de Angelsaksische epiek.</p>
-<p class="par">Een enkel woord over de versmaat. <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span></p>
-<p class="par">Ik had, evenals <span class="sc">de Geyter</span>, het
-Reinaertsvers kunnen aanwenden, dat uit het algemeen Oudgermaansche
-vers gesproten is, vooral daar het heel wat meer speelruimte aanbiedt
-dan de, door mij gebezigde, eng begrensde vijfvoetige jambus; nochtans
-heb ik van zijn gebruik afgezien, omdat het, zooals <span class="sc">Max Rooses</span> te recht aanmerkt, &laquo;te gemeenzaam klinkt
-voor epische verhalen&raquo;.</p>
-<p class="par">Buitendien leent zich de vijfvoetige jambus zeer goed
-tot de indeeling in halfverzen, het hoofdkenmerk der oude epische
-versmaat.</p>
-<p class="par">Heb ik mij door het verwerpen van het Reinaertsvers een
-blok aan &rsquo;t been gelegd, van den anderen kant veroorloof ik mij
-meer vrijheid van beweging bij het stafrijm; en geen wonder, want onze
-taal is er geheel en al aan ontwend. In dit opzicht sluit ik mij aan
-bij de Middelengelsche dichters, die op dit punt wat minder nauwgezet
-waren dan hunne voorgangers.</p>
-<p class="par">Vandaar dat de twee halfverzen niet altijd door een
-gemeenschappelijk stafrijm (naar het voorbeeld <i>ab ab</i>) tot een
-geheel vereenigd worden, maar integendeel elk op zich zelf een
-afzonderlijk stafrijm hebben (<i>aa bb</i>).</p>
-<p class="par">Het schijnt mij zelfs toe, dat het stafrijm in onze
-tegenwoordige taal op deze laatste wijze alleen het best tot zijn recht
-komt.</p>
-<p class="par">Men leze en oordeele. <span class="pagenum">[<a id="pb7"
-href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="biblio" class="div1 bibliography"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">Te raadplegen Literatuur over den Beowulf.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De volgende uitgebreide lijst is ontleend aan
-<span class="sc">James M. Garnett</span>, <i lang="en">Beowulf, An
-Anglo-Saxon Poem</i>; Boston U. S. A. 1893.</p>
-<p class="par">Eenige na dien tijd verschenen werken heb ik er aan
-toegevoegd.</p>
-<p class="par"><i>Uitgaven:</i></p>
-<p class="par"><span class="sc">Thorkelin.</span> <span lang="la">De
-Danorum rebus gestis secul. III et IV poema Danicum dialecto
-Anglosaxonica. Havniae</span>, 1815, met eene Latijnsche vertaling.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Conybeare.</span> <span lang="en">Illustrations of Anglo-Saxon Poetry, London</span>, 1826.
-Thorkelin&rsquo;s uitgave wordt er met het Hs. vergeleken en eene
-Latijnsche en voor sommige plaatsen eene Engelsche vertaling aan
-toegevoegd.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Kemble.</span> <span lang="en">The
-Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Traveller&rsquo;s song and the Battle
-of Finnsburg, London, 1833</span>; 2<sup>de</sup> uitgave,
-1835&ndash;37, in twee deelen, waarvan het tweede eene volledige
-Engelsche vertaling behelst.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Schaldemose.</span> <span lang="dk">Beowulf og Scopes Widsidh</span>, Kopenhagen, 1847, 2<sup>de</sup>
-uitgave, 1851. Kemble&rsquo;s tekst met Deensche vertaling.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Thorpe.</span> <span lang="en">The
-Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Sc&ocirc;p or Gleeman&rsquo;s Tale,
-and the Fight at Finnsburg, Oxford, 1855</span>; met Engelsche
-vertaling. Herdruk zonder wijzigingen in 1875.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Grein.</span> <span lang="de">Bibliothek der Angels&auml;chsischen Poesie</span>,
-1<sup>ste</sup> deel, blz. 255, Beowulf; G&ouml;ttingen, 1857.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Grundtvig.</span> Beowulfes Beorh;
-Kopenhagen, Londen en Leipzig, 1861, met eene vergelijking van de twee
-afschriften van het Hs. in 1786 door Thorkelin gemaakt. <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Heyne.</span> Beowulf; Paderborn, 1863;
-2<sup>de</sup> uitgave, 1868; 3<sup>de</sup> uitg., 1873;
-4<sup>de</sup> uitg., 1879; 5<sup>de</sup> uitg., door Socin bezorgd,
-1888; met het beste glossarium.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Grein.</span> <span lang="de">Beowulf
-nebst den Fragmenten Finnsburg und Waldere</span>; Cassel en
-G&ouml;ttingen, 1867.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Ettm&uuml;ller</span>, <span lang="la">Carmen de Beowulfi Gautarum regis rebus praeclare gestis atque
-interitu, quale fuerit antequam in manus interpolatoris, monachi
-Vestsaxonici, inciderat. Turici, 1875.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Arnold, Thomas.</span> <span lang="en">Beowulf. A heroic poem of the eighth century, London, 1876</span>;
-met eene Engelsche vertaling.</p>
-<p class="par"><span class="sc">W&uuml;lcker.</span> <span lang="de">Grein&rsquo;s Bibliothek der A. S. Poesie. Neu bearbeitet u. s.
-w.</span> 1<sup>ste</sup> deel, 1<sup>ste</sup> helft; Cassel, 1881.
-Herstelde tekst met critische nota&rsquo;s in 1<sup>ste</sup> deel,
-2<sup>de</sup> helft; Cassel, 1883.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Holder.</span> <span lang="de">Beowulf.
-I. Abdruck der Handschrift</span>; 2<sup>de</sup> uitg. Freiburg en
-T&uuml;bingen, 1882. Hs. door Holder vergeleken in 1875 met gebruik van
-Thorpe&rsquo;s oorspronkelijke collatie in 1830. II. Tekst en
-glossarium. 1884.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Harrison</span> en <span class="sc">Sharp</span>. Beowulf; volgens Heyne&rsquo;s tekst en
-woordenlijst. Boston, 1883; 2<sup>de</sup> uitg., 1885; 3<sup>de</sup>
-vermeerderde uitg., 1888.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Zupitza.</span> <span lang="en">Beowulf; Autotypes of the unique Cotton MS. Vitellius A. XV. in
-the British Museum; with a transliteration and notes; London, 1882;
-Early English Text Society.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">K&ouml;lbing.</span> <span lang="de">Zur Beowulf-Handschrift. Herrig&rsquo;s Archiv f&uuml;r das
-Studium der neueren <span class="corr" id="xd21e415" title="Bron: Spracken">Sprachen</span></span>; LVI, 91. Eene volledige
-vergelijking van het Hs.</p>
-<p class="par"><i>Afzonderlijke vertalingen.</i></p>
-<p class="par"><span class="sc">Grundtvig.</span> <span lang="dk">Bjowulfs Drape</span>; Kopenhagen, 1820, 2<sup>de</sup> uitgave,
-1865.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">L. Ettm&uuml;ller</span>,
-<span lang="de">Beowulf. Heldengedicht des achten Jahrhunderts, zum
-ersten Male aus dem Angels&auml;chsischen in das Neuhochdeutsche
-stabreimend &uuml;bersetzt und mit Einleitung und Anmerkungen vorsehen.
-Z&uuml;rich, 1840.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Wackerbarth.</span> <span lang="en">Beowulf, translated into English verse; London, 1849.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Grein.</span> <span lang="de">Dichtungen der Angelsachsen, stabreimend &uuml;bersetzt; 2 deelen;
-G&ouml;ttingen, 1857&ndash;59</span>; 1<sup>ste</sup> deel,
-2<sup>de</sup> uitg., 1863. Afzonderlijke uitgave van de
-Beowulf-vertaling, Cassel, 1883.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Sandras.</span> <span lang="la">De
-carminibus Caedmoni adjudicatis</span>; Parijs, 1859; met uittreksel
-van Beowulf en Latijnsche vertaling. <span class="pagenum">[<a id="pb9"
-href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Simrock.</span> <span lang="de">Beowulf, &uuml;bersetzt und erl&auml;utert</span>; Stuttgart en
-Augsburg, 1859.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Heyne.</span> Beowulf; Paderborn,
-1863.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Von Wolzogen.</span> <span lang="de">Beowulf; Leipzig, Reclam-Bibliothek.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Botkine.</span> <span lang="fr">Beowulf. Epop&eacute;e Anglo-Saxonne, traduite en francais pour la
-premi&egrave;re fois; Havre, 1877</span>.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Lumsden.</span> <span lang="en">Beowulf, translated into modern rhymes; London, 1881</span>;
-2<sup>de</sup> uitg., 1883.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Zinsser.</span> <span lang="de">Der
-Kampf Beowulfs mit Grendel. Probe einer metrischen Uebersetzung des A.
-S. epos Beowulf; Jahresbericht van de Realschule te Forbach,
-1881.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Grion, Giusto.</span> <span lang="it">Beovulf, poema epico anglo-sassone del VII secolo, tradotto e
-illustrato; Lucca, 1883</span>. De eerste Italiaansche vertaling.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Wickberg.</span> <span lang="sv">Beowulf, en fornengelek hjeltedikt, &auml;fersatt;
-Westervik.</span> De eerste Zweedsche vertaling.</p>
-<p class="par">Voegen wij er nog bij de reeds aangehaalde Engelsche
-vertaling van <span class="sc">Garnett</span>.</p>
-<p class="par"><i>Werken van bijzonderen aard.</i></p>
-<p class="par"><span class="sc">M&uuml;llenhoff</span><span class="corr" id="xd21e537" title="Bron: ,">.</span> <span lang="de">Beowulf.
-Untersuchungen &uuml;ber das Angels&auml;chsische Epos und die
-&auml;lteste Geschichte der germanischen Seev&ouml;lker</span>;
-Berlijn, 1889. <span lang="de">Mythus, geschichtliche Elemente; die
-Geaten und Schweden, die D&auml;nen, die Angeln und Sachsen.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">B. ten Brink.</span> <span lang="de">Beowulf. Untersuchungen; Strassburg</span>, 1888. De schrijver
-houdt er zich vooral bezig met de innerlijke geschiedenis van het
-epos.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Sarrazin.</span> <span lang="de">Beowulf-Studien</span>; Berlijn, 1888. <span lang="de">Ursprung
-der Sage, die Skand. orig. Dichtung, die Angels. Bearbeitung, die
-Stellung des Beowulf-epos in der Entwicklung der altengl.
-Poesie.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Kemble.</span> <span lang="de">Ueber
-die Stammtafel der Westsachsen; Munchen, 1836.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Heyne.</span> <span lang="de">Ueber die
-Lage und Construction der Halle Heorot; Paderborn, 1864.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Botkine.</span> <span lang="fr">Beowulf. Analyse historique et g&eacute;ographique</span>; Parijs,
-1876.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Dederich.</span> <span lang="de">Historische und geographische Studien zum Angels&auml;chsischen
-Beowulfsliede</span>; Keulen, 1877.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Grein.</span> <span lang="de">Die
-historischen Verhaltnisse des Beowulfliedes. Ebert&rsquo;s Jahrbuch
-f&uuml;r rom. und engl. Literatur, IV, 260 (1862).</span> <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Schultze.</span> <span lang="de">Altheidnisches in der A. S. Poesie, speciell im
-Beowulfsliede</span>; Berlijn, 1877.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Skeat.</span> <span lang="en">The Name Beowulf. Academy, 1877, I. 163.</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Leo.</span> <span lang="de">Beowulf,
-das &auml;lteste deutsche, in angels&auml;chsischer Mundart erhaltene
-Heldengedicht, nach seinem Inhalte und mythologischen Beziehungen
-betrachtet; Halle, 1839</span>; met vertaalde uittreksels.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Sarrazin.</span> <span lang="de">Der
-Schauplatz des ersten Beowulfliedes und die Heimat des Dichters. Paul
-und Braune&rsquo;s Beitr&auml;ge, XI, 528&ndash;541.</span></p>
-<p lang="de" class="par">Id. Die Beowulfsage in D&auml;nemark. Anglia,
-IX, 195&ndash;199.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Beowa und B&ouml;thvar. Anglia, IX,
-200&ndash;204.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Beowulf und Kynewulf. Anglia, IX,
-515&ndash;550.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Altnordisches im Beowulfliede.
-Beitr&auml;ge, XI, 528&ndash;541.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Sievers.</span> Die Heimat
-des Beowulf-dichters. Beitr&auml;ge, XI, 354&ndash;362.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Altnordisches im Beowulf? Beitr&auml;ge,
-XII, 168&ndash;200.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Kl&ouml;pper.</span>
-Heorot-Hall in the Anglo-Saxon Poem of Beowulf. Festschrift f&uuml;r K.
-E. Krause. Rostock.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Haigh.</span> <span lang="en">The
-Anglo-Saxon Sagas; Londen, 1861</span>; eene poging om de in het epos
-vermelde plaatsen in Engeland thuis te brengen.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">M&uuml;ller, N.</span> Die
-Mythen im Beowulf in ihrem Verh&auml;ltniss zur germanischen Mythologie
-betrachtet; Leipzig, 1878.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Suchier.</span> Ueber die
-Sage von Offa und Thrydho. Beitr&auml;ge, IV, 500.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Vigfusson.</span> Grettis Saga, in de
-voorrede van zijne Sturlunga Saga; Oxford, 1878.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Gering.</span> Der Beowulf
-und die Isl&auml;ndische Grettissaga; Anglia, III, 74.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Smith, C. Sprague.</span> Beowulf
-Gretti, in New Englander, IV, 49.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Ettm&uuml;ller.</span>
-Altnordischer Sagenschatz, 1870.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Symons.</span> Heldensage.
-Grundriss der Germanischen Philologie; VII Abschnitt.</p>
-<p lang="fr" class="par"><span class="sc">G. Kurth.</span> Histoire
-po&eacute;tique des M&eacute;rovingiens; Paris, 1893.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">M&uuml;llenhoff.</span> Der
-Mythus von Beowulf. Haupt&rsquo;s Zeitschrift, VII, 419.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Skeat.</span> The Monster
-Grendel in &laquo;Beowulf&raquo;. Journal of Philology, N<sup>o</sup>
-29, XV.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Schneider.</span> <span lang="de">Der
-Kampf mit Grendels Mutter. Program des
-Friedrichs-Realgymnasiums</span>; Berlijn, 1887. <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Hornburg.</span> <span lang="de">Die
-Composition des Beowulf</span>. Program van het Lyceum in Metz,
-1877.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">M&ouml;ller.</span> Das
-altenglische Volksepos in der urspr&uuml;nglichen strophischen Form;
-Kiel, 1883.</p>
-<p class="par"><span class="sc">R&ouml;nning.</span> <span lang="dk">Beowulfs-Kvadet. En literaer-historisk unders&ouml;gelse.</span>
-Kopenhagen, 1883.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Kr&uuml;ger.</span> Ueber
-Ursprung und Entwickelung des Beowulfliedes. Herrig&rsquo;s Archiv,
-LXXI, 129, 1884.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Zum Beowulfliede. Program des
-st&auml;dtischen Realgymnasiums in Bromberg, 1884.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Merbot.</span> Aesthetische
-studi&euml;n zur angels&auml;chsischen Poesie; Breslau, 1883.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">March.</span> The World of
-Beowulf. Proceedings of the Amer. Phil. Association, 1882.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Harrison.</span> Old Teutonic
-Life in &laquo;Beowulf&raquo;. Overland Monthly, July, 1884.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Bugge.</span> Studien
-&uuml;ber das Beowulfepos. Beitr&auml;ge XII, 1&ndash;80 en
-360&ndash;375.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Sarrazin.</span> <span lang="de">Entgegnung. Englische studien</span>, XIV, 421&ndash;427. Een
-antwoord op Koeppel&rsquo;s beoordeeling van Sarrazin&rsquo;s
-Beowulf-Studien. Eng. Stud. XIII, 475.</p>
-<p class="par">Koeppel&rsquo;s antwoord; Eng. Stud. XIV,
-427&ndash;432.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Deskau.</span> Zum Studium
-des Beowulf. Berichte des freien deutschen Hochstiftes. 1890.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Hertz.</span> Beowulf, das
-&auml;lteste germanische Epos. Nord und S&uuml;d, XXIX, 229&ndash;253;
-1884.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Weinhold.</span>
-Altnordisches Leben, 1856.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Kalund.</span> Sitte.
-Skandinavische Verh&auml;ltnisse. Grundriss der Germanischen
-Philologie, XIII<span class="corr" id="xd21e772" title="Niet in bron">.</span> Abschnitt.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Schultz.</span> <span lang="de">Sitte.
-Deutsch-Englische Verh&auml;ltnisse. Grundriss</span> enz.</p>
-<p class="par">Deze schrijver maakt er een komaf mee met de volgende
-verklaring: &laquo;<span lang="de">Von hoher Bedeutung dagegen f&uuml;r
-die Sittengeschichte der Angelsachsen ist das
-Beowulflied.</span>&raquo;</p>
-<p lang="sv" class="par"><span class="sc">Fahlbeck.</span>
-Beowulfsqv&auml;det enz. Antiquarisk Tidskrift f&ouml;r Sverige,
-VIII.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Lehmann.</span> Br&uuml;nne
-und Helm im angels&auml;chsischen Beowulfliede; Leipzig, 1885.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Ueber die Waffen im angels&auml;chsischen
-Beowulfliede, Germania, XXXI, 486&ndash;497.</p>
-<p lang="dk" class="par"><span class="sc">Bugge.</span> Til de
-oldengelske digte om Beowulf og Waldere. Tidskrift for Philologi og
-P&auml;dagogik, VIII, 1869&ndash;70.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Davidson, Chas.</span> <span lang="en">Differences between the Scribes of &laquo;Beowulf&raquo;. Modern
-Language, Notes</span>, V, 85 en 378; 1890. <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span></p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Mc Clumpha, Chas.</span>
-Differences between <span class="corr" id="xd21e814" title="Bron: te">the</span> Scribes of &laquo;Beowulf&raquo;. Mod. Lang.
-Notes, V, 245, 1890.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Schultze.</span> <span lang="de">Ueber
-das Beowulfslied.</span> Program van de Realschule te Elbing, 1864.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Schr&ouml;der.</span> <span lang="dk">Om Bjowulfs-drapen</span>. Kopenhagen, 1875.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Arnheim.</span> Ueber das
-Beowulflied. Bericht &uuml;ber die Jacobsonsche Schule zu Seesen,
-1867&ndash;71.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">K&ouml;lbing.</span> Kleine
-Beitr&auml;ge. K&ouml;lbing&rsquo;s Englische Studi&euml;n, III, 92; zu
-Beowulf, 168.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Outzen.</span> Ueber das A.
-S. Beowulfs-Gedicht. Kieler Bl&auml;tter, III, 312; 1816.</p>
-<p lang="it" class="par"><span class="sc">Schemann.</span> Beowulf.
-Antichissimo poema epico de&rsquo; popoli Germanici. Giornale
-Neapolitano di filosofia e lettere, scienze morale e politiche, IV,
-Vol. VII, 63, 175.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Earle.</span> Beowulf.
-Canadian Monthly, II, 83, 1872.</p>
-<p lang="en" class="par">Id. Beowulf. Household Words, XVII, 459.</p>
-<p lang="en" class="par">Id. Beowulf. London Times, Weekly ed., Oct. 9,
-1885.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Gibb.</span> <span lang="en">Gudrun,
-Beowulf and Roland</span>; 2<sup>de</sup> uitg. Londen, 1883.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Powell.</span> Recent Beowulf
-Literature (Harrison, Holder, Lumsden). Academy, n<sup>o</sup> 648,
-Oct. 4, 1884.</p>
-<p lang="en" class="par">Id. Harrison&rsquo;s &laquo;Beowulf&raquo;.
-Academy, n<sup>o</sup> 654, Nov. 15, 1884.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Harrison.</span> Beowulf.
-Academy, n<sup>o</sup> 653, Nov. 8, 1884.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Garnett.</span> The
-Translation of Anglo-Saxon Poetry. Public. of the Mod. Lang. Assoc. of
-America. Vol. VI, n<sup>o</sup> 3; 1891.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Bright.</span> <span lang="en">Review
-of Harrison and Sharp&rsquo;s &laquo;Beowulf&raquo;.</span> <span lang="de">Litteraturblatt f&uuml;r germ. und rom. Philologie</span>; Juni,
-1884.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Gummere.</span> The
-Translation of &laquo;Beowulf&raquo;. Amer. Journal of Philology, VII,
-1886.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Schilling.</span> The
-Finnsburg-Fragment and the Finn-Episode. Mod. Lang. Notes, II, 291,
-1887.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Corson.</span> A passage of
-Beowulf (2724 vlg.). Mod. Lang. Notes, III, 193; 1888.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Kr&uuml;ger.</span> Zum
-Beowulf. Beitr&auml;ge, IX, 571&ndash;578.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Kittredge.</span> Zu Beowulf,
-107 vlg. Beitr&auml;ge, XIII, 210.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Miller.</span> The Position
-of Grendel&rsquo;s Arm in Heorot. Anglia, XII, 396&ndash;400.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Zupitza.</span> Zu Beowulf,
-850. Herrig&rsquo;s Archiv, 84, 124; 1890.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Joseph.</span> Zwei
-Versversetzungen im Beowulf. Zeitschrift f&uuml;r deutsche Philologie,
-XXII, 385&ndash;397.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Schr&ouml;er.</span> Zur
-Texterkl&auml;rung des Beowulf. Anglia, XIII, 333&ndash;348.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Sievers.</span> Zur
-Texterkl&auml;rung des Beowulf. Anglia<span class="corr" id="xd21e943"
-title="Bron: .">,</span> XIV, 133&ndash;146. <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span></p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Kluge.</span>
-Sprachhistorische Miscellen. Beitr&auml;ge VIII, 532.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Zum Beowulf. Beitr&auml;ge, IX, 187.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Cosijn.</span> Zum Beowulf.
-Beitr&auml;ge, VIII, 508.</p>
-<p class="par">Id. Beowulf. Taalkundige bijdragen, I, 286.</p>
-<p class="par">Id. Aanteekeningen op den Beowulf; Leiden, 1892.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Sievers.</span> Zum Beowulf.
-Beitr&auml;ge, IX, 135 en 370.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Nader.</span> Zur Syntax des
-Beowulf. Twee programma&rsquo;s van de Staats-Oberrealschule te
-Br&uuml;nn, 1879&ndash;80.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Lichtenheld.</span> Das
-schwache Adjectiv im Angels&auml;chsischen. Haupt&rsquo;s Zeitschrift,
-XVI, 325.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Nader.</span> <span lang="de">Der
-Genitiv im Beowulf</span>. Program van de Staats-Oberrealschule te
-Br&uuml;nn, 1882.</p>
-<p class="par">Id. <span lang="de">Dativ und Instrumental im Beowulf.
-Jahresbericht</span> van de Weener Oberrealschule, 1882&ndash;83.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Hotz.</span> On the Use of
-the Subjunctive Mood in Anglo-Saxon and its further history in Old
-<span class="corr" id="xd21e990" title="Bron: Englisch">English</span>;
-Zurich, 1882.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">K&ouml;hler.</span> Der
-syntaktische Gebrauch des Infinitivs und Particips im Beowulf;
-M&uuml;nster, 1886.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Nader.</span> <span lang="de">Tempus
-und Modus im Beowulf</span>. Anglia, X, 542&ndash;563, en XI,
-444&ndash;449.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Davidson.</span> The
-Phonology of the Stressed Vowels in &laquo;Beowulf&raquo;. Public. of
-the Mod. Lang. Associat<span class="corr" id="xd21e1008" title="Niet in bron">.</span> of America. Vol. VI, n<sup>o</sup> 3. 1891.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Harrison.</span> List of
-Irregular (strong) Verbs in &laquo;Beowulf&raquo;. Amer. Journal of
-Philology, IV, 462.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Schubert.</span> <span lang="la">De
-Anglosaxonum arte metrica</span>; Berlijn, 1870.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Vetter.</span> <span lang="de">Ueber
-die Germanische Alliterationspoesie</span>; Weenen<span class="corr"
-id="xd21e1032" title="Bron: .">,</span> 1872.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Rehrmann.</span> <span lang="en">Essay
-on Anglo-Saxon Poetry</span>. Program van de Hoogere Burgerschool in
-L&uuml;bben, 1876.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Rieger.</span> Die Alt- und
-Angel-s&auml;chsische verskunst; Halle, 1876.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Schipper.</span> <span lang="de">Englische Metrik.</span> I deel, <span lang="de">Altenglische
-Metrik; Bonn, 1882.</span></p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Tolman.</span> The Style of
-Anglo-Saxon Poetry. Transactions of the Modern Language Association of
-America; Vol. III, 1887.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Hirt.</span> Untersuchungen
-zur West-germanischen verskunst; Leipzig, 1889.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Guest.</span> <span lang="en">History
-of English Rhythms</span>, 2 deelen, 1838; heruitgegeven in 1 deel door
-Skeat, 1882.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Banning.</span> Die epischen
-Formeln im Beowulf; Marburg, 1886. <span class="pagenum">[<a id="pb14"
-href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="sc">Bode.</span> <span lang="de">Die
-Kenningar in der angels&auml;chsischen Dichtung</span>; Darmstadt en
-Leipzig, 1886.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Arndt.</span> Ueber die
-altgermanische epische Sprache; Paderborn, 1877.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Schemann.</span> Die Synonyma
-im Beowulfsliede, mit R&uuml;cksicht auf Composition und Poetik des
-Gedichts; Hagen, 1882.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Hoffmann.</span> Der
-bildliche ausdruck im Beowulf und in der Edda. Englische Studien, VI,
-1883.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Heinzel.</span> Ueber den
-Stil der altergermanischen Poesie; Strasburg, 1875.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Gummere.</span> The
-Anglo-Saxon Methaphor; Halle, 1881.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Schulz.</span> <span lang="de">Die
-Sprachfonnen des Hildebrandsliedes im Beowulf.</span> Program van de
-Realschule te Koningsbergen, 1882.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Sievers.</span> Zur rhythmik
-des germanischen alliterationsverses. I. Vorbemerkungen. Die metrik des
-Beowulf. Beitr&auml;ge, X, 209&ndash;314. II. Sprachliche ergebnisse.
-Beitr&auml;ge, X, 451&ndash;545.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Der angels&auml;chsische Schwellvers.
-Beitr&auml;ge, XII, 454&ndash;482.</p>
-<p lang="de" class="par">Id. Altgermanische Melrik. Grundriss der
-Germanischen Philologie. IX Abschnitt.</p>
-<p class="par"><span class="sc">ten Brinck.</span> <span lang="de">Altenglische Literatur. Grundriss enz. VIII Abschnitt.</span></p>
-<p lang="de" class="par"><i>Haupt&rsquo;s Zeitschrift f&uuml;r
-Deutsches Altertum:</i></p>
-<ul lang="de">
-<li>V. 10. Haupt. Zum Beowulf.</li>
-<li>VII. 410. M&uuml;llenhoff. Sceaf und seine Nachkommen.</li>
-<li>VII. 524. Bachlechner. Die Merovinge im Beowulf.</li>
-<li>XI. 59. Bouterwek. Zur Kritik des Beowulfliedes.</li>
-<li>XI. 176. Rieger. Ingaevonen, Istaevonen, Hermionen.</li>
-<li>XI. 272. M&uuml;llenhoff. Zur Kritik des A. S. Volksepos.</li>
-<li>XI. 409. Dietrich. Rettungen.</li>
-<li>XII. 259. M&uuml;llenhoff. Zeugnisse und Excurse zur deutschen
-Heldensage.</li>
-<li>XIV. 193. M&uuml;llenhoff. Die innere Geschichte des Beowulfs.</li>
-</ul>
-<p class="par"></p>
-<p class="par"><i lang="de">Zeitschrift f&uuml;r deutsche
-Philologie</i> (H&ouml;pfner en Zacher):</p>
-<ul lang="de">
-<li>II. 305. K&ouml;hler. Die Einleitung des Beowulfliedes, en Die
-beiden Episoden von Heremod.</li>
-<li>II. 371. Rieger. Beoordeeling van Heyne&rsquo;s 2<sup>de</sup>
-uitgave.</li>
-<li>III. 381. Rieger. Zum Beowulf.</li>
-<li>IV. 192. Bugge. Zum Beowulf.</li>
-</ul>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span></p>
-<p class="par"><i>Germania</i> (Pfeiffer):</p>
-<ul lang="de">
-<li>I. 297 en 455. Bachlechner. Eomaer und Heming (Hamlac).</li>
-<li>I. 384. Bouterwek. Das Beowulflied. Eine Vorlesung.</li>
-<li>VIII. 489. Holtzmann. Zu Beowulf. (Textkritik.)</li>
-<li>XIII. 129. K&ouml;hler. Germanische Alterth&uuml;mer im
-Beowulf.</li>
-</ul>
-<p class="par"></p>
-<p class="par"><i>Anglia</i> IV, 69. W&uuml;lcker. Bespreking van de
-Beowulfvertalingen.</p>
-<p class="par"><span class="sc">ten Brink.</span> <span lang="de">Geschichte der englischen Litteratur</span>; 1<sup>ste</sup> deel,
-Berlijn, 1877.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">W&uuml;lcker.</span>
-Grundriss zur Geschichte der angels&auml;chsischen Litteratur; Leipzig,
-1885.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Robinson, W. Clarke.</span>
-Introduction to our Early English Literature; Londen, Durham en
-Heidelberg, 1885.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Earle.</span> Anglo-Saxon
-Literature; 1884.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Taylor.</span> <span lang="en">Historic
-Survey of German Poetry</span>; 3 deelen, 1830.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Lonfellow.</span> Anglo-Saxon
-Literature. N. Am. Review, XLVII, n<sup>o</sup> 100; 1838.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Petheram.</span> Historical
-Sketch of Anglo-Saxon Literature in England, 1840.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Wright.</span> Biographia
-Britannica Literaria, Vol<span class="corr" id="xd21e1232" title="Niet in bron">.</span> I, Anglo-Saxon Period, 1842.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Lappenberg.</span> History of
-England under the Anglo-Saxon kings. Translated by B. Thorpe, 2 vols.
-1845.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Kemble.</span> Saxons in
-England, 2 vols. 1849.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Green.</span> The Making of
-England, 1882.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Grimm.</span> Deutsche
-Mythologie.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Simrock.</span> Handbuch der
-Deutschen Mythologie, 1878.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Mone.</span> Untersuchunqen
-zur Geschichte der deutschen Heldensage, 1836.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Grimm.</span> Die Deutsche
-Heldensage, 1867.</p>
-<p lang="de" class="par"><span class="sc">Wagner.</span> Deutsche
-Heldensage, 1881.</p>
-<p lang="en" class="par"><span class="sc">Wagner en Mc Dowall.</span>
-Epics and Romances of the Middle Ages, 1883. <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="intro" class="div1 introduction"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">INLEIDING.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wat is den arme &rsquo;t schoon der lente? Niets!</p>
-<p class="line">Een starrenhemel? Niets! Wat is hem kunst?</p>
-<p class="line">Wat zijn hem tonen, tinten, geuren? Niets!</p>
-<p class="line">Wat is hem <i>Po&euml;zie</i>?</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Zonder zich juist op het standpunt te moeten
-plaatsen van <span class="sc">Multatuli</span>, zal wel menig dichter
-met hem instemmen bij het zien van de practische richting onzer eeuw,
-waarin onder de ontwikkelden slechts weinigen, eenige fijnproevers en
-voor het overige beoordeelaars, wier vak het meebrengt, belang stellen
-in de po&euml;zie, terwijl de groote menigte in de beslommeringen en
-bekommeringen van den strijd om &rsquo;t bestaan doof blijft voor alle
-&laquo;godentaal&raquo; en &laquo;hemelval&raquo;.</p>
-<p class="par">Welk verschil met de eerste eeuwen onzer beschaving, met
-het heldentijdperk onzer Germaansche voorouders, toen de po&euml;zie,
-in en door het volk geschapen, aan een gemeenschappelijk ideaal
-beantwoordde, alle borsten deed zwellen, aller begeestering afdwong en
-zoozeer vergroeid was met het &laquo;profanum vulgus&raquo;, dat de
-dichter, welke thans als eene scherpe, hooger begaafde persoonlijkheid
-optreedt, in de groote massa verloren ging, als een druppel in den
-oceaan.</p>
-<p class="par">Evenals het tot man opgroeiend kind zijne begoochelingen
-<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>aflegt, naarmate het, door weetgierigheid
-geprikkeld, de koude en ernstige werkelijkheid leert kennen, zoo ook
-hebben de beschaafde volken sinds lang de ongekunstelde voorstellingen
-hunner jeugd over boord geworpen; en indien er nog eenige sporen
-voorhanden zijn van de oude, dichterlijke overleveringen, dan zijn ze
-tot den nederigen rang van sprookjes afgedaald, welke nog alleen in de
-kinderwereld onder de strooien daken rond den zetel van het
-goedhartige, kind geworden grootje, te vinden zijn.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Hofdijk</span> zegt te recht van de
-sage:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Toen vlood de onterfde maagd, door twijfels kille
-handen</p>
-<p class="line xd21e1307">Beroofd van kroon en bloemenw&acirc;,</p>
-<p class="line">En vond in &rsquo;t halflicht van de ruwe, leemen
-wanden</p>
-<p class="line xd21e1307">Der schaamle eenvoudigheid gen&acirc;.</p>
-</div>
-<p class="par first">Welnu, keeren wij in deze lang vervlogen tijden,
-in het rijk der sage terug; het is immers zoet voor het hart, zich de
-schoone jeugd weer voor den geest te halen.</p>
-<p class="par">Aan de Oudengelsche letteren is het voorrecht te beurt
-gevallen den <i>Beowulf</i>, het oudste Germaansche epos, te bezitten.
-Alle Germaansche volken hadden wel is waar dichterlijke overleveringen,
-doch deze gaven slechts het ontstaan aan afzonderlijke liederen of
-sagen.</p>
-<p class="par">Op dezen trap bleven de Scandinavi&euml;rs staan,
-terwijl bij de Franken de oude heldensage grootendeels voor de
-po&euml;zie verloren ging. Alleen de Duitschers kunnen met rechtmatigen
-trots op volksheldendichten als <i>de Nibelungen</i> en <i>Gudrun</i>
-wijzen, doch deze zijn van veel lateren oorsprong dan de Beowulf.</p>
-<p class="par">Het is waar, de Beowulf is geen eigenlijk heldendicht in
-de hooge beteekenis, welke men, verwend <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>als men is door het
-Grieksche epos, aan dit woord toekent.</p>
-<p class="par">Er wordt geene gebeurtenis van zulk algemeen nationaal
-belang als de oorlog van Troje geschilderd; zelfs ontbreekt de eenheid,
-welke alleen een letterkundig voortbrengsel tot volmaakt kunstwerk kan
-stempelen; het Angelsaksische epos werd immers in het midden zijner
-ontwikkeling tot staan gebracht door de uitbreiding van het
-Christendom. Doch dit neemt niet weg, dat het een juweel is, en als
-zoodanig onze warme belangstelling verdient.</p>
-<p class="par">Immers het gedicht, dat in de grondtrekken heidensch is
-gebleven, is een der weinige schatten, welke gered zijn uit de
-schipbreuk van de rijke Germaansche volkspo&euml;zie; de taal, de
-epische stijl, de geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden, de
-aanwezigheid der voornaamste heldensagen, de bestanddeelen waaruit het
-tot een geheel is saamgevloeid, dat alles spreekt tot den beschaafden
-lezer en tot den dichter, dat alles biedt de taalwetenschap,
-geschiedenis, letterkunde en tekstcritiek een rijk veld ter ontginning
-aan.</p>
-<p class="par">Wat de laatste wetenschap betreft, zij heeft zich in de
-herstelling van den Beowulftekst een blijvend gedenkteeken
-gesticht.</p>
-<p class="par">De gebrekkige toestand van het handschrift hulde het
-gedicht in een <i>apocalyptisch</i> duister; dank aan de onderzoekingen
-van <span class="sc">Bugge</span>, <span class="sc">Cosyn</span>,
-<span class="sc">Kluge</span> en <span class="sc">Sievers</span> is er
-licht ontsproten uit den baaierd, zoodat wij ons thans in eenen
-leesbaren tekst kunnen verheugen. Om zich hiervan te overtuigen
-vergelijke men de oude vertaling van <span class="sc">Ettm&uuml;ller</span> en zelfs die van <span class="sc">Heyne</span> met die van <span class="sc">Grein</span>, en men zal
-moeten bekennen, dat op dit gebied reuzenstappen zijn gedaan.</p>
-<p class="par">Voor ons, Nederlanders, heeft het gedicht nog
-<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>eene bijzondere reden tot belangstelling: de inval
-der Denen, het eenige geschiedkundig na te wijzen feit, heeft op
-Nederlandschen bodem plaats gehad. Dit is des te meer opmerkelijk, nu
-diezelfde gewesten zich niet onbetuigd hebben gelaten bij de
-totstandkoming van <i>de Nibelungen en Gudrun</i><a class="noteref" id="xd21e1372src" href="#xd21e1372" name="xd21e1372src">1</a>.</p>
-<p class="par">Doch nog om eene andere reden is de Beowulf belangrijk.
-Indien het boven allen twijfel verheven is, dat elk letterkundig werk
-van eenigen omvang de uitdrukking zijn moet van zijnen tijd, wil het op
-den naam van meesterstuk aanspraak maken, dan is dit vooral waar van
-het volksepos, dat natuurlijk uitvloeisel van de ziel der natie, van
-het gemeenschappelijk leven en streven gedurende heel een tijdvak.</p>
-<p class="par">Dit vinden wij bij het Oudengelsche gedicht bewaarheid;
-het is de uitdrukking van het volksideaal en bijgevolg de nagenoeg
-trouwe afbeelding van het karakter, van de zeden en gewoonten der oude
-Germanen.</p>
-<p class="par">De krijgshaftige inborst van het volk, welke wij uit de
-geschiedenis als zijn hoofdkenmerk leerden waardeeren, zijn leven
-verdeeld tusschen oorlog en drinkgelagen, zijn voorliefde en afkeer,
-zijn rechtsbegrippen, de opvoeding van den jongen krijgsman, de
-inrichting van de woningen der grooten, de <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>beschrijving van de gastmalen en
-begrafenisplechtigheden: het treedt hier in kleur en beeld, in levenden
-lijve voor het voetlicht.</p>
-<p class="par">Beter dan de kronieken met hare dorre opsomming van
-feiten stelt het volksepos den geschiedschrijver in staat, om den
-juisten maatstaf te leggen aan de beschaving der eerste middeleeuwen,
-daar wij eenen dieperen blik slaan in de geaardheid van het volk,
-waarvan de gebeurtenissen slechts eene afspiegeling zijn.</p>
-<p class="par">Onderzoeken wij daarom den toestand van de maatschappij,
-die in ons epos te voorschijn treedt, zoo zullen wij ons rekenschap
-kunnen geven van</p>
-<div id="xd21e1410" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">De Beschaving in den Beowulf.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Men kan gerust staande houden, dat de
-oud-engelsche beschaving, zooals zij zich in ons gedicht afteekent,
-eene verrassing, ja eene openbaring mag heeten voor elken onpartijdigen
-lezer, die niet behept is met de Fransche vooroordeelen omtrent
-Germaansche toestanden.</p>
-<p class="par">Deze vooroordeelen dagteekenen reeds van de vroegste
-tijden.</p>
-<p class="par">Met uitzondering van Tacitus, den man gewapend met den
-adelaarsblik van het vernuft, hebben geschiedschrijvers als Gregorius
-van Tours, wiens geest gevormd was in de school der Romeinsche
-beschaving, niet altijd recht laten wedervaren aan de Noordsche
-denkbeelden.</p>
-<p class="par">Welnu uit den Beowulf straalt eene betrekkelijk hooge
-ontwikkeling, waarop wij ons geenszins bij de &laquo;Noordsche
-barbaren&raquo; verwachten, en die gunstig afsteekt bij de bloederige
-tooneelen der <i>Edda</i> en de reusachtige, teugellooze hartstochten
-der <i>Nibelungen</i>. <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22"
-name="pb22">22</a>]</span></p>
-<p class="par">Deze ontwikkeling spreekt zich uit op maatschappelijk,
-stoffelijk, geestelijk en zedelijk gebied.</p>
-<p class="par">Op <i>maatschappelijk</i> gebied zijn de toestanden,
-zooals Tacitus die beschreven heeft, in hoofdzaak ongewijzigd gebleven.
-Nog altoos treedt het volksleger op, dat op de bloedverwantschap is
-gevestigd, zoodat ieder gezond, vrij man dienstplichtig is; zelfs
-ontmoeten wij nog de dienstgevolgschappen, <i lang="la">comitatus</i>
-van Tacitus; doch het gezag des konings heeft zich uitgebreid, en zijne
-waardigheid is erfelijk geworden.</p>
-<p class="par">De koning blinkt uit door edele geboorte en door
-persoonlijken moed; hij voert het leger ten strijde.</p>
-<p class="par">Van Hrodgar heet het:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,</p>
-<p class="line">Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. (Vert.
-<a href="#v1055">1055&ndash;56</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">Het gevolgschap was eene vrijwillige vereeniging
-van strijdlustige mannen, waaronder ook bloedverwanten, onder het gezag
-van eenen vorst, wien zij onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaamheid
-beloofden.</p>
-<p class="par">Het bestond uit beproefde krijgers (<i lang="ang">dugudh</i>) en aankomende jongelingen (<i lang="ang">geogodh</i>).</p>
-<p class="par">Bij voorkeur schaarden zij zich onder de banier van een
-dapper krijgshoofd.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,</p>
-<p class="line">De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen</p>
-<p class="line">Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,</p>
-<p class="line">De breede jonglingschaar. (<a href="#v65">65&ndash;68</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">Deze afhankelijkheid was geene schande, immers de
-zonen der aanzienlijkste geslachten gingen er toe over: Beowulf had in
-zijne jeugd Hredel gediend <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>en op zijne beurt stelt hij aan
-Hrodgars zoon de gelegenheid open, om zich bij Hygelac aan te
-sluiten.</p>
-<p class="par">De dienstgevolgschappen doen zich in het gedicht voor
-als een bond van blijvenden, ten minste niet van voorloopigen aard,
-evenals bij Tacitus; ofschoon niets belet, dat de verplichting met
-toestemming des vorsten voor een tijd lang kan opgeheven worden. Zoo
-zien we, dat Beowulf met Hygelacs oorlof de Denen ter hulp snelt, om
-daarna weer tot zijnen vroegeren heer terug te keeren:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Eerbiedig aan te
-bi&ecirc;n.</span> Geheel mijn hulde</p>
-<p class="line">Zij wendt zich weder uwaart. (<a href="#v2206">2206</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">De dienstman ontving van den vorst: 1<sup>o</sup>
-huisvesting en voedsel:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">(Wij zijn) Hygelacs genooten aan de haardstee.
-(<a href="#v263">263</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">2<sup>o</sup> zijne wapens; Wiglaf zegt:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen</p>
-<p class="line">En in de hal aan onzen heer beloofden,</p>
-<p class="line">Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings</p>
-<p class="line">Vergelden zouden enz. (<a href="#v2715">2715&ndash;18</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">3<sup>o</sup> allerhande geschenken,
-kleinoodi&euml;n, paarden en vooral spiraalvormige ringen, die tot munt
-dienden, zoodat men er een stuk van kon afbreken; 4<sup>o</sup>
-daarenboven een aandeel in den krijgsbuit:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Niet lag aan &rsquo;t lot wie rooven zou den rijkdom.
-(<a href="#v3239">3239</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">en 5<sup>o</sup> ook landerijen. Beowulf zegt van
-Hygelac:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hij gaf me land en goed, &rsquo;t genot des erfgronds.
-(<a href="#v2565">2565</a>.)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name="pb24">24</a>]</span></p>
-<p class="par">Wiglaf herinnert zich Beowulfs mildheid:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hij was alsdan het eigendom gedachtig,</p>
-<p class="line">Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,</p>
-<p class="line">De weeldevolle woning der Waegmundings,</p>
-<p class="line">Elk volksbezit, gelijk bezat zijn vader. (<a href="#v2685">2685&ndash;88</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">Wij zien insgelijks, dat Hygelac met landerijen
-Wulf en Eotor beschenkt en zelfs den laatste met de hand zijner
-dochter. Uit de aangehaalde woorden van Wiglaf blijkt, alsmede uit
-andere plaatsen, dat de koning een stuk van het aan de gezamenlijkheid,
-aan den stam behoorend eigendom aan enkelen toewees.</p>
-<p class="par">De latere Engelsche koningen pasten die handelwijze in
-het breede toe, en zoo ontstond mettertijd de dienst- en bezitsadel,
-welke den oorspronkelijken geboorteadel over het hoofd wies. In den
-Beowulf zijn dus de kiemen van het <i>leenstelsel</i> reeds
-aanwezig.</p>
-<p class="par">Uit het gevolgschap koos de vorst soms eenige dapperen
-uit voor eene moeilijke onderneming; dit zien wij bij gelegenheid van
-Beowulfs tocht naar Denemarken en later bij zijnen kamp met den
-draak.</p>
-<p class="par">In tijd van vrede maakten de mannen van het gevolgschap
-den hofstoet des konings uit.</p>
-<p class="par">Zij bekleedden de hoogste waardigheden, als daar zijn:
-raadsheer (Aeschere); schenker (<a href="#v501">501</a>, <a href="#v2088">2088</a>); zanger (Unferd); ceremoniemeester (Wulfgar);
-hofmeester (<a href="#v1835">1835</a>).</p>
-<p class="par">Men wane niet, dat wij met eene maatschappij te doen
-hebben, welke een bekrompen en armoedig bestaan leidde, zooals die bij
-Tacitus. Verre van daar.</p>
-<p class="par">Onder <i>stoffelijk</i> oogpunt heerscht er aan de
-vorstenhoven zoo niet weelde, dan ten minste welvaart.</p>
-<p class="par">Het verblijf der Deensche koningen bestaat uit de
-burcht, welke nogal aanzienlijk moet geweest zijn, <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span>en uit
-<i>Heorot</i>, de troonzaal, die zich in de nabijheid verheft; het
-geheel is omgeven met een ruim plein, <i>het mede&euml;rf</i> v.
-<a href="#v1674">1674</a>, waar zich ongetwijfeld andere bijgebouwen
-bevonden.</p>
-<p class="par">Het gedicht vermeit zich in de beschrijving van Heorots
-pracht,</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.</p>
-<p class="line">Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld</p>
-<p class="line">Bij &rsquo;t menschdom, waar de machtige verwijlde.</p>
-<p class="line">De vuurglans lichtte over vele landen. (<a href="#v310">310&ndash;13</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">Het gebouw was van binnen met ijzeren bouten
-versterkt; kostbare kleeden met geborduurde tafereelen bedekten de
-wanden; goudversieringen blonken allerwegen, en een veelkleurig
-geplaveide weg, breed genoeg om een troep ruiters te laten draven,
-voerde er heen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De baan was bont bevloerd. (<a href="#v321">321</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">De schepen zijn met een zeil en met kunstig
-gesmukten steven voorzien. Bij de onbekrompen feestmalen, waar een
-beker de ronde doet, wordt niet alleen bier en honigdrank, maar ook
-wijn geschonken. De beschrijving van den drakeschat met zijn
-schemerenden standaard en kostbaar vaatwerk, die van de sieraden, welke
-de koning ten geschenke geeft, bewijst ten volle, dat de kunst van het
-goudsmeden, die alleen bestaanbaar is met eene zekere welvaart, eene
-aanzienlijke hoogte had bereikt.</p>
-<p class="par">Wat het meeste pleit voor den stoffelijken vooruitgang
-en de zucht tot weelde en prachtvertoon is de kleederdracht of beter de
-uitrusting.</p>
-<p class="par">Mannen zoowel als vrouwen dragen versierselen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De man (zal) geen tooisel dragen tot gedachtnis,</p>
-<p class="line">Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben. (<a href="#v3123">3123&ndash;24</a>.)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span></p>
-<p class="par">Het harnas is een meesterwerk van smeedkunst, de helm
-draagt een gulden everbeeld. Beide zijn dikwijls uit kostbaar metaal
-vervaardigd, zoo Beowulfs helm:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven. (<a href="#v1478">1478</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hoe rijk de verschillende wapens ook zijn, het
-zwaard met deugdelijk ijzeren lemmer en sierlijk bewerkt gevest
-overtreft ze alle; enkel aan het schild wordt minder pracht ten koste
-gelegd; het is gewoonlijk van lindenhout en slechts bij uitzondering
-van staal en wel dan, als het voor Beowulf zake is zich voor het vuur
-des draaks te beschutten.</p>
-<p class="par">Paarden staan de edellieden ten dienste; dikwerf is
-zadel en tuig met goud belegd; wandelritjes worden tot uitspanning
-ondernomen, en alsdan hebben zelfs wedrennen plaats, welke als de
-voorloopers kunnen beschouwd worden van het zoo geliefkoosde
-tijdverdrijf der Engelschen.</p>
-<p class="par">Stappen wij over tot de <i>verstandelijke</i>
-ontwikkeling.</p>
-<p class="par">De helden koesteren den grootsten eerbied voor de rijpe
-ervaring, voor de meerderheid van den geest; dit mag als een grondtrek
-van het epos aanzien worden.</p>
-<p class="par">Hrodgar is de &laquo;wijze heerscher&raquo; (<a href="#v1428">1428</a>) &laquo;door jaren wijs&raquo; (<a href="#v1758">1758</a>) &laquo;bekend door kundigheden.&raquo; (<a href="#v930">930</a><span class="corr" id="xd21e1668" title="Niet in bron">)</span></p>
-<p class="par">De raadsheeren staan in hoog aanzien, hunne uitspraak
-wordt op prijs gesteld. In de <i>Finn-episode</i> treden zij als
-scheidsrechters op.</p>
-<p class="par">Hygelac keurde Beowulfs tocht naar Denemarken af, toch
-zet deze zijn plan door, want de raadslieden stijven hem in zijn
-voornemen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Bij lang niet laakten wijze li&ecirc;n die reize.
-(<a href="#v208">208</a>)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span></p>
-<p class="par">Degene, die door den koning het meest gewaardeerd wordt,
-is Aeschere, des konings</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">alvertrouwde en raad verstrekker tevens. (<a href="#v1349">1349</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Bij de oprichting van Beowulfs grafheuvel worden
-deskundigen in den arm genomen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zij wierpen eenen wal er om, zoo deugdelijk</p>
-<p class="line">Als &rsquo;t hoogst ervaren mannen konden vinden.
-(<a href="#v2276">2276</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Niet alleen bij de ouderlingen, maar ook bij de
-jongeren werd wijze bezadigdheid op prijs gesteld. Hrodgar vat Beowulfs
-aanspraken op vermaardheid in twee woorden samen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Gestadig waakt gij op dit alles, sterkte</p>
-<p class="line">En wijsheid van gemoed. (<a href="#v1738">1738</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Is het dus te verwonderen dat de welsprekendheid
-zoo hoog aangeschreven stond bij deze ernstige mannen?</p>
-<p class="par">Eene wijze rede wordt op &eacute;&eacute;ne lijn gesteld
-met het kostbare goud: Beowulf &laquo;opent de schatten des
-woords&raquo; (<a href="#v261">261</a>) en verzoekt om met Hrodgar
-&laquo;den woordenschat te mogen wisselen.&raquo; (<a href="#v367">367</a>)</p>
-<p class="par">Voor deze &laquo;barbaren&raquo; bestond het ideaal van
-den held niet alleen in lichaamskracht, maar ook in de evenredige
-ontwikkeling van hart en geest!</p>
-<p class="par">Op meer dan eene plaats wordt dit uitgesproken.</p>
-<p class="par">De kustwachter zegt:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">De dappre dienstman:</span> Ja,
-een scherpe schildman</p>
-<p class="line">Van beide weet bescheid, van woord en werken.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p>
-<p class="par">Hrodgar reikt aan Beowulf het volgende getuigschrift
-uit:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">U in &rsquo;t gemoed.</span>
-Van geenen man nog hoorde</p>
-<p class="line">Ik op die jonge jaren rijper rede.</p>
-<p class="line">Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,</p>
-<p class="line">Aan woorden wijs. (<a href="#v1884">1884&ndash;87</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Welke diepe kloof ligt er niet tusschen dezen held
-en de ridders van het leenwezen, die ijzervreters, wier bekrompen
-verwaandheid de domme kracht alleen huldigde, zoodat de dichter van
-<i>Reinaert</i>, ons Nederlandsch volksepos, ze in Bruin den beer aan
-de kaak heeft gesteld tot lachwekkend schouwspel voor alle eeuwen!</p>
-<p class="par">Al de redevoeringen munten uit door eenen ernstigen,
-kalmen, waardigen toon, welken de Engelsche letterkunde niet meer heeft
-afgelegd.</p>
-<p class="par">Niet minder dan de welsprekendheid staat de dichtgave
-hoog aangeschreven, de kunst om (<a href="#v882">882</a>) &laquo;naar
-eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden&raquo; d. i. stafrijmen te
-vinden.</p>
-<p class="par">Wij gelooven niet, dat Hrodgar er eenen hofnar op zou
-nagehouden hebben, doch hij bezat iets beters, den hofdichter, den
-<i>thyle</i>d of spreker, die niet alleen aangesteld was om de daden
-der beroemde helden te bezingen, maar ook om het gezellige onderhoud
-gaande te houden.</p>
-<p class="par">Dit ambt vervult Unferd. Hij behoort tot het gevolg des
-konings en is, wat edele geboorte en dapperheid betreft, de evenknie
-van den besten onder zijne wapenmakkers. Zelfs kunnen wij zeggen, dat
-hij boven al de overigen gewaardeerd wordt, want zijne plaats is aan de
-voeten des konings, d. i. op de derde eereplaats na Hrodgar en Beowulf.
-<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span></p>
-<p class="par">Evenals het ambt van hofdichter zoo stond ook de
-dichtkunst zelve in hooge eer. Zij speelt eene rol in al de
-omstandigheden des levens, in lief en leed, bij feestmalen en
-begrafenis.</p>
-<p class="par">In dit opzicht heeft het Oudengelsch gedicht eenige
-overeenkomst met dat der Finnen, de <i>Kalewala</i>, bij welke de macht
-der po&euml;zie schering en inslag is van het volksepos.</p>
-<p class="par">Halen wij eenige voorbeelden aan tot staving van het
-gezegde.</p>
-<p class="par">Hildeburg treurt bij den brandstapel van de in den
-strijd gesneuvelde dierbaren:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder</p>
-<p class="line">In klaaggezang. (<a href="#v1130">1130</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hredel heeft zijnen oudsten zoon op noodlottige
-wijze verloren en vindt nog alleen vertroosting in de po&euml;zie:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hij gaat naar &rsquo;t rustvertrek en zingt een
-rouwlied. (<a href="#v2530">2530</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich
-boven Beowulfs brandmijt:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Het beendrenstel.</span> Zij
-klaagden lustverstoken</p>
-<p class="line">Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.</p>
-<p class="line">Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken</p>
-<p class="line">Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,</p>
-<p class="line">Door zorgen aangezet enz. (<a href="#v3262">3262&ndash;66</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden
-de zonen van de twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zij wilden weder klagen, weer gewagen</p>
-<p class="line">Van hunnen koning, weder spreuken konden</p>
-<p class="line">En nopens hem verhalen al het goede. (<a href="#v3286">3286&ndash;88</a>)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p>
-<p class="par">Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den
-dag tot laat in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid,
-scherts en lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met
-begeleiding van de harp.</p>
-<p class="par">Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal
-voordragen, zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar
-de Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht.</p>
-<p class="par">Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt
-van de gezellige bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat
-de Germanen, zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen,
-desniettegenstaande bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het
-dichterlijk gevoel.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding</p>
-<p class="line">Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend.</p>
-<p class="line">Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,</p>
-<p class="line">De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.</p>
-<p class="line">Te met ontspon hij sproken waar en weevol,</p>
-<p class="line">Ofwel de grootgezinde koning zette</p>
-<p class="line">Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid.</p>
-<p class="line">Dan weer begon de grijze wapenvoerder,</p>
-<p class="line">Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht</p>
-<p class="line">Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste &rsquo;t
-binnenst,</p>
-<p class="line">Wanneer, door winters oud, hij &rsquo;t aantal nadacht.
-(<a href="#v2160">2160&ndash;70</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke
-voordracht alles behalve gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo
-geliefkoosde tijdverdrijf niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap
-van het meer terugkeert, waar zij het spoor van den gewonden Grendel
-gevolgd hebben, en de paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage
-van Sigmund op, terwijl hij <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>zelfs, en dit is merkwaardig genoeg,
-Beowulfs wapenfeit, dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de
-vuist bezingt en met dien held der dichterlijke overlevering in verband
-brengt. Ziedaar een sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die
-haren oorsprong neemt uit een werkelijk feit en dit met eenen
-mythischen held samenvlecht.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der
-Oudengelsche wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den
-veldslag tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en
-Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (<a href="#v3025">3025</a> vlg.)</p>
-<p class="par">Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht,
-dat getuigt van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid.</p>
-<p class="par">Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte
-stelling, drijft Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den
-volgenden morgen daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en
-werpt hem terug in zijne verschansing.</p>
-<p class="par">Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen;
-doch nog meer: De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op
-de vlucht, doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit
-zich toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te
-gewaagd zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand
-in den rug heeft aangetast.</p>
-<p class="par">Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat
-het helderste licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde
-barbaren.</p>
-<p class="par">Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja
-zekere voorgeschreven plichtplegingen, <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name="pb32">32</a>]</span>welke aan het hof van
-Hrodgar den toon geven.</p>
-<p class="par">De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene
-eigenschap van den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene
-eer, door hun gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de
-kennis der hofgebruiken.</p>
-<p class="par">Het zijn allen in meer dan een opzicht echte
-&laquo;gentlemen,&raquo; al is het woord dan ook van latere Engelsche
-vinding.</p>
-<p class="par">Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering
-drukken hunnen stempel op het dagelijksch verkeer.</p>
-<p class="par">Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de
-Deensche kust, aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne
-afkomst en bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten? (<a href="#v241">241</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Vooral trekt de aanvoerder zijne aandacht; want
-zijn edel uiterlijk heeft niets gemeen met dat van eenen dorper:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger</p>
-<p class="line">Dan uwer een, dien ridder in de rusting.</p>
-<p class="line">Voorwaar geen huisman is &rsquo;t, gedost in &rsquo;t
-wapen,</p>
-<p class="line">Tenzij &rsquo;t gelaat, die leest, die eenge, liege.
-(<a href="#v251">251&ndash;54</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Met welke voorkomendheid bejegent hij niet de
-vreemdelingen, nadat zij het doel hunner reis hebben blootgelegd! Hij
-doet hun een eind weegs uitgeleide en belooft een wakend oog te houden
-op hun schip.</p>
-<p class="par">Aan het hof gekomen moeten de bezoekers eerst om gehoor
-vragen, alvorens bij den koning toegelaten te worden. <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p>
-<p class="par">Wulfgar komt hun te gemoet en doet de gebruikelijke
-vragen, want hij is Hrodgars bode of liever ceremoniemeester, volgens
-onze hedendaagsche begrippen.</p>
-<p class="par">Daarna treedt hij weder binnen, om hen in gepaste,
-eerbiedige taal aan te dienen; hij plaatst zich niet recht voor den
-koning, maar ter zijde, aan zijnen schouder, want:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hij kende de handelwijs van &rsquo;t hof. (<a href="#v360">360</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hrodgar beveelt alsdan Wulfgar, hem de hooge
-vreemdelingen voor te stellen. Deze spoedt zich weer naar buiten en
-deelt Beowulf mede, dat zijn verzoek om pleeggehoor is ingewilligd. De
-wellevendheid vordert nochtans, dat zij hunne schilden en lansen buiten
-laten staan. Onder den blinkenden helm en in het klinkende harnas stapt
-Beowulf met zijne mannen achter Wulfgar de zaal binnen en nadat hij
-staande den koning begroet en dezes antwoord ontvangen heeft, wordt hem
-eene eereplaats aangewezen.</p>
-<p class="par">Het gebruik eischte, dat elke gast de zitplaats innam,
-die met zijnen rang overeenkwam.</p>
-<p class="par">Daarom verwaarloost Beowulf niet, als hij later bij
-Hygelac is teruggekeerd en deze hem &laquo;op heusche wijs&raquo;
-ondervraagt, op deze voor hem belangrijke omstandigheid te wijzen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen</p>
-<p class="line">Mij naast zijn zoon een zetel, bij &rsquo;t
-vernemen</p>
-<p class="line">Van mijn ontwerp. (<a href="#v2062">2062&ndash;64</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Niet te vergeten is ook de eerbied, waarmede het
-gevolg den koning toespreekt. Weidsche benamingen als &laquo;de hooge
-heerscher, de wijdvermaarde vorst, de schuts der Schyldings&raquo; enz.
-worden hem <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>toegezwaaid; nochtans hebben zij niets
-vernederends, niets kruipends, niets wat naar de vleierij van
-hovelingen zweemt.</p>
-<p class="par">Kenteekenend is hier vooral de toespraak van de koningin
-Wealchtheow tot haren heer en gemaal:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,</p>
-<p class="line">O goudbegever. Wees nu wel te moede,</p>
-<p class="line">O schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten</p>
-<p class="line">Met milden mond. (<a href="#v1189">1189&ndash;92</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Deze taal is verre van vertrouwelijk en
-gemeenzaam, doch zoo vorderde het de voorname toon van het hof.</p>
-<p class="par">Immers wordt niet van haar gezegd:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">De woorden waren lief.</span>
-Dan Wealchtheow naakte,</p>
-<p class="line">Zij Hrodgars gade, &rsquo;t <i>hofgebruik
-indachtig</i>.</p>
-<p class="line">Zij groette, goudgekleed, de hallegasten.</p>
-<p class="line">Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer,</p>
-<p class="line">De hooggeboren vrouwe, toe den beker. (<a href="#v624">624&ndash;28</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Daarom wordt ook van Hygd, Hygelacs gade, gezegd,
-dat zij vriendelijk en mild was voor de krijgers, doch <i>niet
-gemeenzaam</i>. (<a href="#v1979">1979</a>)</p>
-<p class="par">Bij het feestmaal, aan de overwinnaars geschonken, wordt
-uitdrukkelijk vermeld, dat de gasten zich aan tafel als welopgevoede,
-welgemanierde edellieden gedroegen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan
-strijders,</p>
-<p class="line">Zich beter hield in &rsquo;t bijzijn van den schatheer.
-(<a href="#v1025">1025&ndash;26</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zij dronken met waardigheid:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd</p>
-<p class="line">Hun hart ophaalden, menig medebeker</p>
-<p class="line">Met waardigheid ontvingen. (<a href="#v1028">1028&ndash;30</a>)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span></p>
-<p class="par">Deze innemende gezelschapstoon treedt zelfs in fijne
-schakeeringen te voorschijn.</p>
-<p class="par">Zoo hoopt Beowulf, na de inbraak van Grendels moeder,
-dat Hrodgar goed geslapen heeft, ofschoon hij van het tegendeel
-overtuigd is; doch dit vergde de wellevendheid.</p>
-<p class="par">Zoo bedankt hij Unferd voor het hem geleende zwaard, dat
-hem niet dienstig is geweest; doch hij wacht zich wel van zulk
-ongunstig oordeel er over uit te spreken, maar prijst het
-integendeel:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hij schatte dit geschikt een kampvriend</p>
-<p class="line">En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t staal met woorden. (<a href="#v1851">1851&ndash;53</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zal niet ieder lezer moeten bekennen, dat eene
-maatschappij, welke zoozeer aan plichtplegingen, aan heuschheid in al
-haar doen en laten gehecht is, onder het oogpunt van de beschaving des
-geestes eene zekere hoogte moet bereikt hebben, en voorzeker niet op
-eene lijn dient gesteld te worden met de overige Germaansche
-volken?</p>
-<p class="par">Men zou kunnen opwerpen, dat deze uiterlijke vormen nog
-geen bewijs zijn van de ware, van de innerlijke beschaving, die van het
-gemoed; dat zij niets meer zijn dan een schoone tint, een vernis,
-waaronder de aangeboren woestheid van den Germaanschen natuurmensch
-zich verbergt. Daarom zal het noodig zijn ons eene voorstelling te
-maken van de <i>zedelijke ontwikkeling</i> der helden, van de
-drijfveeren, die hen deden handelen.</p>
-<p class="par">Wij zagen reeds, dat het dienstgevolgschap nog altoos
-bloeit, eene instelling, welke op trouw en aanhankelijkheid en niet,
-zooals het latere leenstelsel, op louter zelfzucht berust, en derhalve
-alleen mogelijk <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>is bij eene maatschappij, welke een hoog zedelijk
-peil heeft bereikt.</p>
-<p class="par">Hrodgar is niet alleen de beschermer, maar ook de vriend
-der Schyldings. Hij is het hoofd van het groote gezin. Eene vaderlijke
-bezorgdheid koestert hij voor zijne mannen en dit is de reden, waarom
-hij zich door het geheele epos zoo weekhartig voordoet; zoodat hij veel
-heeft van eenen door leed en jaren suf geworden huilebalk.</p>
-<p class="par">Grendel heeft twaalf jaren lang eene schromelijke
-slachting onder de Denen aangericht, en gedurende al dien tijd</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Op deze wijze</span> broeide
-hij voortdurend,</p>
-<p class="line">De zoon van Healfdeen, zorgen voor het heden; (<a href="#v192">192&ndash;93</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">want hij</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">De hal met wapenvocht.
-Ik</span> had der trouwen,</p>
-<p class="line">Der dierbre mannenschaar weer des te minder. (<a href="#v492">492&ndash;93</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Het sneven van Grendel schenkt hem slechts eene
-kortstondige verademing, daar Grendels moeder Aeschere &laquo;des
-konings meest beminden kamper&raquo; doodt. Deze tweede slag
-verplettert hem gansch:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Naar welstand vraag me niet. De nood is weder</p>
-<p class="line">Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aeschere,</p>
-<p class="line">Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder. (<a href="#v1346">1346&ndash;48</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Groot is dan ook zijne dankbaarheid jegens zijnen
-redder en hij weet er niets beters op te vinden, dan hem tot zoon aan
-te nemen. Als eindelijk het uur der scheiding geslagen is, neemt hij
-onder tranen van hem afscheid, want een voorgevoel zegt hem, dat hij
-hem nimmer zal weerzien:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">En ras teruggekeeren.</span>
-Hierop kuste</p>
-<p class="line">De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
-<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span></p>
-<p class="line">Der helden besten, zijnen hals omvattend.</p>
-<p class="line">Den zilvergrijze zegen neer de tranen. (<a href="#v1914">1914&ndash;17</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Geene mindere genegenheid voor zijne mannen legt
-Beowulf aan den dag.</p>
-<p class="par">Hij alleen waakt in Heorot, terwijl zijne onversaagde
-makkers zich aan den slaap overleveren, vol vertrouwen als ze zijn op
-zijne machtige hoede, al zijn ze er dan ook zeker van, dat voor hen
-geen tweede morgen zal dagen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Zich naast hem neder.</span>
-Niemand hunner hoopte</p>
-<p class="line">Van hier nog &rsquo;t dierbaar heim en &rsquo;t volk te
-groeten,</p>
-<p class="line">Of &rsquo;t burgslot, waar zij waren opgewassen.
-(<a href="#v705">705&ndash;7</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Op het punt van in &rsquo;t grondelooze meer te
-springen drukt hij Hrodgar wel op het hart, om in zijne plaats de
-tochtgenooten tot vader te strekken, mocht hij er het leven bij
-inschieten:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Indien ik eens in uwen dienst het leven</p>
-<p class="line">Verlaat, dat gij voor mij, den overledene,</p>
-<p class="line">Voortaan vervullen zult de plaats van vader.</p>
-<p class="line">O, Wees de wachter van de wapenlieden,</p>
-<p class="line">Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt. (<a href="#v1505">1505&ndash;9</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Alvorens te sterven geeft hij aan Wiglaf zijne
-eigen wapenrusting tot aandenken, als het kostbaarste pand, dat hij hem
-kon overlaten.</p>
-<p class="par">Niet alleen is de koning een vriend en vader voor zijne
-mannen, maar ook een weldoener. Wij zagen reeds, op welke wijze hij den
-wapendienst vergeldt.</p>
-<p class="par">Vrijgevigheid is een der hoofddeugden van den
-Germaanschen vorst, terwijl de gierigheid naast den overmoed als
-oorzaak van zijnen ondergang wordt aangemerkt; dit wordt bij Heremod
-bewaarheid. <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span></p>
-<p class="par">En geen wonder, want door mildheid kon hij zich alleen
-eene uitgelezen schaar aanwerven; rijkdom was voor hem een
-onontbeerlijke hefboom van het gezag.</p>
-<p class="par">Hij heet dan ook de goudvriend, de schatheer, de gever
-van het goud; de troonzaal is de giftstoel, de goudzaal.</p>
-<p class="par">De gevolgsman draagt er niet weinig roem op, eenen
-milden heer te dienen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Dan kan aan &rsquo;t goud der Gooten vorst
-erkennen,</p>
-<p class="line">De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,</p>
-<p class="line">Dat ik een meer dan milden goudbegever</p>
-<p class="line">Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. (<a href="#v1512">1512&ndash;15</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Het geschenk moet den gever en den begiftigde
-waardig zijn, zoodat niemand er iets op af te dingen heeft:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen</p>
-<p class="line">Het kampgeraas de wijdberoemde koning,</p>
-<p class="line">De schatheer van den stam; gelijk geen stervling,</p>
-<p class="line">Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen.
-(<a href="#v1060">1060&ndash;63</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hetzelfde oordeel wordt uitgesproken over de aan
-Wulf en Eofor toegekende belooning. (<a href="#v3101">3101</a>)</p>
-<p class="par">Hrodgars geschenken dragen integendeel de goedkeuring
-weg van Beowulfs mannen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Verwachtte zijn
-bezitter.</span> Onderwege</p>
-<p class="line">Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. (<a href="#v1930">1930</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De drie hoedanigheden, welke Beowulf tot toonbeeld
-maken van den Oudengelschen heerscher, zijn vervat in de
-slotverzen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,</p>
-<p class="line">Der mannen mildste, &rsquo;t minzaamst voor de
-menschen,</p>
-<p class="line">Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span></p>
-<p class="par">Gaan wij nu de verhouding na van den gevolgsman tot
-zijnen gevolgsheer.</p>
-<p class="par">Hier treedt de onverbreekbare trouw overal op den
-voorgrond.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Is waar, de latere Romaansche volksdichten,
-alsmede het Nibelungenlied, steken luide de loftrompet over de trouw
-van den leenman tot zijnen leenheer; doch de Beowulf is hen voor
-geweest in de verheerlijking dezer ridderlijke eigenschap, welke uit
-het volle Germaansche gemoed is gegrepen.</p>
-<p class="par">De wederzijdsche verknochtheid van heer en dienstman
-wordt volgenderwijze uitgesproken:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Aan Hygelac, den weerbren in &rsquo;t geworstel,</p>
-<p class="line">Aan dezen was de neef geheel genegen.</p>
-<p class="line">Elk hunner was des andren heil gedachtig. (<a href="#v2226">2226&ndash;28</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Deze verkleefdheid toont de gevolgsman eerst en
-vooral op het slagveld:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,</p>
-<p class="line">Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t lichtend lemmer, naar het mij verleend
-was. (<a href="#v2562">2562&ndash;64</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Wiglaf drukt in zijne gloeiende rede hetzelfde
-uit. (<a href="#v2715">2715</a> vlg.).</p>
-<p class="par">Deze gehechtheid aan den vorst is niet het uitvloeisel
-van de hebzucht, van het verlangen naar eene rijke belooning, maar van
-een hooger beginsel, het <i>plichtgevoel</i>; al is het dan ook waar,
-dat een geschenk steeds welkom is.</p>
-<p class="par">Hiervoor pleit Beowulfs gedrag, die de hem door Hrodgar
-geschonken kostbaarheden aan Hygelac en dezes gade afstaat, ja zelfs
-het onwaardeerbare halssieraad, het <span class="corr" id="xd21e2232"
-title="Bron: eenigste">eenige</span> in zijne soort. <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span></p>
-<p class="par">Hrodgar roept Beowulfs hulp in, door hem te bezweren bij
-het leven van Hygelac:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Mij bad de koning leedvol bij uw leven,</p>
-<p class="line">Dat &rsquo;k waagde een ridderwerk in &rsquo;t
-golfgewentel. (<a href="#v2188">2188&ndash;89</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De verknochtheid aan den koning der Denen, waarvan
-de held blijk geeft, (hij belooft hem zelfs uit zijn land te hulp te
-komen, zoo het noodig is), weegt niet op tegen die aan Hygelac. Daarom
-verzoekt hij den vorst, alvorens het gevecht aan te gaan met Grendel,
-zijne wapenrusting aan Hygelac te zenden, zoo hij er het leven
-laat.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegrukt,</p>
-<p class="line">Naar Hygelac het puike pantser henen,</p>
-<p class="line">Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed.
-(<a href="#v455">455&ndash;57</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">V&oacute;&oacute;r den kamp op den bodem van het
-meer boezemen dezelfde gevoelens hem de woorden in:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,</p>
-<p class="line">De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. (<a href="#v1510">1510&ndash;11</a>.)</p>
-</div>
-<p class="par first">Dezelfde trouw, welke Beowulf voor zijnen heer aan
-den dag legt, wordt hem op zijne beurt door zijne eigen krijgers
-bewezen.</p>
-<p class="par">Denken wij aan het tooneel op den oever van het
-Nikkermeer, waar de Gooten Beowulfs terugkomst reikhalzend te gemoet
-zien. Een bloedstraal schiet te voorschijn. Het wachten moede
-aanvaarden de radelooze Denen den terugtocht; de anderen nochtans
-blijven ter plaatse met den dood in het hart. <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De vreemden zaten droef van zin en tuurden</p>
-<p class="line">Naar &rsquo;t water heen. Zij wisten noch zij
-waanden</p>
-<p class="line">Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher.
-(<a href="#v1635">1635&ndash;37</a>).</p>
-</div>
-<p class="par first">Er is nog een ander held, die zijnen meester in
-den drakekamp trouw ter zijde staat. Het is de jonge Wiglaf, van wien
-de dichter zegt:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen. (<a href="#v2797">2797</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is
-uitgetrokken, ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde
-krijgers, op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het
-plichtgevoel gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu
-het ook zijn bloedverwant is:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap</p>
-<p class="line">Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (<a href="#v2679">2679&ndash;80</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te
-kort te schieten:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">God weet van mij; mij ware &rsquo;t wenschelijker,</p>
-<p class="line">Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler</p>
-<p class="line">Het vuur omving. (<a href="#v2732">2732&ndash;34</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid
-zijner heldenziel heeft neergelegd, is eene der schoonste bladzijden
-van het gedicht.</p>
-<p class="par">Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat
-van denzelfden jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter
-diens schild den vuurspuwenden draak te lijf gaat.</p>
-<p class="par">Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van
-Wiglaf, de vruchtelooze pogingen, die hij in <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span>het werk
-stelt om zijnen heer, aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het
-leven terug te roepen; het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog
-op Beowulfs jongste beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch
-vooral zijne bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en
-zwijgend komen aangedropen.</p>
-<p class="par">Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan
-zijnen heer in den steek te laten.</p>
-<p class="par">Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende
-redevoering. Vreeselijk is de straf, welke de eerloozen zal treffen;
-men zal met hen handelen als onlangs in Frankrijk geschied is met
-Dreyfus, den verrader: zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood
-verklaard, zij met hunne bloedverwanten.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,</p>
-<p class="line">Het heele haardgenot en heil, &rsquo;t zal alles</p>
-<p class="line">Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,</p>
-<p class="line">Verstoken van het landbezit der stammen,</p>
-<p class="line">Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders</p>
-<p class="line">Vernemen uwe vlucht vanuit de verte,</p>
-<p class="line">Uw roemberoofde daad. De dood is beter</p>
-<p class="line">Voor ieder edelling dan &rsquo;t smaadvol leven!
-(<a href="#v2986">2986&ndash;93</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal
-gewaagd van wrevel, zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de
-duistere episode van Heremod<span class="corr" id="xd21e2349" title="Niet in bron">,</span> doch men houde wel in &rsquo;t oog, dat wij
-hier met eenen dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was
-met zijne plichten als gevolgsheer onder den voet te halen.</p>
-<p class="par">Even onberispelijk als de verhouding tusschen
-gevolgsheer en gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het
-zijn wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord. <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span></p>
-<p class="par">Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca
-niet moederziel alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij
-gedurende 7 dagen in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit
-elkander slaat.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">In &rsquo;t minste niet vermocht, ter zee
-gezwinder,</p>
-<p class="line">Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,</p>
-<p class="line">Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (<a href="#v552">552&ndash;54</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder
-de Denen.</p>
-<p class="par">Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de
-Deensche krijgslieden voor te stellen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Verzoek hen in te gaan en al te gader</p>
-<p class="line">Het broederbond te schouwen van de schare. (<a href="#v386">386&ndash;87</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf
-hare zonen met zijne raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde
-eensgezindheid blijve heerschen.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Elk krijger hier is heel verknocht den andren</p>
-<p class="line">En mild van zin. (<a href="#v1248">1248</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook
-tusschen de Denen en hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn
-op de heldendaden van de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs
-nemen zij er geenen aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische
-vrijmoedigheid hun ronduit durft verklaren:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de
-strijdzucht,</p>
-<p class="line">Den onbesuisden lansstorm uwer lieden</p>
-<p class="line">Niet zeer te duchten heeft. (<a href="#v607">607&ndash;9</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Dat pleit niet weinig voor de welwillende
-voorkomendheid, waarmede de Denen hunne gasten bejegenden. <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span></p>
-<p class="par">Hrodgar mag dus wel v&oacute;&oacute;r het afscheid met
-volle vertrouwen verzekeren, dat Denen en Gooten voortaan de handen
-broederlijk zullen ineenslaan, zoodat de vriend of de vijand van het
-eene volk dit ook voor het andere zal zijn:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De staalomwonden kiel zal over &rsquo;t water</p>
-<p class="line">De gaven brengen met de gunstbewijzen.</p>
-<p class="line">Ik weet, dat tegenover vriend en vijand</p>
-<p class="line">Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,</p>
-<p class="line">In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (<a href="#v1905">1905&ndash;9</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Beschouwen wij nu het karakter van de helden op
-zich zelf; wij zullen er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons
-met verbazing slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen
-onsterfelijken naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman,
-zooals het, ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te
-voorschijn treedt.</p>
-<p class="par"><i>Roemzucht</i> is de voornaamste drijfveer van al de
-daden.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nu wil ik, grijze wachter van de volken,</p>
-<p class="line">Nog eens &rsquo;t geworstel zoeken, roem verwerven.
-(<a href="#v2584">2584</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige
-heerscher voor den drakekamp.</p>
-<p class="par">Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de
-andere menschen te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van
-zijn lange leven herinnert hem Wiglaf daaraan:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">En zei in weinig
-woorden:</span> Beste Beowulf,</p>
-<p class="line">Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger</p>
-<p class="line">Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer</p>
-<p class="line">Uw eere laten zinken bij uw leven. (<a href="#v2745">2745&ndash;48</a>)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span></p>
-<p class="par">Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men
-luistere naar de volgende fiere taal:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Van &rsquo;t leven hier
-omlaag.</span> Dat hij behale,</p>
-<p class="line">Die daartoe is in staat, een naam v&oacute;&oacute;r
-&rsquo;t sterven!</p>
-<p class="line">&rsquo;t Is later &rsquo;t beste voor
-d&rsquo;ontlijfden krijger. (<a href="#v1413">1413&ndash;15</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten
-arbeid:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Gij hebt verkregen,</p>
-<p class="line">Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren</p>
-<p class="line">Altoos voor later tijd. (<a href="#v968">968&ndash;70</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Dit verlangen verbonden met een levendig
-<i>plichtbesef</i>, dat wij reeds bij Wiglaf leerden op prijs stellen,
-zet tot handelen aan. Overheerschend is deze begeerte naar roem; zij
-overwint alle aarzelingen, zet alle beschouwingen ter zijde en wapent
-den held met <i>doodsverachting</i>.</p>
-<p class="par">Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt
-voor hem niet op tegen den roem:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,</p>
-<p class="line">De kiel beklom met mijnen drom van dappren,</p>
-<p class="line">Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,</p>
-<p class="line">Of stortte in &rsquo;t stof, omklemd door &rsquo;s
-vijands klauwen.</p>
-<p class="line">Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,</p>
-<p class="line">Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (<a href="#v643">643&ndash;48</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht
-met Grendels moeder (<a href="#v1518">1518</a>) en met den draak
-(<a href="#v2609">2609</a>).</p>
-<p class="par">Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet
-enkel voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is
-nog iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door
-een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk: <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid</p>
-<p class="line">In &rsquo;t strijden staan. (<a href="#v613">613</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te
-bevechten; zijn doel is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen
-zijn eigen volk en de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van
-de hand wijst.</p>
-<p class="par">Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het
-vaderlandsche doel, dat hij voor oogen had bij al zijne
-ondernemingen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t wapenfeit. (<a href="#v2150">2150</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Dit streven naar roem, de springveer van alle
-groote daden, brengt <i>die zucht naar avonturen</i> mede, waarvan de
-tocht naar Hrodgar het klaarste blijk is:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst</p>
-<p class="line">Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (<a href="#v1880">1880&ndash;81</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek
-afgelegd. Er valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen
-tusschen de Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne
-strooptochten ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van
-door zulke lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om
-Hrodgar zijne hulp aan te bieden:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,</p>
-<p class="line">Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen</p>
-<p class="line">Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (<a href="#v203">203&ndash;5</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">En wat verder: <span class="pagenum">[<a id="pb47"
-href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">En wee en slachting.</span>
-Hrodgar kan ik wijzen</p>
-<p class="line"><i>Grootmoedig</i> &rsquo;t middel, hoe de grijze en
-goede</p>
-<p class="line">Den vijand vleuglen zal. (<a href="#v280">280&ndash;82</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem
-&laquo;tot hulpbetooning&raquo; heeft opgezocht.</p>
-<p class="par">Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als
-de veronderstelling, dat Beowulf door <i>gouddorst</i> aangezet wordt.
-Bij de vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze
-kantteekening toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te
-lichten.</p>
-<p class="par">De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel
-uit:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Goudgierig was hij niet. (<a href="#v3185">3185</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd.</p>
-<p class="par">Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de
-schatten onaangeroerd:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">De ware Schepper is
-&rsquo;t.&mdash;</span> Niet meerder schatten</p>
-<p class="line">Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,</p>
-<p class="line">Ofschoon hij vele zag, dan &rsquo;t hoofd te zamen</p>
-<p class="line">Met dat gevest van glimmend goud. (<a href="#v1643">1643&ndash;46</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">&rsquo;t Is waar, bij het zien van de juweelen uit
-het drakenhol springt zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit
-goud, dat hij met zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal
-komen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Den Heer van alles weet ik dank met woorden,</p>
-<p class="line">Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,</p>
-<p class="line">Voor al de schatten, die ik hier beschouwe;</p>
-<p class="line">Omdat ik deze, v&oacute;&oacute;r mijn
-stervensstonde,</p>
-<p class="line">Erlangen mocht ten bate mijner mannen.</p>
-<p class="line">Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,</p>
-<p class="line">Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden<span class="corr" id="xd21e2626" title="Bron: ,">.</span> (<a href="#v2889">2889&ndash;95</a>)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span></p>
-<p class="par">Welke edele taal in den mond van eenen heiden!</p>
-<p class="par">Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op
-hunne beurt niet ten achter bij hunnen vorst.</p>
-<p class="par">Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde
-handen over te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem
-verdwijnen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Geen enkel stuk alleen zal met den stoute</p>
-<p class="line">Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels,</p>
-<p class="line">Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen</p>
-<p class="line">Ten laatste nog, betaald met eigen leven:</p>
-<p class="line">De vlamme zal &rsquo;t verzwelgen, &rsquo;t vuur
-bedekken. (<a href="#v3118">3118&ndash;22</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zelfs niet het geringste kleinood zal tot
-gedachtenis overschieten! (<a href="#v3123">3123&ndash;24</a>)</p>
-<p class="par">De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij
-komen niet op tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf
-toegedachte rijkdom voor hen verloren gaat; en toch moest die
-verblindende pracht hun de oogen uitsteken:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Daar rusten
-roestverweerd.</span> Niet een dien &rsquo;t rouwde,</p>
-<p class="line">Toen zij in aller ijl naar buiten brachten</p>
-<p class="line">Den kostbren schat. (<a href="#v3243">3243</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De drakeschat wordt in den grafheuvel
-neergelegd:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zij lieten de aard der helden tooi behouden,</p>
-<p class="line">Het goud in &rsquo;t zand, alwaar het zit tot
-heden,</p>
-<p class="line">Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen.</p>
-</div>
-<p class="par first">Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder
-tonen en grooter afmetingen de eigen dapperheid, de eigen
-doodsverachting en trouw te voorschijn, hij treedt in de schaduw
-overal, waar het op adel <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>van gevoelens, op zedelijke
-ontwikkeling aankomt.</p>
-<p class="par">Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt,
-zelfs niet voor eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de
-ridder &laquo;zonder vrees noch blaam&raquo;.</p>
-<p class="par">Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot
-hoogste wet verheven is; integendeel hij is <i>zachtaardig</i>:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte</p>
-<p class="line">Bewaakte met de meeste macht eens menschen</p>
-<p class="line">De reuzengave, hem door God geschonken. (<a href="#v2238">2238&ndash;40</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan
-springt hij kloekmoedig in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk
-zijne reuzenkracht ter beschikking van het goede recht, het komt er
-niet op aan, of de ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of
-vreemdelingen zijn.</p>
-<p class="par">In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven
-zoekt, tracht hij de anderen er niet aan bloot te stellen.</p>
-<p class="par">Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen
-zal het hoofd bieden aan den draak:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Niet uwe taak is dit, niet toegemeten</p>
-<p class="line">Aan een der mannen, dan aan mij den
-&eacute;&eacute;ne,</p>
-<p class="line">Dat hij met d&rsquo;onheilstichter meet zijn
-sterkte</p>
-<p class="line">En ridderda&acirc;n verricht. (<a href="#v2606">2606&ndash;9</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te
-hebben, ten einde zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te
-behalen.</p>
-<p class="par">Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te
-mogen bestrijden enkel en alleen met zijne Gooten: <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Met dezen reus</span>
-U<span class="corr" id="xd21e2727" title="Niet in bron">,</span> hoofd
-der Helden-Denen,</p>
-<p class="line">U breng ik, schuts der Schyldings, &eacute;&eacute;ne
-bede:</p>
-<p class="line">Dat gij, o wijk der wapenli&ecirc;n, niet weigert,</p>
-<p class="line">O Vriend des volks, nu &rsquo;k herwaarts toog van
-verre,</p>
-<p class="line">Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,</p>
-<p class="line">Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (<a href="#v429">429&ndash;34</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak
-met een leger aan te vallen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De uitreiker van den ringensmuk versmaadde</p>
-<p class="line">Nochtans, den ommevlieger aan te tasten</p>
-<p class="line">Met strijders, met een uitgestrekte heermacht.
-(<a href="#v2410">2410&ndash;12</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat
-hij Grendel, de belichaming van de domme kracht, wien alle edele
-gevoelens vreemd zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen
-ridderlijken tweekamp aan te bieden.</p>
-<p class="par">De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij
-gevolg zal de held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem
-verzekert:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,</p>
-<p class="line">Hoe licht ik zulks vermag, van &rsquo;t leven
-scheiden.</p>
-<p class="line">Hij kent de kampgewoonte niet van weder</p>
-<p class="line">Te schenken eenen slag, het schild te beuken,</p>
-<p class="line">Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten.</p>
-<p class="line">Wij zullen dezen nacht aan &rsquo;t zwaard
-verzaken,</p>
-<p class="line">Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (<a href="#v692">692&ndash;98</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer,
-dat hij het noodig acht zich te verontschuldigen, omdat hij met
-wapenrusting en schild tegen den draak te velde trekt: <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Maar hier verwacht ik mij op &rsquo;t heete
-kampvuur,</p>
-<p class="line">Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens</p>
-<p class="line">Het schild en krijgerkleed. (<a href="#v2594">2594&ndash;96</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen
-gewetenloozen en geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel
-verzaken: dat zijn twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen
-nieuwen adelbrief, <i>de ridderlijkheid</i>, toekennen.</p>
-<p class="par">De taal bezit insgelijks het woord: <i>eorl-scipe</i>:
-ridderlijkheid; <i>eorlscipe efnan</i>: ridderlijke daden
-volbrengen.</p>
-<p class="par">Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom
-der Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische
-volkspo&euml;zie bewijst het) onderscheiden zich van de al te
-stoffelijke Semieten door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in
-geen volksepos is er een held aan te wijzen, die, wat zedelijke
-grootheid betreft, onzen Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag
-onder dit opzicht gerust de vergelijking met Homeros&rsquo; helden
-doorstaan; zij zal niet in zijn nadeel uitvallen.</p>
-<p class="par">Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom,
-om de zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan
-eens zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren.</p>
-<p class="par">Vermelden wij nog ter loops den <i>eerbied voor den
-ouderdom</i>, alsmede Beowulfs <i>rechtschapenheid</i>, immers hij
-weigert den troon, hem door Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met
-de waarneming van de voogdijschap tijdens de minderjarigheid van
-Heardred; en gaan wij over tot eenen laatsten karaktertrek, die den
-aangeboren ernst der Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span></p>
-<p class="par">M&uuml;llenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste,
-de <i>grootspraak</i>, de ophemeling van eigen wapenfeiten.</p>
-<p class="par">En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering
-aan zijne groote ondernemingen.</p>
-<p class="par">Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft
-hij lucht aan dien onweerstaanbaren aandrang:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zij kenden toch de maat van mijne krachten;</p>
-<p class="line">Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen</p>
-<p class="line">Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,</p>
-<p class="line">Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,</p>
-<p class="line">Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers</p>
-<p class="line">Bemeesterd in het midden van de baren,</p>
-<p class="line">Benarden nood beleefd, het leed der Weders</p>
-<p class="line">Gewroken (want zij duldden vele wee&euml;n)</p>
-<p class="line">&rsquo;t Vijandig volk vergruisd. (<a href="#v419">419&ndash;27</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht
-te denken, als wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op
-eigen kracht, hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen
-is.</p>
-<p class="par">Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de
-uitdagingsrede, de <i>gilp-cwide</i>, welke door het gebruik was
-voorgeschreven.</p>
-<p class="par">Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders.
-De helden zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den
-eenvoud des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel
-is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt,
-ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach
-van tevredenheid weet te onderdrukken.</p>
-<p class="par">Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets
-bijhangt; het is geen opsnijder, geen lachwekkende <i lang="la">miles
-gloriosus</i> van het oude blijspel. <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></p>
-<p class="par">Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de
-schildering van den zwemwedstrijd en voegt daarom toe:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Niet bral ik dies. (<a href="#v598">598</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Verre van zijne tegenstanders te beschimpen of te
-kleineeren, laat hij hun recht wedervaren, al acht hij zich ook hun
-meerdere; dit bevinden wij bij Brecca, wiens stoutmoedigheid en
-zeegehardheid door hem ten volle erkend worden.</p>
-<p class="par">Hij geeft toe, dat Grendel wijdberoemd is door
-wapenfeiten (<a href="#v696">696</a>) en dat hij hem niet kon beletten
-te vluchten:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Ontkwam.</span> Ik kon hem,
-daar het God niet gunde,</p>
-<p class="line">Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig</p>
-<p class="line">Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand. (<a href="#v980">980&ndash;82</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zoo hij er het leven heeft afgebracht tegenover
-Grendels moeder, dan is het dank aan hoogere tusschenkomst:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Bestond ik deze daad.</span>
-Mij was het strijden</p>
-<p class="line">Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had.
-(<a href="#v1689">1689</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Unferd is de <span class="corr" id="xd21e2902"
-title="Bron: eenigste">eenige</span> persoon, die door afgunst
-geprikkeld, zich tegen de heuschheid bezondigt, welke hij aan de gasten
-verschuldigd is. Tot verschooning kan aangevoerd worden, dat hij
-bedronken was.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Is ook de man, die zich aan zijne
-bloedverwanten vergrepen heeft.</p>
-<p class="par">De gerechte straf blijft niet uit, al is het ook waar,
-dat hij later berouw gevoelt en zijne handelwijze tracht te
-vergoelijken, met zijn zwaard aan Beowulf te leenen. Voor hem is de
-ondankbare rol weggelegd; want het stuit allen tegen de borst, dat een
-man, die zich zulke aanmatigende taal veroorloofde en van <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name="pb54">54</a>]</span>wiens
-dapperheid zij eenen hoogen dunk hadden, niet hetzelfde aandurft als
-Beowulf:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte.
-(<a href="#v1498">1498</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet
-noemenswaardige plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij
-gezien, dat de eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke
-zich in de Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde
-bewaarheidt, ook hier eene teedere snaar had doen trillen in die
-mannelijke harten; doch troosten wij ons, want het schoone Fransche
-epos, <i>la Chanson de Roland</i>, waar Aude eene vluchtige, schoon
-onvergetelijke rol vervult, heeft dit met het Engelsch gedicht
-gemeen.</p>
-<p class="par">De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan
-de jonkvrouw &laquo;met samengebonden lokken&raquo; (<a href="#v3264">3264</a>), welke bij Beowulfs brandstapel haar verloren
-levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken van wettige
-echtgenoote kunnen worden uitgereikt.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Doch kleven er geene smetten aan die schitterende
-heldengestalten, die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze
-vergetelheid? Hebben zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene
-trekken behouden van de vroegere barbaarschheid?</p>
-<p class="par">Het antwoord luidt bevestigend.</p>
-<p class="par">Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de
-plunderingen, waaraan zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval
-en bij Finns dood, de schaking van Ongentheows echtgenoote door
-krijgsgeweld, doch vooral de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de
-Nibelungen zoolang na de invoering van het Christendom heeft stand
-gehouden. <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p>
-<p class="par">Wij hebben het oog op de <i>bloedwraak</i>, dien
-vreeselijksten aller hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met
-hun &laquo;slingerslangig haar&raquo;, welke in de geschiedenis van
-alle volken, doch vooral bij de Germaansche stammen thuis hoort.</p>
-<p class="par">Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen
-te voorschijn, die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te
-bekoren, zoo groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de
-diepte woelen onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen.</p>
-<p class="par">Bloedwraak is de heiligste plicht.</p>
-<p class="par">Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd,
-Grendel te doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten
-schoten daarin te kort.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes</p>
-<p class="line">Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,</p>
-<p class="line">In deze drankzaal met de grijns der degens</p>
-<p class="line">Te willen wachten op den greep van Grendel. (<a href="#v485">485&ndash;88</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers,
-de veete heeft van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit
-netelig oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch
-nu treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt:
-&rsquo;t is Grendels moeder.</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nu daagde een ander machtig euveldader,</p>
-<p class="line">Het was zijn <span class="corr" id="xd21e2967" title="Bron: wit">doelwit</span>, zijnen zoon te wreken. (<a href="#v1663">1663&ndash;64</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De grijze koning voorziet geen einde meer aan al
-die bloedtooneelen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En voor &rsquo;t vervolg bewerkte hij de veete.
-(<a href="#v1365">1365</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Wij zien ook, dat Beowulf na zijne
-troonsbeklimming zich met Eadgils verbindt, om wraak te <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span>nemen
-over den dood van Heardred, die vroeger in den oorlog met de Zweden
-gevallen was.</p>
-<p class="par">In deze twee voorbeelden kan men ten minste de
-wraakoefening billijken, wel te verstaan van het heidensch standpunt
-beschouwd der betrokken personen; doch er doen zich ook gevallen voor,
-waar de denkbeelden, die, naar wij gezien hebben, de mannen zich van
-eenen held vormden, geheel en al worden omvergegooid; want tegenover
-dezen plicht houden alle andere plichten op.</p>
-<p class="par">De bloedwraak wettigt de vuigste, minst ridderlijke
-daden; zij veroorlooft eedbreuk, ondankbaarheid, kwade trouw en
-huichelarij.</p>
-<p class="par">Wat anders zien wij in de Finnsepisode, waar de Denen in
-bezongen worden?</p>
-<p class="par">Hengest kan den dood van Hnaf niet verkroppen; voor het
-oogenblik nochtans is hij machteloos en in naam zijner Denen zweert hij
-aan Finn, den Friezenkoning:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Dat hunner niemand, noch door woord noch werken,</p>
-<p class="line">Het bond ooit breken zou, door arglist letten.
-(<a href="#v1112">1112&ndash;13</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hij ontvangt huisvesting en geschenken van den
-vorst, blijft den langen winter bij hem, men zou zeggen, in de beste
-verstandhouding:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">In alles een bij Finn; (<a href="#v1143">1143</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in
-het geheim de onfeilbare wraak uitbroeit.</p>
-<p class="par">Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de
-aangebeden gade.</p>
-<p class="par">Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om
-hem met zich te verzoenen schenkt <span class="pagenum">[<a id="pb57"
-href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span>Hrodgar hem de hand zijner
-dochter. Een tijd lang sluimert de wraakzucht in de borst van den
-jongen krijger, ingewiegd als zij is door het huwelijksheil. Doch
-daarna breekt zij plotseling en verdelgend los, en de vreugde verkeert
-in wanhoop:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Dan zal der ridders eed van beide zijden</p>
-<p class="line">Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,</p>
-<p class="line">En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (<a href="#v2118">2118</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn
-geweest van zulken plotselingen omkeer, want er staat:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer</p>
-<p class="line">Een korte wijle na den val des konings,</p>
-<p class="line">Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (<a href="#v2082">2082&ndash;84</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die
-den gevallen bloedverwant niet wreekt.</p>
-<p class="par">Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja
-onovertroffen verhaal van koning Hredel.</p>
-<p class="par">Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn,
-toevallig bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding;
-dit is de ijzeren wet.</p>
-<p class="par">Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard,
-welke treurt over het verlies van zijnen oudsten zoon!</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde</p>
-<p class="line">De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren;</p>
-<p class="line">Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder</p>
-<p class="line">Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot.</p>
-</div>
-<p class="par first">Wie beseft niet den strijd, welke in zijn
-binnenste <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>omgaat tusschen zijnen plicht en zijn vaderhart;
-immers hij kan den dooder niet straffen, want het is ook zijn zoon!</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Want gruwlijk is &rsquo;t den grijsaard om te
-ervaren,</p>
-<p class="line">Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan &rsquo;t
-galghout.</p>
-<p class="line">Dan moge hij &rsquo;t weemoedig lied verheffen,</p>
-<p class="line">Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,</p>
-<p class="line">De raaf tot lust, terwijl hij geene redding</p>
-<p class="line">Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (<a href="#v2514">2514&ndash;19</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen,
-verbergt hij zich in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">De eene om den eene</span> het
-leek hem alles</p>
-<p class="line">Te ruim, en veld en woon. (<a href="#v2531">2531</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst
-in den dood:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,</p>
-<p class="line">Verliet hij toen der menschen lustgewemel</p>
-<p class="line">En zocht het licht van God. (<a href="#v2538">2538&ndash;40</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk
-gedaan heeft aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt
-eene loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe
-onverklaarbaar dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch
-is gebleven.</p>
-<p class="par">Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak
-nooit zijn gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met
-kalmte te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te
-verwijten: <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Bewaarde wel het mijne,</span>
-(ik) zocht geen moordlist,</p>
-<p class="line">Noch legde menig eed af onrechtmatig.</p>
-<p class="line">Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,</p>
-<p class="line">Om &rsquo;t al verheugen, want de Heer der menschen</p>
-<p class="line">Zal mij den moord niet wijten van de magen. (<a href="#v2826">2826&ndash;30</a>)</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e3121" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Christendom.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Alle beoordeelaars zijn het eens, dat het
-Christendom geenen ingrijpenden, maar eenen hoogst oppervlakkigen
-invloed op het epos heeft uitgeoefend.</p>
-<p class="par">Deze invloed is aan den inlasscher te wijten, wiens
-bedrijvigheid gemakkelijk te onderkennen is.</p>
-<p class="par">Gaan wij de sporen van zijne werkzaamheid na.</p>
-<p class="par">Wat aan het heidendom herinnerde werd of weggelaten (dit
-kunnen wij dus niet meer nagaan), of met eene christelijke kleur
-overgoten. Zoo trad de &eacute;&eacute;ne God in de plaats van het
-heidensche godendom.</p>
-<p class="par">De inlasscher volgt hier dus dezelfde gedragslijn als
-die, welke de geloofspredikers zich bij de heidensche gebruiken en
-bijgeloovigheden hadden voorgeschreven: zij roeiden ze niet uit, want
-ieder nieuw beginsel kan slechts gedijen door zich bij &rsquo;t
-bestaande aan te sluiten, maar zij ontnamen er het heidensche karakter
-aan, door ze met de kerkelijke plechtigheden of met den dienst der
-heiligen in verband te brengen.</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> Aan <i>God</i> wordt in het gedicht eene
-ruime plaats ingeruimd.</p>
-<p class="par">Hij bestuurt het menschdom: hij schenkt roem en
-overwinning (dit is nochtans ook een kenmerk van <i>Wodan</i>); hij
-stelt eenen wachter op tegen Grendel, zijnen vijand, want hij alleen
-kan hem beteugelen; <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60"
-name="pb60">60</a>]</span>hij gedoogt niet, dat de op hem vertrouwende
-Beowulf door Grendels hand zal sterven; hij toont hem het reuzenzwaard,
-enz. enz.</p>
-<p class="par">God wordt bedankt voor verleende hulp: zoo prijst
-Hrodgar hem bij Beowulfs opbeurende woorden, bij de nederlaag van
-Grendel, bij het zien van dezes hoofd; zoo doet Beowulf na den
-voorspoedigen overtocht, zoo de Gooten als hun vorst uit het meer
-opduikt, en Hygelac bij het terugzien van Beowulf.</p>
-<p class="par">Hij bestuurt het heelal: hij is de ware schepper, regelt
-de jaargetijden, doet de planten groeien en schenkt ons het licht der
-zon.</p>
-<p class="par"><i>Hemel</i>, <i>hel</i> en <i>duivel</i> worden ook
-genoemd.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Deze invloed doet zich nog gelden in de
-<i>bijbelsche toespelingen</i>: dag des oordeels, schepping, zondvloed,
-Ka&iuml;n, en in de <i>christelijke zedelessen</i>, welke rechts en
-links met kwistige hand zijn rondgestrooid en waarop wij bij
-gelegenheid zullen terugkomen.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Eenige <i>Kenningar</i> zijn van
-christelijken oorsprong. Hiertoe behooren de omschrijvingen van God, b.
-v. de eenige heer, de koning der glorie, de albestuurder, de
-hemelkoning, de roembeschikker, de hemelbestuurder, de glorievorst, de
-glorieherder, de albeheerscher, de vader, de heer des levens, der daden
-rechter enz.</p>
-<p class="par">Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat <i>Wodan</i> ook
-vader, alvader, uitdeeler der glorie, roemvervuller geheeten wordt.</p>
-<p class="par"><i>Hel</i>, <i>hemel</i> en <i>duivel</i> worden niet
-met Kenningar bedacht; want het is niet uit te maken, of de benamingen
-van Grendel oorspronkelijk van den <i>duivel</i> gezegd werden.</p>
-<p class="par"><i>Sterven</i> wordt omschreven door: in &rsquo;s Heeren
-hoede sterven; het heil des hemels zien; het heil der heiligen, het
-licht van God zoeken. <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61"
-name="pb61">61</a>]</span></p>
-<p class="par">Men ziet hieruit, dat het wezen zelf van het epos
-onaangetast blijft.</p>
-<p class="par">4<sup>o</sup> Christelijke inwerking is nog te bespeuren
-in Beowulfs <i>opvatting van den tweekamp</i>, waarin hij een soort van
-godsoordeel ziet; dit doet hij tot tweemaal uitschijnen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Man tegen man.</span> En wien
-de dood dan wegrukt,</p>
-<p class="line">Die zal verstaan des Albestuurders oordeel. (<a href="#v442">442</a>)</p>
-<p class="line">De wijze Godheid zal daarop de zege</p>
-<p class="line">Verbinden aan de hand van een van beiden,</p>
-<p class="line">De heilige Heer, alnaar hij &rsquo;t nuttigst oordeelt
-(<a href="#v699">699&ndash;701</a>).</p>
-</div>
-<p class="par first">Deze opvatting ontstond in &rsquo;t begin der
-6<sup>de</sup> eeuw alleen bij de Germanen en dan nog na hunnen
-overgang tot het Christendom<a class="noteref" id="xd21e3238src" href="#xd21e3238" name="xd21e3238src">2</a>.</p>
-<p class="par">Het dient opgemerkt, dat de Christelijke toevoegsels nu
-en dan zich tegenspreken.</p>
-<p class="par">De dichter zegt van de Denen, als er sprake is van de
-heidensche tooverkunsten om Grendel te bezweren:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">In &rsquo;t volksgevaar.</span>
-Dat waren zoo hun zeden,</p>
-<p class="line">Hun heiden-denkwijs; naar de helle streefden</p>
-<p class="line">Zij in &rsquo;t gemoed. Zij kenden niet den Meester
-enz. (<a href="#v182">182&ndash;84</a>).</p>
-</div>
-<p class="par first">Het waren dus heidenen! Later nochtans ziet de
-inlasscher deze uitspraak over het hoofd, wanneer hij Hrodgar bij
-herhaling God laat bedanken en hem zelfs eene stichtelijke redevoering
-in den mond legt: <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62"
-name="pb62">62</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">O Wacht u voor dit zoo verwaten streven,</p>
-<p class="line">Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,</p>
-<p class="line">En kies &rsquo;t voordeeligst, &rsquo;t eeuwigdurend
-welzijn (<a href="#v1794">1794&ndash;96</a>).</p>
-</div>
-<p class="par first">Eenige sporen van het heidendom hebben zelfs stand
-gehouden, als de wichelarij (<a href="#v208">208</a>), het weefsel der
-zege, de vloek op &rsquo;t goud, de everhelmen, de reuzen en nikkers,
-doch vooral het geloof aan het noodlot:</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot.
-(<a href="#v459">459</a>).</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line"><span class="hemistich">Mijn slagtroep is
-geslonken.</span> &rsquo;t Noodlot sleepte</p>
-<p class="line">De helden heen naar Grendels schrikverschijning
-(<a href="#v481">481</a>).</p>
-</div>
-</div>
-<p class="par first">Zelfs wordt het op &eacute;&eacute;ne lijn met God
-genoemd:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid</p>
-<p class="line">Met Wyrd en moed des mans (<a href="#v1070">1070&ndash;71</a>).</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e3307" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Heldensage en Volksepos.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het volksepos put zijne stof uit de
-heldensage.</p>
-<p class="par">Door <i>heldensage</i> verstaat men den gezamenlijken
-schat van nationale overleveringen uit het heldentijdvak van een volk,
-welke het ontstaan schonken aan eenen kring van epische liederen, met
-een of meer helden tot middelpunt.</p>
-<p class="par">De heldensage bestaat dus uit afzonderlijke sagen, die
-elk op zich een bepaald feit als een afgesloten geheel behandelen.</p>
-<p class="par">Zoo schildert het <i>Hildebrandslied</i>, dat tot de
-Oostgotische heldensage van <i>Diederik van Bern</i> behoort, den
-strijd tusschen Diederiks dienstman <i>Hildebrand</i> en dezes zoon
-<i>Hadruband</i>.</p>
-<p class="par">Zoo toovert ons het schoone <i>Finnsburgfragment</i>,
-<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span>dat tot den kring der Noordzeeheldensage gerekend
-wordt, den aanval der <i>Friezen</i> op de <i>Finnsburg</i> voor
-oogen.</p>
-<p class="par">Bijna alle epische zangen, welke zich in het
-volksheldendicht opgelost hebben, zijn als zelfstandig geheel verloren
-geraakt; nochtans kan men uit hoofde van het hier gezegde hun bestaan
-niet in twijfel trekken, te meer daar zij bij de ontleding van elk
-volksepos in zijne hoofdbestanddeelen bij benadering zijn aan te
-wijzen.</p>
-<p class="par">Twee andere bewijzen vinden wij in de geschiedenis,
-welke, zooals gewoonlijk, ook hier eene hulpvaardige hand aan de
-letterkunde reikt.</p>
-<p class="par"><i>Tacitus</i> zegt, dat de geschiedenis der Germanen
-uit aloude zangen bestond, waarin zij hunne goden en helden
-verheerlijkten<a class="noteref" id="xd21e3354src" href="#xd21e3354"
-name="xd21e3354src">3</a>. In zijnen tijd bezongen zij zelfs Arminius,
-die eenige jaren te voren het volk van het Romeinsche juk bevrijd
-had<a class="noteref" id="xd21e3357src" href="#xd21e3357" name="xd21e3357src">4</a>.</p>
-<p class="par"><i>Jornandes</i><a class="noteref" id="xd21e3363src"
-href="#xd21e3363" name="xd21e3363src">5</a> getuigt hetzelfde van de
-Goten:</p>
-<p class="par">&laquo;Zij verheerlijkten in het lied door zang en harp
-de daden der voorvaderen, van Ethespamara, Amala, Fridigern, Widicula
-en anderen, van welke deze volken eenen hoogen dunk hebben, zoodat de
-<span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>bewonderenswaardige oudheid nauwelijks er op kan
-bogen, zulke helden te hebben gehad.&raquo;</p>
-<p class="par">De dichterlijke overlevering in den volksmond is een der
-hoofdbronnen, waaruit de eerste kroniekschrijvers over Germaansche
-toestanden hunne berichten geput hebben, bij gebrek aan geschiedkundige
-bescheiden. Het is de taak des geschiedschrijvers, deze sagen, in een
-historisch gewaad gestoken, van de geschiedkundige bestanddeelen streng
-af te zonderen; voor ons is de wetenschap voldoende, dat zij
-bestaan.</p>
-<p class="par"><i>Jornandes</i> heeft, hoofdzakelijk waar hij over
-Hermanaric en Attila spreekt, buiten kijf de volkspo&euml;zie
-geraadpleegd.</p>
-<p class="par">Savagner erkent dit in zijne inleiding:</p>
-<p lang="fr" class="par">&laquo;...l&rsquo;on ne peut reconna&icirc;tre
-et d&eacute;terminer les passages que Jornand&egrave;s doit &agrave;
-Cassiodore, ceux qu&rsquo;il doit &agrave; d&rsquo;autres auteurs,
-<i>ceux enfin o&ugrave; il pr&eacute;tend s&rsquo;appuyer sur les
-antiques traditions et sur les chants nationaux des Goths</i>.&raquo;
-bl. VII.</p>
-<p class="par"><i>Paulus Diaconus</i> heeft ons in zijne geschiedenis
-der Longobarden den rijksten schat van heldenoverleveringen
-bewaard.</p>
-<p class="par">De monnik <i>Widukind</i> nam meer dan een oud lied in
-zijne <i lang="la">Res gestae Saxonicae</i> op.</p>
-<p class="par"><i>Saxo Grammaticus</i> behandelde de ontelbare
-dichterlijke verhalen, welke hij uit den mond zijner landgenooten
-opteekende, als de kostbaarste bouwstof voor zijne geschiedenis der
-Denen. Zij beslaan de negen eerste boeken zijner kroniek en vormen
-gedurende verscheidene eeuwen uitsluitend de geschiedenis van
-<span class="corr" id="xd21e3417" title="Bron: Denemark">Denemarken</span><a class="noteref" id="xd21e3419src"
-href="#xd21e3419" name="xd21e3419src">6</a>. Van al de Germaansche
-<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>stammen werden tot nog toe alleen de Franken
-beschouwd als arm te zijn aan epische overleveringen.</p>
-<p class="par">Dit dwaalbegrip heeft Kurth in zijn standaardwerk voor
-goed uit den weg geruimd<a class="noteref" id="xd21e3426src" href="#xd21e3426" name="xd21e3426src">7</a>, een werk dat de sagenvorscher
-in het vervolg dient te raadplegen en dat den geschiedkundige het
-middel aan de hand doet om historie en dichterlijke overlevering te
-schiften.</p>
-<p class="par">Hij toont aan, dat de drie kroniekschrijvers van het
-Merovingische tijdperk: <i>Gregorius van Tours</i>, <i>Fredegarius</i>
-en de naamlooze schrijver van <i>Liber Historiae</i> op vele plaatsen
-geenen anderen zegsman kunnen gehad hebben dan de levende
-volksoverlevering.</p>
-<p class="par">Uit de balans van geschiedenis en sage, welke hij
-opmaakt, blijkt zonneklaar, dat in dit opzicht de Franken door geen
-ander Germaansch volk in de schaduw gesteld worden.</p>
-<p class="par">Nu dat het bestaan van afzonderlijke sagen boven allen
-twijfel verheven is, kan men zich afvragen, hoe zij tot stand kwamen.
-Zij zijn te beschouwen als de natuurlijke uiting van den algemeenen
-volksindruk bij het aanschouwen van eene belangrijke gebeurtenis of van
-een treffend natuurverschijnsel.</p>
-<p class="par">Geven wij hier het woord aan <span class="sc">Jonckbloet</span><a class="noteref" id="xd21e3452src" href="#xd21e3452" name="xd21e3452src">8</a>:</p>
-<p class="par">&laquo;Hoe jonger een volk, hoe meer er een algemeen
-peil van ontwikkeling is, waarboven zich ter nauwernood iemand verheft.
-<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name="pb66">66</a>]</span></p>
-<p class="par">Treffende gebeurtenissen moeten dus wel op allen
-nagenoeg denzelfden indruk maken: vandaar, dat het epische lied, door
-&eacute;&eacute;n begaafde ontboezemd, weerklank vindt bij allen,
-gemakkelijk onthouden en van mond tot mond voortgeplant wordt.</p>
-<p class="par">Daar het gewrocht van een enkelen intusschen niet
-volkomen den geheelen volksgeest teruggeeft, wordt er bij de mondelinge
-overlevering hier een trek weggelaten, daar een andere aan toegevoegd,
-totdat eindelijk het geheel, ontdaan van wat er nog individueels aan
-mocht kleven, werkelijk de ware volksuitdrukking genoemd mag worden.
-Daarom draagt die overlevering terecht den naam van volksoverlevering,
-of, daar zij zich steeds in dichterlijken vorm openbaart, van
-volkspo&euml;zie. En geen afzonderlijke zanger is als de zelfstandige
-dichter aan te wijzen, omdat inderdaad de geheele stam, het geheele
-volk, heeft bijgedragen om haar te vormen.&raquo;</p>
-<p class="par">De dichter of beter de voordrager van zulke sagen heette
-bij de Angelsaksen <i>scop</i>; soms was hij te gelijkertijd
-toonkunstenaar en begeleidde zijne voordracht met de harp; somtijds
-reisde hij van land tot land, gelijk het overal in de middeleeuwen de
-gewoonte der wandeldichters gebleven is.</p>
-<p class="par">Zoo was het mogelijk, dat de heldensagen van het
-vasteland in Beowulf eenen weerklank vonden, ja, dat bij de Angelsaksen
-een gedicht kon ontstaan, dat het wereldburgerschap van het latere
-Engelsche volk reeds in de kiem vertoonde, de
-<i>W&icirc;ds&icirc;dh</i> of <i>Verbereisde</i>, hun oudste
-letterkundig gewrocht, waarin wij een overzicht hebben van al de
-destijds bekende helden der volksverbeelding.</p>
-<p class="par">Doch hieruit volgt ook, dat het voortbestaan van de
-sagen aan vele wisselvalligheden onderhevig moest zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p>
-<p class="par">Dit springt nog meer in &rsquo;t oog, wanneer men
-nagaat, dat deze liederen enkel aan het geheugen toevertrouwd werden en
-dat zij mettertijd in aantal moesten toenemen.</p>
-<p class="par">Zoo kon, gelijk <span class="sc">ten Brink</span>
-aanmerkt, den eenen dichter iets bekend zijn en den anderen niet, en
-zoo was het geval mogelijk, dat eene sage, welke oorspronkelijk bij
-eenen bepaalden stam inheemsch was, er later uit den vreemde in
-gewijzigden vorm terugkeerde en als iets nieuws werd opgenomen.</p>
-<p class="par">Zoo doet zich het verschijnsel ook voor, dat dezelfde
-dichterlijke gegevens opvolgendlijk in den loop der tijden op
-verschillende personen worden overgedragen<a class="noteref" id="xd21e3489src" href="#xd21e3489" name="xd21e3489src">9</a>.</p>
-<p class="par">Dit zien wij in de Sigmund-episode.</p>
-<p class="par">Nochtans kon er geen sprake zijn van oorspronkelijkheid
-in de tegenwoordige beteekenis van het woord.</p>
-<p class="par">Niet alleen was de dichter, ten minste voor &rsquo;t
-Angelsaksisch, aan eene bepaalde beeldspraak en versmaat gebonden, maar
-hij was ook verplicht zich, wat de stof aanbelangt, aan de overlevering
-te houden, zooals die iedereen in de voornaamste trekken voor den geest
-zweefde; b. v. aan het ideaal, dat zich het volk voorstelde, aan de
-schildering van een karakter, waarvan men zich eene bepaalde en
-geliefkoosde voorstelling gemaakt had.</p>
-<p class="par"><span class="sc">Ten Brink</span> kenschetst dezen
-toestand in de volgende woorden: <span class="pagenum">[<a id="pb68"
-href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span></p>
-<p class="par">&laquo;Dies ist also ein geistiger Zustand, wo fast jede
-Reproduktion etwas von eigener Produktion und wo jede Produktion ohne
-Ausnahme ein gut Teil blosser Reproduktion in sich
-enth&auml;lt.&raquo;</p>
-<p class="par">Deze, zooals blijkt, van nature zoo veranderlijke sagen
-werden nog door twee groote geschiedkundige feiten gewijzigd: door de
-<i>volksverhuizing</i>, welke het oude op den achtergrond schoof en met
-eenen nieuwen toevoer van personen en daden vermengde, en door de
-invoering van het <i>Christendom</i>, dat de heidensche bestanddeelen
-uitroeide, vervormde, of er christelijke denkbeelden bijtrok.</p>
-<p class="par">Op deze wijze bleef de heldensage als een levend iets in
-onafgebroken wording, in gedurige stofwisseling voortbestaan, totdat
-eindelijk een min of meer bekwaam dichter opstond, die de losse deelen
-tot &eacute;&eacute;n geheel vereenigde: het <i>volksepos</i> was
-geboren.</p>
-<p class="par">F.-A. Wolf heeft op het einde der vorige eeuw den weg
-gebaand tot deze levenwekkende beschouwing van het volksepos in zijne
-<i>Prolegomena ad Homerum</i>, waarin hij aantoont, dat de Odyssee en
-de Ilias niet het uitsluitend werk van eenen dichter, maar van
-onderscheiden <i>rhapsoden</i> zijn.</p>
-<p class="par">De Duitsche geleerden, welke op het gebied der
-Germaansche letterkunde denzelfden weg insloegen hebben dit stelsel
-verder ontwikkeld en op deze wijze aan de geschiedenis een vuurbaak
-ontstoken op het duistere pad der vroegste middeleeuwen.</p>
-<p class="par">Eene andere vraag doet zich op: Welk is het wezen der
-heldensage; uit welke soort van dichterlijke overleveringen is zij
-saamgevloeid?</p>
-<p class="par">Drie bestanddeelen zijn in de Germaansche heldensage te
-onderscheiden: <i>geschiedenis</i>, <i>mythus</i> en <i>dichterlijke
-vinding</i>.</p>
-<p class="par">Gaan wij elk der drie punten na: <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span></p>
-<p class="par">Het epos is bij alle volkeren de eerste vorm van
-geschiedenis geweest; &rsquo;t is, naar de eigenaardige uitdrukking van
-Kurth, de geschiedenis v&oacute;&oacute;r de geschiedschrijvers. Het
-volk onthoudt alleen die trekken, welke het begrijpt, welke tot zijne
-verbeelding spreken, den weg tot zijn hart vinden; het bewondert den
-<i>held</i> en <i>mensch</i>, niet den staatsman, en ziet dikwerf
-gebeurtenissen over het hoofd, die onder geschiedkundig oogpunt het
-meeste gewicht in de schaal leggen.</p>
-<p class="par">Wat b. v. de volksverbeelding in Clovis zoozeer boeit,
-is niet de groote rol, welke hij in Gods wereldplan vervulde, de
-verovering van Galli&euml; en de grondvesting van een machtig
-christelijk rijk; maar wel de omstandigheden van zijn huwelijk, de
-parten, welke een geslepen Romein hem speelde, zijne ongenadige
-bijlslagen en zijne moorddaden<a class="noteref" id="xd21e3565src"
-href="#xd21e3565" name="xd21e3565src">10</a>.</p>
-<p class="par">Zoo lang als de menigte de dichterlijke overleveringen
-voor zuivere waarheid aanneemt, blijft epos en geschiedenis vermengd;
-doch zoodra zij het onderscheid begint in te zien tusschen de
-geschiedkundige werkelijkheid en de ideale voorstelling, welke zij er
-zich van gemaakt heeft, dan is het morgenrood voor de geschiedenis en
-de avondglans voor het volksepos verschenen<a class="noteref" id="xd21e3572src" href="#xd21e3572" name="xd21e3572src">11</a>.</p>
-<p class="par">Een groot feit, dat den eigen stam of naburige stammen
-getroffen heeft, moet <i>onmiddellijk</i>, onder den indruk der
-gebeurtenissen, liederen doen ontluiken, op straffe van anders te
-verdwijnen met het geslacht, dat er van getuige was; want eene
-<i>geschiedkundige</i> volksoverlevering bestaat er niet.</p>
-<p class="par">Het is opmerkenswaardig, dat dit groot feit <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span>gewoonlijk eene nederlaag is. De reden ligt voor
-de hand<a class="noteref" id="xd21e3589src" href="#xd21e3589" name="xd21e3589src">12</a>.</p>
-<p class="par">Voor krijgshaftige volken is de zegepraal hunner vorsten
-iets zeer natuurlijks en gewoons, terwijl hunne nederlaag ondenkbaar
-is.</p>
-<p class="par">Hiertegen komt de gekrenkte volkstrots in verzet; hij
-tracht de nederlaag te verbloemen door den tegenstand zoo heldhaftig
-mogelijk op te hemelen, den roem der weerpartij echter te verkleinen
-door de overwinning aan de overmacht ofwel aan verraad toe te
-schrijven<a class="noteref" id="xd21e3608src" href="#xd21e3608" name="xd21e3608src">13</a>.</p>
-<p class="par">Stappen wij over tot het tweede punt.</p>
-<p class="par">De zucht om de daden van zulk een geschiedkundigen held
-breeder uit te meten en in een bovennatuurlijk licht te plaatsen heeft
-de versmelting ten gevolge van de <i>historische</i> sage, waarvan wij
-hierboven spraken, met de <i>mythische</i> of <i>hero&iuml;sche</i>, d.
-i. met overleveringen van goden en halfgoden uit een <i>ouder</i>
-tijdperk, overleveringen, die in den grond niets anders zijn dan eene
-dichterlijke verpersoonlijking der natuurkrachten.</p>
-<p class="par">De neiging tot het bovennatuurlijke is eigen aan de
-volken, welke nog op den eersten trap der beschaving staan. Ziet men
-dit niet bij de wilde stammen, die <span class="pagenum">[<a id="pb71"
-href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span>vrije kinderen der natuur, ja
-bij sommige eenvoudige landlieden uit onze onmiddellijke omgeving? Zoo
-spreekt, om maar &eacute;&eacute;n voorbeeld te noemen, Gustave Aimard
-in een zijner boeiende verhalen van zijne persoonlijke kennismaking met
-een Indiaansch opperhoofd, die maar niet kon gelooven, dat Napoleon I
-gestorven was. Immers de zon sterft nooit, en de groote <i>sachem</i>
-der blanken was voor hem een zoon der zon en diende bij gevolg onder de
-goden gerangschikt te worden.</p>
-<p class="par">Aimard voegt er bij, dat ongetwijfeld menig Fransche
-landman in die meening deelde.</p>
-<p class="par">Het derde bestanddeel is eindelijk de <i>dichtkunst</i>,
-welke de daden van den zoo vergoddelijkten held met omstandigheden van
-eigen schepping opsmukt en somtijds aan hoogere, zedelijke eischen
-voldoening geeft.</p>
-<p class="par">Passen wij deze beginselen op het Beowulfepos toe.</p>
-<p class="par">Onze taak zal zijn aan te toonen, dat er een
-geschiedkundige Beowulf bestaan heeft, op wien de daden van eenen
-heros, Beowa geheeten, zijn overgebracht.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e3652" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Geschiedenis.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De geschiedkundige grond van den Beowulf is eene
-nederlaag en wel de inval, welken de Deensche koning
-<i>Chochilaicus</i> in 515 in de gouw der Hattuarische Franken
-ondernam.</p>
-<p class="par">In ons epos wordt ook gewaagd van andere gebeurtenissen,
-welke, blijkens het boven gezegde omtrent het volksepos, van
-geschiedkundigen aard moeten zijn.</p>
-<p class="par">Wij bedoelen namelijk den oorlog met de <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>Zweden,
-waarvan geen geschiedkundig getuigenis bestaat; doch deze oorlog komt
-hier niet in aanmerking, daar Hygelac en niet Beowulf er de hoofdrol
-speelt, zoodat deze strijd niet de aanleiding kan zijn geweest tot het
-ontstaan van het gedicht.</p>
-<p class="par">De Frankische kroniekschrijvers hebben gelukkigerwijze
-den strooptocht van Chochilaicus aan de vergetelheid ontrukt.</p>
-<p class="par">Het bericht van Gregorius van Tours, III, 3, luidt als
-volgt:</p>
-<p class="par">&laquo;Na dit alles randen de Denen onder hunnen koning,
-Chochilaicus geheeten, over zee Galli&euml; aan met eene vloot. Na aan
-wal gestapt te zijn verwoesten zij een <i>pagus</i> (gouw) van
-Theodoriks gebied, zij maken gevangenen en bereiden zich om naar hun
-vaderland terug te keeren, na de schepen zoowel met de gevangenen als
-met den overigen buit te hebben beladen.</p>
-<p class="par">Hun koning was op den oever neergezeten in afwachting
-dat de schepen in volle zee waren, om daarna zelf te volgen.</p>
-<p class="par">Toen dit aan Theodorik bericht werd, nl. dat zijn rijk
-door de buitenlanders verwoest werd, zond hij zijnen zoon Theodebert
-naar die streken af met een groot leger en eene groote
-oorlogstoerusting.</p>
-<p class="par">Deze versloeg, na den koning gedood te hebben, de
-vijanden in een scheepsgevecht en gaf den ganschen krijgsroof aan de
-landzaten terug.&raquo;</p>
-<p class="par">De andere Frankische bron, <i lang="la">Liber Historiae
-(Gesta regum Fraticorum,)</i> zegt hetzelfde op beknopte wijze en duidt
-tevens de streek aan met den naam van <i>pagus Hattuarius</i>.</p>
-<p class="par">De koning der Franken, waarvan sprake is, is
-Clovis&rsquo; oudste zoon, Theodorik I van Austrasi&euml;, de held van
-meer dan een epischen zang. <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name="pb73">73</a>]</span></p>
-<p class="par">Om hem te onderscheiden van den Oost-Gotenkoning
-Theodorik den Groote, werd hij <i>Theodorik de Frank</i> of <i>de
-Huge</i> geheeten, en als zoodanig verschijnt hij onder den naam van
-<i>Hug-Dietrich</i> in de Duitsche heldensage.</p>
-<p class="par">Daar noch Gregorius van Tours noch zijne opvolgers
-eenige schriftelijke oorkonde omtrent Clovis&rsquo; zonen ten dienste
-stond, moeten zij deze wetenschap uit de epische overlevering der
-Franken opgedaan hebben<a class="noteref" id="xd21e3706src" href="#xd21e3706" name="xd21e3706src">14</a>.</p>
-<p class="par">Dit wordt nog bevestigd door het volgende bericht, dat
-toevalligerwijze in een handschrift van Phaedrus uit de 10<sup>e</sup>
-eeuw is opgenomen:</p>
-<p class="par">In de 9<sup>e</sup> en 10<sup>e</sup> eeuw waren nog in
-een eiland, aan de Rijnmonding gelegen, reuzig groote beenderen te
-zien, welke naar het volksgeloof aan koning Hunglac, waarvan wondere
-zaken verteld werden, zouden hebben toebehoord<a class="noteref" id="xd21e3724src" href="#xd21e3724" name="xd21e3724src">15</a>.</p>
-<p class="par">Het staat dus vast, dat deze strooptocht der Denen
-zulken diepen indruk op de overwinnaars had <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>te weeg
-gebracht, dat de herinnering ervan na vier eeuwen nog niet was
-uitgewischt.</p>
-<p class="par">Doch overweldigend moet de schok dier nederlaag geweest
-zijn op het gemoed der Denen, daar zij het aanzijn schonk aan den
-Beowulf.</p>
-<p class="par">En inderdaad het verhaal van den Frankischen
-geschiedschrijver stemt in de hoofdlijnen overeen met de beschrijving,
-welke het epos ons op meer dan eene plaats geeft van de nederlaag der
-Deensche Gooten onder hunnen koning <i>Hygelac</i>, een naam, die
-volgens de wetten der woordafleiding aan <i>Chochilaicus</i>
-beantwoordt.</p>
-<p class="par">Het spreekt van zelf, dat de geprikkelde eigenliefde van
-het volk deze nederlaag met de schoonste kleuren heeft afgemaald,
-zoodat Hygelac slechts voor de overmacht zwichtte, en zijn neef
-Beowulf, met de wapenrusting van dertig Franken beladen, in zee sprong,
-nadat al zijne aanvallers in het stof hadden gebeten.</p>
-<p class="par">Is Hygelac dus een geschiedkundig persoon, dan staat
-niets in den weg om ditzelfde van zijnen moedigen neef Beowulf aan te
-nemen, juist wegens zijne verhouding tot den historischen oom; ofschoon
-geen ander, noch geschiedkundig noch dichterlijk gedenkschrift, buiten
-ons epos van hem gewaagt.</p>
-<p class="par">Dat het gedicht de overwinnaars onder vier verschillende
-benamingen aanduidt, legt geenen onoverkomelijken hinderpaal in den
-weg; immers <i>Friezen</i>, <i>Hetwaren</i>, <i>Franken</i> en
-<i>Hugen</i> zijn in den grond een en hetzelfde volk.</p>
-<p class="par"><i>Hugen</i> is de naam, welken de Noordsche volken van
-de 6<sup>e</sup> tot de 11<sup>e</sup> eeuw aan de Franken toekenden.
-Eigenlijk heetten zoo de bewoners van <i>Hugmerki</i> &laquo;de mark of
-het grensgewest der Hugen&raquo;, op de grenzen van Saksen en
-Friesland; daarna werd de <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span>naam door de Saksen en
-Scandinavi&euml;rs aan de Franken in het algemeen gegeven<a class="noteref" id="xd21e3795src" href="#xd21e3795" name="xd21e3795src">16</a>.</p>
-<p class="par">De <i>Pagus Hattuarius</i> behoorde tot Friesland, dat
-zich in den breeden zin van het woord van af de grenspalen van
-Denemarken tot aan de Scheldemonden en de poorten van Brugge
-uitstrekte.</p>
-<p class="par">Deze streek maakte deel van het rijk der Ripuarische
-Franken, zoodat de Hetwaren onder aardrijkskundig oogpunt
-<i>Friezen</i> en onder staatkundig <i>Franken</i> heeten<a class="noteref" id="xd21e3813src" href="#xd21e3813" name="xd21e3813src">17</a>.</p>
-<p class="par">Leo plaatst de gouw der Hattuari&euml;rs op den rechter
-oever der Maas, langs beide zijden der Niers; dus in de omstreken van
-Kleef, Gelder en Meurs, zooals M&uuml;llenhoff zegt.</p>
-<p class="par">Hygelac was derhalve met zijne vloot tot zoover
-doorgedrongen, en deze overrompeling van de binnenlanden door middel
-van de riviermondingen bleef in &rsquo;t vervolg de krijgskunde der
-Noormannen.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e3828" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Mythos.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Welk is de mythische kern van de
-Beowulf-heldensage?</p>
-<p class="par">Vooraf zij opgemerkt, dat wij het stelsel uiteenzetten,
-zooals het door Ettm&uuml;ller, Leo en anderen, doch vooral door
-M&uuml;llenhoff is ontworpen, die zich op dit gebied vooral
-verdienstelijk heeft gemaakt, om er vervolgens eenige kantteekeningen
-aan toe te voegen. <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76"
-name="pb76">76</a>]</span></p>
-<p class="par">Wij hebben er reeds op gewezen, dat M&uuml;llenhoff bij
-de Angelsaksen eenen alouden, mythischen held aanneemt,
-<i>Be&oacute;w(a)</i> of <i>Be&aacute;w(a)</i> genaamd, den overwinnaar
-van Grendel, welke later met den geschiedkundigen Beowulf versmolt;
-zoodat de daden van Be&oacute;wa op Hygelacs neef werden
-overgebracht.</p>
-<p class="par">Daar M&uuml;llenhoffs betoog ingewikkeld en niet al te
-helder is, zullen wij achtereenvolgens de volgende vragen
-beantwoorden:</p>
-<p class="par">Heeft er een halfgod Beowa bestaan; was hij door de
-Angelsaksen gekend; heeft hij Grendel overwonnen, en kan men bewijzen,
-dat deze Beowa in den held van ons epos is schuilgegaan?</p>
-<p class="par">I. Van de Angelsaksische koningen, die in Engeland na de
-volksverhuizing regeerden, zijn geslachtslijsten tot ons gekomen,
-waarvan sommige van Engelsche andere van Scandinavische herkomst
-zijn.</p>
-<p class="par">Al deze genealogie&euml;n komen hierin overeen, dat zij
-tot den god <i>Wodan</i>, den stamvader der Angelsaksische koningen,
-opklimmen.</p>
-<p class="par">In sommige echter, onder anderen in de
-<i>Saksenkroniek</i>, zijn nog eenige namen als voorvaders van Wodan
-toegevoegd; de lijst begint met <i>Sceaf</i>, dan volgt <i>Sceldwa</i>
-(of Scyldwa), dan <i>Beaw</i> (elders Beawa, Beow, Beowa geheeten) en
-zoo verder tot aan Wodan, terwijl ook <i>Heremod</i> en
-<i>Ge&aacute;t</i> genoemd worden.</p>
-<p class="par">Welnu deze Sceaf is, als voorvader van den door de
-Duitsche volken als hun stamvader beschouwden Wodan, reeds daardoor
-zelf een mythisch wezen.</p>
-<p class="par">Dit blijkt nog uit andere berichten; volgens deze zouden
-de Saksen naar Sceaf genoemd en zijn zoon <i>Scyld</i> de eerste
-bewoner van Germani&euml; geweest zijn; terwijl aan de negen zonen van
-zijnen kleinzoon <i>Beovinus</i> alle Germaansche volken langs Oost- en
-Noordzee het ontstaan te danken hebben. <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span></p>
-<p class="par">Van Sceaf gaat ook de sage uit van het geheimzinnige
-schip, waarin hij als kind werd uitgezet op eene korenschoof, te midden
-van wapens en kleinoodi&euml;n.</p>
-<p class="par">Schip en garve zien op zeevaart en akkerbouw, wapens en
-kleinoodi&euml;n op krijg en koninkschap; van Sceaf dagteekent dus de
-eerste beschaving der Germaansche kustbewoners.</p>
-<p class="par">Doch niet alleen Sceaf is een mythisch wezen, maar ook
-zijne twee nakomelingen Scyld en Beowa.</p>
-<p class="par">Het zijn slechts mythische uitbreidingen van de natuur
-van Sceaf, die zijne beteekenis verder uitwerken en in wezenlijkheid
-niets anders zeggen dan hetgeen Sceafs mythos reeds te kennen geeft;
-want vader en zoon zijn in de godenleer doorgaans verschillende namen
-van een en hetzelfde wezen.</p>
-<p class="par">Dit leert ons de ontleding van de namen: <i>Scyld</i>,
-<i>Sceldwa</i>, <i>Scyldwa</i> is de &laquo;schermheer, de met het
-schild dekkende&raquo; en vertegenwoordigt het koninkschap.</p>
-<p class="par"><i>Be&aacute;</i> van de wortel <i>bhu</i> &laquo;zijn,
-wonen, worden, wassen,&raquo; verpersoonlijkt het vreedzame verblijf in
-woningen<a class="noteref" id="xd21e3914src" href="#xd21e3914" name="xd21e3914src">18</a>.</p>
-<p class="par">Wat nog pleit voor de eenzelvigheid van Sceaf en Scyld
-is, dat in ons epos de sage van Sceafs scheepvaart op den zoon is
-overgebracht.</p>
-<p class="par">Ten slotte kunnen wij ons beroepen op eene
-geschiedkundige getuigenis, waaruit blijkt, dat <i>Ge&aacute;t</i>, een
-der voorloopers van Wodan, als eene godheid werd aangemerkt:
-<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span></p>
-<p class="par">Kurth, blz. 92, geeft de volgende aanhaling: <i>quem
-Getam jamdudum pagani pro Deo venerabantur</i>. (Asser, <i>De rebus
-gestis Aelfredi in Script. Rer. Brit.</i> blz. 468.)</p>
-<p class="par">II. Was deze <i>Beaw</i>, wiens mythisch karakter ons
-gebleken is, in Engeland inheemsch?</p>
-<p class="par">Het antwoord moet bevestigend luiden, immers de
-geslachtslijsten, welke van zijn bestaan getuigenis afleggen, behooren
-alle oorspronkelijk in Engeland thuis, daar de Scandinavische
-genealogie&euml;n op de Angelsaksische leest geschoeid zijn<a class="noteref" id="xd21e3957src" href="#xd21e3957" name="xd21e3957src">19</a>.</p>
-<p class="par">Doch een bewijs, dat den doorslag geeft, vindt
-M&uuml;llenhoff in eenige Engelsche plaatsnamen, welke in oude
-oorkonden voorkomen: <i lang="ang">Beowan hamm</i> &laquo;Beowa&rsquo;s
-hoeve&raquo;<span class="corr" id="xd21e3969" title="Niet in bron">,</span> <i lang="ang">Grendles mere</i> &laquo;Grendels
-meer&raquo;, <i lang="ang">Grindles bec</i> &laquo;Grendels
-beek&raquo;, <i lang="ang">Grindeles pytt</i> &laquo;Grendels
-moeras&raquo;, en <i lang="ang">B&eacute;as br&ocirc;c</i> &laquo;Beaws
-broekland.&raquo;</p>
-<p class="par">Deze plaatsnamen zijn het stelligste bewijs, dat het
-geloof aan eenen heros Beowa in zuidelijk Engeland bij het volk
-algemeen verbreid was.</p>
-<p class="par">III. Deze Beowa werd door de Angelsaksen vereerd als de
-dooder van het watermonster Grendel.</p>
-<p class="par">Hoe weet M&uuml;llenhoff dat? Hier ligt juist de knoop;
-immers aan te nemen, dat Beowa Grendel doodde, enkel en alleen omdat
-Beowulf dit in het epos doet, en van den anderen kant, dat Beowulf een
-mythische held is geworden, omdat er een mythische Grendeldooder Beowa
-bestond: dit zou een goochelkunstje zijn, dat men in de redeneerkunde
-met den deftiger naam van <i lang="la">petitio principii</i>
-bestempelt. <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span></p>
-<p class="par">Het <i>afzonderlijk</i> voorkomen van plaatsnamen als
-<i>Beowan hamm</i> en <i>Grendles mere</i> geeft ook geene uitkomst;
-w&eacute;l, indien de twee namen <i>te zamen</i> voorkomen, want dan is
-men gewettigd een oorspronkelijk <i>verband</i> tusschen Beowa en
-Grendel aan te nemen.</p>
-<p class="par">Dit nu is gelukkigerwijze het geval, en hier ligt dus
-het zwaartepunt van M&uuml;llenhoffs gezamenlijk betoog.</p>
-<p class="par">IV. Eene opgave van het hoogste belang is vast te
-stellen, dat deze Beowa zich in den geschiedkundigen held heeft
-opgelost; zoo niet, dan zijn al de tot hiertoe verkregen uitkomsten
-doelloos.</p>
-<p class="par">Men diene in het oog te houden, dat in ons epos twee
-personen den naam van Beowulf dragen<span class="corr" id="xd21e4018"
-title="Bron: .">:</span> <i>Beowulf de Deen</i>, welken wij door
-Beowulf<sup>1</sup> voorstellen en die, als zoon van Scyld en als
-grootvader van den Deenschen koning Hrodgar, alleen in de Inleiding
-verschijnt, en <i>Beowulf de Goot</i> of Beowulf<sup>2</sup>, de held
-van het gedicht.</p>
-<p class="par">In Beowulf<sup>1</sup> steekt de Angelsaksische heros.
-Door invloed van Beowulf<sup>2</sup> werd in plaats van Beow, zooals
-het had moeten zijn, Beowulf<sup>1</sup> geschreven, welke naam
-buitendien er op gelijkt.</p>
-<p class="par">Dit volgt onmiddellijk uit de vergelijking van de boven
-genoemde koningslijsten met Hrodgars stamboom in de inleiding van het
-gedicht. Hrodgars voorouders zijn: <i>Sceaf</i>, <i>Scyld</i>,
-<i>Beowulf</i><sup>1</sup>.</p>
-<p class="par">Deze trits namen is, met uitzondering van den
-3<sup>den</sup>, identisch met <i>Sceaf</i>, <i>Scyldwa</i>,
-<i>Beow</i> uit de Angelsaksische genealogie&euml;n; dus is
-<i>Beowulf</i><sup>1</sup> voor <i>Beow</i> verschreven.</p>
-<p class="par">Doch nog meer, de sage van den mythischen Sceaf
-ontmoeten wij insgelijks in het epos, ofschoon op Scyld toegepast; een
-bewijs dat wij in den grond met een en dezelfde lijst te doen hebben.
-<span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span></p>
-<p class="par">Daaruit moet men besluiten, dat het gedicht den stamboom
-der Angelsaksische koningen aan het Deensche vorstenhuis heeft
-toegekend.</p>
-<p class="par">M&uuml;llenhoff schrijft deze overdrage toe aan de
-gelijkheid van naam tusschen den <i>Scyldwa</i> of <i>Scyld</i> der
-Angelsaksen en den eponymus of naamgever der Deensche koningen, welke
-<i>Scyldingen</i> d. i. &laquo;afstammelingen van Scyld&raquo; zijn
-bijgenaamd.</p>
-<p class="par">De rest der redeneering is klaar. Daar de mythische
-Beow, de dooder van Grendel, in het epos voorkomt, doch zonder
-vermelding van zulk wapenfeit, hetwelk integendeel aan
-Beowulf<sup>2</sup> wordt toegeschreven, zoo ligt het voor de hand, dat
-zijne daden op Beowulf<sup>2</sup> zijn overgebracht.</p>
-<p class="par">Zoo werd de halfgod, wegens de overeenkomst van naam,
-vereenzelvigd met den geschiedkundigen neef van Hygelac.</p>
-<p class="par">V. Welke dichterlijke opvatting der natuurkrachten ligt
-aan dezen Beowa-mythos en bijgevolg aan Beowulf<sup>2</sup> ten
-grondslag?</p>
-<p class="par">Beowulf is de lichtheros, welke in &rsquo;t voorjaar de
-overstroomende zee terugdrijft, doch bij het aanbreken van den winter
-verdwijnt.</p>
-<p class="par">M&uuml;llenhoff verklaart deze voorstelling als
-volgt:</p>
-<p class="par">Drie groote heldendaden van Beowulf dragen een mythisch
-karakter:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> De zwemwedstrijd met Brecca, waarin
-Beowulf den 7<sup>n</sup> dag het land der Finnen d. i. Lapland
-bereikt.</p>
-<p class="par">Hij is bijgevolg den poolstroom te gemoet gezwommen en
-kan diensvolgens als een mythisch wezen opgevat worden, dat in zijne
-jeugd, d. i. in het voorjaar de winterstormen der zee overwint.</p>
-<p class="par">De zee is door zijnen tegenstander, <i>Brecca</i>,
-vertegenwoordigd. Immers Brecca &laquo;die door de golven breekt&raquo;
-is vorst der <i>Brondigen</i> d. i. de branding. <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span>De naam
-zijns vaders <i>Be&aacute;nstan</i> hangt samen met <i>bauni</i>
-&laquo;walvisch&raquo;.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Op zijnen mannelijken leeftijd bekampt
-Beowulf den reus Grendel en dezes moeder.</p>
-<p class="par">Nu is hij het goddelijke wezen, dat den mensch tegen
-watermonsters d. i. de stormige zee beschermt; Grendel en diens moeder
-stellen de wilde Noordzee voor.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Na eene vijftigjarige vreedzame regeering
-doodt de vergrijsde held den draak, doch niet zonder zich van zijne
-schatten meester gemaakt te hebben.</p>
-<p class="par">De draak beteekent dikwerf een vernielend stroomend
-water en verbeeldt hier de overstroomende Noordzee in den herfst na den
-rustigen zomertijd.</p>
-<p class="par">De zonneheros schenkt de schatten van den bodem aan de
-menschen, doch zijne macht loopt ten einde, want de noordsche winter
-staat voor de deur.</p>
-<p class="par">VI. M&uuml;llenhoff gaat nog verder en ziet in
-Beowa-Beowulf den god <i>Ing</i> d. i. <i>Freyr</i>, den stamvader der
-Ingaevonen, of beter <i>Niordr</i> en <i>Freyr</i>, vader en zoon.
-Immers Freyr heet ook <i>Yngwi</i>, <i>Yngwifreyr</i>.</p>
-<p class="par">De Ingaevonen waren, volgens Tacitus, de volken, welke
-aan de kust der Noordzee leefden &laquo;proximi Oceano
-Ingaevones&raquo;; hiertoe behoorden dus ook de Angelen en Saksen.</p>
-<p class="par">Freyr beschermt oogst, handel en scheepvaart; hij
-verslaat Beli, den zoon van den zeereus Gymir, met een hertegewei, dat
-deze dieren in de lente afleggen; hij maakt door zijne zege de zee
-weder bevaarbaar en verdrijft de den menschen verderfelijke
-reuzenmachten.</p>
-<p class="par">VII. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Beowa-mythos
-den Angelsaksen in hun oorspronkelijk verblijf op het vasteland d. i.
-in Sleeswijk-Holstein <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82"
-name="pb82">82</a>]</span>bekend was en van daar naar Engeland werd
-overgeplant.</p>
-<p class="par">Wortelde hij zich daar vast, alvorens hij op Beowulf
-werd overgedragen, zooals M&uuml;llenhoff meent; ofwel had, volgens
-Symons, ten Brink en anderen, de versmelting reeds in Denemarken
-plaats; ziedaar eene twistvraag, welke wij in het midden laten.</p>
-<p class="par">Volledigheidshalve zij enkel nog bijgevoegd, dat
-Mannhardt, Simrock en Nathana&euml;l M&uuml;ller zich niet voor een
-Freyr&mdash;maar voor een Thorheld uitspreken; de laatste onderscheidt
-buitendien tusschen Beowulf<sup>1</sup>, die als derde bijgestalte van
-Sceaf den god <i>Wali</i>, en Beowulf<sup>2</sup>, die <i>alleen</i>
-Thor voorstelt.</p>
-<p class="par">Na M&uuml;llenhoffs stelsel uiteengezet te hebben is het
-zake van er eenige beschouwingen aan toe te voegen; immers ieder
-niet-mytholoog zal erkennen, dat de aangevoerde bewijzen op geene
-volslagen zekerheid, maar hoogstens op waarschijnlijkheid kunnen
-aanspraak maken.</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> Verschillende geleerden, onder anderen
-Symons, zien in Beowulf enkel en alleen eenen <i>heros</i>; zoodat het
-overbodig is, tot eenen vermenschelijkten <i>god</i> zijne toevlucht te
-nemen.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Indien de naam van Beowulf<sup>2</sup> den
-halfgod Beowa verkeerdelijk tot Beowulf<sup>1</sup> herdoopt heeft, dan
-mag men zich afvragen, waarom die terugwerking zich maar binnen zekere
-grenzen heeft doen gevoelen, daar Sceaf, Scyld en Beowulf<sup>1</sup>
-alleen de voorvaders van de <i>Deensche</i> koningen en niet van
-Beowulf<sup>2</sup> geworden zijn.</p>
-<p class="par">Of zou dit pleiten voor eene Deensche herkomst van den
-eersten zang?</p>
-<p class="par">Dat die invloed op zoo&rsquo;n goeden weg is blijven
-steken, is des te meer te verwonderen, als men nagaat, dat <i>niet</i>
-Hrodgar maar Beowulf<sup>2</sup> identisch is met Beowulf<sup>1</sup>,
-ten minste volgens M&uuml;llenhoff. <span class="pagenum">[<a id="pb83"
-href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span></p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Indien de Beowa-mythos zoozeer verspreid
-was in Engeland, waarom bewaart de <i>W&#299;ds&#299;dh</i> er dan het
-zwijgen over?</p>
-<p class="par">4<sup>o</sup> Als men de volksheldendichten beschouwt,
-komt men tot de ervaring, dat het mythisch wezen van den held
-langzamerhand in de schaduw is gedoken, terwijl zijn menschelijk
-karakter in gelijke mate op den voorgrond treedt. Dit neemt nochtans
-niet weg, dat er kenmerken gebleven zijn, die den vroegeren halfgod
-verraden.</p>
-<p class="par">Zoo zien wij in de Ilias, dat Achilleus met de goden
-omgaat, dat hij onkwetsbaar is en daarenboven eene godin tot moeder
-heeft.</p>
-<p class="par">Eenige overgebleven mythische trekken zijn ook in het
-Duitsche Nibelungenlied waar te nemen, om niet te spreken van de
-Noordsche overlevering, waar het mythische bestanddeel overwegend is.
-Sigfried is onkwetsbaar, evenals Achilleus, en beschikt over de
-onzichtbaar makende <i>tarnkappe</i>.</p>
-<p class="par">Indien bijgevolg Beowulf oorspronkelijk een hooger wezen
-is, dan moeten wij den vinger kunnen leggen op eenige sporen van die
-oude opvatting.</p>
-<p class="par">Dit nu is niet het geval, integendeel wij vinden ons in
-een geheel en al menschelijk midden verplaatst, al de daden en
-roerselen getuigen dit eene: <i>homo sum</i>!</p>
-<p class="par">Of moet Beowulfs bovenmatige kracht, welke tegen die van
-dertig man opwoog, moet zijne bedrevenheid in het zwemmen, waardoor hij
-eerst tot in het hooge Noorden doordrong en later van Nederland uit
-Jutland bereikte, als mythische trekken worden beschouwd, daar zij het
-vermogen van een gewoon sterveling te boven gaan?</p>
-<p class="par">Dit schijnt mij niet aannemelijk, immers deze groote
-lichaamsgaven maken juist van Beowulf den <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span><i>held</i>, maar
-stempelen hem daarom nog niet tot een mythisch wezen, tot eenen
-halfgod.</p>
-<p class="par">Immers de held van het <i>epos</i> kenmerkt zich door
-daden, die van het <i>treurspel</i> door hartstochten, welke het gewone
-peil verre overschrijden.</p>
-<p class="par">Daar Beowa Grendel doodde en als zoodanig alleen vereerd
-werd, zou men met recht bij de beschrijving van <i>dien</i> kamp eenig
-mythisch spoor verwachten; doch vruchteloos, tenzij men de handschoen
-voor zoo iets houde!</p>
-<p class="par">Beowulfs gevecht in de onderzeesche woning met Grendels
-moeder draagt eerder eene phantastische dan wel mythische kleur, en ik
-zou ook geneigd zijn, dit van den kamp met den draak aan te nemen, zoo
-niet de draak in tal van mythen eene rol speelde.</p>
-<p class="par">Wij trekken hieruit het besluit, dat geen mythische trek
-in het epos is aan te wijzen buiten den draak, welke onmetelijke
-schatten bewaakt; want al doemen er ook andere gestalten in op als
-<i>Sceaf</i>, <i>Sigmund</i>, <i>Hama</i>, <i>Weland</i>, die allen
-oorspronkelijk mythische wezens zijn, geen dier personen behoort tot de
-kern van de Beowulf-sage.</p>
-<p class="par">Nochtans komen wij hiermee niet veel verder, daar,
-zooals blijkt uit de plaatsnamen, alleen Grendel, <i>doch niet de
-draak</i>, iets met den Beowa-mythos te maken heeft.</p>
-<p class="par">5<sup>o</sup> Wij hebben gezien, dat de twee te zamen
-behoorende plaatsnamen <i>Beowan hamm</i> en <i>Grendles mere</i> de
-spil zijn, waarop heel het betoog van M&uuml;llenhoff draait.</p>
-<p class="par">Ontbreekt die overeenstemming, dan blijft het nog altoos
-waar, dat een heros Beowa bestaan heeft; doch of die in eenig verband
-staat met Grendel en bijgevolg met Beowulf, kunnen wij alsdan uit niets
-afleiden, of het zou uit eene verre overeenkomst van naam (Beowa,
-Beowulf) moeten zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85"
-name="pb85">85</a>]</span></p>
-<p class="par">Men ziet, hoe M&uuml;llenhoffs stelsel, al vormt het ook
-een afgerond en scherpzinnig geheel, op de punt eener naald is
-opgetrokken.</p>
-<p class="par">Jammer dat deze zwakke steun dan nog wordt omgeknipt
-door Thomas Miller in <i lang="en">The Academy</i> (1894, 12 May).</p>
-<p class="par">Hij toont aan, dat in de plaatsnamen <i>bowan hammes</i>
-en <i>grendles mere</i>, welke in het &laquo;Cartularium
-Saxonicum&raquo; n<sup>o</sup> 677 voorkomen, <i>Grendel</i> niet een
-eigennaam maar een gemeennaam is, welke <i lang="en">drain</i> d. i.
-afwateringsbeek beteekent. Hij vertaalt <i>grendles mere</i> door
-<i lang="en">the cess pool</i> d. i. het afwateringsmeer, het
-turfmeer.</p>
-<p class="par">Miller leidt deze beteekenis van het woord af uit twee
-andere plaatsen van dezelfde oorkonde, waar het woord <i>grendel</i>
-alleenstaande voorkomt.</p>
-<p class="par">De slotsom dezer beschouwingen is, dat men tot nog toe
-het mythische bestanddeel der Beowulf-heldensage met geene voldoende
-zekerheid of zelfs waarschijnlijkheid kan aanwijzen, en dat
-M&uuml;llenhoffs uitspraak, op het zachtst uitgedrukt, voorbarig mag
-heeten, wanneer hij zegt:</p>
-<p class="par"><span lang="de"><i>&laquo;Es ist nicht zu bezweifeln</i>
-dass die Angeln und Sachsen, die sich in England niederliessen, den
-mythus vom kampf mit dem wasserunhold Grendel, den das gedicht dem
-Beowulf beilegt, urspr&uuml;nglich von dem mythischen Beav ihrer
-genealogie erz&auml;hlten.....&raquo;</span> Men kan het Thorpe dus
-niet euvel duiden, als hij een loopje neemt met de Duitsche
-mythologen.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e4384" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main"><span class="corr" id="xd21e4386" title="Bron: Geatas">Ge&aacute;tas</span>.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het volk, wiens heldenfeiten bezongen worden, zijn
-niet de Denen, maar de <i>Ge&aacute;tas</i>; Beowulf<sup>2</sup>, dien
-wij in &rsquo;t vervolg kortweg Beowulf zullen heeten, was een
-Ge&aacute;t. <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span></p>
-<p class="par">Welk Germaansch volk beantwoordt aan de
-<i>Ge&aacute;tas</i>?<a class="noteref" id="xd21e4403src" href="#xd21e4403" name="xd21e4403src">20</a></p>
-<p class="par">De meeningen loopen uiteen. Kemble hield de
-Ge&aacute;tas voor Angelen; Ettm&uuml;ller, Thorpe en M&uuml;llenhoff
-voor de bewoners van zuidelijk Zweden; want de vorm
-<i>Ge&aacute;tas</i> stemt, volgens de woordafleiding, overeen met
-Zweedsch <i>Gotar</i>, Oudnoordsch <i>Gautar</i>, waardoor de bevolking
-van de Zweedsche landstreek Westerg&ouml;tland bedoeld wordt.</p>
-<p class="par">Leo en Bugge zien er integendeel de Jutten in, al
-stuiten zij ook op de spraakkundige moeilijkheid, dat de vorm
-&laquo;Jutten&raquo; in &rsquo;t Angelsaksisch <i>E&oacute;tas</i>,
-<i>Jotas</i>, (Oudnoordsch <i>J&oacute;tar</i>) en niet
-<i>Ge&aacute;tas</i> moest opleveren.</p>
-<p class="par">Halen wij Bugge&rsquo;s voornaamste bewijsgronden aan,
-hoofdzakelijk ontleend aan den Zweedschen geschiedschrijver Pontus
-Fahlbeck, en welke mijns inziens de schaal te zijnen voordeele doen
-overhellen.</p>
-<p class="par">Een taalkundig bewijs tegenover taalkundig bewijs is het
-volgende: In de vertaling van Beda&rsquo;s werk <i>De Jutarum
-Origine</i> geeft koning Alfred, die toch in het Angelsaksisch thuis
-moest zijn, den naam Jutten door <i>Ge&aacute;tas</i> weer, daar hij
-het Latijnsche opschrift door <i>Of Ge&aacute;ta fruman</i>
-vertolkt.</p>
-<p class="par">Uit talrijke plaatsen van het gedicht komt men tot de
-overtuiging, dat de <i>Ge&aacute;tas</i> een zeevarend volk zijn. Dit
-past geheel en al bij de Jutten, maar niet bij de Westergoten, wier
-hoofdnederzetting sinds alouden tijd bij Skara is geweest. Deze
-Zweedsche Westergoten hebben bijna geene kusten en laten <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>zich in
-de geschiedenis niet als eigenlijk zeevolk aanwijzen.</p>
-<p class="par"><i>Ge&aacute;tas</i> en <i>Sw&eacute;on</i> (Zweden)
-zijn door de zee gescheiden, welke naar luid van het epos de
-<span class="corr" id="xd21e4473" title="Bron: eenigste">eenige</span>
-verbindingsweg moet zijn.</p>
-<p class="par">Welnu deze gemeenschap langs den waterweg is
-onvereenigbaar met de plaatselijke verhouding tusschen Westergotland en
-het eigenlijke Zweden, doch noodzakelijk bij de ligging van
-Jutland.</p>
-<p class="par">Hygelac, koning der Ge&aacute;tas, onderneemt eenen
-krijgstocht, naar het land der Franken; in overeenstemming hiermede
-beschouwen de Ge&aacute;tas de Franken en Friezen als hunne
-hoofdvijanden na de Zweden.</p>
-<p class="par">Dit klinkt zonderling, als er van de verre Westergoten
-sprake is, doch is natuurlijk, als men aan de Jutten denkt.</p>
-<p class="par">Bij de Frankische kroniekschrijvers wordt Hygelacs volk
-<i>Dani</i> geheeten. Dit verstaat zich gemakkelijk van de Jutten, die
-in de Noordsche bronnen van historischen tijd onder de Denen begrepen
-worden, doch niet van de Zweden.</p>
-<p class="par">Dat ons epos Ge&aacute;tas en Denen streng uit elkander
-houdt, vindt zijne verklaring in den staatkundigen toestand der beide
-volken, die elk een afzonderlijk rijk uitmaakten.</p>
-<p class="par">B. ten Brink neemt eene afzonderlijke stelling in. Voor
-hem zijn de Ge&aacute;tas noch Angelen, noch Zweden, noch Deensche
-Jutten, maar <i>Engelsche</i> Jutten.</p>
-<p class="par">Hij beroept zich op de volgende plaats van Beda:
-&laquo;De Jutarum origine (Deensche Jutten) sunt Cantuarii (die van
-Kent) et Victuarii, hoc est ea gens, quae Vectam (eiland Wight) tenet
-insulam et ea, quae usque hodie in provincia Occidentalium Saxonum
-(Wessex) Jutarum natio nominatur, posita contra ipsam insulam
-Vectam.&raquo; <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span></p>
-<p class="par">Dus Kent, Wight en de tegenoverliggende kuststreek in
-Wessex werden door denzelfden stam bewoond, terwijl de laatsten in
-Beda&rsquo;s tijd nog den naam van Jutten voerden.</p>
-<p class="par">Deze Engelsche Jutten waren, volgens ten Brink, niet van
-hetzelfde bloed als de <i>latere</i> bewoners van Jutland. Hij
-veronderstelt, dat hun naam aan het land gebleven is na hun vertrek
-naar Brittanje, zoodat hij op de later komende <i>Deensche</i> Jutten
-overging. Deze oudste Jutten zijn derhalve de <span class="corr" id="xd21e4508" title="Bron: Geatas">Ge&aacute;tas</span>.</p>
-<p class="par">Er bestaat geen ernstige grond om tusschen de Engelsche
-en Deensche Jutten eene scheidslijn te trekken.</p>
-<p class="par">Much neemt aan, dat zich Jutten onder de Germaansche
-veroveraars van Engeland bevonden, doch hij ziet er en met hem
-M&ouml;ller geen van de Deensche Jutten onderscheiden, maar wel
-<i>hetzelfde</i> Duitsche volk in, waarvan een deel op Jutland bleef en
-met de nieuw aangekomen Denen het land verdeelde.<a class="noteref" id="xd21e4518src" href="#xd21e4518" name="xd21e4518src">21</a></p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd21e4522width"><img src="images/o088.png" alt="Ornament." width="41" height="41"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e4526" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Nationaliteit van den Beowulf.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Of Beowulf het werk van eenen Engelschen,
-Deenschen, dan wel Zweedschen dichter is, blijft tot nog toe de
-twistappel.</p>
-<p class="par">Drie punten vergen vooraf de aandacht:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> Hoe komt het, dat de Angelen en Saksen
-niet genoemd worden in een in het Angelsaksisch opgesteld gedicht, dat
-zoovele volksnamen behelst? <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span></p>
-<p class="par">Hierop is nog geen bevredigend antwoord ingediend. Ten
-Brink geeft de volgende verklaring: Toen de gebeurtenissen plaats
-grepen, welke het ontstaan zouden geven aan Beowulf, was een groot deel
-der Engelsche stammen reeds naar Brittani&euml; vertrokken. Van hen,
-die in het vaderland waren gebleven, waren de meesten reisvaardig en
-dachten alleen aan de nieuwe woonstede.</p>
-<p class="par">2<sup><span class="corr" id="xd21e4544" title="Bron: e">o</span></sup> Daar de <span class="corr" id="xd21e4547"
-title="Bron: Geatas">Ge&aacute;tas</span> herdacht worden in een
-Angelsaksisch gedicht, staan wij voor het verbazende feit, dat
-vreemdelingen bezongen worden in een nationaal epos.</p>
-<p class="par">Deze moeilijkheid valt weg, als men zich te binnen
-brengt wat boven gezegd werd, dat zich onder de uitgewekenen naar
-Engeland ook Jutten bevonden, welke, zooniet van denzelfden stam, dan
-toch met de Angelsaksen verwant waren.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Over Deensche toestanden wordt met kennis
-van zaken en met belangstelling uitgeweid; immers de ligging van
-Hrodgars burcht niet ver van zee, de zorgvuldige beschrijving van
-Heorot en vooral van de omgeving, de bekendheid met de verhoudingen aan
-het Deensche hof, dit alles bewijst, dat de dichter de landstreek
-tusschen <i>Roeskilde</i> en <i>Lerje</i>, de oude zetelplaats der
-Deensche koningen op Seeland, met eigen oogen heeft opgenomen.</p>
-<p class="par">Deze getrouwheid der plaatsbeschrijving, welke men zich
-in de veronderstelling van een in Engeland geboren epos moeilijk kan
-verklaren, is een der voornaamste redenen, waarom Sarrazin in den
-Beowulf de vertaling ziet van een oorspronkelijk Deensch gedicht.</p>
-<p class="par">Thorpe kent er, schoon steunende op zwakker gronden,
-eenen Zweedschen oorsprong aan toe. Hij beroept zich op het vers in de
-Inleiding, waar gezegd <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90"
-name="pb90">90</a>]</span>wordt, dat Beowulfs roem de
-<i>Schedelanden</i> d. i. Scandinavi&euml; binnendrong; waardoor de
-dichter te kennen geeft, dat het verhaal hem in zijn eigen
-&laquo;home&raquo; bereikt heeft.</p>
-<p class="par">Vervolgens zou het gedicht naar Engeland zijn
-overgebracht, alwaar het tijdens de invallen der Denen vertaald werd.
-R&ouml;nning werkt Thorpes opvatting verder uit.</p>
-<p class="par">Eindelijk hebben wij de meening van M&uuml;llenhoff en
-ten Brink; voor hen is de Beowulf geene vertaling, geen vreemd
-lettervoortbrengsel, maar een echt Oudengelsch gewrocht.</p>
-<p class="par">Deze laatste zienswijze vindt de meeste
-voorstanders.</p>
-<p class="par">Wij zullen de verschillende bewijsgronden niet nagaan,
-welke voor of tegen elk der drie meeningen zijn ingebracht, maar ons
-bepalen bij eene beschouwing van ten Brink, welke ons afdoende
-voorkomt.</p>
-<p class="par">De eigenschappen, waardoor de Beowulf uitblinkt,
-veronderstellen eenen hoogen graad van zedelijke ontwikkeling, van
-beschaving, welke in de 7<sup>e</sup> eeuw en 8<sup>ste</sup> eeuw bij
-geen Germaansch volk, tenzij bij de Engelschen, wordt aangetroffen en
-allerminst bij de Scandinavi&euml;rs (Denen en Zweden).</p>
-<p lang="de" class="par">&laquo;Man vergegenw&auml;rtige sich doch nur
-den Verkehr zwischen Beowulf und dem D&auml;nenk&ouml;nige, seinem
-ganze Verlaufe nach, um die Ueberzeugung zu gewinnen, dass hier eine
-Humanit&auml;t sich &auml;ussert, von der die &auml;ltere Dichtung
-anderer germanischer und ebenso romanischer V&ouml;lker kein Beispiel
-bietet.&raquo;</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e4592" title="Bron: ten">Ten</span> Brink merkt buitendien nog op, dat geen der
-verwante Scandinavische sagen den echten naam van den held kent, welke
-<i>Bj&oacute;lfr</i> zou moeten luiden, evenmin als de Noordsche
-overlevering eenige herinnering <span class="pagenum">[<a id="pb91"
-href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>bewaard heeft van den
-strooptocht naar den Rijn, die den stoot gaf tot de vorming onzer
-heldensage.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e4600" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Tijd van voltooiing.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Uit welken tijd dagteekent de vervaardiging van
-het Beowulf-epos? Het ligt in den aard der zaak, dat het epos slechts
-langzamerhand door ineensmelting van meer of minder oude zangen zijnen
-tegenwoordigen vorm verkregen heeft, zoodat deze letterkundige
-kristallisatie zich over verschillende eeuwen kan hebben
-uitgestrekt.</p>
-<p class="par">Daarom zullen wij eerst de grenzen afbakenen,
-waartusschen het gedicht moet tot stand gekomen zijn.</p>
-<p class="par">Afgezien van den Beowa-mythos kan er van het eigenlijke
-epos geen sprake zijn v&oacute;&oacute;r 515&ndash;20, toen de inval
-van Hygelac plaats greep.</p>
-<p class="par">Van den anderen kant moet het gedicht v&oacute;&oacute;r
-de 9<sup>de</sup> eeuw, d. i. v&oacute;&oacute;r de plundertochten der
-Denen in Engeland, kant en klaar zijn geweest; hoe zou men anders aan
-de Denen zulken lof toegezwaaid hebben?</p>
-<p class="par">In deze speelruimte van ruim twee en een halve eeuw valt
-een tijdperk uit de Engelsche geschiedenis aan te wijzen, dat onder het
-oogpunt van beschaving aan de voorwaarden beantwoordt, welke ons epos
-noodzakelijkerwijze vooropstelt.</p>
-<p class="par">Deze voorwaarden zijn volgens ten Brink: een
-volksbewustzijn, dat zich uit in het gevolgschapswezen, beschaving,
-verzachting der zeden, verdraagzaam samenzijn van christendom en
-heidendom.</p>
-<p class="par">Welnu aan al deze eischen voldoet de maatschappelijke
-toestand van het Northumberlandsche rijk in &rsquo;t begin der
-7<sup>de</sup> eeuw, onder de regeering van <i>E&aacute;dwini</i>.
-<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span></p>
-<p class="par">Hij was het die Bernici&euml; en Deira tot
-&eacute;&eacute;n rijk vereenigde, zijn gezag uitbreidde, de Kelten en
-Schotten met goed gevolg beoorloogde, de openbare veiligheid, eene
-voorwaarde van alle ware beschaving, in de hand werkte en in 627 tot
-het Christendom overging.</p>
-<p class="par">Na hem bereikte Northumberland onder <i>Oswald</i> en
-daarna onder <i>Oswiu</i> zijne hoogste macht.</p>
-<p class="par">Toen vormde zich die breede epische stijl, welke in de
-2<sup>de</sup> helft der 7<sup>de</sup> eeuw in het naburige rijk
-Merci&euml; zijn beslag kreeg, vooral door toevoeging van episoden.</p>
-<p class="par">Het Beowulf-epos werd dus in den loop der
-<i>7<sup>de</sup> eeuw</i> voltooid.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e4654" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Het Handschrift.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het handschrift klimt op tot de 10<sup>de</sup>
-eeuw en wel tot de 2<sup>de</sup> helft, naar ten Brink; het is het
-werk van twee afschrijvers, van welke de tweede, die zich vooral door
-het gebruik van <i>i&oacute;</i> in plaats van <i>e&oacute;</i>
-kenmerkt, bij het woord <i>m&ocirc;ste</i> v. <a href="#v1940">1940</a>
-begint.</p>
-<p class="par">Het handschrift bevindt zich te Londen, in de
-Cottonische Bibliotheek van het British Museum.</p>
-<p class="par">Ziehier wat Thorpe er in zijne Inleiding over zegt:</p>
-<p class="par">Al de handschriften der Angelsaksische po&euml;zie zijn
-van eene betreurenswaardige onnauwkeurigheid en verraden bijna op elke
-bladzijde de onwetendheid van eenen ongeletterden afschrijver, die
-(gelijk het de kloostergewoonte was) dikwijls op <i>dictee</i>
-neerschreef; maar onder de Angelsaksische handschriften mag, ik ben er
-zeker van, dat van den Beowulf in gemoede als het slechtste beschouwd
-worden, afgezien van zijnen huidigen beklaaglijken toestand, ten
-gevolge van den brand in Cotton House in 1731, <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>die het
-ernstig beschadigde, zoodat het gedeeltelijk wrijfbaar als zwam is
-geworden.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e4689" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">De Versbouw.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Algemeene Bemerkingen.</i> De versbouw van den
-Beowulf is aan alle Duitsche volken gemeen en bestaat in het rijmlooze
-geallitereerde vers.</p>
-<p class="par">Het geallitereerde vers is, ten minste bij de
-Westgermanen, uit twee deelen nl. <i>halfverzen</i> samengesteld, welke
-door de stemrust gescheiden zijn.</p>
-<p class="par">Het stafrijm, dat beide halfverzen tot een geheel
-verbindt, brengt de eenheid tot stand.</p>
-<p class="par">Niet alleen de verzen, maar ook de halfverzen van
-denzelfden regel volgen niet altijd eenen eenvormigen rhythmus;
-integendeel<span class="corr" id="xd21e4705" title="Niet in bron">,</span> er heeft wisseling van verscheiden bepaalde
-versmaten plaats.</p>
-<p class="par">Zoo heerscht er afwisseling en vrijheid van
-beweging.</p>
-<p class="par">Maken we dit klaar door eene veronderstelling.</p>
-<p class="par">Terwijl onze tegenwoordige dichters zich doorgaans in
-hetzelfde stuk aan &eacute;&eacute;ne verssoort houden, b. v.
-hexameter, alexandrijn, vijfvoetige jambe, enz., zou de Oudgermaansche
-zanger in den bouw zijner halfverzen nu een gedeelte van eenen
-hexameter gekozen hebben, dan van een alexandrijn, dan weer van de
-vijfvoetige jambe, enz.</p>
-<p class="par">Welk zijn dan de versmaten, die in het geallitereerde
-vers afwisselen?</p>
-<p class="par">Om hierop te antwoorden, behooren wij twee stelsels te
-onderscheiden: sommigen, waaronder Sievers, nemen twee heffingen aan
-voor het halfvers; anderen, waaronder ten Brink, integendeel vier.</p>
-<p class="par">Wij zullen in breede trekken een begrip geven
-<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span>van beide theorie&euml;n en verwijzen voor de
-bijzonderheden naar de uiteenzetting door beide geleerden in den
-&laquo;<span lang="de">Grundriss der Germanischen
-Philologie</span>.&raquo;<a class="noteref" id="xd21e4725src" href="#xd21e4725" name="xd21e4725src">22</a></p>
-<div class="div3 section" id="xd21e4729">
-<div class="divHead">
-<h4 class="main"><span class="divNum">I.</span> <i>Twee
-Heffingen.</i></h4>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Bouw van het halfvers in &rsquo;t algemeen.
-Sievers onderscheidt er de volgende bestanddeelen:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> de beklemtoonde lettergrepen of
-<i>heffingen</i> (&acute;); zij zijn twee in getal.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> de onbetoonde lettergrepen of
-<i>dalingen</i> (&times;).</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> de minder betoonde lettergrepen, welke,
-naar gelang hunne omgeving, dienst kunnen doen voor <i>dalingen</i> b.
-v. k&eacute;rkdeu&#829;r, of voor <i>bijheffingen</i> (`) b. v.
-w&iacute;ndm&ograve;le&#829;n.</p>
-<p class="par">Het halfvers bestaat doorgaans uit vier leden, welke
-hetzij paarsgewijze zijn verbonden, volgens het schema 2 + 2, hetzij
-niet paarsgewijze, volgens het schema 1 + 3 ofwel 3 + 1.</p>
-<p class="par">Vandaar, wat de maat betreft, vijf verschillende
-grondvormen in het halfvers:</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">A</td>
-<td class="cellTop">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellTop">&times;</td>
-<td class="cellTop">|</td>
-<td class="cellTop">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellTop">&times;</td>
-<td rowspan="3" class="xd21e4783 cellTop cellBottom"><img src="images/rbrace3.png" alt="" width="14" height="45"></td>
-<td rowspan="3" class="xd21e4785 cellRight cellTop cellBottom">schema 2
-+ 2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">B</td>
-<td>&times;</td>
-<td>&ndash;&#769;</td>
-<td>|</td>
-<td>&times;</td>
-<td>&ndash;&#769;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">C</td>
-<td class="cellBottom">&times;</td>
-<td class="cellBottom">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellBottom">|</td>
-<td class="cellBottom">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellBottom">&times;</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td rowspan="2" class="xd21e4785 cellLeft cellTop cellBottom">D</td>
-<td rowspan="2" class="xd21e4818 cellTop cellBottom"><img src="images/lbrace2.png" alt="" width="12" height="40"></td>
-<td class="cellTop">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellTop">|</td>
-<td class="cellTop">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellTop">&ndash;&#768;</td>
-<td class="cellTop">&times;</td>
-<td rowspan="2" class="xd21e4830 cellTop cellBottom"><img src="images/rbrace2.png" alt="" width="12" height="40"></td>
-<td rowspan="2" class="xd21e4785 cellRight cellTop cellBottom">schema 1
-+ 3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellBottom">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellBottom">|</td>
-<td class="cellBottom">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellBottom">&times;</td>
-<td class="cellBottom">&ndash;&#768;</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td rowspan="2" class="xd21e4785 cellLeft cellTop cellBottom">E</td>
-<td rowspan="2" class="xd21e4818 cellTop cellBottom"><img src="images/lbrace2.png" alt="" width="12" height="40"></td>
-<td class="cellTop">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellTop">&ndash;&#768;</td>
-<td class="cellTop">&times;</td>
-<td class="cellTop">|</td>
-<td class="cellTop">&ndash;&#769;</td>
-<td rowspan="2" class="xd21e4830 cellTop cellBottom"><img src="images/rbrace2.png" alt="" width="12" height="40"></td>
-<td rowspan="2" class="xd21e4785 cellRight cellTop cellBottom">schema 3
-+ 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellBottom">&ndash;&#769;</td>
-<td class="cellBottom">&times;</td>
-<td class="cellBottom">&ndash;&#768;</td>
-<td class="cellBottom">|</td>
-<td class="cellBottom">&ndash;&#769;</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Buitendien komen er nog onderverdeelingen in aanmerking,
-drie voor A, drie voor C, vier voor D, twee voor E.</p>
-<p class="par">In het Angelsaksisch komt de grondvorm A <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>het
-meeste voor, dan in afnemende orde B, C, D. Het minst vertegenwoordigd
-is E.</p>
-<p class="par">Het stafrijm valt op de heffingen; in ons epos
-gewoonlijk op de beide heffingen van het eerste, en op de eerste
-heffing van het tweede halfvers.</p>
-<p class="par">Alle klinkers allitereeren met elkander, eveneens
-gelijke medeklinkers, alsmede <i>v</i> en <i>w</i>, uitgezonderd de
-verbindingen <i>sk</i>, <i>st</i>, <i>sp</i>, welke noch op elkaar,
-noch op andere <i>s</i>-groepen, noch op eenvoudige <i>s</i> kunnen
-slaan.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div3 section" id="xd21e4910">
-<div class="divHead">
-<h4 class="main"><span class="divNum">II.</span> <i>Vier
-heffingen.</i></h4>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">ten Brink&rsquo;s stelsel wijkt onder meer dan een
-punt van het vorige af.</p>
-<p class="par">Het allitereerend vers bestaat uit vijf verschillende
-versmaten, waaraan nochtans een zelfde rhythmisch schema ten grondslag
-ligt.</p>
-<p class="par">Dit grondschema is voor het halfvers:</p>
-<p class="par xd21e154">&times; &times;&#769; &nbsp; &times;
-&times;&#768; | &times; &times;&#769; &nbsp; &times; &times;&#768;</p>
-<p class="par">Het halfvers bestaat dus uit vier tweeledige voeten en
-vier <i>heffingen</i>: twee hoofd- en twee bijheffingen; de rest zijn
-<i>dalingen</i>.</p>
-<p class="par">Elk lid van den tweeledigen voet vormt een tijddeel of
-<i>more</i> (&times;). Het halfvers bestaat dus uit acht moren. Uit dit
-oorspronkelijk schema, dat wij met ten Brink <span class="trans" title="a"><span class="Greek" lang="el">&alpha;</span></span> zullen heeten,
-zijn vier andere rhythmen ontstaan, naar de verschillende wijzen,
-waarop de heffingen elkander volgen.</p>
-<p class="par"><span class="trans" title="b"><span class="Greek" lang="el">&beta;</span></span> De volgorde van hoofd- en bijheffing wordt in
-den 1<sup>sten</sup> en 2<sup>den</sup> voet omgezet:</p>
-<p class="par xd21e154">&times; &times;&#768; &nbsp; &times;
-&times;&#769; | &times; &times;&#769; &nbsp; &times; &times;&#768;</p>
-<p class="par"><span class="trans" title="g"><span class="Greek" lang="el">&gamma;</span></span> In den 3<sup>den</sup> en 4<sup>den</sup>
-voet:</p>
-<p class="par xd21e154">&times; &times;&#769; &nbsp; &times;
-&times;&#768; | &times; &times;&#768; &nbsp; &times; &times;&#769;
-<span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span></p>
-<p class="par"><span class="trans" title="d"><span class="Greek" lang="el">&delta;</span></span> In 1,2 en 3,4:</p>
-<p class="par xd21e154">&times; &times;&#768; &nbsp; &times;
-&times;&#769; | &times; &times;&#768; &nbsp; &times; &times;&#769;</p>
-<p class="par"><span class="trans" title="e"><span class="Greek" lang="el">&epsilon;</span></span> 3 en 4 worden tusschen 1 en 2
-ingeschoven.</p>
-<p class="par xd21e154">&times; &times;&#769; &nbsp; &times;
-&times;&#769; | &times; &times;&#768; &nbsp; &times; &times;&#768;</p>
-<p class="par">Alvorens dit nader toe te lichten, dienen wij eerst een
-woord te zeggen over de quantiteit en de betoning.</p>
-<p class="par"><i>Quantiteitsregel</i>: Eene more (&times;) kan
-ingevuld of gedekt worden zoowel door de korte als lange lettergreep
-(&times;).</p>
-<p class="par">Twee moren kunnen alleen gedekt worden door eene lange
-lettergreep, welke alsdan door het teeken (-) wordt voorgesteld.</p>
-<p class="par">Onder de lange lettergrepen zijn ook die te rekenen,
-welke door twee medeklinkers gesloten worden.</p>
-<p class="par">De <i>betoning</i> grijpt veel verder om zich dan bij
-Sievers. Kunnen betoond worden en bijgevolg aan heffing onderhevig
-zijn: 1<sup>o</sup> alle eenlettergrepige woorden, uitgenomen
-<i>ne</i>; 2<sup>o</sup> bij de veellettergrepige alle syllaben;
-uitgenomen die op korte betoonde lettergrepen volgen en de toonlooze
-eenlettergrepige voorvoegsels.</p>
-<p class="par">De twee hoofdheffingen vallen bijgevolg met de
-lettergrepen te zamen, die den klemtoon hebben.</p>
-<p class="par">De twee bij heffingen vallen aan minder betoonde
-lettergrepen te beurt, b. v. kerkde&ugrave;r, windm&ograve;len; en in
-het algemeen aan die lettergrepen, welke door eene nog <i>zwakker</i>
-betoonde worden voorafgegaan of gevolgd, waardoor zij in kracht
-winnen.</p>
-<p class="par">Op het einde van het halfvers heeft geregeld heffing
-plaats, indien de lettergreep er voor vatbaar is.</p>
-<p class="par">Eene betoonde lettergreep tusschen twee sterker betoonde
-wordt ofwel daling, ofwel heffing, naar de eischen van het vers.
-<span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span></p>
-<p class="par">Keeren wij nu terug tot de versmaat.</p>
-<p class="par">Het halfvers zou geheel en al volledig wezen, zoo elk
-der acht moren door eene lettergreep vertegenwoordigd of gedekt was;
-doch dit heeft uiterst zelden plaats, en dan nog alleen bij den
-grondvorm <span class="trans" title="a"><span class="Greek" lang="el">&alpha;</span></span> b. v.:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">gew&acirc;&#769;t him th&acirc;&#768; to
-w&aacute;rodh&egrave; = &times; &times;&#769; &nbsp; &times;
-&times;&#768; &nbsp; &times; &times;&#769; &nbsp; &times;
-&times;&#768;</p>
-</div>
-<p class="par first">Gewoonlijk ontbreken er een of meer dalingen.</p>
-<p class="par">Deze onderdrukking der daling is aan twee oorzaken toe
-te schrijven:</p>
-<p class="par"><i>a</i>) ofwel de daling wordt door eene pooze (^)
-vervangen;</p>
-<p class="par"><i>b</i>) ofwel de daling wordt opgeslorpt door de lange
-lettergreep (&ndash;) welke, zooals gezegd is, voor twee moren kan
-gelden.</p>
-<p class="par">Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken.</p>
-<p class="par"><span class="trans" title="a"><span class="Greek" lang="el">&alpha;</span></span>. Met pooze in &rsquo;t begin:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">w&icirc;&#769;ge &ugrave;nder w&aacute;eter&egrave; = ^
-&times;&#769; &times; &times;&#768; &times; &times;&#769; &times;
-&times;&#768;.</p>
-</div>
-<p class="par first">Pooze en opslorping der daling door de lange
-lettergreep:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">m&yacute;nel&igrave;cne m&acirc;&#769;ddum = ^
-&times;&#769; &times; &times;&#768; &times; &ndash;&#769;
-&times;&#768;.</p>
-</div>
-<p class="par first">(&ndash;&#769; &times;&#768; staat voor
-&times;&#769; &times; &times;&#768;, zoodat <i lang="ang">m&acirc;ddum</i> als <i lang="ang"><span class="corr" id="xd21e5094" title="Bron: ma-a-d&ugrave;m">m&aacute;-ad-dum</span></i>
-moet gescandeerd worden.)</p>
-<p class="par"><span class="trans" title="b"><span class="Greek" lang="el">&beta;</span></span>. Met pooze en opslorping der daling door de
-eerste lettergreep van <i>straete</i>:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">&ograve;fer <span class="corr" id="xd21e5112" title="Bron: lagustraet&egrave;">l&aacute;gustr&aacute;et&egrave;</span> = ^
-&times;&#769; &times; &times;&#769; &times; &ndash;&#769;
-&times;&#768;.</p>
-</div>
-<p class="par first"><span class="trans" title="g"><span class="Greek"
-lang="el">&gamma;</span></span>. Met pooze en opslorping der daling
-door de derde lettergreep van <i lang="ang">aedelinga</i>:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">a&eacute;del&igrave;ng&agrave; gedr&yacute;ht = ^
-&times;&#769; &times; &ndash;&#768; &times;&#768; &times;
-&times;&#769;.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span></p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line"><span class="trans" title="d"><span class="Greek" lang="el">&delta;</span></span>. &ograve;fer g&eacute;ofen&egrave;s
-beg&oacute;ng = ^ &times;&#768; &times; &times;&#769; &times;
-&times;&#768; &times; &times;&#769;.</p>
-</div>
-<p class="par first"><span class="trans" title="e"><span class="Greek"
-lang="el">&epsilon;</span></span>. Met pooze en opslorping der daling
-door de eerste lettergreep van <i lang="ang">&#375;dha</i>:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">&aacute;tol &#375;&#769;dh&agrave; gethr&igrave;ng = ^
-&times;&#769; &times; &ndash;&#769; &times;&#768; &times;
-&times;&#768;.</p>
-</div>
-<p class="par first">Al de hier opgesomde verzen zijn <i>volledig</i>,
-omdat er de vier heffingen zijn; ontbreekt &eacute;&eacute;n der
-bijheffingen, dan is het vers <i>onvolledig</i>.</p>
-<p class="par">In dit geval kan de ontbrekende bijheffing op twee
-wijzen vervangen worden:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> door de pooze, b. v.</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line"><span class="trans" title="a"><span class="Greek" lang="el">&alpha;</span></span>. gesl&ocirc;&#769;h th&icirc;&#768;n
-fa&eacute;der = &times; &ndash;&#769; &ndash;&#768;
-&times;&#769;&times; ^&#768;.</p>
-</div>
-<p class="par first">2<sup>o</sup> Ofwel, en dit heeft slechts in
-<span class="corr" id="xd21e5187" title="Bron: &eacute;en">&eacute;&eacute;n</span> geval plaats, worden twee
-heffingen, nl. hoofd- en bijheffing, door &eacute;&eacute;ne
-lettergreep gedekt, zoodat deze lettergreep zich over drie moren
-uitstrekt:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line"><span class="trans" title="a"><span class="Greek" lang="el">&alpha;</span></span>. h&acirc;&#770;m ges&ocirc;&#769;ht&egrave;
-= ^ &ndash;&#770; &times; &ndash;&#769; &times;&#768;.</p>
-</div>
-<p class="par first">Men zou dus bij het lezen <i lang="ang">h&aacute;-a-&agrave;m</i> moeten scandeeren.</p>
-<p class="par">Ziedaar in het kort de hoofdlijnen van de tweeheffings-
-en vierheffingstheorie.</p>
-<p class="par">Het ligt niet op onzen weg te beslissen, welke de beste
-is; dit laten wij aan meer bevoegden over.</p>
-<p class="par">Nochtans al is het waar, dat Sievers&rsquo; meening meer
-aanhangers telt, toch zal men moeten toegeven, dat het stelsel van ten
-Brink heel wat minder ingewikkeld, en dat de uitspraak van den laatste
-niet van allen grond ontbloot is, als hij zegt:</p>
-<p lang="de" class="par">&laquo;Sievers... gelangte zu einem System,
-nach welchem es ebenso unm&ouml;glich sein d&uuml;rfte, Verse zu
-<span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>lesen, wie es unm&ouml;glich gewesen sein muss,
-Verse darnach zu bauen.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e5216" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Epische stijl.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wie, in tegenstelling met <i>Monsieur
-Jourdain</i>, po&euml;zie van proza weet te onderscheiden, zal bij de
-inzage van het epos erkennen, dat er bij de Angelsaksen eene epische
-taal bestond, welke zich uit de omgangstaal tot eene hoogere
-volmaaktheid had ontwikkeld; want hij zal, afgezien van de versmaat,
-geregeld terugkeerende woordfiguren, vaste uitdrukkingen en bepaalde
-zinswendingen aantreffen.</p>
-<p class="par">Wat vooral de aandacht vestigt, is het ruim gebruik, dat
-gemaakt wordt van het vermogen om <i>samenstellingen</i> te vormen,
-waarvan de meeste een dichterlijk beeld voor den geest roepen.</p>
-<p class="par">Voor bijzonderheden verwijzen wij naar het opstel van
-Theodor Storch, <i>Angels&auml;chsische Nominalcomposita</i>.
-Strassburg, 1886.</p>
-<p class="par">Wij willen hier alleen wijzen op de bonte rij van
-samengestelde bijvoeglijke naamwoorden met verzwegen voorzetsel:
-<i lang="ang">goldhladen</i> goudbeladen, <i lang="ang">goldhroden</i>
-goudgekleed, <i lang="ang">daed-c&ecirc;ne</i> daadkoen, <i lang="ang">bl&ocirc;d-f&acirc;g</i> bloedbont, <i lang="ang">heoro-bl&acirc;c</i> bleek door het zwaard,
-zwaard-gedood<span class="corr" id="xd21e5252" title="Bron: ;">,</span>
-<i lang="ang">wlite-beorht</i> met stralend aanschijn, <i lang="ang">beadu-r&ocirc;f</i> kampberoemd, <i lang="ang">beadu-scearp</i>
-slagscherp, scherp tot den slag; <i lang="ang">ellen-se&oacute;c</i>
-krachtberoofd, <i lang="ang">gold-wlanc</i> goud-pronkend, <i lang="ang">headhogeong</i> kampjong, <i lang="ang">sadol-beorht</i> met
-glanzend zadel, <i lang="ang">sae-m&ecirc;de</i> zeemoede, <i lang="ang">man-thwaere</i> menschenvriendelijk, enz.<a class="noteref" id="xd21e5283src" href="#xd21e5283" name="xd21e5283src">23</a>.
-<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span></p>
-<p class="par">Een ander kenmerk van den epischen stijl is de
-verbazende rijkdom van <i>zinverwante woorden</i> om sommige begrippen
-uit te drukken, vooral die, welke <span class="pagenum">[<a id="pb101"
-href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>op oorlog en zeevaart, de
-twee voornaamste bezigheden van het volk, betrekking hebben.</p>
-<p class="par">Om b. v. krijgsbende, krijger, vorst, kamp, pantser,
-moedig, zee en schip te zeggen, beschikt het epos over tal van
-eigenlijke en oneigenlijke uitdrukkingen, waaruit niet alleen de
-woordvoorraad van het Angelsaksisch, maar ook de vindingrijkheid des
-dichters te voorschijn <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span>treedt. De oneigenlijke
-uitdrukkingen bekleeden vooral eene breede plaats. Men heet ze
-<i>Kenningar</i>, eene benaming, welke aan de Oudnoordsche letteren
-ontleend is.</p>
-<p class="par">De <i>Kenning</i> is eene minder gewone voorstelling van
-een begrip, waarvoor een gebruikelijke term voorhanden is. Ziehier
-eenige voorbeelden:</p>
-<p class="par">De koning heet: <i>goudgever</i>, <i>ringuitdeeler</i>;
-het zwaard: <i>kampvlam</i>; het harnas: <i>krijgsnet</i><span class="corr" id="xd21e5479" title="Bron: :">;</span> de helm:
-<i>kamphoofd</i>; de lans: <i>krachthout</i>; de strijd:
-<i>schildspel</i>, <i>zwaardstorm</i>; het bloed: <i>kampzweet</i>,
-<i>kampkegels</i> (beeld aan het ijs ontleend); het schip:
-<i>golfganger</i>, <i>kronkelsteven</i>; het hert: <i>heideganger</i>;
-de harp: <i>vreugdehout</i>, enz.</p>
-<p class="par">Ook bij de werkwoorden komen Kenningar voor, b. v. gaan:
-<i>het schild dragen</i>, <i>de speer dragen</i>, <i>den weg meten</i>;
-spreken: <i>den woordenschat ontsluiten</i>; sterven: <i>het
-menschengejubel opgeven</i>, <i>het gelach neerleggen</i>, enz.</p>
-<p class="par">Leven, sterven, spreken, mensch, koning, zwaard, harnas,
-helm, schild, speer, kamp, schip en God: ziedaar de voornaamste
-begrippen, welke door Kenningar worden uitgedrukt.</p>
-<p class="par">Al de Angelsaksische werken zijn rijk aan deze
-woordfiguur en niet het minst de Beowulf die, volgens de door Bode
-opgemaakte verhouding, 9.9 Kenningar op 100 regels telt. Uit de
-lijsten, welke deze schrijver heeft samengesteld, zullen wij twee
-voorbeelden kiezen nl. <i>krijger</i> en <i>zee</i>, en tevens de
-ontbrekende vormen bijvoegen, ten einde den rijkdom van de epische taal
-in den Beowulf te toonen.</p>
-<p class="par"><i>Eigenlijke</i> uitdrukkingen voor <i>krijger</i>:</p>
-<p class="par">Cempa, w&icirc;ga, &ocirc;retta (kamper); oretmaecg,
-hilderinc (kampheld); hererinc (legerheld); g&ucirc;dhw&icirc;ga
-(kampstrijder). <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103"
-name="pb103">103</a>]</span></p>
-<p class="par">Wij voegen erbij:</p>
-<p class="par">h&auml;ledh, beorn, rinc, wer, secg, gewinna (held,
-strijder); thegn, magu-thegn (ridder); sige-beorn (zegeheid); magorinc
-(manheld); hilde-mecg, beado-rinc, g&ucirc;dhrinc, headho-rinc,
-g&ucirc;dh-beorn (kampheld); fyrd-gestealla (tochtgenoot);
-dryht-ges&icirc;d, dryht-guma (schaargenoot); waepned-man
-(wapenman).</p>
-<p class="par"><i>Kenningar</i> of oneigenlijke uitdrukkingen:</p>
-<p class="par">Bode haalt aan: lindh&auml;bbend, rondh&auml;bbend,
-bordh&auml;bbend (schildhebber); searoh&auml;bbend (harnashebber);
-helmberend (helmdrager); scildfreca (schildwolf); sweordfreca
-(zwaardwolf); w&icirc;gfreca, hildfreca (kampwolf); hildehlemma
-(kampwilde); sceotend (schutter); -sceada (-beschadiger).</p>
-<p class="par">Hier behooren nog bij:</p>
-<p class="par">f&ecirc;dha, f&ecirc;de-cempa (voetkamper); byrn-wiga
-(harnas-kamper); freca (wolf); g&ucirc;dh-freca (strijdwolf);
-g&acirc;r-wiga, &auml;sc-wiga (speerkamper); lind-gestealla
-(schildgenoot); lind-wiga, rond-wiga, scild-wiga (schildkamper).</p>
-<p class="par"><i>Eigenlijke</i> uitdrukkingen voor <i>zee</i>: mere,
-sae, sund, holm, he&agrave;du, brim, lagu, lagu-stre&agrave;m,
-e&agrave;gor-stre&agrave;m, &ecirc;g-stre&agrave;m, geofen, w&auml;d,
-fl&ocirc;d, waeg.</p>
-<p class="par">Buitendien nog: brim-stre&agrave;m, farodh, ford,
-stre&agrave;m.</p>
-<p class="par"><i>Kenningar</i> voor <i>zee</i>.</p>
-<p class="par">Bode teekent aan: f&icirc;felcynnes eard (gebied der
-zeegedrochten); ganotes b&auml;dh (bad der duikereend); hronr&acirc;d
-(walvischweg); swanr&acirc;d (zwaneweg); segelr&acirc;d (zeilstraat);
-&#375;dha ful (der golven beker); seoledha begang (der bochten d. i.
-stille wateren, bereik); fl&ocirc;des wylm (vloedbranding); sealt
-w&auml;ter (zout water); seo fealu fl&ocirc;d (de vale vloed); se ginna
-grund (de spalkende grond); g&acirc;rsecg.</p>
-<p class="par">Deze reeds lange reeks kan nog door de volgende
-uitdrukkingen aangevuld worden: brim-wylm, <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>fl&ocirc;d-&#375;dh<span class="corr" id="xd21e5593" title="Niet in bron">,</span> holm-wylm,
-w&auml;ter-&#375;dh, saewylm (zeegegolf); sundgebland, &#375;dhgebland
-(zeegemengel); briml&acirc;d, lagu-straet, mere-straet (zeeweg);
-geswing, w&auml;lm (branding); waeg-holm (golvenzee); de&oacute;p
-w&auml;ter (diep water); w&icirc;d w&auml;ter (uitgestrekt water);
-holma gethring (zeegewoel); mere-grund (zeegrond); w&auml;teres hrycg
-(waterrug); &#375;dha gewealc (golfgewentel); &#375;dhgewin
-(golfgeworstel).</p>
-<p class="par">De vorm, waaronder de Kenningar gewoonlijk voorkomen,
-is, als blijkt, de samenstelling.</p>
-<p class="par">Bij sommige is het rijm onmiskenbaar b. v.
-<i>hranr&acirc;d</i>, <i>swanr&acirc;d</i>.</p>
-<p class="par">Welk is de natuur der Kenningar?</p>
-<p class="par">Zij beperken het begrip door eene bepaalde zijde van een
-persoon of zaak, &eacute;&eacute;ne eigenschap, &eacute;&eacute;n deel
-in het licht te stellen, hetzij door middel van ontleding, hetzij van
-vergelijking.</p>
-<p class="par">Zoo wordt de krijger door een deel zijner bewapening
-voorgesteld b. v. schilddrager; ziedaar de <i>ontleding</i>.</p>
-<p class="par">Wordt integendeel de aandacht getrokken op zijne
-strijdbaarheid, dan roept die eigenschap de <i>vergelijking</i> te
-voorschijn met den wolf, b. v. kampwolf.</p>
-<p class="par">De Kenningar, welke op deze laatste wijze zijn ontstaan,
-zijn niets anders dan een <i>leenspreuk</i> of <i>metaphora</i>; deze
-woordfiguur speelt dus eene groote rol in den Beowulf.</p>
-<p class="par">Waaraan is de veelvuldigheid van Kenningar toe te
-schrijven?</p>
-<p class="par">Eene voorname reden is, dat zij, vooral in het tweede
-halfvers, als stopwoorden worden aangewend, om aan de eischen van het
-stafrijm te voldoen.</p>
-<p class="par">Een sprekend bewijs hiervan levert ons de onechte plaats
-v. <a href="#v184">184&ndash;87</a>: <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Zij in &rsquo;t gemoed.</span>
-Zij kenden niet den meester,</p>
-<p class="line">Der daden doemer, geenen God, den heerscher;</p>
-<p class="line">Zij konden niet des hemels heul bekennen,</p>
-<p class="line">Den God der glorie.</p>
-</div>
-<p class="par first">De dichter, wiens taak het was, overgeleverde stof
-in overgeleverde vormen te gieten, zooals Bode zich uitdrukt, vond hier
-eene gewenschte gelegenheid om door het smeden van nieuwe
-woordverbindingen zijne kunst te toonen.</p>
-<p class="par">Dat nochtans de zucht om met nieuwe Kenningar te
-schitteren zoover gedreven werd, dat vele Oudgermaansche dichters tot
-hetzelfde besluit zouden zijn gekomen als Ronsard, wanneer hij zegt:
-&laquo;Les excellents po&egrave;tes nomment peu souvent les choses par
-leur nom,&raquo; dat kan ik Bode niet toegeven.</p>
-<p class="par">Men zou diensvolgens moeten aannemen, dat in die
-vroegste tijden reeds jacht werd gemaakt op gezochte, gekunstelde
-woordkoppelingen, dus ongeveer in den aard van de <i lang="fr">Pr&eacute;cieuses</i>, over welke Moli&egrave;re zich vroolijk
-maakt.</p>
-<p class="par">Dit strijdt met het karakter van het volksepos, dat
-juist door zijne waarheid, door zijne <i>oprechtheid</i> gunstig bij de
-latere persoonlijke po&euml;zie afsteekt, welke doorgaans iets meer of
-minder <i>conventionneels</i> of overeengekomens vertoont. Wat zeggen
-buitendien de feiten?</p>
-<p class="par">Indien men in Bode&rsquo;s lijst de Kenningar uit den
-Beowulf vergelijkt met die uit het volgende Angelsaksisch tijdperk, dan
-komt men tot de ervaring, dat daar waar er sprake is van <span class="corr" id="xd21e5667" title="Bron: koninkschap">koningsschap</span>,
-krijgs- en zeewezen, slechts <i>weinig</i> nieuwe vormen, ten minste
-wat den zin betreft, zijn bijgekomen.</p>
-<p class="par">De voornaamste nieuwe Kenningar zijn die, welke op
-duivel, hel en vooral op God betrekking <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name="pb106">106</a>]</span>hebben; doch zij zijn
-het werk van christelijke dichters en hebben niets gemeen met het
-volksepos.</p>
-<p class="par">Indien bijgevolg de latere kunstdichters, die er toch
-het naaste aan toe waren, een beperkt gebruik maakten van de vrijheid
-om nieuwe uitdrukkingen te scheppen, dan zal de onpersoonlijke
-Beowulf-dichter zich nog minder vrijheid veroorloofd hebben.</p>
-<p class="par">Daar de meeste Kenningar tot de leenspreuk kunnen
-herleid worden, zal de hoofdreden van hun gebruik wel in de jeugd van
-het volk te zoeken zijn, wiens levendige verbeelding en pas ontwaakte
-kunst alleen het gebruik van de leenspreuk of <i>metaphoor</i> mogelijk
-maakte.</p>
-<p class="par">Kinderen en weinig ontwikkelden bedienen zich bij
-voorkeur van deze beeldspraak.</p>
-<p class="par">De Kenningar beantwoorden aan de behoefte om met meer
-kracht te spreken.</p>
-<p class="par">De <span class="corr" id="xd21e5691" title="Bron: methaphoor">metaphoor</span> of <span class="corr" id="xd21e5694" title="Bron: uitgewerkte">onuitgewerkte</span> vergelijking
-is daarenboven de grondslag van den overdrachtelijken stijl.</p>
-<p class="par">Van haar gaat onmiddellijk de <i>verpersoonlijking</i>
-uit, welke gegrondvest is op de zwijgende vergelijking tusschen de
-onbezielde natuur en een levend wezen.</p>
-<p class="par">Figuren van hoogere orde zijn de allegorie en de
-vergelijking.</p>
-<p class="par">De <i>allegorie</i> is eene aaneenschakeling van twee of
-meer leenspreuken en veronderstelt bij den dichter eene letterkundige
-bedrevenheid, welke onvereenigbaar is met eene nog jeugdige
-kunstuiting.</p>
-<p class="par">Dit is ook het geval met de <i>vergelijking</i>. Zij
-vergt van den dichter veel kunstbewustzijn, de gave van ontleding en
-zelfbeheersching, want hij verlaat zijn onderwerp, om in een
-verwijderd, ongelijksoortig wezen eene overeenkomstige eigenschap uit
-te werken. <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span></p>
-<p class="par">Onder logisch oogpunt gaat de vergelijking de leenspreuk
-vooraf, maar in de werkelijkheid, in de tijdsorde heeft het omgekeerde
-plaats.</p>
-<p class="par">De eerste de beste zal zeggen: &laquo;zijne oogen
-schoten vuur,&raquo; bij het zien van iemand, die woedend is, zonder
-aan eene woordfiguur en nog minder aan eene verborgen vergelijking te
-denken; dit laatste is het werk van het wijsgeerige verstand, dat
-daarna aan het ontleden gaat.</p>
-<p class="par">Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij in den
-Beowulf methaphoren (onder den vorm van Kenningar) en
-verpersoonlijkingen aantreffen, daarentegen hoogst zelden eene
-allegorie en eene vergelijking. Dit verschijnsel hangt samen met den
-toestand van de Angelsaksische dichtkunst, welke zich nog in de wieg
-bevond en op verre na niet de hoogte had bereikt van de Grieksche
-volkspo&euml;zie.</p>
-<p class="par">Treden wij in eenige bijzonderheden.</p>
-<p class="par">De <i>verpersoonlijking</i> is een geliefkoosd beeld bij
-kinderen en ongeletterden.</p>
-<p class="par">Heeft een kind zich bezeerd, dan moet het
-&laquo;ondeugend&raquo; mes gestraft worden, wil men de waterlanders
-zien verdwijnen.</p>
-<p class="par">Voor den natuurmensch is het heelal bezield; vandaar de
-verpersoonlijking der natuurkrachten, vandaar ook de diersage bij de
-oude Germanen, voor wie er bijna geene grenslijn tusschen mensch en
-dier bestond.</p>
-<p class="par">Het is dus natuurlijk, dat het zwaard in een
-heldengedicht als de Beowulf zoo vaak als een bezield wezen wordt
-voorgesteld.</p>
-<p class="par">Het &laquo;verricht zijn ambt&raquo;, evenals een
-tafelknecht; het &laquo;beslist een pleit&raquo;, het &laquo;zingt een
-kamplied op iemands schedel&raquo;, het &laquo;bijt&raquo; en
-&laquo;groet&raquo; den vijand, het &laquo;rukt den gedoode
-mede&raquo;, <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>het vermaakt zich in het gevecht als bij een
-&laquo;spel&raquo;, en de wonde, die het slaat, is de
-&laquo;zwaarddronk&raquo;.</p>
-<p class="par">Hetzelfde kan van de overige wapens gezegd worden: de
-werpspies &laquo;vervolgt in hare vederuitrusting&raquo; den pijl,
-evenals een havik de weerlooze vogels, en het schild, dat met de lans
-geslagen wordt, &laquo;antwoordt aan de schacht&raquo;.</p>
-<p class="par">Dit verklaart ook, dat sommige zwaarden van helden als
-personen gedacht worden, die hunnen eigen naam voeren. Unferds zwaard
-heet <i>Hrunting</i>, dat van Hun <i>Lafing</i> en van Beowulf
-<i>Nageling</i><a class="noteref" id="xd21e5751src" href="#xd21e5751"
-name="xd21e5751src">24</a>.</p>
-<p class="par">De <i>allegorie</i> is schaars vertegenwoordigd en
-strekt zich bovendien bijna nooit over meer dan twee termen uit.</p>
-<p class="par">Het schip is het <i>zeeros</i> (saegenga), dat aan het
-anker <i>rijdt</i>; het woord is het <i>staal</i>, dat de borst
-<i>doorbreekt</i>; het ijs is de <i>waterboei</i>, welke God
-<i>losmaakt</i>; de dood is de <i>slaap</i> van het lichaam, dat op het
-<i>rustbed sluimert</i>.</p>
-<p class="par">Deze laatste plaats (Vert. 1020&ndash;22) is nochtans
-onzeker.</p>
-<p class="par">Het gedicht biedt slechts &eacute;&eacute;n voorbeeld
-aan van eene breed uitgesponnen allegorie, welke de kunstenaarshand
-verraadt. (Vert. 1776&ndash;81).</p>
-<p class="par">De bekoring wordt er voorgesteld onder het beeld van
-eenen sluipmoordenaar, die door middel van eenen pijl den slapende
-onverhoeds wondt, niettegenstaande dezes wapenrusting; terwijl de
-wachter, het geweten, is ingesluimerd.</p>
-<p class="par">Doch hier bevestigt de uitzondering den regel,
-<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>want deze plaats is buiten allen twijfel aan de
-inlassching van eenen kloosterling toe te schrijven.</p>
-<p class="par">Dat somtijds onvereenigbare begrippen tot eene allegorie
-verbonden worden, kan, de onvolkomenheid der dichtkunst in aanmerking
-genomen, geenen aanstoot geven.</p>
-<p class="par">Ziehier eenige staaltjes:</p>
-<p class="par"><i lang="ang">seo beado-le&oacute;ma b&icirc;tan
-nolde</i>: de kamp<i>vlam</i> wilde niet <i>bijten</i>. v. <a href="#v1524">1524</a>.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">hine sorh-wylmas lemede t&ocirc;
-lange</i>: de zorg<i>golven</i> hadden hem te lang <i>verlamd</i>. v.
-<a href="#v905">905</a>.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">him hilde-gr&acirc;p heortan wylmas,
-b&acirc;n-h&ucirc;s gebr&auml;c</i>: de kamp<i>greep</i> verbrak hem
-des harten <i>golvingen</i>, het beenderhuis. v. <a href="#v2508">2508&ndash;9</a>.</p>
-<p class="par">De <i>vergelijkingen</i> zijn dun gezaaid en worden
-daarenboven niet volgehouden, maar zoo kort mogelijk als in de kiem
-aangeduid. Men oordeele:</p>
-<p class="par">&laquo;Het schuimhalzige schip ging over de golfzee,
-gelijk aan eenen vogel&raquo;.</p>
-<p class="par">&laquo;Ieder van de nagels was op staal
-gelijkend&raquo;.</p>
-<p class="par">&laquo;Uit Grendels oogen ging een ongure schijn, gelijk
-aan eene vlam&raquo;.</p>
-<p class="par">&laquo;Het zwaard bliksemde, evenals de hemelfakkel
-helder aan de transen schijnt&raquo;.</p>
-<p class="par">&laquo;Het zwaard versmolt geheel en al<span class="corr" id="xd21e5868" title="Bron: .">,</span> gelijk het ijs, wanneer
-de Alvader den band van de vorst losmaakt&raquo;.</p>
-<p class="par">De schoonste vergelijking prijkt in het
-Finnsburglied:</p>
-<p class="par">&laquo;Het zwaardgebliksem rees, even alsof de heele
-Finnsburg in <span class="corr" id="xd21e5875" title="Bron: lichter laaie">lichterlaaie</span> stond&raquo;.</p>
-<p class="par">Welk verschil tusschen de zeldzame, stamelende
-vergelijkingen van den Beowulf en de talrijke, breed aangelegde en
-meesterlijk afgewerkte beelden van de kunstgezinde Grieken!
-<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p>
-<p class="par">De meerderheid van deze laatsten blijkt ook uit de
-<i>schilderende bijvoeglijke woorden</i>.</p>
-<p class="par">Niet dat het gedicht geene echt teekenachtige epitheten
-of bijbenamingen heeft aan te wijzen, maar de groote massa mist die
-aanschouwelijkheid en evenredigheid, welke wij bij Homeros bewonderen.
-En met reden: het zelfstandig naamwoord blijft, zoodat de vergezellende
-bijbenaming eene zekere maat moet houden, waartoe zich de wilde
-verbeelding van het Noorden moeilijk kon plooien. De Kenningar
-daarentegen laten volle vrijheid toe.</p>
-<p class="par">Vandaar dat de Beowulf in evenredigheid arm is aan
-epitheten, maar rijk aan Kenningar, terwijl zich het tegenovergestelde
-bij Homeros voordoet.</p>
-<p class="par">Zelfs is het geval niet zeldzaam, dat een Kenning uit
-den Beowulf in de Ilias aan eene bijbenaming beantwoordt, b. v.
-<span class="corr" id="xd21e5892" title="Bron: &pi;&omicron;&nu;&tau;&omicron;&pi;&#8057;&rho;&omicron;&sigma;">
-<span class="trans" title="Pontoporos"><span class="Greek" lang="el">&Pi;&omicron;&nu;&tau;&omicron;&pi;&#8057;&rho;&omicron;&sigmaf;</span></span></span>,
-het <i>zeedoorschrijdend</i> schip, zegt hetzelfde als <i lang="ang">saegenga</i>, <i lang="ang">&#375;dhlida</i>: zeedoorschrijder,
-golvenganger.</p>
-<p class="par">Voor meer zulke overeenstemmingen raadplege men Bode,
-die er eenige voor <i>schip</i> en <i>wapen</i> opsomt.</p>
-<p class="par">De vorm der schilderende bijbenamingen is de
-samenstelling; zij bieden zich alweer hoofdzakelijk aan bij alles wat
-op oorlog en zeevaart betrekking heeft, nochtans niet bij het begrip
-<i>zee</i>, dat door de Kenningar ruimschoots uitgebeeld is.</p>
-<p class="par">Het zou ons te ver leiden, moesten wij al de epitheten
-opsommen; zij komen in hoofdzaak in de volgende gevallen voor: Zij
-betitelen den vorst op vereerende wijze, geven den moed te kennen van
-den krijgsman (dit zijn de talrijkste), ofwel de uitputting van den
-gewonde, zij schilderen het oorlogspaard en de wapens, vooral zwaard en
-harnas.</p>
-<p class="par">Kiezen wij de bijbenamingen van <i>zwaard</i> en
-<i>schip</i>. <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span></p>
-<p class="par">Het zwaard is <i lang="ang">bl&ocirc;d f&acirc;g</i>:
-bloedgepurperd, <i lang="ang">sw&acirc;t-f&acirc;g</i>: zweetgepurperd,
-<i lang="ang">f&#375;r-heard</i>: vuurgehard, <i lang="ang">graeg-mael</i>: grauwgeteekend, <i lang="ang">hring-mael</i>:
-ringversierd, <i lang="ang">morgen-ceald</i>: morgenkil (na nachtelijke
-tochten), <i lang="ang">wreodhen-hilt</i>: met gewonden gevest
-voorzien, <i lang="ang">wunden-mael</i>: met kronkelende teekens
-voorzien, <i lang="ang">wyrm-f&acirc;h</i>: glanzend door
-slangversieringen.</p>
-<p class="par">Eenige bijbenamingen van schip hoeven voor die van
-Homeros niet onder te doen:</p>
-<p class="par"><i>f&acirc;mig-heals</i>: schuimhalzig,
-<i>wunden-heals</i>: kronkelhalzig, <i>s&icirc;d-f&auml;dhme</i>:
-ruimboezemig, <i>n&icirc;w-tyrwed</i>: nieuw-geteerd,
-<i>sae-ge&aacute;p</i>: zeeruim (ruim genoeg om zee te bouwen).</p>
-<p class="par">De levenlooze natuur is zeer karig bedeeld; <i>het
-veld</i> is maar eens betiteld met <i>wlite-beorht</i>:
-glansstaltig.</p>
-<p class="par">Wij hebben nog op twee soorten van staande uitdrukkingen
-te wijzen, welke ook een kenteeken van de dichterlijke taal zijn:</p>
-<p class="par">Samenkoppelingen van twee woorden door middel van het
-voegwoord <i>en</i>, om een verband of eene tegenstelling uit te
-drukken, in den aard van onze tegenwoordige Nederlandsche
-<i>stafrijmen</i>. b. v. <i lang="ang">le&oacute;ht and l&icirc;f</i>:
-licht en leven, <i lang="ang">wordum and weorcum</i>: met woorden en
-werken, <i lang="ang">hand and rand</i>: hand en schild, <i lang="ang">le&oacute;f and l&acirc;dh</i>: lief en leed, <i lang="ang">&icirc;del and unnyt</i>: ijdel en onnut, <i lang="ang">fr&ocirc;d and g&ocirc;d</i>: vroed en goed, <i lang="ang">habban
-and healdan</i>: hebben en houden, <i lang="ang">singan and secgan</i>:
-zingen en zeggen, <i lang="ang">innan and &ucirc;tan</i>: binnen en
-buiten.</p>
-<p class="par">Ten slotte merken wij nog het gebruik op van zekere
-wendingen om een persoon sprekend in te leiden, wendingen die schijnen
-als van Homeros afgekeken te zijn. Voorbeelden:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><i>Unferdh madhelode Ecgl&acirc;fes bearn</i>:</p>
-<p class="line">Unferd sprak de zoon van Ecglaf. <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span></p>
-<p class="line"><i>Hr&ocirc;dhg&acirc;r madhelode, helm
-Scyldinga</i>:</p>
-<p class="line">Hrodgar sprak, de schuts der Schyldings.</p>
-<p class="line"><i>Be&oacute;wulf madhelode, bearn
-Ecgthe&oacute;wes</i>:</p>
-<p class="line">Beowulf sprak, de zoon van Ecgthe&oacute;w.</p>
-</div>
-<p class="par first">Deze epische wendingen vinden hunne verklaring in
-het overwegend belang, dat de jonge volken aan de bloedverwantschap
-hechten.</p>
-<p class="par">Gaan wij nu over tot een tweede bestanddeel van den
-epischen stijl, nl. de <i>woordschikking</i>.</p>
-<p class="par">Wij zullen ons bepalen bij de meest in het oog
-springende kenmerken.</p>
-<p class="par">De zinbouw heeft in den Beowulf iets van het werk eens
-beginnelings, iets dat als de tegenvoeter van de klassieke periode kan
-aanzien worden.</p>
-<p class="par">De dichter legt, vooral in beschrijvingen, zijne
-voorliefde voor de <i>bijschikking</i> aan den dag, terwijl het
-voegwoord niet zelden is weggelaten:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Een van de vijftien zocht hij op het zeehout.</p>
-<p class="line">Een kampheld wees, een waterkundig krijger,</p>
-<p class="line">De landgrens langs. De wachttijd was verstreken.</p>
-<p class="line">De boot was vlot, het schip nabij &rsquo;t
-gebergte.</p>
-<p class="line">De helden stegen uitgedost ten steven.</p>
-<p class="line">De strooming krulde zich, de zee op &rsquo;t
-kustzand.</p>
-<p class="line">Zij droegen op den schoot des schips de schoonste</p>
-<p class="line">Juweelen neer, de weidsche kampgewaden;</p>
-<p class="line">(En) tot de lustvaart boomden (nu) de lieden,</p>
-<p class="line">De kampers, hun gebonden kiel naar buiten (<a href="#v211">211&ndash;20</a>).</p>
-</div>
-<p class="par first">Er heerscht gebrek aan <i>voegwoorden</i>, vooral
-bij de overgangen, welke gewoonlijk door <i lang="ang">th&acirc;</i>
-(dat buitendien voor verschillende betrekkingen dienst moet doen)
-worden ingeleid en iets eentonigs aan het geheel bijzetten.</p>
-<p class="par">Treden verschillende helden op, dan blijven wij
-<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span>dikwijls in het onzekere omtrent den persoon, op
-welken b. v. het voornaamwoord <i>hij</i> terugziet.</p>
-<p class="par">De ingelaschte zin of <i>parenthese</i> verschijnt meer
-dan lief is en draagt voorzeker niet bij tot den ongestoorden gang van
-het verhaal.</p>
-<p class="par">Ontkennende uitdrukkingen verschijnen er bij de vleet,
-ook zulke, welke tot doel hebben om met meer kracht te bevestigen
-(<i>litotes</i>).</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">&laquo;Bij lang niet laakten wijze li&ecirc;n die
-reize&raquo;. (<a href="#v206">206</a>).</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">&laquo;Niet beter zal &rsquo;t hem wezen&raquo;.
-(<a href="#v2339">2339</a>)</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">&laquo;Niet dunkt me dit betaamlijk,</p>
-<p class="line">De schilden weer te brengen naar de woning&raquo;.
-(<a href="#v2734">2734</a>)</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">&laquo;Minder hevig beet het (zwaard)</p>
-<p class="line">Dan hij behoefte had, de volksbeheerscher&raquo;.
-(<a href="#v2656">2656</a>)</p>
-</div>
-</div>
-<p class="par first">Het eigenaardigste kenmerk van de Angelsaksische
-woordschikking, dat er de ziel, het wezen van uitmaakt, is het gebruik
-der <i>parallelvormen</i> of <i>bijstellingen</i>.</p>
-<p class="par">De dichter duidt met &eacute;&eacute;n, soms met meer
-woorden denzelfden persoon, dezelfde eigenschap, dezelfde handeling nog
-eens aan, en wel door middel van eene zinverwante uitdrukking.</p>
-<p class="par">In de aangehaalde beschrijving van de aanstalten tot de
-zeereis vinden wij de volgende parallelvormen:</p>
-<p class="par"><i>Personen en zaken</i>: kampheld, waterkundig
-krijger&mdash;boot, schip&mdash;strooming, zee&mdash;juweelen, weidsche
-kampgewaden&mdash;lieden, kampers.</p>
-<p class="par"><i>Hoedanigheden</i>:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Voorzien zich ruim de
-zaal&mdash;</span> Haar was te wachten</p>
-<p class="line">&rsquo;t <i>Vijandig</i> vuurgewoel, de <i>leede</i>
-laaie (<a href="#v83">83</a>).</p>
-</div>
-<p class="par first"><i>Handelingen</i>:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">(Gij) die <i>sturen kwaamt de kiel</i>, de
-schuimomstoven,</p>
-<p class="line">Langsheen de waterwegen, die <i>de helmen</i></p>
-<p class="line">Tot hiertoe <i>hebt gebracht</i> door &rsquo;t
-waterbruisen (<a href="#v242">242&ndash;44</a>).</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span></p>
-<p class="par">Al is de herhaling van meer of minder gelijkbeteekenende
-woorden slechts een eerste stap op het gebied der woordschikking, de
-dichter weet die vormen zoo kunstig aan te wenden, dat zij geenen onwil
-verwekken, maar&mdash;dank aan de Kenningar welke, door het stafrijm
-gerugsteund, hier vooral optreden,&mdash;aan den stijl eene
-eigenaardige kleur en bekoorlijkheid verleenen.</p>
-<p class="par">Na de taal en de woordschikking besproken te hebben,
-ligt het op onzen weg eens na te gaan, hoe de dichter zich, in de
-bearbeiding van de stof, van zijne taak heeft gekweten.</p>
-<p class="par">Hiertoe onderscheiden wij <i>verhaal</i>,
-<i>redevoering</i> en <i>beschrijving</i>, de drie hoofdvormen, welke
-bij elk letterkundig werk, en vooral bij het epos, in aanmerking komen.
-De <i>verhaaltrant</i> heeft iets onbeholpens, hij is onsamenhangend en
-duister.</p>
-<p class="par">Verschillende gebreken, waarvan sommige op rekening van
-het ontstaan uit afzonderlijke zangen zijn te stellen, brengen hiertoe
-het hunne bij.</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> De <i>herhalingen</i>, niet alleen van
-korte plaatsen, maar ook van betrekkelijk groote gedeelten.</p>
-<p class="par">In de nota&rsquo;s aan den voet der vertaling wordt
-hierop gewezen, b. v. Beowulfs voornemen om van alle wapen af te zien;
-de strijd met Grendel; het gevecht op den bodem van het meer.</p>
-<p class="par">Deze twee wapenfeiten worden, na in &rsquo;t breede
-beschreven te zijn, nog tweemaal opgedischt, eerst aan Hrodgar, daarna
-aan Hygelac.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> De <i>onderbrekingen</i> van &rsquo;t
-verhaal, hetzij door christelijke, vaak onnoozele overwegingen; hetzij
-door herinneringen aan oorlogen en oude sagen; hetzij door toespelingen
-op de te volgen ontknooping.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Gebrekkige <i>overgangen</i>, zoodat de
-dichter soms met de deur in het huis valt<span class="corr" id="xd21e6254" title="Bron: .">,</span> b. v. Grendels en <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>Beowulfs optreden, de sage van Sigmund en
-Heremod, en vooral die van Thrydo.</p>
-<p class="par">4<sup>o</sup> <i>Tegenspraak.</i></p>
-<p class="par">Voor dit punt alsmede het volgende zie men de
-nota&rsquo;s, waar al de gevallen vermeld worden.</p>
-<p class="par">5<sup>o</sup> <i>Toespelingen</i> op gebeurtenissen, die
-niet in het gedicht behandeld worden.</p>
-<p class="par">6<sup>o</sup> De <i>ontknooping</i> is, in vergelijking
-met wat voorafgaat, gewoonlijk te kort. Men zou zeggen, dat de dichter
-zich niet de moeite wil getroosten van er langer bij te verwijlen.</p>
-<p class="par">Sceaf-episode:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Bezorgd hun zin.</span> Niet
-kunnen menschen zeggen,</p>
-<p class="line">Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden</p>
-<p class="line">Bene&ecirc;n de wolken, wie ontving de lading.
-(<a href="#v51">51&ndash;53</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Brecca-episode:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Nabij den zeegrond; maar</span>
-Zij lagen boven</p>
-<p class="line">Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t staal doorstoken, ingewiegd door &rsquo;t
-wapen,</p>
-<p class="line">Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden</p>
-<p class="line">Beletten langs de barning van de baren. (<a href="#v575">575&ndash;79</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Sigmund-episode:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Niet was er Fitela.</span>
-Nochtans het lukte</p>
-<p class="line">Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,</p>
-<p class="line">Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand.
-(<a href="#v903">903&ndash;5</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Finn-episode:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Zich in te houden.</span>
-Bloedig was de halle</p>
-<p class="line">Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,</p>
-<p class="line">Verslagen in het midden zijner manschap,</p>
-<p class="line">En heengevoerd de koninginne Hildburg. (<a href="#v1167">1167&ndash;70</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Headobarden-episode:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Dan zal der ridders eed van beide zijden</p>
-<p class="line">Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,</p>
-<p class="line">En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t zorggezwalp. (<a href="#v2118">2118&ndash;21</a>)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span></p>
-<p class="par">Heardred-episode:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,</p>
-<p class="line">Verliet hij toen der menschen lustgewemel</p>
-<p class="line">En zocht het licht van God. (<a href="#v2538">2538&ndash;40</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Zweden-episode:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Sinds wreekte die zijn koud en zorgvol dolen</p>
-<p class="line">En hij ontrukte &rsquo;t leven aan den rijksheer.
-(<a href="#v2464">2464&ndash;65</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Gaan wij over tot de <i>redevoeringen</i>. Hieraan
-is geen gebrek, eenige zelfs zijn van langen adem. Het zal wel niet
-noodig zijn de verschillende omstandigheden na te gaan, waarin hun eene
-plaats wordt ingeruimd, immers de lezing van het gedicht geeft daarover
-eene uitkomst.</p>
-<p class="par">In een mannelijk epos als de Beowulf is hunne rol bij de
-gevechten van zelf aangewezen, en wel v&oacute;&oacute;r, gedurende en
-na den strijd.</p>
-<p class="par">Eene afzonderlijke vermelding verdient de
-<i>uitdagingsrede</i> v&oacute;&oacute;r den strijd, waarin de held
-zich groote daden voorneemt; zij draagt den naam van <i>gilp-cwide</i>:
-trotsrede. Uitdagende woorden moeten bij het volk gebruikelijk zijn
-geweest, alvorens den strijd aan te binden; want anders zou Beowulf
-v&oacute;&oacute;r den drakekamp niet gezegd hebben, dat hij van alle
-tartende taal afziet.</p>
-<p class="par">Daarom wordt de held, die aan vele gevechten deelgenomen
-heeft, geheeten <i>gilp-hl&auml;den</i>, d. i. met trotstoespraken
-beladen.</p>
-<p class="par">Wijzen wij op eenige voorbeelden.</p>
-<p class="par">Beowulf zegt tot Hrodgar, op Grendel doelende:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Te voeren bij &rsquo;t
-gevecht.</span> Doch &rsquo;k zal hem vatten,</p>
-<p class="line">Den vijand, met de vuist, om &rsquo;t leven
-vechten,</p>
-<p class="line">Man tegen man. (<a href="#v440">440&ndash;42</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Bij &rsquo;t slapen gaan onmiddellijk voor
-Grendels aankomst spreekt hij zijne mannen toe: <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder</p>
-<p class="line">Voor &rsquo;t wapenwerk, dan Grendel waant te wezen.
-(<a href="#v690">690&ndash;91</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Alvorens in &rsquo;t meer te springen neemt hij
-afscheid en besluit met de stoute taal:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Een wijdberoemden held.</span>
-&rsquo;k Verwerf met Hrunting</p>
-<p class="line">Mij roem, of anders rukt de dood mij mede. (<a href="#v1518">1518&ndash;19</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hiertoe behooren ook de bedreigingen, welke
-Ongentheow de in &rsquo;t Ravenbosch gevluchte Gooten toestuurt:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Herhaald met wee.</span> Hij
-sprak het uit, hij wilde</p>
-<p class="line">Hen met den morgen door het lemmer dooden,</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t galghout velen, tot der vogels vreugde.
-(<a href="#v3042">3042&ndash;44</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Opmerkelijk is het, dat de helden
-v&oacute;&oacute;r het gevecht elkander niet de bekende en zoo
-natuurlijke Homerische scheldwoorden naar het hoofd werpen. Hunne
-noordsche, in zich zelf gekeerde natuur was daartoe te ernstig. Al zet
-Beowulf dan ook aan zijnen vuistgreep geen klem bij door eenige
-krachtige uitdrukkingen, zijn vastberaden besluit staat daarom niet
-minder pal, en de dichter verzuimt niet ons op dat hardnekkig voornemen
-te wijzen.</p>
-<p class="par">Somtijds dient de redevoering om herinneringen van
-korter of langer dagteekening op te halen: Hrodgar herinnert aan
-Ecgthe&oacute;ws veete met de Wylfingen, Beowulf aan de Headobarden en
-aan Hredel.</p>
-<p class="par">Rechtmatige trots op de daden der voorvaderen, welke bij
-Homeros&rsquo; helden zoozeer uitblinkt, spreekt zich ook uit in den
-Beowulf, ofschoon minder sterk. <span class="pagenum">[<a id="pb118"
-href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span></p>
-<p class="par">Men denke aan het antwoord, dat Beowulf aan den
-kustwachter geeft, en aan zijne eerste aanspraak tot Hrodgar.</p>
-<p class="par">Een spottende toon ligt in Beowulfs antwoord aan Unferd,
-doch vooral in de <i>gilp-cwide</i> van Sigeferd uit het
-<i>Finnsburgfragment</i>.</p>
-<p class="par">De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de
-rede van den eenzamen schatbezitter<span class="corr" id="xd21e6465"
-title="Bron: uit">, in</span> de Hredel-episode en in Beowulfs laatste
-woorden tot Wiglaf.</p>
-<p class="par">Slaan wij nu eenen blik op de <i>beschrijvingen</i>.</p>
-<p class="par">In dit opzicht staat ons epos beneden de Ilias.</p>
-<p class="par">Ten Brink zegt ongeveer als volgt: Terwijl Homeros de
-beelden van de buitenwereld in handeling tracht om te zetten, ons de
-voorwerpen aanschouwelijker maakt door te zeggen, hoe zij ontstaan
-zijn, zoekt het Oudengelsch epos eerder de handeling in een aantal
-beelden op te lossen.</p>
-<p class="par">En verder: Bij Homeros zijn de verschillende
-tijdsgewrichten vast verbonden, geen wezenlijk lid ontbreekt, de keten
-is gesloten, de voortduring der handeling is gewaarborgd; terwijl
-alleen de hoofdpunten in den Beowulf worden uitgezocht en zelfstandig,
-elk voor zich, geschetst.</p>
-<p class="par">Tot staving hiervan wijst ten Brink op de beschrijving
-van den overtocht naar Hrodgar (<a href="#v215">215&ndash;31</a>)<span class="corr" id="xd21e6485" title="Niet in bron">.</span> <i>Inscheping, vertrek, reis, land in &rsquo;t
-zicht, uitscheping</i>: ziedaar de vijf hoofdpunten, welke afzonderlijk
-behandeld worden, terwijl bijzaken, bijzonderheden en overgangen niet
-in aanmerking komen.</p>
-<p class="par">Indien men nagaat, welke onderwerpen aanleiding plegen
-te geven tot beschrijvingen, dan komen wij alweer tot het besluit, dat
-de Angelsaksen een bij uitstek krijgshaftig en zeevarend volk geweest
-zijn. Het is hiermee gelegen als met de Kenningar en schilderende
-bijbenamingen, welke om zoo te zeggen het stilzwijgen <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>bewaren over het <i>land</i> en zijne
-bekoorlijkheden. De rozevingerige Aurora der Grieken maakt geenen
-indruk op het gemoed des noordschen dichters. De zonsopgang wordt
-slechts in korte trekken geteekend:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Van &rsquo;t Oosten zeeg het licht, de
-zegestanderd,</p>
-<p class="line">De glanzende van God. (<a href="#v580">580&ndash;81</a>)</p>
-<p class="line">Totdat de donkre raaf, verheugd van harte,</p>
-<p class="line">Des hemels weelde weder kwam verkonden. (<a href="#v1840">1840&ndash;41</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Buiten de beschrijving van het Grendelmeer met
-omgeving, welke ons voor het ontbreken van verdere tafereelen
-schadeloos stelt, wordt de levenlooze natuur niet herdacht. Eene enkele
-natuurbeschrijving is aan te stippen, doch zij is het werk van den
-inlasscher.</p>
-<p class="par">De zanger verhaalt in Heorot:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Van hooger af,
-verhaalde,</span> dat de Almachte</p>
-<p class="line">Deze aarde had gevormd met hare velden,</p>
-<p class="line">Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;</p>
-<p class="line">Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig</p>
-<p class="line">Tot licht gesteld had voor de landbewoners,</p>
-<p class="line">Getooid met twijg en blad der velden boezem. (<a href="#v93">93&ndash;98</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Eene ruimer plaats valt aan <i>de zee</i> te
-beurt.</p>
-<p class="par">Wij zagen reeds Beowulfs overtocht naar Hrodgar; voegen
-wij er zijne terugreis bij en vooral het grootsche tooneel van den
-nachtelijken zwemtocht te midden der ontketende stormen en dreigende
-zeemonsters. Hier heeft alles reusachtige afmetingen. Het is de
-po&euml;zie eens titans, de zee waardig.</p>
-<p class="par">Het leeuwenaandeel is nochtans voor de
-<i>slagbeschrijvingen</i> weggelegd en alles wat ermede gepaard gaat,
-als de onmetelijke schatten, de drijfveer tot den oorlog, waarvan het
-noordsche brein droomde, (men vergelijke den drakeschat 2842 vlg.), de
-kostbare <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>wapens, bij welker opsomming de dichter gaarne
-verwijlt, de lijkverbranding na den val der helden in de Finn-episode
-en bij Beowulfs begrafenis, de luidruchtige feestgelagen, hetzij om te
-verbroederen, hetzij om de overwinning te vieren.</p>
-<p class="par">Men verwachte zich niet op beschrijvingen als bij
-Homeros, die de hooge feiten van elken kamper een voor een nagaat,
-zoodat het handgemengel in eene rij van afzonderlijke gevechten
-vervalt, waarvan elk op zijne beurt samenwerkt tot den kunstvollen
-eindindruk van het geheel; neen, onze dichter stapt over alle
-bijzonderheden heen en spoedt zich naar het feit, welks uitteekening
-hij zich ten doel heeft gesteld.</p>
-<p class="par">Dit zien wij in de Zweden-episode, waar de
-gebeurtenissen in beknopten vorm worden opgesomd, elkander in
-onafgebroken gang en met versnelde vaart verdringen, om eindelijk stil
-te staan bij den kamp van den slagvaardigen Ongentheow met de
-gebroeders Wulf en Eofor, hetgeen enkel en alleen hoofdzaak is voor den
-dichter:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nu was het bloedig spoor in &rsquo;t wijde
-zichtbaar</p>
-<p class="line">Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,</p>
-<p class="line">Hoe onderling de weerbren &rsquo;t kampvuur wekten.</p>
-<p class="line">Nu stapte heen de stoute met de makkers,</p>
-<p class="line">De ontroostbre grijs, om op de burcht te trekken,</p>
-<p class="line">Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.</p>
-</div>
-<p class="par first">Dan onderbreekt de dichter de feiten om, gelijk
-zijn gewoonte is, op de gemoedsstemming van den hoofdpersoon het licht
-te doen vallen. Hij gaat daarna voort:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En dicht bij zijnen aardwal dook weer de oude.</p>
-<p class="line">Vervolging werd verklaard aan &rsquo;t volk der
-Zweden,</p>
-<p class="line">En Hygelac ter hand gesteld hun standaard. <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span></p>
-<p class="line">Zij stapten over hun versterkte stelling.</p>
-<p class="line">Nu drongen Hredels drommen naar de schildspits.
-(<a href="#v3049">3049&ndash;65</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Nochtans is de indruk van meer dan eene
-slag-beschrijving aangrijpend, overweldigend in hare korte
-gespierdheid. Beowulf heeft dikwijls getrotst</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Die dikwijls heeft
-getrotst</span> den ijzerhagel,</p>
-<p class="line">Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen</p>
-<p class="line">Heenbruiste boven eene schans van schilden</p>
-<p class="line">En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,</p>
-<p class="line">De schacht zijn diensten deed, den pijl vervolgde.
-(<a href="#v3229">3229&ndash;33</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Onder de strijdtafereelen spant de kamp op den
-bodem van het nikkermeer en de aanval op de Finnsburg ontegenzeggelijk
-de kroon.</p>
-<p class="par">De dichter veroorlooft ons tevens eenen dieperen blik te
-slaan in het gemoed der strijdende partijen, dank aan trekken, welke,
-hoe kort dan ook, getuigenis afleggen van een loffelijk streven naar
-<i>zielkundige ontleding</i><span class="corr" id="xd21e6604" title="Bron: ,">.</span></p>
-<p class="par">Nauwelijks is Grendel de troonzaal binnengetreden, of
-het gezicht van de slapende mannen prikkelt zijne vraatzucht en vervult
-hem met vreugde:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Toen lachte daar zijn harte. (<a href="#v746">746</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Beowulf is droef te moede, als hij Grendel eenen
-zijner mannen ziet verscheuren:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac. (<a href="#v752">752</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Grendel stuit op onvoorzienen tegenstand en het
-hart zakt hem in de schoenen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;t Werd hem bang in &rsquo;t binnenst. (<a href="#v767">767</a>)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span></p>
-<p class="par">De &laquo;hooggestemde&raquo; Beowulf put nieuwe kracht
-bij het terugdenken aan zijne uitdagingswoorden:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De wakkre neef van Hygelac geheugde</p>
-<p class="line">Zich toen de toespraak van den eigen avond. (<a href="#v774">774&ndash;75</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Tweemaal wordt gewezen op de gemoedsstemming van
-de zich buiten bevindende Denen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Den Denen al gewerd, den burgbewoners,</p>
-<p class="line">Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting. (<a href="#v785">785&ndash;86</a>)</p>
-</div>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En gruwbre ontzetting greep te gaar de Denen. (<a href="#v802">802</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Beowulf legt de hem aangeboren grootmoedigheid
-door de volgende redeneering het zwijgen op:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hem docht zijn (Grendels) levensdag aan niemand nuttig.
-(<a href="#v810">810</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">De verbittering der beide tegenstanders wordt in
-&eacute;&eacute;nen regel veraanschouwelijkt:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zoolang de een leefde was &rsquo;t den andre leedvol.
-(<a href="#v828">828</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">In de slagbeschrijvingen wordt op twee
-bijzonderheden veel nadruk gelegd, op de vermelding der wapenen:
-harnas, helm, schild en zwaard, en op de
-&laquo;lijkschoffeerende&raquo; roofdieren.</p>
-<p class="par">Wij zagen reeds bij de behandeling van de dichterlijke
-taal, dat het zwaard met voorliefde wordt betiteld en zelfs als een
-levend wezen gedacht.</p>
-<p class="par">In het gansche leven en streven treedt het op den
-voorgrond.</p>
-<p class="par">Het is het meest gewaardeerde erfstuk; manschap wordt
-bewezen door de zinnebeeldige ontvangst van het wapen des vorsten
-(Hengest); de krijger ontvangt het ten geschenke tot loon voor zijne
-dapperheid <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span>of andere diensten, en hij verwerft daardoor de
-bijzondere achting zijner makkers (de scheepswachter); wordt het
-uitgeleend, dan is dit een bewijs van vriendschap en hoogachting
-(Unferd); de held schat het zelfs zoo hoog, dat hij zich weigerachtig
-maakt om het aan zijnen zoon te schenken (Heorogar), en dan alleen
-daartoe overgaat, wanneer de jongeling in staat is het waardig te
-voeren (Wigstan). Het is een trouwe &laquo;krijgsvriend&raquo;, dien
-men nooit verlaat, zelfs niet gedurende de nachtrust, en die op zijne
-beurt den bezitter nooit in den steek laat. Is het zwaard deugdelijk,
-dan is het wijd en zijd bekend en luistert het den volksstam op
-(Friezen).</p>
-<p class="par">Het is een kunstwerk, soms het gewrocht van Weland, den
-besten wapensmid; het is zelfs met hoogere kracht bedeeld
-(reuzenzwaard) en prijkt met opschrift en voorstellingen van
-gebeurtenissen, zoodat wij hier den vinger kunnen leggen op eene verre
-overeenstemming met het wonderschild van Achilleus.</p>
-<p class="par">Niet minder kenteekenend voor de noordsche
-slagbeschrijvingen is het optreden van raaf, arend en wolf.</p>
-<p class="par">Het zijn geene redelooze dieren meer, maar zelfbewuste
-wezens, die zich verheugen over den rijken oogst der dooden en elkander
-op het slagveld hunne indrukken mededeelen.</p>
-<p class="par">Welk ijzingwekkend tooneel als dat in het
-Finnsburgfragment!</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nu zwierf de rave zwierend om de lijken,</p>
-<p class="line">Zij doolde zwart in &rsquo;t rond en donkerpluimig.
-(<a href="#v36">36&ndash;37</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">En welke tegenstelling tusschen het aanvalligste
-beeld en het Tantalstooneel met al zijne verschrikkingen op het
-nachtelijke slagveld: <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Met handen.</span> Geenszins
-zal het harpgefluister</p>
-<p class="line">De dappren wekken; maar de donkre rave</p>
-<p class="line">Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,</p>
-<p class="line">Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,</p>
-<p class="line">Toen zij de riffen met den wolf beroofde. (<a href="#v3131">3131&ndash;35</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Al zijn de slagbeschrijvingen onder de best
-geslaagde tooneelen van ons epos te rekenen, toch valt het niet te
-verhelen, dat deze lichtende plaatsen hunne schaduwzijde hebben.</p>
-<p class="par">Wij bedoelen de hebbelijkheid des dichters van telkens
-het verhaal af te breken door het invlechten van <i>overwegingen</i>,
-welke niet alleen den gang stremmen, de opmerkzaamheid afleiden, maar
-ook wegens hun gering gehalte doorgaans veilig kunnen gemist
-worden.</p>
-<p class="par">Komen wij nog eens terug op het gevecht met Grendel.</p>
-<p class="par">Grendel is Heorot binnengedrongen, een tweeslachtig
-licht schemert in zijne oogen, moordlust en vreugde.</p>
-<p class="par">Onze verwachting is gespannen, wij zijn benieuwd om te
-weten, wat er gaat gebeuren.</p>
-<p class="par">Daar drukt de dichter het hoofd in aan onze
-belangstelling met eene bemerking, ontnuchterend als een koud bad:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nochtans gehengde hem het lot niet langer,</p>
-<p class="line">Bij nacht nog meer van &rsquo;t menschenkroost te
-kapen. (<a href="#v750">750&ndash;51</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Een tweede waterstraal wordt ons toegediend, als
-Beowulf Grendel heeft vastgeklampt en deze te vergeefs het hazepad
-tracht te kiezen:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Niet boden zich alhier de bezigheden,</p>
-<p class="line">Gelijk hij eer in &rsquo;t leven had getroffen.
-(<a href="#v772">772&ndash;73</a>)</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name="pb125">125</a>]</span></p>
-<p class="par">en wat verder:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot</p>
-<p class="line">De weebewerker. (<a href="#v783">783</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Heeft het gevecht het hoogste punt bereikt, nu
-Grendel zich met de kracht der wanhoop verdedigt, zoodat de zaal dreigt
-in te storten onder het geweld der reusachtige kampvechters, dan wordt
-alweer de domper op onze blakende geestdrift gezet:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">Alwaar de woesten
-streden.</span> Hierop hadden</p>
-<p class="line">De raden eer der Schyldings niet gerekend,</p>
-<p class="line">Dat ooit der mannen een door krachtvermogen</p>
-<p class="line">De weidsche, met gewei getooide woning</p>
-<p class="line">Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;</p>
-<p class="line">Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen</p>
-<p class="line">In rook. (<a href="#v795">795&ndash;801</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Ten slotte wordt ons alweer oudbakken nieuws
-opgedischt bij het vruchteloos bijspringen van Beowulfs
-tochtgenooten:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="hemistich">En elk geweer.</span> Toch zou
-armzalig wezen</p>
-<p class="line">Het einde zijns bestaans op deze stonde,</p>
-<p class="line">In &rsquo;s vijands macht de vreemde geest vervallen.
-(<a href="#v820">820&ndash;22</a>)</p>
-</div>
-<p class="par first">Hetzelfde laat zich aantoonen bij alle eenigszins
-uitgebreide beschrijvingen; overal schemert de subjectiviteit van den
-dichter door.</p>
-<p class="par">Kamp met Grendels moeder: <a href="#v1554">1554&ndash;57</a>, <a href="#v1564">1564&ndash;66</a>,
-<a href="#v1567">1567</a>, <a href="#v1581">1581&ndash;87</a>, <a href="#v1608">1608&ndash;16</a>.</p>
-<p class="par">Kamp met den draak: <a href="#v2650">2650&ndash;52</a>,
-<a href="#v2656">2656&ndash;58</a>, <a href="#v2661">2661&ndash;69</a>
-enz. enz.</p>
-<p class="par">Zoo spreiden zich deze overwegingen als een roode draad
-door het heele gedicht ten toon; overal verraadt zich de zucht van den
-dichter om zich <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126"
-name="pb126">126</a>]</span>ook eens te laten gelden, in plaats van
-zich uitsluitend bij zijn onderwerp te houden.</p>
-<p class="par">Dit gebrek aan objectiviteit is stuitend, doch vindt
-zijne verklaring en tevens zijne verontschuldiging in den aard zelf van
-het volksepos. De nadichter of, beter gezegd, de inlasscher was
-gebonden door de overgeleverde epische stof, ja door den vorm, en kon
-slechts op deze wijze, door middel van persoonlijke overwegingen, zijne
-dichtjeukte tot bedaren brengen.</p>
-<p class="par">Wijzen wij ten slotte nog op het geliefkoosd gebruik der
-<i>tegenstellingen</i>, waardoor de personen des te scherper te
-voorschijn treden: op den stokouden koning en den krachtvollen man
-(Hrodgar en Beowulf); op den jeugdigen Ingeld en zijnen grijzen
-raadgever; op den vergrijsden held en zijnen pas volwassen krijgsmakker
-(Beowulf en Wiglaf); op den voorbeeldigen vorst en den dwingeland
-(Beowulf en Heremod); op zelfverloochenende trouw en laffe zelfzucht
-(Wiglaf en zijne makkers), en eindelijk op de zachte, minnende
-echtgenoote Hygd en de wildfiere Thrydo.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="xd21e6839" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Innerlijke Geschiedenis.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wij hebben er reeds op gewezen dat ons epos op
-geene kunsteenheid kan bogen.</p>
-<p class="par">Inderdaad er worden twee afzonderlijke onderwerpen in
-behandeld, de kamp met de watermonsters en die met den vuurdraak; deze
-wordt geleverd in Jutland, gene op Seeland; deze door den
-honderdjarigen koning, gene toen de held nog niet den troon beklommen
-had en zich in de volheid zijner krachten mocht verheugen. <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name="pb127">127</a>]</span></p>
-<p class="par">Verschillende pogingen zijn in het werk gesteld, om de
-oorspronkelijke kern van het epos van de latere bijbewerkingen af te
-zonderen.</p>
-<p class="par">Degene die hiermede een begin heeft gemaakt, is
-Ettm&uuml;ller.</p>
-<p class="par">Zijne pogingen hadden vooral de terzijdestelling van de
-Christelijke toevoegsels ten doel, welke bovendien gemakkelijk te
-herkennen zijn.</p>
-<p class="par">Daarenboven scheidt hij van het onderwerp de episoden of
-bijverhalen af, welke negen in getal zijn, te weten: Brecca,
-Sigmund-Heremod, Finn, Thrydo, Headobarden, de eenzame schatbezitter,
-de oorlogen met Franken en Zweden, en Ongentheows dood.</p>
-<p class="par">M&uuml;llenhoff werkte op deze gegevens voort.</p>
-<p class="par">Hij drong dieper door in de schifting van de
-<i>interpolaties</i> en bouwde op dezen grondslag een heel stelsel
-omtrent de oorspronkelijke en later toegevoegde onderdeden van het
-epos.</p>
-<p class="par">Hij onderscheidt vijf afzonderlijke deelen:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> Inleiding 1&ndash;193.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Beowulfs gevecht met Grendel
-194&ndash;836.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Gevecht met Grendels moeder
-837&ndash;1628.</p>
-<p class="par">4<sup>o</sup> Beowulfs terugkeer 1629&ndash;2199.</p>
-<p class="par">5<sup>o</sup> Kamp met den draak en Beowulfs dood
-2200&ndash;3183.</p>
-<p class="par">Het gevecht met Grendel en dat met den draak, ziedaar de
-<i>twee oorspronkelijke bestanddeelen</i>, welke nochtans niet het werk
-zijn van denzelfden dichter.</p>
-<p class="par">Het eerste oude lied kreeg, waarschijnlijk van twee
-verschillende voortzetters, eene dubbele uitbreiding: eerst het gevecht
-met Grendels moeder, daarna de Inleiding.</p>
-<p class="par">Een derde voortzetter <i>A</i> voegde Beowulfs terugkeer
-er aan toe en vulde, om zijn aanhangsel met <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span>het
-geheel in overeenstemming te brengen, het eerste en vooral het tweede
-oude lied op verscheiden plaatsen aan.</p>
-<p class="par">Een vierde voortzetter <i>B</i>, of in de rij der
-Beowulfdichters n<sup>o</sup> 6, verbond eindelijk den drakekamp met
-het door <i>A</i> tot 2199 voortgezette werk en verwaterde het gansche
-epos door allerlei lapwerk van zedekundigen en godgeleerden aard.</p>
-<p class="par">Deze <i>B</i> is de eigenlijke interpolator.</p>
-<p class="par">Men mag er M&uuml;llenhoff een verwijt van maken, dat
-hij in het brandmerken van de, volgens hem, van elders aangewaaide
-plaatsen al te voortvarend is te werk gegaan. Vandaar dat hij, na
-aftrek van de onechte verzen, het epos bijna tot op de helft
-besnoeit.</p>
-<p class="par">Immers in elk der vijf deelen vinden de volgende regels
-slechts genade:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> 126 regels; 2<sup>o</sup> 490;
-3<sup>o</sup> 333; 4<sup>o</sup> 399; 5<sup>o</sup> 440; te zamen 1788
-<i>echte</i> verzen op de 3183.</p>
-<p class="par">Hermann M&ouml;ller tracht de oorspronkelijke
-bestanddeelen in vierregelige strophen te rangschikken.</p>
-<p class="par">Ofschoon deze meening geen opgang maakt, nemen ten Brink
-en Heinzel toch aan, dat eene zekere neiging tot vierregelige strophen
-in den verhaaltrant niet te miskennen is.</p>
-<p class="par">Eene laatste poging is die van ten Brink.</p>
-<p class="par">Het zou ons te ver leiden, moesten wij zijn betoog,
-waarmede wel een twintigtal bladzijden gemoeid zouden zijn, tot in de
-bijzonderheden napluizen.</p>
-<p class="par">Trachten wij daarom het grondbeginsel, waarvan hij
-uitgaat, duidelijk te maken.</p>
-<p class="par">Het gebrek van M&uuml;llenhoff&rsquo;s theorie is, dat
-zij aan den inlasscher eene overwegende rol toekent.</p>
-<p class="par">Daardoor heeft hij de natuur van het volksepos
-<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>uit het oog verloren, waarvan de afwijkingen
-niet uitsluitend het werk zijn van den interpolator, zooals dit het
-geval is bij de kunstpo&euml;zie.</p>
-<p class="par">Drie invloeden zijn, volgens ten Brink, werkzaam geweest
-bij het opstellen van den Beowulf: de mondelingsche afwijkingen, de
-<i>diaskeuast</i> of rangschikker, en de interpolator.</p>
-<p class="par">Het voortbestaan der heldensage door de voordracht riep
-natuurlijkerwijze verschillende <i>varianten</i> in het leven, welke
-mettertijd eene gansch verschillende gedaante konden aannemen. Het was
-de taak van den rangschikker, eenheid te brengen in die uiteenloopende
-behandelingen. Veronderstellen wij, dat hij twee bewerkingen van
-dezelfde stof voor zich had; wat was natuurlijker dan de bewerking, die
-hem het geschiktste voorkwam, ten grondslag te leggen en daarnevens de
-andere bij gelegenheid te benuttigen!</p>
-<p class="par">Hij zelf voegde niets van het zijne toe.</p>
-<p class="par">Daarna toog de inlasscher aan den arbeid, die in den tot
-stand gekomen tekst zijne godgeleerde en zedekundige aanmerkingen
-binnensmokkelde.</p>
-<p class="par">Steunend op dit beginsel, trekt ten Brink op de volgende
-wijze de grenzen tusschen de vijf van M&uuml;llenhoff overgenomen
-deelen:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> Inleiding 1&ndash;193.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Kamp met Grendel 194&ndash;836.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Kamp met Grendels moeder 837&ndash;1904 of
-1913.</p>
-<p class="par">4<sup>o</sup> Beowulfs terugkeer 1905 of
-1914&ndash;2199.</p>
-<p class="par">5<sup>o</sup> Kamp met den draak 2200&ndash;3183.</p>
-<p class="par">De grenzen tusschen 3<sup>e</sup> en 4<sup>e</sup>
-bakent hij anders af dan M&uuml;llenhoff.</p>
-<p class="par">Dit stelsel heeft dit nog voor op het vorige, dat niet
-de helft van het gedicht als onecht over boord wordt geworpen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p>
-<p class="par">Welke zijn de verschillende lezingen of varianten, die
-de rangschikker in elk der vijf deelen benuttigd heeft?</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> De Inleiding is naar twee lezingen
-samengesteld: A, welke tot richtsnoer is genomen, en B, welke slechts
-ter loops is aangewend.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Als onder 1<sup>o</sup>, de grondvorm A en
-de bijvorm B.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Grondvorm C, bijvorm D.</p>
-<p class="par">4<sup>o</sup> E&eacute;ne lezing E; dit is het jongste
-deel.</p>
-<p class="par">5<sup>o</sup> Grondvorm F, bijvorm G.</p>
-<p class="par">B, D en E zijn gekenmerkt door de opmerkzaamheid, welke
-zij aan de Deensche toestanden wijden.</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e7049" title="Bron: ten">Ten</span> Brink plaatst de 1<sup>ste</sup> Beowulf
-bewerking (A C F) in &rsquo;t jaar 690; de 2<sup>de</sup> (B D E G)
-tegen 710; terwijl van de volledige afwerking, waardoor A C F door B D
-E G gewijzigd werd, zich alleen laat zeggen, dat zij vermoedelijk nog
-de 8<sup>ste</sup> eeuw toebehoort. <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e1372" href="#xd21e1372src" name="xd21e1372">1</a></span> De reeds
-vermelde <i>Beowulf</i> (<i>Biewulf</i>) is een <i>Angelsaksisch</i>
-gedicht der VIII<sup>e</sup> eeuw, dat misschien wel nooit uit dien
-tongval in het <i>Dietsch</i> werd overgebracht, maar toch in de volste
-mate onze belangstelling verdient, om het tooneel, waar het
-speelt&mdash;op de Noordzeekusten, op de Maas en de Niers&mdash;en om
-de nauwe verwantschap, welke er bestond tusschen onze vaderen en den
-Angelsaksischen stam, die ons zijn zonen als geloofspredikers zond en
-wiens taal zooveel overeenkomst met die der Friezen heeft.</p>
-<p class="par footnote"><span class="sc">Everts</span>, <i>Geschiedenis
-der Nederlandsche Letteren</i>, blz. 8.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e1372src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3238" href="#xd21e3238src" name="xd21e3238">2</a></span> <i>Origines du Duel Judiciaire</i> par le
-<span class="sc">P.-C. de Smedt</span>, Paris 1894. (Extrait des
-<i>Etudes Religieuses, Philosophiques, Historiques et
-Litt&eacute;raires</i>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3238src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote" lang="la"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3354" href="#xd21e3354src" name="xd21e3354">3</a></span> Celebrant carminibus antiquis, quod unum apud
-illos memoriae et annalium genus, Tuisconem deum terra editum et filium
-Mannum, originem gentis conditoresque. Germ. C. 2.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3354src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote" lang="la"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3357" href="#xd21e3357src" name="xd21e3357">4</a></span> Caniturque adhuc barbaras apud gentes. Annal.
-II, 88.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3357src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3363" href="#xd21e3363src" name="xd21e3363">5</a></span>
-<span lang="la">De origine actuque Getarum C. 3.</span> Uitgave van
-Savagner, Paris, 1883.</p>
-<p class="par footnote">Hier zijn de volgende teksten nog bij te
-voegen: <span lang="la">Quemadmodum in priscis eorum carminibus paene
-historico ritu in commune recolitur. ib. C. 2.</span></p>
-<p class="par footnote" lang="la">Adhuc hodie suis cantionibus
-reminiscuntur C. 4.</p>
-<p class="par footnote" lang="la">Ut ipsi suis fabulis ferunt C. 5.</p>
-<p class="par footnote">Vgl. Kurth, <span lang="fr">Hist. Po&eacute;t.
-des M&eacute;rov. Chap. I. Les Sources</span>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e3363src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3419" href="#xd21e3419src" name="xd21e3419">6</a></span> Kurth t.
-a. p.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3419src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3426" href="#xd21e3426src" name="xd21e3426">7</a></span>
-Jonckbloet wijst er reeds op, dat bij Gregorius van Tours in de eerste
-boeken een zwakke, maar toch duidelijke nagalm van de heldensage
-vernomen wordt. <i>Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde</i>, I,
-69.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3426src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3452" href="#xd21e3452src" name="xd21e3452">8</a></span>
-<i>Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde</i>, I,
-25.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3452src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3489" href="#xd21e3489src" name="xd21e3489">9</a></span> Vgl.
-<span class="sc">Kurth</span>, bl. 486.</p>
-<p class="par footnote">Deze wet, welke hij met den naam van <i lang="fr">transfert &eacute;pique</i> bestempelt, doet zich vooral in de
-Frankische sage gelden. Zoo maakte in de voorstelling van het volk
-Clovis plaats voor Dagobert I en deze voor Karel Martel, tot de laatste
-eindelijk in Karel den Grooten opging, bij wien het epos, als verblind
-door zijnen glans, bleef staan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3489src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3565" href="#xd21e3565src" name="xd21e3565">10</a></span>
-<span class="sc">Kurth</span>, blz. 225&ndash;26.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3565src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3572" href="#xd21e3572src" name="xd21e3572">11</a></span>
-<span class="sc">Kurth</span>, blz. 3.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3572src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3589" href="#xd21e3589src" name="xd21e3589">12</a></span>
-<span class="sc">Kurth</span>, blz. 334.</p>
-<p class="par footnote" lang="fr">La d&eacute;faite c&rsquo;est la muse
-&eacute;pique par excellence!</p>
-<p class="par footnote"><span class="sc">L. de Monge.</span> <i lang="fr">Etudes morales et litt&eacute;raires.</i> II, blz.
-67.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3589src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3608" href="#xd21e3608src" name="xd21e3608">13</a></span> Onze
-eeuw van koud onderzoek, twijfel en winstbejag leent zich voorzeker
-niet tot het ontstaan van het kinderlijke, geestdriftige volksepos, en
-toch biedt zij iets min of meer overeenkomstigs in Frankrijk aan, waar
-dagbladpers, romans, lier- en tooneeldichters, beeldhouwers, schilders
-en geleerden de nederlaag van hun &laquo;<span lang="fr">ann&eacute;e
-terrible</span>&raquo; als om strijd trachten om te scheppen; terwijl
-het zegevierende Duitschland nog altijd op een groot dichter wacht, om
-het glansrijkste feit uit zijne geschiedenis te verheerlijken.</p>
-<p class="par footnote">Ook heeft Frankrijk zijnen Ganelon in Bazaine
-gevonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3608src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3706" href="#xd21e3706src" name="xd21e3706">14</a></span>
-<span class="sc">Kurth</span>, bl. 344.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3706src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3724" href="#xd21e3724src" name="xd21e3724">15</a></span>
-M&uuml;llenhoff veronderstelt te recht, dat het de beenderen van eenen
-walvisch of iets dergelijks moeten geweest zijn.</p>
-<p class="par footnote">In de ontdekking van zulke versteende
-overblijfselen ziet Kurth de verklaring van het zoozeer verbreide
-volksgeloof aan het vroegere reuzendom.</p>
-<p class="par footnote">Ik herinner mij iets overeenkomstigs in de
-<i lang="la">Origines Antwerpianae</i> van <i>Goropius Becanus</i>
-gelezen te hebben, als hij degenen wederlegt, die den naam van
-Antwerpen uit Handwerpen verklaren en zich beroepen op de aldaar
-bewaarde reusachtige beenderen, welke de hand van den reus zouden
-zijn.</p>
-<p class="par footnote">Becanus, die als natuurkundige zich minder met
-hersenschimmen paaide dan als taalkundige, beweert, dat het de voet van
-een olifant is en bewijst het door het versteende geraamte van zulk
-dier (mammouth?) te beschrijven, dat men in zijnen tijd bij het
-aanleggen van het kanaal van Willebroek opgedolven had.</p>
-<p class="par footnote"><span class="sc">G&eacute;nard</span> in zijn
-prachtwerk <i lang="fr">Anvers &agrave; travers les &acirc;ges</i>
-spreekt integendeel van walvischbeenderen.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e3724src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3795" href="#xd21e3795src" name="xd21e3795">16</a></span>
-<span class="sc">Kurth</span>, blz. 342.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3795src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3813" href="#xd21e3813src" name="xd21e3813">17</a></span>
-<span class="sc">Kurth</span>, blz. 338, 528. <span class="sc">Jonckbloet</span> I, 71. Kurth is niet ongenegen in de Hugen met
-Ettm&uuml;ller, Van den Bergh en Winkler de <i>Chauci</i> van Tacitus
-te zien.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3813src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3914" href="#xd21e3914src" name="xd21e3914">18</a></span> Zoo
-duidt ook Nathanael M&uuml;ller den naam van <i>Beowulf</i>.</p>
-<p class="par footnote"><i>Thorpe</i> ziet er eene samentrekking in van
-<i>beadowulf</i> d. i. strijdwolf; <i>Cosijn</i> verklaart den naam
-door &laquo;zegewolf&raquo;; anderen zien er weer
-&laquo;bijenwolf&raquo; d. i. <i>specht</i> in.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e3914src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e3957" href="#xd21e3957src" name="xd21e3957">19</a></span> P. u B.
-Beitr&auml;ge: <i lang="de">Sce&acirc;f in den Nordischen
-Genealogien</i>, door Sievers.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e3957src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e4403" href="#xd21e4403src" name="xd21e4403">20</a></span> Wij
-vertalen op het voorbeeld van Cosijn <i>Ge&aacute;tas</i> door
-<i>Gooten</i>, want Angels. <i>e&aacute;</i> vertegenwoordigt de
-Nederl. scherplange <i>oo</i>. Zoo laten wij de verschillende meeningen
-onaangeroerd en voorkomen wij tevens de verwarring met de vermaarde
-<i>Oost- en Westgoten</i> der geschiedenis.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e4403src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote" lang="de"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e4518" href="#xd21e4518src" name="xd21e4518">21</a></span> P. u. B. Beitr&auml;ge, XVII: Goten und
-Ingvaeonen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e4518src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e4725" href="#xd21e4725src" name="xd21e4725">22</a></span> Het
-scheen mij wenschelijk, wat langer bij ten Brink stil te staan, omdat
-zijn proza, verre van op de Fransche helderheid te kunnen bogen, maar
-al te zeer in Noordschen nevel gehuld is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e4725src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e5283" href="#xd21e5283src" name="xd21e5283">23</a></span> Het
-Nederlandsch leent zich ook tot zulke samenstellingen, en nochtans
-worden zij afgekeurd door hen, die zich tot wetgevers van de
-spraakmakende gemeente opwerpen, als zijnde in strijd met den
-<i>aard</i> onzer taal.</p>
-<p class="par footnote">De Germaansche talen hebben dit voor op de
-Romaansche, welke hunne toevlucht moeten nemen tot het Grieksch en
-Latijn, dat zij door middel van de samenstelling nieuwe woorden uit
-eigen boezem kunnen scheppen.</p>
-<p class="par footnote">&laquo;Stel wachters bij de bronnen!&raquo;
-Doch de wachters laten deze levende bron onzer moedertaal van
-lieverlede uitdrogen. Zal het Nederlandsch er bij gebaat zijn, wanneer
-het, in het dwangbuis gestoken der schoolsche regelmatigheid, ten
-laatste alle kleur en vrijheid van beweging zal hebben afgelegd?</p>
-<p class="par footnote">Deze schilderachtige woorden zijn onontbeerlijk
-in de po&euml;zie, vandaar dat de dichters ze niet versmaden, zelfs
-degenen die er den staf over breken, als b. v. Bilderdijk.</p>
-<p class="par footnote">Ik lees in Urzijn en Valentijn:</p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div class="lgouter footnote">
-<p class="line">Maar <i>kunstgeleerde</i> dapperheid</p>
-<p class="line">Betemt het woest geweld.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par footnote">Hij schrijft <i>goudgevloekt</i>,
-<i>godverwaten</i>, <i>kunstversierd</i>, <i>landverwezen</i>,
-<i>wondgeslagen</i> en andere.</p>
-<p class="par footnote">Schaepman bracht aan den dichter van &laquo;het
-Menschdom verlost&raquo; deze verkeerde woordverbindingen onder het
-oog, doch deze wees den beoordeelaar op zijn eigen vers in de
-<i>Keizersklok</i>:</p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div class="lgouter footnote">
-<p class="line">Zoo roept de wapenbode</p>
-<p class="line">In &rsquo;t <i>goudgestikte</i> kleed.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par footnote">Men zou eene heele lijst van dergelijke
-voorbeelden uit de Nederlandsche dichters kunnen samenstellen. Stemt
-overigens het Nederlandsche volk zonder de minste hapering, ja
-&laquo;met onbeklemde borst&raquo; aan de hand van Tollens niet het
-<i>godgevallig</i> feestlied in?</p>
-<p class="par footnote">Doch beschouwen wij de zaak wat van nabij.</p>
-<p class="par footnote">Wat verstaat men door den aard onzer taal?</p>
-<p class="par footnote">Ik kan er slechts twee beteekenissen aan
-toekennen.</p>
-<p class="par footnote">Indien deze samenstellingen in strijd zijn met
-het Nederlandsch als <i>Germaansche</i> taal, dan verwijzen wij naar de
-Engelsche en Duitsche po&euml;zie, waar zij <i>legio</i> zijn, en naar
-de oude Germaansche dialecten<span class="corr" id="xd21e5365" title="Niet in bron">.</span></p>
-<p class="par footnote">Het Gotisch heeft <i>handu-waurhts</i>, waaraan
-het Latijnsche <i>manufactus</i> geheel beantwoordt. Het zal wel
-onnoodig zijn, op hun gebruik in het Grieksch en Sanskrit te
-wijzen.</p>
-<p class="par footnote">Ofwel verstaat men door den aard der taal het
-algemeen gangbare spraakgebruik der beschaafden, dat, zooals Bilderdijk
-zegt, geene andere betrekkingen dan den genitief toelaat, b. v.
-huisdeur = deur <i>van</i> het huis?</p>
-<p class="par footnote">Nochtans vinden wij eene menigte voorbeelden
-van andere betrekkingen, zoowel bij zelfstandige als bijvoeglijke
-naamwoorden, waar het hier vooral op aankomt, en wij twijfelen er niet
-aan, of de huidige dialecten leveren ook dergelijke samenstellingen
-op.</p>
-<p class="par footnote"><i>Zelfst. nw.</i>: hemelvaart, watervrees,
-broodnijd, steendruk, kindergek, koordedanser, slaapwandelaar,
-wielrijder, geldgebrek, zwaardvechter, regenscherm, zeeroover,
-stoelgang, kleurenblindheid, leedvermaak, enz. enz.</p>
-<p class="par footnote">Bij dit laatste woord teekent Van Dale aan:</p>
-<p class="par footnote">&laquo;De reden, waarom wij geene
-<i>schadevreugd</i> of <i>onheilvreugd</i> zeggen, is, omdat wij bij de
-uiteenzetting dezer samenstelling niet zeggen kunnen: <i>vreugde der
-schade</i> of <i>des onheils</i>, maar <i>over schade</i> of
-<i>onheil</i><span class="corr" id="xd21e5411" title="Bron: ,">.</span>
-Hierom is ook het thans gebruikelijke <i>leedvermaak</i> (eene
-vertaling van het Hoogd. <i lang="de">Schadenfreude</i>) af te
-keuren.&raquo;</p>
-<p class="par footnote">Bij deze regels denk ik onwillekeurig aan de
-kunstmatig ingedrukte voetjes der Chineesche dames.</p>
-<p class="par footnote"><i>Bijvoegl. nw.</i>: <i>composita</i> met
-<i>rijk</i>: roemrijk, volkrijk, scheeprijk enz.; die met <i>schuw</i>:
-menschenschuw, zonneschuw, lichtschuw; die met <i>blind</i>: dagblind,
-sneeuwblind<span class="corr" id="xd21e5438" title="Bron: ,">;</span>
-bedlegerig, bijbelvast, godebehaaglijk, wereldberoemd, godgewijd,
-zeevaardig, dienstvaardig, waterdicht, luchtdicht, handtastelijk,
-proefondervindelijk, slagvaardig, kinderzalig, godzalig, godgeleerd,
-nagelvast, handgemeen, mondgemeen, vingersnel, handgauw, handgetrouw,
-natuurtrouw, zeehard, zeeziek, het in de dagbladen niet ongewone
-wereldkundig, staatsgevaarlijk, levensgevaarlijk, enz. enz.</p>
-<p class="par footnote">Deze lijst zou gemakkelijk vermeerderd kunnen
-worden bij eene nauwgezette doorbladering van het woordenboek en bij
-het raadplegen der gewestspraak.</p>
-<p class="par footnote">Wij besluiten hieruit, dat zij, die deze
-samenstellingen afkeuren, den vooruitgang der taal op willekeurige wijs
-belemmeren, en op &eacute;ene lijn kunnen gesteld worden met hen, die
-misbruik maken van vreemde woorden, in plaats van hun &laquo;moers
-taal&raquo; te spreken, om het met Kegge onbewimpeld uit te
-drukken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5283src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd21e5751" href="#xd21e5751src" name="xd21e5751">24</a></span> Het
-Fransche volksepos &laquo;La Chanson de Roland&raquo; is van
-Germaanschen oorsprong.</p>
-<p class="par footnote">Vandaar de eigennamen als <i>Durandal</i> voor
-Roelants zwaard en <i>Joyeuse</i> voor dat van den Keizer
-&laquo;<span lang="fr">&agrave; la barbe
-fleurie</span>&raquo;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e5751src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first tocHead"><a href="#ch1" id="xd21e7067" name="xd21e7067">I</a>.</p>
-<p class="par tocArgument"><i>Inleiding.</i> Geslachtslijst der
-Deensche koningen: Scyld, zoon van Sceaf, landt als kind over zee aan;
-hij breidt later zijne macht uit. Hem wordt een zoon, Beowulf de Deen,
-geboren. Scyld sterft en zijn lijk wordt te midden van wapenen en
-schatten op een schip gelegd en aan de zee prijsgegeven.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch2" id="xd21e7075" name="xd21e7075">II</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Vervolg der geslachtslijst: Beowulf, zoon
-van Scyld.&mdash;Healfdeen.&mdash;Heorogar, Hrodgar, Halga en
-Elan.&mdash;Na Heorogars dood beklimt Hrodgar den troon.</p>
-<p class="par tocArgument"><i>Begin van &rsquo;t verhaal</i>: Hrodgar
-laat Heorot bouwen. Gezellige vreugde aldaar, scheppingslied. Grendels
-wrevel. Oorsprong der monsters.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch3" id="xd21e7085" name="xd21e7085">III</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Grendel verslindt &rsquo;s nachts dertig
-Denen in Heorot. Opschudding des morgens. Den volgenden nacht
-herhaling. Heorot blijft ledig. Grendel woedt twaalf jaren lang. Zijn
-onverzoenbare wrok. De Denen nemen te vergeefs hunne toevlucht tot de
-goden. Het waren heidenen. Zedeles.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch4" id="xd21e7091" name="xd21e7091">IV</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Hrodgars radeloosheid. Beowulf, de Goot,
-verneemt in Jutland het gebeurde. Zijn voornemen om Grendel te
-bevechten gaat door. Hij scheept zich in met veertien makkers.
-Overtocht. Aankomst in Seeland na 24 uren reizens. Ontscheping. De
-Deensche kustwachter ondervraagt hem. <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span></p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch5" id="xd21e7098" name="xd21e7098">V</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Beowulf legt zijne afkomst en het doel
-zijner reis bloot. Gunstig antwoord van den kustwachter. Hij doet hun
-een eind weegs uitgeleide en neemt dan afscheid, om op zijnen post
-terug te keeren.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch6" id="xd21e7105" name="xd21e7105">VI</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">De Gooten bereiken Heorot en zetten zich
-buiten neer. Wulfgar vraagt wie ze zijn. Beowulfs antwoord. Wulfgar
-belast zich met hen aan te dienen. Hij gaat naar binnen en maakt hun
-verlangen aan Hrodgar bekend.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch7" id="xd21e7111" name="xd21e7111">VII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Hrodgars antwoord aan Wulfgar: Ik heb
-Beowulf als knaap gekend; zeelieden vertelden, dat hij de kracht van
-dertig man bezit; ik hoop dat hij ons komt helpen; verzoek hem binnen
-te komen.&mdash;Wulfgar kwijt zich van zijne opdracht. De lansen en
-schilden worden aan de hoede van eenige krijgers toevertrouwd. Zij
-treden binnen. Beowulfs aanspraak: Hij doet zich kennen; hij heeft
-Grendels wanbedrijven vernomen en komt, op aanraden zijner vrienden, om
-hem te bekampen; zijne vroegere wapenfeiten stellen hem omtrent den
-uitslag gerust; hij verzoekt om alleen met zijne makkers het waagstuk
-te ondernemen; wapenen zal hij niet gebruiken; delft hij het onderspit,
-zoo wordt hij verslonden en hoeft men niet te zorgen voor brandstapel
-en begrafenis; Hrodgar moet alsdan zijne wapenrusting naar Hygelac
-zenden.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch8" id="xd21e7117" name="xd21e7117">VIII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Hrodgars antwoord: Hij laat recht wedervaren
-aan Beowulfs grootmoedigheid en herinnert hem, hoe hij zelf in &rsquo;t
-begin zijner regeering Beowulfs vader eenen dienst heeft bewezen bij
-gelegenheid van dezes veete met de Wylfingen; hij komt terug op zijnen
-twaalfjarigen rampspoed: Grendel heeft zijne beste krijgers
-gedood.&mdash;Gastmaal.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch9" id="xd21e7123" name="xd21e7123">IX</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Hunferds ijverzuchtige toespraak: Gij,
-Beowulf, werdt door Brecca in den zwemwedstrijd overwonnen; bijgevolg
-zult ge insgelijks in deze onderneming niet slagen.&mdash;<span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>Beowulf antwoordt: Deze wedstrijd dagteekent uit
-onze jeugd; wij zwommen gedurende vijf dagen, zonder dat ik Brecca
-wilde verlaten, tot de storm ons des nachts scheidde.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch10" id="xd21e7131" name="xd21e7131">X</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Ik doodde verscheiden zeemonsters en
-bereikte eindelijk Finmarken. Brecca heeft nooit iets dergelijks
-uitgevoerd. Doch gij hebt uwen broeder gedood. Waart gij zoo dapper,
-als gij voorgeeft, Grendel zou nooit dit onheil gesticht hebben; maar
-ik zal er met mijne Gooten een einde aan stellen.&mdash;De koningin
-reikt eenen beker aan de helden rond. Beowulfs fiere taal: hij zal
-overwinnen of sterven. Voortzetting van het drinkgelag. De avond valt
-en Hrodgar gaat slapen, na Heorot aan Beowulfs hoede toevertrouwd te
-hebben.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch11" id="xd21e7138" name="xd21e7138">XI</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Beowulf legt zijne wapenrusting af. Hij
-herhaalt, dat hij van het gebruik der wapens afziet, en vlijt zich
-neder naast zijne makkers.</p>
-<p class="par tocArgument">Allen slapen weldra in, uitgenomen hij.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch12" id="xd21e7146" name="xd21e7146">XII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Grendel nadert de zaal, stoot de deur open
-en verslindt een der Gooten, Hondscio. Daarna grijpt hij Beowulf vast,
-doch ontmoet eenen onverwachten tegenstand. Beschrijving van de
-worsteling. De reus tracht vruchteloos te ontvluchten. De zaal lijdt
-last. Schrik der Denen. Grendels gejammer.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch13" id="xd21e7152" name="xd21e7152">XIII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Voortzetting der beschrijving: De makkers
-springen bij, doch hunne zwaarden hebben geen vat op Grendel. Hij
-vlucht, doch laat arm en schouder in Beowulfs handen achter. Overweging
-des dichters. Beowulf plaatst den arm als zegeteeken voor den
-ingang.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch14" id="xd21e7158" name="xd21e7158">XIV</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Den volgenden morgen gaat men van heinde en
-verre Grendels bloedspoor zien, dat naar het nikkermeer voert. Op den
-terugweg wordt Beowulf in verzen geprezen, er wordt geharddraafd en
-daarna verhaalt men de sage van <span class="pagenum">[<a id="pb134"
-href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span>Sigmund en Heremod. De morgen
-is reeds gevorderd, als zij in Heorot terugkomen. Hrodgar verlaat met
-zijne echtgenoote het slaapvertrek en begeeft zich naar de troonzaal,
-om het tooneel der worsteling in oogenschouw te nemen.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch15" id="xd21e7166" name="xd21e7166">XV</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Hrodgars toespraak: Eerst dankt hij God,
-daarna zijnen redder; hij zal hem als een zoon beschouwen en rijk
-beloonen.&mdash;Beowulf geeft verslag van de worsteling. Hunferds
-beschaming. De ridders bewonderen den reusachtigen klauw van
-Grendel.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch16" id="xd21e7173" name="xd21e7173">XVI</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Heorot wordt gesmukt. Het gebouw was erg
-gehavend. Hrodgar begeeft er zich heen tot het feestmaal. Hij geeft aan
-Beowulf geschenken: standaard, helm, harnas, paarden.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch17" id="xd21e7179" name="xd21e7179">XVII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Vervolg van &rsquo;t feestmaal: De andere
-helden worden ook niet vergeten door den milden vorst; voor Hondscio
-wordt weergeld betaald. Finn-episode.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch18" id="xd21e7185" name="xd21e7185">XVIII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Voortzetting van de Finn-episode.&mdash;Het
-drinkgelag duurt voort. Wealchtheow, de koningin, zet haren gemaal aan
-tot vrijgevigheid. Zij hoopt dat Hrodulf, Hrodgars mederegent, zich na
-dezes dood dankbaar zal toonen en hare zonen vriendschappelijk
-bejegenen.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch19" id="xd21e7191" name="xd21e7191">XIX</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Vervolg van &rsquo;t feestmaal: Beowulf
-wordt uitgenoodigd om te drinken; nieuwe geschenken, hem door de
-vorstin overhandigd: ringen, armtooisels, rusting, prachtig halsjuweel.
-Sage van Hama en den Brosinghalsband.&mdash;Latere lotgevallen van het
-aan den held geschonken halsjuweel: het geraakte door het sneven van
-Hygelac in het bezit der Franken.&mdash;De koningin houdt eene
-toespraak bij het aanbieden der geschenken en hoopt, dat Beowulf goed
-zal wezen voor hare zonen. Hrodgar gaat slapen, terwijl vele Denen
-Heorot tot nachtverblijf kiezen. <span class="pagenum">[<a id="pb135"
-href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span></p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch20" id="xd21e7198" name="xd21e7198">XX</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Grendels moeder begeeft zich naar Heorot om
-haren zoon te wreken. De Denen stellen zich te weer. Zij vlucht, doch
-ontvoert een ridder, Aschere, alsmede den arm van haren zoon.</p>
-<p class="par tocArgument">V&oacute;&oacute;r dag en dauw laat Hrodgar
-Beowulf ontbieden.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch21" id="xd21e7207" name="xd21e7207">XXI</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Hrodgars klacht over het verlies van zijnen
-besten raadsheer; hij beschrijft het Grendelmeer en hoopt, dat Beowulf
-er zich zal inbegeven.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch22" id="xd21e7213" name="xd21e7213">XXII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Beowulf belooft het. Beiden begeven zich met
-hun gevolg op weg. Aan den oever vinden zij het hoofd van Aschere. Een
-watermonster wordt gedood en op het droge getrokken. Beowulf rust zich
-uit. Hunferd leent hem het voortreffelijke zwaard Hrunting.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch23" id="xd21e7219" name="xd21e7219">XXIII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Beowulf richt het verzoek tot Hrodgar om
-zijne makkers tot vader te verstrekken, zoo hij niet meer terugkomt, en
-zijne ontvangen geschenken aan Hygelac te zenden. Hij bedankt Hunferd
-voor het leenen van zijn zwaard en springt in het meer. Grendels moeder
-sleurt hem mede naar hare onderzeesche woning. Hrunting wil niet
-vatten. Worsteling. De held wordt omvergeworpen en is op het punt van
-gedood te worden.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch24" id="xd21e7225" name="xd21e7225">XXIV</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Door eene bijzondere bestiering Gods valt
-zijn oog op een oud reuzenzwaard aan den wand. Hiermede doodt hij den
-vijand en houwt hij tevens het hoofd af van Grendels lijk. Het water
-wordt bloedig. De krijgers meenen dat Beowulf gedood is. Hrodgar
-vertrekt met de zijnen. De Gooten blijven wachten. Het reuzenzwaard
-smelt tot op het gevest, ten gevolge van het bloed des monsters.
-Beowulf komt te voorschijn met het gevest en Grendels hoofd<span class="corr" id="xd21e7230" title="Niet in bron">.</span> Terugkeer naar
-Heorot. Het zegeteeken wordt door vier mannen gedragen. <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name="pb136">136</a>]</span></p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch25" id="xd21e7235" name="xd21e7235">XXV</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Beowulf verhaalt zijn wedervaren in de
-diepte en schenkt het zwaardgevest aan den koning. Hrodgars dankrede:
-hij vergelijkt Beowulfs gedrag en dat van Heremod; het gevaar der
-grootheid, zij ontaardt dikwijls tot overmoed</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch26" id="xd21e7241" name="xd21e7241">XXVI</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">en tot schraapzucht. Hij wijst op zichzelf:
-50 jaar regeerde hij voorspoedig, daarna overviel hem rampspoed; hij
-bedankt God voor de redding.&mdash;Maaltijd. Met het invallen van den
-nacht begeeft men zich ter ruste. Beowulf wordt naar zijn slaapvertrek
-geleid. Als de morgen aanbreekt, staat Beowulf reisvaardig, hij geeft
-Hrunting terug aan Hunferd en begeeft zich naar Heorot, om afscheid te
-nemen van Hrodgar.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch27" id="xd21e7248" name="xd21e7248">XXVII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Beowulfs toespraak: hij verlangt naar huis,
-doch zal altijd tot Hrodgars en Hrederics dienst gereed zijn. Hrodgars
-antwoord: hij hoopt dat Beowulf later na Hygelacs dood tot koning
-gekozen zal worden; dank aan hem is eene hechte vriendschap tusschen de
-twee volken gesloten.&mdash;Hij schenkt hem twaalf kostbaarheden en
-neemt slechts noode van hem afscheid. Beowulf begeeft zich
-scheepwaarts.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch28" id="xd21e7254" name="xd21e7254">XXVIII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">De kustwachter ontvangt hem
-vriendschappelijk. Inscheping. Overtocht naar Jutland. De
-strandwachter. Ontscheping. Zij begeven zich naar Hygelacs woning.
-Tegenstelling tusschen het karakter van Hygd en dat van Thrydo.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch29" id="xd21e7260" name="xd21e7260">XXIX</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Onthaal bij Hygelac. Hij ondervraagt
-Beowulf. Deze geeft verslag over de gebeurtenissen en lascht er de
-Headobarden-episode in.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch30" id="xd21e7266" name="xd21e7266">XXX</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Slot der Headobarden-episode. Daarna neemt
-Beowulf den draad van zijn verhaal weder op; Grendel, handschoen,
-feestmaal, Aschere, Grendels moeder. <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span></p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch31" id="xd21e7273" name="xd21e7273">XXXI</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Vervolg van Beowulfs verslag:
-Geschenken.&mdash;Beowulf staat zijne geschenken aan Hygelac en Hygd
-af. De dichter spreekt van Beowulfs onmannelijke jeugd. Hygelac beloont
-Beowulf met Hredels zwaard, landerijen en burcht.&mdash;Beowulf beklimt
-den troon na den dood van Heardred, Hygelacs zoon, en heerscht vijftig
-jaar op voorspoedige, wijze, totdat zekere slaaf eenen beker ontvoert
-uit het hol van eenen draak, die in eenen grafheuvel eenen onmetelijken
-schat bewaart.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch32" id="xd21e7280" name="xd21e7280">XXXII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">De slaaf had eene schuilplaats gezocht en
-zoo toevalligerwijze den schat ontdekt. Geschiedenis van den schat: hij
-was daar neergelegd door den laatsten afstammeling van een oud
-geslacht; klacht van den eenzamen grijsaard; na zijnen dood maakt de
-draak zich van de have meester.&mdash;De draak ontdekt den diefstal;
-hij is strijdlustig en vliegt met de avondschemering uit, om wraak te
-nemen.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch33" id="xd21e7286" name="xd21e7286">XXXIII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Hij verbrandt Beowulfs woning en keert met
-den morgen terug in zijn hol. Droefheid van den koning bij het vernemen
-van de verwoestingen. Hij laat een stalen schild vervaardigen.
-Afwijking van den dichter: Beowulfs vroegere wapenfeiten, Grendelkamp,
-oorlog met de Franken, waarin de held met de schilden van dertig
-gesneuvelde vijanden te water springt; hij weigert den troon, welken
-Hygd hem aanbiedt, en beklimt dien slechts later na den dood van
-Heardred, die Zweedsche vluchtelingen had opgenomen en daarom door
-Onela, den vorst der Zweden, verslagen werd.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch34" id="xd21e7292" name="xd21e7292">XXXIV</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Voortzetting der afwijking: Beowulf Wreekt
-later den dood van zijnen voorganger en verbindt zich met Eadgils, een
-der vluchtelingen, die Onela van het leven berooft.&mdash;Beowulf
-begeeft zich met elf tochtgenooten naar het drakenhol op aanwijzing van
-den slaaf. Voorgevoel van zijnen dood. Beowulfs rede: hij heeft zijne
-jeugd aan het hof van Hredel doorgebracht; Hredel-episode. <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name="pb138">138</a>]</span></p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch35" id="xd21e7299" name="xd21e7299">XXXV</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Vervolg van de Hredel-episode; na Hredels
-dood breekt de oorlog uit met de Zweden, waarin Hadcyn en Ongentheow
-sneuvelen; hij heeft Hygelac altoos trouw ter zijde gestaan en Daghrefn
-gewurgd in den strijd met de Franken; nu zal hij zijnen laatsten kamp
-wagen.&mdash;Beowulf groet ieder zijner makkers en neemt weer het woord
-op: hij draagt eene wapenrusting, om tegen het vuur beschut te zijn;
-zijne mannen zullen in de nabijheid wachten, hij zal alleen den draak
-dooden of sterven.&mdash;Beschrijving van den drakekamp: Beowulf
-begeeft zich naar den ingang van het hol; beschrijving ervan; hij
-roept, en de draak komt te voorschijn; Beowulfs zwaard dringt niet
-door, hij moet zich wegens de hitte terugtrekken. Zelfde vruchtelooze
-uitslag bij eene tweede poging. De helpers nemen de vlucht, uitgenomen
-Wiglaf.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch36" id="xd21e7305" name="xd21e7305">XXXVI</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Wiglafs afkomst. Hij herinnert zich Beowulfs
-weldaden en trekt het zwaard. Lotgevallen ervan. Zijne toespraak tot de
-vluchtelingen: hun meester schonk de wapenrusting, koos hen als de
-dappersten uit, dus moeten zij hem helpen; hij voor zich wil liever
-sterven dan hem in den steek te laten; zonder hem kunnen zij niet
-terugkeeren; Beowulf heeft het niet verdiend alleen te moeten
-vallen.&mdash;Wiglaf dringt door den vlammengloed en spreekt Beowulf
-moed in. Tweede aanval van den kant des draaks: Wiglafs houten schild
-verbrandt, hij vlucht achter dat van zijnen koning. Deze wondt het
-hoofd van den draak, doch zijn zwaard breekt, want zijne vuist is te
-sterk. Derde aanval vanwege den draak: hij omklemt met zijne tanden den
-hals van Beowulf.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch37" id="xd21e7311" name="xd21e7311">XXXVII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Wiglaf wondt nu den draak op doodelijke
-wijze, doch verbrandt tevens zijne hand. Beowulf komt tot zichzelven en
-hakt met zijn slagmes den draak middendoor. Hij is vergiftigd en zijgt
-neder. Wiglaf besprenkelt hem met water en ontgespt zijnen helm.
-Beowulf komt bij en zegt, dat hij met volle gerustheid sterft, want hij
-heeft gedurende vijftig jaren rechtvaardig geregeerd; hij verzoekt
-Wiglaf in het hol te gaan, om hem de schatten voor de eerste en laatste
-maal te toonen. <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139"
-name="pb139">139</a>]</span></p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch38" id="xd21e7319" name="xd21e7319">XXXVIII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Wiglaf begeeft zich onder de rots.
-Beschrijving van de schatten. Met kostbaarheden beladen keert hij terug
-en vindt Beowulf in bewusteloozen toestand. Ten tweeden male
-besprenkelt hij hem met water en met goed gevolg. Beowulfs laatste
-woorden: hij bedankt God voor die schatten, welke zijne mannen zullen
-te stade komen, beveelt, dat men hem eenen hoogen grafheuvel zal
-oprichten aan den oever der zee en schenkt aan Wiglaf, den laatste van
-zijnen stam, halssieraad, helm, ring en harnas. Daarna geeft hij den
-geest.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch39" id="xd21e7325" name="xd21e7325">XXXIX</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Overweging van den dichter. De tien
-vluchtelingen komen terug. Wiglafs strafrede: Beowulf heeft zijne
-geschenken aan onwaardigen gegeven; toch heeft hij de zege behaald; ik
-heb hem naar vermogen geholpen; gij zult voorbeeldig gestraft
-worden.&mdash;</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch40" id="xd21e7331" name="xd21e7331">XL</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Een bode bericht het nieuws aan het hof:
-Beowulf en de draak zijn gedood; Wiglaf houdt er de wacht; nu staat de
-oorlog te wachten met de Franken, die hun vijandig zijn sedert Hygelacs
-inval. Ook zullen de Zweden hen aantasten; tot staving hiervan verhaalt
-hij de episode van den Zwedenkrijg.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch41" id="xd21e7337" name="xd21e7337">XLI</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Voortzetting van den Zwedenkrijg. Men spoede
-zich om Beowulfs lijk te verbranden met den drakeschat, zoodat er geen
-sieraad tot herinnering zal overblijven, want hachelijke tijden zijn
-ophanden.&mdash;Men begeeft zich naar het strand, waar Beowulf naast
-den draak en de kostbaarheden ligt uitgestrekt. Afwijking: de schat was
-betooverd.</p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch42" id="xd21e7343" name="xd21e7343">XLII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">De afwijking wordt voortgezet. Wiglafs
-redevoering: Beowulf wilde niet den raad involgen om den draak
-ongemoeid te laten; ik heb de schatkamer bezichtigd; Beowulf heeft
-eenen lijkheuvel verzocht. Wiglaf beveelt de schatten uit het hol te
-dragen en het hout tot den brandstapel aan te voeren.&mdash;De schat
-wordt te zamen met het lijk des konings naar de walvischhoogte
-vervoerd, terwijl de draak in de zee wordt gestort. <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span></p>
-<p class="par tocHead"><a href="#ch43" id="xd21e7351" name="xd21e7351">XLIII</a>.</p>
-<p class="par tocArgument">Beschrijving van Beowulfs lijkverbranding:
-de brandstapel wordt opgericht en aangestoken. Jammerklachten van de
-jonkvrouw. De graf heuvel wordt opgeworpen en de rijkdom er in
-geborgen. De zonen der twaalf rijksgrooten rijden om het graf. Hun
-rouwzang. Beowulf was het toonbeeld van een koning. <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7067">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">I.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Voorwaar, der Denen roem in voortijdsdagen,</p>
-<p class="line">Der volksbeheerschers hebben wij vernomen,</p>
-<p class="line">Hoe de e&ecirc;lgeboornen heldenda&acirc;n
-voldongen.</p>
-<p id="v4" class="line">De Scheving<a class="apparatusnote" id="xd21e7371src" href="#xd21e7371" title="4 Scheving: zoon van Sc&#275;f of Sce&aacute;f, welke naam Schoof beteekent. Vgl. v. 47 Nota."
-name="xd21e7371src">&deg;</a> Schyld ontnam aan &rsquo;s vijands
-scharen,</p>
-<p id="v5" class="line"><span class="lineNum">5</span> Aan vele stammen
-vaak de medezetels<a class="apparatusnote" id="xd21e7390src" href="#xd21e7390" title="5 medezetels: de banken, waarop de krijgers bij de gastmalen hunner vorsten zaten, en waar bier en mede geschonken werd. Werd de eene vorst door den anderen overwonnen, zoo hielden de drinkgelagen op. Ettm&uuml;ller."
-name="xd21e7390src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v6" class="line">De held had veel gehard, nadat hij hulploos</p>
-<p class="line">Gevonden was geworden in den aanvang.</p>
-<p class="line">Des trof hij troost. Hij wies bene&ecirc;n de
-wolken,</p>
-<p class="line">Gedijde in waardighe&ecirc;n, totdat hem ieder</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">10</span> Der ommewoners langs de
-walvischwegen</p>
-<p class="line">Gehoorzaamheid verschuldigd was en schatting</p>
-<p class="line">Betalen moest. Dit was een machtig koning!</p>
-<p class="line">Hem werd daarna een erfgenaam geboren,</p>
-<p id="v14" class="line">Jong in het koningshof, dien zond de Hemel</p>
-<p id="v15" class="line"><span class="lineNum">15</span> Het volk tot
-heul: Hij<a class="apparatusnote" id="xd21e7427src" href="#xd21e7427"
-title="15 Hij: de Hemel. Deze verzen doelen op de oorlogen, welke het tijdperk van regeeringloosheid, dat de aankomst van Schyld zou zijn voorafgegaan, moesten kenmerken."
-name="xd21e7427src">&deg;</a> zag &rsquo;t vervolgingsonheil,</p>
-<p class="line">Dat zij, de koningsloozen, eerst beleefden <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span></p>
-<p class="line">Een langen tijd. De Levensheer diensvolgens,</p>
-<p id="v18" class="line">De glansbeschikker, schonk hem<a class="apparatusnote" id="xd21e7443src" href="#xd21e7443" title="18 hem: Beowulf, zoon van Schyld." name="xd21e7443src">&deg;</a>
-wereldglorie.<a class="apparatusnote" id="xd21e7452src" href="#xd21e7452" title="14b&ndash;18 zijn blijkbaar een toevoegsel van christelijke hand."
-name="xd21e7452src">&deg;</a></p>
-<p id="v19" class="line">Bekend werd Beowulf<a class="apparatusnote"
-id="xd21e7465src" href="#xd21e7465" title="19 Deze Beowulf, de Deen, waarin de uitgevers den mythischen held Be&aacute;v of Be&oacute;v zien, is niet te verwarren met Beowulf, den Goot, den held van het gedicht."
-name="xd21e7465src">&deg;</a>; verre sprong de konde</p>
-<p id="v20" class="line"><span class="lineNum">20</span> Van Schyldes
-spruit de Schedelanden<a class="apparatusnote" id="xd21e7475src" href="#xd21e7475" title="20 de Schedelanden: het Denenrijk." name="xd21e7475src">&deg;</a> binnen.</p>
-<p class="line">Zoo moet een jeugdig man zich mild bewijzen</p>
-<p class="line">Door groote giften jegens vaders vrienden,</p>
-<p class="line">Opdat hem weer gewillig wapenmakkers</p>
-<p id="v24" class="line">In d&rsquo;ouderdom<a class="apparatusnote"
-id="xd21e7493src" href="#xd21e7493" title="24 in d&rsquo;ouderdom: als hij op zijne beurt koning is geworden."
-name="xd21e7493src">&deg;</a>, als kamp ontstaat, omstuwen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">25</span> De heirschaar vormen:
-door gevierde daden</p>
-<p class="line">Zal zich een held bij elken stam verheffen.</p>
-<p class="line">Verscheiden ging nu Schyld, de veelbewogen,</p>
-<p id="v28" class="line">Ter lotbestemde stond in &rsquo;s Heeren
-hoede<a class="apparatusnote" id="xd21e7512src" href="#xd21e7512"
-title="28b Ingeschoven." name="xd21e7512src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Hem brachten toen de trouwe wapenbroeders</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">30</span> Naar &rsquo;t
-zeegezwalp, gelijk hij zelf verzocht had,</p>
-<p id="v31" class="line">Terwijl &rsquo;t bevel de vriend der
-Schyldings<a class="apparatusnote" id="xd21e7528src" href="#xd21e7528"
-title="31 Schildings: Denen." name="xd21e7528src">&deg;</a> voerde,</p>
-<p class="line">De lieve landbestuurder lang een tijdruim<a href="#n1"
-class="noteref">1</a>.</p>
-<p class="line">Daar aan de reede stond de kronkelsteven,</p>
-<p class="line">Yshelder, reizensree, des heerschers vaartuig.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">35</span> Zij legden toen den
-lieven koning neder,</p>
-<p id="v36" class="line">Den schatbescheerder, op den schoot des
-vaartuigs,</p>
-<p class="line">Den wijdvermaarden bij den mast. Er waren</p>
-<p class="line">Juweelen veel, gebracht langs verre wegen,</p>
-<p class="line">En kostbaarheden opgehoopt. Ik hoorde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">40</span> Wel nooit van zulk een
-kiel, voorzien zoo kostlijk</p>
-<p class="line">Met heertuig, krijgerkle&ecirc;n, met zwaard en
-harnas.</p>
-<p id="v42" class="line">Veel schatten lagen op den schoot<a class="apparatusnote" id="xd21e7567src" href="#xd21e7567" title="42 op den schoot: van het schip. Vgl. v. 36." name="xd21e7567src">&deg;</a>. Zij zouden <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span></p>
-<p class="line">Ver medezwalken in de macht der baren.</p>
-<p class="line">Zij monsterden niet minder gul met gaven</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">45</span> Hem uit en
-schatgeschenken dan het deden</p>
-<p class="line">Degenen, die hem in &rsquo;t begin verzonden</p>
-<p id="v47" class="line">Alleen op &rsquo;t zeegewoel, een wichtje
-zijnde.<a class="apparatusnote" id="xd21e7593src" href="#xd21e7593"
-title="47 De sage van deze wonderbare aanlanding in het oude Angli&euml; wordt ook vermeld door de Engelsche kroniekschrijvers, doch niet aan Scyld, maar aan Sce&aacute;f, zijnen vader, toegeschreven. Kemble deelt, onder meer, den volgenden tekst van Willem van Malmesbury mede: Iste (Sceaf), ut fertur, in quandam insulam Germaniae Scandzam, de qua Jordanes, historiographus Gothorum, loquitur, appulsus navi sine remige puerulus, posito ad caput frumenti manipulo, ideoque Sce&aacute;f (Ned. schoof) nuncupatus, ab hominibus regionis illius pro miraculo exceptus et sedulo nutritus, adulta aetate regnavit in oppido, quod tunc Slasvic, nunc vero Haitheby appellalur: est autem regio illa Anglia vetus dicta, unde Angli venerunt in Britanniam, inter Saxones et Gothos constituta. Voor meer aanhalingen verwijs ik naar Ettm&uuml;llers inleiding. Volgens Nathana&euml;l Muller moet Sce&aacute;f de Germaansche Ulysses geweest zijn, waarvan Tacitus gewaagt: Caeterum et Ulixem quidam opinantur longo illo et fabuloso errore in hunc oceanum delatum adisse Germaniae terras... Germ. Cap. 3. De aankomst van den Zwaanridder in het geheimzinnige bootje komt met de sage van Sceaf overeen."
-name="xd21e7593src">&deg;</a></p>
-<p id="v48" class="line">Men stelde hem daarbij een gulden
-standaard<a class="apparatusnote" id="xd21e7628src" href="#xd21e7628"
-title="48 Een gouden banier of schild boven aan den mast was het teeken van de aanwezigheid eens konings. Ettm&uuml;ller."
-name="xd21e7628src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hoog boven &rsquo;t hoofd en liet de baar hem
-beuren</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">50</span> En gaf hem aan de golf.
-Hun geest was weevol,</p>
-<p id="v51" class="line">Bezorgd hun zin. Niet kunnen menschen
-zeggen,</p>
-<p class="line">Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden</p>
-<p id="v53" class="line">Bene&ecirc;n de wolken<a class="apparatusnote"
-id="xd21e7649src" href="#xd21e7649" title="53 bene&ecirc;n de wolken: op aarde." name="xd21e7649src">&deg;</a>,
-wie ontving de lading.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e7659width"><img src="images/o143.png" alt="Ornament." width="71" height="78"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7371"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7371src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v4">4</a></span> <i>Scheving</i>:
-zoon van Sc&#275;f of Sce&aacute;f, welke naam <i>Schoof</i> beteekent.
-Vgl. v. <a href="#v47">47</a> Nota.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7371src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7390"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7390src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v5">5</a></span> <i>medezetels</i>:
-de banken, waarop de krijgers bij de gastmalen hunner vorsten zaten, en
-waar bier en mede geschonken werd. Werd de eene vorst door den anderen
-overwonnen, zoo hielden de drinkgelagen op.
-<i>Ettm&uuml;ller</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7390src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7427"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7427src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v15">15</a></span> <i>Hij</i>: de
-Hemel. Deze verzen doelen op de oorlogen, welke het tijdperk van
-regeeringloosheid, dat de aankomst van Schyld zou zijn voorafgegaan,
-moesten kenmerken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7427src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7443"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7443src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v18">18</a></span> <i>hem</i>:
-Beowulf, zoon van Schyld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7443src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7452"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7452src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v14">14<i>b</i><span class="corr"
-id="xd21e7458" title="Bron: .">&ndash;</span>18</a></span> zijn
-blijkbaar een toevoegsel van christelijke hand.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e7452src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7465"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7465src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v19">19</a></span> Deze Beowulf, de
-Deen, waarin de uitgevers den mythischen held Be&aacute;v of
-Be&oacute;v zien, is niet te verwarren met Beowulf, den Goot, den held
-van het gedicht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7465src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7475"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7475src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v20">20</a></span> <i>de
-Schedelanden</i>: het Denenrijk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7475src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7493"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7493src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v24">24</a></span> <i>in
-d&rsquo;ouderdom</i>: als hij op zijne beurt koning is
-geworden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7493src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7512"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7512src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v28">28<i>b</i></a></span>
-Ingeschoven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7512src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7528"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7528src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v31">31</a></span>
-<i>Schildings</i>: Denen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7528src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7567"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7567src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v42">42</a></span> <i>op den
-schoot</i>: van het schip. Vgl. v. <a href="#v36">36</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7567src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7593"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7593src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v47">47</a></span> De sage van deze wonderbare aanlanding in het oude
-Angli&euml; wordt ook vermeld door de Engelsche kroniekschrijvers, doch
-niet aan Scyld, maar aan <i>Sce&aacute;f</i>, zijnen vader,
-toegeschreven. Kemble deelt, onder meer, den volgenden tekst van Willem
-van Malmesbury mede:</p>
-<p class="par footnote" lang="la">Iste (Sceaf), ut fertur, in quandam
-insulam Germaniae Scandzam, de qua Jordanes, historiographus Gothorum,
-loquitur, appulsus navi sine remige puerulus, posito ad caput frumenti
-manipulo, ideoque Sce&aacute;f <span lang="nl">(Ned.
-<i>schoof</i>)</span> nuncupatus, ab hominibus regionis illius pro
-miraculo exceptus et sedulo nutritus, adulta aetate regnavit in oppido,
-quod tunc Slasvic<span class="corr" id="xd21e7610" title="Bron: .">,</span> nunc vero Haitheby appellalur: est autem regio illa
-Anglia vetus dicta, unde Angli venerunt in Britanniam, inter Saxones et
-Gothos constituta.</p>
-<p class="par footnote">Voor meer aanhalingen verwijs ik naar
-Ettm&uuml;llers inleiding.</p>
-<p class="par footnote">Volgens Nathana&euml;l Muller moet Sce&aacute;f
-de Germaansche Ulysses geweest zijn, waarvan Tacitus gewaagt:
-<span lang="la">Caeterum et Ulixem quidam opinantur longo illo et
-fabuloso errore in hunc oceanum delatum adisse Germaniae terras...
-Germ. Cap. 3.</span></p>
-<p class="par footnote">De aankomst van den <i>Zwaanridder</i> in het
-geheimzinnige bootje komt met de sage van Sceaf overeen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7593src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7628"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7628src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v48">48</a></span> Een gouden banier
-of schild boven aan den mast was het teeken van de aanwezigheid eens
-konings. <i>Ettm&uuml;ller</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7628src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7649"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7649src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v53">53</a></span> <i>bene&ecirc;n
-de wolken</i>: op aarde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7649src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7075">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">II.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ter burcht verwijlde nu der Schyldings Beowulf,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">55</span> De lieve landsheer,
-lang, den volken roemrijk;<a href="#n2" class="noteref">2</a></p>
-<p id="v56" class="line">(De vader week van daar, de vorst van &rsquo;t
-erfgoed<a class="apparatusnote" id="xd21e7680src" href="#xd21e7680"
-title="56 Schyld was gestorven." name="xd21e7680src">&deg;</a>)</p>
-<p class="line">Totdat hem werd verwekt de hooge Healfdeen.</p>
-<p class="line">Die heerschte op heusche wijs, zoolang hij leefde,</p>
-<p class="line">Bedaagd en oorlogsduchtig, bij de Schyldings.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">60</span> Hem kwam in rechte rij
-een viertal kinders</p>
-<p class="line">Ter wereld: Heorogar, de hordenheerscher,</p>
-<p id="v62" class="line">Hrodgar en strijdbre Halga. &rsquo;k Heb
-vernomen,</p>
-<p id="v63" class="line">Dat Elan werd van Ongentheow<a class="apparatusnote" id="xd21e7702src" href="#xd21e7702" title="63 Ongentheow: is eene gissing, daar het handschrift hier eene leemte vertoont."
-name="xd21e7702src">&deg;</a> de weerhelft,</p>
-<p id="v64" class="line">De bedgenoote van den Wapen-Schilfing<a class="apparatusnote" id="xd21e7713src" href="#xd21e7713" title="64 Schilfing: Zweed. Ettm&uuml;ller merkt te recht aan, dat deze inleiding de afstamming behelst van den Deenschen koning Hrodgar en niet, zooals het diende, van Beowulf den Goot, die nochtans de held van &rsquo;t epos is. Een bewijs, onder meer andere, dat dit gedeelte later bijgevoegd is."
-name="xd21e7713src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v65" class="line"><span class="lineNum">65</span> Geluk der
-wapens werd verleend aan Hrodgar,</p>
-<p id="v66" class="line">De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre
-magen<a class="apparatusnote" id="xd21e7732src" href="#xd21e7732"
-title="66 zijn dierbre magen: quodque praecipuum fortitudinis incitamentum est, non casus nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum facit, sed familiae et propinquitates. Tacitus, Germania, 7."
-name="xd21e7732src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,</p>
-<p class="line">De breede jonglingschaar. Hem schoot te binnen,</p>
-<p class="line">Dat hij een hal bevelen moest te maken <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">70</span> Aan zijne mannen, eene
-medewoning,</p>
-<p class="line">Een machtiger dan menschenzonen zagen;</p>
-<p class="line">Om alles daar aan jong en oud te deelen,</p>
-<p id="v73" class="line">Als God hem had gegeven, uitgezonderd</p>
-<p class="line">De legerschaar en &rsquo;t leven zijner lieden<a class="apparatusnote" id="xd21e7760src" href="#xd21e7760" title="73&ndash;74 uitgezonderd de Koningsmacht? De regel &laquo;is ten eenenmale onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en niet tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen de historie hier licht geven.&raquo; Cosijn. Ook werpt hij het vers uit, evenals Ettm&uuml;ller."
-name="xd21e7760src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">75</span> &rsquo;k Vernam, hoe
-werk werd opgelegd in &rsquo;t wijde</p>
-<p class="line">Aan menig man langs de aard, de ste&ecirc; te
-sieren.</p>
-<p class="line">Het viel in tijds hem mede, bij de menschen,</p>
-<p class="line">Dat kant en klaar verrees der hallen hoogste.</p>
-<p class="line">Den naam van Heort bestemde haar de heerscher,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">80</span> Wiens woorden kracht
-van wet in &rsquo;t wijd bezaten.</p>
-<p class="line">Hij deed zijn woord gestand en deelde ringen</p>
-<p id="v82" class="line">En goed aan &rsquo;t gastmaal. Stout verhief,
-met hoornen</p>
-<p id="v83" class="line">Voorzien<a class="apparatusnote" id="xd21e7792src" href="#xd21e7792" title="82 met hoornen voorzien: met hertegewei, dat den gevel bekroonde. Vandaar de naam Heort of Heorot."
-name="xd21e7792src">&deg;</a> zich ruim de zaal&mdash;Haar was te
-wachten</p>
-<p class="line">&rsquo;t Vijandig vuurgewoel, de leede laaie.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">85</span> Niet was de tijd reeds
-daar, dat wapenwoede</p>
-<p class="line">Door bloedhaat blaken zou bij zoon en vader<a class="apparatusnote" id="xd21e7815src" href="#xd21e7815" title="83&ndash;86 Hier wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld worden, maar die het onderwerp moesten uitmaken van afzonderlijke zangen: den brand van Heorot, en de vijandschap tusschen Hrodgar en zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst der Headobarden. Vgl. v. 800 en vooral XXX."
-name="xd21e7815src">&deg;</a>.&mdash;</p>
-<p class="line">Nu moest den heelen tijd in arren moede</p>
-<p class="line">De weerbre geest, die woonde in duisternissen,</p>
-<p class="line">Het dulden, dagelijks het luid gejubel</p>
-<p id="v90" class="line"><span class="lineNum">90</span> Te hooren in
-de hal. Daar klonk de harptoon,</p>
-<p class="line">De zoete zang des dichters. Deze zeide,</p>
-<p class="line">Die &rsquo;t eerst ontstaan des menschen wist te melden
-<span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p>
-<p id="v93" class="line">Van hooger af, verhaalde, dat de Almachte</p>
-<p class="line">Deze aarde had gevormd met hare velden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">95</span> Glansstaltig,
-waaromheen zich windt het water;</p>
-<p class="line">Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig</p>
-<p class="line">Tot licht gesteld had voor de landbewoners,</p>
-<p class="line">Getooid met twijg en blad der velden boezem.</p>
-<p class="line">Het leven schiep Hij insgelijks voor ieder</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">100</span> Der wezens, die
-bezield zich voortbewegen.</p>
-<p class="line">Zoo leefden in genot de kampgenooten</p>
-<p class="line">En overvloed, tot &eacute;&eacute;n begon, de
-vijand,</p>
-<p id="v103" class="line">Verderf te stichten in de stede<a class="apparatusnote" id="xd21e7870src" href="#xd21e7870" title="90b&ndash;103a Ingelaschte verzen, volgens M&uuml;llenhofs indeeling, terwijl Ettm&uuml;ller minder juist ook 103b&ndash;106 verwerpt."
-name="xd21e7870src">&deg;</a>. Grendel</p>
-<p class="line">Zoo was de gast, de grimme geest geheeten.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">105</span> Grenslooper lang
-berucht, die in moerassen</p>
-<p class="line">En venen was genesteld, zijne vrijburg.</p>
-<p id="v107" class="line">&rsquo;t Wanzalig wezen had een lange
-wijle</p>
-<p class="line">Het schuilvertrek van &rsquo;t reuzenras betrokken,</p>
-<p class="line">Nadat de Wereldheer hem had verwezen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">110</span> Der eeuwen Heer
-verhaalde op Ka&iuml;ns afkomst,</p>
-<p class="line">Omdat hij Abel had verdaan, den doodslag.</p>
-<p class="line">Hij mocht zich in de misdaad niet verheugen,</p>
-<p class="line">Maar in de verte joeg hem voort de Schepper,</p>
-<p class="line">Om dezen moord, gebannen uit het menschdom.</p>
-<p id="v115" class="line"><span class="lineNum">115</span> Hier werden
-uit verwekt de wangedrochten,</p>
-<p class="line">De reuzen, elven met de watermonsters,</p>
-<p class="line">Giganten ook, die tegen God zich kantten</p>
-<p class="line">Een langen tijd. Hij loonde hen diensvolgens<a class="apparatusnote" id="xd21e7924src" href="#xd21e7924" title="107&ndash;118 Ingeschoven plaats." name="xd21e7924src">&deg;</a><a class="apparatusnote" id="xd21e7929src"
-href="#xd21e7929" title="115&ndash;118 Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten van Ka&iuml;n afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke oudheid. Vgl. v. 1283 vlg."
-name="xd21e7929src">&deg;</a>.</p>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7680"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7680src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v56">56</a></span> Schyld was
-gestorven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7680src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7702"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7702src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v63">63</a></span>
-<i>Ongentheow</i>: is eene gissing, daar het handschrift hier eene
-leemte vertoont.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7702src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7713"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7713src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v64">64</a></span> <i>Schilfing</i>: Zweed.</p>
-<p class="par footnote">Ettm&uuml;ller merkt te recht aan, dat deze
-inleiding de afstamming behelst van den Deenschen koning Hrodgar en
-niet, zooals het diende, van Beowulf den Goot, die nochtans de held van
-&rsquo;t epos is. Een bewijs, onder meer andere, dat dit gedeelte later
-bijgevoegd is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7713src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7732"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7732src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v66">66</a></span> <i>zijn dierbre
-magen</i>: quodque praecipuum fortitudinis incitamentum est, non casus
-nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum facit, sed familiae et
-propinquitates. Tacitus, Germania, 7.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7732src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7760"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7760src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v73">73&ndash;74</a></span>
-uitgezonderd de Koningsmacht? De regel &laquo;is ten eenenmale
-onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator
-ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn
-legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en niet
-tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen de
-historie hier licht geven.&raquo; <i>Cosijn.</i> Ook werpt hij het vers
-uit, evenals Ettm&uuml;ller.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7760src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7792"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7792src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v82">82</a></span> <i>met hoornen
-voorzien</i>: met hertegewei, dat den gevel bekroonde. Vandaar de naam
-<i>Heort</i> of <i>Heorot</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7792src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7815"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7815src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v83">83&ndash;86</a></span> Hier
-wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld
-worden, maar die het onderwerp moesten uitmaken van afzonderlijke
-zangen: den brand van Heorot, en de vijandschap tusschen Hrodgar en
-zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst der Headobarden. Vgl. v. <a href="#v800">800</a> en vooral <a href="#ch30">XXX</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7815src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7870"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7870src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v90">90<i>b</i>&ndash;103<i>a</i></a></span> Ingelaschte verzen,
-volgens M&uuml;llenhofs indeeling, terwijl Ettm&uuml;ller minder juist
-ook <a href="#v103">103<i>b</i>&ndash;106</a> verwerpt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7870src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7924"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7924src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v107">107&ndash;118</a></span>
-Ingeschoven plaats.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7924src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7929"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7929src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v115">115&ndash;118</a></span>
-Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten van Ka&iuml;n
-afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke oudheid. Vgl.
-v. <a href="#v1283">1283</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7929src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7085">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">III.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v119" class="line">Hij<a class="apparatusnote" id="xd21e7946src"
-href="#xd21e7946" title="119 hij: Grendel." name="xd21e7946src">&deg;</a> ging bezien, sinds nederzeeg de
-nachtstond,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">120</span> De hooge huizing, hoe
-de Harnas-Denen</p>
-<p class="line">Zich na de bierontvangst gevestigd hadden.</p>
-<p class="line">Daar binnen trof hij toen den troep der eedlen</p>
-<p class="line">In slaap na &rsquo;t feestgeslemp. Geen kommer
-kenden,</p>
-<p class="line">Geen leed de lieden. Vreeselijk, vraatzuchtig</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">125</span> Was ras gereed de
-daemon der verderfnis,</p>
-<p class="line">Verwoed en wild, en roofde van het rustbed</p>
-<p id="v127" class="line">Der dappren dertigtal<a class="apparatusnote"
-id="xd21e7975src" href="#xd21e7975" title="127 Van dit dertigtal verslond hij er vijftien en sleepte de overigen naar zijn hol. Vgl. v. 1614."
-name="xd21e7975src">&deg;</a>. Dan weder wendde</p>
-<p class="line">Hij roemend op den roof van hier zich huiswaarts</p>
-<p id="v129" class="line">En kwam met kampbuit<a class="apparatusnote"
-id="xd21e7988src" href="#xd21e7988" title="129 met kampbuit: de vijftien overgeblevenen van v. 127." name="xd21e7988src">&deg;</a> weer in zijne woning.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">130</span> Toen bleek des
-ochtends bij het morgenblozen</p>
-<p class="line">De worstelmacht van Grendel aan de mannen.</p>
-<p id="v132" class="line">Toen steeg na &rsquo;t feestgelag &rsquo;t
-gesteen naarboven,</p>
-<p class="line">Het machtig morgenwee. De hooge heerscher,</p>
-<p class="line">De eervolle vorst, was lusteloos gezeten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">135</span> Beleefde leed, de zorg
-om zijne strijders,</p>
-<p id="v136" class="line">Nadat men &rsquo;t spoor bespeurd had van den
-vijand<span class="corr" id="xd21e8019" title="Bron: ,">.</span></p>
-<p class="line">Den doembren geest. De droefheid was te drukkend,</p>
-<p class="line">Geweldig, onverpoosd. Niet was er uitstel, <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p>
-<p class="line">Hij stichtte na dien eenen nacht alweder</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">140</span> moorden meer en
-schuwde leed noch lagen,</p>
-<p class="line">Hij was maar al te zeer gezet op deze.</p>
-<p id="v142" class="line">Nu waren vele lieden licht te vinden,</p>
-<p class="line">Die ergens elders ruimer rustbed zochten,</p>
-<p class="line">Een bed in &rsquo;t burgvertrek. Nu was bewezen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">145</span> En wis en waar beduid
-door bare blijken</p>
-<p class="line">De haat van &rsquo;t halgedrocht, nu hield een
-ieder,</p>
-<p class="line">Die &rsquo;t monster was ontvlucht, zich ver en
-veilig.</p>
-<p class="line">Zoo heerschte hij en woedde wederrechtig</p>
-<p class="line">E&eacute;n tegen allen, tot der huizen heerlijkst</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">150</span> Daar ledig stond. Dat
-duurde lang een tijdruim.</p>
-<p id="v151" class="line">De Denenvriend verduurde een twaalftal
-winters<a class="apparatusnote" id="xd21e8060src" href="#xd21e8060"
-title="151 winters: jaren, volgens de Germaansche gewoonte van naar winters te tellen."
-name="xd21e8060src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De woede en ieder wee, de zwaarste zorgen.</p>
-<p class="line">Sinds werd het klaar bekend den menschenkindren</p>
-<p class="line">Op leede wijs door &rsquo;t lied, dat Grendel
-Hrodgar</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">155</span> Aantastte langen tijd.
-Hij had berokkend</p>
-<p class="line">Haatvijandschap, vervolgingslisten, veete</p>
-<p class="line">Wel menig halfjaar met gestage strijden.</p>
-<p class="line">Hij wenschte geenszins aan te gaan den vrede</p>
-<p class="line">Met een der dappren uit de bloem der Denen,</p>
-<p id="v160" class="line"><span class="lineNum">160</span> Te keeren
-&rsquo;t levenszeer, met geld te zoenen<a class="apparatusnote" id="xd21e8092src" href="#xd21e8092" title="160 met geld te zoenen: het weergeld, volgens de oude rechtspleging."
-name="xd21e8092src">&deg;</a><a href="#n3" class="noteref">3</a>,</p>
-<p id="v161" class="line">En geen der raden dorst glansrijker
-boete<a class="apparatusnote" id="xd21e8105src" href="#xd21e8105"
-title="161 glansrijker boete: door hem te dooden in den strijd." name="xd21e8105src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Verhopen met de handen van den dooder<a href="#n4"
-class="noteref">4</a>.</p>
-<p class="line">De booze daemon kwelde, bond en doodde,</p>
-<p id="v164" class="line">De duistre doodsgeest, meerderen en
-mindren.<a class="apparatusnote" id="xd21e8124src" href="#xd21e8124"
-title="164 meerderen en mindren: de krijgsschaar bestond uit strijders van hoogeren en lageren rang, in den trant van de ridders en schildknapen der middeleeuwen."
-name="xd21e8124src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">165</span> Eeuwnachten had hij in
-de nevelmoeren</p>
-<p class="line">Zijn woon gevest. Dit weten niet de menschen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span></p>
-<p class="line">Waarheen in &rsquo;t rond de toovenaars zich
-richten.</p>
-<p id="v168" class="line">Zoo menig ramp berokte vaak de vijand</p>
-<p class="line">Des menschen, harden hoon, de eenzame zwerver.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">170</span> Hij huisde in Heort,
-de goudverlichte halle,</p>
-<p class="line">Bij naren nacht. (Toch zou hij niet bezetten</p>
-<p id="v172" class="line">Het schenkgestoelt, uit hoofde van den
-Schepper,<a class="apparatusnote" id="xd21e8154src" href="#xd21e8154"
-title="172 God belette hem den Deenschen troon te bestijgen; immers Grendel ging gebukt onder Zijnen vloek. Vgl. v. 725. Ook wenschte Grendel zulks niet."
-name="xd21e8154src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Het pronkjuweel, noch waren dit zijn wenschen.<a class="apparatusnote" id="xd21e8165src" href="#xd21e8165" title="168&ndash;73 Inlassching." name="xd21e8165src">&deg;</a><a href="#n5"
-class="noteref">5</a></p>
-<p class="line">Dat was den vriend der Schyldings wreede kommer,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">175</span> Een knak der ziel. Ten
-raadslag zaten dikwerf</p>
-<p class="line">Gevolg en vorst. Zij wikten dan en wogen,</p>
-<p class="line">Wat voor de boudgestemden &rsquo;t beste ware</p>
-<p class="line">Te wagen tegen onverwachte inbreuk.</p>
-<p id="v179" class="line">Somtijds beloofden zij den
-godentempels<a class="apparatusnote" id="xd21e8188src" href="#xd21e8188" title="179 Den Godentempels. Ags. hearg-tr&auml;f. &laquo;G&ouml;tterzelt, Tempel.&raquo; De tempels werden in den regel op plaatsen gebouwd, die reeds op zich zelf als heilig golden, vooral in bosschen. Ags. hearh beteekent dus zoowel &laquo;heilig bosch&raquo; als &laquo;tempel&raquo;. Sarrazin besluit uit deze plaats, dat zich in de nabijheid van Hrodgars burcht een offerwoud bevond. En inderdaad, op eenige minuten van Lerje ligt een beukenbosch, het Herthadal, vroeger ook het &laquo;heilig woud&raquo; geheeten, hetgeen volgens de oude overlevering en volgens de meening van Deensche oudheidkundigen eene heidensche offerplaats geweest is. In dit bosch bevindt zich het Herthameer, dat vroeger het &laquo;heilig meer&raquo; genoemd werd. Als laatste bewijs haalt Sarrazin het oude getuigenis aan van Diethmar van Merseburg. Is dus Lerje, blijkens het hier aangehaalde, reeds merkwaardig genoeg, het wint nog in belangrijkheid, dank aan het opstel van Much, &laquo;Goten und Ingvaeonen&raquo;. Het geheimzinnige meer aan de godin Hertha (Nerthus) gewijd, waarvan Tacitus Germ. 40 zulk aangrijpend tooneel ophangt, bevindt zich volgens hem niet op R&uuml;gen, maar op het vruchtbare Seeland en is juist het Herthameer in de nabijheid van Lerje. Seeland was dus het Nerthuseiland en Lerje (het oude Hleithra of Lethra) het middelpunt van den Vaneneeredienst."
-name="xd21e8188src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb150"
-href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">180</span> Een afgodsofferand en
-riepen dringend</p>
-<p id="v181" class="line">Den wurggeest<a class="apparatusnote" id="xd21e8237src" href="#xd21e8237" title="181 wurggeest: duivel." name="xd21e8237src">&deg;</a> aan, dat deze weer zou bieden</p>
-<p id="v182" class="line">In &rsquo;t volksgevaar. Dat waren zoo hun
-zeden,</p>
-<p id="v183" class="line">Hun heidendenkwijs. Naar de helle
-streefden</p>
-<p id="v184" class="line">Zij in &rsquo;t gemoed. Zij kenden niet den
-Meester,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">185</span> Der daden doemer,
-geenen God, den heerscher;</p>
-<p class="line">Zij konden niet des hemels heul bekennen,</p>
-<p class="line">Den God der glorie. Wee, die zal verzinken</p>
-<p class="line">De ziel door wilde zucht in &rsquo;s vuurs
-omvatting,</p>
-<p class="line">Ontbeiden geenen troost, zich geenszins beteren!</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">190</span> Wel hem, die na den
-dood den Heer mag naken,</p>
-<p class="line">Een vrijburg vragen in des Vaders armen!<a class="apparatusnote" id="xd21e8271src" href="#xd21e8271" title="183&ndash;191 Onechte plaats. De Denen naar de hel verwijzen enkel omdat zij heidenen waren, getuigt van eene bekrompen godsdienstige opvatting. Dat wij dit nochtans zoo nauw niet moeten nemen, zagen wij reeds in de Inleiding."
-name="xd21e8271src">&deg;</a></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e8281width"><img src="images/o143.png" alt="Ornament." width="71" height="78"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7946"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7946src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v119">119</a></span> <i>hij</i>:
-Grendel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7946src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7975"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7975src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v127">127</a></span> Van dit
-dertigtal verslond hij er vijftien en sleepte de overigen naar zijn
-hol. Vgl. v. <a href="#v1614">1614</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7975src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e7988"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e7988src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v129">129</a></span> <i>met
-kampbuit</i>: de vijftien overgeblevenen van v. <a href="#v127">127</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e7988src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8060"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8060src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v151">151</a></span> <i>winters</i>:
-jaren, volgens de Germaansche gewoonte van naar winters te
-tellen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8060src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8092"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8092src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v160">160</a></span> <i>met geld te
-zoenen</i>: het weergeld, volgens de oude rechtspleging.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8092src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8105"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8105src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v161">161</a></span> <i>glansrijker
-boete</i>: door hem te dooden in den strijd.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e8105src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8124"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8124src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v164">164</a></span> <i>meerderen en
-mindren</i>: de krijgsschaar bestond uit strijders van hoogeren en
-lageren rang, in den trant van de ridders en schildknapen der
-middeleeuwen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8124src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8154"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8154src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v172">172</a></span> God belette hem
-den Deenschen troon te bestijgen; immers Grendel ging gebukt onder
-Zijnen vloek. Vgl. v. <a href="#v725">725</a>. Ook wenschte Grendel
-zulks niet.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8154src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8165"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8165src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v168">168&ndash;73</a></span>
-Inlassching.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8165src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8188"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8188src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v179">179</a></span> <i>Den Godentempels.</i> Ags.
-<i>hearg-tr&auml;f.</i> &laquo;G&ouml;tterzelt, Tempel.&raquo;</p>
-<p class="par footnote">De tempels werden in den regel op plaatsen
-gebouwd, die reeds op zich zelf als heilig golden, vooral in bosschen.
-Ags. <i>hearh</i> beteekent dus zoowel &laquo;heilig bosch&raquo; als
-&laquo;tempel&raquo;.</p>
-<p class="par footnote">Sarrazin besluit uit deze plaats, dat zich in
-de nabijheid van Hrodgars burcht een offerwoud bevond.</p>
-<p class="par footnote">En inderdaad, op eenige minuten van
-<i>Lerje</i> ligt een beukenbosch, het <i>Herthadal</i>, vroeger ook
-het &laquo;heilig woud&raquo; geheeten, hetgeen volgens de oude
-overlevering en volgens de meening van Deensche oudheidkundigen eene
-heidensche offerplaats geweest is. In dit bosch bevindt zich het
-<i>Herthameer</i>, dat vroeger het &laquo;heilig meer&raquo; genoemd
-werd.</p>
-<p class="par footnote">Als laatste bewijs haalt Sarrazin het oude
-getuigenis aan van Diethmar van Merseburg.</p>
-<p class="par footnote">Is dus Lerje, blijkens het hier aangehaalde,
-reeds merkwaardig genoeg, het wint nog in belangrijkheid, dank aan het
-opstel van Much, &laquo;Goten und Ingvaeonen&raquo;.</p>
-<p class="par footnote">Het geheimzinnige meer aan de godin
-<i>Hertha</i> (Nerthus) gewijd, waarvan Tacitus Germ. 40 zulk
-aangrijpend tooneel ophangt, bevindt zich volgens hem niet op
-R&uuml;gen, maar op het vruchtbare Seeland en is juist het Herthameer
-in de nabijheid van Lerje.</p>
-<p class="par footnote">Seeland was dus het Nerthuseiland en Lerje (het
-oude Hleithra of Lethra) het middelpunt van den
-Vaneneeredienst.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8188src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8237"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8237src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v181">181</a></span>
-<i>wurggeest</i>: duivel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8237src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8271"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8271src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v183">183&ndash;191</a></span>
-Onechte plaats. De Denen naar de hel verwijzen enkel omdat zij heidenen
-waren, getuigt van eene bekrompen godsdienstige opvatting. Dat wij dit
-nochtans zoo nauw niet moeten nemen, zagen wij reeds in de <a href="#intro">Inleiding</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8271src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7091">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">IV.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v192" class="line">Op deze wijze broeide hij voortdurend,</p>
-<p id="v193" class="line">De zoon van Healfdeen<a class="apparatusnote"
-id="xd21e8295src" href="#xd21e8295" title="193 de zoon van Healfdeen: Hrodgar." name="xd21e8295src">&deg;</a>,
-zorgen voor het heden.</p>
-<p class="line">Niet stond den wijzen held het wee te wenden:</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">195</span> De strijd toch was te
-sterk, te lang, te lijdig.</p>
-<p class="line">Die nu was neergekomen op de kampers,</p>
-<p class="line">De norsche nooddwang, &rsquo;t neetligst nachtlijk
-onheil.</p>
-<p id="v198" class="line">Nu hoorde Hygelaces leenman<a class="apparatusnote" id="xd21e8316src" href="#xd21e8316" title="198 Higelaces leenman: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het eerst en zonder verband met het voorafgaande de held van het epos op."
-name="xd21e8316src">&deg;</a>, onder</p>
-<p id="v199" class="line">De Gooten<a class="apparatusnote" id="xd21e8327src" href="#xd21e8327" title="199 de Gooten. Vgl. Inleiding."
-name="xd21e8327src">&deg;</a> goed, te huis de gruwlen Grendels.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">200</span> Hij was in
-weerbaarheid der menschen machtigst</p>
-<p class="line">In gindschen leeftijd, e&ecirc;l, doorluchtig.
-Treflijk</p>
-<p class="line">Een waterros gebood hij uit te rusten;</p>
-<p id="v203" class="line">Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,</p>
-<p class="line">Den hoogen heerscher, langs het zog der zwanen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">205</span> Opzoeken zou, wien
-mangel was aan mannen.</p>
-<p id="v206" class="line">Bij lang niet laakten wijze li&ecirc;n die
-reize<a class="apparatusnote" id="xd21e8355src" href="#xd21e8355"
-title="206 Zij rieden het hem sterk aan (litotes.) Cosijn. Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen neef te doen blijven Vgl. v. 2047."
-name="xd21e8355src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Hoe waard hij was; den wildgezinde zetten</p>
-<p id="v208" class="line">Zij aan en namen waar gewenschte
-teekens<a class="apparatusnote" id="xd21e8374src" href="#xd21e8374"
-title="208 gewenschte teekens: Auspicia sortesque ut qui maxime observant Tacitus. Germ. 10."
-name="xd21e8374src">&deg;</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb152"
-href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span></p>
-<p class="line">De koene had tot kampers uitgekoren</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">210</span> De Gootenmannen, die
-hij vond het moedigst;</p>
-<p id="v211" class="line">E&eacute;n van de vijftien, zocht hij op het
-zeehout;</p>
-<p id="v212" class="line">Een kampheld<a class="apparatusnote" id="xd21e8394src" href="#xd21e8394" title="212 Een kampheld: hij geleidde hen naar het strand." name="xd21e8394src">&deg;</a> wees, een waterkundig krijger,</p>
-<p class="line">De landgrens langs. (De wachttijd was
-verstreken<a href="#n6" class="noteref">6</a>.)</p>
-<p class="line">De boot was vlot, het schip nabij &rsquo;t
-gebergte<a href="#n7" class="noteref">7</a>.</p>
-<p id="v215" class="line"><span class="lineNum">215</span> De helden
-stegen uitgedost ten steven.</p>
-<p id="v216" class="line">De strooming krulde zich, de zee op &rsquo;t
-kustzand<a class="apparatusnote" id="xd21e8420src" href="#xd21e8420"
-title="216 Het was hoog tij." name="xd21e8420src">&deg;</a><a href="#n8" class="noteref">8</a>.</p>
-<p class="line">Zij droegen op den schoot des schips de schoonste</p>
-<p class="line">Juweelen neer, de weidsche kampgewaden</p>
-<p class="line">En tot de lustvaart boomden nu de lieden,</p>
-<p id="v220" class="line"><span class="lineNum">220</span> De kampers
-hun gebonden kiel<a class="apparatusnote" id="xd21e8438src" href="#xd21e8438" title="220 gebonden kiel: beslagen kiel." name="xd21e8438src">&deg;</a> naar buiten.</p>
-<p class="line">Door winden aangewakkerd vloog, een vogel</p>
-<p class="line">Gelijk, &rsquo;t schuimhalzig schip langsheen de
-baren,</p>
-<p id="v223" class="line">Totdat den tweeden dag, ter eigen
-ure<a class="apparatusnote" id="xd21e8453src" href="#xd21e8453" title="223 De overtocht had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met de beide veronderstellingen omtrent de woonplaats der Gooten laat overeenbrengen, hetzij de reis van het zuidelijkste punt van Zweden naar Jutland, ofwel van Jutland naar Roeskilde uitgaat."
-name="xd21e8453src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De slankgedraaide boeg was voortgedrongen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">225</span> Dat land de
-varenslieden zagen blinken,</p>
-<p class="line">Strandklippen, steile bergen, breede kapen.</p>
-<p class="line">Doortogen was het tij, de tocht ten einde.</p>
-<p id="v228" class="line">Nu sprongen snel aan wal de
-Wederlieden<a class="apparatusnote" id="xd21e8472src" href="#xd21e8472"
-title="228 Wederlieden: Gooten." name="xd21e8472src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Zij meerden &rsquo;t meerhout vast (de kolders
-klonken,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">230</span> De krijgerkle&ecirc;n)
-en gaven dank der Godheid,</p>
-<p class="line">Dat heilvol hun de vloedweg was geworden.</p>
-<p class="line">Nu zag van zijnen wal de grensbewaker</p>
-<p class="line">Der Schyldings, die de schuimklip had te hoeden,</p>
-<p class="line">Hoe schitterende schilden, reede rustings</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">235</span> Daar langs de
-loopplank werden uitgeladen. <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span></p>
-<p class="line">Hem brak het brein door &rsquo;t gissen
-nieuwsbegeerte</p>
-<p class="line">Om toch te weten, wie die mannen waren.</p>
-<p class="line">Toen stormde strandwaarts heen, het ros berijdend,</p>
-<p class="line">De dienstman Hrodgars, &rsquo;t krachthout duchtig
-drillend</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">240</span> In zijne vuist, en
-ondervroeg met woorden:</p>
-<p id="v241" class="line">&laquo;Wie zijt gij, rustingrijken,
-staalbeschutten,</p>
-<p id="v242" class="line">Die sturen kwaamt de kiel, de
-schuimomstoven,</p>
-<p class="line">Langsheen de waterwegen, die de helmen</p>
-<p class="line">Tot hiertoe hebt gebracht door &rsquo;t
-waterbruisen?</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">245</span> &rsquo;k Was
-grensbezetter, houd alhier de zeewacht<a class="apparatusnote" id="xd21e8522src" href="#xd21e8522" title="246 Ofschoon de strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen zich eerst in de 9de en 10de eeuw op eene groote schaal uitbreidden, hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd. Tacitus zegt: Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines cujusque civitatis fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de Deensche kustwachter alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v. 1961."
-name="xd21e8522src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v246" class="line">Opdat in &rsquo;t land der Denen geen
-baldadig</p>
-<p class="line">Vermag te schaden met een schepenleger.</p>
-<p class="line">Hier onderwonden oopner schildbeschermden</p>
-<p class="line">Zich nooit te naken. Wis vernaamt gij &rsquo;t
-oorlof</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">250</span> Der strijdbewerkers
-niet, des stams vergunning.</p>
-<p id="v251" class="line">&rsquo;k Ontwaarde nooit ter wereld koener
-krijger</p>
-<p id="v252" class="line">Dan uwer &eacute;&eacute;n<a class="apparatusnote" id="xd21e8554src" href="#xd21e8554" title="252 uwer een: Beowulf." name="xd21e8554src">&deg;</a>, dien ridder in
-de rusting.</p>
-<p id="v253" class="line">Voorwaar, geen huisman<a class="apparatusnote" id="xd21e8562src" href="#xd21e8562" title="253 huisman: in tegenstelling met edelman. Angs. seld-guma. seld-guma ist hier offenbar der gemeine Mann, der nur ein seld besitzt, im gegensatze zu dem edlen, der einen hof zu eigen hat. Socin."
-name="xd21e8562src">&deg;</a> is &rsquo;t, gedost in wapens,</p>
-<p class="line">Tenzij &rsquo;t gelaat, die leest, die eenge,
-liege.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">255</span> Vernemen zal ik nu uw
-aller afkomst,</p>
-<p class="line">Eerdat in &rsquo;t Denenland gij verder vordert</p>
-<p class="line">Van hier, als ongehinderde bezoekers.</p>
-<p class="line">Nu hoort gij, vergehuisden, zeebezeilers,</p>
-<p class="line">Mijn slechte, rechte meening: Haast is heilzaamst</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">260</span> Te kondigen, vanwaar
-uw komst mag wezen.&raquo;</p>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8295"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8295src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v193">193</a></span> <i>de zoon van
-Healfdeen</i>: Hrodgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8295src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8316"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8316src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v198">198</a></span> <i>Higelaces
-leenman</i>: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het eerst en zonder
-verband met het voorafgaande de held van het epos op.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8316src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8327"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8327src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v199">199</a></span> <i>de
-Gooten.</i> Vgl. Inleiding.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8327src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8355"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8355src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v206">206</a></span> Zij rieden het hem sterk aan (litotes.)
-<i>Cosijn.</i></p>
-<p class="par footnote">Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen
-neef te doen blijven Vgl. v. <a href="#v2047">2047</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8355src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8374"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8374src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v208">208</a></span> <i>gewenschte
-teekens</i>: Auspicia sortesque ut qui maxime observant Tacitus. Germ.
-10.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8374src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8394"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8394src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v212">212</a></span> <i>Een
-kampheld</i>: hij geleidde hen naar het strand.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e8394src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8420"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8420src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v216">216</a></span> Het was hoog
-tij.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8420src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8438"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8438src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v220">220</a></span> <i>gebonden
-kiel</i>: beslagen kiel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8438src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8453"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8453src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v223">223</a></span> De overtocht
-had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met de beide veronderstellingen
-omtrent de woonplaats der Gooten laat overeenbrengen, hetzij de reis
-van het zuidelijkste punt van Zweden naar Jutland, ofwel van Jutland
-naar Roeskilde uitgaat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8453src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8472"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8472src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v228">228</a></span> Wederlieden:
-Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8472src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8522"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8522src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v246">246</a></span> Ofschoon de
-strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen zich eerst in de
-9<sup>de</sup> en 10<sup>de</sup> eeuw op eene groote schaal
-uitbreidden, hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd.
-Tacitus zegt: Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines
-cujusque civitatis fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de
-Deensche kustwachter alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v.
-<a href="#v1961">1961</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8522src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8554"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8554src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v252">252</a></span> uwer een:
-Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8554src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8562"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8562src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v253">253</a></span> <i>huisman</i>:
-in tegenstelling met edelman. Angs. <i>seld-guma</i>. <i>seld-guma</i>
-ist hier offenbar der gemeine Mann, der nur ein <i>seld</i> besitzt, im
-gegensatze zu dem edlen, der einen <i>hof</i> zu eigen hat.
-<i>Socin.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8562src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7098">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">V.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v261" class="line">Hem schonk bescheid en opende de schatten</p>
-<p class="line">Des woords de waardigste, het hoofd der horde:</p>
-<p id="v263" class="line">&laquo;Wij zijn de strijders van den stam der
-Gooten</p>
-<p class="line">En Hygelacs genooten aan de haardstee.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">265</span> Mijn vader was
-roemruchtig bij de volken</p>
-<p class="line">En Ecgtheow was de hooge vorst geheeten.</p>
-<p class="line">Hij leefde een lang getal van wintertijden,</p>
-<p class="line">Eer, grijs, hij scheiden ging uit zijnen zetel.</p>
-<p class="line">Hem heugt zich maar te wel zoo menig raadsheer</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">270</span> Op &rsquo;t wijde
-wereldrond. Goedgunstig kwamen</p>
-<p class="line">Wij uwen heerscher, Healfdeens zoon, bezoeken,</p>
-<p class="line">Den rijksscherm. Wees ons met berichten gunstig!</p>
-<p class="line">Den breedvermaarden vorst der Denen brengen</p>
-<p class="line">Wij wichtig nieuws, waarvan, ik wil het hopen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">275</span> Niets zal verholen
-zijn. Gij weet of &rsquo;t zoo is,</p>
-<p class="line">Gelijk wij hoorden waarheidstrouw verhalen,</p>
-<p class="line">Dat bij de Schyldings &rsquo;k weet niet welke
-schender,</p>
-<p class="line">Verborgen booswicht, met het dichtste duister</p>
-<p class="line">Schrikwekkend toont een nooit vernomen woede</p>
-<p id="v280" class="line"><span class="lineNum">280</span> En wee en
-slachting. Hrodgar kan ik wijzen</p>
-<p class="line">Grootmoedig &rsquo;t middel, hoe de grijze en goede</p>
-<p id="v282" class="line">Den vijand vleuglen zal, zoo ooit de
-aanvechting</p>
-<p class="line">Der kwalen neemt een keer, een uitkomst opdaagt,</p>
-<p class="line">En koeler worden zijne kommergolven. <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name="pb155">155</a>]</span></p>
-<p id="v285" class="line"><span class="lineNum">285</span> Zoo niet,
-dan lijdt hij later steeds benauwing</p>
-<p class="line">En &rsquo;t nijpen van den nood, zoolang &rsquo;t
-gelukkigst</p>
-<p class="line">Der huizen zich verheffen zal ter
-hoogte.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e8678src" href="#xd21e8678" title="285&ndash;87 Indien het ongeluk niet ophoudt, dan zal hij steeds in &rsquo;t ongeluk zijn! Nuchtere opmerking van interpolator La Palice. M&uuml;llenhoff schrapt 282b&ndash;284."
-name="xd21e8678src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De wachter wedervoer, in &rsquo;t zaal gezeten,</p>
-<p class="line">De dappre dienstman: &laquo;Ja, een scherpe
-schildman</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">290</span> Van beide weet
-bescheid, van woord en werken,</p>
-<p class="line">Die deeglijk denkt. Dit hoor ik: aan den heerscher</p>
-<p class="line">Der Schyldings is verknocht dees krijgerschare.</p>
-<p class="line">Gaat, voert de wapens mede met gewaden.</p>
-<p id="v294" class="line">Ik wijs den weg en zal aan mijne
-maagschap</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">295</span> Bevelen tevens,
-&rsquo;t vaartuig voor den vijand,</p>
-<p id="v296" class="line">Het nieuwgeteerde schip op &rsquo;t zand te
-schutten<a class="apparatusnote" id="xd21e8718src" href="#xd21e8718"
-title="296 De vaartuigen werden, evenals onze visschersschuiten, op het zand getrokken. Vgl. v. 1943, 1960&ndash;61."
-name="xd21e8718src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Totdat het kronkelhalzig hout den heerscher,</p>
-<p class="line">Den waarden, wedervoert op &rsquo;t vloedgewiegel</p>
-<p id="v299" class="line">Ter Gootengrens; aan wien het zij gegeven</p>
-<p id="v300" class="line"><span class="lineNum">300</span> Te midden
-zijner helden, dat hij heilvol</p>
-<p class="line">Het kampgetuimel mag te boven komen.&raquo;</p>
-<p class="line">Nu gingen zij huns weegs. En rustig wachtte</p>
-<p class="line">De bodem met de touwen vastgebonden,</p>
-<p class="line">Aan &rsquo;t anker vast het breedgeboezemd
-vaartuig.</p>
-<p id="v305" class="line"><span class="lineNum">305</span> Nu blonken
-boven &rsquo;t wangstuk<a class="apparatusnote" id="xd21e8753src" href="#xd21e8753" title="305 Wangstuk: dat gedeelte van den helm dat de wangen beschut. Het everzwijn was het aan Freyr gewijde dier. Formas aprorum gestant. Tacitus, Germ. 45. Eene op Oeland in Zweden gevonden bronzen schijf stelt twee krijgers voor, die boven op hunnen helm een everbeeld hebben."
-name="xd21e8753src">&deg;</a> de everbeelden,</p>
-<p class="line">Met goud bekleed, ontgloeid, gehard in vlammen.</p>
-<p class="line">Nu hield het everzwijn omhoog de schildwacht.</p>
-<p id="v308" class="line">Kampmoedig stoven, snoven heen de
-mannen<a class="apparatusnote" id="xd21e8777src" href="#xd21e8777"
-title="308 Sarrazin geeft de volgende plaatsbeschrijving van Lerje en omstreken: De afstand van de zeehaven Roeskilde naar Lerje bedraagt ongeveer 5/4 uur gaans. De weg is eerst vlak, stijgt dan ongemerkt, totdat hij halverwege het hoogste punt bereikt om daarna te dalen; zoodat men in de verte rechts het dorp Lerje en links het slot Ledreborg ziet, dat zich op eene hoogte verheft, ter plaatse waar, volgens de overlevering, zich de oude burcht bevond. Sporen van de oude geplaveide baan zouden vroeger nog te zien zijn geweest. In overeenstemming hiermede bevindt zich Hrodgars burcht met de belendende koningszaal Heorot op eenigen afstand van de zee, welke in betrekkelijk korten tijd te voet kan afgelegd worden. De kustwachter doet aan de Gooten uitgeleide (300), totdat het hoogste punt bereikt is, vanwaar Heorots transen zichtbaar zijn (310, 313); hier neemt hij van hen afscheid (314), terwijl zij vervolgens afdalen (309) en langs den steenweg (321) Hrodgars verblijf bereiken."
-name="xd21e8777src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb156"
-href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span></p>
-<p id="v309" class="line">En daalden samen af, totdat zij zagen</p>
-<p id="v310" class="line"><span class="lineNum">310</span> De trots
-gebouwde zaal in bonten goudglans.</p>
-<p class="line">Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld</p>
-<p id="v312" class="line">Bij &rsquo;t menschdom, waar de
-machtige<a class="apparatusnote" id="xd21e8819src" href="#xd21e8819"
-title="312 De machtige: Hrodgar." name="xd21e8819src">&deg;</a>
-verwijlde.</p>
-<p id="v313" class="line">De vuurglans lichtte over vele landen.</p>
-<p id="v314" class="line">Hun toonde toen het pralend hof der
-helden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">315</span> De wapenwakkre man,
-opdat zij derwaarts</p>
-<p class="line">Nu rechtstreeks konden gaan. De kamper zwenkte</p>
-<p class="line">Zijn ros en richtte schuins hun toe de toespraak:</p>
-<p class="line">&laquo;Voor mij is &rsquo;t trekkens tijd. De
-Alheerscher hoede</p>
-<p class="line">In &rsquo;t avontuur u ongerept en roemvol!</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">320</span> Ik wil naar zee, op
-roovend rot te waken.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e8852width"><img src="images/o156.png" alt="Ornament." width="139" height="121"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8678"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8678src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v285">285&ndash;87</a></span> Indien het ongeluk niet ophoudt, dan
-zal hij steeds in &rsquo;t ongeluk zijn!</p>
-<p class="par footnote">Nuchtere opmerking van interpolator La
-Palice.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff schrapt <a href="#v282">282<i>b</i>&ndash;284</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8678src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8718"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8718src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v296">296</a></span> De vaartuigen
-werden, evenals onze visschersschuiten, op het zand getrokken. Vgl. v.
-<a href="#v1943">1943</a>, <a href="#v1960">1960&ndash;61</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8718src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8753"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8753src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v305">305</a></span> <i>Wangstuk</i>: dat gedeelte van den helm dat
-de wangen beschut. Het everzwijn was het aan <i>Freyr</i> gewijde dier.
-<span lang="la">Formas aprorum gestant. Tacitus, Germ. 45.</span></p>
-<p class="par footnote">Eene op Oeland in Zweden gevonden bronzen
-schijf stelt twee krijgers voor, die boven op hunnen helm een everbeeld
-hebben.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8753src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8777"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8777src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v308">308</a></span> Sarrazin geeft de volgende plaatsbeschrijving
-van Lerje en omstreken:</p>
-<p class="par footnote">De afstand van de zeehaven Roeskilde naar Lerje
-bedraagt ongeveer 5/4 uur gaans. De weg is eerst vlak, stijgt dan
-ongemerkt, totdat hij halverwege het hoogste punt bereikt om daarna te
-dalen; zoodat men in de verte rechts het dorp Lerje en links het slot
-Ledreborg ziet, dat zich op eene hoogte verheft, ter plaatse waar,
-volgens de overlevering, zich de oude burcht bevond. Sporen van de oude
-geplaveide baan zouden vroeger nog te zien zijn geweest.</p>
-<p class="par footnote">In overeenstemming hiermede bevindt zich
-Hrodgars burcht met de belendende koningszaal Heorot op eenigen afstand
-van de zee, welke in betrekkelijk korten tijd te voet kan afgelegd
-worden. De kustwachter doet aan de Gooten uitgeleide (<a href="#v300">300</a>), totdat het hoogste punt bereikt is, vanwaar Heorots
-transen zichtbaar zijn (<a href="#v310">310</a>, <a href="#v313">313</a>); hier neemt hij van hen afscheid (<a href="#v314">314</a>), terwijl zij vervolgens afdalen (<a href="#v309">309</a>) en langs den steenweg (<a href="#v321">321</a>)
-Hrodgars verblijf bereiken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8777src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8819"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8819src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v312">312</a></span> <i>De
-machtige</i>: Hrodgar<span class="corr" id="xd21e8827" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8819src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7105">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">VI.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v321" class="line">De baan was bont bevloerd; de straatweg
-voerde</p>
-<p class="line">De strijders al te zaam. Hun kamphemd straalde,</p>
-<p class="line">Het harde, handgevlochten. &rsquo;t Staal, het
-heldre,</p>
-<p class="line">Het ringversierde, zong op hunne rusting,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">325</span> Juist als ze in
-&rsquo;t schrikgewaad ten zaalbouw schreden.</p>
-<p class="line">De zeevermoeiden zetten &rsquo;t schild het
-machtig,</p>
-<p class="line">Het strijdrondas geweldig sterk, nu tegen</p>
-<p class="line">Den buitenwand des bouws en bogen bankwaarts.</p>
-<p class="line">De rusting rinkelde, der helden harnas.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">330</span> De lansen stonden
-saam, der zeeli&ecirc;n strijdtuig,</p>
-<p id="v331" class="line">Hun esscheschacht, blauwschemerig van
-boven<a class="apparatusnote" id="xd21e8888src" href="#xd21e8888"
-title="331 Blauwschemerig van boven: met stalen punt." name="xd21e8888src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Hoe wel was de ijzerdrom gedost in &rsquo;t wapen!</p>
-<p id="v333" class="line">De krijgstrawanten vroeg een wakker
-kamper<a class="apparatusnote" id="xd21e8902src" href="#xd21e8902"
-title="333 Kamper: Wulfgar." name="xd21e8902src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Naar de edele afkomst: &laquo;Waar van daan toch draagt
-ge</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">335</span> De schitterende
-schilden, &rsquo;t stalen strijdhemd,</p>
-<p class="line">De maskerhelmen met de macht van speren?</p>
-<p class="line">Ik ben de bode Hrodgars, dezes dienstman;</p>
-<p id="v338" class="line">Niet heb ik ooit gezien een zulke
-menigt<a class="apparatusnote" id="xd21e8923src" href="#xd21e8923"
-title="338 Een zulke menigte is wel wat opvallend, immers zij waren maar met hun vijftien. Vgl. v. 211."
-name="xd21e8923src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Van buitenlandsche meer vermeetle mannen.</p>
-<p id="v340" class="line"><span class="lineNum">340</span> Ik gis, dat
-gij, wel verre van voortvluchtig,</p>
-<p class="line">Hrodgar bezoekt uit hoogen zin en stoutheid.&raquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span></p>
-<p class="line">De krachtgevierde vorst, de nooit vervaarde,</p>
-<p class="line">Der Weders wedervoer daarop met woorden:</p>
-<p class="line">&laquo;Wij zijn van Hygelac de dischgezellen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">345</span> En Beowulf luidt mijn
-naam. &rsquo;k Verlang mijn boodschap</p>
-<p class="line">Te konden Healfdeens zoon, den hoogen heerscher</p>
-<p class="line">En uwen vorst, indien hij wil gedoogen,</p>
-<p class="line">Dat wij hem, zoo goedzinnig, mogen groeten.&raquo;</p>
-<p class="line">En Wulfgar sprak (hij was Wandalenkoning;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">350</span> Aan velen was zijn
-roekeloosheid ruchtbaar,</p>
-<p class="line">Zijn strijdgevatheid met zijn ondervinding):</p>
-<p class="line">&laquo;Den Denenvriend, den Schyldingvorst zal &rsquo;k
-vragen,</p>
-<p class="line">Den gever van het goud, den hoogen heerscher,</p>
-<p class="line">Gelijk uw bede luidt, omtrent uw tochten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">355</span> En onverwijld u
-&rsquo;t antwoord laten weten,</p>
-<p class="line">Dat mij de goedertieren denkt te geven.&raquo;</p>
-<p class="line">Dan trad hij ijlings toe, waar Hrodgar troonde,</p>
-<p class="line">Bedaagd en grijs, met zijnen drom van dappren;</p>
-<p id="v359" class="line">De sterke schreed, totdat hij bij de
-schouders<a class="apparatusnote" id="xd21e8991src" href="#xd21e8991"
-title="359 bij de schouders: ter zijde, niet recht v&oacute;&oacute;r hem."
-name="xd21e8991src">&deg;</a></p>
-<p id="v360" class="line"><span class="lineNum">360</span> Des
-Denenkonings zich bevond. Hij kende</p>
-<p class="line">De handelwijs van &rsquo;t hof. Dan zeide Wulfgar</p>
-<p class="line">Tot zijnen vriend en heerscher: &laquo;Herwaarts
-voeren</p>
-<p class="line">Er verbereisde gasten van de Gooten,</p>
-<p class="line">Langsheen der baren omvang. Beowulf heeten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">365</span> Den eersten onder
-allen de oorlogshelden.</p>
-<p class="line">Hun bede brengt, o mijn gebieder, mede,</p>
-<p id="v367" class="line">Met u den woordenschat te mogen wisselen,</p>
-<p class="line">o, Weiger &rsquo;t wederwoord hun niet, genadige!</p>
-<p class="line">Zij schijnen waardig in de stormgewaden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">370</span> Der helden achting.
-Zeker deugt de hoofdman,</p>
-<p class="line">Die herwaarts heeft gevoerd de heirgenooten.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e9032width"><img src="images/o158.png" alt="Ornament." width="65" height="75"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8888"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8888src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v331">331</a></span>
-<i>Blauwschemerig van boven</i>: met stalen punt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8888src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8902"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8902src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v333">333</a></span> <i>Kamper</i>:
-Wulfgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8902src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8923"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8923src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v338">338</a></span> <i>Een zulke
-menigte</i> is wel wat opvallend, immers zij waren maar met hun
-vijftien<span class="corr" id="xd21e8931" title="Niet in bron">.</span>
-Vgl. v. <a href="#v211">211</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8923src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e8991"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e8991src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v359">359</a></span> <i>bij de
-schouders</i>: ter zijde, niet recht v&oacute;&oacute;r
-hem.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e8991src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name="pb159">159</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7111">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">VII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En Hrodgar sprak, beschermheer van de Schyldings:</p>
-<p id="v373" class="line">&laquo;Hem kende ik als een&rsquo; knaap.
-Zijn vader noemde</p>
-<p id="v374" class="line">Zich destijds Ecgtheow<a class="apparatusnote" id="xd21e9048src" href="#xd21e9048" title="373 Ecgtheow was uitgeweken wegens doodslag aan Headolaf, een Wulfing, gepleegd en &laquo;had Beowulf meegenomen&raquo;. Cosijn. Beowulf moet op het oogenblik, dat deze gebeurtenissen plaats grijpen, een goede vijftig jaar oud zijn. Immers toen Ecgtheow uitweek, had Hrodgar, welke thans 50 jaar koning is (v. 1806), juist den troon beklommen. Vgl. v. 469 vlg."
-name="xd21e9048src">&deg;</a>, wien zijn eenge dochter</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">375</span> Op zijne goedren gaf
-der Gooten Hredel.</p>
-<p class="line">Nu is zijn spruit, de koene, hier gekomen</p>
-<p id="v377" class="line">En zocht den trouwen vriend<a class="apparatusnote" id="xd21e9079src" href="#xd21e9079" title="377 vriend: Hrodgar." name="xd21e9079src">&deg;</a>. Toen zeiden
-zeeli&ecirc;n,</p>
-<p id="v378" class="line">Die tot geschenk der Gooten schatten
-brachten<a class="apparatusnote" id="xd21e9090src" href="#xd21e9090"
-title="378 Waarschijnlijk wegens de beslechting van de veete met de Wulfings. &rsquo;t Is natuurlijk, dat bij die gelegenheid de Gootische schippers van hunnen landgenoot Beowulf gewaagden. Cosijn."
-name="xd21e9090src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Alhier<a href="#n9" class="noteref">9</a>, dat hij de
-kracht van dertig krijgers,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">380</span> De kampgevierde,
-voerde in zijnen vuistgreep.</p>
-<p class="line">o, Zeker zond hem, naar ik heb de hope,</p>
-<p id="v382" class="line">De goede God op weg ten Wester-Denen<a class="apparatusnote" id="xd21e9111src" href="#xd21e9111" title="382 Wester-Denen: Denen." name="xd21e9111src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Ons tot een toeverlaat bij Grendels gruwheid.</p>
-<p class="line">Ja, schatten wil ik schenken aan den goede</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">385</span> Voor zijnen koenen
-zin. Gij, rep u rugwaarts;</p>
-<p id="v386" class="line">Verzoek hen in te gaan en al te gader</p>
-<p class="line">Het broederbond te schouwen van de schare.</p>
-<p class="line">Verzeker hun daarbij om &rsquo;t zeerst, zij allen</p>
-<p class="line">Zij heeten welkom aan het heer der Denen.&raquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name="pb160">160</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">390</span> Toen spoedde Wulfgar
-henen naar de haldeur</p>
-<p class="line">En binnenwaarts ontbood hij met de woorden:</p>
-<p id="v392" class="line">&laquo;Mijn zegevorst, Oost-Denen<a class="apparatusnote" id="xd21e9146src" href="#xd21e9146" title="392 Oost-Denen: Denen." name="xd21e9146src">&deg;</a> heer, laat
-zeggen:</p>
-<p class="line">Hij kent uw adel. Langs de waterkolken,</p>
-<p class="line">o Hardgezinden, weest alhier hem welkom!</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">395</span> Nu moogt ge in
-&rsquo;t maliekolder met den strijdhelm</p>
-<p class="line">Hrodgar aanschouwen gaan; doch laat het slagschild,</p>
-<p class="line">Der lansen hout, de doodelijke schachten,</p>
-<p class="line">Hier wachten op den uitslag van de woorden.&raquo;</p>
-<p id="v399" class="line">De sterke<a class="apparatusnote" id="xd21e9172src" href="#xd21e9172" title="399 De sterke: Beowulf." name="xd21e9172src">&deg;</a> rees en rond hem menig ridder,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">400</span> Der eedlen stoute
-stoet. Daar buiten bleven</p>
-<p id="v401" class="line">Er enklen om het heergetuig<a class="apparatusnote" id="xd21e9187src" href="#xd21e9187" title="401 heergetuig: de schilden en lansen, welke welstaanshalve buiten moesten blijven."
-name="xd21e9187src">&deg;</a> te hoeden,</p>
-<p id="v402" class="line">Gelijk hun had besteld de
-wapenstoute<a class="apparatusnote" id="xd21e9198src" href="#xd21e9198"
-title="402 de wapenstoute: Wulfgar." name="xd21e9198src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Te gader gingen, waar hun wees de weerbre,</p>
-<p class="line">Zij onder Heorots dak; de dappre stapte</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">405</span> Gehelmd, de stoute,
-tot hij stond ter troonzaal.</p>
-<p class="line">En Beowulf zeide (hem omblaakte &rsquo;t harnas,</p>
-<p class="line">Het kampnet, saamgetrensd door kunst van smeden):</p>
-<p class="line">&laquo;U zij, o Hrodgar, heil! Ik ben van Hyglac</p>
-<p id="v409" class="line">De maag en ridder. Menig roemvol waagstuk</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">410</span> Bestond ik in mijn
-jeugd. Mij werd de strijdzaak</p>
-<p class="line">Van Grendel op mijn erfgrond klaar gekondigd.</p>
-<p class="line">Zeevaarders zeggen: ledig staat de zaalbouw,</p>
-<p class="line">Onnut het heerlijkst huis voor alle helden,</p>
-<p class="line">Zoo ras het schemerrood des avonds onder</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">415</span> De wijkplaats van den
-hemel wordt verholen.</p>
-<p id="v416" class="line">Toen stelden mij dit voor mijn
-strijdgezellen<a class="apparatusnote" id="xd21e9243src" href="#xd21e9243" title="416 Vgl. v. 206." name="xd21e9243src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De uitmuntendste, de meest ervaren mannen,</p>
-<p class="line">Dat &rsquo;k u bezoeken zou, o heerscher Hrodgar.
-<span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span></p>
-<p id="v419" class="line">Zij kenden toch de macht van mijne
-krachten;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">420</span> Zij zagen zelven, hoe
-uit hinderlagen</p>
-<p class="line">Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,</p>
-<p class="line">Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,</p>
-<p id="v423" class="line">Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de
-nikkers<a class="apparatusnote" id="xd21e9269src" href="#xd21e9269"
-title="423 Nergens in het gedicht wordt nader melding gemaakt van Beowulfs kamp met de reuzen; het verslaan der Nikkers schijnt niet te zien op v. 585."
-name="xd21e9269src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Bemeesterd in het midden van de baren,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">425</span> Benarden nood beleefd,
-het leed der Weders</p>
-<p class="line">Gewroken (want zij duldden vele wee&euml;n),</p>
-<p class="line">&rsquo;t Vijandig volk vergruisd. Ik zal met
-Grendel,</p>
-<p class="line">Den daemon, thans alleen &rsquo;t geding
-beslechten,</p>
-<p id="v429" class="line">Met dezen reus<a class="apparatusnote" id="xd21e9293src" href="#xd21e9293" title="429 reus: Grendel wordt als een reus voorgesteld. Vgl. v. 1370 vlg."
-name="xd21e9293src">&deg;</a>. U, hoofd der Helden-Denen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">430</span> U breng ik, schuts der
-Schyldings, &eacute;&eacute;ne bede:</p>
-<p class="line">Dat gij, o wijk der wapenli&ecirc;n, niet weigert,</p>
-<p class="line">O Vriend des volks, nu &rsquo;k herwaarts toog van
-verre,</p>
-<p class="line">Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,</p>
-<p class="line">Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren.</p>
-<p id="v435" class="line"><span class="lineNum">435</span> Ook heb ik
-nog gehoord, dat deze doembre</p>
-<p class="line">In zijnen waan zich niet bekreunt om wapens<a class="apparatusnote" id="xd21e9323src" href="#xd21e9323" title="435&ndash;36 Hij draagt geen wapen en vreest voor geen wapen." name="xd21e9323src">&deg;</a>.<a href="#n10" class="noteref">10</a></p>
-<p class="line">&rsquo;k Versmaad nu dit, zoo waar mij gunstig weze</p>
-<p class="line">In &rsquo;t harte Hygelac, mijn leenheer, &rsquo;t
-lemmer</p>
-<p class="line">Of &rsquo;t reuzige rondas, het goudgerande,</p>
-<p id="v440" class="line"><span class="lineNum">440</span> Te voeren
-bij &rsquo;t gevecht. Doch &rsquo;k zal hem vatten,</p>
-<p class="line">Den vijand, met de vuist, om &rsquo;t leven
-vechten,</p>
-<p id="v442" class="line">Man tegen man. En wien de dood dan
-wegrukt,</p>
-<p class="line">Die zal verstaan des Albestuurders oordeel<a class="apparatusnote" id="xd21e9349src" href="#xd21e9349" title="442b&ndash;43 Christelijke wereldbeschouwing." name="xd21e9349src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">&rsquo;k Geloof, hij is verlangend, mag het lukken,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">445</span> De Gootenhelden in de
-worstelhalle</p>
-<p class="line">Te vreten onbevreesd, als menig malen</p>
-<p class="line">Hij met de macht gedaan heeft van de Denen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span></p>
-<p id="v448" class="line">Gij hoeft met geene wacht mijn lijk te
-hoeden<a class="apparatusnote" id="xd21e9371src" href="#xd21e9371"
-title="448 Gij hoeft niet de wacht bij mijn lijk te houden. Zoo wordt later ook gezegd van Wiglaf, dat hij waakt bij het lijk van Beowulf en den draak. In den tekst staat niet lijk, maar hoofd."
-name="xd21e9371src">&deg;</a>:</p>
-<p class="line">Want zoo mij zoekt de dood, hij zal me hebben</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">450</span> Nog bont van &rsquo;t
-bloed.<a href="#n11" class="noteref">11</a> Het lillend
-overblijfsel</p>
-<p class="line">Ontvoert hij ver, hij neemt zich voor te schrokken,</p>
-<p class="line">De eenzame zwerver eet het blij van zinnen</p>
-<p class="line">En merkt met moord de vluchtplaats in de venen.</p>
-<p id="v454" class="line">Gij hoeft geenszins te zorgen voor mijn
-lijktooi<a class="apparatusnote" id="xd21e9401src" href="#xd21e9401"
-title="454 Daar Grendel, in de veronderstelling dat hij overwinnaar blijft, Beowulf zal verslinden, kan er geen sprake wezen van het lijk af te leggen: De neusgaten werden gesloten, daarna werd de doode gewasschen en gekleed. De tekst heeft niet lijktooi maar lichaam."
-name="xd21e9401src">&deg;</a>;<a href="#n12" class="noteref">12</a></p>
-<p id="v455" class="line"><span class="lineNum">455</span> Maar zend
-dan, zoo het strijdgewoel mij wegsleurt,</p>
-<p class="line">Naar Hygelac het puike pantser henen,</p>
-<p class="line">Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed;</p>
-<p id="v458" class="line">Het is een erfstuk Hredels, &rsquo;t werk van
-Weland<a class="apparatusnote" id="xd21e9429src" href="#xd21e9429"
-title="458 Weland: Wieland in de Duitsche sage, Volundr in de Volundarkvitha der Edda. De sage van den kreupelen Weland, den Germaanschen Hephaistos, is, volgens Symons, in Nederduitschland ontstaan. Het is een mythisch wezen en vertegenwoordigt bij uitstek den schranderen dwerg, die de onderaardsche schatten aan zijne kunst dienstbaar maakt. In de Edda wordt de sage volgenderwijze verhaald: Nithothr, koning der Niaren, neemt den vindingrijken smid Volundr gevangen en laat hem op een eiland zijne kunst uitoefenen, na hem de kniepees doorgesneden te hebben. Volundr koelt zijne wraak door &rsquo;s konings zonen te dooden en dezes dochter te verkrachten. Van de bekkeneelen der knapen had hij drinkschalen voor den koning vervaardigd, van de oogen edelsteenen voor de koningin en van de tanden borstspelden voor de koningsdochter. Degenen die hierover meer wenschen te vernemen, verwijs ik naar het opstel van J. Kleyntjens &laquo;Een Eddalied vertaald en opgehelderd,&raquo; voor zoover als ik weet de eenige studie, welke in Vlaamsch Belgi&euml; over de Oudnoordsche letteren verschenen is. L&rsquo;Enseignement des Langues Modernes. Jaargang 1894&ndash;95."
-name="xd21e9429src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v459" class="line">Gelijk het moet, zoo nadert steeds het
-noodlot<a class="apparatusnote" id="xd21e9461src" href="#xd21e9461"
-title="459 Het noodlot is onwankelbaar." name="xd21e9461src">&deg;</a>.&raquo;</p>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9048"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9048src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v373">373</a></span> Ecgtheow was uitgeweken wegens doodslag aan
-Headolaf, een Wulfing, gepleegd en <span class="corr" id="xd21e9054"
-title="Niet in bron">&laquo;</span><i>had Beowulf
-meegenomen</i>&raquo;. <i>Cosijn.</i></p>
-<p class="par footnote">Beowulf moet op het oogenblik, dat deze
-gebeurtenissen plaats grijpen, een goede vijftig jaar oud zijn. Immers
-toen Ecgtheow uitweek, had Hrodgar, welke thans 50 jaar koning is (v.
-<a href="#v1806">1806</a>), juist den troon beklommen. Vgl. v. <a href="#v469">469</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9048src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9079"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9079src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v377">377</a></span> <i>vriend</i>:
-Hrodgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9079src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9090"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9090src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v378">378</a></span> Waarschijnlijk
-wegens de beslechting van de veete met de Wulfings. &rsquo;t Is
-natuurlijk, dat bij die gelegenheid de Gootische schippers van hunnen
-landgenoot Beowulf gewaagden. <i>Cosijn.</i>&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e9090src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9111"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9111src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v382">382</a></span>
-<i>Wester-Denen</i>: Denen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9111src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9146"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9146src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v392">392</a></span>
-<i>Oost-Denen</i>: Denen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9146src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9172"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9172src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v399">399</a></span> <i>De
-sterke</i>: Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9172src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9187"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9187src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v401">401</a></span>
-<i>heergetuig</i>: de schilden en lansen, welke welstaanshalve buiten
-moesten blijven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9187src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9198"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9198src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v402">402</a></span> <i>de
-wapenstoute</i>: Wulfgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9198src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9243"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9243src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v416">416</a></span> Vgl. v.
-<a href="#v206">206</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9243src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9269"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9269src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v423">423</a></span> Nergens in het
-gedicht wordt nader melding gemaakt van Beowulfs kamp met de reuzen;
-het verslaan der Nikkers schijnt niet te zien op v. <a href="#v585">585</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9269src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9293"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9293src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v429">429</a></span> <i>reus</i>:
-Grendel wordt als een reus voorgesteld. Vgl. v. <a href="#v1370">1370</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9293src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9323"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9323src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v435">435&ndash;36</a></span> Hij
-draagt geen wapen en vreest voor geen wapen.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e9323src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9349"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9349src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v442">442<i>b</i>&ndash;43</a></span> Christelijke
-wereldbeschouwing.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9349src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9371"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9371src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v448">448</a></span> Gij hoeft niet
-de wacht bij mijn lijk te houden. Zoo wordt later ook gezegd van
-Wiglaf, dat hij waakt bij het lijk van Beowulf en den draak. In den
-tekst staat niet <i>lijk</i>, maar <i>hoofd</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9371src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9401"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9401src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v454">454</a></span> Daar Grendel, in de veronderstelling dat hij
-overwinnaar blijft, Beowulf zal verslinden, kan er geen sprake wezen
-van het lijk af te leggen: De neusgaten werden gesloten, daarna werd de
-doode gewasschen en gekleed.</p>
-<p class="par footnote">De tekst heeft niet <i>lijktooi</i> maar
-<i>lichaam</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9401src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9429"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9429src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v458">458</a></span> <i>Weland</i>: Wieland in de Duitsche sage,
-Volundr in de Volundarkvitha der Edda.</p>
-<p class="par footnote">De sage van den kreupelen Weland, den
-Germaanschen Hephaistos, is, volgens Symons, in Nederduitschland
-ontstaan. Het is een mythisch wezen en vertegenwoordigt bij uitstek den
-schranderen dwerg, die de onderaardsche schatten aan zijne kunst
-dienstbaar maakt.</p>
-<p class="par footnote">In de Edda wordt de sage volgenderwijze
-verhaald:</p>
-<p class="par footnote">Nithothr, koning der Niaren, neemt den
-vindingrijken smid Volundr gevangen en laat hem op een eiland zijne
-kunst uitoefenen, na hem de kniepees doorgesneden te hebben. Volundr
-koelt zijne wraak door &rsquo;s konings zonen te dooden en dezes
-dochter te verkrachten.</p>
-<p class="par footnote">Van de bekkeneelen der knapen had hij
-drinkschalen voor den koning vervaardigd, van de oogen edelsteenen voor
-de koningin en van de tanden borstspelden voor de koningsdochter.</p>
-<p class="par footnote">Degenen die hierover meer wenschen te vernemen,
-verwijs ik naar het opstel van <span class="sc">J. Kleyntjens</span>
-&laquo;Een Eddalied vertaald en opgehelderd,&raquo; voor zoover als ik
-weet de <span class="corr" id="xd21e9451" title="Bron: eenigste">eenige</span> studie, welke in Vlaamsch Belgi&euml;
-over de Oudnoordsche letteren verschenen is.</p>
-<p class="par footnote"><i lang="fr">L&rsquo;Enseignement des Langues
-Modernes.</i> Jaargang 1894&ndash;95.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9429src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9461"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9461src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v459">459</a></span> Het noodlot is
-onwankelbaar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9461src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7117">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">VIII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">460</span> En Hrodgar sprak,
-beschutter van de Schyldings</p>
-<p class="line">&laquo;Tot weergeworstel hebt gij, beste Beowulf,</p>
-<p class="line">Alzoo ons opgezocht, uit huldbetooning.<a href="#n13"
-class="noteref">13</a></p>
-<p class="line">Uw vader vocht weleer de koenste kampen.</p>
-<p id="v464" class="line">Hij werd voor Headolaf bij dezes
-Wylfings<a class="apparatusnote" id="xd21e9488src" href="#xd21e9488"
-title="464 De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten, of ten minste als nauw ermede verwant. Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten te doen blijven, vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht was voor de wraak der Wylfings: (heirschrik v. 466). Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte daardoor Ecgtheow. De plaats is vrij duister. M&uuml;llenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden der Oostzee thuis. Het geslacht der Wylfingen, Wulfingen, dat ook in Widsidh vermeld wordt, is in de Duitsche heldensage bekend. Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen, de moedige dienstman van Diederik van Bern (Theodorik de Groote)."
-name="xd21e9488src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">465</span> Tot wurger met de
-vuist. Het kroost der Weders</p>
-<p id="v466" class="line">Vermocht hem<a class="apparatusnote" id="xd21e9520src" href="#xd21e9520" title="466 hem: Ecgtheow." name="xd21e9520src">&deg;</a> wegens heirschrik niet te houden.</p>
-<p class="line">Van daar bezocht hij &rsquo;t volk der
-Wester-Denen,</p>
-<p class="line">Der Zege-Schyldings over &rsquo;t zeegeschommel.</p>
-<p id="v469" class="line">&rsquo;k Beval toen juist den Denenstam en
-jeugdig</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">470</span> Vertoefde ik op de
-goudgetooide schatburg</p>
-<p id="v471" class="line">Der helden. Heorogar, de zoon van
-Healfdeen,</p>
-<p class="line">Was destijds reede dood, ontlast van &rsquo;t
-leven,</p>
-<p class="line">Mijn oudste broeder. Deze was mijn betere! <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p>
-<p id="v474" class="line">De vijandschappen zoende ik<a class="apparatusnote" id="xd21e9549src" href="#xd21e9549" title="474 zoende ik: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening te bewerken, daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen vermaagschapt was. Vgl. 632. Nota."
-name="xd21e9549src">&deg;</a> sinds met schatten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">475</span> En zond den Wylfings
-langs den rug des waters</p>
-<p class="line">Aloud sieraad, en Ecgtheow zwoer mij eeden.</p>
-<p class="line">Het doet mij zeer in mijne ziel te zeggen</p>
-<p class="line">Aan wien het zij der menschen, wat mij Grendel</p>
-<p class="line">Al hoon berokkend heeft uit haatgedachten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">480</span> Arglistig leed in
-Heorot. Mijne halschaar,</p>
-<p id="v481" class="line">Mijn slagtroep is geslonken. &rsquo;t Noodlot
-sleepte</p>
-<p id="v482" class="line">De helden heen naar Grendels
-schrikverschijning<a class="apparatusnote" id="xd21e9582src" href="#xd21e9582" title="482 naar Grendels schrikverschijning: naar den verschrikkelijken Grendel."
-name="xd21e9582src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Alleen vermag gemakkelijk de Godheid</p>
-<p class="line">Den stouten dooder in zijn da&acirc;n te stuiten.</p>
-<p id="v485" class="line"><span class="lineNum">485</span> Hoe dikwijls
-toch verbonden bij den bierkroes</p>
-<p class="line">Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,</p>
-<p class="line">In deze drankzaal met de grijns der degens</p>
-<p class="line">Te willen wachten op den greep van Grendel.</p>
-<p class="line">Dan was dees medehal bij &rsquo;t morgenkrieken,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">490</span> De weidsche woning
-bloedig bont, als &rsquo;t daagde,</p>
-<p id="v491" class="line">Met bloed de gansche bankvloer<a class="apparatusnote" id="xd21e9613src" href="#xd21e9613" title="491 bankvloer: de vaste bodem, waar zich de banken of tafels bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het nachtleger. Vgl. v. 1260."
-name="xd21e9613src">&deg;</a> overgoten,</p>
-<p id="v492" class="line">De hal met wapenvocht. Ik had der
-trouwen,</p>
-<p class="line">Der dierbre mannenschaar weer des te minder,</p>
-<p class="line">Die &rsquo;t noodlot mij alweder had ontnomen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">495</span> Doch neig u neer aan
-&rsquo;t maal, ontvouw uw meening,</p>
-<p class="line">Uw zegehoop &rsquo;t gehoor, naar &rsquo;t hart u
-aanzet.&raquo;</p>
-<p id="v497" class="line">Toen werd der Gooten gasten al te
-gader<a class="apparatusnote" id="xd21e9640src" href="#xd21e9640"
-title="497 Beowulf heeft dus staande zijne aanspraak gehouden." name="xd21e9640src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Ras ingeruimd een rustbank in de bierzaal.</p>
-<p class="line">Op deze gingen dan de geestgestaalden <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">500</span> Zich nederzetten zij,
-de uitstekend stouten.</p>
-<p id="v501" class="line">Het ambt verrichtte een ridder, welke de
-aalkan<a class="apparatusnote" id="xd21e9657src" href="#xd21e9657"
-title="501 aalkan: bierkan." name="xd21e9657src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De schoongetooide, met de handen torste</p>
-<p class="line">En schonk het vonklend vocht. Dan zong de zanger</p>
-<p class="line">In Heorot helder. &rsquo;t Was gejuich der helden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">505</span> Een groote weelde zoo
-van Deen als Weder<a href="#n14" class="noteref">14</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e9681width"><img src="images/o230.png" alt="Ornament." width="88" height="130"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9488"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9488src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v464">464</a></span> De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten,
-of ten minste als nauw ermede verwant.</p>
-<p class="par footnote">Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten
-te doen blijven, vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht
-was voor de wraak der Wylfings: (heirschrik v. <a href="#v466">466</a>).</p>
-<p class="par footnote">Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte
-daardoor Ecgtheow. De plaats is vrij duister.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden
-der Oostzee thuis.</p>
-<p class="par footnote">Het geslacht der <i>Wylfingen</i>,
-<i>Wulfingen</i>, dat ook in Widsidh vermeld wordt, is in de Duitsche
-heldensage bekend.</p>
-<p class="par footnote">Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen,
-de moedige dienstman van Diederik van Bern (Theodorik de
-Groote).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9488src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9520"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9520src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v466">466</a></span> <i>hem</i>:
-Ecgtheow.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9520src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9549"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9549src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v474">474</a></span> <i>zoende
-ik</i>: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening te bewerken,
-daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen vermaagschapt was.
-Vgl. <a href="#v632">632</a>. Nota.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9549src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9582"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9582src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v482">482</a></span> <i>naar
-Grendels schrikverschijning</i>: naar den verschrikkelijken
-Grendel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9582src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9613"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9613src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v491">491</a></span>
-<i>bankvloer</i>: de vaste bodem, waar zich de banken of tafels
-bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het nachtleger.
-Vgl. v. <a href="#v1260">1260</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9613src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9640"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9640src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v497">497</a></span> Beowulf heeft
-dus staande zijne aanspraak gehouden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9640src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9657"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9657src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v501">501</a></span> <i>aalkan</i>:
-bierkan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9657src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7123">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">IX.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En Hunferd zeide toen, de zoon van Ecglaf,</p>
-<p id="v507" class="line">Die aan de voeten<a class="apparatusnote" id="xd21e9695src" href="#xd21e9695" title="507 aan de voeten: op de tweede eereplaats rechts van den ingang, v&oacute;&oacute;r Hrodgar, doch eene trede lager. Vgl. v. 2847. Nota."
-name="xd21e9695src">&deg;</a> zat des Schyldingvorsten,</p>
-<p id="v508" class="line">Het kampgeheim ontkeetnend<a class="apparatusnote" id="xd21e9709src" href="#xd21e9709" title="508 het kampgeheim ontkeetnend: den woordenstrijd beginnend. De uitdagende woorden worden vergeleken met een wild dier, dat men loslaat."
-name="xd21e9709src">&deg;</a>: (Beowulfs aankomst,</p>
-<p class="line">Des koenen golfvaart gaf hem grooten aanstoot,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">510</span> Omdat hij geenszins
-aan een ander gunde</p>
-<p class="line">Der mannen, meerder roem op aard te rapen,</p>
-<p class="line">Bene&ecirc;n de wolken, dan hem was geworden).</p>
-<p class="line">&laquo;Zijt gij die Beowulf, die met Brecca aanbond</p>
-<p class="line">Den wedstrijd op de wijde zee, in &rsquo;t zwemmen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">515</span> Met dezen streven
-dorst, toen boud gij beiden</p>
-<p class="line">Navorschtet in den vloed en gij uit grootspraak</p>
-<p class="line">Uw leven waagdet in het diepe water?</p>
-<p class="line">Geen stervling was in staat, noch vriend noch
-vijand,</p>
-<p class="line">De roekelooze reis u af te raden.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">520</span> Toen braakt gij beiden
-roeiend door de baren</p>
-<p class="line">En dektet onder uwen arm de deining,</p>
-<p class="line">Gij maat de zeebaan, zwaaiend met de handen,</p>
-<p class="line">Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven</p>
-<p class="line">De kil opklotste bij des winters branding.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">525</span> Op deze wijze wurmdet
-gij te gader <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name="pb167">167</a>]</span></p>
-<p class="line">Wel zeven nachten in &rsquo;t bezit der zee&euml;n.</p>
-<p class="line">Doch gene ging in vaart u ver te boven;</p>
-<p class="line">Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde</p>
-<p id="v529" class="line">Hem met den morgen heen ten
-Headoraemen<a class="apparatusnote" id="xd21e9771src" href="#xd21e9771"
-title="529 Heado-raemen. M&uuml;llenhoff schrijft Heado-re&aacute;men (Strijd-Re&aacute;men) en ziet erin de Raumaricii van Jordanes, de bewoners van Raumariki ten zuiden van Noorwegen. (Angs e&aacute; = au)."
-name="xd21e9771src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">530</span> Van waar hij
-wedervond, de volksgevierde,</p>
-<p id="v531" class="line">Het lieve stambezit, het land der
-Brondings<a class="apparatusnote" id="xd21e9789src" href="#xd21e9789"
-title="531 Brondings: Zie Inleiding, blz. 80." name="xd21e9789src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De schoone schatburg, waar hij wapenlieden</p>
-<p class="line">En goed en goud bezat. De zoon van Beanstan</p>
-<p class="line">Hield tegen u geheel zijn woord in waarheid.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">535</span> Nochtans ik reken op
-geringer uitslag</p>
-<p class="line">Voor u, al waart gij steeds bij alle stormen</p>
-<p class="line">Bestand, bij grimmen strijd, zoo gij op Grendels</p>
-<p class="line">Nabijheid waagt een nachtgewricht te
-wachten.&raquo;</p>
-<p class="line">En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">540</span> &laquo;Voorwaar, mijn
-waarde Hunferd, veel gewaagdet</p>
-<p class="line">Gij, dronken door het biergebras, van Brecca,</p>
-<p class="line">Vertellend zijnen tocht. &rsquo;k Beweer in
-waarheid:</p>
-<p class="line">Ik had meer zeegehardheid ik en arbeid</p>
-<p class="line">In &rsquo;t midden van het meer dan een der
-menschen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">545</span> Wij kwamen &rsquo;t
-overeen als knapen, ons verbindend,</p>
-<p class="line">(Toen waren wij nog beiden jong van jaren)</p>
-<p class="line">Dat wij in zee het leven zouden wagen</p>
-<p class="line">En deden desgelijks. Wij hielden &rsquo;t lemmer,</p>
-<p class="line">Het bloote, vast, terwijl wij voorwaarts roeiden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">550</span> Te zaam op zee, het
-harde, met de handen.</p>
-<p class="line">Zoo wilden wij ons vrijden van den walvisch.</p>
-<p id="v552" class="line">In &rsquo;t minste niet vermocht, ter zee
-gezwinder,</p>
-<p class="line">Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,</p>
-<p class="line">Noch wilde ik zelve mij van hem verwijdren.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">555</span> Zoo zwalkten wij te
-zamen op de zee&euml;n <span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span></p>
-<p class="line">Vijf dagen lang, totdat de vloed ons scheidde,</p>
-<p class="line">De bolle golfgang bij het barste weder,</p>
-<p class="line">De nacht de omhullende; uit het noorden stormde</p>
-<p class="line">Kampwoedend aan de wind; de diepten woelden.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">560</span> Nu was gewet de drift
-der zeegedrochten.</p>
-<p class="line">Toen schonk mijn lijf beschutting mij bescherming,</p>
-<p class="line">Het handgevlochten harnas, voor den vijand;</p>
-<p class="line">Het strijdkleed lag op &rsquo;t lijf, het
-goudgestrengeld.</p>
-<p class="line">Mij rukte reeds een schemerschubbig ondier</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">565</span> Ten afgrond mee, mij
-klemde in zijne klauwen</p>
-<p class="line">De ongure vast. Toch werd het mij gegeven,</p>
-<p class="line">Dat ik het monster met het wapen wondde,</p>
-<p class="line">Het staal des strijds. Het kampgeraas ontrukte</p>
-<p class="line">Door mijnen arm het machtig meergevaarte.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e9899width"><img src="images/o252.png" alt="Ornament." width="197" height="104"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9695"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9695src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v507">507</a></span> <i>aan de
-voeten</i>: op de tweede eereplaats rechts van den ingang,
-v&oacute;&oacute;r Hrodgar, doch eene trede lager. Vgl. v. <a href="#v2847">2847</a>. Nota.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9695src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9709"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9709src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v508">508</a></span> <i>het
-kampgeheim ontkeetnend</i>: den woordenstrijd beginnend. De uitdagende
-woorden worden vergeleken met een wild dier, dat men
-loslaat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9709src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9771"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9771src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v529">529</a></span>
-<i>Heado-raemen.</i> M&uuml;llenhoff schrijft
-<i>Heado-re&aacute;men</i> (Strijd-Re&aacute;men) en ziet erin de
-Raumaricii van Jordanes, de bewoners van Raumariki ten zuiden van
-Noorwegen. (Angs e&aacute; = au).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9771src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9789"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9789src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v531">531</a></span>
-<i>Brondings</i>: Zie <a href="#intro">Inleiding</a>, blz. <a href="#pb80" class="pageref">80</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9789src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7131">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">X.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">570</span> Aldus bedrongen deze
-leedbelagers</p>
-<p class="line">Mij dikwijls driftig. Met den goeden degen</p>
-<p class="line">Onthaalde ik hen nochtans, gelijk &rsquo;t
-betaamde.</p>
-<p class="line">Zij vonden bij den buit geen vreugd de wreeden,</p>
-<p class="line">Dat zij mij zouden grijpen, &rsquo;t maal omzitten</p>
-<p id="v575" class="line"><span class="lineNum">575</span> Nabij den
-zeegrond; maar zij lagen boven</p>
-<p class="line">Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t staal doorstoken, ingewiegd door &rsquo;t
-wapen,</p>
-<p class="line">Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden</p>
-<p class="line">Beletten langs de barning van de baren.</p>
-<p id="v580" class="line"><span class="lineNum">580</span> Van &rsquo;t
-oosten zeeg het licht, de zegestanderd,</p>
-<p class="line">De glanzende van God. De stormen stilden,</p>
-<p class="line">Zoodat ik de oeverkapen kon beschouwen,</p>
-<p class="line">Het windbestreken strand. Vaak strekt het noodlot</p>
-<p class="line">Tot redding van d&rsquo;onvoorbestemden stervling,</p>
-<p id="v585" class="line"><span class="lineNum">585</span> Indien zijn
-sterkte deugt. Ik trof het trouwens</p>
-<p class="line">Te dooden met den degen negen nikkers.</p>
-<p class="line">Nooit hoorde ik onder &rsquo;t wulfsel van den
-hemel</p>
-<p class="line">Van neteliger strijd bij nacht, noch armer</p>
-<p class="line">Vergeten man te midden van den meervloed.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">590</span> Toch borg ik &rsquo;t
-leven uit den greep der boozen,</p>
-<p class="line">Ontzenuwd door den tocht. De zeevloed tilde</p>
-<p id="v592" class="line">Mij met de strooming mee naar &rsquo;t land
-der Finnen<a class="apparatusnote" id="xd21e9967src" href="#xd21e9967"
-title="592 het land der Finnen: Finmarken aan de IJszee. Volgens Bugge is de episode van Brecca verwant met de IJslandsche sage van Egil."
-name="xd21e9967src">&deg;</a>, <span class="pagenum">[<a id="pb170"
-href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p>
-<p class="line">Het wellend water. &rsquo;k Hoorde nooit verhalen</p>
-<p class="line">Van uwen kant van zulke kampbestoking</p>
-<p id="v595" class="line"><span class="lineNum">595</span> En
-zwaardontzetting; nimmer bracht ook Brecca</p>
-<p class="line">Bij &rsquo;t strijdvermaak tot stand, noch uwer
-iemand</p>
-<p class="line">Zoo stout een stuk met bloedbespatte speren;</p>
-<p id="v598" class="line">(Niet bral ik dies<a class="apparatusnote"
-id="xd21e9994src" href="#xd21e9994" title="598 niet bral ik dies. IJdele woordenpraal werd door de Germanen in den hoogsten graad verafschuwd. Hunne nakomelingen, die nog niet wegloopen met de Fransche &laquo;blague&raquo;, schijnen er niet op gebeterd te zijn."
-name="xd21e9994src">&deg;</a>) ofschoon gij voor uw broeders</p>
-<p class="line">De dooder wierdt en uwe hoofdverwanten<a class="apparatusnote" id="xd21e10008src" href="#xd21e10008" title="595&ndash;99 Vlijmende spotternij. Gij, Hunferd, hebt nooit zulke moedige daad volbracht, of het moest de moord van uwe bloedverwanten zijn."
-name="xd21e10008src">&deg;</a><a href="#n15" class="noteref">15</a>.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">600</span> Gij zult om deze zaak
-verdoemnis dulden</p>
-<p class="line">Ter helle, hoe gevat uw brein ook blijke.</p>
-<p class="line">O Ecglafs zoon, dit zeg ik u in waarheid:</p>
-<p class="line">Meer gruwlen had de snoode daemon Grendel,</p>
-<p id="v604" class="line">Meer hoon uw heerscher<a class="apparatusnote" id="xd21e10029src" href="#xd21e10029" title="604 uw heerscher: aan uwen heerscher." name="xd21e10029src">&deg;</a>
-niet verwekt in Heorot,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">605</span> Indien uw denkkracht
-was geweest, uw inborst,</p>
-<p class="line">Zoo oorlogszuchtig als gij uitbazuindet.</p>
-<p id="v607" class="line">Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de
-strijdzucht,</p>
-<p class="line">Den onbesuisden lansstorm uwer lieden</p>
-<p class="line">Niet zeer te duchten heeft, der
-Zege-Schyldings<a class="apparatusnote" id="xd21e10050src" href="#xd21e10050" title="607&ndash;9 Waarlijk Beowulf windt er geene doekjes om! Er diende nochtans vrijmoedigheid toe, om deze voor de Denen zoo geringschattende woorden in de tegenwoordigheid van al de rijksgrooten uit te spreken."
-name="xd21e10050src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v610" class="line"><span class="lineNum">610</span> Hij neemt
-zijn noodpand<a class="apparatusnote" id="xd21e10063src" href="#xd21e10063" title="610 noodpand: gedwongen pand, nl. de lijken."
-name="xd21e10063src">&deg;</a> mede, niemand spaart hij</p>
-<p class="line">Der Denenli&ecirc;n en woedt naar hartelusten;</p>
-<p class="line">Hij doodt en zwelgt en ducht geen wraak der Denen.</p>
-<p id="v613" class="line">Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en
-koenheid</p>
-<p id="v614" class="line">In &rsquo;t strijden staan. Dan keere wie het
-kunne</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">615</span> Weer moedig tot de
-me&ecirc;, als &rsquo;t morgengloren<a class="apparatusnote" id="xd21e10085src" href="#xd21e10085" title="614&ndash;15 Dan mogen de Denen weer hunnen intrek nemen in Heorot."
-name="xd21e10085src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb171"
-href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p>
-<p class="line">Des nieuwen dags op &rsquo;t menschdom
-nederblikkert,</p>
-<p class="line">De glansomgorde zon van uit het zuiden!&raquo;</p>
-<p class="line">Nu was der schatten schenker vol van vreugde</p>
-<p class="line">Hij, grijsgelokt en kampvermaard. De koning</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">620</span> Der Helden-Denen had
-het hoogst vertrouwen</p>
-<p class="line">In hunne hulp. Hij hoorde toch aan Beowulf</p>
-<p class="line">De volkenherder &rsquo;t vastbesloten streven.</p>
-<p class="line">Nu schaterde de schaar, de tonen schalden,</p>
-<p id="v624" class="line">De woorden waren lief. Dan Wealchtheow
-naakte</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">625</span> Zij Hrodgars gade,
-&rsquo;t hofgebruik indachtig.</p>
-<p class="line">Zij groette, goudgekleed, de hallegasten;</p>
-<p class="line">Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer</p>
-<p class="line">De hooggeboren vrouwe toe den beker.</p>
-<p class="line">Zij bad hem blij te wezen bij den bierdronk,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">630</span> En voor de lieden
-lief. Met lust aanvaardde</p>
-<p id="v631" class="line">De zegerijke vorst en maal en
-zaalkroes<a class="apparatusnote" id="xd21e10131src" href="#xd21e10131"
-title="631 zaalkroes: in de zaal gereikte kroes." name="xd21e10131src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v632" class="line">Nu ging in &rsquo;t rond de koningin der
-Helmings<a class="apparatusnote" id="xd21e10142src" href="#xd21e10142"
-title="632 Wealchtheow was van den stam der Helmingen. Volgens Widsidh heerschte Helm over de Wulfingen."
-name="xd21e10142src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v633" class="line">Gaf ieder, hoog en nedrig<a class="apparatusnote" id="xd21e10153src" href="#xd21e10153" title="633 hoog en nedrig: Krijgers van hoogeren en lageren rang." name="xd21e10153src">&deg;</a>, keurkleinooden,</p>
-<p id="v634" class="line">Totdat de beurt zich bood<a class="apparatusnote" id="xd21e10164src" href="#xd21e10164" title="634 totdat de beurt zich bood: zij ging eerst de rij rond aan den kant van Hrodgar en kwam daarna bij Beowulf, die op de 2de eereplaats recht tegenover Hrodgar gezeten was."
-name="xd21e10164src">&deg;</a>, dat zij den beker</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">635</span> De ringomstraalde
-vrouw, de hooggestemde,</p>
-<p class="line">Aan Beowulf gaf. Den vorst der Gooten groette</p>
-<p class="line">Zij dan en dankte God met wijze woorden,</p>
-<p class="line">Dat nu haar wensch bewaarheid was geworden:</p>
-<p class="line">Der rampen redding van een held te hopen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">640</span> Den beker kreeg de
-kampvermeetle krijger</p>
-<p class="line">Van Wealchtheow, rijmde dan, gereed ten strijde,</p>
-<p class="line">En sprak de woorden, hij de spruit van Ecgtheow:
-<span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span></p>
-<p id="v643" class="line">&laquo;Dit was mijn streven, toen ik steeg te
-water,</p>
-<p class="line">De kiel beklom met mijnen drom van dappren.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">645</span> Dat ik den wensch uws
-volks ineens vervulde,</p>
-<p class="line">Of stortte in &rsquo;t stof, omklemd door &rsquo;s
-vijands klauwen.</p>
-<p class="line">Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,</p>
-<p class="line">Of in de hal mijn laatsten dag beleven.&raquo;</p>
-<p class="line">Der edelvrouw gevielen wel die woorden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">650</span> Die taal, zoo tartend,
-van den vorst der Gooten.</p>
-<p class="line">De goudgehulde, hooge volksvorstinne</p>
-<p id="v652" class="line">Ging naast haar echtgenoot<a class="apparatusnote" id="xd21e10223src" href="#xd21e10223" title="652 naast haar echtgenoot: aan zijne linkerhand. Ons gedicht hangt een levendig tafereel op van de Germaansche feestmalen. Eene hoofdzaak was het, aan de gasten eene met hunnen rang overeenkomende plaats aan te wijzen. Liederen werden voorgedragen, sagen en eigen daden verhaald. De braspartij werd besloten met het uitdeelen van geschenken aan elk der gasten. Mullenhoff ziet in vv. 624&ndash;55 eene inlassching, omdat Wealchtheow opeens verdwenen moet zijn, want v. 656 wordt alleen van Hrodgar gezegd, dat hij de zaal verlaat. Staat er niet v. 934&ndash;35 dat Hrodgar het vertrek der gade verlaat? Kon de dichter dus de gevolgtrekking niet aan den lezer overlaten? Vgl. nog v. 676."
-name="xd21e10223src">&deg;</a> zich nedervlijen.</p>
-<p class="line">Nu werd alweder in de hal geheven</p>
-<p class="line">Zoo menig moedig woord. &rsquo;t Gevolg was
-vroolijk.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">655</span> Het was geschetter van
-de zegescharen,</p>
-<p id="v656" class="line">Totdat opeens de hooge zoon van Healfdeen</p>
-<p class="line">Voornemens was, de nachtrust op te zoeken.</p>
-<p class="line">Hij wist, dat strijd bestoken was aan &rsquo;t
-monster</p>
-<p class="line">Ter hooge zaal, nadat zij &rsquo;t licht der zonne</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">660</span> Niet meer bemerken
-konden, nu het nachtfloers</p>
-<p class="line">En schaduwschepsels kwamen aangeschreden,</p>
-<p class="line">De duistere, vanonder &rsquo;t wolkendeksel.</p>
-<p class="line">Nu rees de riddergroep. Met spreuken groette</p>
-<p class="line">Een held den andren, Hrodgar Beowulf, wenschte</p>
-<p id="v665" class="line"><span class="lineNum">665</span> Hem zege
-toe, &rsquo;t bezit der zaal<a class="apparatusnote" id="xd21e10287src"
-href="#xd21e10287" title="665 &rsquo;t bezit der zaal: de inbezitneming van Heorot te handhaven tegenover Grendel."
-name="xd21e10287src">&deg;</a>, en uitte <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p>
-<p class="line">De woorden: &laquo;Sinds ik hand en schild kan
-heffen,</p>
-<p class="line">Vertrouwde ik vroeger toe der Denen troonzaal</p>
-<p class="line">Aan geen der helden, buiten u voor heden.</p>
-<p class="line">Aanvaard en handhaaf &rsquo;t heerlijkst aller
-huizen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">670</span> Gedenk uw
-roemda&acirc;n, spreid uw reuzenkrachten</p>
-<p class="line">Ten toon en waak nu tegen dezen woestaard.</p>
-<p class="line">Niet zal u mangel zijn aan &rsquo;t
-wenschenswaarde,</p>
-<p id="v673" class="line">Zoo gij bestaat de lofdaad met het
-leven<a class="apparatusnote" id="xd21e10316src" href="#xd21e10316"
-title="673 Zoo gij er het leven van afbrengt." name="xd21e10316src">&deg;</a>.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e10323width"><img src="images/o173.png" alt="Ornament." width="90" height="112"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9967"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9967src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v592">592</a></span> <i>het land der Finnen</i>: Finmarken aan de
-IJszee.</p>
-<p class="par footnote">Volgens Bugge is de episode van Brecca verwant
-met de IJslandsche sage van Egil.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9967src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e9994"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e9994src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v598">598</a></span> <i>niet bral ik dies.</i> IJdele woordenpraal
-werd door de Germanen in den hoogsten graad verafschuwd.</p>
-<p class="par footnote">Hunne nakomelingen, die nog niet wegloopen met
-de Fransche &laquo;blague&raquo;, schijnen er niet op gebeterd te
-zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e9994src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10008"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10008src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v595">595&ndash;99</a></span>
-Vlijmende spotternij. Gij, Hunferd, hebt nooit zulke moedige daad
-volbracht, of het moest de moord van uwe bloedverwanten
-zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10008src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10029"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10029src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v604">604</a></span> <i>uw
-heerscher</i>: aan uwen heerscher.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10029src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10050"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10050src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v607">607&ndash;9</a></span> Waarlijk Beowulf windt er geene doekjes
-om!</p>
-<p class="par footnote">Er diende nochtans vrijmoedigheid toe, om deze
-voor de Denen zoo geringschattende woorden in de tegenwoordigheid van
-al de rijksgrooten uit te spreken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10050src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10063"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10063src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v610">610</a></span>
-<i>noodpand</i>: gedwongen pand, nl. de lijken.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e10063src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10085"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10085src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v614">614&ndash;15</a></span> Dan
-mogen de Denen weer hunnen intrek nemen in Heorot.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10085src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10131"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10131src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v631">631</a></span>
-<i>zaalkroes</i>: in de zaal gereikte kroes.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e10131src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10142"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10142src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v632">632</a></span> Wealchtheow was van den stam der Helmingen.</p>
-<p class="par footnote">Volgens Widsidh heerschte Helm over de
-Wulfingen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10142src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10153"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10153src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v633">633</a></span> <i>hoog en
-nedrig</i>: Krijgers van hoogeren en lageren rang.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10153src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10164"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10164src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v634">634</a></span> <i>totdat de
-beurt zich bood</i>: zij ging eerst de rij rond aan den kant van
-Hrodgar en kwam daarna bij Beowulf, die op de 2<sup>de</sup> eereplaats
-recht tegenover Hrodgar gezeten was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10164src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10223"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10223src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v652">652</a></span> <i>naast haar echtgenoot</i>: aan zijne
-linkerhand.</p>
-<p class="par footnote">Ons gedicht hangt een levendig tafereel op van
-de Germaansche feestmalen. Eene hoofdzaak was het, aan de gasten eene
-met hunnen rang overeenkomende plaats aan te wijzen. Liederen werden
-voorgedragen, sagen en eigen daden verhaald. De braspartij werd
-besloten met het uitdeelen van geschenken aan elk der gasten.</p>
-<p class="par footnote">Mullenhoff ziet in vv. <a href="#v624">624&ndash;55</a> eene inlassching, omdat Wealchtheow opeens
-verdwenen moet zijn, want v. <a href="#v656">656</a> wordt alleen van
-Hrodgar gezegd, dat hij de zaal verlaat.</p>
-<p class="par footnote">Staat er niet v. <a href="#v934">934&ndash;35</a> dat Hrodgar het vertrek <i>der gade</i>
-verlaat? Kon de dichter dus de gevolgtrekking niet aan den lezer
-overlaten? Vgl. nog v. <a href="#v676">676</a>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e10223src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10287"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10287src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v665">665</a></span> <i>&rsquo;t
-bezit der zaal</i>: de inbezitneming van Heorot te handhaven tegenover
-Grendel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10287src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10316"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10316src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v673">673</a></span> Zoo gij er het
-leven van afbrengt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10316src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name="pb174">174</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7138">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XI.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nu stapte met den stoet van helden Hrodgar,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">675</span> De schuts der
-Schyldings, uit den bouw naar buiten.</p>
-<p id="v676" class="line">De strijdbestuurder wilde Wealchtheow
-zoeken,</p>
-<p id="v677" class="line">De ga, tot nachtgenoot. De Heer der
-heerschers,</p>
-<p class="line">Gelijk de lieden hoorden, had aan Grendel</p>
-<p id="v679" class="line">Gesteld een stedehoeder: Hij vervulde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">680</span> Zijn dienst in dezen
-om den Denenkoning</p>
-<p class="line">En hij beriep den reus een wachter<a class="apparatusnote" id="xd21e10353src" href="#xd21e10353" title="677b&ndash;81 Christelijke overweging." name="xd21e10353src">&deg;</a><a class="apparatusnote" id="xd21e10361src"
-href="#xd21e10361" title="679&ndash;81 Ter oorzake van Hrodgar verleende God in dezen d. i. in dit bijzonder geval zijne hulp, door Beowulf af te zenden."
-name="xd21e10361src">&deg;</a>. Waarlijk</p>
-<p class="line">Hij bouwde vast, de voerder van de Gooten,</p>
-<p class="line">Op koene kracht en op de gunst der Godheid.</p>
-<p class="line">Hij deed alsdan zich af het stalen strijdhemd,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">685</span> Den helm van &rsquo;t
-hoofd; hij gaf den gulden degen,</p>
-<p class="line">Der klingen keur, een zijner dienstgezellen</p>
-<p class="line">En zei hem, op het wapentuig te waken.</p>
-<p class="line">De dappre hield alsdan een trotsche toespraak,</p>
-<p class="line">Der Gooten Beowulf, eer hij zeeg te bedde:</p>
-<p id="v690" class="line"><span class="lineNum">690</span> <a class="apparatusnote" id="xd21e10390src" href="#xd21e10390" title="690 De volgende verzen zijn eene herhaling van v. 435 vlg." name="xd21e10390src">&deg;</a>&laquo;Ik reken mij in oorlogsmacht geen
-minder</p>
-<p class="line">Voor &rsquo;t wapenwerk dan Grendel waant te
-wezen<span class="corr" id="xd21e10401" title="Niet in bron">.</span></p>
-<p id="v692" class="line">Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,</p>
-<p class="line">Hoe licht ik zulks vermag, van &rsquo;t leven scheiden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span></p>
-<p id="v694" class="line">Hij kent de kampgewoonte niet van weder</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">695</span> Te schenken eenen
-slag, het schild te beuken<a class="apparatusnote" id="xd21e10415src"
-href="#xd21e10415" title="694&ndash;95 Hij is niet bedreven in het hanteeren der wapenen, zooals het eenen ridder past."
-name="xd21e10415src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v696" class="line">Al is hij wijdberucht door wapenfeiten.</p>
-<p class="line">Wij zullen dezen nacht aan &rsquo;t zwaard
-verzaken,</p>
-<p class="line">Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen.</p>
-<p id="v699" class="line">De wijze Godheid zal daarop de zege</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">700</span> Verbinden aan de hand
-van een van beiden,</p>
-<p class="line">De heilge Heer, alnaar hij &rsquo;t nuttigst
-oordeelt.&raquo;</p>
-<p class="line">De kampvermeetle neigde zich dan neder,</p>
-<p class="line">De peul ontving het voorhoofd van den ridder.</p>
-<p class="line">Wel menig moedig zeeheld liet op &rsquo;t leger</p>
-<p id="v705" class="line"><span class="lineNum">705</span> Zich naast
-hem neder. Niemand hunner hoopte,</p>
-<p class="line">Van hier nog &rsquo;t dierbaar heim en &rsquo;t volk te
-groeten</p>
-<p class="line">Of &rsquo;t burgslot, waar zij waren opgewassen.</p>
-<p class="line">Zij wisten toch, dat vroeger in de wijnzaal</p>
-<p class="line">Een nare doodstrijd al te veel genooten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">710</span> Der Denen had gehaald.
-Nu schonk de Schepper</p>
-<p id="v711" class="line">Het weefsel van het wapenheil<a class="apparatusnote" id="xd21e10461src" href="#xd21e10461" title="711 het weefsel van het wapenheil: het geluk der wapens. Volgens de Edda weefden de Walkuren het weefsel van den slag. Wij hebben hier een mengelmoes van heidensche en christelijke denkbeelden."
-name="xd21e10461src">&deg;</a> den Weders</p>
-<p class="line">En stut en steun; zoodat zij door de spierkracht</p>
-<p class="line">Des eenen op den vijand zegevierden,</p>
-<p id="v714" class="line">Door zijne zelfde kracht. &rsquo;t Is waar
-verkondigd<a class="apparatusnote" id="xd21e10481src" href="#xd21e10481" title="714b.&ndash;23 Ettm&uuml;ller en M&uuml;llenhoff beschouwen deze regels als van lateren oorsprong. Ook wordt v. 724 nog eens gezegd, dat Grendel in aantocht is."
-name="xd21e10481src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">715</span> Dat steeds een machtig
-God bestuurt het menschdom.</p>
-<p class="line">Nu schreed de nachtgeest nader door het duister.</p>
-<p class="line">De schutters, die de hoornzaal moesten hoeden,</p>
-<p class="line">Zij sliepen allen, uitgenomen eenen;</p>
-<p class="line">(Den menschen werd bekend dat hen de wurger
-<span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">720</span> Niet zenden zou ten
-schimmen, daar de Schepper</p>
-<p class="line">Het geenszins wilde) want tot grim des gruwbren</p>
-<p class="line">Verbeidde Beowulf, in de ziel verbolgen,</p>
-<p class="line">Terwijl hij wakker was, het pleit der
-worsteling<a href="#n16" class="noteref">16</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e10521width"><img src="images/o176.png" alt="Ornament." width="95" height="86"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10353"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10353src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v677">677<i>b</i>&ndash;81</a></span> Christelijke
-overweging.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10353src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10361"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10361src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v679">679&ndash;81</a></span> Ter
-oorzake van Hrodgar verleende God in dezen d. i. in dit bijzonder geval
-zijne hulp, door Beowulf af te zenden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10361src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10390"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10390src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v690">690</a></span> De volgende
-verzen zijn eene herhaling van v. <a href="#v435">435</a>
-vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10390src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10415"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10415src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v694">694&ndash;95</a></span> Hij is
-niet bedreven in het hanteeren der wapenen, zooals het eenen ridder
-past.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10415src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10461"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10461src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v711">711</a></span> <i>het weefsel van het wapenheil</i>: het geluk
-der wapens.</p>
-<p class="par footnote">Volgens de Edda weefden de Walkuren het weefsel
-van den slag.</p>
-<p class="par footnote">Wij hebben hier een mengelmoes van heidensche
-en christelijke denkbeelden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10461src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10481"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10481src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v714">714<i>b.</i>&ndash;23</a></span> Ettm&uuml;ller en
-M&uuml;llenhoff beschouwen deze regels als van lateren oorsprong. Ook
-wordt v. <a href="#v724">724</a> nog eens gezegd, dat Grendel in
-aantocht is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10481src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7146">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v724" class="line">Van &rsquo;t moer begaf uit mistomgeven
-klippen</p>
-<p id="v725" class="line"><span class="lineNum">725</span> Zich Grendel
-thans. Hij droeg den toorn der Godheid.</p>
-<p class="line">De dooder meende van het volk der mannen</p>
-<p class="line">Er veel te omstrikken in de steile halle.</p>
-<p class="line">Daar sloop hij henen onder &rsquo;t wolkenhulsel,</p>
-<p class="line">Tot waar hij zeker wist, dat stond de wijnzaal,</p>
-<p id="v730" class="line"><span class="lineNum">730</span> Der Gooten
-goudwoon<a class="apparatusnote" id="xd21e10550src" href="#xd21e10550"
-title="730 goudwoon: zoo geheeten, omdat er de koning goud uitdeelde."
-name="xd21e10550src">&deg;</a> blinkend van het bladgoud.</p>
-<p class="line">Het was niet de eerste wijl, dat hij de woonstee</p>
-<p class="line">Van Hrodgar had bezocht. Doch nooit of nimmer</p>
-<p class="line">Ontmoette die in zijne levensdagen</p>
-<p class="line">Een weerbrer held en wachters van de woning.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">735</span> Nu was het wezen,
-vreemd aan alle vreugde,</p>
-<p class="line">Tot bij den bouw gegaan en open gierde</p>
-<p class="line">Aanstonds de deur, gestut door ijzren staven,</p>
-<p class="line">Zoodra hij haar beroerde met de handen.</p>
-<p class="line">De wrevelzieke, woedend was hij, wrikte</p>
-<p id="v740" class="line"><span class="lineNum">740</span> Der halle
-monding<a class="apparatusnote" id="xd21e10584src" href="#xd21e10584"
-title="740 der halle monding: de deur." name="xd21e10584src">&deg;</a>
-los en haastig stapte</p>
-<p class="line">De vijand langs den bontgeverfden bodem</p>
-<p class="line">En ging al grijnzend voort. Gelijk aan vlammen</p>
-<p class="line">Schoot onheilspellend uit zijn oog een schemer.</p>
-<p class="line">Daar zag hij menig man in slaap gezonken,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">745</span> Te zamen in de zaal de
-zwaardgenooten, <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178"
-name="pb178">178</a>]</span></p>
-<p id="v746" class="line">Den heldenhoop. Toen lachte daar zijn
-harte.</p>
-<p class="line">Hij dacht te scheiden, eer het daglicht daagde,</p>
-<p class="line">De dolle dooder, ieders lijf van &rsquo;t leven,</p>
-<p class="line">Nu hem de hoop verscheen op rijklijk schrokken.</p>
-<p id="v750" class="line"><span class="lineNum">750</span> Nochtans
-gehengde hem het lot niet langer,</p>
-<p class="line">Bij nacht nog meer van &rsquo;t menschenkroost te
-kapen<a class="apparatusnote" id="xd21e10621src" href="#xd21e10621"
-title="750&ndash;51 Hier wordt, als zoo dikwerf in &rsquo;t gedicht, de ontknooping in het verschiet gesteld."
-name="xd21e10621src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v752" class="line">Nu zag hij machtig leed de maag van
-Hyglac,</p>
-<p class="line">Op welke wijze deze wanbedrijver</p>
-<p class="line">Voortwoeden wou bij de onverwachte grepen.</p>
-<p id="v755" class="line"><span class="lineNum">755</span> Niet dat het
-monster dacht te dralen. Eensklaps</p>
-<p id="v756" class="line">Ontrukt hij de eerste reis een slapend
-ridder,</p>
-<p class="line">Verscheurt hem schielijk, breekt de beengeleding,</p>
-<p class="line">Slurpt beken bloed en halst met rustloos
-rijten.<a class="apparatusnote" id="xd21e10644src" href="#xd21e10644"
-title="755&ndash;58 De Goot, die hier zoo ongelukkig aan zijn einde komt, is Hondsci&oacute;, zooals blijkt uit het mondelingsch verslag van zijnen tocht, dat Beowulf later aan Hygelac doet. Vgl. v. 2131."
-name="xd21e10644src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Zoo had hij zonder dralen doorgezwolgen</p>
-<p id="v760" class="line"><span class="lineNum">760</span> Den
-levenlooze heel met hand en voeten<a class="apparatusnote" id="xd21e10659src" href="#xd21e10659" title="760 met hand en voeten: met huid en haar." name="xd21e10659src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Hij rukte naderbij en greep op &rsquo;t rustbed</p>
-<p id="v762" class="line">Met handen naar den hooggestemden
-strijdheld<a class="apparatusnote" id="xd21e10672src" href="#xd21e10672" title="762, 763 strijdheld, de vijand: Beowulf." name="xd21e10672src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">De vijand voer hem tegen met de vuisten,</p>
-<p id="v764" class="line">Ontving hem snel, den valschgezinde, en
-stutte<a class="apparatusnote" id="xd21e10688src" href="#xd21e10688"
-title="764 en stutte; Beowulf stutte zich met den arm op de bovenste trede der bankvloer. Vgl. v. 2847 Nota."
-name="xd21e10688src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">765</span> Zich op den arm. De
-moordbeschutter merkte</p>
-<p class="line">Fluks, dat hij nooit ontmoette op &rsquo;t
-ondermaansche,</p>
-<p id="v767" class="line">Op &rsquo;s aardrijks schoot, bij eenig ander
-sterveling</p>
-<p class="line">Een vaster vuistgreep. &rsquo;t Werd hem bang in
-&rsquo;t binnenst,</p>
-<p class="line">In &rsquo;t hart. Niet kon hij des te sneller
-henen.</p>
-<p id="v770" class="line"><span class="lineNum">770</span> Zijn inzicht
-was ter vlucht, hij wilde wijken</p>
-<p id="v771" class="line">Naar zijne krocht, der duivels
-drijven<a class="apparatusnote" id="xd21e10719src" href="#xd21e10719"
-title="771 der duivels drijven: de overige monsters. Vgl. v. 1538."
-name="xd21e10719src">&deg;</a> zoeken. <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span></p>
-<p id="v772" class="line">Niet boden zich alhier de bezigheden,</p>
-<p class="line">Gelijk hij eer in &rsquo;t leven had
-getroffen.<a class="apparatusnote" id="xd21e10739src" href="#xd21e10739" title="770&ndash;73 Overtollige uitbreiding." name="xd21e10739src">&deg;</a><a class="apparatusnote" id="xd21e10744src"
-href="#xd21e10744" title="772&ndash;73 Hij vond hier niet meer de gelegenheid om, zooals vroeger, een bloedbad aan te richten."
-name="xd21e10744src">&deg;</a></p>
-<p id="v774" class="line">De wakkre neef van Hygelac geheugde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">775</span> Zich toen de toespraak
-van den eigen avond.</p>
-<p class="line">Hij rees dan recht in zijne gansche grootte,</p>
-<p class="line">Omving hem vast. De vingers borsten open.</p>
-<p class="line">Naar buiten wou de reus; hij rukte verder;</p>
-<p class="line">Hij dacht, de moordberuchte, mocht het lukken,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">780</span> Zich weg te maken,
-wijder voort te vlieden</p>
-<p id="v781" class="line">Naar &rsquo;t moordhol; maar hij wist: in
-&rsquo;s vijands vuisten</p>
-<p class="line">Bevond zich heel &rsquo;t beheer van zijne
-vingers.<a class="apparatusnote" id="xd21e10773src" href="#xd21e10773"
-title="781&ndash;82 Beowulfs vuist hield Grendels hand in bedwang."
-name="xd21e10773src">&deg;</a></p>
-<p id="v783" class="line">Die tocht was heilloos, toen hij toog naar
-Heorot</p>
-<p class="line">De weebewerker. Heel de halle dreunde.</p>
-<p id="v785" class="line"><span class="lineNum">785</span> Den Denen al
-gewerd, den burgbewoners<a class="apparatusnote" id="xd21e10787src"
-href="#xd21e10787" title="785 Immers de Denen sliepen niet meer in Heorot, maar in den burcht. Vgl. v. 142 vlg."
-name="xd21e10787src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v786" class="line">Der koenen elk, der kampers,
-doodsontzetting<a class="apparatusnote" id="xd21e10798src" href="#xd21e10798" title="786 doodsontzetting: ealu-scerwen, eigenlijk bierschrik, eene epische, destijds misschien reeds verduisterde uitdrukking, oorspronkelijk eene plotselinge verdwijning van het bier beteekenende."
-name="xd21e10798src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Zij waren wild de beide reuzenwachters.</p>
-<p class="line">De woning schudde. &rsquo;t Was een groote wonder,</p>
-<p class="line">Dat wederstond de bouw den strijdverwoeden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">790</span> En niet ter neder zonk
-de zalige aardwoon.</p>
-<p class="line">Doch stevig stond zij, kunstig vastgeklonken</p>
-<p class="line">Met banden staal van binnen en van buiten.</p>
-<p id="v793" class="line">Wel menig meebank<a class="apparatusnote" id="xd21e10830src" href="#xd21e10830" title="793 menig meebank: die in &rsquo;t midden van de zaal verplaatst waren. Vgl. v. 1260."
-name="xd21e10830src">&deg;</a>, (volgens mijn ervaren)</p>
-<p class="line">Met goud omgeven, stortte van haar steunsel,</p>
-<p id="v795" class="line"><span class="lineNum">795</span> Alwaar de
-woesten streden. Hierop hadden</p>
-<p class="line">De raden eer der Schyldings niet gerekend, <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name="pb180">180</a>]</span></p>
-<p class="line">Dat ooit der mannen een door krachtvermogen</p>
-<p class="line">De weidsche, met gewei getooide woning</p>
-<p class="line">Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;</p>
-<p id="v800" class="line"><span class="lineNum">800</span> Tenzij haar
-zwolg de omvademing der vlammen<a class="apparatusnote" id="xd21e10863src" href="#xd21e10863" title="800 Tweede toespeling op eenen toekomstigen brand. Vgl. v. 83." name="xd21e10863src">&deg;</a></p>
-<p class="line">In rook. Nu rees een nooit vernomen noodkreet,</p>
-<p id="v802" class="line">En gruwbre ontzetting greep te ga&acirc;r de
-Denen,</p>
-<p class="line">Die van den wal het hulpgejammer hoorden,</p>
-<p class="line">Het angstlied stemmen door Gods tegenstander,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">805</span> Den zegeloozen zang,
-het wee beweenen</p>
-<p class="line">Door deze helleprooi. Hem hield te stevig</p>
-<p class="line">Hij, die der mannen machtigst was ter wereld.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e10893width"><img src="images/o176.png" alt="Ornament." width="95" height="86"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10550"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10550src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v730">730</a></span>
-<i>goudwoon</i>: zoo geheeten, omdat er de koning goud
-uitdeelde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10550src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10584"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10584src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v740">740</a></span> <i>der halle
-monding</i>: de deur.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10584src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10621"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10621src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v750">750&ndash;51</a></span> Hier
-wordt, als zoo dikwerf in &rsquo;t gedicht, de ontknooping in het
-verschiet gesteld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10621src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10644"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10644src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v755">755&ndash;58</a></span> De
-Goot, die hier zoo ongelukkig aan zijn einde komt, is Hondsci&oacute;,
-zooals blijkt uit het mondelingsch verslag van zijnen tocht, dat
-Beowulf later aan Hygelac doet. Vgl. v. <a href="#v2131">2131</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10644src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10659"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10659src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v760">760</a></span> <i>met hand en
-voeten</i>: met huid en haar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10659src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10672"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10672src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v762">762, 763</a></span>
-<i>strijdheld</i>, <i>de vijand</i>: Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e10672src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10688"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10688src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v764">764</a></span> <i>en
-stutte</i>; Beowulf stutte zich met den arm op de bovenste trede der
-bankvloer. Vgl. v. <a href="#v2847">2847</a> Nota.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10688src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10719"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10719src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v771">771</a></span> <i>der duivels
-drijven</i>: de overige monsters<span class="corr" id="xd21e10727"
-title="Niet in bron">.</span> Vgl. v. <a href="#v1538">1538</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10719src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10739"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10739src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v770">770&ndash;73</a></span>
-Overtollige uitbreiding.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10739src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10744"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10744src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v772">772&ndash;73</a></span> Hij
-vond hier niet meer de gelegenheid om, zooals vroeger, een bloedbad aan
-te richten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10744src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10773"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10773src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v781">781&ndash;82</a></span>
-Beowulfs vuist hield Grendels hand in bedwang.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e10773src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10787"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10787src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v785">785</a></span> Immers de Denen
-sliepen niet meer in Heorot, maar in den burcht. Vgl. v. <a href="#v142">142</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10787src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10798"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10798src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v786">786</a></span>
-<i>doodsontzetting</i>: <i>ealu-scerwen</i>, eigenlijk
-<i>bierschrik</i>, eene epische, destijds misschien reeds verduisterde
-uitdrukking, oorspronkelijk eene plotselinge verdwijning van het bier
-beteekenende.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10798src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10830"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10830src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v793">793</a></span> <i>menig
-meebank</i>: die in &rsquo;t midden van de zaal verplaatst waren. Vgl.
-<span class="corr" id="xd21e10838" title="Niet in bron">v.</span>
-<a href="#v1260">1260</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10830src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10863"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10863src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v800">800</a></span> Tweede
-toespeling op eenen toekomstigen brand<span class="corr" id="xd21e10868" title="Niet in bron">.</span> Vgl. v. <a href="#v83">83</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10863src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7152">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XIII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v808" class="line">De schuts der scharen wilde op geene
-wijze</p>
-<p class="line">Den doodsbedreiger in het leven laten,</p>
-<p id="v810" class="line"><span class="lineNum">810</span> Hem docht
-zijn levensdag aan niemand nuttig.</p>
-<p class="line">Toen zwaaide &rsquo;t erfzwaard menig makker
-Beowulfs;</p>
-<p id="v812" class="line">Zij wilden &rsquo;t hoofd vrijwaren van den
-heerscher<a class="apparatusnote" id="xd21e10915src" href="#xd21e10915"
-title="812 Illum (principem) defendere, tueri... praecipuum sacramentum est. Tacitus Germ. 14."
-name="xd21e10915src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Den wijdvermaarden meester, naar vermogen.</p>
-<p class="line">Zij wisten niet, terwijl zij slagen sloegen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">815</span> De strijdontstoken
-kampers, dezen dachten</p>
-<p class="line">Te houwen halverwijs, de ziel te zoeken,</p>
-<p class="line">Dat noch het beste staal, noch oorlogsbijlen</p>
-<p class="line">Op &rsquo;t wereldrond den woestaard wilden deren.</p>
-<p class="line">Hij had bezworen al de zegezwaarden</p>
-<p id="v820" class="line"><span class="lineNum">820</span> En elk
-geweer. Toch zou armzalig wezen</p>
-<p class="line">Het einde zijns bestaans op deze stonde,</p>
-<p class="line">In &rsquo;s vijands macht de vreemde geest
-vervallen.<a class="apparatusnote" id="xd21e10946src" href="#xd21e10946" title="808&ndash;22 Ettm&uuml;ller verwerpt deze verzen, immers daar Beowulf in zijn land vernomen had, dat Grendel geene wapens te vreezen had (v. 435 vlg.), moesten zijne makkers het ook geweten hebben. M&uuml;llenhoff wijst ook op eene tegenspraak. Beider gevoelen komt mij niet aannemelijk voor. Vgl. Aanmerkingen."
-name="xd21e10946src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hij ondervond, die vaak met hartevreugde</p>
-<p class="line">Zijn moed weleer aan &rsquo;t kroost der menschen
-koelde,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">825</span> (Hij toornde tegen
-God) dat langer &rsquo;t lichaam <span class="pagenum">[<a id="pb182"
-href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span></p>
-<p class="line">Niet wilde volgen, want de dappre dienstmaag</p>
-<p class="line">Van Hygelac omknelde hem de handen.</p>
-<p id="v828" class="line">Zoolang de een leefde, was &rsquo;t den andre
-leedvol.</p>
-<p class="line">&rsquo;t Verwaten wezen vond er leed des lichaams;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">830</span> Ten schouder werd de
-onheelbre wonde schouwbaar,</p>
-<p class="line">De zenuw zwichtte, &rsquo;t beengetimmert barstte;</p>
-<p class="line">Aan Beowulf bleef de zege. Grendel zoude</p>
-<p class="line">Van daar ten dood gewond ter veenklip vlieden</p>
-<p id="v834" class="line">En zoeken zijne weeldelooze woning<a class="apparatusnote" id="xd21e10991src" href="#xd21e10991" title="834 weeldelooze woning: het meer, dat zich te midden der moerassen aan den voet der rotsen uitstrekte."
-name="xd21e10991src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">835</span> Hij wist te wel: zijn
-einde was genaderd,</p>
-<p class="line">Des daarzijns dagental. Nu was den Denen</p>
-<p class="line">Verwezenlijkt de wensch na &rsquo;t wapenwoeden.</p>
-<p class="line">Hij, die te voren landde van zoo verre,</p>
-<p class="line">Had kloek en koengezind de zaal van Hrodgar</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">840</span> Gereinigd, voor den
-overval beveiligd.</p>
-<p class="line">Hij smaakte nu genot in &rsquo;t nachtlijk
-waagstuk,</p>
-<p class="line">In &rsquo;t heldenfeit. Nu had de Gootenheerscher</p>
-<p class="line">Zijn stoute taal gestand gedaan den Denen</p>
-<p class="line">En ook gelenigd alle leed en kampzorg,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">845</span> Voorheen door hen
-beleefd, uit drang gedragen;</p>
-<p class="line">Geen kleine kwaal. Dit was toch klaar een teeken,</p>
-<p class="line">Toen voor de ruime deur de strijdgeduchte</p>
-<p class="line">De hand geslingerd had met arm en schouder.<a href="#n17" class="noteref">17</a></p>
-<p class="line">Daar lag te hoop de heele greep van Grendel.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e11041width"><img src="images/o182.png" alt="Ornament." width="94" height="83"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10915"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10915src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v812">812</a></span> Illum
-(principem) defendere, tueri... praecipuum sacramentum est. Tacitus
-Germ. 14.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10915src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10946"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10946src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v808">808&ndash;22</a></span>
-Ettm&uuml;ller verwerpt deze verzen, immers daar Beowulf in zijn land
-vernomen had, dat Grendel geene wapens te vreezen had (v<span class="corr" id="xd21e10951" title="Niet in bron">.</span> <a href="#v435">435</a> vlg<span class="corr" id="xd21e10957" title="Niet in bron">.</span>), moesten zijne makkers het ook geweten hebben.
-M&uuml;llenhoff wijst ook op eene tegenspraak. Beider gevoelen komt mij
-niet aannemelijk voor. Vgl. Aanmerkingen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10946src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e10991"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e10991src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v834">834</a></span> <i>weeldelooze
-woning</i>: het meer, dat zich te midden der moerassen aan den voet der
-rotsen uitstrekte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e10991src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7158">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XIV<span class="corr" id="xd21e11050" title="Niet in bron">.</span></h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">850</span> En met den morgen
-schoolden om de schenkzaal</p>
-<p id="v851" class="line">Veel strijders samen, volgens mijn
-ervaren<a class="apparatusnote" id="xd21e11059src" href="#xd21e11059"
-title="851 volgens mijn ervaren: De dichter doet een beroep op de dichterlijke overlevering van zijnen tijd. Deze getuigenis keert bij herhaling terug."
-name="xd21e11059src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Volksvoerders togen heen van heinde en verre</p>
-<p class="line">Langs verre wegen om te zien het wonder,</p>
-<p id="v854" class="line">Des vijands voetspoor<a class="apparatusnote"
-id="xd21e11074src" href="#xd21e11074" title="854 voetspoor: Zij begaven zich naar het meer. Beowulf was er niet bij; immers later zegt hem Hrodgar: &laquo;Nog kent gij niet de plek&raquo; en hij beschrijft hem dan het geheimzinnige meer. Vgl. v. 1387 vlg."
-name="xd21e11074src">&deg;</a>. Niemand van de helden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">855</span> Scheen leedvol toe de
-slaking van zijn leven,</p>
-<p class="line">Die gadesloeg den gang des roemberoofden,</p>
-<p class="line">Hoe deze, doodvermoeid, van daar ontduikend,</p>
-<p class="line">Gekortwiekt door den kamp, naar &rsquo;t meer der
-nikkers</p>
-<p class="line">Voortvluchtig, veeg, zijn stervenssporen strooide.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">860</span> Daar was met aderbloed
-het wellend water,</p>
-<p class="line">De gruwbre dans der golven gansch gemengeld</p>
-<p class="line">Met rookend bloed; daar zwalpte van het zwaardbloed</p>
-<p class="line">Het moordgepurperd meer, nadat hij &rsquo;t leven,</p>
-<p class="line">Der vreugde vreemd, had afgelegd in &rsquo;t
-veenoord,</p>
-<p id="v865" class="line"><span class="lineNum">865</span> <a class="apparatusnote" id="xd21e11120src" href="#xd21e11120" title="865 Ingelascht vers." name="xd21e11120src">&deg;</a>De heidenziele,
-waar de hel hem opnam.<a href="#n18" class="noteref">18</a></p>
-<p class="line">Van hier begaven zich de grijze helden</p>
-<p class="line">En menig jonge man, na &rsquo;t vroolijk mennen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name="pb184">184</a>]</span></p>
-<p class="line">Kloekmoedig van het meer terug op rossen,</p>
-<p class="line">De krijgers op hun appelgrauwe kleppers.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">870</span> Verbreid werd Beowulfs
-faam. Vaak tuigden velen,</p>
-<p id="v871" class="line">Dat zuid- noch noordwaarts tusschen
-tweelingzee&euml;n<a class="apparatusnote" id="xd21e11144src" href="#xd21e11144" title="871 tusschen tweelingzee&euml;n: tusschen Noord- en Oostzee." name="xd21e11144src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Op &rsquo;t wereldrond, bene&ecirc;n &rsquo;t bereik
-der wolken,</p>
-<p class="line">Een ander hooger was der schildverheffers</p>
-<p class="line">En waardiger &rsquo;t bewind. Voorwaar, niet
-laakten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">875</span> Zij hunnen heer en
-vriend, den milden Hrodgar;</p>
-<p id="v876" class="line">Daar &rsquo;t was een duchtig vorst<a class="apparatusnote" id="xd21e11166src" href="#xd21e11166" title="876a Hrodgar krijgt meer dan eens zoo&rsquo;n pluimpje, ofschoon het gedicht een eerbiedig zwijgen bewaart over zijne wapenfeiten. De grijsaard komt mij al te jammerend voor. Ik denk hier onwillekeurig aan Tacitus Germ. 14. &laquo;sua... fortia facta gloriae eius (principis) adsignare praecipuum sacramentum est.&raquo;"
-name="xd21e11166src">&deg;</a>. Bij wijlen lieten</p>
-<p class="line">De helden hunne vale rossen rennen</p>
-<p class="line">Ten wedstrijd, waar hun schoon de paden schenen</p>
-<p class="line">En puik beproefd. Dan vond een held des vorsten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">880</span> Een strijder
-stoutbespraakt, de spreuk indachtig,</p>
-<p id="v881" class="line">Wien heel een schat aloude sagen
-heugde<a class="apparatusnote" id="xd21e11191src" href="#xd21e11191"
-title="881 Het ideaal van zulk een dichter wordt ons in Widsidh voorgesteld."
-name="xd21e11191src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v882" class="line">Naar eisch gerangschikt nieuwberijmde
-woorden.<a href="#n19" class="noteref">19</a></p>
-<p class="line">Dan weer begon de borst het waagstuk Beowulfs</p>
-<p class="line">Kunstvaardig voor te dragen en gevoeglijk</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">885</span> De welgekozen spreuken
-uit te spinnen,</p>
-<p id="v886" class="line">Met woorden wisselend. Elk liet nu
-weten<a class="apparatusnote" id="xd21e11213src" href="#xd21e11213"
-title="886 elk liet nu weten: De overgang van Beowulf, den dooder van Grendel, op Sigmund, den dooder van Fafnir, ligt voor de hand."
-name="xd21e11213src">&deg;</a>,<a href="#n20" class="noteref">20</a></p>
-<p class="line">Alwat hij van de wapenfeiten Sigmunds</p>
-<p class="line">Had hooren konden, veel van &rsquo;t onbekende,</p>
-<p id="v889" class="line">Den kamp des Walsings<a class="apparatusnote"
-id="xd21e11231src" href="#xd21e11231" title="889 des Walsings: Sigmund, zoon van Wals." name="xd21e11231src">&deg;</a>, zijne wijde vaarten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">890</span> Zijn veete met zijn
-vijandschap, van welke</p>
-<p class="line">De menschenkindren gansch onkundig waren,</p>
-<p id="v892" class="line">Behalve Fitela<a class="apparatusnote" id="xd21e11248src" href="#xd21e11248" title="892 Fitela: Sinfj&ouml;tli in de Edda, de oudste zoon en neef van Sigmund, die zijnen vader op de zwerftochten ter zijde stond."
-name="xd21e11248src">&deg;</a> alleen, zijn helper; <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span></p>
-<p class="line">Indien hij zulks gewillig was te zeggen,</p>
-<p class="line">Als oom aan neef, naardien zij toch voortdurend</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">895</span> Bij elke veete
-wapenmagen waren.</p>
-<p id="v896" class="line">Zij hadden velen van het rot der
-reuzen<a class="apparatusnote" id="xd21e11272src" href="#xd21e11272"
-title="896 der reuzen: Nevelingen." name="xd21e11272src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Verpletterd met den degen. Na zijn doodsdag</p>
-<p class="line">Verrees een niet geringe roem voor Sigmund,</p>
-<p class="line">Toen hij, de weerbre bij het slaggeworstel,</p>
-<p id="v900" class="line"><span class="lineNum">900</span> Den
-vuurdraak<a class="apparatusnote" id="xd21e11291src" href="#xd21e11291"
-title="900 vuurdraak: Fafnir; de schat, waarvan sprake, is de schat der Nevelingen. Het Angelsaksisch gedicht verwart hier den vader met den zoon: Niet Sigmund, maar zijn zoon Sigfried, de held van de Wolsungensage in de Edda en van het Duitsche Nibelungenlied, doodde den draak en verwierf daardoor den schat der Nibelungen."
-name="xd21e11291src">&deg;</a> had geveld, der schatten hoeder.</p>
-<p class="line">Van onder eene grijze rots verrichtte</p>
-<p class="line">De koningsspruit alleen de stoute lofdaad.</p>
-<p id="v903" class="line">Niet was er Fitela. Nochtans het lukte</p>
-<p class="line">Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,</p>
-<p id="v905" class="line"><span class="lineNum">905</span> Dat steken
-bleef het heerlijk staal ten rotswand.</p>
-<p class="line">Geweldig was het sneven van den vuurdraak.</p>
-<p class="line">Krachtdadig had de wapenheld verkregen,</p>
-<p id="v908" class="line">Naar eigen wil den ringschat aan te
-wenden.</p>
-<p class="line">Hij laadde een zeeboot. Walses zoon vervoerde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">910</span> Klinkklare schatten op
-den schoot des vaartuigs,</p>
-<p class="line">Terwijl de reuzenworm, de heete, wegsmolt.</p>
-<p id="v912" class="line">Ja, deze was wel verreweg bij &rsquo;t
-menschdom</p>
-<p class="line">De meest vermaarde held, de schuts der mannen</p>
-<p class="line">Door wapenda&acirc;n, (hij wies daarom in luister)</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">915</span> Sinds Heremodes
-kampzin was verminderd,</p>
-<p id="v916" class="line">Zijn macht en heldendeugd.<a href="#n21"
-class="noteref">21</a> In &rsquo;s vijands handen <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span></p>
-<p id="v917" class="line">Bij &rsquo;t reuzendom<a class="apparatusnote" id="xd21e11349src" href="#xd21e11349" title="917 bij &rsquo;t reuzendom: de Nibelungen, welke oorspronkelijk de daemonische, duistere machten zijn, die het eerste den schat bezaten. In den tekst staat niet Sigmund maar hij. De volgende zin ziet op het verdriet van Sigmund in zijne gevangenschap."
-name="xd21e11349src">&deg;</a> werd Sigmund sinds verraden<a class="apparatusnote" id="xd21e11364src" href="#xd21e11364" title="912&ndash;16 Sigmund was de vermaardste held geweest na Heremod."
-name="xd21e11364src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v918" class="line">Verdreven dra. Hem had de drang der
-zorgen</p>
-<p class="line">Te lang verlamd: hij werd voor zijne lieden,</p>
-<p id="v920" class="line"><span class="lineNum">920</span> Zijn eedle
-kampers al tot levenskommer<a class="apparatusnote" id="xd21e11378src"
-href="#xd21e11378" title="920 tot levenskommer: door te sterven. Het ongelukkig uiteinde van Sigmund in het geweld der Nibelungen was voor zijne lieden een levenslange kommer. Volgens Bugge is hier sprake van Heremod, die bij de reuzen verraderlijk gedood werd en in &rsquo;s vijands handen, d. i. de macht des duivels, geraakte. Ook volgens M&uuml;llenhoff slaat v. 918&ndash;920 op Heremod."
-name="xd21e11378src">&deg;</a>.<a href="#n22" class="noteref">22</a></p>
-<p id="v921" class="line">Zoo ook betreurde vaak in vroeger tijden</p>
-<p id="v922" class="line">Wel menig schrander man &rsquo;t vertrek des
-koenen<a class="apparatusnote" id="xd21e11400src" href="#xd21e11400"
-title="922 &rsquo;t vertrek des koenen: van Heremod." name="xd21e11400src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Die hulp der kwalen had verwacht bij Heermod,</p>
-<p class="line">Dat deze vorstentelg in eer zou vordren,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">925</span> Ontvangen &rsquo;s
-vaders adel, &rsquo;t volk besturen,</p>
-<p class="line">Den schat en heerschersburg, het rijk der helden,</p>
-<p id="v927" class="line">Der Schyldings stamgebied.<a class="apparatusnote" id="xd21e11422src" href="#xd21e11422" title="921&ndash;27 Evenals Sigmunds tochtgenooten zijne verdwijning betreurden in de macht der Nibelungen, zoo ook betreurden de Denen, dat de even dappere Heremod, die hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen vertrokken was, door zijne wreedheid de van hem gekoesterde verwachtingen bedrogen had. Het lot van Heremod wordt met dat van Sigmund vergeleken. Er zijn twee punten van aanraking: hunne heldenkracht en hun ongelukkig uiteinde."
-name="xd21e11422src">&deg;</a>&mdash;De bloedvriend Hyglacs<a class="apparatusnote" id="xd21e11431src" href="#xd21e11431" title="927 De bloedvriend Hygelacs: Beowulf." name="xd21e11431src">&deg;</a>
-<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span></p>
-<p class="line">Verstrekte heel den heldenstam, den vrienden,</p>
-<p id="v929" class="line">Tot vreugde; boosheid viel te beurt aan
-gene<a class="apparatusnote" id="xd21e11445src" href="#xd21e11445"
-title="929 aan gene: aan Heremod. Wij hebben hier eene tegenstelling tusschen het gedrag van Beowulf en dat van Heremod. Deze verzen dienen tevens tot aanknooping van de Sigmund&mdash;Heremodepisode met den held van het gedicht. Later wordt nog op twee plaatsen van Heremod melding gemaakt: 1742 vlg. en 2236 vlg. De sage van Heremod heeft, volgens Bugge, veel overeenkomst met de Noordsche sage van Ali frokni (de koene)."
-name="xd21e11445src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v930" class="line"><span class="lineNum">930</span> Wedrennend
-maten zij temet op rossen</p>
-<p id="v931" class="line">De bonte baan. Gevorderd, voortgeschreden</p>
-<p id="v932" class="line">Was &rsquo;t morgenlicht<a class="apparatusnote" id="xd21e11481src" href="#xd21e11481" title="932 morgenlicht: morgenzon." name="xd21e11481src">&deg;</a>. Wel menig
-leenman richtte</p>
-<p class="line">Zich toen kloekhartig naar de hooge halle,</p>
-<p id="v934" class="line">Het wonderfeit<a class="apparatusnote" id="xd21e11494src" href="#xd21e11494" title="934 het wonderfeit: de arm van Grendel." name="xd21e11494src">&deg;</a> te zien. De koning zelve</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">935</span> Verliet nu insgelijks
-&rsquo;t vertrek der gade,</p>
-<p class="line">De hoeder van den schat, de luistervaste,</p>
-<p class="line">Bekend door kundighe&ecirc;n, met grooten
-heirstoet;</p>
-<p id="v938" class="line">En langs den medeweg<a class="apparatusnote"
-id="xd21e11514src" href="#xd21e11514" title="938 langs den medeweg: langs den weg naar Heorot, de drinkhalle."
-name="xd21e11514src">&deg;</a> begaf zich mede</p>
-<p class="line">Zijn echtgenoote met den sleep van maagden.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e11526width"><img src="images/o230.png" alt="Ornament." width="88" height="130"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11059"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11059src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v851">851</a></span> <i>volgens mijn
-ervaren</i>: De dichter doet een beroep op de dichterlijke overlevering
-van zijnen tijd. Deze getuigenis keert bij herhaling
-terug.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11059src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11074"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11074src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v854">854</a></span> <i>voetspoor</i>: Zij begaven zich naar het
-meer.</p>
-<p class="par footnote">Beowulf was er niet bij; immers later zegt hem
-Hrodgar:</p>
-<p class="par footnote">&laquo;Nog kent gij niet de plek&raquo; en hij
-beschrijft hem dan het geheimzinnige meer. Vgl. v. <a href="#v1387">1387</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11074src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11120"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11120src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v865">865</a></span> Ingelascht
-vers.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11120src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11144"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11144src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v871">871</a></span> <i>tusschen
-tweelingzee&euml;n</i>: tusschen Noord- en Oostzee.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11144src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11166"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11166src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v876">876<i>a</i></a></span> Hrodgar krijgt meer dan eens zoo&rsquo;n
-pluimpje, ofschoon het gedicht een eerbiedig zwijgen bewaart over zijne
-wapenfeiten. De grijsaard komt mij al te jammerend voor.</p>
-<p class="par footnote">Ik denk hier onwillekeurig aan Tacitus Germ.
-14. <span lang="la">&laquo;sua... fortia facta gloriae eius (principis)
-adsignare praecipuum sacramentum est.&raquo;</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11166src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11191"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11191src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v881">881</a></span> Het ideaal van
-zulk een dichter wordt ons in Widsidh voorgesteld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11191src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11213"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11213src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v886">886</a></span> <i>elk liet nu
-weten</i>: De overgang van Beowulf, den dooder van Grendel, op Sigmund,
-den dooder van Fafnir, ligt voor de hand.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11213src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11231"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11231src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v889">889</a></span> <i>des
-Walsings</i>: Sigmund, zoon van Wals.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11231src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11248"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11248src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v892">892</a></span> <i>Fitela</i>:
-<i>Sinfj&ouml;tli</i> in de Edda, de oudste zoon en neef van Sigmund,
-die zijnen vader op de zwerftochten ter zijde stond.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11248src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11272"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11272src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v896">896</a></span> <i>der
-reuzen</i>: Nevelingen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11272src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11291"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11291src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v900">900</a></span> <i>vuurdraak</i>: Fafnir; de schat, waarvan
-sprake, is de schat der Nevelingen.</p>
-<p class="par footnote">Het Angelsaksisch gedicht verwart hier den
-vader met den zoon: Niet Sigmund, maar zijn zoon Sigfried, de held van
-de Wolsungensage in de Edda en van het Duitsche Nibelungenlied, doodde
-den draak en verwierf daardoor den schat der Nibelungen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11291src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11349"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11349src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v917">917</a></span> <i>bij &rsquo;t reuzendom</i>: de Nibelungen,
-welke oorspronkelijk de daemonische, duistere machten zijn, die het
-eerste den schat bezaten. In den tekst staat niet Sigmund maar
-<i>hij</i>.</p>
-<p class="par footnote">De volgende zin ziet op het verdriet van
-Sigmund in zijne gevangenschap.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11349src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11364"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11364src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v912">912&ndash;16</a></span>
-Sigmund was de vermaardste held geweest na Heremod.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11364src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11378"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11378src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v920">920</a></span> <i>tot levenskommer</i>: door te sterven. Het
-ongelukkig uiteinde van Sigmund in het geweld der Nibelungen was voor
-zijne lieden een levenslange kommer.</p>
-<p class="par footnote">Volgens Bugge is hier sprake van Heremod, die
-bij de reuzen verraderlijk gedood werd en in &rsquo;s vijands handen,
-d. i. de macht des duivels, geraakte. Ook volgens M&uuml;llenhoff slaat
-v. <a href="#v918">918&ndash;920</a> op Heremod.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11378src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11400"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11400src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v922">922</a></span> <i>&rsquo;t
-vertrek des koenen</i>: van Heremod.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11400src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11422"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11422src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v921">921&ndash;27</a></span> Evenals Sigmunds tochtgenooten zijne
-verdwijning betreurden in de macht der Nibelungen, zoo ook betreurden
-de Denen, dat de even dappere Heremod, die hetzij vrijwillig, hetzij
-gedwongen vertrokken was, door zijne wreedheid de van hem gekoesterde
-verwachtingen bedrogen had.</p>
-<p class="par footnote">Het lot van Heremod wordt met dat van Sigmund
-vergeleken. Er zijn twee punten van aanraking: hunne heldenkracht en
-hun ongelukkig uiteinde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11422src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11431"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11431src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v927">927</a></span> <i>De
-bloedvriend Hygelacs</i>: Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11431src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11445"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11445src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v929">929</a></span> <i>aan gene</i>: aan Heremod. Wij hebben hier
-eene tegenstelling tusschen het gedrag van Beowulf en dat van
-Heremod.</p>
-<p class="par footnote">Deze verzen dienen tevens tot aanknooping van
-de Sigmund&mdash;Heremodepisode met den held van het gedicht.</p>
-<p class="par footnote">Later wordt nog op twee plaatsen van Heremod
-melding gemaakt: <a href="#v1742">1742</a> vlg<span class="corr" id="xd21e11461" title="Niet in bron">.</span> en <a href="#v2236">2236</a>
-vlg.</p>
-<p class="par footnote">De sage van Heremod heeft, volgens Bugge, veel
-overeenkomst met de Noordsche sage van <i>Ali frokni</i> (de
-koene).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11445src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11481"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11481src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v932">932</a></span>
-<i>morgenlicht</i>: morgenzon.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11481src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11494"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11494src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v934">934</a></span> <i>het
-wonderfeit</i>: de arm van Grendel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11494src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11514"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11514src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v938">938</a></span> <i>langs den
-medeweg</i>: langs den weg naar Heorot, de drinkhalle.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11514src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7166">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XV</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">940</span> En Hrodgar zei: (hij
-was ter hal gewandeld,</p>
-<p id="v941" class="line">Stond op de stoep<a class="apparatusnote" id="xd21e11542src" href="#xd21e11542" title="941 Grendels hand, het zegeteeken van Beowulf, werd v&oacute;&oacute;r de deur, op de stoep gelegd, waar ieder ze zien kon."
-name="xd21e11542src">&deg;</a> en staarde naar de steile</p>
-<p class="line">Goudhelle deur en naar de hand van Grendel)<a href="#n23" class="noteref">23</a></p>
-<p class="line">&laquo;Nu dra gedankt den schepper voor dit
-schouwspel,</p>
-<p class="line">&rsquo;k Beleefde talloos leed en hinderlagen</p>
-<p id="v945" class="line"><span class="lineNum">945</span> Door
-Grendel. God, der heerlijkheden hoeder,</p>
-<p class="line">Bewerken kan Hij wonder boven wonder.<a class="apparatusnote" id="xd21e11563src" href="#xd21e11563" title="945&ndash;46 Ingelascht." name="xd21e11563src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Nog onlangs was &rsquo;t, dat ik van geen der
-wee&euml;n</p>
-<p class="line">Nog hulp verhoopte voor het later leven,</p>
-<p class="line">Toen bloedigbont daar stond en zwaardbezoedeld</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">950</span> Het heerlijkst huis.
-De ramp had alle raden</p>
-<p class="line">Verdreven wijd en zijd, die waanden geenszins</p>
-<p class="line">Der lieden burcht in later tijd te schutten</p>
-<p class="line">Voor vijandschap, voor schaduwgeest en schimmen.</p>
-<p class="line">Nu heeft een held volvoerd door &rsquo;s hemels
-voeging</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">955</span> Een waagstuk, welk
-voorheen niet een der onzen</p>
-<p class="line">Bewerkte door beleid. Voorwaar, de vrouwe,</p>
-<p id="v957" class="line">Wie zij ook zij<a class="apparatusnote" id="xd21e11596src" href="#xd21e11596" title="957 Wie zij ook zij: Deze woorden zijn opvallend in Hrodgars mond; immers wij weten, (v. 374) dat hij Beowulfs moeder &laquo;Hredels eenige dochter&raquo; kende, al blijft ook haar naam in het duister."
-name="xd21e11596src">&deg;</a>, die dezen zoon eens baarde</p>
-<p class="line">Te midden van het menschdom, mag wel zeggen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span></p>
-<p class="line">Mits deze leeft, dat bij des kinds geboorte</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">960</span> Haar gunstig is
-geweest de aloude Godheid.</p>
-<p id="v961" class="line">Nu wil ik u, mijn Beowulf, waardste
-ridder,</p>
-<p class="line">Gelijk een zoon in mijne ziel beminnen.</p>
-<p class="line">Bewaar toch wel voortaan uw tweede maagschap;</p>
-<p class="line">Niet zal u mangel zijn aan een der schatten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">965</span> Ter wereld, over welke
-ik kan bevelen.</p>
-<p class="line">Ik deelde dikwerf loon voor minder daden,</p>
-<p class="line">Sieraden rond aan een geringer kamper,</p>
-<p id="v968" class="line">Een trager tot den krijg. Gij hebt
-verkregen</p>
-<p class="line">Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">970</span> Altoos voor later
-tijd. Met goed begeve</p>
-<p class="line">U de Albeheerscher, als hij deed tot heden.&raquo;</p>
-<p class="line">En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:</p>
-<p class="line">&laquo;Dit heldenwerk volbrachten wij, die
-worstling</p>
-<p class="line">Volgaarne en tartten boud de kracht des boozen;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">975</span> Ik wenschte zeer, gij
-hadt gezien den vijand</p>
-<p id="v976" class="line">In zijnen tooi<a class="apparatusnote" id="xd21e11657src" href="#xd21e11657" title="976 in zijnen tooi: wapenrusting." name="xd21e11657src">&deg;</a>, tot
-stervens toe ontzenuwd.</p>
-<p class="line">Ik dacht hem dra met vaste vuist te boeien</p>
-<p class="line">Op &rsquo;t bed des doods, zoodat hij door mijn
-handgreep</p>
-<p class="line">Doodmoede zwichten moest, tenzij zijn lichaam</p>
-<p id="v980" class="line"><span class="lineNum">980</span> Ontkwam. Ik
-kon hem, daar het God niet gunde,</p>
-<p class="line">Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig</p>
-<p class="line">Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand;</p>
-<p class="line">Te snel was de onverlaat in &rsquo;t henenloopen.</p>
-<p class="line">Toch liet hij hier de hand tot levensredding</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">985</span> Getuigen zijnen tocht,
-en arm en schouder.</p>
-<p class="line">Geen troost nochtans erlangde &rsquo;t ellendig
-wezen.</p>
-<p class="line">Niet langer leeft hij meer de leedbesteller,</p>
-<p class="line">Door schuld benard; hem heeft met norsche grepen</p>
-<p class="line">Eng pijn omklemd in doodelijke kluisters.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">990</span> Ontbeiden zal de man,
-bela&acirc;n met misda&acirc;n, <span class="pagenum">[<a id="pb190"
-href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span></p>
-<p id="v991" class="line">De groote dagvaart<a class="apparatusnote"
-id="xd21e11704src" href="#xd21e11704" title="991 de groote dagvaart: dag des oordeels. Deze drie verzen zijn blijkbaar van christelijken oorsprong."
-name="xd21e11704src">&deg;</a> daar, op welke wijze</p>
-<p class="line">De stralende Albestuurder hem zal straffen.&raquo;</p>
-<p class="line">Dan zwijgzaam was de zoon van Ecglaf, Unferd,</p>
-<p class="line">Met woordenpraal op eigen wapenfeiten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">995</span> Nadat de ridders, dank
-de kracht des vorsten,</p>
-<p class="line">Daar voor de hooge deur de hand bestaarden,</p>
-<p class="line">Des vijands vingers, ieder voor zich zelven.</p>
-<p class="line">Met staal was ieder van de sterke nagels</p>
-<p class="line">Te vergelijken<a href="#n24" class="noteref">24</a>, de
-handspoor van den heiden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1000</span> De ontzetbre klauwen
-van den kampgezinde.</p>
-<p class="line">Elk zeide: geen zoo goedbewezen wapen</p>
-<p class="line">Der dappren kon hem deren, noch den daemon</p>
-<p id="v1003" class="line">De roodbebloede worstelrechte schenden.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e11749width"><img src="images/o190.png" alt="Ornament." width="146" height="105"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11542"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11542src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v941">941</a></span> Grendels hand,
-het zegeteeken van Beowulf, werd v&oacute;&oacute;r de deur, op de
-stoep gelegd, waar ieder ze zien kon.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11542src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11563"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11563src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v945">945&ndash;46</a></span>
-Ingelascht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11563src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11596"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11596src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v957">957</a></span> <i>Wie zij ook
-zij</i>: Deze woorden zijn opvallend in Hrodgars mond; immers wij
-weten, (v. <a href="#v374">374</a>) dat hij Beowulfs moeder
-&laquo;Hredels eenige dochter&raquo; kende, al blijft ook haar naam in
-het duister.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11596src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11657"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11657src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v976">976</a></span> <i>in zijnen
-tooi</i>: wapenrusting.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11657src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11704"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11704src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v991">991</a></span> <i>de groote dagvaart</i>: dag des oordeels.</p>
-<p class="par footnote">Deze drie verzen zijn blijkbaar van
-christelijken oorsprong.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11704src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7173">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XVI.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Bevolen werd, inwendig Heort met handen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1005</span> Te smukken
-onverwijld. Er was een menigt</p>
-<p class="line">Van mannen daar en maagden, die de wijnzaal</p>
-<p class="line">Versierden, &rsquo;t gastverblijf. Goudblikkrend
-blonken</p>
-<p id="v1008" class="line">De weefsels<a class="apparatusnote" id="xd21e11771src" href="#xd21e11771" title="1008 de weefsels: Het was de gewoonte bij feestelijke gelegenheden de wanden met kostbare stoffen te bedekken, waarop dikwijls kunstvolle onderwerpen waren voorgesteld."
-name="xd21e11771src">&deg;</a> langs den wand, een wonder
-schouwspel</p>
-<p class="line">Voor alle strijders, welke zulks bestaren.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1010</span> Het weidsch gebouw,
-geheel met ijzren bouten</p>
-<p class="line">Bevestigd, was van binnen zeer gebarsten.</p>
-<p class="line">De harren waren stuk. Slechts hield van &rsquo;t
-heele</p>
-<p class="line">Nog ongedeerd het dak, nadat de booswicht,</p>
-<p class="line">Ter dood verwezen door zijn wanbedrijven,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1015</span> De vlucht gezocht had
-zonder hoop op leven.</p>
-<p id="v1016" class="line">Dit<a class="apparatusnote" id="xd21e11801src" href="#xd21e11801" title="1016 dit: de dood. Het onderwerp moet uit de beteekenis van den vorigen zin worden opgemaakt."
-name="xd21e11801src">&deg;</a> valt niet licht te ontvluchten, (laat
-het iemand</p>
-<p id="v1017" class="line">Verrichten, wie het wil) hij zal
-bereiken</p>
-<p class="line">Door nood genoopt de vastgestelde stede</p>
-<p class="line">Voor al &rsquo;t bezielde, voor de menschenzonen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1020</span> De landbewoners,
-zelfs alwaar zijn lichaam<a class="apparatusnote" id="xd21e11820src"
-href="#xd21e11820" title="1017&ndash;20 de noodwendig voor iedereen bereide doodstede." name="xd21e11820src">&deg;</a>, <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name="pb192">192</a>]</span></p>
-<p class="line">Geboeid op &rsquo;t legerbed na feestgelagen,</p>
-<p id="v1022" class="line">Is ingedommeld<a class="apparatusnote" id="xd21e11831src" href="#xd21e11831" title="1016&ndash;22 Iedereen moet sterven, dit kan zelfs dan gebeuren, wanneer men zich het minste er op verwacht b. v. als men is ingedommeld na het feestmaal. Deze gebrekkige verzen zijn blijkbaar een inlapsel."
-name="xd21e11831src">&deg;</a><a href="#n25" class="noteref">25</a>.&mdash;&rsquo;t Was alsdan de dagstond<a class="apparatusnote" id="xd21e11842src" href="#xd21e11842" title="1022 de dagstond: Daar er, ten minste in het Noorden, twee hoofdmaaltijden plaats grepen, een om 9 uur &rsquo;s morgens en een &rsquo;s avonds na volbrachte dagtaak, moeten wij 9 uur aannemen. Immers het was nog morgen (931&ndash;35) en later wordt gezegd, dat zij den ganschen dag tafelden (2171). Ook kan de tocht naar het meer, die vooraf had plaats gehad, geen bezwaar opleveren, want de afstand was niet groot (1387) en zij lieten somtijds hunne paarden draven (876). Het feestmaal duurde tot &rsquo;s avonds. Vgl. 1256, 2171."
-name="xd21e11842src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Dat naar de hal de zoon van Healfdeen heentoog.</p>
-<p class="line">Voornemens was de vorst het maal te nutten.</p>
-<p id="v1025" class="line"><span class="lineNum">1025</span> &rsquo;k
-Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,</p>
-<p class="line">Zich beter hield in &rsquo;t bijzijn van den
-schatheer.</p>
-<p class="line">Ter rustbank negen toen de roembezitters,</p>
-<p id="v1028" class="line">(Terwijl hun magen bij den vollen
-maaltijd</p>
-<p class="line">Hun hart ophaalden, menig medebeker</p>
-<p id="v1030" class="line"><span class="lineNum">1030</span> Ontvingen
-hoffelijk) Hrodgar en Hrodulf<a class="apparatusnote" id="xd21e11897src" href="#xd21e11897" title="1030 Hrodulf: Hrodgars neef en mederegent." name="xd21e11897src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De sterkgezinden, in de steile woning.</p>
-<p id="v1032" class="line">Met vrienden was vervuld de hal<a class="apparatusnote" id="xd21e11910src" href="#xd21e11910" title="1032 Een strijd tusschen Hrodgar en Hrodulf wordt in het verschiet gesteld, strijd waarover het gedicht het zwijgen bewaart. Zie ook v. 1182. De dichter zinspeelt hier, evenals vroeger bij de verhouding tusschen Hrodgar en Ingeld (v. 83), op de dichterlijke overlevering van zijnen tijd."
-name="xd21e11910src">&deg;</a>; nog hadden</p>
-<p class="line">De Denen geen beruchte da&acirc;n berokkend.</p>
-<p id="v1034" class="line">Healfdeens geboorne gaf alsdan aan
-Beowulf</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1035</span> Een gulden legervaan
-tot loon der zege,</p>
-<p class="line">Een standaard, goudgestikt, met eene handvat,</p>
-<p class="line">En helm en harnas. Menigeen bemerkte,</p>
-<p id="v1038" class="line">Hoe v&oacute;&oacute;r den vorst<a class="apparatusnote" id="xd21e11937src" href="#xd21e11937" title="1038 den vorst: Beowulf." name="xd21e11937src">&deg;</a> een
-prachtvermaarde pronkzwaard</p>
-<p class="line">Werd aangebracht. En Beowulf greep den beker</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1040</span> Ter halle vast. Hij
-had zich voor de schutters</p>
-<p class="line">Der schatgift niet te schamen. Nooit vernam ik,
-<span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span></p>
-<p class="line">Dat bij de bierbank menig man den andren</p>
-<p class="line">Vier gaven guller schonk, voorzien met goudwerk.</p>
-<p class="line">Rondom het helmdek had de hoofdbeschutting,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1045</span> Met kronkeldraad
-omkruist, uitwendig knoppen,</p>
-<p class="line">Opdat hem koen de blankgevijlde klingen,</p>
-<p class="line">De kampgeharde, nimmer konden deren,</p>
-<p class="line">Wanneer de schildheld naar den vijand optrok.</p>
-<p id="v1049" class="line">Der ridders heul beval een achttal
-rossen<a class="apparatusnote" id="xd21e11974src" href="#xd21e11974"
-title="1049 Van deze acht paarden schenkt Beowulf er later vier aan Hygelac en drie aan Hygd. Vgl. 2220, 2232."
-name="xd21e11974src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1050</span> Met goud gebreideld,
-voor de woon te brengen</p>
-<p class="line">Tot in de zaal. Een dezer dekte een zadel</p>
-<p class="line">Van kunstig werk, versierd met kostkleinooden.</p>
-<p class="line">Dit was het kampzaal van den hoogen koning,</p>
-<p class="line">Als Healfdeens zoon het zwaardspel wilde zoeken.</p>
-<p id="v1055" class="line"><span class="lineNum">1055</span> Nooit aan
-de legerspits, als lijken vielen,</p>
-<p class="line">Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden.</p>
-<p id="v1057" class="line">Beschikking schonk daarop der Denen<a class="apparatusnote" id="xd21e12006src" href="#xd21e12006" title="1057 der Denen: der Ingwinen, in den tekst. Deze naam herinnert ons aan de Ingaevones van Tacitus. De volkeren langs de Noordzee vereerden den god Ing d. i. Freyr."
-name="xd21e12006src">&deg;</a> schutsheer</p>
-<p class="line">Aan Beowulf over beide, ros en rusting,</p>
-<p class="line">En bracht hem toe den wensch, ze wel te bruiken.</p>
-<p id="v1060" class="line"><span class="lineNum">1060</span> Zoo
-ridderlijk vergold met goud en rossen</p>
-<p class="line">Het kampgeraas de wijdberoemde koning,</p>
-<p class="line">De schatheer van den stam; gelijk geen sterveling,</p>
-<p class="line">Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e12043width"><img src="images/o143.png" alt="Ornament." width="71" height="78"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11771"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11771src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1008">1008</a></span> <i>de
-weefsels</i>: Het was de gewoonte bij feestelijke gelegenheden de
-wanden met kostbare stoffen te bedekken, waarop dikwijls kunstvolle
-onderwerpen waren voorgesteld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11771src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11801"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11801src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1016">1016</a></span> <i>dit</i>:
-de dood. Het onderwerp moet uit de beteekenis van den vorigen zin
-worden opgemaakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11801src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11820"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11820src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1017">1017&ndash;20</a></span> de
-noodwendig voor iedereen bereide doodstede.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e11820src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11831"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11831src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1016">1016&ndash;22</a></span> Iedereen moet sterven, dit kan zelfs
-dan gebeuren, wanneer men zich het minste er op verwacht b. v. als men
-is ingedommeld na het feestmaal.</p>
-<p class="par footnote">Deze gebrekkige verzen zijn blijkbaar een
-inlapsel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11831src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11842"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11842src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1022">1022</a></span> <i>de dagstond</i>: Daar er, ten minste in het
-Noorden, twee hoofdmaaltijden plaats grepen, een om 9 uur &rsquo;s
-morgens en een &rsquo;s avonds na volbrachte dagtaak, moeten wij 9 uur
-aannemen.</p>
-<p class="par footnote">Immers het was nog morgen (<a href="#v931">931&ndash;35</a>) en later wordt gezegd, dat zij den ganschen
-dag tafelden (<a href="#v2171">2171</a>).</p>
-<p class="par footnote">Ook kan de tocht naar het meer, die vooraf had
-plaats gehad, geen bezwaar opleveren, want de afstand was niet groot
-(<a href="#v1387">1387</a>) en zij lieten somtijds hunne paarden draven
-(<a href="#v876">876</a>).</p>
-<p class="par footnote">Het feestmaal duurde tot &rsquo;s avonds. Vgl.
-<a href="#v1256">1256</a>, <a href="#v2171">2171</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11842src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11897"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11897src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1030">1030</a></span>
-<i>Hrodulf</i>: Hrodgars neef en mederegent.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e11897src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11910"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11910src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1032">1032</a></span> Een strijd
-tusschen Hrodgar en Hrodulf wordt in het verschiet gesteld, strijd
-waarover het gedicht het zwijgen bewaart. Zie ook v. <a href="#v1182">1182</a>. De dichter zinspeelt hier, evenals vroeger bij de
-verhouding tusschen Hrodgar en Ingeld (v. <a href="#v83">83</a>), op de
-dichterlijke overlevering van zijnen tijd.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e11910src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11937"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11937src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1038">1038</a></span> <i>den
-vorst</i>: Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11937src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e11974"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e11974src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1049">1049</a></span> Van deze acht
-paarden schenkt Beowulf er later vier aan Hygelac en drie aan Hygd.
-Vgl. <a href="#v2220">2220</a>, <a href="#v2232">2232</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e11974src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12006"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12006src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1057">1057</a></span> <i>der Denen</i>: der <i>Ingwinen</i>, in den
-tekst.</p>
-<p class="par footnote">Deze naam herinnert ons aan de
-<i>Ingaevones</i> van Tacitus. De volkeren langs de Noordzee vereerden
-den god <i>Ing</i> d. i. Freyr.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12006src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7179">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XVII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De heer der helden gaf aan elk dergenen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1065</span> Die stevenden met
-Beowulf langs den stroomweg,</p>
-<p class="line">Ter meebank kostbaarheden met een erfzwaard.</p>
-<p id="v1067" class="line">Hij zei, men zou met goud den man<a class="apparatusnote" id="xd21e12063src" href="#xd21e12063" title="1067 den man: Hondsci&oacute;. Vgl. v. 2131." name="xd21e12063src">&deg;</a> vergelden,</p>
-<p class="line">Dien Grendel eer zoo gruwzaam had verslonden;</p>
-<p id="v1069" class="line">Gelijk hij had bestemd aan velen hunner,</p>
-<p id="v1070" class="line"><span class="lineNum">1070</span> Had hem
-niet afgeweerd de wijze Godheid</p>
-<p id="v1071" class="line">Met Wyrd<a class="apparatusnote" id="xd21e12085src" href="#xd21e12085" title="1071 Wyrd: noodlot, eigenlijk een der drie Nornen of schikgodinnen; doch wordt, evenals in den Heliand, gebezigd voor Gods Voorzienigheid. Christendom en heidendom worden weer in eenen adem genoemd."
-name="xd21e12085src">&deg;</a> en moed des mans. De Heer behoedde</p>
-<p class="line">Het heele menschdom, als hij doet tot heden.</p>
-<p id="v1073" class="line">Daarom zal overal die overtuiging</p>
-<p class="line">Het beste zijn, dit overleg van &rsquo;t binnenst.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1075</span> Die lang hier
-&rsquo;t leven smaakt zal veel bevinden,</p>
-<p class="line">Veel lief en leed in deze worsteldagen.<a class="apparatusnote" id="xd21e12107src" href="#xd21e12107" title="1069&ndash;76 Stichtelijk gerijm." name="xd21e12107src">&deg;</a><a class="apparatusnote" id="xd21e12112src"
-href="#xd21e12112" title="1073&ndash;76 Het vertrouwen op God is de beste steun in al de omstandigheden dezes levens. worsteldagen: aardsche leven."
-name="xd21e12112src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Nu werd er veel gezang en spel te zamen</p>
-<p id="v1078" class="line">Vereenigd over Hn&auml;f<a class="apparatusnote" id="xd21e12125src" href="#xd21e12125" title="1078 Hn&auml;f: vorst der Half-Denen en veldheer van Healfdeen, koning der Denen. Daar Hrodgar, Healfdeens zoon, nu vijftig jaar het bewind voerde, was er ruim eene halve eeuw verloopen sinds de hier vermelde gebeurtenissen."
-name="xd21e12125src">&deg;</a>, den heervoogd Healfdeens;<a href="#n26"
-class="noteref">26</a> <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name="pb195">195</a>]</span></p>
-<p class="line">Nu werd de harp gegroet, het hout der vreugde,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1080</span> De spreuk ontsponnen.
-&rsquo;t Was nu halleweelde.<a href="#n27" class="noteref">27</a></p>
-<p id="v1081" class="line">Langsheen de medezetels zou de zanger</p>
-<p id="v1082" class="line">Van Hrodgar<a class="apparatusnote" id="xd21e12151src" href="#xd21e12151" title="1081 de zanger van Hrodgar: Hunferd." name="xd21e12151src">&deg;</a>
-zingen over Finnes zonen<a class="apparatusnote" id="xd21e12160src"
-href="#xd21e12160" title="1082 Finnes zonen: de mannen van Finn, koning der Friezen." name="xd21e12160src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v1083" class="line">Ten tijde toen hen overrompling<a class="apparatusnote" id="xd21e12171src" href="#xd21e12171" title="1083 overrompeling: van den kant der zich wrekende Denen. Vgl. 1161 vlg."
-name="xd21e12171src">&deg;</a> aangreep:</p>
-<p id="v1084" class="line">&laquo;Der Schyldings Hn&auml;f,
-Half-Denen<a class="apparatusnote" id="xd21e12185src" href="#xd21e12185" title="1084 Half-Denen: Volgens Bugge waren dit geene eigenlijke Denen, ofschoon hunne bondgenooten; want Hn&auml;f behoorde tot de Hokingen en Sigeferd, waarvan in het Finsburglied sprake is, tot de Secgas. De overige benamingen integendeel, als Noord-Oost-Zuid-Deen, zijn zoovele benamingen voor een en hetzelfde volk nl. de Denen."
-name="xd21e12185src">&deg;</a> held, moest sneven</p>
-<p id="v1085" class="line"><span class="lineNum">1085</span> Op
-&rsquo;t Friezenveld<a class="apparatusnote" id="xd21e12198src" href="#xd21e12198" title="1085 &rsquo;t Friezenveld: slagveld, waar veel Friezen gevallen waren, de Finsburg met omgeving. Vgl. 1094 vlg. De kamp, waarin Hn&auml;f verraderlijk viel onder de slagen van Finn en zijne Friezen, wordt ons in het Finsburgfragment geschilderd en gaat bijgevolg de hier verhaalde gebeurtenissen onmiddellijk vooraf."
-name="xd21e12198src">&deg;</a>. Voorwaar, niet hoefde Hildburg<a class="apparatusnote" id="xd21e12219src" href="#xd21e12219" title="Hildburg, bloedverwante, misschien de zuster van Hn&auml;f, en Finns gemalin. In Widsidh heet Hn&auml;f de vorst der Hokingen; daar nu Hildeburg Hokes dochter is (Vgl. v. 1090), zoo was het vermoedelijk eene oude veete, die door het huwelijk van Finn en Hildeburg was bijgelegd, doch die nu weer losbreekt door den verraderlijken overval in Finsburg. Dit verklaart dan Eotentrouw. Ettm&uuml;ller."
-name="xd21e12219src">&deg;</a></p>
-<p id="v1086" class="line">Te loven Eotentrouw<a class="apparatusnote"
-id="xd21e12235src" href="#xd21e12235" title="1086 Eotentrouw: Friezentrouw." name="xd21e12235src">&deg;</a>, der
-lieve loten</p>
-<p class="line">En broeders<a class="apparatusnote" id="xd21e12246src"
-href="#xd21e12246" title="lieve loten en broeders: hare zonen en broeders, welke zich onder de gesneuvelde Half-Denen bevonden."
-name="xd21e12246src">&deg;</a> schuldeloos beroofd bij &rsquo;t
-schildspel;</p>
-<p class="line">Zij stortten, speerdoornageld, in hun noodlot.</p>
-<p class="line">Het was een droeve vrouw! Met recht beweende</p>
-<p id="v1090" class="line"><span class="lineNum">1090</span> Zij, Hokes
-dochter, toen de morgen daagde<a class="apparatusnote" id="xd21e12259src" href="#xd21e12259" title="1090 toen de morgen daagde: De Half-Denen werden &rsquo;s nachts in Finsburg overvallen."
-name="xd21e12259src">&deg;</a>, <span class="pagenum">[<a id="pb196"
-href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span></p>
-<p class="line">Des Hemels schikking, nu zij kon beschouwen</p>
-<p class="line">Bij &rsquo;t helder hemellicht den moord der magen,</p>
-<p class="line">In wie zij vroeger vond de hoogste weelde.</p>
-<p id="v1094" class="line">&rsquo;t Gevecht, op weinig na, had
-weggenomen</p>
-<p id="v1095" class="line"><span class="lineNum">1095</span> De helden
-Fins, zoodat hij op de dingplaats<a class="apparatusnote" id="xd21e12281src" href="#xd21e12281" title="1095 dingplaats: de vergaderplaats, waar beide partijen tot onderhandeling of, desnoods, tot een nieuw gevecht tegenover elkander stonden."
-name="xd21e12281src">&deg;</a></p>
-<p id="v1096" class="line">Niets hoegenaamd op Hengest<a class="apparatusnote" id="xd21e12292src" href="#xd21e12292" title="1096 Hengest: Hn&auml;fs opvolger als bevelhebber der Half-Denen."
-name="xd21e12292src">&deg;</a> kon bevechten,</p>
-<p class="line">Noch met geweld de armzaalge rest der zijnen</p>
-<p id="v1098" class="line">Beschutten voor den veldheer van den
-koning<a class="apparatusnote" id="xd21e12306src" href="#xd21e12306"
-title="1098 veldheer van den koning: Hengest, veldheer van Healfdeen."
-name="xd21e12306src">&deg;</a><a href="#n28" class="noteref">28</a>.</p>
-<p id="v1099" class="line">Zij<a class="apparatusnote" id="xd21e12319src" href="#xd21e12319" title="1099 Zij: de Friezen." name="xd21e12319src">&deg;</a> boden dus verdragen aan. Den Denen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1100</span> Ontruimden zij geheel
-een tweede halle,</p>
-<p class="line">Een zaal en zetelwoon; zoodat de Denen</p>
-<p class="line">Het half gezag bezitten zouden tegen</p>
-<p id="v1103" class="line">Der Eoten kroost, en Fin, de zoon van
-Folcwald,</p>
-<p class="line">Bij &rsquo;t geldbedeelen elken dag de Denen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1105</span> Beschonk en
-Hengest&rsquo; schaar onthaalde op ringen</p>
-<p id="v1106" class="line">Zoo gul, op kostbaar goed van goud, als
-wilde<a class="apparatusnote" id="xd21e12346src" href="#xd21e12346"
-title="1106 als wilde enz. Finn onthaalde de Denen of Half-Denen, alsof het zijne eigen Friezen waren."
-name="xd21e12346src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hij &rsquo;t Friezenvolk aanvuren in de drinkzaal.</p>
-<p class="line">Zij sloten beiderzijds het vaste bondschap,</p>
-<p class="line">En hecht, onwrikbaar zwoer het Fin aan Hengest,</p>
-<p id="v1110" class="line"><span class="lineNum">1110</span> Dat hij de
-resten van de ramp<a class="apparatusnote" id="xd21e12366src" href="#xd21e12366" title="1110 de resten van de ramp: de overblijvende Deensche strijders."
-name="xd21e12366src">&deg;</a> in eere</p>
-<p id="v1111" class="line">Zou houden volgens &rsquo;t oordeel van de
-raden<a class="apparatusnote" id="xd21e12377src" href="#xd21e12377"
-title="1111 volgens &rsquo;t oordeel van de raden: in geval van oneenigheid zouden de raadslieden uitspraak doen."
-name="xd21e12377src">&deg;</a>;</p>
-<p id="v1112" class="line">Dat hunner<a class="apparatusnote" id="xd21e12388src" href="#xd21e12388" title="1112 hunner: Denen." name="xd21e12388src">&deg;</a> niemand noch door woord noch werken</p>
-<p class="line">Het bond ooit breken zou, door arglist letten,
-<span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span></p>
-<p id="v1114" class="line">Ofschoon zij vorstenloos den dooder
-volgden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1115</span> Huns ringuitdeelers,
-daar de nood hen noopte.<a class="apparatusnote" id="xd21e12406src"
-href="#xd21e12406" title="1114&ndash;15 Ofschoon de Denen Finn moesten gehoorzamen, den dooder van Hn&auml;f. Finn vertegenwoordigt zijn volk, immers wij weten niet, of hij zelf de dooder was. 1110&ndash;11 behelst den eed der Friezen, alsmede 1116&ndash;18; 1112&ndash;15 dien der Denen."
-name="xd21e12406src">&deg;</a></p>
-<p id="v1116" class="line">Indien der Friezen een de vroegre veete</p>
-<p class="line">Gedenken mocht door overmoedig spreken,</p>
-<p class="line">Dan zou de snede van het zwaard het straffen.</p>
-<p class="line">Dan afgelegd was de eed, ontleend der schatkist</p>
-<p id="v1120" class="line"><span class="lineNum">1120</span> Het
-glanzend goud<a class="apparatusnote" id="xd21e12439src" href="#xd21e12439" title="1120 het glanzend goud: waarmede Finn volgens v. 1103 vlg. de Friezen en de Denen moest beschenken."
-name="xd21e12439src">&deg;</a>. De koenste wapenkrijger<a class="apparatusnote" id="xd21e12451src" href="#xd21e12451" title="de koenste wapenkrijger: Hn&auml;f." name="xd21e12451src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Der Leger-Schyldings lag gereed ter vuurmijt.</p>
-<p id="v1122" class="line">Op dezen stapel was zeer wel te ontwaren</p>
-<p class="line">Het bloedbesmeurde harnas met een helmzwijn,</p>
-<p class="line">Geheel van goud, een ever hard als ijzer,<a class="apparatusnote" id="xd21e12464src" href="#xd21e12464" title="1122&ndash;24 sua cuique arma... igni.. adjicitur. Tac. Germ. 27."
-name="xd21e12464src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1125</span> En menig eedle
-weggerukt door wonden.</p>
-<p class="line">Er waren velen in den kamp gevallen!</p>
-<p id="v1127" class="line">Dan Hildeburg beval op &rsquo;s broeders
-brandmijt<a class="apparatusnote" id="xd21e12478src" href="#xd21e12478"
-title="1127 op &rsquo;s broeders brandmijt: de tekst heeft: op Hn&auml;fs brandmijt."
-name="xd21e12478src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Te leveren aan de laai haar eigen zonen,<a href="#n29"
-class="noteref">29</a></p>
-<p class="line">Te branden &rsquo;t beenderstel, op &rsquo;t vuur te
-brengen.</p>
-<p id="v1130" class="line"><span class="lineNum">1130</span> De
-ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder<a class="apparatusnote" id="xd21e12499src" href="#xd21e12499" title="1130 bij den schouder: van Hn&auml;f." name="xd21e12499src">&deg;</a></p>
-<p class="line">In klaaggezang. De held werd recht geheven.</p>
-<p class="line">De breede lijkbrand wond zich tot de wolken,</p>
-<p id="v1133" class="line">Opbruisend voor den heuvel<a class="apparatusnote" id="xd21e12514src" href="#xd21e12514" title="1133 heuvel: grafheuvel." name="xd21e12514src">&deg;</a>. Hunne
-hoofden</p>
-<p class="line">Zij slonken weg; de mond der wonden barstte,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1135</span> Het bloed ontsprong
-de letsels van het lichaam;</p>
-<p class="line">De vlam verzwolg hen gansch, der geesten vratigst
-<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name="pb198">198</a>]</span></p>
-<p id="v1137" class="line">Hen allen, die de strijd uit beide
-stammen<a class="apparatusnote" id="xd21e12534src" href="#xd21e12534"
-title="1137 beide stammen: Friezen en Denen. Geven wij hier duidelijkheidshalve een overzicht: Finn, de koning der Friezen, heeft de Half-Denen of Denen, hetgeen op hetzelfde neerkomt, des nachts verraderlijk overrompeld in Finsburg. De vorst der Half-Denen, Hn&auml;f, bevelhebber van den Deenschen koning, en broeder van Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden. Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn, betreurt bij het aanbreken van den morgen den dood harer Deensche bloedverwanten. Daar de meeste Friezen bij den aanval op Finsburg zijn gesneuveld, is Finn niet meer bij machte om de overgebleven Denen te vernietigen. Hij onderhandelt bij gevolg met Hengest, opvolger van Hn&auml;f als bevelhebber, en een vredesverdrag komt tot stand. Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel rechten als de Friezen, worden gehuisvest en zullen met de gebruikelijke geschenken bedeeld worden door Finn, dien zij als koning erkennen. De geschillen zullen door de raadslieden worden bijgelegd. Mocht een Fries zinspelen op de vroegere vijandschap, hij zal dit met het leven boeten. Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de koningsgaven uit aan beide stammen. Daarna wordt een groote brandstapel opgericht, waarop het lijk van Hn&auml;f met de gesneuvelde vrienden en vijanden verbrand wordt, terwijl Hildeburg den gebruikelijken klaagzang aanheft."
-name="xd21e12534src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Had weggesleept. Zoo was hun vaag gevloden.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e12563width"><img src="images/o284.png" alt="Ornament." width="108" height="74"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12063"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12063src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1067">1067</a></span> <i>den
-man</i>: Hondsci&oacute;. Vgl. v. <a href="#v2131">2131</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12063src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12085"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12085src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1071">1071</a></span> <i>Wyrd</i>:
-noodlot, eigenlijk een der drie Nornen of schikgodinnen; doch wordt,
-evenals in den Heliand, gebezigd voor Gods Voorzienigheid. Christendom
-en heidendom worden weer in eenen adem genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e12085src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12107"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12107src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1069">1069&ndash;76</a></span>
-Stichtelijk gerijm.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12107src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12112"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12112src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1073">1073&ndash;76</a></span> Het
-vertrouwen op God is de beste steun in al de omstandigheden dezes
-levens. <i>worsteldagen</i>: aardsche leven.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e12112src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12125"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12125src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1078">1078</a></span>
-<i>Hn&auml;f</i>: vorst der Half-Denen en veldheer van Healfdeen,
-koning der Denen. Daar Hrodgar, Healfdeens zoon, nu vijftig jaar het
-bewind voerde, was er ruim eene halve eeuw verloopen sinds de hier
-vermelde gebeurtenissen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12125src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12151"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12151src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1081">1081</a></span> <i>de zanger
-van Hrodgar</i>: Hunferd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12151src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12160"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12160src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1082">1082</a></span> <i>Finnes
-zonen</i>: de mannen van Finn, koning der Friezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12160src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12171"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12171src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1083">1083</a></span>
-<i>overrompeling</i>: van den kant der zich wrekende Denen. Vgl.
-<a href="#v1161">1161</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12171src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12185"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12185src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1084">1084</a></span>
-<i>Half-Denen</i>: Volgens Bugge waren dit geene eigenlijke Denen,
-ofschoon hunne bondgenooten; want Hn&auml;f behoorde tot de Hokingen en
-Sigeferd, waarvan in het Finsburglied sprake is, tot de Secgas. De
-overige benamingen integendeel, als Noord-Oost-Zuid-Deen, zijn zoovele
-benamingen voor een en hetzelfde volk nl. de Denen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12185src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12198"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12198src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1085">1085</a></span> <i>&rsquo;t Friezenveld</i>: slagveld, waar
-veel Friezen gevallen waren, de Finsburg met omgeving. Vgl. <a href="#v1094">1094</a> vlg.</p>
-<p class="par footnote">De kamp, waarin Hn&auml;f verraderlijk viel
-onder de slagen van Finn en zijne Friezen, wordt ons in het
-<i>Finsburgfragment</i> geschilderd en gaat bijgevolg de hier verhaalde
-gebeurtenissen <i>onmiddellijk</i> vooraf.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e12198src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12219"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12219src">&deg;</a></span><i>Hildburg</i>, bloedverwante,
-misschien de zuster van Hn&auml;f, en Finns gemalin. In Widsidh heet
-Hn&auml;f de vorst der Hokingen; daar nu Hildeburg Hokes dochter is
-(Vgl. v. <a href="#v1090">1090</a>), zoo was het vermoedelijk eene oude
-veete, die door het huwelijk van Finn en Hildeburg was bijgelegd, doch
-die nu weer losbreekt door den verraderlijken overval in Finsburg.</p>
-<p class="par footnote">Dit verklaart dan Eotentrouw.
-<i>Ettm&uuml;ller.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12219src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12235"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12235src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1086">1086</a></span>
-<i>Eotentrouw</i>: Friezentrouw.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12235src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12246"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12246src">&deg;</a></span>
-<i>lieve loten en broeders</i>: hare zonen en broeders, welke zich
-onder de gesneuvelde Half-Denen bevonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12246src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12259"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12259src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1090">1090</a></span> <i>toen de
-morgen daagde</i>: De Half-Denen werden &rsquo;s nachts in Finsburg
-overvallen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12259src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12281"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12281src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1095">1095</a></span>
-<i>dingplaats</i>: de vergaderplaats, waar beide partijen tot
-onderhandeling of, desnoods, tot een nieuw gevecht tegenover elkander
-stonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12281src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12292"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12292src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1096">1096</a></span>
-<i>Hengest</i>: Hn&auml;fs opvolger als bevelhebber der
-Half-Denen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12292src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12306"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12306src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1098">1098</a></span> <i>veldheer
-van den koning</i>: Hengest, veldheer van Healfdeen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12306src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12319"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12319src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1099">1099</a></span> <i>Zij</i>:
-de Friezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12319src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12346"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12346src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1106">1106</a></span> <i>als
-wilde</i> enz. Finn onthaalde de Denen of Half-Denen, alsof het zijne
-eigen Friezen waren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12346src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12366"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12366src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1110">1110</a></span> <i>de resten
-van de ramp</i>: de overblijvende Deensche strijders.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12366src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12377"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12377src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1111">1111</a></span> <i>volgens
-&rsquo;t oordeel van de raden</i>: in geval van oneenigheid zouden de
-raadslieden uitspraak doen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12377src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12388"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12388src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1112">1112</a></span>
-<i>hunner</i>: Denen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12388src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12406"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12406src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1114">1114&ndash;15</a></span> Ofschoon de Denen Finn moesten
-gehoorzamen, den dooder van Hn&auml;f.</p>
-<p class="par footnote">Finn vertegenwoordigt zijn volk, immers wij
-weten niet, of hij zelf de dooder was.</p>
-<p class="par footnote"><a href="#v1110">1110&ndash;11</a> behelst den
-eed der Friezen, alsmede <a href="#v1116">1116&ndash;18</a>;</p>
-<p class="par footnote"><a href="#v1112">1112&ndash;15</a> dien der
-Denen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12406src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12439"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12439src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1120">1120</a></span> <i>het
-glanzend goud</i>: waarmede Finn volgens v. <a href="#v1103">1103</a>
-vlg. de Friezen en de Denen moest beschenken.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e12439src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12451"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12451src">&deg;</a></span>
-<i>de koenste wapenkrijger</i>: Hn&auml;f.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e12451src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12464" lang="la">
-<span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12464src">&deg;</a></span> <span class="lineNumRef"><a href="#v1122">1122&ndash;24</a></span> sua cuique arma... igni.. adjicitur.
-Tac. Germ. 27.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12464src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12478"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12478src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1127">1127</a></span> <i>op
-&rsquo;s broeders brandmijt</i>: de tekst heeft: op Hn&auml;fs
-brandmijt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12478src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12499"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12499src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1130">1130</a></span> <i>bij den
-schouder</i>: van Hn&auml;f.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12499src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12514"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12514src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1133">1133</a></span>
-<i>heuvel</i>: grafheuvel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12514src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12534"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12534src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1137">1137</a></span> <i>beide stammen</i>: Friezen en Denen.</p>
-<p class="par footnote">Geven wij hier duidelijkheidshalve een
-overzicht:</p>
-<p class="par footnote">Finn, de koning der Friezen, heeft de
-Half-Denen of Denen, hetgeen op hetzelfde neerkomt, des nachts
-verraderlijk overrompeld in Finsburg. De vorst der Half-Denen,
-Hn&auml;f, bevelhebber van den Deenschen koning, en broeder van
-Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden.</p>
-<p class="par footnote">Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn,
-betreurt bij het aanbreken van den morgen den dood harer Deensche
-bloedverwanten.</p>
-<p class="par footnote">Daar de meeste Friezen bij den aanval op
-Finsburg zijn gesneuveld, is Finn niet meer bij machte om de
-overgebleven Denen te vernietigen. Hij onderhandelt bij gevolg met
-Hengest, opvolger van Hn&auml;f als bevelhebber, en een vredesverdrag
-komt tot stand.</p>
-<p class="par footnote">Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel
-rechten als de Friezen, worden gehuisvest en zullen met de
-gebruikelijke geschenken bedeeld worden door Finn, dien zij als koning
-erkennen. De geschillen zullen door de raadslieden worden
-bijgelegd.</p>
-<p class="par footnote">Mocht een Fries zinspelen op de vroegere
-vijandschap, hij zal dit met het leven boeten.</p>
-<p class="par footnote">Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de
-koningsgaven uit aan beide stammen.</p>
-<p class="par footnote">Daarna wordt een groote brandstapel opgericht,
-waarop het lijk van Hn&auml;f met de gesneuvelde vrienden en vijanden
-verbrand wordt, terwijl Hildeburg den gebruikelijken klaagzang
-aanheft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12534src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name="pb199">199</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7185">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XVIII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v1139" class="line">De strijdschaar ging, verstoken van de
-vrienden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1140</span> De woon bezoeken,
-Friesland weer begroeten,</p>
-<p class="line">De huizen met den heerschersburcht<a class="apparatusnote" id="xd21e12581src" href="#xd21e12581" title="1139&ndash;41. De verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne gesneuvelde vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij gevolg moet de Finsburg, waar de in &rsquo;t vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland, maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen zijn."
-name="xd21e12581src">&deg;</a><a href="#n30" class="noteref">30</a>.
-Dan Hengest</p>
-<p class="line">Verwijlde noch dien bloeddoorweekten winter</p>
-<p id="v1143" class="line">In alles een<a class="apparatusnote" id="xd21e12593src" href="#xd21e12593" title="1143 in alles een: in de beste verstandhouding, ten minste in schijn."
-name="xd21e12593src">&deg;</a> bij Finn, het heim geheugend.</p>
-<p class="line">Toch was hij niet in staat in zee te sturen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1145</span> Den staalomwonden
-steven, &rsquo;t Water bruiste</p>
-<p class="line">Door stormen op, het worstelde met winden.</p>
-<p class="line">De winter sloot het water in de ijsboei,</p>
-<p class="line">Totdat een ander jaar alweder daagde</p>
-<p class="line">In hunne woon, het heerlijk heldre weder,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1150</span> Dat immer volgt, als
-nu, zijn vaste beurten.<a href="#n31" class="noteref">31</a></p>
-<p class="line">Zoo was het wintertij alweer verstreken;</p>
-<p id="v1152" class="line">Der aarde schoot was schoon. De strijder
-streefde,</p>
-<p class="line">De gast, te ontwijken deze woon, doch haakte</p>
-<p class="line">Naar moordvergelding meer dan naar de zeereis,
-<span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1155</span> Of hij verkrijgen kon
-een toornig treffen,</p>
-<p class="line">Om daar het Friezenzaad te zijn gedachtig.<a class="apparatusnote" id="xd21e12639src" href="#xd21e12639" title="1152&ndash;56. Met de aankomst der lente was de zee bevaarbaar, derhalve wenschte Hengest naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was hij nog meer verlangend zich op de Friezen in een gevecht te wreken."
-name="xd21e12639src">&deg;</a></p>
-<p id="v1157" class="line">Dus weigerde hij niet de
-wapenlieden,<a href="#n32" class="noteref">32</a><a id="xd21e12649"
-name="xd21e12649"></a></p>
-<p class="line">Als Hun de kampvlam Lafing nederlegde</p>
-<p class="line">Op zijnen schoot, &rsquo;t onschatbaarst aller
-wapens;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1160</span> Want bij de Friezen
-was bekend het krijgstuig.<a class="apparatusnote" id="xd21e12659src"
-href="#xd21e12659" title="1157&ndash;60 Om zijn tweevoudig doel te bereiken, weigerde Hengest niet, zich voor eenen dienstman van Finn te verklaren. Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier vermelde zinnebeeldige handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des Konings, dat hem door Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand te nemen. Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh de Koning der Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de Friezen verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland gedaan heeft (Vgl. 2420 vlg.), zoo verschijnt hier Hun aan het hof van Finn. Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een onderkoning van Finn is, evenals Hn&auml;f, die toch zelf koning geheeten wordt, Heal&rsquo;deens veldheer was."
-name="xd21e12659src">&deg;</a><a href="#n33" class="noteref">33</a></p>
-<p id="v1161" class="line">Als Hn&auml;f, zoo greep nu Fin, den
-fiergezinden,</p>
-<p class="line">De wilde wapendood in zijne woning,</p>
-<p id="v1163" class="line">Nadat Gudlaf en Oslaf<a class="apparatusnote" id="xd21e12687src" href="#xd21e12687" title="1163 Gudlaf en Oslaf: twee Deensche krijgers, welke ook in &rsquo;t Finsburglied te zamen vermeld worden."
-name="xd21e12687src">&deg;</a>, na de golfvaart<a class="apparatusnote"
-id="xd21e12696src" href="#xd21e12696" title="na de golfvaart: zij waren teruggekeerd uit Denemarken." name="xd21e12696src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Den ruwen storm op Hn&auml;f eerst rouwvol hadden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1165</span> Verkond, verweten
-hunne harde wee&euml;n. <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name="pb201">201</a>]</span></p>
-<p class="line">Hun rusteloos gemoed was niet bij machte</p>
-<p id="v1167" class="line">Zich in te houden<a class="apparatusnote"
-id="xd21e12712src" href="#xd21e12712" title="1161&ndash;67. Bugge stelt zich de toedracht der zaak volgenderwijze voor: Als dienstman van Finn is Hengest verplicht, den Koning geschenken aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar Denemarken en keert daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en Oslaf. Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn voorloopig in alles te gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze geveinsde rol niet lang volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de Denen overvallen en Hn&auml;f verraderlijk gedood had. Zoo werd de ontknooping bespoedigd. Wat eene andere, even aanneembare, verklaring betreft, verwijs ik naar de Aanmerkingen. Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat zij verscheiden tekstwijzigingen met zich brengt."
-name="xd21e12712src">&deg;</a><a href="#n34" class="noteref">34</a>.
-Bloedig was de halle</p>
-<p class="line">Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,</p>
-<p class="line">Verslagen in het midden zijner manschap,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1170</span> En heengevoerd de
-koninginne Hildburg<a href="#n35" class="noteref">35</a>.</p>
-<p class="line">De Deensche schutters droegen naar de schepen</p>
-<p class="line">Geheel de have van den landbeheerscher,</p>
-<p class="line">Alwat ze in Finnes woning konden vinden</p>
-<p class="line">Aan smuk, aan smaakvol ingezet gesmijde.</p>
-<p id="v1175" class="line"><span class="lineNum">1175</span> Zij
-leidden de edelvrouwe<a class="apparatusnote" id="xd21e12758src" href="#xd21e12758" title="1175 de edelvrouwe: Hildeburg." name="xd21e12758src">&deg;</a> langs den zeeweg</p>
-<p class="line">Tot bij de Denen, naar de stamgenooten.&raquo;</p>
-<p class="line">Gezongen was het lied, de zang des dichters.</p>
-<p class="line">Weer rees geruisch, het bankgeschater schalde,</p>
-<p class="line">De schenkers schonken wijn uit wonder vaatwerk.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1180</span> Nu kwam gegaan met
-gouden hoofdwrong Wealchtheow,</p>
-<p id="v1181" class="line">Waar oom en broederzoon<a class="apparatusnote" id="xd21e12781src" href="#xd21e12781" title="1181 Oom en broederzoon: Hrodgar en Hrodulf. Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van Halga, Hrodgars jongsten broeder. Vgl. 62."
-name="xd21e12781src">&deg;</a>, de dappren, zaten.</p>
-<p id="v1182" class="line">De bloedverwantschap was nog eenig<a class="apparatusnote" id="xd21e12798src" href="#xd21e12798" title="1182 Vgl. 1032 Nota." name="xd21e12798src">&deg;</a>, beiden</p>
-<p class="line">Elkander hou en trouw. Ook zat er Hunferd,</p>
-<p class="line">De spreker, aan den voet des Schyldingvorsten.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1185</span> Zij waren zeker van
-zijn zin, dat deze</p>
-<p id="v1186" class="line">Veel moed bezat, ofschoon hij niet
-rechtschapen</p>
-<p class="line">Met zijne broeders was geweest in &rsquo;t
-wapen.<a class="apparatusnote" id="xd21e12820src" href="#xd21e12820"
-title="1186&ndash;87 Vgl. v. 598. Alweer eene vingerwijzing op de epische sagen, want uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds laakbare daad."
-name="xd21e12820src">&deg;</a></p>
-<p class="line">En Wealchtheow nam het woord, vorstin der
-Schyldings:</p>
-<p id="v1189" class="line">&laquo;Ontvang, o mijn gebieder, dezen
-beker,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1190</span> O, Goudbegever. Wees
-nu wel te moede</p>
-<p class="line">O, Schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten</p>
-<p class="line">Met milden mond. Zoo moet een krijgsman handelen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span></p>
-<p class="line">Wees voor uw Gooten goed, de gift gedachtig.</p>
-<p class="line">Ja, heinde en verre hebt gij nu den vrede.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1195</span> Men zegde mij, dat
-gij tot zoon verlangdet</p>
-<p id="v1196" class="line">Den held<a class="apparatusnote" id="xd21e12856src" href="#xd21e12856" title="1196 den held: Beowulf."
-name="xd21e12856src">&deg;</a> te hebben. Thans is Heort gereinigd,</p>
-<p class="line">De weidsche ringzaal. Spil nu veel juweelen,</p>
-<p id="v1198" class="line">Zoolang gij zulks vermoogt; doch laat uw
-zonen<a class="apparatusnote" id="xd21e12869src" href="#xd21e12869"
-title="1198 uw zonen: Hredric en Hrodmund." name="xd21e12869src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Het land met luiden na, wanneer gij henen</p>
-<p id="v1200" class="line"><span class="lineNum">1200</span> Zult zijn
-gegaan, des Scheppers glans te schouwen.<a class="apparatusnote" id="xd21e12884src" href="#xd21e12884" title="1200 christelijke opvatting."
-name="xd21e12884src">&deg;</a></p>
-<p id="v1201" class="line">Ik ken mijn heuschen Hrodulf, die de
-knapen</p>
-<p class="line">Waardeeren zal, indien gij, scherm der Schyldings,</p>
-<p class="line">Het leven eer dan hij verlaat.<a class="apparatusnote"
-id="xd21e12896src" href="#xd21e12896" title="1201&ndash;3 Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was."
-name="xd21e12896src">&deg;</a> Ik hope,</p>
-<p class="line">Dat hij met goed vergelden zal ons zonen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1205</span> Indien hij &rsquo;t
-al gedenkt, de vroeger diensten,</p>
-<p class="line">Die wij hem, zijnde nog een wicht, bewezen</p>
-<p id="v1207" class="line">Naar wensch en eere.&raquo; Thans begaf zich
-Wealchtheow</p>
-<p class="line">Ter zitplaats heen, waar zaten hare zonen,</p>
-<p class="line">Hredric en Hrodmund, met de heldentelgen,</p>
-<p id="v1210" class="line"><span class="lineNum">1210</span> De
-strijdjeugd saam. Daar<a class="apparatusnote" id="xd21e12921src" href="#xd21e12921" title="1210 daar: tegenover Hrodgar." name="xd21e12921src">&deg;</a> zetelde ook de stoute,</p>
-<p class="line">Der Gooten Beowulf, bij de twee gebroeders.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e12933width"><img src="images/o312.png" alt="Ornament." width="85" height="90"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12581"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12581src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1139">1139&ndash;41.</a></span> De
-verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne gesneuvelde
-vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij gevolg moet
-de Finsburg, waar de in &rsquo;t vorige hoofdstuk vermelde
-gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland,
-maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen
-zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12581src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12593"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12593src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1143">1143</a></span> <i>in alles
-een</i>: in de beste verstandhouding, ten minste in
-schijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12593src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12639"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12639src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1152">1152&ndash;56.</a></span> Met
-de aankomst der lente was de zee bevaarbaar, derhalve wenschte Hengest
-naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was hij nog meer verlangend
-zich op de Friezen in een gevecht te wreken.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e12639src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12659"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12659src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1157">1157&ndash;60</a></span> Om zijn tweevoudig doel te bereiken,
-weigerde Hengest niet, zich voor eenen dienstman van Finn te
-verklaren.</p>
-<p class="par footnote">Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier
-vermelde zinnebeeldige handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des
-Konings, dat hem door Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand
-te nemen.</p>
-<p class="par footnote">Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh
-de Koning der Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de
-Friezen verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland
-gedaan heeft (Vgl<span class="corr" id="xd21e12669" title="Niet in bron">.</span> <a href="#v2420">2420</a> vlg.), zoo verschijnt
-hier Hun aan het hof van Finn.</p>
-<p class="par footnote">Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een
-onderkoning van Finn is, evenals Hn&auml;f, die toch zelf koning
-geheeten wordt, Heal&rsquo;deens veldheer was.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e12659src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12687"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12687src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1163">1163</a></span> <i>Gudlaf en
-Oslaf</i>: twee Deensche krijgers, welke ook in &rsquo;t Finsburglied
-te zamen vermeld worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12687src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12696"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12696src">&deg;</a></span>
-<i>na de golfvaart</i>: zij waren teruggekeerd uit
-Denemarken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12696src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12712"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12712src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1161">1161&ndash;67.</a></span> Bugge stelt zich de toedracht der
-zaak volgenderwijze voor:</p>
-<p class="par footnote">Als dienstman van Finn is Hengest verplicht,
-den Koning geschenken aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar
-Denemarken en keert daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en
-Oslaf.</p>
-<p class="par footnote">Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn
-voorloopig in alles te gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze
-geveinsde rol niet lang volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de
-Denen overvallen en Hn&auml;f verraderlijk gedood had.</p>
-<p class="par footnote">Zoo werd de ontknooping bespoedigd.</p>
-<p class="par footnote">Wat eene andere, even aanneembare, verklaring
-betreft, verwijs ik naar de <a href="#aanmerkingen">Aanmerkingen</a>.</p>
-<p class="par footnote">Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat
-zij verscheiden tekstwijzigingen met zich brengt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12712src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12758"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12758src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1175">1175</a></span> <i>de
-edelvrouwe</i>: Hildeburg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12758src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12781"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12781src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1181">1181</a></span> <i>Oom en broederzoon</i>: Hrodgar en
-Hrodulf.</p>
-<p class="par footnote">Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van
-Halga, Hrodgars jongsten broeder. Vgl. <a href="#v62">62</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12781src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12798"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12798src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1182">1182</a></span> Vgl. <a href="#v1032">1032</a> Nota.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12798src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12820"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12820src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1186">1186&ndash;87</a></span> Vgl.
-<span class="corr" id="xd21e12825" title="Bron: V.">v.</span> <a href="#v598">598</a>. Alweer eene vingerwijzing op de epische sagen, want
-uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds laakbare
-daad.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12820src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12856"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12856src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1196">1196</a></span> <i>den
-held</i>: Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12856src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12869"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12869src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1198">1198</a></span> <i>uw
-zonen</i>: Hredric en Hrodmund.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12869src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12884"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12884src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1200">1200</a></span> christelijke
-opvatting.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12884src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12896"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12896src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1201">1201&ndash;3</a></span>
-Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12896src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12921"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12921src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1210">1210</a></span> <i>daar</i>:
-tegenover Hrodgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12921src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7191">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XIX.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Een beker werd hem nu gereikt, met woorden</p>
-<p class="line">Hem toegebracht de heusche bee te drinken,</p>
-<p class="line">Ringvormig goud werd huldevol geboden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1215</span> Armtooisels twee en
-ring en rusting, &rsquo;t grootste</p>
-<p class="line">Der halssiera&acirc;n, waarvan ik hoorde op aarde.</p>
-<p id="v1217" class="line">Nooit hoorde ik van een held zoo heilvol
-onder</p>
-<p id="v1218" class="line">Het hemellicht door schatten, sedert
-Hama<a class="apparatusnote" id="xd21e12959src" href="#xd21e12959"
-title="1218 Hama: Hij wordt in Widsidh vermeld en komt in de Hoogduitsche sage voor onder den naam van Heime; (ei = angs &#257;). Hij staat er in betrekking met Diederik van Bern en met Ermanric en vertegenwoordigt den trouweloozen, omkoopbaren strijder. Oorspronkelijk is &rsquo;t een mythisch wezen."
-name="xd21e12959src">&deg;</a></p>
-<p id="v1219" class="line">Naar zijnen hoogen burg den
-Brosinghalsband<a class="apparatusnote" id="xd21e12970src" href="#xd21e12970" title="1219 Brosinghalsband: de halsband, dien de Brisingen eens bezaten. &rsquo;t Is hetzelfde kleinood als het Brisinga-men uit de Edda, de beroemde halsband van Freyja."
-name="xd21e12970src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1220</span> (Den kostbren schat)
-met dezes schrijn ontvoerde.<a class="apparatusnote" id="xd21e12983src"
-href="#xd21e12983" title="1217&ndash;20 Sedert Hama, den bezitter van den Brosinghalsband, had nooit een held schooner halsjuweel bezeten dan nu Beowulf."
-name="xd21e12983src">&deg;</a></p>
-<p id="v1221" class="line">Hij nam de vlucht voor Ermenrics
-vervolging<a class="apparatusnote" id="xd21e12991src" href="#xd21e12991" title="1221 Ermenrics vervolging: Ermenric zette nl. den dief na. Ermenric is de machtige koning der Oost-Goten Ermanarik uit de 4de eeuw. Hij vormt het middelpunt der Ermanaricssage. Saxo bericht van hem, dat hij groote schatten bezat en deze in zijnen burcht verborg. Ons Middelnederlandsch gedicht Van den Vos Reynaerde kent hem ook: 2047 Wilen tere stonden Hadde mine here mijn vader vonden Des conincs Ermelincx scat In eene verholne stat. 2374 Daer suldi vinden oec die crone Die Ermelync die coninc droech. "
-name="xd21e12991src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb204"
-href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span></p>
-<p id="v1222" class="line">En koos zich &rsquo;t eeuwig heil<a class="apparatusnote" id="xd21e13033src" href="#xd21e13033" title="1222 en koos zich &rsquo;t eeuwig heil: hij trad in een klooster; zooals in de Diederiksage van Heime verhaald wordt. B. Symons toont aan, hoe deze plaats van &rsquo;t gedicht den sleutel geeft tot het verhaal van Jordanes, Historia Gothorum, c. 24, waar van Hermanaricus gezegd wordt, dat hij eene vrouw, Sunilda, door paarden liet vierendeelen, omdat haar echtgenoot zich bedrieglijk uit de voeten had gemaakt; zonder dat dezes naam noch misdrijf vermeld wordt. Wij weten nu uit ons gedicht, dat Hama de echtgenoot was, en dat zijn misdrijf bestond in het rooven van Ermanariks schat."
-name="xd21e13033src">&deg;</a>.&mdash;Der Gooten Hyglac</p>
-<p id="v1223" class="line">Was in &rsquo;t bezit des rings<a class="apparatusnote" id="xd21e13050src" href="#xd21e13050" title="1223 des rings: Beowulfs halssieraad." name="xd21e13050src">&deg;</a>
-de laatste reize.</p>
-<p id="v1224" class="line">De kleinzoon Swertings<a class="apparatusnote" id="xd21e13061src" href="#xd21e13061" title="1224 Swerting: Hygelacs grootvader. Higelac is de geschiedkundige Chochilaicus, koning der Denen. Zie Inleiding."
-name="xd21e13061src">&deg;</a>, toen, den schat beschuttend,</p>
-<p id="v1225" class="line"><span class="lineNum">1225</span> Hij voor
-den slagbuit<a class="apparatusnote" id="xd21e13080src" href="#xd21e13080" title="1225 slagbuit: Dit bewijst, dat Hygelac een strooptocht ondernomen had, dat zeerooverij bij gevolg in zwang was."
-name="xd21e13080src">&deg;</a> streed bij zijnen standerd.</p>
-<p id="v1226" class="line">Toen rukte Wyrd hem weg<a class="apparatusnote" id="xd21e13091src" href="#xd21e13091" title="1226 hij sneuvelde." name="xd21e13091src">&deg;</a>, terwijl hij
-moedig</p>
-<p class="line">Het wee doorstond, de worstling met de
-Friezen<span class="corr" id="xd21e13099" title="Niet in bron">.</span></p>
-<p class="line">Den smuk, de kostbre steenen, had de koning</p>
-<p class="line">Toen meegebracht langsheen der baren beker.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1230</span> Daar viel hij onder
-&rsquo;t schild. Het lijk des vorsten</p>
-<p id="v1231" class="line">Geraakte in Frankenhand<a class="apparatusnote" id="xd21e13112src" href="#xd21e13112" title="1231 in Frankenhand: Het gedicht komt nog driemaal op dezen tocht terug: XXXIII, XXXV, XL."
-name="xd21e13112src">&deg;</a> met ring en borstkleed;</p>
-<p class="line">Want na beslechting van den slag beroofden</p>
-<p id="v1233" class="line">Er slechter kampvermeetlen<a class="apparatusnote" id="xd21e13134src" href="#xd21e13134" title="1233 slechter kampvermeetlen: de Franken; de dichter heet ze zoo, omdat zij, naar zijne meening, als krijgslieden tegen de Gooten niet konden opwegen; want Hygelac met de zijnen moest alleen voor de overmacht bukken (Vgl. v. 3020.)"
-name="xd21e13134src">&deg;</a> de verslagenen;</p>
-<p class="line">De Gootenlieden bleven op de lijkstee.&mdash;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1235</span> Zij nam het
-halskleinood<a href="#n36" class="noteref">36</a> en Wealchtheow
-zeide</p>
-<p class="line">En voor de volkschaar sprak zij: &laquo;Beste
-Beowulf</p>
-<p class="line">Gebruik met heil, o jonge held, dien halsring;</p>
-<p class="line">Aanvaard dit harnas, deze kostbaarheden.</p>
-<p class="line">Gedij ter dege. Word bekend door krachten <span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p>
-<p id="v1240" class="line"><span class="lineNum">1240</span> En wees
-mijn zoon ook<a class="apparatusnote" id="xd21e13169src" href="#xd21e13169" title="1240 mijn zoon ook: Ettm&uuml;ller maakt de opmerking, dat Wealchtheow den oudsten zoon Hredric op het oog heeft, die eens na Hrodgar zal regeeren."
-name="xd21e13169src">&deg;</a> welgezind door lessen.</p>
-<p class="line">Ik wil daarom uw loon gedachtig wezen.</p>
-<p class="line">Gij hebt bewerkt, dat heinde en ver de helden</p>
-<p class="line">U steeds, zoover haar windomwaaide stranden</p>
-<p class="line">De zee bespoelen zal, u zullen achten.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1245</span> o, Wees, zoolang gij
-leeft, een rijke ridder.</p>
-<p class="line">Ik gun u dezen goudschat. Wees door daden</p>
-<p class="line">Mijn zonen vriendelijk, gij vreugderijke.</p>
-<p id="v1248" class="line">Elk krijger hier is heel verknocht den
-andren</p>
-<p class="line">En mild van zin, den mannenheer gehoorzaam.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1250</span> Wilvaardig zijn de
-helden, &rsquo;t volk is volgzaam.</p>
-<p id="v1251" class="line">Ik bid u, blijft zoo handlen<a class="apparatusnote" id="xd21e13205src" href="#xd21e13205" title="1251 blijft zoo handlen: blijft zoo verknocht, gehoorzaam en wilvaardig."
-name="xd21e13205src">&deg;</a>, drankverheugden<a href="#n37" class="noteref">37</a>.&raquo;</p>
-<p class="line">Vervolgens richtte zij zich naar den zetel.</p>
-<p class="line">Het maal was keurig. Wijn de mannen dronken.</p>
-<p class="line">Zij wisten van geen Wyrd, geen nare noodlot,</p>
-<p id="v1255" class="line"><span class="lineNum">1255</span> Gelijk het
-moest vergaan met menig edele<a class="apparatusnote" id="xd21e13227src" href="#xd21e13227" title="1255 met menig edele: nochtans liet maar &eacute;&eacute;n ridder nl. Aschere er het leven."
-name="xd21e13227src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v1256" class="line">Nadat verschenen was de schemeravond,</p>
-<p class="line">En Hrodgar heenging naar zijn hof, de hooge,</p>
-<p id="v1258" class="line">Naar zijne rust. Een reuzig tal van
-ridders<a class="apparatusnote" id="xd21e13243src" href="#xd21e13243"
-title="1258 een reuzig tal van ridders: het zijn Denen en geene Gooten. Vgl. 1303, 1322. Beowulf had v&oacute;&oacute;r zijnen strijd met Grendel beloofd, dat zij den volgenden morgen weer bezit konden nemen van Heorot. Vgl. 614 vlg."
-name="xd21e13243src">&deg;</a></p>
-<p id="v1259" class="line">Behoedde weer, als vroeger<a class="apparatusnote" id="xd21e13263src" href="#xd21e13263" title="1259 als vroeger: voor twaalf jaren." name="xd21e13263src">&deg;</a>
-vaak, de halle.</p>
-<p id="v1260" class="line"><span class="lineNum">1260</span> Den
-bankvloer ruimden ze op<a class="apparatusnote" id="xd21e13276src"
-href="#xd21e13276" title="1260 den bankvloer ruimden ze op: door het wegbrengen der banken of tafels, om op de beschikbaar geworden ruimte stroozakken of kermisbedden te plaatsen."
-name="xd21e13276src">&deg;</a>. Hij werd in &rsquo;t ronde</p>
-<p class="line">Geheel bedekt met bedden en met bolsters. <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name="pb206">206</a>]</span></p>
-<p id="v1262" class="line">Reeds vlijde zich een schenker<a class="apparatusnote" id="xd21e13290src" href="#xd21e13290" title="1262 Wie die be&oacute;r-scealc, schenker, is, blijft in het onzekere, daar er geene verdere melding van wordt gemaakt. Probably some lines are wanting. Thorpe."
-name="xd21e13290src">&deg;</a> op het vloerbed,</p>
-<p class="line">Den dood vervallen, veeg<a href="#n38" class="noteref">38</a>. Het strijdschild stelden</p>
-<p class="line">Zij aan het hoofd, het schitterende schildhout.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1265</span> Daar op de bank was
-boven de edellieden<a href="#n39" class="noteref">39</a></p>
-<p class="line">De hooge helm te zien, &rsquo;t gevlochten harnas,</p>
-<p id="v1267" class="line">&rsquo;t Geweldig krachthout. &rsquo;t Waren
-hun gewoonten</p>
-<p class="line">Van steeds ten strijde kant en klaar te wezen,</p>
-<p class="line">In &rsquo;t heir en thuis en tevens op elk
-tijdstip,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1270</span> Wanneer de nooddwang
-voor den volksbeheerscher</p>
-<p class="line">Zich op mocht werpen.<a class="apparatusnote" id="xd21e13331src" href="#xd21e13331" title="1267&ndash;71 Nihil autem neque publicae neque privatae rei nisi armati agunt. Tacitus Germ. 13. Ad convivia procedunt armati ib. 22. Het was insgelijks bij de Scandinavische volken regel, dat ieder man zijne wapens des nachts boven zijn bed had hangen."
-name="xd21e13331src">&deg;</a> &rsquo;t Was een wakkre schare.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e13343width"><img src="images/o206.png" alt="Ornament." width="58" height="94"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12959"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12959src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1218">1218</a></span> <i>Hama</i>:
-Hij wordt in Widsidh vermeld en komt in de Hoogduitsche sage voor onder
-den naam van Heime; (ei = angs &#257;). Hij staat er in betrekking met
-Diederik van Bern en met Ermanric en vertegenwoordigt den trouweloozen,
-omkoopbaren strijder. Oorspronkelijk is &rsquo;t een mythisch
-wezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12959src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12970"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12970src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1219">1219</a></span>
-<i>Brosinghalsband</i>: de halsband, dien de Brisingen eens bezaten.
-&rsquo;t Is hetzelfde kleinood als het Brisinga-men uit de Edda, de
-beroemde halsband van Freyja.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12970src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12983"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12983src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1217">1217&ndash;20</a></span>
-Sedert Hama, den bezitter van den Brosinghalsband, had nooit een held
-schooner halsjuweel bezeten dan nu Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e12983src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e12991"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e12991src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1221">1221</a></span> <i>Ermenrics vervolging</i>: Ermenric zette
-nl. den dief na. Ermenric is de machtige koning der Oost-Goten
-Ermanarik uit de 4<sup>de</sup> eeuw. Hij vormt het middelpunt der
-Ermanaricssage.</p>
-<p class="par footnote">Saxo bericht van hem, dat hij groote schatten
-bezat en deze in zijnen burcht verborg.</p>
-<p class="par footnote">Ons Middelnederlandsch gedicht Van den Vos
-Reynaerde kent hem ook:</p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line"><span class="lineNum">2047</span> Wilen tere
-stonden</p>
-<p class="line">Hadde mine here mijn vader vonden</p>
-<p class="line">Des conincs Ermelincx scat</p>
-<p class="line">In eene verholne stat.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line"><span class="lineNum">2374</span> Daer suldi vinden oec
-die crone</p>
-<p class="line">Die Ermelync die coninc droech.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<p class="par">&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e12991src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13033"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13033src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1222">1222</a></span> <i>en koos zich &rsquo;t eeuwig heil</i>: hij
-trad in een klooster; zooals in de Diederiksage van Heime verhaald
-wordt.</p>
-<p class="par footnote">B. Symons toont aan, hoe deze plaats van
-&rsquo;t gedicht den sleutel geeft tot het verhaal van Jordanes,
-Historia Gothorum, c. 24, waar van Hermanaricus gezegd wordt, dat hij
-eene vrouw, Sunilda, door paarden liet vierendeelen, omdat haar
-echtgenoot zich bedrieglijk uit de voeten had gemaakt; zonder dat dezes
-naam noch misdrijf vermeld wordt.</p>
-<p class="par footnote">Wij weten nu uit ons gedicht, dat Hama de
-echtgenoot was, en dat zijn misdrijf bestond in het rooven van
-Ermanariks schat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13033src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13050"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13050src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1223">1223</a></span> <i>des
-rings</i>: Beowulfs halssieraad.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13050src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13061"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13061src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1224">1224</a></span>
-<i>Swerting</i>: Hygelacs grootvader. Higelac is de geschiedkundige
-<i>Chochilaicus</i>, koning der Denen. Zie <a href="#intro">Inleiding</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13061src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13080"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13080src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1225">1225</a></span>
-<i>slagbuit</i>: Dit bewijst, dat Hygelac een strooptocht ondernomen
-had, dat zeerooverij bij gevolg in zwang was.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e13080src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13091"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13091src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1226">1226</a></span> hij
-sneuvelde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13091src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13112"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13112src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1231">1231</a></span> <i>in
-Frankenhand</i>: Het gedicht komt nog driemaal op dezen tocht terug:
-<a href="#ch33">XXXIII</a>, <a href="#ch35">XXXV</a>, <a href="#ch40">XL</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13112src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13134"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13134src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1233">1233</a></span> <i>slechter
-kampvermeetlen</i>: de Franken; de dichter heet ze zoo, omdat zij, naar
-zijne meening, als krijgslieden tegen de Gooten niet konden opwegen;
-want Hygelac met de zijnen moest alleen voor de overmacht bukken (Vgl.
-v. <a href="#v3020">3020</a>.)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13134src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13169"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13169src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1240">1240</a></span> <i>mijn zoon
-ook</i>: Ettm&uuml;ller maakt de opmerking, dat Wealchtheow den oudsten
-zoon Hredric op het oog heeft, die eens na Hrodgar zal
-regeeren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13169src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13205"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13205src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1251">1251</a></span> <i>blijft zoo
-handlen</i>: blijft zoo verknocht, gehoorzaam en
-wilvaardig.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13205src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13227"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13227src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1255">1255</a></span> <i>met menig
-edele</i>: nochtans liet maar &eacute;&eacute;n ridder nl. Aschere er
-het leven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13227src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13243"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13243src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1258">1258</a></span> <i>een reuzig
-tal van ridders</i>: het zijn Denen en geene Gooten. Vgl. <a href="#v1303">1303</a>, <a href="#v1322">1322</a>. Beowulf had
-v&oacute;&oacute;r zijnen strijd met Grendel beloofd, dat zij den
-volgenden morgen weer bezit konden nemen van Heorot. Vgl. <a href="#v614">614</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13243src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13263"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13263src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1259">1259</a></span> <i>als
-vroeger</i>: voor twaalf jaren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13263src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13276"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13276src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1260">1260</a></span> <i>den
-bankvloer ruimden ze op</i>: door het wegbrengen der banken of tafels,
-om op de beschikbaar geworden ruimte stroozakken of kermisbedden te
-plaatsen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13276src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13290"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13290src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1262">1262</a></span> Wie die <i>be&oacute;r-scealc</i>, schenker,
-is, blijft in het onzekere, daar er geene verdere melding van wordt
-gemaakt.</p>
-<p class="par footnote" lang="en">Probably some lines are wanting.
-Thorpe.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13290src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13331"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13331src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1267">1267&ndash;71</a></span> Nihil autem neque publicae neque
-privatae rei nisi armati agunt. Tacitus Germ. 13.</p>
-<p class="par footnote" lang="la">Ad convivia procedunt armati ib.
-22.</p>
-<p class="par footnote">Het was insgelijks bij de Scandinavische volken
-regel, dat ieder man zijne wapens des nachts boven zijn bed had
-hangen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13331src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name="pb207">207</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7198">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XX.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nu zegen zij ten slaap. Met wee bezuurde</p>
-<p id="v1273" class="line">Er &eacute;&eacute;n<a class="apparatusnote"
-id="xd21e13357src" href="#xd21e13357" title="1273 een: Aschere." name="xd21e13357src">&deg;</a> zijn avondrust; als &rsquo;t menig reize</p>
-<p class="line">Vergaan was, sedert Grendel hunne goudwoon</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1275</span> Bezette, wrevel
-zocht, totdat het einde</p>
-<p class="line">Was opgedaagd, de dood na de euveldaden.</p>
-<p id="v1277" class="line">Dit werd bemerkbaar, wijdbekend voor
-&rsquo;t menschdom,</p>
-<p id="v1278" class="line">Dat nog een wreker<a class="apparatusnote"
-id="xd21e13378src" href="#xd21e13378" title="1278 een wreker: God."
-name="xd21e13378src">&deg;</a> leefde na den vijand,</p>
-<p class="line">Nog langen tijd na &rsquo;t kommervolle
-kampen.<a class="apparatusnote" id="xd21e13389src" href="#xd21e13389"
-title="1277&ndash;79 Christelijke voorstelling." name="xd21e13389src">&deg;</a><a href="#n40" class="noteref">40</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1280</span> Nu was &rsquo;t
-daemonisch wijf, de moeder Grendels,</p>
-<p id="v1281" class="line">Gedachtig zijnen dood, zij, welke de
-ijzing</p>
-<p class="line">Der kolk<a class="apparatusnote" id="xd21e13405src"
-href="#xd21e13405" title="1281 de ijzing der kolk: de ijselijke kolk."
-name="xd21e13405src">&deg;</a>, den kouden waterschoot bewoonde;</p>
-<p id="v1283" class="line">Sinds Ka&iuml;n werd den broeder door het
-wapen</p>
-<p class="line">Tot moordenaar, den zoon eens zelfden vaders.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1285</span> Toen vlood hij
-vredeloos, door bloed gebrandmerkt,</p>
-<p class="line">De wereldweelde en trok in wildernissen.</p>
-<p class="line">Hier werden uit verwekt de ongure geesten.</p>
-<p class="line">Van hen was Grendel &eacute;&eacute;n, de
-hatelijke,</p>
-<p class="line">De zwaardgedoemde, die den man ontmoette,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1290</span> Den wrekenden, in
-Heort, de worstling wachtend,</p>
-<p class="line">Waar &rsquo;t monster met hem handgemeen zou worden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span></p>
-<p id="v1292" class="line">Doch die<a class="apparatusnote" id="xd21e13440src" href="#xd21e13440" title="1292 die: Beowulf." name="xd21e13440src">&deg;</a> gedacht de veerkracht van zijn spieren,</p>
-<p class="line">De reuzengift, die God hem had gegeven.</p>
-<p class="line">Hij bouwde voor zich zelven op den bijstand</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1295</span> Des Albestuurders, op
-zijn steun en sterking.</p>
-<p class="line">Hij kwam daardoor te boven dezen booze,</p>
-<p class="line">Versloeg het helgedrocht. Toen droop het smaadvol,</p>
-<p class="line">Van heil verstoken henen, hij, de vijand</p>
-<p class="line">Des stervelings, de doodenstee te
-zoeken.&mdash;<a class="apparatusnote" id="xd21e13466src" href="#xd21e13466" title="1283&ndash;99 Deze verzen, welke slechts zoutelooze herhalingen vermengd met christelijke denkbeelden behelzen, zijn uit te werpen."
-name="xd21e13466src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1300</span> Nu zocht daarbij
-vraatzuchtig, duisterzinnig</p>
-<p id="v1301" class="line">Zijn moeder &rsquo;t jammervolle
-pad<a class="apparatusnote" id="xd21e13478src" href="#xd21e13478"
-title="1301 het jammervolle pad: Grendels spoor, dat zich van het nikkermeer tot aan Heorot uitstrekte."
-name="xd21e13478src">&deg;</a> te volgen,</p>
-<p class="line">Te wreken haren zoon. Zij kwam naar Heorot,</p>
-<p id="v1303" class="line">Waar langs de woon<a class="apparatusnote"
-id="xd21e13491src" href="#xd21e13491" title="1303 langs de woon: de bankvloer strekte zich langs de hoofdzijden der zaal uit. Vgl. v. 2847 Nota."
-name="xd21e13491src">&deg;</a> de Wapen-Denen sliepen.</p>
-<p id="v1304" class="line">Den ridders overkwam nu ras een
-omkeer<a class="apparatusnote" id="xd21e13505src" href="#xd21e13505"
-title="1304 een omkeer: eene verandering ten kwade." name="xd21e13505src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1305</span> Zoodra naar binnen
-drong de moeder Grendels.</p>
-<p id="v1306" class="line">Nochtans de vrees was minder groot dan
-vroeger,</p>
-<p class="line">Zooveel als kracht en kampgrim van de vrouwen</p>
-<p class="line">Tot strijders staat, als &rsquo;t goudomgeven
-slagzwaard<a class="apparatusnote" id="xd21e13525src" href="#xd21e13525" title="1306&ndash;8 Evenals de kracht der vrouw het niet kan halen bij die eens krijgsmans, zoo ook boezemde het verschijnen van Grendels moeder minder schrik in dan dat van haren zoon. Deze bemerking kan men zoo voetstoots niet aannemen, immers het blijkt later, dat Beowulf ter nauwernood en alleen door Gods hulp Grendels moeder overwon."
-name="xd21e13525src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De hardgeklonken kling, de bloedgekleurde,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1310</span> Scherpvlijmig scheert
-den ever van de helmen.</p>
-<p class="line">Het taaie zwaard werd in de hal getogen,</p>
-<p id="v1312" class="line">De degen over hunne banken henen<a class="apparatusnote" id="xd21e13544src" href="#xd21e13544" title="1312 Zij waren dus van het leger opgesprongen, om zich achter de in het midden der zaal geschoven banken te verschansen."
-name="xd21e13544src">&deg;</a>, <span class="pagenum">[<a id="pb209"
-href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p>
-<p class="line">Geheven menig schild met forsche handen</p>
-<p class="line">Niet dacht aan helm, niet aan het groote harnas,</p>
-<p id="v1315" class="line"><span class="lineNum">1315</span> Wien
-overviel de vrees.<a class="apparatusnote" id="xd21e13559src" href="#xd21e13559" title="1315 wien overviel de vrees nl. de Denen." name="xd21e13559src">&deg;</a> De vijand ijlde,</p>
-<p class="line">Hij wilde weg van hier, het lijf behoeden,</p>
-<p class="line">Nu dat hij was ontdekt. Toch greep hij gretig</p>
-<p id="v1318" class="line">Een ridder<a class="apparatusnote" id="xd21e13575src" href="#xd21e13575" title="1318 een ridder: Aschere."
-name="xd21e13575src">&deg;</a> vast bij &rsquo;t vluchten naar de
-venen.</p>
-<p class="line">Dit was des konings meest beminde kamper</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1320</span> Van zijn gevolgschap
-bij de beide zee&euml;n,</p>
-<p class="line">Een schrikbaar schildheld, dien hij doodde op &rsquo;t
-leger,</p>
-<p id="v1322" class="line">Een hooggevierde borst. Niet was er
-Beowulf;</p>
-<p class="line">Want na de uitdeeling werd een andre woning</p>
-<p class="line">Den Goot, den wijdvermaarden, aangewezen.</p>
-<p id="v1325" class="line"><span class="lineNum">1325</span> Geraas
-verrees in Heorot. Hij ontvoerde</p>
-<p class="line">De roodbebloede hand, de wijdberuchte.<a class="apparatusnote" id="xd21e13604src" href="#xd21e13604" title="1325&ndash;26 Hij d. i. de vijand. De reuzin nam bij het uitgaan Grendels schouder mede, welken Beowulf tot zegeteeken voor de deur had neergelegd."
-name="xd21e13604src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Het wee was weer vernieuwd in hunne woning.</p>
-<p class="line">Niet deeglijk was de handel, dat de helden</p>
-<p class="line">Betalen moesten met der makkers leven</p>
-<p id="v1330" class="line"><span class="lineNum">1330</span> De boozen
-beiderzijds<a class="apparatusnote" id="xd21e13624src" href="#xd21e13624" title="1330 de boozen beiderzijds: immers Grendel en zijne moeder hadden hun slachtoffers ge&euml;ischt."
-name="xd21e13624src">&deg;</a>. De vorst<a class="apparatusnote" id="xd21e13636src" href="#xd21e13636" title="de vorst: Hrodgar." name="xd21e13636src">&deg;</a>, de vroede,</p>
-<p class="line">De grijze wapenheld, was wild te moede,</p>
-<p class="line">Toen levenloos hij wist den waardsten raadsman.</p>
-<p class="line">In aller ijle werd uit zijne woning</p>
-<p class="line">Gehaald de held, de zegeblijde, Beowulf.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1335</span> Voor dag en dauw nog
-spoedde met zijn mannen</p>
-<p class="line">De held zich heen, de koengestemde kamper,</p>
-<p class="line">Alwaar de wijze Hrodgar zat te wachten,</p>
-<p class="line">Of de Algebieder na die bange boodschap</p>
-<p class="line">Hem ooit een wending wilde voorbewaren. <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1340</span> Hij stapte langs den
-vloer de wapenstoute</p>
-<p class="line">Met zijnen drom, (het hout der halle dreunde)</p>
-<p class="line">Den wijzen Denenheer met woorden welkom</p>
-<p id="v1343" class="line">Te heeten, vroeg, of, naar zijn heusche
-wenschen<a class="apparatusnote" id="xd21e13673src" href="#xd21e13673"
-title="1343 naar zijn heusche wenschen: naar Beowulfs wensch." name="xd21e13673src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Voor hem ook heilvol was geweest de nachtrust.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e13685width"><img src="images/o210.png" alt="Ornament." width="83" height="147"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13357"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13357src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1273">1273</a></span> <i>een</i>:
-Aschere.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13357src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13378"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13378src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1278">1278</a></span> <i>een
-wreker</i>: God.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13378src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13389"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13389src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1277">1277&ndash;79</a></span>
-Christelijke voorstelling.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13389src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13405"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13405src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1281">1281</a></span> <i>de ijzing
-der kolk</i>: de ijselijke kolk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13405src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13440"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13440src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1292">1292</a></span> <i>die</i>:
-Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13440src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13466"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13466src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1283">1283&ndash;99</a></span> Deze
-verzen, welke slechts zoutelooze herhalingen vermengd met christelijke
-denkbeelden behelzen, zijn uit te werpen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13466src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13478"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13478src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1301">1301</a></span> <i>het
-jammervolle pad</i>: Grendels spoor, dat zich van het nikkermeer tot
-aan Heorot uitstrekte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13478src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13491"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13491src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1303">1303</a></span> <i>langs de
-woon</i>: de bankvloer strekte zich langs de hoofdzijden der zaal uit.
-Vgl. v. <a href="#v2847">2847</a> Nota.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13491src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13505"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13505src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1304">1304</a></span> <i>een
-omkeer</i>: eene verandering ten kwade.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13505src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13525"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13525src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1306">1306&ndash;8</a></span> Evenals de kracht der vrouw het niet
-kan halen bij die eens krijgsmans, zoo ook boezemde het verschijnen van
-Grendels moeder minder schrik in dan dat van haren zoon.</p>
-<p class="par footnote">Deze bemerking kan men zoo voetstoots niet
-aannemen, immers het blijkt later, dat Beowulf ter nauwernood en alleen
-door Gods hulp Grendels moeder overwon.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13525src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13544"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13544src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1312">1312</a></span> Zij waren dus
-van het leger opgesprongen, om zich achter de in het midden der zaal
-geschoven banken te verschansen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13544src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13559"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13559src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1315">1315</a></span> <i>wien
-overviel de vrees</i> nl. de Denen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13559src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13575"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13575src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1318">1318</a></span> <i>een
-ridder</i>: Aschere.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13575src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13604"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13604src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1325">1325&ndash;26</a></span>
-<i>Hij</i> d. i. de vijand. De reuzin nam bij het uitgaan Grendels
-schouder mede, welken Beowulf tot zegeteeken voor de deur had
-neergelegd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13604src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13624"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13624src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1330">1330</a></span> <i>de boozen
-beiderzijds</i>: immers Grendel en zijne moeder hadden hun slachtoffers
-<span class="corr" id="xd21e13632" title="Bron: geeischt">ge&euml;ischt</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13624src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13636"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13636src">&deg;</a></span>
-<i>de vorst</i>: Hrodgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13636src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13673"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13673src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1343">1343</a></span> <i>naar zijn
-heusche wenschen</i>: naar Beowulfs wensch.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e13673src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name="pb211">211</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7207">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXI.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">1345</span> En Hrodgar sprak, de
-schermheer van de Schyldings:</p>
-<p id="v1346" class="line">&laquo;Naar welstand vraag me niet. De nood
-is weder</p>
-<p class="line">Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aschere,</p>
-<p class="line">Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder,</p>
-<p id="v1349" class="line">Mijn alvertrouwde en raadverstrekker
-tevens,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1350</span> Mijn zijgenoot,
-wanneer wij &rsquo;t hoofd behoedden</p>
-<p class="line">In &rsquo;t veld, wanneer te zamen stiet het
-voetvolk,</p>
-<p class="line">Helmevers stormden<a href="#n41" class="noteref">41</a>. Zoo toch zij een strijder,</p>
-<p class="line">Een ridder lang beproefd, gelijk was Aschere.</p>
-<p class="line">Hem werd tot wurger in de hallewoning</p>
-<p id="v1355" class="line"><span class="lineNum">1355</span> De duistre
-doodsgeest. &rsquo;k Weet niet, waar de gruwbre</p>
-<p class="line">Al bogend op den buit <span class="corr" id="xd21e13729" title="Bron: terugge reisde">teruggereisde</span>,</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t rooven van de prooi alleen
-verraden.<a class="apparatusnote" id="xd21e13734src" href="#xd21e13734"
-title="1355&ndash;57 De juiste schuilplaats van Grendels moeder t. w. de onderzeesche woning is den koning natuurlijk onbekend; waar het monster zich ophoudt, weet hij zeer goed, gelijk later blijkt. Cosijn."
-name="xd21e13734src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hij heeft aldaar op ons verhaald de veete,</p>
-<p class="line">Omdat gij gistren nacht zijn Grendel dooddet</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1360</span> Op woeste wijs met
-harden handgreep; immers</p>
-<p class="line">Die dunde en doodde reeds te lang mijn lieden.</p>
-<p class="line">Hij viel in &rsquo;t krijt, vervallen van het
-leven.</p>
-<p id="v1363" class="line">Nu daagde een ander machtig euveldader,</p>
-<p class="line">Het was zijn doelwit zijnen zoon te wreken,</p>
-<p id="v1365" class="line"><span class="lineNum">1365</span> En voor
-&rsquo;t vervolg bewerkte hij de veete.<a class="apparatusnote" id="xd21e13762src" href="#xd21e13762" title="1365 Grendels moeder heeft een begin gemaakt met de vijandelijkheden, waarvan het einde niet te voorzien is. Men vergete niet, dat de bloedwraak openlijk, niet arglistig moest geschieden, zoodat er geen zweem van misdaad mocht bestaan. Vandaar euveldader v. 1363."
-name="xd21e13762src">&deg;</a><a href="#n42" class="noteref">42</a>
-<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name="pb212">212</a>]</span></p>
-<p class="line">Diensvolgens mag het menig dappre dunken,</p>
-<p id="v1367" class="line">Die naar den heerscher<a class="apparatusnote" id="xd21e13784src" href="#xd21e13784" title="1367 heerscher: Aschere. Nog een ander vorst, Wulfgar, behoorde tot Hrodgars gevolg. Vgl. 340."
-name="xd21e13784src">&deg;</a> haakt in zijne ziele,</p>
-<p id="v1368" class="line">Een harde hartkwetsuur. Nu rust de
-rechte<a class="apparatusnote" id="xd21e13798src" href="#xd21e13798"
-title="1368&ndash;69 Ascheres hand zal geene geschenken meer uitdeelen, zooals een vorst pleegt te doen."
-name="xd21e13798src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Die willig was voor ieder uwer wenschen.</p>
-<p id="v1370" class="line"><span class="lineNum">1370</span> Dit hoorde
-ik landbewoners,<a href="#n43" class="noteref">43</a> mijne lieden,</p>
-<p class="line">Mijn zaalbewakers zeggen: dat ze een tweetal</p>
-<p class="line">Van zulke reuziggroote grensbesluipers</p>
-<p class="line">Gehuisvest zagen midden in de moeren,</p>
-<p class="line">Twee menschenschuwe schimmen. De eene dezer</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1375</span> Scheen, naar hun
-beste weten, volgens &rsquo;t wezen</p>
-<p class="line">Een vrouw te zijn, terwijl de tweede wanmensch</p>
-<p id="v1377" class="line">In mansgedaante op ballingswegen<a class="apparatusnote" id="xd21e13829src" href="#xd21e13829" title="1377 op ballingswegen: in de eenzaamheid, ver van het menschdom."
-name="xd21e13829src">&deg;</a> doolde.</p>
-<p class="line">Slechts was hij machtiger dan een der mannen.</p>
-<p class="line">Hem heette Grendel sinds den grijzen voortijd</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1380</span> Het aardevolk. Zij
-kennen niet zijn vader,</p>
-<p class="line">Noch of hem ooit ontsproten duistre daemons.</p>
-<p id="v1382" class="line">Zij nestelen in ongenaakbre
-streken,<a class="apparatusnote" id="xd21e13851src" href="#xd21e13851"
-title="1382 Sarrazin beschrijft de omgeving ten Noorden van Lerje als volgt. Daar bevindt zich een moeras, het Kattinge-moor, waarbij zich oostwaarts het kleine en groote Kattinge-meer aansluiten. Dit laatste staat met den Roeskilder fjord door middel van de Kornerup-Aae in verbinding, welke nu eene beek, doch vroeger eene bevaarbare rivier was. Het eigenlijke verblijf van Grendel is er achter, in de bocht, ter plaatse waar een stroom door eene kloof in zee stort 1385. Deze kloof meent hij te herkennen in het oude bed der Kornerup-Aae, waar deze in den vorm van ravijn uitmondt. Hier tegenover ligt in den inham zelf een klein eiland, waarop een hert zich zou kunnen redden 1394. Dit eiland is de eigenlijke schuilplaats van Grendel, ofschoon de heele omgeving, het moeras en de twee meren, tot zijn gebied behooren. Wat de rotsen en klippen betreft, waarvan het gedicht gewag maakt, vindt Sarrazin geene verklaring, daar er in werkelijkheid slechts duinen en zandheuvels te vinden zijn. Hij heet dit dan ook eene overdrijving, welke aan de dichterlijke phantasie is toe te schrijven. (?)"
-name="xd21e13851src">&deg;</a></p>
-<p class="line">In wolfskrocht, windombruiste voorgebergten,
-<span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span></p>
-<p class="line">Verraderlijke paden door moerassen,</p>
-<p id="v1385" class="line"><span class="lineNum">1385</span> Alwaar de
-bergvloed uit de omwolkte klippen</p>
-<p class="line">Terneder stort, het stroomend nat bij de aarde.</p>
-<p id="v1387" class="line">Niet wijd van hier, op weinig mijlen
-afstands</p>
-<p class="line">Daar ligt het meer, waar rijpbeladen bosschen</p>
-<p class="line">Zich overbuigen, wouden vast door wortels.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1390</span> Ze omhuiven &rsquo;t
-nat. Daar zal men alle nachten</p>
-<p class="line">Een vreeslijk wonder zien, een vuur in &rsquo;t
-water.</p>
-<p id="v1392" class="line">Niet leeft een zoo diepzinnig zoon der
-menschen,</p>
-<p class="line">Die zijnen bodem kent. Al zoekt, door honden</p>
-<p id="v1394" class="line">In &rsquo;t nauw gebracht, het hert, de
-heideganger,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1395</span> &rsquo;t
-Geweigeweldige, het woud, van verre</p>
-<p class="line">Verjaagd, veel liever levert dit zijn leven</p>
-<p class="line">Eerst over, zijnen adem aan de zoomen,</p>
-<p class="line">Dan dat het in wil, om zijn hoofd te hoeden.</p>
-<p id="v1399" class="line">&rsquo;t Is geen aanminnig oord, vanwaar
-&rsquo;t gemengel</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1400</span> Der golven, &rsquo;t
-zwarte, tot het zwerk opsteigert,</p>
-<p class="line">Wanneer de winden wentlen norsche vlagen,</p>
-<p class="line">Tot donker wordt de lucht, de transen weenen.<a class="apparatusnote" id="xd21e13937src" href="#xd21e13937" title="1399&ndash;1402 Een bewijs dat Grendel oorspronkelijk een stormgeest was. Als zoodanig vertoont hij zich, volgens Sarrazin, nu nog in de volkssprookjes te Roeskilde. Is het wel noodig, op deze sombere, aangrijpende beschrijving van het geheimzinnige Grendelmeer te wijzen?"
-name="xd21e13937src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Bij U alleen berust alweer de redding.</p>
-<p class="line">Nog kent gij niet de plaats, de plek, de nare,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1405</span> Alwaar gij &rsquo;t
-snoode wezen moogt ontmoeten.</p>
-<p class="line">O, zoek het, zoo ge durft, &rsquo;k Vergeld met
-gaven</p>
-<p class="line">&rsquo;t Gevecht en ouden smuk, als &rsquo;k deed te
-voren,</p>
-<p class="line">Met gouden ringen, zoo gij gaaf terugkomt.&raquo;</p>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13734"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13734src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1355">1355&ndash;57</a></span> De
-juiste schuilplaats van Grendels moeder t. w. de onderzeesche woning is
-den koning natuurlijk onbekend; waar het monster zich ophoudt, weet hij
-zeer goed, gelijk later blijkt. <i>Cosijn.</i>&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e13734src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13762"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13762src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1365">1365</a></span> Grendels
-moeder heeft een begin gemaakt met de vijandelijkheden, waarvan het
-einde niet te voorzien is. Men vergete niet, dat de bloedwraak
-openlijk, niet arglistig moest geschieden, zoodat er geen zweem van
-misdaad mocht bestaan. Vandaar <i>euveldader</i> v. <a href="#v1363">1363</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13762src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13784"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13784src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1367">1367</a></span>
-<i>heerscher</i>: Aschere. Nog een ander vorst, Wulfgar, behoorde tot
-Hrodgars gevolg. Vgl. <a href="#v340">340</a>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e13784src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13798"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13798src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1368">1368&ndash;69</a></span>
-Ascheres hand zal geene geschenken meer uitdeelen, zooals een vorst
-pleegt te doen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13798src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13829"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13829src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1377">1377</a></span> <i>op
-ballingswegen</i>: in de eenzaamheid, ver van het
-menschdom.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13829src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13851"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13851src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1382">1382</a></span> Sarrazin beschrijft de omgeving ten Noorden
-van Lerje als volgt. Daar bevindt zich een moeras, het
-<i>Kattinge-moor</i>, waarbij zich oostwaarts het kleine en groote
-<i>Kattinge-meer</i> aansluiten. Dit laatste staat met den Roeskilder
-fjord door middel van de <i>Kornerup-Aae</i> in verbinding, welke nu
-eene beek, doch vroeger eene bevaarbare rivier was.</p>
-<p class="par footnote">Het eigenlijke verblijf van Grendel is er
-achter, in de bocht, ter plaatse waar een stroom door eene kloof in zee
-stort <a href="#v1385">1385</a>.</p>
-<p class="par footnote">Deze kloof meent hij te herkennen in het oude
-bed der Kornerup-Aae, waar deze in den vorm van ravijn uitmondt.</p>
-<p class="par footnote">Hier tegenover ligt in den inham zelf een klein
-eiland, waarop een hert zich zou kunnen redden <a href="#v1394">1394</a>.</p>
-<p class="par footnote">Dit eiland is de eigenlijke schuilplaats van
-Grendel, ofschoon de heele omgeving, het moeras en de twee meren, tot
-zijn gebied behooren.</p>
-<p class="par footnote">Wat de rotsen en klippen betreft, waarvan het
-gedicht gewag maakt, vindt Sarrazin geene verklaring, daar er in
-werkelijkheid slechts duinen en zandheuvels te vinden zijn.</p>
-<p class="par footnote">Hij heet dit dan ook eene overdrijving, welke
-aan de dichterlijke phantasie is toe te schrijven. (?)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13851src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13937"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13937src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1399">1399&ndash;1402</a></span> Een bewijs dat Grendel
-oorspronkelijk een stormgeest was. Als zoodanig vertoont hij zich,
-volgens Sarrazin, nu nog in de volkssprookjes te Roeskilde.</p>
-<p class="par footnote">Is het wel noodig, op deze sombere,
-aangrijpende beschrijving van het geheimzinnige Grendelmeer te
-wijzen?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13937src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name="pb214">214</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7213">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXII<span class="corr" id="xd21e13965" title="Niet in bron">.</span></h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:</p>
-<p id="v1410" class="line"><span class="lineNum">1410</span>
-&laquo;Zorg niet, hoogwijze vorst! &rsquo;t Is elk gewenschter</p>
-<p class="line">Te wreken zijnen vriend, dan veel te rouwen.</p>
-<p id="v1412" class="line">Een ieder onzer zal het eind ervaren</p>
-<p id="v1413" class="line">Van &rsquo;t leven hier omlaag. Dat hij
-behale,</p>
-<p class="line">Die daartoe is in staat, een naam v&oacute;&oacute;r
-&rsquo;t sterven!</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1415</span> &rsquo;t Is later
-&rsquo;t beste voor d&rsquo;ontlijfden krijger.<a class="apparatusnote"
-id="xd21e13986src" href="#xd21e13986" title="1410&ndash;15 Deze woorden doen de scherpe tegenstelling uitkomen tusschen den weekhartigen Hrodgar en den roemzuchtigen Beowulf, den man van het Noorden &laquo;met daden in de vuisten.&raquo; Daarom kan ik mij niet met Ettm&uuml;ller vereenigen, die 1412&ndash;15 uitwerpt, als zijnde te zeer zinspreukig."
-name="xd21e13986src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Rijkshoeder, rijs! Welaan, met rassche schreden</p>
-<p class="line">Gegaan, beschouwd den gang van Grendels moeder!</p>
-<p class="line">Dit zeg ik toe: Zij zal zich niet onttrekken</p>
-<p class="line">In eene schuilplaats, noch den schoot der aarde,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1420</span> Noch in het
-berggeboomt, noch op den bodem</p>
-<p class="line">Der golven, ga ze dan alwaar ze wille.</p>
-<p class="line">Gij oefen nog geduld voor dezen dagstond</p>
-<p class="line">Met ieder leed, gelijk ik u dit toewensch.&raquo;</p>
-<p class="line">Nu rees de grijze recht. Hij dankte Gode,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1425</span> Den sterken Heer,
-voor &rsquo;t geen de held daar zeide.</p>
-<p class="line">Getoomd werd toen des konings ros, de klepper</p>
-<p class="line">Met langgelokte manen. Statig stapte</p>
-<p id="v1428" class="line">De wijze heerscher heen; de voetschaar
-volgde <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span></p>
-<p class="line">Der schildbeschutten. Verre was te schouwen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1430</span> Langsheen de wegen
-van het woud het voetspoor</p>
-<p class="line">Des vijands, zijne vlucht langsheen de vlakte,</p>
-<p class="line">Alwaar hij wegsloop over &rsquo;t donkre drasland</p>
-<p id="v1433" class="line">En met zich bracht d&rsquo;ontzielden
-man<a class="apparatusnote" id="xd21e14040src" href="#xd21e14040"
-title="1433 d&rsquo;ontzielden man: Aschere." name="xd21e14040src">&deg;</a>, den besten</p>
-<p class="line">Van hen, die &rsquo;t huis beheerden met den
-heerscher.</p>
-<p id="v1435" class="line"><span class="lineNum">1435</span> Nu toog
-der eedlen telg<a class="apparatusnote" id="xd21e14055src" href="#xd21e14055" title="1435 der eedlen telg: Hrodgar." name="xd21e14055src">&deg;</a> langs steile steenklip,</p>
-<p class="line">Langs enge steegjes, voor den stap eens enklen,</p>
-<p class="line">Langs wegen nooit gekend, langs nauwe riffen</p>
-<p class="line">En menig nikkerhuis. Aan &rsquo;t hoofd der enklen,</p>
-<p id="v1439" class="line">Der wijze lieden, ging hij<a class="apparatusnote" id="xd21e14072src" href="#xd21e14072" title="1439 hij: Hrodgar." name="xd21e14072src">&deg;</a> &rsquo;t land
-doorvorschend,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1440</span> Totdat hij eensklaps
-aantrof &rsquo;t berggeboomte,</p>
-<p class="line">Dat langs de grauwe rotsen overleunde,</p>
-<p class="line">Het vreugdelooze woud. Daar lag beneden</p>
-<p class="line">Het water bloedigrood en wildbewogen.</p>
-<p class="line">Het viel den Denen al, den Schyldingsvrienden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1445</span> En menig held in
-&rsquo;t hart wel zwaar te harden;</p>
-<p class="line">Een rilling was &rsquo;t voor ieder van de ridders,</p>
-<p class="line">Toen ze Aschers hoofd ontmoetten op de meerklip.</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t bloed, het heete hartbloed, woelde
-&rsquo;t water.</p>
-<p class="line">De helden zagen toe. Soms zong de horen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1450</span> Een vaartree
-oorlogslied. De heele voetschaar</p>
-<p class="line">Was neergezeten. Langs het water zagen</p>
-<p class="line">Zij meer dan een van &rsquo;t slag der
-monsterwormen,</p>
-<p class="line">Ontzetbre zeegedrochten &rsquo;t nat doorzoeken,</p>
-<p class="line">Ook nikkers, in de rotskloof nederliggend,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1455</span> Die tegen middagtijd
-gevreesde tochten</p>
-<p id="v1456" class="line">Niet zelden ondernemen langs de
-zeilstraat<a class="apparatusnote" id="xd21e14125src" href="#xd21e14125" title="1456 zeilstraat: Zee." name="xd21e14125src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Gewormte en wild gebroed. Zij stoven woedend</p>
-<p class="line">En opgetergd daarhenen, toen zij hoorden <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span></p>
-<p class="line">Het schel geschal, het klinken van den kamphoorn.</p>
-<p id="v1460" class="line"><span class="lineNum">1460</span> De
-Gootenvorst beroofde van het leven</p>
-<p class="line">En &rsquo;t zwemgedartel &eacute;&eacute;nen door den
-pijlboog,</p>
-<p class="line">Dat hem in &rsquo;t harte drong de scherpe
-heerschicht;</p>
-<p class="line">En loomer, naar gelang de dood hem wegnam,</p>
-<p class="line">Werd deze bij het zwemmen door de zee&euml;n.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1465</span> Gezwind met
-eversprieten, scherp als zwaarden</p>
-<p class="line">Geweerhaakt, werd hij fel benard in &rsquo;t water,</p>
-<p class="line">Om strijd bestookt en op het strand getrokken,</p>
-<p class="line">De wondre golvenschudder. &rsquo;t Volk beschouwde</p>
-<p class="line">Den gruwbren gast.<a class="apparatusnote" id="xd21e14166src" href="#xd21e14166" title="1460&ndash;1469a M&uuml;llenhoff breekt zoo maar klakkeloos den staf over deze regels. Hij vindt ze doelloos, ja onnoozel!"
-name="xd21e14166src">&deg;</a> Toen rustte in ridderkleeding</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1470</span> Zich Beowulf uit;
-niet beefde hij voor &rsquo;t leven.</p>
-<p class="line">Het handgevlochten, wonderglanzig harnas,</p>
-<p class="line">Het breede, zou met hem de zee ervaren,</p>
-<p class="line">&rsquo;t Geen bergen kon zijn lichaam, dat de
-kampvuist</p>
-<p class="line">Niet zijne borst, de sluwe greep des boozen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1475</span> Zijn leven schaden
-mocht. Doch &rsquo;t hoofd beschermde</p>
-<p class="line">De helm, de heldre, die zich met de diepte</p>
-<p class="line">Vereenen zou, het zeegewentel zoeken,</p>
-<p id="v1478" class="line">Getooid met goud, met vorstenwrong
-omgeven,</p>
-<p class="line">Gelijk in &rsquo;t lang voorheen hem had
-vervaardigd</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1480</span> De wapensmid, bewerkt
-op wondre wijze,</p>
-<p class="line">Bezet met everzwijnen, z&oacute;&oacute; dat sedert</p>
-<p id="v1482" class="line">Noch brand<a class="apparatusnote" id="xd21e14207src" href="#xd21e14207" title="1482 noch brand: dit woord kan, evenals het Angs. brond, zoowel vuur als zwaard beteekenen."
-name="xd21e14207src">&deg;</a> noch degen hem vermocht te deren.</p>
-<p id="v1483" class="line">Ook was de kling geen kleine steun der
-sterkte,</p>
-<p class="line">Die tot behulp de spreker Hrodgars, Hunferd,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1485</span> Hem had geleend. Het
-lemmer heette Hrunting.</p>
-<p class="line">Dit eene stond vooraan bij de erfkleinooden;</p>
-<p class="line">Van staal was &rsquo;t zwaard en bruin van
-zwadderdroppen,</p>
-<p class="line">Gehard in &rsquo;t bloed. Geen held, dien &rsquo;t ooit
-beschaamde <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name="pb217">217</a>]</span></p>
-<p id="v1489" class="line">In <span class="corr" id="xd21e14246" title="Bron: t">&rsquo;t</span> veld, die &rsquo;t zwaaide met de vuist,
-angstwegen<a class="apparatusnote" id="xd21e14249src" href="#xd21e14249" title="1489 angstwegen: het krijgspad." name="xd21e14249src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1490</span> Betreden dorst, het
-volkrenveld des vijands.</p>
-<p class="line">&rsquo;t Verrichtte niet voor de eerste reize
-krachtda&acirc;n.</p>
-<p id="v1492" class="line">Voorzeker niet gedacht de zoon van
-Ecglaf<a class="apparatusnote" id="xd21e14266src" href="#xd21e14266"
-title="1492 de zoon van Ecglaf: Hunferd. Zijne woordenwisseling over Brecca&rsquo;s zwemtocht wordt hier in herinnering gebracht."
-name="xd21e14266src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De koene aan kracht, alwat hij eerst beweerde,</p>
-<p class="line">Beneveld door den wijn, nu dat hij &rsquo;t wapen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1495</span> Wou leenen aan
-gelukkiger een zwaardheld.</p>
-<p class="line">Niet dorst hij zelf op &rsquo;t spel het leven
-zetten</p>
-<p class="line">In &rsquo;t golfgestorm, een stoute daad voldingen.</p>
-<p id="v1498" class="line">Hier ging zijn roem te loor, de roep der
-sterkte.</p>
-<p id="v1499" class="line">Niet stond het desgelijks gesteld met
-d&rsquo;andre<a class="apparatusnote" id="xd21e14292src" href="#xd21e14292" title="1499 met d&rsquo;andere: Beowulf." name="xd21e14292src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1500</span> Toen deze zich
-gewapend had ter worstling.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e14306width"><img src="images/o292.png" alt="Ornament." width="155" height="85"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e13986"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e13986src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1410">1410&ndash;15</a></span> Deze
-woorden doen de scherpe tegenstelling uitkomen tusschen den
-weekhartigen Hrodgar en den roemzuchtigen Beowulf, den man van het
-Noorden &laquo;met daden in de vuisten.&raquo; Daarom kan ik mij niet
-met Ettm&uuml;ller vereenigen, die <a href="#v1412">1412&ndash;15</a>
-uitwerpt, als zijnde te zeer zinspreukig.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e13986src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14040"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14040src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1433">1433</a></span>
-<i>d&rsquo;ontzielden man</i>: Aschere.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14040src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14055"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14055src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1435">1435</a></span> <i>der eedlen
-telg</i>: Hrodgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14055src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14072"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14072src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1439">1439</a></span> <i>hij</i>:
-Hrodgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14072src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14125"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14125src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1456">1456</a></span>
-<i>zeilstraat</i>: Zee.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14125src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14166"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14166src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1460">1460&ndash;1469<i>a</i></a></span> M&uuml;llenhoff breekt zoo
-maar klakkeloos den staf over deze regels. Hij vindt ze doelloos, ja
-onnoozel!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14166src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14207"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14207src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1482">1482</a></span> <i>noch
-brand</i>: dit woord kan, evenals het Angs<span class="corr" id="xd21e14215" title="Niet in bron">.</span> <i lang="ang">brond</i>,
-zoowel <i>vuur</i> als <i>zwaard</i> beteekenen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14207src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14249"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14249src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1489">1489</a></span>
-<i>angstwegen</i>: het krijgspad.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14249src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14266"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14266src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1492">1492</a></span> <i>de zoon
-van Ecglaf</i>: Hunferd. Zijne woordenwisseling over Brecca&rsquo;s
-zwemtocht wordt hier in herinnering gebracht.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e14266src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14292"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14292src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1499">1499</a></span> <i>met
-d&rsquo;andere</i>: Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14292src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name="pb218">218</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7219">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXIII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:</p>
-<p class="line">&laquo;Geheug u nu, o hooge spruit van Healfdeen,</p>
-<p class="line">o Vroede vorst, nu &rsquo;k tot den tocht ben
-reede,</p>
-<p id="v1504" class="line">o Vriend der vromen<a class="apparatusnote"
-id="xd21e14325src" href="#xd21e14325" title="1504 der vromen: in de oude beteekenis van dapper." name="xd21e14325src">&deg;</a>, wat wij vroeger spraken:</p>
-<p id="v1505" class="line"><span class="lineNum">1505</span> Indien ik
-eens in uwen dienst het leven</p>
-<p id="v1506" class="line">Verlaat, dat gij voor mij<a class="apparatusnote" id="xd21e14343src" href="#xd21e14343" title="1506 voor mij: in stede van mij." name="xd21e14343src">&deg;</a>, den
-overledene,</p>
-<p class="line">Voortaan vervullen zult de plaats van vader,</p>
-<p class="line">o, Wees de wachter van de wapenlieden,</p>
-<p class="line">Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt,</p>
-<p id="v1510" class="line"><span class="lineNum">1510</span> En zend
-dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,</p>
-<p class="line">De mij geschonken schatten heen aan Hyglac.</p>
-<p id="v1512" class="line">Dan kan aan &rsquo;t goud der Gooten vorst
-erkennen,</p>
-<p class="line">De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,</p>
-<p class="line">Dat ik een meer dan milden goudbegever</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1515</span> Gevonden heb en
-hield, zoolang ik leefde.</p>
-<p id="v1516" class="line">En gij, mijn Unferd, laat het oude
-lemmer,</p>
-<p class="line">Het kostbre, zware zwaard, het harde, hebben</p>
-<p id="v1518" class="line">Een wijdberoemden held.<a class="apparatusnote" id="xd21e14381src" href="#xd21e14381" title="1516&ndash;18 Laat mij (nl. Beowulf) het zwaard hebben. Hunferd had immers Hrunting aan Beowulf geleend. Vgl. v. 1483."
-name="xd21e14381src">&deg;</a> &rsquo;k Verwerf met Hrunting</p>
-<p class="line">Mij roem, of anders rukt de dood mij mede.&raquo;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1520</span> Geweldig ijlde weg
-bij deze woorden</p>
-<p id="v1521" class="line">Der Weder-Gooten<a class="apparatusnote" id="xd21e14398src" href="#xd21e14398" title="1521 Weder-Gooten: Weders, Gooten." name="xd21e14398src">&deg;</a>
-vorst; hij wachtte geenszins <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span></p>
-<p class="line">Het antwoord af. De vloed ontving den strijdheld.</p>
-<p id="v1523" class="line">Wel eene stond&rsquo; des dags
-verstreek<a class="apparatusnote" id="xd21e14413src" href="#xd21e14413"
-title="1523 Vgl. v. 1392 vlg." name="xd21e14413src">&deg;</a><a href="#n44" class="noteref">44</a>, alvorens</p>
-<p id="v1524" class="line">Hij &rsquo;t bodemvlak bereiken kon der
-baren.</p>
-<p id="v1525" class="line"><span class="lineNum">1525</span> Nu werd
-terstond gewaar die honderd winters</p>
-<p class="line">Strijdgierig had bewaakt den schoot der golven,</p>
-<p class="line">De booze, vraatgeduchte, dat van boven</p>
-<p class="line">Der menschen een naar &rsquo;t oord der monsters
-vorschte.<a class="apparatusnote" id="xd21e14436src" href="#xd21e14436"
-title="1525&ndash;28 Grendels moeder werd gewaar, dat iemand in het meer was gedoken."
-name="xd21e14436src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Zij tastte toe en greep met gruwbre klauwen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1530</span> Den wapenheld, doch
-wondde niet inwendig</p>
-<p class="line">Het onverlette lijf. Dit borg van buiten</p>
-<p id="v1532" class="line">Het ringkuras, dat<a class="apparatusnote"
-id="xd21e14452src" href="#xd21e14452" title="1532 dat: zoodat." name="xd21e14452src">&deg;</a> zij niet door kon rukken</p>
-<p class="line">Den wapenrok, de welgevlochten halsberg,</p>
-<p class="line">Met grimmige vuist. De zeewolvin ontvoerde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1535</span> Der ringen heer, nu
-zij den bo&ocirc;m bereikte,</p>
-<p class="line">Naar hare woning, dat hij over &rsquo;t wapen</p>
-<p class="line">(Hem schoot de moed te kort) niet kon
-beschikken<a href="#n45" class="noteref">45</a>:</p>
-<p id="v1538" class="line">Want zwemmend drongen om hem veel
-gedrochten</p>
-<p class="line">En menig zeedier tornde met den kamptand</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1540</span> Aan &rsquo;t
-wapennet; zij zetten na den vijand.<a class="apparatusnote" id="xd21e14485src" href="#xd21e14485" title="1525&ndash;40 M&uuml;llenhoff strijkt deze verzen, omdat niet gezegd wordt, hoe Beowulf uit de klauwen van het monster is losgekomen, hetgeen nochtans met het oog op v. 1547b vlg. moet verondersteld worden. Het valt nochtans te betwijfelen of het afwezig zijn van eene omstandigheid, welke men gemakkelijk uit den samenhang kan opmaken, tegen een grooter bezwaar nl. het wegcijferen van de heele plaats, kan opwegen."
-name="xd21e14485src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Nu vond de vorst, hij was in zekre woning</p>
-<p class="line">Der diepte, waar hem geene golven deerden,</p>
-<p class="line">Noch wegens &rsquo;t dak de valsche greep des
-waters</p>
-<p id="v1544" class="line">Hem kon omknellen. Hij ontwaarde een
-weerschijn</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1545</span> Van vuur, een hellen
-gloed, die helder glansde.<a class="apparatusnote" id="xd21e14509src"
-href="#xd21e14509" title="1544&ndash;45 De open haardstede, die, volgens Oud-Germaansche gewoonte, zich in het midden van het vertrek bevond. Ook hingen er, zooals het gebruik was, wapens aan den wand. Vgl. 1588."
-name="xd21e14509src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb220"
-href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span></p>
-<p class="line">Nu zag de dappre de wolvin der diepte,</p>
-<p id="v1547" class="line">Het schrikbaar waterwijf. Hij schonk het
-slagzwaard<a class="apparatusnote" id="xd21e14523src" href="#xd21e14523" title="1547 slagzwaard: Hrunting." name="xd21e14523src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Een reuzenzwaai. Niet trokken zich terugge</p>
-<p class="line">De handen tot den houw, zoodat de degen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1550</span> Op haren schedel zong
-een hongrig kamplied.</p>
-<p id="v1551" class="line">Toen ondervond de vreemde<a class="apparatusnote" id="xd21e14542src" href="#xd21e14542" title="de vreemde: Beowulf." name="xd21e14542src">&deg;</a>, dat de
-strijdstraal<a class="apparatusnote" id="xd21e14547src" href="#xd21e14547" title="1551 strijdstraal: zwaard." name="xd21e14547src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Niet wilde vatten, noch het leven letten;</p>
-<p class="line">Het lemmer liet den vorst in nood verlegen.</p>
-<p id="v1554" class="line">Het had weleer getrotst zoo menig
-treffen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1555</span> De helmen vaak
-gekloofd, des veegen kampkleed.</p>
-<p class="line">Voor &rsquo;t eerste viel het voor aan &rsquo;t
-prachtig pronkstuk,</p>
-<p class="line">Dat nederlag zijn roem. Doch vastberaden,</p>
-<p class="line">Den kamp niet moede, maar zijn da&acirc;n
-gedachtig,</p>
-<p class="line">Bevond zich nu opnieuw de neef van Hyglac.</p>
-<p id="v1560" class="line"><span class="lineNum">1560</span> Hij wierp
-&rsquo;t gebloemde zwaard<a class="apparatusnote" id="xd21e14579src"
-href="#xd21e14579" title="1560 &rsquo;t gebloemde zwaard: gedamasceerd." name="xd21e14579src">&deg;</a>, &rsquo;t juweelomwonden,</p>
-<p class="line">De gramme strijder, dat het sloeg ten gronde,</p>
-<p class="line">&rsquo;t Staalsnedig, stevig zwaard. Op zijne
-sterkte</p>
-<p class="line">Berustte hij, de handgreep zijner rechte.&mdash;</p>
-<p id="v1564" class="line">Zoo moet een man voortvaren, welke in
-&rsquo;t wapen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1565</span> Zich onvergangbren
-lof begeert te ga&acirc;ren;</p>
-<p class="line">Niet schort hem &rsquo;t eigen leven.&mdash;Bij den
-schouder</p>
-<p id="v1567" class="line">Omvatte toen (niet vreesde hij de veete)</p>
-<p class="line">De meester van de Gooten Grendels moeder.</p>
-<p class="line">De kampgeduchte schudde, daar hij toornde,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1570</span> Den levensvijand, dat
-die viel ten gronde;</p>
-<p class="line">Doch deze gaf hem onverwijld vergelding</p>
-<p class="line">Met gruwelijken klauw en greep hem tegen.</p>
-<p id="v1573" class="line">De moegezwoegde<a class="apparatusnote" id="xd21e14619src" href="#xd21e14619" title="1573 de moegezwoegde: het monster." name="xd21e14619src">&deg;</a>
-stiet den kampbestuurder</p>
-<p class="line">Omver, den voetheld, dat hij kwam te vallen<a href="#n46" class="noteref">46</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb221"
-href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1575</span> Nu zat zij over hem,
-den zaalindringer,</p>
-<p class="line">En trok de breede zas met bronzen lemmer;</p>
-<p class="line">Zij zocht haar zoon, haar eenig zaad, te wreken.</p>
-<p class="line">Op zijnen schouder lag &rsquo;t geschakeld lijfnet;</p>
-<p class="line">Dit borg nu zijnen boezem, want het weerde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1580</span> Den toegang tegen
-alle spits of snede.</p>
-<p id="v1581" class="line">Nu zou hij onder d&rsquo;opgespalkten
-zeegrond</p>
-<p class="line">Gewis bezweken zijn, de zoon van Ecgtheow,</p>
-<p class="line">De Gootenheld, zooniet het oorlogsharnas</p>
-<p class="line">Hem had geholpen, &rsquo;t harde maliekolder,</p>
-<p id="v1585" class="line"><span class="lineNum">1585</span> De heilge
-God niet had bestuurd de zege.</p>
-<p class="line">De wijze Heer, de Hemelheerscher, sliste</p>
-<p id="v1587" class="line">Het licht naar recht, nadat hij<a class="apparatusnote" id="xd21e14667src" href="#xd21e14667" title="1587 hij: Beowulf. De kamp met het meerwijf is verwant met de IJslandsche Grettissaga en met de Noordsche sage van Ormr Storolfsson. Bugge."
-name="xd21e14667src">&deg;</a> was gerezen<a href="#n47" class="noteref">47</a>.<a class="apparatusnote" id="xd21e14684src" href="#xd21e14684" title="1585&ndash;87 Inlassching. God verleende aan Beowulf zijne hulp door dezes blik te doen vallen op het reuzenzwaard aan den wand, zooals volgt. Vgl. 1692 vlg."
-name="xd21e14684src">&deg;</a></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e14697width"><img src="images/o221.png" alt="Ornament." width="97" height="56"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14325"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14325src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1504">1504</a></span> <i>der
-vromen</i>: in de oude beteekenis van <i>dapper</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14325src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14343"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14343src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1506">1506</a></span> <i>voor
-mij</i>: in stede van mij.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14343src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14381"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14381src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1516">1516&ndash;18</a></span> Laat
-mij (nl. Beowulf) het zwaard hebben. Hunferd had immers Hrunting aan
-Beowulf geleend. Vgl. v. <a href="#v1483">1483</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14381src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14398"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14398src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1521">1521</a></span>
-<i>Weder-Gooten</i>: Weders, Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14398src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14413"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14413src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1523">1523</a></span> Vgl. v.
-<a href="#v1392">1392</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14413src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14436"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14436src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1525">1525&ndash;28</a></span>
-Grendels moeder werd gewaar, dat iemand in het meer was
-gedoken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14436src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14452"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14452src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1532">1532</a></span> <i>dat</i>:
-zoodat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14452src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14485"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14485src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1525">1525&ndash;40</a></span>
-M&uuml;llenhoff strijkt deze verzen, omdat niet gezegd wordt, hoe
-Beowulf uit de klauwen van het monster is losgekomen, hetgeen nochtans
-met het oog op v. <a href="#v1547">1547<i>b</i></a> vlg. moet
-verondersteld worden. Het valt nochtans te betwijfelen of het afwezig
-zijn van eene omstandigheid, welke men gemakkelijk uit den samenhang
-kan opmaken, tegen een grooter bezwaar nl. het wegcijferen van de heele
-plaats, kan opwegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14485src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14509"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14509src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1544">1544&ndash;45</a></span> De
-open haardstede, die, volgens Oud-Germaansche gewoonte, zich in het
-midden van het vertrek bevond. Ook hingen er, zooals het gebruik was,
-wapens aan den wand. Vgl. <a href="#v1588">1588</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14509src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14523"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14523src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1547">1547</a></span>
-<i>slagzwaard</i>: Hrunting.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14523src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14542"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14542src">&deg;</a></span>
-<i>de vreemde</i>: Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14542src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14547"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14547src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1551">1551</a></span>
-<i>strijdstraal</i>: zwaard.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14547src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14579"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14579src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1560">1560</a></span> <i>&rsquo;t
-gebloemde zwaard</i>: gedamasceerd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14579src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14619"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14619src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1573">1573</a></span> <i>de
-moegezwoegde</i>: het monster.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14619src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14667"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14667src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1587">1587</a></span> <i>hij</i>: Beowulf.</p>
-<p class="par footnote">De kamp met het meerwijf is verwant met de
-IJslandsche Grettissaga en met de Noordsche sage van Ormr Storolfsson.
-<i>Bugge.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14667src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14684"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14684src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1585">1585&ndash;87</a></span> Inlassching.</p>
-<p class="par footnote">God verleende aan Beowulf zijne hulp door dezes
-blik te doen vallen op het reuzenzwaard aan den wand, zooals volgt.
-Vgl. <a href="#v1692">1692</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14684src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7225">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXIV.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v1588" class="line">Alsdan ontwaarde hij bij andre wapens</p>
-<p class="line">Een zeegrijk zwaard, een oud rapier der reuzen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1590</span> Geducht van snee, der
-strijders sier. Het beste</p>
-<p class="line">Der wapens was het; enkel woog het zwaarder</p>
-<p id="v1592" class="line">Dan dat een ander krijger<a class="apparatusnote" id="xd21e14719src" href="#xd21e14719" title="1592 een ander krijger: dan Beowulf." name="xd21e14719src">&deg;</a>
-tot het kampspel</p>
-<p class="line">Het goed en schoon gigantenwerk kon voeren.</p>
-<p id="v1594" class="line">Hij<a class="apparatusnote" id="xd21e14732src" href="#xd21e14732" title="1594 hij: Beowulf. Wat levendigheid van schildering aangaat en wisseling van krijgskans, die de spanning voortdurend gaande houdt, overtreft deze beschrijving die van den kamp met Grendel en mag als een waardig tegenhanger naast het gevecht met den draak gelegd worden."
-name="xd21e14732src">&deg;</a> vatte toen &rsquo;t gevest, der
-Schyldings strijdwolf,</p>
-<p id="v1595" class="line"><span class="lineNum">1595</span> Hij
-zwaaide &rsquo;t zwaard vergramd en ijzergrimmig,</p>
-<p class="line">Het ringgetooide, reeds aan &rsquo;t leven
-twijflend.</p>
-<p class="line">Hij hieuw in &rsquo;t wilde, dat het hard ten halze</p>
-<p class="line">Naar binnen drong en brak de beenderwervels,</p>
-<p class="line">Het lemmer &rsquo;t veege lijf geheel doorvlijmde.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1600</span> Ten bodem bonsde zij.
-Het staal was bloedig,</p>
-<p class="line">En over &rsquo;t werk verheugd de wapenkrijger.</p>
-<p id="v1602" class="line">Nu bliksemde de kling<a class="apparatusnote" id="xd21e14765src" href="#xd21e14765" title="1602 Het reuzenzwaard begint gloeiend te worden en zal daarna wegsmelten. Vgl. v. 1638."
-name="xd21e14765src">&deg;</a>; vanuit haar binnenst</p>
-<p class="line">Ontschoot een schemer, evenzoo als schittrend</p>
-<p class="line">Vanaf den trans de hemeltoortse blikkert. <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p>
-<p id="v1605" class="line"><span class="lineNum">1605</span> Nu blikte
-hij de halle rond en richtte</p>
-<p class="line">Daarna zich naar den wand. Hij hief het wapen</p>
-<p class="line">De dappre bij de handgreep, Hyglacs dienstman,</p>
-<p id="v1608" class="line">Verwoed en vastbera&acirc;n. Niet was het
-wapen</p>
-<p class="line">Van ondienst aan den slagheld, want hij wilde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1610</span> Aan Grendel menig
-aangreep snel vergoeden,</p>
-<p class="line">Door dezen aangedaan den Wester-Denen,</p>
-<p class="line">Veel meer dan eene maal; toen hij van Hrodgar</p>
-<p class="line">De haardgenooten sloeg in hunnen sluimer</p>
-<p id="v1614" class="line">En vijftien in den slaap van &rsquo;t volk
-der Denen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1615</span> Verzwolg, een tweede
-vijftiental ontvoerde,</p>
-<p class="line">Een gruwzaam offer. Doch hem gaf vergelding</p>
-<p class="line">De onstuime held, tot waar hij afgestreden</p>
-<p class="line">En zielloos Grendel liggen zag op &rsquo;t leger,</p>
-<p class="line">Gelijk voorheen de worsteling in Heorot</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1620</span> Hem toegetakeld had.
-Daarhenen rolde</p>
-<p class="line">De romp, nu dat hij dulden moest na &rsquo;t sneven</p>
-<p class="line">Den strook, den zwaren slag van &rsquo;t zwaard, en
-Beowulf</p>
-<p class="line">Hem nederhieuw het hoofd.<a class="apparatusnote" id="xd21e14830src" href="#xd21e14830" title="1605&ndash;23a M&uuml;llenhoff kan zich niet vereenigen met Beowulfs inval, om aan Grendels lijk het hoofd af te slaan. Dat een bloedstroom uit het lijk ontspringt vindt hij bedenkelijk; volgens hem is het bloedig worden van het water een gevolg van den slag, waardoor Beowulf Grendels moeder doodt."
-name="xd21e14830src">&deg;</a> De wijze helden</p>
-<p class="line">Die, welke zagen naar de zee met Hrodgar,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1625</span> Bemerkten nu
-aanstonds, dat heel de strooming</p>
-<p class="line">Gemengeld bleek, met bloed geverfd de baren.</p>
-<p class="line">De grauwgebaarde grijsaards onderhielden</p>
-<p class="line">Zich al te gader over hem, den goede,</p>
-<p class="line">Dat zij niet hoopten van den held, dat zeegrijk</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1630</span> Hij weer bezoeken zou
-den hoogen heerscher.</p>
-<p class="line">&rsquo;t Scheen menigeen, hem had gedood de
-meerwolf.</p>
-<p id="v1632" class="line">Toen was het negende uur<a class="apparatusnote" id="xd21e14864src" href="#xd21e14864" title="1632 het negende uur: drie uur &rsquo;s namiddags." name="xd21e14864src">&deg;</a> des dags genaderd.</p>
-<p class="line">Nu scheidden van de kaap de koene Schyldings,
-<span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p>
-<p id="v1634" class="line">En huiswaarts ging van daar der helden
-schatvriend<a class="apparatusnote" id="xd21e14878src" href="#xd21e14878" title="1634 schatvriend: vriend, die schatten uitdeelt; Hrodgar." name="xd21e14878src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v1635" class="line"><span class="lineNum">1635</span> De
-vreemden<a class="apparatusnote" id="xd21e14891src" href="#xd21e14891"
-title="1635 de vreemden: de Gooten." name="xd21e14891src">&deg;</a>
-zaten droef van zin en tuurden</p>
-<p class="line">Naar &rsquo;t water heen. Zij wisten noch zij
-waanden</p>
-<p class="line">Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher.</p>
-<p id="v1638" class="line">Nu ving het staal door &rsquo;t bloed, door
-&rsquo;t strijdgedruppel,<a class="apparatusnote" id="xd21e14906src"
-href="#xd21e14906" title="1638 Later (1645 vlg.) wordt nog eens hierop teruggekomen. Vandaar dat M&uuml;llenhoff 1638&ndash;43a verwerpt."
-name="xd21e14906src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De slagbijl aan te slinken. &rsquo;t Was een
-wonder,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1640</span> Hoe &rsquo;t gansch
-versmolt, als &rsquo;t ijs, wanneer de Godheid</p>
-<p class="line">De banden slaakt der vorst, de waterboeien</p>
-<p class="line">Ontbindt, zij die gebiedt aan tijd en
-stonde.&mdash;</p>
-<p id="v1643" class="line">De ware Schepper is &rsquo;t.&mdash;Niet
-meerder schatten</p>
-<p class="line">Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,</p>
-<p id="v1645" class="line"><span class="lineNum"><span class="corr" id="xd21e14937" title="Bron: 1544">1645</span></span> Ofschoon hij vele
-zag, dan &rsquo;t hoofd te zamen</p>
-<p class="line">Met dat gevest van glimmend goud;<a class="apparatusnote" id="xd21e14942src" href="#xd21e14942" title="1645&ndash;46 Buiten Grendels hoofd en het gevest van het reuzenzwaard moet Beowulf ook Hrunting meegenomen hebben, immers hij geeft het geleende aan Hunferd terug. Vgl. 1848."
-name="xd21e14942src">&deg;</a> te voren</p>
-<p class="line">Was &rsquo;t zwaard verteerd, verbrand &rsquo;t getogen
-lemmer:</p>
-<p class="line">Zoo heet was &rsquo;t bloed, de hellegeest zoo
-giftig,</p>
-<p class="line">Die daar het lijf in liet. Gezwind ontzwom hij,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1650</span> Die in &rsquo;t
-gevecht den kampdood had ervaren</p>
-<p class="line">Der boozen, dook naar boven door het water.</p>
-<p class="line">Nu was geheel het golfgewoel gezuiverd,</p>
-<p class="line">De wijde watervlakte, waar de daemon</p>
-<p class="line">Zijn levensdagen achter had gelaten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1655</span> Het wuft bestaan. De
-steun der varenslieden</p>
-<p class="line">Kwam kloekgestemd gezwommen naar de stranden.</p>
-<p class="line">Nu praalde hij op zijne prooi der diepte,</p>
-<p class="line">Het vrachtgevaarte, dat hij met zich voerde.</p>
-<p class="line">Nu gingen hem te moet en dankten Gode</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1660</span> De stoute
-ridderstoet, vervuld van vreugde</p>
-<p class="line">Om hunnen heer, nu zij hem heilvol zagen. <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name="pb225">225</a>]</span></p>
-<p id="v1662" class="line">Den opgewonden werden helm en harnas</p>
-<p id="v1663" class="line">Nu dra ontnomen. Drabbig werd het water,</p>
-<p class="line">De zeevloed onder &rsquo;t zwerk en rood van &rsquo;t
-bloedbad.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1665</span> Zij ijlden voort van
-daar langsheen het voetpad</p>
-<p class="line">Met lichten geest. Zij maten weer de landstraat,</p>
-<p class="line">Den welbekenden weg. De koene mannen</p>
-<p class="line">Vervoerden nu het hoofd van &rsquo;t voorgebergte:</p>
-<p class="line">Iets moeitevols voor elk der moedvervulden.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1670</span> Al zwoegend moesten
-vier op hunne veldspeer</p>
-<p class="line">Het hoofd van Grendel dragen naar de goudhal,</p>
-<p class="line">Totdat zij ras het zaalgebouw bereikten</p>
-<p id="v1673" class="line">De veertien<a class="apparatusnote" id="xd21e15018src" href="#xd21e15018" title="1673 de veertien: Van de vijftien Gooten (v. 211) was er &eacute;&eacute;n, nl. Hondsci&oacute; door Grendel gedood."
-name="xd21e15018src">&deg;</a> dappre kampgeduchte Gooten,</p>
-<p id="v1674" class="line">En op het mede&euml;rf<a class="apparatusnote" id="xd21e15032src" href="#xd21e15032" title="1674 mede&euml;rf: Heorots onmiddellijke omgeving." name="xd21e15032src">&deg;</a> begaf kloekmoedig</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1675</span> Zich in hun midden
-voort de mannenheerscher.</p>
-<p class="line">Daar kwam hij ingegaan de krijgerkoning,</p>
-<p class="line">De man, door daden koen, door moed verheerlijkt,</p>
-<p class="line">De slaggeharde held, te groeten Hrodgar.</p>
-<p class="line">Nu werd het hoofd van Grendel bij de haren</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1680</span> Ter woon gedragen,
-waar de mannen dronken,</p>
-<p id="v1681" class="line">Den ridders vreeslijk<a class="apparatusnote" id="xd21e15060src" href="#xd21e15060" title="1681 vreeslijk: betrekt zich op Grendels hoofd." name="xd21e15060src">&deg;</a> als der edelvrouwe.</p>
-<p class="line">De mannen zagen naar het zeldzaam schouwspel.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e15072width"><img src="images/o225.png" alt="Ornament." width="58" height="69"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14719"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14719src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1592">1592</a></span> <i>een ander
-krijger</i>: dan Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14719src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14732"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14732src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1594">1594</a></span> <i>hij</i>: Beowulf.</p>
-<p class="par footnote">Wat levendigheid van schildering aangaat en
-wisseling van krijgskans, die de spanning voortdurend gaande houdt,
-overtreft deze beschrijving die van den kamp met Grendel en mag als een
-waardig tegenhanger naast het gevecht met den draak gelegd
-worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14732src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14765"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14765src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1602">1602</a></span> Het
-reuzenzwaard begint gloeiend te worden en zal daarna
-wegsmelten<span class="corr" id="xd21e14770" title="Niet in bron">.</span> Vgl. v. <a href="#v1638">1638</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14765src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14830"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14830src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1605">1605&ndash;23<i>a</i></a></span> M&uuml;llenhoff kan zich niet
-vereenigen met Beowulfs inval, om aan Grendels lijk het hoofd af te
-slaan. Dat een bloedstroom uit het lijk ontspringt vindt hij
-bedenkelijk; volgens hem is het bloedig worden van het water een gevolg
-van den slag, waardoor Beowulf Grendels <i>moeder</i>
-doodt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14830src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14864"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14864src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1632">1632</a></span> <i>het
-negende uur</i>: drie uur &rsquo;s namiddags.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e14864src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14878"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14878src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1634">1634</a></span>
-<i>schatvriend</i>: vriend, die schatten uitdeelt;
-Hrodgar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14878src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14891"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14891src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1635">1635</a></span> <i>de
-vreemden</i>: de Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14891src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14906"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14906src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1638">1638</a></span> Later
-(<a href="#v1645">1645</a> vlg.) wordt nog eens hierop teruggekomen.
-Vandaar dat M&uuml;llenhoff <a href="#v1638">1638&ndash;43<i>a</i></a>
-verwerpt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e14906src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e14942"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e14942src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1645">1645&ndash;46</a></span>
-Buiten Grendels hoofd en het gevest van het reuzenzwaard moet Beowulf
-ook Hrunting meegenomen hebben, immers hij geeft het geleende aan
-Hunferd terug. Vgl. <a href="#v1848">1848</a>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e14942src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15018"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15018src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1673">1673</a></span> <i>de
-veertien</i>: Van de vijftien Gooten (v. <a href="#v211">211</a>) was
-er &eacute;&eacute;n, nl. Hondsci&oacute; door Grendel
-gedood.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15018src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15032"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15032src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1674">1674</a></span>
-<i>mede&euml;rf</i>: Heorots onmiddellijke omgeving.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15032src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15060"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15060src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1681">1681</a></span>
-<i>vreeslijk</i>: betrekt zich op Grendels hoofd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15060src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name="pb226">226</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7235">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXV.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:</p>
-<p class="line">&laquo;Voorwaar, o Healfdeens zoon, o heer der
-Schyldings,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1685</span> Wij brachten vroolijk
-tot een zegeteeken</p>
-<p class="line">U dezen zeebuit, dien gij hier bezichtigt.</p>
-<p class="line">&rsquo;k Volvoerde &rsquo;t nauwlijks met gevaar van
-&rsquo;t leven:</p>
-<p class="line">Ter nauwernood in &rsquo;t worstlen onder &rsquo;t
-water</p>
-<p id="v1689" class="line">Bestond ik deze daad. Mij was het
-strijden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1690</span> Verhinderd schier,
-zoo God mij niet beschermd had.</p>
-<p class="line">Niets werkte ik uit met Hrunting in de worstling,</p>
-<p id="v1692" class="line">Schoon deugt de degen; maar de Heer der
-menschen</p>
-<p class="line">Verleende mij, dat &rsquo;k aan den muur zag hangen</p>
-<p class="line">Een vonkelglanzig, oud, geweldig wapen;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1695</span> (Hoe vaak geleidde
-Hij de vriendenloozen!)</p>
-<p class="line">Dit drilde ik tot geweer. Ik doodde in &rsquo;t
-worstlen</p>
-<p id="v1697" class="line">(Daar gunstig was de kans) der woning
-wachters<a class="apparatusnote" id="xd21e15119src" href="#xd21e15119"
-title="1697 der woning wachters: Grendels moeder en, ofschoon het niet uitdrukkelijk gezegd wordt, eenige van de overige watermonsters (v. 1538), met inbegrip van het op den oever getrokken gedrocht."
-name="xd21e15119src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Het kampzwaard teerde weg, &rsquo;t getogen lemmer</p>
-<p class="line">Op &rsquo;t oogenblik, waarop het bloed ontspatte,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1700</span> Het heetste
-wapenvocht. Van daar ontvoerde</p>
-<p class="line">Ik aan den vijand dit gevest. Zoo wreekte</p>
-<p class="line">Ik de euvelda&acirc;n, de doodskwaal van de Denen,</p>
-<p class="line">Gelijk het paste. Dit beloof ik heden: <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span></p>
-<p class="line">Gij kunt in Heorot slapen onbekommerd</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1705</span> Met uwer helden stoet
-en elken strijder</p>
-<p class="line">Van uwe mannen, meerderen of mindren;</p>
-<p class="line">Zoodat gij niet meer noodig hebt te duchten,</p>
-<p class="line">o Denenvorst, van dezen kant de doodskwaal,</p>
-<p class="line">Gelijk gij vroeger deedt, voor uwe lieden.&raquo;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1710</span> Nu werd den ouden
-held de gouden handvat,</p>
-<p id="v1711" class="line">Het grijze wapenhoofd<a class="apparatusnote" id="xd21e15170src" href="#xd21e15170" title="1711 het grijze wapenhoofd: Hrodgar, 3de naamval." name="xd21e15170src">&deg;</a>, ter hand gegeven,</p>
-<p id="v1712" class="line">&rsquo;t Aloud gewrocht der reuzen.<a class="apparatusnote" id="xd21e15187src" href="#xd21e15187" title="1712b&ndash;14 Van latere hand, immers eenige regels verder (v. 1717 vlg.) wordt hetzelfde herhaald."
-name="xd21e15187src">&deg;</a> Dit geraakte</p>
-<p class="line">Nu in &rsquo;t bezit, dit werk der wondersmeden,</p>
-<p class="line">Des Denenvorsten, na den val der duivels.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1715</span> De wrevelzieke man,
-Gods tegenwrijter,</p>
-<p class="line">Had moordbela&acirc;n verlaten deze wereld,</p>
-<p id="v1717" class="line">Zijn moeder mee. Nu viel &rsquo;t te beurt
-den waardsten</p>
-<p class="line">Der wereldvorsten bij de beide zee&euml;n,</p>
-<p id="v1719" class="line">Die schatten deelden op het
-Schedeneiland<a class="apparatusnote" id="xd21e15216src" href="#xd21e15216" title="1719 Schedeneiland: Schonen, het zuidelijkste deel van Zweden, aan Denemarken behoorend, doch in ons epos eene benaming voor het Deensche rijk in het algemeen. Socin."
-name="xd21e15216src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v1720" class="line"><span class="lineNum">1720</span> Toen zeide
-Hrodgar;&mdash;hij bezag de handgreep,</p>
-<p id="v1721" class="line">Het oude stuk, waarop &rsquo;t ontstaan des
-voorkamps<a class="apparatusnote" id="xd21e15231src" href="#xd21e15231"
-title="1721 voorkamps: kamp uit den voortijd." name="xd21e15231src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Was ingegrift. Alsdan versloeg de deining,</p>
-<p class="line">Het overstroomend nat de reuzenstammen.</p>
-<p class="line">Zij bleken boos. &rsquo;t Geslacht het was
-weerbarstig</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1725</span> Den eeuwgen Heer. Des
-gaf hun de Albeheerscher</p>
-<p class="line">De slotvergelding door den vloed der golven.<a class="apparatusnote" id="xd21e15252src" href="#xd21e15252" title="1721&ndash;26 Ingeschoven toespeling op de giganten en op den zondvloed. Onmiddellijk hierop wordt gezegd, dat de naam van den eersten bezitter op het zwaardgevest stond ingegrift. Eene blijkbare tegenspraak."
-name="xd21e15252src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Op &rsquo;t hechtbeslag van heerlijk goud was tevens
-<span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span></p>
-<p id="v1728" class="line">Beteekend, trouw gezet, gezegd in
-runen<a class="apparatusnote" id="xd21e15269src" href="#xd21e15269"
-title="1728 runen: schrijfteekens der oude Germanen. Het runenschrift, waarin verscheidene opschriften tot ons zijn gekomen, werd in de eerste eeuwen onzer jaartelling aan het latere Latijnsche alphabet ontleend."
-name="xd21e15269src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Voor wien eerst was bewerkt de keur der klingen</p>
-<p id="v1730" class="line"><span class="lineNum">1730</span> Met
-slankgewrongen, slangomslongen handgreep.<a class="apparatusnote" id="xd21e15284src" href="#xd21e15284" title="1730 adorned with figures of snakes interlaced, a favourite and universal ornament among the Scandinavian nations. Thorpe."
-name="xd21e15284src">&deg;</a>&mdash;</p>
-<p id="v1731" class="line">Toen nam het woord<a class="apparatusnote"
-id="xd21e15294src" href="#xd21e15294" title="1731 toen nam het woord: neemt den na v. 1720 afgebroken draad van het verhaal weer op."
-name="xd21e15294src">&deg;</a> de wijze zoon van Healfdeen,</p>
-<p id="v1732" class="line">En ieder zweeg:</p>
-<p class="line"><span class="hemistich">En ieder zweeg:</span>
-&laquo;Voorwaar, dit zal hij zeggen,</p>
-<p class="line">Die onder &rsquo;t volk bevordert recht en
-waarheid,</p>
-<p class="line">Van ver het gansch gedenkt, als grijze goedsheer,</p>
-<p id="v1735" class="line"><span class="lineNum">1735</span> Dat deze
-dappre beter<a class="apparatusnote" id="xd21e15318src" href="#xd21e15318" title="1735 beter: dan ik." name="xd21e15318src">&deg;</a> werd geboren.</p>
-<p class="line">Langs wijde wegen is, mijn beste Beowulf,</p>
-<p class="line">Uw roem gevaren over alle volken.</p>
-<p id="v1738" class="line">Gestadig waakt gij op dit alles: sterkte</p>
-<p class="line">En wijsheid van &rsquo;t gemoed. U wil &rsquo;k
-bewijzen</p>
-<p id="v1740" class="line"><span class="lineNum">1740</span> Mijn
-dankbaarheid, als wij voorheen bespraken.<a class="apparatusnote" id="xd21e15340src" href="#xd21e15340" title="1740 Vgl. v. 961." name="xd21e15340src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Gij zult nog lang uw lieden tot vertroosting,</p>
-<p id="v1742" class="line">Tot hulp uw helden zijn. Niet zoo was
-Heermod<a class="apparatusnote" id="xd21e15357src" href="#xd21e15357"
-title="1742 Tweede herinnering aan Heremod; tegenstelling tusschen hem en Beowulf."
-name="xd21e15357src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Voor &rsquo;t zaad Ecgwela&rsquo;s, voor de
-Zege-Schyldings.</p>
-<p class="line">Niet groeide hij tot lust der Denenlieden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1745</span> Maar wel tot
-lijkenval en stervenslijden.</p>
-<p class="line">Dolzinnig doodde hij de dischgenooten, <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span></p>
-<p id="v1747" class="line">Zijn schoudermakkers, tot hij eenzaam
-scheidde<a class="apparatusnote" id="xd21e15376src" href="#xd21e15376"
-title="1747 tot hij eenzaam scheidde: hij verliet, hetzij vrijwillig of gedwongen, zijne Denen. Volgens Bugge beteekenen deze regels, dat hij stierf in de eenzaamheid en verlatenheid."
-name="xd21e15376src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De hooge heerscher, ver van &rsquo;t heldenwoelen.</p>
-<p class="line">Ofschoon een machtig God hem met de weelde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1750</span> Der heldenkracht en
-sterkte had verheerlijkt</p>
-<p class="line">En over alle mannen heen verheven,</p>
-<p class="line">Toch groeiden in zijn borst bloedgierige tochten.</p>
-<p id="v1753" class="line">Hij deelde geene ringen<a class="apparatusnote" id="xd21e15403src" href="#xd21e15403" title="1753 hij deelde geene ringen: volgens de Germaansche opvatting een blijk van een slecht vorst. Heremod is het afschrikkend voorbeeld van den dwingeland."
-name="xd21e15403src">&deg;</a> aan de Denen,</p>
-<p class="line">Als hun gewoonte was: verweesd van vreugde</p>
-<p id="v1755" class="line"><span class="lineNum">1755</span> Ervoer
-hij, dat hij drang om zijn vervolging</p>
-<p class="line">Te harden had, het eindelooze lijden.<a class="apparatusnote" id="xd21e15423src" href="#xd21e15423" title="1755&ndash;56 Bugge verklaart: na zijnen dood werd hij in de hel gestraft."
-name="xd21e15423src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Gij, leer hieruit en grijp naar mannengrootheid.</p>
-<p id="v1758" class="line">Ik sprak, door jaren wijs, voor u die
-spreuken.</p>
-<p class="line">Een wonderbare zaak is &rsquo;t om te zeggen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1760</span> Hoe dat een machtig
-Schepper aan het menschdom</p>
-<p class="line">Uit milden grootzin wijsheid geeft en woning</p>
-<p class="line">En heldenhoogheid. Hij gebiedt aan alles.</p>
-<p class="line">Somwijlen laat Hij zijnen zin in liefde</p>
-<p class="line">Ontvonken voor een man van hoogen huize<a href="#n48"
-class="noteref">48</a>.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1765</span> Hij geeft hem op zijn
-goed &rsquo;t genot der aarde,</p>
-<p class="line">Om op der helden heerschersburg te huizen;</p>
-<p id="v1767" class="line">Hij<a class="apparatusnote" id="xd21e15459src" href="#xd21e15459" title="1767 hij: God." name="xd21e15459src">&deg;</a> onderwerpt hem zoo der wereld deelen,</p>
-<p id="v1768" class="line">De groote rijken, dat hij zelf<a class="apparatusnote" id="xd21e15472src" href="#xd21e15472" title="1768 hij zelf: de man van hoogen huize, de koning." name="xd21e15472src">&deg;</a> de grenspaal</p>
-<p class="line">Zich wegens &rsquo;t onverstand niet voor kan
-stellen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1770</span> Hij leeft in
-overvloed; niets kan hem letten,</p>
-<p class="line">&rsquo;t Zij krankte of ouderdom; vervolgingskommer
-<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name="pb230">230</a>]</span></p>
-<p class="line">Benevelt niet den zin; noch kamp, noch zwaardhaat</p>
-<p class="line">Vertoont zich, waar &rsquo;t ook weze; maar de
-wereld</p>
-<p class="line">Zij wendt zich naar zijn wil. Hij kent geen
-onspoed;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1775</span> Tot de overmoed
-inwendig wast en woekert;</p>
-<p id="v1776" class="line">De hoeder<a class="apparatusnote" id="xd21e15503src" href="#xd21e15503" title="1776 de hoeder: het geweten."
-name="xd21e15503src">&deg;</a> sluimert dan, der ziele herder,</p>
-<p class="line">De slaap is diep, geketend door vermoeidheid,</p>
-<p id="v1778" class="line">De moorder<a class="apparatusnote" id="xd21e15516src" href="#xd21e15516" title="1778 de moorder: de bekoring." name="xd21e15516src">&deg;</a> zeer
-nabij, die met den pijlboog</p>
-<p class="line">Zal wonden op verraderlijke wijze.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e15528width"><img src="images/o230.png" alt="Ornament." width="88" height="130"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15119"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15119src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1697">1697</a></span> <i>der woning
-wachters</i>: Grendels moeder en, ofschoon het niet uitdrukkelijk
-gezegd wordt, eenige van de overige watermonsters (v<span class="corr"
-id="xd21e15127" title="Niet in bron">.</span> <a href="#v1538">1538</a>), met inbegrip van het op den oever getrokken
-gedrocht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15119src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15170"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15170src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1711">1711</a></span> <i>het grijze
-wapenhoofd</i>: Hrodgar<span class="corr" id="xd21e15178" title="Bron: .">,</span> 3<sup>de</sup> naamval.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e15170src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15187"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15187src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1712">1712<i>b</i>&ndash;14</a></span> Van latere hand, immers
-eenige regels verder (v. <a href="#v1717">1717</a> vlg.) wordt
-hetzelfde herhaald.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15187src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15216"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15216src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1719">1719</a></span>
-<i>Schedeneiland</i>: Schonen, het zuidelijkste deel van Zweden, aan
-Denemarken behoorend, doch in ons epos eene benaming voor het Deensche
-rijk in het algemeen. Socin.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15216src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15231"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15231src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1721">1721</a></span>
-<i>voorkamps</i>: kamp uit den voortijd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15231src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15252"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15252src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1721">1721&ndash;26</a></span> Ingeschoven toespeling op de giganten
-en op den zondvloed.</p>
-<p class="par footnote">Onmiddellijk hierop wordt gezegd, dat de naam
-van den eersten bezitter op het zwaardgevest stond ingegrift.</p>
-<p class="par footnote">Eene blijkbare tegenspraak.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15252src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15269"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15269src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1728">1728</a></span> <i>runen</i>:
-schrijfteekens der oude Germanen. Het runenschrift, waarin verscheidene
-opschriften tot ons zijn gekomen, werd in de eerste eeuwen onzer
-jaartelling aan het latere Latijnsche alphabet ontleend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15269src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15284" lang="en">
-<span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15284src">&deg;</a></span> <span class="lineNumRef"><a href="#v1730">1730</a></span> adorned with figures of snakes interlaced, a
-favourite and universal ornament among the Scandinavian nations.
-<i>Thorpe.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15284src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15294"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15294src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1731">1731</a></span> <i>toen nam
-het woord</i>: neemt den na v. <a href="#v1720">1720</a> afgebroken
-draad van het verhaal weer op.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15294src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15318"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15318src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1735">1735</a></span> <i>beter</i>:
-dan ik.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15318src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15340"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15340src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1740">1740</a></span>
-Vgl<span class="corr" id="xd21e15345" title="Niet in bron">.</span> v.
-<a href="#v961">961</a><span class="corr" id="xd21e15350" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15340src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15357"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15357src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1742">1742</a></span> Tweede
-herinnering aan Heremod; tegenstelling tusschen hem en
-Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15357src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15376"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15376src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1747">1747</a></span> <i>tot hij eenzaam scheidde</i>: hij verliet,
-hetzij vrijwillig of gedwongen, zijne Denen.</p>
-<p class="par footnote">Volgens Bugge beteekenen deze regels, dat hij
-stierf in de eenzaamheid en verlatenheid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15376src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15403"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15403src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1753">1753</a></span> <i>hij deelde geene ringen</i>: volgens de
-Germaansche opvatting een blijk van een slecht vorst.</p>
-<p class="par footnote">Heremod is het afschrikkend voorbeeld van den
-dwingeland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15403src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15423"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15423src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1755">1755&ndash;56</a></span>
-Bugge verklaart: na zijnen dood werd hij in de hel
-gestraft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15423src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15459"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15459src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1767">1767</a></span> <i>hij</i>:
-God<span class="corr" id="xd21e15467" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15459src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15472"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15472src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1768">1768</a></span> <i>hij
-zelf</i>: de man van hoogen huize, de koning.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e15472src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15503"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15503src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1776">1776</a></span> <i>de
-hoeder</i>: het geweten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15503src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15516"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15516src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1778">1778</a></span> <i>de
-moorder</i>: de bekoring.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15516src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7241">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXVI.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">1780</span> Dan zal hij in den
-boezem zijn getroffen</p>
-<p id="v1781" class="line">Door scherpe schichten onder &rsquo;t
-helmbeschutsel<a class="apparatusnote" id="xd21e15544src" href="#xd21e15544" title="1781 helmbeschutsel: ofschoon hij zich tegen het kwaad wil verzetten. M&uuml;llenhoff oppert de meening, dat de nadichter den brief aan de Ephesi&euml;rs voor oogen heeft gehad: In omnibus sumentes scutum fidei, in quo possitis omnia tela nequissimi ignea extinguere. Eph. 6, 16."
-name="xd21e15544src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Niet kan hij zich vrijwaren van de zonde</p>
-<p id="v1783" class="line">Door &rsquo;t wondervol gebod des boozen
-geestes<a class="apparatusnote" id="xd21e15566src" href="#xd21e15566"
-title="1783 des boozen geestes: de bekoring." name="xd21e15566src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Hem lijkt wat hij te lang bezat te luttel.</p>
-<p id="v1785" class="line"><span class="lineNum">1785</span> Nu
-schraapt hij stuurschgestemd, hij schenkt uit praalzin<a class="apparatusnote" id="xd21e15581src" href="#xd21e15581" title="1785 uit praalzin: hij schenkt geene gouden ringen meer, zooals hij eerst uit praalzin deed. Dit is een Germaansche trek, welke onder deze christelijke denkbeelden ingeslopen is."
-name="xd21e15581src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Geen gouden ringen; hij vergeet, verwaarloost</p>
-<p id="v1787" class="line">Zijn later lot, omdat hem God, de
-uitdeeler</p>
-<p class="line">Der glansen, vroeger gaf onmeetbre glorie,<a class="apparatusnote" id="xd21e15599src" href="#xd21e15599" title="1787&ndash;88 Hij verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door hoogmoed verblind is. &rsquo;t Is het oude thema: quos perdere vult Jupiter, dementat."
-name="xd21e15599src">&deg;</a></p>
-<p class="line">&rsquo;t Gebeurt ten leste, dat het broze lichaam</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1790</span> Te zamen zinkt en dat
-vervalt het veege.</p>
-<p class="line">Een ander erft het rijk, die zonder rouwen</p>
-<p class="line">De have kwist, des eedlen kostbaarheden,</p>
-<p class="line">En zich aan later zorg niet laat gelegen,</p>
-<p id="v1794" class="line">o, Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
-<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1795</span> Mijn lieve Beowulf,
-gij der helden beste,</p>
-<p id="v1796" class="line">En kies &rsquo;t voordeeligst, &rsquo;t
-<span class="corr" id="xd21e15629" title="Bron: eewigdurend">eeuwigdurend</span><a class="apparatusnote" id="xd21e15631src" href="#xd21e15631" title="1796 eeuwigdurend welzijn: het eeuwig heil." name="xd21e15631src">&deg;</a> welzijn.</p>
-<p class="line">Betracht geen overmoed, vermaarde kamper!</p>
-<p class="line">Een tijdlang tiert de volheid van uw krachten;</p>
-<p class="line">Maar &rsquo;t draagt weldra zich toe, dat zwaard of
-ziekte</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1800</span> U rooven uwe kracht,
-hetzij de omkronkling</p>
-<p class="line">Der vlammen, of het zwalpen van de vloeden,</p>
-<p class="line">Hetzij de greep van &rsquo;t zwaard, de vlucht der
-werpspies,</p>
-<p id="v1803" class="line">De gruwe grijsheid, of de glans der
-oogen</p>
-<p class="line">Verdwijnt en taant. Dan schielijk zal&rsquo;t
-geschieden,<a class="apparatusnote" id="xd21e15659src" href="#xd21e15659" title="1803b&ndash;4 door de tooverkunsten van het kwade oog." name="xd21e15659src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1805</span> Dat u, den legerman,
-de dood vermeestert.<a class="apparatusnote" id="xd21e15672src" href="#xd21e15672" title="1732b&ndash;1805 M&uuml;llenhoff schrijft deze verzen aan den interpolator B toe, die zijne bedrevenheid in de Godgeleerdheid en zijne kennis der sagen pleegt ten toon te spreiden. Het eerste gedeelte der toespraak (1732&ndash;1805) is eene preek in den mond van den heidenschen Hrodgar; het tweede gedeelte integendeel, dat met v. 1806 begint, is geheel en al in overeenstemming met het verhaal."
-name="xd21e15672src">&deg;</a></p>
-<p id="v1806" class="line">Zoo heerschte ik honderd halve jaren
-over</p>
-<p class="line">De Harnas-Denen onder &rsquo;t dak des hemels</p>
-<p class="line">En hoedde hen voor strijd met vele stammen</p>
-<p class="line">Dit aardrijk langs door esschelans en lemmer;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1810</span> Zoodat ik onder
-&rsquo;t wulfsel van de wolken</p>
-<p class="line">Voor mij niet eenen tegenstander telde.</p>
-<p id="v1812" class="line">Gewis, mij overviel daarom een wending</p>
-<p class="line">Op &rsquo;t stamgoed, smart na vreugde, sedert
-Grendel,<a class="apparatusnote" id="xd21e15706src" href="#xd21e15706"
-title="1812&ndash;13 Te veel voorspoed haalt onspoed binnen; zoo dachten de oude Grieken er ook over. Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in hunne jeugd geene verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later boven alle anderen onderscheiden. Dit was het geval met Scyld (v. 6 vlg.) en vooral met Beowulf. (v. 2241 vlg.) Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die later door bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het Noorden den eigenaardigen naam van kolenbijters (kolbitar), omdat zij den ganschen dag bij het vuur in de asch zaten gedoken."
-name="xd21e15706src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De aloude vijand, werd mijn woonbezoeker.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1815</span> Voortdurend droeg ik
-onder die verdrukking</p>
-<p class="line">Geweldig hartewee. De Schepper weze</p>
-<p class="line">Geloofd, der eeuwen Heer, dat ik beleve <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span></p>
-<p class="line">Op mijnen ouden dag, met dees mijn oogen</p>
-<p id="v1819" class="line">Te blikken naar het hoofd<a class="apparatusnote" id="xd21e15746src" href="#xd21e15746" title="1819 het hoofd: van Grendel." name="xd21e15746src">&deg;</a>, het
-zwaardbebloede,</p>
-<p id="v1820" class="line"><span class="lineNum">1820</span> Na
-&rsquo;t oude zeer. Begeef u naar uw zetel</p>
-<p class="line">En deel in &rsquo;t dischgenot, o krijgsbekroonde.</p>
-<p class="line">Wel menig schat zal zijn gemeen ons beiden,</p>
-<p class="line">Zoodra de morgen aanbreekt.&raquo;</p>
-<p class="line"><span class="hemistich">Zoodra de morgen
-aanbreekt.&raquo;</span> Wel te moede</p>
-<p class="line">Was nu de Goot en ijlings ging hij verder</p>
-<p id="v1825" class="line"><span class="lineNum">1825</span> Zijn zetel
-zoeken<a class="apparatusnote" id="xd21e15774src" href="#xd21e15774"
-title="1825 zijn zetel zoeken: op den tegenovergestelden bankvloer."
-name="xd21e15774src">&deg;</a>, als beval de vroede.</p>
-<p class="line">Den krachtgevierden werd alweer, als vroeger,</p>
-<p class="line">Een weidsch onthaal bereid, den halbezetters,</p>
-<p class="line">Een nieuwe reis. De nachtelijke hulle,</p>
-<p class="line">De duistere, verdonkerde zich over</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1830</span> Het wapenvolk. De
-ridders rezen allen.</p>
-<p class="line">De grauwgelokte wilde &rsquo;t leger zoeken,</p>
-<p class="line">De grijze Schylding. Ook den Goot, den schildheld,</p>
-<p class="line">Den wijdberoemden, lustte &rsquo;t zeer te rusten.</p>
-<p class="line">Den strijdvermoeiden man, den verontstamden,</p>
-<p id="v1835" class="line"><span class="lineNum">1835</span> Geleidde
-fluks van daar een halbediende,</p>
-<p class="line">Die naar het hofgebruik in elke nooddruft</p>
-<p id="v1837" class="line">Eens ridders zou voorzien, gelijk de
-zeeli&ecirc;n<a class="apparatusnote" id="xd21e15812src" href="#xd21e15812" title="1837 de zeeli&ecirc;n: de Gooten." name="xd21e15812src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Gedurende den dag behoefte hadden.</p>
-<p class="line">Hij rustte de eelgezinde. Ruim, goudglanzig</p>
-<p id="v1840" class="line"><span class="lineNum">1840</span> Verrees de
-bouw; de vreemde sliep er binnen,</p>
-<p id="v1841" class="line">Totdat de donkre raaf<a class="apparatusnote" id="xd21e15831src" href="#xd21e15831" title="1841 de donkre raaf: speelt eene groote rol in de Germaansche wereld; wij zien hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door twee raven vergezeld: Hugin (gedachte) en Munin (herinnering)."
-name="xd21e15831src">&deg;</a>, verheugd van harte,</p>
-<p class="line">Des hemels weelde weder kwam verkonden.</p>
-<p class="line">Daar gleed de zonne glanzend over &rsquo;t
-aardrijk;</p>
-<p class="line">De weerbren ijlden. De edellieden waren <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name="pb234">234</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1845</span> Gereed terug te varen
-naar hun volksstam.</p>
-<p class="line">De vreemdeling, de hooggestemde, haakte</p>
-<p class="line">Om ver van daar zijn vaartuig weer te vinden.</p>
-<p id="v1848" class="line">De held beval nu Hrunting voor te
-brengen,</p>
-<p id="v1849" class="line">Verzocht aan Ecglafs zoon<a class="apparatusnote" id="xd21e15866src" href="#xd21e15866" title="1849 Ecglafs zoon: Hunferd." name="xd21e15866src">&deg;</a> het zwaard
-te nemen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1850</span> Het dierbre staal;
-hij dankte voor &rsquo;t geleende<a href="#n49" class="noteref">49</a></p>
-<p id="v1851" class="line">En zei, hij schatte dit geschikt een
-kampvriend</p>
-<p class="line">En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer</p>
-<p id="v1853" class="line">Van &rsquo;t staal met woorden. &rsquo;t Was
-een moedig strijder!<a class="apparatusnote" id="xd21e15888src" href="#xd21e15888" title="1853 &rsquo;t was een moedig strijder: nl. Beowulf. Volgens M&uuml;llenhoff is hier Hunferd gemeend; doch waar blijven dan de afkeurende woorden van vroeger: &laquo;hier ging zijn roem te loor&raquo;? Vgl. v. 1498."
-name="xd21e15888src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Als nu de reisverheugde kampers reede</p>
-<p id="v1855" class="line"><span class="lineNum">1855</span> In
-&rsquo;t harnas stonden, stapte hij, de heerscher<a class="apparatusnote" id="xd21e15909src" href="#xd21e15909" title="1855 de heerscher: Beowulf. M&uuml;llenhoff werpt 1848&ndash;53 uit, omdat bij Beowulfs terugkeer uit de diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard medebracht. Vgl. 1645 vlg. Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij Beowulfs kamp op den bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te strenge methode gewezen."
-name="xd21e15909src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Den Denen dier, ten troon, alwaar de tweede</p>
-<p class="line">Slagwakkre man verwijlde, en groette Hrodgar.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e15935width"><img src="images/o143.png" alt="Ornament." width="71" height="78"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15544"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15544src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1781">1781</a></span> <i>helmbeschutsel</i>: ofschoon hij zich tegen
-het kwaad wil verzetten.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff oppert de meening, dat de
-nadichter den brief aan de Ephesi&euml;rs voor oogen heeft gehad:
-<span lang="la">In omnibus sumentes scutum fidei, in quo possitis omnia
-tela nequissimi ignea extinguere.</span> <a class="biblink xd21e43"
-title="Link naar geciteerde plaats in de Bijbel" href="https://www.biblegateway.com/passage/?search=eph%206:16&amp;version=HTB">
-Eph. 6, 16</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15544src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15566"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15566src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1783">1783</a></span> <i>des boozen
-geestes</i>: de bekoring.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15566src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15581"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15581src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1785">1785</a></span> <i>uit praalzin</i>: hij schenkt geene gouden
-ringen meer, zooals hij eerst uit praalzin deed.</p>
-<p class="par footnote">Dit is een Germaansche trek, welke onder deze
-christelijke denkbeelden ingeslopen is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15581src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15599"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15599src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1787">1787&ndash;88</a></span> Hij
-verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door hoogmoed verblind is.
-&rsquo;t Is het oude thema: <span lang="la">quos perdere vult Jupiter,
-dementat.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15599src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15631"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15631src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1796">1796</a></span>
-<i>eeuwigdurend welzijn</i>: het eeuwig heil.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e15631src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15659"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15659src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1803">1803<i>b</i>&ndash;4</a></span> door de tooverkunsten van het
-kwade oog.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15659src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15672"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15672src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1732">1732<i>b</i>&ndash;1805</a></span> M&uuml;llenhoff schrijft
-deze verzen aan den interpolator B toe, die zijne bedrevenheid in de
-Godgeleerdheid en zijne kennis der sagen pleegt ten toon te spreiden.
-Het eerste gedeelte der toespraak (<a href="#v1732">1732&ndash;1805</a>) is eene preek in den mond van den
-heidenschen Hrodgar; het tweede gedeelte integendeel, dat met
-v<span class="corr" id="xd21e15683" title="Niet in bron">.</span> 1806
-begint, is geheel en al in overeenstemming met het
-verhaal.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15672src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15706"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15706src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1812">1812&ndash;13</a></span> Te veel voorspoed haalt onspoed
-binnen; zoo dachten de oude Grieken er ook over.</p>
-<p class="par footnote">Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in
-hunne jeugd geene verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later
-boven alle anderen onderscheiden.</p>
-<p class="par footnote">Dit was het geval met Scyld (v. <a href="#v6">6</a> vlg.) en vooral met Beowulf. (v. <a href="#v2241">2241</a>
-vlg.)</p>
-<p class="par footnote">Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die
-later door bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het
-Noorden den eigenaardigen naam van <i>kolenbijters</i>
-(<i>kolbitar</i>), omdat zij den ganschen dag bij het vuur in de asch
-zaten gedoken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15706src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15746"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15746src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1819">1819</a></span> <i>het
-hoofd</i>: van Grendel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15746src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15774"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15774src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1825">1825</a></span> <i>zijn zetel
-zoeken</i>: op den tegenovergestelden bankvloer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15774src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15812"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15812src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1837">1837</a></span> <i>de
-zeeli&ecirc;n</i>: de Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15812src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15831"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15831src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1841">1841</a></span> <i>de donkre
-raaf</i>: speelt eene groote rol in de Germaansche wereld; wij zien
-hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door twee raven
-vergezeld: <i>Hugin</i> (gedachte) en <i>Munin</i>
-(herinnering).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15831src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15866"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15866src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1849">1849</a></span> <i>Ecglafs
-zoon</i>: Hunferd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15866src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15888"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15888src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1853">1853</a></span> <i>&rsquo;t was een moedig strijder</i>: nl.
-Beowulf.</p>
-<p class="par footnote">Volgens M&uuml;llenhoff is hier Hunferd
-gemeend; doch waar blijven dan de afkeurende woorden van vroeger:
-&laquo;hier ging zijn roem te loor&raquo;? Vgl. v. <a href="#v1498">1498</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15888src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15909"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15909src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1855">1855</a></span> <i>de heerscher</i>: Beowulf.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff werpt <a href="#v1848">1848&ndash;53</a> uit, omdat bij Beowulfs terugkeer uit de
-diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard medebracht. Vgl.
-<a href="#v1645">1645</a> vlg.</p>
-<p class="par footnote">Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij
-Beowulfs kamp op den bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te
-strenge methode gewezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15909src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7248">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXVII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:</p>
-<p class="line">&laquo;Wij, zeebezeilers, willen thans u zeggen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1860</span> Wij, wijdbereisden,
-dat we wenschen Hyglac</p>
-<p id="v1861" class="line">Terug te zien. Wij zijn als &rsquo;t voegt
-ontvangen<a class="apparatusnote" id="xd21e15955src" href="#xd21e15955"
-title="1861 Ofschoon eene waarlijk vorstelijke gastvrijheid bij de Germanen heerschte, zoo was het nochtans minder welvoeglijk, indien men meer dan drie nachten op dezelfde plaats vertoefde. Dit verklaart Beowulfs onmiddellijk vertrek, nadat hij zich van zijne taak gekweten heeft. Den eersten nacht na zijne aankomst verslaat hij Grendel in Heorot; den tweeden nacht brengt hij door in een ander verblijf dan Heorot, hoogstwaarschijnlijk in den burcht, terwijl Grendels moeder in de troonzaal binnendringt; den derden dag doodt hij haar op den bodem van het meer, waarna hij alweer ongestoord mag slapen. Den vierden dag heeft eindelijk het vertrek plaats, zoodat hij, de twee etmalen er bijgerekend, welke de heen- en terugreis vorderde, op den 6den dag na zijn vertrek bij Hygelac terugkomt."
-name="xd21e15955src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Naar wil en wensch; gij waart ons toegenegen.</p>
-<p class="line">Indien ik eenigszins op deze wereld</p>
-<p class="line">Nog meer uw hartemin vermag te winnen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1865</span> o Heer der dappren,
-dan ik deed tot dezen</p>
-<p class="line">Door wapenda&acirc;n, ik sta aanstonds wilvaardig.</p>
-<p class="line">En zoo ik dit aan gene zij der zee&euml;n</p>
-<p class="line">Verneem, dat u bestookt met strijd de nabuur,</p>
-<p id="v1869" class="line">Gelijk voorheen de haatgezinden<a class="apparatusnote" id="xd21e15990src" href="#xd21e15990" title="1869 de haatgezinden: Grendel en diens moeder." name="xd21e15990src">&deg;</a> deden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1870</span> Zoo zal ik duizend
-mijner dappren brengen, <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span></p>
-<p class="line">Der helden, tot uw hulp. Wat Hyglac aangaat,</p>
-<p class="line">Den Gootenvorst, ik weet, hoe jong hij weze,</p>
-<p class="line">Dat hij, der volken herder, mij zal helpen</p>
-<p class="line">Met raad en daad; zoodat ik ruk ter heervaart</p>
-<p id="v1875" class="line"><span class="lineNum">1875</span> En
-&rsquo;t wapenhout<a class="apparatusnote" id="xd21e16016src" href="#xd21e16016" title="1875 wapenhout: de lans." name="xd21e16016src">&deg;</a> tot hulp, tot steun der sterkte</p>
-<p class="line">U breng, indien ge hebt gebrek aan mannen.</p>
-<p class="line">Zoo Hrederic, de vorstenzoon, zich voorneemt,</p>
-<p class="line">Der Gooten burgen eens te gaan bezoeken,<a href="#n50"
-class="noteref">50</a></p>
-<p class="line">Zoo zal hij vele vrienden ginder vinden.</p>
-<p id="v1880" class="line"><span class="lineNum">1880</span> Bekendheid
-in den vreemde blijft verkieslijkst</p>
-<p class="line">Te zoeken voor wie steunt op eigen
-sterkte.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e16043src" href="#xd21e16043" title="1880&ndash;81 Tacitus Germ. 14. plerique nobilium adulescentium petunt ultra eas nationes, quae tum bellum aliquod gerunt, quia et ingrata genti quies et facilius inter ancipitia clarescunt. In plaats van thuis te blijven, zal Hredric dus beter doen, zoo hij, in den aard der schildknapen in de middeleeuwen, zich bij Hygelac in den wapenhandel komt bekwamen. Ook Beowulf had zijne jeugd doorgebracht bij Hredel. Zich roem in den vreemde verwerven, behoorde tot de opvoeding der Scandinavische jongelingen."
-name="xd21e16043src">&deg;</a></p>
-<p class="line">En Hrodgar voegde toe, hem tot een antwoord:</p>
-<p class="line">&laquo;Die redevoering gaf de wijze Godheid</p>
-<p id="v1884" class="line">U in &rsquo;t gemoed. Van geenen man nog
-hoorde</p>
-<p id="v1885" class="line"><span class="lineNum">1885</span> Ik op die
-jonge jaren<a class="apparatusnote" id="xd21e16062src" href="#xd21e16062" title="1885 op die jonge jaren: Dat Beowulf niet meer piepjong was, blijkt uit v. 373 nota. Hrodgar heeft hem misschien zoo geheeten, omdat hij aan het verschil tusschen Beowulfs ouderdom en zijnen eigen hoogen leeftijd dacht."
-name="xd21e16062src">&deg;</a> rijper rede.</p>
-<p class="line">Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,</p>
-<p class="line">Aan woorden wijs. Ik koester dus verwachting</p>
-<p class="line">Dat&mdash;zoo het eens geschieden zou, dat
-werpspies</p>
-<p id="v1889" class="line">Of staalverwoede strijd den zoon van
-Hredel<a class="apparatusnote" id="xd21e16082src" href="#xd21e16082"
-title="1889 den zoon van Hredel: Hygelac." name="xd21e16082src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1890</span> Wegrukken zal, hetzij
-dan ziekte of ijzer,</p>
-<p class="line">Den herder van het volk en uwen heerscher,</p>
-<p class="line">En gij in leven zijt&mdash;dat dan de Zee-Goot
-<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name="pb237">237</a>]</span></p>
-<p class="line">Geen beter heer dan u tot schatbehoeder</p>
-<p id="v1894" class="line">Der helden heeft te kiezen, zoo te
-heerschen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1895</span> Gij mocht verlangen
-over &rsquo;t rijk der magen.<a class="apparatusnote" id="xd21e16109src" href="#xd21e16109" title="1894&ndash;95 Wij zullen later zien, dat zulks zijn wensch niet was."
-name="xd21e16109src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Mij, beste Beowulf, lijkt uw moed hoe langer</p>
-<p class="line">Hoe meer. Gij hebt gemaakt, dat voor de volken,</p>
-<p class="line">De Gootenli&ecirc;n en lansgeduchte Denen,</p>
-<p class="line">Gemeenbezitting wezen zal de vrede;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1900</span> De strijd gestaakt en
-de overvallingsveete,</p>
-<p id="v1901" class="line">Die ze eer bezuurden; dat hij zal
-verblijven,</p>
-<p class="line">Zoolang ik &rsquo;t uitgestrekte rijk besture,</p>
-<p class="line">Gemeen de schat, en menigeen den andre</p>
-<p id="v1904" class="line">Met giften over &rsquo;t
-duiklaarsbad<a class="apparatusnote" id="xd21e16136src" href="#xd21e16136" title="1904 duikelaarsbad: de zee, het bad der duikereend." name="xd21e16136src">&deg;</a> zal groeten.<a class="apparatusnote" id="xd21e16145src" href="#xd21e16145" title="1901b&ndash;4 Gaudent praecipue finitimarum gentium donis. Tacitus Germ. 15."
-name="xd21e16145src">&deg;</a></p>
-<p id="v1905" class="line"><span class="lineNum">1905</span> De
-staalomwonden kiel zal over &rsquo;t water</p>
-<p class="line">De gaven brengen met de gunstbewijzen.</p>
-<p class="line">Ik weet, dat tegenover vriend en vijand</p>
-<p class="line">Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,</p>
-<p class="line">In alles zonder blaam, naar de oude zeden.&raquo;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1910</span> Toen schonk hem
-bovendien de schuts der ridders,</p>
-<p class="line">Hij Healfdeens zoon, een twaalftal kostbaarheden.</p>
-<p id="v1912" class="line">Hij hoopte, dat hij met die gaven
-heilvol</p>
-<p class="line">Zijn trouwe volksli&ecirc;n weder zoude vinden</p>
-<p id="v1914" class="line">En ras teruggekeeren. Hierop kuste</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1915</span> De hooggeboren vorst,
-de heer der Schyldings,</p>
-<p class="line">Der helden besten, zijnen hals omvattend.</p>
-<p class="line">Den zilvergrijze zegen neer de tranen,</p>
-<p class="line">Verwachting was er voor den ouden wijze</p>
-<p id="v1919" class="line">Van alle twee, nochtans van &rsquo;t andre
-sterker<a class="apparatusnote" id="xd21e16191src" href="#xd21e16191"
-title="1919 Hrodgar hoopte, dat Beowulf frisch en gezond zijn land zou bereiken, en daarna spoedig terugkeeren. Vgl. 1912&ndash;14. Wat dit laatste betreft, koesterde hij nochtans slechts eene flauwe hoop."
-name="xd21e16191src">&deg;</a>: <span class="pagenum">[<a id="pb238"
-href="#pb238" name="pb238">238</a>]</span></p>
-<p id="v1920" class="line"><span class="lineNum">1920</span> Dat zij
-voortaan, de bouden bij de toespraak<a class="apparatusnote" id="xd21e16208src" href="#xd21e16208" title="1920 bij de toespraak: in de volksvergadering." name="xd21e16208src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Elkander nimmer zouden kunnen weerzien<a href="#n51"
-class="noteref">51</a>.</p>
-<p class="line">Hem was de man zoo waard, dat hij de woeling</p>
-<p class="line">Des harten niet vermocht in toom te houden;</p>
-<p id="v1924" class="line">Maar in de borst, besloten in de boeien</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1925</span> Van zijn gedachten,
-haakte stil de heerscher,<a class="apparatusnote" id="xd21e16233src"
-href="#xd21e16233" title="1924&ndash;25 in het geheim" name="xd21e16233src">&deg;</a></p>
-<p id="v1926" class="line">Ondanks het bloed<a class="apparatusnote"
-id="xd21e16241src" href="#xd21e16241" title="1926 ondanks het bloed: Ofschoon Beowulf niet tot zijne familie behoorde, beminde Hrodgar hem meer dan zijne eigen kinderen."
-name="xd21e16241src">&deg;</a>, naar dezen dierbren krijger.</p>
-<p class="line">Trotsch op de schatten trok de kampheld Beowulf,</p>
-<p class="line">Verheugd om &rsquo;t goud, nu henen langs de
-graszoo.</p>
-<p class="line">Het <span class="corr" id="xd21e16256" title="Bron: watterros">waterros</span>, dat op het anker rukte,</p>
-<p id="v1930" class="line"><span class="lineNum">1930</span> Verwachtte
-zijn bezitter. Onderwege</p>
-<p class="line">Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar.</p>
-<p class="line">Een eenig heerscher was &rsquo;t, geheel
-onlaakbaar,</p>
-<p class="line">Tot hem &rsquo;t genot der kracht ontnam de
-grijsheid,</p>
-<p id="v1934" class="line">Die menigmaal zoovelen heeft
-vermeesterd.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e16272width"><img src="images/o238.png" alt="Ornament." width="141" height="104"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15955"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15955src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1861">1861</a></span> Ofschoon eene waarlijk vorstelijke
-gastvrijheid bij de Germanen heerschte, zoo was het nochtans minder
-welvoeglijk, indien men meer dan drie nachten op dezelfde plaats
-vertoefde.</p>
-<p class="par footnote">Dit verklaart Beowulfs onmiddellijk vertrek,
-nadat hij zich van zijne taak gekweten heeft.</p>
-<p class="par footnote">Den eersten nacht na zijne aankomst verslaat
-hij Grendel in Heorot; den tweeden nacht brengt hij door in een ander
-verblijf dan Heorot, hoogstwaarschijnlijk in den burcht, terwijl
-Grendels moeder in de troonzaal binnendringt; den derden dag doodt hij
-haar op den bodem van het meer, waarna hij alweer ongestoord mag
-slapen.</p>
-<p class="par footnote">Den vierden dag heeft eindelijk het vertrek
-plaats, zoodat hij, de twee etmalen er bijgerekend, welke de heen- en
-terugreis vorderde, op den 6<sup>den</sup> dag na zijn vertrek bij
-Hygelac terugkomt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e15955src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e15990"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e15990src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1869">1869</a></span> <i>de
-haatgezinden</i>: Grendel en diens moeder.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e15990src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16016"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16016src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1875">1875</a></span>
-<i>wapenhout</i>: de lans.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16016src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16043"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16043src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1880">1880&ndash;81</a></span> Tacitus Germ. 14. plerique nobilium
-adulescentium petunt ultra eas nationes, quae tum bellum aliquod
-gerunt, quia et ingrata genti quies et facilius inter ancipitia
-clarescunt.</p>
-<p class="par footnote">In plaats van thuis te blijven, zal Hredric dus
-beter doen, zoo hij, in den aard der schildknapen in de middeleeuwen,
-zich bij Hygelac in den wapenhandel komt bekwamen. Ook Beowulf had
-zijne jeugd doorgebracht bij Hredel. Zich roem in den vreemde
-verwerven, behoorde tot de opvoeding der Scandinavische
-jongelingen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16043src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16062"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16062src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1885">1885</a></span> <i>op die
-jonge jaren</i>: Dat Beowulf niet meer piepjong was, blijkt uit v.
-<a href="#v373">373</a> nota. Hrodgar heeft hem misschien zoo geheeten,
-omdat hij aan het verschil tusschen Beowulfs ouderdom en zijnen eigen
-hoogen leeftijd dacht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16062src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16082"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16082src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1889">1889</a></span> <i>den zoon
-van Hredel</i>: Hygelac.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16082src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16109"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16109src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1894">1894&ndash;95</a></span> Wij
-zullen later zien, dat zulks zijn wensch niet was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16109src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16136"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16136src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1904">1904</a></span>
-<i>duikelaarsbad</i>: de zee, het bad der duikereend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16136src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16145" lang="la">
-<span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16145src">&deg;</a></span> <span class="lineNumRef"><a href="#v1901">1901<i>b</i>&ndash;4</a></span> Gaudent praecipue finitimarum
-gentium donis. Tacitus Germ. 15.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16145src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16191"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16191src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1919">1919</a></span> Hrodgar hoopte, dat Beowulf frisch en gezond
-zijn land zou bereiken, en daarna spoedig terugkeeren. Vgl. <a href="#v1912">1912&ndash;14</a>.</p>
-<p class="par footnote">Wat dit laatste betreft, koesterde hij nochtans
-slechts eene flauwe hoop.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16191src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16208"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16208src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1920">1920</a></span> <i>bij de
-toespraak</i>: in de volksvergadering.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16208src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16233"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16233src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1924">1924&ndash;25</a></span> in
-het geheim&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16233src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16241"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16241src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1926">1926</a></span> <i>ondanks
-het bloed</i>: Ofschoon Beowulf niet tot zijne familie behoorde,
-beminde Hrodgar hem meer dan zijne eigen kinderen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16241src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7254">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXVIII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v1935" class="line"><span class="lineNum">1935</span> Nu kwam
-aan &rsquo;t strand der dappren stoet<a class="apparatusnote" id="xd21e16286src" href="#xd21e16286" title="1935 der dappren stoet: de Gooten" name="xd21e16286src">&deg;</a>, der
-helden</p>
-<p class="line">Zij droegen &rsquo;t ringnet, hun gevlochten
-rusting</p>
-<p class="line">Der leden. Weder sloeg de landwacht gade</p>
-<p class="line">De komst der krijgers, als hij deed voordezen.</p>
-<p class="line">Niet met gegrauw begroette hij de gasten</p>
-<p id="v1940" class="line"><span class="lineNum">1940</span> Vanaf de
-rotskaap, maar hij reed hen tegen</p>
-<p id="v1941" class="line">En zei, dat zij, de glansomgeven
-gasten,<a class="apparatusnote" id="xd21e16309src" href="#xd21e16309"
-title="1941&ndash;42 Hun terugkeer naar het land der Gooten zou den landgenooten aldaar welkom wezen. De wensch des kustwachters (v. 299 vlg.) had zich dus bewaarheid."
-name="xd21e16309src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Den Wederlieden welkom scheepwaarts schreden.</p>
-<p id="v1943" class="line">Toen werd op &rsquo;t oeverzand de ruime
-zeeboot</p>
-<p class="line">Met strijdgewaad bevracht, de stalen steven,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1945</span> Met smuk en paarden.
-Boven Hrodgars puikschat</p>
-<p id="v1946" class="line">Verhief de mast zich. Beowulf schonk den
-hoeder<a class="apparatusnote" id="xd21e16334src" href="#xd21e16334"
-title="1946 den hoeder: Vgl. v. 294 vlg." name="xd21e16334src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Van zijne boot een zwaard, met goud gebonden,</p>
-<p class="line">Dat deze sedert des te meer ter meebank</p>
-<p class="line">Werd hooggeschat om dit geschenk, dit erfzwaard.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1950</span> Nu klom hij op het
-zeeschip, om te klieven</p>
-<p class="line">Den diepen vloed, verliet het land der Denen.</p>
-<p class="line">Een zeegewaad, een zeil, gesnoerd door zeelen,</p>
-<p class="line">Bevond zich aan den mast. Het meerhout dreunde</p>
-<p class="line">En langs den vloed belemmerden de winden <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1955</span> Den zeebeschrijder
-niet in zijne reize.</p>
-<p class="line">De golvenganger toog; schuimhalzig scheerde</p>
-<p class="line">Hij langs de baren voort, &rsquo;t gebonden
-vaartuig,</p>
-<p class="line">Langs &rsquo;t zeegetuimel; tot men zag de klippen</p>
-<p class="line">Der Gooten met de goedbekende kapen.</p>
-<p id="v1960" class="line"><span class="lineNum">1960</span> Naar boven
-drong de boot en windomwarreld</p>
-<p id="v1961" class="line">Stond zij nu op het strand. De
-havenhoeder</p>
-<p class="line">Bevond zich onverwijld gereed aan &rsquo;t water,</p>
-<p class="line">Hij welke, wachtend op de lieve lieden,</p>
-<p class="line">Zoo menigmaal te voren in de verte</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1965</span> Had uitgekeken bij de
-waterkolken.</p>
-<p class="line">Hij meerde vast het breedgeboezemd vaartuig</p>
-<p class="line">Op &rsquo;t strand met ankertouw, opdat de stuwing</p>
-<p class="line">Des vloeds hun niet de kostbre kiel ontvoerde.</p>
-<p class="line">Hij heette toen der edellieden have,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1970</span> Het keurkleinood en
-bladgoud op te brengen.</p>
-<p id="v1971" class="line">Men had niet ver van daar den
-schatuitdeeler</p>
-<p class="line">Te zoeken: Hyglac, Hredels zoon, verwijlde</p>
-<p class="line">Er zelve metterwoon en met de mannen</p>
-<p class="line">Nabij den zoom der zee. Het huis was heerlijk.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1975</span> Geweldig was de
-heerscher, hoogverheven</p>
-<p id="v1976" class="line">In zijne halle. Hygd<a class="apparatusnote"
-id="xd21e16421src" href="#xd21e16421" title="1976 Hygd: Hygelacs gemalin, H&auml;reds dochter." name="xd21e16421src">&deg;</a> was uiterst jeugdig</p>
-<p class="line">En wijs en hoog van zin, schoon H&auml;reds dochter</p>
-<p class="line">Geschouwd had weinig winters onder &rsquo;t
-schutsel</p>
-<p id="v1979" class="line">Des burgs. Niet was zij evenwel
-gemeenzaam,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1980</span> Noch voor het
-Gootenvolk met giften karig</p>
-<p id="v1981" class="line">En schatgeschenken.&mdash;Thrydo<a class="apparatusnote" id="xd21e16443src" href="#xd21e16443" title="1981 Thrydho: gemalin van Offa en bekend om hare wreedheid. De zachte, vrouwelijke aard van Hygd wordt in het licht gesteld door tegenstelling met het fier, wildjonkvrouwelijk karakter van Thrydho, dat ons aan de noordsche Walkuren en aan Brunhilde herinnert."
-name="xd21e16443src">&deg;</a> daarentegen</p>
-<p class="line">Zij voedde toorn de schoone volksgebiedster
-<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span></p>
-<p class="line">En vreeselijke wraak. Niet dorst een dappre</p>
-<p class="line">Het wagen van haar trouwe lijftrawanten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1985</span> Tenzij haar echtheer,
-dat hij haar in de oogen</p>
-<p id="v1986" class="line">Des daags bestaarde, daar zij hem de
-doodsboei,</p>
-<p class="line">Gestrengeld door de hand, bestemde en oplei.</p>
-<p class="line">Daarna, na deze hechtenis, was spoedig</p>
-<p class="line">Het staal bestemd, zoodat het doodlijk wapen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1990</span> Beslissen moest, het
-moordbedrijf vermelden.<a class="apparatusnote" id="xd21e16476src"
-href="#xd21e16476" title="1986&ndash;90 Zij liet den vermetele in boeien klinken en daarna ter dood brengen."
-name="xd21e16476src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Niet zulks is maagdenzede, voor een vrouwe</p>
-<p class="line">Niet uit te voeren, schoon zij door haar schoonheid</p>
-<p id="v1993" class="line">Ook eenig weze, dat de
-vredeweefster<a class="apparatusnote" id="xd21e16488src" href="#xd21e16488" title="1993 de vredeweefster: zoo heet de koningsgade, welke dikwijls uitgehuwelijkt werd, om den vrede tusschen twee vijandelijke stammen te stichten. Men herinnere zich Hildburg en Fin en vergelijke vooral Freoware en Ingeld v. 2078 vlg. Over het algemeen hadden de noordsche volken zeer kalme en beredeneerde beschouwingen bij het sluiten van een huwelijk."
-name="xd21e16488src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Een waarden krijger, naar vermeende krenking,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">1995</span> Naar &rsquo;t leven
-staat. Wis stuitte &rsquo;t Hemings bloedmaag<a class="apparatusnote"
-id="xd21e16506src" href="#xd21e16506" title="1595 Hemings bloedmaag: Offa, koning der oude Angelen. Hij maakte een einde aan Thrydho&rsquo;s wreedheid, door haar andere gevoelens in te boezemen, als volgt. Deze Offa der sage, die in de vroegere verblijfplaats der Angelen heerschte, wordt ook in Widsidh vermeld. Volgens dit gedicht lag zijn rijk in Sleeswijk. Ons epos heet zijne schoone echtgenoote Thrydho, dat kracht, zooveel als virago beteekent en nog in ons Geertruid, de speerkrachtige, voortleeft. Verder wordt gezegd, dat zij eene hardvochtige vrouw was. Geen man, uitgenomen haren echtgenoot, mocht de oogen naar haar opslaan, of hij werd aanstonds geboeid en daarna gedood. Nadat zij op raad van haren vader de zee was overgestoken en in Offa, den koning der Angelen, eenen waarden echtgenoot had gevonden, veranderde haar inborst en werd zij eene voortreffelijke koningin en liefhebbende gade. Deze lezing is, volgens M&uuml;llenhoff, de oudste vorm der sage, terwijl in latere bewerkingen haar oorspronkelijk wild karakter weer bovenkomt. Buiten dezen Offa der sage, is er ook een geschiedkundige Offa, koning van Merci&euml;, gestorven in 796. Zijne echtgenoote heette Cynethrydh d. i. virago regia, en in het Vita Offae II Drida (Thrydho) of na haar huwelijk Quendrida d. i. koningin Drida. In dit Vita Offae I en II uit de 13de eeuw werden, wegens de dubbele overeenkomst van naam, op deze laatste al de wreedheden van de gemalin des eersten Offa&rsquo;s overgebracht; een bewijs dat de sage van Offa bij de Angelsaksen zeer verbreid was. Suchier toont aan, dat zij zich ook bij de Kelten en Romanen voortplantte. M&uuml;llenhoff schrijft de heele Thrydho-Offaepisode aan den interpolator B toe."
-name="xd21e16506src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb242"
-href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span></p>
-<p id="v1996" class="line">Want bij den bierdronk zeiden zij iets
-anders<a class="apparatusnote" id="xd21e16553src" href="#xd21e16553"
-title="1996 zeiden zij iets anders: De krijgers, welke bij de drinkgelagen oude sagen plegen op te halen, verhaalden iets anders over de gehuwde Thrydho."
-name="xd21e16553src">&deg;</a></p>
-<p id="v1997" class="line">Dat zij berokkende geringer gruwlen<a class="apparatusnote" id="xd21e16566src" href="#xd21e16566" title="1997 geringer gruwlen: in &rsquo;t geheel geene gruwelen. (litotes.) Cosijn."
-name="xd21e16566src">&deg;</a></p>
-<p class="line">En listig leed, nadat de goudgedoste</p>
-<p class="line">Van hoogen stam ten huwlijk werd gegeven</p>
-<p id="v2000" class="line"><span class="lineNum">2000</span> Een
-jeugdig held, nadat zij Offa&rsquo;s halle<a class="apparatusnote" id="xd21e16586src" href="#xd21e16586" title="2000 Offa&rsquo;s halle: in het oude Angli&euml;." name="xd21e16586src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Op reis bereikt had langs de vale vloeden,</p>
-<p class="line">Naar vaders raad. Sindsdien vervulde deze</p>
-<p class="line">Op haren heerschersstoel op waarde wijze</p>
-<p class="line">Het levenslot, vermaard om hare mildheid.</p>
-<p id="v2005" class="line"><span class="lineNum">2005</span> Den
-heldenvorst<a class="apparatusnote" id="xd21e16608src" href="#xd21e16608" title="2005 den heldenvorst: Offa." name="xd21e16608src">&deg;</a> bewees zij hooge liefde,</p>
-<p class="line">Der menschen besten, volgens mijn ervaren,</p>
-<p class="line">Der menschenzonen bij de beide zee&euml;n.</p>
-<p class="line">Hierdoor was Offa door zijn da&acirc;n en giften,</p>
-<p class="line">Een speerbehendig man, alom verheerlijkt.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2010</span> Hij hield &rsquo;t
-bewind met wijsheid over &rsquo;t erfland.</p>
-<p id="v2011" class="line">Uit hem ontsproot, tot hulp der helden,
-Eomaer,</p>
-<p class="line">Maag Hemings, Garmunds neef, de sterke in &rsquo;t
-strijden.<a class="apparatusnote" id="xd21e16634src" href="#xd21e16634"
-title="2011&ndash;12 Deze drie eigennamen komen maar eens voor; het zijn helden van de Angelsaksische volksoverlevering."
-name="xd21e16634src">&deg;</a></p>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16286"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16286src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1935">1935</a></span> <i>der
-dappren stoet</i>: de Gooten&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16286src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16309"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16309src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1941">1941&ndash;42</a></span> Hun terugkeer naar het land der
-Gooten zou den landgenooten aldaar welkom wezen.</p>
-<p class="par footnote">De wensch des kustwachters (v. <a href="#v299">299</a> vlg.) had zich dus bewaarheid.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e16309src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16334"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16334src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1946">1946</a></span> <i>den
-hoeder</i>: Vgl. v. <a href="#v294">294</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16334src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16421"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16421src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1976">1976</a></span> <i>Hygd</i>:
-Hygelacs gemalin, H&auml;reds dochter.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16421src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16443"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16443src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1981">1981</a></span>
-<i>Thrydho</i>: gemalin van Offa en bekend om hare wreedheid. De
-zachte, vrouwelijke aard van Hygd wordt in het licht gesteld door
-tegenstelling met het fier, wildjonkvrouwelijk karakter van Thrydho,
-dat ons aan de noordsche Walkuren en aan Brunhilde
-herinnert.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16443src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16476"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16476src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1986">1986&ndash;90</a></span> Zij
-liet den vermetele in boeien klinken en daarna ter dood
-brengen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16476src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16488"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16488src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1993">1993</a></span> <i>de
-vredeweefster</i>: zoo heet de koningsgade, welke dikwijls
-uitgehuwelijkt werd, om den vrede tusschen twee vijandelijke stammen te
-stichten. Men herinnere zich Hildburg en Fin en vergelijke vooral
-Freoware en Ingeld v. <a href="#v2078">2078</a> vlg. Over het algemeen
-hadden de noordsche volken zeer kalme en beredeneerde beschouwingen bij
-het sluiten van een huwelijk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16488src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16506"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16506src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v1595">1595</a></span> <i>Hemings bloedmaag</i>: Offa, koning der
-oude Angelen.</p>
-<p class="par footnote">Hij maakte een einde aan Thrydho&rsquo;s
-wreedheid, door haar andere gevoelens in te boezemen, als volgt.</p>
-<p class="par footnote">Deze Offa der sage, die in de vroegere
-verblijfplaats der Angelen heerschte, wordt ook in Widsidh vermeld.
-Volgens dit gedicht lag zijn rijk in Sleeswijk.</p>
-<p class="par footnote">Ons epos heet zijne schoone echtgenoote
-Thrydho, dat kracht, zooveel als <i>virago</i> beteekent en nog in ons
-<i>Geertruid</i>, de speerkrachtige, voortleeft.</p>
-<p class="par footnote">Verder wordt gezegd, dat zij eene hardvochtige
-vrouw was. Geen man, uitgenomen haren echtgenoot, mocht de oogen naar
-haar opslaan, of hij werd aanstonds geboeid en daarna gedood.</p>
-<p class="par footnote">Nadat zij op raad van haren vader de zee was
-overgestoken en in Offa, den koning der Angelen, eenen waarden
-echtgenoot had gevonden, veranderde haar inborst en werd zij eene
-voortreffelijke koningin en liefhebbende gade.</p>
-<p class="par footnote">Deze lezing is, volgens M&uuml;llenhoff, de
-oudste vorm der sage, terwijl in latere bewerkingen haar oorspronkelijk
-wild karakter weer bovenkomt.</p>
-<p class="par footnote">Buiten dezen Offa der sage, is er ook een
-geschiedkundige Offa, koning van Merci&euml;, gestorven in 796. Zijne
-echtgenoote heette <i>Cynethrydh</i> d. i. <i>virago regia</i>, en in
-het Vita Offae II Drida (Thrydho) of na haar huwelijk Quendrida d. i.
-koningin Drida.</p>
-<p class="par footnote">In dit Vita Offae I en II uit de
-13<sup>de</sup> eeuw werden, wegens de dubbele overeenkomst van naam,
-op deze laatste al de wreedheden van de gemalin des eersten
-Offa&rsquo;s overgebracht; een bewijs dat de sage van Offa bij de
-Angelsaksen zeer verbreid was. Suchier toont aan, dat zij zich ook bij
-de Kelten en Romanen voortplantte.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff schrijft de heele
-Thrydho-Offaepisode aan den interpolator B toe.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e16506src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16553"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16553src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1996">1996</a></span> <i>zeiden zij
-iets anders</i><span class="corr" id="xd21e16560" title="Bron: ;">:</span> De krijgers, welke bij de drinkgelagen oude sagen
-plegen op te halen, verhaalden iets anders over de gehuwde
-Thrydho.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16553src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16566"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16566src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v1997">1997</a></span> <i>geringer
-gruwlen</i>: in &rsquo;t geheel geene gruwelen. (litotes.)
-<i>Cosijn</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16566src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16586"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16586src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2000">2000</a></span>
-<i>Offa&rsquo;s halle</i>: in het oude Angli&euml;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16586src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16608"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16608src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2005">2005</a></span> <i>den
-heldenvorst</i>: Offa.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16608src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16634"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16634src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2011">2011&ndash;12</a></span> Deze
-drie eigennamen komen maar eens voor; het zijn helden van de
-Angelsaksische volksoverlevering.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16634src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name="pb243">243</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7260">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXIX.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v2013" class="line">Nu ging de held<a class="apparatusnote" id="xd21e16648src" href="#xd21e16648" title="2013 de held: Beowulf. Zij begeven zich naar Hygelacs woning. Vgl. v. 1971 vlg."
-name="xd21e16648src">&deg;</a> met zijne handgezellen</p>
-<p class="line">Zelf langs het zand, den zoom der zee betredend.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2015</span> De wereldtoorts, de
-zonne, scheen zich wendend</p>
-<p id="v2016" class="line">Vanuit het Zuid<a class="apparatusnote" id="xd21e16668src" href="#xd21e16668" title="2016 vanuit het Zuid: het was middag." name="xd21e16668src">&deg;</a>.
-Zij zetten voort de voetreis</p>
-<p class="line">En schreden duchtig door, tot waar zij wisten,</p>
-<p class="line">Dat binnen in den burcht de hulp der helden,</p>
-<p id="v2019" class="line">Verwinnaar Ongentheows<a class="apparatusnote" id="xd21e16683src" href="#xd21e16683" title="2019 Verwinnaar Ongentheows: het was niet Hygelac, maar Eofor, een zijner mannen, die den koning der Zweden doodde, doch de vorst vertegenwoordigt zijne onderhoorigen."
-name="xd21e16683src">&deg;</a>, de wapenkoning</p>
-<p id="v2020" class="line"><span class="lineNum">2020</span> De jonge,
-kampgeduchte, ringen deelde.</p>
-<p class="line">Dan ras was Beowulfs komst bericht aan Hyglac:</p>
-<p class="line">Dat op het erf aldaar de stut der stouten,</p>
-<p class="line">Zijn schildvriend, hofwaarts kwam geschreden,
-levend</p>
-<p class="line">En gaaf van &rsquo;t wapenspel. Nu werd er spoedig,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2025</span> Gelijk de vorst
-gebood, een zaal van binnen</p>
-<p class="line">Den voetbereisden gasten opgeredderd.</p>
-<p id="v2027" class="line">Daar zat hij nu<a class="apparatusnote" id="xd21e16713src" href="#xd21e16713" title="2027 daar zat hij nu: Beowulf; hij zat, als voornaamste gast, op den tegenovergestelden bankvloer."
-name="xd21e16713src">&deg;</a> hem zelven tegenover</p>
-<p class="line">Hij, welke vele kampen had bevochten,</p>
-<p id="v2029" class="line">Maag over maag, nadat de
-mannenkoning<a class="apparatusnote" id="xd21e16726src" href="#xd21e16726" title="2029 de mannenkoning: Hygelac." name="xd21e16726src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2030</span> In hooge taal den
-trouwe had verwelkomd <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244" name="pb244">244</a>]</span></p>
-<p class="line">Met weidsche woorden. Met de medekannen</p>
-<p id="v2032" class="line">Begaf zich Hareds dochter<a class="apparatusnote" id="xd21e16744src" href="#xd21e16744" title="2032 Hareds dochter: Hygd." name="xd21e16744src">&deg;</a> langs den
-halbouw;</p>
-<p class="line">Zij stond den lieden lief ten dienst en stelde</p>
-<p class="line">Ter hand de wijnschaal aan de Heide-Gooten.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2035</span> En Hygelac begon ter
-hooge halle</p>
-<p class="line">Op hoofsche wijs zijn huisvriend te ondervragen.</p>
-<p id="v2037" class="line">De lust hem ledebraakte<a class="apparatusnote" id="xd21e16766src" href="#xd21e16766" title="2037 Hij werd gefolterd door nieuwsgierigheid, om te weten enz." name="xd21e16766src">&deg;</a>, welke waren</p>
-<p class="line">Geweest de tochten van de Water-Gooten.</p>
-<p class="line">&laquo;Hoe ging het u op reis, mijn goede Beowulf,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2040</span> Toen ge onverwachts
-besloten waart, om verre</p>
-<p class="line">Den strijd te zoeken over &rsquo;t zilte water,</p>
-<p class="line">Den kamp in Heorot? Hebt gij dan bij Hrodgar,</p>
-<p class="line">Den hoogen heerscher, eenigszins verholpen</p>
-<p class="line">Het wijdberuchte wee? Om deze reden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2045</span> Verduwde ik leed bij
-&rsquo;t deinen van de zorgen.</p>
-<p class="line">Den tocht des waarden mans betrouwde ik weinig;</p>
-<p id="v2047" class="line">Ik bad u menigwerf, dat gij den
-moordgeest</p>
-<p class="line">Volstrekt niet zoeken zoudt en in &rsquo;t
-bestrijden</p>
-<p class="line">Van Grendel liet begaan den Zuid-Deen zelven.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2050</span> God weet ik dank, u
-welbewaard te schouwen.&raquo;</p>
-<p class="line">En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:</p>
-<p class="line">&laquo;o Heerscher Hygelac, niet bleef verholen</p>
-<p class="line">Aan menig man het wijdvermaarde treffen,</p>
-<p class="line">Wat oorlogstijd er tusschen mij en Grendel</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2055</span> Ontstond op gene
-stede, waar hij wee&euml;n</p>
-<p class="line">In groote menigt schiep den Zege-Schyldings</p>
-<p class="line">En hoon voor &rsquo;t leven, &rsquo;k Heb het al
-gewroken,</p>
-<p class="line">Dat geen van Grendels broed op aard mag brallen</p>
-<p id="v2059" class="line">Op gindschen uchtendgil<a class="apparatusnote" id="xd21e16826src" href="#xd21e16826" title="2059 op gindschen uchtendgil: ziet terug op &laquo;het machtig morgenwee&raquo; (v. 132&ndash;33) dat door de Denen werd aangeheven bij het zien van het door Grendel aangerichte bloedbad. Als nog eenig monster leeft, dan hoeft het niet te pochen op Grendels daden."
-name="xd21e16826src">&deg;</a>, die veenomvangen <span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2060</span> Het langst van
-&rsquo;t hatelijk geslacht zal leven.</p>
-<p class="line">Eerst ging ik Hrodgar groeten in de ringzaal;</p>
-<p id="v2062" class="line">Dra wees de hooggeroemde zoon van
-Healfdeen</p>
-<p id="v2063" class="line">Mij naast zijn zoon een zetel, bij &rsquo;t
-vernemen</p>
-<p class="line">Van mijn ontwerp. De schare was in weelde;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2065</span> Nog nooit ontwaarde
-ik onder &rsquo;t hemelwulfsel</p>
-<p class="line">Bij hallevrienden grooter medevreugde.</p>
-<p id="v2067" class="line">Bij wijlen ging der volken
-vreeverwante<a class="apparatusnote" id="xd21e16865src" href="#xd21e16865" title="2067: vreeverwante: Wealhtheow, Hrodgars gemalin; het woord beteekent hetzelfde als vredeweefster."
-name="xd21e16865src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De statige vorstin, langs heel de halle,</p>
-<p class="line">Aanmoedigend bij &rsquo;t maal de jonge mannen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2070</span> En menig reis
-bedeelde zij een ridder</p>
-<p class="line">Met ringsmuk, eer zij heenging naar de rustbank.</p>
-<p id="v2072" class="line">De dochter Hrodgars<a class="apparatusnote"
-id="xd21e16887src" href="#xd21e16887" title="2072 Vroeger is van Freaware geen sprake geweest." name="xd21e16887src">&deg;</a> bood somtijds de bierschaal</p>
-<p class="line">Den hoofden aan, den helden aan de slagspits.</p>
-<p class="line">Ik hoorde deze door de hallegasten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2075</span> Freaware heeten, waar
-zij knopjuweelen</p>
-<p class="line">Den helden gaf. De jonge, goudgehulde</p>
-<p id="v2077" class="line">Was toegezegd den eedlen zoon van
-Froda<a class="apparatusnote" id="xd21e16905src" href="#xd21e16905"
-title="2077 Froda: vorst der Headobarden en Ingelds vader." name="xd21e16905src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v2078" class="line">Het had den Schyldingsvriend<a class="apparatusnote" id="xd21e16916src" href="#xd21e16916" title="2078 Schyldingsvriend: Hrodgar" name="xd21e16916src">&deg;</a> zoo
-goed geschenen.</p>
-<p class="line">Den hoeder van het rijk, en tevens rekent</p>
-<p id="v2080" class="line"><span class="lineNum">2080</span> Hij
-&rsquo;t eene winst, dat hij door deze weerhelft</p>
-<p class="line">De moordwraak, vele veeten mocht beslechten.<a class="apparatusnote" id="xd21e16934src" href="#xd21e16934" title="2080&ndash;81 Vandaar de naam vredeweefster, vreeverwante. Men houde in het oog, dat Beowulf hier toekomstige gebeurtenissen voorspelt; Freaware heeft hij alleen als verloofde (v. 2077) gekend. De episode der Headobarden komt hierop neer: Froda, de vorst der Headobarden, heeft het onderspit gedolven in het gevecht met de Denen en is er gesneuveld. Ten einde de twee volken met elkander te verzoenen, schenkt Hrodgar de hand zijner dochter Freaware aan den jeugdigen Headobardenkoning Ingeld, zoon van Froda. Onder Freawares dienaars bevindt zich de zoon van den Deen, welke Froda gedood heeft. Terwijl hij bedient in de koningshal, pronkt hij met den door zijnen vader buitgemaakten krijgstooi van Froda, onder anderen met het zwaard. Dit ziet slechts noode een oud krijger der Headobarden, die alle gevechten heeft meegemaakt. Hij wijst er Ingeld op en zet hem door zijne verontwaardigde taal langzamerhand tot wraakneming aan. De jonge, praalzieke Deen wordt gedood; de moordenaar ontvlucht en de strijd tusschen Denen en Headobarden is weer losgebroken. Men vergete niet dat, volgens de Oudgermaansche denkbeelden, het voor den zoon een heilige plicht was zijnen vader te wreken."
-name="xd21e16934src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb246"
-href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span></p>
-<p id="v2082" class="line">Niet zelden, maar te dikwerf rust de
-moordspeer</p>
-<p class="line">Een korte wijle na den val des konings,<a href="#n52"
-class="noteref">52</a></p>
-<p class="line">Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e16977width"><img src="images/o269.png" alt="Ornament." width="177" height="121"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16648"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16648src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2013">2013</a></span> <i>de
-held</i>: Beowulf. Zij begeven zich naar Hygelacs woning. Vgl. v.
-<a href="#v1971">1971</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16648src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16668"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16668src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2016">2016</a></span> <i>vanuit het
-Zuid</i>: het was middag.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16668src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16683"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16683src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2019">2019</a></span> <i>Verwinnaar
-Ongentheows</i>: het was niet Hygelac, maar Eofor, een zijner mannen,
-die den koning der Zweden doodde, doch de vorst vertegenwoordigt zijne
-onderhoorigen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16683src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16713"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16713src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2027">2027</a></span> <i>daar zat
-hij nu</i>: Beowulf; hij zat, als voornaamste gast, op den
-tegenovergestelden bankvloer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16713src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16726"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16726src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2029">2029</a></span> <i>de
-mannenkoning</i>: Hygelac.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16726src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16744"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16744src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2032">2032</a></span> <i>Hareds
-dochter</i>: Hygd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16744src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16766"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16766src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2037">2037</a></span> Hij werd
-gefolterd door nieuwsgierigheid, om te weten enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16766src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16826"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16826src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2059">2059</a></span> <i>op gindschen uchtendgil</i>: ziet terug op
-&laquo;het machtig morgenwee&raquo; (v<span class="corr" id="xd21e16835" title="Niet in bron">.</span> <a href="#v132">132&ndash;33</a>) dat door de Denen werd aangeheven bij het
-zien van het door Grendel aangerichte bloedbad.</p>
-<p class="par footnote">Als nog eenig monster leeft, dan hoeft het niet
-te pochen op Grendels daden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16826src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16865"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16865src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2067">2067</a></span>:
-<i>vreeverwante</i>: Wealhtheow, Hrodgars gemalin; het woord beteekent
-hetzelfde als vredeweefster.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16865src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16887"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16887src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2072">2072</a></span> Vroeger is
-van Freaware geen sprake geweest.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16887src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16905"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16905src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2077">2077</a></span> <i>Froda</i>:
-vorst der Headobarden en Ingelds vader.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16905src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16916"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16916src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2078">2078</a></span>
-<i>Schyldingsvriend</i>: Hrodgar&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16916src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16934"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16934src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2080">2080&ndash;81</a></span> Vandaar de naam <i>vredeweefster</i>,
-<i>vreeverwante</i>.</p>
-<p class="par footnote">Men houde in het oog, dat Beowulf hier
-<i>toekomstige</i> gebeurtenissen voorspelt; Freaware heeft hij alleen
-als verloofde (v<span class="corr" id="xd21e16951" title="Niet in bron">.</span> <a href="#v2077">2077</a>) gekend.</p>
-<p class="par footnote">De episode der Headobarden komt hierop
-neer:</p>
-<p class="par footnote">Froda, de vorst der Headobarden, heeft het
-onderspit gedolven in het gevecht met de Denen en is er gesneuveld. Ten
-einde de twee volken met elkander te verzoenen, schenkt Hrodgar de hand
-zijner dochter Freaware aan den jeugdigen Headobardenkoning Ingeld,
-zoon van Froda.</p>
-<p class="par footnote">Onder Freawares dienaars bevindt zich de zoon
-van den Deen, welke Froda gedood heeft. Terwijl hij bedient in de
-koningshal, pronkt hij met den door zijnen vader buitgemaakten
-krijgstooi van Froda, onder anderen met het zwaard. Dit ziet slechts
-noode een oud krijger der Headobarden, die alle gevechten heeft
-meegemaakt. Hij wijst er Ingeld op en zet hem door zijne
-verontwaardigde taal langzamerhand tot wraakneming aan. De jonge,
-praalzieke Deen wordt gedood; de moordenaar ontvlucht en de strijd
-tusschen Denen en Headobarden is weer losgebroken. Men vergete niet
-dat, volgens de Oudgermaansche denkbeelden, het voor den zoon een
-heilige plicht was zijnen vader te wreken.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e16934src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name="pb247">247</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7266">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXX.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v2085" class="line"><span class="lineNum">2085</span> Dan mag
-&rsquo;t hierom den heer der Headobarden<a class="apparatusnote" id="xd21e16991src" href="#xd21e16991" title="2085 den heer der Headobarden: Ingeld." name="xd21e16991src">&deg;</a></p>
-<p class="line">En ieder krijger zijner lieden krenken,</p>
-<p id="v2087" class="line">Als hij de zaal betreedt met zijne
-gade<a class="apparatusnote" id="xd21e17004src" href="#xd21e17004"
-title="2087 met zijne gade: Freaware, Hrodgars dochter; de zaal is Heorot."
-name="xd21e17004src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v2088" class="line">En van de Denen daar een edel
-krijgsknaap</p>
-<p class="line">De schare heeft bediend.<a class="apparatusnote" id="xd21e17020src" href="#xd21e17020" title="2088&ndash;89 Een der edelen was belast met het bier in te schenken. Vgl. v. 501."
-name="xd21e17020src">&deg;</a> Aan dezen schittert</p>
-<p id="v2090" class="line"><span class="lineNum">2090</span> Des vaders
-heertuig<a class="apparatusnote" id="xd21e17033src" href="#xd21e17033"
-title="2090 des vaders heertuig: de kamptooi van Froda, Ingelds vader."
-name="xd21e17033src">&deg;</a>, hard, verrijkt met ringen,</p>
-<p class="line">De kostbre have van de Headobarden,</p>
-<p class="line">Zoolang zij heerschten over hunne wapens;</p>
-<p class="line">Totdat zij wierpen in het schildgeworstel</p>
-<p class="line">De lieve makkers met hun eigen leven.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2095</span> Dan spreekt bij
-&rsquo;t bier hij, die bespeurt de halsboot,</p>
-<p id="v2096" class="line">Een grijze lansheld<a class="apparatusnote"
-id="xd21e17057src" href="#xd21e17057" title="2096 een grijze lansheld; een krijgsman der Headobarden; zijn naam wordt niet vermeld evenmin als die van Froda&rsquo;s dooder en den Deenschen hofjonker."
-name="xd21e17057src">&deg;</a>, wien geheugt het gansche,</p>
-<p class="line">Der trouwen speerdood, (toornen zal zijn ziele)</p>
-<p class="line">En duisterzinnig vangt hij aan de denkwijs</p>
-<p id="v2099" class="line">Des jongen krijgerkonings<a class="apparatusnote" id="xd21e17072src" href="#xd21e17072" title="2099 des jongen krijgerkonings: Ingeld." name="xd21e17072src">&deg;</a> te ondertasten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2100</span> Door zijner ziele
-zucht, en dan de kampkwaal</p>
-<p class="line">Te wekken en hij spreekt zich uit in woorden:</p>
-<p class="line">&laquo;Kunt gij, mijn vriend, nog dezen vochtel kennen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name="pb248">248</a>]</span></p>
-<p class="line">Dien onder &rsquo;t legermasker voor het laatste</p>
-<p class="line">Uw vader in &rsquo;t gevecht eens met zich voerde.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2105</span> De kostbre kling, als
-hem de Denen doodden,</p>
-<p class="line">Als &rsquo;t veld behielden na den val des helden</p>
-<p class="line">(Sinds schoot de wraak tekort) de koene Schyldings?</p>
-<p class="line">Nu stapt de zoon van eenen zijner moorders</p>
-<p class="line">Hier door de halle, trotsch op zijne tooisels,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2110</span> Nu praalt hij op den
-moord en draagt het pronkzwaard,</p>
-<p class="line">Hetgene gij rechtmatig moest bezitten.&raquo;</p>
-<p class="line">Zoo maant, herinnert hij hem telken male</p>
-<p class="line">Met stekelwoorden, tot de stond eens aanbreekt,</p>
-<p class="line">Dat bloedig inslaapt bij den beet der zwaarden</p>
-<p id="v2115" class="line"><span class="lineNum">2115</span> En
-levenloos de dienaar van de vrouwe<a class="apparatusnote" id="xd21e17125src" href="#xd21e17125" title="2115 de dienaar van de vrouwe: de jonge Deen, welke aan Freaware tot hofjonker werd gegeven."
-name="xd21e17125src">&deg;</a></p>
-<p id="v2116" class="line">Voor &rsquo;s vaders da&acirc;n. Vandaar
-ontduikt de tweede<a class="apparatusnote" id="xd21e17136src" href="#xd21e17136" title="2116 de tweede: de moordenaar van den jongen Deen. Zou het misschien de grijze lansheld zijn geweest?"
-name="xd21e17136src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Nog onverlet, hij kent het land ter dege.</p>
-<p id="v2118" class="line">Dan zal der ridders eed van beide zijden</p>
-<p id="v2119" class="line">Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in
-Ingeld,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2120</span> En koeler wordt de
-liefde tot zijn weerhelft<a class="apparatusnote" id="xd21e17159src"
-href="#xd21e17159" title="2119&ndash;20 De zucht om zijnen vader en zijn volk te wreken legt het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne Deensche gade. Voorwaar een echt dramatische toestand!"
-name="xd21e17159src">&deg;</a></p>
-<p id="v2121" class="line">Door &rsquo;t zorggezwalp. Des houd ik niet
-de hulde,</p>
-<p class="line">Der Headobarden heertrouw tot de Denen</p>
-<p class="line">Voor argeloos,<a href="#n53" class="noteref">53</a>
-noch vast gevest hun vriendschap.<a class="apparatusnote" id="xd21e17177src" href="#xd21e17177" title="2121b&ndash;23 Dat Beowulfs voorspelling zich bewaarheid heeft, hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling gezien. Hoe deze strijd afgeloopen is, weten wij buitendien uit Widsidh, waar gezegd wordt, dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf in Heorot verslagen werden. Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben over den krijg met de Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig. Immers M&uuml;llenhoff toont ons een overeenkomstig verhaal bij den Deenschen schrijver Saxo Grammaticus omtrent Frotho, den vader van Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche vertaling mede van twee liederen uit de 10de eeuw, die in hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen van eenen ouden strijder, Starcatherus geheeten, die Ingellus tot wraak aanzet. Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan van het volksepos uit afzonderlijke epische liederen. M&uuml;llenhoff schrijft de Headobarden-episode (v. 2085&ndash;2120a) aan inlasscher B toe. Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden, maar een volk, dat tot de Herulers behoorde. Het zijn de bewoners van Seeland, die op het einde der 5de of in &rsquo;t begin der 6de eeuw door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes bericht, dat de Denen van uit Scandinavi&euml; (Schonen) afzakkende de Herulers uit hun land verdreven. M&uuml;llenhoff veronderstelt diensvolgens, dat beide volken een tijdlang hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als zelfstandig koning naast Hrodgar kan optreden. Ons epos herinnert hier dus een feit van overwegend belang, nl. de grondvesting van het Deensche rijk. Much neemt deze verklaring aan."
-name="xd21e17177src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Ik wil nu verder weer van Grendel spreken,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2125</span> Opdat u gansch
-verneemt, o goudbegever,</p>
-<p class="line">Hoe voorts verliep het vuistgestorm der kampers.
-<span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span></p>
-<p id="v2127" class="line">Zoodra &rsquo;t juweel der transen<a class="apparatusnote" id="xd21e17235src" href="#xd21e17235" title="2127 &rsquo;t juweel der transen: de zon." name="xd21e17235src">&deg;</a> was getrokken</p>
-<p class="line">Langs &rsquo;t aardrijk, kwam de vreemdeling, de
-kwade,</p>
-<p class="line">De leede nachtbelager ons bestoken,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2130</span> Alwaar wij wel te moe
-de zaal bewaakten.</p>
-<p id="v2131" class="line">Verderflijk viel een kamp ten deel aan
-Hondscio<a class="apparatusnote" id="xd21e17255src" href="#xd21e17255"
-title="2131 Hondsci&oacute; Vgl. 756, 1067." name="xd21e17255src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Geweldig sterven aan den doodbestemde.</p>
-<p class="line">Hij sneefde &rsquo;t eerst de staalomgorde
-strijder:</p>
-<p class="line">Met zijnen muil werd Grendel tot den moorder</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2135</span> Van mijn vermaarden
-maat. Hij zwolg het lichaam</p>
-<p class="line">Des lieven mans geheel. Met leege handen</p>
-<p class="line">Nochtans verlangde toen nog niet bloedtandig</p>
-<p class="line">De wurger, tuk op moord, de woon te ontwijken;</p>
-<p class="line">Maar waagde zich aan mij, de woeste aan krachten.
-<span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name="pb250">250</a>]</span></p>
-<p id="v2140" class="line"><span class="lineNum">2140</span>
-Vuistgretig greep hij toe. Hem hing een handschoen<a class="apparatusnote" id="xd21e17294src" href="#xd21e17294" title="2140 een handschoen: eene nieuwe bijzonderheid." name="xd21e17294src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Zeer wijd en wonderbaar, door tooverbanden</p>
-<p class="line">Bevestigd. Deze was met kunst vervaardigd</p>
-<p class="line">Uit drakevellen door des duivels toedoen.</p>
-<p class="line">Hij wilde mij, de gruwbre wanbedrijver,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2145</span> Met menigeen
-daarbinnen schuldloos bergen.</p>
-<p class="line">Niet kon hij &rsquo;t evenwel, zoodra ik woedend</p>
-<p class="line">In volle lengte rees. Te lang zal &rsquo;t wezen</p>
-<p class="line">Te zeggen, hoe ik dezen volksverheerder</p>
-<p class="line">Voor ieder euveldaad het loon uitdeelde.</p>
-<p id="v2150" class="line"><span class="lineNum">2150</span> Ik heb,
-mijn vorst, uw volk<a class="apparatusnote" id="xd21e17327src" href="#xd21e17327" title="2150 uw volk: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen, zij kenden geen volk of natie in de tegenwoordige beteekenis van het woord. Het eenige verband tusschen verschillende stammen was alleen van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen."
-name="xd21e17327src">&deg;</a> aldaar verheerlijkt</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t wapenfeit. Hij droop dan weg en
-luttel</p>
-<p id="v2152" class="line">Genoot hij nog de vreugde van het
-daarzijn.</p>
-<p class="line">Zijn rechterhand nochtans verried zijn sporen</p>
-<p class="line">In Heort, en hoonvol zonk, in &rsquo;t hart
-verbitterd,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2155</span> Hij naar den bodem
-van de zee te zamen.</p>
-<p class="line">De Schyldingsvriend beloonde dezen lijfkamp</p>
-<p class="line">Mij mild met goud en menigte juweelen,</p>
-<p class="line">Nadat de morgenschemer was verschenen,</p>
-<p class="line">En wij gezeten waren aan het feestmaal.</p>
-<p id="v2160" class="line"><span class="lineNum">2160</span> Daar was
-gezang en scherts. De grijze Schylding</p>
-<p class="line">Vertelde uit vroeger tijd naar menig vorschend.</p>
-<p id="v2162" class="line">Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,</p>
-<p class="line">De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.</p>
-<p class="line">Te met ontspon hij sproken waar en weevol,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2165</span> Ofwel de grootgezinde
-koning zette</p>
-<p class="line">Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid.<a class="apparatusnote" id="xd21e17385src" href="#xd21e17385" title="2162&ndash;66 M&uuml;llenhoff zet deze verzen op rekening van den nadichter. Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat verwondering baren, vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar zijn zanger de Finn-episode voordroeg."
-name="xd21e17385src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb251"
-href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span></p>
-<p id="v2167" class="line">Dan weer begon de grijze wapenvoerder,</p>
-<p class="line">Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht</p>
-<p class="line">Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste &rsquo;t
-binnenst,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2170</span> Wanneer, door winters
-wit, hij &rsquo;t aantal nadacht.<a class="apparatusnote" id="xd21e17402src" href="#xd21e17402" title="2167&ndash;70 Deze weemoedige stemming bij het terugdenken aan de vroegere heldenkracht is een kenmerkende trek van het gedicht. Vgl. v. 1934."
-name="xd21e17402src">&deg;</a></p>
-<p id="v2171" class="line">Wij vonden zoo gezelschapsvreugd
-daarbinnen</p>
-<p id="v2172" class="line">Den ganschen dag<a class="apparatusnote" id="xd21e17415src" href="#xd21e17415" title="2172 den ganschen dag: diem noctemque continuare potando nulli probrum. Tacitus, Germ. 22."
-name="xd21e17415src">&deg;</a>, tot daalde een tweede nachtstond</p>
-<p class="line">Op &rsquo;t menschenkroost. Toen was alweer de
-moeder</p>
-<p class="line">Van Grendel ras gereed tot leedvergelding.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2175</span> Daar toog zij
-troosteloos: de slagdood sleepte</p>
-<p class="line">Haar zoon daarheen, de wapenhaat der Weders.</p>
-<p class="line">Zij wreekte haren zoon &rsquo;t ongure zeewijf:</p>
-<p class="line">Een ridder doodde zij op ruwe wijze.</p>
-<p class="line">Voor Ascher ging te loor, den grijzen raadsman,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2180</span> Den langbeproefden,
-&rsquo;t licht. De Denenlieden</p>
-<p class="line">Zelfs konden niet, nadat de morgen naakte,</p>
-<p class="line">Verbranden in den brand den levenlooze,</p>
-<p class="line">Noch laden op de mijt den lieven makker:</p>
-<p class="line">Zij had ontvoerd in haren arm het lichaam</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2185</span> Des vijands<a href="#n54" class="noteref">54</a> onder aan den val des bergstrooms.</p>
-<p class="line">Voor Hrodgar was &rsquo;t het wreedste aller
-wee&euml;n,</p>
-<p class="line">Dat trof sinds langen tijd den volksgeleider.</p>
-<p id="v2188" class="line">Mij bad de koning leedvol bij uw leven,</p>
-<p class="line">Dat &rsquo;k waagde een ridderwerk in &rsquo;t
-golfgewentel,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2190</span> Blootstelde mijn
-bestaan, iets dappers dede.</p>
-<p class="line">Het loon beloofde hij. Ik vond vervolgens</p>
-<p class="line">Den wilden, gruwelijken grondbewaker</p>
-<p class="line">Der wijdbekende kolk. Een tijdlang waren</p>
-<p class="line">Wij handgemeen. Bloedschuimig sloeg de meervloed.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2195</span> Toen hieuw ik af het
-hoofd in gene grondwoon</p>
-<p class="line">Aan Grendels moeder met het wichtig wapen. <span class="pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span></p>
-<p class="line">Ik droeg van daar zoo licht niet weg het leven.</p>
-<p class="line">Nog was ik niet bestemd om dan te sterven;</p>
-<p class="line">Maar mij beschonk alweer de schuts der ridders</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2200</span> Met macht van
-kostbaarhe&ecirc;n, de zoon van Healfdeen.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e17500width"><img src="images/o252.png" alt="Ornament." width="197" height="104"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e16991"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e16991src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2085">2085</a></span> <i>den heer
-der Headobarden</i>: Ingeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e16991src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17004"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17004src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2087">2087</a></span> <i>met zijne
-gade</i>: Freaware, Hrodgars dochter; <i>de zaal</i> is
-Heorot.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17004src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17020"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17020src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2088">2088&ndash;89</a></span> Een
-der edelen was belast met het bier in te schenken. Vgl. v. <a href="#v501">501</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17020src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17033"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17033src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2090">2090</a></span> <i>des vaders
-heertuig</i>: de kamptooi van Froda, Ingelds vader.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17033src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17057"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17057src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2096">2096</a></span> <i>een grijze
-lansheld</i>; een krijgsman der Headobarden; zijn naam wordt niet
-vermeld evenmin als die van Froda&rsquo;s dooder en den Deenschen
-hofjonker.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17057src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17072"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17072src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2099">2099</a></span> <i>des jongen
-krijgerkonings</i>: Ingeld<span class="corr" id="xd21e17080" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17072src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17125"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17125src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2115">2115</a></span> <i>de dienaar
-van de vrouwe</i>: de jonge Deen, welke aan Freaware tot hofjonker werd
-gegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17125src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17136"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17136src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2116">2116</a></span> <i>de tweede</i>: de moordenaar van den jongen
-Deen.</p>
-<p class="par footnote">Zou het misschien de grijze lansheld zijn
-geweest?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17136src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17159"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17159src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2119">2119&ndash;20</a></span> De zucht om zijnen vader en zijn volk
-te wreken legt het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne
-Deensche gade.</p>
-<p class="par footnote">Voorwaar een echt dramatische
-toestand!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17159src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17177"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17177src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2121">2121<i>b</i>&ndash;23</a></span> Dat Beowulfs voorspelling
-zich bewaarheid heeft, hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling
-gezien. Hoe deze strijd afgeloopen is, weten wij buitendien uit
-Widsidh, waar gezegd wordt, dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf
-in Heorot verslagen werden.</p>
-<p class="par footnote">Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben
-over den krijg met de Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig.</p>
-<p class="par footnote">Immers M&uuml;llenhoff toont ons een
-overeenkomstig verhaal bij den Deenschen schrijver Saxo Grammaticus
-omtrent Frotho, den vader van Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche
-vertaling mede van twee liederen uit de 10<sup>de</sup> eeuw, die in
-hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen van eenen ouden strijder,
-Starcatherus geheeten, die Ingellus tot wraak aanzet.</p>
-<p class="par footnote">Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan
-van het volksepos uit afzonderlijke epische liederen.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff schrijft de <span class="corr"
-id="xd21e17198" title="Bron: Headobardenepisode">Headobarden-episode</span> (v. <a href="#v2085">2085&ndash;2120<i>a</i></a>) aan inlasscher B toe.</p>
-<p class="par footnote">Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden,
-maar een volk, dat tot de Herulers behoorde.</p>
-<p class="par footnote">Het zijn de bewoners van Seeland, die op het
-einde der 5<sup>de</sup> of in &rsquo;t begin der 6<sup>de</sup> eeuw
-door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes bericht, dat de Denen
-van uit Scandinavi&euml; (Schonen) afzakkende de Herulers uit hun land
-verdreven.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff veronderstelt diensvolgens, dat
-beide volken een tijdlang hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als
-zelfstandig koning naast Hrodgar kan optreden.</p>
-<p class="par footnote">Ons epos herinnert hier dus een feit van
-overwegend belang, nl. de <i>grondvesting van het Deensche rijk</i>.
-Much neemt deze verklaring aan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17177src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17235"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17235src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2127">2127</a></span> <i>&rsquo;t
-juweel der transen</i>: de zon.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17235src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17255"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17255src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2131">2131</a></span>
-<i>Hondsci&oacute;</i> Vgl. <a href="#v756">756</a>, <a href="#v1067">1067</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17255src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17294"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17294src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2140">2140</a></span> <i>een
-handschoen</i>: eene nieuwe bijzonderheid.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e17294src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17327"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17327src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2150">2150</a></span> <i>uw
-volk</i>: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen, zij kenden
-geen <i>volk</i> of <i>natie</i> in de tegenwoordige beteekenis van het
-woord. Het <span class="corr" id="xd21e17341" title="Bron: eenigste">eenige</span> verband tusschen verschillende stammen
-was alleen van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17327src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17385"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17385src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2162">2162&ndash;66</a></span>
-M&uuml;llenhoff zet deze verzen op rekening van den nadichter.
-Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat verwondering baren,
-vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar zijn zanger de
-Finn-episode voordroeg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17385src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17402"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17402src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2167">2167&ndash;70</a></span> Deze
-weemoedige stemming bij het terugdenken aan de vroegere heldenkracht is
-een kenmerkende trek van het gedicht. Vgl. v. <a href="#v1934">1934</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17402src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17415"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17415src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2172">2172</a></span> <i>den
-ganschen dag</i>: diem noctemque continuare potando nulli probrum.
-Tacitus, Germ. 22.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17415src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7273">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXI.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zoo leefde naar het voegt de volksgebieder.</p>
-<p class="line">Volstrekt niet ging mij &rsquo;t loon, de prijs
-verloren</p>
-<p class="line">Der heldenkracht, maar Healfdeens zoon bedeelde</p>
-<p class="line">Met zijne schatten mij, tot mijn beschikking.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2205</span> Die haak ik u te
-brengen, heer der mannen,</p>
-<p id="v2206" class="line">Eerbiedig aan te bi&ecirc;n. Geheel mijn
-hulde</p>
-<p class="line">Zij wendt zich weder uwaart<a class="apparatusnote" id="xd21e17526src" href="#xd21e17526" title="2206&ndash;7 Nu dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden koning meer."
-name="xd21e17526src">&deg;</a><a href="#n55" class="noteref">55</a>.
-Hoofdverwanten</p>
-<p id="v2208" class="line">Bezit ik luttel meer, tenzij u,
-Hyglac<a class="apparatusnote" id="xd21e17536src" href="#xd21e17536"
-title="2208 tenzij U, Hyglac: Als eene halve eeuw later Beowulf zal sterven, blijft nog alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings, waartoe Beowulf behoort. Vgl. v. 2910 vlg."
-name="xd21e17536src">&deg;</a>.&raquo;</p>
-<p class="line">Het everbeeld gebood hij in te brengen,</p>
-<p id="v2210" class="line"><span class="lineNum">2210</span> De
-hoofdbanier<a class="apparatusnote" id="xd21e17554src" href="#xd21e17554" title="2210 de hoofdbanier: voornaamste banier; zij was bekroond met een everkop. De geschenken, welke hier aan Hygelac worden aangeboden, zijn dezelfde, welke aan Beowulf v. 1034&ndash;54 door Hrodgar werden gegeven."
-name="xd21e17554src">&deg;</a><a href="#n56" class="noteref">56</a>;
-het kampbeheerschend hoofdscherm,</p>
-<p class="line">Het stalen harnas met uitstekend strijdzwaard,</p>
-<p class="line">En sprak dan &rsquo;t woord:</p>
-<p class="line"><span class="hemistich">En sprak dan &rsquo;t
-woord:</span> &laquo;Hrodgar, de wijze koning,</p>
-<p class="line">Gaf mij dit krijgsgewaad; hij wenschte woordlijk,</p>
-<p class="line">Dat ik vervolgens zei diens wedervaren,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2215</span> En hij verhaalde, dat
-de heer der Schyldings, <span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span></p>
-<p id="v2216" class="line">Vorst Heorogar<a class="apparatusnote" id="xd21e17589src" href="#xd21e17589" title="2216 Heorogar: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood was. Vgl. v. 471."
-name="xd21e17589src">&deg;</a>, het lange had bezeten.</p>
-<p class="line">Toch wilde die aan Hereward, den koenen,</p>
-<p class="line">Zijn zoon, niet schenken deze borstbeschutting,</p>
-<p class="line">Al schatte hij hem hoog. Gebruik het
-heilvol.&raquo;</p>
-<p id="v2220" class="line"><span class="lineNum">2220</span> &rsquo;k
-Vernam, dat na die schatten vier genetten,</p>
-<p id="v2221" class="line">Gelijk en appelvaal, op &rsquo;t
-voetspoor<a class="apparatusnote" id="xd21e17613src" href="#xd21e17613"
-title="2221 op &rsquo;t voetspoor: onmiddellijk hierop." name="xd21e17613src">&deg;</a> volgden.</p>
-<p class="line">Van ros en have deed hij Hyglac hulde.&mdash;</p>
-<p class="line">De magen moeten zich alzoo gedragen,</p>
-<p class="line">Geen net der valschheid voor den andre vlechten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2225</span> Noch &rsquo;s makkers
-dood bereiden door een toover.</p>
-<p id="v2226" class="line">Aan Hygelac, den weerbren in &rsquo;t
-geworstel,</p>
-<p class="line">Aan dezen was de neef geheel genegen.</p>
-<p class="line">Elk hunner was des andren heil gedachtig.&mdash;</p>
-<p id="v2229" class="line">Ik hoorde, dat hij schonk aan Hygd den
-halsring<a class="apparatusnote" id="xd21e17641src" href="#xd21e17641"
-title="2229 den halsring: Wij hebben gezien, hoe later dit prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der Franken geraakte. Vgl. v. 1222 vlg. Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan hebben."
-name="xd21e17641src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2230</span> Het kunstig
-wonderwerk, waarmee hem Welchtheow,</p>
-<p class="line">De vorstendochter, had bedeeld; daarboven</p>
-<p id="v2232" class="line">Een drietal slanke, goudgezaalde
-dravers.</p>
-<p class="line">Versierd was sinds na &rsquo;t bootgeschenk haar
-boezem.</p>
-<p id="v2234" class="line">&rsquo;t Is zoo, dat Ecgtheows zoon zich
-onderscheidde,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2235</span> De kampvermaarde man,
-door dappre daden.</p>
-<p id="v2236" class="line">Hij leefde volgens eer en velde
-geenszins</p>
-<p class="line">De met hem aangezeten haardgezellen.</p>
-<p id="v2238" class="line">Niet was zijn inborst wild: de
-slaggeduchte</p>
-<p class="line">Bewaakte met de meeste macht eens menschen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2240</span> De reuzengave, hem
-door God geschonken<a class="apparatusnote" id="xd21e17685src" href="#xd21e17685" title="2236&ndash;40 Toespeling op Heremod." name="xd21e17685src">&deg;</a><a href="#n57" class="noteref">57</a>.</p>
-<p id="v2241" class="line">Hij leefde lang verguisd, zoodat de
-Gooten</p>
-<p class="line">Hem in &rsquo;t geheel niet hielden voor heldhaftig,
-<span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span></p>
-<p class="line">En hem de heer der manschap bij de meebank</p>
-<p class="line">Iets koens niet waardig keurde. Zeker waanden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2245</span> Zij, dat hij was te
-loom, een weerloos eedle.</p>
-<p class="line">Een keer gewerd den luisterrijken kamper</p>
-<p class="line">Voor elken hoon.<a class="apparatusnote" id="xd21e17711src" href="#xd21e17711" title="2234&ndash;47a M&uuml;llenhoff beschouwt deze verzen, welke den gang van het verhaal stremmen, als een invoegsel, vooral met het oog op de hem hier toegeschreven onmannelijke jeugd. Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd met Brecca, dien hij als knaap ondernam, en van zijne eigen woorden &laquo;Menig roemvol waagstuk bestond ik in mijn jeugd&raquo; v. 409?"
-name="xd21e17711src">&deg;</a> De schuts der ridders, Hyglac,</p>
-<p class="line">De kampberoemde koning, liet het lemmer,</p>
-<p class="line">Met goud belegd, van Hredel binnenbrengen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2250</span> Alsdan bevond zich in
-den vorm van slagzwaard</p>
-<p class="line">Geen waarder goudgewrocht bij al de Gooten.</p>
-<p id="v2252" class="line">Hij lei &rsquo;t in Beowulfs schoot en
-schonk een landmaat<a class="apparatusnote" id="xd21e17740src" href="#xd21e17740" title="2252 een landmaat: volgens Bugge de hid d. i. een halve vierkante meter."
-name="xd21e17740src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Van zeven duizend, burcht en koningszetel.</p>
-<p class="line">Hun beiden, bij het volk, was &rsquo;t land
-vervallen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2255</span> Met grondbezit en
-recht op &rsquo;t erfgoed rustend.</p>
-<p id="v2256" class="line">Den tweede<a class="apparatusnote" id="xd21e17763src" href="#xd21e17763" title="2256 den tweede: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op en had dus meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts de neef was."
-name="xd21e17763src">&deg;</a> viel, den beste van geboorte,</p>
-<p id="v2257" class="line">Er meer, de breede koningsmacht ten
-beste.&mdash;<a class="apparatusnote" id="xd21e17774src" href="#xd21e17774" title="2258 Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos; de kamp met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte uitmaakt, heeft ten minste eene halve eeuw later plaats, daar Beowulf reeds vijftig jaar over de Gooten heerscht. Volgens M&uuml;llenhoff zijn de verzen 2258&ndash;2465 het werk van B, om de twee deelen aan elkaar te verbinden."
-name="xd21e17774src">&deg;</a></p>
-<p id="v2258" class="line">Dit viel vervolgens bij de
-strijdonstuimen<a class="apparatusnote" id="xd21e17791src" href="#xd21e17791" title="bij de strijdonstuimen: bij de Gooten." name="xd21e17791src">&deg;</a></p>
-<p id="v2259" class="line">In later dagen voor: Sinds Hyglac
-neerlag,</p>
-<p id="v2260" class="line"><span class="lineNum">2260</span> En
-<span class="corr" id="xd21e17802" title="Bron: Heardered">Heardred</span><a class="apparatusnote" id="xd21e17804src" href="#xd21e17804" title="2260 Heardred: de zoon van Hygelac, 3de naamval." name="xd21e17804src">&deg;</a> het heirzwaard onder &rsquo;t schilddek
-<span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" name="pb256">256</a>]</span></p>
-<p id="v2261" class="line">Geworden was tot dooder&mdash;daar de
-Schilfings<a class="apparatusnote" id="xd21e17819src" href="#xd21e17819" title="2261 de Schilfings: Zweden, het zijn hier de zonen van Ochter, den koning der Zweden. Men verwarre niet de Schilfings (Zweden) met de Schyldings (Denen)."
-name="xd21e17819src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De stoute krijgerhelden, hem bestormden</p>
-<p id="v2263" class="line">In &rsquo;t midden van zijn
-zegevolk<a class="apparatusnote" id="xd21e17841src" href="#xd21e17841"
-title="2263 zijn zegevolk: de Gooten." name="xd21e17841src">&deg;</a>
-en dezen,</p>
-<p id="v2264" class="line">Den neef van Hererik<a class="apparatusnote"
-id="xd21e17852src" href="#xd21e17852" title="2264 Den neef van Hererik: Heardred; deze naam komt maar eens voor. De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn zoon Heardred, die hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen inval, welken de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom Beowulf den troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg met de Zweden; er wordt nog driemaal XXXIII, XXXV, XL&ndash;XLI op teruggekomen. In XXXIII worden nadere bijzonderheden gegeven over hetgeen hier slechts ter loops is aangestipt."
-name="xd21e17852src">&deg;</a>, door kamp benarden&mdash;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2265</span> Sinds raakte &rsquo;t
-breede rijk in Beowulfs handen<a href="#n58" class="noteref">58</a>.</p>
-<p id="v2266" class="line">Wel vijftig winters<a class="apparatusnote"
-id="xd21e17891src" href="#xd21e17891" title="2266 wel vijftig winters: Beowulf was dus meer dan honderd jaar oud toen hij stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij Grendel doodde (Vgl. v. 373 nota) en het was slechts in later dagen, (v. 2259) dat hij den troon beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen ouderdom op 120 jaar aanslaan."
-name="xd21e17891src">&deg;</a> heerschte deze heilvol,</p>
-<p class="line">(Toen was &rsquo;t een wijze vorst, een grijze
-goedsheer)</p>
-<p class="line">Totdat alsdan begon bij duistre nachten</p>
-<p class="line">Een draak te heerschen, die een schat behoedde,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2270</span> Een steile steenrots
-op de hooge heide.</p>
-<p class="line">Een steegje lag bene&ecirc;n, vermoed door niemand.</p>
-<p class="line">Een dienstman, &rsquo;k weet niet welke, dook er
-binnen;</p>
-<p id="v2273" class="line">Begeerlijk greep hij naar het goed des
-heidens<a class="apparatusnote" id="xd21e17925src" href="#xd21e17925"
-title="2273 des heidens: de eenzame edelman. Vgl. v. 2338." name="xd21e17925src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v2274" class="line">Zijn vuist ontvoerde een vaas met gelen
-goudglans.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2275</span> Nochtans hij gaf ze
-in later tijd niet weder,</p>
-<p id="v2276" class="line">Al had hij door een dievenlist den
-hoeder</p>
-<p class="line">Beslopen in zijn slaap. Gewaar zou worden</p>
-<p class="line">&rsquo;t Gewest der mannen, dat hij was in
-woede.<a class="apparatusnote" id="xd21e17950src" href="#xd21e17950"
-title="2274&ndash;78 vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige letters na is verloren gegaan."
-name="xd21e17950src">&deg;</a></p>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17526"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17526src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2206">2206&ndash;7</a></span> Nu
-dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden koning
-meer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17526src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17536"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17536src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2208">2208</a></span> <i>tenzij U,
-Hyglac</i>: Als eene halve eeuw later Beowulf zal sterven, blijft nog
-alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings, waartoe Beowulf
-behoort. Vgl. v. <a href="#v2910">2910</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e17536src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17554"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17554src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2210">2210</a></span> <i>de hoofdbanier</i>: voornaamste banier; zij
-was bekroond met een everkop.</p>
-<p class="par footnote">De geschenken, welke hier aan Hygelac worden
-aangeboden, zijn dezelfde, welke aan Beowulf v. <a href="#v1034">1034&ndash;54</a> door Hrodgar werden gegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17554src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17589"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17589src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2216">2216</a></span>
-<i>Heorogar</i>: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood was. Vgl.
-v. <a href="#v471">471</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17589src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17613"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17613src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2221">2221</a></span> <i>op
-&rsquo;t voetspoor</i>: onmiddellijk hierop.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e17613src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17641"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17641src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2229">2229</a></span> <i>den halsring</i>: Wij hebben gezien, hoe
-later dit prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der
-Franken geraakte. Vgl. v. <a href="#v1222">1222</a> vlg.</p>
-<p class="par footnote">Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan
-hebben.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17641src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17685"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17685src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2236">2236&ndash;40</a></span>
-Toespeling op Heremod.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17685src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17711"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17711src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2234">2234&ndash;47<i>a</i></a></span> M&uuml;llenhoff beschouwt
-deze verzen, welke den gang van het verhaal stremmen, als een
-invoegsel, vooral met het oog op de hem hier toegeschreven onmannelijke
-jeugd.</p>
-<p class="par footnote">Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd
-met Brecca, dien hij als knaap ondernam, en van zijne eigen woorden
-&laquo;Menig roemvol waagstuk bestond ik in mijn jeugd<span class="corr" id="xd21e17721" title="Bron: &laquo;">&raquo;</span> v. <a href="#v409">409</a>?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17711src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17740"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17740src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2252">2252</a></span> <i>een
-landmaat</i>: volgens Bugge de <i>hid</i> d. i. een halve vierkante
-meter.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17740src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17763"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17763src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2256">2256</a></span> <i>den
-tweede</i>: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op en had dus
-meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts de neef
-was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17763src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17774"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17774src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2258">2258</a></span> Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos;
-de kamp met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte
-uitmaakt, heeft <i>ten minste</i> eene halve eeuw later plaats, daar
-Beowulf reeds vijftig jaar over de Gooten heerscht.</p>
-<p class="par footnote">Volgens M&uuml;llenhoff zijn de verzen <a href="#v2258">2258&ndash;2465</a> het werk van B, om de twee deelen aan
-elkaar te verbinden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17774src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17791"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17791src">&deg;</a></span>
-<i>bij de strijdonstuimen</i>: bij de Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e17791src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17804"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17804src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2260">2260</a></span>
-<i>Heardred</i>: de zoon van Hygelac, 3<sup>de</sup>
-naamval.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17804src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17819"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17819src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2261">2261</a></span> <i>de Schilfings</i>: Zweden, het zijn hier de
-zonen van Ochter, den koning der Zweden.</p>
-<p class="par footnote">Men verwarre niet de <i>Schilfings</i> (Zweden)
-met de <i>Schyldings</i> (Denen).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17819src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17841"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17841src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2263">2263</a></span> <i>zijn
-zegevolk</i>: de Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17841src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17852"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17852src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2264">2264</a></span> <i>Den neef van Hererik</i>: Heardred; deze
-naam komt maar eens voor.</p>
-<p class="par footnote">De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn
-zoon Heardred, die hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen
-inval, welken de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom
-Beowulf den troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg
-met de Zweden; er wordt nog driemaal <a href="#ch33">XXXIII</a>,
-<a href="#ch35">XXXV</a>, <a href="#ch40">XL</a>&ndash;<a href="#ch41">XLI</a> op teruggekomen.</p>
-<p class="par footnote">In <a href="#ch33">XXXIII</a> worden nadere
-bijzonderheden gegeven over hetgeen hier slechts ter loops is
-aangestipt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17852src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17891"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17891src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2266">2266</a></span> <i>wel
-vijftig winters</i>: Beowulf was dus meer dan honderd jaar oud toen hij
-stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij Grendel
-doodde (Vgl. v. <a href="#v373">373</a> nota) en het was slechts in
-<i>later dagen</i>, (v. <a href="#v2259">2259</a>) dat hij den troon
-beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen ouderdom op 120 jaar
-aanslaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17891src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17925"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17925src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2273">2273</a></span> <i>des
-heidens</i>: de eenzame edelman. Vgl. v. <a href="#v2338">2338</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17925src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17950"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17950src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2274">2274&ndash;78</a></span>
-vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige letters na is
-verloren gegaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17950src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name="pb257">257</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7280">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v2279" class="line">Noch eigenmachtig werd tot gast des
-monsters</p>
-<p id="v2280" class="line"><span class="lineNum">2280</span> Noch des
-gewild<a href="#n59" class="noteref">59</a> hij, wien het zeer zou
-schaden<a class="apparatusnote" id="xd21e17971src" href="#xd21e17971"
-title="2279&ndash;80a Vertaald naar Bugges gissing." name="xd21e17971src">&deg;</a>;<a class="apparatusnote" id="xd21e17979src"
-href="#xd21e17979" title="2280 wien het zeer zou schaden: de dief, immers hij moet later zijns ondanks den weg naar het drakenhol toonen. Of hij eene andere straf onderging, wordt niet vermeld."
-name="xd21e17979src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Maar door het nijpen van den nood ontslipte</p>
-<p id="v2282" class="line">Een slaaf van zekren heldenzoon de
-slagen</p>
-<p id="v2283" class="line">Des haats, van huis beroofd, en borg zich
-binnen.</p>
-<p id="v2284" class="line">De schuldgedrukte schouwde dra in &rsquo;t
-ronde;</p>
-<p id="v2285" class="line"><span class="lineNum">2285</span> Ofschoon
-den vreemde schrik en zielsontzetting</p>
-<p class="line">Bemachtigd had<a class="apparatusnote" id="xd21e18002src" href="#xd21e18002" title="2285&ndash;86a bij het zien van den slapenden draak." name="xd21e18002src">&deg;</a>, bemerkte toch de ellendige,</p>
-<p id="v2287" class="line">De armzaalge man, op zoek naar eenen
-ingang<a class="apparatusnote" id="xd21e18012src" href="#xd21e18012"
-title="2287 op zoek naar eenen ingang: naar een toevluchtsoord. Vgl. v. 2283."
-name="xd21e18012src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Toen hem de vrees beving, het gulden vaatwerk<a class="apparatusnote" id="xd21e18026src" href="#xd21e18026" title="2284&ndash;88 Vertaald naar Bugges verbetering van den geheel en al verminkten tekst."
-name="xd21e18026src">&deg;</a><a href="#n60" class="noteref">60</a>.</p>
-<p id="v2289" class="line">Er waren vele zulke voortijdsschatten</p>
-<p id="v2290" class="line"><span class="lineNum">2290</span> In
-&rsquo;t hol, gelijk in lang verdwenen dagen</p>
-<p class="line">Ik weet niet welke man &rsquo;t onmeetlijk erfgoed</p>
-<p class="line">Eens eedlen stams, verdiept in zijn gedachten,</p>
-<p class="line">Aldaar verborgen had, het dierbaar pronkwerk.</p>
-<p class="line">Hen allen had de dood voorheen verdreven,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2295</span> En nu een enkel nog
-der schaargenooten,</p>
-<p class="line">Die &rsquo;t langst er waarde, een vriendbeweenend
-wachter, <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258" name="pb258">258</a>]</span></p>
-<p id="v2297" class="line">Verlangde dit alleen nog uit te stellen:</p>
-<p class="line">d&rsquo;Onmeetbren schat slechts kort te mogen
-smaken.<a class="apparatusnote" id="xd21e18060src" href="#xd21e18060"
-title="2297&ndash;98 Hij wenschte zijnen stervensdag uit te stellen, om nog lang de schatten te kunnen genieten."
-name="xd21e18060src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Er rees geheel gereed een doodenheuvel</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2300</span> In &rsquo;t veld
-omhoog, niet verre van de baren,</p>
-<p class="line">Een nieuwe nog, nabij het voorgebergte.</p>
-<p class="line">En wel beveiligd door versperringswerken.</p>
-<p class="line">Der kostbaarhe&ecirc;n en ringen hoeder voerde</p>
-<p class="line">Er dan den loggen last van bladgoud binnen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2305</span> En sprak in weinig
-woorden:</p>
-<p class="line"><span class="hemistich">En sprak in weinig
-woorden:</span> &laquo;Wil, o aarde,</p>
-<p class="line">Behoeden, daar de helden dit niet konden,</p>
-<p class="line">Het eigendom der eedlen. Immers dappren</p>
-<p id="v2308" class="line">Ontvingen dit van u<a class="apparatusnote"
-id="xd21e18093src" href="#xd21e18093" title="2308 ontvingen dit van u: het goud, dat uit den grond wordt opgedolven, hetzij uit mijnen, hetzij uit grafsteden."
-name="xd21e18093src">&deg;</a> in vroeger tijden.</p>
-<p class="line">De lansdood rukte weg, het levenseuvel,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2310</span> Elk moedig krijger
-onder mijne mannen,</p>
-<p id="v2311" class="line">Die &rsquo;t leven lieten, &rsquo;t heil des
-hemels<a class="apparatusnote" id="xd21e18111src" href="#xd21e18111"
-title="2311 &rsquo;t heil des hemels: Angs, sele-dre&aacute;m; het kan ook beteekenen het zaalgejubel, en moet dan verstaan worden van de luidruchtige drinkgelagen."
-name="xd21e18111src">&deg;</a> zagen.</p>
-<p class="line">En niemand heb ik nog, die draagt den degen,</p>
-<p class="line">Of wischt den gulden kroes, de weidsche
-drinkschaal;</p>
-<p class="line">Naar elders is verreisd de ridderschare.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2315</span> Den harden helm,
-gesmukt met goudgesmijde,</p>
-<p class="line">Ontvallen zal hem spoedig zijn versiering:</p>
-<p id="v2317" class="line">De dienaars slapen, die het
-oorlogsmasker</p>
-<p class="line">Herstelden; insgelijks is nu het strijdhemd,</p>
-<p class="line">Dat bij &rsquo;t geworstel boven &rsquo;t
-schildgeschilfer</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2320</span> Den beet van &rsquo;t
-staal ontbeidde, stuk gebroken</p>
-<p class="line">Na zijnen heer. Niet zal &rsquo;t geringde harnas</p>
-<p class="line">Nog verre, na den val des oorlogsvorsten,</p>
-<p class="line">Den helden gaan ter zij. Geen harpeweelde, <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" name="pb259">259</a>]</span></p>
-<p id="v2324" class="line">Geen vreugde van &rsquo;t gezellig
-hout!<a class="apparatusnote" id="xd21e18158src" href="#xd21e18158"
-title="2324 gezellig hout: de harp." name="xd21e18158src">&deg;</a>
-Geen havik,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2325</span> Geen wakkre,
-klapwiekt langs de woning henen.</p>
-<p class="line">En &rsquo;t rappe ros het slaat niet meer de
-slotplaats.</p>
-<p class="line">Zoo sleepte van &rsquo;t geslacht, het levensvolle,</p>
-<p id="v2328" class="line">Een harde dood er velen verre
-henen.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e18177src" href="#xd21e18177" title="2328 In de klacht van dezen eenzamen edelling vertoont zich reeds dat weemoedige waas, dat, als een herfstnevel, aan de Engelsche en Duitsche letteren die droomerige, hoogst dichterlijke tint bijzet. Nochtans vraag ik me af, of de oude Engelschen zich door hunne weekheid van gemoed kenmerkten, zooals Heinzel, ten Brink en anderen beweren. Wij zien dit wel is waar bij Hrodgar, doch hier zijn bijzondere redenen toe. Mij dunkt, dat de levensopvatting eerder blijmoedig mag heeten; ten bewijze de lustige feestmalen en de omschrijvingen voor sterven, als de volgende: en luttel genoot hij nog de vreugde van het daarzijn 2152. nu &rsquo;s legers leidsman &rsquo;t Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. 3127. Bugge verklaart den elegischen toon, die op sommige plaatsen onmiskenbaar is, door Keltischen invloed."
-name="xd21e18177src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Dus somberstemmig kermde hij door kommer,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2330</span> Na allen nog alleen,
-en rouwde lustloos</p>
-<p class="line">Bij dag en nacht, totdat hem sloeg om &rsquo;t
-harte</p>
-<p class="line">De deining van den dood.</p>
-<p class="line"><span class="hemistich">De deining van den dood.</span>
-De schoone schatten</p>
-<p class="line">Vond openstaan de aloude schemervijand,</p>
-<p id="v2334" class="line">Die barnend bergen<a class="apparatusnote"
-id="xd21e18240src" href="#xd21e18240" title="2334 bergen: grafheuvels, waar schatten in verborgen zijn." name="xd21e18240src">&deg;</a> zoekt, de naakte nooddraak,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2335</span> En ommevliegt des
-nachts met vuur omvangen.</p>
-<p class="line">Hem hadden wijd ontwaard de grondbewoners.</p>
-<p class="line">Hij zoekt de schatten binnen in den bodem,</p>
-<p id="v2338" class="line">Alwaar hij wacht houdt bij de
-heidenhave,</p>
-<p id="v2339" class="line">Aan winters oud. Niet beter zal &rsquo;t hem
-wezen<a class="apparatusnote" id="xd21e18261src" href="#xd21e18261"
-title="2339 niet beter zal &rsquo;t hem wezen: vingerwijzing op de ontknooping."
-name="xd21e18261src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v2340" class="line"><span class="lineNum">2340</span> Zoo had
-driehonderd jaar de volksverheerder <span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name="pb260">260</a>]</span></p>
-<p class="line">&rsquo;t Gezegde goudhuis in den grond bezeten,</p>
-<p id="v2342" class="line">&rsquo;t Onmeetbre, tot hem gene
-man<a class="apparatusnote" id="xd21e18279src" href="#xd21e18279"
-title="2342 gene man: de dief." name="xd21e18279src">&deg;</a>
-vertoornde</p>
-<p id="v2343" class="line">In zijn gemoed. Die bracht nu bij zijn
-meester<a class="apparatusnote" id="xd21e18291src" href="#xd21e18291"
-title="2343 bij zijn meester, Beowulf. Vgl. v. 2473. De &laquo;heldenzoon&raquo; (v. 2282) wiens slagen de arme ontvlucht, moet iemand anders zijn. M&uuml;llenhoff."
-name="xd21e18291src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De gouden vaas en bad den vorst om vrede.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2345</span> Zoo werd &rsquo;t
-juweel ontdekt, de ringenrijkdom</p>
-<p class="line">Geschend, de wensch des armen mans bewilligd.</p>
-<p class="line">De meester staarde op &rsquo;t oud gewrocht der
-menschen</p>
-<p class="line">Voor de eerste maal. Als &rsquo;t monster weer
-ontwaakte,</p>
-<p id="v2349" class="line">Was &rsquo;t strijdgeding vernieuwd. De
-stoutgestemde</p>
-<p id="v2350" class="line"><span class="lineNum">2350</span> Berook de
-rots en vond des vijands voetspoor,</p>
-<p id="v2351" class="line">Die door geheime hulp te gauw ontglipte,</p>
-<p class="line">Ofschoon niet verre van het hoofd des vuurdraaks.</p>
-<p id="v2353" class="line">Licht mag zoo met het leven leed,
-verbanning</p>
-<p class="line">Ontgaan hij, die behoudt de gunst des Heeren.<a class="apparatusnote" id="xd21e18338src" href="#xd21e18338" title="2353&ndash;54 Christelijke beschouwing. Hiervolgens moet door geheime hulp (v. 2351) geen toovermacht, maar Gods bijstand verstaan worden."
-name="xd21e18338src">&deg;</a></p>
-<p id="v2355" class="line"><span class="lineNum">2355</span> Nu speurde
-gretig langs den grond de hoeder</p>
-<p class="line">Der have; want hij wou den dief ontdekken,</p>
-<p class="line">Die hem bereid had in zijn rust die kwelling,</p>
-<p class="line">En blakend, toorn gezwollen zwierf van buiten</p>
-<p class="line">Hij menigmalen om den heuvel henen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2360</span> Geen wezen was in
-deze woestenije;</p>
-<p id="v2361" class="line">Nochtans hij juichte toe den kamp, het
-krijgswerk.<a class="apparatusnote" id="xd21e18368src" href="#xd21e18368" title="2361 De draak verheugde zich bij voorbaat in de verwoestingen, die hij zou aanrichten."
-name="xd21e18368src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Soms stoof hij naar den berg en zocht den beker;</p>
-<p id="v2363" class="line">Hij merkte dit weldra<a class="apparatusnote" id="xd21e18378src" href="#xd21e18378" title="2363 Hij bemerkte dit reeds voor den derden keer (2350, 2355)." name="xd21e18378src">&deg;</a>, dat een der menschen</p>
-<p class="line">Had weggekaapt het goud, de keurjuweelen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2365</span> Ter nauwernood
-vermocht de schatbeschutter</p>
-<p class="line">Te wachten tot de schemer was verschenen</p>
-<p class="line">Des heuvels hoeder was ontbrand in woede; <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name="pb261">261</a>]</span></p>
-<p class="line">De vijand wou met vuur en vlam vergelden</p>
-<p class="line">Den kostbren kroes. Nu was de dag verdwenen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2370</span> Den draak naar wil en
-wensch. Niet langer wilde</p>
-<p class="line">Hij hokken in het hol, maar vloog met vlammen,</p>
-<p class="line">Met vuur gewapend weg. &rsquo;t Begin was gruwzaam</p>
-<p class="line">Den lieden in het land, gelijk het spoedig</p>
-<p id="v2374" class="line">Met scha zou einden voor hun
-schattenplenger<a class="apparatusnote" id="xd21e18418src" href="#xd21e18418" title="2374 schattenplenger: Beowulf." name="xd21e18418src">&deg;</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e18428width"><img src="images/o261.png" alt="Ornament." width="176" height="105"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17971"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17971src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2279">2279&ndash;80<i>a</i></a></span> Vertaald naar Bugges
-gissing.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17971src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e17979"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e17979src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2280">2280</a></span> <i>wien het
-zeer zou schaden</i>: de dief, immers hij moet later zijns ondanks den
-weg naar het drakenhol toonen. Of hij eene andere straf onderging,
-wordt niet vermeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e17979src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18002"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18002src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2285">2285&ndash;86<i>a</i></a></span> bij het zien van den
-slapenden draak.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18002src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18012"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18012src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2287">2287</a></span> <i>op zoek
-naar eenen ingang</i>: naar een toevluchtsoord. Vgl. v. <a href="#v2283">2283</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18012src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18026"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18026src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2284">2284&ndash;88</a></span>
-Vertaald naar Bugges verbetering van den geheel en al verminkten
-tekst.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18026src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18060"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18060src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2297">2297&ndash;98</a></span> Hij
-wenschte zijnen stervensdag uit te stellen, om nog lang de schatten te
-kunnen genieten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18060src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18093"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18093src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2308">2308</a></span> <i>ontvingen
-dit van u</i>: het goud, dat uit den grond wordt opgedolven, hetzij uit
-mijnen, hetzij uit grafsteden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18093src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18111"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18111src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2311">2311</a></span> <i>&rsquo;t
-heil des hemels</i>: Angs, <i>sele-dre&aacute;m</i>; het kan ook
-beteekenen het <i>zaalgejubel</i>, en moet dan verstaan worden van de
-luidruchtige drinkgelagen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18111src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18158"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18158src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2324">2324</a></span> <i>gezellig
-hout</i>: de harp.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18158src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18177"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18177src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2328">2328</a></span> In de klacht van dezen eenzamen edelling
-vertoont zich reeds dat weemoedige waas, dat, als een herfstnevel, aan
-de Engelsche en Duitsche letteren die droomerige, hoogst dichterlijke
-tint bijzet.</p>
-<p class="par footnote">Nochtans vraag ik me af, of de oude Engelschen
-zich door hunne <i>weekheid van gemoed</i> kenmerkten, <span class="corr" id="xd21e18188" title="Bron: zools">zooals</span> Heinzel, ten
-Brink en anderen beweren.</p>
-<p class="par footnote">Wij zien dit wel is waar bij Hrodgar, doch hier
-zijn bijzondere redenen toe.</p>
-<p class="par footnote">Mij dunkt, dat de levensopvatting eerder
-blijmoedig mag heeten; ten bewijze de lustige feestmalen en de
-omschrijvingen voor <i>sterven</i>, als de volgende:</p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line"><span class="hemistich">Door &rsquo;t wapenfeit. Hij
-droop dan weg</span> en luttel</p>
-<p class="line">genoot hij nog de vreugde van het daarzijn <a href="#v2152">2152</a>.</p>
-<div class="lg">
-<div class="lg">
-<p class="line"><span class="hemistich">Het vreemde land
-betre&ecirc;n,</span> nu &rsquo;s legers leidsman</p>
-<p class="line">&rsquo;t Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven.
-<a href="#v3127">3127</a>.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par footnote">Bugge verklaart den elegischen toon, die op
-sommige plaatsen onmiskenbaar is, door Keltischen
-invloed.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18177src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18240"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18240src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2334">2334</a></span>
-<i>bergen</i>: grafheuvels, waar schatten in verborgen
-zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18240src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18261"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18261src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2339">2339</a></span> <i>niet beter
-zal &rsquo;t hem wezen</i>: vingerwijzing op de
-ontknooping.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18261src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18279"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18279src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2342">2342</a></span> <i>gene
-man</i>: de dief.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18279src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18291"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18291src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2343">2343</a></span> <i>bij zijn
-meester</i>, Beowulf. Vgl<span class="corr" id="xd21e18299" title="Niet in bron">.</span> v. <a href="#v2473">2473</a>. De
-&laquo;heldenzoon&raquo; (v. <a href="#v2282">2282</a>) wiens slagen de
-arme ontvlucht, moet iemand anders zijn.
-<i>M&uuml;llenhoff.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18291src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18338"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18338src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2353">2353&ndash;54</a></span>
-Christelijke beschouwing. Hiervolgens moet door <i>geheime hulp</i> (v.
-<a href="#v2351">2351</a>) geen toovermacht, maar Gods bijstand
-verstaan worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18338src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18368"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18368src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2361">2361</a></span> De draak
-verheugde zich bij voorbaat in de verwoestingen, die hij zou
-aanrichten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18368src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18378"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18378src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2363">2363</a></span> Hij bemerkte
-dit reeds voor den derden keer (<a href="#v2350">2350</a>, <a href="#v2355">2355</a>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18378src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18418"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18418src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2374">2374</a></span>
-<i>schattenplenger</i>: Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18418src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7286">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXIII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">2375</span> De gast alsdan begon
-zijn gloed te braken,</p>
-<p id="v2376" class="line">De weidsche heerenhoven<a class="apparatusnote" id="xd21e18444src" href="#xd21e18444" title="2376 heerenhoven: Beowulfs hof, de volksburg van v. 2399. De draak maakte Beowulf aansprakelijk voor den diefstal, want volgens de Germaansche rechtsbegrippen was de meester verantwoordelijk voor de daden van zijnen slaaf. Het koningshof was niets anders dan eene groote hoeve. Zulke hoeve bestond in &rsquo;t Noorden uit minstens drie of vier woonhuizen, buiten bijgebouwen en stallen. De hoeve vormde een op zich zelf staand geheel, dat in zijne eigen behoeften moest voorzien. Vandaar dat elk van de vrij talrijke bewoners zijnen bepaalden werkkring had. Vgl. v. 2317 waar van de wapensmeden gesproken wordt."
-name="xd21e18444src">&deg;</a> weg te branden.</p>
-<p class="line">Den stervling tot ontzetting steeg de vuurschijn.</p>
-<p class="line">Zoo haakte hij, de leede luchtbezeiler,</p>
-<p class="line">Niets levendigs er overig te laten.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2380</span> Het woeden van den
-worm was wijde zichtbaar,</p>
-<p class="line">Des doodelijken veete heinde en verre,</p>
-<p class="line">Op welke wijze deze kampbekneller</p>
-<p class="line">De helden van de Gooten haatte en hoonde.</p>
-<p class="line">Dan schoot hij weder weg bij zijne schatten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2385</span> De duistre
-wonderhalle, v&oacute;&oacute;r den dagstond.</p>
-<p class="line">Hij had omstrikt met brand de streekbewoners,</p>
-<p class="line">Met vuur en vlam. Hij bouwde op zijne bergrots,</p>
-<p id="v2388" class="line">Op strijd en wand<a class="apparatusnote"
-id="xd21e18499src" href="#xd21e18499" title="2388 op strijd en wand: op zijnen moed en op de rotswanden van den grafheuvel."
-name="xd21e18499src">&deg;</a>. Toch faalde die verwachting.
-<span class="pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span></p>
-<p class="line">Toen werd naar waarheid ras bericht de schrikmaar</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2390</span> Aan Beowulf, dat zijn
-eigen dak, het heerlijkst</p>
-<p class="line">Der huizen, werd verteerd door &rsquo;t
-vlamgewentel,</p>
-<p id="v2392" class="line">Der Gooten giftgestoelt<a class="apparatusnote" id="xd21e18519src" href="#xd21e18519" title="2392 giftgestoelte: koningshalle." name="xd21e18519src">&deg;</a>. Dit
-was den goede</p>
-<p class="line">In &rsquo;t harte leed, het hevigst zielelijden.</p>
-<p class="line">De wijze waande, dat hij, tegen de oude</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2395</span> Geboden in, den Heer,
-den eeuwgen Heerscher,</p>
-<p class="line">Geweldig had vertoornd. Inwendig woelde</p>
-<p class="line">Zijn binnenst bij die duistere gedachten,</p>
-<p class="line">Gelijk het geen gewoonte was bij dezen.<a class="apparatusnote" id="xd21e18543src" href="#xd21e18543" title="2392b&ndash;98 Christelijke overweging." name="xd21e18543src">&deg;</a></p>
-<p id="v2399" class="line">De vuurdraak had den volksburg met de
-meerkust<a class="apparatusnote" id="xd21e18554src" href="#xd21e18554"
-title="2399 Het verblijf der Gootische koningen bevond zich dicht bij zee. Vgl. v. 1971 vlg."
-name="xd21e18554src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2400</span> Daarbuiten, heel
-&rsquo;t gebied verteerd door vlammen.</p>
-<p class="line">Des zon de wapenvorst, de heer der Weders,</p>
-<p class="line">Op wederwraak. Der strijders heul bestelde,</p>
-<p class="line">Te klinken heel van staal een kunstig kampschild,</p>
-<p class="line">Der helden heer; hij wist het wel, dat boschhout,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2405</span> Het lindeschild niet
-vrijde voor de laaie.</p>
-<p class="line">Zoo zou nu de edelman, de lang verwachte,</p>
-<p class="line">Het einde zien der wisselzieke dagen,</p>
-<p class="line">Des levens hier omlaag, en &rsquo;t monster mede.</p>
-<p id="v2409" class="line">Al had het lang<a class="apparatusnote" id="xd21e18594src" href="#xd21e18594" title="2409 lang: 300 jaar. Vgl. v. 2340." name="xd21e18594src">&deg;</a>
-bewaard de macht juweelen.</p>
-<p id="v2410" class="line"><span class="lineNum">2410</span> De
-uitreiker van den ringensmuk versmaadde</p>
-<p class="line">Nochtans den ommevlieger aan te tasten</p>
-<p class="line">Met strijders, met een uitgestrekte heermacht.</p>
-<p id="v2413" class="line">Hij vreesde dit gevecht niet voor zich
-zelven<a class="apparatusnote" id="xd21e18619src" href="#xd21e18619"
-title="2413 Hij vreesde niet de kampvaardigheid van den draak, maar wel zijnen vuurgloed."
-name="xd21e18619src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Noch stelde hoog de strijdkracht van den vuurworm,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2415</span> Zijn sterkte en
-stoutheid; want gevaren wagend <span class="pagenum">[<a id="pb264"
-href="#pb264" name="pb264">264</a>]</span></p>
-<p class="line">Had hij voorheen bevochten vele kampen</p>
-<p class="line">De kampverwoede, sinds hij Hrodgars woning</p>
-<p class="line">De zegerijke krijger, had gezuiverd</p>
-<p class="line">En in &rsquo;t gevecht vergruisd het oir van
-Grendel,</p>
-<p id="v2420" class="line">Het heilloos zaad.</p>
-<p class="line"><span class="hemistich">Het heilloos zaad.</span>
-<span class="lineNum">2420</span>Niet kleinst was &rsquo;t
-handgemengel<a class="apparatusnote" id="xd21e18647src" href="#xd21e18647" title="2420 Hier wordt voor den tweeden keer de krijg met de Franken of Friezen vermeld. Vgl. XIX, XXXIII, XXXV, XL."
-name="xd21e18647src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Geweest, alwaar men Hyglac had verslagen,</p>
-<p class="line">Toen deze Gootenvorst, der volken heervriend,</p>
-<p class="line">Bij &rsquo;t slaggestorm in Friesland was
-gestorven,</p>
-<p class="line">De zoon van Hredel, door den dronk der zwaarden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2425</span> Gedood door &rsquo;t
-staal. Van daar ontsnapte Beowulf</p>
-<p class="line">Door eigen sterkte en stelde in &rsquo;t werk de
-zwemkunst.</p>
-<p id="v2427" class="line">Hij droeg alleen op de armen dertig
-rustings<a class="apparatusnote" id="xd21e18681src" href="#xd21e18681"
-title="2427 Hij had ja de kracht van dertig man. Vgl. v. 377 vlg."
-name="xd21e18681src">&deg;</a></p>
-<p id="v2428" class="line">Bij &rsquo;t duiken in den vloed. De
-Franken<a class="apparatusnote" id="xd21e18692src" href="#xd21e18692"
-title="2428 de Franken: de tekst heeft Hetwaren." name="xd21e18692src">&deg;</a> dorsten</p>
-<p class="line">Om &rsquo;t voetgevecht geenszins praalzuchtig
-wezen,</p>
-<p id="v2430" class="line"><span class="lineNum">2430</span> Die op hem
-toe de houten schilden torsten<a class="apparatusnote" id="xd21e18711src" href="#xd21e18711" title="2430 die hem aanvielen."
-name="xd21e18711src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">&rsquo;t Gelukte alleen aan weinigen, om weder</p>
-<p id="v2432" class="line">Te ontkomen van den kampheld<a class="apparatusnote" id="xd21e18721src" href="#xd21e18721" title="2432 van den kampheld: uit Beowulfs handen." name="xd21e18721src">&deg;</a> naar de haardstee.</p>
-<p id="v2433" class="line">En Ecgtheows zoon doorzwom de stille
-strooming,</p>
-<p class="line">Een arm verlateling, ten lieden weder,<a class="apparatusnote" id="xd21e18734src" href="#xd21e18734" title="2433&ndash;34 Beowulf legde dus den afstand van den Benedenrijn tot Jutland al zwemmende af."
-name="xd21e18734src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2435</span> Waar Hygd hem
-&rsquo;t rijk met schat en ringen aanbood</p>
-<p class="line">En koningstroon: Zij stelde geen vertrouwen</p>
-<p id="v2437" class="line">In haren zoon<a class="apparatusnote" id="xd21e18748src" href="#xd21e18748" title="2437 haren zoon: Heardred."
-name="xd21e18748src">&deg;</a>, dat hij het stamgestoelte</p>
-<p class="line">Vermocht te houden tegen vreemde heermacht,</p>
-<p class="line">Thans nu dat Hygelac was overleden.</p>
-<p id="v2440" class="line"><span class="lineNum">2440</span> Niet
-zouden zij, verlatenen<a class="apparatusnote" id="xd21e18766src" href="#xd21e18766" title="2440 verlatenen: de koningslooze Gooten." name="xd21e18766src">&deg;</a>, erlangen, <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name="pb265">265</a>]</span></p>
-<p class="line">Op welke wijs dan ook, van dezen eedle,</p>
-<p class="line">Dat hij voor Heardred worden zou de heerscher,</p>
-<p class="line">Ofwel het koningschap zich wilde kiezen.</p>
-<p id="v2444" class="line">Nochtans hij schraagde hem aan &rsquo;t
-hoofd der schare</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2445</span> In gunst en eer met
-goedgezinde lessen,</p>
-<p class="line">Tot Heardred ouder werd, beval den Weders.<a class="apparatusnote" id="xd21e18790src" href="#xd21e18790" title="2444&ndash;46 Tijdens de minderjarigheid van Heardred oefende Beowulf de voogdijschap uit."
-name="xd21e18790src">&deg;</a></p>
-<p id="v2447" class="line">Hem<a class="apparatusnote" id="xd21e18798src" href="#xd21e18798" title="2447 hem: Heardred." name="xd21e18798src">&deg;</a> hadden langs de watren bannelingen,<a href="#n61" class="noteref">61</a></p>
-<p id="v2448" class="line">De zonen Ochters<a class="apparatusnote" id="xd21e18812src" href="#xd21e18812" title="2448 de zonen Ochters: E&aacute;nmund en E&aacute;dgils." name="xd21e18812src">&deg;</a>, opgezocht. Zij hadden</p>
-<p id="v2449" class="line">Zich tegen hunnen Schilfingheer<a class="apparatusnote" id="xd21e18823src" href="#xd21e18823" title="2449 Schilfingheer: Onela, hun oom, vorst der Zweden. Daar hij ouder was dan zijn broeder Ochter, beklom hij den troon na den dood van Ongentheow."
-name="xd21e18823src">&deg;</a> vergrepen,</p>
-<p id="v2450" class="line"><span class="lineNum">2450</span> Den
-waardsten zeevorst hunner, welke schatten</p>
-<p class="line">Deelden in &rsquo;t Zwedenrijk, een roemvol koning.</p>
-<p class="line">Dit zou voor Heardred zijn des levens grenspaal:</p>
-<p id="v2453" class="line">Voor zijn onthaal<a class="apparatusnote"
-id="xd21e18843src" href="#xd21e18843" title="2453 voor zijn onthaal: Heardred werd door Onela aangevallen, omdat hij de twee vluchtelingen had opgenomen."
-name="xd21e18843src">&deg;</a> ontving de zoon van Hyglac</p>
-<p class="line">De doodswond door het zwaaien van de zwaarden.</p>
-<p id="v2455" class="line"><span class="lineNum">2455</span> Nu rukte
-weer terug, de woon te zoeken,</p>
-<p class="line">Sinds Heardred nederzeeg, de zoon van
-Ongentheow.<a class="apparatusnote" id="xd21e18860src" href="#xd21e18860" title="2455&ndash;56 Onela keerde na Heardreds dood naar Zweden terug." name="xd21e18860src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hij liet den heerscherszetel Beowulf houden,</p>
-<p id="v2458" class="line">Het volk<a class="apparatusnote" id="xd21e18870src" href="#xd21e18870" title="2458 het volk: over het volk." name="xd21e18870src">&deg;</a>
-gebieden. &rsquo;t Was een beste koning!<a class="apparatusnote" id="xd21e18879src" href="#xd21e18879" title="een beste koning: Onela. Vgl. v. 2450." name="xd21e18879src">&deg;</a></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e18888width"><img src="images/o143.png" alt="Ornament." width="71" height="78"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18444"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18444src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2376">2376</a></span> <i>heerenhoven</i>: Beowulfs hof, de volksburg
-van v. <a href="#v2399">2399</a>.</p>
-<p class="par footnote">De draak maakte Beowulf aansprakelijk voor den
-diefstal, want volgens de Germaansche rechtsbegrippen was de meester
-verantwoordelijk voor de daden van zijnen slaaf.</p>
-<p class="par footnote">Het koningshof was niets anders dan eene groote
-hoeve.</p>
-<p class="par footnote">Zulke hoeve bestond in &rsquo;t Noorden uit
-minstens drie of vier woonhuizen, buiten bijgebouwen en stallen.</p>
-<p class="par footnote">De hoeve vormde een op zich zelf staand geheel,
-dat in zijne eigen behoeften moest voorzien.</p>
-<p class="par footnote">Vandaar dat elk van de vrij talrijke bewoners
-zijnen bepaalden werkkring had. Vgl. v. <a href="#v2317">2317</a> waar
-van de wapensmeden gesproken wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18444src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18499"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18499src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2388">2388</a></span> <i>op strijd
-en wand</i>: op zijnen moed en op de rotswanden van den
-grafheuvel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18499src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18519"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18519src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2392">2392</a></span>
-<i>giftgestoelte</i>: koningshalle.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18519src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18543"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18543src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2392">2392<i>b</i>&ndash;98</a></span> Christelijke
-overweging.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18543src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18554"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18554src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2399">2399</a></span> Het verblijf
-der Gootische koningen bevond zich dicht bij zee<span class="corr" id="xd21e18559" title="Niet in bron">.</span> <span class="corr" id="xd21e18562" title="Bron: Vlg.">Vgl.</span> v. <a href="#v1971">1971</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18554src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18594"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18594src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2409">2409</a></span> <i>lang</i>:
-300 jaar<span class="corr" id="xd21e18602" title="Bron: ,">.</span>
-Vgl. v. <a href="#v2340">2340</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18594src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18619"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18619src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2413">2413</a></span> Hij vreesde
-niet de kampvaardigheid van den draak, maar wel zijnen
-vuurgloed.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18619src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18647"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18647src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2420">2420</a></span> Hier wordt
-voor den tweeden keer de krijg met de Franken of Friezen vermeld. Vgl.
-<a href="#ch19">XIX</a>, <a href="#ch33">XXXIII</a>, <a href="#ch35">XXXV</a>, <a href="#ch40">XL</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18647src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18681"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18681src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2427">2427</a></span> Hij had ja de
-kracht van dertig man. Vgl. v. <a href="#v377">377</a>
-vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18681src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18692"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18692src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2428">2428</a></span> <i>de
-Franken</i>: de tekst heeft <i>Hetwaren</i>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e18692src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18711"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18711src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2430">2430</a></span> die hem
-aanvielen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18711src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18721"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18721src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2432">2432</a></span> <i>van den
-kampheld</i>: uit Beowulfs handen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18721src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18734"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18734src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2433">2433&ndash;34</a></span>
-Beowulf legde dus den afstand van den Benedenrijn tot Jutland al
-zwemmende af.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18734src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18748"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18748src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2437">2437</a></span> <i>haren
-zoon</i>: Heardred.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18748src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18766"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18766src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2440">2440</a></span>
-<i>verlatenen</i>: de koningslooze Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e18766src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18790"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18790src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2444">2444&ndash;46</a></span>
-Tijdens de minderjarigheid van Heardred oefende Beowulf de voogdijschap
-uit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18790src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18798"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18798src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2447">2447</a></span> <i>hem</i>:
-Heardred.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18798src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18812"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18812src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2448">2448</a></span> <i>de zonen
-Ochters</i>: E&aacute;nmund en E&aacute;dgils.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e18812src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18823"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18823src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2449">2449</a></span>
-<i>Schilfingheer</i>: Onela, hun oom, vorst der Zweden. Daar hij ouder
-was dan zijn broeder Ochter, beklom hij den troon na den dood van
-Ongentheow.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18823src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18843"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18843src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2453">2453</a></span> <i>voor zijn
-onthaal</i>: Heardred werd door Onela aangevallen, omdat hij de twee
-vluchtelingen had opgenomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18843src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18860"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18860src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2455">2455&ndash;56</a></span>
-Onela keerde na Heardreds dood naar Zweden terug.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18860src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18870"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18870src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2458">2458</a></span> <i>het
-volk</i>: over het volk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18870src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18879"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18879src">&deg;</a></span>
-<i>een beste koning</i>: Onela. Vgl. v. <a href="#v2450">2450</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18879src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" name="pb266">266</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7292">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXIV.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v2459" class="line">Doch op vergelding voor den val des
-vorsten<a class="apparatusnote" id="xd21e18901src" href="#xd21e18901"
-title="2459 des vorsten: Heardred." name="xd21e18901src">&deg;</a></p>
-<p id="v2460" class="line"><span class="lineNum">2460</span> Was
-hij<a class="apparatusnote" id="xd21e18914src" href="#xd21e18914"
-title="2460 hij: Beowulf." name="xd21e18914src">&deg;</a> bedacht in
-later dagen. Eadgils</p>
-<p class="line">Gewerd hij tot een vriend, den vreugdeloozen.</p>
-<p class="line">Hij steunde langs de wijde zee met leger,</p>
-<p class="line">Met weerbren en met wapens Ochters afkomst.</p>
-<p id="v2464" class="line">Sinds wreekte die<a class="apparatusnote"
-id="xd21e18931src" href="#xd21e18931" title="2464 die: Ochters afkomst, E&aacute;dgils." name="xd21e18931src">&deg;</a> zijn koud en zorgvol dolen<a href="#n62"
-class="noteref">62</a></p>
-<p id="v2465" class="line"><span class="lineNum">2465</span> En hij
-ontrukte &rsquo;t leven aan den rijksheer<a class="apparatusnote" id="xd21e18947src" href="#xd21e18947" title="2465 rijksheer: Onela. Hier wordt voor den tweeden keer (Vgl. v. 2257 vlg.) van den oorlog met de Zweden gesproken. Gooten en Zweden leefden na den dood van Hredel (vgl. v. 2543) op gespannen voet. Dit verklaart waarom de Gootenvorst, Heardred, eene schuilplaats schonk aan de Zweedsche ballingen E&aacute;nmund en E&aacute;dgils, die tegen hunnen oom Onela, opvolger van Ongentheow, waren opgestaan. De gastvrijheid aan zijne neven geschonken was Onela een doorn in het oog; hij deed eenen inval in het land der Gooten en doodde Heardred. Door Heardreds dood stond de troon voor Beowulf open. Onela verzette zich niet tegen Beowulfs troonsbestijging en trok naar Zweden terug. Later wilde Beowulf den dood van Heardred op Onela wreken en ondersteunde te dien einde den banneling E&aacute;dgils in zijnen krijg met den Zwedenkoning. E&aacute;dgils doodde Onela en nam alzoo wraak over zijne ballingschap."
-name="xd21e18947src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v2466" class="line">Alzoo had Ecgtheows zoon bestaan elk
-strijden,<a class="apparatusnote" id="xd21e18975src" href="#xd21e18975"
-title="2466 Met dit vers laat M&uuml;llenhoff het oorspronkelijke lied beginnen, mits verandering van alzoo in voorwaar."
-name="xd21e18975src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb267"
-href="#pb267" name="pb267">267</a>]</span></p>
-<p class="line">Elk slimmen slag en elk geweldig waagstuk,</p>
-<p class="line">Tot dezen eenen dag, waarop hij diende</p>
-<p class="line">Te worstlen met den worm. Van woede blakend</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2470</span> Begaf, als een der
-twaalf, de Gootenkoning</p>
-<p class="line">Zich heen, den draak te zien. Hij had vernomen,</p>
-<p class="line">Hoe was verwekt de haat, der helden onheil,</p>
-<p id="v2473" class="line">Want door ontdekkers<a class="apparatusnote"
-id="xd21e19005src" href="#xd21e19005" title="2473 ontdekkers: de dief van de kostbare vaas." name="xd21e19005src">&deg;</a> hand was &rsquo;t heerlijk pronkvat</p>
-<p class="line">Geraakt in zijnen schoot. Hij was der schare</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2475</span> Dertiende strijder
-die &rsquo;t ontstaan der twisten</p>
-<p class="line">Berokkend had. Geboeid en bang in &rsquo;t harte</p>
-<p class="line">Zou deze hun de hooge vlakte duiden.</p>
-<p class="line">Dus toog hij tegen wil en wensch er henen,</p>
-<p class="line">Tot waar hij wist te zijn gezegde grondwoon,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2480</span> De grafstee in den
-grond, nabij de baren,</p>
-<p class="line">Het kolkgeklots. Zij was gevuld inwendig</p>
-<p class="line">Met smuk en draadjuweel. De ongure wachter,</p>
-<p class="line">De reede strijder, hoedde steeds den rijkdom,</p>
-<p class="line">Grijs onder zijnen grond. Niet licht te erlangen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2485</span> Was dit een zaak voor
-wie het zij der menschen.</p>
-<p class="line">Daar zat ter klip de kampgeharde koning,</p>
-<p class="line">Terwijl hij heil zijn haardgenooten wenschte,</p>
-<p class="line">Der Gooten goudvriend. &rsquo;t Harte was hem
-weevol,</p>
-<p class="line">Onstadig, stervenszwaar. Zeer na was &rsquo;t
-noodlot,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2490</span> Dat groeten zou den
-grijs, den schat der ziele</p>
-<p class="line">Opzoeken zou en &rsquo;t lijf van &rsquo;t lichaam
-scheiden.</p>
-<p class="line">Niet langer zou voortaan de levensadem</p>
-<p class="line">Des edelmans omhuld zijn met den vleesche.</p>
-<p class="line">En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:</p>
-<p id="v2495" class="line"><span class="lineNum">2495</span> &laquo;Ik
-heb in mijne jeugd wel menig heerstorm</p>
-<p class="line">En oorlogstijd gehard; mij heugt het gansche.</p>
-<p class="line">Ik telde zeven winters, toen de schatheer,</p>
-<p class="line">Der schare vorst en vriend, mij aan mijn vader
-<span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name="pb268">268</a>]</span></p>
-<p class="line">Ontnam; mij hield en had de heerscher Hredel.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2500</span> Hij gaf me goud en
-maal, gedacht de maagschap.</p>
-<p class="line">Ik was voor hem op &rsquo;t huis, zoolang hij
-leefde,</p>
-<p class="line">Geen minder man dan een van zijne zonen,</p>
-<p class="line">Dan Herebald en Hadcyn of mijn Hyglac.</p>
-<p id="v2504" class="line">Den oudsten<a class="apparatusnote" id="xd21e19092src" href="#xd21e19092" title="2504 den oudsten: Herebald."
-name="xd21e19092src">&deg;</a> werd op onverdiende wijze</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2505</span> Gespreid het doodsbed
-door des broeders daden,</p>
-<p class="line">Toen Hadcyn hem vermoordde met den hoornboog,</p>
-<p id="v2507" class="line">Door middel van den pijl zijn vriend en
-meerdre<a class="apparatusnote" id="xd21e19109src" href="#xd21e19109"
-title="2507 vriend en meerdre: Angs fre&aacute;wine d. i. heer en vriend, Herebald was ja de oudste."
-name="xd21e19109src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v2508" class="line">Toen hij zijn maag, het doelwit missend,
-doodde,</p>
-<p class="line">De broer zijn broer, met bloedbespatte werpspies.</p>
-<p id="v2510" class="line"><span class="lineNum">2510</span> Dat was
-een onverzoenbaar<a class="apparatusnote" id="xd21e19129src" href="#xd21e19129" title="2510 onverzoenbaar: Hredel kon geen weergeld vorderen, want dan moest hij het aan zich zelf betalen, noch den bewerker van den manslag dooden, want dan verloor hij twee zonen."
-name="xd21e19129src">&deg;</a> wapenmisdrijf,</p>
-<p class="line">Begaan te roekeloos en geestafmattend</p>
-<p id="v2512" class="line">Voor het gemoed<a class="apparatusnote" id="xd21e19142src" href="#xd21e19142" title="2512 voor het gemoed: van Hredel." name="xd21e19142src">&deg;</a>. Des
-ondanks moest de jonker</p>
-<p class="line">Uit deze wereld ongewroken wijken:</p>
-<p id="v2514" class="line">Want gruwlijk is &rsquo;t den grijsaard om
-te ervaren,</p>
-<p id="v2515" class="line"><span class="lineNum">2515</span> Dat ginds
-zijn zoon<a class="apparatusnote" id="xd21e19160src" href="#xd21e19160"
-title="2515 zijn zoon: Hadcyn." name="xd21e19160src">&deg;</a>, de
-jonge, rijdt aan &rsquo;t galghout.</p>
-<p id="v2516" class="line">Dan moge hij &rsquo;t weemoedig
-lied<a class="apparatusnote" id="xd21e19171src" href="#xd21e19171"
-title="2516 weemoedig lied: het gebruikelijke rouwlied." name="xd21e19171src">&deg;</a> verheffen,</p>
-<p class="line">Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,</p>
-<p class="line">De raaf tot lust, terwijl hij geene redding</p>
-<p class="line">Verleenen kan, bejaard en hoog van leeftijd.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2520</span> Hij zal zich steeds
-bij elke morgenstonde</p>
-<p id="v2521" class="line">De heenvaart heugen van zijn
-vroegstgeboren<a class="apparatusnote" id="xd21e19192src" href="#xd21e19192" title="2521 vroegstgeboren: Herebald." name="xd21e19192src">&deg;</a>;</p>
-<p id="v2522" class="line">Niet wenscht hij nog een ander
-erfbewaarder<a class="apparatusnote" id="xd21e19203src" href="#xd21e19203" title="2522 een ander erfbewaarder: Waar blijft dan Hygelac, de jongste zoon?"
-name="xd21e19203src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot,
-<span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name="pb269">269</a>]</span></p>
-<p class="line">Nu de een met stervensdwang ervoer den doodslag.</p>
-<p id="v2525" class="line"><span class="lineNum">2525</span> Dan in de
-woon des zoons<a class="apparatusnote" id="xd21e19222src" href="#xd21e19222" title="2525 des zoons: Herebald. M&uuml;llenhoff neemt niet aan &laquo;dass der junge, noch nicht dem knabenalter entwachsene Herebeald, der sich noch mit seinem bruder im bogenschiessen &uuml;bte, schon in einem eignen hause hof gehalten habe.&raquo; Maar waar staat het vermeld, dat Herebeald nog niet de kinderschoenen ontwassen is? Of kan zich geen volwassene in het boogschieten oefenen?"
-name="xd21e19222src">&deg;</a> bestaart hij zorgvol</p>
-<p class="line">De woeste hal, een wijkplaats voor de winden,</p>
-<p class="line">Beroofd van &rsquo;t feestgeruisch. Hij rust de
-rijder,</p>
-<p class="line">De held, in &rsquo;t heuvelgraf<a href="#n63" class="noteref">63</a>. Geen harpgefluister,</p>
-<p class="line">Geen juichtoon heerscht in &rsquo;t huis, gelijk
-voorhenen.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e19254width"><img src="images/o269.png" alt="Ornament." width="177" height="121"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18901"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18901src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2459">2459</a></span> <i>des
-vorsten</i>: Heardred.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18901src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18914"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18914src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2460">2460</a></span> <i>hij</i>:
-Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18914src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18931"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18931src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2464">2464</a></span> <i>die</i>:
-Ochters afkomst, E&aacute;dgils.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18931src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18947"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18947src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2465">2465</a></span> <i>rijksheer</i>: Onela.</p>
-<p class="par footnote">Hier wordt voor den tweeden keer (Vgl. v.
-<a href="#v2257">2257</a> vlg.) van den oorlog met de Zweden gesproken.
-Gooten en Zweden leefden na den dood van Hredel (vgl. v. <a href="#v2543">2543</a>) op gespannen voet. Dit verklaart waarom de
-Gootenvorst, Heardred, eene schuilplaats schonk aan de Zweedsche
-ballingen E&aacute;nmund en E&aacute;dgils, die tegen hunnen oom Onela,
-opvolger van Ongentheow, waren opgestaan.</p>
-<p class="par footnote">De gastvrijheid aan zijne neven geschonken was
-Onela een doorn in het oog; hij deed eenen inval in het land der Gooten
-en doodde Heardred.</p>
-<p class="par footnote">Door Heardreds dood stond de troon voor Beowulf
-open. Onela verzette zich niet tegen Beowulfs troonsbestijging en trok
-naar Zweden terug.</p>
-<p class="par footnote">Later wilde Beowulf den dood van Heardred op
-Onela wreken en ondersteunde te dien einde den banneling E&aacute;dgils
-in zijnen krijg met den Zwedenkoning.</p>
-<p class="par footnote">E&aacute;dgils doodde Onela en nam alzoo wraak
-over zijne ballingschap.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18947src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e18975"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e18975src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2466">2466</a></span> Met dit vers
-laat M&uuml;llenhoff het oorspronkelijke lied beginnen, mits
-verandering van <i>alzoo</i> in <i>voorwaar</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e18975src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19005"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19005src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2473">2473</a></span>
-<i>ontdekkers</i>: de dief van de kostbare vaas.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19005src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19092"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19092src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2504">2504</a></span> <i>den
-oudsten</i>: Herebald.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19092src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19109"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19109src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2507">2507</a></span> <i>vriend en
-meerdre</i>: Angs <i>fre&aacute;wine</i> d. i. heer en vriend, Herebald
-was ja de oudste.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19109src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19129"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19129src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2510">2510</a></span>
-<i>onverzoenbaar</i>: Hredel kon geen weergeld vorderen, want dan moest
-hij het aan zich zelf betalen, noch den bewerker van den manslag
-dooden, want dan verloor hij twee zonen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19129src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19142"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19142src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2512">2512</a></span> <i>voor het
-gemoed</i>: van Hredel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19142src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19160"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19160src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2515">2515</a></span> <i>zijn
-zoon</i>: Hadcyn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19160src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19171"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19171src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2516">2516</a></span> <i>weemoedig
-lied</i>: het gebruikelijke rouwlied.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19171src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19192"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19192src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2521">2521</a></span>
-<i>vroegstgeboren</i>: Herebald.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19192src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19203"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19203src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2522">2522</a></span> <i>een ander
-erfbewaarder</i>: Waar blijft dan Hygelac, de jongste
-zoon?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19203src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19222"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19222src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2525">2525</a></span> <i>des zoons</i>: Herebald.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff neemt niet aan
-&laquo;<span lang="de">dass der junge, noch nicht dem knabenalter
-entwachsene Herebeald, der sich noch mit seinem bruder im
-bogenschiessen &uuml;bte, schon in einem eignen hause hof gehalten
-habe.</span>&raquo; Maar waar staat het vermeld, dat Herebeald nog niet
-de kinderschoenen ontwassen is?</p>
-<p class="par footnote">Of kan zich geen <i>volwassene</i> in het
-boogschieten oefenen?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19222src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7299">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXV.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v2530" class="line"><span class="lineNum">2530</span> Hij gaat
-naar &rsquo;t rustvertrek en zingt een rouwlied<a class="apparatusnote"
-id="xd21e19268src" href="#xd21e19268" title="2530 een rouwlied: de dichtkunst werd dikwijls als het beste middel beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te verlichten."
-name="xd21e19268src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v2531" class="line">De eene om den eene<a class="apparatusnote"
-id="xd21e19279src" href="#xd21e19279" title="2531 de eene om den eene: Hredel om Herebald." name="xd21e19279src">&deg;</a>. &rsquo;t Leek hem alles</p>
-<p id="v2532" class="line">Te ruim<a class="apparatusnote" id="xd21e19290src" href="#xd21e19290" title="2532 te ruim: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet blijven, verbergt hij zich in de engste schuilhoeken."
-name="xd21e19290src">&deg;</a>, en veld en woon. Zoo torste woelend</p>
-<p class="line">De schuts der Wederli&ecirc;n het wee des harten</p>
-<p class="line">Om zijnen Herebald. Hij kon de bloedschuld</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2535</span> Niet in het minste
-wreken op den moorder,</p>
-<p class="line">Ook mocht hij evenmin den strijder straffen</p>
-<p id="v2537" class="line">Met strenge da&acirc;n, al was hem die niet
-dierbaar<a class="apparatusnote" id="xd21e19311src" href="#xd21e19311"
-title="2537 al was hem die niet dierbaar: hij beminde Hadcyn niet meer."
-name="xd21e19311src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v2538" class="line">In deze zorg, waardoor hem trof de
-ziekte,</p>
-<p class="line">Verliet hij toen der menschen lustgewemel</p>
-<p id="v2540" class="line"><span class="lineNum">2540</span> En zocht
-het licht van God. Hij liet den zonen<a class="apparatusnote" id="xd21e19328src" href="#xd21e19328" title="2540 den zonen: Hadcyn en Hygelac." name="xd21e19328src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Dan na het land met heerschersburcht, als handelt</p>
-<p class="line">Een schatrijk man, bij &rsquo;t scheiden uit het
-leven.</p>
-<p id="v2543" class="line">Nu was het twist van Zweed en Goot en
-tweedracht</p>
-<p class="line">En wederzijdsche kamp langs &rsquo;t wijde water,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2545</span> Een felle strijd, als
-Hredel was gestorven,</p>
-<p id="v2546" class="line">En krijgsgeducht en koen het kroost zich
-toonde <span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name="pb271">271</a>]</span></p>
-<p class="line">Van Ongentheow<a class="apparatusnote" id="xd21e19355src" href="#xd21e19355" title="2546 kroost van Ongentheow: Onela en Ochter." name="xd21e19355src">&deg;</a>. Zij wilden langs het water</p>
-<p class="line">Geen vrede voeren, doch volbrachten dikwerf</p>
-<p id="v2549" class="line">Bij Hreosnaberg<a class="apparatusnote" id="xd21e19368src" href="#xd21e19368" title="2549 bij Hreosnaberg: voorgebergte in &rsquo;t land der Gooten; volgens Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige benaming."
-name="xd21e19368src">&deg;</a> gevreesde stroopersvaarten.</p>
-<p id="v2550" class="line"><span class="lineNum">2550</span> Dit alles
-wreekten mijn verwante vrienden<a class="apparatusnote" id="xd21e19381src" href="#xd21e19381" title="2550 mijn verwante vrienden: de neven, Hadcyn en Hygelac." name="xd21e19381src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Die list en lagen, naar het werd vernomen;</p>
-<p class="line">Schoon de eene &rsquo;t moest betalen met het
-leven,</p>
-<p class="line">Met eenen harden koop: voor Hadcyn immers,</p>
-<p class="line">Den Gootenkoning, werd de kamp verderflijk.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2555</span> &rsquo;k Vernam, dat
-bij den morgen met de bijlspits</p>
-<p id="v2556" class="line">Een maag<a class="apparatusnote" id="xd21e19405src" href="#xd21e19405" title="2556 een maag: Hygelac."
-name="xd21e19405src">&deg;</a> den andren<a class="apparatusnote" id="xd21e19414src" href="#xd21e19414" title="den andren: Hadcyn. De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder Hadcyn op den moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de krijgsman van Hygelac, Ongentheow doodde. Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne mannen, zooals wij meer dan eens gezien hebben."
-name="xd21e19414src">&deg;</a> op den moorder wreekte,</p>
-<p class="line">Waar Ongentheow te zamen trof met Eofor<a href="#n64"
-class="noteref">64</a>.</p>
-<p id="v2558" class="line">De strijdhelm botste stuk, de grijze
-Schilfing<a class="apparatusnote" id="xd21e19431src" href="#xd21e19431"
-title="2558 de grijze Schilfing: Ongentheow." name="xd21e19431src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hij stortte neder, door het staal bestorven.</p>
-<p id="v2560" class="line"><span class="lineNum">2560</span> De
-hand<a class="apparatusnote" id="xd21e19446src" href="#xd21e19446"
-title="2560 de hand: van Eofor. In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal van den oorlog met de Zweden na Hredels dood. In XLI, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden behandeld."
-name="xd21e19446src">&deg;</a> geheugde zich de reeks van rampen</p>
-<p class="line">En trok zich niet terugge tot den doodslag,</p>
-<p id="v2562" class="line">&rsquo;k Vergold aan Hygelac de
-kostbaarheden,</p>
-<p class="line">Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t lichtend lemmer, naar het mij verleend
-was.</p>
-<p id="v2565" class="line"><span class="lineNum">2565</span> Hij gaf me
-land en goed, &rsquo;t genot des erfgronds.</p>
-<p id="v2566" class="line">Behoefte had hij geen om bij de
-Gifden<a class="apparatusnote" id="xd21e19476src" href="#xd21e19476"
-title="2566 de Gifden: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd."
-name="xd21e19476src">&deg;</a>, <span class="pagenum">[<a id="pb272"
-href="#pb272" name="pb272">272</a>]</span></p>
-<p class="line">Den Zwaard-Deen, of in &rsquo;t Zwedenrijk te
-zoeken</p>
-<p id="v2568" class="line">Een zwakker kampgezel<a class="apparatusnote" id="xd21e19490src" href="#xd21e19490" title="2568 een zwakker kampgezel: dan ik, Beowulf." name="xd21e19490src">&deg;</a>, met goud te koopen.</p>
-<p class="line">Steeds wilde ik in zijn schaar de voorste wezen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2570</span> Ter legerspits
-alleen<a href="#n65" class="noteref">65</a>. En zoo voor &rsquo;t
-leven</p>
-<p class="line">Zal &rsquo;k slagen slaan, zoolang dit lemmer &rsquo;t
-uithoudt,</p>
-<p class="line">Dat mij zoo vaak, voorheen als later, volgde,</p>
-<p class="line">Nadat ik door geweld Daghrefnes wurger</p>
-<p id="v2574" class="line">Geworden was, den oorlogsheld der
-Hugen<a class="apparatusnote" id="xd21e19517src" href="#xd21e19517"
-title="2574 der Hugen: een Frankische stam; Ettm&uuml;ller ziet er de Chauci in. Hier wordt voor den derden keer op de Franken of Friezen gewezen."
-name="xd21e19517src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v2575" class="line"><span class="lineNum">2575</span> Niet kon
-hij &rsquo;t keurjuweel den Friezenkoning,</p>
-<p class="line">Den borsttooi brengen, want hij viel de
-vaandrig<a class="apparatusnote" id="xd21e19535src" href="#xd21e19535"
-title="2575&ndash;76 Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs dooder, gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen krijgsroof aan den Friezenkoning te brengen."
-name="xd21e19535src">&deg;</a></p>
-<p class="line">In dezen krijg, de held in zijne krachten.</p>
-<p class="line">Niet werd het staal zijn dooder, maar mijn
-strijdvuist</p>
-<p class="line">Verbrak het bruisend harte bij &rsquo;t gebeente.</p>
-<p id="v2580" class="line"><span class="lineNum">2580</span> Nu zal de
-punt van dit rapier zich kwijten,</p>
-<p class="line">De hand, het scherpe zwaard om deze
-schatten.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e19553src" href="#xd21e19553" title="2495&ndash;2581 Voor M&uuml;llenhoff is heel deze plaats later bijgevoegd."
-name="xd21e19553src">&deg;</a></p>
-<p id="v2582" class="line">Voor &rsquo;t laatst zei Beowulf, zich door
-&rsquo;t woord verbindend:</p>
-<p class="line">&laquo;Ik waagde menig kamp in mijne jonkheid;</p>
-<p id="v2584" class="line">Nu wil ik, grijze wachter van de volken,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2585</span> Nog eens &rsquo;t
-geworstel zoeken, roem verwerven,</p>
-<p class="line">Mocht uit zijn krocht de booze mij
-bekrijgen.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e19572src" href="#xd21e19572" title="2582&ndash;86 Ettm&uuml;ller strijkt deze verzen, daar zij slechts herhalen wat Beowulf boven (2495&ndash;96) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf hier niet voor het laatste, zooals aanstonds zal blijken. Ettm&uuml;ller ziet er het bewijs in, dat ons gedicht uit afzonderlijke liederen is samengesteld geworden, een stelsel dat B. Ten Brink later heeft uitgebreid."
-name="xd21e19572src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hij groette eeniegelijk van zijne lieden,</p>
-<p class="line">Zijn dappre helmgedosten, voor het laatste,</p>
-<p class="line">De trouwe tochtgezellen: &laquo;&rsquo;k Zou den degen,
-<span class="pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2590</span> Het wapen naar den
-worm niet willen voeren,</p>
-<p class="line">Indien ik wist, op welke wijs ik anders</p>
-<p id="v2592" class="line">Mijn kampwoord<a class="apparatusnote" id="xd21e19602src" href="#xd21e19602" title="2592 mijn kampwoord: Vgl. v. 2580 vlg." name="xd21e19602src">&deg;</a>
-houden kon met dezen daemon;</p>
-<p class="line">Zooals ik eens met Grendel heb gehandeld.</p>
-<p id="v2594" class="line">Maar hier verwacht ik mij op &rsquo;t heete
-kampvuur,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2595</span> Den wilden drang der
-vlam. Ik draag diensvolgens</p>
-<p class="line">Het schild en krijgerkleed. Ik wil niet wijken</p>
-<p class="line">Een voetbreed voor den hoeder van den heuvel,</p>
-<p class="line">Den grimmigen dooder; doch nabij den bergwand</p>
-<p class="line">Gebeuren zal &rsquo;t aan ieder van ons beiden,</p>
-<p id="v2600" class="line"><span class="lineNum">2600</span> Als Wyrd
-het heeft beschikt, der menschen Schepper.<a class="apparatusnote" id="xd21e19635src" href="#xd21e19635" title="2600 Heidendom en Christendom." name="xd21e19635src">&deg;</a></p>
-<p id="v2601" class="line">&rsquo;k Ben stoutgestemd van zin, zoodat ik
-daarlaat</p>
-<p class="line">De uitdagingswoorden tot den kampgewiekte.</p>
-<p class="line">Verbeidt gij bij den berg, beschut door &rsquo;t
-harnas,</p>
-<p class="line">Gij strijders in het staal, wie &rsquo;t best van
-beiden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2605</span> Kan onderstaan de
-wonden na de strijdvlaag.</p>
-<p id="v2606" class="line">Niet uwe taak is dit, niet toegemeten</p>
-<p class="line">Aan een der mannen, dan aan mij den
-&eacute;&eacute;ne,</p>
-<p class="line">Dat hij met d&rsquo;onheilstichter meet zijn
-sterkte</p>
-<p id="v2609" class="line">En ridderda&acirc;n verricht. Ik wil
-geweldig</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2610</span> Verwerven &rsquo;t
-goud, ofwel zoo rukt de worsteling,</p>
-<p class="line">Het harde levenseuvel mee uw heerscher.&raquo;</p>
-<p class="line">Nu rees op &rsquo;t schild de roembekroonde kamper</p>
-<p class="line">Omhoog, de stoute met den helm, en stapte</p>
-<p class="line">In zijne rusting onder &rsquo;t rotsgevaarte,</p>
-<p id="v2615" class="line"><span class="lineNum">2615</span> Slechts
-steunend op de sterkte van een enkle<a class="apparatusnote" id="xd21e19678src" href="#xd21e19678" title="2615 op de sterkte van een enkle: op zijne eigen sterkte." name="xd21e19678src">&deg;</a>.</p>
-<p class="line">Dat blijkt de handelwijze niet eens bloodaards!</p>
-<p class="line">Toen merkte bij den muur hij, die een menigt</p>
-<p class="line">Gevechten had bestaan, de uitstekend dappre,</p>
-<p class="line">De onstuime bij den strijd, als legers stormden,
-<span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name="pb274">274</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2620</span> Dat daar een rotsboog
-stond, vanwaar een stortbeek</p>
-<p class="line">Uitbruiste van den berg; het brongeborrel</p>
-<p class="line">Was brandend door &rsquo;t vijandig vlammenbraken.</p>
-<p id="v2623" class="line">Niet was hij bij den buit<a class="apparatusnote" id="xd21e19707src" href="#xd21e19707" title="2623 bij den buit: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn."
-name="xd21e19707src">&deg;</a> in staat, een stonde</p>
-<p class="line">Het ongedeerd te houden in de diepte,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2625</span> Uit hoofde van het
-vuur des draaks. De heerscher</p>
-<p class="line">Der Wester-Gooten liet nu woorden schallen</p>
-<p class="line">Uit zijnen boezem, want hij was verbolgen.</p>
-<p id="v2628" class="line">De koengezinde riep, en kampschel
-bruiste<a class="apparatusnote" id="xd21e19728src" href="#xd21e19728"
-title="2628 In zijnen toorn vergeet hij, dat hij van alle uitdagingswoorden wilde afzien. Vgl. v. 2601 vlg."
-name="xd21e19728src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De stem naar binnen onder &rsquo;t grauw gesteente.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2630</span> De haat was
-opgehitst. Der schatten hoeder</p>
-<p class="line">Vernam de stem eens mans. Er schoot geen stonde</p>
-<p class="line">Meer over tot het treffen van den vrede.</p>
-<p id="v2633" class="line">Des vijands adem kwam het eerst te
-voorschijn</p>
-<p class="line">Vanuit het rotsgesteent, het gloeiend strijdzweet.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2635</span> De bodem dreunde. Bij
-de bergkloof schudde</p>
-<p class="line">De held het schild, der Gooten heerscher, tegen</p>
-<p class="line">d&rsquo;Ontzettingsgast. De zin des ringgekromden</p>
-<p class="line">Was nu geneigd om een gevecht te aanvaarden.</p>
-<p class="line">De dappre krijgerkoning had den degen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2640</span> &rsquo;t
-Voorvaderlijke zwaard met vlijmend lemmer</p>
-<p class="line">Te voren al gevat, en boosheid broeiend</p>
-<p class="line">Gevoelden beiden ijzing voor elkander.</p>
-<p class="line">Sterkmoedig stond hij bij den breeden schildrand</p>
-<p class="line">Der vrienden vorst, terwijl de worm zich ijlings</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2645</span> Te zamen wond. Hem
-wachtte hij in &rsquo;t harnas.</p>
-<p class="line">Roodgloeiend kwam die kronklend aangegleden,</p>
-<p id="v2647" class="line">Al tuimlend toegeschoten. &rsquo;t Schild
-behoedde</p>
-<p class="line">Den wijdbekenden vorst een korter wijle</p>
-<p class="line">Dan zijn verlangen zocht, het lijf en &rsquo;t
-leven;<a class="apparatusnote" id="xd21e19789src" href="#xd21e19789"
-title="2647&ndash;49 Het opzettelijk tot dit gevecht vervaardigde stalen schild verleende hem geene voldoende bescherming. Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v. 2759 vlg."
-name="xd21e19789src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb275"
-href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span></p>
-<p id="v2650" class="line"><span class="lineNum">2650</span> Daar hij
-alsdan den eersten keer, de koene</p>
-<p class="line">Te midden der gevechten, moest ervaren,</p>
-<p class="line">Hetgeen hem nooit het noodlot had beschoren.<a class="apparatusnote" id="xd21e19811src" href="#xd21e19811" title="2650&ndash;52 Hij zou voor het eerst vreemde hulp noodig hebben, hetgeen hen nog nooit overkomen was. Anders Socin: &laquo;er muste zum ersten Male den Feind im Schwertkampfe angreifen, in dem ihm das Geschick den Sieg versagte&raquo;. Vgl. in voce m&ocirc;tan. Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke wapen, eerst Hrunting en later het reuzenzwaard, had aangetast!"
-name="xd21e19811src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Der Gooten heerscher zwaaide hoog de rechte</p>
-<p class="line">En sloeg den gloedontzetbre met het slagzwaard,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2655</span> Zoodat het wapen
-gleed, het blauwgeglansde,</p>
-<p id="v2656" class="line">Op zijn gebeente. Minder hevig beet
-het<a class="apparatusnote" id="xd21e19841src" href="#xd21e19841"
-title="2656 minder hevig beet het: het drong in &rsquo;t geheel niet door. (litotes.) Dit wordt 2663 nog eens herhaald. Later zullen we zien, dat Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. 2765."
-name="xd21e19841src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Dan hij behoefte had de volksbeheerscher</p>
-<p class="line">Door nood genoopt. Nu was de heuvelwachter</p>
-<p class="line">Na dezen wapenstrook in wilde stemming.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2660</span> Hij wierp
-versmachtend vuur, in &rsquo;t wijde sprongen</p>
-<p id="v2661" class="line">De stralen van den strijd. Der Gooten
-goudvriend</p>
-<p class="line">Bazuinde geenszins uit zijn zegeluister.</p>
-<p id="v2663" class="line">Nu zwichtte &rsquo;t zwaard, het blanke, bij
-den aanval,</p>
-<p class="line">Als &rsquo;t niet gemoeten, &rsquo;t langbeproefde
-lemmer.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2665</span> Het was geen blijde
-weg, als Ecgtheows afkomst,</p>
-<p id="v2666" class="line">De stoute, zijne stelling<a class="apparatusnote" id="xd21e19882src" href="#xd21e19882" title="2666 Zijne stelling: het terrein v&oacute;&oacute;r de schatkamer. Beowulf had zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. 2633."
-name="xd21e19882src">&deg;</a> zocht te ontruimen;</p>
-<p id="v2667" class="line">Naar elders<a class="apparatusnote" id="xd21e19896src" href="#xd21e19896" title="2667 Naar elders: hij moest sterven." name="xd21e19896src">&deg;</a>
-moest hij om des monsters wille</p>
-<p class="line">Verwisselen van woning. Ieder wezen</p>
-<p class="line">Zal desgelijks verlaten &rsquo;t wufte leven.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2670</span> Het leed niet lang
-daarna, of nogmaals stieten</p>
-<p class="line">De kampers op elkaar. De schatbeschutter</p>
-<p class="line">(Zijn boezem bolde door &rsquo;t geschuifel) schepte
-<span class="pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span></p>
-<p class="line">Een tweede male moed; weer duldde doodsangst,</p>
-<p id="v2674" class="line">Met vuur omva&acirc;md, die eerst het volk
-bestuurde<a class="apparatusnote" id="xd21e19923src" href="#xd21e19923"
-title="2674 die eerst het volk bestuurde: Beowulf. Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten was; immers zijne makkers sloegen op de vlucht."
-name="xd21e19923src">&deg;</a><a href="#n66" class="noteref">66</a>.</p>
-<p id="v2675" class="line"><span class="lineNum">2675</span> Niet
-drongen in een drom de handgenooten</p>
-<p class="line">Om hem met heldenzin, der eedlen zonen,</p>
-<p class="line">Maar scholen in het bosch en borgen &rsquo;t leven.</p>
-<p class="line">Bij &eacute;&eacute;nen hunner woelde &rsquo;t hart met
-zorgen:</p>
-<p id="v2679" class="line">Niets blijkt zoo machtig om de
-bloedverwantschap</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2680</span> Bij hem, die koen
-gezind is, ooit te keeren<a class="apparatusnote" id="xd21e19953src"
-href="#xd21e19953" title="2679&ndash;80. Bij een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds tot zwijgen brengen."
-name="xd21e19953src">&deg;</a><a href="#n67" class="noteref">67</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e19962width"><img src="images/o252.png" alt="Ornament." width="197" height="104"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19268"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19268src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2530">2530</a></span> <i>een
-rouwlied</i>: de dichtkunst werd dikwijls als het beste middel
-beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te
-verlichten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19268src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19279"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19279src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2531">2531</a></span> <i>de eene om
-den eene</i>: Hredel om Herebald.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19279src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19290"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19290src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2532">2532</a></span> <i>te
-ruim</i>: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet blijven,
-verbergt hij zich in de engste schuilhoeken.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e19290src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19311"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19311src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2537">2537</a></span> <i>al was hem
-die niet dierbaar</i>: hij beminde Hadcyn niet meer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19311src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19328"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19328src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2540">2540</a></span> <i>den
-zonen</i>: Hadcyn en Hygelac.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19328src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19355"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19355src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2546">2546</a></span> <i>kroost van
-Ongentheow</i>: Onela en Ochter.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19355src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19368"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19368src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2549">2549</a></span> <i>bij
-Hreosnaberg</i>: voorgebergte in &rsquo;t land der Gooten; volgens
-Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige
-benaming.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19368src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19381"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19381src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2550">2550</a></span> <i>mijn
-verwante vrienden</i>: de neven, Hadcyn en Hygelac.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19381src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19405"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19405src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2556">2556</a></span> <i>een
-maag</i>: Hygelac.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19405src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19414"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19414src">&deg;</a></span><i>den andren</i>: Hadcyn.</p>
-<p class="par footnote">De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder
-Hadcyn op den moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de
-krijgsman van Hygelac, Ongentheow doodde.</p>
-<p class="par footnote">Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne
-mannen, zooals wij meer dan eens gezien hebben.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e19414src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19431"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19431src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2558">2558</a></span> <i>de grijze
-Schilfing</i>: Ongentheow.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19431src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19446"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19446src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2560">2560</a></span> <i>de hand</i>: van Eofor.</p>
-<p class="par footnote">In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal
-van den oorlog met de Zweden na Hredels dood. In <a href="#ch41">XLI</a>, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde
-geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden
-behandeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19446src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19476"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19476src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2566">2566</a></span> <i>de
-Gifden</i>: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19476src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19490"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19490src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2568">2568</a></span> <i>een
-zwakker kampgezel</i>: dan ik, Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19490src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19517"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19517src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2574">2574</a></span> <i>der Hugen</i>: een Frankische stam;
-Ettm&uuml;ller ziet er de Chauci in.</p>
-<p class="par footnote">Hier wordt voor den derden keer op de Franken
-of Friezen gewezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19517src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19535"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19535src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2575">2575&ndash;76</a></span>
-Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs dooder,
-gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen krijgsroof
-aan den Friezenkoning te brengen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19535src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19553"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19553src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2495">2495&ndash;2581</a></span>
-Voor M&uuml;llenhoff is heel deze plaats later
-bijgevoegd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19553src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19572"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19572src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2582">2582&ndash;86</a></span> Ettm&uuml;ller strijkt deze verzen,
-daar zij slechts herhalen wat Beowulf boven (<a href="#v2495">2495&ndash;96</a>) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf
-hier niet <i>voor het laatste</i>, zooals aanstonds zal blijken.</p>
-<p class="par footnote">Ettm&uuml;ller ziet er het bewijs in, dat ons
-gedicht uit afzonderlijke liederen is samengesteld geworden, een
-stelsel dat B. Ten Brink later heeft uitgebreid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19572src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19602"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19602src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2592">2592</a></span> <i>mijn
-kampwoord</i>: Vgl. v. <a href="#v2580">2580</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19602src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19635"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19635src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2600">2600</a></span> Heidendom en
-Christendom.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19635src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19678"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19678src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2615">2615</a></span> <i>op de
-sterkte van een enkle</i>: op zijne eigen sterkte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19678src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19707"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19707src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2623">2623</a></span> <i>bij den
-buit</i>: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19707src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19728"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19728src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2628">2628</a></span> In zijnen
-toorn vergeet hij, dat hij van alle uitdagingswoorden wilde afzien.
-Vgl. v. <a href="#v2601">2601</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19728src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19789"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19789src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2647">2647&ndash;49</a></span> Het opzettelijk tot dit gevecht
-vervaardigde stalen schild verleende hem geene voldoende
-bescherming.</p>
-<p class="par footnote">Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v.
-<a href="#v2759">2759</a> vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19789src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19811"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19811src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2650">2650&ndash;52</a></span> Hij zou voor het eerst vreemde hulp
-noodig hebben, hetgeen hen nog nooit overkomen was.</p>
-<p class="par footnote">Anders Socin: &laquo;<span lang="de">er muste
-<i>zum ersten Male</i> den Feind im Schwertkampfe angreifen, in dem ihm
-das Geschick den Sieg versagte</span>&raquo;. Vgl. in voce <i lang="ang">m&ocirc;tan</i>.</p>
-<p class="par footnote">Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke
-wapen, eerst Hrunting en later het reuzenzwaard, had
-aangetast!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19811src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19841"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19841src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2656">2656</a></span> <i>minder hevig beet het</i>: het drong in
-&rsquo;t geheel niet door. (litotes.) Dit wordt <a href="#v2663">2663</a> nog eens herhaald. Later zullen we zien, dat
-Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. <a href="#v2765">2765</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19841src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19882"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19882src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2666">2666</a></span> <i>Zijne
-stelling</i>: het terrein v&oacute;&oacute;r de schatkamer. Beowulf had
-zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. <a href="#v2633">2633</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19882src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19896"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19896src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2667">2667</a></span> <i>Naar
-elders</i>: hij moest sterven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19896src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19923"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19923src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2674">2674</a></span> <i>die eerst het volk bestuurde</i>:
-Beowulf.</p>
-<p class="par footnote">Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten
-was; immers zijne makkers sloegen op de vlucht.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e19923src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19953"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19953src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2679">2679&ndash;80.</a></span> Bij
-een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds tot zwijgen
-brengen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19953src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name="pb277">277</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7305">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXVI.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wiglaf, zoo heette hij, de zoon van Weohstan,</p>
-<p id="v2682" class="line">Een waarde schildgenoot, een vorst der
-Schilfings<a class="apparatusnote" id="xd21e19976src" href="#xd21e19976" title="2682 een vorst der Schilfings: der Zweden. M&uuml;llenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang bij de Zweden had geleefd en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot de Gooten overging, toen Beowulf, die inmiddels koning was geworden, hem het oude erfgoed der Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had laten behouden."
-name="xd21e19976src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Alfheres bloedverwant. Hij zag zijn heerscher</p>
-<p class="line">De laaie dulden onder &rsquo;t legermasker.</p>
-<p id="v2685" class="line"><span class="lineNum">2685</span> Hij was
-alsdan het eigendom gedachtig,</p>
-<p class="line">Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,</p>
-<p id="v2687" class="line">De weeldevolle woning der
-Waegmundings<a class="apparatusnote" id="xd21e20000src" href="#xd21e20000" title="2687 Waegmundings: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan Beowulf ook verwant was."
-name="xd21e20000src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v2688" class="line">Elk volksbezit<a class="apparatusnote" id="xd21e20011src" href="#xd21e20011" title="2688 volksbezit: bezit en rechten der gezamenlijke krijgsschaar. Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den dood van Weohstan ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan deelgenomen had aan den inval van Onela in &rsquo;t Gootenland en zelfs E&aacute;nmund had gedood."
-name="xd21e20011src">&deg;</a>, gelijk bezat zijn vader.</p>
-<p class="line">Zich houden kon hij niet. Zijn hand omvatte</p>
-<p id="v2690" class="line"><span class="lineNum">2690</span> Den
-beukelaar, den gelen bast der linde.</p>
-<p class="line">Hij toog den ouden degen, die het erfstuk</p>
-<p class="line">E&aacute;nmundes, Ochters zoon, was bij de
-menschen;</p>
-<p id="v2693" class="line">Aan welken vreugdeloozen zwerver<a class="apparatusnote" id="xd21e20036src" href="#xd21e20036" title="2693 vreugdeloozen zwerver: E&aacute;nmund en E&aacute;dgils waren bannelingen. Vgl. v. 2447."
-name="xd21e20036src">&deg;</a> Weohstan <span class="pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p>
-<p class="line">Tot dooder werd in &rsquo;t wapen door de
-zwaardspits.</p>
-<p id="v2695" class="line"><span class="lineNum">2695</span> En
-Weohstan bracht daarop aan diens verwanten<a class="apparatusnote" id="xd21e20055src" href="#xd21e20055" title="2695 aan diens verwanten: aan Onela, oom van E&aacute;nmund." name="xd21e20055src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Den bruingebronsden helm, &rsquo;t geringde harnas,</p>
-<p class="line">Het oude zijdgeweer, het werk der reuzen.</p>
-<p id="v2698" class="line">Dit schonk hem<a class="apparatusnote" id="xd21e20070src" href="#xd21e20070" title="2698 hem: Weohstan." name="xd21e20070src">&deg;</a> Onela: de legerkleeren</p>
-<p class="line">Zijns maags, het treflijk heertuig; maar hij repte</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2700</span> Niet van de
-vijandschap, ofschoon dat Weohstan</p>
-<p class="line">Toch had ontzield den zoon van zijnen broeder<a href="#n68" class="noteref">68</a></p>
-<p id="v2702" class="line">Die kostbaarhe&ecirc;n behield hij<a class="apparatusnote" id="xd21e20092src" href="#xd21e20092" title="2702 hij: Weohstan. Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken voorstel: Weohstan heeft E&aacute;nmund gedood en geeft zijne spolia, drie in getal, aan Onela, den oom des gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan terug en verwijt hem zelfs niet den dood van E&aacute;nmund, den zoon van Ochter, zijnen broeder. Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende vele jaren en schenkt ze aan Wiglaf, als deze volwassen is. Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe hij nochtans verplicht was, afgezien van zijne verhouding tot den gedoode. Een blijk van edelmoedigheid."
-name="xd21e20092src">&deg;</a> vele jaren,</p>
-<p class="line">Rapier en rusting, tot zijn zoon eens
-roemda&acirc;n</p>
-<p class="line">Volvoeren zou, gelijk weleer de vader.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2705</span> Hij gaf hem dies te
-midden zijner Gooten</p>
-<p class="line">Ontelbre legerkle&ecirc;n, als hij het leven</p>
-<p class="line">Verliet, de hoogbedaagde, voor de heenreis.&mdash;</p>
-<p id="v2708" class="line">&rsquo;t Was de eerste keer voor dezen
-jongen kamper<a class="apparatusnote" id="xd21e20128src" href="#xd21e20128" title="2708 voor dezen jongen kamper: Wiglaf." name="xd21e20128src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Dat hij den heerstorm waagde met zijn meester.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2710</span> Niet smolt zijn moed
-daarheen, noch miste &rsquo;t slagzwaard <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name="pb279">279</a>]</span></p>
-<p class="line">Des vaders in &rsquo;t gevecht. Dat zou ervaren</p>
-<p class="line">De reuzenworm, nadat zij slaags geraakten.</p>
-<p id="v2713" class="line">Wel menig richtig woord verkondde Wiglaf</p>
-<p class="line">En zei (zijn zin was droef) tot zijne makkers:</p>
-<p id="v2715" class="line"><span class="lineNum">2715</span> &laquo;Den
-tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen</p>
-<p class="line">En in de hal aan onzen heer beloofden,</p>
-<p class="line">Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings</p>
-<p class="line">Vergelden zouden, mocht hem zulke nooddwang</p>
-<p class="line">Gemoeten, en den helm en &rsquo;t harde
-lemmer.<a class="apparatusnote" id="xd21e20165src" href="#xd21e20165"
-title="2715&ndash;19. Exigunt enim a principis sui liberalitate..... illam cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ. 14."
-name="xd21e20165src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2720</span> Daarom toch koos hij
-ons tot deze kampvaart,</p>
-<p class="line">Te midden zijner schaar, naar eigen schikking,</p>
-<p class="line">En maande ons aan tot moed en schonk mij schatten,</p>
-<p class="line">Omdat hij ons aanzag voor dappre speerlui,</p>
-<p class="line">Helmvoerders onvervaard; al dacht de heerscher</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2725</span> Dit krachtbestaan
-alleen tot stand te brengen,</p>
-<p class="line">De volkenmenner, daar hij &rsquo;t meest der mannen</p>
-<p class="line">Roemdaden heeft verricht en stoute stukken.</p>
-<p class="line">Nu daagde hij de dag, dat onze heirvorst</p>
-<p class="line">De krachten noodig heeft van kloeke krijgers.</p>
-<p id="v2730" class="line"><span class="lineNum">2730</span> Op!
-toegestormd, den oorlogsvoogd te steunen,</p>
-<p class="line">Terwijl de hitte duurt, de wilde vuurvrees.</p>
-<p id="v2732" class="line">God weet van mij: mij ware &rsquo;t
-wenschelijker,</p>
-<p class="line">Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler<a class="apparatusnote" id="xd21e20206src" href="#xd21e20206" title="2732&ndash;34 Ik zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te overleven."
-name="xd21e20206src">&deg;</a></p>
-<p id="v2734" class="line">Het vuur omving. Niet dunkt me dit
-betaamlijk,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2735</span> De schilden weer te
-brengen naar de woning,</p>
-<p class="line">Tenzij wij eerst den vijand kunnen vellen</p>
-<p class="line">En &rsquo;t leven hoeden van den Wederhoofdman.
-<span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280" name="pb280">280</a>]</span></p>
-<p id="v2738" class="line">Ik weet het maar te wel, dat
-z&oacute;&oacute; niet waren,</p>
-<p class="line">Zijn da&acirc;n van vroeger her, dat deze, de eenge</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2740</span> Der Gootenridders,
-dulden zou den rampspoed<a class="apparatusnote" id="xd21e20232src"
-href="#xd21e20232" title="2738&ndash;40 Door zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd de anderen te hulp kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van ons twaalf te sterven."
-name="xd21e20232src">&deg;</a></p>
-<p id="v2741" class="line">En vallen in &rsquo;t gevecht. Ons beiden
-blijve</p>
-<p class="line">Vereenigd kling en helm met schild<a href="#n69" class="noteref">69</a> en harnas.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e20245src" href="#xd21e20245" title="2713&ndash;42 M&uuml;llenhoff beschouwt deze eerste toespraak van Wiglaf als onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om eene lange redevoering te houden, vooral met het oog op v. 2730&ndash;31. Buitendien schijnt de dichter vergeten te hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden genomen. Vgl. 2675 vlg. Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak veel overeenkomst heeft met de woorden, welke in de Noordsche sage van Hrolf kraki aan Hjalti in den mond worden gelegd en welke Saxo in &rsquo;t Latijn weergeeft. De zaak is licht verklaarbaar, indien men volgens het stelsel van ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten aanneemt."
-name="xd21e20245src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hij stapte door den doodelijken stikwalm<a class="apparatusnote" id="xd21e20274src" href="#xd21e20274" title="2741&ndash;43 Wij beiden zullen te zamen strijden." name="xd21e20274src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v2744" class="line">Den vorst tot steun aanrukkend met het
-strijdhoofd<a class="apparatusnote" id="xd21e20282src" href="#xd21e20282" title="2744 strijdhoofd: dichterlijke benaming voor helm." name="xd21e20282src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v2745" class="line"><span class="lineNum">2745</span> En zei in
-weinig woorden: &laquo;Beste Beowulf,</p>
-<p class="line">Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger</p>
-<p class="line">Gezegd hebt in uw jeugd. Gij zoudet nimmer</p>
-<p class="line">Uw eere laten zinken bij uw leven.</p>
-<p class="line">Gij daadberoemde, vastberaden heerscher,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2750</span> Gij moet althans met
-alle macht uw leven</p>
-<p class="line">Behoeden. Ik verleen u mijne hulpe.&raquo;</p>
-<p class="line">Na deze woorden kwam het woedend ondier,</p>
-<p class="line">De gruwe moordgast, voor de tweede male,</p>
-<p class="line">Omblaakt door &rsquo;t vlamgeblaas, op zijn
-bestokers</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2755</span> Zich storten, zijn
-gehate tegenstanders.</p>
-<p id="v2756" class="line">&rsquo;t Rondas verteerde door het
-vuurgekronkel</p>
-<p class="line">Tot op den rand.<a class="apparatusnote" id="xd21e20324src" href="#xd21e20324" title="2756 Wiglafs schild was van lindenhout. Vgl. v. 2690." name="xd21e20324src">&deg;</a> Beschutting kon de rusting</p>
-<p class="line">Den jongen lansenzwaaier niet verleenen;</p>
-<p id="v2759" class="line">Maar onder &rsquo;t schild des bloedverwants
-verschuilde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2760</span> De borst zich dan
-gezwind, omdat het zijne</p>
-<p class="line">Vergaan was in den gloed. De krijgerkoning</p>
-<p class="line">Was dan nog eens zijn heldenda&acirc;n gedachtig.</p>
-<p class="line">Hij rukte neer met reuzenkracht het kampzwaard,</p>
-<p id="v2764" class="line">Zoodat het in het drakenhoofd zich
-hechtte,</p>
-<p id="v2765" class="line"><span class="lineNum">2765</span> Geperst
-door woest geweld. Daar sprong in splinters <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281" name="pb281">281</a>]</span></p>
-<p class="line">Zijn Nageling; het zwaard van Beowulf zwichtte</p>
-<p class="line">In dit gevecht, het oude, vaalgevlamde.</p>
-<p class="line">Het was hem niet verleend, dat stalen lemmers</p>
-<p class="line">Hem helpen konden in den kamp. Zijn handgreep</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2770</span> Was al te kloek, die
-elke kling, mijns wetens,</p>
-<p class="line">Bij &rsquo;t treffen overmocht. Al bracht hij mede</p>
-<p class="line">In &rsquo;t krijt het hardste zwaard, het kon niet
-helpen.</p>
-<p class="line">Ten derden male was de volksverderver,</p>
-<p class="line">Het dreigend vuurgedrocht, den kamp indachtig.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2775</span> Het rukte, nu daartoe
-zich bood de ruimte<a href="#n70" class="noteref">70</a>,</p>
-<p class="line">Den sterke tegen, gloeiend, strijdontstoken,</p>
-<p class="line">En knelde heel den hals met scherpe kaken.</p>
-<p id="v2778" class="line">Hij<a class="apparatusnote" id="xd21e20389src" href="#xd21e20389" title="2778 Hij: Beowulf." name="xd21e20389src">&deg;</a> werd geheel met hartebloed bedropen,</p>
-<p class="line">In golven gulpte weg het vocht der wonde.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e20401width"><img src="images/o312.png" alt="Ornament." width="85" height="90"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e19976"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e19976src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2682">2682</a></span> <i>een vorst der Schilfings</i>: der
-Zweden.</p>
-<p class="par footnote">M&uuml;llenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang
-bij de Zweden had geleefd en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot
-de Gooten overging, toen Beowulf, die inmiddels koning was geworden,
-hem het oude erfgoed der Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had
-laten behouden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e19976src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20000"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20000src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2687">2687</a></span>
-<i>Waegmundings</i>: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan Beowulf ook
-verwant was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20000src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20011"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20011src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2688">2688</a></span> <i>volksbezit</i>: bezit en rechten der
-gezamenlijke krijgsschaar.</p>
-<p class="par footnote">Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den
-dood van Weohstan ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan
-deelgenomen had aan den inval van Onela in &rsquo;t Gootenland en zelfs
-E&aacute;nmund had gedood.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20011src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20036"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20036src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2693">2693</a></span>
-<i>vreugdeloozen zwerver</i>: E&aacute;nmund en E&aacute;dgils waren
-bannelingen. Vgl. v. <a href="#v2447">2447</a>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e20036src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20055"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20055src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2695">2695</a></span> <i>aan diens
-verwanten</i>: aan Onela, oom van E&aacute;nmund.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20055src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20070"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20070src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2698">2698</a></span> <i>hem</i>:
-Weohstan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20070src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20092"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20092src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2702">2702</a></span> <i>hij</i>: Weohstan.</p>
-<p class="par footnote">Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken
-voorstel:</p>
-<p class="par footnote">Weohstan heeft E&aacute;nmund gedood en geeft
-zijne <i>spolia</i>, drie in getal, aan Onela, den oom des
-gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan terug en verwijt hem
-zelfs niet den dood van E&aacute;nmund, den zoon van Ochter, zijnen
-broeder.</p>
-<p class="par footnote">Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende
-vele jaren en schenkt ze aan Wiglaf, als deze volwassen is.</p>
-<p class="par footnote">Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe
-hij nochtans verplicht was, afgezien van zijne verhouding tot den
-gedoode. Een blijk van edelmoedigheid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20092src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20128"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20128src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2708">2708</a></span> <i>voor dezen
-jongen kamper</i>: Wiglaf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20128src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20165" lang="la">
-<span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20165src">&deg;</a></span> <span class="lineNumRef"><a href="#v2715">2715&ndash;19.</a></span> Exigunt enim a principis sui
-liberalitate..... illam cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ.
-14.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20165src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20206"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20206src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2732">2732&ndash;34</a></span> Ik
-zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te
-overleven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20206src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20232"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20232src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2738">2738&ndash;40</a></span> Door
-zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd de anderen te hulp
-kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van ons twaalf te
-sterven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20232src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20245"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20245src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2713">2713&ndash;42</a></span> M&uuml;llenhoff beschouwt deze eerste
-toespraak van Wiglaf als onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om
-eene lange redevoering te houden, vooral met het oog op v. <a href="#v2730">2730&ndash;31</a>. Buitendien schijnt de dichter vergeten te
-hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden genomen. Vgl<span class="corr" id="xd21e20254" title="Niet in bron">.</span> <a href="#v2675">2675</a> vlg.</p>
-<p class="par footnote">Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak
-veel overeenkomst heeft met de woorden, welke in de Noordsche sage van
-<i>Hrolf kraki</i> aan <i>Hjalti</i> in den mond worden gelegd en welke
-Saxo in &rsquo;t Latijn weergeeft.</p>
-<p class="par footnote">De zaak is licht verklaarbaar, indien men
-volgens het stelsel van ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten
-aanneemt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20245src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20274"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20274src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2741">2741&ndash;43</a></span> Wij
-beiden zullen te zamen strijden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20274src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20282"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20282src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2744">2744</a></span>
-<i>strijdhoofd</i>: dichterlijke benaming voor helm.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20282src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20324"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20324src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2756">2756</a></span> Wiglafs
-schild was van lindenhout. Vgl. v. <a href="#v2690">2690</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20324src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20389"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20389src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2778">2778</a></span> <i>Hij</i>:
-Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20389src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name="pb282">282</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7311">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXVII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">2780</span> &rsquo;k Vernam, dat
-nu in dezen nood des konings</p>
-<p class="line">De rechtgesprongen held zijn spierkracht toonde,</p>
-<p class="line">&rsquo;t Geweld, de stoutheid, als hem eigen waren.</p>
-<p class="line">Niet telde hij zijn leven<a href="#n71" class="noteref">71</a>, daarentegen</p>
-<p class="line">Werd heel de hand verbrand des koenen kampers,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2785</span> Terwijl hij zijnen
-bloedverwant verweerde;</p>
-<p id="v2786" class="line">Zoodat hij luttel lager stak den
-strijdgast<a class="apparatusnote" id="xd21e20432src" href="#xd21e20432" title="2786 Wiglaf stak den draak een weinig lager dan het hoofd, waarop Beowulf zijn zwaard had stuk geslagen. Vgl. v. 2764."
-name="xd21e20432src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De ridder in &rsquo;t kuras; zoodat de degen,</p>
-<p class="line">De glimmend gulden, binnengleed en &rsquo;t gloeien</p>
-<p class="line">Van lieverle&ecirc;n nu aanving na te laten.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2790</span> Toen kwam de koning
-weder tot bewustzijn.</p>
-<p class="line">Hij zwaaide &rsquo;t slagmes, scherp, ten kamp
-geslepen,</p>
-<p class="line">Hetgeen hij op het harnas droeg. Nu hakte</p>
-<p class="line">De Wederschuts den reuzenworm doormidden.</p>
-<p class="line">Hij velde neer den vijand, dreef de ziele</p>
-<p id="v2795" class="line"><span class="lineNum">2795</span> Naar
-elders<a class="apparatusnote" id="xd21e20464src" href="#xd21e20464"
-title="2795 naar elders: naar de hel." name="xd21e20464src">&deg;</a>
-heen<a href="#n72" class="noteref">72</a>. Zoo hadden zij de beide</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t bloed verbonden eedlen hem
-gebroken.&mdash;</p>
-<p id="v2797" class="line">Zoo moet een man in nood, een weerbre
-wezen&mdash;</p>
-<p class="line">Den landheer was &rsquo;t de laatste zegestonde</p>
-<p class="line">Voor eigen da&acirc;n, het jongst bedrijf op aarde.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2800</span> Alsdan begon de
-wonde, die de gronddraak</p>
-<p class="line">Had toegebracht, te branden, op te zwellen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name="pb283">283</a>]</span></p>
-<p class="line">Hij werd weldra gewaar, dat doodlijk woeden</p>
-<p class="line">Hem golfde door de borst, het gift van binnen.</p>
-<p class="line">Voort ging de vorst, totdat hij bij den bergwand</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2805</span> Wijszinnig op de
-zitplaats nederzakte.</p>
-<p class="line">Hij liet den blik op &rsquo;t werk der reuzen
-weiden,</p>
-<p class="line">Hoe dat het steengewelf, gesteund door pijlers,</p>
-<p class="line">In zijnen schoot verschool de grijze grondwoon.</p>
-<p id="v2809" class="line">Nu laafde hem met water<a class="apparatusnote" id="xd21e20510src" href="#xd21e20510" title="2809 met water: er ontsprong immers eene beek." name="xd21e20510src">&deg;</a> eigenhandig,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2810</span> Den kampbebloeden
-vorst, den wijdgevierden,</p>
-<p class="line">De held bij uitstek vroom, den vriend en heerscher,</p>
-<p id="v2812" class="line">Des strijdens moe<a class="apparatusnote"
-id="xd21e20527src" href="#xd21e20527" title="2812 des strijdens moe: bepaalt vriend en heerscher." name="xd21e20527src">&deg;</a>; hij maakte los den hoofdhelm.</p>
-<p class="line">En Beowulf zei, gebukt op zijn kwetsuren<a href="#n73"
-class="noteref">73</a>,</p>
-<p class="line">De doodelijke wond: (Hij wist ter dege,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2815</span> Hij had beleefd het
-tijdsbeloop der dagen,</p>
-<p class="line">Het heil der aard; nu was geheel verstreken</p>
-<p class="line">Der dagen tal en gansch nabij het doodsuur.)</p>
-<p class="line">&laquo;Ik zou mijn zoon de legertooisels laten,</p>
-<p id="v2819" class="line">Indien mij eenig erfbewaarder ware</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2820</span> Na mij bestemd,
-vermaagschapt met mijn lichaam.<a class="apparatusnote" id="xd21e20563src" href="#xd21e20563" title="2819&ndash;20 na mij bestemd: bestemd om na mij te heerschen. De grijsheid stond niet zooals bij de Grieken in bijzondere achting bij de Germanen; het verval der lichaamskrachten, de verzwakking der verstandelijke vermogens wekten eerder hun medelijden dan wel eerbied op. Doch des te meer werd hij bewonderd, die ondanks zijne hooge jaren, zijne spierkracht onverzwakt behouden had. Dit zien wij bij Ongentheow, doch vooral bij Beowulf."
-name="xd21e20563src">&deg;</a></p>
-<p class="line">&rsquo;k Bestuurde deze stammen vijftig winters;</p>
-<p class="line">Van al de buren was geen volksgebieder,</p>
-<p class="line">Die zich vermat door middel van de zwaarden</p>
-<p class="line">Mij aan te klampen, mij met angst te omklemmen.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2825</span> Op &rsquo;t stamgoed
-sleet ik mijne lotsbestemming,</p>
-<p id="v2826" class="line">Bewaarde wel het mijne, zocht geen
-moordlist,</p>
-<p id="v2827" class="line">Noch legde menig eed af<a class="apparatusnote" id="xd21e20592src" href="#xd21e20592" title="2827 noch legde menig eed af: in het geheel geen eed. (litotes)."
-name="xd21e20592src">&deg;</a> onrechtmatig. <span class="pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span></p>
-<p class="line">Dus mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,</p>
-<p class="line">Om &rsquo;t al verheugen; want de Heer der menschen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2830</span> Zal mij den moord
-niet wijten van de magen,</p>
-<p class="line">Nu dat mijn leven scheiden gaat van &rsquo;t
-lichaam.</p>
-<p class="line">Begeef u gauw, den schat te schouwen, onder</p>
-<p class="line">Het vale rotsgevaart, mijn waarde Wiglaf,</p>
-<p class="line">Nu nederligt de worm en weedoornageld</p>
-<p id="v2835" class="line"><span class="lineNum">2835</span> Den
-sluimer<a class="apparatusnote" id="xd21e20623src" href="#xd21e20623"
-title="2835 den sluimer: doodslaap." name="xd21e20623src">&deg;</a>
-slaapt, beroofd van zijnen rijkdom.</p>
-<p class="line">Nu rep u voort, dat ik den schat des voortijds,</p>
-<p class="line">De gouden have zie, geheel bestare</p>
-<p class="line">De kunstgesteenten, stralend als de hemel;</p>
-<p class="line">Opdat ik na de volheid van kleinooden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2840</span> Het leven des te
-lichter mag verlaten,</p>
-<p class="line">De stamgenooten, die ik lang bestuurde.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e20647width"><img src="images/o284.png" alt="Ornament." width="108" height="74"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20432"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20432src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2786">2786</a></span> Wiglaf stak
-den draak een weinig lager dan het hoofd, waarop Beowulf zijn zwaard
-had stuk geslagen. Vgl. v. <a href="#v2764">2764</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20432src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20464"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20464src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2795">2795</a></span> <i>naar
-elders</i>: naar de hel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20464src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20510"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20510src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2809">2809</a></span> <i>met
-water</i>: er ontsprong immers eene beek.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20510src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20527"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20527src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2812">2812</a></span> <i>des
-strijdens moe</i>: bepaalt <i>vriend en heerscher</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20527src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20563"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20563src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2819">2819&ndash;20</a></span> <i>na mij bestemd</i>: bestemd om na
-mij te heerschen.</p>
-<p class="par footnote">De grijsheid stond niet zooals bij de Grieken
-in bijzondere achting bij de Germanen; het verval der lichaamskrachten,
-de verzwakking der verstandelijke vermogens wekten eerder hun
-medelijden dan wel eerbied op. Doch des te meer werd hij bewonderd, die
-ondanks zijne hooge jaren, zijne spierkracht onverzwakt behouden had.
-Dit zien wij bij Ongentheow, doch vooral bij Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20563src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20592"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20592src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2827">2827</a></span> <i>noch legde
-menig eed af</i>: in het geheel geen eed. (litotes).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20592src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20623"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20623src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2835">2835</a></span> <i>den
-sluimer</i>: doodslaap.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20623src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285" name="pb285">285</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7319">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXVIII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&rsquo;k Vernam, dat onverwijld de zoon van
-Wichstan</p>
-<p class="line">Na deze woorden zijn gewonden koning</p>
-<p class="line">Gehoorzaamheid bewees, den kampgeknakten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2845</span> En dat hij onder
-&rsquo;t rotsdak voorwaarts rukte</p>
-<p class="line">In &rsquo;t ringnet, zijn gevlochten
-oorlogsrusting.</p>
-<p id="v2847" class="line">De zegerijke zag bij &rsquo;t gaan ter
-zitplaats<a class="apparatusnote" id="xd21e20671src" href="#xd21e20671"
-title="2847 ter zitplaats nl. binnen in de schatkamer. Wij geven hier eene korte beschrijving van de Scandinavische woning. Zij vormde een langwerpig vierkant. Het dak werd door vier rijen stutten geschraagd. De twee buitenste rijen bevonden zich dicht langs de hoofdzijwanden, de twee overige meer naar binnen, op een derde der huisbreedte van de eerste verwijderd, zoodat het vertrek in een middenschip en twee zijschepen verdeeld was. In het middenvak bevond zich de open haard. (Vgl. v. 1544). De twee zijvakken waren geheel door eenen planken bodem, bankvloer, (Vgl. v. 491), ingenomen, die zich trapsgewijze, gewoonlijk met twee treden, langs den wand verhief en die tot zitplaats diende. Van deze twee bankvloeren was de eene, rechts van den ingang, de voornaamste. Juist in het midden van elken bankvloer bevonden zich de twee eereplaatsen, waarvan de bovenste, naar blijkt uit ons gedicht, de voornaamste was, en die ruim genoeg waren voor verscheiden personen. Hunferd, die aan de voeten van Hrodgar zat (v. 507), bevond zich dus op de onderste eereplaats. De eerste eereplaats, die van den voornaamsten bankvloer, werd steeds door den huisheer ingenomen; de tweede op de tegenovergestelde zijde door den voornaamsten gast. Beowulf was op deze laatste eereplaats gezeten bij zijn bezoek aan Hrodgar en aan Hygelac. (Vgl. v. 497, 634 vlg., 1207 vlg., 1820, 2063, 2027.) De losse tafels, welke eigenlijk niets anders dan banken moeten geweest zijn, werden op den rand des bankvloers geplaatst. Op dezen bankvloer sliepen de Gooten en Denen, nadat de tafels of banken naar den bodem in &rsquo;t middenvak der zaal waren verhuisd. (Vgl. v. 1260, 1303)."
-name="xd21e20671src">&deg;</a>,<a href="#n74" class="noteref">74</a></p>
-<p class="line">De koene ridder, vele schijfsieraden, <span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name="pb286">286</a>]</span></p>
-<p class="line">Het goudgestraal, zich strekkend langs den bodem,</p>
-<p id="v2850" class="line"><span class="lineNum">2850</span> De wondren
-langs den wand. Hij zag het leger<a class="apparatusnote" id="xd21e20751src" href="#xd21e20751" title="2850 het leger: het goud. Ettm&uuml;ller." name="xd21e20751src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Des vlammendraaks, des ouden uchtendvliegers,</p>
-<p id="v2852" class="line">Ook kruiken staan<a class="apparatusnote"
-id="xd21e20766src" href="#xd21e20766" title="2852 Ook (zag hij) kruiken staan." name="xd21e20766src">&deg;</a>, der
-voortijdsmenschen kroezen,</p>
-<p class="line">Beroofd van schenkers, met ontrukte tooisels.</p>
-<p class="line">Daar rustte menig helm, aloud en roestig,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2855</span> En menig smuk des
-arms, met smaak gevlochten.</p>
-<p id="v2856" class="line">Licht kan zulk goed, zoo&rsquo;n goudschat
-langs den bodem,</p>
-<p class="line">Verblinden wie &rsquo;t ook zij der
-menschenzonen.<a class="apparatusnote" id="xd21e20785src" href="#xd21e20785" title="2856 Toespeling op den diefstal der kostbare vaas." name="xd21e20785src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Hij hoede zich, alwie zich wil vrijwaren!</p>
-<p class="line">Daar zag hij insgelijks een standerd liggen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2860</span> Geheel van goud, hoog
-boven op de have.</p>
-<p class="line">Het was het heerlijkst wonderwerk der handen,</p>
-<p class="line">Getrensd door vlechtersvlijt. Een schijn ontschoot
-er,</p>
-<p class="line">Zoodat hij volgen kon de bodemvlakte</p>
-<p class="line">En in het rond beschouwen al de schatten.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2865</span> Van draak geen zweem,
-hem had toch &rsquo;t zwaard verdorven.&mdash;</p>
-<p id="v2866" class="line">Ik hoorde, hoe de krijger<a class="apparatusnote" id="xd21e20814src" href="#xd21e20814" title="2866 de krijger: Wiglaf." name="xd21e20814src">&deg;</a> in den
-heuvel</p>
-<p class="line">De schatten roofde, &rsquo;t oud gewrocht der
-reuzen,</p>
-<p class="line">Met schaal en schotels zijnen schoot belaadde</p>
-<p class="line">Naar kust en keur. Ook nam hij met zich mede</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2870</span> De banderol, het
-luisterrijkste teeken.</p>
-<p id="v2871" class="line">De degen had geschaad den
-schatbeheerscher<a class="apparatusnote" id="xd21e20835src" href="#xd21e20835" title="2871 den schatbeheerscher: den draak, de degen van Wiglaf." name="xd21e20835src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">(Van staal was &rsquo;t lemmer) hem, die lange jaren
-<span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name="pb287">287</a>]</span></p>
-<p class="line">De hoeder was geweest van die juweelen<a href="#n75"
-class="noteref">75</a>.</p>
-<p class="line">Hij had verbreid de heete brandontzetting,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2875</span> De moordgewiekte, om
-&rsquo;t goud, bij middernachten</p>
-<p class="line">Totdat hij sneefde door den dood der wapens.</p>
-<p id="v2877" class="line">De bode<a class="apparatusnote" id="xd21e20866src" href="#xd21e20866" title="2877 de bode: Wiglaf." name="xd21e20866src">&deg;</a> liep, verlangend naar de weerkomst,</p>
-<p id="v2878" class="line">Door &rsquo;t goud genoopt<a class="apparatusnote" id="xd21e20877src" href="#xd21e20877" title="2878 door &rsquo;t goud genoopt: genoopt door &rsquo;t verlangen om het goud aan Beowulf te toonen."
-name="xd21e20877src">&deg;</a>: hem kwelde &rsquo;t
-nieuwsverlangen,</p>
-<p class="line">Of hij, de hooggezinde, nog den heerscher</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2880</span> Der Weders levend
-weder zoude vinden,</p>
-<p class="line">In zijne kracht gefnuikt, te zelfder stede,</p>
-<p class="line">Alwaar hij kortelings hem had verlaten.</p>
-<p class="line">Nu vond hij met zijn schat den hoogen meester,</p>
-<p class="line">Zijn bloedbegruisden vorst, aan &rsquo;s levens
-grenspaal.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2885</span> Alweer begon hij dien
-met nat te werpen,</p>
-<p class="line">Totdat de punt der woorden door het hulsel</p>
-<p class="line">Des boezems binnendrong. En Beowulf zeide,</p>
-<p class="line">De grijsaard in zijn zorg: (hij zag den goudschat.)</p>
-<p id="v2889" class="line">&laquo;Den Heer van alles weet ik dank met
-woorden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2890</span> Den Gloriegod, den
-eeuwigen Regeerder,</p>
-<p class="line">Voor al de schatten, die ik hier beschouwe,</p>
-<p class="line">Omdat ik deze v&oacute;&oacute;r mijn
-stervensstonde</p>
-<p class="line">Erlangen mocht ten bate mijner mannen.</p>
-<p class="line">Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2895</span> Nu lenig gij de
-nooddruft van de lieden.</p>
-<p id="v2896" class="line">Ik mag voortaan niet langer hier<a class="apparatusnote" id="xd21e20931src" href="#xd21e20931" title="2896 hier: op aarde." name="xd21e20931src">&deg;</a> vertoeven.</p>
-<p id="v2897" class="line">Beveel den strijdberoemden<a class="apparatusnote" id="xd21e20943src" href="#xd21e20943" title="2897 beveel den strijdberoemden: beveel aan de Gooten." name="xd21e20943src">&deg;</a>, op te richten</p>
-<p id="v2898" class="line">Een heuvelgraf een heerlijk, na de
-houtmijt<a class="apparatusnote" id="xd21e20954src" href="#xd21e20954"
-title="2898 na de houtmijt: na de verbranding van Beowulfs lijk." name="xd21e20954src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Niet verre van der baren voorgebergte.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2900</span> Het zal aldaar, mijn
-mannen tot gedachtnis, <span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name="pb288">288</a>]</span></p>
-<p id="v2901" class="line">Zich hemelwaarts op Hrones klip<a class="apparatusnote" id="xd21e20972src" href="#xd21e20972" title="2901 Hrones klip: de Walvischklip. Bugge ziet er eene louter dichterlijke benaming in."
-name="xd21e20972src">&deg;</a> verheffen,</p>
-<p class="line">Opdat nadien de zeebezeilers &rsquo;t heeten</p>
-<p class="line">De Beowulfshoogte, zij die hunne bodems</p>
-<p class="line">Ver henendrijven door der golven duister.&raquo;</p>
-<p id="v2905" class="line"><span class="lineNum">2905</span> Vervolgens
-hief hij van den hals de goudwrong<a class="apparatusnote" id="xd21e20991src" href="#xd21e20991" title="2905 de goudwrong: Buiten de ringen aan arm en vinger, was het ook de gewoonte eenen prachtigen gouden of zilveren halsband te dragen."
-name="xd21e20991src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">De boudgestemde vorst; hij gaf den strijder,</p>
-<p class="line">Den jongen speergeharden, zijnen hoofdhelm,</p>
-<p class="line">Goudgeluw, met zijn ring en wapenrusting</p>
-<p class="line">En hoopte, dat het tot zijn heil zou dienen:</p>
-<p id="v2910" class="line"><span class="lineNum">2910</span> &laquo;Van
-heel ons maagschap, van de Waegemundings</p>
-<p class="line">Zijt gij de laatste rest; het noodlot rukte</p>
-<p class="line">Mijn stamgenooten naar hun lotsbestemming,</p>
-<p class="line">De krijgers in hun kracht. Ik volg hun
-voetspoor.&raquo;</p>
-<p class="line">Dit was des grijzen jongste woord in &rsquo;t
-binnenst</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2915</span> Van zijnen boezem,
-voor hij koos de vuurmijt,</p>
-<p id="v2916" class="line">Het heete strijdgegolf<a class="apparatusnote" id="xd21e21027src" href="#xd21e21027" title="2916 het heete strijdgegolf: van de vlammen." name="xd21e21027src">&deg;</a>. Vanuit het harte</p>
-<p id="v2917" class="line">Ging zijne ziel het heil der heilgen
-zoeken.<a class="apparatusnote" id="xd21e21038src" href="#xd21e21038"
-title="2917 Christelijke inlassching." name="xd21e21038src">&deg;</a></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e21045width"><img src="images/o143.png" alt="Ornament." width="71" height="78"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20671"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20671src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2847">2847</a></span> <i>ter zitplaats</i> nl. binnen in de
-schatkamer.</p>
-<p class="par footnote">Wij geven hier eene korte beschrijving van de
-Scandinavische woning.</p>
-<p class="par footnote">Zij vormde een langwerpig vierkant. Het dak
-werd door vier rijen stutten geschraagd. De twee buitenste rijen
-bevonden zich dicht langs de hoofdzijwanden, de twee overige meer naar
-binnen, op een derde der huisbreedte van de eerste verwijderd, zoodat
-het vertrek in een middenschip en twee zijschepen verdeeld was. In het
-middenvak bevond zich de open haard. (Vgl. v. <a href="#v1544">1544</a>). De twee zijvakken waren geheel door eenen planken
-bodem, <i>bankvloer</i>, (Vgl. v. <a href="#v491">491</a>), ingenomen,
-die zich trapsgewijze, gewoonlijk met twee treden, langs den wand
-verhief en die tot zitplaats diende. Van deze twee bankvloeren was de
-eene, rechts van den ingang, de voornaamste.</p>
-<p class="par footnote">Juist in het midden van <i>elken</i> bankvloer
-bevonden zich de twee eereplaatsen, waarvan de bovenste, naar blijkt
-uit ons gedicht, de voornaamste was, en die ruim genoeg waren voor
-verscheiden personen.</p>
-<p class="par footnote">Hunferd, die aan de voeten van Hrodgar zat (v.
-<a href="#v507">507</a>), bevond zich dus op de onderste
-eereplaats.</p>
-<p class="par footnote">De eerste eereplaats, die van den voornaamsten
-bankvloer, werd steeds door den huisheer ingenomen; de tweede op de
-tegenovergestelde zijde door den voornaamsten gast.</p>
-<p class="par footnote">Beowulf was op deze laatste eereplaats gezeten
-bij zijn bezoek aan Hrodgar en aan Hygelac. (Vgl. v. <a href="#v497">497</a>, <a href="#v634">634</a> vlg., <a href="#v1207">1207</a> vlg., <a href="#v1820">1820</a>, <a href="#v2063">2063</a>, <a href="#v2027">2027</a>.)</p>
-<p class="par footnote">De losse tafels, welke eigenlijk niets anders
-dan banken moeten geweest zijn, werden op den rand des bankvloers
-geplaatst.</p>
-<p class="par footnote">Op dezen bankvloer sliepen de Gooten en Denen,
-nadat de tafels of banken naar den bodem in &rsquo;t middenvak der zaal
-waren verhuisd. (Vgl. v. <a href="#v1260">1260</a>, <a href="#v1303">1303</a>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20671src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20751"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20751src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2850">2850</a></span> <i>het
-leger</i>: het goud. <i>Ettm&uuml;ller.</i>&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e20751src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20766"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20766src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2852">2852</a></span> Ook (zag hij)
-kruiken staan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20766src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20785"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20785src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2856">2856</a></span> Toespeling op
-den diefstal der kostbare vaas.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20785src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20814"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20814src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2866">2866</a></span> <i>de
-krijger</i>: Wiglaf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20814src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20835"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20835src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2871">2871</a></span> <i>den
-schatbeheerscher</i>: den draak, <i>de degen</i> van
-Wiglaf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20835src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20866"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20866src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2877">2877</a></span> <i>de
-bode</i>: Wiglaf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20866src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20877"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20877src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2878">2878</a></span> <i>door
-&rsquo;t goud genoopt</i>: genoopt door &rsquo;t verlangen om het goud
-aan Beowulf te toonen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20877src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20931"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20931src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2896">2896</a></span> <i>hier</i>:
-op aarde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20931src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20943"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20943src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2897">2897</a></span> <i>beveel den
-strijdberoemden</i>: beveel aan de Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e20943src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20954"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20954src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2898">2898</a></span> <i>na de
-houtmijt</i>: na de verbranding van Beowulfs lijk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20954src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20972"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20972src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2901">2901</a></span> <i>Hrones
-klip</i>: de Walvischklip. Bugge ziet er eene louter dichterlijke
-benaming in.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20972src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e20991"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e20991src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2905">2905</a></span> <i>de
-goudwrong</i>: Buiten de ringen aan arm en vinger, was het ook de
-gewoonte eenen prachtigen gouden of zilveren halsband te
-dragen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e20991src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21027"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21027src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2916">2916</a></span> <i>het heete
-strijdgegolf</i>: van de vlammen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21027src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21038"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21038src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2917">2917</a></span> Christelijke
-inlassching.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21038src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name="pb289">289</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7325">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XXXIX.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zoo droeg het zich dan toe op droeve wijze</p>
-<p class="line">Voor dezen jongen borst, dat hij ten bodem</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2920</span> Den liefste zag, op
-d&rsquo;uitgang van het leven,</p>
-<p class="line">In hulpeloozen staat. Ook lag de dooder,</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t levenslicht beroofd, de gruwbre
-gronddraak,</p>
-<p class="line">Daar neder, door den stervensnood bedwongen.&mdash;</p>
-<p id="v2924" class="line">De kromgewonden worm hij kon niet langer</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2925</span> Beschikken over dezen
-schat van ringen;</p>
-<p class="line">Want hem had weggerukt de snee der wapens,</p>
-<p class="line">Der hamers smeedwerk, hard, gewet ter worstling,</p>
-<p class="line">Zoodat de zwerver, roerloos door de wonden,</p>
-<p class="line">Ten gronde nederbonsde naast de schatwoon</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2930</span> En langer niet bij
-middernacht door &rsquo;t luchtruim</p>
-<p class="line">Klapwiekend waarde en trotsch op zijn bezitting</p>
-<p class="line">Zijn wezen toonde. Maar hij werd ten gronde</p>
-<p class="line">Gedreven door het vuistgeweld des vorsten.</p>
-<p class="line">Het ware wis gelukt aan geen, mijns wetens,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2935</span> Der mannen in het
-land, der machtbezitters,</p>
-<p class="line">Al mocht hij zijn tot elke daad vermetel,</p>
-<p class="line">Van in te gaan op &rsquo;t snuiven van den gifdraak</p>
-<p class="line">En met de hand de ringzaal aan te randen,</p>
-<p class="line">Indien hij daar den wachter wakend aantrof,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2940</span> Genesteld in den
-berg. Zoo werd aan Beowulf <span class="pagenum">[<a id="pb290" href="#pb290" name="pb290">290</a>]</span></p>
-<p class="line">Zijn gansche puikschat door den dood
-vergolden,<a class="apparatusnote" id="xd21e21116src" href="#xd21e21116" title="2924&ndash;41 Enkel uit herhalingen samengeflanste plaats." name="xd21e21116src">&deg;</a></p>
-<p class="line">En bracht het elk van beiden tot den eindpaal</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t wufte leven.&mdash;&rsquo;t Leed hierop
-niet langer,</p>
-<p class="line">Of zij verlieten &rsquo;t houtgewas de lafaards,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2945</span> De loome
-trouwverzakers, tien te zamen,</p>
-<p class="line">Die welke &rsquo;t flus niet waagden, met de speren</p>
-<p class="line">Te vechten bij den hoogsten nood huns vorsten.</p>
-<p class="line">Zij naakten nu beschaamd met hunne schilden</p>
-<p class="line">En wapenrustings, waar de grijsaard rustte;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2950</span> Naar Wiglaf zagen
-zij. Hij zat de voetheld</p>
-<p class="line">Vermoeid nabij den schouder van zijn meester</p>
-<p id="v2952" class="line">En wekte hem met water<a class="apparatusnote" id="xd21e21149src" href="#xd21e21149" title="2952 en wekte hem met water: trachtte hem met water te wekken." name="xd21e21149src">&deg;</a>. Niet gelukte &rsquo;t.</p>
-<p class="line">Niet kon hij, gunde hij het hem ook gaarne,</p>
-<p class="line">Op aard des hoofdmans leven tegenhouden,</p>
-<p id="v2955" class="line"><span class="lineNum">2955</span> Noch
-wijzigen in &rsquo;t minst den wil des Scheppers.</p>
-<p class="line">De macht der Godheid wilde gansch het menschdom</p>
-<p class="line">Met da&acirc;n beheerschen; als Hij doet tot
-heden.<a class="apparatusnote" id="xd21e21170src" href="#xd21e21170"
-title="2955&ndash;57 Inlassching. God wilde door dit feit nl. Beowulfs dood aan het menschdom toonen, dat hij de meester is."
-name="xd21e21170src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Nu waren gramme woorden bij den jonker</p>
-<p class="line">Voor allen licht te ontvangen, die te voren</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2960</span> Verloren hadden hunne
-heldenkoenheid.</p>
-<p class="line">En Wiglaf zeide dan, de zoon van Wichstan,</p>
-<p id="v2962" class="line">De held in &rsquo;t hart bedroefd, de
-schuwbren<a class="apparatusnote" id="xd21e21192src" href="#xd21e21192"
-title="2962 de schuwbren: de tien lafaards." name="xd21e21192src">&deg;</a> schouwend:</p>
-<p class="line">&laquo;Wel mag, wie waarheid spreken wil, beweren,</p>
-<p class="line">Dat uw gebieder, die u bood die schatten,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2965</span> Dat strijdgewaad,
-waarin gij staat gestoken&mdash;</p>
-<p class="line">Toen deze bij den bierdisch menigmalen</p>
-<p class="line">Aan zijne halgenooten helm en pantser</p>
-<p class="line">Uitdeelde, hij de heerscher aan zijn helden,</p>
-<p id="v2969" class="line">De beste<a class="apparatusnote" id="xd21e21217src" href="#xd21e21217" title="2969 de beste nl. helmen en pantsers." name="xd21e21217src">&deg;</a>,
-die hij, &rsquo;t zij nabij of verre, <span class="pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291" name="pb291">291</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2970</span> Maar ergens vinden
-kon&mdash;dat die den kamptooi</p>
-<p id="v2971" class="line">Geheel en al verdeed<a class="apparatusnote"
-id="xd21e21233src" href="#xd21e21233" title="2971 verdeed: hij schonk den kamptooi aan onwaardigen, daar deze hem in den steek lieten."
-name="xd21e21233src">&deg;</a> op doembre wijze,</p>
-<p class="line">Nu dat hem dit gevecht heeft overvallen.</p>
-<p class="line">De volksbestuurder had volstrekt niet noodig</p>
-<p class="line">Zich trotsch te toonen op zijn tochtgenooten.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2975</span> Toch gunde God, de
-gever van de zege,</p>
-<p class="line">Dat hij alleen zich wreekte met het lemmer,</p>
-<p class="line">Toen hij behoefte had aan heldenkrachten.</p>
-<p id="v2978" class="line">Ik kon hem luttel lijfbeschutting
-schenken<a class="apparatusnote" id="xd21e21259src" href="#xd21e21259"
-title="2978 Ofschoon M&uuml;llenhoff Wiglafs strafrede alleszins gepast vindt, kan hij geenen vrede hebben met de verzen, waar Wiglaf zich zelven ophemelt. Indien er eigenlof bestaat, dan mag die volgens v. 2980&ndash;82 zeer bescheiden heeten."
-name="xd21e21259src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Bij &rsquo;t strijden, doch begon niettegenstaande</p>
-<p id="v2980" class="line"><span class="lineNum">2980</span> Den maag
-te helpen boven mijn vermogen.</p>
-<p id="v2981" class="line">Te zwakker werd hij<a class="apparatusnote"
-id="xd21e21276src" href="#xd21e21276" title="2981 hij: de draak." name="xd21e21276src">&deg;</a>, toen ik met den zwaarde</p>
-<p class="line">Hem wondde, dien belager van het leven<a href="#n76"
-class="noteref">76</a>,</p>
-<p class="line">Het vuur ontwelde minder wild zijn binnenst.</p>
-<p class="line">Den heer omstuwden al te weinig helpers,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2985</span> Als de oorlogsstond
-zich op hem nederstortte.</p>
-<p id="v2986" class="line">De schatuitdeeling met de
-zwaardgeschenken,</p>
-<p class="line">Het heele haardgenot en heil, &rsquo;t zal alles</p>
-<p class="line">Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,</p>
-<p id="v2989" class="line">Verstoken van het landbezit der
-stammen.<a class="apparatusnote" id="xd21e21307src" href="#xd21e21307"
-title="2989 landbezit der stammen: gemeenschappelijk bezit. Agri pro numero cultorum ab universis in vices occupantur. Tacitus, Germ. 26. De Germanen ten tijde van Tacitus bewoonden reeds omheinde dorpen. De woning met voorraadskelder en tuin was het eigendom van het gezin. Daarenboven had elk dorp een bepaald grondgebied (mark), waarvan het bouwland onder al de gemeenteleden verdeeld was, terwijl de weiden, bosschen en woeste gronden voor algemeen gebruik bleven."
-name="xd21e21307src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">2990</span> Zal zwerven in het
-rond, zoodra de ridders <span class="pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292" name="pb292">292</a>]</span></p>
-<p id="v2991" class="line">Vernemen uwe vlucht vanuit de verte<a class="apparatusnote" id="xd21e21328src" href="#xd21e21328" title="2991 vanuit de verte: moet verbonden worden met vernemen." name="xd21e21328src">&deg;</a>,</p>
-<p id="v2992" class="line">Uw roemberoofde daad. De dood is beter</p>
-<p class="line">Voor ieder edelling dan &rsquo;t smaadvol
-leven.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e21344src" href="#xd21e21344" title="2992b&ndash;93 Turpe comitatui virtutem principis non adaequare. Iam vero infame in omnem vitam ac probrosum superstitem principi suo ex acie recessisse. Tacitus, Germ. 14."
-name="xd21e21344src">&deg;</a></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e21354width"><img src="images/o292.png" alt="Ornament." width="155" height="85"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21116"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21116src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2924">2924&ndash;41</a></span>
-Enkel uit herhalingen samengeflanste plaats.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e21116src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21149"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21149src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2952">2952</a></span> <i>en wekte
-hem met water</i>: trachtte hem met water te wekken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21149src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21170"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21170src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v2955">2955&ndash;57</a></span> Inlassching.</p>
-<p class="par footnote">God wilde door dit feit nl. Beowulfs dood aan
-het menschdom toonen, dat hij de meester is.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e21170src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21192"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21192src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2962">2962</a></span> <i>de
-schuwbren</i>: de tien lafaards.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21192src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21217"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21217src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2969">2969</a></span> <i>de
-beste</i> nl. helmen en pantsers.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21217src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21233"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21233src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2971">2971</a></span>
-<i>verdeed</i>: hij schonk den kamptooi aan onwaardigen, daar deze hem
-in den steek lieten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21233src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21259"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21259src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2978">2978</a></span> Ofschoon
-M&uuml;llenhoff Wiglafs strafrede alleszins gepast vindt, kan hij
-geenen vrede hebben met de verzen, waar Wiglaf zich zelven ophemelt.
-Indien er eigenlof bestaat, dan mag die volgens v. <a href="#v2980">2980&ndash;82</a> zeer bescheiden heeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21259src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21276"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21276src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2981">2981</a></span> <i>hij</i>:
-de draak.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21276src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21307"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21307src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2989">2989</a></span> <i>landbezit
-der stammen</i>: gemeenschappelijk bezit. Agri pro numero cultorum ab
-universis in vices occupantur. Tacitus, Germ. 26. De Germanen ten tijde
-van Tacitus bewoonden reeds omheinde dorpen. De woning met
-voorraadskelder en tuin was het eigendom van het gezin. Daarenboven had
-elk dorp een bepaald grondgebied (<i>mark</i><span class="corr" id="xd21e21317" title="Bron: ,)">),</span> waarvan het bouwland onder al
-de gemeenteleden verdeeld was, terwijl de weiden, bosschen en woeste
-gronden voor algemeen gebruik bleven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21307src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21328"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21328src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2991">2991</a></span> <i>vanuit de
-verte</i>: moet verbonden worden met <i>vernemen</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21328src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21344" lang="la">
-<span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21344src">&deg;</a></span> <span class="lineNumRef"><a href="#v2992">2992<i>b</i>&ndash;93</a></span> Turpe comitatui virtutem
-principis non adaequare. Iam vero infame in omnem vitam ac probrosum
-superstitem principi suo ex acie recessisse. Tacitus, Germ.
-14.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21344src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb293" href="#pb293" name="pb293">293</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7331">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XL.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v2994" class="line">Alsdan beval hij, &rsquo;t kampbedrijf te
-konden</p>
-<p id="v2995" class="line"><span class="lineNum">2995</span>
-Bergopwaarts langs de zeekaap naar het landgoed<a class="apparatusnote"
-id="xd21e21370src" href="#xd21e21370" title="2995 het landgoed: Beowulfs hof." name="xd21e21370src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Alwaar &rsquo;t gevolg der mannen heel den morgen</p>
-<p class="line">Angstvallig nederzat, de schildbezitters,</p>
-<p class="line">In twijfel tusschen deze twee: den doodsdag</p>
-<p class="line">Ofwel de wederkomst des dierbren konings.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3000</span> Geenszins verheelde
-&rsquo;t nieuws, het ongehoorde,</p>
-<p id="v3001" class="line">Die<a class="apparatusnote" id="xd21e21393src" href="#xd21e21393" title="3001 die: een bode." name="xd21e21393src">&deg;</a> over &rsquo;t strandgebergte kwam
-gestoven,</p>
-<p class="line">Maar voegde toe aan allen volgens waarheid:</p>
-<p id="v3003" class="line">&laquo;Nu is de wenschvervuller van de
-Weders,</p>
-<p class="line">De vorst der Gooten vastgeboeid op &rsquo;t
-doodsbed,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3005</span> Bewoont de lijkstee
-door des monsters daden.</p>
-<p class="line">Aan zijne zijde rust de lijfbelager,</p>
-<p class="line">Zieltogend door den dolksteek. Met den degen</p>
-<p class="line">Vermocht hij niet den worm te slaan een wonde,</p>
-<p class="line">&rsquo;t Zij min of meer. Wiglaf, de zoon van
-Wichstan,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3010</span> Zit over Beowulf, de
-eene ridder boven</p>
-<p id="v3011" class="line">Den levenloozen heen; hij houdt de
-lijkwacht<a class="apparatusnote" id="xd21e21427src" href="#xd21e21427"
-title="3011 hij houdt de lijkwacht: Vgl. v. 448 volgens Oudgermaansch gebruik. De oude gebruiken houden vooral bij sterfgevallen stand; zoo bestaat deze gewoonte nog in Hollandsch Limburg, waar de buren &rsquo;s nachts bij het lijk blijven waken."
-name="xd21e21427src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb294"
-href="#pb294" name="pb294">294</a>]</span></p>
-<p class="line">Bij deze dooden, voor den vriend en vijand.</p>
-<p class="line">Nu staat een oorlogstijd den stam te wachten,</p>
-<p class="line">Wanneer de val des vorsten aan de Franken</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3015</span> En Friezen wordt
-bekend gemaakt in &rsquo;t wijde.</p>
-<p id="v3016" class="line">De vijandschap, de harde, met de
-Hugen<a class="apparatusnote" id="xd21e21456src" href="#xd21e21456"
-title="3016 De oorlog met de Franken of Friezen wordt hier voor de vierde maal in herinnering gebracht."
-name="xd21e21456src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Was dan ontstaan, toen Hyglac kwam gestevend</p>
-<p class="line">Met eene legervloot naar &rsquo;t land der Friezen,</p>
-<p class="line">Alwaar hem velden in &rsquo;t gevecht de Franken</p>
-<p id="v3020" class="line"><span class="lineNum">3020</span> En met
-geweld door overmacht bewerkten,</p>
-<p class="line">Dat zwichten moest de staalomgorde strijder</p>
-<p class="line">En zonk in zijne schaar. Niet zou de heerscher</p>
-<p class="line">Nog schatten aan de krijgstrawanten schenken.</p>
-<p id="v3024" class="line">Sinds werd ons Merewingers gunst<a class="apparatusnote" id="xd21e21480src" href="#xd21e21480" title="3024 Merewingers gunst: de koning der Franken. Naklank der geschiedenis."
-name="xd21e21480src">&deg;</a> geweigerd.</p>
-<p id="v3025" class="line"><span class="lineNum">3025</span> Ook hoop
-ik in &rsquo;t geheel geen vrede of vriendschap</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t Zwedenvolk. Het was toch verre
-ruchtbaar,</p>
-<p class="line">Dat Ongentheow aan Hadcyn, zoon van Hredel,</p>
-<p id="v3028" class="line">Het leven bij het Ravenbosch<a class="apparatusnote" id="xd21e21500src" href="#xd21e21500" title="3028 het Ravenbosch: eene dichterlijke benaming, volgens Bugge." name="xd21e21500src">&deg;</a> ontrukte,</p>
-<p id="v3029" class="line">Alwaar in overmoed der Gooten mannen</p>
-<p id="v3030" class="line"><span class="lineNum">3030</span> Het eerst
-de Schilfings hadden aangeschonden<a class="apparatusnote" id="xd21e21515src" href="#xd21e21515" title="3029&ndash;30 De Gooten hadden eenen inval gedaan in Zweden." name="xd21e21515src">&deg;</a><a href="#n77" class="noteref">77</a>.</p>
-<p id="v3031" class="line">Doch schielijk schonk hem<a class="apparatusnote" id="xd21e21525src" href="#xd21e21525" title="3031 hem: Hadcyn, de Goot." name="xd21e21525src">&deg;</a> Ochters
-oude vader<a class="apparatusnote" id="xd21e21534src" href="#xd21e21534" title="Ochters oude vader: Ongentheow, de Zweed." name="xd21e21534src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Den tegenhouw, de grijze, grimvervulde;</p>
-<p class="line">Hij velde neer den watervoogd, bevrijdde</p>
-<p id="v3034" class="line">Zijn vrouwe<a class="apparatusnote" id="xd21e21545src" href="#xd21e21545" title="3034 zijn vrouwe: Elan, zooals aangenomen wordt, de dochter van den Denenkoning Healfdeen. Vgl. v. 63. Hadcyn moet haar dus hebben gevangen genomen."
-name="xd21e21545src">&deg;</a> hij, de grijze, zijne gade,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3035</span> Beroofd van
-goudsieraden, Ochters moeder</p>
-<p id="v3036" class="line">En Onela&rsquo;s; hij zette zijn belagers
-<span class="pagenum">[<a id="pb295" href="#pb295" name="pb295">295</a>]</span></p>
-<p class="line">Toen na, tot zij, beroofd van hunnen rijksvorst,</p>
-<p id="v3038" class="line">Ter nauwernood het Ravenbosch bereikten.</p>
-<p id="v3039" class="line">Alsdan omsloot hij de aan het zwaard
-ontslipten</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3040</span> Met een geweldig
-heer, de wondverzwakten,</p>
-<p id="v3041" class="line">En dreigde heel den nacht het arme
-hoopje</p>
-<p id="v3042" class="line">Herhaald met wee. Hij sprak het uit, hij
-wilde</p>
-<p class="line">Hen met den morgen door het lemmer dooden,</p>
-<p class="line">Door &rsquo;t galghout velen, tot der vogels
-vreugde.<a class="apparatusnote" id="xd21e21586src" href="#xd21e21586"
-title="3042&ndash;44 Hij wilde hen in &rsquo;t gevecht dooden door het zwaard en de overgeblevenen ophangen. Deze verzen gaan mank; Bugge vult aan: Hij zeide, dat hij met den morgen door de snede van het zwaard hen wilde dooden, en voor eenigen galghouten in het bosch kappen en hen er aan hangen tot vreugde der vogels."
-name="xd21e21586src">&deg;</a></p>
-<p id="v3045" class="line"><span class="lineNum">3045</span> Doch
-troost verscheen opnieuw bij &rsquo;t daggeschemer</p>
-<p id="v3046" class="line">Den hopeloozen<a class="apparatusnote" id="xd21e21601src" href="#xd21e21601" title="3046 den hopeloozen: den Gooten." name="xd21e21601src">&deg;</a>, toen
-zij Hyglacs horen,</p>
-<p class="line">Der trompen klank vernamen, nu de kloeke</p>
-<p class="line">Kwam aangerukt op &rsquo;t spoor der ridderschare.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e21615width"><img src="images/o252.png" alt="Ornament." width="197" height="104"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21370"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21370src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v2995">2995</a></span> <i>het
-landgoed</i>: Beowulfs hof.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21370src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21393"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21393src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3001">3001</a></span> <i>die</i>:
-een bode.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21393src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21427"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21427src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3011">3011</a></span> <i>hij houdt de lijkwacht</i>: Vgl. v.
-<a href="#v448">448</a> volgens Oudgermaansch gebruik.</p>
-<p class="par footnote">De oude gebruiken houden vooral bij
-sterfgevallen stand; zoo bestaat deze gewoonte nog in Hollandsch
-Limburg, waar de buren &rsquo;s nachts bij het lijk blijven
-waken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21427src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21456"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21456src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3016">3016</a></span> De oorlog met
-de Franken of Friezen wordt hier voor de vierde maal in herinnering
-gebracht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21456src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21480"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21480src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3024">3024</a></span>
-<i>Merewingers gunst</i>: de koning der Franken. Naklank der
-geschiedenis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21480src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21500"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21500src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3028">3028</a></span> <i>het
-Ravenbosch</i>: eene dichterlijke benaming, volgens
-Bugge.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21500src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21515"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21515src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3029">3029&ndash;30</a></span> De
-Gooten hadden eenen inval gedaan in Zweden.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e21515src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21525"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21525src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3031">3031</a></span> <i>hem</i>:
-Hadcyn, de Goot.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21525src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21534"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21534src">&deg;</a></span>
-<i>Ochters oude vader</i>: Ongentheow, de Zweed.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21534src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21545"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21545src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3034">3034</a></span> <i>zijn vrouwe</i>: Elan, zooals aangenomen
-wordt, de dochter van den Denenkoning Healfdeen. Vgl. v. <a href="#v63">63</a>.</p>
-<p class="par footnote">Hadcyn moet haar dus hebben gevangen
-genomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21545src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21586"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21586src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3042">3042&ndash;44</a></span> Hij wilde hen in &rsquo;t gevecht
-dooden door het zwaard en de overgeblevenen ophangen.</p>
-<p class="par footnote">Deze verzen gaan mank; Bugge vult aan: Hij
-zeide, dat hij met den morgen door de snede van het zwaard hen wilde
-dooden, en voor eenigen galghouten in het bosch kappen en hen er aan
-hangen tot vreugde der vogels.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21586src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21601"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21601src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3046">3046</a></span> <i>den
-hopeloozen</i>: den Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21601src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb296" href="#pb296" name="pb296">296</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7337">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XLI.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="v3049" class="line">Nu was het bloedig spoor in &rsquo;t wijde
-zichtbaar</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3050</span> Van Zweed en Goot,
-het zwaardgestorm der mannen,</p>
-<p class="line">Hoe onderling de weerbren &rsquo;t kampvuur wekten.</p>
-<p id="v3052" class="line">Nu stapte heen de stoute<a class="apparatusnote" id="xd21e21635src" href="#xd21e21635" title="3052 de stoute: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden." name="xd21e21635src">&deg;</a> met de makkers,</p>
-<p class="line">De ontroostbre grijs, om op den burcht te trekken;</p>
-<p class="line">Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3055</span> Hij had &rsquo;t
-gevecht van Hygelac ervaren<a href="#n78" class="noteref">78</a>,</p>
-<p class="line">Des stouten strijdgeweld. Hij telde weinig</p>
-<p class="line">Op tegenstand, dat hij vermocht te stuiten</p>
-<p id="v3058" class="line">Het varensvolk<a class="apparatusnote" id="xd21e21661src" href="#xd21e21661" title="3058 het varensvolk: de Gooten." name="xd21e21661src">&deg;</a>, of
-voor de zeebezeilers</p>
-<p class="line">Zijn goed te schutten met zijn kroost en gade;</p>
-<p id="v3060" class="line"><span class="lineNum">3060</span> En dicht
-bij zijnen aardwal<a href="#n79" class="noteref">79</a> dook weer de
-oude.</p>
-<p id="v3061" class="line">Vervolging werd verklaard aan &rsquo;t volk
-der Zweden,</p>
-<p id="v3062" class="line">En Hygelac ter hand gesteld hun
-standaard<a class="apparatusnote" id="xd21e21684src" href="#xd21e21684"
-title="3062 hun standaard: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden."
-name="xd21e21684src">&deg;</a>.</p>
-<p id="v3063" class="line">Zij<a class="apparatusnote" id="xd21e21695src" href="#xd21e21695" title="3063 Zij: de Gooten." name="xd21e21695src">&deg;</a> stapten over hun<a class="apparatusnote" id="xd21e21704src" href="#xd21e21704" title="hun: de Zweden." name="xd21e21704src">&deg;</a> versterkte stelling<a href="#n80" class="noteref">80</a>.</p>
-<p id="v3064" class="line">Nu drongen Hredels drommen<a class="apparatusnote" id="xd21e21714src" href="#xd21e21714" title="3064 Hredels drommen: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen; Hredel zelf was immers gestorven."
-name="xd21e21714src">&deg;</a> naar de schildspits<a href="#n81" class="noteref">81</a>.</p>
-<p id="v3065" class="line"><span class="lineNum">3065</span> Aldaar
-werd Ongentheow tot staan gedwongen,</p>
-<p class="line">De grijsgelokte, door der zwaarden lemmer;</p>
-<p class="line">Zoodat de volksbeheerscher had te dulden <span class="pagenum">[<a id="pb297" href="#pb297" name="pb297">297</a>]</span></p>
-<p id="v3068" class="line">&rsquo;t Geweld alleen van Eofor.<a class="apparatusnote" id="xd21e21737src" href="#xd21e21737" title="3068a dit ziet op de ontknooping." name="xd21e21737src">&deg;</a>
-Woedend tastte</p>
-<p id="v3069" class="line">Hem<a class="apparatusnote" id="xd21e21747src" href="#xd21e21747" title="3069 hem: Ongentheow." name="xd21e21747src">&deg;</a> Wulf<a class="apparatusnote" id="xd21e21756src" href="#xd21e21756" title="Wulf: Eofors broeder; beiden zijn Gooten." name="xd21e21756src">&deg;</a> aan, zoon van Wanred, met het wapen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3070</span> Dat door den strook
-het bloed ontsprong in stroomen</p>
-<p id="v3071" class="line">Vanonder &rsquo;t hoofdhaar. Doch hij bleek
-niet bloode</p>
-<p class="line">De grijze Schilfing, maar hij loonde schielijk</p>
-<p class="line">Den doodelijken slag op slimmer wijze,</p>
-<p id="v3074" class="line">Zoodra zich hemwaart had gekeerd de
-koning.<a class="apparatusnote" id="xd21e21774src" href="#xd21e21774"
-title="3074 Zoodra de Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar Wulf, die hem dezen slag had toegebracht."
-name="xd21e21774src">&deg;</a></p>
-<p id="v3075" class="line"><span class="lineNum">3075</span> Niet kon
-de kampgewende zoon van Wanred<a class="apparatusnote" id="xd21e21784src" href="#xd21e21784" title="3075 zoon van Wanred: Wulf."
-name="xd21e21784src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Den ouden held een tegenhouw bestemmen,</p>
-<p class="line">Want deze hieuw hem eerder stuk den helmkam</p>
-<p class="line">Op &rsquo;t hoofd, dat hij genoodzaakt was te
-nijgen</p>
-<p class="line">Met bloed bevlekt en op den bodem bonsde.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3080</span> Niet was hij toch
-bestemd om reeds te sterven,</p>
-<p class="line">Schoon hem de wonde sloeg, genas hij weder<a href="#n82" class="noteref">82</a>.</p>
-<p id="v3082" class="line">Dan Eofor liet, de forsche leenman
-Hyglacs,</p>
-<p class="line">Het breede zwaard, toen nederzeeg zijn broeder,</p>
-<p id="v3084" class="line">De aloude reuzenkling, den helm, hun
-kunstwerk<a class="apparatusnote" id="xd21e21817src" href="#xd21e21817"
-title="3084 hun kunstwerk: der reuzen kunstwerk." name="xd21e21817src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3085</span> Inbreken boven op de
-schildverschansing.</p>
-<p class="line">Toen zonk de vorst, de leidsman van de volken;</p>
-<p class="line">Hij was ter dood gewond. Er waren velen</p>
-<p class="line">Die zijnen broer verbonden, ras hem rechtten,</p>
-<p id="v3089" class="line">Daar &rsquo;t hun<a class="apparatusnote"
-id="xd21e21838src" href="#xd21e21838" title="3089 hun: aan de Gooten."
-name="xd21e21838src">&deg;</a> was toegevallen &rsquo;t veld te
-houden.</p>
-<p id="v3090" class="line"><span class="lineNum">3090</span> Terwijl
-beroofde de eene ridder d&rsquo;andren,<a class="apparatusnote" id="xd21e21851src" href="#xd21e21851" title="3090 Eofor beroofde Ongentheow. Daar de strijd met de Franken en Friezen op verschillende plaatsen van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier al die gegevens samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht alle verwarring te voorkomen. Oorlog met de Franken of Friezen. Hygelac had over zee eenen strooptocht in Friesland gedaan; hij sneuvelde in den strijd en de Franken maakten zich van zijn kostbaar halskleinood meester. XIX. Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte Beowulf, met dertig schilden op den arm, door in &rsquo;t water te springen, nadat hij al zijne Frankische aanranders had verslagen. XXXIII. Beowulf doodt den Frank D&auml;ghrefn met de vuist, zoodat deze in de onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs krijgssieraden aan den Franken- of Friezenkoning te brengen. XXXV. Hygelac was met eene vloot naar Friesland gestevend, waar hij bezweek onder de overmacht der Franken. Sinds dien tijd bestond er vijandschap tusschen Gooten en Franken. XL. Oorlog met de Zweden. Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood van Hredel, en later bij de opname van de Zweedsche ballingen door Heardred. Eerste oorlog: XXXV. Na Hredels dood breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en Onela doen invallen bij Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac, ofschoon de eerste bij &rsquo;t Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt op Ongentheow Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt. XL, XLI. Verhaal van den bode: De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden aangevallen (3029). Ongentheow schonk aan Hadcyn den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne eigen gade (3030 vlg.); hij zette de Gooten na (3036), die zich in het Ravenbosch verscholen (3038). Daar omsingelde hij hen (3039) en bedreigde hen den ganschen nacht (3041 vlg.). &rsquo;s Morgens daagt Hygelac op, om de Gooten te ontzetten (3045); een gevecht heeft plaats (3049 vlg.); Ongentheow moet wijken (3052) en trekt zich terug bij zijne verschansing (3060). De Gooten vervolgen hem (3061), maken zijnen standaard buit (3062) en trekken over de versterkte stelling, welke de Zweden verlaten hebben (3063). Zij brengen Ongentheow tot staan (3065). Wulf wondt Ongentheow (3069 vlg.), doch wordt door dezen buiten gevecht gesteld (3071 vlg.). Eofer, Wulfs broeder, doodt nu Ongentheow (3082 vlg.) en berooft hem van zijne wapenrusting (3090). Wulf wordt door zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld moeten ruimen. Tweede oorlog: XXXI. Heardred, zoon van Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden, en Beowulf beklimt den troon. XXXIII. Heardred ontvangt de zonen Ochters, E&aacute;nmund en E&aacute;dgils, die tegen Onela, koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een inval in &rsquo;t land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den troon beklimmen. Later, maar deze derde krijgstocht wordt slechts ter loops aangestipt, wreekt Beowulf Heardreds dood door E&aacute;dgils te ondersteunen, die Onela van &rsquo;t leven berooft."
-name="xd21e21851src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb298"
-href="#pb298" name="pb298">298</a>]</span></p>
-<p class="line">Ontrukte aan Ongentheow zijn ijzerrusting,</p>
-<p class="line">Het harde zwaard met greep, den helm benevens</p>
-<p class="line">En bracht aan Hygelac des grijzen heertuig.</p>
-<p class="line">Die nam den tooi en zei hem toe vriendschaplijk</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3095</span> Een loon met zijne
-li&ecirc;n en deed diensvolgens. <span class="pagenum">[<a id="pb299"
-href="#pb299" name="pb299">299</a>]</span></p>
-<p id="v3096" class="line">Het kampgestorm vergold de
-Gootenkoning<a class="apparatusnote" id="xd21e22004src" href="#xd21e22004" title="3096 de Gootenkoning: Hygelac." name="xd21e22004src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Hij Hredels zoon, zooras hij &rsquo;t huis
-bereikte,</p>
-<p class="line">Aan Wulf en Eofor met onmeetbre schatten.</p>
-<p id="v3099" class="line">Aan ieder hunner schonk hij
-honderdduizend<a class="apparatusnote" id="xd21e22019src" href="#xd21e22019" title="3099 honderd duizend. Vgl. v. 2252." name="xd21e22019src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3100</span> Aan landerijen, met
-gedraaide ringen.</p>
-<p id="v3101" class="line">Niet onderwond zich eenig man ter wereld</p>
-<p class="line">Dat loon te laken<a class="apparatusnote" id="xd21e22039src" href="#xd21e22039" title="3101 Niemand schatte het loon te gering. In de Noordsche sage wordt door Hrolf Kraki dezelfde belooning toegekend als hier door Hygelac. Bugge."
-name="xd21e22039src">&deg;</a>, sedert zij de lofdaad</p>
-<p class="line">Voldongen hadden. Ook bedacht hij Eofor</p>
-<p id="v3104" class="line">Alsdan met zijne dochter<a class="apparatusnote" id="xd21e22056src" href="#xd21e22056" title="3104 met zijne dochter: Het is moeilijk aan te nemen, dat Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v. 2020), reeds eene huwbare dochter zou gehad hebben. M&uuml;llenhoff stelt te recht deze verzen op rekening van den inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt, dat Hygelac en Beowulf van denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan ik hem geen gelijk geven."
-name="xd21e22056src">&deg;</a>, met zijn &eacute;&eacute;ne,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3105</span> Den pronk van
-&rsquo;t hof, tot pand van zijne hulde.</p>
-<p class="line">Ziedaar de veete en vijandschap, den doodshaat</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t krijgervolk; waarom ik vreeze koester,</p>
-<p class="line">Dat ons bestoken zal der Zweden strijdmacht,</p>
-<p class="line">Wanneer zij zullen hooren, dat de heerscher</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3110</span> Van &rsquo;t leven is
-beroofd, die land en schatten</p>
-<p class="line">Weleer behoedde tegen haatgezinden,</p>
-<p id="v3112" class="line">De dappre Schyldings na den dood der
-helden<a class="apparatusnote" id="xd21e22089src" href="#xd21e22089"
-title="3112 die de dappre Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat op Beowulfs tocht naar Hrodgar; de gedoode helden zijn Grendels slachtoffers."
-name="xd21e22089src">&deg;</a><a href="#n83" class="noteref">83</a>;
-<span class="pagenum">[<a id="pb300" href="#pb300" name="pb300">300</a>]</span></p>
-<p class="line">Die voorstond &rsquo;t nut des volks en nog
-daarboven</p>
-<p class="line">Het ridderwerk volbracht. Het ware &rsquo;t beste,</p>
-<p id="v3115" class="line"><span class="lineNum">3115</span> Ons thans
-te haasten<a class="apparatusnote" id="xd21e22107src" href="#xd21e22107" title="3115 ons thans te haasten: die aanbeveling van den bode komt wel wat laat."
-name="xd21e22107src">&deg;</a>, om den volksbeheerscher</p>
-<p id="v3116" class="line">Te zien en naar de branduitvaart<a class="apparatusnote" id="xd21e22118src" href="#xd21e22118" title="3116 branduitvaart: plechtige optocht naar den brandstapel." name="xd21e22118src">&deg;</a> te brengen,</p>
-<p class="line">Dengene die met ringen ons bedeelde.</p>
-<p id="v3118" class="line">Geen enkel stuk alleen zal met den
-stoute</p>
-<p class="line">Verteeren; maar daar ligt die schat van tooisels,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3120</span> Het reuzig goud zoo
-koen gekocht, die ringen</p>
-<p class="line">Ten laatste nog, betaald met eigen leven:</p>
-<p class="line">De vlamme zal &rsquo;t verzwelgen, &rsquo;t vuur
-bedekken;<a class="apparatusnote" id="xd21e22141src" href="#xd21e22141"
-title="3118&ndash;22 de heele schat en niet een enkel deel ervan zal met hem op den brandstapel gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de heele schat in den lijkheuvel begraven werd."
-name="xd21e22141src">&deg;</a></p>
-<p id="v3123" class="line">De man geen tooisels dragen tot
-gedachtnis;</p>
-<p id="v3124" class="line">Geen ringsieraad de jente jonkvrouw
-hebben</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3125</span> Om haren hals, maar
-deze zal rouwzinnig,</p>
-<p class="line">Van &rsquo;t goud beroofd, wel meer dan eene reize</p>
-<p id="v3127" class="line">Het vreemde land betre&ecirc;n, nu &rsquo;s
-legers leidsman<a class="apparatusnote" id="xd21e22160src" href="#xd21e22160" title="3124&ndash;27 Perhaps a glee-maiden is maint, who, having lost her patron, is compelled to wander abroad. Thorpe."
-name="xd21e22160src">&deg;</a></p>
-<p class="line">&rsquo;t Gelach aflegde, vreugd en vroolijk
-drijven.</p>
-<p id="v3129" class="line">Hierom wordt menig speer, de
-morgenklamme<a class="apparatusnote" id="xd21e22175src" href="#xd21e22175" title="3129 de morgenklamme: vochtig na nachtelijke tochten. In andere woorden: Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen."
-name="xd21e22175src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3130</span> Door vuisten
-vastgekneld, omhoog geheven</p>
-<p id="v3131" class="line">Met handen. Geenszins zal het
-harpgefluister</p>
-<p class="line">De dappren wekken, maar de donkre rave</p>
-<p class="line">Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,</p>
-<p class="line">Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3135</span> Toen zij de riffen
-met den wolf beroofde.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e22200src" href="#xd21e22200" title="3131&ndash;35 Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving." name="xd21e22200src">&deg;</a></p>
-<p id="v3136" class="line">Zoo zei de koene strijder<a class="apparatusnote" id="xd21e22210src" href="#xd21e22210" title="3136 de koene strijder: de bode. Vgl. 2994 vlg." name="xd21e22210src">&deg;</a> nare konde <span class="pagenum">[<a id="pb301" href="#pb301" name="pb301">301</a>]</span></p>
-<p id="v3137" class="line">En geenszins loog hij nopens lot en
-woorden.<a class="apparatusnote" id="xd21e22226src" href="#xd21e22226"
-title="3003&ndash;3137 M&uuml;llenhoff ziet er het werk van den interpolator in."
-name="xd21e22226src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Nu rees de ridderstoet; zij trokken treurig<a class="apparatusnote" id="xd21e22234src" href="#xd21e22234" title="3137 Er brak derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te beweren, moet de dichter het oog gehad hebben op epische liederen."
-name="xd21e22234src">&deg;</a></p>
-<p id="v3139" class="line">In tranen badend onder &rsquo;t
-aargebergte<a class="apparatusnote" id="xd21e22242src" href="#xd21e22242" title="3139 aargebergte: adelaarsgebergte, Earna-naes, in &rsquo;t land der Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. onder: aan den voet."
-name="xd21e22242src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3140</span> Het wonder waar te
-nemen. Daar ontdekten</p>
-<p class="line">Ze op &rsquo;t leger in het zand den levenlooze,</p>
-<p class="line">Dengene die hun vroeger ringen gunde.</p>
-<p class="line">Zoo was gedaagd de doodsdag voor den dappre,</p>
-<p class="line">Zoodat de wapenvorst, de heer der Weders,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3145</span> Door wondren dood het
-leven had gelaten.</p>
-<p id="v3146" class="line">Vervolgens zagen zij zeldzamer
-schouwspel<a class="apparatusnote" id="xd21e22275src" href="#xd21e22275" title="3146&ndash;47 zeldzamer schouwspel: dan dat van den gesneuvelden vorst."
-name="xd21e22275src">&deg;</a>:</p>
-<p class="line">Den reuzenworm, den woestaard nederliggend</p>
-<p class="line">Daar op den bodem tegenover Beowulf.<a href="#n84"
-class="noteref">84</a></p>
-<p class="line">De vlammendraak, de stugge dreiggestalte,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3150</span> Was door het vuur
-gezengd. Hij was wel vijftig</p>
-<p class="line">Voetmaten lang op &rsquo;t leger. Hij vermeide</p>
-<p id="v3152" class="line">Zich met den nachtstond in &rsquo;t genot
-der luchten<a class="apparatusnote" id="xd21e22302src" href="#xd21e22302" title="3152 &rsquo;t genot der luchten: genotvolle lucht." name="xd21e22302src">&deg;</a></p>
-<p class="line">En zeeg dan weder neer en zocht de holte,</p>
-<p class="line">Nu lag hij neder, door den dood gekluisterd;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3155</span> Hij had het eind van
-&rsquo;t holverblijf genoten.</p>
-<p id="v3156" class="line">Daar stonden kruiken nevens hem en
-kroezen;</p>
-<p class="line">Er lagen schalen met onschatbre zwaarden,<a class="apparatusnote" id="xd21e22323src" href="#xd21e22323" title="3156&ndash;57 Dit moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn, want het lijk van den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp v&oacute;&oacute;r den ingang had plaats gegrepen. Vgl. 3213 vlg."
-name="xd21e22323src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Verroest, doorknaagd, gelijk zij daar al rustten</p>
-<p id="v3159" class="line">In &rsquo;t ingewand der aard sinds duizend
-winters<a class="apparatusnote" id="xd21e22337src" href="#xd21e22337"
-title="3159 duizend winters: niet letterlijk op te vatten, daar de draak er slechts 300 jaar gehuisvest was; duizend wordt hier overdrachtelijk gebezigd voor een onbepaald groot aantal jaren."
-name="xd21e22337src">&deg;</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb302"
-href="#pb302" name="pb302">302</a>]</span></p>
-<p id="v3160" class="line"><span class="lineNum">3160</span>
-Alstoen<a class="apparatusnote" id="xd21e22356src" href="#xd21e22356"
-title="3160 Alstoen: toen de schat in den grond geborgen werd. Vgl. v. 2290. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij ook in de Nibelungen."
-name="xd21e22356src">&deg;</a> werd deze reuzig groote rijkdom,</p>
-<p class="line">Het goud der voortijdsmenschen, met een toover</p>
-<p class="line">Omstrikt, dat niemand raken mocht de ringzaal;</p>
-<p class="line">Tenzij dan God, de ware zegekoning,</p>
-<p class="line">(Hij is des stervlings steun) aan wien hij wilde</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3165</span> Het had vergund den
-goudschat op te breken,</p>
-<p class="line">Juist zulk een, als hem docht te zijn het
-voegzaamst.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e22383width"><img src="images/o302.png" alt="Ornament." width="110" height="90"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21635"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21635src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3052">3052</a></span> <i>de
-stoute</i>: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21635src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21661"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21661src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3058">3058</a></span> <i>het
-varensvolk</i>: de Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21661src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21684"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21684src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3062">3062</a></span> <i>hun
-standaard</i>: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21684src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21695"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21695src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3063">3063</a></span> <i>Zij</i>:
-de Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21695src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21704"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21704src">&deg;</a></span>
-<i>hun</i>: de Zweden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21704src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21714"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21714src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3064">3064</a></span> <i>Hredels
-drommen</i>: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen; Hredel zelf was
-immers gestorven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21714src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21737"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21737src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3068">3068<i>a</i></a></span> dit
-ziet op de ontknooping.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21737src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21747"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21747src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3069">3069</a></span> <i>hem</i>:
-Ongentheow.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21747src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21756"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21756src">&deg;</a></span>
-<i>Wulf</i>: Eofors broeder; beiden zijn Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21756src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21774"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21774src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3074">3074</a></span> Zoodra de
-Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar Wulf, die hem dezen
-slag had toegebracht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21774src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21784"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21784src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3075">3075</a></span> <i>zoon van
-Wanred</i>: Wulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21784src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21817"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21817src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3084">3084</a></span> <i>hun
-kunstwerk</i>: der reuzen kunstwerk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21817src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21838"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21838src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3089">3089</a></span> <i>hun</i>:
-aan de Gooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21838src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e21851"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e21851src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3090">3090</a></span> Eofor beroofde Ongentheow.</p>
-<p class="par footnote">Daar de strijd met de Franken en Friezen op
-verschillende plaatsen van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier
-al die gegevens samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht
-alle verwarring te voorkomen.</p>
-<p class="par footnote"><i>Oorlog met de Franken of Friezen.</i></p>
-<p class="par footnote">Hygelac had over zee eenen strooptocht in
-Friesland gedaan; hij sneuvelde in den strijd en de Franken maakten
-zich van zijn kostbaar halskleinood meester. <a href="#ch19">XIX</a>.</p>
-<p class="par footnote">Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte
-Beowulf, met dertig schilden op den arm, door in &rsquo;t water te
-springen, nadat hij al zijne Frankische aanranders had verslagen.
-<a href="#ch33">XXXIII</a>.</p>
-<p class="par footnote">Beowulf doodt den Frank D&auml;ghrefn met de
-vuist, zoodat deze in de onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs
-krijgssieraden aan den Franken- of Friezenkoning te brengen. <a href="#ch35">XXXV</a>.</p>
-<p class="par footnote">Hygelac was met eene vloot naar Friesland
-gestevend, waar hij bezweek onder de overmacht der Franken. Sinds dien
-tijd bestond er vijandschap tusschen Gooten en Franken. <a href="#ch40">XL</a>.</p>
-<p class="par footnote"><i>Oorlog met de Zweden.</i></p>
-<p class="par footnote">Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood
-van Hredel, en later bij de opname van de Zweedsche ballingen door
-Heardred.</p>
-<p class="par footnote"><i>Eerste oorlog</i>:</p>
-<p class="par footnote"><a href="#ch35">XXXV</a>. Na Hredels dood
-breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en Onela doen invallen bij
-Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac, ofschoon de eerste bij
-&rsquo;t Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt op Ongentheow
-Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt.</p>
-<p class="par footnote"><a href="#ch40">XL</a>, <a href="#ch41">XLI</a>. Verhaal van den bode:</p>
-<p class="par footnote">De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden
-aangevallen (<a href="#v3029">3029</a>). Ongentheow schonk aan Hadcyn
-den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne eigen gade (<a href="#v3030">3030</a> vlg.); hij zette de Gooten na (<a href="#v3036">3036</a>), die zich in het Ravenbosch verscholen (<a href="#v3038">3038</a>). Daar omsingelde hij hen (<a href="#v3039">3039</a>)
-en bedreigde hen den ganschen nacht (<a href="#v3041">3041</a> vlg.).
-&rsquo;s Morgens daagt Hygelac op, om de Gooten te ontzetten (<a href="#v3045">3045</a>); een gevecht heeft plaats (<a href="#v3049">3049</a>
-vlg.); Ongentheow moet wijken (<a href="#v3052">3052</a>) en trekt zich
-terug bij zijne verschansing (<a href="#v3060">3060</a>). De Gooten
-vervolgen hem (<a href="#v3061">3061</a>), maken zijnen standaard buit
-(<a href="#v3062">3062</a>) en trekken over de versterkte stelling,
-welke de Zweden verlaten hebben (<a href="#v3063">3063</a>). Zij
-brengen Ongentheow tot staan (<a href="#v3065">3065</a>). Wulf wondt
-Ongentheow (<a href="#v3069">3069</a> vlg.), doch wordt door dezen
-buiten gevecht gesteld (<a href="#v3071">3071</a> vlg.). Eofer, Wulfs
-broeder, doodt nu Ongentheow (<a href="#v3082">3082</a> vlg<span class="corr" id="xd21e21962" title="Niet in bron">.</span>) en berooft hem
-van zijne wapenrusting (<a href="#v3090">3090</a>). Wulf wordt door
-zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld moeten
-ruimen.</p>
-<p class="par footnote"><i>Tweede oorlog</i>:</p>
-<p class="par footnote"><a href="#ch31">XXXI</a>. Heardred, zoon van
-Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden, en Beowulf beklimt den
-troon.</p>
-<p class="par footnote"><a href="#ch33">XXXIII</a>. Heardred ontvangt
-de zonen Ochters, E&aacute;nmund en E&aacute;dgils, die tegen Onela,
-koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een inval in &rsquo;t
-land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den troon
-beklimmen.</p>
-<p class="par footnote">Later, maar deze <i>derde</i> krijgstocht wordt
-slechts ter loops aangestipt, wreekt Beowulf Heardreds dood door
-E&aacute;dgils te ondersteunen, die Onela van &rsquo;t leven
-berooft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e21851src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22004"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22004src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3096">3096</a></span> <i>de
-Gootenkoning</i>: Hygelac.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22004src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22019"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22019src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3099">3099</a></span> <i>honderd
-duizend</i>. Vgl. v. <a href="#v2252">2252</a>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e22019src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22039"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22039src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3101">3101</a></span> Niemand schatte het loon te gering.</p>
-<p class="par footnote">In de Noordsche sage wordt door <i>Hrolf
-Kraki</i> dezelfde belooning toegekend als hier door Hygelac.
-Bugge.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22039src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22056"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22056src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3104">3104</a></span> <i>met zijne dochter</i>: Het is moeilijk aan
-te nemen, dat Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v.
-<a href="#v2020">2020</a>), reeds eene huwbare dochter zou gehad
-hebben. M&uuml;llenhoff stelt te recht deze verzen op rekening van den
-inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt, dat Hygelac en Beowulf van
-denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan ik hem geen gelijk
-geven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22056src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22089"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22089src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3112">3112</a></span> die de dappre
-Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat op Beowulfs tocht naar Hrodgar;
-de gedoode helden zijn Grendels slachtoffers.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e22089src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22107"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22107src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3115">3115</a></span> <i>ons thans
-te haasten</i>: die aanbeveling van den bode komt wel wat
-laat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22107src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22118"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22118src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3116">3116</a></span>
-<i>branduitvaart</i>: plechtige optocht naar den
-brandstapel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22118src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22141"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22141src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3118">3118&ndash;22</a></span> de
-heele schat en niet een enkel deel ervan zal met hem op den brandstapel
-gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de heele schat in den
-lijkheuvel begraven werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22141src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22160" lang="en">
-<span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22160src">&deg;</a></span> <span class="lineNumRef"><a href="#v3124">3124&ndash;27</a></span> Perhaps a glee-maiden is maint, who,
-having lost her patron, is compelled to wander abroad<span class="corr"
-id="xd21e22165" title="Niet in bron">.</span>
-<i>Thorpe.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22160src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22175"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22175src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3129">3129</a></span> <i>de
-morgenklamme</i>: vochtig na nachtelijke tochten. In andere woorden:
-Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22175src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22200"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22200src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3131">3131&ndash;35</a></span>
-Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving<span class="corr" id="xd21e22205" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e22200src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22210"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22210src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3136">3136</a></span> <i>de koene
-strijder</i>: de bode. Vgl. <a href="#v2994">2994</a>
-vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22210src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22226"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22226src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3003">3003&ndash;3137</a></span>
-M&uuml;llenhoff ziet er het werk van den interpolator
-in.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22226src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22234"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22234src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3137">3137</a></span> Er brak
-derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te beweren, moet de
-dichter het oog gehad hebben op epische liederen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22234src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22242"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22242src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3139">3139</a></span>
-<i>aargebergte</i>: adelaarsgebergte, <i>Earna-naes</i>, in &rsquo;t
-land der Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge.
-<i>onder</i>: aan den voet.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22242src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22275"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22275src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3146">3146&ndash;47</a></span>
-<i>zeldzamer schouwspel</i>: dan dat van den gesneuvelden
-vorst.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22275src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22302"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22302src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3152">3152</a></span> <i>&rsquo;t
-genot der luchten</i>: genotvolle lucht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22302src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22323"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22323src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3156">3156&ndash;57</a></span> Dit
-moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn, want het lijk van
-den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp v&oacute;&oacute;r den
-ingang had plaats gegrepen. Vgl. <a href="#v3213">3213</a>
-vlg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22323src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22337"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22337src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3159">3159</a></span> <i>duizend
-winters</i>: niet letterlijk op te vatten, daar de draak er slechts 300
-jaar gehuisvest was; <i>duizend</i> wordt hier overdrachtelijk gebezigd
-voor een onbepaald groot aantal jaren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22337src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22356"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22356src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3160">3160</a></span>
-<i>Alstoen</i>: toen de schat in den grond geborgen werd. Vgl. v.
-<a href="#v2290">2290</a>. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij
-ook in de Nibelungen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22356src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303" name="pb303">303</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch42" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7343">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XLII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zoo hadden dit tot op den dag des oordeels<a href="#n85" class="noteref">85</a></p>
-<p id="v3168" class="line">De hooggeroemde heerschers<a class="apparatusnote" id="xd21e22400src" href="#xd21e22400" title="3168: de hooggeroemde heerschers: Vlg. v. 2289." name="xd21e22400src">&deg;</a> diep betooverd,</p>
-<p class="line">Die &rsquo;t hier verscholen, dat hij schuld zou
-dragen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3170</span> Aan &rsquo;t
-wanvergrijp, in &rsquo;t vloekverblijf gegrendeld,</p>
-<p class="line">In hellekluisters vastgeklonken worden,</p>
-<p class="line">Bezwaard met zonden, die de plaats zou plundren.</p>
-<p class="line">Nu was het klaar, dat niet de kamp beklijfde:</p>
-<p id="v3174" class="line">Aan hem<a class="apparatusnote" id="xd21e22426src" href="#xd21e22426" title="3174 Aan hem: aan den draak."
-name="xd21e22426src">&deg;</a>, die wederrechtig in den rotswand</p>
-<p id="v3175" class="line"><span class="lineNum">3175</span> De have
-had bewaard, (hem had de wachter<a class="apparatusnote" id="xd21e22439src" href="#xd21e22439" title="3175 hem had de wachter: de wachter of draak had hem alleen nl. Beowulf eerst gedood. De zin is: de vloek werd bewaarheid; de draak had Beowulf gedood, maar hij zelf liet er ook het leven."
-name="xd21e22439src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Alleen vooreerst gedood) nu dat de veete</p>
-<p id="v3177" class="line">Met kracht gewroken was. Het is iets
-wonders,</p>
-<p class="line">W&aacute;&aacute;r &rsquo;t wezen zal, wanneer een
-wapenkrijger,</p>
-<p class="line">Een krachtberoemde, &rsquo;t eind bereikt des
-levens;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3180</span> Als langer niet de
-man de medehuizing</p>
-<p class="line">Bewonen mag te zamen met de magen.<a class="apparatusnote" id="xd21e22463src" href="#xd21e22463" title="3177b&mdash;81 &rsquo;t Is soms verwonderlijk, waar, op welke plaats een held moet sterven: men kan niet vooruit weten, waar men sterven zal."
-name="xd21e22463src">&deg;</a></p>
-<p class="line">En zoo gebeurde &rsquo;t Beowulf, als hij opzocht</p>
-<p class="line">Den wachter van den berg, den strijd. Niet wist
-hij,</p>
-<p id="v3184" class="line">Waardoor geschieden zou zijn
-levensscheiding.<a class="apparatusnote" id="xd21e22484src" href="#xd21e22484" title="3146&ndash;85 Het springt in &rsquo;t oog, dat dit een inlapsel is. M&uuml;llenhoff merkt te recht aan, dat deze verzen de lamlendigste van het gansche gedicht zijn."
-name="xd21e22484src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb304"
-href="#pb304" name="pb304">304</a>]</span></p>
-<p id="v3185" class="line"><span class="lineNum">3185</span> Goudgierig
-was hij niet<a class="apparatusnote" id="xd21e22495src" href="#xd21e22495" title="3184&ndash;85 Volgens Ettm&uuml;ller. Beowulf had den draak (goudbezitter) niet aangetast, om zijn goud machtig te worden, maar om het land te verlossen, want reeds vroeger zou hij volgaarne met den draak vriendschap gesloten hebben; dan was hij nu niet genoodzaakt geweest hem te bevechten. Volgens v. 2349 was het strijdgeding vernieuwd; hieruit kan men veronderstellen, dat de draak voorheen al verwoestingen had aangericht. Hiermede schijnt mij v. 3192&ndash;95 niet in tegenspraak."
-name="xd21e22495src">&deg;</a>: hij had volgaarne</p>
-<p class="line">Des goudbezitters gunst gezien te voren.<a href="#n86"
-class="noteref">86</a></p>
-<p class="line">En Wiglaf nam het woord, de zoon van Wichstan:</p>
-<p id="v3188" class="line">&laquo;Wel menigwerf om wille van een
-enkle</p>
-<p class="line">Zal menig oorlogsman vervolging lijden,<a class="apparatusnote" id="xd21e22527src" href="#xd21e22527" title="3188&ndash;89 Ziet dit op de straf der lafaards, ofwel op toekomstige verwikkelingen met Franken en Zweden? Dit laatste komt mij het aannemelijkst voor."
-name="xd21e22527src">&deg;</a></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3190</span> Als &rsquo;t ons nu
-overkomen is. Wij konden</p>
-<p class="line">Den dierbren heer, den herder van de volken,</p>
-<p id="v3192" class="line">Niet helpen met een raad: dat hij den
-hoeder</p>
-<p class="line">Des gouds niet ging te lijf, maar dezen liever</p>
-<p class="line">Zou laten rusten, waar hij lang verwijlde,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3195</span> Zijn krocht bewonen
-tot het eind der wereld.</p>
-<p class="line">Ons trof een harde lot. De kostbaarheden</p>
-<p class="line">Zij zijn gezien en moeitevol bemeesterd.</p>
-<p class="line">Te machtig was de buit, die mijn gebieder</p>
-<p class="line">Er henen troonde. Ik heb getoefd daarbinnen,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3200</span> In &rsquo;t ronde
-&rsquo;t al gezien, &rsquo;t sieraad der woning;</p>
-<p class="line">Daar mij gegeven was, vergund de toegang,</p>
-<p class="line">In &rsquo;t minste niet genoeglijk, in den aardwal.</p>
-<p class="line">Ik greep in aller haast met beide handen</p>
-<p class="line">Een groote reuzenvracht van keursieraden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3205</span> En droeg ze weg van
-daar naar mijnen meester.</p>
-<p class="line">Hij was alsnog bij leven, wijs, bewustvol.</p>
-<p class="line">Veel zei in zorg de grijs. Hij liet u groeten</p>
-<p class="line">En vroeg, dat gij den vriend een brandplaats
-stichtet,</p>
-<p class="line">Een hoogen heuvel, volgens dezes daden,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3210</span> Beroemd en rijzig;
-daar hij in het ronde <span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305" name="pb305">305</a>]</span></p>
-<p class="line">Der mannen waardste kamper was ter wereld,</p>
-<p class="line">Zoolang als hij genoot de burchtkleinooden.</p>
-<p id="v3213" class="line">Welaan, nu voortgerept een tweede reize,</p>
-<p class="line">Gezien en opgezocht de kunstverzaamling,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3215</span> De wonderdingen onder
-deze wanden.</p>
-<p class="line">Ik wijs den weg, dat gij nabij bewondert</p>
-<p class="line">Genoegzaam ringen met het reuzig goudwerk.</p>
-<p class="line">De lijkbaar sta gereed, bereid ter stonde,</p>
-<p class="line">Als wij te voorschijn komen en vervolgens</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3220</span> Ons aller vorst, den
-dierbren man, vervoeren,</p>
-<p class="line">Waar hij in &rsquo;s Heeren hoede lang zal
-wijlen.&raquo;</p>
-<p class="line">De zoon van Wichstan liet vervolgens weten,</p>
-<p class="line">De wapenstoute held, aan tal van strijders,</p>
-<p class="line">Van landbezitters, dat zij tot den lijkbrand</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3225</span> De mutsaards brengen
-moesten uit de verte,</p>
-<p id="v3226" class="line">De legerhoofden naar den goede<a class="apparatusnote" id="xd21e22627src" href="#xd21e22627" title="3226: naar den goede: naar Beowulf." name="xd21e22627src">&deg;</a>
-henen.</p>
-<p class="line">&laquo;Nu zal (bij &rsquo;t zwellen van de zwarte
-vlammen)</p>
-<p class="line">Het vuur der oorlogslieden vorst verslinden,<a href="#n87" class="noteref">87</a></p>
-<p id="v3229" class="line">Die dikwijls heeft getrotst den
-ijzerhagel,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3230</span> Als krachtig
-voortgestuwd de storm der pijlen</p>
-<p class="line">Heenbruiste boven eene schans van schilden,</p>
-<p id="v3232" class="line">En, vliegensreede door zijn
-veeruitrusting,</p>
-<p class="line">De schacht zijn diensten deed, den schicht
-vervolgde.&raquo;<a class="apparatusnote" id="xd21e22656src" href="#xd21e22656" title="3232&ndash;33 Als de werpspies het spoor volgde van den pijl; als gestreden werd."
-name="xd21e22656src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Nu riep te zaam de wijze zoon van Wichstan</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3235</span> Uit &rsquo;s konings
-stoet de zeven beste strijders</p>
-<p id="v3236" class="line">En trok in &rsquo;t moordvertrek<a class="apparatusnote" id="xd21e22670src" href="#xd21e22670" title="3236 in &rsquo;t moordvertrek: in de onderaardsche schatkamer." name="xd21e22670src">&deg;</a> als een van &rsquo;t achttal.</p>
-<p class="line">Een fakkel hield er een der oorlogshelden</p>
-<p class="line">In zijne hand, die aan het hoofd vooropging.</p>
-<p id="v3239" class="line">Niet lag &rsquo;t aan &rsquo;t lot<a class="apparatusnote" id="xd21e22685src" href="#xd21e22685" title="3239 Niet lag aan &rsquo;t lot: De bestemming van den schat stond vast; hij moest met Beowulf ten deele verbrand en ten deele begraven worden; bijgevolg hoefde hij niet door het lot verdeeld te worden, zooals geschiedt bij eenen onbeheerden buit."
-name="xd21e22685src">&deg;</a> wie rooven zou den rijkdom, <span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306" name="pb306">306</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3240</span> Nu zonder hoeder
-hoegenaamd de helden</p>
-<p class="line">Hem opgestapeld zagen in de stede,</p>
-<p id="v3242" class="line">Daar rusten roestverweerd. Niet een dien
-&rsquo;t rouwde,</p>
-<p id="v3243" class="line">Toen zij in allerijl naar buiten
-brachten</p>
-<p class="line">Den kostbren schat.<a class="apparatusnote" id="xd21e22710src" href="#xd21e22710" title="3242&ndash;44a Ik versta dit als volgt: niemand was droevig bij het zien van die schatten, welke zij zelven niet mochten bezitten. Dit zou pleiten voor hunne verkleefdheid aan Beowulf, dien zij, niettegenstaande hij het anders verzocht had, alles wilden meegeven."
-name="xd21e22710src">&deg;</a> Zij schoven mee het monster,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3245</span> Den reuzenworm, langs
-&rsquo;t oeverrif en lieten</p>
-<p class="line">Hem grijpen door de golf, der have herder,</p>
-<p class="line">Omvangen door den vloed. Dan werd op wagens</p>
-<p class="line">&rsquo;t Gewonden goudsieraad, het gansch ontelbre,</p>
-<p class="line">Opeengehoopt, en naar de Walvischhoogte</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3250</span> De vorst gebracht, de
-grijze wapenvoerder.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e22738width"><img src="images/o306.png" alt="Ornament." width="49" height="58"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22400"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22400src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3168">3168</a></span>: <i>de
-hooggeroemde heerschers</i>: Vlg. v. <a href="#v2289">2289</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22400src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22426"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22426src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3174">3174</a></span> <i>Aan
-hem</i>: aan den draak.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22426src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22439"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22439src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3175">3175</a></span> <i>hem had de
-wachter</i>: de wachter of draak had hem alleen nl. Beowulf eerst
-gedood. De zin is: de vloek werd bewaarheid; de draak had Beowulf
-gedood, maar hij zelf liet er ook het leven.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e22439src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22463"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22463src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3177">3177<i>b</i>&mdash;81</a></span> &rsquo;t Is soms
-verwonderlijk, <i>waar</i>, <i>op welke plaats</i> een held moet
-sterven: men kan niet vooruit weten, waar men sterven
-zal.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22463src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22484"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22484src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3146">3146&ndash;85</a></span> Het
-springt in &rsquo;t oog, dat dit een inlapsel is. M&uuml;llenhoff merkt
-te recht aan, dat deze verzen de lamlendigste van het gansche gedicht
-zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22484src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22495"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22495src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3184">3184&ndash;85</a></span>
-Volgens Ettm&uuml;ller. Beowulf had den draak (goudbezitter) niet
-aangetast, om zijn goud machtig te worden, maar om het land te
-verlossen, want reeds vroeger zou hij volgaarne met den draak
-vriendschap gesloten hebben; dan was hij nu niet genoodzaakt geweest
-hem te bevechten. Volgens v. <a href="#v2349">2349</a> <i>was het
-strijdgeding vernieuwd</i>; hieruit kan men veronderstellen, dat de
-draak voorheen al verwoestingen had aangericht. Hiermede schijnt mij v.
-<a href="#v3192">3192&ndash;95</a> niet in <span class="corr" id="xd21e22511" title="Bron: tegenpraak">tegenspraak</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22495src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22527"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22527src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3188">3188&ndash;89</a></span> Ziet
-dit op de straf der lafaards, ofwel op toekomstige verwikkelingen met
-Franken en Zweden? Dit laatste komt mij het aannemelijkst
-voor.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22527src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22627"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22627src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3226">3226</a></span>: <i>naar den
-goede</i>: naar Beowulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22627src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22656"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22656src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3232">3232&ndash;33</a></span> Als
-de werpspies het spoor volgde van den pijl; als gestreden
-werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22656src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22670"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22670src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3236">3236</a></span> <i>in
-&rsquo;t moordvertrek</i>: in de onderaardsche
-schatkamer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22670src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22685"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22685src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3239">3239</a></span> <i>Niet lag
-aan &rsquo;t lot</i>: De bestemming van den schat stond vast; hij moest
-met Beowulf ten deele verbrand en ten deele begraven worden; bijgevolg
-hoefde hij niet door het lot verdeeld te worden, zooals geschiedt bij
-eenen onbeheerden buit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22685src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22710"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22710src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3242">3242&ndash;44<i>a</i></a></span> Ik versta dit als volgt:
-niemand was droevig bij het zien van die schatten, welke zij zelven
-niet mochten bezitten.</p>
-<p class="par footnote">Dit zou pleiten voor hunne verkleefdheid aan
-Beowulf, dien zij, niettegenstaande hij het anders verzocht had, alles
-wilden meegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22710src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb307" href="#pb307" name="pb307">307</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch43" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd21e7351">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">XLIII.</h2>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Nu hoopten op den grond de Gootenhelden</p>
-<p class="line">Een sterken stapel op, omhuifd met helmen,</p>
-<p class="line">Met oorlogsschilden, schitterblanke pantsers;</p>
-<p class="line">Als luidde zijne be&ecirc;. Vervolgens legden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3255</span> Ze in &rsquo;t midden
-neer den hoogvermaarden koning</p>
-<p class="line">De droeve helden hunnen lieven heerscher.</p>
-<p id="v3257" class="line">Daarop ontstaken op den berg<a class="apparatusnote" id="xd21e22764src" href="#xd21e22764" title="3257: op den berg: op de walvischhoogte." name="xd21e22764src">&deg;</a> de strijders</p>
-<p id="v3258" class="line">Den breedsten lijkenbrand. De houtwalm hief
-zich<a class="apparatusnote" id="xd21e22775src" href="#xd21e22775"
-title="3258 de houtwalm hief zich: het hoog opstijgen der vlam was een teeken, dat den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te beurt vallen."
-name="xd21e22775src">&deg;</a></p>
-<p class="line">De zwarte boven smook, het vlamgezwirrel,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3260</span> Doorkruist met
-kreten;&mdash;&rsquo;t windgewentel rustte&mdash;</p>
-<p class="line">Totdat het had verheerd, de borst doorblakend,</p>
-<p id="v3262" class="line">Het beendrenstel. Zij klaagden
-lustverstoken</p>
-<p class="line">Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.</p>
-<p id="v3264" class="line">Ook zong alzoo de jonkvrouw<a class="apparatusnote" id="xd21e22799src" href="#xd21e22799" title="3264 de jonkvrouw: Beowulfs bijslaap. Vgl. v. 3124 vlg. Heur naar voorgevoel stemt overeen met de voorspelling van den bode. Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van Beowulfs weduwe, zooals Socin aanneemt en ook M&uuml;llenhoff, die nochtans den inlasscher voor deze bijzonderheid verantwoordelijk stelt."
-name="xd21e22799src">&deg;</a> jammerspreuken</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3265</span> Om Beowulf, zij met
-saamgebonden lokken, <span class="pagenum">[<a id="pb308" href="#pb308"
-name="pb308">308</a>]</span></p>
-<p class="line">Door zorgen aangezet. Zij zei genoegzaam,</p>
-<p class="line">Dat zij de zure rampspoedsdagen duchtte,</p>
-<p class="line">d&rsquo;Onmeetbren lijkenoogst, den angst der
-mannen,</p>
-<p class="line">En hoon en hechtenis.<a class="apparatusnote" id="xd21e22829src" href="#xd21e22829" title="3264&ndash;69 Vertaald volgens Bugge&rsquo;s aanvulling, want de tekst biedt tal van leemten aan."
-name="xd21e22829src">&deg;</a> Nu had de hemel</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3270</span> Den rook
-verzwolgen<a href="#n88" class="noteref">88</a>. Op de rotskaap
-richtten</p>
-<p class="line">De Wederlieden op een lijkenheuvel,</p>
-<p class="line">Die rijzig was en breed, die in het wijde</p>
-<p class="line">Zou zichtbaar wezen voor de zeebevaarders.</p>
-<p class="line">In tiental dagen bouwden zij &rsquo;t gedenkstuk</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3275</span> Des slagberoemden,
-bij de rest des lijkbrands.</p>
-<p class="line">Zij wierpen eenen wal erom, zoo deugdelijk</p>
-<p class="line">Als &rsquo;t hoogst ervaren mannen konden vinden.</p>
-<p id="v3278" class="line">Zij borgen ringen in den berg<a class="apparatusnote" id="xd21e22861src" href="#xd21e22861" title="3278: in den berg: in den grafheuvel. Men heeft groote schatten uit de noordsche grafsteden opgedolven. De rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der ijzerperiode verrassend; in een later tijdperk komt meer zilver voor. Ons gedicht levert ons hier eene juiste en volledige beschrijving van de Oudgermaansche begraafplaatsen. Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd een heuvel opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden werden den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren. Dikwijls werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip uitgestrekt. Een steenen wal omgaf somtijds het gansche. Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen lijk onbegraven blijven liggen. Quando rex jacebat in hac civitate, servabant eum XII homines de melioribus civitatis. Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel bij de Germanen, welke eene zekere onderscheiding, doch geene voorrechten genoot. Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende beschrijving van Attila&rsquo;s begrafenis van eene soortgelijke plechtigheid gewaagt. &laquo;Nam de tota gente Hunnorum electissimi equites in eo loco, quo erat positus, in modum circensium cursibus ambientes, facta ejus cantu funereo.. referebant.&raquo; Cap. 16."
-name="xd21e22861src">&deg;</a> en tooisels,</p>
-<p class="line">Al zulke sier als krijgsgezinde mannen</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3280</span> Ontvoerden uit de
-schatten kort te voren.</p>
-<p class="line">Zij lieten de aard der helden tooi behouden,</p>
-<p class="line">Het goud in &rsquo;t zand; alwaar het zit tot
-heden,</p>
-<p class="line">Zoo nutteloos den mensch, gelijk voorhenen.</p>
-<p id="v3284" class="line">Toen reden rond het graf de
-wapenwakkren,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3285</span> Van de
-edelli&ecirc;n, van alle twaalf, de loten.<a class="apparatusnote" id="xd21e22910src" href="#xd21e22910" title="3284&ndash;85 De zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke laatsten, volgens Domesdaybook, de eerewacht des konings uitmaakten."
-name="xd21e22910src">&deg;</a> <span class="pagenum">[<a id="pb309"
-href="#pb309" name="pb309">309</a>]</span></p>
-<p id="v3286" class="line">Zij wilden weder klagen, weer gewagen</p>
-<p class="line">Van hunnen koning, weder spreuken konden</p>
-<p class="line">En nopens hem verhalen al het goede.</p>
-<p class="line">Zij roemden zijnen riddermoed, vermeldden</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3290</span> Zijn heldenfeiten,
-volgens hun vermogen,</p>
-<p id="v3291" class="line">Als &rsquo;t past zijn vorst en vriend door
-&rsquo;t woord te prijzen,</p>
-<p class="line">Te heugen in het hart, wanneer hij heenvaart,<a class="apparatusnote" id="xd21e22936src" href="#xd21e22936" title="3291&ndash;92 Dolorem et tristitiam tarde ponunt; feminis lugere honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ. 27."
-name="xd21e22936src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Wanneer hij zich ontledigt van het lichaam.</p>
-<p class="line">Zoo rouwden om den dood des rijksgebieders</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">3295</span> De Gootenhelden al,
-de haardgenooten.</p>
-<p id="v3296" class="line">Zij zeiden, dat hij was der
-wereldvorsten,</p>
-<p class="line">Der mannen mildste, &rsquo;t minzaamst voor de
-menschen,</p>
-<p class="line">Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst.<a class="apparatusnote" id="xd21e22957src" href="#xd21e22957" title="3296&ndash;98 Ziedaar het ideaal van den Germaanschen koning! Het zij mij hier vergund de aandacht in te roepen op eenige merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en de Westvlaamsche folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de bereidwillige mededeeling van Dr. Gezelle te danken heb en welke aantoonen, dat de sage van Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in Vlaanderen. Om niet te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene merkwaardige overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het volgende volstaan. De mede, die in de middeleeuwen in onze streken zeer verspreid was, zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er eene belasting op stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche kust gedronken en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren behoorende tot het timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten hoornboom, hoornbalke, hetgeen aan Heorot doet denken; Grendele, Degrendele is nog zoo algemeen in Westvl. als Dendievel. Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog op de uitdrukking de duivel en zijn moer, die in Vlaanderen (en ook in Hollandsch Limburg) van algemeen gebruik is en aan Grendel en diens moeder herinnert."
-name="xd21e22957src">&deg;</a></p>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22764"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22764src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3257">3257</a></span>: <i>op den
-berg</i>: op de walvischhoogte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22764src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22775"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22775src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3258">3258</a></span> <i>de
-houtwalm hief zich</i>: het hoog opstijgen der vlam was een teeken, dat
-den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te beurt
-vallen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22775src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22799"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22799src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3264">3264</a></span> <i>de jonkvrouw</i>: Beowulfs bijslaap. Vgl.
-v. <a href="#v3124">3124</a> vlg.</p>
-<p class="par footnote">Heur naar voorgevoel stemt overeen met de
-voorspelling van den bode.</p>
-<p class="par footnote">Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van
-Beowulfs weduwe, zooals Socin aanneemt en ook M&uuml;llenhoff, die
-nochtans den inlasscher voor deze bijzonderheid verantwoordelijk
-stelt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22799src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22829"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22829src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3264">3264&ndash;69</a></span>
-Vertaald volgens Bugge&rsquo;s aanvulling, want de tekst biedt tal van
-leemten aan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22829src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22861"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22861src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3278">3278</a></span>: <i>in den berg</i>: in den grafheuvel.</p>
-<p class="par footnote">Men heeft groote schatten uit de noordsche
-grafsteden opgedolven. De rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der
-ijzerperiode verrassend; in een later tijdperk komt meer zilver
-voor.</p>
-<p class="par footnote">Ons gedicht levert ons hier eene juiste en
-volledige beschrijving van de Oudgermaansche begraafplaatsen.</p>
-<p class="par footnote">Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd
-een heuvel opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden
-werden den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren.
-Dikwijls werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip
-uitgestrekt. Een steenen wal omgaf somtijds het gansche.</p>
-<p class="par footnote">Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen
-lijk onbegraven blijven liggen.</p>
-<p class="par footnote" lang="la">Quando rex jacebat in hac civitate,
-servabant eum XII homines de melioribus civitatis.</p>
-<p class="par footnote">Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel
-bij de Germanen, welke eene zekere onderscheiding, doch geene
-voorrechten genoot.</p>
-<p class="par footnote">Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende
-beschrijving van Attila&rsquo;s begrafenis van eene soortgelijke
-plechtigheid gewaagt.</p>
-<p class="par footnote" lang="la">&laquo;Nam de tota gente Hunnorum
-electissimi equites in eo loco, quo erat positus, in modum circensium
-cursibus ambientes, facta ejus cantu funereo.. referebant.&raquo;
-Cap<span class="corr" id="xd21e22887" title="Niet in bron">.</span>
-16.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22861src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22910"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22910src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#v3284">3284&ndash;85</a></span> De
-zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke laatsten, volgens
-<i>Domesdaybook</i>, de eerewacht des konings
-uitmaakten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22910src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22936"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22936src">&deg;</a></span>
-<span lang="la" class="lineNumRef"><a href="#v3291">3291&ndash;92</a></span> Dolorem et tristitiam tarde ponunt;
-feminis lugere honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ.
-27.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22936src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22957"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22957src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#v3296">3296&ndash;98</a></span> Ziedaar het ideaal van den
-Germaanschen koning!</p>
-<p class="par footnote">Het zij mij hier vergund de aandacht in te
-roepen op eenige merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en
-de Westvlaamsche folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de
-bereidwillige mededeeling van Dr. Gezelle te danken heb en welke
-aantoonen, dat de sage van Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in
-Vlaanderen. Om niet te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene
-merkwaardige overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het
-volgende volstaan.</p>
-<p class="par footnote">De mede, die in de middeleeuwen in onze streken
-zeer verspreid was, zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er
-eene belasting op stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche
-kust gedronken en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren
-behoorende tot het timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten
-<i>hoornboom</i>, <i>hoornbalke</i>, hetgeen aan Heorot doet denken;
-<i>Grendele</i>, <i>Degrendele</i> is nog zoo algemeen in Westvl. als
-<i>Dendievel</i>.</p>
-<p class="par footnote">Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog
-op de uitdrukking <i>de duivel en zijn moer</i>, die in Vlaanderen (en
-ook in Hollandsch Limburg) van algemeen gebruik is en aan Grendel en
-diens moeder herinnert.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e22957src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb310" href="#pb310" name="pb310">310</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="finnsburg" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">De Bestorming van den Finnsburg.<a class="apparatusnote" id="xd21e22993src" href="#xd21e22993" title="Men herinnere zich, dat dit fragment de gebeurtenissen verhaalt, die de in het epos behandelde Finn-episode voorafgaan."
-name="xd21e22993src">&deg;</a></h2>
-<div class="lgouter">
-<p id="vv1" class="line">Nu<a href="#n89" class="noteref">89</a> hief
-hij aan de wapenjonge heerscher<a class="apparatusnote" id="xd21e23001src" href="#xd21e23001" title="1 de wapenjonge heerscher: Hn&auml;f, volgens Bugge. Een der Deensche krijgers in Finnsburg moet bij het ontwaren van eenen schemer te midden der duisternis gevraagd hebben: Wordt het dag, vliegt een vuurdraak voorbij, of staat de burg in brand? De koning antwoordt eerst ontkennend op elk der drie punten en geeft daarna eene stellige uitkomst: De Friezen, wier wapens in het maanlicht glanzen, naderen om ons aan te vallen."
-name="xd21e23001src">&deg;</a>:</p>
-<p class="line">&laquo;Niet daagt het in het Oost, niet vliegt er
-vuurdraak,</p>
-<p id="vv3" class="line">Niet brandt de horentrans<a class="apparatusnote" id="xd21e23019src" href="#xd21e23019" title="3 de horentrans: de Finnsburg is, evenals Heorot, met een gewei bekroond."
-name="xd21e23019src">&deg;</a> van deze halle;</p>
-<p id="vv4" class="line">Maar helden rukken aan met legerharnas,</p>
-<p id="vv5" class="line"><span class="lineNum">5</span> Gezwaaiden
-pijlboog; oorlogsvogels<a class="apparatusnote" id="xd21e23034src"
-href="#xd21e23034" title="5 oorlogsvogels: de pijlen. De tekst heeft vogels alleen; ten Brink ziet er geene beeldspraak in, maar de slagvogels: raaf en arend."
-name="xd21e23034src">&deg;</a> zingen;<a class="apparatusnote" id="xd21e23046src" href="#xd21e23046" title="4&ndash;5 vertaald naar Bugges verbeterden tekst." name="xd21e23046src">&deg;</a><a href="#n90" class="noteref">90</a></p>
-<p id="vv6" class="line">Het bruin kuras rinkinkt, het
-kamphout<a class="apparatusnote" id="xd21e23056src" href="#xd21e23056"
-title="6 het kamphout: de houten lans met stalen punt." name="xd21e23056src">&deg;</a> klettert,</p>
-<p id="vv7" class="line">&rsquo;t Schild antwoordt<a class="apparatusnote" id="xd21e23067src" href="#xd21e23067" title="7 &rsquo;t schild antwoordt: de Friezen slaan met hunne lansen op de schilden."
-name="xd21e23067src">&deg;</a> aan de schacht. Nu schijnt het
-maanlicht,</p>
-<p id="vv8" class="line">Het volle, door de wolk, nu rijzen
-weeda&acirc;n<a class="apparatusnote" id="xd21e23078src" href="#xd21e23078" title="8 weeda&acirc;n: vijandelijkheden staan te gebeuren, waardoor zich de haat der Friezen zal uiten."
-name="xd21e23078src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">Die dezen volkshaat tot volvoering brengen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb311" href="#pb311" name="pb311">311</a>]</span></p>
-<p class="line"><span class="lineNum">10</span> Op! waakt nu allen op,
-gij mijne weerbren,</p>
-<p id="vv11" class="line">Den lindebast<a class="apparatusnote" id="xd21e23096src" href="#xd21e23096" title="11 lindebast: schild." name="xd21e23096src">&deg;</a> gebeurd, gestreefd naar stoutheid,</p>
-<p class="line">Gevochten aan de heerspits, weest
-heldhaftig!&raquo;</p>
-<p id="vv13" class="line">Daar hief zich menig held, met goud
-behangen<a class="apparatusnote" id="xd21e23110src" href="#xd21e23110"
-title="13 met goud behangen: Bugge verwijst naar eenen tekst van Saxo, waarvolgens de arm met ringen werd bezwaard, om des te forscher slagen toe te dienen."
-name="xd21e23110src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line">En gordde zich het zwaard; nu gingen deurwaarts</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">15</span> Sigferd en Eaha, de
-onversaagde kampers,</p>
-<p class="line">Zij togen &rsquo;t staal; Ordlaf en Gudlaf stapten</p>
-<p class="line">Nu heen naar de andre deur, en Hengest zelve</p>
-<p id="vv18" class="line">Hij volgde op &rsquo;t spoor.</p>
-<p class="line"><span class="hemistich">Hij volgde op &rsquo;t
-spoor.</span> De Strijd-Deen<a class="apparatusnote" id="xd21e23133src"
-href="#xd21e23133" title="18 de Strijd-Deen: Sigeferd." name="xd21e23133src">&deg;</a> stuurde Garulf<a class="apparatusnote" id="xd21e23142src" href="#xd21e23142" title="Garulf is een Fries volgens M&ouml;ller en Bugge." name="xd21e23142src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Nu toe, dat deze dit doorluchtig leven,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">20</span> Zijn krijgssieraden
-niet bij de eerste reize</p>
-<p class="line">Zou henendragen naar der halle deuren;</p>
-<p id="vv22" class="line">Daar hij, de wapenstoute, &rsquo;t<a class="apparatusnote" id="xd21e23158src" href="#xd21e23158" title="22 hij: Sigeferd; het: Garulfs leven. Sigeferd daagt Garulf in spottende taal uit, om de deur, waar hij op post staat, aan te vallen."
-name="xd21e23158src">&deg;</a> wilde nemen.<a class="apparatusnote" id="xd21e23173src" href="#xd21e23173" title="18&ndash;22 zijn vertaald naar den door Bugge gewijzigden tekst."
-name="xd21e23173src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Maar over allen heen en onverholen</p>
-<p id="vv24" class="line">Vroeg deze dappre<a class="apparatusnote" id="xd21e23183src" href="#xd21e23183" title="24 deze dappre: Garulf."
-name="xd21e23183src">&deg;</a>, wie de deur bewaarde.</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">25</span> &laquo;Mijn naam is
-Sigeferd, hernam de tweede,</p>
-<p class="line">&rsquo;k Ben vorst der Secgen, ver gevierd een
-ridder,</p>
-<p class="line">&rsquo;k Beleefde talrijk leed en sture strijden.</p>
-<p id="vv28" class="line">U weggelegd is dit nu: wat van beide<a class="apparatusnote" id="xd21e23202src" href="#xd21e23202" title="28 wat van beide: leed of harde kamp, als blijkt uit het voorgaande vers. Sigeferd laat hem bij wijze van galgenhumor de keus tusschen deze twee. Deze verklaring van ten Brink schijnt mij aannemelijker dan die van Socin, welke bij sw&auml;dher = utrumcunque onderverstaat &laquo;Schlimmes oder Gutes, Tod oder Leben.&raquo;"
-name="xd21e23202src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Gij zelve wenscht bij mij te komen zoeken.&raquo;</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">30</span> Nu was het bij den wand
-gedreun des doodkamps, <span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312" name="pb312">312</a>]</span></p>
-<p class="line">Nu moest het kille schild<a href="#n91" class="noteref">91</a> ter hand des koenen,</p>
-<p id="vv32" class="line">De beerhelm<a class="apparatusnote" id="xd21e23237src" href="#xd21e23237" title="32 de beerhelm: everhelm."
-name="xd21e23237src">&deg;</a> barsten. Heel de halle schokte;</p>
-<p class="line">Totdat in dit gevecht het eerst ineenkromp</p>
-<p class="line">Van al de krijgers Garulf, zoon van Gudlaf,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">35</span> En rondom dezen
-menigeen der dappren.</p>
-<p id="vv36" class="line">Nu zwierf de rave zwierend om de
-lijken,<a class="apparatusnote" id="xd21e23257src" href="#xd21e23257"
-title="36 Bugges lezing is hier gevolgd." name="xd21e23257src">&deg;</a></p>
-<p class="line">Zij doolde zwart in &rsquo;t rond en donkerpluimig.</p>
-<p class="line">Het zwaardgebliksem ging, of gansch de Finnsburg</p>
-<p class="line">In lichter laaie stond. Nog nooit vernam ik,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">40</span> Dat beter bij der
-mannen kamp zich kweten</p>
-<p class="line">En waardiger een zestig zegehelden,</p>
-<p class="line">Noch dat goedgeefser borsten ooit vergolden</p>
-<p class="line">De zoete mede, dan aan Hn&auml;f de mannen.</p>
-<p class="line">Vijf dagen vochten zij, dat van &rsquo;t
-gevolgschap</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">45</span> Niet &eacute;&eacute;n
-er zeeg; maar zij de deur bezetten.</p>
-<p id="vv46" class="line">Nu keerde weder een gewonde kamper<a class="apparatusnote" id="xd21e23288src" href="#xd21e23288" title="46 een gewonde kamper: een Fries, volgens Holtzmann en M&ouml;ller."
-name="xd21e23288src">&deg;</a>;</p>
-<p class="line">Hij zei, gebroken was &rsquo;t kuras, onbruikbaar</p>
-<p class="line">Het strijdgewaad, en zijn helmet doorstoken.</p>
-<p id="vv49" class="line">Dan vroeg hem fluks de herder van de
-volkschaar<a class="apparatusnote" id="xd21e23303src" href="#xd21e23303" title="49 de herder van de volkschaar: Finn, volgens Holtzmann en M&ouml;ller."
-name="xd21e23303src">&deg;</a>,</p>
-<p class="line"><span class="lineNum">50</span> Of w&eacute;l de
-kampers voeren bij hun wonden,</p>
-<p id="vv51" class="line">Of niet de moed der jonge mannen
-naliet...<a class="apparatusnote" id="xd21e23318src" href="#xd21e23318"
-title="51 Gedeeltelijk zoek geraakt vers, door Bugge hersteld." name="xd21e23318src">&deg;</a><a href="#n92" class="noteref">92</a></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd21e23327width"><img src="images/o312.png" alt="Ornament." width="85" height="90"></div>
-<p class="par"></p>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Tekstcritische noten</h2>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e22993"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e22993src">&deg;</a></span>
-Men herinnere zich, dat dit fragment de gebeurtenissen verhaalt, die de
-in het epos behandelde Finn-episode voorafgaan.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e22993src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23001"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23001src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#vv1">1</a></span> <i>de wapenjonge heerscher</i>: Hn&auml;f, volgens
-Bugge.</p>
-<p class="par footnote">Een der Deensche krijgers in Finnsburg moet bij
-het ontwaren van eenen schemer te midden der duisternis gevraagd
-hebben: Wordt het dag, vliegt een vuurdraak voorbij, of staat de burg
-in brand?</p>
-<p class="par footnote">De koning antwoordt eerst ontkennend op elk der
-drie punten en geeft daarna eene stellige uitkomst: De Friezen, wier
-wapens in het maanlicht glanzen, naderen om ons aan te
-vallen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23001src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23019"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23019src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv3">3</a></span> <i>de
-horentrans</i>: de Finnsburg is, evenals Heorot, met een gewei
-bekroond.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23019src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23034"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23034src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv5">5</a></span>
-<i>oorlogsvogels</i>: de pijlen. De tekst heeft <i>vogels</i> alleen;
-ten Brink ziet er geene beeldspraak in, maar de slagvogels: raaf en
-arend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23034src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23046"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23046src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv4">4&ndash;5</a></span> vertaald
-naar Bugges verbeterden tekst.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23046src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23056"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23056src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv6">6</a></span> <i>het
-kamphout</i>: de houten lans met stalen punt.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e23056src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23067"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23067src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv7">7</a></span> <i>&rsquo;t schild
-antwoordt</i>: de Friezen slaan met hunne lansen op de
-schilden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23067src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23078"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23078src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv8">8</a></span>
-<i>weeda&acirc;n</i>: vijandelijkheden staan te gebeuren, waardoor zich
-de haat der Friezen zal uiten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23078src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23096"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23096src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv11">11</a></span>
-<i>lindebast</i>: schild.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23096src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23110"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23110src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv13">13</a></span> <i>met goud
-behangen</i>: Bugge verwijst naar eenen tekst van Saxo, waarvolgens de
-arm met ringen werd bezwaard, om des te forscher slagen toe te
-dienen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23110src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23133"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23133src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv18">18</a></span> de
-<i>Strijd-Deen</i>: Sigeferd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23133src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23142"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23142src">&deg;</a></span>
-<i>Garulf</i> is een Fries volgens M&ouml;ller en Bugge.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23142src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23158"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23158src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#vv22">22</a></span> <i>hij</i>: Sigeferd; <i>het</i>: Garulfs
-leven.</p>
-<p class="par footnote">Sigeferd daagt Garulf in spottende taal uit, om
-de deur, waar hij op post staat, aan te vallen.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e23158src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23173"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23173src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv18">18&ndash;22</a></span> zijn
-vertaald naar den door Bugge gewijzigden tekst.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd21e23173src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23183"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23183src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv24">24</a></span> <i>deze
-dappre</i>: Garulf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23183src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23202"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23202src">&deg;</a></span><span class="lineNumRef"><a href="#vv28">28</a></span> <i>wat van beide</i>: leed of harde kamp, als
-blijkt uit het voorgaande vers.</p>
-<p class="par footnote">Sigeferd laat hem bij wijze van galgenhumor de
-keus tusschen deze twee.</p>
-<p class="par footnote">Deze verklaring van ten Brink schijnt mij
-aannemelijker dan die van Socin, welke bij <i>sw&auml;dher</i> =
-<i>utrumcunque</i> onderverstaat &laquo;Schlimmes oder Gutes, Tod oder
-Leben.&raquo;&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23202src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23237"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23237src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv32">32</a></span> <i>de
-beerhelm</i>: everhelm.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23237src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23257"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23257src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv36">36</a></span> Bugges lezing is
-hier gevolgd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23257src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23288"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23288src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv46">46</a></span> <i>een gewonde
-kamper</i>: een Fries, volgens Holtzmann en M&ouml;ller.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23288src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23303"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23303src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv49">49</a></span> <i>de herder van
-de volkschaar</i>: Finn, volgens Holtzmann en
-M&ouml;ller.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23303src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote apparatus" id="xd21e23318"><span class="label"><a class="apparatusnote" href="#xd21e23318src">&deg;</a></span>
-<span class="lineNumRef"><a href="#vv51">51</a></span> Gedeeltelijk
-zoek geraakt vers, door Bugge hersteld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd21e23318src">&uarr;</a></p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb313" href="#pb313" name="pb313">313</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div id="aanmerkingen" class="div1 notes"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">AANMERKINGEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Vooraf zij opgemerkt, dat de cijfers naar Socins
-uitgave en niet meer naar de vertaling verwijzen.</p>
-<p class="par">De vertaling in proza, welke ik soms toevoeg, is die
-volgens den tekst van Socin, tenzij het tegenovergestelde gezegd
-wordt.</p>
-<div id="n1" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">1</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">thenden wordum w&eacute;old wine Scyldinga,</p>
-<p class="line">le&oacute;f land-fruma <i>lange &acirc;hte</i>.
-30&ndash;31.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zoolang over de woorden (&rsquo;t bevel) beschikte de
-vriend der Schyldings,</p>
-<p class="line">de lieve landvorst lang (het gezag) bezat.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Deze plaats heeft tot veel geschrijf en gewrijf
-aanleiding gegeven.</p>
-<p class="par">Heyne zoekt het ontbrekend voorwerp van <i lang="ang">&acirc;hte</i> uit <i lang="ang">wordum we&oacute;ld</i> van het
-vorige vers op te maken en vult aan: <i lang="ang">geweald</i>,
-<i>gezag</i>.</p>
-<p class="par">Cosijn verandert <i lang="ang">lange &acirc;hte</i> in
-<i lang="ang">lange thr&acirc;ge</i>: <i>langen</i> tijd.</p>
-<p class="par">Regel 31 is dan eene voortzetting van &laquo;de eerste
-gedachte, dat de <i lang="ang">wine Scyldinga</i> reeds tijdens zijn
-leven de noodige beschikkingen voor zijne begrafenis genomen had.
-Daaraan werd vastgeknoopt de mededeeling, dat die regeering langen tijd
-geduurd heeft.&raquo;</p>
-<p class="par">Dat nochtans Heynes &laquo;k&uuml;hne Construction door
-geen enkel voorbeeld gestaafd wordt&raquo; kan ik niet zoo grif
-aannemen. Vgl. v. <a href="#v1003">1003</a>:</p>
-<p class="par"><i lang="ang">N&ocirc; th&auml;t ydhe bydh t&ocirc;
-befle&oacute;nne</i> &laquo;dat zal niet gemakkelijk zijn te
-ontvluchten,&raquo; waar <i>th&auml;t</i> op een zelfst. naamw.
-<i>dood</i> moet slaan, dat uit voorafgaand <i>aldres or-w&ecirc;na</i>
-is op te maken. <span class="pagenum">[<a id="pb314" href="#pb314"
-name="pb314">314</a>]</span></p>
-<p class="par">Nochtans geef ik toe, dat op eene verminkte plaats als
-deze laatste niet veel te bouwen is.</p>
-<p class="par">Andere verklaringen, b. v. die van Rieger, Bugge en
-Kluge, laat ik, daar zij mijn bestek te buiten gaan, in het midden.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n2" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">2</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">Th&acirc; w&auml;s on burgum B&eacute;owulf
-Scyldinga,</p>
-<p class="line">le&oacute;f le&oacute;d-cyning, longe thr&acirc;ge</p>
-<p class="line">folcum gefraege. 53&ndash;55.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Toen was op den burcht der Schyldingen Beowulf,</p>
-<p class="line xd21e1307">de lieve volkskoning, langen tijd</p>
-<p class="line xd21e1307">den volken vermaard.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Beowulf <i>leefde</i> langen tijd op zijnen burcht
-en niet: hij was langen tijd vermaard, alsof hij het nu niet meer
-was.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">lange thr&acirc;ge</i> bepaalt beter
-<i lang="ang">w&auml;s</i> dan <i>gefraege</i>, daarom plaats ik een
-komma na <i lang="ang">thr&acirc;ge</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n3" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">3</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e23454"><i>sibbe</i> ne wolde</p>
-<p class="line">widh manna hwone m&auml;genes Deniga</p>
-<p class="line">feorh-bealo feorran, fe&oacute; thingian.
-154&ndash;56.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line xd21e23454"><i>Uit vriendschap</i> wilde hij niet</p>
-<p class="line">tegenover iemand van de macht der Denen</p>
-<p class="line">het levenseuvel verwijderen, voor geld bijleggen.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i lang="ang">sibbe</i> is instrumentalis.
-Nochtans is de vriendschap eerder het gevolg der verzoening dan wel de
-oorzaak.</p>
-<p class="par">Daarom komt Bugges verklaring, die <i lang="ang">sibbe</i> als voorwerp beschouwt van <i>wolde</i> en een komma
-plaatst na <i>Deniga</i>, mij aannemelijker voor.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n4" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">4</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">n&ecirc; thaer naenig witena w&ecirc;nan thorfte</p>
-<p class="line">beorthre b&ocirc;te t&ocirc; banan folmum.
-157&ndash;58.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ik vertaal:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Noch een der raden dorst er verwachten</p>
-</div>
-<p class="par first">Schitterender voldoening van den kant des
-moordenaars <span class="pagenum">[<a id="pb315" href="#pb315" name="pb315">315</a>]</span>door middel van de handen d. i. door het
-zwaard.</p>
-<p class="par">Grein:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">Erwarten durfte da der Weisen keiner</p>
-<p class="line">des Mordes <i>S&uuml;hngeld</i> aus des M&ouml;rders
-Handen.</p>
-</div>
-<p class="par first"><i>B&ocirc;te</i> is volgens hem <i>zoengeld</i>
-en schijnt dit ook te zijn voor Socin, daar hij ter plaatse: Leistung
-zur S&uuml;hne, Genugtuung, Tribut aanhaalt.</p>
-<p class="par">Doch dan hebben wij slechts eene herhaling van
-<i>fe&oacute; thingian</i>, en komt <i>n&ecirc;</i> en <i>beorhtre</i>
-niet tot zijn recht.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n5" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">5</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">n&ecirc; his mynne wisse. 169.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">(Grendel zou den Deenschen troon niet beklimmen
-ter oorzake van God) <i>noch had hij daar lust toe</i>.</p>
-<p class="par">Zoo verklaart W&uuml;lcker, waarbij Cosijn zich
-aansluit.</p>
-<p class="par">Socin: <i>ook kende hij niet zijne (Gods) liefde</i>,
-hetgeen, naar hij zelf bekent, stuitend is met het oog op 181&ndash;82,
-&laquo;<span lang="de">welcher Satz auch das Heidentum der Danen
-hervorhebt</span>.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n6" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">6</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">fyrst fordh gew&acirc;t. 210.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">de tijd was verstreken.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ik open hier de <i>parenthese</i> naar &rsquo;t
-voorbeeld van Cosijn.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n7" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">7</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">flota w&auml;s on &#563;dhum,</p>
-<p class="line">b&acirc;t <i>under &#384;eorge</i>. 210&ndash;11.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i lang="ang">Under beorge</i> is niet
-<i>onder</i> den berg (Socin), maar <i>bij</i> den berg (Cosijn).</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n8" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">8</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">stre&aacute;mas wundon <i>sund</i> widh sande
-212&ndash;13.</p>
-<p class="line">Die Stromflut wogte der Sund gen dem Sande.
-(Grein.)</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i lang="ang">sund</i> is nom. en parallel met
-<i lang="ang">stre&aacute;mas</i>.</p>
-<p class="par">Socin vat <i lang="ang">sund</i> verkeerdelijk als acc.
-op: &laquo;de stroomen wonden de zee tegen het zand.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n9" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">9</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">thonne s&auml;gdon th&auml;t sae-lidhende,</p>
-<p class="line">th&acirc; the gif-sceattas Ge&aacute;ta fyredon.</p>
-<p class="line"><i>thyder</i> t&ocirc; thance. 377&ndash;79.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb316" href="#pb316" name="pb316">316</a>]</span></p>
-<div class="lg">
-<p class="line">toen zeiden dit zeevarenden,</p>
-<p class="line">die de kostgaven der Gooten brachten</p>
-<p class="line">daarheen (naar &rsquo;t land der Gooten) ten
-geschenke.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Deze opvatting van Grundtvig wordt door Bugge niet
-aangenomen; immers ze doet onderstellen, dat de Gootische zeevaarders,
-die Hygelac geschenken brachten, eerst bij Hrodgars verblijfplaats
-aanlegden.</p>
-<p class="par">Hij leest daarom in plaats van den gen.
-<i>Ge&aacute;ta</i> den dat. <i>Ge&aacute;tum</i>: zoodat het
-<i>Deensche</i> zeelieden waren, die aan de Gooten geschenken
-brachten.</p>
-<p class="par">Cosijn verandert <i lang="ang">thyder</i>
-&laquo;daarheen&raquo; in <i lang="ang">hyder</i>
-&laquo;hierheen&raquo;; gevers en schippers zijn dan Gooten.</p>
-<p class="par">Deze laatste verklaring veroorlooft ons, het hier
-vermelde feit met andere gebeurtenissen in verband te brengen; immers
-niets staat het vermoeden in den weg, dat deze geschenken voor Hrodgar
-werden aangevoerd, ter beslechting van de veete met de Wylfingen.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n10" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">10</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">h&auml;bbe ic e&aacute;c ge&acirc;hsod, that se
-aeglaeca</p>
-<p class="line">for his won-hy&#774;dum waepna ne r&ecirc;ccedh.
-433&ndash;34.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Cosijn teekent hierbij aan: <i lang="ang">waepna
-ne reccedh</i> &laquo;hij geeft om geen wapens,&raquo; <i lang="la">duplici sensu</i>: hij, de vermetele, draagt geen wapen en vreest
-voor geen wapen, <i>natuurlijk omdat hij zich onkwetsbaar gemaakt had
-door tooverspreuken</i>.</p>
-<p class="par">Dit &laquo;natuurlijk&raquo; wil er bij mij zoo maar
-niet in.</p>
-<p class="par">Beowulf heeft vernomen, dat Grendel <i>niet bang is</i>
-voor wapens, maar dat geen wapen hem <i>kan</i> deren, omdat het door
-hem bezworen is, weet hij niet.</p>
-<p class="par">Er bestaat toch een verschil tusschen: <i>hij vreest
-geen wapen</i> en <i>hij heeft geen wapen te vreezen</i>.</p>
-<p class="par">Buitendien zou Beowulf in tegenspraak zijn met zijne
-eigen woorden 680:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">erschlagen will ich ihn drum mit dem Schwerte nicht</p>
-<p class="line">und so sein Alter k&uuml;rzen, <i>obwol ichs all so
-k&ouml;nnte</i>. (Grein.)</p>
-</div>
-<p class="par first">Welk van beide plaatsen is dan onecht?</p>
-<p class="par">Ten slotte zou 792&ndash;809 (vert. 808&ndash;22) ook
-geen genade kunnen vinden; wat het geval is bij Ettm&uuml;ller en
-M&uuml;llenhoff<span class="corr" id="xd21e23707" title="Bron: .">,</span> die deze verzen uitwerpen. <span class="pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317" name="pb317">317</a>]</span></p>
-<p class="par">Ettm&uuml;llers beweren: &laquo;<span lang="de">da
-Beowulf in seiner Heimat schon wusste, dass Grendel <i>nichts von
-Waffen zu f&uuml;rchten habe</i>, so werden auch seine Begleiter das
-gewusst haben</span>&raquo; berust juist op die verkeerde opvatting van
-<i lang="ang">waepna ne r&ecirc;ccedh</i>. Beowulf wist dat niet en
-zijne makkers evenmin.</p>
-<p class="par">M&uuml;llenhoffs redeneering schijnt mij geheel en al
-uit de lucht gegrepen. Hij zegt: &laquo;<span lang="de">792&ndash;809.
-Auch diese Verse sind schon von Ettm&uuml;ller verworfen.</span></p>
-<p lang="de" class="par">Beowulf sagt 680 f. &laquo;ich will ihn nicht
-mit dem schwerte hinstrecken und des lebens berauben, obgleich ich es
-sehr wohl <i>k&ouml;nnte</i>,&raquo; <i lang="ang">the&aacute;h ic eal
-m&auml;ge</i>. Nur um den waffenlosen Grendel nicht in ungleichem
-kampfe zu bestehen, will auch er nicht der waffen gegen ihn sich
-bedienen.&raquo; En hij vervolgt:</p>
-<p lang="de" class="par">&laquo;die annahme dieser verse 792&ndash;809,
-<i>dass gegen Grendel mit waffen nichts auszurichten sei</i>, weil er
-sich hiebfest gemacht hatte, ist daher ganz ungeh&ouml;rig.&raquo;</p>
-<p class="par">Iets even &laquo;<span lang="de">ungeh&ouml;rig</span>&raquo; is wel M&uuml;llenhoffs lezing.</p>
-<p class="par">De tekst zegt niet: Beowulfs makkers <i>wisten</i>, dat
-er met wapens bij Grendel geene eer in te leggen was, maar juist het
-tegendeel: <i lang="ang">h&icirc;e th&auml;t ne wiston</i>, zij wisten
-dat <i>niet</i>.</p>
-<p class="par">De slotsom van deze uiteenzetting is, dat <i lang="ang">waepna ne r&ecirc;ccedh</i> enkel en alleen beduidt: <i>Grendel
-vreest geen wapen</i>, zoodat twee plaatsen gehandhaafd blijven, wier
-echtheid anders aan gegronden twijfel onderhevig zou zijn.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n11" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">11</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">n&acirc; th&ucirc; m&icirc;nne thearft</p>
-<p class="line">hafalan h&#563;dan, ac h&ecirc; m&ecirc; habban
-wile</p>
-<p class="line">dre&oacute;re f&acirc;hne, gif mec de&aacute;dh nimedh.
-445&ndash;47.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Vertaald volgens Thorpe en Cosijn; zoo komt de
-redegevende beteekenis van <i lang="ang">ac</i> = <i>want</i> beter
-uit.</p>
-<p class="par">Socin denkt aan eene eerewacht, welke volgens de
-Angelsaksische wet aan den koning gegeven werd en dus ook aan Beowulf,
-die van koninklijken bloede was.</p>
-<p class="par">Hij vertaalt diensvolgens: &laquo;gij hoeft met geene
-eerewacht mijn hoofd te hoeden,&raquo; iets waarvan de ongerijmdheid
-voor de hand ligt, daar Grendel het lijk zal meevoeren.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n12" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">12</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">n&ocirc; th&ucirc; ymb m&icirc;nes ne thearft</p>
-<p class="line"><i>l&icirc;ces feorme</i> leng sorgian.
-450&ndash;51.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318" name="pb318">318</a>]</span></p>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line xd21e23454">mir brauchst du nicht</p>
-<p class="line">um meines <i>Leibes Nahrung</i> langer dann zu sorgen.
-(Grein.)</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Evenzoo Socin, naar het voorbeeld van Bugge.</p>
-<p class="par">De zin komt dus hierop neer: &laquo;ben ik dood dan
-hoeft gij mij den kost niet te geven.&raquo;</p>
-<p class="par">Cosijn wijst er op, dat de oorzaak van Bugges dwaling
-gezocht moet worden &laquo;in de letterlijke opvatting van <i>leng</i>
-met een negatie. Beteekent dit &laquo;niet langer,&raquo; dan heeft
-Bugge gelijk... Maar <i>ne-leng</i> beduidt hier: <i>geen
-oogenblik</i><span class="corr" id="xd21e23821" title="Bron: .">,</span> <i>volstrekt niet</i>.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n13" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">13</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line"><i>for were-fyhtum</i>, th&ucirc;, wine m&icirc;n
-Be&oacute;wulf,</p>
-<p class="line">ond for &acirc;r-stafum &ucirc;sic s&ocirc;htest.
-457&ndash;58.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Cosijn verwerpt Bugges vermoeden <i>waere ryhtum
-th&ucirc;</i>: door de verplichting, die de <i>wa&ecirc;r</i>, het
-verbond tusschen vorst en trawant (wa&ecirc;rgengea) oplegt, <i>uit
-bondsverplichting</i>.</p>
-<p class="par">Daar hij voorloopig geene oplossing te gemoet ziet,
-berust ik met Socin bij de gissing van Grundtvig.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n14" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">14</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">thaer w&auml;s h&auml;ledha
-dre&aacute;m,</p>
-<p class="line"><i>dugudh</i> unl&#563;tel Dena ond Wedera.
-497&ndash;98.</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">da war der Helden Jubel</p>
-<p class="line">und nicht wenig <i>M&auml;nner</i> der Wedern und der
-D&auml;nen. (Grein.)</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin kent insgelijks aan <i lang="ang">dugudh</i>
-de beteekenis van <i>krijgsschaar</i> toe; nochtans verwacht men eenen
-parallelvorm met <i lang="ang">dre&aacute;m</i>.</p>
-<p class="par"><i>Dugudh</i> kan hier alleen goed zijn, wanneer het
-<i lang="ang">h&auml;ledha dre&aacute;m</i> nader verklaart. Hymne XI,
-11 wordt de aardsche heerlijkheid door <i lang="ang">dugudhe and
-dre&aacute;mas</i> aangeduid.<a id="xd21e23890" name="xd21e23890"></a>
-(Cosijn).</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n15" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">15</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">Breca naefre git</p>
-<p class="line">&auml;t headho-l&acirc;ce, n&ecirc; gehw&auml;der
-incer</p>
-<p class="line">sw&acirc; de&oacute;rlice daed gefremede</p>
-<p class="line">f&acirc;gum sweordum . . . .</p>
-<p class="line">. . . . . . n&ocirc; ic th&auml;s gylpe;</p>
-<p class="line">the&aacute;h th&ucirc; th&icirc;num br&ocirc;drum
-t&ocirc; banan wurde. 583&ndash;88.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319" name="pb319">319</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par">Socin neemt eene leemte van een vers aan; vandaar dat
-hij in &rsquo;t vervolg &eacute;&eacute;n vers vooruit is op de overige
-uitgaven.</p>
-<p class="par">Ik plaats met Grein <i lang="ang">n&ocirc; ic th&auml;s
-gylpe</i>, dat op zich zelf verstaanbaar genoeg is, tusschen haakjes en
-laat den zin doorloopen.</p>
-<p class="par"><i>Niet bral ik dies</i> d. i. op mijnen zwemtocht, eene
-<i lang="ang">sw&acirc; de&oacute;rlice daed</i>. Socins tittels zijn
-dus overbodig.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n16" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">16</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">(swaefon) ealle b&ucirc;ton &acirc;num. Th&auml;t was
-yldum c&ucirc;dh,</p>
-<p class="line">th&auml;t h&icirc;e ne m&ocirc;ste, th&acirc; metod
-nolde,</p>
-<p class="line">se syn-scadha under sceadu bregdan;</p>
-<p class="line">ac h&ecirc; w&auml;ccende wr&acirc;dhum on andan</p>
-<p class="line">b&acirc;d bolgen-m&ocirc;d beadwa gethinges.
-706&ndash;10.</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line">(sie schliefen) alle ausser einem: Kund ward allen
-Menschen,</p>
-<p class="line">dass sie der Gramfeind nicht, da Gott nicht wollte,</p>
-<p class="line">der schuldvolle Sch&auml;diger durfte unter Schatten
-schwingen,</p>
-<p class="line"><i>sondern</i> wachend harrte er dem W&uuml;terich zum
-Aerger</p>
-<p class="line">auf die Begegnung des Kampfs ergrimmten Mutes.
-(Grein.)</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socins gegevens stemmen hiermede overeen.</p>
-<p class="par">De tegenstelling <i lang="ang">ac</i>: <i lang="de">sondern</i> komt niet tot haar recht.</p>
-<p class="par">Cosijn plaatst <i lang="ang">th&auml;t
-w&auml;s-bregdan</i> tusschen haakjes en laat <i lang="ang">ac</i>, dat
-hier redegevend is, op <i lang="ang">b&ucirc;ton &acirc;num</i> slaan;
-<i lang="ang">ac</i>: <i>want</i> verklaart alsdan, waarom allen
-sliepen uitgenomen Beowulf. De punt na <i lang="ang">&acirc;num</i> zal
-dan door een komma moeten vervangen worden.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n17" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">17</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">th&auml;t w&auml;s t&acirc;cen sweotol,</p>
-<p class="line">sydhdhan hilde-de&oacute;r hond &acirc;legde,</p>
-<p class="line">earm ond eaxle (thaer w&auml;s eal geador</p>
-<p class="line">Grendles gr&acirc;pe) <i>under ge&aacute;pne
-hr&ocirc;f</i>. 834&ndash;37.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin: <i>onder het ruime dak</i>.</p>
-<p class="par">&laquo;<i lang="ang">Under ge&aacute;pne hr&ocirc;f</i>
-is op te vatten als <i lang="ang">under beorge</i> 211 (voor den berg);
-het &laquo;zegeteeken&raquo; van Beowulf werd v&oacute;&oacute;r de
-deur <i lang="ang">on stapol</i> &laquo;op stoep&raquo; op het perron
-gelegd, waar ieder het zien kon.&raquo; (Cosijn).</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n18" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">18</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">thaer w&auml;s on bl&ocirc;de brim weallende,</p>
-<p class="line">atol ydha geswing(,) eal gemenged <span class="pagenum">[<a id="pb320" href="#pb320" name="pb320">320</a>]</span></p>
-<p class="line">h&acirc;ton heolfre, heoro-dre&oacute;re
-we&oacute;l;</p>
-<p class="line"><i>de&aacute;dh-faege de&oacute;g</i>, sidhdhan
-dre&aacute;ma le&aacute;s</p>
-<p class="line">in fen-freodho feorh &acirc;legde, 848&ndash;52.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">daar was in bloed de branding golvend,</p>
-<p class="line">het afschuwelijk golfgeklots, gansch gemengd</p>
-<p class="line">met heeten etter, zwalpte van het zwaardbloed;</p>
-<p class="line"><i>de den dood vervallen (Grendel) verborg zich</i>,
-terwijl hij vreugdeloos</p>
-<p class="line">in de veenverschansing het leven aflegde.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin kent hier aan <i lang="ang">sidhdhan</i> de
-beteekenis toe van <i>terwijl</i>, zoodat hij Grendel te gelijker tijd
-laat onderduiken en sterven, terwijl men verwacht, hem te zien sterven,
-<i>nadat</i> hij ondergedoken is.</p>
-<p class="par">Het euvel ware te verhelpen geweest door met <i lang="ang"><span class="corr" id="xd21e24058" title="Bron: sydhdhan">sidhdhan</span></i> eenen nieuwen hoofdzin te beginnen
-en dit te laten slaan op <i lang="ang">de&aacute;dh-faege
-de&oacute;g</i>: &laquo;sedert d. i. nadat hij zich verscholen had,
-legde hij het leven af.&raquo;</p>
-<p class="par">Cosijns bemerking kan ik niet beamen: &laquo;en leest
-men na een punt <i lang="ang">sidhdhan</i>, dan begrijpt niemand, waar
-dit <i lang="ang">sidhdhan</i> op slaat.&raquo;</p>
-<p class="par">Ziehier nu, hoe Cosijn den zin omwerkt:</p>
-<p class="par">Hij verandert <i lang="ang">on bl&ocirc;de</i> in
-<i lang="ang">bl&ocirc;de</i>, plaatst een kommapunt na <i lang="ang">heolfre</i> en schrapt ze na <i lang="ang">we&oacute;l</i>.</p>
-<p class="par">Hij steunt op 1631 <i lang="ang">lagu dr&ucirc;sade
-..... w&auml;l-dre&oacute;re f&acirc;g</i>, om <i lang="ang">de&aacute;dh-faege</i> in <i lang="ang">de&aacute;dh-f&acirc;ge</i> (= <span lang="ang">w&auml;lf&acirc;ge</span>, bont door den moord) te
-veranderen.</p>
-<p class="par">Vandaar verwerpt hij <i lang="ang">de&aacute;dh-faeges
-de&oacute;p</i> &laquo;des veegen diep&raquo; van Sievers en leest in
-plaats daarvan <i lang="ang">de&aacute;dh-f&acirc;ge de&oacute;p</i>
-&laquo;het moordgepurperd diep.&raquo;</p>
-<p class="par">Ten slotte is <i lang="ang">heoro-dre&oacute;re
-we&oacute;l de&aacute;df&acirc;ge de&oacute;p</i> parallel met het
-voorgaande.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n19" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">19</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">word &ocirc;dher... s&ocirc;dhe gebunden 871 d. i.
-nieuwberijmde woorden.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="n20" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">20</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e23855"><i>wel-hwylc</i> gecw&auml;dh</p>
-<p class="line">th&auml;t h&ecirc; fram Sigemundes secgan hyrde</p>
-<p class="line">ellen-daedum. 875&ndash;77.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line xd21e23855">hij zei <i>alwat</i></p>
-<p class="line">hij had hooren zeggen van Sigemunds</p>
-<p class="line">krachtdaden.</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321" name="pb321">321</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par">Bij Cosijn is <i lang="ang">wel-hwylc</i> = <i lang="ang">a&ecirc;ghwylc</i> (iedereen) en <i>nom. sing.</i> in plaats van
-<i>acc. neutr.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div id="n21" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">21</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e1307">S&ecirc; w&auml;s wreccena w&icirc;de
-maerost</p>
-<p class="line">Ofer wer-the&oacute;de, wigendra hle&oacute;</p>
-<p class="line">ellen-daedum: he th&auml;s &acirc;ron th&acirc;h.</p>
-<p class="line">Sidhdhan Herem&ocirc;des hild swedhrode,</p>
-<p class="line">eafodh ond ellen. 899&ndash;903.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Deze (Sigmund) was der helden wijd vermaardste</p>
-<p class="line">boven de volken, der kampers scherm</p>
-<p class="line">door krachtdaden: des nam hij toe in eer.</p>
-<p class="line">Sedert nam Heremodes kampgeduchtheid af,</p>
-<p class="line">Zijn sterkte en moed.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het springt in &rsquo;t oog, dat Heremod hier met
-de haren er bij getrokken is. Immers welk verband bestaat er tusschen
-<i lang="ang">sidhdhan</i> 902 en het voorafgaande? Hoegenaamd
-geen.</p>
-<p class="par">De verschillende pogingen tot verbetering laat ik
-onbesproken.</p>
-<p class="par">M&uuml;llenhoff schijnt mij het ware getroffen te
-hebben, en het zij mij geoorloofd hier bij te voegen, dat ik buiten hem
-om op eigen hand tot dezelfde uitkomst was geraakt.</p>
-<p class="par">Hij verbindt <i lang="ang">sidhdhan</i>
-&laquo;nadat&raquo; met den hoofdzin <i lang="ang">s&ecirc;
-w&auml;s</i> en plaatst een komma na <i lang="ang">ellen-daedum</i>.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">h&ecirc; th&auml;s &acirc;ron
-th&acirc;h</i> komt in aanmerking als een ingelaschte zin. Men
-vergelijke de vertaling.</p>
-<p class="par">Een klein bezwaar heb ik tegen een van M&uuml;llenhoffs
-verdere ophelderingen: Sigmund is niet de voornaamste held geweest
-<i>v&oacute;&oacute;r</i> Heremod maar <i>na</i> Heremod.</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> Het is de natuurlijke uitlegging van den
-zin: Sigmund was de vermaardste held, <i>sinds</i> Heremods kracht was
-afgenomen.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Heremod komt op de stamtafels der
-Angelsaksische koningen als voorvader van W&ocirc;dan voor en wel op de
-6<sup>de</sup> plaats van bovenaf te beginnen, onmiddellijk voor
-Sceldwa (Scyld). Vgl. Ettm&uuml;ller, Einleitung bl. 7, en Sievers,
-Beitr&auml;ge, XVI bl. 361.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> <i lang="ang">h&ecirc; his le&oacute;dum
-weardh... t&ocirc; aldor-ceare 906</i>: &laquo;hij werd zijne lieden
-tot levenskommer&raquo; laat ik slaan op Sigmund. <span class="pagenum">[<a id="pb322" href="#pb322" name="pb322">322</a>]</span></p>
-<p class="par">Welnu er volgt onmiddellijk: Zoo ook (evenals bij
-Sigmund) betreurde <i lang="ang">aerran maelum</i>, <i>in vroeger
-dagen</i> menig held den tocht van Heremod. Ergo leefde deze naar de
-voorstelling des dichters in een vroeger tijdperk dan Sigmund.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n22" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">22</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e24256">H&ecirc; mid eotenum weardh</p>
-<p class="line">on fe&oacute;nda geweald fordh forl&acirc;cen,</p>
-<p class="line">sn&ucirc;de forsended. Hine sorh-wylmas</p>
-<p class="line">lemede t&ocirc; lange, h&ecirc; his le&oacute;dum
-weardh,</p>
-<p class="line">eallum &auml;dhelingum t&ocirc; aldor-ceare.
-903&ndash;7.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Over de <i>letterlijke</i> vertaling dezer verzen
-zijn de uitgevers het eens, insgelijks over het feit dat vv. <a href="#v908">908&ndash;14</a> van <i>Heremod</i> gewagen; doch de knoop ligt
-hier:</p>
-<p class="par">Is er sprake van Sigmund ofwel van Heremod, en in
-hoeverre? Immers de Angelsaksische tekst springt meer dan eens nog al
-wild om met de persoonlijke voornaamwoorden, zoodat de lezer zich moet
-afvragen, <i>wie</i> eigenlijk gemeend is.</p>
-<p class="par">Deze eigenaardigheid, welke de duidelijkheid in den weg
-staat, doch de critiek eene ruime stof tot bespreking aan de hand doet,
-is buiten kijf toe te schrijven aan het ontstaan van het epos uit
-verschillende afzonderlijke liederen.</p>
-<p class="par">Bugge laat den heelen zin op Heremod slaan: deze werd
-<i lang="ang">forl&acirc;cen</i>: verraden, on <i lang="ang">fe&oacute;nda geweald</i>: in de macht des duivels, <i lang="ang">sn&ucirc;de</i>: door eenen plotselingen dood.</p>
-<p class="par">Daar hij geenen weg weet met de tegenspraak tusschen:
-<i lang="ang">hine sorhwylmas lemede t&ocirc; lange</i>, dat eenen
-goeden, en: <i lang="ang">he his le&oacute;dum weard... t&ocirc;
-aldor-ceare</i>, dat eenen slechten Heremod veronderstelt, verandert
-hij <i lang="ang">hine sorhwylmas</i> in: <i lang="ang">sorhwylma
-hrine</i>: &laquo;door den greep der woelende zorgen verlamde hij het
-volk te lang.&raquo;</p>
-<p class="par"><i lang="ang">mid eotenum</i> = <i>onder de reuzen</i>;
-zoo worden Heremods vijanden geheeten wegens de aanleuning met Sigmund,
-daar de dichter de eerste Heremod-episode aan de Sigmund-episode heeft
-vastgeknoopt.</p>
-<p class="par">De schering en inslag zijner redeneering is als
-volgt:</p>
-<p class="par">De latere tijd, waarin Heremod zijne lieden tot
-levenskommer wierd 905&ndash;7, wordt vergeleken met <i>vroegere</i>
-tijden, <i lang="ang">aerran maelum</i> 908&ndash;14.</p>
-<p class="par">Ook in het eerste tijdperk van zijn leven beantwoordde
-hij niet aan de verwachtingen van zijns vaders raadgevers. <span class="pagenum">[<a id="pb323" href="#pb323" name="pb323">323</a>]</span>Hij
-ontving niet &rsquo;s vaders adel, hij verdedigde niet het volk en het
-rijk der Schildingen. Hij ondernam toen eenen tocht <i lang="ang">s&icirc;dh</i> 909, dien menig wijze man afkeurde: In plaats van
-het hard bestookte rijk te verdedigen, was hij naar elders vertrokken,
-waarschijnlijk om daar te kampen.</p>
-<p class="par"><i>Later</i> kwam hij terug en heerschte zoo gruwzaam
-over de Schildingen, dat hij verraden en in de eenzaamheid vermoord
-werd. 903&ndash;5. Tot hiertoe Bugge.</p>
-<p class="par">Het gaat niet aan, de lezing van het Hs. zoo maar over
-boord te werpen, vooral als geen andere grond kan ingeroepen worden,
-dan het niet alleen staande gebruik van het enkelv. <i lang="ang">lemede</i> bij een meervoudig onderwerp, <i lang="ang">mid
-eotenum</i> blijft in de toepassing op Heremod altijd gewaagd.</p>
-<p class="par">Eindelijk, en dit is het voornaamste bezwaar, wordt
-Sigmund geheel en al uit het oog verloren, alsof er geen betrekking
-tusschen hem en Heremod bestond.</p>
-<p class="par">Waarom heeft de dichter hem dan met Heremod in verband
-gebracht? In de Edda worden zij ook te zamen genoemd, dat is dus niet
-louter toevallig.</p>
-<p class="par">Blijkens mijne vertaling betrekt zich <i lang="ang">h&ecirc;</i> 903, <i lang="ang">hine</i> 905, <i lang="ang">h&ecirc;</i> 906 uitsluitend op Sigmund. Na <i lang="ang">t&ocirc; lange</i> plaats ik een dubbel punt; <i lang="ang">h&ecirc; his le&oacute;dum weardh to aldor-ceare</i> zinspeelt op
-Sigmunds <i>dood</i> in de macht der Nevelingen.</p>
-<p class="par">Zoodoende blijft de tekst gewaarborgd, staat <i lang="ang">mid eotenum</i> op zijne plaats, wordt Sigmund niet doodgezwegen,
-en vervalt alle tegenspraak.</p>
-<p class="par">Door Heremods <i lang="ang">sidh</i> &laquo;gang,
-tocht&raquo; is dan zijn vertrek in de ballingschap te verstaan, hetzij
-hij de tegenkanting moede vrijwillig ging, hetzij gedwongen.</p>
-<p class="par">Immers v. <a href="#v916">916</a> wordt gezegd, dat
-&laquo;vervolging, vijandschap&raquo; aan Heremod ten deel viel,
-<i lang="ang">hine fyren onw&ocirc;d</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n23" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">23</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">st&ocirc;d <i>on stapole</i>, geseah ste&aacute;pne
-<i>hr&ocirc;f</i></p>
-<p class="line">golde f&acirc;hne ond Grendles hond. 927&ndash;28.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">(Hrodgar) stond <i>tegen eene zuil</i>, zag naar
-het steile <i>dak</i> het goudbonte en naar Grendels hand.</p>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e24256">sidhdhan &auml;delingas eorles
-cr&auml;fte</p>
-<p class="line"><i>ofer he&aacute;hne hr&ocirc;f</i> hand
-sce&aacute;wedon. 983&ndash;84.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">sinds de edellieden dank aan des helden kracht</p>
-<p class="line"><i>over den hoogen dakstoel</i> de hand schouwden.</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb324" href="#pb324" name="pb324">324</a>]</span></p>
-<p class="par">&laquo;Het heeft er veel van, alsof de hand later boven
-of ter hoogte van het dak was aangebracht... We weten nu wel beter,
-dank zij Miller. Verkeerdelijk verklaart Socin: <span lang="de"><i lang="ang">ofer he&acirc;hne hr&ocirc;f</i>, &uuml;ber den
-hohen Dachstuhl hinweg<span class="corr" id="xd21e24433" title="Bron: .">,</span> d. i. den Raum des Dachstuhls ausf&uuml;llend; ergo
-<i lang="ang">ofer</i> = <i>under</i>!</span></p>
-<p class="par">Ten slotte: vs. 1303 moet Grendel&rsquo;s hand weer van
-het dak verwijderd zijn, want zijn moeder klautert niet naar
-boven.&raquo; Cosijn. Vgl. Aanm. 17. Millers opstel over deze plaats
-heb ik niet kunnen raadplegen.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n24" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">24</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">(sce&aacute;wedon) fe&oacute;ndes fingras, foran
-aeghwylc;</p>
-<p class="line">w&auml;s st&ecirc;dra n&auml;gla gehwylc style
-gel&icirc;cost. 985&ndash;86</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Mijne vertaling van deze veel bestreden plaats
-sluit zich bij Socin aan.</p>
-<p class="par">Sievers plaatst een dubbel punt na <i lang="ang">fingras</i>, zoodat <i lang="ang">foran aeghwylc</i> tot <i lang="ang">w&auml;s</i> behoort; hij leest <i lang="ang">st&icirc;dhra</i>
-(hard) in plaats van <i lang="ang">st&ecirc;dra</i> (vast):</p>
-<p class="par">&laquo;van voren was elk der harde nagels het meest
-gelijkend op staal.&raquo;</p>
-<p class="par">Cosijn houdt het met het Hs: <i lang="ang">steda</i> en
-slaat <i lang="ang">a&ecirc;ghwa&ecirc;r</i> (in plaats van <i lang="ang">a&ecirc;ghwylc</i>) voor, dat met een gen. van plaats verbonden
-wordt: <i lang="ang">a&ecirc;ghwa&ecirc;r steda</i>, op alle plaatsen
-(waar nagels groeien). Wij krijgen dus:</p>
-<p class="par">&laquo;Op alle plaatsen waren de nagels van voren (de
-punten der nagels) het meest gelijkend op staal d. i. hard als
-staal.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n25" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">25</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">N&ocirc; th&auml;t &#563;dhe bydh</p>
-<p class="line">t&ocirc; befle&oacute;nne (fremme se the wille!)</p>
-<p class="line">ac gesacan sceal s&acirc;wl-berendra</p>
-<p class="line">n&#563;de gen&#563;dde nidhdha bearna</p>
-<p class="line">grund-b&ucirc;endra gearwe st&ocirc;we,</p>
-<p class="line">thaer his <i>l&icirc;c-homa leger-bedde
-f&auml;st</i></p>
-<p class="line">swefedh &auml;fter symle. 1003&ndash;9.</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">nicht leicht wirds einem,</p>
-<p class="line">dem zu entfliehen (vollf&uuml;hr&rsquo; es wer da
-will!)</p>
-<p class="line">sondern suchen soll der Seelentragenden</p>
-<p class="line">der Erdbewohner jeder, der Edelinge Kinder,</p>
-<p class="line">mit Gewalt gen&ouml;tigt die wartende St&auml;tte,</p>
-<p class="line">allwo sein <i>Leichnam dann am Lagerbette fest</i></p>
-<p class="line">(nach den Mahle) schl&auml;ft.</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb325" href="#pb325" name="pb325">325</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par">Aldus Grein, doch met de beteekenis van <i lang="ang">symle</i>: <i lang="de">best&auml;ndig</i>. Deze gebrekkige
-plaats biedt twee <span class="corr" id="xd21e24539" title="Bron: moei&rsquo;ijkheden">moeilijkheden</span> aan:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> Waarop betrekt zich <i>th&auml;t</i>
-1003?</p>
-<p class="par">Ik blijf het antwoord schuldig, tenzij ik met Thorpe uit
-<i lang="ang">aldres or-w&ecirc;na</i> &laquo;aan &rsquo;t leven
-vertwijfelend&raquo; het antecedent <i>dood</i> opmaak.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Ziehier der lange rede korten zin: de dood
-is niet gemakkelijk te ontvlieden, want iedereen zal sterven!</p>
-<p class="par">Mijne vertaling tracht er eene mouw aan te passen:
-<i lang="ang">l&icirc;c-homa</i> is <i>lichaam</i> en niet <i>lijk</i>;
-<i>leger-bedde f&auml;st</i> is &laquo;gekluisterd op het
-rustbed&raquo; en niet op het <i>doodsbed</i>, waarvoor <i lang="ang">on w&auml;lbedde</i> 965 en <i lang="ang">de&aacute;dbedde
-f&auml;st</i> 2902 voorkomt.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">fremme s&ecirc; the wille</i> is eene
-flauwe opmerking.</p>
-<p class="par">Men zou eerder: &laquo;volvoere hij wat hij wil&raquo;
-of iets dergelijks verwachten.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n26" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">26</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line"><i>fore</i> Healfdenes hilde-w&icirc;san 1065</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Naar Cosijn kan dit alleen beteekenen: voor de
-oogen d. i. in tegenwoordigheid of ten aanhooren van Healfdeens
-krijgsoverste.</p>
-<p class="par">Indien dit zoo is, en niemand zal op het gebied der
-Angels. taalkennis zijn gezag in twijfel trekken, zou dan de
-moeilijkheid niet uit den weg te ruimen zijn door <i lang="ang">Healfdenes</i> in <i lang="ang">Healfdena</i> te veranderen? De
-vertaling zou luiden:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Toen werd gezang en klank te zaam vereenigd</p>
-<p class="line">In &rsquo;t bijzijn van den vorst der Hallef-Denen</p>
-</div>
-<p class="par first">d. i. van Hrodgar; immers Halfdeen en Deen kunnen
-voor elkaar gebruikt worden. Vgl. 1091.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n27" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">27</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">thonne heal-gamen Hr&ocirc;dg&acirc;res scop</p>
-<p class="line">&auml;fter medo-bence maenan scolde. 1067&ndash;68.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Na <i lang="ang">heal-gamen</i> plaats ik een
-kommapunt en onderversta <i lang="ang">w&auml;s</i>: nu was er
-hallevreugd.</p>
-<p class="par">Derhalve moet er bij Socin, indien zijn <i lang="ang">heal-gamen nom. sing.</i> geen vergissing is, noodwendig een
-scheiteeken volgen.</p>
-<p class="par">De uitgevers zien in <i lang="ang">heal-gamen</i> een
-<i>acc.</i> afhangende van <i lang="ang">maenan</i>; <i lang="ang">thonne</i> leidt alsdan den bijzin in:</p>
-<p class="par">(Het lied werd aangeheven), toen Hrodgars zanger de
-hallevreugde langs de medebanken moest verkonden. <span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326" name="pb326">326</a>]</span></p>
-<p class="par">Cosijn koestert nochtans bedenkingen tegen den vorm:
-<i>healgamen ma&ecirc;nan</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n28" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">28</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">th&auml;t h&ecirc; ne mehte on thaem medhel-stede</p>
-<p class="line">w&icirc;g Hengeste wiht gefeohtan,</p>
-<p class="line">n&ecirc; th&acirc; we&aacute;-l&acirc;fe w&icirc;ge
-forthringan</p>
-<p class="line">the&oacute;dnes thegne. 1083&ndash;86</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">dat hij geenszins vermocht op de
-onderhandelingsplaats</p>
-<p class="line">aan (met) Hengest den kamp te kampen,</p>
-<p class="line">noch (zijne) ongeluksresten in den strijd te
-ontrukken</p>
-<p class="line">aan &rsquo;s konings veldheer.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>W&icirc;g</i> komt tweemaal voor; buitendien
-zeggen 1085&ndash;86 in den grond hetzelfde als de twee voorafgaande
-verzen.</p>
-<p class="par">Waar blijft dan de kracht van <i lang="ang">n&ecirc;</i>: <i>noch</i> 1085, dat toch iets anders moet te
-berde brengen?</p>
-<p class="par">Rieger krijgt een goeden zin, mits de geringe
-verandering van <i lang="ang">w&icirc;g Hengeste wiht gefeohtan</i> in
-<i lang="ang">wiht Hengeste widh gefeohtan</i>: Finn kan <i>noch</i>
-een voordeel verkrijgen, <i>noch</i> datgene behouden wat hij nog
-bezat.</p>
-<p class="par">Ik heb Riegers gewijzigden tekst gevolgd.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n29" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">29</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">hire selfre sunu. 1116.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i lang="ang">Sunu</i> is niet acc.
-<i>sing<span class="corr" id="xd21e24723" title="Niet in bron">.</span></i> als bij Socin en Ettm&uuml;ller, maar acc.
-<i>plur<span class="corr" id="xd21e24728" title="Niet in bron">.</span></i>: &laquo;<span lang="de">die eignen
-Gebornen</span>.&raquo; (Grein.)</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n30" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">30</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">Gewiton him tha w&icirc;gend w&icirc;ca
-ne&oacute;sian,</p>
-<p class="line">fre&oacute;ndum befeallen Frysland gese&oacute;n,</p>
-<p class="line">h&acirc;mas ond he&aacute;-burh. 1126&ndash;28.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">In sommige bijzonderheden wijkt Socin van Bugges
-opvatting der Finnepisode af.</p>
-<p class="par">De <i lang="ang">w&icirc;gend</i>: <i>strijders</i> zijn
-voor hem <i>andere</i> Denen, die inmiddels zijn overgekomen, om hunne
-vrienden, waarvan zij zoo lang beroofd waren, te bezoeken.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">he&agrave;-burh</i> is dan de Finnsburg en
-bevindt zich <i>in</i> Friesland.</p>
-<p class="par">Men kan Socin in overweging geven, waarom Hengest, na
-deze versterking, nog den ganschen, langen winter blijft dralen,
-alvorens zijn opzet uit te voeren; daar toch Finns krijgers tot een
-onbeduidend hoopje geslonken zijn? <span class="pagenum">[<a id="pb327"
-href="#pb327" name="pb327">327</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="n31" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">31</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e1307">odh th&auml;t &ocirc;dher c&ocirc;m</p>
-<p class="line">ge&acirc;r in geardas, sw&acirc; n&ucirc; gyt
-d&ecirc;dh,</p>
-<p class="line">th&acirc; the syngales s&ecirc;le bewitiadh,</p>
-<p class="line">wuldor-torhtan weder. 1134&ndash;37,</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">totdat een ander jaar gekomen was</p>
-<p class="line">in het hof, zooals het nu nog doet,</p>
-<p class="line">indien men voortdurend op den gunstigen tijd let,</p>
-<p class="line">op het heerlijk heldere weder.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin vat <i lang="ang">th&acirc; the</i> als
-<i>indien</i> en <i lang="ang">wuldor-torhtan weder</i> als <i>acc.</i>
-op; dit laatste ook Grein.</p>
-<p class="par">Deze verklaring komt mij al te gezocht voor; om te weten
-dat de lente geregeld terugkomt, moet men toch geen weerprofeet
-zijn.</p>
-<p class="par">De onregelmatigheid bestaat hierin, dat het relat. plur.
-<i lang="ang">th&acirc;</i> zich niet alleen betrekt op <i lang="ang">ge&acirc;r</i>; maar ook op een woord, dat <i>volgt</i>, op
-<i lang="ang">wuldor-torhtan weder</i>.</p>
-<p class="par">Alsdan is de zin: totdat een ander jaar, de lente kwam,
-welke voortdurend op hun tijd letten d. i. te hunnen tijde verschijnen.
-<i lang="ang">wuldor-torhtan weder</i> is dan <i>nom</i>.</p>
-<p class="par">Cosijn verdedigt deze opvatting.</p>
-<p class="par">Zou men de volgorde der verzen niet kunnen wijzigen en
-lezen:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">odh th&auml;t &ocirc;dher c&ocirc;m</p>
-<p class="line">ge&acirc;r in geardas, sw&acirc; n&ucirc; gyt
-d&ecirc;dh,</p>
-<p class="line">wuldor-torhtan weder, th&acirc; the syngales</p>
-<p class="line">s&ecirc;le bewitiadh?</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="n32" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">32</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">worod-raedenne. 1143.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">M&ouml;ller en Bugge vertalen dit woord door
-<i lang="de">Gefolgschaftsverh&auml;ltnis</i>, leenmanschap.</p>
-<p class="par">Cosijn staaft door verscheidene aanhalingen, dat
-<i lang="ang">worod-raedenne</i> alleen &laquo;troepschap,
-troepuitmaking, troep&raquo; kan beteekenen. Mijn
-&laquo;wapenlieden&raquo; is eene toenadering tot deze beteekenis.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n33" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">33</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">sw&acirc; h&ecirc; ne forwyrnde worod-raedenne,</p>
-<p class="line">thonne him H&ucirc;n L&acirc;fing
-hilde-le&oacute;man,</p>
-<p class="line">billa s&ecirc;lest, on bearm dyde:</p>
-<p class="line">th&auml;s waeron mid Eotenum ecge c&ucirc;dhe.
-1143&ndash;46.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328" name="pb328">328</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par">Cosijn neemt weer de oude verklaring op van Hornburg,
-die voorslaat, <i lang="ang">H&ucirc;nl&acirc;fing</i> niet te scheiden
-en als den naam van &eacute;&eacute;n persoon te beschouwen. De zin is
-alsdan:</p>
-<p class="par">Dus weigerde Hengest niet zich bij den troep aan te
-sluiten (tot de samengezworen Denen over te gaan), toen Hunlafing (een
-der samenzweerders) hem het zwaard aanbood, welks snede onder de
-Friezen beroemd was (dat in den kamp met de Friezen reeds goede
-diensten had bewezen).</p>
-<p class="par">Moet men <i lang="ang">H&ucirc;nl&acirc;fing</i> met
-Bugge in <i>twee</i> of met Cosijn in <i>een</i> woord lezen? <i lang="la">Adhuc sub judice lis est.</i></p>
-<p class="par">Wat ten gunste van den laatste pleit is, dat Hengest
-niet meer noodig had Finns leenman te worden, daar hij het al was;
-immers had hij hem niet sinds een jaar als koning aanerkend?</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n34" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">34</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">ne meahte w&auml;fre m&ocirc;d</p>
-<p class="line">forhabban in hredhre. 1151&ndash;52.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">niet kon (Finns) weifelende levensgeest</p>
-<p class="line">zich houden in de borst.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">d. i. Finn moest sterven. Socin ziet over het
-hoofd, dat <i lang="ang">ne meahte forhabben</i>: <i>zich niet
-inhouden, zich niet betoomen beduid</i>t. Vgl. 2610 <i lang="ang">ne
-mihte th&acirc; forhabban</i>: Wiglaf kon zich toen niet meer inhouden,
-maar zijne hand greep het schild enz.</p>
-<p class="par">Cosijn verwerpt Bugges opvatting (zie Vert.) en laat
-<i lang="ang">meahte</i> slaan &ograve;f op (<i>Finnes</i>) <i lang="ang">m&ocirc;d</i> &ograve;f op Finn zelf.</p>
-<p class="par">De zin is in deze veronderstelling:</p>
-<p class="par">Zoo greep nu Finn de wapendood in zijne eigen woning,
-nadat Gudlaf en Oslaf hunnen grooten rampspoed aan Finn hadden
-verweten. Bij die verwijtingen kon Finn zijn bruisend gemoed, zijnen
-toorn niet in zijne borst betoomen. (ofwel: kon Finns bruisend gemoed
-zich niet betoomen.)</p>
-<p class="par">Wie van beiden heeft het ware voor?</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n35" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">35</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">Ad. 1158.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Dat Hildeburg waarschijnlijk eene in den oorlog
-<i>geschaakte</i> Deensche vorstin is, als Socin voorgeeft, blijkt
-nergens. Vgl. vert. 1085 nota.</p>
-<p class="par">Zijne verwijzing naar 2931 is glad verkeerd; daar is
-sprake van Ongentheows echtgenoote, Elan, en niet van Hildeburg.
-<span class="pagenum">[<a id="pb329" href="#pb329" name="pb329">329</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="n36" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">36</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">heal sw&ecirc;ge onf&ecirc;ng 1215.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin behoudt de lezing van het Hs. &laquo;de hal
-ontving het gejubel&raquo; d. i. de hal weerklonk van het gejubel.</p>
-<p class="par">&laquo;Maar de uitdrukking is te singulier&raquo;;
-vandaar dat Cosijn <i lang="ang">healsb&ecirc;ge onf&ecirc;ng</i>:
-&laquo;Wealchtheow ontving de halsboot&raquo; voorslaat.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n37" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">37</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">druncne dryht-guman, <i>d&ocirc;dh sw&acirc; ic
-bidde</i> 1232</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line">ihr trunknen Helden, thut wie ich euch bitte.
-(Grein.)</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het verzoek der koningin kan toch niet tot doel
-hebben, zooals Sievers zegt, om de helden tot pooien aan te zetten. Wat
-moeten zij dan doen?</p>
-<p class="par">Sievers verandert <i lang="ang">d&ocirc;dh</i> in
-<i>d&ocirc;</i> en doet het op het boven aan Beowulf gerichte verzoek
-slaan.</p>
-<p class="par">Kluge ziet er met recht eene opwekking in om eensgezind
-te blijven en verandert <i>is</i> 1229 in <i>si</i> (s&icirc;) d. i. in
-de bijvoegende wijs. In hetzelfde opstel wijst hij er op, dat men de
-oude uitgevers dient te raadplegen: &laquo;<span lang="de">Grade die
-&auml;lteren Editoren haben manchen guten Gedanken gehabt, der nie
-recht zur Geltung gekommen ist.</span>&raquo;</p>
-<p class="par">Welnu zijne opvatting bevindt zich reeds bij
-Ettm&uuml;ller, welke bij <i lang="de">thut wie ich bitte</i>
-aanteekent: &laquo;<span lang="de">trinket und seid in Eintracht
-fr&ouml;hlich</span>.&raquo;</p>
-<p class="par">Ik stel voor na <i lang="ang">sw&acirc;</i> een komma te
-plaatsen: <i lang="ang">d&ocirc;dh sw&acirc;, ic bidde</i>: &laquo;doet
-alzoo, ik verzoek het u.&raquo;</p>
-<p class="par"><i lang="ang">sw&acirc;</i> ziet alsdan terug op
-1229&ndash;30 <i lang="ang">h&ecirc;r is aeghwylc eorl &ocirc;dhrum
-getr&#563;we</i> enz.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n38" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">38</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">be&oacute;r-scealca sum</p>
-<p class="line">f&ucirc;s ond faege flet-r&auml;ste gebe&aacute;g.
-1241&ndash;42.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Grein: der <i>Bierdiener mancher</i>; Socin in
-voce <i>be&oacute;r-scealc</i>: <i>einer</i> von Hrodg&acirc;rs
-Gefolgsleuten.</p>
-<p class="par">Daar <i>sum</i> in beide beteekenissen voorkomt, staat
-de keus vrij; vooral nu het gedicht, dat in het vervolg van geenen
-<i>be&oacute;r-scealc</i> rept, geene uitkomst oplevert.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n39" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">39</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">thaer on bence w&auml;s</p>
-<p class="line"><i>ofer &auml;dhelinge</i> &#563;dh-ges&ecirc;ne</p>
-<p class="line">headho-ste&agrave;pa helm 1244&ndash;46.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb330" href="#pb330" name="pb330">330</a>]</span></p>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">An der Bank war da</p>
-<p class="line">offen sichtbar <i>&uuml;ber dem Edelinge</i></p>
-<p class="line">der ragendhohe Helm. (Grein.)</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wie is die edelman? Het kan niemand anders zijn
-dan Beowulf. Of is hier soms <i lang="ang">b&eacute;or-scealca sum</i>,
-ofwel de veel later genoemde <i>Aschere</i> gemeend? Voor Socin, in
-voce <i lang="ang">&auml;dheling</i>, is het <i>Beowulf</i>.</p>
-<p class="par">Doch Beowulf was er niet, <i lang="ang">n&auml;s Beowulf
-thaer</i> 1300, later wordt hij geroepen 1311.</p>
-<p class="par">Bij gevolg blijft er niets anders over dan het
-enkelv<span class="corr" id="xd21e25093" title="Niet in bron">.</span>
-<i lang="ang">ofer &auml;dhelinge</i> in het meerv. <i lang="ang">ofer
-&auml;dhelingum</i> te veranderen.</p>
-<p class="par">Het zijn alsdan de in Heorot vernachtende Deensche
-krijgers.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n40" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">40</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">th&auml;t gesyne weardh,</p>
-<p class="line">w&icirc;d-c&ucirc;dh werum, <i>th&auml;tte wrecend
-th&ucirc; gyt</i></p>
-<p class="line"><i>lifde</i> &auml;fter l&acirc;dhum, lange
-thr&acirc;ge</p>
-<p class="line">&auml;fter g&ucirc;dh-ceare. 1256&ndash;59.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i lang="ang">th&auml;tte wrecend th&acirc; gyt
-lifde</i> &laquo;dat er nog een wreker leefde&raquo; is volgens
-Ettm&uuml;ller, Grein en M&uuml;llenhoff niemand anders dan <i>Grendels
-moeder</i>.</p>
-<p class="par">Maar welke waarde moet dan toegekend worden aan
-<i><span lang="ang">lange thr&acirc;ge</span>, eenen langen
-tijd</i>?</p>
-<p class="par">Er waren toch hoogstens 24 uren verloopen sedert
-Grendels dood!</p>
-<p class="par">Het ligt dus voor de hand, dat Grendels moeder
-onmogelijk kan bedoeld worden. Grendel had gedurende <i>twaalf
-jaren</i> in Heorot vreeselijk huisgehouden, <i>na dien langen tijd</i>
-zou God hem straffen.</p>
-<p class="par">Deze verzen zijn uit de pen gevloeid van den
-christelijken nadichter.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n41" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">41</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">thonne w&ecirc; on orlege</p>
-<p class="line">hafelan weredon, thonne hniton f&ecirc;dhan,</p>
-<p class="line"><i>eoferas</i> cnysedan. 1327&ndash;29.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Is het wel noodig met Socin <i lang="ang">eoferas</i> overdrachtelijk te verstaan voor <i>koene
-krijgers</i>? Kan het woord niet met Grein in letterlijke beteekenis
-worden opgevat: als de evers, die zich op de helmen bevonden, op
-elkander instormden? <span class="pagenum">[<a id="pb331" href="#pb331"
-name="pb331">331</a>]</span></p>
-<p class="par">De aanschouwelijkheid der voorstelling zou er veel bij
-winnen.</p>
-<p class="par">Buitendien wordt in ons gedicht een dapper krijgsman wel
-<i>wolf</i> geheeten, maar nergens <i>ever</i>: <i lang="ang">heore-wearh</i> 1268, <i lang="ang">freca Scyldinga</i> 1564.</p>
-<p class="par">Cosijn stelt voor de <i>interpunctie</i> te wijzigen;
-dan vervalt het boven gezegde.</p>
-<p class="par">Hij plaatst <i lang="ang">thonne hniton f&ecirc;dhan</i>
-tusschen haakjes en ziet in <i>eoferas</i> eenen acc. beheerscht door
-<i lang="ang">cnysedan</i>:</p>
-<p class="par">&laquo;Als wij in den oorlog het hoofd beschermden
-(terwijl de voetknechten op elkander stieten) en de helmevers
-verbrijzelden.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n42" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">42</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">ge feor hafadh faehdhe gestaeled 1341.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Cosijn bewijst uit andere teksten, dat <i lang="ang">faehde staelan</i> niets anders kan beteekenen dan &laquo;veete,
-vijandschap bedrijven.&raquo;</p>
-<p class="par">Socins verklaring: <span class="corr" id="xd21e25216"
-title="Niet in bron">&laquo;</span><span lang="de">Grendels Mutter hat
-uns fernerhin ihre Feindschaft <i>auferlegt</i></span>&raquo; kan dus
-niet in aanmerking komen.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n43" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">43</h3>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><i lang="ang">lond-b&ucirc;end</i> 1346 <i>nom.
-plur.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Dit zal wel eene drukfout wezen voor <i>acc.
-plur.</i></p>
-<p class="par">Eveneens <i lang="ang">f&#563;r</i> 1367, waarbij het
-<i>acc. sing.</i> en niet <i>nom. sing.</i> moet heeten.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n44" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">44</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">th&acirc; w&auml;s <i>hw&icirc;l
-d&auml;ges</i>,</p>
-<p class="line">aer h&ecirc; thone grund-wong ongytan mehte.
-1496&ndash;97.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line xd21e1307">er was <i>de duur van eenen dag</i> mede
-gemoeid,</p>
-<p class="line">alvorens hij de bodemvlakte kon bereiken.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">M&uuml;llenhoff kent aan <i lang="ang">hw&icirc;l
-d&auml;ges</i> de beteekenis toe van <i lang="de">eine stunde tages</i>
-en niet ten onrechte.</p>
-<p class="par">De meening van Socin en anderen is in tegenspraak met de
-feiten. Beowulf kon geenen ganschen dag noodig gehad hebben, om den
-bodem van het meer te bereiken, daar hij zich &rsquo;s morgens op weg
-begeeft en om 3 uur &rsquo;s namiddags weer terug is 1601.</p>
-<p class="par">Hoe kon ook het water blijkens 1592 vlg.
-<i>aanstonds</i>, <i lang="ang">s&ocirc;na</i>, roodgekleurd zijn?</p>
-<p class="par">Eindelijk moest Beowulfs terugkomst uit de diepte ook
-weer eenen ganschen dag in beslag nemen! <span class="pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332" name="pb332">332</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="n45" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">45</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">sw&acirc; h&ecirc; ne mihte n&ocirc; (h&ecirc;
-th&auml;s m&ocirc;dig was)</p>
-<p class="line">waepna gewealdan. 1509&ndash;10.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zoodat hij niet vermocht (hij was daartoe moedig)</p>
-<p class="line">over de wapens te beschikken.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Om wille van de juiste verdeeling van het vers
-verbinden Sievers en Cosijn de ontkenning <i lang="ang">n&ocirc;</i>
-met de <i>parenthese</i>: <i lang="ang">n&ocirc; h&ecirc; th&auml;s
-m&ouml;dig w&auml;s</i>; daar <i lang="ang">n&ocirc;</i> als begin van
-het laatste halfvers meer voorkomt.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n46" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">46</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">Oferwearp th&acirc; w&ecirc;rig-m&ocirc;d wigena
-strengest,</p>
-<p class="line">f&ecirc;dhe-cempa, th&auml;t h&ecirc; on fylle weardh.
-1544&ndash;45.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zielsvermoeid struikelde toen de sterkste der
-strijders,</p>
-<p class="line">der voetkampers, dat hij kwam te vallen.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Cosijn brengt de vertaling dezer verzen
-volgenderwijze terecht:</p>
-<p class="par"><i lang="ang">oferweorpan</i> beteekent
-&laquo;omverwerpen&raquo; en is overgankelijk. Ter wille van deze
-plaats fabriceert men een intransitief <i lang="ang">oferweorpan</i> in
-den zin van &laquo;struikelen.&raquo;</p>
-<p class="par">De wolvin is hier onderwerp en werpt bij wijze van
-<i lang="ang">andle&aacute;n</i> Beowulf op den grond. Ze is <i lang="ang">w&ecirc;rigm&ocirc;d</i>, doordat ze <i lang="ang">on flet
-gebe&aacute;h</i>. In plaats van <i>strengest</i> leze men
-<i>strengel</i> en voege aan <i lang="ang">f&ecirc;dhecempa</i> eene
-<i>n</i> toe, die het Anglisch origineel waarschijnlijk niet kende. Dus
-<i lang="ang">f&ecirc;dhecempan</i> acc.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n47" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">47</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">rodera raedend hit on ryht gesc&ecirc;d</p>
-<p class="line">&#563;del&icirc;ce, sydhdhan he eft &acirc;st&ocirc;d.
-1556&ndash;57.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Sorin verbindt in voce <i lang="ang">&#563;del&icirc;ce</i> dit laatste met <i lang="ang">&acirc;st&ocirc;d</i>:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">de hemelbestuurder besliste het volgens recht,</p>
-<p class="line">met gemak stond hij daarna weder op</p>
-</div>
-<p class="par first">In dit geval hapert er iets, nl. de zinstorende
-wijze, waarop hij de scheiteekens plaatst, immers het komma na <i lang="ang">&#563;del&icirc;ce</i> moet wegvallen en na <i lang="ang">gesc&ecirc;d</i> staan.</p>
-<p class="par">Sievers verbindt <i lang="ang">&#563;del&icirc;ce</i>
-met <i lang="ang">gesc&ecirc;d</i>:</p>
-<p class="par">God besliste het gemakkelijk volgens recht en toen stond
-Beowulf weder op.</p>
-<p class="par">Cosijn heeft het ware voor. Men raadplege de vertaling.
-<span class="pagenum">[<a id="pb333" href="#pb333" name="pb333">333</a>]</span></p>
-<p class="par">Immers Gods hulp bestaat niet hierin, dat hij Beowulf
-weder laat opstaan; maar dat hij hem het reuzenzwaard aan den wand laat
-bemerken.</p>
-<p class="par">Vgl. v. <a href="#v1662">1662</a>: &laquo;God verleende
-mij, dat ik een oud reuzenzwaard zag hangen.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n48" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">48</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">hw&icirc;lum h&ecirc; <i>on lufan</i> laetedh
-hworfan</p>
-<p class="line">monnes m&ocirc;d-gethonc, maeran cynnes.
-1729&ndash;30.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Somtijds laat hij (God) op landbezit gaan</p>
-<p class="line">den hartelust eens mans van vermaard geslacht.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Cosijns verklaring geeft niet alleen aan
-<i>lufa</i> = <i>liefde</i> de juiste beteekenis, maar past ook het
-beste in den samenhang:</p>
-<p class="par">God laat zijnen geest (<i lang="ang">m&ocirc;d-gethanc</i>) verkeeren (ontbranden) in <i>liefde</i>
-(<i lang="ang">on lufan</i>) voor eenen man enz.</p>
-<p class="par">Heyne-Socin kennen aan <i lang="ang">lufa</i> de
-beteekenis van &laquo;<span lang="de">Grundbesitz,
-L&auml;ndereien</span>&raquo; toe, ofschoon zij <i lang="ang">luf-t&acirc;cen</i> 1864 door &laquo;Liebeszeichen&raquo;
-<i lang="ang">he&aacute;hlufan</i> 1955 door &laquo;hohe Liebe&raquo;
-en <i lang="ang">lufian</i> 1983 door &laquo;lieben&raquo;
-weergeven.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n49" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">49</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">heht th&acirc; se hearda Hrunting beran,</p>
-<p class="line">sunu Ecgl&acirc;tes, heht his sweord niman,</p>
-<p class="line">le&oacute;fl&icirc;c &icirc;ren; sagde him th&auml;s
-le&aacute;nes thanc. 1808&ndash;10.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Deze plaats is voor verschillende verklaringen
-vatbaar. Grein vertaalt:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">Da hiess den Hrunting der Beherzte bringen</p>
-<p class="line">der Sohn des Ecglaf, hiess ihn sein Schwert
-empfangen,</p>
-<p class="line">das liebliche Eisen. Er dankte der Liebesgabe.</p>
-</div>
-<p class="par first">Het onderwerp van <i lang="ang">heht</i> 1808 en
-1809 is <i lang="ang">se hearda</i> d. i. Unferd; <i lang="ang">sunu
-Ecgl&acirc;fes</i> is bijstelling van <i lang="ang">se hearda</i>.</p>
-<p class="par">Integendeel, het onderwerp van <i lang="ang">s&auml;gde</i> is Beowulf.</p>
-<p class="par">Zoo blijft de lezing van het Hs. <i lang="ang">le&auml;nes</i>, dat &laquo;loon, vergelding&raquo; beteekent,
-doch hier dienst moet doen in den zin van &laquo;geschenk,
-Liebesgabe.&raquo;</p>
-<p class="par">Volgens Greins opvatting moet de lezer veronderstellen,
-dat Beowulf het zwaard inmiddels aan Unferd heeft teruggegeven, iets
-waarvan het gedicht geene melding maakt.</p>
-<p class="par">Waarom had Unferd het dan niet aanstonds geweigerd?
-Buitendien biedt het onderwerp van <i lang="ang">s&auml;gde</i> iets
-onregelmatigs <span class="pagenum">[<a id="pb334" href="#pb334" name="pb334">334</a>]</span>aan, want het is niet hetzelfde als dat van
-<i>heht</i> in den onmiddellijk voorafgaanden zin.</p>
-<p class="par">Het is wel waar, dat ons gedicht den lezer aan die
-onregelmatigheid langzamerhand gewend heeft.</p>
-<p class="par">Grundtvig slaat eenen anderen weg in:</p>
-<p class="par">De dappere (Beowulf) beval Hrunting te brengen
-<i>aan</i> Ecglafs zoon, hij (Beowulf) beval hem (Unferd) zijn zwaard
-te nemen, hij (Beowulf) zei hem dank voor <i>het geleende</i>.</p>
-<p class="par">Hier is geene verwisseling van onderwerp meer mogelijk;
-<i>sunu</i> nom. is <i>suna</i> dat. geworden en het minder gepaste
-<i lang="ang">le&aacute;nes</i> zeer gelukkig veranderd in <i lang="ang">laenes</i>: <i>het geleende</i> (zwaard).</p>
-<p class="par">Mijne vertaling steunt op Grundtvig, doch tracht
-<i lang="ang">sunu</i>, de lezing van het Hs., te behouden: <i lang="ang">sunu.</i> is <i>acc.</i> sing<span class="corr" id="xd21e25568"
-title="Niet in bron">.</span>; <i lang="ang">heht</i> 1809 sleept eenen
-acc. c. inf. na zich.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">heht sunu Ecgl&acirc;fes his sweord
-niman</i>: Beowulf beval, dat Ecglafs zoon zijn zwaard zou
-terugnemen.</p>
-<p class="par">Socins slordige <i>interpunctie</i> brengt hier alweer
-op een dwaalspoor. Ofschoon hij in <i>sunu</i> acc. sing. ziet, deelt
-hij den zin juist zoo in als Grein. Derhalve moet zijn komma na
-<i lang="ang">Ecgl&acirc;fes</i> wegvallen; anders blijft de zin
-raadselachtig.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n50" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">50</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">gif him thonne Hr&ecirc;dhr&icirc;c t&ocirc; hofum
-Ge&aacute;ta <i>gethingedh</i>. 1837&ndash;38.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">indien dan Hredric aan het hof der Gooten <i>een
-verdrag sluit</i>.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i lang="ang">gethingan</i>: &laquo;<span lang="de">einen Vertrag machen</span>.&raquo; Socin.</p>
-<p class="par">Cosijn stelt uit verschillende teksten vast, dat
-<i>gethingan</i> beteekent <i>besluiten</i> (<i>te gaan</i>), het
-verbum meandi zijnde uitgelaten; dus <i>zich opmaken</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n51" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">51</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">hruron him te&aacute;ras</p>
-<p class="line">blonden-feaxum: him w&auml;s bega w&ecirc;n,</p>
-<p class="line">ealdum infr&ocirc;dum, &ocirc;dhres sw&icirc;dhor,</p>
-<p class="line">th&auml;t h&icirc;e seodhdhan (<i>n&ecirc;</i>)
-gese&oacute;n m&ocirc;ston. 1873&ndash;76.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Bugge voegt <i lang="ang">n&ecirc;</i> 1876 bij;
-immers Hrodgars tranen zijn dan vooral verklaarbaar, wanneer hij
-vreest, dat hij Beowulf <i>niet</i> meer terug zal zien.</p>
-<p class="par">Socin teekent bij <i lang="ang">infr&ocirc;dum</i>
-<i>dat. plur.</i> aan. Ik vraag me te vergeefs af, hoe het
-<i>meervoud</i> kan gewettigd worden. <span class="pagenum">[<a id="pb335" href="#pb335" name="pb335">335</a>]</span></p>
-<p class="par">Indien het Hrodgars raadslieden zijn, wat komen die hier
-doen? Is Hrodgar <i>en</i> Beowulf gemeend, dan is de keuze van het
-woord wat den laatste betreft niet gelukkig.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n52" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">52</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">oft n&ocirc; seldan <i>hwaer</i></p>
-<p class="line">&auml;fter le&oacute;d-hryre l&#563;tle hw&icirc;le</p>
-<p class="line">bon-g&acirc;r b&ucirc;gedh. 2030&ndash;32.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Bugges verandering van <i lang="ang">hwaer</i>
-&laquo;ergens&raquo;, dat vrij kan gemist worden, in <i lang="ang">waere</i> schijnt mij prijzenswaardig toe.</p>
-<p class="par">Dan luidt de vertaling: dikwijls (en) niet zelden rust
-de moordspeer <i>door vergelijk</i> (<i lang="ang">waere</i>) eenen
-korten tijd na den val des vorsten.</p>
-<p class="par">Freawares &laquo;mariage de raison&raquo; mag wel een
-vergelijk heeten.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n53" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">53</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socins <i lang="ang">unfaecne</i>
-<i>nom<span class="corr" id="xd21e25708" title="Niet in bron">.</span>
-sing.</i> 2069 in plaats van <i>acc. sing.</i> is blijkbaar eene
-drukfout.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n54" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">54</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">hi&oacute; th&auml;t l&icirc;c &auml;tb&auml;r</p>
-<p class="line"><i>fe&oacute;ndes f&auml;dhmum</i>. 2129.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin in voce <i lang="ang">f&auml;dhm</i>:
-&laquo;instr. plur. <i lang="ang">fe&oacute;ndes
-f&auml;dhmum</i>&raquo;.</p>
-<p class="par">Hij laat dus <i lang="ang">fe&oacute;ndes</i> van
-<i lang="ang">f&auml;dhmum</i> afhangen, hetgeen den volgenden zin
-geeft:</p>
-<p class="par">Grendels moeder vervoerde het lijk <i>door de hand des
-vijands</i> d. i. door hare eigen vijandelijke hand.</p>
-<p class="par">Waartoe knorven in de biezen gezocht? Is het niet veel
-eenvoudiger <i lang="ang">fe&oacute;ndes</i> met <i lang="ang">l&icirc;c</i> te verbinden: &laquo;het lijk des
-vijands&raquo;?</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n55" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">55</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line"><i>g&ecirc;n</i> is eall &auml;t th&ecirc; lissa
-gelong. 2150&ndash;51.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">geheel mijne liefde wendt zich <i>nog</i> uwaart.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Bugge vat <i>g&ecirc;n</i> op als <i>weder</i>,
-<i>opnieuw</i>:</p>
-<p class="par">Mijne geheele liefde wendt zich <i>weder</i> uwaart nl.
-zooals vroeger.</p>
-<p class="par">Z&oacute;&oacute; is de zin veel natuurlijker.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n56" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">56</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">h&ecirc;t th&acirc; in beran eafor, he&aacute;fod-segn.
-2153.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i lang="ang">he&aacute;fod-segn</i> is eene
-verklaring van <i lang="ang">eafor</i> en beteekent de
-<i>voornaamste</i> banier, evenals in het voorgaande vers <i lang="ang">ic <span class="pagenum">[<a id="pb336" href="#pb336" name="pb336">336</a>]</span>l&#563;t hafo he&aacute; fod-m&acirc;ga</i>
-&laquo;ik heb luttel hoofdverwanten&raquo; <i lang="ang">he&aacute;
-fod-m&acirc;ga</i> &laquo;voornaamste verwanten&raquo; wil zeggen.</p>
-<p class="par">Cosijn slaat het compositum
-<i>eoforhe&aacute;fodsegn</i> (everhoofdbanier) voor.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n57" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">57</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">n&auml;s him hre&oacute;h sefa</p>
-<p class="line">ac h&ecirc; man-cynnes maeste cr&auml;fte</p>
-<p class="line">gin&mdash;f&auml;stan gife, th&ecirc; him god
-sealde,</p>
-<p class="line"><i>he&oacute;ld</i> hilde-de&oacute;r.
-2181&ndash;84.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin, in voce <i lang="ang">healdan</i>, brengt
-onder meer deze plaats overeen met 1955 welke behelst: <i lang="ang">hi&oacute;ld he&aacute;h-lufan</i> &laquo;zij <i>bewaarde</i>
-hooge liefde.&raquo;</p>
-<p class="par">Diensvolgens zou het hier moeten luiden: &laquo;hij
-<i>hield</i> d. i. <i>bewaarde</i> de geweldige gave,&raquo;
-<span lang="en">the greatest strength <i>possess&rsquo;d</i></span> bij
-Thorpe.</p>
-<p class="par">Grein stemt hiermee overeen als hij vertaalt:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">nicht war das Herz ihm wild,</p>
-<p class="line">sondern mit der gr&ouml;sten Kraft vom ganzen
-Menschenvolke</p>
-<p class="line"><i>hielt</i> die grossfeste Gabe, die Gott ihm
-schenkte,</p>
-<p class="line">der Edeling der Kampftheure.</p>
-</div>
-<p class="par first">Zoo komt de tegenstelling niet tot haar recht,
-w&eacute;l indien wij <i lang="ang">healdan</i>, den zin van
-<i>bewaken</i> en aan <i>ac</i> eene redegevende beteekenis toekennen,
-welke meer voorkomt. Wij vertalen dus: zijn inborst was niet ruw,
-<i>want</i> (<i>ac</i>) hij <i>bewaakte</i> (d. i. beteugelde) zijne
-reuzenkracht.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n58" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">58</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e1307">eft <span class="corr" id="xd21e25894" title="Bron: that">th&auml;t</span> gei&oacute;de ufaran d&ocirc;grum</p>
-<p class="line">hilde-hl&auml;mmun, sydhdhan Hygel&acirc;c l&auml;g</p>
-<p class="line">ond Heardr&ecirc;de hilde-m&ecirc;ceas</p>
-<p class="line">under bord-hre&oacute;dhan t&ocirc; bonan wurdon;</p>
-<p class="line">tha hyne ges&ouml;htan on sige-the&oacute;de</p>
-<p class="line">hearde hilde-frecan, Headho-Scilfingas,</p>
-<p class="line">n&icirc;dha genaegdan nefan Herer&icirc;ces.</p>
-<p class="line">Sydhdhan Be&oacute;wulfe br&acirc;de r&icirc;ce</p>
-<p class="line">on hand gehwearf. 2201&ndash;2209.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb337" href="#pb337" name="pb337">337</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par">Grein vertaalt letterlijk:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">Das f&uuml;gte sich darnach in folgenden Tagen</p>
-<p class="line">durch Heerkampfs Get&uuml;mmel, seit Hygelak lag</p>
-<p class="line">und dem k&uuml;hnen Heardred die Kampfschwerter
-wurden</p>
-<p class="line">unter des Schildrandes Schirm zum M&ouml;rder,</p>
-<p class="line">da ihn suchten in dem Siegesvolke</p>
-<p class="line">die harten kampfk&uuml;hnen Headoskylfinge</p>
-<p class="line">und heftig angriffen Hereriks Neffen.</p>
-<p class="line">Drauf kam das breite Reich dem Beowulf</p>
-<p class="line">zur Hand.</p>
-</div>
-<p class="par first">Waar blijft de hoofdzin?? Greins vertaling geeft
-hier geen licht. Voor M&uuml;llenhoff lijdt het geen twijfel of deze
-zin is onvolledig:</p>
-<p lang="de" class="par">Gleich der erste satz ist ungeschickt. Denn in
-<i lang="ang">eft th&auml;t gee&oacute;de ufaran d&ocirc;grum</i> 2201
-hat das <i lang="ang">th&auml;t</i> keine beziehung im
-vorhergehenden... Der satz is unvollstandig....</p>
-<p lang="de" class="par">Der verfasser wagte nicht nach dem langen mit
-<i lang="ang">sidhdhan</i> beginnenden satze 2202&ndash;2207 noch einen
-subjektsatz mit <i lang="ang">th&auml;t</i> folgen zu lassen, sondern
-brach lieber ab und fuhr mit einem neuen satze mit <i lang="ang">sidhdhan</i> fort 2208.</p>
-<p class="par">Moet men zich bij deze uitspraak neerleggen en voor lief
-nemen, dat er niets anders op te vinden is?</p>
-<p class="par">Twee verklaringen, zijn mogelijk:</p>
-<p class="par">1<sup>o</sup> <i lang="ang">eft <span class="corr" id="xd21e25967" title="Bron: that">th&auml;t</span> gee&oacute;de</i>
-slaat niet op wat voorafgaat, maar op wat volgt; na <i lang="ang">hilde-hl&auml;mmum</i> plaatse men een dubbelpunt en vertale
-<i lang="ang">ond</i> door <i>ook</i>, zooals Heyne in zijne vrije
-vertolking doet; de hoofdzin is: <i lang="ang">Heardr&ecirc;de
-hilde-m&ecirc;ceas t&ocirc; bonan wurdon</i>.</p>
-<p class="par">Wij krijgen dan het volgende: Dit (volgende) gebeurde
-daarna in later dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was, werd <i>ook</i>
-voor Heardred het kampzwaard ten dooder, daar enz.</p>
-<p class="par">Het valt nochtans te bezien, of <i lang="ang">ond</i>
-(<i>en</i>), evenals in de klassieke talen, in den zin van <i>ook</i>
-voorkomt.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> <i>Ond</i> behoudt de beteekenis van
-<i>en</i>; de hoofdzin is: <i lang="ang">sydhdhan Be&oacute;wulfe
-br&acirc;de r&icirc;ce on hand gehwearf</i>; de punt na <i lang="ang">Herer&icirc;ces</i> valt dan weg. Van het eerste <i lang="ang">sydhdhan</i> 2202 hangen twee bijzinnen af: <i lang="ang">l&auml;g</i> en <i lang="ang">t&ocirc; bonan wurdon</i>; <i lang="ang">th&acirc; hyne... nefan Herer&icirc;ces</i> is een tusschenzin;
-het tweede <i lang="ang">sydhdhan</i> dient alsdan om het eerste in het
-geheugen terug te roepen: <span class="pagenum">[<a id="pb338" href="#pb338" name="pb338">338</a>]</span></p>
-<p class="par">Dit gebeurde in volgende dagen: <i>Sedert</i> Hygelac
-gesneuveld was en het zwaard voor Heardred tot dooder was geworden,
-daar hem enz., <i>sedert</i> kwam het rijk in Beowulfs handen.</p>
-<p class="par">De zin is wel wat lang, maar dat kan geen onoverkomelijk
-bezwaar zijn, vooral voor Duitsche recensenten.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n59" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">59</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">2215&ndash;22. Bugge herstelt den tekst als
-volgt:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">thaer on innan gi&oacute;ng</p>
-<p class="line">nidhdha n&acirc;thwylc, ne&oacute;de t&ocirc;
-gef&ecirc;ng</p>
-<p class="line">haedhnum horde; hond &auml;tgenam</p>
-<p class="line">seleful since f&acirc;h; n&ecirc; h&ecirc; th&auml;t
-sydhdhan &acirc;geaf,</p>
-<p class="line">the&aacute;h the h&ecirc; slaepende besyrede hyrde</p>
-<p class="line">the&oacute;fes cr&auml;fte: th&auml;t se thi&oacute;den
-onfand,</p>
-<p class="line">b&#563;-folc beorna, th&auml;t h&ecirc; gebolgen
-w&auml;s.</p>
-</div>
-<p class="par first">Insgelijks 2233:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">nealles mid gewealdum wyrmes weard g&auml;st</p>
-<p class="line">sylfes willum.</p>
-</div>
-<p class="par first">Socins <i lang="ang">theow</i> (slaaf?) 2225 zal
-wel <i lang="ang">the&oacute;w</i> moeten luiden.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n60" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">60</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">2228&ndash;32. Bugges aanvulling van den tekst
-wijzig ik volgenderwijze:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">secg synbysig s&ocirc;na onwl&acirc;tode.</p>
-<p class="line">the&aacute;h th&acirc;m gyste gryrebr&ocirc;ga
-st&ocirc;d,</p>
-<p class="line">hw&auml;dhre earmsceapan innganges thearfa</p>
-<p class="line">fe&aacute;sceapen, th&acirc; hyne se faer begeat,</p>
-<p class="line">sinc-f&auml;t geseah.</p>
-</div>
-<p class="par first">Bugges tittels tusschen het 3<sup>de</sup> en
-4<sup>de</sup> vers zijn weggelaten en de punt na <i>begeat</i>
-vervangen door een komma: Ofschoon (<i lang="ang"><span class="corr"
-id="xd21e26108" title="Bron: the&agrave;h">the&aacute;h</span></i>) de
-vreemde indringer met schrik geslagen was bij het zien van den draak,
-toch (<i lang="ang">hw&auml;dre</i>) had hij de vaas bemerkt.</p>
-<p class="par">Men vergelijke de vertaling.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n61" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">61</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">2380&ndash;97. Socins opvatting van deze gansche
-plaats, waarin de oorlog met de Zweden behandeld wordt, stemt niet
-overeen met die van Bugge, M&uuml;llenhoff en Grein. <span class="pagenum">[<a id="pb339" href="#pb339" name="pb339">339</a>]</span></p>
-<p class="par">Ziehier zijne uiteenzetting:</p>
-<p class="par">Ochters zonen, Eanmund en Eadgils, zijn tegen hunnen
-vader opgestaan 2382, ten gevolge waarvan zij Zweden moeten verlaten
-2380 en naar Heardred de wijk nemen 2381. Een hunner verslaat Heardred
-onder ons niet nader bekende omstandigheden 2386, het moet Eanmund
-geweest zijn, welken de aan het Gootenhof levende Wichstan daarom
-onmiddellijk doodt 2613. Eadgils keert naar Zweden terug 2388, waar
-ondertusschen zijn vader Ochter schijnt gestorven te zijn.</p>
-<p class="par">Nadat Beowulf koning der Gooten geworden is 2390, wil
-hij zich op Eadgils wreken 2392 en hij wordt hem tot <i>vijand</i>.
-Eadgils doet eenen inval in het land der Gooten 2394&ndash;95, maar
-wordt door Beowulf gedood 2397.</p>
-<p class="par">In Socins stelsel is <i lang="ang">helm Scylfinga</i>
-2382 Ochter en niet Onela, <i lang="ang">Ongenthe&oacute;wes bearn</i>
-2388 kleinzoon en niet zoon, wordt <i>fre&oacute;nd</i>
-&laquo;vriend&raquo; van het Hs. in <i>fe&oacute;nd</i>
-&laquo;vijand&raquo; veranderd, en <i>gest&ecirc;pte</i>
-&laquo;ondersteunde&raquo; in <i>gestepte</i> van <i>gesteppan</i>:
-stappen, trekken.</p>
-<p class="par">Bugges verklaring komt mij heel wat aannemelijker voor,
-want 1<sup>o</sup> Heardreds dood blijft in het duister.</p>
-<p class="par">2<sup>o</sup> Eadgils kan <i>niet</i> naar Zweden
-terugkeeren, waaruit hij door Ochter verbannen is; daarom vindt Socin
-er een middeltje op, &rsquo;t is van Ochter intusschentijds te laten
-sterven.</p>
-<p class="par">3<sup>o</sup> Bugges opvatting stemt in de hoofdpunten
-overeen met de overeenkomstige Zweedsche sage van <i>Ali</i>.</p>
-<p class="par">4<sup>o</sup> Onela wordt 2933 het eerst genoemd; dit
-pleit er voor, dat hij de oudste en bijgevolg Ongentheows opvolger is.
-Vgl. 61 (Heorogar, Hrodgar, Halga); 2435 (Herebeald, Hadcyn,
-Hygelac).</p>
-<p class="par">Afgezien van de handschriftelijke lezing <i lang="ang">fre&oacute;nd</i> geeft Bugges verklaring rekenschap van <i>alle
-bijzonderheden</i>, terwijl Heardreds dood bij Socins opvatting de
-groote struikelblok blijft. Het is immers stuitend, dat Heardred door
-den man gedood wordt, dien hij gastvrij heeft opgenomen.</p>
-<p class="par">Eene opheldering van zulke verregaande ondankbaarheid
-ware zeker niet misplaatst, en voorzeker zou de inlasscher weer de baan
-schoon gevonden hebben, om nog eens den preektoon aan te slaan.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n62" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">62</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">he gewr&auml;c sydhdhan</p>
-<p class="line">cealdum cear-s&icirc;dhum. 2396&ndash;97.</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">er r&auml;chte seitdem</p>
-<p class="line">mit kalten Kummerfahrten. (Grein).</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb340" href="#pb340" name="pb340">340</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par">Bugge ziet in <i lang="ang">cealdum
-cear-s&icirc;dhum</i> de natuurlijke koude, daar de kamp, waarin
-<i>Adhils</i> (= Eadg&icirc;ls), volgens de overeenkomstige noordsche
-sage, <i>Ali</i> (= Onela) versloeg, op het ijs van het meer Vaenir
-plaats had.</p>
-<p class="par">Cosijn teekent bij deze verzen aan: De samenhang eischt
-<i lang="ang">cealde cears&icirc;dhas</i>, want <i lang="ang">gewrecan</i> beteekent <i>wraak nemen over</i> (of
-<i>straffen</i>) en de ellips van <i lang="ang">hit</i> (<i lang="ang">dit</i>, Socin) is te verwerpen. Eadgils nam wraak voor zijne
-koude, kommervolle omzwervingen als balling.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n63" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">63</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e24256">r&icirc;dend swefadh,</p>
-<p class="line">h&auml;ledh in hodhman 2458&ndash;59.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line xd21e24256">de rijders slapen,</p>
-<p class="line">de helden in het graf.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin: <i lang="ang">r&icirc;dend</i>, <i lang="ang">h&auml;ledh</i> nom<span class="corr" id="xd21e26261" title="Niet in bron">.</span> plur.</p>
-<p class="par">Ik verkies met Grein het enkelv. te lezen:
-&laquo;<span lang="de">der Reiter schlummert;</span>&raquo; er is
-immers sprake van Herebeald alleen.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n64" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">64</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">th&acirc; ic on morgne gefr&auml;gn maeg
-&ocirc;dherne</p>
-<p class="line">billes ecgum on bonan staelan,</p>
-<p class="line">thaer Ongenthe&oacute;w Eofores ni&oacute;sadh.
-2485&ndash;87.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin legt uit als volgt: Ik heb dan vernomen, dat
-de eene broeder (Wulf) den anderen (Eofor) naar zijnen moordenaar
-(Ongentheow) heentrok.</p>
-<p class="par">Cosijn toont het onhoudbare van die aanteekening ten
-overvloede aan: <i lang="ang">staelan</i> = <i>ten laste leggen</i>,
-als mnl. <i>banen</i>.</p>
-<p class="par">De strijd wordt dus als een rechtsgeding
-voorgesteld:</p>
-<p class="par">Ik vernam dat toen de eene maag (Hygelac) den ander
-(Hadcyn) den dooder te laste legde met het scherp van het zwaard, den
-dood met het zwaard op hem verhaalde, wreekte.</p>
-<p class="par">Dat Wulf niet gedood werd, maar alleen buiten gevecht
-gesteld, ziet Socin voorbij.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n65" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">65</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">symle ic him on f&ecirc;dhan <i>beforan</i> wolde,</p>
-<p class="line">&acirc;na on orde. 2498&ndash;99</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin verstaat <i lang="ang">beforan</i>:
-<i>vroeger</i>, van den tijd, welke toch reeds in <i lang="ang">symle</i> besloten ligt. <span class="pagenum">[<a id="pb341"
-href="#pb341" name="pb341">341</a>]</span></p>
-<p class="par"><i>On orde</i> &laquo;aan de spits&raquo; vergt eenen
-parallelvorm, daarom geef ik <i lang="ang">beforan</i> weer door
-<i>vooraan</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n66" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">66</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">s&ecirc; the <i>aer</i> on folce we&oacute;ld 2596.</p>
-<p class="line"><i>aer</i>: &laquo;<span lang="de">von langen Zeiten
-her.</span>&raquo; Bugge.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Cosijn bemerkt hierbij; het komt mij voor, dat
-deze woorden eerder beteekenen &laquo;die toen van zijn volk verlaten
-was, er niet meer over te bevelen had.&raquo;</p>
-<p class="par">Deze uitlegging wordt gesteund door wat volgt
-2597&ndash;2600.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n67" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">67</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">sibb aefre ne m&auml;g</p>
-<p class="line">wiht onwendan th&acirc;m th&ecirc; wel thencedh
-2601&ndash;2.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin: in dem der wohl denkt, kann die Liebe zum
-Blutsfreunde auf keine Weise beseitigt werden.</p>
-<p class="par">Voor hem is <i lang="ang">onwendan</i> onovergankelijk
-en <i>sibb</i> nom.</p>
-<p class="par">Cosijn wijst er op, dat een intr. <i lang="ang">onwendan</i> alleen in den zin van &laquo;terugkeeren&raquo;
-voorkomt.</p>
-<p class="par">Men zal dus <i lang="ang">wiht</i> als nom. sing. en
-<i lang="ang">sibb&rsquo;</i> als acc. sing. dienen aan te nemen:
-<i lang="ang">onwendan</i> is dan &laquo;keeren, verhinderen zich te
-uiten.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n68" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">68</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">ond his m&acirc;gum &auml;tb&auml;r</p>
-<p class="line">br&ucirc;n-f&acirc;gne helm, hringde byrnan,</p>
-<p class="line">eald sweord etonisc, th&auml;t him Onela forgeaf,</p>
-<p class="line">his g&auml;delinges g&ucirc;dh-gewaedu,</p>
-<p class="line">fyrd-searo f&ucirc;slic: n&ocirc; ymbe th&acirc;
-faehdhe spr&auml;c,</p>
-<p class="line">the&aacute;h the h&ecirc; his br&ocirc;dhar bearn
-&acirc;bredwade. 2615&ndash;20.</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line xd21e23855">dem Sippen er raubte</p>
-<p class="line">den braunsch&ouml;nen Helm, die Br&uuml;nne von
-Ringen,</p>
-<p class="line">das enzische Altschwert, das ihm Onela gab,</p>
-<p class="line">seines Gatelinges Gundgeraethe,</p>
-<p class="line">das k&ouml;stliche Kriegszeug.&mdash;Nie von diesem
-Kampf ersprach,</p>
-<p class="line">obgleich er an Br&uuml;ders S&ouml;hnen Balthaten
-&uuml;bte.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Uit deze vertaling van Ettm&uuml;ller blijkt dat
-<i lang="ang">g&ucirc;dh-gewaedu</i> en <i lang="ang">fyrd-searo</i>
-parallel zijn met <i>helm</i>, <i lang="ang">byrnan</i>, <i lang="ang">sweord</i>; <i>him</i> 2617 is Eanmund; het onderwerp van
-<i lang="ang">spr&auml;c</i> 2619 is Weohstan. <span class="pagenum">[<a id="pb342" href="#pb342" name="pb342">342</a>]</span></p>
-<p class="par">De zin komt hierop neer: Weohstan berooft Eanmund van
-het zwaard, dat Onela aan dezen laatste had gegeven; doch hij,
-Weohstan, rept nooit een woord van dat wapenfeit.</p>
-<p class="par">Grein slaat denzelfden weg in als Ettm&uuml;ller, als
-blijkt uit de volgende verzen:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">und entf&uuml;hrte seinen Maagen</p>
-<p class="line">den braunbunten Helm, die Br&uuml;nne die geringte,</p>
-<p class="line">das alte Riesenschwert, das Onela ihm gab,</p>
-<p class="line">seines Verwandten Waffenr&uuml;stung,</p>
-<p class="line">die stattlichen Fahrtgewande: um die Feindschaft sprach
-er nicht,</p>
-<p class="line">obgleich er seines Bruders Gebornen t&ouml;dtete.</p>
-</div>
-<p class="par first">Greins opvatting schijnt mij aan gegronden twijfel
-onderhevig. <i lang="ang"><span class="corr" id="xd21e26461" title="Bron: &auml;tberan">&Auml;tberan</span></i> beteekent niet
-<i>rauben</i>, <i>entf&uuml;hren</i> maar <i>aanbrengen</i>, <i>ergens
-heen voeren</i>.</p>
-<p class="par">Doch daarvan afgezien, kan men zich afvragen
-<i>welke</i> &laquo;Maagen&raquo; Grein bedoelt?</p>
-<p class="par">Ontvoerde Weohstan aan <i>Eanmunds</i> magen d. i. Onela
-het zwaard?</p>
-<p class="par">Maar welk recht had Onela er op, daar volgens de
-oorlogswet de overwinnaar zich den wapenroof kon toeeigenen?</p>
-<p class="par">Ofwel ontvoerde hij het zwaard <i>his magum</i> d. i.
-ten voordeele van zijn <i>eigen</i> magen, ergo van Wiglaf?</p>
-<p class="par">Doch dat druist in tegen 2621, <span class="corr" id="xd21e26499" title="Bron: waarvolgens">waar volgens</span> Weohstan het
-zwaard zelf behoudt.</p>
-<p class="par">Greins vertaling van &laquo;<i lang="ang">his
-m&acirc;gum &auml;tb&auml;r</i>&raquo; is dus voor verscheiden
-uitleggingen vatbaar.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">his m&acirc;gum &auml;tb&auml;r</i>
-beteekent: Weohstan bracht aan Eanmunds magen d. i. aan <i>Onela</i>
-den krijgsroof.</p>
-<p class="par">Daarom ware het beter geweest, zooals Cosijn zeer juist
-aanmerkt, het enkelv. <i lang="ang">his maege</i> i. e. <i>Onelan</i>
-te lezen. <i lang="ang">Th&auml;t him Onela forgeaf</i>: (het zwaard)
-dat Onela aan Eanmund had gegeven.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">th&auml;t</i> slaat, blijkens Cosijns
-terechtwijzing, grammatisch op <i lang="ang">sweord</i>, logisch op de
-drie <i>spolia</i>, die 2618 als <i lang="ang">g&ucirc;dh-gewaedu</i>
-worden aangeduid.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">his g&auml;delinges</i>, dat onmiddellijk
-volgt op <i lang="ang">th&auml;t him Onela forgeaf</i>, is niets anders
-dan eene zinledige en gebrekkige herhaling. Men oordeele: &laquo;het
-zwaard dat <i>Onela</i> aan <i>Eanmund</i> had gegeven, het
-strijdgewaad van <i>Onela&rsquo;s Eanmund</i>;&raquo; immers &laquo;het
-strijdgewaad van zijnen (d. i. Onela&rsquo;s) bloedverwant&raquo;
-<span class="pagenum">[<a id="pb343" href="#pb343" name="pb343">343</a>]</span>zegt op de keper beschouwd hetzelfde als het
-&eacute;&eacute;ne woord <i>Eanmund</i>.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">n&oacute; ymbe th&acirc; faehdhe
-spr&auml;c</i>: &laquo;<i>Weohstan</i> sprak niet over dat
-gevecht.&raquo; Zoo heet het bij Ettm&uuml;ller en ook bij Grein; want
-in dezes vertaling &laquo;<span lang="de">um die Feindschaft sprach er
-nicht</span>&raquo; kan <i>er</i> zich slechts betrekken op het
-onderwerp van den vorigen hoofdzin d. i. op Weohstan.</p>
-<p class="par">De vraag ligt hier voor de hand, <i>waarom</i> Weohstan
-nooit sprak van zijn heldenfeit?</p>
-<p class="par">Niet alleen is het eene vraag, waaraan ons epos het
-antwoord schuldig blijft, maar er bestaat ook hoegenaamd geene reden
-tot verzwijging, vooral nu Weohstan zooveel gewicht hecht aan die
-wapens, dat hij ze jaren lang bewaart en ze niet aan Wiglaf
-toevertrouwt, vooraleer deze volwassen is.</p>
-<p class="par">Om al die redenen wijzig ik het zinsverband zooals
-volgt:</p>
-<p class="par">Ik plaats een punt na <i>etonisc</i>; <i lang="ang">th&auml;t him Onela forgeaf</i> is een hoofdzin; <i lang="ang">th&auml;t</i> is aanwijzend voornaamwoord en <i>him</i> ziet
-terug op Weohstan; na <i lang="ang">f&ucirc;slic</i> kome een punt te
-staan.</p>
-<p class="par">Het onderwerp van <i lang="ang">n&ocirc; ymbe th&acirc;
-faehdhe spr&auml;c</i> is <i>Onela</i> en niet Weohstan.</p>
-<p class="par">De wijziging, welke den tekst onaangeroerd laat, geeft
-eenen goeden zin:</p>
-<p class="par">Weohstan bracht aan Onela Eanmunds zwaard met
-toebehooren. Onela wilde het niet aannemen, maar liet het hem houden;
-hij verweet zelfs niet aan Weohstan, dat deze Eanmund, den zoon van
-zijn eigen broeder, gedood had.</p>
-<p class="par">Men vergete niet, dat Onela, volgens het Germaansche
-oorlogsrecht, verplicht was zijnen neef te wreken.</p>
-<p class="par">Zoo biedt de zin niets meer aan, wat niet in den haak
-is.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n69" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">69</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line"><i>Byrdu-scr&ucirc;d</i> 2661</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ik heb dit woord door <i>schild</i> weergegeven;
-immers Cosijn teekent hierbij aan:</p>
-<p class="par">&laquo;De beteekenis <i lang="de">Schildschmuck</i>, die
-dienst moet doen om glossatoren uit de verlegenheid te helpen, is
-geheel verzonnen. In geen geval kan het <i>schild</i> hier gemist
-worden: ergo is <i>byrne</i> een <i lang="la">lapsus memoriae</i> voor
-<i>bord</i> (schild).&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n70" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">70</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">raesde on thone r&ocirc;fan, <i>th&acirc; him r&ucirc;m
-&acirc;geald</i>. 2691</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line">raste gegen den Ruhmvollen, <i>da er Raum ihm gab</i>.
-Grein.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het handelt zich hier over den derden aanval van
-den draak op Beowulf. <span class="pagenum">[<a id="pb344" href="#pb344" name="pb344">344</a>]</span></p>
-<p class="par">Ik vraag me te vergeefs af, hoe zich deze
-&laquo;beschikbare ruimte&raquo; met den samenhang laat overeenbrengen.
-Had de draak dan te voren niet genoeg plaats, om aanvallender wijze te
-werk te gaan?</p>
-<p class="par">In het geheel niet; want hij had tweemaal den aanval
-gewaagd.</p>
-<p class="par">Buitendien greep het gevecht plaats niet <i>in</i> het
-hol, maar aan den ingang; er schoot dus ruimte genoeg over voor de twee
-eerste aanvallen.</p>
-<p class="par">Daarom komt mij Ettm&uuml;llers vertaling <i lang="de">da er ihm reichlich vergalt</i> gegrond voor; al is het ook waar,
-dat bij Socin alleen <i lang="ang">gildan</i> en niet <i lang="ang">&acirc;gildan</i> met de beteekenis van <i>loonen</i>,
-<i>betalen</i> verschijnt.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n71" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">71</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">ne h&ecirc;dde h&ecirc; <i>th&auml;s heafolan</i>, ac
-si&oacute; hand gebarn</p>
-<p class="line">m&ocirc;diges mannes. 2698&ndash;99.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">hij gaf geen acht op het hoofd (des draaks), maar de
-hand verbrandde</p>
-<p class="line">des moedigen mans.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Deze uitlegging van Bugge gaat uit van het feit,
-dat uit Beowulfs vruchtelooze poging de onkwetsbaarheid van het
-drakenhoofd is gebleken.</p>
-<p class="par">Hij vat hoofd in den letterlijken zin op.</p>
-<p class="par">Niet zoo Cosijn, voor wien <i lang="ang">thaes
-heafolan</i> &laquo;<span lang="la">capitis sui i. e. vit&aelig;
-suae</span>&raquo; is.</p>
-<p class="par">De kracht van <i lang="ang">ac</i> komt in deze
-opvatting ten volle uit:</p>
-<p class="par">Wiglaf gaf niets om zijn eigen leven, want zijne hand
-verbrandde enz.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n72" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">72</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">fe&oacute;nd gefyldan (ferh ellen wr&auml;c)<a id="xd21e26734" name="xd21e26734"></a> 2707.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zij velden den vijand (het leven verdreef de
-kracht).</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">d. i. met het leven verdween ook de kracht. Zoo
-ook Grein.</p>
-<p class="par">Dit is ongetwijfeld eene ongewone en duistere wijze van
-zich uit te drukken.</p>
-<p class="par">Mijne vertaling sluit zich aan bij Sievers, welke
-voorstelt:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">fe&oacute;nd <i>gefylde</i>, feorh ellen (ellor)
-wr&auml;c.</p>
-</div>
-<p class="par first">Cosijn keurt deze lezing goed; <i lang="ang">ellen</i> komt nog voor in <span class="pagenum">[<a id="pb345"
-href="#pb345" name="pb345">345</a>]</span>de plaats van <i lang="ang">ellor</i>: <i>elders</i>; <i>wr&auml;c</i> is onovergankelijk op
-te vatten.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n73" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">73</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">h&ecirc; <i>ofer</i> benne spr&auml;c 2725.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">hij sprak over zijne wonde.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Deze beteekenis kent insgelijks Grein aan <i lang="ang">ofer</i> toe. Men zal nochtans vruchteloos in Beowulfs rede eene
-toespeling op zijne wonden zoeken.</p>
-<p class="par">Daarom geeft Cosijn de keus tusschen <i lang="la">post
-vulnus acceptum</i> en <i>over de wond</i> sc. <i>gebukt</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n74" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">74</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">th&acirc; h&ecirc; bi sesse ge&oacute;ng 2757.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin in voce <i>sesse</i>: &laquo;<span lang="de">nach dem Sitze</span>&raquo; en hij voegt er de verklaring aan
-toe: <i lang="de">vor der Drachenh&ouml;hle</i>.</p>
-<p class="par">Deze verklaring ware beter achterwege gebleven; immers
-Wiglaf trekt wel degelijk de schatkamer binnen, het wordt uitdrukkelijk
-gezegd:</p>
-<p class="par"><span lang="ang">gefr&auml;gn sunu Wihst&acirc;nes...
-hring-net beran... under beorges hr&ocirc;f</span>: ik heb vernomen dat
-Wichstans zoon het ringpantser onder het rotsgewelf bracht d. i. er
-geharnast binnenging.</p>
-<p class="par">Buitendien bevindt zich het goud niet <i>voor</i> het
-drakenhol, maar <i>er in</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n75" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">75</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">bill aer gesc&ocirc;d</p>
-<p class="line">(ecg was iren) eald-hl&acirc;fordes</p>
-<p class="line">th&acirc;m th&acirc;ra m&acirc;dhma mund-bora w&auml;s
-2778&ndash;80.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Socin drukt Bugges voetstappen en verstaat:</p>
-<p class="par">De degen des ouden heerschers (Beowulf)&mdash;van staal
-was het lemmer&mdash;had hem (den draak) eer geschaad, die der schatten
-hoeder was geweest.</p>
-<p class="par">W&uuml;lcker ziet in <i lang="ang">aer-gesc&ocirc;d</i>
-eene samenstelling, evenals Thorpe, en laat <i lang="ang">bill
-aer-gesc&ocirc;d</i> afhangen van <i lang="ang">gen&ocirc;m</i>
-2777:</p>
-<p class="par">Wiglaf nam het met brons geschoeide zwaard (d. i. met
-bronzen scheede) van den eersten bezitter (de man van edele afkomst
-2234) insgelijks uit de schatkamer mede.</p>
-<p class="par">Cosijn leest met Rieger <i lang="ang">eald-hl&auml;forde</i> <i>dat. sing.</i> Men raadplege de
-vertaling.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n76" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">76</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">symle w&auml;s th&#563; saemra, thonne ic sweorde
-drep</p>
-<p class="line">ferhd-gen&icirc;dhlan 2881&ndash;82.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb346" href="#pb346" name="pb346">346</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par">Met Grein en Sievers beschouw ik den draak als onderwerp
-van w&auml;s. Cosijn verbindt <i lang="ang">w&auml;s</i> met Beowulf:
-en ik begon den maag te helpen (te zwakker werd <i>hij</i> nl. Beowulf)
-toen ik den levensschadiger met het zwaard sloeg. <i lang="ang">symle
-w&auml;s thy saemra</i> is dan een ingelaschte zin.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n77" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">77</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line xd21e23454">ac w&auml;s w&icirc;de c&ucirc;dh,</p>
-<p class="line">th&auml;tte Ongenthi&oacute; ealdre besnydhede</p>
-<p class="line">H&auml;dhcyn Hr&ecirc;dhling widh Hrefna-wudu,</p>
-<p class="line">th&acirc; for on-m&ecirc;dlan aerest ges&ocirc;htan</p>
-<p class="line">Ge&aacute;ta le&oacute;de G&ucirc;dh-Scilfingas
-2924&ndash;28.</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line xd21e23454">es ward ja weithin kund,</p>
-<p class="line">dass Ongentheow des Alters beraubte</p>
-<p class="line">den H&auml;dkynn den Hredling beim Hrefnaholze,</p>
-<p class="line">da aus Uebermut zum ersten kamen</p>
-<p class="line">zu den Kempen der Geaten die Kampfskylfinge.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Blijkens deze vertaling beschouwt Grein <i lang="ang">le&oacute;de</i> als <i>acc.</i> en <i lang="ang">G&ucirc;dh-Scilfingas</i> als <i>nom<span class="corr" id="xd21e26922" title="Niet in bron">.</span></i>; in andere woorden: de
-Zweden vielen de Gooten aan en niet omgekeerd.</p>
-<p class="par">Met deze opvatting kan ik mij niet vereenigen, niet de
-Zweden maar de Gooten zijn de aanvallers.</p>
-<p class="par">Eerst en vooral hebben de Gooten de zee moeten
-oversteken, want het Ravenbosch <i lang="ang">Hrefna-wudu</i> lag op
-Zweedsch grondgebied.</p>
-<p class="par">Verder dient <i lang="ang">for on-m&ecirc;dlon</i>:
-<i>uit overmoed</i> op de Gooten te slaan; want zij worden door
-Ongentheow verslagen en ontsnappen slechts aan eenen gezamenlijken
-ondergang door Hygelacs komst, die den volgenden morgen tot ontzet
-opdaagt.</p>
-<p class="par">Daar nu de <i>aanvallers</i> alleen
-&laquo;overmoedig&raquo; kunnen heeten en niet zij die aangevallen
-worden, ergo...</p>
-<p class="par">Dit wordt nog bevestigd door de omstandigheid, dat
-Ongentheow zijne gade bevrijdt, dus hadden de Gooten haar
-gewapenderhand opgelicht.</p>
-<p class="par">Ten slotte wordt van Ongentheow gezegd, dat hij Hadcyn
-<i>den tegenslag</i> schonk, <i lang="ang">ond-slyht &acirc;geaf</i>;
-dus waren de vijandelijkheden niet van hem uitgegaan.</p>
-<p class="par">Wij trekken dus uit deze gegevens de slotsom, dat
-<i lang="ang">le&oacute;de</i> als nom. en <i lang="ang">Gudh-Scilfingas</i> als <i>acc.</i> moeten aangemerkt worden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb347" href="#pb347" name="pb347">347</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="n78" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">78</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">h&auml;fde Higel&acirc;ces hilde <i>gefr&ucirc;nen</i>
-2953.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Thorpe: <span lang="en">he of Hygelac&rsquo;s
-warfare had <i>heard</i></span>, hij had Hygelacs krijgsgeduchtheid
-<i>vernomen</i>.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Socin schijnt ook in deze meening te deelen, daar hij in
-voce <i lang="ang">gefrignan</i> alleen aanteekent &laquo;erfragen,
-<i lang="de">durch Erz&auml;hlen erfahren</i>.<span class="corr" id="xd21e26997" title="Niet in bron">&raquo;</span></p>
-<p class="par">Nochtans aanvaardde Ongentheow den terugtocht, omdat hij
-werkelijk door Hygelac verslagen was 2947&ndash;49, en niet omdat hij
-duchtte met Hygelac slaags te geraken. <i>gefrignan</i> beteekent hier:
-<i>ondervinden</i>, <i>uit ervaring weten</i>.</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">Er hatte Hygelakes Heersturm erfahren. Grein.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="n79" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">79</h3>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><i>under</i> eord-weall 2958<span class="corr" id="xd21e27022" title="Niet in bron">.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Niet <i>onder</i> maar <i>vlak bij</i> den aarden
-wal, als <i>under beorge</i> &laquo;bij den berg&raquo; 211.
-Cosijn.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n80" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">80</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line"><i>freodho-wong</i> thone fordh ofere&oacute;don
-2960.</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line">sie eilten f&uuml;rder &uuml;ber das Friedefeld.
-Grein.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Cosijn, wiens scherpzinnige verbeteringen vooral
-op deze episode het helderste licht hebben doen vallen, verstaat door
-<i>freodho-wong</i> &laquo;versterkte stelling.&raquo;</p>
-<p class="par">&rsquo;t Is de <i>f&auml;sten</i> of <i>eordh-weall</i>
-2951, 2958 en niet de benaming van eene bepaalde plaats
-<i>Friedensfeld</i> oder <i>Schutzfeld</i>, als Socin aan de hand
-doet.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n81" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">81</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">sydhdhan Hr&ecirc;dhlingas to h&acirc;gan thrungon
-2961.</p>
-</div>
-<div lang="de" class="lg">
-<p class="line">als da die Hredlinge gen Geh&ouml;fte drangen.
-Grein.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Cosijn brengt weer deze plaats terecht:</p>
-<p class="par"><i>haga</i> volgens Socin &laquo;<span lang="de">eingefriedigtes Grundst&uuml;ck, Geh&ouml;ft, kleines
-Landgut</span>,&raquo; dus zoo iets als La-Haye-Sainte bij
-Waterloo.</p>
-<p class="par">Bedoeld is de <i>bordhaga</i> of <i>w&icirc;ghaga</i>,
-waarbij man aan man met schild aan schild palstaat tegen den
-aanvaller.</p>
-<p class="par">&rsquo;t Is de <i>scild-weall</i> 3119, de Germaansche
-<i>testudo</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n82" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main"><span class="corr" id="xd21e27104" title="Bron: 2">82</span></h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">ac h&ecirc; hyne <i>gewyrpte</i>, the&aacute;h the him
-wund hrine 2977.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">maar hij sprong op ofschoon hem de wonde had
-aangetast.</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb348" href="#pb348" name="pb348">348</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par">Cosijn merkt hierbij aan: &laquo;Socin blijft hier
-<i lang="ang">hine gewyrpan</i> door <i lang="de">aufspringen</i>,
-<i lang="de">erheben</i> verklaren, hoewel ik de onjuistheid daarvan
-heb aangetoond en uit vs. 2983 duidelijk blijkt, dat Wulf op den grond
-bleef liggen, totdat anderen hem ophielpen en verbonden.&raquo;</p>
-<p class="par"><i lang="ang">Hine gewyrpte</i>: hij herstelde van zijne
-wonde.</p>
-<p class="par">Grein heeft verkeerdelijk &laquo;sondern w&auml;lzte
-sich.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n83" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">83</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">thone the aer gehe&oacute;ld</p>
-<p class="line">widh hettendum hord ond r&icirc;ce,</p>
-<p class="line">&auml;fter h&auml;ledha hryre hwate <i>Scildingas</i>.
-3004&ndash;6.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Uit <i>gehe&oacute;ld hwate Scildingas</i> trekt
-Thorpe het besluit, dat Beowulf na Hrodgars verscheiden ook over de
-Schildingen of Denen zou geheerscht hebben; misschien is voor
-<i>Scildingas Scilfingas</i> (Zweden) te lezen, zoodat Beowulf, die
-Eadgils heeft gedood, waarschijnlijk tevens het land veroverde.</p>
-<p class="par">M&uuml;llenhoff echter ziet in 3006 eene gedachtelooze
-herhaling van het gelijkluidende vers 2053.</p>
-<p class="par">In alle geval verwerpt hij de wijziging in
-<i>Scilfingas</i>, omdat juist <i>tegen</i> de Zweden of Schilfingen
-schat en rijk moest beschermd worden.</p>
-<p class="par">Ik zie niet in hoe <i lang="ang">gehe&oacute;ld</i> t.
-a. p. <i>regeeren</i> kan beteekenen, ofschoon <i lang="ang">gehealdan</i> met twee beteekenissen &laquo;bewaren,
-beschermen&raquo; en &laquo;regeeren&raquo; verschijnt.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">Gehe&oacute;ld</i> heeft drie voorwerpen:
-<i>hord</i>, <i>rice</i>, <i>Scildingas</i> en behoort dus eene
-beteekenis te hebben, die op alle drie toepasselijk is.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">Gehe&oacute;ld hord</i>: &laquo;hij
-<i>heerschte</i> over den schat&raquo; geeft geenen goeden zin in de
-verbinding met de bepaling <i>widh hettendum</i> &laquo;tegenover de
-haatgezinden.&raquo;</p>
-<p class="par">Integendeel &laquo;hij <i>beschermde</i> tegen hen
-schat, rijk, de Schildings&raquo; biedt geene zwarigheid meer aan.</p>
-<p class="par"><i lang="ang">gehe&oacute;ld hord ond r&icirc;ce</i>
-doelt gevoeglijkst op Beowulfs oorlog met de Zweden 2392; <i lang="ang">hwate Scildingas</i> integendeel op zijnen kamp met Grendel.</p>
-<p class="par">Grein vertaalt <i lang="ang">gehe&oacute;ld</i> door
-<i lang="de">er behauptete</i>; onder dit opzicht ten minste wijkt
-mijne vertaling niet van de zijne af.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n84" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">84</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">aer h&icirc; ges&ecirc;gan syll&icirc;cran wiht,</p>
-<p class="line">wyrm on wonge 3039&ndash;40</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb349" href="#pb349" name="pb349">349</a>]</span></p>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zij zagen <i>eerst</i> een zeldzamer wezen,</p>
-<p class="line">den worm op het veld.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Dit &laquo;eerst&raquo; klinkt nog al vreemd.
-Cosijn verandert <i lang="ang">aer</i> in <i lang="ang">aeft</i> (eft)
-<i>daarna</i>.</p>
-<p class="par">Bugge lascht de ontkenning <i lang="ang">n&ecirc;</i> in
-en neemt eene leemte aan van een vers:</p>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">banon e&aacute;c fundon bennum se&oacute;cne,</p>
-<p class="line">(n&ecirc; aer h&icirc; thaem ges&ecirc;gan
-syll&icirc;cran wiht)</p>
-<p class="line">wyrm on wonge:</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zij vonden ook den dooder door wonden ontzenuwd,</p>
-<p class="line xd21e24256">(nooit zagen zij vroeger een zeldzamer wezen
-dan dit)</p>
-<p class="line">den worm op het veld.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="n85" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">85</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">3049&ndash;74. In hoofdzaak heb ik mij aangesloten
-bij de door Bugge gewijzigde volgorde der regels.</p>
-<p class="par">Zijne indeeling is: 3070&ndash;74; 3075&ndash;76;
-3059&ndash;69; 3077.</p>
-<p class="par">Daar 3069 van Beowulf gesproken wordt, knoop ik
-3075&ndash;76 er onmiddellijk aan vast, zoodat <i lang="ang">h&ecirc;</i> 3075 niet meer in de lucht hangt, maar op Beowulf
-terugziet.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n86" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">86</h3>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">n&auml;s he gold-hw&auml;t: gearwor h&auml;fde</p>
-<p class="line">&acirc;gendes &ecirc;st aer gesce&aacute;wod
-3075&ndash;76.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ofschoon deze plaats eene bonte rij van gissingen
-heeft uitgelokt blijf ik vooralsnog bij het oude en schaar mij bij
-Ettm&uuml;ller, wiens verklaring met den samenhang strookt; iets wat
-voor eene bedorven plaats als deze bevredigend mag heeten.</p>
-<p class="par">Eene afdoende oplossing is niet te verwachten.</p>
-<p class="par">Cosijn stelt eene nieuwe lezing voor:</p>
-<p class="par">&laquo;In geenen deele had Beowulf met goudgierige oogen
-v&oacute;&oacute;r zijn dood des eigenaars nalatenschap nauwkeuriger
-beschouwd&raquo;; want Wihstan had hem alleen een klein deel der
-schatten kunnen toonen.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n87" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">87</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">n&ucirc; sceal gl&ecirc;d fretan</p>
-<p class="line">(weaxan wonna l&ecirc;g) wigena strengel
-3115&ndash;16.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb350" href="#pb350" name="pb350">350</a>]</span></p>
-<div class="lg">
-<p class="line">nu zal de gloed vreten</p>
-<p class="line">(wassen de zwarte vlam) der strijders aanvoerder.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De <i>parenthese</i> levert geenen op zich zelf
-staanden zin op; vandaar dat Cosijn vermoedt: nu zal de gloed vreten,
-de zwarte vlam <i>verslinden</i> enz.</p>
-<p class="par"><i>weaxan</i> zou parallel zijn met <i>fretan</i> en
-iets overeenkomstigs beteekenen.</p>
-<p class="par">Grein stelt zich de zaak ook zoo voor:</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line xd21e23855">Nun soll die Glut fressen,</p>
-<p class="line">schmelzen die schwarze Lohe der Schlachthelden
-st&auml;rksten.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="n88" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">88</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">3151&ndash;57. Bugge herstelt de gapingen als
-volgt:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">swylce gi&ocirc;mor-gyd si&oacute;
-ge&oacute;-meowle</p>
-<p class="line">aefter Be&oacute;wulfe bunden-heorde</p>
-<p class="line">song sorg-cearig, saede geneahhe,</p>
-<p class="line">th&auml;t hi&oacute; hyre hearm-dagas hearde
-ondr&ecirc;de,</p>
-<p class="line">w&auml;lfylla worn, w&icirc;gendes egesan,</p>
-<p class="line">h&#563;ndo ond h&auml;ftn&#563;d, he&oacute;f on
-r&icirc;ce wealg.</p>
-</div>
-<p class="par first">Wat het laatste halfvers betreft: <i lang="ang">he&oacute;f on r&icirc;ce wealg</i>:</p>
-<p class="par"><i>het gejammer in een vreemd rijk</i>, houd ik het
-liever met Socin, die met het Hs. leest: <i lang="ang">heofon
-r&ecirc;ce swealg</i> &laquo;de hemel slurpte den rook op.&raquo;</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n89" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">89</h3>
-<div class="lgouter">
-<div lang="ang" class="lg">
-<p class="line">.... hornas byrnadh naefre? 1.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">branden niet de horens (horentrans).</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Het Finnsburg-fragment begint met deze slotwoorden
-van de door een der Denen gestelde vraag. Ik heb ze in de vertaling
-weggelaten.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n90" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">90</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Bugges tekstverbeteringen zijn als volgt:</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">ac h&ecirc;r fordh beradh fyrdsearu rincas,</p>
-<p class="line">flacre fl&acirc;nbogan, fugelas singadh. 5&ndash;6.</p>
-</div>
-<p class="par first">letterlijk:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">maar hier brengen helden het legerharnas aan,</p>
-<p class="line">den zwaaienden boog, vogels zingen.</p>
-</div>
-<p class="par first">&nbsp; <span class="pagenum">[<a id="pb351" href="#pb351" name="pb351">351</a>]</span></p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line"><span class="lineNum">18&ndash;21</span> Th&acirc; gyt
-G&ucirc;dhdene G&acirc;rulf styrode,</p>
-<p class="line">th&auml;t h&ecirc; sw&acirc; fre&oacute;l&icirc;c feorh
-forman s&icirc;dhe</p>
-<p class="line">t&ocirc; thaere healle durum hyrsta ne baere,</p>
-<p class="line">n&ucirc; h&icirc;e n&icirc;dha heard &acirc;nyman
-wolde.</p>
-</div>
-<p class="par first">Zijne verandering van <i>G&ucirc;dhere</i>, een
-eigennaam, in <i>G&ucirc;dhdene</i>, <i>Strijd-Deen</i> draagt
-Jellineks goedkeuring weg.</p>
-<div lang="ang" class="lgouter">
-<p class="line">hwearf flacra hraew hr&auml;fen, wandrode 34.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="n91" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">91</h3>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><i>C&eacute;led</i> bord 29 &laquo;het koude
-schild&raquo; Jellinek.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De oorspronkelijke tekst heeft <i>celaes</i>,
-waarvoor men gewoonlijk <i>celod</i> leest, dat ook duister is.</p>
-<p class="par">Jellineks verbetering <i>c&eacute;led</i>, <i>koud</i>
-past zeer goed bij het door den nachtelijken dauw genette schild.</p>
-<p class="par">Tot staving hiervan wijst hij op <i lang="ang">g&acirc;r
-morgenceald</i> &laquo;de morgenkoude speer&raquo; Beowulf 3023.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="n92" class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">92</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">De vertaling, welke wij van dit raadselachtig
-brokstuk geleverd hebben, steunt op Socins uitgave van 1883 en
-<span class="corr" id="xd21e27455" title="Bron: volg">volgt</span> in
-hoofdzaak de zienswijze van M&ouml;ller.</p>
-<p class="par">Sedertdien heeft Jellinek een stap nader gedaan tot een
-duidelijk inzicht van het geheel.</p>
-<p class="par">Er hapert iets aan M&ouml;llers en Bugges opvatting:
-Garulf, de zoon van Gudlaf, <i lang="ang">G&ucirc;dhl&acirc;fes
-sunu</i> 33, zou een Fries, dus een aanvaller zijn, terwijl volgens het
-fragment en volgens Beowulf 1149 Gudlaf een <i>Deen</i> is.</p>
-<p class="par">Vandaar dat M&ouml;ller <i lang="ang">G&ucirc;dhl&acirc;fes</i> 33 door <i lang="ang">G&ucirc;dhulfes</i> vervangt. Jellinek ruimt deze tegenspraak uit
-den weg, want voor hem blijft Garulf een Deen.</p>
-<p class="par">Zijne uiteenzetting komt hierop neer:</p>
-<p class="par">Aan de eene deur wordt post gevat door Sigeferd en Eaha,
-aan de andere door Ordlaf, Gudlaf, Hengest <i>en Garulf</i>.</p>
-<p class="par">In overeenstemming hiermede dient na <i lang="ang">sylf</i> 17 en na <i>G&acirc;rulf</i> 18 een punt te staan en die
-na <i lang="ang">l&acirc;ste</i> 17 weg te vallen.</p>
-<p class="par">Het onderwerp van <i lang="ang">styrode</i> 18 is
-Garulf; <i lang="ang">G&ucirc;dhdene</i> slaat op Hengest.</p>
-<p class="par">De vrije vertaling luidt alsdan:</p>
-<p class="par">&laquo;Naar de andere deur begaf zich Ordlaf, Gudlaf en
-Hengest zelf. Ook volgde hen Garulf. Hij (Garulf) stuurde <span class="pagenum">[<a id="pb352" href="#pb352" name="pb352">352</a>]</span>den
-Strijd-Deen (Hengest) toe, dat deze zijn zoo doorluchtig leven niet bij
-den eersten aanval moest blootstellen, daar de kampduchtige Finn,
-<i lang="ang">n&icirc;dha heard</i>, het hem ontnemen wilde.&raquo;</p>
-<p class="par">Alvorens zich van de deur naar binnen in den burcht
-terug te trekken, wil Hengest zich overtuigen, of de deur goed bewaakt
-is en hij vraagt diensvolgens, want het is nacht, wie de eerste deur,
-daar waar zich Sigeferd en Eaha bevinden, bezet houdt. Sigeferd maakt
-zich daarop bekend. Zijn antwoord kan tweederlei beteekenen.</p>
-<p class="par">Ofwel &laquo;U staat hier gereed, al wat gij van mij
-moogt verlangen&raquo; d. i. ik ben geheel en al tot uwen dienst. Ofwel
-ligt er iets uitdagends in zijne woorden (Vgl. Vert.), en dan moet men
-aannemen, dat hij Hengest ook niet aanstonds herkend heeft.</p>
-<p class="par">Garulf sneuvelt niet aanstonds, zooals men uit den tekst
-zou kunnen opmaken, maar eerst na den vijfden dag; hierdoor wordt de
-schijnbare tegenspraak met wat volgt opgeheven.</p>
-<p class="par">Wij hebben hier te doen met een <i>hysteronproteron</i>
-d. i. op de ontknooping wordt reeds van den beginne af gewezen, een
-verschijnsel waarvan het Beowulfepos meer dan een voorbeeld
-aanwijst.</p>
-<p class="par">De &laquo;gewonde held&raquo; <i lang="ang">wund
-h&auml;ledh</i> 43 is een Deen, die zich naar het binnenste des burgs
-terugtrekt, waar zich Hengest bevindt, zoodat door <i lang="ang">folces
-hyrde</i> 46 &laquo;de herder des volks&raquo; Hengest gemeend is.</p>
-<p class="par">Bugges verbetering: <i lang="ang">hwearf flacra hraew
-hr&auml;fen, wandrode</i>, waar <i lang="ang">hwearf</i> op ongewone
-wijze met acc<span class="corr" id="xd21e27539" title="Niet in bron">.</span> en niet met een voorzetsel verschijnt,
-verandert hij in:</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><i lang="ang">hwearf l&acirc;dhra hre&aacute;s,
-hr&auml;fen wandrode</i>:</p>
-<p class="line">&laquo;de troep der vijanden viel, de raaf dwaalde
-enz.&raquo;</p>
-</div>
-<p class="par first">Ten slotte ziet Jellinek in <i lang="ang">headho-geong cyning</i> 2 &laquo;de kampjonge koning&raquo; niet
-Hn&auml;f, zooals Bugge, maar Hengest; doch zijne redeneering komt mij
-eenigszins duister voor.</p>
-<p class="par">Hoe verklaart hij dan, dat de Denen later
-<i>vorstenloos</i> <i lang="ang">the&oacute;den-le&aacute;se</i>
-(Beowulf 1104) waren?</p>
-<p class="par">B. ten Brink breekt eene lans voor M&ouml;llers
-verklaring:</p>
-<p class="par">Indien Garulf, die <i lang="ang">ealra aerest
-eordhb&ucirc;endra</i> valt, tot de verdedigers van den burcht behoort,
-dan volgt daaruit, dat gedurende vijf dagen niet alleen niemand van de
-verdedigers viel, maar ook van de aanvallers; hetgeen ongerijmd is.
-<span class="pagenum">[<a id="pb353" href="#pb353" name="pb353">353</a>]</span></p>
-<p class="par">Zou <i lang="ang">eordhb&ucirc;endra</i>
-&laquo;landbewoners, menschen&raquo; niet in den engeren zin van
-<i>burchtbewoners</i> kunnen opgevat worden; ofwel is soms <i lang="ang">eardb&ucirc;endra</i> &laquo;goed-woonbewoners&raquo; te
-lezen?</p>
-<p class="par">Dit is eene gissing, meer niet, welke ik aan het oordeel
-van meer bevoegden onderwerp.</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd21e27585" title="Niet in bron">B.</span> ten Brinks gegronde opwerping is dan
-ontzenuwd.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd21e27589width"><img src="images/o190.png" alt="Ornament." width="146" height="105"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb355" href="#pb355" name="pb355">355</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="errata" class="div1 errata"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">DRUKFOUTEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Eenige teekens zijn met onduidelijke letter
-gedrukt:</p>
-<p class="par">Bl. 97, regel 22&ndash;23, <i>lees</i>: zoodat <i lang="ang">m&acirc;ddum</i> als <i lang="ang">m&aacute;-ad-dum</i> moet
-gescandeerd worden.</p>
-<p class="par">Ib. regel 26, <i>lees</i>: <i lang="ang">&ograve;fer
-l&aacute;gustr&aacute;et&egrave;</i>.</p>
-<p class="par">Bl. 98, regel 11, <i>lees</i>: &times; &acute;
-&ndash;&#768; &times;&#769; &times; ` ^.</p>
-<p class="par">Ib. regel 16, <i>lees</i>: ^ &ndash;&#770; &times;
-&ndash;&#769; &times;&#768;.</p>
-<p class="par">Bl. 147, v. <a href="#v136">136</a>, <i>lees</i>:</p>
-<p class="par">Nadat men &rsquo;t spoor bespeurd had van den
-<i>vijand</i>.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Zinstorende fouten zijn de volgende:</p>
-<p class="par">Bl. 106, regel 18, staat:</p>
-<p class="par">De metaphoor of uitgewerkte vergelijking; <i>lees</i>:
-.... of <i>on</i>uitgewerkte vergelijking.</p>
-<p class="par">Bl. 118, regel 7&ndash;9, staat:</p>
-<p class="par">De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de
-rede van den eenzamen schatbezitter uit de Hredelepisode en in Beowulfs
-laatste woorden tot Wiglaf; <i>lees</i>: ... in de rede van den
-eenzamen schatbezitter, <i>in</i> de Hredelepisode en in Beowulfs
-laatste woorden enz.</p>
-<p class="par">Andere misstellingen, als verkeerd geslacht, verkeerde
-interpunctie enz. gelieve de lezer zelf te verbeteren.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#preface">EEN WOORD
-VOORAF</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#preface">5</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#biblio">Te raadplegen
-Literatuur over den Beowulf.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#biblio">7</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#intro">INLEIDING.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#intro">17</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e1410">De Beschaving
-in den Beowulf.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e1410">21</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e3121">Christendom.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e3121">59</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e3307">Heldensage en
-Volksepos.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e3307">62</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e3652">Geschiedenis.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e3652">71</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e3828">Mythos.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e3828">75</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e4384">Ge&aacute;tas.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e4384">85</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e4526">Nationaliteit
-van den Beowulf.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e4526">88</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e4600">Tijd van
-voltooiing.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e4600">91</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e4654">Het
-Handschrift.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e4654">92</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e4689">De
-Versbouw.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e4689">93</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#xd21e4729"><i>Twee
-Heffingen.</i></a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e4729">94</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2"></td>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#xd21e4910"><i>Vier
-heffingen.</i></a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e4910">95</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e5216">Epische
-stijl.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e5216">99</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#xd21e6839">Innerlijke
-Geschiedenis.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#xd21e6839">126</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#toc">INHOUD.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#toc">131</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">141</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">144</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">147</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">151</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">154</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">157</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch7">VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">159</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch8">VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">163</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch9">IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">166</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch10">X.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">169</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch11">XI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">174</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch12">XII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">177</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch13">XIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">181</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch14">XIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">183</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch15">XV</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">188</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch16">XVI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">191</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch17">XVII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">194</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch18">XVIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">199</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch19">XIX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">203</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch20">XX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">207</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch21">XXI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch21">211</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch22">XXII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">214</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch23">XXIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">218</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch24">XXIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">222</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch25">XXV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">226</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch26">XXVI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch26">231</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch27">XXVII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch27">235</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch28">XXVIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch28">239</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch29">XXIX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch29">243</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch30">XXX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch30">247</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch31">XXXI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch31">253</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch32">XXXII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch32">257</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch33">XXXIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch33">262</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch34">XXXIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch34">266</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch35">XXXV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch35">270</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch36">XXXVI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch36">277</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch37">XXXVII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch37">282</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch38">XXXVIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch38">285</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch39">XXXIX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch39">289</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XL.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch40">XL.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch40">293</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch41">XLI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch41">296</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch42">XLII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch42">303</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch43">XLIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch43">307</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#finnsburg">De Bestorming
-van den Finnsburg.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#finnsburg">310</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#aanmerkingen">AANMERKINGEN.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#aanmerkingen">313</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">1.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n1">1</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n1">313</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">2.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n2">2</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n2">314</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">3.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n3">3</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n3">314</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">4.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n4">4</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n4">314</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">5.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n5">5</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n5">315</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">6.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n6">6</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n6">315</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">7.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n7">7</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n7">315</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">8.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n8">8</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n8">315</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">9.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n9">9</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n9">315</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">10.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n10">10</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n10">316</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">11.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n11">11</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n11">317</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">12.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n12">12</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n12">317</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">13.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n13">13</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n13">318</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">14.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n14">14</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n14">318</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">15.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n15">15</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n15">318</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">16.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n16">16</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n16">319</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">17.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n17">17</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n17">319</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">18.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n18">18</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n18">319</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">19.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n19">19</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n19">320</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">20.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n20">20</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n20">320</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">21.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n21">21</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n21">321</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">22.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n22">22</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n22">322</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">23.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n23">23</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n23">323</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">24.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n24">24</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n24">324</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">25.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n25">25</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n25">324</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">26.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n26">26</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n26">325</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">27.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n27">27</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n27">325</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">28.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n28">28</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n28">326</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">29.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n29">29</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n29">326</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">30.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n30">30</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n30">326</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">31.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n31">31</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n31">327</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">32.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n32">32</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n32">327</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">33.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n33">33</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n33">327</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">34.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n34">34</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n34">328</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">35.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n35">35</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n35">328</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">36.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n36">36</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n36">329</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">37.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n37">37</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n37">329</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">38.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n38">38</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n38">329</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">39.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n39">39</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n39">329</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">40.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n40">40</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n40">330</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">41.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n41">41</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n41">330</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">42.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n42">42</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n42">331</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">43.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n43">43</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n43">331</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">44.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n44">44</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n44">331</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">45.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n45">45</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n45">332</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">46.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n46">46</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n46">332</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">47.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n47">47</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n47">332</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">48.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n48">48</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n48">333</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">49.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n49">49</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n49">333</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">50.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n50">50</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n50">334</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">51.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n51">51</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n51">334</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">52.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n52">52</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n52">335</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">53.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n53">53</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n53">335</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">54.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n54">54</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n54">335</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">55.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n55">55</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n55">335</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">56.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n56">56</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n56">335</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">57.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n57">57</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n57">336</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">58.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n58">58</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n58">336</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">59.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n59">59</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n59">338</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">60.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n60">60</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n60">338</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">61.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n61">61</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n61">338</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">62.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n62">62</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n62">339</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">63.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n63">63</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n63">340</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">64.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n64">64</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n64">340</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">65.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n65">65</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n65">340</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">66.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n66">66</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n66">341</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">67.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n67">67</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n67">341</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">68.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n68">68</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n68">341</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">69.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n69">69</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n69">343</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">70.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n70">70</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n70">343</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">71.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n71">71</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n71">344</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">72.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n72">72</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n72">344</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">73.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n73">73</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n73">345</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">74.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n74">74</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n74">345</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">75.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n75">75</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n75">345</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">76.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n76">76</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n76">345</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">77.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n77">77</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n77">346</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">78.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n78">78</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n78">347</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">79.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n79">79</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n79">347</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">80.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n80">80</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n80">347</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">81.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n81">81</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n81">347</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">82.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n82">82</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n82">347</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">83.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n83">83</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n83">348</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">84.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n84">84</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n84">348</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">85.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n85">85</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n85">349</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">86.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n86">86</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n86">349</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">87.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n87">87</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n87">349</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">88.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n88">88</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n88">350</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">89.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n89">89</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n89">350</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">90.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n90">90</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n90">350</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">91.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n91">91</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n91">351</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td class="tocDivNum">92.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#n92">92</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#n92">351</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#errata">DRUKFOUTEN.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#errata">355</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcribernote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctiontable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e415">8</a></td>
-<td class="width40 bottom">Spracken</td>
-<td class="width40 bottom">Sprachen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e537">9</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2626">47</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5411">n.v.t.</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6604">121</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e8019">147</a>, <a class="pageref" href="#xd21e18602">263</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e772">11</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e1008">13</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1232">15</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5365">n.v.t.</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e6485">118</a>, <a class="pageref" href="#xd21e7230">135</a>, <a class="pageref" href="#xd21e8827">156</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e8931">157</a>, <a class="pageref" href="#xd21e10401">174</a>, <a class="pageref" href="#xd21e10727">178</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e10868">180</a>, <a class="pageref" href="#xd21e10951">181</a>, <a class="pageref" href="#xd21e10957">181</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e11050">183</a>, <a class="pageref" href="#xd21e11461">187</a>, <a class="pageref" href="#xd21e12669">200</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e13099">204</a>, <a class="pageref" href="#xd21e13965">214</a>, <a class="pageref" href="#xd21e14215">216</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e14770">222</a>, <a class="pageref" href="#xd21e15127">226</a>, <a class="pageref" href="#xd21e15345">228</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e15350">228</a>, <a class="pageref" href="#xd21e15467">229</a>, <a class="pageref" href="#xd21e15683">232</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e16835">244</a>, <a class="pageref" href="#xd21e16951">245</a>, <a class="pageref" href="#xd21e17080">247</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e18299">260</a>, <a class="pageref" href="#xd21e18559">263</a>, <a class="pageref" href="#xd21e20254">280</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e21962">n.v.t.</a>, <a class="pageref"
-href="#xd21e22165">300</a>, <a class="pageref" href="#xd21e22205">300</a>, <a class="pageref" href="#xd21e22887">n.v.t.</a>, <a class="pageref" href="#xd21e24723">326</a>, <a class="pageref" href="#xd21e24728">326</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e25093">330</a>, <a class="pageref" href="#xd21e25568">334</a>, <a class="pageref" href="#xd21e25708">335</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e26261">340</a>, <a class="pageref" href="#xd21e26922">346</a>, <a class="pageref" href="#xd21e27022">347</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e27539">352</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e814">12</a></td>
-<td class="width40 bottom">te</td>
-<td class="width40 bottom">the</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e943">12</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e1032">13</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5868">109</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6254">114</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e7610">143</a>, <a class="pageref" href="#xd21e15178">227</a>, <a class="pageref" href="#xd21e23707">316</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e23821">318</a>, <a class="pageref" href="#xd21e24433">324</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e990">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">Englisch</td>
-<td class="width40 bottom">English</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1668">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">)</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2232">39</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2902">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4473">87</a>, <a class="pageref" href="#xd21e9451">162</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e17341">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">eenigste</td>
-<td class="width40 bottom">eenige</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2349">42</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e2727">50</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3969">78</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4705">93</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e5593">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2967">55</a></td>
-<td class="width40 bottom">wit</td>
-<td class="width40 bottom">doelwit</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3417">64</a></td>
-<td class="width40 bottom">Denemark</td>
-<td class="width40 bottom">Denemarken</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4018">79</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4386">85</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e4508">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4547">89</a></td>
-<td class="width40 bottom">Geatas</td>
-<td class="width40 bottom">Ge&aacute;tas</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4544">89</a></td>
-<td class="width40 bottom">e</td>
-<td class="width40 bottom">o</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4592">90</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e7049">130</a></td>
-<td class="width40 bottom">ten</td>
-<td class="width40 bottom">Ten</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5094">97</a></td>
-<td class="width40 bottom">ma-a-d&ugrave;m</td>
-<td class="width40 bottom">m&aacute;-ad-dum</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5112">97</a></td>
-<td class="width40 bottom">lagustraet&egrave;</td>
-<td class="width40 bottom">l&aacute;gustr&aacute;et&egrave;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5187">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">&eacute;en</td>
-<td class="width40 bottom">&eacute;&eacute;n</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5252">99</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5438">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5479">102</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5667">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">koninkschap</td>
-<td class="width40 bottom">koningsschap</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5691">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">methaphoor</td>
-<td class="width40 bottom">metaphoor</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5694">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitgewerkte</td>
-<td class="width40 bottom">onuitgewerkte</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5875">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">lichter laaie</td>
-<td class="width40 bottom">lichterlaaie</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5892">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-&pi;&omicron;&nu;&tau;&omicron;&pi;&#8057;&rho;&omicron;&sigma;</td>
-<td class="width40 bottom"><span class="trans" title="Pontoporos"><span class="Greek" lang="el">&Pi;&omicron;&nu;&tau;&omicron;&pi;&#8057;&rho;&omicron;&sigmaf;</span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6465">118</a></td>
-<td class="width40 bottom">uit</td>
-<td class="width40 bottom">, in</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e7458">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">&ndash;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e9054">159</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e25216">331</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">&laquo;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e10838">179</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">v.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e12649">200</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e12825">201</a></td>
-<td class="width40 bottom">V.</td>
-<td class="width40 bottom">v.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e13632">209</a></td>
-<td class="width40 bottom">geeischt</td>
-<td class="width40 bottom">ge&euml;ischt</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e13729">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">terugge reisde</td>
-<td class="width40 bottom">teruggereisde</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e14246">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">t</td>
-<td class="width40 bottom">&rsquo;t</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e14937">224</a></td>
-<td class="width40 bottom">1544</td>
-<td class="width40 bottom">1645</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e15629">232</a></td>
-<td class="width40 bottom">eewigdurend</td>
-<td class="width40 bottom">eeuwigdurend</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e16256">238</a></td>
-<td class="width40 bottom">watterros</td>
-<td class="width40 bottom">waterros</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e16560">242</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e17198">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">Headobardenepisode</td>
-<td class="width40 bottom">Headobarden-episode</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e17721">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">&laquo;</td>
-<td class="width40 bottom">&raquo;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e17802">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">Heardered</td>
-<td class="width40 bottom">Heardred</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e18188">259</a></td>
-<td class="width40 bottom">zools</td>
-<td class="width40 bottom">zooals</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e18562">263</a></td>
-<td class="width40 bottom">Vlg.</td>
-<td class="width40 bottom">Vgl.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e21317">291</a></td>
-<td class="width40 bottom">,)</td>
-<td class="width40 bottom">),</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e22511">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">tegenpraak</td>
-<td class="width40 bottom">tegenspraak</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e23890">318</a></td>
-<td class="width40 bottom">&raquo;</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e24058">320</a></td>
-<td class="width40 bottom">sydhdhan</td>
-<td class="width40 bottom">sidhdhan</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e24539">325</a></td>
-<td class="width40 bottom">moei&rsquo;ijkheden</td>
-<td class="width40 bottom">moeilijkheden</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e25894">336</a>,
-<a class="pageref" href="#xd21e25967">337</a></td>
-<td class="width40 bottom">that</td>
-<td class="width40 bottom">th&auml;t</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e26108">338</a></td>
-<td class="width40 bottom">the&agrave;h</td>
-<td class="width40 bottom">the&aacute;h</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e26461">342</a></td>
-<td class="width40 bottom">&auml;tberan</td>
-<td class="width40 bottom">&Auml;tberan</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e26499">342</a></td>
-<td class="width40 bottom">waarvolgens</td>
-<td class="width40 bottom">waar volgens</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e26734">344</a></td>
-<td class="width40 bottom">)</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e26997">347</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">&raquo;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e27104">347</a></td>
-<td class="width40 bottom">2</td>
-<td class="width40 bottom">82</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e27455">351</a></td>
-<td class="width40 bottom">volg</td>
-<td class="width40 bottom">volgt</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e27585">353</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">B.</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Beówulf, by Anonymous
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEÓWULF ***
-
-***** This file should be named 50677-h.htm or 50677-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/0/6/7/50677/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/50677-h/images/initial-m.png b/old/50677-h/images/initial-m.png
deleted file mode 100644
index 7e13b19..0000000
--- a/old/50677-h/images/initial-m.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/lbrace2.png b/old/50677-h/images/lbrace2.png
deleted file mode 100644
index f746efd..0000000
--- a/old/50677-h/images/lbrace2.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/new-cover-tn.jpg b/old/50677-h/images/new-cover-tn.jpg
deleted file mode 100644
index f76ab92..0000000
--- a/old/50677-h/images/new-cover-tn.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/new-cover.jpg b/old/50677-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 3a2975c..0000000
--- a/old/50677-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o088.png b/old/50677-h/images/o088.png
deleted file mode 100644
index 16823db..0000000
--- a/old/50677-h/images/o088.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o143.png b/old/50677-h/images/o143.png
deleted file mode 100644
index b59a42c..0000000
--- a/old/50677-h/images/o143.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o156.png b/old/50677-h/images/o156.png
deleted file mode 100644
index def42cb..0000000
--- a/old/50677-h/images/o156.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o158.png b/old/50677-h/images/o158.png
deleted file mode 100644
index d9b5347..0000000
--- a/old/50677-h/images/o158.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o173.png b/old/50677-h/images/o173.png
deleted file mode 100644
index 6efc10b..0000000
--- a/old/50677-h/images/o173.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o176.png b/old/50677-h/images/o176.png
deleted file mode 100644
index 0a14e01..0000000
--- a/old/50677-h/images/o176.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o182.png b/old/50677-h/images/o182.png
deleted file mode 100644
index 02582ff..0000000
--- a/old/50677-h/images/o182.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o190.png b/old/50677-h/images/o190.png
deleted file mode 100644
index 47fad3f..0000000
--- a/old/50677-h/images/o190.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o206.png b/old/50677-h/images/o206.png
deleted file mode 100644
index f81c4cd..0000000
--- a/old/50677-h/images/o206.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o210.png b/old/50677-h/images/o210.png
deleted file mode 100644
index be8f44c..0000000
--- a/old/50677-h/images/o210.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o221.png b/old/50677-h/images/o221.png
deleted file mode 100644
index bb2c699..0000000
--- a/old/50677-h/images/o221.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o225.png b/old/50677-h/images/o225.png
deleted file mode 100644
index 7e17c04..0000000
--- a/old/50677-h/images/o225.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o230.png b/old/50677-h/images/o230.png
deleted file mode 100644
index fff7937..0000000
--- a/old/50677-h/images/o230.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o238.png b/old/50677-h/images/o238.png
deleted file mode 100644
index 30ca5cd..0000000
--- a/old/50677-h/images/o238.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o252.png b/old/50677-h/images/o252.png
deleted file mode 100644
index 1ce5065..0000000
--- a/old/50677-h/images/o252.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o261.png b/old/50677-h/images/o261.png
deleted file mode 100644
index 4583a62..0000000
--- a/old/50677-h/images/o261.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o269.png b/old/50677-h/images/o269.png
deleted file mode 100644
index dc40195..0000000
--- a/old/50677-h/images/o269.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o284.png b/old/50677-h/images/o284.png
deleted file mode 100644
index 023021e..0000000
--- a/old/50677-h/images/o284.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o292.png b/old/50677-h/images/o292.png
deleted file mode 100644
index 9c88433..0000000
--- a/old/50677-h/images/o292.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o302.png b/old/50677-h/images/o302.png
deleted file mode 100644
index 647851c..0000000
--- a/old/50677-h/images/o302.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o306.png b/old/50677-h/images/o306.png
deleted file mode 100644
index 1944be6..0000000
--- a/old/50677-h/images/o306.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/o312.png b/old/50677-h/images/o312.png
deleted file mode 100644
index 42742ec..0000000
--- a/old/50677-h/images/o312.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/rbrace2.png b/old/50677-h/images/rbrace2.png
deleted file mode 100644
index 569bc08..0000000
--- a/old/50677-h/images/rbrace2.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/rbrace3.png b/old/50677-h/images/rbrace3.png
deleted file mode 100644
index 52fac72..0000000
--- a/old/50677-h/images/rbrace3.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/titlepage.png b/old/50677-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 6e30efa..0000000
--- a/old/50677-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/50677-h/images/wapen.jpg b/old/50677-h/images/wapen.jpg
deleted file mode 100644
index 0b893f5..0000000
--- a/old/50677-h/images/wapen.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/old/50677-8.txt b/old/old/50677-8.txt
deleted file mode 100644
index acfc104..0000000
--- a/old/old/50677-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,14663 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Bewulf, by Anonymous
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Bewulf
- Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met
- inleiding en aanteekeningen voorzien
-
-Author: Anonymous
-
-Translator: L. Simons
-
-Release Date: December 12, 2015 [EBook #50677]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEWULF ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE
- VOOR TAAL- & LETTERKUNDE
-
- BEOWULF
-
- ANGELSAKSISCH VOLKSEPOS
-
- VERTAALD IN STAFRIJM
-
- EN MET INLEIDING
- EN AANTEEKENINGEN VOORZIEN
-
- DOOR
-
- Dr. L. SIMONS
-
- BRIEFWISSELEND LID
- DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE
- VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE
- LEERAAR AAN 'T KONINKLIJK ATHENAEUM TE BRUSSEL.
-
-
-
- GENT
- A. SIFFER
- Drukker der Koninklijke Vlaamsche Academie
-
- 1896
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN WOORD VOORAF
-
-
-Mijn doel bij het uitgeven dezer Beowulf-bewerking was, in eene leemte
-te voorzien en tevens de uitkomsten van de onderzoekingen over een
-der belangrijkste letterkundige voortbrengselen in breeder kring
-te verspreiden.
-
-Daarom zijn aan de vertaling talrijke ophelderingen en eene
-breedvoerige inleiding toegevoegd.
-
-Ik heb den tekst van Socin gevolgd; daar waar ik de voorkeur geef
-aan eene andere lezing, heb ik mijne handelwijze gerechtvaardigd in
-de Aanmerkingen op het einde van het werk.
-
-Van de vertaling valt niets bijzonders te zeggen; ik sluit mij
-zoo getrouw mogelijk bij mijn voorbeeld aan, en dat dit geene
-gemakkelijke taak was, zal hij, die in den ingewikkelden tekst van het
-oorspronkelijke thuis is, het best begrijpen, vooral als hij nagaat,
-hoe ver ons Nederlandsch in rijkdom van zinverwante woorden ten achter
-staat bij de Angelsaksische epiek.
-
-Een enkel woord over de versmaat.
-
-Ik had, evenals de Geyter, het Reinaertsvers kunnen aanwenden, dat uit
-het algemeen Oudgermaansche vers gesproten is, vooral daar het heel wat
-meer speelruimte aanbiedt dan de, door mij gebezigde, eng begrensde
-vijfvoetige jambus; nochtans heb ik van zijn gebruik afgezien, omdat
-het, zooals Max Rooses te recht aanmerkt, te gemeenzaam klinkt voor
-epische verhalen.
-
-Buitendien leent zich de vijfvoetige jambus zeer goed tot de indeeling
-in halfverzen, het hoofdkenmerk der oude epische versmaat.
-
-Heb ik mij door het verwerpen van het Reinaertsvers een blok aan 't
-been gelegd, van den anderen kant veroorloof ik mij meer vrijheid
-van beweging bij het stafrijm; en geen wonder, want onze taal is
-er geheel en al aan ontwend. In dit opzicht sluit ik mij aan bij de
-Middelengelsche dichters, die op dit punt wat minder nauwgezet waren
-dan hunne voorgangers.
-
-Vandaar dat de twee halfverzen niet altijd door een gemeenschappelijk
-stafrijm (naar het voorbeeld ab ab) tot een geheel vereenigd worden,
-maar integendeel elk op zich zelf een afzonderlijk stafrijm hebben
-(aa bb).
-
-Het schijnt mij zelfs toe, dat het stafrijm in onze tegenwoordige
-taal op deze laatste wijze alleen het best tot zijn recht komt.
-
-Men leze en oordeele.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TE RAADPLEGEN LITERATUUR OVER DEN BEOWULF.
-
-
-De volgende uitgebreide lijst is ontleend aan James M. Garnett,
-Beowulf, An Anglo-Saxon Poem; Boston U. S. A. 1893.
-
-Eenige na dien tijd verschenen werken heb ik er aan toegevoegd.
-
-
-Uitgaven:
-
-Thorkelin. De Danorum rebus gestis secul. III et IV poema Danicum
-dialecto Anglosaxonica. Havniae, 1815, met eene Latijnsche vertaling.
-
-Conybeare. Illustrations of Anglo-Saxon Poetry, London,
-1826. Thorkelin's uitgave wordt er met het Hs. vergeleken en eene
-Latijnsche en voor sommige plaatsen eene Engelsche vertaling aan
-toegevoegd.
-
-Kemble. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Traveller's song and
-the Battle of Finnsburg, London, 1833; 2de uitgave, 1835-37, in twee
-deelen, waarvan het tweede eene volledige Engelsche vertaling behelst.
-
-Schaldemose. Beowulf og Scopes Widsidh, Kopenhagen, 1847, 2de uitgave,
-1851. Kemble's tekst met Deensche vertaling.
-
-Thorpe. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Scp or Gleeman's
-Tale, and the Fight at Finnsburg, Oxford, 1855; met Engelsche
-vertaling. Herdruk zonder wijzigingen in 1875.
-
-Grein. Bibliothek der Angelschsischen Poesie, 1ste deel, blz. 255,
-Beowulf; Gttingen, 1857.
-
-Grundtvig. Beowulfes Beorh; Kopenhagen, Londen en Leipzig, 1861,
-met eene vergelijking van de twee afschriften van het Hs. in 1786
-door Thorkelin gemaakt.
-
-Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863; 2de uitgave, 1868; 3de uitg., 1873;
-4de uitg., 1879; 5de uitg., door Socin bezorgd, 1888; met het beste
-glossarium.
-
-Grein. Beowulf nebst den Fragmenten Finnsburg und Waldere; Cassel en
-Gttingen, 1867.
-
-Ettmller, Carmen de Beowulfi Gautarum regis rebus praeclare gestis
-atque interitu, quale fuerit antequam in manus interpolatoris,
-monachi Vestsaxonici, inciderat. Turici, 1875.
-
-Arnold, Thomas. Beowulf. A heroic poem of the eighth century, London,
-1876; met eene Engelsche vertaling.
-
-Wlcker. Grein's Bibliothek der A. S. Poesie. Neu bearbeitet
-u. s. w. 1ste deel, 1ste helft; Cassel, 1881. Herstelde tekst met
-critische nota's in 1ste deel, 2de helft; Cassel, 1883.
-
-Holder. Beowulf. I. Abdruck der Handschrift; 2de uitg. Freiburg en
-Tbingen, 1882. Hs. door Holder vergeleken in 1875 met gebruik
-van Thorpe's oorspronkelijke collatie in 1830. II. Tekst en
-glossarium. 1884.
-
-Harrison en Sharp. Beowulf; volgens Heyne's tekst en
-woordenlijst. Boston, 1883; 2de uitg., 1885; 3de vermeerderde uitg.,
-1888.
-
-Zupitza. Beowulf; Autotypes of the unique Cotton MS. Vitellius
-A. XV. in the British Museum; with a transliteration and notes;
-London, 1882; Early English Text Society.
-
-Klbing. Zur Beowulf-Handschrift. Herrig's Archiv fr das Studium
-der neueren Sprachen; LVI, 91. Eene volledige vergelijking van het Hs.
-
-
-Afzonderlijke vertalingen.
-
-Grundtvig. Bjowulfs Drape; Kopenhagen, 1820, 2de uitgave, 1865.
-
-L. Ettmller, Beowulf. Heldengedicht des achten Jahrhunderts, zum
-ersten Male aus dem Angelschsischen in das Neuhochdeutsche stabreimend
-bersetzt und mit Einleitung und Anmerkungen vorsehen. Zrich, 1840.
-
-Wackerbarth. Beowulf, translated into English verse; London, 1849.
-
-Grein. Dichtungen der Angelsachsen, stabreimend bersetzt; 2 deelen;
-Gttingen, 1857-59; 1ste deel, 2de uitg., 1863. Afzonderlijke uitgave
-van de Beowulf-vertaling, Cassel, 1883.
-
-Sandras. De carminibus Caedmoni adjudicatis; Parijs, 1859; met
-uittreksel van Beowulf en Latijnsche vertaling.
-
-Simrock. Beowulf, bersetzt und erlutert; Stuttgart en Augsburg, 1859.
-
-Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863.
-
-Von Wolzogen. Beowulf; Leipzig, Reclam-Bibliothek.
-
-Botkine. Beowulf. Epope Anglo-Saxonne, traduite en francais pour la
-premire fois; Havre, 1877.
-
-Lumsden. Beowulf, translated into modern rhymes; London, 1881; 2de
-uitg., 1883.
-
-Zinsser. Der Kampf Beowulfs mit Grendel. Probe einer metrischen
-Uebersetzung des A. S. epos Beowulf; Jahresbericht van de Realschule
-te Forbach, 1881.
-
-Grion, Giusto. Beovulf, poema epico anglo-sassone del VII secolo,
-tradotto e illustrato; Lucca, 1883. De eerste Italiaansche vertaling.
-
-Wickberg. Beowulf, en fornengelek hjeltedikt, fersatt; Westervik. De
-eerste Zweedsche vertaling.
-
-Voegen wij er nog bij de reeds aangehaalde Engelsche vertaling van
-Garnett.
-
-
-Werken van bijzonderen aard.
-
-Mllenhoff. Beowulf. Untersuchungen ber das Angelschsische Epos
-und die lteste Geschichte der germanischen Seevlker; Berlijn,
-1889. Mythus, geschichtliche Elemente; die Geaten und Schweden,
-die Dnen, die Angeln und Sachsen.
-
-B. ten Brink. Beowulf. Untersuchungen; Strassburg, 1888. De schrijver
-houdt er zich vooral bezig met de innerlijke geschiedenis van het epos.
-
-Sarrazin. Beowulf-Studien; Berlijn, 1888. Ursprung der Sage, die
-Skand. orig. Dichtung, die Angels. Bearbeitung, die Stellung des
-Beowulf-epos in der Entwicklung der altengl. Poesie.
-
-Kemble. Ueber die Stammtafel der Westsachsen; Munchen, 1836.
-
-Heyne. Ueber die Lage und Construction der Halle Heorot; Paderborn,
-1864.
-
-Botkine. Beowulf. Analyse historique et gographique; Parijs, 1876.
-
-Dederich. Historische und geographische Studien zum Angelschsischen
-Beowulfsliede; Keulen, 1877.
-
-Grein. Die historischen Verhaltnisse des Beowulfliedes. Ebert's
-Jahrbuch fr rom. und engl. Literatur, IV, 260 (1862).
-
-Schultze. Altheidnisches in der A. S. Poesie, speciell im
-Beowulfsliede; Berlijn, 1877.
-
-Skeat. The Name Beowulf. Academy, 1877, I. 163.
-
-Leo. Beowulf, das lteste deutsche, in angelschsischer Mundart
-erhaltene Heldengedicht, nach seinem Inhalte und mythologischen
-Beziehungen betrachtet; Halle, 1839; met vertaalde uittreksels.
-
-Sarrazin. Der Schauplatz des ersten Beowulfliedes und die Heimat des
-Dichters. Paul und Braune's Beitrge, XI, 528-541.
-
-Id. Die Beowulfsage in Dnemark. Anglia, IX, 195-199.
-
-Id. Beowa und Bthvar. Anglia, IX, 200-204.
-
-Id. Beowulf und Kynewulf. Anglia, IX, 515-550.
-
-Id. Altnordisches im Beowulfliede. Beitrge, XI, 528-541.
-
-Sievers. Die Heimat des Beowulf-dichters. Beitrge, XI, 354-362.
-
-Id. Altnordisches im Beowulf? Beitrge, XII, 168-200.
-
-Klpper. Heorot-Hall in the Anglo-Saxon Poem of Beowulf. Festschrift
-fr K. E. Krause. Rostock.
-
-Haigh. The Anglo-Saxon Sagas; Londen, 1861; eene poging om de in het
-epos vermelde plaatsen in Engeland thuis te brengen.
-
-Mller, N. Die Mythen im Beowulf in ihrem Verhltniss zur germanischen
-Mythologie betrachtet; Leipzig, 1878.
-
-Suchier. Ueber die Sage von Offa und Thrydho. Beitrge, IV, 500.
-
-Vigfusson. Grettis Saga, in de voorrede van zijne Sturlunga Saga;
-Oxford, 1878.
-
-Gering. Der Beowulf und die Islndische Grettissaga; Anglia, III, 74.
-
-Smith, C. Sprague. Beowulf Gretti, in New Englander, IV, 49.
-
-Ettmller. Altnordischer Sagenschatz, 1870.
-
-Symons. Heldensage. Grundriss der Germanischen Philologie; VII
-Abschnitt.
-
-G. Kurth. Histoire potique des Mrovingiens; Paris, 1893.
-
-Mllenhoff. Der Mythus von Beowulf. Haupt's Zeitschrift, VII, 419.
-
-Skeat. The Monster Grendel in Beowulf. Journal of Philology, No
-29, XV.
-
-Schneider. Der Kampf mit Grendels Mutter. Program des
-Friedrichs-Realgymnasiums; Berlijn, 1887.
-
-Hornburg. Die Composition des Beowulf. Program van het Lyceum in
-Metz, 1877.
-
-Mller. Das altenglische Volksepos in der ursprnglichen strophischen
-Form; Kiel, 1883.
-
-Rnning. Beowulfs-Kvadet. En literaer-historisk
-undersgelse. Kopenhagen, 1883.
-
-Krger. Ueber Ursprung und Entwickelung des Beowulfliedes. Herrig's
-Archiv, LXXI, 129, 1884.
-
-Id. Zum Beowulfliede. Program des stdtischen Realgymnasiums in
-Bromberg, 1884.
-
-Merbot. Aesthetische studin zur angelschsischen Poesie; Breslau,
-1883.
-
-March. The World of Beowulf. Proceedings of the
-Amer. Phil. Association, 1882.
-
-Harrison. Old Teutonic Life in Beowulf. Overland Monthly, July, 1884.
-
-Bugge. Studien ber das Beowulfepos. Beitrge XII, 1-80 en 360-375.
-
-Sarrazin. Entgegnung. Englische studien, XIV, 421-427. Een antwoord op
-Koeppel's beoordeeling van Sarrazin's Beowulf-Studien. Eng. Stud. XIII,
-475.
-
-Koeppel's antwoord; Eng. Stud. XIV, 427-432.
-
-Deskau. Zum Studium des Beowulf. Berichte des freien deutschen
-Hochstiftes. 1890.
-
-Hertz. Beowulf, das lteste germanische Epos. Nord und Sd, XXIX,
-229-253; 1884.
-
-Weinhold. Altnordisches Leben, 1856.
-
-Kalund. Sitte. Skandinavische Verhltnisse. Grundriss der Germanischen
-Philologie, XIII. Abschnitt.
-
-Schultz. Sitte. Deutsch-Englische Verhltnisse. Grundriss enz.
-
-Deze schrijver maakt er een komaf mee met de volgende verklaring:
-Von hoher Bedeutung dagegen fr die Sittengeschichte der Angelsachsen
-ist das Beowulflied.
-
-Fahlbeck. Beowulfsqvdet enz. Antiquarisk Tidskrift fr Sverige, VIII.
-
-Lehmann. Brnne und Helm im angelschsischen Beowulfliede; Leipzig,
-1885.
-
-Id. Ueber die Waffen im angelschsischen Beowulfliede, Germania,
-XXXI, 486-497.
-
-Bugge. Til de oldengelske digte om Beowulf og Waldere. Tidskrift for
-Philologi og Pdagogik, VIII, 1869-70.
-
-Davidson, Chas. Differences between the Scribes of Beowulf. Modern
-Language, Notes, V, 85 en 378; 1890.
-
-Mc Clumpha, Chas. Differences between the Scribes of
-Beowulf. Mod. Lang. Notes, V, 245, 1890.
-
-Schultze. Ueber das Beowulfslied. Program van de Realschule te
-Elbing, 1864.
-
-Schrder. Om Bjowulfs-drapen. Kopenhagen, 1875.
-
-Arnheim. Ueber das Beowulflied. Bericht ber die Jacobsonsche Schule
-zu Seesen, 1867-71.
-
-Klbing. Kleine Beitrge. Klbing's Englische Studin, III, 92;
-zu Beowulf, 168.
-
-Outzen. Ueber das A. S. Beowulfs-Gedicht. Kieler Bltter, III,
-312; 1816.
-
-Schemann. Beowulf. Antichissimo poema epico de' popoli
-Germanici. Giornale Neapolitano di filosofia e lettere, scienze morale
-e politiche, IV, Vol. VII, 63, 175.
-
-Earle. Beowulf. Canadian Monthly, II, 83, 1872.
-
-Id. Beowulf. Household Words, XVII, 459.
-
-Id. Beowulf. London Times, Weekly ed., Oct. 9, 1885.
-
-Gibb. Gudrun, Beowulf and Roland; 2de uitg. Londen, 1883.
-
-Powell. Recent Beowulf Literature (Harrison, Holder, Lumsden). Academy,
-no 648, Oct. 4, 1884.
-
-Id. Harrison's Beowulf. Academy, no 654, Nov. 15, 1884.
-
-Harrison. Beowulf. Academy, no 653, Nov. 8, 1884.
-
-Garnett. The Translation of Anglo-Saxon Poetry. Public. of the
-Mod. Lang. Assoc. of America. Vol. VI, no 3; 1891.
-
-Bright. Review of Harrison and Sharp's Beowulf. Litteraturblatt
-fr germ. und rom. Philologie; Juni, 1884.
-
-Gummere. The Translation of Beowulf. Amer. Journal of Philology,
-VII, 1886.
-
-Schilling. The Finnsburg-Fragment and the
-Finn-Episode. Mod. Lang. Notes, II, 291, 1887.
-
-Corson. A passage of Beowulf (2724 vlg.). Mod. Lang. Notes, III,
-193; 1888.
-
-Krger. Zum Beowulf. Beitrge, IX, 571-578.
-
-Kittredge. Zu Beowulf, 107 vlg. Beitrge, XIII, 210.
-
-Miller. The Position of Grendel's Arm in Heorot. Anglia, XII, 396-400.
-
-Zupitza. Zu Beowulf, 850. Herrig's Archiv, 84, 124; 1890.
-
-Joseph. Zwei Versversetzungen im Beowulf. Zeitschrift fr deutsche
-Philologie, XXII, 385-397.
-
-Schrer. Zur Texterklrung des Beowulf. Anglia, XIII, 333-348.
-
-Sievers. Zur Texterklrung des Beowulf. Anglia, XIV, 133-146.
-
-Kluge. Sprachhistorische Miscellen. Beitrge VIII, 532.
-
-Id. Zum Beowulf. Beitrge, IX, 187.
-
-Cosijn. Zum Beowulf. Beitrge, VIII, 508.
-
-Id. Beowulf. Taalkundige bijdragen, I, 286.
-
-Id. Aanteekeningen op den Beowulf; Leiden, 1892.
-
-Sievers. Zum Beowulf. Beitrge, IX, 135 en 370.
-
-Nader. Zur Syntax des Beowulf. Twee programma's van de
-Staats-Oberrealschule te Brnn, 1879-80.
-
-Lichtenheld. Das schwache Adjectiv im Angelschsischen. Haupt's
-Zeitschrift, XVI, 325.
-
-Nader. Der Genitiv im Beowulf. Program van de Staats-Oberrealschule
-te Brnn, 1882.
-
-Id. Dativ und Instrumental im Beowulf. Jahresbericht van de Weener
-Oberrealschule, 1882-83.
-
-Hotz. On the Use of the Subjunctive Mood in Anglo-Saxon and its
-further history in Old English; Zurich, 1882.
-
-Khler. Der syntaktische Gebrauch des Infinitivs und Particips im
-Beowulf; Mnster, 1886.
-
-Nader. Tempus und Modus im Beowulf. Anglia, X, 542-563, en XI, 444-449.
-
-Davidson. The Phonology of the Stressed Vowels in Beowulf. Public. of
-the Mod. Lang. Associat. of America. Vol. VI, no 3. 1891.
-
-Harrison. List of Irregular (strong) Verbs in Beowulf. Amer. Journal
-of Philology, IV, 462.
-
-Schubert. De Anglosaxonum arte metrica; Berlijn, 1870.
-
-Vetter. Ueber die Germanische Alliterationspoesie; Weenen, 1872.
-
-Rehrmann. Essay on Anglo-Saxon Poetry. Program van de Hoogere
-Burgerschool in Lbben, 1876.
-
-Rieger. Die Alt- und Angel-schsische verskunst; Halle, 1876.
-
-Schipper. Englische Metrik. I deel, Altenglische Metrik; Bonn, 1882.
-
-Tolman. The Style of Anglo-Saxon Poetry. Transactions of the Modern
-Language Association of America; Vol. III, 1887.
-
-Hirt. Untersuchungen zur West-germanischen verskunst; Leipzig, 1889.
-
-Guest. History of English Rhythms, 2 deelen, 1838; heruitgegeven in
-1 deel door Skeat, 1882.
-
-Banning. Die epischen Formeln im Beowulf; Marburg, 1886.
-
-Bode. Die Kenningar in der angelschsischen Dichtung; Darmstadt en
-Leipzig, 1886.
-
-Arndt. Ueber die altgermanische epische Sprache; Paderborn, 1877.
-
-Schemann. Die Synonyma im Beowulfsliede, mit Rcksicht auf Composition
-und Poetik des Gedichts; Hagen, 1882.
-
-Hoffmann. Der bildliche ausdruck im Beowulf und in der Edda. Englische
-Studien, VI, 1883.
-
-Heinzel. Ueber den Stil der altergermanischen Poesie; Strasburg, 1875.
-
-Gummere. The Anglo-Saxon Methaphor; Halle, 1881.
-
-Schulz. Die Sprachfonnen des Hildebrandsliedes im Beowulf. Program
-van de Realschule te Koningsbergen, 1882.
-
-Sievers. Zur rhythmik des germanischen
-alliterationsverses. I. Vorbemerkungen. Die metrik des
-Beowulf. Beitrge, X, 209-314. II. Sprachliche ergebnisse. Beitrge,
-X, 451-545.
-
-Id. Der angelschsische Schwellvers. Beitrge, XII, 454-482.
-
-Id. Altgermanische Melrik. Grundriss der Germanischen Philologie. IX
-Abschnitt.
-
-ten Brinck. Altenglische Literatur. Grundriss enz. VIII Abschnitt.
-
-Haupt's Zeitschrift fr Deutsches Altertum:
-
- V. 10. Haupt. Zum Beowulf.
- VII. 410. Mllenhoff. Sceaf und seine Nachkommen.
- VII. 524. Bachlechner. Die Merovinge im Beowulf.
- XI. 59. Bouterwek. Zur Kritik des Beowulfliedes.
- XI. 176. Rieger. Ingaevonen, Istaevonen, Hermionen.
- XI. 272. Mllenhoff. Zur Kritik des A. S. Volksepos.
- XI. 409. Dietrich. Rettungen.
- XII. 259. Mllenhoff. Zeugnisse und Excurse zur deutschen
- Heldensage.
- XIV. 193. Mllenhoff. Die innere Geschichte des Beowulfs.
-
-Zeitschrift fr deutsche Philologie (Hpfner en Zacher):
-
- II. 305. Khler. Die Einleitung des Beowulfliedes, en Die
- beiden Episoden von Heremod.
- II. 371. Rieger. Beoordeeling van Heyne's 2de uitgave.
- III. 381. Rieger. Zum Beowulf.
- IV. 192. Bugge. Zum Beowulf.
-
-Germania (Pfeiffer):
-
- I. 297 en 455. Bachlechner. Eomaer und Heming (Hamlac).
- I. 384. Bouterwek. Das Beowulflied. Eine Vorlesung.
- VIII. 489. Holtzmann. Zu Beowulf. (Textkritik.)
- XIII. 129. Khler. Germanische Alterthmer im Beowulf.
-
-Anglia IV, 69. Wlcker. Bespreking van de Beowulfvertalingen.
-
-ten Brink. Geschichte der englischen Litteratur; 1ste deel, Berlijn,
-1877.
-
-Wlcker. Grundriss zur Geschichte der angelschsischen Litteratur;
-Leipzig, 1885.
-
-Robinson, W. Clarke. Introduction to our Early English Literature;
-Londen, Durham en Heidelberg, 1885.
-
-Earle. Anglo-Saxon Literature; 1884.
-
-Taylor. Historic Survey of German Poetry; 3 deelen, 1830.
-
-Lonfellow. Anglo-Saxon Literature. N. Am. Review, XLVII, no 100; 1838.
-
-Petheram. Historical Sketch of Anglo-Saxon Literature in England, 1840.
-
-Wright. Biographia Britannica Literaria, Vol. I, Anglo-Saxon Period,
-1842.
-
-Lappenberg. History of England under the Anglo-Saxon kings. Translated
-by B. Thorpe, 2 vols. 1845.
-
-Kemble. Saxons in England, 2 vols. 1849.
-
-Green. The Making of England, 1882.
-
-Grimm. Deutsche Mythologie.
-
-Simrock. Handbuch der Deutschen Mythologie, 1878.
-
-Mone. Untersuchunqen zur Geschichte der deutschen Heldensage, 1836.
-
-Grimm. Die Deutsche Heldensage, 1867.
-
-Wagner. Deutsche Heldensage, 1881.
-
-Wagner en Mc Dowall. Epics and Romances of the Middle Ages, 1883.
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
- Wat is den arme 't schoon der lente? Niets!
- Een starrenhemel? Niets! Wat is hem kunst?
- Wat zijn hem tonen, tinten, geuren? Niets!
- Wat is hem Pozie?
-
-
-Zonder zich juist op het standpunt te moeten plaatsen van Multatuli,
-zal wel menig dichter met hem instemmen bij het zien van de practische
-richting onzer eeuw, waarin onder de ontwikkelden slechts weinigen,
-eenige fijnproevers en voor het overige beoordeelaars, wier vak het
-meebrengt, belang stellen in de pozie, terwijl de groote menigte in
-de beslommeringen en bekommeringen van den strijd om 't bestaan doof
-blijft voor alle godentaal en hemelval.
-
-Welk verschil met de eerste eeuwen onzer beschaving, met het
-heldentijdperk onzer Germaansche voorouders, toen de pozie, in en door
-het volk geschapen, aan een gemeenschappelijk ideaal beantwoordde,
-alle borsten deed zwellen, aller begeestering afdwong en zoozeer
-vergroeid was met het profanum vulgus, dat de dichter, welke thans
-als eene scherpe, hooger begaafde persoonlijkheid optreedt, in de
-groote massa verloren ging, als een druppel in den oceaan.
-
-Evenals het tot man opgroeiend kind zijne begoochelingen aflegt,
-naarmate het, door weetgierigheid geprikkeld, de koude en ernstige
-werkelijkheid leert kennen, zoo ook hebben de beschaafde volken
-sinds lang de ongekunstelde voorstellingen hunner jeugd over boord
-geworpen; en indien er nog eenige sporen voorhanden zijn van de oude,
-dichterlijke overleveringen, dan zijn ze tot den nederigen rang van
-sprookjes afgedaald, welke nog alleen in de kinderwereld onder de
-strooien daken rond den zetel van het goedhartige, kind geworden
-grootje, te vinden zijn.
-
-Hofdijk zegt te recht van de sage:
-
-
- Toen vlood de onterfde maagd, door twijfels kille handen
- Beroofd van kroon en bloemenw,
- En vond in 't halflicht van de ruwe, leemen wanden
- Der schaamle eenvoudigheid gen.
-
-
-Welnu, keeren wij in deze lang vervlogen tijden, in het rijk der sage
-terug; het is immers zoet voor het hart, zich de schoone jeugd weer
-voor den geest te halen.
-
-Aan de Oudengelsche letteren is het voorrecht te beurt gevallen den
-Beowulf, het oudste Germaansche epos, te bezitten. Alle Germaansche
-volken hadden wel is waar dichterlijke overleveringen, doch deze
-gaven slechts het ontstaan aan afzonderlijke liederen of sagen.
-
-Op dezen trap bleven de Scandinavirs staan, terwijl bij de Franken
-de oude heldensage grootendeels voor de pozie verloren ging. Alleen
-de Duitschers kunnen met rechtmatigen trots op volksheldendichten
-als de Nibelungen en Gudrun wijzen, doch deze zijn van veel lateren
-oorsprong dan de Beowulf.
-
-Het is waar, de Beowulf is geen eigenlijk heldendicht in de hooge
-beteekenis, welke men, verwend als men is door het Grieksche epos,
-aan dit woord toekent.
-
-Er wordt geene gebeurtenis van zulk algemeen nationaal belang als de
-oorlog van Troje geschilderd; zelfs ontbreekt de eenheid, welke alleen
-een letterkundig voortbrengsel tot volmaakt kunstwerk kan stempelen;
-het Angelsaksische epos werd immers in het midden zijner ontwikkeling
-tot staan gebracht door de uitbreiding van het Christendom. Doch dit
-neemt niet weg, dat het een juweel is, en als zoodanig onze warme
-belangstelling verdient.
-
-Immers het gedicht, dat in de grondtrekken heidensch is gebleven,
-is een der weinige schatten, welke gered zijn uit de schipbreuk
-van de rijke Germaansche volkspozie; de taal, de epische stijl,
-de geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden, de aanwezigheid
-der voornaamste heldensagen, de bestanddeelen waaruit het tot een
-geheel is saamgevloeid, dat alles spreekt tot den beschaafden lezer
-en tot den dichter, dat alles biedt de taalwetenschap, geschiedenis,
-letterkunde en tekstcritiek een rijk veld ter ontginning aan.
-
-Wat de laatste wetenschap betreft, zij heeft zich in de herstelling
-van den Beowulftekst een blijvend gedenkteeken gesticht.
-
-De gebrekkige toestand van het handschrift hulde het gedicht in een
-apocalyptisch duister; dank aan de onderzoekingen van Bugge, Cosyn,
-Kluge en Sievers is er licht ontsproten uit den baaierd, zoodat wij
-ons thans in eenen leesbaren tekst kunnen verheugen. Om zich hiervan
-te overtuigen vergelijke men de oude vertaling van Ettmller en
-zelfs die van Heyne met die van Grein, en men zal moeten bekennen,
-dat op dit gebied reuzenstappen zijn gedaan.
-
-Voor ons, Nederlanders, heeft het gedicht nog eene bijzondere reden
-tot belangstelling: de inval der Denen, het eenige geschiedkundig na
-te wijzen feit, heeft op Nederlandschen bodem plaats gehad. Dit is
-des te meer opmerkelijk, nu diezelfde gewesten zich niet onbetuigd
-hebben gelaten bij de totstandkoming van de Nibelungen en Gudrun [1].
-
-Doch nog om eene andere reden is de Beowulf belangrijk. Indien
-het boven allen twijfel verheven is, dat elk letterkundig werk van
-eenigen omvang de uitdrukking zijn moet van zijnen tijd, wil het
-op den naam van meesterstuk aanspraak maken, dan is dit vooral waar
-van het volksepos, dat natuurlijk uitvloeisel van de ziel der natie,
-van het gemeenschappelijk leven en streven gedurende heel een tijdvak.
-
-Dit vinden wij bij het Oudengelsche gedicht bewaarheid; het is de
-uitdrukking van het volksideaal en bijgevolg de nagenoeg trouwe
-afbeelding van het karakter, van de zeden en gewoonten der oude
-Germanen.
-
-De krijgshaftige inborst van het volk, welke wij uit de geschiedenis
-als zijn hoofdkenmerk leerden waardeeren, zijn leven verdeeld
-tusschen oorlog en drinkgelagen, zijn voorliefde en afkeer, zijn
-rechtsbegrippen, de opvoeding van den jongen krijgsman, de inrichting
-van de woningen der grooten, de beschrijving van de gastmalen
-en begrafenisplechtigheden: het treedt hier in kleur en beeld, in
-levenden lijve voor het voetlicht.
-
-Beter dan de kronieken met hare dorre opsomming van feiten stelt het
-volksepos den geschiedschrijver in staat, om den juisten maatstaf te
-leggen aan de beschaving der eerste middeleeuwen, daar wij eenen
-dieperen blik slaan in de geaardheid van het volk, waarvan de
-gebeurtenissen slechts eene afspiegeling zijn.
-
-Onderzoeken wij daarom den toestand van de maatschappij, die in
-ons epos te voorschijn treedt, zoo zullen wij ons rekenschap kunnen
-geven van
-
-
-
-
-DE BESCHAVING IN DEN BEOWULF.
-
-Men kan gerust staande houden, dat de oud-engelsche beschaving,
-zooals zij zich in ons gedicht afteekent, eene verrassing, ja eene
-openbaring mag heeten voor elken onpartijdigen lezer, die niet behept
-is met de Fransche vooroordeelen omtrent Germaansche toestanden.
-
-Deze vooroordeelen dagteekenen reeds van de vroegste tijden.
-
-Met uitzondering van Tacitus, den man gewapend met den adelaarsblik
-van het vernuft, hebben geschiedschrijvers als Gregorius van Tours,
-wiens geest gevormd was in de school der Romeinsche beschaving,
-niet altijd recht laten wedervaren aan de Noordsche denkbeelden.
-
-Welnu uit den Beowulf straalt eene betrekkelijk hooge ontwikkeling,
-waarop wij ons geenszins bij de Noordsche barbaren verwachten,
-en die gunstig afsteekt bij de bloederige tooneelen der Edda en de
-reusachtige, teugellooze hartstochten der Nibelungen.
-
-Deze ontwikkeling spreekt zich uit op maatschappelijk, stoffelijk,
-geestelijk en zedelijk gebied.
-
-Op maatschappelijk gebied zijn de toestanden, zooals Tacitus die
-beschreven heeft, in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. Nog altoos treedt
-het volksleger op, dat op de bloedverwantschap is gevestigd, zoodat
-ieder gezond, vrij man dienstplichtig is; zelfs ontmoeten wij nog de
-dienstgevolgschappen, comitatus van Tacitus; doch het gezag des konings
-heeft zich uitgebreid, en zijne waardigheid is erfelijk geworden.
-
-De koning blinkt uit door edele geboorte en door persoonlijken moed;
-hij voert het leger ten strijde.
-
-Van Hrodgar heet het:
-
-
- Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,
- Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. (Vert. 1055-56.)
-
-
-Het gevolgschap was eene vrijwillige vereeniging van strijdlustige
-mannen, waaronder ook bloedverwanten, onder het gezag van eenen vorst,
-wien zij onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaamheid beloofden.
-
-Het bestond uit beproefde krijgers (dugudh) en aankomende jongelingen
-(geogodh).
-
-Bij voorkeur schaarden zij zich onder de banier van een dapper
-krijgshoofd.
-
-
- Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,
- De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen
- Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,
- De breede jonglingschaar. (65-68.)
-
-
-Deze afhankelijkheid was geene schande, immers de zonen der
-aanzienlijkste geslachten gingen er toe over: Beowulf had in zijne
-jeugd Hredel gediend en op zijne beurt stelt hij aan Hrodgars zoon
-de gelegenheid open, om zich bij Hygelac aan te sluiten.
-
-De dienstgevolgschappen doen zich in het gedicht voor als een bond
-van blijvenden, ten minste niet van voorloopigen aard, evenals bij
-Tacitus; ofschoon niets belet, dat de verplichting met toestemming
-des vorsten voor een tijd lang kan opgeheven worden. Zoo zien we,
-dat Beowulf met Hygelacs oorlof de Denen ter hulp snelt, om daarna
-weer tot zijnen vroegeren heer terug te keeren:
-
-
- Geheel mijn hulde
- Zij wendt zich weder uwaart. (2206.)
-
-
-De dienstman ontving van den vorst: 1 huisvesting en voedsel:
-
-
- (Wij zijn) Hygelacs genooten aan de haardstee. (263.)
-
-
-2 zijne wapens; Wiglaf zegt:
-
-
- Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen
- En in de hal aan onzen heer beloofden,
- Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings
- Vergelden zouden enz. (2715-18.)
-
-
-3 allerhande geschenken, kleinoodin, paarden en vooral spiraalvormige
-ringen, die tot munt dienden, zoodat men er een stuk van kon afbreken;
-4 daarenboven een aandeel in den krijgsbuit:
-
-
- Niet lag aan 't lot wie rooven zou den rijkdom. (3239.)
-
-
-en 5 ook landerijen. Beowulf zegt van Hygelac:
-
-
- Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds. (2565.)
-
-
-Wiglaf herinnert zich Beowulfs mildheid:
-
-
- Hij was alsdan het eigendom gedachtig,
- Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,
- De weeldevolle woning der Waegmundings,
- Elk volksbezit, gelijk bezat zijn vader. (2685-88.)
-
-
-Wij zien insgelijks, dat Hygelac met landerijen Wulf en Eotor
-beschenkt en zelfs den laatste met de hand zijner dochter. Uit de
-aangehaalde woorden van Wiglaf blijkt, alsmede uit andere plaatsen,
-dat de koning een stuk van het aan de gezamenlijkheid, aan den stam
-behoorend eigendom aan enkelen toewees.
-
-De latere Engelsche koningen pasten die handelwijze in het breede
-toe, en zoo ontstond mettertijd de dienst- en bezitsadel, welke den
-oorspronkelijken geboorteadel over het hoofd wies. In den Beowulf
-zijn dus de kiemen van het leenstelsel reeds aanwezig.
-
-Uit het gevolgschap koos de vorst soms eenige dapperen uit voor eene
-moeilijke onderneming; dit zien wij bij gelegenheid van Beowulfs
-tocht naar Denemarken en later bij zijnen kamp met den draak.
-
-In tijd van vrede maakten de mannen van het gevolgschap den hofstoet
-des konings uit.
-
-Zij bekleedden de hoogste waardigheden, als daar zijn: raadsheer
-(Aeschere); schenker (501, 2088); zanger (Unferd); ceremoniemeester
-(Wulfgar); hofmeester (1835).
-
-Men wane niet, dat wij met eene maatschappij te doen hebben, welke een
-bekrompen en armoedig bestaan leidde, zooals die bij Tacitus. Verre
-van daar.
-
-Onder stoffelijk oogpunt heerscht er aan de vorstenhoven zoo niet
-weelde, dan ten minste welvaart.
-
-Het verblijf der Deensche koningen bestaat uit de burcht, welke nogal
-aanzienlijk moet geweest zijn, en uit Heorot, de troonzaal, die zich
-in de nabijheid verheft; het geheel is omgeven met een ruim plein, het
-mederf v. 1674, waar zich ongetwijfeld andere bijgebouwen bevonden.
-
-Het gedicht vermeit zich in de beschrijving van Heorots pracht,
-
-
- De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.
- Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld
- Bij 't menschdom, waar de machtige verwijlde.
- De vuurglans lichtte over vele landen. (310-13.)
-
-
-Het gebouw was van binnen met ijzeren bouten versterkt; kostbare
-kleeden met geborduurde tafereelen bedekten de wanden; goudversieringen
-blonken allerwegen, en een veelkleurig geplaveide weg, breed genoeg
-om een troep ruiters te laten draven, voerde er heen:
-
-
- De baan was bont bevloerd. (321.)
-
-
-De schepen zijn met een zeil en met kunstig gesmukten steven
-voorzien. Bij de onbekrompen feestmalen, waar een beker de ronde doet,
-wordt niet alleen bier en honigdrank, maar ook wijn geschonken. De
-beschrijving van den drakeschat met zijn schemerenden standaard en
-kostbaar vaatwerk, die van de sieraden, welke de koning ten geschenke
-geeft, bewijst ten volle, dat de kunst van het goudsmeden, die alleen
-bestaanbaar is met eene zekere welvaart, eene aanzienlijke hoogte
-had bereikt.
-
-Wat het meeste pleit voor den stoffelijken vooruitgang en de zucht
-tot weelde en prachtvertoon is de kleederdracht of beter de uitrusting.
-
-Mannen zoowel als vrouwen dragen versierselen:
-
-
- De man (zal) geen tooisel dragen tot gedachtnis,
- Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben. (3123-24.)
-
-
-Het harnas is een meesterwerk van smeedkunst, de helm draagt een
-gulden everbeeld. Beide zijn dikwijls uit kostbaar metaal vervaardigd,
-zoo Beowulfs helm:
-
-
- Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven. (1478)
-
-
-Hoe rijk de verschillende wapens ook zijn, het zwaard met deugdelijk
-ijzeren lemmer en sierlijk bewerkt gevest overtreft ze alle; enkel
-aan het schild wordt minder pracht ten koste gelegd; het is gewoonlijk
-van lindenhout en slechts bij uitzondering van staal en wel dan, als
-het voor Beowulf zake is zich voor het vuur des draaks te beschutten.
-
-Paarden staan de edellieden ten dienste; dikwerf is zadel en tuig
-met goud belegd; wandelritjes worden tot uitspanning ondernomen, en
-alsdan hebben zelfs wedrennen plaats, welke als de voorloopers kunnen
-beschouwd worden van het zoo geliefkoosde tijdverdrijf der Engelschen.
-
-Stappen wij over tot de verstandelijke ontwikkeling.
-
-De helden koesteren den grootsten eerbied voor de rijpe ervaring,
-voor de meerderheid van den geest; dit mag als een grondtrek van het
-epos aanzien worden.
-
-Hrodgar is de wijze heerscher (1428) door jaren wijs (1758)
-bekend door kundigheden. (930)
-
-De raadsheeren staan in hoog aanzien, hunne uitspraak wordt op prijs
-gesteld. In de Finn-episode treden zij als scheidsrechters op.
-
-Hygelac keurde Beowulfs tocht naar Denemarken af, toch zet deze zijn
-plan door, want de raadslieden stijven hem in zijn voornemen:
-
-
- Bij lang niet laakten wijze lin die reize. (208)
-
-
-Degene, die door den koning het meest gewaardeerd wordt, is Aeschere,
-des konings
-
-
- alvertrouwde en raad verstrekker tevens. (1349)
-
-
-Bij de oprichting van Beowulfs grafheuvel worden deskundigen in den
-arm genomen:
-
-
- Zij wierpen eenen wal er om, zoo deugdelijk
- Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden. (2276)
-
-
-Niet alleen bij de ouderlingen, maar ook bij de jongeren werd wijze
-bezadigdheid op prijs gesteld. Hrodgar vat Beowulfs aanspraken op
-vermaardheid in twee woorden samen:
-
-
- Gestadig waakt gij op dit alles, sterkte
- En wijsheid van gemoed. (1738)
-
-
-Is het dus te verwonderen dat de welsprekendheid zoo hoog aangeschreven
-stond bij deze ernstige mannen?
-
-Eene wijze rede wordt op ne lijn gesteld met het kostbare goud:
-Beowulf opent de schatten des woords (261) en verzoekt om met
-Hrodgar den woordenschat te mogen wisselen. (367)
-
-Voor deze barbaren bestond het ideaal van den held niet alleen
-in lichaamskracht, maar ook in de evenredige ontwikkeling van hart
-en geest!
-
-Op meer dan eene plaats wordt dit uitgesproken.
-
-De kustwachter zegt:
-
-
- Ja, een scherpe schildman
- Van beide weet bescheid, van woord en werken.
-
-
-Hrodgar reikt aan Beowulf het volgende getuigschrift uit:
-
-
- Van geenen man nog hoorde
- Ik op die jonge jaren rijper rede.
- Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
- Aan woorden wijs. (1884-87)
-
-
-Welke diepe kloof ligt er niet tusschen dezen held en de ridders
-van het leenwezen, die ijzervreters, wier bekrompen verwaandheid
-de domme kracht alleen huldigde, zoodat de dichter van Reinaert,
-ons Nederlandsch volksepos, ze in Bruin den beer aan de kaak heeft
-gesteld tot lachwekkend schouwspel voor alle eeuwen!
-
-Al de redevoeringen munten uit door eenen ernstigen, kalmen, waardigen
-toon, welken de Engelsche letterkunde niet meer heeft afgelegd.
-
-Niet minder dan de welsprekendheid staat de dichtgave hoog
-aangeschreven, de kunst om (882) naar eisch gerangschikt nieuwberijmde
-woorden d. i. stafrijmen te vinden.
-
-Wij gelooven niet, dat Hrodgar er eenen hofnar op zou nagehouden
-hebben, doch hij bezat iets beters, den hofdichter, den thyled of
-spreker, die niet alleen aangesteld was om de daden der beroemde helden
-te bezingen, maar ook om het gezellige onderhoud gaande te houden.
-
-Dit ambt vervult Unferd. Hij behoort tot het gevolg des konings en is,
-wat edele geboorte en dapperheid betreft, de evenknie van den besten
-onder zijne wapenmakkers. Zelfs kunnen wij zeggen, dat hij boven al
-de overigen gewaardeerd wordt, want zijne plaats is aan de voeten
-des konings, d. i. op de derde eereplaats na Hrodgar en Beowulf.
-
-Evenals het ambt van hofdichter zoo stond ook de dichtkunst zelve in
-hooge eer. Zij speelt eene rol in al de omstandigheden des levens,
-in lief en leed, bij feestmalen en begrafenis.
-
-In dit opzicht heeft het Oudengelsch gedicht eenige overeenkomst met
-dat der Finnen, de Kalewala, bij welke de macht der pozie schering
-en inslag is van het volksepos.
-
-Halen wij eenige voorbeelden aan tot staving van het gezegde.
-
-Hildeburg treurt bij den brandstapel van de in den strijd gesneuvelde
-dierbaren:
-
-
- De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder
- In klaaggezang. (1130)
-
-
-Hredel heeft zijnen oudsten zoon op noodlottige wijze verloren en
-vindt nog alleen vertroosting in de pozie:
-
-
- Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied. (2530)
-
-
-Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich boven Beowulfs
-brandmijt:
-
-
- Zij klaagden lustverstoken
- Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
- Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken
- Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
- Door zorgen aangezet enz. (3262-66)
-
-
-Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden de zonen van de
-twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken:
-
-
- Zij wilden weder klagen, weer gewagen
- Van hunnen koning, weder spreuken konden
- En nopens hem verhalen al het goede. (3286-88)
-
-
-Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den dag tot laat
-in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid, scherts en
-lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met begeleiding van
-de harp.
-
-Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal voordragen,
-zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar de
-Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht.
-
-Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt van de gezellige
-bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat de Germanen,
-zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen, desniettegenstaande
-bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het dichterlijk gevoel.
-
-
- Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
- Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend.
- Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
- De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
- Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
- Ofwel de grootgezinde koning zette
- Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid.
- Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
- Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
- Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,
- Wanneer, door winters oud, hij 't aantal nadacht. (2160-70)
-
-
-Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke voordracht alles behalve
-gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo geliefkoosde tijdverdrijf
-niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap van het meer terugkeert,
-waar zij het spoor van den gewonden Grendel gevolgd hebben, en de
-paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage van Sigmund op,
-terwijl hij zelfs, en dit is merkwaardig genoeg, Beowulfs wapenfeit,
-dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de vuist bezingt en met
-dien held der dichterlijke overlevering in verband brengt. Ziedaar een
-sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die haren oorsprong neemt
-uit een werkelijk feit en dit met eenen mythischen held samenvlecht.
-
-
-
-Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der Oudengelsche
-wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den veldslag
-tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en
-Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (3025 vlg.)
-
-Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht, dat getuigt
-van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid.
-
-Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte stelling, drijft
-Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den volgenden morgen
-daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en werpt hem terug
-in zijne verschansing.
-
-Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen; doch nog meer:
-De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op de vlucht,
-doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit zich
-toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te gewaagd
-zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand in
-den rug heeft aangetast.
-
-Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat het helderste
-licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde barbaren.
-
-Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja zekere
-voorgeschreven plichtplegingen, welke aan het hof van Hrodgar den
-toon geven.
-
-De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene eigenschap van
-den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene eer, door hun
-gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de kennis
-der hofgebruiken.
-
-Het zijn allen in meer dan een opzicht echte gentlemen, al is het
-woord dan ook van latere Engelsche vinding.
-
-Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering drukken hunnen
-stempel op het dagelijksch verkeer.
-
-Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de Deensche kust,
-aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne afkomst en
-bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal.
-
-
- Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten? (241)
-
-
-Vooral trekt de aanvoerder zijne aandacht; want zijn edel uiterlijk
-heeft niets gemeen met dat van eenen dorper:
-
-
- 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger
- Dan uwer een, dien ridder in de rusting.
- Voorwaar geen huisman is 't, gedost in 't wapen,
- Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege. (251-54)
-
-
-Met welke voorkomendheid bejegent hij niet de vreemdelingen, nadat
-zij het doel hunner reis hebben blootgelegd! Hij doet hun een eind
-weegs uitgeleide en belooft een wakend oog te houden op hun schip.
-
-Aan het hof gekomen moeten de bezoekers eerst om gehoor vragen,
-alvorens bij den koning toegelaten te worden.
-
-Wulfgar komt hun te gemoet en doet de gebruikelijke vragen, want hij
-is Hrodgars bode of liever ceremoniemeester, volgens onze hedendaagsche
-begrippen.
-
-Daarna treedt hij weder binnen, om hen in gepaste, eerbiedige taal
-aan te dienen; hij plaatst zich niet recht voor den koning, maar ter
-zijde, aan zijnen schouder, want:
-
-
- Hij kende de handelwijs van 't hof. (360)
-
-
-Hrodgar beveelt alsdan Wulfgar, hem de hooge vreemdelingen voor te
-stellen. Deze spoedt zich weer naar buiten en deelt Beowulf mede,
-dat zijn verzoek om pleeggehoor is ingewilligd. De wellevendheid
-vordert nochtans, dat zij hunne schilden en lansen buiten laten
-staan. Onder den blinkenden helm en in het klinkende harnas stapt
-Beowulf met zijne mannen achter Wulfgar de zaal binnen en nadat hij
-staande den koning begroet en dezes antwoord ontvangen heeft, wordt
-hem eene eereplaats aangewezen.
-
-Het gebruik eischte, dat elke gast de zitplaats innam, die met zijnen
-rang overeenkwam.
-
-Daarom verwaarloost Beowulf niet, als hij later bij Hygelac is
-teruggekeerd en deze hem op heusche wijs ondervraagt, op deze voor
-hem belangrijke omstandigheid te wijzen:
-
-
- Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
- Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen
- Van mijn ontwerp. (2062-64)
-
-
-Niet te vergeten is ook de eerbied, waarmede het gevolg den
-koning toespreekt. Weidsche benamingen als de hooge heerscher,
-de wijdvermaarde vorst, de schuts der Schyldings enz. worden hem
-toegezwaaid; nochtans hebben zij niets vernederends, niets kruipends,
-niets wat naar de vleierij van hovelingen zweemt.
-
-Kenteekenend is hier vooral de toespraak van de koningin Wealchtheow
-tot haren heer en gemaal:
-
-
- Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
- O goudbegever. Wees nu wel te moede,
- O schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
- Met milden mond. (1189-92)
-
-
-Deze taal is verre van vertrouwelijk en gemeenzaam, doch zoo vorderde
-het de voorname toon van het hof.
-
-Immers wordt niet van haar gezegd:
-
-
- Dan Wealchtheow naakte,
- Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig.
- Zij groette, goudgekleed, de hallegasten.
- Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer,
- De hooggeboren vrouwe, toe den beker. (624-28)
-
-
-Daarom wordt ook van Hygd, Hygelacs gade, gezegd, dat zij vriendelijk
-en mild was voor de krijgers, doch niet gemeenzaam. (1979)
-
-Bij het feestmaal, aan de overwinnaars geschonken, wordt uitdrukkelijk
-vermeld, dat de gasten zich aan tafel als welopgevoede, welgemanierde
-edellieden gedroegen:
-
-
- 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,
- Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer. (1025-26)
-
-
-Zij dronken met waardigheid:
-
-
- Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd
- Hun hart ophaalden, menig medebeker
- Met waardigheid ontvingen. (1028-30)
-
-
-Deze innemende gezelschapstoon treedt zelfs in fijne schakeeringen
-te voorschijn.
-
-Zoo hoopt Beowulf, na de inbraak van Grendels moeder, dat Hrodgar
-goed geslapen heeft, ofschoon hij van het tegendeel overtuigd is;
-doch dit vergde de wellevendheid.
-
-Zoo bedankt hij Unferd voor het hem geleende zwaard, dat hem niet
-dienstig is geweest; doch hij wacht zich wel van zulk ongunstig
-oordeel er over uit te spreken, maar prijst het integendeel:
-
-
- Hij schatte dit geschikt een kampvriend
- En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
- Van 't staal met woorden. (1851-53)
-
-
-Zal niet ieder lezer moeten bekennen, dat eene maatschappij, welke
-zoozeer aan plichtplegingen, aan heuschheid in al haar doen en laten
-gehecht is, onder het oogpunt van de beschaving des geestes eene
-zekere hoogte moet bereikt hebben, en voorzeker niet op eene lijn
-dient gesteld te worden met de overige Germaansche volken?
-
-Men zou kunnen opwerpen, dat deze uiterlijke vormen nog geen bewijs
-zijn van de ware, van de innerlijke beschaving, die van het gemoed;
-dat zij niets meer zijn dan een schoone tint, een vernis, waaronder
-de aangeboren woestheid van den Germaanschen natuurmensch zich
-verbergt. Daarom zal het noodig zijn ons eene voorstelling te maken
-van de zedelijke ontwikkeling der helden, van de drijfveeren, die
-hen deden handelen.
-
-Wij zagen reeds, dat het dienstgevolgschap nog altoos bloeit, eene
-instelling, welke op trouw en aanhankelijkheid en niet, zooals het
-latere leenstelsel, op louter zelfzucht berust, en derhalve alleen
-mogelijk is bij eene maatschappij, welke een hoog zedelijk peil
-heeft bereikt.
-
-Hrodgar is niet alleen de beschermer, maar ook de vriend der
-Schyldings. Hij is het hoofd van het groote gezin. Eene vaderlijke
-bezorgdheid koestert hij voor zijne mannen en dit is de reden, waarom
-hij zich door het geheele epos zoo weekhartig voordoet; zoodat hij
-veel heeft van eenen door leed en jaren suf geworden huilebalk.
-
-Grendel heeft twaalf jaren lang eene schromelijke slachting onder de
-Denen aangericht, en gedurende al dien tijd
-
-
- broeide hij voortdurend,
- De zoon van Healfdeen, zorgen voor het heden; (192-93)
-
-
-want hij
-
-
- had der trouwen,
- Der dierbre mannenschaar weer des te minder. (492-93)
-
-
-Het sneven van Grendel schenkt hem slechts eene kortstondige
-verademing, daar Grendels moeder Aeschere des konings meest beminden
-kamper doodt. Deze tweede slag verplettert hem gansch:
-
-
- Naar welstand vraag me niet. De nood is weder
- Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aeschere,
- Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder. (1346-48)
-
-
-Groot is dan ook zijne dankbaarheid jegens zijnen redder en hij weet
-er niets beters op te vinden, dan hem tot zoon aan te nemen. Als
-eindelijk het uur der scheiding geslagen is, neemt hij onder tranen
-van hem afscheid, want een voorgevoel zegt hem, dat hij hem nimmer
-zal weerzien:
-
-
- Hierop kuste
- De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
- Der helden besten, zijnen hals omvattend.
- Den zilvergrijze zegen neer de tranen. (1914-17)
-
-
-Geene mindere genegenheid voor zijne mannen legt Beowulf aan den dag.
-
-Hij alleen waakt in Heorot, terwijl zijne onversaagde makkers zich aan
-den slaap overleveren, vol vertrouwen als ze zijn op zijne machtige
-hoede, al zijn ze er dan ook zeker van, dat voor hen geen tweede
-morgen zal dagen:
-
-
- Niemand hunner hoopte
- Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten,
- Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen. (705-7)
-
-
-Op het punt van in 't grondelooze meer te springen drukt hij Hrodgar
-wel op het hart, om in zijne plaats de tochtgenooten tot vader te
-strekken, mocht hij er het leven bij inschieten:
-
-
- Indien ik eens in uwen dienst het leven
- Verlaat, dat gij voor mij, den overledene,
- Voortaan vervullen zult de plaats van vader.
- O, Wees de wachter van de wapenlieden,
- Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt. (1505-9)
-
-
-Alvorens te sterven geeft hij aan Wiglaf zijne eigen wapenrusting
-tot aandenken, als het kostbaarste pand, dat hij hem kon overlaten.
-
-Niet alleen is de koning een vriend en vader voor zijne mannen,
-maar ook een weldoener. Wij zagen reeds, op welke wijze hij den
-wapendienst vergeldt.
-
-Vrijgevigheid is een der hoofddeugden van den Germaanschen vorst,
-terwijl de gierigheid naast den overmoed als oorzaak van zijnen
-ondergang wordt aangemerkt; dit wordt bij Heremod bewaarheid.
-
-En geen wonder, want door mildheid kon hij zich alleen eene uitgelezen
-schaar aanwerven; rijkdom was voor hem een onontbeerlijke hefboom
-van het gezag.
-
-Hij heet dan ook de goudvriend, de schatheer, de gever van het goud;
-de troonzaal is de giftstoel, de goudzaal.
-
-De gevolgsman draagt er niet weinig roem op, eenen milden heer
-te dienen:
-
-
- Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen,
- De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
- Dat ik een meer dan milden goudbegever
- Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. (1512-15)
-
-
-Het geschenk moet den gever en den begiftigde waardig zijn, zoodat
-niemand er iets op af te dingen heeft:
-
-
- Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen
- Het kampgeraas de wijdberoemde koning,
- De schatheer van den stam; gelijk geen stervling,
- Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen. (1060-63)
-
-
-Hetzelfde oordeel wordt uitgesproken over de aan Wulf en Eofor
-toegekende belooning. (3101)
-
-Hrodgars geschenken dragen integendeel de goedkeuring weg van Beowulfs
-mannen:
-
-
- Onderwege
- Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. (1930)
-
-
-De drie hoedanigheden, welke Beowulf tot toonbeeld maken van den
-Oudengelschen heerscher, zijn vervat in de slotverzen:
-
-
- Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
- Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen,
- Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst.
-
-
-Gaan wij nu de verhouding na van den gevolgsman tot zijnen gevolgsheer.
-
-Hier treedt de onverbreekbare trouw overal op den voorgrond.
-
-'t Is waar, de latere Romaansche volksdichten, alsmede het
-Nibelungenlied, steken luide de loftrompet over de trouw van den
-leenman tot zijnen leenheer; doch de Beowulf is hen voor geweest in
-de verheerlijking dezer ridderlijke eigenschap, welke uit het volle
-Germaansche gemoed is gegrepen.
-
-De wederzijdsche verknochtheid van heer en dienstman wordt
-volgenderwijze uitgesproken:
-
-
- Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel,
- Aan dezen was de neef geheel genegen.
- Elk hunner was des andren heil gedachtig. (2226-28)
-
-
-Deze verkleefdheid toont de gevolgsman eerst en vooral op het slagveld:
-
-
- 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,
- Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk
- Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was. (2562-64)
-
-
-Wiglaf drukt in zijne gloeiende rede hetzelfde uit. (2715 vlg.).
-
-Deze gehechtheid aan den vorst is niet het uitvloeisel van de hebzucht,
-van het verlangen naar eene rijke belooning, maar van een hooger
-beginsel, het plichtgevoel; al is het dan ook waar, dat een geschenk
-steeds welkom is.
-
-Hiervoor pleit Beowulfs gedrag, die de hem door Hrodgar geschonken
-kostbaarheden aan Hygelac en dezes gade afstaat, ja zelfs het
-onwaardeerbare halssieraad, het eenige in zijne soort.
-
-Hrodgar roept Beowulfs hulp in, door hem te bezweren bij het leven
-van Hygelac:
-
-
- Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
- Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel. (2188-89)
-
-
-De verknochtheid aan den koning der Denen, waarvan de held blijk
-geeft, (hij belooft hem zelfs uit zijn land te hulp te komen, zoo
-het noodig is), weegt niet op tegen die aan Hygelac. Daarom verzoekt
-hij den vorst, alvorens het gevecht aan te gaan met Grendel, zijne
-wapenrusting aan Hygelac te zenden, zoo hij er het leven laat.
-
-
- Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegrukt,
- Naar Hygelac het puike pantser henen,
- Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed. (455-57)
-
-
-Vr den kamp op den bodem van het meer boezemen dezelfde gevoelens
-hem de woorden in:
-
-
- En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
- De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. (1510-11.)
-
-
-Dezelfde trouw, welke Beowulf voor zijnen heer aan den dag legt,
-wordt hem op zijne beurt door zijne eigen krijgers bewezen.
-
-Denken wij aan het tooneel op den oever van het Nikkermeer, waar de
-Gooten Beowulfs terugkomst reikhalzend te gemoet zien. Een bloedstraal
-schiet te voorschijn. Het wachten moede aanvaarden de radelooze Denen
-den terugtocht; de anderen nochtans blijven ter plaatse met den dood
-in het hart.
-
-
- De vreemden zaten droef van zin en tuurden
- Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden
- Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. (1635-37).
-
-
-Er is nog een ander held, die zijnen meester in den drakekamp trouw
-ter zijde staat. Het is de jonge Wiglaf, van wien de dichter zegt:
-
-
- Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen. (2797)
-
-
-Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is uitgetrokken,
-ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde krijgers,
-op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het plichtgevoel
-gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu het ook zijn
-bloedverwant is:
-
-
- Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap
- Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (2679-80)
-
-
-Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te kort te schieten:
-
-
- God weet van mij; mij ware 't wenschelijker,
- Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler
- Het vuur omving. (2732-34)
-
-
-Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid zijner heldenziel heeft
-neergelegd, is eene der schoonste bladzijden van het gedicht.
-
-Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat van denzelfden
-jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter diens schild den
-vuurspuwenden draak te lijf gaat.
-
-Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van Wiglaf, de
-vruchtelooze pogingen, die hij in het werk stelt om zijnen heer,
-aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het leven terug te roepen;
-het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog op Beowulfs jongste
-beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch vooral zijne
-bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en zwijgend komen
-aangedropen.
-
-Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan zijnen heer
-in den steek te laten.
-
-Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende redevoering. Vreeselijk
-is de straf, welke de eerloozen zal treffen; men zal met hen handelen
-als onlangs in Frankrijk geschied is met Dreyfus, den verrader:
-zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood verklaard, zij met
-hunne bloedverwanten.
-
-
- De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
- Het heele haardgenot en heil, 't zal alles
- Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
- Verstoken van het landbezit der stammen,
- Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
- Vernemen uwe vlucht vanuit de verte,
- Uw roemberoofde daad. De dood is beter
- Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven! (2986-93)
-
-
-In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal gewaagd van wrevel,
-zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de duistere episode
-van Heremod, doch men houde wel in 't oog, dat wij hier met eenen
-dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was met zijne
-plichten als gevolgsheer onder den voet te halen.
-
-Even onberispelijk als de verhouding tusschen gevolgsheer en
-gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het zijn
-wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord.
-
-Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca niet moederziel
-alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij gedurende 7 dagen
-in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit elkander slaat.
-
-
- In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
- Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
- Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (552-54)
-
-
-Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder de Denen.
-
-Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de Deensche
-krijgslieden voor te stellen:
-
-
- Verzoek hen in te gaan en al te gader
- Het broederbond te schouwen van de schare. (386-87)
-
-
-Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf hare zonen met zijne
-raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde eensgezindheid
-blijve heerschen.
-
-
- Elk krijger hier is heel verknocht den andren
- En mild van zin. (1248)
-
-
-Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook tusschen de Denen en
-hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn op de heldendaden van
-de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs nemen zij er geenen
-aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische vrijmoedigheid
-hun ronduit durft verklaren:
-
-
- Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,
- Den onbesuisden lansstorm uwer lieden
- Niet zeer te duchten heeft. (607-9)
-
-
-Dat pleit niet weinig voor de welwillende voorkomendheid, waarmede
-de Denen hunne gasten bejegenden.
-
-Hrodgar mag dus wel vr het afscheid met volle vertrouwen verzekeren,
-dat Denen en Gooten voortaan de handen broederlijk zullen ineenslaan,
-zoodat de vriend of de vijand van het eene volk dit ook voor het
-andere zal zijn:
-
-
- De staalomwonden kiel zal over 't water
- De gaven brengen met de gunstbewijzen.
- Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
- Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
- In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (1905-9)
-
-
-Beschouwen wij nu het karakter van de helden op zich zelf; wij zullen
-er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons met verbazing
-slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen onsterfelijken
-naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman, zooals het,
-ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te voorschijn
-treedt.
-
-Roemzucht is de voornaamste drijfveer van al de daden.
-
-
- Nu wil ik, grijze wachter van de volken,
- Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven. (2584)
-
-
-Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige heerscher voor den
-drakekamp.
-
-Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de andere menschen
-te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van zijn lange
-leven herinnert hem Wiglaf daaraan:
-
-
- Beste Beowulf,
- Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger
- Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer
- Uw eere laten zinken bij uw leven. (2745-48)
-
-
-Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men luistere naar de
-volgende fiere taal:
-
-
- Dat hij behale,
- Die daartoe is in staat, een naam vr 't sterven!
- 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. (1413-15)
-
-
-Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten arbeid:
-
-
- Gij hebt verkregen,
- Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
- Altoos voor later tijd. (968-70)
-
-
-Dit verlangen verbonden met een levendig plichtbesef, dat wij reeds bij
-Wiglaf leerden op prijs stellen, zet tot handelen aan. Overheerschend
-is deze begeerte naar roem; zij overwint alle aarzelingen, zet alle
-beschouwingen ter zijde en wapent den held met doodsverachting.
-
-Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt voor hem niet
-op tegen den roem:
-
-
- Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,
- De kiel beklom met mijnen drom van dappren,
- Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,
- Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.
- Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,
- Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (643-48)
-
-
-Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht met Grendels moeder
-(1518) en met den draak (2609).
-
-Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet enkel
-voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is nog
-iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door
-een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk:
-
-
- Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid
- In 't strijden staan. (613)
-
-
-Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te bevechten; zijn doel
-is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen zijn eigen volk en
-de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van de hand wijst.
-
-Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het vaderlandsche
-doel, dat hij voor oogen had bij al zijne ondernemingen:
-
-
- Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt
- Door 't wapenfeit. (2150)
-
-
-Dit streven naar roem, de springveer van alle groote daden, brengt
-die zucht naar avonturen mede, waarvan de tocht naar Hrodgar het
-klaarste blijk is:
-
-
- Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
- Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (1880-81)
-
-
-De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek afgelegd. Er
-valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen tusschen de
-Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne strooptochten
-ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van door zulke
-lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om Hrodgar
-zijne hulp aan te bieden:
-
-
- Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,
- Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen
- Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (203-5)
-
-
-En wat verder:
-
-
- Hrodgar kan ik wijzen
- Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede
- Den vijand vleuglen zal. (280-82)
-
-
-Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem tot hulpbetooning
-heeft opgezocht.
-
-Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als de
-veronderstelling, dat Beowulf door gouddorst aangezet wordt. Bij de
-vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze kantteekening
-toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te lichten.
-
-De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel uit:
-
-
- Goudgierig was hij niet. (3185)
-
-
-Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd.
-
-Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de schatten
-onaangeroerd:
-
-
- Niet meerder schatten
- Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
- Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen
- Met dat gevest van glimmend goud. (1643-46)
-
-
-'t Is waar, bij het zien van de juweelen uit het drakenhol springt
-zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit goud, dat hij met
-zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal komen:
-
-
- Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
- Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
- Voor al de schatten, die ik hier beschouwe;
- Omdat ik deze, vr mijn stervensstonde,
- Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
- Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
- Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden. (2889-95)
-
-
-Welke edele taal in den mond van eenen heiden!
-
-Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op hunne beurt niet
-ten achter bij hunnen vorst.
-
-Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde handen over
-te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem verdwijnen:
-
-
- Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
- Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels,
- Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
- Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
- De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken. (3118-22)
-
-
-Zelfs niet het geringste kleinood zal tot gedachtenis
-overschieten! (3123-24)
-
-De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij komen niet op
-tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf toegedachte rijkdom
-voor hen verloren gaat; en toch moest die verblindende pracht hun de
-oogen uitsteken:
-
-
- Niet een dien 't rouwde,
- Toen zij in aller ijl naar buiten brachten
- Den kostbren schat. (3243)
-
-
-De drakeschat wordt in den grafheuvel neergelegd:
-
-
- Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
- Het goud in 't zand, alwaar het zit tot heden,
- Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen.
-
-
-Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder tonen en grooter
-afmetingen de eigen dapperheid, de eigen doodsverachting en trouw
-te voorschijn, hij treedt in de schaduw overal, waar het op adel van
-gevoelens, op zedelijke ontwikkeling aankomt.
-
-Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt, zelfs niet voor
-eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de ridder zonder
-vrees noch blaam.
-
-Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot hoogste wet
-verheven is; integendeel hij is zachtaardig:
-
-
- Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
- Bewaakte met de meeste macht eens menschen
- De reuzengave, hem door God geschonken. (2238-40)
-
-
-Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan springt hij kloekmoedig
-in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk zijne reuzenkracht ter
-beschikking van het goede recht, het komt er niet op aan, of de
-ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of vreemdelingen zijn.
-
-In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven zoekt, tracht
-hij de anderen er niet aan bloot te stellen.
-
-Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen zal het hoofd
-bieden aan den draak:
-
-
- Niet uwe taak is dit, niet toegemeten
- Aan een der mannen, dan aan mij den ne,
- Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte
- En ridderdan verricht. (2606-9)
-
-
-Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te hebben, ten einde
-zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te behalen.
-
-Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te mogen bestrijden
-enkel en alleen met zijne Gooten:
-
-
- U, hoofd der Helden-Denen,
- U breng ik, schuts der Schyldings, ne bede:
- Dat gij, o wijk der wapenlin, niet weigert,
- O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,
- Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
- Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (429-34)
-
-
-Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak met een leger aan
-te vallen:
-
-
- De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
- Nochtans, den ommevlieger aan te tasten
- Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. (2410-12)
-
-
-De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat hij Grendel, de
-belichaming van de domme kracht, wien alle edele gevoelens vreemd
-zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen ridderlijken tweekamp
-aan te bieden.
-
-De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij gevolg zal de
-held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem verzekert:
-
-
- Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,
- Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.
- Hij kent de kampgewoonte niet van weder
- Te schenken eenen slag, het schild te beuken,
- Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten.
- Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,
- Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (692-98)
-
-
-Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer, dat hij het noodig
-acht zich te verontschuldigen, omdat hij met wapenrusting en schild
-tegen den draak te velde trekt:
-
-
- Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur,
- Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens
- Het schild en krijgerkleed. (2594-96)
-
-
-Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen gewetenloozen en
-geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel verzaken: dat zijn
-twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen nieuwen adelbrief,
-de ridderlijkheid, toekennen.
-
-De taal bezit insgelijks het woord: eorl-scipe: ridderlijkheid;
-eorlscipe efnan: ridderlijke daden volbrengen.
-
-Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom der
-Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische volkspozie
-bewijst het) onderscheiden zich van de al te stoffelijke Semieten
-door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in geen volksepos is er
-een held aan te wijzen, die, wat zedelijke grootheid betreft, onzen
-Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag onder dit opzicht gerust
-de vergelijking met Homeros' helden doorstaan; zij zal niet in zijn
-nadeel uitvallen.
-
-Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom, om de
-zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan eens
-zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren.
-
-Vermelden wij nog ter loops den eerbied voor den ouderdom, alsmede
-Beowulfs rechtschapenheid, immers hij weigert den troon, hem door
-Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met de waarneming van de
-voogdijschap tijdens de minderjarigheid van Heardred; en gaan wij
-over tot eenen laatsten karaktertrek, die den aangeboren ernst der
-Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen.
-
-Mllenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste, de grootspraak,
-de ophemeling van eigen wapenfeiten.
-
-En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering aan zijne
-groote ondernemingen.
-
-Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft hij lucht aan
-dien onweerstaanbaren aandrang:
-
-
- Zij kenden toch de maat van mijne krachten;
- Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
- Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
- Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
- Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers
- Bemeesterd in het midden van de baren,
- Benarden nood beleefd, het leed der Weders
- Gewroken (want zij duldden vele ween)
- 't Vijandig volk vergruisd. (419-27)
-
-
-Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht te denken, als
-wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op eigen kracht,
-hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen is.
-
-Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de uitdagingsrede,
-de gilp-cwide, welke door het gebruik was voorgeschreven.
-
-Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders. De helden
-zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den eenvoud
-des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel
-is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt,
-ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach
-van tevredenheid weet te onderdrukken.
-
-Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets bijhangt; het
-is geen opsnijder, geen lachwekkende miles gloriosus van het oude
-blijspel.
-
-Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de schildering van den
-zwemwedstrijd en voegt daarom toe:
-
-
- Niet bral ik dies. (598)
-
-
-Verre van zijne tegenstanders te beschimpen of te kleineeren, laat hij
-hun recht wedervaren, al acht hij zich ook hun meerdere; dit bevinden
-wij bij Brecca, wiens stoutmoedigheid en zeegehardheid door hem ten
-volle erkend worden.
-
-Hij geeft toe, dat Grendel wijdberoemd is door wapenfeiten (696)
-en dat hij hem niet kon beletten te vluchten:
-
-
- Ik kon hem, daar het God niet gunde,
- Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
- Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand. (980-82)
-
-
-Zoo hij er het leven heeft afgebracht tegenover Grendels moeder,
-dan is het dank aan hoogere tusschenkomst:
-
-
- Mij was het strijden
- Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. (1689)
-
-
-Unferd is de eenige persoon, die door afgunst geprikkeld, zich tegen
-de heuschheid bezondigt, welke hij aan de gasten verschuldigd is. Tot
-verschooning kan aangevoerd worden, dat hij bedronken was.
-
-'t Is ook de man, die zich aan zijne bloedverwanten vergrepen heeft.
-
-De gerechte straf blijft niet uit, al is het ook waar, dat hij later
-berouw gevoelt en zijne handelwijze tracht te vergoelijken, met zijn
-zwaard aan Beowulf te leenen. Voor hem is de ondankbare rol weggelegd;
-want het stuit allen tegen de borst, dat een man, die zich zulke
-aanmatigende taal veroorloofde en van wiens dapperheid zij eenen
-hoogen dunk hadden, niet hetzelfde aandurft als Beowulf:
-
-
- Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. (1498)
-
-
-Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet noemenswaardige
-plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij gezien, dat de
-eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke zich in de
-Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde bewaarheidt, ook
-hier eene teedere snaar had doen trillen in die mannelijke harten;
-doch troosten wij ons, want het schoone Fransche epos, la Chanson de
-Roland, waar Aude eene vluchtige, schoon onvergetelijke rol vervult,
-heeft dit met het Engelsch gedicht gemeen.
-
-De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan de jonkvrouw
-met samengebonden lokken (3264), welke bij Beowulfs brandstapel haar
-verloren levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken
-van wettige echtgenoote kunnen worden uitgereikt.
-
-
-
-Doch kleven er geene smetten aan die schitterende heldengestalten,
-die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze vergetelheid? Hebben
-zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene trekken behouden
-van de vroegere barbaarschheid?
-
-Het antwoord luidt bevestigend.
-
-Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de plunderingen, waaraan
-zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval en bij Finns dood, de
-schaking van Ongentheows echtgenoote door krijgsgeweld, doch vooral
-de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de Nibelungen zoolang na
-de invoering van het Christendom heeft stand gehouden.
-
-Wij hebben het oog op de bloedwraak, dien vreeselijksten aller
-hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met hun slingerslangig
-haar, welke in de geschiedenis van alle volken, doch vooral bij de
-Germaansche stammen thuis hoort.
-
-Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen te voorschijn,
-die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te bekoren, zoo
-groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de diepte woelen
-onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen.
-
-Bloedwraak is de heiligste plicht.
-
-Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd, Grendel te
-doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten schoten
-daarin te kort.
-
-
- Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
- Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
- In deze drankzaal met de grijns der degens
- Te willen wachten op den greep van Grendel. (485-88)
-
-
-Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers, de veete heeft
-van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit netelig
-oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch nu
-treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt:
-'t is Grendels moeder.
-
-
- Nu daagde een ander machtig euveldader,
- Het was zijn doelwit, zijnen zoon te wreken. (1663-64)
-
-
-De grijze koning voorziet geen einde meer aan al die bloedtooneelen:
-
-
- En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. (1365)
-
-
-Wij zien ook, dat Beowulf na zijne troonsbeklimming zich met Eadgils
-verbindt, om wraak te nemen over den dood van Heardred, die vroeger
-in den oorlog met de Zweden gevallen was.
-
-In deze twee voorbeelden kan men ten minste de wraakoefening billijken,
-wel te verstaan van het heidensch standpunt beschouwd der betrokken
-personen; doch er doen zich ook gevallen voor, waar de denkbeelden,
-die, naar wij gezien hebben, de mannen zich van eenen held vormden,
-geheel en al worden omvergegooid; want tegenover dezen plicht houden
-alle andere plichten op.
-
-De bloedwraak wettigt de vuigste, minst ridderlijke daden; zij
-veroorlooft eedbreuk, ondankbaarheid, kwade trouw en huichelarij.
-
-Wat anders zien wij in de Finnsepisode, waar de Denen in bezongen
-worden?
-
-Hengest kan den dood van Hnaf niet verkroppen; voor het oogenblik
-nochtans is hij machteloos en in naam zijner Denen zweert hij aan Finn,
-den Friezenkoning:
-
-
- Dat hunner niemand, noch door woord noch werken,
- Het bond ooit breken zou, door arglist letten. (1112-13)
-
-
-Hij ontvangt huisvesting en geschenken van den vorst, blijft den
-langen winter bij hem, men zou zeggen, in de beste verstandhouding:
-
-
- In alles een bij Finn; (1143)
-
-
-terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in het geheim de
-onfeilbare wraak uitbroeit.
-
-Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de aangebeden gade.
-
-Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om hem met zich te
-verzoenen schenkt Hrodgar hem de hand zijner dochter. Een tijd lang
-sluimert de wraakzucht in de borst van den jongen krijger, ingewiegd
-als zij is door het huwelijksheil. Doch daarna breekt zij plotseling
-en verdelgend los, en de vreugde verkeert in wanhoop:
-
-
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
- En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (2118)
-
-
-De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn geweest van zulken
-plotselingen omkeer, want er staat:
-
-
- Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer
- Een korte wijle na den val des konings,
- Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (2082-84)
-
-
-Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die den gevallen
-bloedverwant niet wreekt.
-
-Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja onovertroffen
-verhaal van koning Hredel.
-
-Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn, toevallig
-bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding; dit is
-de ijzeren wet.
-
-Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard, welke treurt
-over het verlies van zijnen oudsten zoon!
-
-
- Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
- De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren;
- Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder
- Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot.
-
-
-Wie beseft niet den strijd, welke in zijn binnenste omgaat tusschen
-zijnen plicht en zijn vaderhart; immers hij kan den dooder niet
-straffen, want het is ook zijn zoon!
-
-
- Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,
- Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan 't galghout.
- Dan moge hij 't weemoedig lied verheffen,
- Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
- De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
- Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (2514-19)
-
-
-Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen, verbergt hij zich
-in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want
-
-
- het leek hem alles
- Te ruim, en veld en woon. (2531)
-
-
-De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst in den dood:
-
-
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
- En zocht het licht van God. (2538-40)
-
-
-Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk gedaan heeft
-aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt eene
-loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe onverklaarbaar
-dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch is gebleven.
-
-Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak nooit zijn
-gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met kalmte
-te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te verwijten:
-
-
- (ik) zocht geen moordlist,
- Noch legde menig eed af onrechtmatig.
- Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
- Om 't al verheugen, want de Heer der menschen
- Zal mij den moord niet wijten van de magen. (2826-30)
-
-
-
-
-CHRISTENDOM.
-
-Alle beoordeelaars zijn het eens, dat het Christendom geenen
-ingrijpenden, maar eenen hoogst oppervlakkigen invloed op het epos
-heeft uitgeoefend.
-
-Deze invloed is aan den inlasscher te wijten, wiens bedrijvigheid
-gemakkelijk te onderkennen is.
-
-Gaan wij de sporen van zijne werkzaamheid na.
-
-Wat aan het heidendom herinnerde werd of weggelaten (dit kunnen wij
-dus niet meer nagaan), of met eene christelijke kleur overgoten. Zoo
-trad de ne God in de plaats van het heidensche godendom.
-
-De inlasscher volgt hier dus dezelfde gedragslijn als die, welke de
-geloofspredikers zich bij de heidensche gebruiken en bijgeloovigheden
-hadden voorgeschreven: zij roeiden ze niet uit, want ieder nieuw
-beginsel kan slechts gedijen door zich bij 't bestaande aan te sluiten,
-maar zij ontnamen er het heidensche karakter aan, door ze met de
-kerkelijke plechtigheden of met den dienst der heiligen in verband
-te brengen.
-
-1 Aan God wordt in het gedicht eene ruime plaats ingeruimd.
-
-Hij bestuurt het menschdom: hij schenkt roem en overwinning (dit
-is nochtans ook een kenmerk van Wodan); hij stelt eenen wachter op
-tegen Grendel, zijnen vijand, want hij alleen kan hem beteugelen;
-hij gedoogt niet, dat de op hem vertrouwende Beowulf door Grendels
-hand zal sterven; hij toont hem het reuzenzwaard, enz. enz.
-
-God wordt bedankt voor verleende hulp: zoo prijst Hrodgar hem bij
-Beowulfs opbeurende woorden, bij de nederlaag van Grendel, bij het
-zien van dezes hoofd; zoo doet Beowulf na den voorspoedigen overtocht,
-zoo de Gooten als hun vorst uit het meer opduikt, en Hygelac bij het
-terugzien van Beowulf.
-
-Hij bestuurt het heelal: hij is de ware schepper, regelt de
-jaargetijden, doet de planten groeien en schenkt ons het licht der zon.
-
-Hemel, hel en duivel worden ook genoemd.
-
-2 Deze invloed doet zich nog gelden in de bijbelsche toespelingen:
-dag des oordeels, schepping, zondvloed, Kan, en in de christelijke
-zedelessen, welke rechts en links met kwistige hand zijn rondgestrooid
-en waarop wij bij gelegenheid zullen terugkomen.
-
-3 Eenige Kenningar zijn van christelijken oorsprong. Hiertoe behooren
-de omschrijvingen van God, b. v. de eenige heer, de koning der glorie,
-de albestuurder, de hemelkoning, de roembeschikker, de hemelbestuurder,
-de glorievorst, de glorieherder, de albeheerscher, de vader, de heer
-des levens, der daden rechter enz.
-
-Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat Wodan ook vader, alvader, uitdeeler
-der glorie, roemvervuller geheeten wordt.
-
-Hel, hemel en duivel worden niet met Kenningar bedacht; want het is
-niet uit te maken, of de benamingen van Grendel oorspronkelijk van
-den duivel gezegd werden.
-
-Sterven wordt omschreven door: in 's Heeren hoede sterven; het heil
-des hemels zien; het heil der heiligen, het licht van God zoeken.
-
-Men ziet hieruit, dat het wezen zelf van het epos onaangetast blijft.
-
-4 Christelijke inwerking is nog te bespeuren in Beowulfs opvatting
-van den tweekamp, waarin hij een soort van godsoordeel ziet; dit doet
-hij tot tweemaal uitschijnen:
-
-
- En wien de dood dan wegrukt,
- Die zal verstaan des Albestuurders oordeel. (442)
- De wijze Godheid zal daarop de zege
- Verbinden aan de hand van een van beiden,
- De heilige Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt (699-701).
-
-
-Deze opvatting ontstond in 't begin der 6de eeuw alleen bij de Germanen
-en dan nog na hunnen overgang tot het Christendom [2].
-
-Het dient opgemerkt, dat de Christelijke toevoegsels nu en dan zich
-tegenspreken.
-
-De dichter zegt van de Denen, als er sprake is van de heidensche
-tooverkunsten om Grendel te bezweren:
-
-
- Dat waren zoo hun zeden,
- Hun heiden-denkwijs; naar de helle streefden
- Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester enz. (182-84).
-
-
-Het waren dus heidenen! Later nochtans ziet de inlasscher deze
-uitspraak over het hoofd, wanneer hij Hrodgar bij herhaling God laat
-bedanken en hem zelfs eene stichtelijke redevoering in den mond legt:
-
-
- O Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
- Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,
- En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend welzijn (1794-96).
-
-
-Eenige sporen van het heidendom hebben zelfs stand gehouden, als
-de wichelarij (208), het weefsel der zege, de vloek op 't goud,
-de everhelmen, de reuzen en nikkers, doch vooral het geloof aan
-het noodlot:
-
-
- Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot. (459).
-
- 't Noodlot sleepte
- De helden heen naar Grendels schrikverschijning (481).
-
-
-Zelfs wordt het op ne lijn met God genoemd:
-
-
- Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid
- Met Wyrd en moed des mans (1070-71).
-
-
-
-
-HELDENSAGE EN VOLKSEPOS.
-
-Het volksepos put zijne stof uit de heldensage.
-
-Door heldensage verstaat men den gezamenlijken schat van nationale
-overleveringen uit het heldentijdvak van een volk, welke het ontstaan
-schonken aan eenen kring van epische liederen, met een of meer helden
-tot middelpunt.
-
-De heldensage bestaat dus uit afzonderlijke sagen, die elk op zich
-een bepaald feit als een afgesloten geheel behandelen.
-
-Zoo schildert het Hildebrandslied, dat tot de Oostgotische heldensage
-van Diederik van Bern behoort, den strijd tusschen Diederiks dienstman
-Hildebrand en dezes zoon Hadruband.
-
-Zoo toovert ons het schoone Finnsburgfragment, dat tot den kring
-der Noordzeeheldensage gerekend wordt, den aanval der Friezen op de
-Finnsburg voor oogen.
-
-Bijna alle epische zangen, welke zich in het volksheldendicht
-opgelost hebben, zijn als zelfstandig geheel verloren geraakt;
-nochtans kan men uit hoofde van het hier gezegde hun bestaan niet in
-twijfel trekken, te meer daar zij bij de ontleding van elk volksepos
-in zijne hoofdbestanddeelen bij benadering zijn aan te wijzen.
-
-Twee andere bewijzen vinden wij in de geschiedenis, welke, zooals
-gewoonlijk, ook hier eene hulpvaardige hand aan de letterkunde reikt.
-
-Tacitus zegt, dat de geschiedenis der Germanen uit aloude zangen
-bestond, waarin zij hunne goden en helden verheerlijkten [3]. In
-zijnen tijd bezongen zij zelfs Arminius, die eenige jaren te voren
-het volk van het Romeinsche juk bevrijd had [4].
-
-Jornandes [5] getuigt hetzelfde van de Goten:
-
-Zij verheerlijkten in het lied door zang en harp de daden
-der voorvaderen, van Ethespamara, Amala, Fridigern, Widicula en
-anderen, van welke deze volken eenen hoogen dunk hebben, zoodat de
-bewonderenswaardige oudheid nauwelijks er op kan bogen, zulke helden
-te hebben gehad.
-
-De dichterlijke overlevering in den volksmond is een der hoofdbronnen,
-waaruit de eerste kroniekschrijvers over Germaansche toestanden hunne
-berichten geput hebben, bij gebrek aan geschiedkundige bescheiden. Het
-is de taak des geschiedschrijvers, deze sagen, in een historisch gewaad
-gestoken, van de geschiedkundige bestanddeelen streng af te zonderen;
-voor ons is de wetenschap voldoende, dat zij bestaan.
-
-Jornandes heeft, hoofdzakelijk waar hij over Hermanaric en Attila
-spreekt, buiten kijf de volkspozie geraadpleegd.
-
-Savagner erkent dit in zijne inleiding:
-
-...l'on ne peut reconnatre et dterminer les passages que Jornands
-doit Cassiodore, ceux qu'il doit d'autres auteurs, ceux enfin o
-il prtend s'appuyer sur les antiques traditions et sur les chants
-nationaux des Goths. bl. VII.
-
-Paulus Diaconus heeft ons in zijne geschiedenis der Longobarden den
-rijksten schat van heldenoverleveringen bewaard.
-
-De monnik Widukind nam meer dan een oud lied in zijne Res gestae
-Saxonicae op.
-
-Saxo Grammaticus behandelde de ontelbare dichterlijke verhalen, welke
-hij uit den mond zijner landgenooten opteekende, als de kostbaarste
-bouwstof voor zijne geschiedenis der Denen. Zij beslaan de negen
-eerste boeken zijner kroniek en vormen gedurende verscheidene eeuwen
-uitsluitend de geschiedenis van Denemarken [6]. Van al de Germaansche
-stammen werden tot nog toe alleen de Franken beschouwd als arm te
-zijn aan epische overleveringen.
-
-Dit dwaalbegrip heeft Kurth in zijn standaardwerk voor goed uit den
-weg geruimd [7], een werk dat de sagenvorscher in het vervolg dient
-te raadplegen en dat den geschiedkundige het middel aan de hand doet
-om historie en dichterlijke overlevering te schiften.
-
-Hij toont aan, dat de drie kroniekschrijvers van het Merovingische
-tijdperk: Gregorius van Tours, Fredegarius en de naamlooze schrijver
-van Liber Historiae op vele plaatsen geenen anderen zegsman kunnen
-gehad hebben dan de levende volksoverlevering.
-
-Uit de balans van geschiedenis en sage, welke hij opmaakt, blijkt
-zonneklaar, dat in dit opzicht de Franken door geen ander Germaansch
-volk in de schaduw gesteld worden.
-
-Nu dat het bestaan van afzonderlijke sagen boven allen twijfel
-verheven is, kan men zich afvragen, hoe zij tot stand kwamen. Zij
-zijn te beschouwen als de natuurlijke uiting van den algemeenen
-volksindruk bij het aanschouwen van eene belangrijke gebeurtenis of
-van een treffend natuurverschijnsel.
-
-Geven wij hier het woord aan Jonckbloet [8]:
-
-Hoe jonger een volk, hoe meer er een algemeen peil van ontwikkeling
-is, waarboven zich ter nauwernood iemand verheft.
-
-Treffende gebeurtenissen moeten dus wel op allen nagenoeg denzelfden
-indruk maken: vandaar, dat het epische lied, door n begaafde
-ontboezemd, weerklank vindt bij allen, gemakkelijk onthouden en van
-mond tot mond voortgeplant wordt.
-
-Daar het gewrocht van een enkelen intusschen niet volkomen den geheelen
-volksgeest teruggeeft, wordt er bij de mondelinge overlevering hier
-een trek weggelaten, daar een andere aan toegevoegd, totdat eindelijk
-het geheel, ontdaan van wat er nog individueels aan mocht kleven,
-werkelijk de ware volksuitdrukking genoemd mag worden. Daarom draagt
-die overlevering terecht den naam van volksoverlevering, of, daar zij
-zich steeds in dichterlijken vorm openbaart, van volkspozie. En geen
-afzonderlijke zanger is als de zelfstandige dichter aan te wijzen,
-omdat inderdaad de geheele stam, het geheele volk, heeft bijgedragen
-om haar te vormen.
-
-De dichter of beter de voordrager van zulke sagen heette bij de
-Angelsaksen scop; soms was hij te gelijkertijd toonkunstenaar en
-begeleidde zijne voordracht met de harp; somtijds reisde hij van
-land tot land, gelijk het overal in de middeleeuwen de gewoonte der
-wandeldichters gebleven is.
-
-Zoo was het mogelijk, dat de heldensagen van het vasteland in Beowulf
-eenen weerklank vonden, ja, dat bij de Angelsaksen een gedicht kon
-ontstaan, dat het wereldburgerschap van het latere Engelsche volk
-reeds in de kiem vertoonde, de Wdsdh of Verbereisde, hun oudste
-letterkundig gewrocht, waarin wij een overzicht hebben van al de
-destijds bekende helden der volksverbeelding.
-
-Doch hieruit volgt ook, dat het voortbestaan van de sagen aan vele
-wisselvalligheden onderhevig moest zijn.
-
-Dit springt nog meer in 't oog, wanneer men nagaat, dat deze liederen
-enkel aan het geheugen toevertrouwd werden en dat zij mettertijd in
-aantal moesten toenemen.
-
-Zoo kon, gelijk ten Brink aanmerkt, den eenen dichter iets bekend
-zijn en den anderen niet, en zoo was het geval mogelijk, dat eene
-sage, welke oorspronkelijk bij eenen bepaalden stam inheemsch was,
-er later uit den vreemde in gewijzigden vorm terugkeerde en als iets
-nieuws werd opgenomen.
-
-Zoo doet zich het verschijnsel ook voor, dat dezelfde dichterlijke
-gegevens opvolgendlijk in den loop der tijden op verschillende personen
-worden overgedragen [9].
-
-Dit zien wij in de Sigmund-episode.
-
-Nochtans kon er geen sprake zijn van oorspronkelijkheid in de
-tegenwoordige beteekenis van het woord.
-
-Niet alleen was de dichter, ten minste voor 't Angelsaksisch,
-aan eene bepaalde beeldspraak en versmaat gebonden, maar hij was
-ook verplicht zich, wat de stof aanbelangt, aan de overlevering
-te houden, zooals die iedereen in de voornaamste trekken voor den
-geest zweefde; b. v. aan het ideaal, dat zich het volk voorstelde,
-aan de schildering van een karakter, waarvan men zich eene bepaalde
-en geliefkoosde voorstelling gemaakt had.
-
-Ten Brink kenschetst dezen toestand in de volgende woorden:
-
-Dies ist also ein geistiger Zustand, wo fast jede Reproduktion etwas
-von eigener Produktion und wo jede Produktion ohne Ausnahme ein gut
-Teil blosser Reproduktion in sich enthlt.
-
-Deze, zooals blijkt, van nature zoo veranderlijke sagen werden nog door
-twee groote geschiedkundige feiten gewijzigd: door de volksverhuizing,
-welke het oude op den achtergrond schoof en met eenen nieuwen
-toevoer van personen en daden vermengde, en door de invoering van het
-Christendom, dat de heidensche bestanddeelen uitroeide, vervormde,
-of er christelijke denkbeelden bijtrok.
-
-Op deze wijze bleef de heldensage als een levend iets in onafgebroken
-wording, in gedurige stofwisseling voortbestaan, totdat eindelijk
-een min of meer bekwaam dichter opstond, die de losse deelen tot n
-geheel vereenigde: het volksepos was geboren.
-
-F.-A. Wolf heeft op het einde der vorige eeuw den weg gebaand tot
-deze levenwekkende beschouwing van het volksepos in zijne Prolegomena
-ad Homerum, waarin hij aantoont, dat de Odyssee en de Ilias niet het
-uitsluitend werk van eenen dichter, maar van onderscheiden rhapsoden
-zijn.
-
-De Duitsche geleerden, welke op het gebied der Germaansche letterkunde
-denzelfden weg insloegen hebben dit stelsel verder ontwikkeld en op
-deze wijze aan de geschiedenis een vuurbaak ontstoken op het duistere
-pad der vroegste middeleeuwen.
-
-Eene andere vraag doet zich op: Welk is het wezen der heldensage;
-uit welke soort van dichterlijke overleveringen is zij saamgevloeid?
-
-Drie bestanddeelen zijn in de Germaansche heldensage te onderscheiden:
-geschiedenis, mythus en dichterlijke vinding.
-
-Gaan wij elk der drie punten na:
-
-Het epos is bij alle volkeren de eerste vorm van geschiedenis geweest;
-'t is, naar de eigenaardige uitdrukking van Kurth, de geschiedenis
-vr de geschiedschrijvers. Het volk onthoudt alleen die trekken,
-welke het begrijpt, welke tot zijne verbeelding spreken, den weg tot
-zijn hart vinden; het bewondert den held en mensch, niet den staatsman,
-en ziet dikwerf gebeurtenissen over het hoofd, die onder geschiedkundig
-oogpunt het meeste gewicht in de schaal leggen.
-
-Wat b. v. de volksverbeelding in Clovis zoozeer boeit, is niet de
-groote rol, welke hij in Gods wereldplan vervulde, de verovering van
-Galli en de grondvesting van een machtig christelijk rijk; maar wel de
-omstandigheden van zijn huwelijk, de parten, welke een geslepen Romein
-hem speelde, zijne ongenadige bijlslagen en zijne moorddaden [10].
-
-Zoo lang als de menigte de dichterlijke overleveringen voor zuivere
-waarheid aanneemt, blijft epos en geschiedenis vermengd; doch zoodra
-zij het onderscheid begint in te zien tusschen de geschiedkundige
-werkelijkheid en de ideale voorstelling, welke zij er zich van gemaakt
-heeft, dan is het morgenrood voor de geschiedenis en de avondglans
-voor het volksepos verschenen [11].
-
-Een groot feit, dat den eigen stam of naburige stammen getroffen heeft,
-moet onmiddellijk, onder den indruk der gebeurtenissen, liederen
-doen ontluiken, op straffe van anders te verdwijnen met het geslacht,
-dat er van getuige was; want eene geschiedkundige volksoverlevering
-bestaat er niet.
-
-Het is opmerkenswaardig, dat dit groot feit gewoonlijk eene nederlaag
-is. De reden ligt voor de hand [12].
-
-Voor krijgshaftige volken is de zegepraal hunner vorsten iets zeer
-natuurlijks en gewoons, terwijl hunne nederlaag ondenkbaar is.
-
-Hiertegen komt de gekrenkte volkstrots in verzet; hij tracht de
-nederlaag te verbloemen door den tegenstand zoo heldhaftig mogelijk
-op te hemelen, den roem der weerpartij echter te verkleinen door de
-overwinning aan de overmacht ofwel aan verraad toe te schrijven [13].
-
-Stappen wij over tot het tweede punt.
-
-De zucht om de daden van zulk een geschiedkundigen held breeder uit te
-meten en in een bovennatuurlijk licht te plaatsen heeft de versmelting
-ten gevolge van de historische sage, waarvan wij hierboven spraken,
-met de mythische of herosche, d. i. met overleveringen van goden
-en halfgoden uit een ouder tijdperk, overleveringen, die in den
-grond niets anders zijn dan eene dichterlijke verpersoonlijking der
-natuurkrachten.
-
-De neiging tot het bovennatuurlijke is eigen aan de volken, welke nog
-op den eersten trap der beschaving staan. Ziet men dit niet bij de
-wilde stammen, die vrije kinderen der natuur, ja bij sommige eenvoudige
-landlieden uit onze onmiddellijke omgeving? Zoo spreekt, om maar n
-voorbeeld te noemen, Gustave Aimard in een zijner boeiende verhalen
-van zijne persoonlijke kennismaking met een Indiaansch opperhoofd,
-die maar niet kon gelooven, dat Napoleon I gestorven was. Immers de
-zon sterft nooit, en de groote sachem der blanken was voor hem een zoon
-der zon en diende bij gevolg onder de goden gerangschikt te worden.
-
-Aimard voegt er bij, dat ongetwijfeld menig Fransche landman in die
-meening deelde.
-
-Het derde bestanddeel is eindelijk de dichtkunst, welke de daden van
-den zoo vergoddelijkten held met omstandigheden van eigen schepping
-opsmukt en somtijds aan hoogere, zedelijke eischen voldoening geeft.
-
-Passen wij deze beginselen op het Beowulfepos toe.
-
-Onze taak zal zijn aan te toonen, dat er een geschiedkundige Beowulf
-bestaan heeft, op wien de daden van eenen heros, Beowa geheeten,
-zijn overgebracht.
-
-
-
-
-GESCHIEDENIS.
-
-De geschiedkundige grond van den Beowulf is eene nederlaag en wel de
-inval, welken de Deensche koning Chochilaicus in 515 in de gouw der
-Hattuarische Franken ondernam.
-
-In ons epos wordt ook gewaagd van andere gebeurtenissen, welke,
-blijkens het boven gezegde omtrent het volksepos, van geschiedkundigen
-aard moeten zijn.
-
-Wij bedoelen namelijk den oorlog met de Zweden, waarvan geen
-geschiedkundig getuigenis bestaat; doch deze oorlog komt hier niet
-in aanmerking, daar Hygelac en niet Beowulf er de hoofdrol speelt,
-zoodat deze strijd niet de aanleiding kan zijn geweest tot het ontstaan
-van het gedicht.
-
-De Frankische kroniekschrijvers hebben gelukkigerwijze den strooptocht
-van Chochilaicus aan de vergetelheid ontrukt.
-
-Het bericht van Gregorius van Tours, III, 3, luidt als volgt:
-
-Na dit alles randen de Denen onder hunnen koning, Chochilaicus
-geheeten, over zee Galli aan met eene vloot. Na aan wal gestapt te
-zijn verwoesten zij een pagus (gouw) van Theodoriks gebied, zij maken
-gevangenen en bereiden zich om naar hun vaderland terug te keeren,
-na de schepen zoowel met de gevangenen als met den overigen buit te
-hebben beladen.
-
-Hun koning was op den oever neergezeten in afwachting dat de schepen
-in volle zee waren, om daarna zelf te volgen.
-
-Toen dit aan Theodorik bericht werd, nl. dat zijn rijk door de
-buitenlanders verwoest werd, zond hij zijnen zoon Theodebert naar
-die streken af met een groot leger en eene groote oorlogstoerusting.
-
-Deze versloeg, na den koning gedood te hebben, de vijanden in een
-scheepsgevecht en gaf den ganschen krijgsroof aan de landzaten terug.
-
-De andere Frankische bron, Liber Historiae (Gesta regum Fraticorum,)
-zegt hetzelfde op beknopte wijze en duidt tevens de streek aan met
-den naam van pagus Hattuarius.
-
-De koning der Franken, waarvan sprake is, is Clovis' oudste zoon,
-Theodorik I van Austrasi, de held van meer dan een epischen zang.
-
-Om hem te onderscheiden van den Oost-Gotenkoning Theodorik den Groote,
-werd hij Theodorik de Frank of de Huge geheeten, en als zoodanig
-verschijnt hij onder den naam van Hug-Dietrich in de Duitsche
-heldensage.
-
-Daar noch Gregorius van Tours noch zijne opvolgers eenige schriftelijke
-oorkonde omtrent Clovis' zonen ten dienste stond, moeten zij deze
-wetenschap uit de epische overlevering der Franken opgedaan hebben
-[14].
-
-Dit wordt nog bevestigd door het volgende bericht, dat toevalligerwijze
-in een handschrift van Phaedrus uit de 10e eeuw is opgenomen:
-
-In de 9e en 10e eeuw waren nog in een eiland, aan de Rijnmonding
-gelegen, reuzig groote beenderen te zien, welke naar het volksgeloof
-aan koning Hunglac, waarvan wondere zaken verteld werden, zouden
-hebben toebehoord [15].
-
-Het staat dus vast, dat deze strooptocht der Denen zulken diepen
-indruk op de overwinnaars had te weeg gebracht, dat de herinnering
-ervan na vier eeuwen nog niet was uitgewischt.
-
-Doch overweldigend moet de schok dier nederlaag geweest zijn op het
-gemoed der Denen, daar zij het aanzijn schonk aan den Beowulf.
-
-En inderdaad het verhaal van den Frankischen geschiedschrijver stemt
-in de hoofdlijnen overeen met de beschrijving, welke het epos ons
-op meer dan eene plaats geeft van de nederlaag der Deensche Gooten
-onder hunnen koning Hygelac, een naam, die volgens de wetten der
-woordafleiding aan Chochilaicus beantwoordt.
-
-Het spreekt van zelf, dat de geprikkelde eigenliefde van het volk
-deze nederlaag met de schoonste kleuren heeft afgemaald, zoodat
-Hygelac slechts voor de overmacht zwichtte, en zijn neef Beowulf,
-met de wapenrusting van dertig Franken beladen, in zee sprong, nadat
-al zijne aanvallers in het stof hadden gebeten.
-
-Is Hygelac dus een geschiedkundig persoon, dan staat niets in den
-weg om ditzelfde van zijnen moedigen neef Beowulf aan te nemen, juist
-wegens zijne verhouding tot den historischen oom; ofschoon geen ander,
-noch geschiedkundig noch dichterlijk gedenkschrift, buiten ons epos
-van hem gewaagt.
-
-Dat het gedicht de overwinnaars onder vier verschillende benamingen
-aanduidt, legt geenen onoverkomelijken hinderpaal in den weg;
-immers Friezen, Hetwaren, Franken en Hugen zijn in den grond een en
-hetzelfde volk.
-
-Hugen is de naam, welken de Noordsche volken van de 6e tot de 11e
-eeuw aan de Franken toekenden. Eigenlijk heetten zoo de bewoners
-van Hugmerki de mark of het grensgewest der Hugen, op de grenzen
-van Saksen en Friesland; daarna werd de naam door de Saksen en
-Scandinavirs aan de Franken in het algemeen gegeven [16].
-
-De Pagus Hattuarius behoorde tot Friesland, dat zich in den breeden
-zin van het woord van af de grenspalen van Denemarken tot aan de
-Scheldemonden en de poorten van Brugge uitstrekte.
-
-Deze streek maakte deel van het rijk der Ripuarische Franken, zoodat
-de Hetwaren onder aardrijkskundig oogpunt Friezen en onder staatkundig
-Franken heeten [17].
-
-Leo plaatst de gouw der Hattuarirs op den rechter oever der Maas,
-langs beide zijden der Niers; dus in de omstreken van Kleef, Gelder
-en Meurs, zooals Mllenhoff zegt.
-
-Hygelac was derhalve met zijne vloot tot zoover doorgedrongen, en deze
-overrompeling van de binnenlanden door middel van de riviermondingen
-bleef in 't vervolg de krijgskunde der Noormannen.
-
-
-
-
-MYTHOS.
-
-Welk is de mythische kern van de Beowulf-heldensage?
-
-Vooraf zij opgemerkt, dat wij het stelsel uiteenzetten, zooals het door
-Ettmller, Leo en anderen, doch vooral door Mllenhoff is ontworpen,
-die zich op dit gebied vooral verdienstelijk heeft gemaakt, om er
-vervolgens eenige kantteekeningen aan toe te voegen.
-
-Wij hebben er reeds op gewezen, dat Mllenhoff bij de Angelsaksen
-eenen alouden, mythischen held aanneemt, Bew(a) of Bew(a) genaamd,
-den overwinnaar van Grendel, welke later met den geschiedkundigen
-Beowulf versmolt; zoodat de daden van Bewa op Hygelacs neef werden
-overgebracht.
-
-Daar Mllenhoffs betoog ingewikkeld en niet al te helder is, zullen
-wij achtereenvolgens de volgende vragen beantwoorden:
-
-Heeft er een halfgod Beowa bestaan; was hij door de Angelsaksen gekend;
-heeft hij Grendel overwonnen, en kan men bewijzen, dat deze Beowa in
-den held van ons epos is schuilgegaan?
-
-I. Van de Angelsaksische koningen, die in Engeland na de
-volksverhuizing regeerden, zijn geslachtslijsten tot ons gekomen,
-waarvan sommige van Engelsche andere van Scandinavische herkomst zijn.
-
-Al deze genealogien komen hierin overeen, dat zij tot den god Wodan,
-den stamvader der Angelsaksische koningen, opklimmen.
-
-In sommige echter, onder anderen in de Saksenkroniek, zijn nog eenige
-namen als voorvaders van Wodan toegevoegd; de lijst begint met Sceaf,
-dan volgt Sceldwa (of Scyldwa), dan Beaw (elders Beawa, Beow, Beowa
-geheeten) en zoo verder tot aan Wodan, terwijl ook Heremod en Get
-genoemd worden.
-
-Welnu deze Sceaf is, als voorvader van den door de Duitsche volken
-als hun stamvader beschouwden Wodan, reeds daardoor zelf een mythisch
-wezen.
-
-Dit blijkt nog uit andere berichten; volgens deze zouden de Saksen
-naar Sceaf genoemd en zijn zoon Scyld de eerste bewoner van Germani
-geweest zijn; terwijl aan de negen zonen van zijnen kleinzoon Beovinus
-alle Germaansche volken langs Oost- en Noordzee het ontstaan te
-danken hebben.
-
-Van Sceaf gaat ook de sage uit van het geheimzinnige schip, waarin
-hij als kind werd uitgezet op eene korenschoof, te midden van wapens
-en kleinoodin.
-
-Schip en garve zien op zeevaart en akkerbouw, wapens en kleinoodin
-op krijg en koninkschap; van Sceaf dagteekent dus de eerste beschaving
-der Germaansche kustbewoners.
-
-Doch niet alleen Sceaf is een mythisch wezen, maar ook zijne twee
-nakomelingen Scyld en Beowa.
-
-Het zijn slechts mythische uitbreidingen van de natuur van Sceaf, die
-zijne beteekenis verder uitwerken en in wezenlijkheid niets anders
-zeggen dan hetgeen Sceafs mythos reeds te kennen geeft; want vader
-en zoon zijn in de godenleer doorgaans verschillende namen van een
-en hetzelfde wezen.
-
-Dit leert ons de ontleding van de namen: Scyld, Sceldwa, Scyldwa
-is de schermheer, de met het schild dekkende en vertegenwoordigt
-het koninkschap.
-
-Be van de wortel bhu zijn, wonen, worden, wassen, verpersoonlijkt
-het vreedzame verblijf in woningen [18].
-
-Wat nog pleit voor de eenzelvigheid van Sceaf en Scyld is, dat in
-ons epos de sage van Sceafs scheepvaart op den zoon is overgebracht.
-
-Ten slotte kunnen wij ons beroepen op eene geschiedkundige getuigenis,
-waaruit blijkt, dat Get, een der voorloopers van Wodan, als eene
-godheid werd aangemerkt:
-
-Kurth, blz. 92, geeft de volgende aanhaling: quem Getam jamdudum
-pagani pro Deo venerabantur. (Asser, De rebus gestis Aelfredi in
-Script. Rer. Brit. blz. 468.)
-
-II. Was deze Beaw, wiens mythisch karakter ons gebleken is, in
-Engeland inheemsch?
-
-Het antwoord moet bevestigend luiden, immers de geslachtslijsten, welke
-van zijn bestaan getuigenis afleggen, behooren alle oorspronkelijk
-in Engeland thuis, daar de Scandinavische genealogien op de
-Angelsaksische leest geschoeid zijn [19].
-
-Doch een bewijs, dat den doorslag geeft, vindt Mllenhoff in eenige
-Engelsche plaatsnamen, welke in oude oorkonden voorkomen: Beowan
-hamm Beowa's hoeve, Grendles mere Grendels meer, Grindles bec
-Grendels beek, Grindeles pytt Grendels moeras, en Bas brc
-Beaws broekland.
-
-Deze plaatsnamen zijn het stelligste bewijs, dat het geloof aan eenen
-heros Beowa in zuidelijk Engeland bij het volk algemeen verbreid was.
-
-III. Deze Beowa werd door de Angelsaksen vereerd als de dooder van
-het watermonster Grendel.
-
-Hoe weet Mllenhoff dat? Hier ligt juist de knoop; immers aan te
-nemen, dat Beowa Grendel doodde, enkel en alleen omdat Beowulf dit
-in het epos doet, en van den anderen kant, dat Beowulf een mythische
-held is geworden, omdat er een mythische Grendeldooder Beowa bestond:
-dit zou een goochelkunstje zijn, dat men in de redeneerkunde met den
-deftiger naam van petitio principii bestempelt.
-
-Het afzonderlijk voorkomen van plaatsnamen als Beowan hamm en Grendles
-mere geeft ook geene uitkomst; wl, indien de twee namen te zamen
-voorkomen, want dan is men gewettigd een oorspronkelijk verband
-tusschen Beowa en Grendel aan te nemen.
-
-Dit nu is gelukkigerwijze het geval, en hier ligt dus het zwaartepunt
-van Mllenhoffs gezamenlijk betoog.
-
-IV. Eene opgave van het hoogste belang is vast te stellen, dat deze
-Beowa zich in den geschiedkundigen held heeft opgelost; zoo niet,
-dan zijn al de tot hiertoe verkregen uitkomsten doelloos.
-
-Men diene in het oog te houden, dat in ons epos twee personen den
-naam van Beowulf dragen: Beowulf de Deen, welken wij door Beowulf(1)
-voorstellen en die, als zoon van Scyld en als grootvader van den
-Deenschen koning Hrodgar, alleen in de Inleiding verschijnt, en
-Beowulf de Goot of Beowulf(2), de held van het gedicht.
-
-In Beowulf(1) steekt de Angelsaksische heros. Door invloed van Beowulf(2)
-werd in plaats van Beow, zooals het had moeten zijn, Beowulf(1)
-geschreven, welke naam buitendien er op gelijkt.
-
-Dit volgt onmiddellijk uit de vergelijking van de boven genoemde
-koningslijsten met Hrodgars stamboom in de inleiding van het
-gedicht. Hrodgars voorouders zijn: Sceaf, Scyld, Beowulf(1).
-
-Deze trits namen is, met uitzondering van den 3den, identisch met
-Sceaf, Scyldwa, Beow uit de Angelsaksische genealogien; dus is
-Beowulf(1) voor Beow verschreven.
-
-Doch nog meer, de sage van den mythischen Sceaf ontmoeten wij
-insgelijks in het epos, ofschoon op Scyld toegepast; een bewijs dat
-wij in den grond met een en dezelfde lijst te doen hebben.
-
-Daaruit moet men besluiten, dat het gedicht den stamboom der
-Angelsaksische koningen aan het Deensche vorstenhuis heeft toegekend.
-
-Mllenhoff schrijft deze overdrage toe aan de gelijkheid van naam
-tusschen den Scyldwa of Scyld der Angelsaksen en den eponymus of
-naamgever der Deensche koningen, welke Scyldingen d. i. afstammelingen
-van Scyld zijn bijgenaamd.
-
-De rest der redeneering is klaar. Daar de mythische Beow, de dooder
-van Grendel, in het epos voorkomt, doch zonder vermelding van zulk
-wapenfeit, hetwelk integendeel aan Beowulf(2) wordt toegeschreven, zoo
-ligt het voor de hand, dat zijne daden op Beowulf(2) zijn overgebracht.
-
-Zoo werd de halfgod, wegens de overeenkomst van naam, vereenzelvigd
-met den geschiedkundigen neef van Hygelac.
-
-V. Welke dichterlijke opvatting der natuurkrachten ligt aan dezen
-Beowa-mythos en bijgevolg aan Beowulf(2) ten grondslag?
-
-Beowulf is de lichtheros, welke in 't voorjaar de overstroomende zee
-terugdrijft, doch bij het aanbreken van den winter verdwijnt.
-
-Mllenhoff verklaart deze voorstelling als volgt:
-
-Drie groote heldendaden van Beowulf dragen een mythisch karakter:
-
-1 De zwemwedstrijd met Brecca, waarin Beowulf den 7n dag het land
-der Finnen d. i. Lapland bereikt.
-
-Hij is bijgevolg den poolstroom te gemoet gezwommen en kan diensvolgens
-als een mythisch wezen opgevat worden, dat in zijne jeugd, d. i. in
-het voorjaar de winterstormen der zee overwint.
-
-De zee is door zijnen tegenstander, Brecca, vertegenwoordigd. Immers
-Brecca die door de golven breekt is vorst der Brondigen d. i. de
-branding. De naam zijns vaders Benstan hangt samen met bauni
-walvisch.
-
-2 Op zijnen mannelijken leeftijd bekampt Beowulf den reus Grendel
-en dezes moeder.
-
-Nu is hij het goddelijke wezen, dat den mensch tegen watermonsters
-d. i. de stormige zee beschermt; Grendel en diens moeder stellen de
-wilde Noordzee voor.
-
-3 Na eene vijftigjarige vreedzame regeering doodt de vergrijsde held
-den draak, doch niet zonder zich van zijne schatten meester gemaakt
-te hebben.
-
-De draak beteekent dikwerf een vernielend stroomend water en
-verbeeldt hier de overstroomende Noordzee in den herfst na den
-rustigen zomertijd.
-
-De zonneheros schenkt de schatten van den bodem aan de menschen,
-doch zijne macht loopt ten einde, want de noordsche winter staat voor
-de deur.
-
-VI. Mllenhoff gaat nog verder en ziet in Beowa-Beowulf den god Ing
-d. i. Freyr, den stamvader der Ingaevonen, of beter Niordr en Freyr,
-vader en zoon. Immers Freyr heet ook Yngwi, Yngwifreyr.
-
-De Ingaevonen waren, volgens Tacitus, de volken, welke aan de kust
-der Noordzee leefden proximi Oceano Ingaevones; hiertoe behoorden
-dus ook de Angelen en Saksen.
-
-Freyr beschermt oogst, handel en scheepvaart; hij verslaat Beli, den
-zoon van den zeereus Gymir, met een hertegewei, dat deze dieren in
-de lente afleggen; hij maakt door zijne zege de zee weder bevaarbaar
-en verdrijft de den menschen verderfelijke reuzenmachten.
-
-VII. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Beowa-mythos den
-Angelsaksen in hun oorspronkelijk verblijf op het vasteland
-d. i. in Sleeswijk-Holstein bekend was en van daar naar Engeland
-werd overgeplant.
-
-Wortelde hij zich daar vast, alvorens hij op Beowulf werd overgedragen,
-zooals Mllenhoff meent; ofwel had, volgens Symons, ten Brink en
-anderen, de versmelting reeds in Denemarken plaats; ziedaar eene
-twistvraag, welke wij in het midden laten.
-
-Volledigheidshalve zij enkel nog bijgevoegd, dat Mannhardt, Simrock
-en Nathanal Mller zich niet voor een Freyr--maar voor een Thorheld
-uitspreken; de laatste onderscheidt buitendien tusschen Beowulf(1),
-die als derde bijgestalte van Sceaf den god Wali, en Beowulf(2), die
-alleen Thor voorstelt.
-
-Na Mllenhoffs stelsel uiteengezet te hebben is het zake van er eenige
-beschouwingen aan toe te voegen; immers ieder niet-mytholoog zal
-erkennen, dat de aangevoerde bewijzen op geene volslagen zekerheid,
-maar hoogstens op waarschijnlijkheid kunnen aanspraak maken.
-
-1 Verschillende geleerden, onder anderen Symons, zien in Beowulf
-enkel en alleen eenen heros; zoodat het overbodig is, tot eenen
-vermenschelijkten god zijne toevlucht te nemen.
-
-2 Indien de naam van Beowulf(2) den halfgod Beowa verkeerdelijk
-tot Beowulf(1) herdoopt heeft, dan mag men zich afvragen, waarom die
-terugwerking zich maar binnen zekere grenzen heeft doen gevoelen,
-daar Sceaf, Scyld en Beowulf(1) alleen de voorvaders van de Deensche
-koningen en niet van Beowulf(2) geworden zijn.
-
-Of zou dit pleiten voor eene Deensche herkomst van den eersten zang?
-
-Dat die invloed op zoo'n goeden weg is blijven steken, is des te
-meer te verwonderen, als men nagaat, dat niet Hrodgar maar Beowulf(2)
-identisch is met Beowulf(1), ten minste volgens Mllenhoff.
-
-3 Indien de Beowa-mythos zoozeer verspreid was in Engeland, waarom
-bewaart de Widsidh er dan het zwijgen over?
-
-4 Als men de volksheldendichten beschouwt, komt men tot de ervaring,
-dat het mythisch wezen van den held langzamerhand in de schaduw is
-gedoken, terwijl zijn menschelijk karakter in gelijke mate op den
-voorgrond treedt. Dit neemt nochtans niet weg, dat er kenmerken
-gebleven zijn, die den vroegeren halfgod verraden.
-
-Zoo zien wij in de Ilias, dat Achilleus met de goden omgaat, dat hij
-onkwetsbaar is en daarenboven eene godin tot moeder heeft.
-
-Eenige overgebleven mythische trekken zijn ook in het Duitsche
-Nibelungenlied waar te nemen, om niet te spreken van de Noordsche
-overlevering, waar het mythische bestanddeel overwegend is. Sigfried
-is onkwetsbaar, evenals Achilleus, en beschikt over de onzichtbaar
-makende tarnkappe.
-
-Indien bijgevolg Beowulf oorspronkelijk een hooger wezen is, dan moeten
-wij den vinger kunnen leggen op eenige sporen van die oude opvatting.
-
-Dit nu is niet het geval, integendeel wij vinden ons in een geheel en
-al menschelijk midden verplaatst, al de daden en roerselen getuigen
-dit eene: homo sum!
-
-Of moet Beowulfs bovenmatige kracht, welke tegen die van dertig man
-opwoog, moet zijne bedrevenheid in het zwemmen, waardoor hij eerst
-tot in het hooge Noorden doordrong en later van Nederland uit Jutland
-bereikte, als mythische trekken worden beschouwd, daar zij het vermogen
-van een gewoon sterveling te boven gaan?
-
-Dit schijnt mij niet aannemelijk, immers deze groote lichaamsgaven
-maken juist van Beowulf den held, maar stempelen hem daarom nog niet
-tot een mythisch wezen, tot eenen halfgod.
-
-Immers de held van het epos kenmerkt zich door daden, die van het
-treurspel door hartstochten, welke het gewone peil verre overschrijden.
-
-Daar Beowa Grendel doodde en als zoodanig alleen vereerd werd,
-zou men met recht bij de beschrijving van dien kamp eenig mythisch
-spoor verwachten; doch vruchteloos, tenzij men de handschoen voor
-zoo iets houde!
-
-Beowulfs gevecht in de onderzeesche woning met Grendels moeder draagt
-eerder eene phantastische dan wel mythische kleur, en ik zou ook
-geneigd zijn, dit van den kamp met den draak aan te nemen, zoo niet
-de draak in tal van mythen eene rol speelde.
-
-Wij trekken hieruit het besluit, dat geen mythische trek in het epos is
-aan te wijzen buiten den draak, welke onmetelijke schatten bewaakt;
-want al doemen er ook andere gestalten in op als Sceaf, Sigmund,
-Hama, Weland, die allen oorspronkelijk mythische wezens zijn, geen
-dier personen behoort tot de kern van de Beowulf-sage.
-
-Nochtans komen wij hiermee niet veel verder, daar, zooals blijkt
-uit de plaatsnamen, alleen Grendel, doch niet de draak, iets met den
-Beowa-mythos te maken heeft.
-
-5 Wij hebben gezien, dat de twee te zamen behoorende plaatsnamen
-Beowan hamm en Grendles mere de spil zijn, waarop heel het betoog
-van Mllenhoff draait.
-
-Ontbreekt die overeenstemming, dan blijft het nog altoos waar, dat
-een heros Beowa bestaan heeft; doch of die in eenig verband staat
-met Grendel en bijgevolg met Beowulf, kunnen wij alsdan uit niets
-afleiden, of het zou uit eene verre overeenkomst van naam (Beowa,
-Beowulf) moeten zijn.
-
-Men ziet, hoe Mllenhoffs stelsel, al vormt het ook een afgerond en
-scherpzinnig geheel, op de punt eener naald is opgetrokken.
-
-Jammer dat deze zwakke steun dan nog wordt omgeknipt door Thomas
-Miller in The Academy (1894, 12 May).
-
-Hij toont aan, dat in de plaatsnamen bowan hammes en grendles mere,
-welke in het Cartularium Saxonicum no 677 voorkomen, Grendel niet een
-eigennaam maar een gemeennaam is, welke drain d. i. afwateringsbeek
-beteekent. Hij vertaalt grendles mere door the cess pool d. i. het
-afwateringsmeer, het turfmeer.
-
-Miller leidt deze beteekenis van het woord af uit twee andere plaatsen
-van dezelfde oorkonde, waar het woord grendel alleenstaande voorkomt.
-
-De slotsom dezer beschouwingen is, dat men tot nog toe het mythische
-bestanddeel der Beowulf-heldensage met geene voldoende zekerheid of
-zelfs waarschijnlijkheid kan aanwijzen, en dat Mllenhoffs uitspraak,
-op het zachtst uitgedrukt, voorbarig mag heeten, wanneer hij zegt:
-
-Es ist nicht zu bezweifeln dass die Angeln und Sachsen, die sich
-in England niederliessen, den mythus vom kampf mit dem wasserunhold
-Grendel, den das gedicht dem Beowulf beilegt, ursprnglich von dem
-mythischen Beav ihrer genealogie erzhlten..... Men kan het Thorpe dus
-niet euvel duiden, als hij een loopje neemt met de Duitsche mythologen.
-
-
-
-
-GETAS.
-
-Het volk, wiens heldenfeiten bezongen worden, zijn niet de Denen,
-maar de Getas; Beowulf(2), dien wij in 't vervolg kortweg Beowulf
-zullen heeten, was een Get.
-
-Welk Germaansch volk beantwoordt aan de Getas? [20]
-
-De meeningen loopen uiteen. Kemble hield de Getas voor Angelen;
-Ettmller, Thorpe en Mllenhoff voor de bewoners van zuidelijk Zweden;
-want de vorm Getas stemt, volgens de woordafleiding, overeen met
-Zweedsch Gotar, Oudnoordsch Gautar, waardoor de bevolking van de
-Zweedsche landstreek Westergtland bedoeld wordt.
-
-Leo en Bugge zien er integendeel de Jutten in, al stuiten zij ook op
-de spraakkundige moeilijkheid, dat de vorm Jutten in 't Angelsaksisch
-Etas, Jotas, (Oudnoordsch Jtar) en niet Getas moest opleveren.
-
-Halen wij Bugge's voornaamste bewijsgronden aan, hoofdzakelijk ontleend
-aan den Zweedschen geschiedschrijver Pontus Fahlbeck, en welke mijns
-inziens de schaal te zijnen voordeele doen overhellen.
-
-Een taalkundig bewijs tegenover taalkundig bewijs is het volgende: In
-de vertaling van Beda's werk De Jutarum Origine geeft koning Alfred,
-die toch in het Angelsaksisch thuis moest zijn, den naam Jutten door
-Getas weer, daar hij het Latijnsche opschrift door Of Geta fruman
-vertolkt.
-
-Uit talrijke plaatsen van het gedicht komt men tot de overtuiging,
-dat de Getas een zeevarend volk zijn. Dit past geheel en al bij de
-Jutten, maar niet bij de Westergoten, wier hoofdnederzetting sinds
-alouden tijd bij Skara is geweest. Deze Zweedsche Westergoten hebben
-bijna geene kusten en laten zich in de geschiedenis niet als eigenlijk
-zeevolk aanwijzen.
-
-Getas en Swon (Zweden) zijn door de zee gescheiden, welke naar luid
-van het epos de eenige verbindingsweg moet zijn.
-
-Welnu deze gemeenschap langs den waterweg is onvereenigbaar met de
-plaatselijke verhouding tusschen Westergotland en het eigenlijke
-Zweden, doch noodzakelijk bij de ligging van Jutland.
-
-Hygelac, koning der Getas, onderneemt eenen krijgstocht, naar het
-land der Franken; in overeenstemming hiermede beschouwen de Getas
-de Franken en Friezen als hunne hoofdvijanden na de Zweden.
-
-Dit klinkt zonderling, als er van de verre Westergoten sprake is,
-doch is natuurlijk, als men aan de Jutten denkt.
-
-Bij de Frankische kroniekschrijvers wordt Hygelacs volk Dani
-geheeten. Dit verstaat zich gemakkelijk van de Jutten, die in de
-Noordsche bronnen van historischen tijd onder de Denen begrepen worden,
-doch niet van de Zweden.
-
-Dat ons epos Getas en Denen streng uit elkander houdt, vindt zijne
-verklaring in den staatkundigen toestand der beide volken, die elk
-een afzonderlijk rijk uitmaakten.
-
-B. ten Brink neemt eene afzonderlijke stelling in. Voor hem zijn
-de Getas noch Angelen, noch Zweden, noch Deensche Jutten, maar
-Engelsche Jutten.
-
-Hij beroept zich op de volgende plaats van Beda: De Jutarum origine
-(Deensche Jutten) sunt Cantuarii (die van Kent) et Victuarii, hoc
-est ea gens, quae Vectam (eiland Wight) tenet insulam et ea, quae
-usque hodie in provincia Occidentalium Saxonum (Wessex) Jutarum natio
-nominatur, posita contra ipsam insulam Vectam.
-
-Dus Kent, Wight en de tegenoverliggende kuststreek in Wessex werden
-door denzelfden stam bewoond, terwijl de laatsten in Beda's tijd nog
-den naam van Jutten voerden.
-
-Deze Engelsche Jutten waren, volgens ten Brink, niet van hetzelfde
-bloed als de latere bewoners van Jutland. Hij veronderstelt, dat hun
-naam aan het land gebleven is na hun vertrek naar Brittanje, zoodat
-hij op de later komende Deensche Jutten overging. Deze oudste Jutten
-zijn derhalve de Getas.
-
-Er bestaat geen ernstige grond om tusschen de Engelsche en Deensche
-Jutten eene scheidslijn te trekken.
-
-Much neemt aan, dat zich Jutten onder de Germaansche veroveraars van
-Engeland bevonden, doch hij ziet er en met hem Mller geen van de
-Deensche Jutten onderscheiden, maar wel hetzelfde Duitsche volk in,
-waarvan een deel op Jutland bleef en met de nieuw aangekomen Denen
-het land verdeelde. [21]
-
-
-
-
-NATIONALITEIT VAN DEN BEOWULF.
-
-Of Beowulf het werk van eenen Engelschen, Deenschen, dan wel Zweedschen
-dichter is, blijft tot nog toe de twistappel.
-
-Drie punten vergen vooraf de aandacht:
-
-1 Hoe komt het, dat de Angelen en Saksen niet genoemd worden in een
-in het Angelsaksisch opgesteld gedicht, dat zoovele volksnamen behelst?
-
-Hierop is nog geen bevredigend antwoord ingediend. Ten Brink geeft de
-volgende verklaring: Toen de gebeurtenissen plaats grepen, welke het
-ontstaan zouden geven aan Beowulf, was een groot deel der Engelsche
-stammen reeds naar Brittani vertrokken. Van hen, die in het vaderland
-waren gebleven, waren de meesten reisvaardig en dachten alleen aan
-de nieuwe woonstede.
-
-2 Daar de Getas herdacht worden in een Angelsaksisch gedicht, staan
-wij voor het verbazende feit, dat vreemdelingen bezongen worden in
-een nationaal epos.
-
-Deze moeilijkheid valt weg, als men zich te binnen brengt wat
-boven gezegd werd, dat zich onder de uitgewekenen naar Engeland ook
-Jutten bevonden, welke, zooniet van denzelfden stam, dan toch met de
-Angelsaksen verwant waren.
-
-3 Over Deensche toestanden wordt met kennis van zaken en met
-belangstelling uitgeweid; immers de ligging van Hrodgars burcht niet
-ver van zee, de zorgvuldige beschrijving van Heorot en vooral van de
-omgeving, de bekendheid met de verhoudingen aan het Deensche hof,
-dit alles bewijst, dat de dichter de landstreek tusschen Roeskilde
-en Lerje, de oude zetelplaats der Deensche koningen op Seeland,
-met eigen oogen heeft opgenomen.
-
-Deze getrouwheid der plaatsbeschrijving, welke men zich in de
-veronderstelling van een in Engeland geboren epos moeilijk kan
-verklaren, is een der voornaamste redenen, waarom Sarrazin in den
-Beowulf de vertaling ziet van een oorspronkelijk Deensch gedicht.
-
-Thorpe kent er, schoon steunende op zwakker gronden, eenen Zweedschen
-oorsprong aan toe. Hij beroept zich op het vers in de Inleiding, waar
-gezegd wordt, dat Beowulfs roem de Schedelanden d. i. Scandinavi
-binnendrong; waardoor de dichter te kennen geeft, dat het verhaal
-hem in zijn eigen home bereikt heeft.
-
-Vervolgens zou het gedicht naar Engeland zijn overgebracht, alwaar
-het tijdens de invallen der Denen vertaald werd. Rnning werkt Thorpes
-opvatting verder uit.
-
-Eindelijk hebben wij de meening van Mllenhoff en ten Brink; voor
-hen is de Beowulf geene vertaling, geen vreemd lettervoortbrengsel,
-maar een echt Oudengelsch gewrocht.
-
-Deze laatste zienswijze vindt de meeste voorstanders.
-
-Wij zullen de verschillende bewijsgronden niet nagaan, welke voor of
-tegen elk der drie meeningen zijn ingebracht, maar ons bepalen bij
-eene beschouwing van ten Brink, welke ons afdoende voorkomt.
-
-De eigenschappen, waardoor de Beowulf uitblinkt, veronderstellen
-eenen hoogen graad van zedelijke ontwikkeling, van beschaving, welke
-in de 7e eeuw en 8ste eeuw bij geen Germaansch volk, tenzij bij de
-Engelschen, wordt aangetroffen en allerminst bij de Scandinavirs
-(Denen en Zweden).
-
-Man vergegenwrtige sich doch nur den Verkehr zwischen Beowulf und
-dem Dnenknige, seinem ganze Verlaufe nach, um die Ueberzeugung zu
-gewinnen, dass hier eine Humanitt sich ussert, von der die ltere
-Dichtung anderer germanischer und ebenso romanischer Vlker kein
-Beispiel bietet.
-
-Ten Brink merkt buitendien nog op, dat geen der verwante Scandinavische
-sagen den echten naam van den held kent, welke Bjlfr zou moeten
-luiden, evenmin als de Noordsche overlevering eenige herinnering
-bewaard heeft van den strooptocht naar den Rijn, die den stoot gaf
-tot de vorming onzer heldensage.
-
-
-
-
-TIJD VAN VOLTOOIING.
-
-Uit welken tijd dagteekent de vervaardiging van het Beowulf-epos? Het
-ligt in den aard der zaak, dat het epos slechts langzamerhand door
-ineensmelting van meer of minder oude zangen zijnen tegenwoordigen
-vorm verkregen heeft, zoodat deze letterkundige kristallisatie zich
-over verschillende eeuwen kan hebben uitgestrekt.
-
-Daarom zullen wij eerst de grenzen afbakenen, waartusschen het gedicht
-moet tot stand gekomen zijn.
-
-Afgezien van den Beowa-mythos kan er van het eigenlijke epos geen
-sprake zijn vr 515-20, toen de inval van Hygelac plaats greep.
-
-Van den anderen kant moet het gedicht vr de 9de eeuw, d. i. vr
-de plundertochten der Denen in Engeland, kant en klaar zijn geweest;
-hoe zou men anders aan de Denen zulken lof toegezwaaid hebben?
-
-In deze speelruimte van ruim twee en een halve eeuw valt een tijdperk
-uit de Engelsche geschiedenis aan te wijzen, dat onder het oogpunt
-van beschaving aan de voorwaarden beantwoordt, welke ons epos
-noodzakelijkerwijze vooropstelt.
-
-Deze voorwaarden zijn volgens ten Brink: een volksbewustzijn, dat
-zich uit in het gevolgschapswezen, beschaving, verzachting der zeden,
-verdraagzaam samenzijn van christendom en heidendom.
-
-Welnu aan al deze eischen voldoet de maatschappelijke toestand van het
-Northumberlandsche rijk in 't begin der 7de eeuw, onder de regeering
-van Edwini.
-
-Hij was het die Bernici en Deira tot n rijk vereenigde, zijn
-gezag uitbreidde, de Kelten en Schotten met goed gevolg beoorloogde,
-de openbare veiligheid, eene voorwaarde van alle ware beschaving,
-in de hand werkte en in 627 tot het Christendom overging.
-
-Na hem bereikte Northumberland onder Oswald en daarna onder Oswiu
-zijne hoogste macht.
-
-Toen vormde zich die breede epische stijl, welke in de 2de helft der
-7de eeuw in het naburige rijk Merci zijn beslag kreeg, vooral door
-toevoeging van episoden.
-
-Het Beowulf-epos werd dus in den loop der 7de eeuw voltooid.
-
-
-
-
-HET HANDSCHRIFT.
-
-Het handschrift klimt op tot de 10de eeuw en wel tot de 2de helft,
-naar ten Brink; het is het werk van twee afschrijvers, van welke
-de tweede, die zich vooral door het gebruik van i in plaats van e
-kenmerkt, bij het woord mste v. 1940 begint.
-
-Het handschrift bevindt zich te Londen, in de Cottonische Bibliotheek
-van het British Museum.
-
-Ziehier wat Thorpe er in zijne Inleiding over zegt:
-
-Al de handschriften der Angelsaksische pozie zijn van eene
-betreurenswaardige onnauwkeurigheid en verraden bijna op elke
-bladzijde de onwetendheid van eenen ongeletterden afschrijver, die
-(gelijk het de kloostergewoonte was) dikwijls op dictee neerschreef;
-maar onder de Angelsaksische handschriften mag, ik ben er zeker van,
-dat van den Beowulf in gemoede als het slechtste beschouwd worden,
-afgezien van zijnen huidigen beklaaglijken toestand, ten gevolge
-van den brand in Cotton House in 1731, die het ernstig beschadigde,
-zoodat het gedeeltelijk wrijfbaar als zwam is geworden.
-
-
-
-
-DE VERSBOUW.
-
-Algemeene Bemerkingen. De versbouw van den Beowulf is aan alle Duitsche
-volken gemeen en bestaat in het rijmlooze geallitereerde vers.
-
-Het geallitereerde vers is, ten minste bij de Westgermanen, uit
-twee deelen nl. halfverzen samengesteld, welke door de stemrust
-gescheiden zijn.
-
-Het stafrijm, dat beide halfverzen tot een geheel verbindt, brengt
-de eenheid tot stand.
-
-Niet alleen de verzen, maar ook de halfverzen van denzelfden regel
-volgen niet altijd eenen eenvormigen rhythmus; integendeel, er heeft
-wisseling van verscheiden bepaalde versmaten plaats.
-
-Zoo heerscht er afwisseling en vrijheid van beweging.
-
-Maken we dit klaar door eene veronderstelling.
-
-Terwijl onze tegenwoordige dichters zich doorgaans in hetzelfde
-stuk aan ne verssoort houden, b. v. hexameter, alexandrijn,
-vijfvoetige jambe, enz., zou de Oudgermaansche zanger in den bouw
-zijner halfverzen nu een gedeelte van eenen hexameter gekozen hebben,
-dan van een alexandrijn, dan weer van de vijfvoetige jambe, enz.
-
-Welk zijn dan de versmaten, die in het geallitereerde vers afwisselen?
-
-Om hierop te antwoorden, behooren wij twee stelsels te onderscheiden:
-sommigen, waaronder Sievers, nemen twee heffingen aan voor het
-halfvers; anderen, waaronder ten Brink, integendeel vier.
-
-Wij zullen in breede trekken een begrip geven van beide theorien
-en verwijzen voor de bijzonderheden naar de uiteenzetting door beide
-geleerden in den Grundriss der Germanischen Philologie. [22]
-
-
-
-
-I. TWEE HEFFINGEN.
-
-Bouw van het halfvers in 't algemeen. Sievers onderscheidt er de
-volgende bestanddeelen:
-
-1 de beklemtoonde lettergrepen of heffingen (); zij zijn twee
-in getal.
-
-2 de onbetoonde lettergrepen of dalingen ().
-
-3 de minder betoonde lettergrepen, welke, naar gelang hunne omgeving,
-dienst kunnen doen voor dalingen b. v. krkdeur, of voor
-bijheffingen (`) b. v. wndmlen.
-
-Het halfvers bestaat doorgaans uit vier leden, welke hetzij
-paarsgewijze zijn verbonden, volgens het schema 2 + 2, hetzij niet
-paarsgewijze, volgens het schema 1 + 3 ofwel 3 + 1.
-
-Vandaar, wat de maat betreft, vijf verschillende grondvormen in
-het halfvers:
-
-
- A - | -
- B - | - schema 2 + 2
- C - | -
-
- D - | - -` schema 1 + 3
- - | - -`
-
- E - -` | - schema 3 + 1
- - -` | -
-
-
-Buitendien komen er nog onderverdeelingen in aanmerking, drie voor A,
-drie voor C, vier voor D, twee voor E.
-
-In het Angelsaksisch komt de grondvorm A het meeste voor, dan in
-afnemende orde B, C, D. Het minst vertegenwoordigd is E.
-
-Het stafrijm valt op de heffingen; in ons epos gewoonlijk op de
-beide heffingen van het eerste, en op de eerste heffing van het
-tweede halfvers.
-
-Alle klinkers allitereeren met elkander, eveneens gelijke medeklinkers,
-alsmede v en w, uitgezonderd de verbindingen sk, st, sp, welke noch
-op elkaar, noch op andere s-groepen, noch op eenvoudige s kunnen slaan.
-
-
-
-
-II. VIER HEFFINGEN.
-
-ten Brink's stelsel wijkt onder meer dan een punt van het vorige af.
-
-Het allitereerend vers bestaat uit vijf verschillende versmaten,
-waaraan nochtans een zelfde rhythmisch schema ten grondslag ligt.
-
-Dit grondschema is voor het halfvers:
-
-
- ״ ` | ״ `
-
-
-Het halfvers bestaat dus uit vier tweeledige voeten en vier heffingen:
-twee hoofd- en twee bijheffingen; de rest zijn dalingen.
-
-Elk lid van den tweeledigen voet vormt een tijddeel of more (). Het
-halfvers bestaat dus uit acht moren. Uit dit oorspronkelijk schema, dat
-wij met ten Brink a zullen heeten, zijn vier andere rhythmen ontstaan,
-naar de verschillende wijzen, waarop de heffingen elkander volgen.
-
-b De volgorde van hoofd- en bijheffing wordt in den 1sten en 2den
-voet omgezet:
-
-
- ` ״ | ״ `
-
-
-c In den 3den en 4den voet:
-
-
- ״ ` | ` ״
-
-
-d In 1,2 en 3,4:
-
-
- ` ״ | ` ״
-
-
-e 3 en 4 worden tusschen 1 en 2 ingeschoven.
-
-
- ״ ״ | ` `
-
-
-Alvorens dit nader toe te lichten, dienen wij eerst een woord te
-zeggen over de quantiteit en de betoning.
-
-Quantiteitsregel: Eene more () kan ingevuld of gedekt worden zoowel
-door de korte als lange lettergreep ().
-
-Twee moren kunnen alleen gedekt worden door eene lange lettergreep,
-welke alsdan door het teeken (-) wordt voorgesteld.
-
-Onder de lange lettergrepen zijn ook die te rekenen, welke door twee
-medeklinkers gesloten worden.
-
-De betoning grijpt veel verder om zich dan bij Sievers. Kunnen
-betoond worden en bijgevolg aan heffing onderhevig zijn: 1 alle
-eenlettergrepige woorden, uitgenomen ne; 2 bij de veellettergrepige
-alle syllaben; uitgenomen die op korte betoonde lettergrepen volgen
-en de toonlooze eenlettergrepige voorvoegsels.
-
-De twee hoofdheffingen vallen bijgevolg met de lettergrepen te zamen,
-die den klemtoon hebben.
-
-De twee bij heffingen vallen aan minder betoonde lettergrepen te beurt,
-b. v. kerkder, windmlen; en in het algemeen aan die lettergrepen,
-welke door eene nog zwakker betoonde worden voorafgegaan of gevolgd,
-waardoor zij in kracht winnen.
-
-Op het einde van het halfvers heeft geregeld heffing plaats, indien
-de lettergreep er voor vatbaar is.
-
-Eene betoonde lettergreep tusschen twee sterker betoonde wordt ofwel
-daling, ofwel heffing, naar de eischen van het vers.
-
-Keeren wij nu terug tot de versmaat.
-
-Het halfvers zou geheel en al volledig wezen, zoo elk der acht moren
-door eene lettergreep vertegenwoordigd of gedekt was; doch dit heeft
-uiterst zelden plaats, en dan nog alleen bij den grondvorm a b. v.:
-
-
- gewt him th` to wrodh = ״ ` ״ `
-
-
-Gewoonlijk ontbreken er een of meer dalingen.
-
-Deze onderdrukking der daling is aan twee oorzaken toe te schrijven:
-
-a) ofwel de daling wordt door eene pooze (^) vervangen;
-
-b) ofwel de daling wordt opgeslorpt door de lange lettergreep (-)
-welke, zooals gezegd is, voor twee moren kan gelden.
-
-Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken.
-
-a. Met pooze in 't begin:
-
-
- wge nder weter = ^ ״ ` ״ `.
-
-
-Pooze en opslorping der daling door de lange lettergreep:
-
-
- mnelcne mddum = ^ ״ ` - `.
-
-
-(- ` staat voor ״ `, zoodat mddum als m-ad-dum moet gescandeerd
-worden.)
-
-b. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep
-van straete:
-
-
- fer lgustret = ^ ״ ״ - `.
-
-
-c. Met pooze en opslorping der daling door de derde lettergreep
-van aedelinga:
-
-
- adelng gedrht = ^ ״ -` ` ״.
-
-
-d. fer gofens begng = ^ ` ״ ` ״.
-
-
-e. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep
-van ydha:
-
-
- tol ydh gethrng = ^ ״ - ` `.
-
-
-Al de hier opgesomde verzen zijn volledig, omdat er de vier heffingen
-zijn; ontbreekt n der bijheffingen, dan is het vers onvolledig.
-
-In dit geval kan de ontbrekende bijheffing op twee wijzen vervangen
-worden:
-
-1 door de pooze, b. v.
-
-
-a. geslh th`n fader = - -` ״ ^`.
-
-
-2 Ofwel, en dit heeft slechts in n geval plaats, worden twee
-heffingen, nl. hoofd- en bijheffing, door ne lettergreep gedekt,
-zoodat deze lettergreep zich over drie moren uitstrekt:
-
-
-a. h`m gesht = ^ -` - `.
-
-
-Men zou dus bij het lezen h-a-m moeten scandeeren.
-
-Ziedaar in het kort de hoofdlijnen van de tweeheffings- en
-vierheffingstheorie.
-
-Het ligt niet op onzen weg te beslissen, welke de beste is; dit laten
-wij aan meer bevoegden over.
-
-Nochtans al is het waar, dat Sievers' meening meer aanhangers telt,
-toch zal men moeten toegeven, dat het stelsel van ten Brink heel
-wat minder ingewikkeld, en dat de uitspraak van den laatste niet van
-allen grond ontbloot is, als hij zegt:
-
-Sievers... gelangte zu einem System, nach welchem es ebenso unmglich
-sein drfte, Verse zu lesen, wie es unmglich gewesen sein muss,
-Verse darnach zu bauen.
-
-
-
-
-EPISCHE STIJL.
-
-Wie, in tegenstelling met Monsieur Jourdain, pozie van proza weet
-te onderscheiden, zal bij de inzage van het epos erkennen, dat er
-bij de Angelsaksen eene epische taal bestond, welke zich uit de
-omgangstaal tot eene hoogere volmaaktheid had ontwikkeld; want hij
-zal, afgezien van de versmaat, geregeld terugkeerende woordfiguren,
-vaste uitdrukkingen en bepaalde zinswendingen aantreffen.
-
-Wat vooral de aandacht vestigt, is het ruim gebruik, dat gemaakt wordt
-van het vermogen om samenstellingen te vormen, waarvan de meeste een
-dichterlijk beeld voor den geest roepen.
-
-Voor bijzonderheden verwijzen wij naar het opstel van Theodor Storch,
-Angelschsische Nominalcomposita. Strassburg, 1886.
-
-Wij willen hier alleen wijzen op de bonte rij van samengestelde
-bijvoeglijke naamwoorden met verzwegen voorzetsel: goldhladen
-goudbeladen, goldhroden goudgekleed, daed-cne daadkoen, bld-fg
-bloedbont, heoro-blc bleek door het zwaard, zwaard-gedood,
-wlite-beorht met stralend aanschijn, beadu-rf kampberoemd,
-beadu-scearp slagscherp, scherp tot den slag; ellen-sec krachtberoofd,
-gold-wlanc goud-pronkend, headhogeong kampjong, sadol-beorht met
-glanzend zadel, sae-mde zeemoede, man-thwaere menschenvriendelijk,
-enz. [23].
-
-Een ander kenmerk van den epischen stijl is de verbazende rijkdom van
-zinverwante woorden om sommige begrippen uit te drukken, vooral die,
-welke op oorlog en zeevaart, de twee voornaamste bezigheden van het
-volk, betrekking hebben.
-
-Om b. v. krijgsbende, krijger, vorst, kamp, pantser, moedig, zee
-en schip te zeggen, beschikt het epos over tal van eigenlijke en
-oneigenlijke uitdrukkingen, waaruit niet alleen de woordvoorraad
-van het Angelsaksisch, maar ook de vindingrijkheid des dichters te
-voorschijn treedt. De oneigenlijke uitdrukkingen bekleeden vooral
-eene breede plaats. Men heet ze Kenningar, eene benaming, welke aan
-de Oudnoordsche letteren ontleend is.
-
-De Kenning is eene minder gewone voorstelling van een begrip, waarvoor
-een gebruikelijke term voorhanden is. Ziehier eenige voorbeelden:
-
-De koning heet: goudgever, ringuitdeeler; het zwaard: kampvlam;
-het harnas: krijgsnet; de helm: kamphoofd; de lans: krachthout; de
-strijd: schildspel, zwaardstorm; het bloed: kampzweet, kampkegels
-(beeld aan het ijs ontleend); het schip: golfganger, kronkelsteven;
-het hert: heideganger; de harp: vreugdehout, enz.
-
-Ook bij de werkwoorden komen Kenningar voor, b. v. gaan: het schild
-dragen, de speer dragen, den weg meten; spreken: den woordenschat
-ontsluiten; sterven: het menschengejubel opgeven, het gelach
-neerleggen, enz.
-
-Leven, sterven, spreken, mensch, koning, zwaard, harnas, helm, schild,
-speer, kamp, schip en God: ziedaar de voornaamste begrippen, welke
-door Kenningar worden uitgedrukt.
-
-Al de Angelsaksische werken zijn rijk aan deze woordfiguur en niet
-het minst de Beowulf die, volgens de door Bode opgemaakte verhouding,
-9.9 Kenningar op 100 regels telt. Uit de lijsten, welke deze schrijver
-heeft samengesteld, zullen wij twee voorbeelden kiezen nl. krijger en
-zee, en tevens de ontbrekende vormen bijvoegen, ten einde den rijkdom
-van de epische taal in den Beowulf te toonen.
-
-Eigenlijke uitdrukkingen voor krijger:
-
-Cempa, wga, retta (kamper); oretmaecg, hilderinc (kampheld); hererinc
-(legerheld); gdhwga (kampstrijder).
-
-Wij voegen erbij:
-
-hledh, beorn, rinc, wer, secg, gewinna (held, strijder); thegn,
-magu-thegn (ridder); sige-beorn (zegeheid); magorinc (manheld);
-hilde-mecg, beado-rinc, gdhrinc, headho-rinc, gdh-beorn (kampheld);
-fyrd-gestealla (tochtgenoot); dryht-gesd, dryht-guma (schaargenoot);
-waepned-man (wapenman).
-
-Kenningar of oneigenlijke uitdrukkingen:
-
-Bode haalt aan: lindhbbend, rondhbbend, bordhbbend (schildhebber);
-searohbbend (harnashebber); helmberend (helmdrager); scildfreca
-(schildwolf); sweordfreca (zwaardwolf); wgfreca, hildfreca (kampwolf);
-hildehlemma (kampwilde); sceotend (schutter); -sceada (-beschadiger).
-
-Hier behooren nog bij:
-
-fdha, fde-cempa (voetkamper); byrn-wiga (harnas-kamper); freca
-(wolf); gdh-freca (strijdwolf); gr-wiga, sc-wiga (speerkamper);
-lind-gestealla (schildgenoot); lind-wiga, rond-wiga, scild-wiga
-(schildkamper).
-
-Eigenlijke uitdrukkingen voor zee: mere, sae, sund, holm, hedu, brim,
-lagu, lagu-strem, egor-strem, g-strem, geofen, wd, fld, waeg.
-
-Buitendien nog: brim-strem, farodh, ford, strem.
-
-Kenningar voor zee.
-
-Bode teekent aan: ffelcynnes eard (gebied der zeegedrochten);
-ganotes bdh (bad der duikereend); hronrd (walvischweg); swanrd
-(zwaneweg); segelrd (zeilstraat); ydha ful (der golven beker);
-seoledha begang (der bochten d. i. stille wateren, bereik); fldes
-wylm (vloedbranding); sealt wter (zout water); seo fealu fld (de
-vale vloed); se ginna grund (de spalkende grond); grsecg.
-
-Deze reeds lange reeks kan nog door de volgende uitdrukkingen
-aangevuld worden: brim-wylm, fld-ydh, holm-wylm, wter-ydh,
-saewylm (zeegegolf); sundgebland, ydhgebland (zeegemengel); brimld,
-lagu-straet, mere-straet (zeeweg); geswing, wlm (branding); waeg-holm
-(golvenzee); dep wter (diep water); wd wter (uitgestrekt water);
-holma gethring (zeegewoel); mere-grund (zeegrond); wteres hrycg
-(waterrug); ydha gewealc (golfgewentel); ydhgewin (golfgeworstel).
-
-De vorm, waaronder de Kenningar gewoonlijk voorkomen, is, als blijkt,
-de samenstelling.
-
-Bij sommige is het rijm onmiskenbaar b. v. hranrd, swanrd.
-
-Welk is de natuur der Kenningar?
-
-Zij beperken het begrip door eene bepaalde zijde van een persoon of
-zaak, ne eigenschap, n deel in het licht te stellen, hetzij door
-middel van ontleding, hetzij van vergelijking.
-
-Zoo wordt de krijger door een deel zijner bewapening voorgesteld
-b. v. schilddrager; ziedaar de ontleding.
-
-Wordt integendeel de aandacht getrokken op zijne strijdbaarheid,
-dan roept die eigenschap de vergelijking te voorschijn met den wolf,
-b. v. kampwolf.
-
-De Kenningar, welke op deze laatste wijze zijn ontstaan, zijn niets
-anders dan een leenspreuk of metaphora; deze woordfiguur speelt dus
-eene groote rol in den Beowulf.
-
-Waaraan is de veelvuldigheid van Kenningar toe te schrijven?
-
-Eene voorname reden is, dat zij, vooral in het tweede halfvers,
-als stopwoorden worden aangewend, om aan de eischen van het stafrijm
-te voldoen.
-
-Een sprekend bewijs hiervan levert ons de onechte plaats v. 184-87:
-
-
- Zij kenden niet den meester,
- Der daden doemer, geenen God, den heerscher;
- Zij konden niet des hemels heul bekennen,
- Den God der glorie.
-
-
-De dichter, wiens taak het was, overgeleverde stof in overgeleverde
-vormen te gieten, zooals Bode zich uitdrukt, vond hier eene gewenschte
-gelegenheid om door het smeden van nieuwe woordverbindingen zijne
-kunst te toonen.
-
-Dat nochtans de zucht om met nieuwe Kenningar te schitteren zoover
-gedreven werd, dat vele Oudgermaansche dichters tot hetzelfde besluit
-zouden zijn gekomen als Ronsard, wanneer hij zegt: Les excellents
-potes nomment peu souvent les choses par leur nom, dat kan ik Bode
-niet toegeven.
-
-Men zou diensvolgens moeten aannemen, dat in die vroegste tijden
-reeds jacht werd gemaakt op gezochte, gekunstelde woordkoppelingen,
-dus ongeveer in den aard van de Prcieuses, over welke Molire zich
-vroolijk maakt.
-
-Dit strijdt met het karakter van het volksepos, dat juist door zijne
-waarheid, door zijne oprechtheid gunstig bij de latere persoonlijke
-pozie afsteekt, welke doorgaans iets meer of minder conventionneels
-of overeengekomens vertoont. Wat zeggen buitendien de feiten?
-
-Indien men in Bode's lijst de Kenningar uit den Beowulf vergelijkt
-met die uit het volgende Angelsaksisch tijdperk, dan komt men tot
-de ervaring, dat daar waar er sprake is van koningsschap, krijgs-
-en zeewezen, slechts weinig nieuwe vormen, ten minste wat den zin
-betreft, zijn bijgekomen.
-
-De voornaamste nieuwe Kenningar zijn die, welke op duivel, hel
-en vooral op God betrekking hebben; doch zij zijn het werk van
-christelijke dichters en hebben niets gemeen met het volksepos.
-
-Indien bijgevolg de latere kunstdichters, die er toch het naaste
-aan toe waren, een beperkt gebruik maakten van de vrijheid om nieuwe
-uitdrukkingen te scheppen, dan zal de onpersoonlijke Beowulf-dichter
-zich nog minder vrijheid veroorloofd hebben.
-
-Daar de meeste Kenningar tot de leenspreuk kunnen herleid worden, zal
-de hoofdreden van hun gebruik wel in de jeugd van het volk te zoeken
-zijn, wiens levendige verbeelding en pas ontwaakte kunst alleen het
-gebruik van de leenspreuk of metaphoor mogelijk maakte.
-
-Kinderen en weinig ontwikkelden bedienen zich bij voorkeur van deze
-beeldspraak.
-
-De Kenningar beantwoorden aan de behoefte om met meer kracht te
-spreken.
-
-De metaphoor of onuitgewerkte vergelijking is daarenboven de grondslag
-van den overdrachtelijken stijl.
-
-Van haar gaat onmiddellijk de verpersoonlijking uit, welke gegrondvest
-is op de zwijgende vergelijking tusschen de onbezielde natuur en een
-levend wezen.
-
-Figuren van hoogere orde zijn de allegorie en de vergelijking.
-
-De allegorie is eene aaneenschakeling van twee of meer leenspreuken
-en veronderstelt bij den dichter eene letterkundige bedrevenheid,
-welke onvereenigbaar is met eene nog jeugdige kunstuiting.
-
-Dit is ook het geval met de vergelijking. Zij vergt van den dichter
-veel kunstbewustzijn, de gave van ontleding en zelfbeheersching, want
-hij verlaat zijn onderwerp, om in een verwijderd, ongelijksoortig
-wezen eene overeenkomstige eigenschap uit te werken.
-
-Onder logisch oogpunt gaat de vergelijking de leenspreuk vooraf,
-maar in de werkelijkheid, in de tijdsorde heeft het omgekeerde plaats.
-
-De eerste de beste zal zeggen: zijne oogen schoten vuur, bij het
-zien van iemand, die woedend is, zonder aan eene woordfiguur en nog
-minder aan eene verborgen vergelijking te denken; dit laatste is het
-werk van het wijsgeerige verstand, dat daarna aan het ontleden gaat.
-
-Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij in den Beowulf methaphoren
-(onder den vorm van Kenningar) en verpersoonlijkingen aantreffen,
-daarentegen hoogst zelden eene allegorie en eene vergelijking. Dit
-verschijnsel hangt samen met den toestand van de Angelsaksische
-dichtkunst, welke zich nog in de wieg bevond en op verre na niet de
-hoogte had bereikt van de Grieksche volkspozie.
-
-Treden wij in eenige bijzonderheden.
-
-De verpersoonlijking is een geliefkoosd beeld bij kinderen en
-ongeletterden.
-
-Heeft een kind zich bezeerd, dan moet het ondeugend mes gestraft
-worden, wil men de waterlanders zien verdwijnen.
-
-Voor den natuurmensch is het heelal bezield; vandaar de
-verpersoonlijking der natuurkrachten, vandaar ook de diersage bij de
-oude Germanen, voor wie er bijna geene grenslijn tusschen mensch en
-dier bestond.
-
-Het is dus natuurlijk, dat het zwaard in een heldengedicht als de
-Beowulf zoo vaak als een bezield wezen wordt voorgesteld.
-
-Het verricht zijn ambt, evenals een tafelknecht; het beslist een
-pleit, het zingt een kamplied op iemands schedel, het bijt
-en groet den vijand, het rukt den gedoode mede, het vermaakt
-zich in het gevecht als bij een spel, en de wonde, die het slaat,
-is de zwaarddronk.
-
-Hetzelfde kan van de overige wapens gezegd worden: de werpspies
-vervolgt in hare vederuitrusting den pijl, evenals een havik de
-weerlooze vogels, en het schild, dat met de lans geslagen wordt,
-antwoordt aan de schacht.
-
-Dit verklaart ook, dat sommige zwaarden van helden als personen gedacht
-worden, die hunnen eigen naam voeren. Unferds zwaard heet Hrunting,
-dat van Hun Lafing en van Beowulf Nageling [24].
-
-De allegorie is schaars vertegenwoordigd en strekt zich bovendien
-bijna nooit over meer dan twee termen uit.
-
-Het schip is het zeeros (saegenga), dat aan het anker rijdt; het
-woord is het staal, dat de borst doorbreekt; het ijs is de waterboei,
-welke God losmaakt; de dood is de slaap van het lichaam, dat op het
-rustbed sluimert.
-
-Deze laatste plaats (Vert. 1020-22) is nochtans onzeker.
-
-Het gedicht biedt slechts n voorbeeld aan van eene breed uitgesponnen
-allegorie, welke de kunstenaarshand verraadt. (Vert. 1776-81).
-
-De bekoring wordt er voorgesteld onder het beeld van eenen
-sluipmoordenaar, die door middel van eenen pijl den slapende onverhoeds
-wondt, niettegenstaande dezes wapenrusting; terwijl de wachter,
-het geweten, is ingesluimerd.
-
-Doch hier bevestigt de uitzondering den regel, want deze plaats is
-buiten allen twijfel aan de inlassching van eenen kloosterling toe
-te schrijven.
-
-Dat somtijds onvereenigbare begrippen tot eene allegorie verbonden
-worden, kan, de onvolkomenheid der dichtkunst in aanmerking genomen,
-geenen aanstoot geven.
-
-Ziehier eenige staaltjes:
-
-seo beado-lema btan nolde: de kampvlam wilde niet bijten. v. 1524.
-
-hine sorh-wylmas lemede t lange: de zorggolven hadden hem te lang
-verlamd. v. 905.
-
-him hilde-grp heortan wylmas, bn-hs gebrc: de kampgreep verbrak
-hem des harten golvingen, het beenderhuis. v. 2508-9.
-
-De vergelijkingen zijn dun gezaaid en worden daarenboven niet
-volgehouden, maar zoo kort mogelijk als in de kiem aangeduid. Men
-oordeele:
-
-Het schuimhalzige schip ging over de golfzee, gelijk aan eenen vogel.
-
-Ieder van de nagels was op staal gelijkend.
-
-Uit Grendels oogen ging een ongure schijn, gelijk aan eene vlam.
-
-Het zwaard bliksemde, evenals de hemelfakkel helder aan de transen
-schijnt.
-
-Het zwaard versmolt geheel en al, gelijk het ijs, wanneer de Alvader
-den band van de vorst losmaakt.
-
-De schoonste vergelijking prijkt in het Finnsburglied:
-
-Het zwaardgebliksem rees, even alsof de heele Finnsburg in
-lichterlaaie stond.
-
-Welk verschil tusschen de zeldzame, stamelende vergelijkingen van den
-Beowulf en de talrijke, breed aangelegde en meesterlijk afgewerkte
-beelden van de kunstgezinde Grieken!
-
-De meerderheid van deze laatsten blijkt ook uit de schilderende
-bijvoeglijke woorden.
-
-Niet dat het gedicht geene echt teekenachtige epitheten of
-bijbenamingen heeft aan te wijzen, maar de groote massa mist
-die aanschouwelijkheid en evenredigheid, welke wij bij Homeros
-bewonderen. En met reden: het zelfstandig naamwoord blijft, zoodat
-de vergezellende bijbenaming eene zekere maat moet houden, waartoe
-zich de wilde verbeelding van het Noorden moeilijk kon plooien. De
-Kenningar daarentegen laten volle vrijheid toe.
-
-Vandaar dat de Beowulf in evenredigheid arm is aan epitheten, maar rijk
-aan Kenningar, terwijl zich het tegenovergestelde bij Homeros voordoet.
-
-Zelfs is het geval niet zeldzaam, dat een Kenning uit den Beowulf in
-de Ilias aan eene bijbenaming beantwoordt, b. v. Pontoporos, het
-zeedoorschrijdend schip, zegt hetzelfde als saegenga, ydhlida:
-zeedoorschrijder, golvenganger.
-
-Voor meer zulke overeenstemmingen raadplege men Bode, die er eenige
-voor schip en wapen opsomt.
-
-De vorm der schilderende bijbenamingen is de samenstelling; zij bieden
-zich alweer hoofdzakelijk aan bij alles wat op oorlog en zeevaart
-betrekking heeft, nochtans niet bij het begrip zee, dat door de
-Kenningar ruimschoots uitgebeeld is.
-
-Het zou ons te ver leiden, moesten wij al de epitheten opsommen; zij
-komen in hoofdzaak in de volgende gevallen voor: Zij betitelen den
-vorst op vereerende wijze, geven den moed te kennen van den krijgsman
-(dit zijn de talrijkste), ofwel de uitputting van den gewonde, zij
-schilderen het oorlogspaard en de wapens, vooral zwaard en harnas.
-
-Kiezen wij de bijbenamingen van zwaard en schip.
-
-Het zwaard is bld fg: bloedgepurperd, swt-fg: zweetgepurperd,
-fyr-heard: vuurgehard, graeg-mael: grauwgeteekend, hring-mael:
-ringversierd, morgen-ceald: morgenkil (na nachtelijke tochten),
-wreodhen-hilt: met gewonden gevest voorzien, wunden-mael:
-met kronkelende teekens voorzien, wyrm-fh: glanzend door
-slangversieringen.
-
-Eenige bijbenamingen van schip hoeven voor die van Homeros niet onder
-te doen:
-
-fmig-heals: schuimhalzig, wunden-heals: kronkelhalzig, sd-fdhme:
-ruimboezemig, nw-tyrwed: nieuw-geteerd, sae-gep: zeeruim (ruim
-genoeg om zee te bouwen).
-
-De levenlooze natuur is zeer karig bedeeld; het veld is maar eens
-betiteld met wlite-beorht: glansstaltig.
-
-Wij hebben nog op twee soorten van staande uitdrukkingen te wijzen,
-welke ook een kenteeken van de dichterlijke taal zijn:
-
-Samenkoppelingen van twee woorden door middel van het voegwoord en,
-om een verband of eene tegenstelling uit te drukken, in den aard van
-onze tegenwoordige Nederlandsche stafrijmen. b. v. leht and lf:
-licht en leven, wordum and weorcum: met woorden en werken, hand and
-rand: hand en schild, lef and ldh: lief en leed, del and unnyt:
-ijdel en onnut, frd and gd: vroed en goed, habban and healdan:
-hebben en houden, singan and secgan: zingen en zeggen, innan and tan:
-binnen en buiten.
-
-Ten slotte merken wij nog het gebruik op van zekere wendingen om een
-persoon sprekend in te leiden, wendingen die schijnen als van Homeros
-afgekeken te zijn. Voorbeelden:
-
-
- Unferdh madhelode Ecglfes bearn:
- Unferd sprak de zoon van Ecglaf.
- Hrdhgr madhelode, helm Scyldinga:
- Hrodgar sprak, de schuts der Schyldings.
- Bewulf madhelode, bearn Ecgthewes:
- Beowulf sprak, de zoon van Ecgthew.
-
-
-Deze epische wendingen vinden hunne verklaring in het overwegend
-belang, dat de jonge volken aan de bloedverwantschap hechten.
-
-Gaan wij nu over tot een tweede bestanddeel van den epischen stijl,
-nl. de woordschikking.
-
-Wij zullen ons bepalen bij de meest in het oog springende kenmerken.
-
-De zinbouw heeft in den Beowulf iets van het werk eens beginnelings,
-iets dat als de tegenvoeter van de klassieke periode kan aanzien
-worden.
-
-De dichter legt, vooral in beschrijvingen, zijne voorliefde voor
-de bijschikking aan den dag, terwijl het voegwoord niet zelden is
-weggelaten:
-
-
- Een van de vijftien zocht hij op het zeehout.
- Een kampheld wees, een waterkundig krijger,
- De landgrens langs. De wachttijd was verstreken.
- De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte.
- De helden stegen uitgedost ten steven.
- De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand.
- Zij droegen op den schoot des schips de schoonste
- Juweelen neer, de weidsche kampgewaden;
- (En) tot de lustvaart boomden (nu) de lieden,
- De kampers, hun gebonden kiel naar buiten (211-20).
-
-
-Er heerscht gebrek aan voegwoorden, vooral bij de overgangen, welke
-gewoonlijk door th (dat buitendien voor verschillende betrekkingen
-dienst moet doen) worden ingeleid en iets eentonigs aan het geheel
-bijzetten.
-
-Treden verschillende helden op, dan blijven wij dikwijls in het
-onzekere omtrent den persoon, op welken b. v. het voornaamwoord
-hij terugziet.
-
-De ingelaschte zin of parenthese verschijnt meer dan lief is en draagt
-voorzeker niet bij tot den ongestoorden gang van het verhaal.
-
-Ontkennende uitdrukkingen verschijnen er bij de vleet, ook zulke,
-welke tot doel hebben om met meer kracht te bevestigen (litotes).
-
-
- Bij lang niet laakten wijze lin die reize. (206).
-
- Niet beter zal 't hem wezen. (2339)
-
- Niet dunkt me dit betaamlijk,
- De schilden weer te brengen naar de woning. (2734)
-
- Minder hevig beet het (zwaard)
- Dan hij behoefte had, de volksbeheerscher. (2656)
-
-
-Het eigenaardigste kenmerk van de Angelsaksische woordschikking, dat
-er de ziel, het wezen van uitmaakt, is het gebruik der parallelvormen
-of bijstellingen.
-
-De dichter duidt met n, soms met meer woorden denzelfden persoon,
-dezelfde eigenschap, dezelfde handeling nog eens aan, en wel door
-middel van eene zinverwante uitdrukking.
-
-In de aangehaalde beschrijving van de aanstalten tot de zeereis vinden
-wij de volgende parallelvormen:
-
-Personen en zaken: kampheld, waterkundig krijger--boot,
-schip--strooming, zee--juweelen, weidsche kampgewaden--lieden, kampers.
-
-Hoedanigheden:
-
-
- Haar was te wachten
- 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie (83).
-
-
-Handelingen:
-
-
- (Gij) die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven,
- Langsheen de waterwegen, die de helmen
- Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen (242-44).
-
-
-Al is de herhaling van meer of minder gelijkbeteekenende woorden
-slechts een eerste stap op het gebied der woordschikking, de dichter
-weet die vormen zoo kunstig aan te wenden, dat zij geenen onwil
-verwekken, maar--dank aan de Kenningar welke, door het stafrijm
-gerugsteund, hier vooral optreden,--aan den stijl eene eigenaardige
-kleur en bekoorlijkheid verleenen.
-
-Na de taal en de woordschikking besproken te hebben, ligt het op
-onzen weg eens na te gaan, hoe de dichter zich, in de bearbeiding
-van de stof, van zijne taak heeft gekweten.
-
-Hiertoe onderscheiden wij verhaal, redevoering en beschrijving, de
-drie hoofdvormen, welke bij elk letterkundig werk, en vooral bij het
-epos, in aanmerking komen. De verhaaltrant heeft iets onbeholpens,
-hij is onsamenhangend en duister.
-
-Verschillende gebreken, waarvan sommige op rekening van het ontstaan
-uit afzonderlijke zangen zijn te stellen, brengen hiertoe het
-hunne bij.
-
-1 De herhalingen, niet alleen van korte plaatsen, maar ook van
-betrekkelijk groote gedeelten.
-
-In de nota's aan den voet der vertaling wordt hierop gewezen,
-b. v. Beowulfs voornemen om van alle wapen af te zien; de strijd met
-Grendel; het gevecht op den bodem van het meer.
-
-Deze twee wapenfeiten worden, na in 't breede beschreven te zijn,
-nog tweemaal opgedischt, eerst aan Hrodgar, daarna aan Hygelac.
-
-2 De onderbrekingen van 't verhaal, hetzij door christelijke, vaak
-onnoozele overwegingen; hetzij door herinneringen aan oorlogen en
-oude sagen; hetzij door toespelingen op de te volgen ontknooping.
-
-3 Gebrekkige overgangen, zoodat de dichter soms met de deur in het
-huis valt, b. v. Grendels en Beowulfs optreden, de sage van Sigmund
-en Heremod, en vooral die van Thrydo.
-
-4 Tegenspraak.
-
-Voor dit punt alsmede het volgende zie men de nota's, waar al de
-gevallen vermeld worden.
-
-5 Toespelingen op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld
-worden.
-
-6 De ontknooping is, in vergelijking met wat voorafgaat, gewoonlijk
-te kort. Men zou zeggen, dat de dichter zich niet de moeite wil
-getroosten van er langer bij te verwijlen.
-
-
-Sceaf-episode:
-
- Niet kunnen menschen zeggen,
- Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden
- Benen de wolken, wie ontving de lading. (51-53)
-
-
-Brecca-episode:
-
- Zij lagen boven
- Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,
- Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen,
- Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden
- Beletten langs de barning van de baren. (575-79)
-
-
-Sigmund-episode:
-
- Nochtans het lukte
- Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,
- Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand. (903-5)
-
-
-Finn-episode:
-
- Bloedig was de halle
- Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,
- Verslagen in het midden zijner manschap,
- En heengevoerd de koninginne Hildburg. (1167-70)
-
-
-Headobarden-episode:
-
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
- En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft
- Door 't zorggezwalp. (2118-21)
-
-
-Heardred-episode:
-
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
- En zocht het licht van God. (2538-40)
-
-
-Zweden-episode:
-
- Sinds wreekte die zijn koud en zorgvol dolen
- En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer. (2464-65)
-
-
-Gaan wij over tot de redevoeringen. Hieraan is geen gebrek,
-eenige zelfs zijn van langen adem. Het zal wel niet noodig zijn de
-verschillende omstandigheden na te gaan, waarin hun eene plaats
-wordt ingeruimd, immers de lezing van het gedicht geeft daarover
-eene uitkomst.
-
-In een mannelijk epos als de Beowulf is hunne rol bij de gevechten
-van zelf aangewezen, en wel vr, gedurende en na den strijd.
-
-Eene afzonderlijke vermelding verdient de uitdagingsrede vr den
-strijd, waarin de held zich groote daden voorneemt; zij draagt den
-naam van gilp-cwide: trotsrede. Uitdagende woorden moeten bij het
-volk gebruikelijk zijn geweest, alvorens den strijd aan te binden;
-want anders zou Beowulf vr den drakekamp niet gezegd hebben, dat
-hij van alle tartende taal afziet.
-
-Daarom wordt de held, die aan vele gevechten deelgenomen heeft,
-geheeten gilp-hlden, d. i. met trotstoespraken beladen.
-
-Wijzen wij op eenige voorbeelden.
-
-Beowulf zegt tot Hrodgar, op Grendel doelende:
-
-
- Doch 'k zal hem vatten,
- Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten,
- Man tegen man. (440-42)
-
-
-Bij 't slapen gaan onmiddellijk voor Grendels aankomst spreekt hij
-zijne mannen toe:
-
-
- Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder
- Voor 't wapenwerk, dan Grendel waant te wezen. (690-91)
-
-
-Alvorens in 't meer te springen neemt hij afscheid en besluit met de
-stoute taal:
-
-
- 'k Verwerf met Hrunting
- Mij roem, of anders rukt de dood mij mede. (1518-19)
-
-
-Hiertoe behooren ook de bedreigingen, welke Ongentheow de in 't
-Ravenbosch gevluchte Gooten toestuurt:
-
-
- Hij sprak het uit, hij wilde
- Hen met den morgen door het lemmer dooden,
- Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. (3042-44)
-
-
-Opmerkelijk is het, dat de helden vr het gevecht elkander niet de
-bekende en zoo natuurlijke Homerische scheldwoorden naar het hoofd
-werpen. Hunne noordsche, in zich zelf gekeerde natuur was daartoe
-te ernstig. Al zet Beowulf dan ook aan zijnen vuistgreep geen klem
-bij door eenige krachtige uitdrukkingen, zijn vastberaden besluit
-staat daarom niet minder pal, en de dichter verzuimt niet ons op dat
-hardnekkig voornemen te wijzen.
-
-Somtijds dient de redevoering om herinneringen van korter of langer
-dagteekening op te halen: Hrodgar herinnert aan Ecgthews veete met
-de Wylfingen, Beowulf aan de Headobarden en aan Hredel.
-
-Rechtmatige trots op de daden der voorvaderen, welke bij Homeros'
-helden zoozeer uitblinkt, spreekt zich ook uit in den Beowulf,
-ofschoon minder sterk.
-
-Men denke aan het antwoord, dat Beowulf aan den kustwachter geeft,
-en aan zijne eerste aanspraak tot Hrodgar.
-
-Een spottende toon ligt in Beowulfs antwoord aan Unferd, doch vooral
-in de gilp-cwide van Sigeferd uit het Finnsburgfragment.
-
-De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van den
-eenzamen schatbezitter, in de Hredel-episode en in Beowulfs laatste
-woorden tot Wiglaf.
-
-Slaan wij nu eenen blik op de beschrijvingen.
-
-In dit opzicht staat ons epos beneden de Ilias.
-
-Ten Brink zegt ongeveer als volgt: Terwijl Homeros de beelden van
-de buitenwereld in handeling tracht om te zetten, ons de voorwerpen
-aanschouwelijker maakt door te zeggen, hoe zij ontstaan zijn, zoekt
-het Oudengelsch epos eerder de handeling in een aantal beelden op
-te lossen.
-
-En verder: Bij Homeros zijn de verschillende tijdsgewrichten vast
-verbonden, geen wezenlijk lid ontbreekt, de keten is gesloten,
-de voortduring der handeling is gewaarborgd; terwijl alleen de
-hoofdpunten in den Beowulf worden uitgezocht en zelfstandig, elk voor
-zich, geschetst.
-
-Tot staving hiervan wijst ten Brink op de beschrijving van den
-overtocht naar Hrodgar (215-31). Inscheping, vertrek, reis, land in
-'t zicht, uitscheping: ziedaar de vijf hoofdpunten, welke afzonderlijk
-behandeld worden, terwijl bijzaken, bijzonderheden en overgangen niet
-in aanmerking komen.
-
-Indien men nagaat, welke onderwerpen aanleiding plegen te geven
-tot beschrijvingen, dan komen wij alweer tot het besluit, dat de
-Angelsaksen een bij uitstek krijgshaftig en zeevarend volk geweest
-zijn. Het is hiermee gelegen als met de Kenningar en schilderende
-bijbenamingen, welke om zoo te zeggen het stilzwijgen bewaren
-over het land en zijne bekoorlijkheden. De rozevingerige Aurora der
-Grieken maakt geenen indruk op het gemoed des noordschen dichters. De
-zonsopgang wordt slechts in korte trekken geteekend:
-
-
- Van 't Oosten zeeg het licht, de zegestanderd,
- De glanzende van God. (580-81)
- Totdat de donkre raaf, verheugd van harte,
- Des hemels weelde weder kwam verkonden. (1840-41)
-
-
-Buiten de beschrijving van het Grendelmeer met omgeving, welke ons
-voor het ontbreken van verdere tafereelen schadeloos stelt, wordt de
-levenlooze natuur niet herdacht. Eene enkele natuurbeschrijving is
-aan te stippen, doch zij is het werk van den inlasscher.
-
-De zanger verhaalt in Heorot:
-
-
- dat de Almachte
- Deze aarde had gevormd met hare velden,
- Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;
- Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig
- Tot licht gesteld had voor de landbewoners,
- Getooid met twijg en blad der velden boezem. (93-98)
-
-
-Eene ruimer plaats valt aan de zee te beurt.
-
-Wij zagen reeds Beowulfs overtocht naar Hrodgar; voegen wij
-er zijne terugreis bij en vooral het grootsche tooneel van den
-nachtelijken zwemtocht te midden der ontketende stormen en dreigende
-zeemonsters. Hier heeft alles reusachtige afmetingen. Het is de pozie
-eens titans, de zee waardig.
-
-Het leeuwenaandeel is nochtans voor de slagbeschrijvingen weggelegd
-en alles wat ermede gepaard gaat, als de onmetelijke schatten,
-de drijfveer tot den oorlog, waarvan het noordsche brein droomde,
-(men vergelijke den drakeschat 2842 vlg.), de kostbare wapens, bij
-welker opsomming de dichter gaarne verwijlt, de lijkverbranding na
-den val der helden in de Finn-episode en bij Beowulfs begrafenis,
-de luidruchtige feestgelagen, hetzij om te verbroederen, hetzij om
-de overwinning te vieren.
-
-Men verwachte zich niet op beschrijvingen als bij Homeros, die de hooge
-feiten van elken kamper een voor een nagaat, zoodat het handgemengel
-in eene rij van afzonderlijke gevechten vervalt, waarvan elk op zijne
-beurt samenwerkt tot den kunstvollen eindindruk van het geheel; neen,
-onze dichter stapt over alle bijzonderheden heen en spoedt zich naar
-het feit, welks uitteekening hij zich ten doel heeft gesteld.
-
-Dit zien wij in de Zweden-episode, waar de gebeurtenissen in beknopten
-vorm worden opgesomd, elkander in onafgebroken gang en met versnelde
-vaart verdringen, om eindelijk stil te staan bij den kamp van den
-slagvaardigen Ongentheow met de gebroeders Wulf en Eofor, hetgeen
-enkel en alleen hoofdzaak is voor den dichter:
-
-
- Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar
- Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,
- Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten.
- Nu stapte heen de stoute met de makkers,
- De ontroostbre grijs, om op de burcht te trekken,
- Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.
-
-
-Dan onderbreekt de dichter de feiten om, gelijk zijn gewoonte is, op
-de gemoedsstemming van den hoofdpersoon het licht te doen vallen. Hij
-gaat daarna voort:
-
-
- En dicht bij zijnen aardwal dook weer de oude.
- Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden,
- En Hygelac ter hand gesteld hun standaard.
- Zij stapten over hun versterkte stelling.
- Nu drongen Hredels drommen naar de schildspits. (3049-65)
-
-
-Nochtans is de indruk van meer dan eene slag-beschrijving aangrijpend,
-overweldigend in hare korte gespierdheid. Beowulf heeft dikwijls
-getrotst
-
-
- den ijzerhagel,
- Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen
- Heenbruiste boven eene schans van schilden
- En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,
- De schacht zijn diensten deed, den pijl vervolgde. (3229-33)
-
-
-Onder de strijdtafereelen spant de kamp op den bodem van het nikkermeer
-en de aanval op de Finnsburg ontegenzeggelijk de kroon.
-
-De dichter veroorlooft ons tevens eenen dieperen blik te slaan in
-het gemoed der strijdende partijen, dank aan trekken, welke, hoe
-kort dan ook, getuigenis afleggen van een loffelijk streven naar
-zielkundige ontleding.
-
-Nauwelijks is Grendel de troonzaal binnengetreden, of het gezicht
-van de slapende mannen prikkelt zijne vraatzucht en vervult hem
-met vreugde:
-
-
- Toen lachte daar zijn harte. (746)
-
-
-Beowulf is droef te moede, als hij Grendel eenen zijner mannen ziet
-verscheuren:
-
-
- Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac. (752)
-
-
-Grendel stuit op onvoorzienen tegenstand en het hart zakt hem in
-de schoenen:
-
-
- 't Werd hem bang in 't binnenst. (767)
-
-
-De hooggestemde Beowulf put nieuwe kracht bij het terugdenken aan
-zijne uitdagingswoorden:
-
-
- De wakkre neef van Hygelac geheugde
- Zich toen de toespraak van den eigen avond. (774-75)
-
-
-Tweemaal wordt gewezen op de gemoedsstemming van de zich buiten
-bevindende Denen:
-
-
- Den Denen al gewerd, den burgbewoners,
- Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting. (785-86)
-
- En gruwbre ontzetting greep te gaar de Denen. (802)
-
-
-Beowulf legt de hem aangeboren grootmoedigheid door de volgende
-redeneering het zwijgen op:
-
-
- Hem docht zijn (Grendels) levensdag aan niemand nuttig. (810)
-
-
-De verbittering der beide tegenstanders wordt in nen regel
-veraanschouwelijkt:
-
-
- Zoolang de een leefde was 't den andre leedvol. (828)
-
-
-In de slagbeschrijvingen wordt op twee bijzonderheden veel nadruk
-gelegd, op de vermelding der wapenen: harnas, helm, schild en zwaard,
-en op de lijkschoffeerende roofdieren.
-
-Wij zagen reeds bij de behandeling van de dichterlijke taal, dat
-het zwaard met voorliefde wordt betiteld en zelfs als een levend
-wezen gedacht.
-
-In het gansche leven en streven treedt het op den voorgrond.
-
-Het is het meest gewaardeerde erfstuk; manschap wordt bewezen door
-de zinnebeeldige ontvangst van het wapen des vorsten (Hengest); de
-krijger ontvangt het ten geschenke tot loon voor zijne dapperheid
-of andere diensten, en hij verwerft daardoor de bijzondere achting
-zijner makkers (de scheepswachter); wordt het uitgeleend, dan is dit
-een bewijs van vriendschap en hoogachting (Unferd); de held schat
-het zelfs zoo hoog, dat hij zich weigerachtig maakt om het aan zijnen
-zoon te schenken (Heorogar), en dan alleen daartoe overgaat, wanneer
-de jongeling in staat is het waardig te voeren (Wigstan). Het is een
-trouwe krijgsvriend, dien men nooit verlaat, zelfs niet gedurende
-de nachtrust, en die op zijne beurt den bezitter nooit in den steek
-laat. Is het zwaard deugdelijk, dan is het wijd en zijd bekend en
-luistert het den volksstam op (Friezen).
-
-Het is een kunstwerk, soms het gewrocht van Weland, den besten
-wapensmid; het is zelfs met hoogere kracht bedeeld (reuzenzwaard)
-en prijkt met opschrift en voorstellingen van gebeurtenissen, zoodat
-wij hier den vinger kunnen leggen op eene verre overeenstemming met
-het wonderschild van Achilleus.
-
-Niet minder kenteekenend voor de noordsche slagbeschrijvingen is het
-optreden van raaf, arend en wolf.
-
-Het zijn geene redelooze dieren meer, maar zelfbewuste wezens, die
-zich verheugen over den rijken oogst der dooden en elkander op het
-slagveld hunne indrukken mededeelen.
-
-Welk ijzingwekkend tooneel als dat in het Finnsburgfragment!
-
-
- Nu zwierf de rave zwierend om de lijken,
- Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig. (36-37)
-
-
-En welke tegenstelling tusschen het aanvalligste beeld en het
-Tantalstooneel met al zijne verschrikkingen op het nachtelijke
-slagveld:
-
-
- Geenszins zal het harpgefluister
- De dappren wekken; maar de donkre rave
- Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,
- Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,
- Toen zij de riffen met den wolf beroofde. (3131-35)
-
-
-Al zijn de slagbeschrijvingen onder de best geslaagde tooneelen
-van ons epos te rekenen, toch valt het niet te verhelen, dat deze
-lichtende plaatsen hunne schaduwzijde hebben.
-
-Wij bedoelen de hebbelijkheid des dichters van telkens het verhaal
-af te breken door het invlechten van overwegingen, welke niet alleen
-den gang stremmen, de opmerkzaamheid afleiden, maar ook wegens hun
-gering gehalte doorgaans veilig kunnen gemist worden.
-
-Komen wij nog eens terug op het gevecht met Grendel.
-
-Grendel is Heorot binnengedrongen, een tweeslachtig licht schemert
-in zijne oogen, moordlust en vreugde.
-
-Onze verwachting is gespannen, wij zijn benieuwd om te weten, wat er
-gaat gebeuren.
-
-Daar drukt de dichter het hoofd in aan onze belangstelling met eene
-bemerking, ontnuchterend als een koud bad:
-
-
- Nochtans gehengde hem het lot niet langer,
- Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen. (750-51)
-
-
-Een tweede waterstraal wordt ons toegediend, als Beowulf Grendel
-heeft vastgeklampt en deze te vergeefs het hazepad tracht te kiezen:
-
-
- Niet boden zich alhier de bezigheden,
- Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. (772-73)
-
-
-en wat verder:
-
-
- De tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot
- De weebewerker. (783)
-
-
-Heeft het gevecht het hoogste punt bereikt, nu Grendel zich met de
-kracht der wanhoop verdedigt, zoodat de zaal dreigt in te storten
-onder het geweld der reusachtige kampvechters, dan wordt alweer de
-domper op onze blakende geestdrift gezet:
-
-
- Hierop hadden
- De raden eer der Schyldings niet gerekend,
- Dat ooit der mannen een door krachtvermogen
- De weidsche, met gewei getooide woning
- Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;
- Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen
- In rook. (795-801)
-
-
-Ten slotte wordt ons alweer oudbakken nieuws opgedischt bij het
-vruchteloos bijspringen van Beowulfs tochtgenooten:
-
-
- Toch zou armzalig wezen
- Het einde zijns bestaans op deze stonde,
- In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. (820-22)
-
-
-Hetzelfde laat zich aantoonen bij alle eenigszins uitgebreide
-beschrijvingen; overal schemert de subjectiviteit van den dichter door.
-
-Kamp met Grendels moeder: 1554-57, 1564-66, 1567, 1581-87, 1608-16.
-
-Kamp met den draak: 2650-52, 2656-58, 2661-69 enz. enz.
-
-Zoo spreiden zich deze overwegingen als een roode draad door het heele
-gedicht ten toon; overal verraadt zich de zucht van den dichter om
-zich ook eens te laten gelden, in plaats van zich uitsluitend bij
-zijn onderwerp te houden.
-
-Dit gebrek aan objectiviteit is stuitend, doch vindt zijne
-verklaring en tevens zijne verontschuldiging in den aard zelf van
-het volksepos. De nadichter of, beter gezegd, de inlasscher was
-gebonden door de overgeleverde epische stof, ja door den vorm, en
-kon slechts op deze wijze, door middel van persoonlijke overwegingen,
-zijne dichtjeukte tot bedaren brengen.
-
-Wijzen wij ten slotte nog op het geliefkoosd gebruik der
-tegenstellingen, waardoor de personen des te scherper te voorschijn
-treden: op den stokouden koning en den krachtvollen man (Hrodgar en
-Beowulf); op den jeugdigen Ingeld en zijnen grijzen raadgever; op
-den vergrijsden held en zijnen pas volwassen krijgsmakker (Beowulf
-en Wiglaf); op den voorbeeldigen vorst en den dwingeland (Beowulf en
-Heremod); op zelfverloochenende trouw en laffe zelfzucht (Wiglaf en
-zijne makkers), en eindelijk op de zachte, minnende echtgenoote Hygd
-en de wildfiere Thrydo.
-
-
-
-
-INNERLIJKE GESCHIEDENIS.
-
-Wij hebben er reeds op gewezen dat ons epos op geene kunsteenheid
-kan bogen.
-
-Inderdaad er worden twee afzonderlijke onderwerpen in behandeld,
-de kamp met de watermonsters en die met den vuurdraak; deze wordt
-geleverd in Jutland, gene op Seeland; deze door den honderdjarigen
-koning, gene toen de held nog niet den troon beklommen had en zich
-in de volheid zijner krachten mocht verheugen.
-
-Verschillende pogingen zijn in het werk gesteld, om de oorspronkelijke
-kern van het epos van de latere bijbewerkingen af te zonderen.
-
-Degene die hiermede een begin heeft gemaakt, is Ettmller.
-
-Zijne pogingen hadden vooral de terzijdestelling van de Christelijke
-toevoegsels ten doel, welke bovendien gemakkelijk te herkennen zijn.
-
-Daarenboven scheidt hij van het onderwerp de episoden of bijverhalen
-af, welke negen in getal zijn, te weten: Brecca, Sigmund-Heremod,
-Finn, Thrydo, Headobarden, de eenzame schatbezitter, de oorlogen met
-Franken en Zweden, en Ongentheows dood.
-
-Mllenhoff werkte op deze gegevens voort.
-
-Hij drong dieper door in de schifting van de interpolaties en bouwde
-op dezen grondslag een heel stelsel omtrent de oorspronkelijke en
-later toegevoegde onderdeden van het epos.
-
-Hij onderscheidt vijf afzonderlijke deelen:
-
-1 Inleiding 1-193.
-
-2 Beowulfs gevecht met Grendel 194-836.
-
-3 Gevecht met Grendels moeder 837-1628.
-
-4 Beowulfs terugkeer 1629-2199.
-
-5 Kamp met den draak en Beowulfs dood 2200-3183.
-
-Het gevecht met Grendel en dat met den draak, ziedaar de twee
-oorspronkelijke bestanddeelen, welke nochtans niet het werk zijn van
-denzelfden dichter.
-
-Het eerste oude lied kreeg, waarschijnlijk van twee verschillende
-voortzetters, eene dubbele uitbreiding: eerst het gevecht met Grendels
-moeder, daarna de Inleiding.
-
-Een derde voortzetter A voegde Beowulfs terugkeer er aan toe en vulde,
-om zijn aanhangsel met het geheel in overeenstemming te brengen,
-het eerste en vooral het tweede oude lied op verscheiden plaatsen aan.
-
-Een vierde voortzetter B, of in de rij der Beowulfdichters no 6,
-verbond eindelijk den drakekamp met het door A tot 2199 voortgezette
-werk en verwaterde het gansche epos door allerlei lapwerk van
-zedekundigen en godgeleerden aard.
-
-Deze B is de eigenlijke interpolator.
-
-Men mag er Mllenhoff een verwijt van maken, dat hij in het brandmerken
-van de, volgens hem, van elders aangewaaide plaatsen al te voortvarend
-is te werk gegaan. Vandaar dat hij, na aftrek van de onechte verzen,
-het epos bijna tot op de helft besnoeit.
-
-Immers in elk der vijf deelen vinden de volgende regels slechts genade:
-
-1 126 regels; 2 490; 3 333; 4 399; 5 440; te zamen 1788 echte
-verzen op de 3183.
-
-Hermann Mller tracht de oorspronkelijke bestanddeelen in vierregelige
-strophen te rangschikken.
-
-Ofschoon deze meening geen opgang maakt, nemen ten Brink en Heinzel
-toch aan, dat eene zekere neiging tot vierregelige strophen in den
-verhaaltrant niet te miskennen is.
-
-Eene laatste poging is die van ten Brink.
-
-Het zou ons te ver leiden, moesten wij zijn betoog, waarmede wel een
-twintigtal bladzijden gemoeid zouden zijn, tot in de bijzonderheden
-napluizen.
-
-Trachten wij daarom het grondbeginsel, waarvan hij uitgaat, duidelijk
-te maken.
-
-Het gebrek van Mllenhoff's theorie is, dat zij aan den inlasscher
-eene overwegende rol toekent.
-
-Daardoor heeft hij de natuur van het volksepos uit het oog verloren,
-waarvan de afwijkingen niet uitsluitend het werk zijn van den
-interpolator, zooals dit het geval is bij de kunstpozie.
-
-Drie invloeden zijn, volgens ten Brink, werkzaam geweest bij het
-opstellen van den Beowulf: de mondelingsche afwijkingen, de diaskeuast
-of rangschikker, en de interpolator.
-
-Het voortbestaan der heldensage door de voordracht riep
-natuurlijkerwijze verschillende varianten in het leven, welke
-mettertijd eene gansch verschillende gedaante konden aannemen. Het was
-de taak van den rangschikker, eenheid te brengen in die uiteenloopende
-behandelingen. Veronderstellen wij, dat hij twee bewerkingen van
-dezelfde stof voor zich had; wat was natuurlijker dan de bewerking,
-die hem het geschiktste voorkwam, ten grondslag te leggen en daarnevens
-de andere bij gelegenheid te benuttigen!
-
-Hij zelf voegde niets van het zijne toe.
-
-Daarna toog de inlasscher aan den arbeid, die in den tot stand gekomen
-tekst zijne godgeleerde en zedekundige aanmerkingen binnensmokkelde.
-
-Steunend op dit beginsel, trekt ten Brink op de volgende wijze de
-grenzen tusschen de vijf van Mllenhoff overgenomen deelen:
-
-1 Inleiding 1-193.
-
-2 Kamp met Grendel 194-836.
-
-3 Kamp met Grendels moeder 837-1904 of 1913.
-
-4 Beowulfs terugkeer 1905 of 1914-2199.
-
-5 Kamp met den draak 2200-3183.
-
-De grenzen tusschen 3e en 4e bakent hij anders af dan Mllenhoff.
-
-Dit stelsel heeft dit nog voor op het vorige, dat niet de helft van
-het gedicht als onecht over boord wordt geworpen.
-
-Welke zijn de verschillende lezingen of varianten, die de rangschikker
-in elk der vijf deelen benuttigd heeft?
-
-1 De Inleiding is naar twee lezingen samengesteld: A, welke tot
-richtsnoer is genomen, en B, welke slechts ter loops is aangewend.
-
-2 Als onder 1, de grondvorm A en de bijvorm B.
-
-3 Grondvorm C, bijvorm D.
-
-4 Ene lezing E; dit is het jongste deel.
-
-5 Grondvorm F, bijvorm G.
-
-B, D en E zijn gekenmerkt door de opmerkzaamheid, welke zij aan de
-Deensche toestanden wijden.
-
-Ten Brink plaatst de 1ste Beowulf bewerking (A C F) in 't jaar 690;
-de 2de (B D E G) tegen 710; terwijl van de volledige afwerking,
-waardoor A C F door B D E G gewijzigd werd, zich alleen laat zeggen,
-dat zij vermoedelijk nog de 8ste eeuw toebehoort.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-I.
-
-Inleiding. Geslachtslijst der Deensche koningen: Scyld, zoon van Sceaf,
-landt als kind over zee aan; hij breidt later zijne macht uit. Hem
-wordt een zoon, Beowulf de Deen, geboren. Scyld sterft en zijn lijk
-wordt te midden van wapenen en schatten op een schip gelegd en aan
-de zee prijsgegeven.
-
-
-II.
-
-Vervolg der geslachtslijst: Beowulf, zoon van Scyld.--Healfdeen.--
-Heorogar, Hrodgar, Halga en Elan.--Na Heorogars dood beklimt Hrodgar
-den troon.
-
-Begin van 't verhaal: Hrodgar laat Heorot bouwen. Gezellige vreugde
-aldaar, scheppingslied. Grendels wrevel. Oorsprong der monsters.
-
-
-III.
-
-Grendel verslindt 's nachts dertig Denen in Heorot. Opschudding des
-morgens. Den volgenden nacht herhaling. Heorot blijft ledig. Grendel
-woedt twaalf jaren lang. Zijn onverzoenbare wrok. De Denen nemen te
-vergeefs hunne toevlucht tot de goden. Het waren heidenen. Zedeles.
-
-
-IV.
-
-Hrodgars radeloosheid. Beowulf, de Goot, verneemt in Jutland het
-gebeurde. Zijn voornemen om Grendel te bevechten gaat door. Hij scheept
-zich in met veertien makkers. Overtocht. Aankomst in Seeland na 24
-uren reizens. Ontscheping. De Deensche kustwachter ondervraagt hem.
-
-
-V.
-
-Beowulf legt zijne afkomst en het doel zijner reis bloot. Gunstig
-antwoord van den kustwachter. Hij doet hun een eind weegs uitgeleide
-en neemt dan afscheid, om op zijnen post terug te keeren.
-
-
-VI.
-
-De Gooten bereiken Heorot en zetten zich buiten neer. Wulfgar vraagt
-wie ze zijn. Beowulfs antwoord. Wulfgar belast zich met hen aan te
-dienen. Hij gaat naar binnen en maakt hun verlangen aan Hrodgar bekend.
-
-
-VII.
-
-Hrodgars antwoord aan Wulfgar: Ik heb Beowulf als knaap gekend;
-zeelieden vertelden, dat hij de kracht van dertig man bezit; ik
-hoop dat hij ons komt helpen; verzoek hem binnen te komen.--Wulfgar
-kwijt zich van zijne opdracht. De lansen en schilden worden aan de
-hoede van eenige krijgers toevertrouwd. Zij treden binnen. Beowulfs
-aanspraak: Hij doet zich kennen; hij heeft Grendels wanbedrijven
-vernomen en komt, op aanraden zijner vrienden, om hem te bekampen;
-zijne vroegere wapenfeiten stellen hem omtrent den uitslag gerust;
-hij verzoekt om alleen met zijne makkers het waagstuk te ondernemen;
-wapenen zal hij niet gebruiken; delft hij het onderspit, zoo wordt hij
-verslonden en hoeft men niet te zorgen voor brandstapel en begrafenis;
-Hrodgar moet alsdan zijne wapenrusting naar Hygelac zenden.
-
-
-VIII.
-
-Hrodgars antwoord: Hij laat recht wedervaren aan Beowulfs
-grootmoedigheid en herinnert hem, hoe hij zelf in 't begin zijner
-regeering Beowulfs vader eenen dienst heeft bewezen bij gelegenheid van
-dezes veete met de Wylfingen; hij komt terug op zijnen twaalfjarigen
-rampspoed: Grendel heeft zijne beste krijgers gedood.--Gastmaal.
-
-
-IX.
-
-Hunferds ijverzuchtige toespraak: Gij, Beowulf, werdt door Brecca
-in den zwemwedstrijd overwonnen; bijgevolg zult ge insgelijks in
-deze onderneming niet slagen.--Beowulf antwoordt: Deze wedstrijd
-dagteekent uit onze jeugd; wij zwommen gedurende vijf dagen, zonder
-dat ik Brecca wilde verlaten, tot de storm ons des nachts scheidde.
-
-
-X.
-
-Ik doodde verscheiden zeemonsters en bereikte eindelijk
-Finmarken. Brecca heeft nooit iets dergelijks uitgevoerd. Doch gij
-hebt uwen broeder gedood. Waart gij zoo dapper, als gij voorgeeft,
-Grendel zou nooit dit onheil gesticht hebben; maar ik zal er met
-mijne Gooten een einde aan stellen.--De koningin reikt eenen beker
-aan de helden rond. Beowulfs fiere taal: hij zal overwinnen of
-sterven. Voortzetting van het drinkgelag. De avond valt en Hrodgar
-gaat slapen, na Heorot aan Beowulfs hoede toevertrouwd te hebben.
-
-
-XI.
-
-Beowulf legt zijne wapenrusting af. Hij herhaalt, dat hij van het
-gebruik der wapens afziet, en vlijt zich neder naast zijne makkers.
-
-Allen slapen weldra in, uitgenomen hij.
-
-
-XII.
-
-Grendel nadert de zaal, stoot de deur open en verslindt een der
-Gooten, Hondscio. Daarna grijpt hij Beowulf vast, doch ontmoet eenen
-onverwachten tegenstand. Beschrijving van de worsteling. De reus
-tracht vruchteloos te ontvluchten. De zaal lijdt last. Schrik der
-Denen. Grendels gejammer.
-
-
-XIII.
-
-Voortzetting der beschrijving: De makkers springen bij, doch hunne
-zwaarden hebben geen vat op Grendel. Hij vlucht, doch laat arm en
-schouder in Beowulfs handen achter. Overweging des dichters. Beowulf
-plaatst den arm als zegeteeken voor den ingang.
-
-
-XIV.
-
-Den volgenden morgen gaat men van heinde en verre Grendels bloedspoor
-zien, dat naar het nikkermeer voert. Op den terugweg wordt Beowulf
-in verzen geprezen, er wordt geharddraafd en daarna verhaalt men
-de sage van Sigmund en Heremod. De morgen is reeds gevorderd, als
-zij in Heorot terugkomen. Hrodgar verlaat met zijne echtgenoote het
-slaapvertrek en begeeft zich naar de troonzaal, om het tooneel der
-worsteling in oogenschouw te nemen.
-
-
-XV.
-
-Hrodgars toespraak: Eerst dankt hij God, daarna zijnen redder; hij zal
-hem als een zoon beschouwen en rijk beloonen.--Beowulf geeft verslag
-van de worsteling. Hunferds beschaming. De ridders bewonderen den
-reusachtigen klauw van Grendel.
-
-
-XVI.
-
-Heorot wordt gesmukt. Het gebouw was erg gehavend. Hrodgar begeeft
-er zich heen tot het feestmaal. Hij geeft aan Beowulf geschenken:
-standaard, helm, harnas, paarden.
-
-
-XVII.
-
-Vervolg van 't feestmaal: De andere helden worden ook niet
-vergeten door den milden vorst; voor Hondscio wordt weergeld
-betaald. Finn-episode.
-
-
-XVIII.
-
-Voortzetting van de Finn-episode.--Het drinkgelag duurt
-voort. Wealchtheow, de koningin, zet haren gemaal aan tot
-vrijgevigheid. Zij hoopt dat Hrodulf, Hrodgars mederegent, zich
-na dezes dood dankbaar zal toonen en hare zonen vriendschappelijk
-bejegenen.
-
-
-XIX.
-
-Vervolg van 't feestmaal: Beowulf wordt uitgenoodigd om te
-drinken; nieuwe geschenken, hem door de vorstin overhandigd:
-ringen, armtooisels, rusting, prachtig halsjuweel. Sage van Hama
-en den Brosinghalsband.--Latere lotgevallen van het aan den held
-geschonken halsjuweel: het geraakte door het sneven van Hygelac
-in het bezit der Franken.--De koningin houdt eene toespraak bij
-het aanbieden der geschenken en hoopt, dat Beowulf goed zal wezen
-voor hare zonen. Hrodgar gaat slapen, terwijl vele Denen Heorot tot
-nachtverblijf kiezen.
-
-
-XX.
-
-Grendels moeder begeeft zich naar Heorot om haren zoon te wreken. De
-Denen stellen zich te weer. Zij vlucht, doch ontvoert een ridder,
-Aschere, alsmede den arm van haren zoon.
-
-Vr dag en dauw laat Hrodgar Beowulf ontbieden.
-
-
-XXI.
-
-Hrodgars klacht over het verlies van zijnen besten raadsheer; hij
-beschrijft het Grendelmeer en hoopt, dat Beowulf er zich zal inbegeven.
-
-
-XXII.
-
-Beowulf belooft het. Beiden begeven zich met hun gevolg op weg. Aan
-den oever vinden zij het hoofd van Aschere. Een watermonster wordt
-gedood en op het droge getrokken. Beowulf rust zich uit. Hunferd
-leent hem het voortreffelijke zwaard Hrunting.
-
-
-XXIII.
-
-Beowulf richt het verzoek tot Hrodgar om zijne makkers tot vader te
-verstrekken, zoo hij niet meer terugkomt, en zijne ontvangen geschenken
-aan Hygelac te zenden. Hij bedankt Hunferd voor het leenen van zijn
-zwaard en springt in het meer. Grendels moeder sleurt hem mede naar
-hare onderzeesche woning. Hrunting wil niet vatten. Worsteling. De
-held wordt omvergeworpen en is op het punt van gedood te worden.
-
-
-XXIV.
-
-Door eene bijzondere bestiering Gods valt zijn oog op een oud
-reuzenzwaard aan den wand. Hiermede doodt hij den vijand en houwt hij
-tevens het hoofd af van Grendels lijk. Het water wordt bloedig. De
-krijgers meenen dat Beowulf gedood is. Hrodgar vertrekt met de
-zijnen. De Gooten blijven wachten. Het reuzenzwaard smelt tot op
-het gevest, ten gevolge van het bloed des monsters. Beowulf komt te
-voorschijn met het gevest en Grendels hoofd. Terugkeer naar Heorot. Het
-zegeteeken wordt door vier mannen gedragen.
-
-
-XXV.
-
-Beowulf verhaalt zijn wedervaren in de diepte en schenkt het
-zwaardgevest aan den koning. Hrodgars dankrede: hij vergelijkt
-Beowulfs gedrag en dat van Heremod; het gevaar der grootheid, zij
-ontaardt dikwijls tot overmoed
-
-
-XXVI.
-
-en tot schraapzucht. Hij wijst op zichzelf: 50 jaar regeerde hij
-voorspoedig, daarna overviel hem rampspoed; hij bedankt God voor de
-redding.--Maaltijd. Met het invallen van den nacht begeeft men zich
-ter ruste. Beowulf wordt naar zijn slaapvertrek geleid. Als de morgen
-aanbreekt, staat Beowulf reisvaardig, hij geeft Hrunting terug aan
-Hunferd en begeeft zich naar Heorot, om afscheid te nemen van Hrodgar.
-
-
-XXVII.
-
-Beowulfs toespraak: hij verlangt naar huis, doch zal altijd tot
-Hrodgars en Hrederics dienst gereed zijn. Hrodgars antwoord: hij hoopt
-dat Beowulf later na Hygelacs dood tot koning gekozen zal worden;
-dank aan hem is eene hechte vriendschap tusschen de twee volken
-gesloten.--Hij schenkt hem twaalf kostbaarheden en neemt slechts
-noode van hem afscheid. Beowulf begeeft zich scheepwaarts.
-
-
-XXVIII.
-
-De kustwachter ontvangt hem vriendschappelijk. Inscheping. Overtocht
-naar Jutland. De strandwachter. Ontscheping. Zij begeven zich naar
-Hygelacs woning. Tegenstelling tusschen het karakter van Hygd en dat
-van Thrydo.
-
-
-XXIX.
-
-Onthaal bij Hygelac. Hij ondervraagt Beowulf. Deze geeft verslag over
-de gebeurtenissen en lascht er de Headobarden-episode in.
-
-
-XXX.
-
-Slot der Headobarden-episode. Daarna neemt Beowulf den draad van
-zijn verhaal weder op; Grendel, handschoen, feestmaal, Aschere,
-Grendels moeder.
-
-
-XXXI.
-
-Vervolg van Beowulfs verslag: Geschenken.--Beowulf staat zijne
-geschenken aan Hygelac en Hygd af. De dichter spreekt van Beowulfs
-onmannelijke jeugd. Hygelac beloont Beowulf met Hredels zwaard,
-landerijen en burcht.--Beowulf beklimt den troon na den dood van
-Heardred, Hygelacs zoon, en heerscht vijftig jaar op voorspoedige,
-wijze, totdat zekere slaaf eenen beker ontvoert uit het hol van eenen
-draak, die in eenen grafheuvel eenen onmetelijken schat bewaart.
-
-
-XXXII.
-
-De slaaf had eene schuilplaats gezocht en zoo toevalligerwijze den
-schat ontdekt. Geschiedenis van den schat: hij was daar neergelegd
-door den laatsten afstammeling van een oud geslacht; klacht van den
-eenzamen grijsaard; na zijnen dood maakt de draak zich van de have
-meester.--De draak ontdekt den diefstal; hij is strijdlustig en vliegt
-met de avondschemering uit, om wraak te nemen.
-
-
-XXXIII.
-
-Hij verbrandt Beowulfs woning en keert met den morgen terug
-in zijn hol. Droefheid van den koning bij het vernemen van de
-verwoestingen. Hij laat een stalen schild vervaardigen. Afwijking van
-den dichter: Beowulfs vroegere wapenfeiten, Grendelkamp, oorlog met
-de Franken, waarin de held met de schilden van dertig gesneuvelde
-vijanden te water springt; hij weigert den troon, welken Hygd hem
-aanbiedt, en beklimt dien slechts later na den dood van Heardred,
-die Zweedsche vluchtelingen had opgenomen en daarom door Onela,
-den vorst der Zweden, verslagen werd.
-
-
-XXXIV.
-
-Voortzetting der afwijking: Beowulf Wreekt later den dood
-van zijnen voorganger en verbindt zich met Eadgils, een der
-vluchtelingen, die Onela van het leven berooft.--Beowulf begeeft
-zich met elf tochtgenooten naar het drakenhol op aanwijzing van den
-slaaf. Voorgevoel van zijnen dood. Beowulfs rede: hij heeft zijne
-jeugd aan het hof van Hredel doorgebracht; Hredel-episode.
-
-
-XXXV.
-
-Vervolg van de Hredel-episode; na Hredels dood breekt de oorlog uit met
-de Zweden, waarin Hadcyn en Ongentheow sneuvelen; hij heeft Hygelac
-altoos trouw ter zijde gestaan en Daghrefn gewurgd in den strijd
-met de Franken; nu zal hij zijnen laatsten kamp wagen.--Beowulf
-groet ieder zijner makkers en neemt weer het woord op: hij draagt
-eene wapenrusting, om tegen het vuur beschut te zijn; zijne mannen
-zullen in de nabijheid wachten, hij zal alleen den draak dooden of
-sterven.--Beschrijving van den drakekamp: Beowulf begeeft zich naar
-den ingang van het hol; beschrijving ervan; hij roept, en de draak
-komt te voorschijn; Beowulfs zwaard dringt niet door, hij moet zich
-wegens de hitte terugtrekken. Zelfde vruchtelooze uitslag bij eene
-tweede poging. De helpers nemen de vlucht, uitgenomen Wiglaf.
-
-
-XXXVI.
-
-Wiglafs afkomst. Hij herinnert zich Beowulfs weldaden en trekt het
-zwaard. Lotgevallen ervan. Zijne toespraak tot de vluchtelingen:
-hun meester schonk de wapenrusting, koos hen als de dappersten uit,
-dus moeten zij hem helpen; hij voor zich wil liever sterven dan hem in
-den steek te laten; zonder hem kunnen zij niet terugkeeren; Beowulf
-heeft het niet verdiend alleen te moeten vallen.--Wiglaf dringt door
-den vlammengloed en spreekt Beowulf moed in. Tweede aanval van den
-kant des draaks: Wiglafs houten schild verbrandt, hij vlucht achter
-dat van zijnen koning. Deze wondt het hoofd van den draak, doch zijn
-zwaard breekt, want zijne vuist is te sterk. Derde aanval vanwege
-den draak: hij omklemt met zijne tanden den hals van Beowulf.
-
-
-XXXVII.
-
-Wiglaf wondt nu den draak op doodelijke wijze, doch verbrandt tevens
-zijne hand. Beowulf komt tot zichzelven en hakt met zijn slagmes den
-draak middendoor. Hij is vergiftigd en zijgt neder. Wiglaf besprenkelt
-hem met water en ontgespt zijnen helm. Beowulf komt bij en zegt,
-dat hij met volle gerustheid sterft, want hij heeft gedurende vijftig
-jaren rechtvaardig geregeerd; hij verzoekt Wiglaf in het hol te gaan,
-om hem de schatten voor de eerste en laatste maal te toonen.
-
-
-XXXVIII.
-
-Wiglaf begeeft zich onder de rots. Beschrijving van de schatten. Met
-kostbaarheden beladen keert hij terug en vindt Beowulf in bewusteloozen
-toestand. Ten tweeden male besprenkelt hij hem met water en met goed
-gevolg. Beowulfs laatste woorden: hij bedankt God voor die schatten,
-welke zijne mannen zullen te stade komen, beveelt, dat men hem eenen
-hoogen grafheuvel zal oprichten aan den oever der zee en schenkt
-aan Wiglaf, den laatste van zijnen stam, halssieraad, helm, ring en
-harnas. Daarna geeft hij den geest.
-
-
-XXXIX.
-
-Overweging van den dichter. De tien vluchtelingen komen terug. Wiglafs
-strafrede: Beowulf heeft zijne geschenken aan onwaardigen gegeven;
-toch heeft hij de zege behaald; ik heb hem naar vermogen geholpen;
-gij zult voorbeeldig gestraft worden.--
-
-
-XL.
-
-Een bode bericht het nieuws aan het hof: Beowulf en de draak zijn
-gedood; Wiglaf houdt er de wacht; nu staat de oorlog te wachten met
-de Franken, die hun vijandig zijn sedert Hygelacs inval. Ook zullen
-de Zweden hen aantasten; tot staving hiervan verhaalt hij de episode
-van den Zwedenkrijg.
-
-
-XLI.
-
-Voortzetting van den Zwedenkrijg. Men spoede zich om Beowulfs lijk te
-verbranden met den drakeschat, zoodat er geen sieraad tot herinnering
-zal overblijven, want hachelijke tijden zijn ophanden.--Men begeeft
-zich naar het strand, waar Beowulf naast den draak en de kostbaarheden
-ligt uitgestrekt. Afwijking: de schat was betooverd.
-
-
-XLII.
-
-De afwijking wordt voortgezet. Wiglafs redevoering: Beowulf wilde niet
-den raad involgen om den draak ongemoeid te laten; ik heb de schatkamer
-bezichtigd; Beowulf heeft eenen lijkheuvel verzocht. Wiglaf beveelt
-de schatten uit het hol te dragen en het hout tot den brandstapel aan
-te voeren.--De schat wordt te zamen met het lijk des konings naar de
-walvischhoogte vervoerd, terwijl de draak in de zee wordt gestort.
-
-
-XLIII.
-
-Beschrijving van Beowulfs lijkverbranding: de brandstapel wordt
-opgericht en aangestoken. Jammerklachten van de jonkvrouw. De graf
-heuvel wordt opgeworpen en de rijkdom er in geborgen. De zonen der
-twaalf rijksgrooten rijden om het graf. Hun rouwzang. Beowulf was
-het toonbeeld van een koning.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
- Voorwaar, der Denen roem in voortijdsdagen,
- Der volksbeheerschers hebben wij vernomen,
- Hoe de elgeboornen heldendan voldongen.
- De Scheving [25] Schyld ontnam aan 's vijands scharen,
-5 Aan vele stammen vaak de medezetels [26].
- De held had veel gehard, nadat hij hulploos
- Gevonden was geworden in den aanvang.
- Des trof hij troost. Hij wies benen de wolken,
- Gedijde in waardighen, totdat hem ieder
-10 Der ommewoners langs de walvischwegen
- Gehoorzaamheid verschuldigd was en schatting
- Betalen moest. Dit was een machtig koning!
- Hem werd daarna een erfgenaam geboren,
- Jong in het koningshof, dien zond de Hemel
-15 Het volk tot heul: Hij [27] zag 't vervolgingsonheil,
- Dat zij, de koningsloozen, eerst beleefden
- Een langen tijd. De Levensheer diensvolgens,
- De glansbeschikker, schonk hem [28] wereldglorie. [29]
- Bekend werd Beowulf [30]; verre sprong de konde
-20 Van Schyldes spruit de Schedelanden [31] binnen.
- Zoo moet een jeugdig man zich mild bewijzen
- Door groote giften jegens vaders vrienden,
- Opdat hem weer gewillig wapenmakkers
- In d'ouderdom [32], als kamp ontstaat, omstuwen,
-25 De heirschaar vormen: door gevierde daden
- Zal zich een held bij elken stam verheffen.
- Verscheiden ging nu Schyld, de veelbewogen,
- Ter lotbestemde stond in 's Heeren hoede [33].
- Hem brachten toen de trouwe wapenbroeders
-30 Naar 't zeegezwalp, gelijk hij zelf verzocht had,
- Terwijl 't bevel de vriend der Schyldings [34] voerde,
- De lieve landbestuurder lang een tijdruim {1}.
- Daar aan de reede stond de kronkelsteven,
- Yshelder, reizensree, des heerschers vaartuig.
-35 Zij legden toen den lieven koning neder,
- Den schatbescheerder, op den schoot des vaartuigs,
- Den wijdvermaarden bij den mast. Er waren
- Juweelen veel, gebracht langs verre wegen,
- En kostbaarheden opgehoopt. Ik hoorde
-40 Wel nooit van zulk een kiel, voorzien zoo kostlijk
- Met heertuig, krijgerklen, met zwaard en harnas.
- Veel schatten lagen op den schoot [35]. Zij zouden
- Ver medezwalken in de macht der baren.
- Zij monsterden niet minder gul met gaven
-45 Hem uit en schatgeschenken dan het deden
- Degenen, die hem in 't begin verzonden
- Alleen op 't zeegewoel, een wichtje zijnde. [36]
- Men stelde hem daarbij een gulden standaard [37]
- Hoog boven 't hoofd en liet de baar hem beuren
-50 En gaf hem aan de golf. Hun geest was weevol,
- Bezorgd hun zin. Niet kunnen menschen zeggen,
- Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden
- Benen de wolken [38], wie ontving de lading.
-
-
-
-
-
-II.
-
-
- Ter burcht verwijlde nu der Schyldings Beowulf,
-55 De lieve landsheer, lang, den volken roemrijk; {2}
- (De vader week van daar, de vorst van 't erfgoed [39])
- Totdat hem werd verwekt de hooge Healfdeen.
- Die heerschte op heusche wijs, zoolang hij leefde,
- Bedaagd en oorlogsduchtig, bij de Schyldings.
-60 Hem kwam in rechte rij een viertal kinders
- Ter wereld: Heorogar, de hordenheerscher,
- Hrodgar en strijdbre Halga. 'k Heb vernomen,
- Dat Elan werd van Ongentheow [40] de weerhelft,
- De bedgenoote van den Wapen-Schilfing [41].
-65 Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,
- De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen [42]
- Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,
- De breede jonglingschaar. Hem schoot te binnen,
- Dat hij een hal bevelen moest te maken
-70 Aan zijne mannen, eene medewoning,
- Een machtiger dan menschenzonen zagen;
- Om alles daar aan jong en oud te deelen,
- Als God hem had gegeven, uitgezonderd
- De legerschaar en 't leven zijner lieden [43].
-75 'k Vernam, hoe werk werd opgelegd in 't wijde
- Aan menig man langs de aard, de ste te sieren.
- Het viel in tijds hem mede, bij de menschen,
- Dat kant en klaar verrees der hallen hoogste.
- Den naam van Heort bestemde haar de heerscher,
-80 Wiens woorden kracht van wet in 't wijd bezaten.
- Hij deed zijn woord gestand en deelde ringen
- En goed aan 't gastmaal. Stout verhief, met hoornen
- Voorzien [44] zich ruim de zaal--Haar was te wachten
- 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie.
-85 Niet was de tijd reeds daar, dat wapenwoede
- Door bloedhaat blaken zou bij zoon en vader [45].--
- Nu moest den heelen tijd in arren moede
- De weerbre geest, die woonde in duisternissen,
- Het dulden, dagelijks het luid gejubel
-90 Te hooren in de hal. Daar klonk de harptoon,
- De zoete zang des dichters. Deze zeide,
- Die 't eerst ontstaan des menschen wist te melden
- Van hooger af, verhaalde, dat de Almachte
- Deze aarde had gevormd met hare velden,
-95 Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;
- Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig
- Tot licht gesteld had voor de landbewoners,
- Getooid met twijg en blad der velden boezem.
- Het leven schiep Hij insgelijks voor ieder
-100 Der wezens, die bezield zich voortbewegen.
- Zoo leefden in genot de kampgenooten
- En overvloed, tot n begon, de vijand,
- Verderf te stichten in de stede [46]. Grendel
- Zoo was de gast, de grimme geest geheeten.
-105 Grenslooper lang berucht, die in moerassen
- En venen was genesteld, zijne vrijburg.
- 't Wanzalig wezen had een lange wijle
- Het schuilvertrek van 't reuzenras betrokken,
- Nadat de Wereldheer hem had verwezen.
-110 Der eeuwen Heer verhaalde op Kans afkomst,
- Omdat hij Abel had verdaan, den doodslag.
- Hij mocht zich in de misdaad niet verheugen,
- Maar in de verte joeg hem voort de Schepper,
- Om dezen moord, gebannen uit het menschdom.
-115 Hier werden uit verwekt de wangedrochten,
- De reuzen, elven met de watermonsters,
- Giganten ook, die tegen God zich kantten
- Een langen tijd. Hij loonde hen diensvolgens [47] [48].
-
-
-
-
-
-III.
-
-
- Hij [49] ging bezien, sinds nederzeeg de nachtstond,
-120 De hooge huizing, hoe de Harnas-Denen
- Zich na de bierontvangst gevestigd hadden.
- Daar binnen trof hij toen den troep der eedlen
- In slaap na 't feestgeslemp. Geen kommer kenden,
- Geen leed de lieden. Vreeselijk, vraatzuchtig
-125 Was ras gereed de daemon der verderfnis,
- Verwoed en wild, en roofde van het rustbed
- Der dappren dertigtal [50]. Dan weder wendde
- Hij roemend op den roof van hier zich huiswaarts
- En kwam met kampbuit [51] weer in zijne woning.
-130 Toen bleek des ochtends bij het morgenblozen
- De worstelmacht van Grendel aan de mannen.
- Toen steeg na 't feestgelag 't gesteen naarboven,
- Het machtig morgenwee. De hooge heerscher,
- De eervolle vorst, was lusteloos gezeten,
-135 Beleefde leed, de zorg om zijne strijders,
- Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand.
- Den doembren geest. De droefheid was te drukkend,
- Geweldig, onverpoosd. Niet was er uitstel,
- Hij stichtte na dien eenen nacht alweder
-140 moorden meer en schuwde leed noch lagen,
- Hij was maar al te zeer gezet op deze.
- Nu waren vele lieden licht te vinden,
- Die ergens elders ruimer rustbed zochten,
- Een bed in 't burgvertrek. Nu was bewezen
-145 En wis en waar beduid door bare blijken
- De haat van 't halgedrocht, nu hield een ieder,
- Die 't monster was ontvlucht, zich ver en veilig.
- Zoo heerschte hij en woedde wederrechtig
- En tegen allen, tot der huizen heerlijkst
-150 Daar ledig stond. Dat duurde lang een tijdruim.
- De Denenvriend verduurde een twaalftal winters [52]
- De woede en ieder wee, de zwaarste zorgen.
- Sinds werd het klaar bekend den menschenkindren
- Op leede wijs door 't lied, dat Grendel Hrodgar
-155 Aantastte langen tijd. Hij had berokkend
- Haatvijandschap, vervolgingslisten, veete
- Wel menig halfjaar met gestage strijden.
- Hij wenschte geenszins aan te gaan den vrede
- Met een der dappren uit de bloem der Denen,
-160 Te keeren 't levenszeer, met geld te zoenen [53] {3},
- En geen der raden dorst glansrijker boete [54]
- Verhopen met de handen van den dooder {4}.
- De booze daemon kwelde, bond en doodde,
- De duistre doodsgeest, meerderen en mindren. [55]
-165 Eeuwnachten had hij in de nevelmoeren
- Zijn woon gevest. Dit weten niet de menschen,
- Waarheen in 't rond de toovenaars zich richten.
- Zoo menig ramp berokte vaak de vijand
- Des menschen, harden hoon, de eenzame zwerver.
-170 Hij huisde in Heort, de goudverlichte halle,
- Bij naren nacht. (Toch zou hij niet bezetten
- Het schenkgestoelt, uit hoofde van den Schepper, [56]
- Het pronkjuweel, noch waren dit zijn wenschen. [57] {5}
- Dat was den vriend der Schyldings wreede kommer,
-175 Een knak der ziel. Ten raadslag zaten dikwerf
- Gevolg en vorst. Zij wikten dan en wogen,
- Wat voor de boudgestemden 't beste ware
- Te wagen tegen onverwachte inbreuk.
- Somtijds beloofden zij den godentempels [58]
-180 Een afgodsofferand en riepen dringend
- Den wurggeest [59] aan, dat deze weer zou bieden
- In 't volksgevaar. Dat waren zoo hun zeden,
- Hun heidendenkwijs. Naar de helle streefden
- Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester,
-185 Der daden doemer, geenen God, den heerscher;
- Zij konden niet des hemels heul bekennen,
- Den God der glorie. Wee, die zal verzinken
- De ziel door wilde zucht in 's vuurs omvatting,
- Ontbeiden geenen troost, zich geenszins beteren!
-190 Wel hem, die na den dood den Heer mag naken,
- Een vrijburg vragen in des Vaders armen! [60]
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
- Op deze wijze broeide hij voortdurend,
- De zoon van Healfdeen [61], zorgen voor het heden.
- Niet stond den wijzen held het wee te wenden:
-195 De strijd toch was te sterk, te lang, te lijdig.
- Die nu was neergekomen op de kampers,
- De norsche nooddwang, 't neetligst nachtlijk onheil.
- Nu hoorde Hygelaces leenman [62], onder
- De Gooten [63] goed, te huis de gruwlen Grendels.
-200 Hij was in weerbaarheid der menschen machtigst
- In gindschen leeftijd, el, doorluchtig. Treflijk
- Een waterros gebood hij uit te rusten;
- Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,
- Den hoogen heerscher, langs het zog der zwanen
-205 Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen.
- Bij lang niet laakten wijze lin die reize [64],
- Hoe waard hij was; den wildgezinde zetten
- Zij aan en namen waar gewenschte teekens [65].
- De koene had tot kampers uitgekoren
-210 De Gootenmannen, die hij vond het moedigst;
- En van de vijftien, zocht hij op het zeehout;
- Een kampheld [66] wees, een waterkundig krijger,
- De landgrens langs. (De wachttijd was verstreken {6}.)
- De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte {7}.
-215 De helden stegen uitgedost ten steven.
- De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand [67] {8}.
- Zij droegen op den schoot des schips de schoonste
- Juweelen neer, de weidsche kampgewaden
- En tot de lustvaart boomden nu de lieden,
-220 De kampers hun gebonden kiel [68] naar buiten.
- Door winden aangewakkerd vloog, een vogel
- Gelijk, 't schuimhalzig schip langsheen de baren,
- Totdat den tweeden dag, ter eigen ure [69],
- De slankgedraaide boeg was voortgedrongen,
-225 Dat land de varenslieden zagen blinken,
- Strandklippen, steile bergen, breede kapen.
- Doortogen was het tij, de tocht ten einde.
- Nu sprongen snel aan wal de Wederlieden [70],
- Zij meerden 't meerhout vast (de kolders klonken,
-230 De krijgerklen) en gaven dank der Godheid,
- Dat heilvol hun de vloedweg was geworden.
- Nu zag van zijnen wal de grensbewaker
- Der Schyldings, die de schuimklip had te hoeden,
- Hoe schitterende schilden, reede rustings
-235 Daar langs de loopplank werden uitgeladen.
- Hem brak het brein door 't gissen nieuwsbegeerte
- Om toch te weten, wie die mannen waren.
- Toen stormde strandwaarts heen, het ros berijdend,
- De dienstman Hrodgars, 't krachthout duchtig drillend
-240 In zijne vuist, en ondervroeg met woorden:
- Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten,
- Die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven,
- Langsheen de waterwegen, die de helmen
- Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen?
-245 'k Was grensbezetter, houd alhier de zeewacht [71],
- Opdat in 't land der Denen geen baldadig
- Vermag te schaden met een schepenleger.
- Hier onderwonden oopner schildbeschermden
- Zich nooit te naken. Wis vernaamt gij 't oorlof
-250 Der strijdbewerkers niet, des stams vergunning.
- 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger
- Dan uwer n [72], dien ridder in de rusting.
- Voorwaar, geen huisman [73] is 't, gedost in wapens,
- Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege.
-255 Vernemen zal ik nu uw aller afkomst,
- Eerdat in 't Denenland gij verder vordert
- Van hier, als ongehinderde bezoekers.
- Nu hoort gij, vergehuisden, zeebezeilers,
- Mijn slechte, rechte meening: Haast is heilzaamst
-260 Te kondigen, vanwaar uw komst mag wezen.
-
-
-
-
-
-V.
-
-
- Hem schonk bescheid en opende de schatten
- Des woords de waardigste, het hoofd der horde:
- Wij zijn de strijders van den stam der Gooten
- En Hygelacs genooten aan de haardstee.
-265 Mijn vader was roemruchtig bij de volken
- En Ecgtheow was de hooge vorst geheeten.
- Hij leefde een lang getal van wintertijden,
- Eer, grijs, hij scheiden ging uit zijnen zetel.
- Hem heugt zich maar te wel zoo menig raadsheer
-270 Op 't wijde wereldrond. Goedgunstig kwamen
- Wij uwen heerscher, Healfdeens zoon, bezoeken,
- Den rijksscherm. Wees ons met berichten gunstig!
- Den breedvermaarden vorst der Denen brengen
- Wij wichtig nieuws, waarvan, ik wil het hopen,
-275 Niets zal verholen zijn. Gij weet of 't zoo is,
- Gelijk wij hoorden waarheidstrouw verhalen,
- Dat bij de Schyldings 'k weet niet welke schender,
- Verborgen booswicht, met het dichtste duister
- Schrikwekkend toont een nooit vernomen woede
-280 En wee en slachting. Hrodgar kan ik wijzen
- Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede
- Den vijand vleuglen zal, zoo ooit de aanvechting
- Der kwalen neemt een keer, een uitkomst opdaagt,
- En koeler worden zijne kommergolven.
-285 Zoo niet, dan lijdt hij later steeds benauwing
- En 't nijpen van den nood, zoolang 't gelukkigst
- Der huizen zich verheffen zal ter hoogte. [74]
- De wachter wedervoer, in 't zaal gezeten,
- De dappre dienstman: Ja, een scherpe schildman
-290 Van beide weet bescheid, van woord en werken,
- Die deeglijk denkt. Dit hoor ik: aan den heerscher
- Der Schyldings is verknocht dees krijgerschare.
- Gaat, voert de wapens mede met gewaden.
- Ik wijs den weg en zal aan mijne maagschap
-295 Bevelen tevens, 't vaartuig voor den vijand,
- Het nieuwgeteerde schip op 't zand te schutten [75],
- Totdat het kronkelhalzig hout den heerscher,
- Den waarden, wedervoert op 't vloedgewiegel
- Ter Gootengrens; aan wien het zij gegeven
-300 Te midden zijner helden, dat hij heilvol
- Het kampgetuimel mag te boven komen.
- Nu gingen zij huns weegs. En rustig wachtte
- De bodem met de touwen vastgebonden,
- Aan 't anker vast het breedgeboezemd vaartuig.
-305 Nu blonken boven 't wangstuk [76] de everbeelden,
- Met goud bekleed, ontgloeid, gehard in vlammen.
- Nu hield het everzwijn omhoog de schildwacht.
- Kampmoedig stoven, snoven heen de mannen [77]
- En daalden samen af, totdat zij zagen
-310 De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.
- Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld
- Bij 't menschdom, waar de machtige [78] verwijlde.
- De vuurglans lichtte over vele landen.
- Hun toonde toen het pralend hof der helden
-315 De wapenwakkre man, opdat zij derwaarts
- Nu rechtstreeks konden gaan. De kamper zwenkte
- Zijn ros en richtte schuins hun toe de toespraak:
- Voor mij is 't trekkens tijd. De Alheerscher hoede
- In 't avontuur u ongerept en roemvol!
-320 Ik wil naar zee, op roovend rot te waken.
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
- De baan was bont bevloerd; de straatweg voerde
- De strijders al te zaam. Hun kamphemd straalde,
- Het harde, handgevlochten. 't Staal, het heldre,
- Het ringversierde, zong op hunne rusting,
-325 Juist als ze in 't schrikgewaad ten zaalbouw schreden.
- De zeevermoeiden zetten 't schild het machtig,
- Het strijdrondas geweldig sterk, nu tegen
- Den buitenwand des bouws en bogen bankwaarts.
- De rusting rinkelde, der helden harnas.
-330 De lansen stonden saam, der zeelin strijdtuig,
- Hun esscheschacht, blauwschemerig van boven [79].
- Hoe wel was de ijzerdrom gedost in 't wapen!
- De krijgstrawanten vroeg een wakker kamper [80]
- Naar de edele afkomst: Waar van daan toch draagt ge
-335 De schitterende schilden, 't stalen strijdhemd,
- De maskerhelmen met de macht van speren?
- Ik ben de bode Hrodgars, dezes dienstman;
- Niet heb ik ooit gezien een zulke menigt [81]
- Van buitenlandsche meer vermeetle mannen.
-340 Ik gis, dat gij, wel verre van voortvluchtig,
- Hrodgar bezoekt uit hoogen zin en stoutheid.
- De krachtgevierde vorst, de nooit vervaarde,
- Der Weders wedervoer daarop met woorden:
- Wij zijn van Hygelac de dischgezellen
-345 En Beowulf luidt mijn naam. 'k Verlang mijn boodschap
- Te konden Healfdeens zoon, den hoogen heerscher
- En uwen vorst, indien hij wil gedoogen,
- Dat wij hem, zoo goedzinnig, mogen groeten.
- En Wulfgar sprak (hij was Wandalenkoning;
-350 Aan velen was zijn roekeloosheid ruchtbaar,
- Zijn strijdgevatheid met zijn ondervinding):
- Den Denenvriend, den Schyldingvorst zal 'k vragen,
- Den gever van het goud, den hoogen heerscher,
- Gelijk uw bede luidt, omtrent uw tochten
-355 En onverwijld u 't antwoord laten weten,
- Dat mij de goedertieren denkt te geven.
- Dan trad hij ijlings toe, waar Hrodgar troonde,
- Bedaagd en grijs, met zijnen drom van dappren;
- De sterke schreed, totdat hij bij de schouders [82]
-360 Des Denenkonings zich bevond. Hij kende
- De handelwijs van 't hof. Dan zeide Wulfgar
- Tot zijnen vriend en heerscher: Herwaarts voeren
- Er verbereisde gasten van de Gooten,
- Langsheen der baren omvang. Beowulf heeten
-365 Den eersten onder allen de oorlogshelden.
- Hun bede brengt, o mijn gebieder, mede,
- Met u den woordenschat te mogen wisselen,
- o, Weiger 't wederwoord hun niet, genadige!
- Zij schijnen waardig in de stormgewaden
-370 Der helden achting. Zeker deugt de hoofdman,
- Die herwaarts heeft gevoerd de heirgenooten.
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
- En Hrodgar sprak, beschermheer van de Schyldings:
- Hem kende ik als een' knaap. Zijn vader noemde
- Zich destijds Ecgtheow [83], wien zijn eenge dochter
-375 Op zijne goedren gaf der Gooten Hredel.
- Nu is zijn spruit, de koene, hier gekomen
- En zocht den trouwen vriend [84]. Toen zeiden zeelin,
- Die tot geschenk der Gooten schatten brachten [85]
- Alhier {9}, dat hij de kracht van dertig krijgers,
-380 De kampgevierde, voerde in zijnen vuistgreep.
- o, Zeker zond hem, naar ik heb de hope,
- De goede God op weg ten Wester-Denen [86],
- Ons tot een toeverlaat bij Grendels gruwheid.
- Ja, schatten wil ik schenken aan den goede
-385 Voor zijnen koenen zin. Gij, rep u rugwaarts;
- Verzoek hen in te gaan en al te gader
- Het broederbond te schouwen van de schare.
- Verzeker hun daarbij om 't zeerst, zij allen
- Zij heeten welkom aan het heer der Denen.
-390 Toen spoedde Wulfgar henen naar de haldeur
- En binnenwaarts ontbood hij met de woorden:
- Mijn zegevorst, Oost-Denen [87] heer, laat zeggen:
- Hij kent uw adel. Langs de waterkolken,
- o Hardgezinden, weest alhier hem welkom!
-395 Nu moogt ge in 't maliekolder met den strijdhelm
- Hrodgar aanschouwen gaan; doch laat het slagschild,
- Der lansen hout, de doodelijke schachten,
- Hier wachten op den uitslag van de woorden.
- De sterke [88] rees en rond hem menig ridder,
-400 Der eedlen stoute stoet. Daar buiten bleven
- Er enklen om het heergetuig [89] te hoeden,
- Gelijk hun had besteld de wapenstoute [90].
- Te gader gingen, waar hun wees de weerbre,
- Zij onder Heorots dak; de dappre stapte
-405 Gehelmd, de stoute, tot hij stond ter troonzaal.
- En Beowulf zeide (hem omblaakte 't harnas,
- Het kampnet, saamgetrensd door kunst van smeden):
- U zij, o Hrodgar, heil! Ik ben van Hyglac
- De maag en ridder. Menig roemvol waagstuk
-410 Bestond ik in mijn jeugd. Mij werd de strijdzaak
- Van Grendel op mijn erfgrond klaar gekondigd.
- Zeevaarders zeggen: ledig staat de zaalbouw,
- Onnut het heerlijkst huis voor alle helden,
- Zoo ras het schemerrood des avonds onder
-415 De wijkplaats van den hemel wordt verholen.
- Toen stelden mij dit voor mijn strijdgezellen [91],
- De uitmuntendste, de meest ervaren mannen,
- Dat 'k u bezoeken zou, o heerscher Hrodgar.
- Zij kenden toch de macht van mijne krachten;
-420 Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
- Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
- Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
- Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers [92]
- Bemeesterd in het midden van de baren,
-425 Benarden nood beleefd, het leed der Weders
- Gewroken (want zij duldden vele ween),
- 't Vijandig volk vergruisd. Ik zal met Grendel,
- Den daemon, thans alleen 't geding beslechten,
- Met dezen reus [93]. U, hoofd der Helden-Denen,
-430 U breng ik, schuts der Schyldings, ne bede:
- Dat gij, o wijk der wapenlin, niet weigert,
- O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,
- Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
- Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren.
-435 Ook heb ik nog gehoord, dat deze doembre
- In zijnen waan zich niet bekreunt om wapens [94]. {10}
- 'k Versmaad nu dit, zoo waar mij gunstig weze
- In 't harte Hygelac, mijn leenheer, 't lemmer
- Of 't reuzige rondas, het goudgerande,
-440 Te voeren bij 't gevecht. Doch 'k zal hem vatten,
- Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten,
- Man tegen man. En wien de dood dan wegrukt,
- Die zal verstaan des Albestuurders oordeel [95],
- 'k Geloof, hij is verlangend, mag het lukken,
-445 De Gootenhelden in de worstelhalle
- Te vreten onbevreesd, als menig malen
- Hij met de macht gedaan heeft van de Denen.
- Gij hoeft met geene wacht mijn lijk te hoeden [96]:
- Want zoo mij zoekt de dood, hij zal me hebben
-450 Nog bont van 't bloed. {11} Het lillend overblijfsel
- Ontvoert hij ver, hij neemt zich voor te schrokken,
- De eenzame zwerver eet het blij van zinnen
- En merkt met moord de vluchtplaats in de venen.
- Gij hoeft geenszins te zorgen voor mijn lijktooi [97]; {12}
-455 Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegsleurt,
- Naar Hygelac het puike pantser henen,
- Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed;
- Het is een erfstuk Hredels, 't werk van Weland [98].
- Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot [99].
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-460 En Hrodgar sprak, beschutter van de Schyldings
- Tot weergeworstel hebt gij, beste Beowulf,
- Alzoo ons opgezocht, uit huldbetooning. {13}
- Uw vader vocht weleer de koenste kampen.
- Hij werd voor Headolaf bij dezes Wylfings [100]
-465 Tot wurger met de vuist. Het kroost der Weders
- Vermocht hem [101] wegens heirschrik niet te houden.
- Van daar bezocht hij 't volk der Wester-Denen,
- Der Zege-Schyldings over 't zeegeschommel.
- 'k Beval toen juist den Denenstam en jeugdig
-470 Vertoefde ik op de goudgetooide schatburg
- Der helden. Heorogar, de zoon van Healfdeen,
- Was destijds reede dood, ontlast van 't leven,
- Mijn oudste broeder. Deze was mijn betere!
- De vijandschappen zoende ik [102] sinds met schatten
-475 En zond den Wylfings langs den rug des waters
- Aloud sieraad, en Ecgtheow zwoer mij eeden.
- Het doet mij zeer in mijne ziel te zeggen
- Aan wien het zij der menschen, wat mij Grendel
- Al hoon berokkend heeft uit haatgedachten,
-480 Arglistig leed in Heorot. Mijne halschaar,
- Mijn slagtroep is geslonken. 't Noodlot sleepte
- De helden heen naar Grendels schrikverschijning [103].
- Alleen vermag gemakkelijk de Godheid
- Den stouten dooder in zijn dan te stuiten.
-485 Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
- Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
- In deze drankzaal met de grijns der degens
- Te willen wachten op den greep van Grendel.
- Dan was dees medehal bij 't morgenkrieken,
-490 De weidsche woning bloedig bont, als 't daagde,
- Met bloed de gansche bankvloer [104] overgoten,
- De hal met wapenvocht. Ik had der trouwen,
- Der dierbre mannenschaar weer des te minder,
- Die 't noodlot mij alweder had ontnomen.
-495 Doch neig u neer aan 't maal, ontvouw uw meening,
- Uw zegehoop 't gehoor, naar 't hart u aanzet.
- Toen werd der Gooten gasten al te gader [105]
- Ras ingeruimd een rustbank in de bierzaal.
- Op deze gingen dan de geestgestaalden
-500 Zich nederzetten zij, de uitstekend stouten.
- Het ambt verrichtte een ridder, welke de aalkan [106],
- De schoongetooide, met de handen torste
- En schonk het vonklend vocht. Dan zong de zanger
- In Heorot helder. 't Was gejuich der helden,
-505 Een groote weelde zoo van Deen als Weder {14}.
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
- En Hunferd zeide toen, de zoon van Ecglaf,
- Die aan de voeten [107] zat des Schyldingvorsten,
- Het kampgeheim ontkeetnend [108]: (Beowulfs aankomst,
- Des koenen golfvaart gaf hem grooten aanstoot,
-510 Omdat hij geenszins aan een ander gunde
- Der mannen, meerder roem op aard te rapen,
- Benen de wolken, dan hem was geworden).
- Zijt gij die Beowulf, die met Brecca aanbond
- Den wedstrijd op de wijde zee, in 't zwemmen
-515 Met dezen streven dorst, toen boud gij beiden
- Navorschtet in den vloed en gij uit grootspraak
- Uw leven waagdet in het diepe water?
- Geen stervling was in staat, noch vriend noch vijand,
- De roekelooze reis u af te raden.
-520 Toen braakt gij beiden roeiend door de baren
- En dektet onder uwen arm de deining,
- Gij maat de zeebaan, zwaaiend met de handen,
- Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven
- De kil opklotste bij des winters branding.
-525 Op deze wijze wurmdet gij te gader
- Wel zeven nachten in 't bezit der zeen.
- Doch gene ging in vaart u ver te boven;
- Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde
- Hem met den morgen heen ten Headoraemen [109],
-530 Van waar hij wedervond, de volksgevierde,
- Het lieve stambezit, het land der Brondings [110],
- De schoone schatburg, waar hij wapenlieden
- En goed en goud bezat. De zoon van Beanstan
- Hield tegen u geheel zijn woord in waarheid.
-535 Nochtans ik reken op geringer uitslag
- Voor u, al waart gij steeds bij alle stormen
- Bestand, bij grimmen strijd, zoo gij op Grendels
- Nabijheid waagt een nachtgewricht te wachten.
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-540 Voorwaar, mijn waarde Hunferd, veel gewaagdet
- Gij, dronken door het biergebras, van Brecca,
- Vertellend zijnen tocht. 'k Beweer in waarheid:
- Ik had meer zeegehardheid ik en arbeid
- In 't midden van het meer dan een der menschen.
-545 Wij kwamen 't overeen als knapen, ons verbindend,
- (Toen waren wij nog beiden jong van jaren)
- Dat wij in zee het leven zouden wagen
- En deden desgelijks. Wij hielden 't lemmer,
- Het bloote, vast, terwijl wij voorwaarts roeiden
-550 Te zaam op zee, het harde, met de handen.
- Zoo wilden wij ons vrijden van den walvisch.
- In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
- Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
- Noch wilde ik zelve mij van hem verwijdren.
-555 Zoo zwalkten wij te zamen op de zeen
- Vijf dagen lang, totdat de vloed ons scheidde,
- De bolle golfgang bij het barste weder,
- De nacht de omhullende; uit het noorden stormde
- Kampwoedend aan de wind; de diepten woelden.
-560 Nu was gewet de drift der zeegedrochten.
- Toen schonk mijn lijf beschutting mij bescherming,
- Het handgevlochten harnas, voor den vijand;
- Het strijdkleed lag op 't lijf, het goudgestrengeld.
- Mij rukte reeds een schemerschubbig ondier
-565 Ten afgrond mee, mij klemde in zijne klauwen
- De ongure vast. Toch werd het mij gegeven,
- Dat ik het monster met het wapen wondde,
- Het staal des strijds. Het kampgeraas ontrukte
- Door mijnen arm het machtig meergevaarte.
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-570 Aldus bedrongen deze leedbelagers
- Mij dikwijls driftig. Met den goeden degen
- Onthaalde ik hen nochtans, gelijk 't betaamde.
- Zij vonden bij den buit geen vreugd de wreeden,
- Dat zij mij zouden grijpen, 't maal omzitten
-575 Nabij den zeegrond; maar zij lagen boven
- Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,
- Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen,
- Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden
- Beletten langs de barning van de baren.
-580 Van 't oosten zeeg het licht, de zegestanderd,
- De glanzende van God. De stormen stilden,
- Zoodat ik de oeverkapen kon beschouwen,
- Het windbestreken strand. Vaak strekt het noodlot
- Tot redding van d'onvoorbestemden stervling,
-585 Indien zijn sterkte deugt. Ik trof het trouwens
- Te dooden met den degen negen nikkers.
- Nooit hoorde ik onder 't wulfsel van den hemel
- Van neteliger strijd bij nacht, noch armer
- Vergeten man te midden van den meervloed.
-590 Toch borg ik 't leven uit den greep der boozen,
- Ontzenuwd door den tocht. De zeevloed tilde
- Mij met de strooming mee naar 't land der Finnen [111],
- Het wellend water. 'k Hoorde nooit verhalen
- Van uwen kant van zulke kampbestoking
-595 En zwaardontzetting; nimmer bracht ook Brecca
- Bij 't strijdvermaak tot stand, noch uwer iemand
- Zoo stout een stuk met bloedbespatte speren;
- (Niet bral ik dies [112]) ofschoon gij voor uw broeders
- De dooder wierdt en uwe hoofdverwanten [113] {15}.
-600 Gij zult om deze zaak verdoemnis dulden
- Ter helle, hoe gevat uw brein ook blijke.
- O Ecglafs zoon, dit zeg ik u in waarheid:
- Meer gruwlen had de snoode daemon Grendel,
- Meer hoon uw heerscher [114] niet verwekt in Heorot,
-605 Indien uw denkkracht was geweest, uw inborst,
- Zoo oorlogszuchtig als gij uitbazuindet.
- Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,
- Den onbesuisden lansstorm uwer lieden
- Niet zeer te duchten heeft, der Zege-Schyldings [115].
-610 Hij neemt zijn noodpand [116] mede, niemand spaart hij
- Der Denenlin en woedt naar hartelusten;
- Hij doodt en zwelgt en ducht geen wraak der Denen.
- Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en koenheid
- In 't strijden staan. Dan keere wie het kunne
-615 Weer moedig tot de me, als 't morgengloren [117]
- Des nieuwen dags op 't menschdom nederblikkert,
- De glansomgorde zon van uit het zuiden!
- Nu was der schatten schenker vol van vreugde
- Hij, grijsgelokt en kampvermaard. De koning
-620 Der Helden-Denen had het hoogst vertrouwen
- In hunne hulp. Hij hoorde toch aan Beowulf
- De volkenherder 't vastbesloten streven.
- Nu schaterde de schaar, de tonen schalden,
- De woorden waren lief. Dan Wealchtheow naakte
-625 Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig.
- Zij groette, goudgekleed, de hallegasten;
- Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer
- De hooggeboren vrouwe toe den beker.
- Zij bad hem blij te wezen bij den bierdronk,
-630 En voor de lieden lief. Met lust aanvaardde
- De zegerijke vorst en maal en zaalkroes [118].
- Nu ging in 't rond de koningin der Helmings [119],
- Gaf ieder, hoog en nedrig [120], keurkleinooden,
- Totdat de beurt zich bood [121], dat zij den beker
-635 De ringomstraalde vrouw, de hooggestemde,
- Aan Beowulf gaf. Den vorst der Gooten groette
- Zij dan en dankte God met wijze woorden,
- Dat nu haar wensch bewaarheid was geworden:
- Der rampen redding van een held te hopen.
-640 Den beker kreeg de kampvermeetle krijger
- Van Wealchtheow, rijmde dan, gereed ten strijde,
- En sprak de woorden, hij de spruit van Ecgtheow:
- Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,
- De kiel beklom met mijnen drom van dappren.
-645 Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,
- Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.
- Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,
- Of in de hal mijn laatsten dag beleven.
- Der edelvrouw gevielen wel die woorden,
-650 Die taal, zoo tartend, van den vorst der Gooten.
- De goudgehulde, hooge volksvorstinne
- Ging naast haar echtgenoot [122] zich nedervlijen.
- Nu werd alweder in de hal geheven
- Zoo menig moedig woord. 't Gevolg was vroolijk.
-655 Het was geschetter van de zegescharen,
- Totdat opeens de hooge zoon van Healfdeen
- Voornemens was, de nachtrust op te zoeken.
- Hij wist, dat strijd bestoken was aan 't monster
- Ter hooge zaal, nadat zij 't licht der zonne
-660 Niet meer bemerken konden, nu het nachtfloers
- En schaduwschepsels kwamen aangeschreden,
- De duistere, vanonder 't wolkendeksel.
- Nu rees de riddergroep. Met spreuken groette
- Een held den andren, Hrodgar Beowulf, wenschte
-665 Hem zege toe, 't bezit der zaal [123], en uitte
- De woorden: Sinds ik hand en schild kan heffen,
- Vertrouwde ik vroeger toe der Denen troonzaal
- Aan geen der helden, buiten u voor heden.
- Aanvaard en handhaaf 't heerlijkst aller huizen,
-670 Gedenk uw roemdan, spreid uw reuzenkrachten
- Ten toon en waak nu tegen dezen woestaard.
- Niet zal u mangel zijn aan 't wenschenswaarde,
- Zoo gij bestaat de lofdaad met het leven [124].
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
- Nu stapte met den stoet van helden Hrodgar,
-675 De schuts der Schyldings, uit den bouw naar buiten.
- De strijdbestuurder wilde Wealchtheow zoeken,
- De ga, tot nachtgenoot. De Heer der heerschers,
- Gelijk de lieden hoorden, had aan Grendel
- Gesteld een stedehoeder: Hij vervulde
-680 Zijn dienst in dezen om den Denenkoning
- En hij beriep den reus een wachter [125] [126]. Waarlijk
- Hij bouwde vast, de voerder van de Gooten,
- Op koene kracht en op de gunst der Godheid.
- Hij deed alsdan zich af het stalen strijdhemd,
-685 Den helm van 't hoofd; hij gaf den gulden degen,
- Der klingen keur, een zijner dienstgezellen
- En zei hem, op het wapentuig te waken.
- De dappre hield alsdan een trotsche toespraak,
- Der Gooten Beowulf, eer hij zeeg te bedde:
-690 [127]Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder
- Voor 't wapenwerk dan Grendel waant te wezen.
- Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,
- Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.
- Hij kent de kampgewoonte niet van weder
-695 Te schenken eenen slag, het schild te beuken [128],
- Al is hij wijdberucht door wapenfeiten.
- Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,
- Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen.
- De wijze Godheid zal daarop de zege
-700 Verbinden aan de hand van een van beiden,
- De heilge Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt.
- De kampvermeetle neigde zich dan neder,
- De peul ontving het voorhoofd van den ridder.
- Wel menig moedig zeeheld liet op 't leger
-705 Zich naast hem neder. Niemand hunner hoopte,
- Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten
- Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen.
- Zij wisten toch, dat vroeger in de wijnzaal
- Een nare doodstrijd al te veel genooten
-710 Der Denen had gehaald. Nu schonk de Schepper
- Het weefsel van het wapenheil [129] den Weders
- En stut en steun; zoodat zij door de spierkracht
- Des eenen op den vijand zegevierden,
- Door zijne zelfde kracht. 't Is waar verkondigd [130],
-715 Dat steeds een machtig God bestuurt het menschdom.
- Nu schreed de nachtgeest nader door het duister.
- De schutters, die de hoornzaal moesten hoeden,
- Zij sliepen allen, uitgenomen eenen;
- (Den menschen werd bekend dat hen de wurger
-720 Niet zenden zou ten schimmen, daar de Schepper
- Het geenszins wilde) want tot grim des gruwbren
- Verbeidde Beowulf, in de ziel verbolgen,
- Terwijl hij wakker was, het pleit der worsteling {16}.
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
- Van 't moer begaf uit mistomgeven klippen
-725 Zich Grendel thans. Hij droeg den toorn der Godheid.
- De dooder meende van het volk der mannen
- Er veel te omstrikken in de steile halle.
- Daar sloop hij henen onder 't wolkenhulsel,
- Tot waar hij zeker wist, dat stond de wijnzaal,
-730 Der Gooten goudwoon [131] blinkend van het bladgoud.
- Het was niet de eerste wijl, dat hij de woonstee
- Van Hrodgar had bezocht. Doch nooit of nimmer
- Ontmoette die in zijne levensdagen
- Een weerbrer held en wachters van de woning.
-735 Nu was het wezen, vreemd aan alle vreugde,
- Tot bij den bouw gegaan en open gierde
- Aanstonds de deur, gestut door ijzren staven,
- Zoodra hij haar beroerde met de handen.
- De wrevelzieke, woedend was hij, wrikte
-740 Der halle monding [132] los en haastig stapte
- De vijand langs den bontgeverfden bodem
- En ging al grijnzend voort. Gelijk aan vlammen
- Schoot onheilspellend uit zijn oog een schemer.
- Daar zag hij menig man in slaap gezonken,
-745 Te zamen in de zaal de zwaardgenooten,
- Den heldenhoop. Toen lachte daar zijn harte.
- Hij dacht te scheiden, eer het daglicht daagde,
- De dolle dooder, ieders lijf van 't leven,
- Nu hem de hoop verscheen op rijklijk schrokken.
-750 Nochtans gehengde hem het lot niet langer,
- Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen [133].
- Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac,
- Op welke wijze deze wanbedrijver
- Voortwoeden wou bij de onverwachte grepen.
-755 Niet dat het monster dacht te dralen. Eensklaps
- Ontrukt hij de eerste reis een slapend ridder,
- Verscheurt hem schielijk, breekt de beengeleding,
- Slurpt beken bloed en halst met rustloos rijten. [134]
- Zoo had hij zonder dralen doorgezwolgen
-760 Den levenlooze heel met hand en voeten [135].
- Hij rukte naderbij en greep op 't rustbed
- Met handen naar den hooggestemden strijdheld [136].
- De vijand voer hem tegen met de vuisten,
- Ontving hem snel, den valschgezinde, en stutte [137]
-765 Zich op den arm. De moordbeschutter merkte
- Fluks, dat hij nooit ontmoette op 't ondermaansche,
- Op 's aardrijks schoot, bij eenig ander sterveling
- Een vaster vuistgreep. 't Werd hem bang in 't binnenst,
- In 't hart. Niet kon hij des te sneller henen.
-770 Zijn inzicht was ter vlucht, hij wilde wijken
- Naar zijne krocht, der duivels drijven [138] zoeken.
- Niet boden zich alhier de bezigheden,
- Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. [139] [140]
- De wakkre neef van Hygelac geheugde
-775 Zich toen de toespraak van den eigen avond.
- Hij rees dan recht in zijne gansche grootte,
- Omving hem vast. De vingers borsten open.
- Naar buiten wou de reus; hij rukte verder;
- Hij dacht, de moordberuchte, mocht het lukken,
-780 Zich weg te maken, wijder voort te vlieden
- Naar 't moordhol; maar hij wist: in 's vijands vuisten
- Bevond zich heel 't beheer van zijne vingers. [141]
- Die tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot
- De weebewerker. Heel de halle dreunde.
-785 Den Denen al gewerd, den burgbewoners [142],
- Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting [143].
- Zij waren wild de beide reuzenwachters.
- De woning schudde. 't Was een groote wonder,
- Dat wederstond de bouw den strijdverwoeden,
-790 En niet ter neder zonk de zalige aardwoon.
- Doch stevig stond zij, kunstig vastgeklonken
- Met banden staal van binnen en van buiten.
- Wel menig meebank [144], (volgens mijn ervaren)
- Met goud omgeven, stortte van haar steunsel,
-795 Alwaar de woesten streden. Hierop hadden
- De raden eer der Schyldings niet gerekend,
- Dat ooit der mannen een door krachtvermogen
- De weidsche, met gewei getooide woning
- Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;
-800 Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen [145]
- In rook. Nu rees een nooit vernomen noodkreet,
- En gruwbre ontzetting greep te gar de Denen,
- Die van den wal het hulpgejammer hoorden,
- Het angstlied stemmen door Gods tegenstander,
-805 Den zegeloozen zang, het wee beweenen
- Door deze helleprooi. Hem hield te stevig
- Hij, die der mannen machtigst was ter wereld.
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
- De schuts der scharen wilde op geene wijze
- Den doodsbedreiger in het leven laten,
-810 Hem docht zijn levensdag aan niemand nuttig.
- Toen zwaaide 't erfzwaard menig makker Beowulfs;
- Zij wilden 't hoofd vrijwaren van den heerscher [146],
- Den wijdvermaarden meester, naar vermogen.
- Zij wisten niet, terwijl zij slagen sloegen,
-815 De strijdontstoken kampers, dezen dachten
- Te houwen halverwijs, de ziel te zoeken,
- Dat noch het beste staal, noch oorlogsbijlen
- Op 't wereldrond den woestaard wilden deren.
- Hij had bezworen al de zegezwaarden
-820 En elk geweer. Toch zou armzalig wezen
- Het einde zijns bestaans op deze stonde,
- In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. [147]
- Hij ondervond, die vaak met hartevreugde
- Zijn moed weleer aan 't kroost der menschen koelde,
-825 (Hij toornde tegen God) dat langer 't lichaam
- Niet wilde volgen, want de dappre dienstmaag
- Van Hygelac omknelde hem de handen.
- Zoolang de een leefde, was 't den andre leedvol.
- 't Verwaten wezen vond er leed des lichaams;
-830 Ten schouder werd de onheelbre wonde schouwbaar,
- De zenuw zwichtte, 't beengetimmert barstte;
- Aan Beowulf bleef de zege. Grendel zoude
- Van daar ten dood gewond ter veenklip vlieden
- En zoeken zijne weeldelooze woning [148].
-835 Hij wist te wel: zijn einde was genaderd,
- Des daarzijns dagental. Nu was den Denen
- Verwezenlijkt de wensch na 't wapenwoeden.
- Hij, die te voren landde van zoo verre,
- Had kloek en koengezind de zaal van Hrodgar
-840 Gereinigd, voor den overval beveiligd.
- Hij smaakte nu genot in 't nachtlijk waagstuk,
- In 't heldenfeit. Nu had de Gootenheerscher
- Zijn stoute taal gestand gedaan den Denen
- En ook gelenigd alle leed en kampzorg,
-845 Voorheen door hen beleefd, uit drang gedragen;
- Geen kleine kwaal. Dit was toch klaar een teeken,
- Toen voor de ruime deur de strijdgeduchte
- De hand geslingerd had met arm en schouder. {17}
- Daar lag te hoop de heele greep van Grendel.
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-850 En met den morgen schoolden om de schenkzaal
- Veel strijders samen, volgens mijn ervaren [149].
- Volksvoerders togen heen van heinde en verre
- Langs verre wegen om te zien het wonder,
- Des vijands voetspoor [150]. Niemand van de helden
-855 Scheen leedvol toe de slaking van zijn leven,
- Die gadesloeg den gang des roemberoofden,
- Hoe deze, doodvermoeid, van daar ontduikend,
- Gekortwiekt door den kamp, naar 't meer der nikkers
- Voortvluchtig, veeg, zijn stervenssporen strooide.
-860 Daar was met aderbloed het wellend water,
- De gruwbre dans der golven gansch gemengeld
- Met rookend bloed; daar zwalpte van het zwaardbloed
- Het moordgepurperd meer, nadat hij 't leven,
- Der vreugde vreemd, had afgelegd in 't veenoord,
-865 [151]De heidenziele, waar de hel hem opnam. {18}
- Van hier begaven zich de grijze helden
- En menig jonge man, na 't vroolijk mennen,
- Kloekmoedig van het meer terug op rossen,
- De krijgers op hun appelgrauwe kleppers.
-870 Verbreid werd Beowulfs faam. Vaak tuigden velen,
- Dat zuid- noch noordwaarts tusschen tweelingzeen [152],
- Op 't wereldrond, benen 't bereik der wolken,
- Een ander hooger was der schildverheffers
- En waardiger 't bewind. Voorwaar, niet laakten
-875 Zij hunnen heer en vriend, den milden Hrodgar;
- Daar 't was een duchtig vorst [153]. Bij wijlen lieten
- De helden hunne vale rossen rennen
- Ten wedstrijd, waar hun schoon de paden schenen
- En puik beproefd. Dan vond een held des vorsten,
-880 Een strijder stoutbespraakt, de spreuk indachtig,
- Wien heel een schat aloude sagen heugde [154],
- Naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden. {19}
- Dan weer begon de borst het waagstuk Beowulfs
- Kunstvaardig voor te dragen en gevoeglijk
-885 De welgekozen spreuken uit te spinnen,
- Met woorden wisselend. Elk liet nu weten [155], {20}
- Alwat hij van de wapenfeiten Sigmunds
- Had hooren konden, veel van 't onbekende,
- Den kamp des Walsings [156], zijne wijde vaarten,
-890 Zijn veete met zijn vijandschap, van welke
- De menschenkindren gansch onkundig waren,
- Behalve Fitela [157] alleen, zijn helper;
- Indien hij zulks gewillig was te zeggen,
- Als oom aan neef, naardien zij toch voortdurend
-895 Bij elke veete wapenmagen waren.
- Zij hadden velen van het rot der reuzen [158]
- Verpletterd met den degen. Na zijn doodsdag
- Verrees een niet geringe roem voor Sigmund,
- Toen hij, de weerbre bij het slaggeworstel,
-900 Den vuurdraak [159] had geveld, der schatten hoeder.
- Van onder eene grijze rots verrichtte
- De koningsspruit alleen de stoute lofdaad.
- Niet was er Fitela. Nochtans het lukte
- Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,
-905 Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand.
- Geweldig was het sneven van den vuurdraak.
- Krachtdadig had de wapenheld verkregen,
- Naar eigen wil den ringschat aan te wenden.
- Hij laadde een zeeboot. Walses zoon vervoerde
-910 Klinkklare schatten op den schoot des vaartuigs,
- Terwijl de reuzenworm, de heete, wegsmolt.
- Ja, deze was wel verreweg bij 't menschdom
- De meest vermaarde held, de schuts der mannen
- Door wapendan, (hij wies daarom in luister)
-915 Sinds Heremodes kampzin was verminderd,
- Zijn macht en heldendeugd. {21} In 's vijands handen
- Bij 't reuzendom [160] werd Sigmund sinds verraden [161],
- Verdreven dra. Hem had de drang der zorgen
- Te lang verlamd: hij werd voor zijne lieden,
-920 Zijn eedle kampers al tot levenskommer [162]. {22}
- Zoo ook betreurde vaak in vroeger tijden
- Wel menig schrander man 't vertrek des koenen [163],
- Die hulp der kwalen had verwacht bij Heermod,
- Dat deze vorstentelg in eer zou vordren,
-925 Ontvangen 's vaders adel, 't volk besturen,
- Den schat en heerschersburg, het rijk der helden,
- Der Schyldings stamgebied. [164]--De bloedvriend Hyglacs [165]
- Verstrekte heel den heldenstam, den vrienden,
- Tot vreugde; boosheid viel te beurt aan gene [166].
-930 Wedrennend maten zij temet op rossen
- De bonte baan. Gevorderd, voortgeschreden
- Was 't morgenlicht [167]. Wel menig leenman richtte
- Zich toen kloekhartig naar de hooge halle,
- Het wonderfeit [168] te zien. De koning zelve
-935 Verliet nu insgelijks 't vertrek der gade,
- De hoeder van den schat, de luistervaste,
- Bekend door kundighen, met grooten heirstoet;
- En langs den medeweg [169] begaf zich mede
- Zijn echtgenoote met den sleep van maagden.
-
-
-
-
-
-XV
-
-
-940 En Hrodgar zei: (hij was ter hal gewandeld,
- Stond op de stoep [170] en staarde naar de steile
- Goudhelle deur en naar de hand van Grendel) {23}
- Nu dra gedankt den schepper voor dit schouwspel,
- 'k Beleefde talloos leed en hinderlagen
-945 Door Grendel. God, der heerlijkheden hoeder,
- Bewerken kan Hij wonder boven wonder. [171]
- Nog onlangs was 't, dat ik van geen der ween
- Nog hulp verhoopte voor het later leven,
- Toen bloedigbont daar stond en zwaardbezoedeld
-950 Het heerlijkst huis. De ramp had alle raden
- Verdreven wijd en zijd, die waanden geenszins
- Der lieden burcht in later tijd te schutten
- Voor vijandschap, voor schaduwgeest en schimmen.
- Nu heeft een held volvoerd door 's hemels voeging
-955 Een waagstuk, welk voorheen niet een der onzen
- Bewerkte door beleid. Voorwaar, de vrouwe,
- Wie zij ook zij [172], die dezen zoon eens baarde
- Te midden van het menschdom, mag wel zeggen,
- Mits deze leeft, dat bij des kinds geboorte
-960 Haar gunstig is geweest de aloude Godheid.
- Nu wil ik u, mijn Beowulf, waardste ridder,
- Gelijk een zoon in mijne ziel beminnen.
- Bewaar toch wel voortaan uw tweede maagschap;
- Niet zal u mangel zijn aan een der schatten
-965 Ter wereld, over welke ik kan bevelen.
- Ik deelde dikwerf loon voor minder daden,
- Sieraden rond aan een geringer kamper,
- Een trager tot den krijg. Gij hebt verkregen
- Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
-970 Altoos voor later tijd. Met goed begeve
- U de Albeheerscher, als hij deed tot heden.
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- Dit heldenwerk volbrachten wij, die worstling
- Volgaarne en tartten boud de kracht des boozen;
-975 Ik wenschte zeer, gij hadt gezien den vijand
- In zijnen tooi [173], tot stervens toe ontzenuwd.
- Ik dacht hem dra met vaste vuist te boeien
- Op 't bed des doods, zoodat hij door mijn handgreep
- Doodmoede zwichten moest, tenzij zijn lichaam
-980 Ontkwam. Ik kon hem, daar het God niet gunde,
- Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
- Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand;
- Te snel was de onverlaat in 't henenloopen.
- Toch liet hij hier de hand tot levensredding
-985 Getuigen zijnen tocht, en arm en schouder.
- Geen troost nochtans erlangde 't ellendig wezen.
- Niet langer leeft hij meer de leedbesteller,
- Door schuld benard; hem heeft met norsche grepen
- Eng pijn omklemd in doodelijke kluisters.
-990 Ontbeiden zal de man, belan met misdan,
- De groote dagvaart [174] daar, op welke wijze
- De stralende Albestuurder hem zal straffen.
- Dan zwijgzaam was de zoon van Ecglaf, Unferd,
- Met woordenpraal op eigen wapenfeiten,
-995 Nadat de ridders, dank de kracht des vorsten,
- Daar voor de hooge deur de hand bestaarden,
- Des vijands vingers, ieder voor zich zelven.
- Met staal was ieder van de sterke nagels
- Te vergelijken {24}, de handspoor van den heiden,
-1000 De ontzetbre klauwen van den kampgezinde.
- Elk zeide: geen zoo goedbewezen wapen
- Der dappren kon hem deren, noch den daemon
- De roodbebloede worstelrechte schenden.
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
- Bevolen werd, inwendig Heort met handen
-1005 Te smukken onverwijld. Er was een menigt
- Van mannen daar en maagden, die de wijnzaal
- Versierden, 't gastverblijf. Goudblikkrend blonken
- De weefsels [175] langs den wand, een wonder schouwspel
- Voor alle strijders, welke zulks bestaren.
-1010 Het weidsch gebouw, geheel met ijzren bouten
- Bevestigd, was van binnen zeer gebarsten.
- De harren waren stuk. Slechts hield van 't heele
- Nog ongedeerd het dak, nadat de booswicht,
- Ter dood verwezen door zijn wanbedrijven,
-1015 De vlucht gezocht had zonder hoop op leven.
- Dit [176] valt niet licht te ontvluchten, (laat het iemand
- Verrichten, wie het wil) hij zal bereiken
- Door nood genoopt de vastgestelde stede
- Voor al 't bezielde, voor de menschenzonen,
-1020 De landbewoners, zelfs alwaar zijn lichaam [177],
- Geboeid op 't legerbed na feestgelagen,
- Is ingedommeld [178] {25}.--'t Was alsdan de dagstond [179],
- Dat naar de hal de zoon van Healfdeen heentoog.
- Voornemens was de vorst het maal te nutten.
-1025 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,
- Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer.
- Ter rustbank negen toen de roembezitters,
- (Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd
- Hun hart ophaalden, menig medebeker
-1030 Ontvingen hoffelijk) Hrodgar en Hrodulf [180],
- De sterkgezinden, in de steile woning.
- Met vrienden was vervuld de hal [181]; nog hadden
- De Denen geen beruchte dan berokkend.
- Healfdeens geboorne gaf alsdan aan Beowulf
-1035 Een gulden legervaan tot loon der zege,
- Een standaard, goudgestikt, met eene handvat,
- En helm en harnas. Menigeen bemerkte,
- Hoe vr den vorst [182] een prachtvermaarde pronkzwaard
- Werd aangebracht. En Beowulf greep den beker
-1040 Ter halle vast. Hij had zich voor de schutters
- Der schatgift niet te schamen. Nooit vernam ik,
- Dat bij de bierbank menig man den andren
- Vier gaven guller schonk, voorzien met goudwerk.
- Rondom het helmdek had de hoofdbeschutting,
-1045 Met kronkeldraad omkruist, uitwendig knoppen,
- Opdat hem koen de blankgevijlde klingen,
- De kampgeharde, nimmer konden deren,
- Wanneer de schildheld naar den vijand optrok.
- Der ridders heul beval een achttal rossen [183],
-1050 Met goud gebreideld, voor de woon te brengen
- Tot in de zaal. Een dezer dekte een zadel
- Van kunstig werk, versierd met kostkleinooden.
- Dit was het kampzaal van den hoogen koning,
- Als Healfdeens zoon het zwaardspel wilde zoeken.
-1055 Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,
- Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden.
- Beschikking schonk daarop der Denen [184] schutsheer
- Aan Beowulf over beide, ros en rusting,
- En bracht hem toe den wensch, ze wel te bruiken.
-1060 Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen
- Het kampgeraas de wijdberoemde koning,
- De schatheer van den stam; gelijk geen sterveling,
- Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen.
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
- De heer der helden gaf aan elk dergenen,
-1065 Die stevenden met Beowulf langs den stroomweg,
- Ter meebank kostbaarheden met een erfzwaard.
- Hij zei, men zou met goud den man [185] vergelden,
- Dien Grendel eer zoo gruwzaam had verslonden;
- Gelijk hij had bestemd aan velen hunner,
-1070 Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid
- Met Wyrd [186] en moed des mans. De Heer behoedde
- Het heele menschdom, als hij doet tot heden.
- Daarom zal overal die overtuiging
- Het beste zijn, dit overleg van 't binnenst.
-1075 Die lang hier 't leven smaakt zal veel bevinden,
- Veel lief en leed in deze worsteldagen. [187] [188]
- Nu werd er veel gezang en spel te zamen
- Vereenigd over Hnf [189], den heervoogd Healfdeens; {26}
- Nu werd de harp gegroet, het hout der vreugde,
-1080 De spreuk ontsponnen. 't Was nu halleweelde. {27}
- Langsheen de medezetels zou de zanger
- Van Hrodgar [190] zingen over Finnes zonen [191],
- Ten tijde toen hen overrompling [192] aangreep:
- Der Schyldings Hnf, Half-Denen [193] held, moest sneven
-1085 Op 't Friezenveld [194]. Voorwaar, niet hoefde Hildburg [195]
- Te loven Eotentrouw [196], der lieve loten
- En broeders [197] schuldeloos beroofd bij 't schildspel;
- Zij stortten, speerdoornageld, in hun noodlot.
- Het was een droeve vrouw! Met recht beweende
-1090 Zij, Hokes dochter, toen de morgen daagde [198],
- Des Hemels schikking, nu zij kon beschouwen
- Bij 't helder hemellicht den moord der magen,
- In wie zij vroeger vond de hoogste weelde.
- 't Gevecht, op weinig na, had weggenomen
-1095 De helden Fins, zoodat hij op de dingplaats [199]
- Niets hoegenaamd op Hengest [200] kon bevechten,
- Noch met geweld de armzaalge rest der zijnen
- Beschutten voor den veldheer van den koning [201] {28}.
- Zij [202] boden dus verdragen aan. Den Denen
-1100 Ontruimden zij geheel een tweede halle,
- Een zaal en zetelwoon; zoodat de Denen
- Het half gezag bezitten zouden tegen
- Der Eoten kroost, en Fin, de zoon van Folcwald,
- Bij 't geldbedeelen elken dag de Denen
-1105 Beschonk en Hengest' schaar onthaalde op ringen
- Zoo gul, op kostbaar goed van goud, als wilde [203]
- Hij 't Friezenvolk aanvuren in de drinkzaal.
- Zij sloten beiderzijds het vaste bondschap,
- En hecht, onwrikbaar zwoer het Fin aan Hengest,
-1110 Dat hij de resten van de ramp [204] in eere
- Zou houden volgens 't oordeel van de raden [205];
- Dat hunner [206] niemand noch door woord noch werken
- Het bond ooit breken zou, door arglist letten,
- Ofschoon zij vorstenloos den dooder volgden
-1115 Huns ringuitdeelers, daar de nood hen noopte. [207]
- Indien der Friezen een de vroegre veete
- Gedenken mocht door overmoedig spreken,
- Dan zou de snede van het zwaard het straffen.
- Dan afgelegd was de eed, ontleend der schatkist
-1120 Het glanzend goud [208]. De koenste wapenkrijger [209]
- Der Leger-Schyldings lag gereed ter vuurmijt.
- Op dezen stapel was zeer wel te ontwaren
- Het bloedbesmeurde harnas met een helmzwijn,
- Geheel van goud, een ever hard als ijzer, [210]
-1125 En menig eedle weggerukt door wonden.
- Er waren velen in den kamp gevallen!
- Dan Hildeburg beval op 's broeders brandmijt [211]
- Te leveren aan de laai haar eigen zonen, {29}
- Te branden 't beenderstel, op 't vuur te brengen.
-1130 De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder [212]
- In klaaggezang. De held werd recht geheven.
- De breede lijkbrand wond zich tot de wolken,
- Opbruisend voor den heuvel [213]. Hunne hoofden
- Zij slonken weg; de mond der wonden barstte,
-1135 Het bloed ontsprong de letsels van het lichaam;
- De vlam verzwolg hen gansch, der geesten vratigst
- Hen allen, die de strijd uit beide stammen [214]
- Had weggesleept. Zoo was hun vaag gevloden.
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
- De strijdschaar ging, verstoken van de vrienden,
-1140 De woon bezoeken, Friesland weer begroeten,
- De huizen met den heerschersburcht [215] {30}. Dan Hengest
- Verwijlde noch dien bloeddoorweekten winter
- In alles een [216] bij Finn, het heim geheugend.
- Toch was hij niet in staat in zee te sturen
-1145 Den staalomwonden steven, 't Water bruiste
- Door stormen op, het worstelde met winden.
- De winter sloot het water in de ijsboei,
- Totdat een ander jaar alweder daagde
- In hunne woon, het heerlijk heldre weder,
-1150 Dat immer volgt, als nu, zijn vaste beurten. {31}
- Zoo was het wintertij alweer verstreken;
- Der aarde schoot was schoon. De strijder streefde,
- De gast, te ontwijken deze woon, doch haakte
- Naar moordvergelding meer dan naar de zeereis,
-1155 Of hij verkrijgen kon een toornig treffen,
- Om daar het Friezenzaad te zijn gedachtig. [217]
- Dus weigerde hij niet de wapenlieden, {32}
- Als Hun de kampvlam Lafing nederlegde
- Op zijnen schoot, 't onschatbaarst aller wapens;
-1160 Want bij de Friezen was bekend het krijgstuig. [218] {33}
- Als Hnf, zoo greep nu Fin, den fiergezinden,
- De wilde wapendood in zijne woning,
- Nadat Gudlaf en Oslaf [219], na de golfvaart [220],
- Den ruwen storm op Hnf eerst rouwvol hadden
-1165 Verkond, verweten hunne harde ween.
- Hun rusteloos gemoed was niet bij machte
- Zich in te houden [221] {34}. Bloedig was de halle
- Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,
- Verslagen in het midden zijner manschap,
-1170 En heengevoerd de koninginne Hildburg {35}.
- De Deensche schutters droegen naar de schepen
- Geheel de have van den landbeheerscher,
- Alwat ze in Finnes woning konden vinden
- Aan smuk, aan smaakvol ingezet gesmijde.
-1175 Zij leidden de edelvrouwe [222] langs den zeeweg
- Tot bij de Denen, naar de stamgenooten.
- Gezongen was het lied, de zang des dichters.
- Weer rees geruisch, het bankgeschater schalde,
- De schenkers schonken wijn uit wonder vaatwerk.
-1180 Nu kwam gegaan met gouden hoofdwrong Wealchtheow,
- Waar oom en broederzoon [223], de dappren, zaten.
- De bloedverwantschap was nog eenig [224], beiden
- Elkander hou en trouw. Ook zat er Hunferd,
- De spreker, aan den voet des Schyldingvorsten.
-1185 Zij waren zeker van zijn zin, dat deze
- Veel moed bezat, ofschoon hij niet rechtschapen
- Met zijne broeders was geweest in 't wapen. [225]
- En Wealchtheow nam het woord, vorstin der Schyldings:
- Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
-1190 O, Goudbegever. Wees nu wel te moede
- O, Schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
- Met milden mond. Zoo moet een krijgsman handelen.
- Wees voor uw Gooten goed, de gift gedachtig.
- Ja, heinde en verre hebt gij nu den vrede.
-1195 Men zegde mij, dat gij tot zoon verlangdet
- Den held [226] te hebben. Thans is Heort gereinigd,
- De weidsche ringzaal. Spil nu veel juweelen,
- Zoolang gij zulks vermoogt; doch laat uw zonen [227]
- Het land met luiden na, wanneer gij henen
-1200 Zult zijn gegaan, des Scheppers glans te schouwen. [228]
- Ik ken mijn heuschen Hrodulf, die de knapen
- Waardeeren zal, indien gij, scherm der Schyldings,
- Het leven eer dan hij verlaat. [229] Ik hope,
- Dat hij met goed vergelden zal ons zonen,
-1205 Indien hij 't al gedenkt, de vroeger diensten,
- Die wij hem, zijnde nog een wicht, bewezen
- Naar wensch en eere. Thans begaf zich Wealchtheow
- Ter zitplaats heen, waar zaten hare zonen,
- Hredric en Hrodmund, met de heldentelgen,
-1210 De strijdjeugd saam. Daar [230] zetelde ook de stoute,
- Der Gooten Beowulf, bij de twee gebroeders.
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-
- Een beker werd hem nu gereikt, met woorden
- Hem toegebracht de heusche bee te drinken,
- Ringvormig goud werd huldevol geboden,
-1215 Armtooisels twee en ring en rusting, 't grootste
- Der halssieran, waarvan ik hoorde op aarde.
- Nooit hoorde ik van een held zoo heilvol onder
- Het hemellicht door schatten, sedert Hama [231]
- Naar zijnen hoogen burg den Brosinghalsband [232]
-1220 (Den kostbren schat) met dezes schrijn ontvoerde. [233]
- Hij nam de vlucht voor Ermenrics vervolging [234]
- En koos zich 't eeuwig heil [235].--Der Gooten Hyglac
- Was in 't bezit des rings [236] de laatste reize.
- De kleinzoon Swertings [237], toen, den schat beschuttend,
-1225 Hij voor den slagbuit [238] streed bij zijnen standerd.
- Toen rukte Wyrd hem weg [239], terwijl hij moedig
- Het wee doorstond, de worstling met de Friezen.
- Den smuk, de kostbre steenen, had de koning
- Toen meegebracht langsheen der baren beker.
-1230 Daar viel hij onder 't schild. Het lijk des vorsten
- Geraakte in Frankenhand [240] met ring en borstkleed;
- Want na beslechting van den slag beroofden
- Er slechter kampvermeetlen [241] de verslagenen;
- De Gootenlieden bleven op de lijkstee.--
-1235 Zij nam het halskleinood {36} en Wealchtheow zeide
- En voor de volkschaar sprak zij: Beste Beowulf
- Gebruik met heil, o jonge held, dien halsring;
- Aanvaard dit harnas, deze kostbaarheden.
- Gedij ter dege. Word bekend door krachten
-1240 En wees mijn zoon ook [242] welgezind door lessen.
- Ik wil daarom uw loon gedachtig wezen.
- Gij hebt bewerkt, dat heinde en ver de helden
- U steeds, zoover haar windomwaaide stranden
- De zee bespoelen zal, u zullen achten.
-1245 o, Wees, zoolang gij leeft, een rijke ridder.
- Ik gun u dezen goudschat. Wees door daden
- Mijn zonen vriendelijk, gij vreugderijke.
- Elk krijger hier is heel verknocht den andren
- En mild van zin, den mannenheer gehoorzaam.
-1250 Wilvaardig zijn de helden, 't volk is volgzaam.
- Ik bid u, blijft zoo handlen [243], drankverheugden {37}.
- Vervolgens richtte zij zich naar den zetel.
- Het maal was keurig. Wijn de mannen dronken.
- Zij wisten van geen Wyrd, geen nare noodlot,
-1255 Gelijk het moest vergaan met menig edele [244],
- Nadat verschenen was de schemeravond,
- En Hrodgar heenging naar zijn hof, de hooge,
- Naar zijne rust. Een reuzig tal van ridders [245]
- Behoedde weer, als vroeger [246] vaak, de halle.
-1260 Den bankvloer ruimden ze op [247]. Hij werd in 't ronde
- Geheel bedekt met bedden en met bolsters.
- Reeds vlijde zich een schenker [248] op het vloerbed,
- Den dood vervallen, veeg {38}. Het strijdschild stelden
- Zij aan het hoofd, het schitterende schildhout.
-1265 Daar op de bank was boven de edellieden {39}
- De hooge helm te zien, 't gevlochten harnas,
- 't Geweldig krachthout. 't Waren hun gewoonten
- Van steeds ten strijde kant en klaar te wezen,
- In 't heir en thuis en tevens op elk tijdstip,
-1270 Wanneer de nooddwang voor den volksbeheerscher
- Zich op mocht werpen. [249] 't Was een wakkre schare.
-
-
-
-
-
-XX.
-
-
- Nu zegen zij ten slaap. Met wee bezuurde
- Er n [250] zijn avondrust; als 't menig reize
- Vergaan was, sedert Grendel hunne goudwoon
-1275 Bezette, wrevel zocht, totdat het einde
- Was opgedaagd, de dood na de euveldaden.
- Dit werd bemerkbaar, wijdbekend voor 't menschdom,
- Dat nog een wreker [251] leefde na den vijand,
- Nog langen tijd na 't kommervolle kampen. [252] {40}
-1280 Nu was 't daemonisch wijf, de moeder Grendels,
- Gedachtig zijnen dood, zij, welke de ijzing
- Der kolk [253], den kouden waterschoot bewoonde;
- Sinds Kan werd den broeder door het wapen
- Tot moordenaar, den zoon eens zelfden vaders.
-1285 Toen vlood hij vredeloos, door bloed gebrandmerkt,
- De wereldweelde en trok in wildernissen.
- Hier werden uit verwekt de ongure geesten.
- Van hen was Grendel n, de hatelijke,
- De zwaardgedoemde, die den man ontmoette,
-1290 Den wrekenden, in Heort, de worstling wachtend,
- Waar 't monster met hem handgemeen zou worden.
- Doch die [254] gedacht de veerkracht van zijn spieren,
- De reuzengift, die God hem had gegeven.
- Hij bouwde voor zich zelven op den bijstand
-1295 Des Albestuurders, op zijn steun en sterking.
- Hij kwam daardoor te boven dezen booze,
- Versloeg het helgedrocht. Toen droop het smaadvol,
- Van heil verstoken henen, hij, de vijand
- Des stervelings, de doodenstee te zoeken.-- [255]
-1300 Nu zocht daarbij vraatzuchtig, duisterzinnig
- Zijn moeder 't jammervolle pad [256] te volgen,
- Te wreken haren zoon. Zij kwam naar Heorot,
- Waar langs de woon [257] de Wapen-Denen sliepen.
- Den ridders overkwam nu ras een omkeer [258],
-1305 Zoodra naar binnen drong de moeder Grendels.
- Nochtans de vrees was minder groot dan vroeger,
- Zooveel als kracht en kampgrim van de vrouwen
- Tot strijders staat, als 't goudomgeven slagzwaard [259],
- De hardgeklonken kling, de bloedgekleurde,
-1310 Scherpvlijmig scheert den ever van de helmen.
- Het taaie zwaard werd in de hal getogen,
- De degen over hunne banken henen [260],
- Geheven menig schild met forsche handen
- Niet dacht aan helm, niet aan het groote harnas,
-1315 Wien overviel de vrees. [261] De vijand ijlde,
- Hij wilde weg van hier, het lijf behoeden,
- Nu dat hij was ontdekt. Toch greep hij gretig
- Een ridder [262] vast bij 't vluchten naar de venen.
- Dit was des konings meest beminde kamper
-1320 Van zijn gevolgschap bij de beide zeen,
- Een schrikbaar schildheld, dien hij doodde op 't leger,
- Een hooggevierde borst. Niet was er Beowulf;
- Want na de uitdeeling werd een andre woning
- Den Goot, den wijdvermaarden, aangewezen.
-1325 Geraas verrees in Heorot. Hij ontvoerde
- De roodbebloede hand, de wijdberuchte. [263]
- Het wee was weer vernieuwd in hunne woning.
- Niet deeglijk was de handel, dat de helden
- Betalen moesten met der makkers leven
-1330 De boozen beiderzijds [264]. De vorst [265], de vroede,
- De grijze wapenheld, was wild te moede,
- Toen levenloos hij wist den waardsten raadsman.
- In aller ijle werd uit zijne woning
- Gehaald de held, de zegeblijde, Beowulf.
-1335 Voor dag en dauw nog spoedde met zijn mannen
- De held zich heen, de koengestemde kamper,
- Alwaar de wijze Hrodgar zat te wachten,
- Of de Algebieder na die bange boodschap
- Hem ooit een wending wilde voorbewaren.
-1340 Hij stapte langs den vloer de wapenstoute
- Met zijnen drom, (het hout der halle dreunde)
- Den wijzen Denenheer met woorden welkom
- Te heeten, vroeg, of, naar zijn heusche wenschen [266],
- Voor hem ook heilvol was geweest de nachtrust.
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-
-1345 En Hrodgar sprak, de schermheer van de Schyldings:
- Naar welstand vraag me niet. De nood is weder
- Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aschere,
- Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder,
- Mijn alvertrouwde en raadverstrekker tevens,
-1350 Mijn zijgenoot, wanneer wij 't hoofd behoedden
- In 't veld, wanneer te zamen stiet het voetvolk,
- Helmevers stormden {41}. Zoo toch zij een strijder,
- Een ridder lang beproefd, gelijk was Aschere.
- Hem werd tot wurger in de hallewoning
-1355 De duistre doodsgeest. 'k Weet niet, waar de gruwbre
- Al bogend op den buit teruggereisde,
- Door 't rooven van de prooi alleen verraden. [267]
- Hij heeft aldaar op ons verhaald de veete,
- Omdat gij gistren nacht zijn Grendel dooddet
-1360 Op woeste wijs met harden handgreep; immers
- Die dunde en doodde reeds te lang mijn lieden.
- Hij viel in 't krijt, vervallen van het leven.
- Nu daagde een ander machtig euveldader,
- Het was zijn doelwit zijnen zoon te wreken,
-1365 En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. [268] {42}
- Diensvolgens mag het menig dappre dunken,
- Die naar den heerscher [269] haakt in zijne ziele,
- Een harde hartkwetsuur. Nu rust de rechte [270],
- Die willig was voor ieder uwer wenschen.
-1370 Dit hoorde ik landbewoners, {43} mijne lieden,
- Mijn zaalbewakers zeggen: dat ze een tweetal
- Van zulke reuziggroote grensbesluipers
- Gehuisvest zagen midden in de moeren,
- Twee menschenschuwe schimmen. De eene dezer
-1375 Scheen, naar hun beste weten, volgens 't wezen
- Een vrouw te zijn, terwijl de tweede wanmensch
- In mansgedaante op ballingswegen [271] doolde.
- Slechts was hij machtiger dan een der mannen.
- Hem heette Grendel sinds den grijzen voortijd
-1380 Het aardevolk. Zij kennen niet zijn vader,
- Noch of hem ooit ontsproten duistre daemons.
- Zij nestelen in ongenaakbre streken, [272]
- In wolfskrocht, windombruiste voorgebergten,
- Verraderlijke paden door moerassen,
-1385 Alwaar de bergvloed uit de omwolkte klippen
- Terneder stort, het stroomend nat bij de aarde.
- Niet wijd van hier, op weinig mijlen afstands
- Daar ligt het meer, waar rijpbeladen bosschen
- Zich overbuigen, wouden vast door wortels.
-1390 Ze omhuiven 't nat. Daar zal men alle nachten
- Een vreeslijk wonder zien, een vuur in 't water.
- Niet leeft een zoo diepzinnig zoon der menschen,
- Die zijnen bodem kent. Al zoekt, door honden
- In 't nauw gebracht, het hert, de heideganger,
-1395 't Geweigeweldige, het woud, van verre
- Verjaagd, veel liever levert dit zijn leven
- Eerst over, zijnen adem aan de zoomen,
- Dan dat het in wil, om zijn hoofd te hoeden.
- 't Is geen aanminnig oord, vanwaar 't gemengel
-1400 Der golven, 't zwarte, tot het zwerk opsteigert,
- Wanneer de winden wentlen norsche vlagen,
- Tot donker wordt de lucht, de transen weenen. [273]
- Bij U alleen berust alweer de redding.
- Nog kent gij niet de plaats, de plek, de nare,
-1405 Alwaar gij 't snoode wezen moogt ontmoeten.
- O, zoek het, zoo ge durft, 'k Vergeld met gaven
- 't Gevecht en ouden smuk, als 'k deed te voren,
- Met gouden ringen, zoo gij gaaf terugkomt.
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-1410 Zorg niet, hoogwijze vorst! 't Is elk gewenschter
- Te wreken zijnen vriend, dan veel te rouwen.
- Een ieder onzer zal het eind ervaren
- Van 't leven hier omlaag. Dat hij behale,
- Die daartoe is in staat, een naam vr 't sterven!
-1415 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. [274]
- Rijkshoeder, rijs! Welaan, met rassche schreden
- Gegaan, beschouwd den gang van Grendels moeder!
- Dit zeg ik toe: Zij zal zich niet onttrekken
- In eene schuilplaats, noch den schoot der aarde,
-1420 Noch in het berggeboomt, noch op den bodem
- Der golven, ga ze dan alwaar ze wille.
- Gij oefen nog geduld voor dezen dagstond
- Met ieder leed, gelijk ik u dit toewensch.
- Nu rees de grijze recht. Hij dankte Gode,
-1425 Den sterken Heer, voor 't geen de held daar zeide.
- Getoomd werd toen des konings ros, de klepper
- Met langgelokte manen. Statig stapte
- De wijze heerscher heen; de voetschaar volgde
- Der schildbeschutten. Verre was te schouwen
-1430 Langsheen de wegen van het woud het voetspoor
- Des vijands, zijne vlucht langsheen de vlakte,
- Alwaar hij wegsloop over 't donkre drasland
- En met zich bracht d'ontzielden man [275], den besten
- Van hen, die 't huis beheerden met den heerscher.
-1435 Nu toog der eedlen telg [276] langs steile steenklip,
- Langs enge steegjes, voor den stap eens enklen,
- Langs wegen nooit gekend, langs nauwe riffen
- En menig nikkerhuis. Aan 't hoofd der enklen,
- Der wijze lieden, ging hij [277] 't land doorvorschend,
-1440 Totdat hij eensklaps aantrof 't berggeboomte,
- Dat langs de grauwe rotsen overleunde,
- Het vreugdelooze woud. Daar lag beneden
- Het water bloedigrood en wildbewogen.
- Het viel den Denen al, den Schyldingsvrienden,
-1445 En menig held in 't hart wel zwaar te harden;
- Een rilling was 't voor ieder van de ridders,
- Toen ze Aschers hoofd ontmoetten op de meerklip.
- Van 't bloed, het heete hartbloed, woelde 't water.
- De helden zagen toe. Soms zong de horen
-1450 Een vaartree oorlogslied. De heele voetschaar
- Was neergezeten. Langs het water zagen
- Zij meer dan een van 't slag der monsterwormen,
- Ontzetbre zeegedrochten 't nat doorzoeken,
- Ook nikkers, in de rotskloof nederliggend,
-1455 Die tegen middagtijd gevreesde tochten
- Niet zelden ondernemen langs de zeilstraat [278],
- Gewormte en wild gebroed. Zij stoven woedend
- En opgetergd daarhenen, toen zij hoorden
- Het schel geschal, het klinken van den kamphoorn.
-1460 De Gootenvorst beroofde van het leven
- En 't zwemgedartel nen door den pijlboog,
- Dat hem in 't harte drong de scherpe heerschicht;
- En loomer, naar gelang de dood hem wegnam,
- Werd deze bij het zwemmen door de zeen.
-1465 Gezwind met eversprieten, scherp als zwaarden
- Geweerhaakt, werd hij fel benard in 't water,
- Om strijd bestookt en op het strand getrokken,
- De wondre golvenschudder. 't Volk beschouwde
- Den gruwbren gast. [279] Toen rustte in ridderkleeding
-1470 Zich Beowulf uit; niet beefde hij voor 't leven.
- Het handgevlochten, wonderglanzig harnas,
- Het breede, zou met hem de zee ervaren,
- 't Geen bergen kon zijn lichaam, dat de kampvuist
- Niet zijne borst, de sluwe greep des boozen
-1475 Zijn leven schaden mocht. Doch 't hoofd beschermde
- De helm, de heldre, die zich met de diepte
- Vereenen zou, het zeegewentel zoeken,
- Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven,
- Gelijk in 't lang voorheen hem had vervaardigd
-1480 De wapensmid, bewerkt op wondre wijze,
- Bezet met everzwijnen, z dat sedert
- Noch brand [280] noch degen hem vermocht te deren.
- Ook was de kling geen kleine steun der sterkte,
- Die tot behulp de spreker Hrodgars, Hunferd,
-1485 Hem had geleend. Het lemmer heette Hrunting.
- Dit eene stond vooraan bij de erfkleinooden;
- Van staal was 't zwaard en bruin van zwadderdroppen,
- Gehard in 't bloed. Geen held, dien 't ooit beschaamde
- In 't veld, die 't zwaaide met de vuist, angstwegen [281]
-1490 Betreden dorst, het volkrenveld des vijands.
- 't Verrichtte niet voor de eerste reize krachtdan.
- Voorzeker niet gedacht de zoon van Ecglaf [282],
- De koene aan kracht, alwat hij eerst beweerde,
- Beneveld door den wijn, nu dat hij 't wapen
-1495 Wou leenen aan gelukkiger een zwaardheld.
- Niet dorst hij zelf op 't spel het leven zetten
- In 't golfgestorm, een stoute daad voldingen.
- Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte.
- Niet stond het desgelijks gesteld met d'andre [283],
-1500 Toen deze zich gewapend had ter worstling.
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- Geheug u nu, o hooge spruit van Healfdeen,
- o Vroede vorst, nu 'k tot den tocht ben reede,
- o Vriend der vromen [284], wat wij vroeger spraken:
-1505 Indien ik eens in uwen dienst het leven
- Verlaat, dat gij voor mij [285], den overledene,
- Voortaan vervullen zult de plaats van vader,
- o, Wees de wachter van de wapenlieden,
- Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt,
-1510 En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
- De mij geschonken schatten heen aan Hyglac.
- Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen,
- De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
- Dat ik een meer dan milden goudbegever
-1515 Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde.
- En gij, mijn Unferd, laat het oude lemmer,
- Het kostbre, zware zwaard, het harde, hebben
- Een wijdberoemden held. [286] 'k Verwerf met Hrunting
- Mij roem, of anders rukt de dood mij mede.
-1520 Geweldig ijlde weg bij deze woorden
- Der Weder-Gooten [287] vorst; hij wachtte geenszins
- Het antwoord af. De vloed ontving den strijdheld.
- Wel eene stond' des dags verstreek [288] {44}, alvorens
- Hij 't bodemvlak bereiken kon der baren.
-1525 Nu werd terstond gewaar die honderd winters
- Strijdgierig had bewaakt den schoot der golven,
- De booze, vraatgeduchte, dat van boven
- Der menschen een naar 't oord der monsters vorschte. [289]
- Zij tastte toe en greep met gruwbre klauwen
-1530 Den wapenheld, doch wondde niet inwendig
- Het onverlette lijf. Dit borg van buiten
- Het ringkuras, dat [290] zij niet door kon rukken
- Den wapenrok, de welgevlochten halsberg,
- Met grimmige vuist. De zeewolvin ontvoerde
-1535 Der ringen heer, nu zij den bom bereikte,
- Naar hare woning, dat hij over 't wapen
- (Hem schoot de moed te kort) niet kon beschikken {45}:
- Want zwemmend drongen om hem veel gedrochten
- En menig zeedier tornde met den kamptand
-1540 Aan 't wapennet; zij zetten na den vijand. [291]
- Nu vond de vorst, hij was in zekre woning
- Der diepte, waar hem geene golven deerden,
- Noch wegens 't dak de valsche greep des waters
- Hem kon omknellen. Hij ontwaarde een weerschijn
-1545 Van vuur, een hellen gloed, die helder glansde. [292]
- Nu zag de dappre de wolvin der diepte,
- Het schrikbaar waterwijf. Hij schonk het slagzwaard [293]
- Een reuzenzwaai. Niet trokken zich terugge
- De handen tot den houw, zoodat de degen
-1550 Op haren schedel zong een hongrig kamplied.
- Toen ondervond de vreemde [294], dat de strijdstraal [295]
- Niet wilde vatten, noch het leven letten;
- Het lemmer liet den vorst in nood verlegen.
- Het had weleer getrotst zoo menig treffen,
-1555 De helmen vaak gekloofd, des veegen kampkleed.
- Voor 't eerste viel het voor aan 't prachtig pronkstuk,
- Dat nederlag zijn roem. Doch vastberaden,
- Den kamp niet moede, maar zijn dan gedachtig,
- Bevond zich nu opnieuw de neef van Hyglac.
-1560 Hij wierp 't gebloemde zwaard [296], 't juweelomwonden,
- De gramme strijder, dat het sloeg ten gronde,
- 't Staalsnedig, stevig zwaard. Op zijne sterkte
- Berustte hij, de handgreep zijner rechte.--
- Zoo moet een man voortvaren, welke in 't wapen
-1565 Zich onvergangbren lof begeert te garen;
- Niet schort hem 't eigen leven.--Bij den schouder
- Omvatte toen (niet vreesde hij de veete)
- De meester van de Gooten Grendels moeder.
- De kampgeduchte schudde, daar hij toornde,
-1570 Den levensvijand, dat die viel ten gronde;
- Doch deze gaf hem onverwijld vergelding
- Met gruwelijken klauw en greep hem tegen.
- De moegezwoegde [297] stiet den kampbestuurder
- Omver, den voetheld, dat hij kwam te vallen {46}.
-1575 Nu zat zij over hem, den zaalindringer,
- En trok de breede zas met bronzen lemmer;
- Zij zocht haar zoon, haar eenig zaad, te wreken.
- Op zijnen schouder lag 't geschakeld lijfnet;
- Dit borg nu zijnen boezem, want het weerde
-1580 Den toegang tegen alle spits of snede.
- Nu zou hij onder d'opgespalkten zeegrond
- Gewis bezweken zijn, de zoon van Ecgtheow,
- De Gootenheld, zooniet het oorlogsharnas
- Hem had geholpen, 't harde maliekolder,
-1585 De heilge God niet had bestuurd de zege.
- De wijze Heer, de Hemelheerscher, sliste
- Het licht naar recht, nadat hij [298] was gerezen {47}. [299]
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-
- Alsdan ontwaarde hij bij andre wapens
- Een zeegrijk zwaard, een oud rapier der reuzen,
-1590 Geducht van snee, der strijders sier. Het beste
- Der wapens was het; enkel woog het zwaarder
- Dan dat een ander krijger [300] tot het kampspel
- Het goed en schoon gigantenwerk kon voeren.
- Hij [301] vatte toen 't gevest, der Schyldings strijdwolf,
-1595 Hij zwaaide 't zwaard vergramd en ijzergrimmig,
- Het ringgetooide, reeds aan 't leven twijflend.
- Hij hieuw in 't wilde, dat het hard ten halze
- Naar binnen drong en brak de beenderwervels,
- Het lemmer 't veege lijf geheel doorvlijmde.
-1600 Ten bodem bonsde zij. Het staal was bloedig,
- En over 't werk verheugd de wapenkrijger.
- Nu bliksemde de kling [302]; vanuit haar binnenst
- Ontschoot een schemer, evenzoo als schittrend
- Vanaf den trans de hemeltoortse blikkert.
-1605 Nu blikte hij de halle rond en richtte
- Daarna zich naar den wand. Hij hief het wapen
- De dappre bij de handgreep, Hyglacs dienstman,
- Verwoed en vastberan. Niet was het wapen
- Van ondienst aan den slagheld, want hij wilde
-1610 Aan Grendel menig aangreep snel vergoeden,
- Door dezen aangedaan den Wester-Denen,
- Veel meer dan eene maal; toen hij van Hrodgar
- De haardgenooten sloeg in hunnen sluimer
- En vijftien in den slaap van 't volk der Denen
-1615 Verzwolg, een tweede vijftiental ontvoerde,
- Een gruwzaam offer. Doch hem gaf vergelding
- De onstuime held, tot waar hij afgestreden
- En zielloos Grendel liggen zag op 't leger,
- Gelijk voorheen de worsteling in Heorot
-1620 Hem toegetakeld had. Daarhenen rolde
- De romp, nu dat hij dulden moest na 't sneven
- Den strook, den zwaren slag van 't zwaard, en Beowulf
- Hem nederhieuw het hoofd. [303] De wijze helden
- Die, welke zagen naar de zee met Hrodgar,
-1625 Bemerkten nu aanstonds, dat heel de strooming
- Gemengeld bleek, met bloed geverfd de baren.
- De grauwgebaarde grijsaards onderhielden
- Zich al te gader over hem, den goede,
- Dat zij niet hoopten van den held, dat zeegrijk
-1630 Hij weer bezoeken zou den hoogen heerscher.
- 't Scheen menigeen, hem had gedood de meerwolf.
- Toen was het negende uur [304] des dags genaderd.
- Nu scheidden van de kaap de koene Schyldings,
- En huiswaarts ging van daar der helden schatvriend [305].
-1635 De vreemden [306] zaten droef van zin en tuurden
- Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden
- Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher.
- Nu ving het staal door 't bloed, door 't strijdgedruppel, [307]
- De slagbijl aan te slinken. 't Was een wonder,
-1640 Hoe 't gansch versmolt, als 't ijs, wanneer de Godheid
- De banden slaakt der vorst, de waterboeien
- Ontbindt, zij die gebiedt aan tijd en stonde.--
- De ware Schepper is 't.--Niet meerder schatten
- Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
-1645 Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen
- Met dat gevest van glimmend goud; [308] te voren
- Was 't zwaard verteerd, verbrand 't getogen lemmer:
- Zoo heet was 't bloed, de hellegeest zoo giftig,
- Die daar het lijf in liet. Gezwind ontzwom hij,
-1650 Die in 't gevecht den kampdood had ervaren
- Der boozen, dook naar boven door het water.
- Nu was geheel het golfgewoel gezuiverd,
- De wijde watervlakte, waar de daemon
- Zijn levensdagen achter had gelaten,
-1655 Het wuft bestaan. De steun der varenslieden
- Kwam kloekgestemd gezwommen naar de stranden.
- Nu praalde hij op zijne prooi der diepte,
- Het vrachtgevaarte, dat hij met zich voerde.
- Nu gingen hem te moet en dankten Gode
-1660 De stoute ridderstoet, vervuld van vreugde
- Om hunnen heer, nu zij hem heilvol zagen.
- Den opgewonden werden helm en harnas
- Nu dra ontnomen. Drabbig werd het water,
- De zeevloed onder 't zwerk en rood van 't bloedbad.
-1665 Zij ijlden voort van daar langsheen het voetpad
- Met lichten geest. Zij maten weer de landstraat,
- Den welbekenden weg. De koene mannen
- Vervoerden nu het hoofd van 't voorgebergte:
- Iets moeitevols voor elk der moedvervulden.
-1670 Al zwoegend moesten vier op hunne veldspeer
- Het hoofd van Grendel dragen naar de goudhal,
- Totdat zij ras het zaalgebouw bereikten
- De veertien [309] dappre kampgeduchte Gooten,
- En op het mederf [310] begaf kloekmoedig
-1675 Zich in hun midden voort de mannenheerscher.
- Daar kwam hij ingegaan de krijgerkoning,
- De man, door daden koen, door moed verheerlijkt,
- De slaggeharde held, te groeten Hrodgar.
- Nu werd het hoofd van Grendel bij de haren
-1680 Ter woon gedragen, waar de mannen dronken,
- Den ridders vreeslijk [311] als der edelvrouwe.
- De mannen zagen naar het zeldzaam schouwspel.
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- Voorwaar, o Healfdeens zoon, o heer der Schyldings,
-1685 Wij brachten vroolijk tot een zegeteeken
- U dezen zeebuit, dien gij hier bezichtigt.
- 'k Volvoerde 't nauwlijks met gevaar van 't leven:
- Ter nauwernood in 't worstlen onder 't water
- Bestond ik deze daad. Mij was het strijden
-1690 Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had.
- Niets werkte ik uit met Hrunting in de worstling,
- Schoon deugt de degen; maar de Heer der menschen
- Verleende mij, dat 'k aan den muur zag hangen
- Een vonkelglanzig, oud, geweldig wapen;
-1695 (Hoe vaak geleidde Hij de vriendenloozen!)
- Dit drilde ik tot geweer. Ik doodde in 't worstlen
- (Daar gunstig was de kans) der woning wachters [312].
- Het kampzwaard teerde weg, 't getogen lemmer
- Op 't oogenblik, waarop het bloed ontspatte,
-1700 Het heetste wapenvocht. Van daar ontvoerde
- Ik aan den vijand dit gevest. Zoo wreekte
- Ik de euveldan, de doodskwaal van de Denen,
- Gelijk het paste. Dit beloof ik heden:
- Gij kunt in Heorot slapen onbekommerd
-1705 Met uwer helden stoet en elken strijder
- Van uwe mannen, meerderen of mindren;
- Zoodat gij niet meer noodig hebt te duchten,
- o Denenvorst, van dezen kant de doodskwaal,
- Gelijk gij vroeger deedt, voor uwe lieden.
-1710 Nu werd den ouden held de gouden handvat,
- Het grijze wapenhoofd [313], ter hand gegeven,
- 't Aloud gewrocht der reuzen. [314] Dit geraakte
- Nu in 't bezit, dit werk der wondersmeden,
- Des Denenvorsten, na den val der duivels.
-1715 De wrevelzieke man, Gods tegenwrijter,
- Had moordbelan verlaten deze wereld,
- Zijn moeder mee. Nu viel 't te beurt den waardsten
- Der wereldvorsten bij de beide zeen,
- Die schatten deelden op het Schedeneiland [315].
-1720 Toen zeide Hrodgar;--hij bezag de handgreep,
- Het oude stuk, waarop 't ontstaan des voorkamps [316]
- Was ingegrift. Alsdan versloeg de deining,
- Het overstroomend nat de reuzenstammen.
- Zij bleken boos. 't Geslacht het was weerbarstig
-1725 Den eeuwgen Heer. Des gaf hun de Albeheerscher
- De slotvergelding door den vloed der golven. [317]
- Op 't hechtbeslag van heerlijk goud was tevens
- Beteekend, trouw gezet, gezegd in runen [318],
- Voor wien eerst was bewerkt de keur der klingen
-1730 Met slankgewrongen, slangomslongen handgreep. [319]--
- Toen nam het woord [320] de wijze zoon van Healfdeen,
- En ieder zweeg:
- Voorwaar, dit zal hij zeggen,
- Die onder 't volk bevordert recht en waarheid,
- Van ver het gansch gedenkt, als grijze goedsheer,
-1735 Dat deze dappre beter [321] werd geboren.
- Langs wijde wegen is, mijn beste Beowulf,
- Uw roem gevaren over alle volken.
- Gestadig waakt gij op dit alles: sterkte
- En wijsheid van 't gemoed. U wil 'k bewijzen
-1740 Mijn dankbaarheid, als wij voorheen bespraken. [322]
- Gij zult nog lang uw lieden tot vertroosting,
- Tot hulp uw helden zijn. Niet zoo was Heermod [323]
- Voor 't zaad Ecgwela's, voor de Zege-Schyldings.
- Niet groeide hij tot lust der Denenlieden,
-1745 Maar wel tot lijkenval en stervenslijden.
- Dolzinnig doodde hij de dischgenooten,
- Zijn schoudermakkers, tot hij eenzaam scheidde [324]
- De hooge heerscher, ver van 't heldenwoelen.
- Ofschoon een machtig God hem met de weelde
-1750 Der heldenkracht en sterkte had verheerlijkt
- En over alle mannen heen verheven,
- Toch groeiden in zijn borst bloedgierige tochten.
- Hij deelde geene ringen [325] aan de Denen,
- Als hun gewoonte was: verweesd van vreugde
-1755 Ervoer hij, dat hij drang om zijn vervolging
- Te harden had, het eindelooze lijden. [326]
- Gij, leer hieruit en grijp naar mannengrootheid.
- Ik sprak, door jaren wijs, voor u die spreuken.
- Een wonderbare zaak is 't om te zeggen,
-1760 Hoe dat een machtig Schepper aan het menschdom
- Uit milden grootzin wijsheid geeft en woning
- En heldenhoogheid. Hij gebiedt aan alles.
- Somwijlen laat Hij zijnen zin in liefde
- Ontvonken voor een man van hoogen huize {48}.
-1765 Hij geeft hem op zijn goed 't genot der aarde,
- Om op der helden heerschersburg te huizen;
- Hij [327] onderwerpt hem zoo der wereld deelen,
- De groote rijken, dat hij zelf [328] de grenspaal
- Zich wegens 't onverstand niet voor kan stellen.
-1770 Hij leeft in overvloed; niets kan hem letten,
- 't Zij krankte of ouderdom; vervolgingskommer
- Benevelt niet den zin; noch kamp, noch zwaardhaat
- Vertoont zich, waar 't ook weze; maar de wereld
- Zij wendt zich naar zijn wil. Hij kent geen onspoed;
-1775 Tot de overmoed inwendig wast en woekert;
- De hoeder [329] sluimert dan, der ziele herder,
- De slaap is diep, geketend door vermoeidheid,
- De moorder [330] zeer nabij, die met den pijlboog
- Zal wonden op verraderlijke wijze.
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-
-1780 Dan zal hij in den boezem zijn getroffen
- Door scherpe schichten onder 't helmbeschutsel [331].
- Niet kan hij zich vrijwaren van de zonde
- Door 't wondervol gebod des boozen geestes [332].
- Hem lijkt wat hij te lang bezat te luttel.
-1785 Nu schraapt hij stuurschgestemd, hij schenkt uit praalzin
- [333]
- Geen gouden ringen; hij vergeet, verwaarloost
- Zijn later lot, omdat hem God, de uitdeeler
- Der glansen, vroeger gaf onmeetbre glorie, [334]
- 't Gebeurt ten leste, dat het broze lichaam
-1790 Te zamen zinkt en dat vervalt het veege.
- Een ander erft het rijk, die zonder rouwen
- De have kwist, des eedlen kostbaarheden,
- En zich aan later zorg niet laat gelegen,
- o, Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
-1795 Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,
- En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend [335] welzijn.
- Betracht geen overmoed, vermaarde kamper!
- Een tijdlang tiert de volheid van uw krachten;
- Maar 't draagt weldra zich toe, dat zwaard of ziekte
-1800 U rooven uwe kracht, hetzij de omkronkling
- Der vlammen, of het zwalpen van de vloeden,
- Hetzij de greep van 't zwaard, de vlucht der werpspies,
- De gruwe grijsheid, of de glans der oogen
- Verdwijnt en taant. Dan schielijk zal't geschieden, [336]
-1805 Dat u, den legerman, de dood vermeestert. [337]
- Zoo heerschte ik honderd halve jaren over
- De Harnas-Denen onder 't dak des hemels
- En hoedde hen voor strijd met vele stammen
- Dit aardrijk langs door esschelans en lemmer;
-1810 Zoodat ik onder 't wulfsel van de wolken
- Voor mij niet eenen tegenstander telde.
- Gewis, mij overviel daarom een wending
- Op 't stamgoed, smart na vreugde, sedert Grendel, [338]
- De aloude vijand, werd mijn woonbezoeker.
-1815 Voortdurend droeg ik onder die verdrukking
- Geweldig hartewee. De Schepper weze
- Geloofd, der eeuwen Heer, dat ik beleve
- Op mijnen ouden dag, met dees mijn oogen
- Te blikken naar het hoofd [339], het zwaardbebloede,
-1820 Na 't oude zeer. Begeef u naar uw zetel
- En deel in 't dischgenot, o krijgsbekroonde.
- Wel menig schat zal zijn gemeen ons beiden,
- Zoodra de morgen aanbreekt.
- Wel te moede
- Was nu de Goot en ijlings ging hij verder
-1825 Zijn zetel zoeken [340], als beval de vroede.
- Den krachtgevierden werd alweer, als vroeger,
- Een weidsch onthaal bereid, den halbezetters,
- Een nieuwe reis. De nachtelijke hulle,
- De duistere, verdonkerde zich over
-1830 Het wapenvolk. De ridders rezen allen.
- De grauwgelokte wilde 't leger zoeken,
- De grijze Schylding. Ook den Goot, den schildheld,
- Den wijdberoemden, lustte 't zeer te rusten.
- Den strijdvermoeiden man, den verontstamden,
-1835 Geleidde fluks van daar een halbediende,
- Die naar het hofgebruik in elke nooddruft
- Eens ridders zou voorzien, gelijk de zeelin [341]
- Gedurende den dag behoefte hadden.
- Hij rustte de eelgezinde. Ruim, goudglanzig
-1840 Verrees de bouw; de vreemde sliep er binnen,
- Totdat de donkre raaf [342], verheugd van harte,
- Des hemels weelde weder kwam verkonden.
- Daar gleed de zonne glanzend over 't aardrijk;
- De weerbren ijlden. De edellieden waren
-1845 Gereed terug te varen naar hun volksstam.
- De vreemdeling, de hooggestemde, haakte
- Om ver van daar zijn vaartuig weer te vinden.
- De held beval nu Hrunting voor te brengen,
- Verzocht aan Ecglafs zoon [343] het zwaard te nemen,
-1850 Het dierbre staal; hij dankte voor 't geleende {49}
- En zei, hij schatte dit geschikt een kampvriend
- En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
- Van 't staal met woorden. 't Was een moedig strijder! [344]
- Als nu de reisverheugde kampers reede
-1855 In 't harnas stonden, stapte hij, de heerscher [345],
- Den Denen dier, ten troon, alwaar de tweede
- Slagwakkre man verwijlde, en groette Hrodgar.
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- Wij, zeebezeilers, willen thans u zeggen
-1860 Wij, wijdbereisden, dat we wenschen Hyglac
- Terug te zien. Wij zijn als 't voegt ontvangen [346]
- Naar wil en wensch; gij waart ons toegenegen.
- Indien ik eenigszins op deze wereld
- Nog meer uw hartemin vermag te winnen,
-1865 o Heer der dappren, dan ik deed tot dezen
- Door wapendan, ik sta aanstonds wilvaardig.
- En zoo ik dit aan gene zij der zeen
- Verneem, dat u bestookt met strijd de nabuur,
- Gelijk voorheen de haatgezinden [347] deden,
-1870 Zoo zal ik duizend mijner dappren brengen,
- Der helden, tot uw hulp. Wat Hyglac aangaat,
- Den Gootenvorst, ik weet, hoe jong hij weze,
- Dat hij, der volken herder, mij zal helpen
- Met raad en daad; zoodat ik ruk ter heervaart
-1875 En 't wapenhout [348] tot hulp, tot steun der sterkte
- U breng, indien ge hebt gebrek aan mannen.
- Zoo Hrederic, de vorstenzoon, zich voorneemt,
- Der Gooten burgen eens te gaan bezoeken, {50}
- Zoo zal hij vele vrienden ginder vinden.
-1880 Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
- Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. [349]
- En Hrodgar voegde toe, hem tot een antwoord:
- Die redevoering gaf de wijze Godheid
- U in 't gemoed. Van geenen man nog hoorde
-1885 Ik op die jonge jaren [350] rijper rede.
- Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
- Aan woorden wijs. Ik koester dus verwachting
- Dat--zoo het eens geschieden zou, dat werpspies
- Of staalverwoede strijd den zoon van Hredel [351]
-1890 Wegrukken zal, hetzij dan ziekte of ijzer,
- Den herder van het volk en uwen heerscher,
- En gij in leven zijt--dat dan de Zee-Goot
- Geen beter heer dan u tot schatbehoeder
- Der helden heeft te kiezen, zoo te heerschen
-1895 Gij mocht verlangen over 't rijk der magen. [352]
- Mij, beste Beowulf, lijkt uw moed hoe langer
- Hoe meer. Gij hebt gemaakt, dat voor de volken,
- De Gootenlin en lansgeduchte Denen,
- Gemeenbezitting wezen zal de vrede;
-1900 De strijd gestaakt en de overvallingsveete,
- Die ze eer bezuurden; dat hij zal verblijven,
- Zoolang ik 't uitgestrekte rijk besture,
- Gemeen de schat, en menigeen den andre
- Met giften over 't duiklaarsbad [353] zal groeten. [354]
-1905 De staalomwonden kiel zal over 't water
- De gaven brengen met de gunstbewijzen.
- Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
- Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
- In alles zonder blaam, naar de oude zeden.
-1910 Toen schonk hem bovendien de schuts der ridders,
- Hij Healfdeens zoon, een twaalftal kostbaarheden.
- Hij hoopte, dat hij met die gaven heilvol
- Zijn trouwe volkslin weder zoude vinden
- En ras teruggekeeren. Hierop kuste
-1915 De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
- Der helden besten, zijnen hals omvattend.
- Den zilvergrijze zegen neer de tranen,
- Verwachting was er voor den ouden wijze
- Van alle twee, nochtans van 't andre sterker [355]:
-1920 Dat zij voortaan, de bouden bij de toespraak [356],
- Elkander nimmer zouden kunnen weerzien {51}.
- Hem was de man zoo waard, dat hij de woeling
- Des harten niet vermocht in toom te houden;
- Maar in de borst, besloten in de boeien
-1925 Van zijn gedachten, haakte stil de heerscher, [357]
- Ondanks het bloed [358], naar dezen dierbren krijger.
- Trotsch op de schatten trok de kampheld Beowulf,
- Verheugd om 't goud, nu henen langs de graszoo.
- Het waterros, dat op het anker rukte,
-1930 Verwachtte zijn bezitter. Onderwege
- Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar.
- Een eenig heerscher was 't, geheel onlaakbaar,
- Tot hem 't genot der kracht ontnam de grijsheid,
- Die menigmaal zoovelen heeft vermeesterd.
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-
-1935 Nu kwam aan 't strand der dappren stoet [359], der helden
- Zij droegen 't ringnet, hun gevlochten rusting
- Der leden. Weder sloeg de landwacht gade
- De komst der krijgers, als hij deed voordezen.
- Niet met gegrauw begroette hij de gasten
-1940 Vanaf de rotskaap, maar hij reed hen tegen
- En zei, dat zij, de glansomgeven gasten, [360]
- Den Wederlieden welkom scheepwaarts schreden.
- Toen werd op 't oeverzand de ruime zeeboot
- Met strijdgewaad bevracht, de stalen steven,
-1945 Met smuk en paarden. Boven Hrodgars puikschat
- Verhief de mast zich. Beowulf schonk den hoeder [361]
- Van zijne boot een zwaard, met goud gebonden,
- Dat deze sedert des te meer ter meebank
- Werd hooggeschat om dit geschenk, dit erfzwaard.
-1950 Nu klom hij op het zeeschip, om te klieven
- Den diepen vloed, verliet het land der Denen.
- Een zeegewaad, een zeil, gesnoerd door zeelen,
- Bevond zich aan den mast. Het meerhout dreunde
- En langs den vloed belemmerden de winden
-1955 Den zeebeschrijder niet in zijne reize.
- De golvenganger toog; schuimhalzig scheerde
- Hij langs de baren voort, 't gebonden vaartuig,
- Langs 't zeegetuimel; tot men zag de klippen
- Der Gooten met de goedbekende kapen.
-1960 Naar boven drong de boot en windomwarreld
- Stond zij nu op het strand. De havenhoeder
- Bevond zich onverwijld gereed aan 't water,
- Hij welke, wachtend op de lieve lieden,
- Zoo menigmaal te voren in de verte
-1965 Had uitgekeken bij de waterkolken.
- Hij meerde vast het breedgeboezemd vaartuig
- Op 't strand met ankertouw, opdat de stuwing
- Des vloeds hun niet de kostbre kiel ontvoerde.
- Hij heette toen der edellieden have,
-1970 Het keurkleinood en bladgoud op te brengen.
- Men had niet ver van daar den schatuitdeeler
- Te zoeken: Hyglac, Hredels zoon, verwijlde
- Er zelve metterwoon en met de mannen
- Nabij den zoom der zee. Het huis was heerlijk.
-1975 Geweldig was de heerscher, hoogverheven
- In zijne halle. Hygd [362] was uiterst jeugdig
- En wijs en hoog van zin, schoon Hreds dochter
- Geschouwd had weinig winters onder 't schutsel
- Des burgs. Niet was zij evenwel gemeenzaam,
-1980 Noch voor het Gootenvolk met giften karig
- En schatgeschenken.--Thrydo [363] daarentegen
- Zij voedde toorn de schoone volksgebiedster
- En vreeselijke wraak. Niet dorst een dappre
- Het wagen van haar trouwe lijftrawanten,
-1985 Tenzij haar echtheer, dat hij haar in de oogen
- Des daags bestaarde, daar zij hem de doodsboei,
- Gestrengeld door de hand, bestemde en oplei.
- Daarna, na deze hechtenis, was spoedig
- Het staal bestemd, zoodat het doodlijk wapen
-1990 Beslissen moest, het moordbedrijf vermelden. [364]
- Niet zulks is maagdenzede, voor een vrouwe
- Niet uit te voeren, schoon zij door haar schoonheid
- Ook eenig weze, dat de vredeweefster [365]
- Een waarden krijger, naar vermeende krenking,
-1995 Naar 't leven staat. Wis stuitte 't Hemings bloedmaag [366]
- Want bij den bierdronk zeiden zij iets anders [367]
- Dat zij berokkende geringer gruwlen [368]
- En listig leed, nadat de goudgedoste
- Van hoogen stam ten huwlijk werd gegeven
-2000 Een jeugdig held, nadat zij Offa's halle [369]
- Op reis bereikt had langs de vale vloeden,
- Naar vaders raad. Sindsdien vervulde deze
- Op haren heerschersstoel op waarde wijze
- Het levenslot, vermaard om hare mildheid.
-2005 Den heldenvorst [370] bewees zij hooge liefde,
- Der menschen besten, volgens mijn ervaren,
- Der menschenzonen bij de beide zeen.
- Hierdoor was Offa door zijn dan en giften,
- Een speerbehendig man, alom verheerlijkt.
-2010 Hij hield 't bewind met wijsheid over 't erfland.
- Uit hem ontsproot, tot hulp der helden, Eomaer,
- Maag Hemings, Garmunds neef, de sterke in 't strijden. [371]
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-
- Nu ging de held [372] met zijne handgezellen
- Zelf langs het zand, den zoom der zee betredend.
-2015 De wereldtoorts, de zonne, scheen zich wendend
- Vanuit het Zuid [373]. Zij zetten voort de voetreis
- En schreden duchtig door, tot waar zij wisten,
- Dat binnen in den burcht de hulp der helden,
- Verwinnaar Ongentheows [374], de wapenkoning
-2020 De jonge, kampgeduchte, ringen deelde.
- Dan ras was Beowulfs komst bericht aan Hyglac:
- Dat op het erf aldaar de stut der stouten,
- Zijn schildvriend, hofwaarts kwam geschreden, levend
- En gaaf van 't wapenspel. Nu werd er spoedig,
-2025 Gelijk de vorst gebood, een zaal van binnen
- Den voetbereisden gasten opgeredderd.
- Daar zat hij nu [375] hem zelven tegenover
- Hij, welke vele kampen had bevochten,
- Maag over maag, nadat de mannenkoning [376]
-2030 In hooge taal den trouwe had verwelkomd
- Met weidsche woorden. Met de medekannen
- Begaf zich Hareds dochter [377] langs den halbouw;
- Zij stond den lieden lief ten dienst en stelde
- Ter hand de wijnschaal aan de Heide-Gooten.
-2035 En Hygelac begon ter hooge halle
- Op hoofsche wijs zijn huisvriend te ondervragen.
- De lust hem ledebraakte [378], welke waren
- Geweest de tochten van de Water-Gooten.
- Hoe ging het u op reis, mijn goede Beowulf,
-2040 Toen ge onverwachts besloten waart, om verre
- Den strijd te zoeken over 't zilte water,
- Den kamp in Heorot? Hebt gij dan bij Hrodgar,
- Den hoogen heerscher, eenigszins verholpen
- Het wijdberuchte wee? Om deze reden
-2045 Verduwde ik leed bij 't deinen van de zorgen.
- Den tocht des waarden mans betrouwde ik weinig;
- Ik bad u menigwerf, dat gij den moordgeest
- Volstrekt niet zoeken zoudt en in 't bestrijden
- Van Grendel liet begaan den Zuid-Deen zelven.
-2050 God weet ik dank, u welbewaard te schouwen.
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- o Heerscher Hygelac, niet bleef verholen
- Aan menig man het wijdvermaarde treffen,
- Wat oorlogstijd er tusschen mij en Grendel
-2055 Ontstond op gene stede, waar hij ween
- In groote menigt schiep den Zege-Schyldings
- En hoon voor 't leven, 'k Heb het al gewroken,
- Dat geen van Grendels broed op aard mag brallen
- Op gindschen uchtendgil [379], die veenomvangen
-2060 Het langst van 't hatelijk geslacht zal leven.
- Eerst ging ik Hrodgar groeten in de ringzaal;
- Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
- Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen
- Van mijn ontwerp. De schare was in weelde;
-2065 Nog nooit ontwaarde ik onder 't hemelwulfsel
- Bij hallevrienden grooter medevreugde.
- Bij wijlen ging der volken vreeverwante [380],
- De statige vorstin, langs heel de halle,
- Aanmoedigend bij 't maal de jonge mannen,
-2070 En menig reis bedeelde zij een ridder
- Met ringsmuk, eer zij heenging naar de rustbank.
- De dochter Hrodgars [381] bood somtijds de bierschaal
- Den hoofden aan, den helden aan de slagspits.
- Ik hoorde deze door de hallegasten
-2075 Freaware heeten, waar zij knopjuweelen
- Den helden gaf. De jonge, goudgehulde
- Was toegezegd den eedlen zoon van Froda [382].
- Het had den Schyldingsvriend [383] zoo goed geschenen.
- Den hoeder van het rijk, en tevens rekent
-2080 Hij 't eene winst, dat hij door deze weerhelft
- De moordwraak, vele veeten mocht beslechten. [384]
- Niet zelden, maar te dikwerf rust de moordspeer
- Een korte wijle na den val des konings, {52}
- Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen.
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-
-2085 Dan mag 't hierom den heer der Headobarden [385]
- En ieder krijger zijner lieden krenken,
- Als hij de zaal betreedt met zijne gade [386],
- En van de Denen daar een edel krijgsknaap
- De schare heeft bediend. [387] Aan dezen schittert
-2090 Des vaders heertuig [388], hard, verrijkt met ringen,
- De kostbre have van de Headobarden,
- Zoolang zij heerschten over hunne wapens;
- Totdat zij wierpen in het schildgeworstel
- De lieve makkers met hun eigen leven.
-2095 Dan spreekt bij 't bier hij, die bespeurt de halsboot,
- Een grijze lansheld [389], wien geheugt het gansche,
- Der trouwen speerdood, (toornen zal zijn ziele)
- En duisterzinnig vangt hij aan de denkwijs
- Des jongen krijgerkonings [390] te ondertasten
-2100 Door zijner ziele zucht, en dan de kampkwaal
- Te wekken en hij spreekt zich uit in woorden:
- Kunt gij, mijn vriend, nog dezen vochtel kennen,
- Dien onder 't legermasker voor het laatste
- Uw vader in 't gevecht eens met zich voerde.
-2105 De kostbre kling, als hem de Denen doodden,
- Als 't veld behielden na den val des helden
- (Sinds schoot de wraak tekort) de koene Schyldings?
- Nu stapt de zoon van eenen zijner moorders
- Hier door de halle, trotsch op zijne tooisels,
-2110 Nu praalt hij op den moord en draagt het pronkzwaard,
- Hetgene gij rechtmatig moest bezitten.
- Zoo maant, herinnert hij hem telken male
- Met stekelwoorden, tot de stond eens aanbreekt,
- Dat bloedig inslaapt bij den beet der zwaarden
-2115 En levenloos de dienaar van de vrouwe [391]
- Voor 's vaders dan. Vandaar ontduikt de tweede [392]
- Nog onverlet, hij kent het land ter dege.
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
-2120 En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft [393]
- Door 't zorggezwalp. Des houd ik niet de hulde,
- Der Headobarden heertrouw tot de Denen
- Voor argeloos, {53} noch vast gevest hun vriendschap. [394]
- Ik wil nu verder weer van Grendel spreken,
-2125 Opdat u gansch verneemt, o goudbegever,
- Hoe voorts verliep het vuistgestorm der kampers.
- Zoodra 't juweel der transen [395] was getrokken
- Langs 't aardrijk, kwam de vreemdeling, de kwade,
- De leede nachtbelager ons bestoken,
-2130 Alwaar wij wel te moe de zaal bewaakten.
- Verderflijk viel een kamp ten deel aan Hondscio [396],
- Geweldig sterven aan den doodbestemde.
- Hij sneefde 't eerst de staalomgorde strijder:
- Met zijnen muil werd Grendel tot den moorder
-2135 Van mijn vermaarden maat. Hij zwolg het lichaam
- Des lieven mans geheel. Met leege handen
- Nochtans verlangde toen nog niet bloedtandig
- De wurger, tuk op moord, de woon te ontwijken;
- Maar waagde zich aan mij, de woeste aan krachten.
-2140 Vuistgretig greep hij toe. Hem hing een handschoen [397],
- Zeer wijd en wonderbaar, door tooverbanden
- Bevestigd. Deze was met kunst vervaardigd
- Uit drakevellen door des duivels toedoen.
- Hij wilde mij, de gruwbre wanbedrijver,
-2145 Met menigeen daarbinnen schuldloos bergen.
- Niet kon hij 't evenwel, zoodra ik woedend
- In volle lengte rees. Te lang zal 't wezen
- Te zeggen, hoe ik dezen volksverheerder
- Voor ieder euveldaad het loon uitdeelde.
-2150 Ik heb, mijn vorst, uw volk [398] aldaar verheerlijkt
- Door 't wapenfeit. Hij droop dan weg en luttel
- Genoot hij nog de vreugde van het daarzijn.
- Zijn rechterhand nochtans verried zijn sporen
- In Heort, en hoonvol zonk, in 't hart verbitterd,
-2155 Hij naar den bodem van de zee te zamen.
- De Schyldingsvriend beloonde dezen lijfkamp
- Mij mild met goud en menigte juweelen,
- Nadat de morgenschemer was verschenen,
- En wij gezeten waren aan het feestmaal.
-2160 Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
- Vertelde uit vroeger tijd naar menig vorschend.
- Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
- De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
- Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
-2165 Ofwel de grootgezinde koning zette
- Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid. [399]
- Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
- Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
- Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,
-2170 Wanneer, door winters wit, hij 't aantal nadacht. [400]
- Wij vonden zoo gezelschapsvreugd daarbinnen
- Den ganschen dag [401], tot daalde een tweede nachtstond
- Op 't menschenkroost. Toen was alweer de moeder
- Van Grendel ras gereed tot leedvergelding.
-2175 Daar toog zij troosteloos: de slagdood sleepte
- Haar zoon daarheen, de wapenhaat der Weders.
- Zij wreekte haren zoon 't ongure zeewijf:
- Een ridder doodde zij op ruwe wijze.
- Voor Ascher ging te loor, den grijzen raadsman,
-2180 Den langbeproefden, 't licht. De Denenlieden
- Zelfs konden niet, nadat de morgen naakte,
- Verbranden in den brand den levenlooze,
- Noch laden op de mijt den lieven makker:
- Zij had ontvoerd in haren arm het lichaam
-2185 Des vijands {54} onder aan den val des bergstrooms.
- Voor Hrodgar was 't het wreedste aller ween,
- Dat trof sinds langen tijd den volksgeleider.
- Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
- Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel,
-2190 Blootstelde mijn bestaan, iets dappers dede.
- Het loon beloofde hij. Ik vond vervolgens
- Den wilden, gruwelijken grondbewaker
- Der wijdbekende kolk. Een tijdlang waren
- Wij handgemeen. Bloedschuimig sloeg de meervloed.
-2195 Toen hieuw ik af het hoofd in gene grondwoon
- Aan Grendels moeder met het wichtig wapen.
- Ik droeg van daar zoo licht niet weg het leven.
- Nog was ik niet bestemd om dan te sterven;
- Maar mij beschonk alweer de schuts der ridders
-2200 Met macht van kostbaarhen, de zoon van Healfdeen.
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-
- Zoo leefde naar het voegt de volksgebieder.
- Volstrekt niet ging mij 't loon, de prijs verloren
- Der heldenkracht, maar Healfdeens zoon bedeelde
- Met zijne schatten mij, tot mijn beschikking.
-2205 Die haak ik u te brengen, heer der mannen,
- Eerbiedig aan te bin. Geheel mijn hulde
- Zij wendt zich weder uwaart [402] {55}. Hoofdverwanten
- Bezit ik luttel meer, tenzij u, Hyglac [403].
- Het everbeeld gebood hij in te brengen,
-2210 De hoofdbanier [404] {56}; het kampbeheerschend hoofdscherm,
- Het stalen harnas met uitstekend strijdzwaard,
- En sprak dan 't woord:
- Hrodgar, de wijze koning,
- Gaf mij dit krijgsgewaad; hij wenschte woordlijk,
- Dat ik vervolgens zei diens wedervaren,
-2215 En hij verhaalde, dat de heer der Schyldings,
- Vorst Heorogar [405], het lange had bezeten.
- Toch wilde die aan Hereward, den koenen,
- Zijn zoon, niet schenken deze borstbeschutting,
- Al schatte hij hem hoog. Gebruik het heilvol.
-2220 'k Vernam, dat na die schatten vier genetten,
- Gelijk en appelvaal, op 't voetspoor [406] volgden.
- Van ros en have deed hij Hyglac hulde.--
- De magen moeten zich alzoo gedragen,
- Geen net der valschheid voor den andre vlechten,
-2225 Noch 's makkers dood bereiden door een toover.
- Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel,
- Aan dezen was de neef geheel genegen.
- Elk hunner was des andren heil gedachtig.--
- Ik hoorde, dat hij schonk aan Hygd den halsring [407],
-2230 Het kunstig wonderwerk, waarmee hem Welchtheow,
- De vorstendochter, had bedeeld; daarboven
- Een drietal slanke, goudgezaalde dravers.
- Versierd was sinds na 't bootgeschenk haar boezem.
- 't Is zoo, dat Ecgtheows zoon zich onderscheidde,
-2235 De kampvermaarde man, door dappre daden.
- Hij leefde volgens eer en velde geenszins
- De met hem aangezeten haardgezellen.
- Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
- Bewaakte met de meeste macht eens menschen
-2240 De reuzengave, hem door God geschonken [408] {57}.
- Hij leefde lang verguisd, zoodat de Gooten
- Hem in 't geheel niet hielden voor heldhaftig,
- En hem de heer der manschap bij de meebank
- Iets koens niet waardig keurde. Zeker waanden
-2245 Zij, dat hij was te loom, een weerloos eedle.
- Een keer gewerd den luisterrijken kamper
- Voor elken hoon. [409] De schuts der ridders, Hyglac,
- De kampberoemde koning, liet het lemmer,
- Met goud belegd, van Hredel binnenbrengen.
-2250 Alsdan bevond zich in den vorm van slagzwaard
- Geen waarder goudgewrocht bij al de Gooten.
- Hij lei 't in Beowulfs schoot en schonk een landmaat [410]
- Van zeven duizend, burcht en koningszetel.
- Hun beiden, bij het volk, was 't land vervallen
-2255 Met grondbezit en recht op 't erfgoed rustend.
- Den tweede [411] viel, den beste van geboorte,
- Er meer, de breede koningsmacht ten beste.-- [412]
-
- Dit viel vervolgens bij de strijdonstuimen [413]
- In later dagen voor: Sinds Hyglac neerlag,
-2260 En Heardred [414] het heirzwaard onder 't schilddek
- Geworden was tot dooder--daar de Schilfings [415],
- De stoute krijgerhelden, hem bestormden
- In 't midden van zijn zegevolk [416] en dezen,
- Den neef van Hererik [417], door kamp benarden--
-2265 Sinds raakte 't breede rijk in Beowulfs handen {58}.
- Wel vijftig winters [418] heerschte deze heilvol,
- (Toen was 't een wijze vorst, een grijze goedsheer)
- Totdat alsdan begon bij duistre nachten
- Een draak te heerschen, die een schat behoedde,
-2270 Een steile steenrots op de hooge heide.
- Een steegje lag benen, vermoed door niemand.
- Een dienstman, 'k weet niet welke, dook er binnen;
- Begeerlijk greep hij naar het goed des heidens [419],
- Zijn vuist ontvoerde een vaas met gelen goudglans.
-2275 Nochtans hij gaf ze in later tijd niet weder,
- Al had hij door een dievenlist den hoeder
- Beslopen in zijn slaap. Gewaar zou worden
- 't Gewest der mannen, dat hij was in woede. [420]
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-
- Noch eigenmachtig werd tot gast des monsters
-2280 Noch des gewild {59} hij, wien het zeer zou schaden [421];[422]
- Maar door het nijpen van den nood ontslipte
- Een slaaf van zekren heldenzoon de slagen
- Des haats, van huis beroofd, en borg zich binnen.
- De schuldgedrukte schouwde dra in 't ronde;
-2285 Ofschoon den vreemde schrik en zielsontzetting
- Bemachtigd had [423], bemerkte toch de ellendige,
- De armzaalge man, op zoek naar eenen ingang [424],
- Toen hem de vrees beving, het gulden vaatwerk [425] {60}.
- Er waren vele zulke voortijdsschatten
-2290 In 't hol, gelijk in lang verdwenen dagen
- Ik weet niet welke man 't onmeetlijk erfgoed
- Eens eedlen stams, verdiept in zijn gedachten,
- Aldaar verborgen had, het dierbaar pronkwerk.
- Hen allen had de dood voorheen verdreven,
-2295 En nu een enkel nog der schaargenooten,
- Die 't langst er waarde, een vriendbeweenend wachter,
- Verlangde dit alleen nog uit te stellen:
- d'Onmeetbren schat slechts kort te mogen smaken. [426]
- Er rees geheel gereed een doodenheuvel
-2300 In 't veld omhoog, niet verre van de baren,
- Een nieuwe nog, nabij het voorgebergte.
- En wel beveiligd door versperringswerken.
- Der kostbaarhen en ringen hoeder voerde
- Er dan den loggen last van bladgoud binnen
-2305 En sprak in weinig woorden:
- Wil, o aarde,
- Behoeden, daar de helden dit niet konden,
- Het eigendom der eedlen. Immers dappren
- Ontvingen dit van u [427] in vroeger tijden.
- De lansdood rukte weg, het levenseuvel,
-2310 Elk moedig krijger onder mijne mannen,
- Die 't leven lieten, 't heil des hemels [428] zagen.
- En niemand heb ik nog, die draagt den degen,
- Of wischt den gulden kroes, de weidsche drinkschaal;
- Naar elders is verreisd de ridderschare.
-2315 Den harden helm, gesmukt met goudgesmijde,
- Ontvallen zal hem spoedig zijn versiering:
- De dienaars slapen, die het oorlogsmasker
- Herstelden; insgelijks is nu het strijdhemd,
- Dat bij 't geworstel boven 't schildgeschilfer
-2320 Den beet van 't staal ontbeidde, stuk gebroken
- Na zijnen heer. Niet zal 't geringde harnas
- Nog verre, na den val des oorlogsvorsten,
- Den helden gaan ter zij. Geen harpeweelde,
- Geen vreugde van 't gezellig hout! [429] Geen havik,
-2325 Geen wakkre, klapwiekt langs de woning henen.
- En 't rappe ros het slaat niet meer de slotplaats.
- Zoo sleepte van 't geslacht, het levensvolle,
- Een harde dood er velen verre henen. [430]
- Dus somberstemmig kermde hij door kommer,
-2330 Na allen nog alleen, en rouwde lustloos
- Bij dag en nacht, totdat hem sloeg om 't harte
- De deining van den dood.
- De schoone schatten
- Vond openstaan de aloude schemervijand,
- Die barnend bergen [431] zoekt, de naakte nooddraak,
-2335 En ommevliegt des nachts met vuur omvangen.
- Hem hadden wijd ontwaard de grondbewoners.
- Hij zoekt de schatten binnen in den bodem,
- Alwaar hij wacht houdt bij de heidenhave,
- Aan winters oud. Niet beter zal 't hem wezen [432].
-2340 Zoo had driehonderd jaar de volksverheerder
- 't Gezegde goudhuis in den grond bezeten,
- 't Onmeetbre, tot hem gene man [433] vertoornde
- In zijn gemoed. Die bracht nu bij zijn meester [434]
- De gouden vaas en bad den vorst om vrede.
-2345 Zoo werd 't juweel ontdekt, de ringenrijkdom
- Geschend, de wensch des armen mans bewilligd.
- De meester staarde op 't oud gewrocht der menschen
- Voor de eerste maal. Als 't monster weer ontwaakte,
- Was 't strijdgeding vernieuwd. De stoutgestemde
-2350 Berook de rots en vond des vijands voetspoor,
- Die door geheime hulp te gauw ontglipte,
- Ofschoon niet verre van het hoofd des vuurdraaks.
- Licht mag zoo met het leven leed, verbanning
- Ontgaan hij, die behoudt de gunst des Heeren. [435]
-2355 Nu speurde gretig langs den grond de hoeder
- Der have; want hij wou den dief ontdekken,
- Die hem bereid had in zijn rust die kwelling,
- En blakend, toorn gezwollen zwierf van buiten
- Hij menigmalen om den heuvel henen.
-2360 Geen wezen was in deze woestenije;
- Nochtans hij juichte toe den kamp, het krijgswerk. [436]
- Soms stoof hij naar den berg en zocht den beker;
- Hij merkte dit weldra [437], dat een der menschen
- Had weggekaapt het goud, de keurjuweelen.
-2365 Ter nauwernood vermocht de schatbeschutter
- Te wachten tot de schemer was verschenen
- Des heuvels hoeder was ontbrand in woede;
- De vijand wou met vuur en vlam vergelden
- Den kostbren kroes. Nu was de dag verdwenen,
-2370 Den draak naar wil en wensch. Niet langer wilde
- Hij hokken in het hol, maar vloog met vlammen,
- Met vuur gewapend weg. 't Begin was gruwzaam
- Den lieden in het land, gelijk het spoedig
- Met scha zou einden voor hun schattenplenger [438].
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-
-2375 De gast alsdan begon zijn gloed te braken,
- De weidsche heerenhoven [439] weg te branden.
- Den stervling tot ontzetting steeg de vuurschijn.
- Zoo haakte hij, de leede luchtbezeiler,
- Niets levendigs er overig te laten.
-2380 Het woeden van den worm was wijde zichtbaar,
- Des doodelijken veete heinde en verre,
- Op welke wijze deze kampbekneller
- De helden van de Gooten haatte en hoonde.
- Dan schoot hij weder weg bij zijne schatten,
-2385 De duistre wonderhalle, vr den dagstond.
- Hij had omstrikt met brand de streekbewoners,
- Met vuur en vlam. Hij bouwde op zijne bergrots,
- Op strijd en wand [440]. Toch faalde die verwachting.
- Toen werd naar waarheid ras bericht de schrikmaar
-2390 Aan Beowulf, dat zijn eigen dak, het heerlijkst
- Der huizen, werd verteerd door 't vlamgewentel,
- Der Gooten giftgestoelt [441]. Dit was den goede
- In 't harte leed, het hevigst zielelijden.
- De wijze waande, dat hij, tegen de oude
-2395 Geboden in, den Heer, den eeuwgen Heerscher,
- Geweldig had vertoornd. Inwendig woelde
- Zijn binnenst bij die duistere gedachten,
- Gelijk het geen gewoonte was bij dezen. [442]
- De vuurdraak had den volksburg met de meerkust [443]
-2400 Daarbuiten, heel 't gebied verteerd door vlammen.
- Des zon de wapenvorst, de heer der Weders,
- Op wederwraak. Der strijders heul bestelde,
- Te klinken heel van staal een kunstig kampschild,
- Der helden heer; hij wist het wel, dat boschhout,
-2405 Het lindeschild niet vrijde voor de laaie.
- Zoo zou nu de edelman, de lang verwachte,
- Het einde zien der wisselzieke dagen,
- Des levens hier omlaag, en 't monster mede.
- Al had het lang [444] bewaard de macht juweelen.
-2410 De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
- Nochtans den ommevlieger aan te tasten
- Met strijders, met een uitgestrekte heermacht.
- Hij vreesde dit gevecht niet voor zich zelven [445],
- Noch stelde hoog de strijdkracht van den vuurworm,
-2415 Zijn sterkte en stoutheid; want gevaren wagend
- Had hij voorheen bevochten vele kampen
- De kampverwoede, sinds hij Hrodgars woning
- De zegerijke krijger, had gezuiverd
- En in 't gevecht vergruisd het oir van Grendel,
- Het heilloos zaad.
-2420 Niet kleinst was 't handgemengel [446]
- Geweest, alwaar men Hyglac had verslagen,
- Toen deze Gootenvorst, der volken heervriend,
- Bij 't slaggestorm in Friesland was gestorven,
- De zoon van Hredel, door den dronk der zwaarden,
-2425 Gedood door 't staal. Van daar ontsnapte Beowulf
- Door eigen sterkte en stelde in 't werk de zwemkunst.
- Hij droeg alleen op de armen dertig rustings [447]
- Bij 't duiken in den vloed. De Franken [448] dorsten
- Om 't voetgevecht geenszins praalzuchtig wezen,
-2430 Die op hem toe de houten schilden torsten [449],
- 't Gelukte alleen aan weinigen, om weder
- Te ontkomen van den kampheld [450] naar de haardstee.
- En Ecgtheows zoon doorzwom de stille strooming,
- Een arm verlateling, ten lieden weder, [451]
-2435 Waar Hygd hem 't rijk met schat en ringen aanbood
- En koningstroon: Zij stelde geen vertrouwen
- In haren zoon [452], dat hij het stamgestoelte
- Vermocht te houden tegen vreemde heermacht,
- Thans nu dat Hygelac was overleden.
-2440 Niet zouden zij, verlatenen [453], erlangen,
- Op welke wijs dan ook, van dezen eedle,
- Dat hij voor Heardred worden zou de heerscher,
- Ofwel het koningschap zich wilde kiezen.
- Nochtans hij schraagde hem aan 't hoofd der schare
-2445 In gunst en eer met goedgezinde lessen,
- Tot Heardred ouder werd, beval den Weders. [454]
- Hem [455] hadden langs de watren bannelingen, {61}
- De zonen Ochters [456], opgezocht. Zij hadden
- Zich tegen hunnen Schilfingheer [457] vergrepen,
-2450 Den waardsten zeevorst hunner, welke schatten
- Deelden in 't Zwedenrijk, een roemvol koning.
- Dit zou voor Heardred zijn des levens grenspaal:
- Voor zijn onthaal [458] ontving de zoon van Hyglac
- De doodswond door het zwaaien van de zwaarden.
-2455 Nu rukte weer terug, de woon te zoeken,
- Sinds Heardred nederzeeg, de zoon van Ongentheow. [459]
- Hij liet den heerscherszetel Beowulf houden,
- Het volk [460] gebieden. 't Was een beste koning! [461]
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-
- Doch op vergelding voor den val des vorsten [462]
-2460 Was hij [463] bedacht in later dagen. Eadgils
- Gewerd hij tot een vriend, den vreugdeloozen.
- Hij steunde langs de wijde zee met leger,
- Met weerbren en met wapens Ochters afkomst.
- Sinds wreekte die [464] zijn koud en zorgvol dolen {62}
-2465 En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer [465].
- Alzoo had Ecgtheows zoon bestaan elk strijden, [466]
- Elk slimmen slag en elk geweldig waagstuk,
- Tot dezen eenen dag, waarop hij diende
- Te worstlen met den worm. Van woede blakend
-2470 Begaf, als een der twaalf, de Gootenkoning
- Zich heen, den draak te zien. Hij had vernomen,
- Hoe was verwekt de haat, der helden onheil,
- Want door ontdekkers [467] hand was 't heerlijk pronkvat
- Geraakt in zijnen schoot. Hij was der schare
-2475 Dertiende strijder die 't ontstaan der twisten
- Berokkend had. Geboeid en bang in 't harte
- Zou deze hun de hooge vlakte duiden.
- Dus toog hij tegen wil en wensch er henen,
- Tot waar hij wist te zijn gezegde grondwoon,
-2480 De grafstee in den grond, nabij de baren,
- Het kolkgeklots. Zij was gevuld inwendig
- Met smuk en draadjuweel. De ongure wachter,
- De reede strijder, hoedde steeds den rijkdom,
- Grijs onder zijnen grond. Niet licht te erlangen
-2485 Was dit een zaak voor wie het zij der menschen.
- Daar zat ter klip de kampgeharde koning,
- Terwijl hij heil zijn haardgenooten wenschte,
- Der Gooten goudvriend. 't Harte was hem weevol,
- Onstadig, stervenszwaar. Zeer na was 't noodlot,
-2490 Dat groeten zou den grijs, den schat der ziele
- Opzoeken zou en 't lijf van 't lichaam scheiden.
- Niet langer zou voortaan de levensadem
- Des edelmans omhuld zijn met den vleesche.
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-2495 Ik heb in mijne jeugd wel menig heerstorm
- En oorlogstijd gehard; mij heugt het gansche.
- Ik telde zeven winters, toen de schatheer,
- Der schare vorst en vriend, mij aan mijn vader
- Ontnam; mij hield en had de heerscher Hredel.
-2500 Hij gaf me goud en maal, gedacht de maagschap.
- Ik was voor hem op 't huis, zoolang hij leefde,
- Geen minder man dan een van zijne zonen,
- Dan Herebald en Hadcyn of mijn Hyglac.
- Den oudsten [468] werd op onverdiende wijze
-2505 Gespreid het doodsbed door des broeders daden,
- Toen Hadcyn hem vermoordde met den hoornboog,
- Door middel van den pijl zijn vriend en meerdre [469],
- Toen hij zijn maag, het doelwit missend, doodde,
- De broer zijn broer, met bloedbespatte werpspies.
-2510 Dat was een onverzoenbaar [470] wapenmisdrijf,
- Begaan te roekeloos en geestafmattend
- Voor het gemoed [471]. Des ondanks moest de jonker
- Uit deze wereld ongewroken wijken:
- Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,
-2515 Dat ginds zijn zoon [472], de jonge, rijdt aan 't galghout.
- Dan moge hij 't weemoedig lied [473] verheffen,
- Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
- De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
- Verleenen kan, bejaard en hoog van leeftijd.
-2520 Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
- De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren [474];
- Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder [475]
- Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot,
- Nu de een met stervensdwang ervoer den doodslag.
-2525 Dan in de woon des zoons [476] bestaart hij zorgvol
- De woeste hal, een wijkplaats voor de winden,
- Beroofd van 't feestgeruisch. Hij rust de rijder,
- De held, in 't heuvelgraf {63}. Geen harpgefluister,
- Geen juichtoon heerscht in 't huis, gelijk voorhenen.
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-
-2530 Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied [477],
- De eene om den eene [478]. 't Leek hem alles
- Te ruim [479], en veld en woon. Zoo torste woelend
- De schuts der Wederlin het wee des harten
- Om zijnen Herebald. Hij kon de bloedschuld
-2535 Niet in het minste wreken op den moorder,
- Ook mocht hij evenmin den strijder straffen
- Met strenge dan, al was hem die niet dierbaar [480].
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
-2540 En zocht het licht van God. Hij liet den zonen [481]
- Dan na het land met heerschersburcht, als handelt
- Een schatrijk man, bij 't scheiden uit het leven.
- Nu was het twist van Zweed en Goot en tweedracht
- En wederzijdsche kamp langs 't wijde water,
-2545 Een felle strijd, als Hredel was gestorven,
- En krijgsgeducht en koen het kroost zich toonde
- Van Ongentheow [482]. Zij wilden langs het water
- Geen vrede voeren, doch volbrachten dikwerf
- Bij Hreosnaberg [483] gevreesde stroopersvaarten.
-2550 Dit alles wreekten mijn verwante vrienden [484],
- Die list en lagen, naar het werd vernomen;
- Schoon de eene 't moest betalen met het leven,
- Met eenen harden koop: voor Hadcyn immers,
- Den Gootenkoning, werd de kamp verderflijk.
-2555 'k Vernam, dat bij den morgen met de bijlspits
- Een maag [485] den andren [486] op den moorder wreekte,
- Waar Ongentheow te zamen trof met Eofor {64}.
- De strijdhelm botste stuk, de grijze Schilfing [487]
- Hij stortte neder, door het staal bestorven.
-2560 De hand [488] geheugde zich de reeks van rampen
- En trok zich niet terugge tot den doodslag,
- 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,
- Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk
- Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was.
-2565 Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds.
- Behoefte had hij geen om bij de Gifden [489],
- Den Zwaard-Deen, of in 't Zwedenrijk te zoeken
- Een zwakker kampgezel [490], met goud te koopen.
- Steeds wilde ik in zijn schaar de voorste wezen,
-2570 Ter legerspits alleen {65}. En zoo voor 't leven
- Zal 'k slagen slaan, zoolang dit lemmer 't uithoudt,
- Dat mij zoo vaak, voorheen als later, volgde,
- Nadat ik door geweld Daghrefnes wurger
- Geworden was, den oorlogsheld der Hugen [491].
-2575 Niet kon hij 't keurjuweel den Friezenkoning,
- Den borsttooi brengen, want hij viel de vaandrig [492]
- In dezen krijg, de held in zijne krachten.
- Niet werd het staal zijn dooder, maar mijn strijdvuist
- Verbrak het bruisend harte bij 't gebeente.
-2580 Nu zal de punt van dit rapier zich kwijten,
- De hand, het scherpe zwaard om deze schatten. [493]
- Voor 't laatst zei Beowulf, zich door 't woord verbindend:
- Ik waagde menig kamp in mijne jonkheid;
- Nu wil ik, grijze wachter van de volken,
-2585 Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven,
- Mocht uit zijn krocht de booze mij bekrijgen. [494]
- Hij groette eeniegelijk van zijne lieden,
- Zijn dappre helmgedosten, voor het laatste,
- De trouwe tochtgezellen: 'k Zou den degen,
-2590 Het wapen naar den worm niet willen voeren,
- Indien ik wist, op welke wijs ik anders
- Mijn kampwoord [495] houden kon met dezen daemon;
- Zooals ik eens met Grendel heb gehandeld.
- Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur,
-2595 Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens
- Het schild en krijgerkleed. Ik wil niet wijken
- Een voetbreed voor den hoeder van den heuvel,
- Den grimmigen dooder; doch nabij den bergwand
- Gebeuren zal 't aan ieder van ons beiden,
-2600 Als Wyrd het heeft beschikt, der menschen Schepper. [496]
- 'k Ben stoutgestemd van zin, zoodat ik daarlaat
- De uitdagingswoorden tot den kampgewiekte.
- Verbeidt gij bij den berg, beschut door 't harnas,
- Gij strijders in het staal, wie 't best van beiden
-2605 Kan onderstaan de wonden na de strijdvlaag.
- Niet uwe taak is dit, niet toegemeten
- Aan een der mannen, dan aan mij den ne,
- Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte
- En ridderdan verricht. Ik wil geweldig
-2610 Verwerven 't goud, ofwel zoo rukt de worsteling,
- Het harde levenseuvel mee uw heerscher.
- Nu rees op 't schild de roembekroonde kamper
- Omhoog, de stoute met den helm, en stapte
- In zijne rusting onder 't rotsgevaarte,
-2615 Slechts steunend op de sterkte van een enkle [497].
- Dat blijkt de handelwijze niet eens bloodaards!
- Toen merkte bij den muur hij, die een menigt
- Gevechten had bestaan, de uitstekend dappre,
- De onstuime bij den strijd, als legers stormden,
-2620 Dat daar een rotsboog stond, vanwaar een stortbeek
- Uitbruiste van den berg; het brongeborrel
- Was brandend door 't vijandig vlammenbraken.
- Niet was hij bij den buit [498] in staat, een stonde
- Het ongedeerd te houden in de diepte,
-2625 Uit hoofde van het vuur des draaks. De heerscher
- Der Wester-Gooten liet nu woorden schallen
- Uit zijnen boezem, want hij was verbolgen.
- De koengezinde riep, en kampschel bruiste [499]
- De stem naar binnen onder 't grauw gesteente.
-2630 De haat was opgehitst. Der schatten hoeder
- Vernam de stem eens mans. Er schoot geen stonde
- Meer over tot het treffen van den vrede.
- Des vijands adem kwam het eerst te voorschijn
- Vanuit het rotsgesteent, het gloeiend strijdzweet.
-2635 De bodem dreunde. Bij de bergkloof schudde
- De held het schild, der Gooten heerscher, tegen
- d'Ontzettingsgast. De zin des ringgekromden
- Was nu geneigd om een gevecht te aanvaarden.
- De dappre krijgerkoning had den degen,
-2640 't Voorvaderlijke zwaard met vlijmend lemmer
- Te voren al gevat, en boosheid broeiend
- Gevoelden beiden ijzing voor elkander.
- Sterkmoedig stond hij bij den breeden schildrand
- Der vrienden vorst, terwijl de worm zich ijlings
-2645 Te zamen wond. Hem wachtte hij in 't harnas.
- Roodgloeiend kwam die kronklend aangegleden,
- Al tuimlend toegeschoten. 't Schild behoedde
- Den wijdbekenden vorst een korter wijle
- Dan zijn verlangen zocht, het lijf en 't leven; [500]
-2650 Daar hij alsdan den eersten keer, de koene
- Te midden der gevechten, moest ervaren,
- Hetgeen hem nooit het noodlot had beschoren. [501]
- Der Gooten heerscher zwaaide hoog de rechte
- En sloeg den gloedontzetbre met het slagzwaard,
-2655 Zoodat het wapen gleed, het blauwgeglansde,
- Op zijn gebeente. Minder hevig beet het [502]
- Dan hij behoefte had de volksbeheerscher
- Door nood genoopt. Nu was de heuvelwachter
- Na dezen wapenstrook in wilde stemming.
-2660 Hij wierp versmachtend vuur, in 't wijde sprongen
- De stralen van den strijd. Der Gooten goudvriend
- Bazuinde geenszins uit zijn zegeluister.
- Nu zwichtte 't zwaard, het blanke, bij den aanval,
- Als 't niet gemoeten, 't langbeproefde lemmer.
-2665 Het was geen blijde weg, als Ecgtheows afkomst,
- De stoute, zijne stelling [503] zocht te ontruimen;
- Naar elders [504] moest hij om des monsters wille
- Verwisselen van woning. Ieder wezen
- Zal desgelijks verlaten 't wufte leven.
-2670 Het leed niet lang daarna, of nogmaals stieten
- De kampers op elkaar. De schatbeschutter
- (Zijn boezem bolde door 't geschuifel) schepte
- Een tweede male moed; weer duldde doodsangst,
- Met vuur omvamd, die eerst het volk bestuurde [505] {66}.
-2675 Niet drongen in een drom de handgenooten
- Om hem met heldenzin, der eedlen zonen,
- Maar scholen in het bosch en borgen 't leven.
- Bij nen hunner woelde 't hart met zorgen:
- Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap
-2680 Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren [506] {67}.
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-
- Wiglaf, zoo heette hij, de zoon van Weohstan,
- Een waarde schildgenoot, een vorst der Schilfings [507],
- Alfheres bloedverwant. Hij zag zijn heerscher
- De laaie dulden onder 't legermasker.
-2685 Hij was alsdan het eigendom gedachtig,
- Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,
- De weeldevolle woning der Waegmundings [508],
- Elk volksbezit [509], gelijk bezat zijn vader.
- Zich houden kon hij niet. Zijn hand omvatte
-2690 Den beukelaar, den gelen bast der linde.
- Hij toog den ouden degen, die het erfstuk
- Enmundes, Ochters zoon, was bij de menschen;
- Aan welken vreugdeloozen zwerver [510] Weohstan
- Tot dooder werd in 't wapen door de zwaardspits.
-2695 En Weohstan bracht daarop aan diens verwanten [511]
- Den bruingebronsden helm, 't geringde harnas,
- Het oude zijdgeweer, het werk der reuzen.
- Dit schonk hem [512] Onela: de legerkleeren
- Zijns maags, het treflijk heertuig; maar hij repte
-2700 Niet van de vijandschap, ofschoon dat Weohstan
- Toch had ontzield den zoon van zijnen broeder {68}
- Die kostbaarhen behield hij [513] vele jaren,
- Rapier en rusting, tot zijn zoon eens roemdan
- Volvoeren zou, gelijk weleer de vader.
-2705 Hij gaf hem dies te midden zijner Gooten
- Ontelbre legerklen, als hij het leven
- Verliet, de hoogbedaagde, voor de heenreis.--
- 't Was de eerste keer voor dezen jongen kamper [514],
- Dat hij den heerstorm waagde met zijn meester.
-2710 Niet smolt zijn moed daarheen, noch miste 't slagzwaard
- Des vaders in 't gevecht. Dat zou ervaren
- De reuzenworm, nadat zij slaags geraakten.
- Wel menig richtig woord verkondde Wiglaf
- En zei (zijn zin was droef) tot zijne makkers:
-2715 Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen
- En in de hal aan onzen heer beloofden,
- Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings
- Vergelden zouden, mocht hem zulke nooddwang
- Gemoeten, en den helm en 't harde lemmer. [515]
-2720 Daarom toch koos hij ons tot deze kampvaart,
- Te midden zijner schaar, naar eigen schikking,
- En maande ons aan tot moed en schonk mij schatten,
- Omdat hij ons aanzag voor dappre speerlui,
- Helmvoerders onvervaard; al dacht de heerscher
-2725 Dit krachtbestaan alleen tot stand te brengen,
- De volkenmenner, daar hij 't meest der mannen
- Roemdaden heeft verricht en stoute stukken.
- Nu daagde hij de dag, dat onze heirvorst
- De krachten noodig heeft van kloeke krijgers.
-2730 Op! toegestormd, den oorlogsvoogd te steunen,
- Terwijl de hitte duurt, de wilde vuurvrees.
- God weet van mij: mij ware 't wenschelijker,
- Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler [516]
- Het vuur omving. Niet dunkt me dit betaamlijk,
-2735 De schilden weer te brengen naar de woning,
- Tenzij wij eerst den vijand kunnen vellen
- En 't leven hoeden van den Wederhoofdman.
- Ik weet het maar te wel, dat z niet waren,
- Zijn dan van vroeger her, dat deze, de eenge
-2740 Der Gootenridders, dulden zou den rampspoed [517]
- En vallen in 't gevecht. Ons beiden blijve
- Vereenigd kling en helm met schild {69} en harnas. [518]
- Hij stapte door den doodelijken stikwalm [519],
- Den vorst tot steun aanrukkend met het strijdhoofd [520],
-2745 En zei in weinig woorden: Beste Beowulf,
- Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger
- Gezegd hebt in uw jeugd. Gij zoudet nimmer
- Uw eere laten zinken bij uw leven.
- Gij daadberoemde, vastberaden heerscher,
-2750 Gij moet althans met alle macht uw leven
- Behoeden. Ik verleen u mijne hulpe.
- Na deze woorden kwam het woedend ondier,
- De gruwe moordgast, voor de tweede male,
- Omblaakt door 't vlamgeblaas, op zijn bestokers
-2755 Zich storten, zijn gehate tegenstanders.
- 't Rondas verteerde door het vuurgekronkel
- Tot op den rand. [521] Beschutting kon de rusting
- Den jongen lansenzwaaier niet verleenen;
- Maar onder 't schild des bloedverwants verschuilde
-2760 De borst zich dan gezwind, omdat het zijne
- Vergaan was in den gloed. De krijgerkoning
- Was dan nog eens zijn heldendan gedachtig.
- Hij rukte neer met reuzenkracht het kampzwaard,
- Zoodat het in het drakenhoofd zich hechtte,
-2765 Geperst door woest geweld. Daar sprong in splinters
- Zijn Nageling; het zwaard van Beowulf zwichtte
- In dit gevecht, het oude, vaalgevlamde.
- Het was hem niet verleend, dat stalen lemmers
- Hem helpen konden in den kamp. Zijn handgreep
-2770 Was al te kloek, die elke kling, mijns wetens,
- Bij 't treffen overmocht. Al bracht hij mede
- In 't krijt het hardste zwaard, het kon niet helpen.
- Ten derden male was de volksverderver,
- Het dreigend vuurgedrocht, den kamp indachtig.
-2775 Het rukte, nu daartoe zich bood de ruimte {70},
- Den sterke tegen, gloeiend, strijdontstoken,
- En knelde heel den hals met scherpe kaken.
- Hij [522] werd geheel met hartebloed bedropen,
- In golven gulpte weg het vocht der wonde.
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-
-2780 'k Vernam, dat nu in dezen nood des konings
- De rechtgesprongen held zijn spierkracht toonde,
- 't Geweld, de stoutheid, als hem eigen waren.
- Niet telde hij zijn leven {71}, daarentegen
- Werd heel de hand verbrand des koenen kampers,
-2785 Terwijl hij zijnen bloedverwant verweerde;
- Zoodat hij luttel lager stak den strijdgast [523]
- De ridder in 't kuras; zoodat de degen,
- De glimmend gulden, binnengleed en 't gloeien
- Van lieverlen nu aanving na te laten.
-2790 Toen kwam de koning weder tot bewustzijn.
- Hij zwaaide 't slagmes, scherp, ten kamp geslepen,
- Hetgeen hij op het harnas droeg. Nu hakte
- De Wederschuts den reuzenworm doormidden.
- Hij velde neer den vijand, dreef de ziele
-2795 Naar elders [524] heen {72}. Zoo hadden zij de beide
- Door 't bloed verbonden eedlen hem gebroken.--
- Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen--
- Den landheer was 't de laatste zegestonde
- Voor eigen dan, het jongst bedrijf op aarde.
-2800 Alsdan begon de wonde, die de gronddraak
- Had toegebracht, te branden, op te zwellen.
- Hij werd weldra gewaar, dat doodlijk woeden
- Hem golfde door de borst, het gift van binnen.
- Voort ging de vorst, totdat hij bij den bergwand
-2805 Wijszinnig op de zitplaats nederzakte.
- Hij liet den blik op 't werk der reuzen weiden,
- Hoe dat het steengewelf, gesteund door pijlers,
- In zijnen schoot verschool de grijze grondwoon.
- Nu laafde hem met water [525] eigenhandig,
-2810 Den kampbebloeden vorst, den wijdgevierden,
- De held bij uitstek vroom, den vriend en heerscher,
- Des strijdens moe [526]; hij maakte los den hoofdhelm.
- En Beowulf zei, gebukt op zijn kwetsuren {73},
- De doodelijke wond: (Hij wist ter dege,
-2815 Hij had beleefd het tijdsbeloop der dagen,
- Het heil der aard; nu was geheel verstreken
- Der dagen tal en gansch nabij het doodsuur.)
- Ik zou mijn zoon de legertooisels laten,
- Indien mij eenig erfbewaarder ware
-2820 Na mij bestemd, vermaagschapt met mijn lichaam. [527]
- 'k Bestuurde deze stammen vijftig winters;
- Van al de buren was geen volksgebieder,
- Die zich vermat door middel van de zwaarden
- Mij aan te klampen, mij met angst te omklemmen.
-2825 Op 't stamgoed sleet ik mijne lotsbestemming,
- Bewaarde wel het mijne, zocht geen moordlist,
- Noch legde menig eed af [528] onrechtmatig.
- Dus mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
- Om 't al verheugen; want de Heer der menschen
-2830 Zal mij den moord niet wijten van de magen,
- Nu dat mijn leven scheiden gaat van 't lichaam.
- Begeef u gauw, den schat te schouwen, onder
- Het vale rotsgevaart, mijn waarde Wiglaf,
- Nu nederligt de worm en weedoornageld
-2835 Den sluimer [529] slaapt, beroofd van zijnen rijkdom.
- Nu rep u voort, dat ik den schat des voortijds,
- De gouden have zie, geheel bestare
- De kunstgesteenten, stralend als de hemel;
- Opdat ik na de volheid van kleinooden
-2840 Het leven des te lichter mag verlaten,
- De stamgenooten, die ik lang bestuurde.
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-
- 'k Vernam, dat onverwijld de zoon van Wichstan
- Na deze woorden zijn gewonden koning
- Gehoorzaamheid bewees, den kampgeknakten,
-2845 En dat hij onder 't rotsdak voorwaarts rukte
- In 't ringnet, zijn gevlochten oorlogsrusting.
- De zegerijke zag bij 't gaan ter zitplaats [530], {74}
- De koene ridder, vele schijfsieraden,
- Het goudgestraal, zich strekkend langs den bodem,
-2850 De wondren langs den wand. Hij zag het leger [531]
- Des vlammendraaks, des ouden uchtendvliegers,
- Ook kruiken staan [532], der voortijdsmenschen kroezen,
- Beroofd van schenkers, met ontrukte tooisels.
- Daar rustte menig helm, aloud en roestig,
-2855 En menig smuk des arms, met smaak gevlochten.
- Licht kan zulk goed, zoo'n goudschat langs den bodem,
- Verblinden wie 't ook zij der menschenzonen. [533]
- Hij hoede zich, alwie zich wil vrijwaren!
- Daar zag hij insgelijks een standerd liggen,
-2860 Geheel van goud, hoog boven op de have.
- Het was het heerlijkst wonderwerk der handen,
- Getrensd door vlechtersvlijt. Een schijn ontschoot er,
- Zoodat hij volgen kon de bodemvlakte
- En in het rond beschouwen al de schatten.
-2865 Van draak geen zweem, hem had toch 't zwaard verdorven.--
- Ik hoorde, hoe de krijger [534] in den heuvel
- De schatten roofde, 't oud gewrocht der reuzen,
- Met schaal en schotels zijnen schoot belaadde
- Naar kust en keur. Ook nam hij met zich mede
-2870 De banderol, het luisterrijkste teeken.
- De degen had geschaad den schatbeheerscher [535],
- (Van staal was 't lemmer) hem, die lange jaren
- De hoeder was geweest van die juweelen {75}.
- Hij had verbreid de heete brandontzetting,
-2875 De moordgewiekte, om 't goud, bij middernachten
- Totdat hij sneefde door den dood der wapens.
- De bode [536] liep, verlangend naar de weerkomst,
- Door 't goud genoopt [537]: hem kwelde 't nieuwsverlangen,
- Of hij, de hooggezinde, nog den heerscher
-2880 Der Weders levend weder zoude vinden,
- In zijne kracht gefnuikt, te zelfder stede,
- Alwaar hij kortelings hem had verlaten.
- Nu vond hij met zijn schat den hoogen meester,
- Zijn bloedbegruisden vorst, aan 's levens grenspaal.
-2885 Alweer begon hij dien met nat te werpen,
- Totdat de punt der woorden door het hulsel
- Des boezems binnendrong. En Beowulf zeide,
- De grijsaard in zijn zorg: (hij zag den goudschat.)
- Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
-2890 Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
- Voor al de schatten, die ik hier beschouwe,
- Omdat ik deze vr mijn stervensstonde
- Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
- Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
-2895 Nu lenig gij de nooddruft van de lieden.
- Ik mag voortaan niet langer hier [538] vertoeven.
- Beveel den strijdberoemden [539], op te richten
- Een heuvelgraf een heerlijk, na de houtmijt [540],
- Niet verre van der baren voorgebergte.
-2900 Het zal aldaar, mijn mannen tot gedachtnis,
- Zich hemelwaarts op Hrones klip [541] verheffen,
- Opdat nadien de zeebezeilers 't heeten
- De Beowulfshoogte, zij die hunne bodems
- Ver henendrijven door der golven duister.
-2905 Vervolgens hief hij van den hals de goudwrong [542],
- De boudgestemde vorst; hij gaf den strijder,
- Den jongen speergeharden, zijnen hoofdhelm,
- Goudgeluw, met zijn ring en wapenrusting
- En hoopte, dat het tot zijn heil zou dienen:
-2910 Van heel ons maagschap, van de Waegemundings
- Zijt gij de laatste rest; het noodlot rukte
- Mijn stamgenooten naar hun lotsbestemming,
- De krijgers in hun kracht. Ik volg hun voetspoor.
- Dit was des grijzen jongste woord in 't binnenst
-2915 Van zijnen boezem, voor hij koos de vuurmijt,
- Het heete strijdgegolf [543]. Vanuit het harte
- Ging zijne ziel het heil der heilgen zoeken. [544]
-
-
-
-
-
-XXXIX.
-
-
- Zoo droeg het zich dan toe op droeve wijze
- Voor dezen jongen borst, dat hij ten bodem
-2920 Den liefste zag, op d'uitgang van het leven,
- In hulpeloozen staat. Ook lag de dooder,
- Van 't levenslicht beroofd, de gruwbre gronddraak,
- Daar neder, door den stervensnood bedwongen.--
- De kromgewonden worm hij kon niet langer
-2925 Beschikken over dezen schat van ringen;
- Want hem had weggerukt de snee der wapens,
- Der hamers smeedwerk, hard, gewet ter worstling,
- Zoodat de zwerver, roerloos door de wonden,
- Ten gronde nederbonsde naast de schatwoon
-2930 En langer niet bij middernacht door 't luchtruim
- Klapwiekend waarde en trotsch op zijn bezitting
- Zijn wezen toonde. Maar hij werd ten gronde
- Gedreven door het vuistgeweld des vorsten.
- Het ware wis gelukt aan geen, mijns wetens,
-2935 Der mannen in het land, der machtbezitters,
- Al mocht hij zijn tot elke daad vermetel,
- Van in te gaan op 't snuiven van den gifdraak
- En met de hand de ringzaal aan te randen,
- Indien hij daar den wachter wakend aantrof,
-2940 Genesteld in den berg. Zoo werd aan Beowulf
- Zijn gansche puikschat door den dood vergolden, [545]
- En bracht het elk van beiden tot den eindpaal
- Van 't wufte leven.--'t Leed hierop niet langer,
- Of zij verlieten 't houtgewas de lafaards,
-2945 De loome trouwverzakers, tien te zamen,
- Die welke 't flus niet waagden, met de speren
- Te vechten bij den hoogsten nood huns vorsten.
- Zij naakten nu beschaamd met hunne schilden
- En wapenrustings, waar de grijsaard rustte;
-2950 Naar Wiglaf zagen zij. Hij zat de voetheld
- Vermoeid nabij den schouder van zijn meester
- En wekte hem met water [546]. Niet gelukte 't.
- Niet kon hij, gunde hij het hem ook gaarne,
- Op aard des hoofdmans leven tegenhouden,
-2955 Noch wijzigen in 't minst den wil des Scheppers.
- De macht der Godheid wilde gansch het menschdom
- Met dan beheerschen; als Hij doet tot heden. [547]
- Nu waren gramme woorden bij den jonker
- Voor allen licht te ontvangen, die te voren
-2960 Verloren hadden hunne heldenkoenheid.
- En Wiglaf zeide dan, de zoon van Wichstan,
- De held in 't hart bedroefd, de schuwbren [548] schouwend:
- Wel mag, wie waarheid spreken wil, beweren,
- Dat uw gebieder, die u bood die schatten,
-2965 Dat strijdgewaad, waarin gij staat gestoken--
- Toen deze bij den bierdisch menigmalen
- Aan zijne halgenooten helm en pantser
- Uitdeelde, hij de heerscher aan zijn helden,
- De beste [549], die hij, 't zij nabij of verre,
-2970 Maar ergens vinden kon--dat die den kamptooi
- Geheel en al verdeed [550] op doembre wijze,
- Nu dat hem dit gevecht heeft overvallen.
- De volksbestuurder had volstrekt niet noodig
- Zich trotsch te toonen op zijn tochtgenooten.
-2975 Toch gunde God, de gever van de zege,
- Dat hij alleen zich wreekte met het lemmer,
- Toen hij behoefte had aan heldenkrachten.
- Ik kon hem luttel lijfbeschutting schenken [551]
- Bij 't strijden, doch begon niettegenstaande
-2980 Den maag te helpen boven mijn vermogen.
- Te zwakker werd hij [552], toen ik met den zwaarde
- Hem wondde, dien belager van het leven {76},
- Het vuur ontwelde minder wild zijn binnenst.
- Den heer omstuwden al te weinig helpers,
-2985 Als de oorlogsstond zich op hem nederstortte.
- De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
- Het heele haardgenot en heil, 't zal alles
- Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
- Verstoken van het landbezit der stammen. [553]
-2990 Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
- Vernemen uwe vlucht vanuit de verte [554],
- Uw roemberoofde daad. De dood is beter
- Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven. [555]
-
-
-
-
-
-XL.
-
-
- Alsdan beval hij, 't kampbedrijf te konden
-2995 Bergopwaarts langs de zeekaap naar het landgoed [556],
- Alwaar 't gevolg der mannen heel den morgen
- Angstvallig nederzat, de schildbezitters,
- In twijfel tusschen deze twee: den doodsdag
- Ofwel de wederkomst des dierbren konings.
-3000 Geenszins verheelde 't nieuws, het ongehoorde,
- Die [557] over 't strandgebergte kwam gestoven,
- Maar voegde toe aan allen volgens waarheid:
- Nu is de wenschvervuller van de Weders,
- De vorst der Gooten vastgeboeid op 't doodsbed,
-3005 Bewoont de lijkstee door des monsters daden.
- Aan zijne zijde rust de lijfbelager,
- Zieltogend door den dolksteek. Met den degen
- Vermocht hij niet den worm te slaan een wonde,
- 't Zij min of meer. Wiglaf, de zoon van Wichstan,
-3010 Zit over Beowulf, de eene ridder boven
- Den levenloozen heen; hij houdt de lijkwacht [558]
- Bij deze dooden, voor den vriend en vijand.
- Nu staat een oorlogstijd den stam te wachten,
- Wanneer de val des vorsten aan de Franken
-3015 En Friezen wordt bekend gemaakt in 't wijde.
- De vijandschap, de harde, met de Hugen [559]
- Was dan ontstaan, toen Hyglac kwam gestevend
- Met eene legervloot naar 't land der Friezen,
- Alwaar hem velden in 't gevecht de Franken
-3020 En met geweld door overmacht bewerkten,
- Dat zwichten moest de staalomgorde strijder
- En zonk in zijne schaar. Niet zou de heerscher
- Nog schatten aan de krijgstrawanten schenken.
- Sinds werd ons Merewingers gunst [560] geweigerd.
-3025 Ook hoop ik in 't geheel geen vrede of vriendschap
- Van 't Zwedenvolk. Het was toch verre ruchtbaar,
- Dat Ongentheow aan Hadcyn, zoon van Hredel,
- Het leven bij het Ravenbosch [561] ontrukte,
- Alwaar in overmoed der Gooten mannen
-3030 Het eerst de Schilfings hadden aangeschonden [562] {77}.
- Doch schielijk schonk hem [563] Ochters oude vader [564]
- Den tegenhouw, de grijze, grimvervulde;
- Hij velde neer den watervoogd, bevrijdde
- Zijn vrouwe [565] hij, de grijze, zijne gade,
-3035 Beroofd van goudsieraden, Ochters moeder
- En Onela's; hij zette zijn belagers
- Toen na, tot zij, beroofd van hunnen rijksvorst,
- Ter nauwernood het Ravenbosch bereikten.
- Alsdan omsloot hij de aan het zwaard ontslipten
-3040 Met een geweldig heer, de wondverzwakten,
- En dreigde heel den nacht het arme hoopje
- Herhaald met wee. Hij sprak het uit, hij wilde
- Hen met den morgen door het lemmer dooden,
- Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. [566]
-3045 Doch troost verscheen opnieuw bij 't daggeschemer
- Den hopeloozen [567], toen zij Hyglacs horen,
- Der trompen klank vernamen, nu de kloeke
- Kwam aangerukt op 't spoor der ridderschare.
-
-
-
-
-
-XLI.
-
-
- Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar
-3050 Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,
- Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten.
- Nu stapte heen de stoute [568] met de makkers,
- De ontroostbre grijs, om op den burcht te trekken;
- Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.
-3055 Hij had 't gevecht van Hygelac ervaren {78},
- Des stouten strijdgeweld. Hij telde weinig
- Op tegenstand, dat hij vermocht te stuiten
- Het varensvolk [569], of voor de zeebezeilers
- Zijn goed te schutten met zijn kroost en gade;
-3060 En dicht bij zijnen aardwal {79} dook weer de oude.
- Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden,
- En Hygelac ter hand gesteld hun standaard [570].
- Zij [571] stapten over hun [572] versterkte stelling {80}.
- Nu drongen Hredels drommen [573] naar de schildspits {81}.
-3065 Aldaar werd Ongentheow tot staan gedwongen,
- De grijsgelokte, door der zwaarden lemmer;
- Zoodat de volksbeheerscher had te dulden
- 't Geweld alleen van Eofor. [574] Woedend tastte
- Hem [575] Wulf [576] aan, zoon van Wanred, met het wapen,
-3070 Dat door den strook het bloed ontsprong in stroomen
- Vanonder 't hoofdhaar. Doch hij bleek niet bloode
- De grijze Schilfing, maar hij loonde schielijk
- Den doodelijken slag op slimmer wijze,
- Zoodra zich hemwaart had gekeerd de koning. [577]
-3075 Niet kon de kampgewende zoon van Wanred [578]
- Den ouden held een tegenhouw bestemmen,
- Want deze hieuw hem eerder stuk den helmkam
- Op 't hoofd, dat hij genoodzaakt was te nijgen
- Met bloed bevlekt en op den bodem bonsde.
-3080 Niet was hij toch bestemd om reeds te sterven,
- Schoon hem de wonde sloeg, genas hij weder {82}.
- Dan Eofor liet, de forsche leenman Hyglacs,
- Het breede zwaard, toen nederzeeg zijn broeder,
- De aloude reuzenkling, den helm, hun kunstwerk [579],
-3085 Inbreken boven op de schildverschansing.
- Toen zonk de vorst, de leidsman van de volken;
- Hij was ter dood gewond. Er waren velen
- Die zijnen broer verbonden, ras hem rechtten,
- Daar 't hun [580] was toegevallen 't veld te houden.
-3090 Terwijl beroofde de eene ridder d'andren, [581]
- Ontrukte aan Ongentheow zijn ijzerrusting,
- Het harde zwaard met greep, den helm benevens
- En bracht aan Hygelac des grijzen heertuig.
- Die nam den tooi en zei hem toe vriendschaplijk
-3095 Een loon met zijne lin en deed diensvolgens.
- Het kampgestorm vergold de Gootenkoning [582],
- Hij Hredels zoon, zooras hij 't huis bereikte,
- Aan Wulf en Eofor met onmeetbre schatten.
- Aan ieder hunner schonk hij honderdduizend [583]
-3100 Aan landerijen, met gedraaide ringen.
- Niet onderwond zich eenig man ter wereld
- Dat loon te laken [584], sedert zij de lofdaad
- Voldongen hadden. Ook bedacht hij Eofor
- Alsdan met zijne dochter [585], met zijn ne,
-3105 Den pronk van 't hof, tot pand van zijne hulde.
- Ziedaar de veete en vijandschap, den doodshaat
- Van 't krijgervolk; waarom ik vreeze koester,
- Dat ons bestoken zal der Zweden strijdmacht,
- Wanneer zij zullen hooren, dat de heerscher
-3110 Van 't leven is beroofd, die land en schatten
- Weleer behoedde tegen haatgezinden,
- De dappre Schyldings na den dood der helden [586] {83};
- Die voorstond 't nut des volks en nog daarboven
- Het ridderwerk volbracht. Het ware 't beste,
-3115 Ons thans te haasten [587], om den volksbeheerscher
- Te zien en naar de branduitvaart [588] te brengen,
- Dengene die met ringen ons bedeelde.
- Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
- Verteeren; maar daar ligt die schat van tooisels,
-3120 Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
- Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
- De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken; [589]
- De man geen tooisels dragen tot gedachtnis;
- Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben
-3125 Om haren hals, maar deze zal rouwzinnig,
- Van 't goud beroofd, wel meer dan eene reize
- Het vreemde land betren, nu 's legers leidsman [590]
- 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven.
- Hierom wordt menig speer, de morgenklamme [591],
-3130 Door vuisten vastgekneld, omhoog geheven
- Met handen. Geenszins zal het harpgefluister
- De dappren wekken, maar de donkre rave
- Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,
- Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,
-3135 Toen zij de riffen met den wolf beroofde. [592]
- Zoo zei de koene strijder [593] nare konde
- En geenszins loog hij nopens lot en woorden. [594]
- Nu rees de ridderstoet; zij trokken treurig [595]
- In tranen badend onder 't aargebergte [596],
-3140 Het wonder waar te nemen. Daar ontdekten
- Ze op 't leger in het zand den levenlooze,
- Dengene die hun vroeger ringen gunde.
- Zoo was gedaagd de doodsdag voor den dappre,
- Zoodat de wapenvorst, de heer der Weders,
-3145 Door wondren dood het leven had gelaten.
- Vervolgens zagen zij zeldzamer schouwspel [597]:
- Den reuzenworm, den woestaard nederliggend
- Daar op den bodem tegenover Beowulf. {84}
- De vlammendraak, de stugge dreiggestalte,
-3150 Was door het vuur gezengd. Hij was wel vijftig
- Voetmaten lang op 't leger. Hij vermeide
- Zich met den nachtstond in 't genot der luchten [598]
- En zeeg dan weder neer en zocht de holte,
- Nu lag hij neder, door den dood gekluisterd;
-3155 Hij had het eind van 't holverblijf genoten.
- Daar stonden kruiken nevens hem en kroezen;
- Er lagen schalen met onschatbre zwaarden, [599]
- Verroest, doorknaagd, gelijk zij daar al rustten
- In 't ingewand der aard sinds duizend winters [600].
-3160 Alstoen [601] werd deze reuzig groote rijkdom,
- Het goud der voortijdsmenschen, met een toover
- Omstrikt, dat niemand raken mocht de ringzaal;
- Tenzij dan God, de ware zegekoning,
- (Hij is des stervlings steun) aan wien hij wilde
-3165 Het had vergund den goudschat op te breken,
- Juist zulk een, als hem docht te zijn het voegzaamst.
-
-
-
-
-
-XLII.
-
-
- Zoo hadden dit tot op den dag des oordeels {85}
- De hooggeroemde heerschers [602] diep betooverd,
- Die 't hier verscholen, dat hij schuld zou dragen
-3170 Aan 't wanvergrijp, in 't vloekverblijf gegrendeld,
- In hellekluisters vastgeklonken worden,
- Bezwaard met zonden, die de plaats zou plundren.
- Nu was het klaar, dat niet de kamp beklijfde:
- Aan hem [603], die wederrechtig in den rotswand
-3175 De have had bewaard, (hem had de wachter [604]
- Alleen vooreerst gedood) nu dat de veete
- Met kracht gewroken was. Het is iets wonders,
- Wr 't wezen zal, wanneer een wapenkrijger,
- Een krachtberoemde, 't eind bereikt des levens;
-3180 Als langer niet de man de medehuizing
- Bewonen mag te zamen met de magen. [605]
- En zoo gebeurde 't Beowulf, als hij opzocht
- Den wachter van den berg, den strijd. Niet wist hij,
- Waardoor geschieden zou zijn levensscheiding. [606]
-3185 Goudgierig was hij niet [607]: hij had volgaarne
- Des goudbezitters gunst gezien te voren. {86}
- En Wiglaf nam het woord, de zoon van Wichstan:
- Wel menigwerf om wille van een enkle
- Zal menig oorlogsman vervolging lijden, [608]
-3190 Als 't ons nu overkomen is. Wij konden
- Den dierbren heer, den herder van de volken,
- Niet helpen met een raad: dat hij den hoeder
- Des gouds niet ging te lijf, maar dezen liever
- Zou laten rusten, waar hij lang verwijlde,
-3195 Zijn krocht bewonen tot het eind der wereld.
- Ons trof een harde lot. De kostbaarheden
- Zij zijn gezien en moeitevol bemeesterd.
- Te machtig was de buit, die mijn gebieder
- Er henen troonde. Ik heb getoefd daarbinnen,
-3200 In 't ronde 't al gezien, 't sieraad der woning;
- Daar mij gegeven was, vergund de toegang,
- In 't minste niet genoeglijk, in den aardwal.
- Ik greep in aller haast met beide handen
- Een groote reuzenvracht van keursieraden
-3205 En droeg ze weg van daar naar mijnen meester.
- Hij was alsnog bij leven, wijs, bewustvol.
- Veel zei in zorg de grijs. Hij liet u groeten
- En vroeg, dat gij den vriend een brandplaats stichtet,
- Een hoogen heuvel, volgens dezes daden,
-3210 Beroemd en rijzig; daar hij in het ronde
- Der mannen waardste kamper was ter wereld,
- Zoolang als hij genoot de burchtkleinooden.
- Welaan, nu voortgerept een tweede reize,
- Gezien en opgezocht de kunstverzaamling,
-3215 De wonderdingen onder deze wanden.
- Ik wijs den weg, dat gij nabij bewondert
- Genoegzaam ringen met het reuzig goudwerk.
- De lijkbaar sta gereed, bereid ter stonde,
- Als wij te voorschijn komen en vervolgens
-3220 Ons aller vorst, den dierbren man, vervoeren,
- Waar hij in 's Heeren hoede lang zal wijlen.
- De zoon van Wichstan liet vervolgens weten,
- De wapenstoute held, aan tal van strijders,
- Van landbezitters, dat zij tot den lijkbrand
-3225 De mutsaards brengen moesten uit de verte,
- De legerhoofden naar den goede [609] henen.
- Nu zal (bij 't zwellen van de zwarte vlammen)
- Het vuur der oorlogslieden vorst verslinden, {87}
- Die dikwijls heeft getrotst den ijzerhagel,
-3230 Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen
- Heenbruiste boven eene schans van schilden,
- En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,
- De schacht zijn diensten deed, den schicht vervolgde. [610]
- Nu riep te zaam de wijze zoon van Wichstan
-3235 Uit 's konings stoet de zeven beste strijders
- En trok in 't moordvertrek [611] als een van 't achttal.
- Een fakkel hield er een der oorlogshelden
- In zijne hand, die aan het hoofd vooropging.
- Niet lag 't aan 't lot [612] wie rooven zou den rijkdom,
-3240 Nu zonder hoeder hoegenaamd de helden
- Hem opgestapeld zagen in de stede,
- Daar rusten roestverweerd. Niet een dien 't rouwde,
- Toen zij in allerijl naar buiten brachten
- Den kostbren schat. [613] Zij schoven mee het monster,
-3245 Den reuzenworm, langs 't oeverrif en lieten
- Hem grijpen door de golf, der have herder,
- Omvangen door den vloed. Dan werd op wagens
- 't Gewonden goudsieraad, het gansch ontelbre,
- Opeengehoopt, en naar de Walvischhoogte
-3250 De vorst gebracht, de grijze wapenvoerder.
-
-
-
-
-
-XLIII.
-
-
- Nu hoopten op den grond de Gootenhelden
- Een sterken stapel op, omhuifd met helmen,
- Met oorlogsschilden, schitterblanke pantsers;
- Als luidde zijne be. Vervolgens legden
-3255 Ze in 't midden neer den hoogvermaarden koning
- De droeve helden hunnen lieven heerscher.
- Daarop ontstaken op den berg [614] de strijders
- Den breedsten lijkenbrand. De houtwalm hief zich [615]
- De zwarte boven smook, het vlamgezwirrel,
-3260 Doorkruist met kreten;--'t windgewentel rustte--
- Totdat het had verheerd, de borst doorblakend,
- Het beendrenstel. Zij klaagden lustverstoken
- Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
- Ook zong alzoo de jonkvrouw [616] jammerspreuken
-3265 Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
- Door zorgen aangezet. Zij zei genoegzaam,
- Dat zij de zure rampspoedsdagen duchtte,
- d'Onmeetbren lijkenoogst, den angst der mannen,
- En hoon en hechtenis. [617] Nu had de hemel
-3270 Den rook verzwolgen {88}. Op de rotskaap richtten
- De Wederlieden op een lijkenheuvel,
- Die rijzig was en breed, die in het wijde
- Zou zichtbaar wezen voor de zeebevaarders.
- In tiental dagen bouwden zij 't gedenkstuk
-3275 Des slagberoemden, bij de rest des lijkbrands.
- Zij wierpen eenen wal erom, zoo deugdelijk
- Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden.
- Zij borgen ringen in den berg [618] en tooisels,
- Al zulke sier als krijgsgezinde mannen
-3280 Ontvoerden uit de schatten kort te voren.
- Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
- Het goud in 't zand; alwaar het zit tot heden,
- Zoo nutteloos den mensch, gelijk voorhenen.
- Toen reden rond het graf de wapenwakkren,
-3285 Van de edellin, van alle twaalf, de loten. [619]
- Zij wilden weder klagen, weer gewagen
- Van hunnen koning, weder spreuken konden
- En nopens hem verhalen al het goede.
- Zij roemden zijnen riddermoed, vermeldden
-3290 Zijn heldenfeiten, volgens hun vermogen,
- Als 't past zijn vorst en vriend door 't woord te prijzen,
- Te heugen in het hart, wanneer hij heenvaart, [620]
- Wanneer hij zich ontledigt van het lichaam.
- Zoo rouwden om den dood des rijksgebieders
-3295 De Gootenhelden al, de haardgenooten.
- Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
- Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen,
- Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst. [621]
-
-
-
-
-
-De Bestorming van den Finnsburg. [622]
-
-
- Nu {89} hief hij aan de wapenjonge heerscher [623]:
- Niet daagt het in het Oost, niet vliegt er vuurdraak,
- Niet brandt de horentrans [624] van deze halle;
- Maar helden rukken aan met legerharnas,
-5 Gezwaaiden pijlboog; oorlogsvogels [625] zingen; [626] {90}
- Het bruin kuras rinkinkt, het kamphout [627] klettert,
- 't Schild antwoordt [628] aan de schacht. Nu schijnt het
- maanlicht,
- Het volle, door de wolk, nu rijzen weedan [629],
- Die dezen volkshaat tot volvoering brengen.
-10 Op! waakt nu allen op, gij mijne weerbren,
- Den lindebast [630] gebeurd, gestreefd naar stoutheid,
- Gevochten aan de heerspits, weest heldhaftig!
- Daar hief zich menig held, met goud behangen [631],
- En gordde zich het zwaard; nu gingen deurwaarts
-15 Sigferd en Eaha, de onversaagde kampers,
- Zij togen 't staal; Ordlaf en Gudlaf stapten
- Nu heen naar de andre deur, en Hengest zelve
- Hij volgde op 't spoor.
- De Strijd-Deen [632] stuurde Garulf [633]
- Nu toe, dat deze dit doorluchtig leven,
-20 Zijn krijgssieraden niet bij de eerste reize
- Zou henendragen naar der halle deuren;
- Daar hij, de wapenstoute, 't [634] wilde nemen. [635]
- Maar over allen heen en onverholen
- Vroeg deze dappre [636], wie de deur bewaarde.
-25 Mijn naam is Sigeferd, hernam de tweede,
- 'k Ben vorst der Secgen, ver gevierd een ridder,
- 'k Beleefde talrijk leed en sture strijden.
- U weggelegd is dit nu: wat van beide [637]
- Gij zelve wenscht bij mij te komen zoeken.
-30 Nu was het bij den wand gedreun des doodkamps,
- Nu moest het kille schild {91} ter hand des koenen,
- De beerhelm [638] barsten. Heel de halle schokte;
- Totdat in dit gevecht het eerst ineenkromp
- Van al de krijgers Garulf, zoon van Gudlaf,
-35 En rondom dezen menigeen der dappren.
- Nu zwierf de rave zwierend om de lijken, [639]
- Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig.
- Het zwaardgebliksem ging, of gansch de Finnsburg
- In lichter laaie stond. Nog nooit vernam ik,
-40 Dat beter bij der mannen kamp zich kweten
- En waardiger een zestig zegehelden,
- Noch dat goedgeefser borsten ooit vergolden
- De zoete mede, dan aan Hnf de mannen.
- Vijf dagen vochten zij, dat van 't gevolgschap
-45 Niet n er zeeg; maar zij de deur bezetten.
- Nu keerde weder een gewonde kamper [640];
- Hij zei, gebroken was 't kuras, onbruikbaar
- Het strijdgewaad, en zijn helmet doorstoken.
- Dan vroeg hem fluks de herder van de volkschaar [641],
-50 Of wl de kampers voeren bij hun wonden,
- Of niet de moed der jonge mannen naliet... [642] {92}
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANMERKINGEN.
-
-
-Vooraf zij opgemerkt, dat de cijfers naar Socins uitgave en niet meer
-naar de vertaling verwijzen.
-
-De vertaling in proza, welke ik soms toevoeg, is die volgens den
-tekst van Socin, tenzij het tegenovergestelde gezegd wordt.
-
-
-
-
-1
-
-
- thenden wordum wold wine Scyldinga,
- lef land-fruma lange hte. 30-31.
-
- Zoolang over de woorden ('t bevel) beschikte de vriend der
- Schyldings,
- de lieve landvorst lang (het gezag) bezat.
-
-
-Deze plaats heeft tot veel geschrijf en gewrijf aanleiding gegeven.
-
-Heyne zoekt het ontbrekend voorwerp van hte uit wordum weld van
-het vorige vers op te maken en vult aan: geweald, gezag.
-
-Cosijn verandert lange hte in lange thrge: langen tijd.
-
-Regel 31 is dan eene voortzetting van de eerste gedachte, dat de
-wine Scyldinga reeds tijdens zijn leven de noodige beschikkingen voor
-zijne begrafenis genomen had. Daaraan werd vastgeknoopt de mededeeling,
-dat die regeering langen tijd geduurd heeft.
-
-Dat nochtans Heynes khne Construction door geen enkel voorbeeld
-gestaafd wordt kan ik niet zoo grif aannemen. Vgl. v. 1003:
-
-N tht ydhe bydh t beflenne dat zal niet gemakkelijk zijn te
-ontvluchten, waar tht op een zelfst. naamw. dood moet slaan, dat
-uit voorafgaand aldres or-wna is op te maken.
-
-Nochtans geef ik toe, dat op eene verminkte plaats als deze laatste
-niet veel te bouwen is.
-
-Andere verklaringen, b. v. die van Rieger, Bugge en Kluge, laat ik,
-daar zij mijn bestek te buiten gaan, in het midden.
-
-
-
-
-2
-
-
- Th ws on burgum Bowulf Scyldinga,
- lef led-cyning, longe thrge
- folcum gefraege. 53-55.
-
- Toen was op den burcht der Schyldingen Beowulf,
- de lieve volkskoning, langen tijd
- den volken vermaard.
-
-
-Beowulf leefde langen tijd op zijnen burcht en niet: hij was langen
-tijd vermaard, alsof hij het nu niet meer was.
-
-lange thrge bepaalt beter ws dan gefraege, daarom plaats ik een
-komma na thrge.
-
-
-
-
-3
-
-
- sibbe ne wolde
- widh manna hwone mgenes Deniga
- feorh-bealo feorran, fe thingian. 154-56.
-
- Uit vriendschap wilde hij niet
- tegenover iemand van de macht der Denen
- het levenseuvel verwijderen, voor geld bijleggen.
-
-
-sibbe is instrumentalis. Nochtans is de vriendschap eerder het gevolg
-der verzoening dan wel de oorzaak.
-
-Daarom komt Bugges verklaring, die sibbe als voorwerp beschouwt van
-wolde en een komma plaatst na Deniga, mij aannemelijker voor.
-
-
-
-
-4
-
-
- n thaer naenig witena wnan thorfte
- beorthre bte t banan folmum. 157-58.
-
-
-Ik vertaal:
-
-
- Noch een der raden dorst er verwachten
-
-
-Schitterender voldoening van den kant des moordenaars door middel
-van de handen d. i. door het zwaard.
-
-Grein:
-
-
- Erwarten durfte da der Weisen keiner
- des Mordes Shngeld aus des Mrders Handen.
-
-
-Bte is volgens hem zoengeld en schijnt dit ook te zijn voor Socin,
-daar hij ter plaatse: Leistung zur Shne, Genugtuung, Tribut aanhaalt.
-
-Doch dan hebben wij slechts eene herhaling van fe thingian, en komt
-n en beorhtre niet tot zijn recht.
-
-
-
-
-5
-
-
- n his mynne wisse. 169.
-
-
-(Grendel zou den Deenschen troon niet beklimmen ter oorzake van God)
-noch had hij daar lust toe.
-
-Zoo verklaart Wlcker, waarbij Cosijn zich aansluit.
-
-Socin: ook kende hij niet zijne (Gods) liefde, hetgeen, naar hij
-zelf bekent, stuitend is met het oog op 181-82, welcher Satz auch
-das Heidentum der Danen hervorhebt.
-
-
-
-
-6
-
-
- fyrst fordh gewt. 210.
-
- de tijd was verstreken.
-
-
-Ik open hier de parenthese naar 't voorbeeld van Cosijn.
-
-
-
-
-7
-
-
- flota ws on ydhum,
-
- bt under beorge. 210-11.
-
-
-Under beorge is niet onder den berg (Socin), maar bij den berg
-(Cosijn).
-
-
-
-
-8
-
-
- stremas wundon sund widh sande 212-13.
- Die Stromflut wogte der Sund gen dem Sande. (Grein.)
-
-
-sund is nom. en parallel met stremas.
-
-Socin vat sund verkeerdelijk als acc. op: de stroomen wonden de zee
-tegen het zand.
-
-
-
-
-9
-
-
- thonne sgdon tht sae-lidhende,
- th the gif-sceattas Geta fyredon.
- thyder t thance. 377-79.
-
- toen zeiden dit zeevarenden,
- die de kostgaven der Gooten brachten
- daarheen (naar 't land der Gooten) ten geschenke.
-
-
-Deze opvatting van Grundtvig wordt door Bugge niet aangenomen; immers
-ze doet onderstellen, dat de Gootische zeevaarders, die Hygelac
-geschenken brachten, eerst bij Hrodgars verblijfplaats aanlegden.
-
-Hij leest daarom in plaats van den gen. Geta den dat. Getum: zoodat
-het Deensche zeelieden waren, die aan de Gooten geschenken brachten.
-
-Cosijn verandert thyder daarheen in hyder hierheen; gevers en
-schippers zijn dan Gooten.
-
-Deze laatste verklaring veroorlooft ons, het hier vermelde feit
-met andere gebeurtenissen in verband te brengen; immers niets staat
-het vermoeden in den weg, dat deze geschenken voor Hrodgar werden
-aangevoerd, ter beslechting van de veete met de Wylfingen.
-
-
-
-
-10
-
-
- hbbe ic ec gehsod, that se aeglaeca
- for his won-hydum waepna ne rccedh. 433-34.
-
-
-Cosijn teekent hierbij aan: waepna ne reccedh hij geeft om geen
-wapens, duplici sensu: hij, de vermetele, draagt geen wapen en vreest
-voor geen wapen, natuurlijk omdat hij zich onkwetsbaar gemaakt had
-door tooverspreuken.
-
-Dit natuurlijk wil er bij mij zoo maar niet in.
-
-Beowulf heeft vernomen, dat Grendel niet bang is voor wapens, maar
-dat geen wapen hem kan deren, omdat het door hem bezworen is, weet
-hij niet.
-
-Er bestaat toch een verschil tusschen: hij vreest geen wapen en hij
-heeft geen wapen te vreezen.
-
-Buitendien zou Beowulf in tegenspraak zijn met zijne eigen woorden 680:
-
-
- erschlagen will ich ihn drum mit dem Schwerte nicht
- und so sein Alter krzen, obwol ichs all so knnte. (Grein.)
-
-
-Welk van beide plaatsen is dan onecht?
-
-Ten slotte zou 792-809 (vert. 808-22) ook geen genade kunnen vinden;
-wat het geval is bij Ettmller en Mllenhoff, die deze verzen
-uitwerpen.
-
-Ettmllers beweren: da Beowulf in seiner Heimat schon wusste, dass
-Grendel nichts von Waffen zu frchten habe, so werden auch seine
-Begleiter das gewusst haben berust juist op die verkeerde opvatting
-van waepna ne rccedh. Beowulf wist dat niet en zijne makkers evenmin.
-
-Mllenhoffs redeneering schijnt mij geheel en al uit de lucht
-gegrepen. Hij zegt: 792-809. Auch diese Verse sind schon von Ettmller
-verworfen.
-
-Beowulf sagt 680 f. ich will ihn nicht mit dem schwerte hinstrecken
-und des lebens berauben, obgleich ich es sehr wohl knnte, theh ic
-eal mge. Nur um den waffenlosen Grendel nicht in ungleichem kampfe
-zu bestehen, will auch er nicht der waffen gegen ihn sich bedienen.
-En hij vervolgt:
-
-die annahme dieser verse 792-809, dass gegen Grendel mit waffen
-nichts auszurichten sei, weil er sich hiebfest gemacht hatte, ist
-daher ganz ungehrig.
-
-Iets even ungehrig is wel Mllenhoffs lezing.
-
-De tekst zegt niet: Beowulfs makkers wisten, dat er met wapens bij
-Grendel geene eer in te leggen was, maar juist het tegendeel: he
-tht ne wiston, zij wisten dat niet.
-
-De slotsom van deze uiteenzetting is, dat waepna ne rccedh enkel
-en alleen beduidt: Grendel vreest geen wapen, zoodat twee plaatsen
-gehandhaafd blijven, wier echtheid anders aan gegronden twijfel
-onderhevig zou zijn.
-
-
-
-
-11
-
-
- n th mnne thearft
- hafalan hydan, ac h m habban wile
- drere fhne, gif mec dedh nimedh. 445-47.
-
-
-Vertaald volgens Thorpe en Cosijn; zoo komt de redegevende beteekenis
-van ac = want beter uit.
-
-Socin denkt aan eene eerewacht, welke volgens de Angelsaksische wet aan
-den koning gegeven werd en dus ook aan Beowulf, die van koninklijken
-bloede was.
-
-Hij vertaalt diensvolgens: gij hoeft met geene eerewacht mijn hoofd
-te hoeden, iets waarvan de ongerijmdheid voor de hand ligt, daar
-Grendel het lijk zal meevoeren.
-
-
-
-
-12
-
-
- n th ymb mnes ne thearft
- lces feorme leng sorgian. 450-51.
-
- mir brauchst du nicht
- um meines Leibes Nahrung langer dann zu sorgen. (Grein.)
-
-
-Evenzoo Socin, naar het voorbeeld van Bugge.
-
-De zin komt dus hierop neer: ben ik dood dan hoeft gij mij den kost
-niet te geven.
-
-Cosijn wijst er op, dat de oorzaak van Bugges dwaling gezocht moet
-worden in de letterlijke opvatting van leng met een negatie. Beteekent
-dit niet langer, dan heeft Bugge gelijk... Maar ne-leng beduidt hier:
-geen oogenblik, volstrekt niet.
-
-
-
-
-13
-
-
- for were-fyhtum, th, wine mn Bewulf,
- ond for r-stafum sic shtest. 457-58.
-
-
-Cosijn verwerpt Bugges vermoeden waere ryhtum th: door de
-verplichting, die de war, het verbond tusschen vorst en trawant
-(wargengea) oplegt, uit bondsverplichting.
-
-Daar hij voorloopig geene oplossing te gemoet ziet, berust ik met
-Socin bij de gissing van Grundtvig.
-
-
-
-
-14
-
-
- thaer ws hledha drem,
- dugudh unlytel Dena ond Wedera. 497-98.
-
- da war der Helden Jubel
- und nicht wenig Mnner der Wedern und der Dnen. (Grein.)
-
-
-Socin kent insgelijks aan dugudh de beteekenis van krijgsschaar toe;
-nochtans verwacht men eenen parallelvorm met drem.
-
-Dugudh kan hier alleen goed zijn, wanneer het hledha drem nader
-verklaart. Hymne XI, 11 wordt de aardsche heerlijkheid door dugudhe
-and dremas aangeduid. (Cosijn).
-
-
-
-
-15
-
-
- Breca naefre git
- t headho-lce, n gehwder incer
- sw derlice daed gefremede
- fgum sweordum . . . .
- . . . . . . n ic ths gylpe;
- theh th thnum brdrum t banan wurde. 583-88.
-
-
-Socin neemt eene leemte van een vers aan; vandaar dat hij in 't
-vervolg n vers vooruit is op de overige uitgaven.
-
-Ik plaats met Grein n ic ths gylpe, dat op zich zelf verstaanbaar
-genoeg is, tusschen haakjes en laat den zin doorloopen.
-
-Niet bral ik dies d. i. op mijnen zwemtocht, eene sw derlice
-daed. Socins tittels zijn dus overbodig.
-
-
-
-
-16
-
-
- (swaefon) ealle bton num. Tht was yldum cdh,
- tht he ne mste, th metod nolde,
- se syn-scadha under sceadu bregdan;
- ac h wccende wrdhum on andan
- bd bolgen-md beadwa gethinges. 706-10.
-
- (sie schliefen) alle ausser einem: Kund ward allen Menschen,
- dass sie der Gramfeind nicht, da Gott nicht wollte,
- der schuldvolle Schdiger durfte unter Schatten schwingen,
- sondern wachend harrte er dem Wterich zum Aerger
- auf die Begegnung des Kampfs ergrimmten Mutes. (Grein.)
-
-
-Socins gegevens stemmen hiermede overeen.
-
-De tegenstelling ac: sondern komt niet tot haar recht.
-
-Cosijn plaatst tht ws-bregdan tusschen haakjes en laat ac, dat
-hier redegevend is, op bton num slaan; ac: want verklaart alsdan,
-waarom allen sliepen uitgenomen Beowulf. De punt na num zal dan door
-een komma moeten vervangen worden.
-
-
-
-
-17
-
-
- tht ws tcen sweotol,
- sydhdhan hilde-der hond legde,
- earm ond eaxle (thaer ws eal geador
- Grendles grpe) under gepne hrf. 834-37.
-
-
-Socin: onder het ruime dak.
-
-Under gepne hrf is op te vatten als under beorge 211 (voor den
-berg); het zegeteeken van Beowulf werd vr de deur on stapol op
-stoep op het perron gelegd, waar ieder het zien kon. (Cosijn).
-
-
-
-
-18
-
-
- thaer ws on blde brim weallende,
- atol ydha geswing(,) eal gemenged
- hton heolfre, heoro-drere wel;
- dedh-faege deg, sidhdhan drema les
- in fen-freodho feorh legde, 848-52.
-
- daar was in bloed de branding golvend,
- het afschuwelijk golfgeklots, gansch gemengd
- met heeten etter, zwalpte van het zwaardbloed;
- de den dood vervallen (Grendel) verborg zich, terwijl hij
- vreugdeloos
- in de veenverschansing het leven aflegde.
-
-
-Socin kent hier aan sidhdhan de beteekenis toe van terwijl, zoodat
-hij Grendel te gelijker tijd laat onderduiken en sterven, terwijl
-men verwacht, hem te zien sterven, nadat hij ondergedoken is.
-
-Het euvel ware te verhelpen geweest door met sidhdhan eenen nieuwen
-hoofdzin te beginnen en dit te laten slaan op dedh-faege deg:
-sedert d. i. nadat hij zich verscholen had, legde hij het leven af.
-
-Cosijns bemerking kan ik niet beamen: en leest men na een punt
-sidhdhan, dan begrijpt niemand, waar dit sidhdhan op slaat.
-
-Ziehier nu, hoe Cosijn den zin omwerkt:
-
-Hij verandert on blde in blde, plaatst een kommapunt na heolfre en
-schrapt ze na wel.
-
-Hij steunt op 1631 lagu drsade ..... wl-drere fg, om dedh-faege
-in dedh-fge (= wlfge, bont door den moord) te veranderen.
-
-Vandaar verwerpt hij dedh-faeges dep des veegen diep van Sievers
-en leest in plaats daarvan dedh-fge dep het moordgepurperd diep.
-
-Ten slotte is heoro-drere wel dedfge dep parallel met het
-voorgaande.
-
-
-
-
-19
-
-
- word dher... sdhe gebunden 871 d. i. nieuwberijmde woorden.
-
-
-
-
-20
-
-
- wel-hwylc gecwdh
- tht h fram Sigemundes secgan hyrde
- ellen-daedum. 875-77.
-
- hij zei alwat
- hij had hooren zeggen van Sigemunds
- krachtdaden.
-
-
-Bij Cosijn is wel-hwylc = aghwylc (iedereen) en nom. sing. in plaats
-van acc. neutr.
-
-
-
-
-21
-
-
- S ws wreccena wde maerost
- Ofer wer-thede, wigendra hle
- ellen-daedum: he ths ron thh.
- Sidhdhan Heremdes hild swedhrode,
- eafodh ond ellen. 899-903.
-
- Deze (Sigmund) was der helden wijd vermaardste
- boven de volken, der kampers scherm
- door krachtdaden: des nam hij toe in eer.
- Sedert nam Heremodes kampgeduchtheid af,
- Zijn sterkte en moed.
-
-
-Het springt in 't oog, dat Heremod hier met de haren er bij getrokken
-is. Immers welk verband bestaat er tusschen sidhdhan 902 en het
-voorafgaande? Hoegenaamd geen.
-
-De verschillende pogingen tot verbetering laat ik onbesproken.
-
-Mllenhoff schijnt mij het ware getroffen te hebben, en het zij mij
-geoorloofd hier bij te voegen, dat ik buiten hem om op eigen hand
-tot dezelfde uitkomst was geraakt.
-
-Hij verbindt sidhdhan nadat met den hoofdzin s ws en plaatst een
-komma na ellen-daedum.
-
-h ths ron thh komt in aanmerking als een ingelaschte zin. Men
-vergelijke de vertaling.
-
-Een klein bezwaar heb ik tegen een van Mllenhoffs verdere
-ophelderingen: Sigmund is niet de voornaamste held geweest vr
-Heremod maar na Heremod.
-
-1 Het is de natuurlijke uitlegging van den zin: Sigmund was de
-vermaardste held, sinds Heremods kracht was afgenomen.
-
-2 Heremod komt op de stamtafels der Angelsaksische koningen
-als voorvader van Wdan voor en wel op de 6de plaats van bovenaf
-te beginnen, onmiddellijk voor Sceldwa (Scyld). Vgl. Ettmller,
-Einleitung bl. 7, en Sievers, Beitrge, XVI bl. 361.
-
-3 h his ledum weardh... t aldor-ceare 906: hij werd zijne lieden
-tot levenskommer laat ik slaan op Sigmund.
-
-Welnu er volgt onmiddellijk: Zoo ook (evenals bij Sigmund) betreurde
-aerran maelum, in vroeger dagen menig held den tocht van Heremod. Ergo
-leefde deze naar de voorstelling des dichters in een vroeger tijdperk
-dan Sigmund.
-
-
-
-
-22
-
-
- H mid eotenum weardh
- on fenda geweald fordh forlcen,
- snde forsended. Hine sorh-wylmas
- lemede t lange, h his ledum weardh,
- eallum dhelingum t aldor-ceare. 903-7.
-
-
-Over de letterlijke vertaling dezer verzen zijn de uitgevers het
-eens, insgelijks over het feit dat vv. 908-14 van Heremod gewagen;
-doch de knoop ligt hier:
-
-Is er sprake van Sigmund ofwel van Heremod, en in hoeverre? Immers
-de Angelsaksische tekst springt meer dan eens nog al wild om met de
-persoonlijke voornaamwoorden, zoodat de lezer zich moet afvragen,
-wie eigenlijk gemeend is.
-
-Deze eigenaardigheid, welke de duidelijkheid in den weg staat,
-doch de critiek eene ruime stof tot bespreking aan de hand doet,
-is buiten kijf toe te schrijven aan het ontstaan van het epos uit
-verschillende afzonderlijke liederen.
-
-Bugge laat den heelen zin op Heremod slaan: deze werd forlcen:
-verraden, on fenda geweald: in de macht des duivels, snde: door
-eenen plotselingen dood.
-
-Daar hij geenen weg weet met de tegenspraak tusschen: hine sorhwylmas
-lemede t lange, dat eenen goeden, en: he his ledum weard... t
-aldor-ceare, dat eenen slechten Heremod veronderstelt, verandert hij
-hine sorhwylmas in: sorhwylma hrine: door den greep der woelende
-zorgen verlamde hij het volk te lang.
-
-mid eotenum = onder de reuzen; zoo worden Heremods vijanden
-geheeten wegens de aanleuning met Sigmund, daar de dichter de eerste
-Heremod-episode aan de Sigmund-episode heeft vastgeknoopt.
-
-De schering en inslag zijner redeneering is als volgt:
-
-De latere tijd, waarin Heremod zijne lieden tot levenskommer wierd
-905-7, wordt vergeleken met vroegere tijden, aerran maelum 908-14.
-
-Ook in het eerste tijdperk van zijn leven beantwoordde hij niet aan de
-verwachtingen van zijns vaders raadgevers. Hij ontving niet 's vaders
-adel, hij verdedigde niet het volk en het rijk der Schildingen. Hij
-ondernam toen eenen tocht sdh 909, dien menig wijze man afkeurde:
-In plaats van het hard bestookte rijk te verdedigen, was hij naar
-elders vertrokken, waarschijnlijk om daar te kampen.
-
-Later kwam hij terug en heerschte zoo gruwzaam over de Schildingen,
-dat hij verraden en in de eenzaamheid vermoord werd. 903-5. Tot
-hiertoe Bugge.
-
-Het gaat niet aan, de lezing van het Hs. zoo maar over boord te werpen,
-vooral als geen andere grond kan ingeroepen worden, dan het niet alleen
-staande gebruik van het enkelv. lemede bij een meervoudig onderwerp,
-mid eotenum blijft in de toepassing op Heremod altijd gewaagd.
-
-Eindelijk, en dit is het voornaamste bezwaar, wordt Sigmund geheel
-en al uit het oog verloren, alsof er geen betrekking tusschen hem en
-Heremod bestond.
-
-Waarom heeft de dichter hem dan met Heremod in verband gebracht? In de
-Edda worden zij ook te zamen genoemd, dat is dus niet louter toevallig.
-
-Blijkens mijne vertaling betrekt zich h 903, hine 905, h 906
-uitsluitend op Sigmund. Na t lange plaats ik een dubbel punt; h his
-ledum weardh to aldor-ceare zinspeelt op Sigmunds dood in de macht
-der Nevelingen.
-
-Zoodoende blijft de tekst gewaarborgd, staat mid eotenum op zijne
-plaats, wordt Sigmund niet doodgezwegen, en vervalt alle tegenspraak.
-
-Door Heremods sidh gang, tocht is dan zijn vertrek in de ballingschap
-te verstaan, hetzij hij de tegenkanting moede vrijwillig ging,
-hetzij gedwongen.
-
-Immers v. 916 wordt gezegd, dat vervolging, vijandschap aan Heremod
-ten deel viel, hine fyren onwd.
-
-
-
-
-23
-
-
- std on stapole, geseah stepne hrf
- golde fhne ond Grendles hond. 927-28.
-
-
-(Hrodgar) stond tegen eene zuil, zag naar het steile dak het goudbonte
-en naar Grendels hand.
-
-
- sidhdhan delingas eorles crfte
- ofer hehne hrf hand scewedon. 983-84.
-
- sinds de edellieden dank aan des helden kracht
- over den hoogen dakstoel de hand schouwden.
-
-
-Het heeft er veel van, alsof de hand later boven of ter hoogte
-van het dak was aangebracht... We weten nu wel beter, dank zij
-Miller. Verkeerdelijk verklaart Socin: ofer hehne hrf, ber den
-hohen Dachstuhl hinweg, d. i. den Raum des Dachstuhls ausfllend;
-ergo ofer = under!
-
-Ten slotte: vs. 1303 moet Grendel's hand weer van het dak
-verwijderd zijn, want zijn moeder klautert niet naar boven.
-Cosijn. Vgl. Aanm. 17. Millers opstel over deze plaats heb ik niet
-kunnen raadplegen.
-
-
-
-
-24
-
-
- (scewedon) fendes fingras, foran aeghwylc;
- ws stdra ngla gehwylc style gelcost. 985-86
-
-
-Mijne vertaling van deze veel bestreden plaats sluit zich bij
-Socin aan.
-
-Sievers plaatst een dubbel punt na fingras, zoodat foran aeghwylc
-tot ws behoort; hij leest stdhra (hard) in plaats van stdra (vast):
-
-van voren was elk der harde nagels het meest gelijkend op staal.
-
-Cosijn houdt het met het Hs: steda en slaat aghwar (in plaats van
-aghwylc) voor, dat met een gen. van plaats verbonden wordt: aghwar
-steda, op alle plaatsen (waar nagels groeien). Wij krijgen dus:
-
-Op alle plaatsen waren de nagels van voren (de punten der nagels)
-het meest gelijkend op staal d. i. hard als staal.
-
-
-
-
-25
-
-
- N tht ydhe bydh
- t beflenne (fremme se the wille!)
- ac gesacan sceal swl-berendra
- nyde genydde nidhdha bearna
- grund-bendra gearwe stwe,
- thaer his lc-homa leger-bedde fst
- swefedh fter symle. 1003-9.
-
- nicht leicht wirds einem,
- dem zu entfliehen (vollfhr' es wer da will!)
- sondern suchen soll der Seelentragenden
- der Erdbewohner jeder, der Edelinge Kinder,
- mit Gewalt gentigt die wartende Sttte,
- allwo sein Leichnam dann am Lagerbette fest
- (nach den Mahle) schlft.
-
-
-Aldus Grein, doch met de beteekenis van symle: bestndig. Deze
-gebrekkige plaats biedt twee moeilijkheden aan:
-
-1 Waarop betrekt zich tht 1003?
-
-Ik blijf het antwoord schuldig, tenzij ik met Thorpe uit aldres
-or-wna aan 't leven vertwijfelend het antecedent dood opmaak.
-
-2 Ziehier der lange rede korten zin: de dood is niet gemakkelijk te
-ontvlieden, want iedereen zal sterven!
-
-Mijne vertaling tracht er eene mouw aan te passen: lc-homa is lichaam
-en niet lijk; leger-bedde fst is gekluisterd op het rustbed en
-niet op het doodsbed, waarvoor on wlbedde 965 en dedbedde fst
-2902 voorkomt.
-
-fremme s the wille is eene flauwe opmerking.
-
-Men zou eerder: volvoere hij wat hij wil of iets dergelijks
-verwachten.
-
-
-
-
-26
-
-
- fore Healfdenes hilde-wsan 1065
-
-
-Naar Cosijn kan dit alleen beteekenen: voor de oogen d. i. in
-tegenwoordigheid of ten aanhooren van Healfdeens krijgsoverste.
-
-Indien dit zoo is, en niemand zal op het gebied der Angels. taalkennis
-zijn gezag in twijfel trekken, zou dan de moeilijkheid niet uit den
-weg te ruimen zijn door Healfdenes in Healfdena te veranderen? De
-vertaling zou luiden:
-
-
- Toen werd gezang en klank te zaam vereenigd
- In 't bijzijn van den vorst der Hallef-Denen
-
-
-d. i. van Hrodgar; immers Halfdeen en Deen kunnen voor elkaar gebruikt
-worden. Vgl. 1091.
-
-
-
-
-27
-
-
- thonne heal-gamen Hrdgres scop
- fter medo-bence maenan scolde. 1067-68.
-
-
-Na heal-gamen plaats ik een kommapunt en onderversta ws: nu was
-er hallevreugd.
-
-Derhalve moet er bij Socin, indien zijn heal-gamen nom. sing. geen
-vergissing is, noodwendig een scheiteeken volgen.
-
-De uitgevers zien in heal-gamen een acc. afhangende van maenan;
-thonne leidt alsdan den bijzin in:
-
-(Het lied werd aangeheven), toen Hrodgars zanger de hallevreugde
-langs de medebanken moest verkonden.
-
-Cosijn koestert nochtans bedenkingen tegen den vorm: healgamen manan.
-
-
-
-
-28
-
-
- tht h ne mehte on thaem medhel-stede
- wg Hengeste wiht gefeohtan,
- n th we-lfe wge forthringan
- thednes thegne. 1083-86
-
- dat hij geenszins vermocht op de onderhandelingsplaats
- aan (met) Hengest den kamp te kampen,
- noch (zijne) ongeluksresten in den strijd te ontrukken
- aan 's konings veldheer.
-
-
-Wg komt tweemaal voor; buitendien zeggen 1085-86 in den grond
-hetzelfde als de twee voorafgaande verzen.
-
-Waar blijft dan de kracht van n: noch 1085, dat toch iets anders
-moet te berde brengen?
-
-Rieger krijgt een goeden zin, mits de geringe verandering van wg
-Hengeste wiht gefeohtan in wiht Hengeste widh gefeohtan: Finn kan
-noch een voordeel verkrijgen, noch datgene behouden wat hij nog bezat.
-
-Ik heb Riegers gewijzigden tekst gevolgd.
-
-
-
-
-29
-
-
- hire selfre sunu. 1116.
-
-
-Sunu is niet acc. sing. als bij Socin en Ettmller, maar acc. plur.:
-die eignen Gebornen. (Grein.)
-
-
-
-
-30
-
-
- Gewiton him tha wgend wca nesian,
- frendum befeallen Frysland gesen,
- hmas ond he-burh. 1126-28.
-
-
-In sommige bijzonderheden wijkt Socin van Bugges opvatting der
-Finnepisode af.
-
-De wgend: strijders zijn voor hem andere Denen, die inmiddels zijn
-overgekomen, om hunne vrienden, waarvan zij zoo lang beroofd waren,
-te bezoeken.
-
-he-burh is dan de Finnsburg en bevindt zich in Friesland.
-
-Men kan Socin in overweging geven, waarom Hengest, na deze versterking,
-nog den ganschen, langen winter blijft dralen, alvorens zijn opzet
-uit te voeren; daar toch Finns krijgers tot een onbeduidend hoopje
-geslonken zijn?
-
-
-
-
-31
-
-
- odh tht dher cm
- ger in geardas, sw n gyt ddh,
- th the syngales sle bewitiadh,
- wuldor-torhtan weder. 1134-37,
-
- totdat een ander jaar gekomen was
- in het hof, zooals het nu nog doet,
- indien men voortdurend op den gunstigen tijd let,
- op het heerlijk heldere weder.
-
-
-Socin vat th the als indien en wuldor-torhtan weder als acc. op;
-dit laatste ook Grein.
-
-Deze verklaring komt mij al te gezocht voor; om te weten dat de lente
-geregeld terugkomt, moet men toch geen weerprofeet zijn.
-
-De onregelmatigheid bestaat hierin, dat het relat. plur. th zich
-niet alleen betrekt op ger; maar ook op een woord, dat volgt, op
-wuldor-torhtan weder.
-
-Alsdan is de zin: totdat een ander jaar, de lente kwam,
-welke voortdurend op hun tijd letten d. i. te hunnen tijde
-verschijnen. wuldor-torhtan weder is dan nom.
-
-Cosijn verdedigt deze opvatting.
-
-Zou men de volgorde der verzen niet kunnen wijzigen en lezen:
-
-
- odh tht dher cm
- ger in geardas, sw n gyt ddh,
- wuldor-torhtan weder, th the syngales
- sle bewitiadh?
-
-
-
-
-32
-
-
- worod-raedenne. 1143.
-
-
-Mller en Bugge vertalen dit woord door Gefolgschaftsverhltnis,
-leenmanschap.
-
-Cosijn staaft door verscheidene aanhalingen, dat worod-raedenne alleen
-troepschap, troepuitmaking, troep kan beteekenen. Mijn wapenlieden
-is eene toenadering tot deze beteekenis.
-
-
-
-
-33
-
-
- sw h ne forwyrnde worod-raedenne,
- thonne him Hn Lfing hilde-leman,
- billa slest, on bearm dyde:
- ths waeron mid Eotenum ecge cdhe. 1143-46.
-
-
-Cosijn neemt weer de oude verklaring op van Hornburg, die voorslaat,
-Hnlfing niet te scheiden en als den naam van n persoon te
-beschouwen. De zin is alsdan:
-
-Dus weigerde Hengest niet zich bij den troep aan te sluiten (tot
-de samengezworen Denen over te gaan), toen Hunlafing (een der
-samenzweerders) hem het zwaard aanbood, welks snede onder de Friezen
-beroemd was (dat in den kamp met de Friezen reeds goede diensten
-had bewezen).
-
-Moet men Hnlfing met Bugge in twee of met Cosijn in een woord
-lezen? Adhuc sub judice lis est.
-
-Wat ten gunste van den laatste pleit is, dat Hengest niet meer noodig
-had Finns leenman te worden, daar hij het al was; immers had hij hem
-niet sinds een jaar als koning aanerkend?
-
-
-
-
-34
-
-
- ne meahte wfre md
- forhabban in hredhre. 1151-52.
-
- niet kon (Finns) weifelende levensgeest
- zich houden in de borst.
-
-
-d. i. Finn moest sterven. Socin ziet over het hoofd, dat ne meahte
-forhabben: zich niet inhouden, zich niet betoomen beduidt. Vgl. 2610
-ne mihte th forhabban: Wiglaf kon zich toen niet meer inhouden,
-maar zijne hand greep het schild enz.
-
-Cosijn verwerpt Bugges opvatting (zie Vert.) en laat meahte slaan f op
-(Finnes) md f op Finn zelf.
-
-De zin is in deze veronderstelling:
-
-Zoo greep nu Finn de wapendood in zijne eigen woning, nadat Gudlaf
-en Oslaf hunnen grooten rampspoed aan Finn hadden verweten. Bij die
-verwijtingen kon Finn zijn bruisend gemoed, zijnen toorn niet in zijne
-borst betoomen. (ofwel: kon Finns bruisend gemoed zich niet betoomen.)
-
-Wie van beiden heeft het ware voor?
-
-
-
-
-35
-
-
- Ad. 1158.
-
-
-Dat Hildeburg waarschijnlijk eene in den oorlog geschaakte Deensche
-vorstin is, als Socin voorgeeft, blijkt nergens. Vgl. vert. 1085 nota.
-
-Zijne verwijzing naar 2931 is glad verkeerd; daar is sprake van
-Ongentheows echtgenoote, Elan, en niet van Hildeburg.
-
-
-
-
-36
-
-
- heal swge onfng 1215.
-
-
-Socin behoudt de lezing van het Hs. de hal ontving het gejubel
-d. i. de hal weerklonk van het gejubel.
-
-Maar de uitdrukking is te singulier; vandaar dat Cosijn healsbge
-onfng: Wealchtheow ontving de halsboot voorslaat.
-
-
-
-
-37
-
-
- druncne dryht-guman, ddh sw ic bidde 1232
-
- ihr trunknen Helden, thut wie ich euch bitte. (Grein.)
-
-
-Het verzoek der koningin kan toch niet tot doel hebben, zooals Sievers
-zegt, om de helden tot pooien aan te zetten. Wat moeten zij dan doen?
-
-Sievers verandert ddh in d en doet het op het boven aan Beowulf
-gerichte verzoek slaan.
-
-Kluge ziet er met recht eene opwekking in om eensgezind te blijven
-en verandert is 1229 in si (s) d. i. in de bijvoegende wijs. In
-hetzelfde opstel wijst hij er op, dat men de oude uitgevers dient te
-raadplegen: Grade die lteren Editoren haben manchen guten Gedanken
-gehabt, der nie recht zur Geltung gekommen ist.
-
-Welnu zijne opvatting bevindt zich reeds bij Ettmller, welke bij thut
-wie ich bitte aanteekent: trinket und seid in Eintracht frhlich.
-
-Ik stel voor na sw een komma te plaatsen: ddh sw, ic bidde: doet
-alzoo, ik verzoek het u.
-
-sw ziet alsdan terug op 1229-30 hr is aeghwylc eorl dhrum getrywe
-enz.
-
-
-
-
-38
-
-
- ber-scealca sum
- fs ond faege flet-rste gebeg. 1241-42.
-
-
-Grein: der Bierdiener mancher; Socin in voce ber-scealc: einer von
-Hrodgrs Gefolgsleuten.
-
-Daar sum in beide beteekenissen voorkomt, staat de keus vrij; vooral
-nu het gedicht, dat in het vervolg van geenen ber-scealc rept,
-geene uitkomst oplevert.
-
-
-
-
-39
-
-
- thaer on bence ws
- ofer dhelinge ydh-gesne
- headho-stepa helm 1244-46.
-
- An der Bank war da
- offen sichtbar ber dem Edelinge
- der ragendhohe Helm. (Grein.)
-
-
-Wie is die edelman? Het kan niemand anders zijn dan Beowulf. Of is
-hier soms bor-scealca sum, ofwel de veel later genoemde Aschere
-gemeend? Voor Socin, in voce dheling, is het Beowulf.
-
-Doch Beowulf was er niet, ns Beowulf thaer 1300, later wordt hij
-geroepen 1311.
-
-Bij gevolg blijft er niets anders over dan het enkelv. ofer dhelinge
-in het meerv. ofer dhelingum te veranderen.
-
-Het zijn alsdan de in Heorot vernachtende Deensche krijgers.
-
-
-
-
-40
-
-
- tht gesyne weardh,
- wd-cdh werum, thtte wrecend th gyt
- lifde fter ldhum, lange thrge
- fter gdh-ceare. 1256-59.
-
-
-thtte wrecend th gyt lifde dat er nog een wreker leefde is volgens
-Ettmller, Grein en Mllenhoff niemand anders dan Grendels moeder.
-
-Maar welke waarde moet dan toegekend worden aan lange thrge, eenen
-langen tijd?
-
-Er waren toch hoogstens 24 uren verloopen sedert Grendels dood!
-
-Het ligt dus voor de hand, dat Grendels moeder onmogelijk kan bedoeld
-worden. Grendel had gedurende twaalf jaren in Heorot vreeselijk
-huisgehouden, na dien langen tijd zou God hem straffen.
-
-Deze verzen zijn uit de pen gevloeid van den christelijken nadichter.
-
-
-
-
-41
-
-
- thonne w on orlege
- hafelan weredon, thonne hniton fdhan,
- eoferas cnysedan. 1327-29.
-
-
-Is het wel noodig met Socin eoferas overdrachtelijk te verstaan voor
-koene krijgers? Kan het woord niet met Grein in letterlijke beteekenis
-worden opgevat: als de evers, die zich op de helmen bevonden, op
-elkander instormden?
-
-De aanschouwelijkheid der voorstelling zou er veel bij winnen.
-
-Buitendien wordt in ons gedicht een dapper krijgsman wel wolf geheeten,
-maar nergens ever: heore-wearh 1268, freca Scyldinga 1564.
-
-Cosijn stelt voor de interpunctie te wijzigen; dan vervalt het boven
-gezegde.
-
-Hij plaatst thonne hniton fdhan tusschen haakjes en ziet in eoferas
-eenen acc. beheerscht door cnysedan:
-
-Als wij in den oorlog het hoofd beschermden (terwijl de voetknechten
-op elkander stieten) en de helmevers verbrijzelden.
-
-
-
-
-42
-
-
- ge feor hafadh faehdhe gestaeled 1341.
-
-
-Cosijn bewijst uit andere teksten, dat faehde staelan niets anders
-kan beteekenen dan veete, vijandschap bedrijven.
-
-Socins verklaring: Grendels Mutter hat uns fernerhin ihre Feindschaft
-auferlegt kan dus niet in aanmerking komen.
-
-
-
-
-43
-
-
- lond-bend 1346 nom. plur.
-
-
-Dit zal wel eene drukfout wezen voor acc. plur.
-
-Eveneens fyr 1367, waarbij het acc. sing. en niet nom. sing. moet
-heeten.
-
-
-
-
-44
-
-
- th ws hwl dges,
- aer h thone grund-wong ongytan mehte. 1496-97.
-
- er was de duur van eenen dag mede gemoeid,
- alvorens hij de bodemvlakte kon bereiken.
-
-
-Mllenhoff kent aan hwl dges de beteekenis toe van eine stunde
-tages en niet ten onrechte.
-
-De meening van Socin en anderen is in tegenspraak met de
-feiten. Beowulf kon geenen ganschen dag noodig gehad hebben, om
-den bodem van het meer te bereiken, daar hij zich 's morgens op weg
-begeeft en om 3 uur 's namiddags weer terug is 1601.
-
-Hoe kon ook het water blijkens 1592 vlg. aanstonds, sna, roodgekleurd
-zijn?
-
-Eindelijk moest Beowulfs terugkomst uit de diepte ook weer eenen
-ganschen dag in beslag nemen!
-
-
-
-
-45
-
-
- sw h ne mihte n (h ths mdig was)
- waepna gewealdan. 1509-10.
-
- Zoodat hij niet vermocht (hij was daartoe moedig)
- over de wapens te beschikken.
-
-
-Om wille van de juiste verdeeling van het vers verbinden Sievers
-en Cosijn de ontkenning n met de parenthese: n h ths mdig ws;
-daar n als begin van het laatste halfvers meer voorkomt.
-
-
-
-
-46
-
-
- Oferwearp th wrig-md wigena strengest,
- fdhe-cempa, tht h on fylle weardh. 1544-45.
-
- Zielsvermoeid struikelde toen de sterkste der strijders,
- der voetkampers, dat hij kwam te vallen.
-
-
-Cosijn brengt de vertaling dezer verzen volgenderwijze terecht:
-
-oferweorpan beteekent omverwerpen en is overgankelijk. Ter wille
-van deze plaats fabriceert men een intransitief oferweorpan in den
-zin van struikelen.
-
-De wolvin is hier onderwerp en werpt bij wijze van andlen Beowulf op
-den grond. Ze is wrigmd, doordat ze on flet gebeh. In plaats van
-strengest leze men strengel en voege aan fdhecempa eene n toe, die
-het Anglisch origineel waarschijnlijk niet kende. Dus fdhecempan acc.
-
-
-
-
-47
-
-
- rodera raedend hit on ryht gescd
- ydelce, sydhdhan he eft std. 1556-57.
-
-
-Sorin verbindt in voce ydelce dit laatste met std:
-
-
- de hemelbestuurder besliste het volgens recht,
- met gemak stond hij daarna weder op
-
-
-In dit geval hapert er iets, nl. de zinstorende wijze, waarop hij de
-scheiteekens plaatst, immers het komma na ydelce moet wegvallen en
-na gescd staan.
-
-Sievers verbindt ydelce met gescd:
-
-God besliste het gemakkelijk volgens recht en toen stond Beowulf
-weder op.
-
-Cosijn heeft het ware voor. Men raadplege de vertaling.
-
-Immers Gods hulp bestaat niet hierin, dat hij Beowulf weder laat
-opstaan; maar dat hij hem het reuzenzwaard aan den wand laat bemerken.
-
-Vgl. v. 1662: God verleende mij, dat ik een oud reuzenzwaard zag
-hangen.
-
-
-
-
-48
-
-
- hwlum h on lufan laetedh hworfan
- monnes md-gethonc, maeran cynnes. 1729-30.
-
- Somtijds laat hij (God) op landbezit gaan
- den hartelust eens mans van vermaard geslacht.
-
-
-Cosijns verklaring geeft niet alleen aan lufa = liefde de juiste
-beteekenis, maar past ook het beste in den samenhang:
-
-God laat zijnen geest (md-gethanc) verkeeren (ontbranden) in liefde
-(on lufan) voor eenen man enz.
-
-Heyne-Socin kennen aan lufa de beteekenis van Grundbesitz, Lndereien
-toe, ofschoon zij luf-tcen 1864 door Liebeszeichen hehlufan 1955
-door hohe Liebe en lufian 1983 door lieben weergeven.
-
-
-
-
-49
-
-
- heht th se hearda Hrunting beran,
- sunu Ecgltes, heht his sweord niman,
- leflc ren; sagde him ths lenes thanc. 1808-10.
-
-
-Deze plaats is voor verschillende verklaringen vatbaar. Grein vertaalt:
-
-
- Da hiess den Hrunting der Beherzte bringen
- der Sohn des Ecglaf, hiess ihn sein Schwert empfangen,
- das liebliche Eisen. Er dankte der Liebesgabe.
-
-
-Het onderwerp van heht 1808 en 1809 is se hearda d. i. Unferd; sunu
-Ecglfes is bijstelling van se hearda.
-
-Integendeel, het onderwerp van sgde is Beowulf.
-
-Zoo blijft de lezing van het Hs. lenes, dat loon, vergelding
-beteekent, doch hier dienst moet doen in den zin van geschenk,
-Liebesgabe.
-
-Volgens Greins opvatting moet de lezer veronderstellen, dat Beowulf
-het zwaard inmiddels aan Unferd heeft teruggegeven, iets waarvan het
-gedicht geene melding maakt.
-
-Waarom had Unferd het dan niet aanstonds geweigerd? Buitendien biedt
-het onderwerp van sgde iets onregelmatigs aan, want het is niet
-hetzelfde als dat van heht in den onmiddellijk voorafgaanden zin.
-
-Het is wel waar, dat ons gedicht den lezer aan die onregelmatigheid
-langzamerhand gewend heeft.
-
-Grundtvig slaat eenen anderen weg in:
-
-De dappere (Beowulf) beval Hrunting te brengen aan Ecglafs zoon,
-hij (Beowulf) beval hem (Unferd) zijn zwaard te nemen, hij (Beowulf)
-zei hem dank voor het geleende.
-
-Hier is geene verwisseling van onderwerp meer mogelijk; sunu nom. is
-suna dat. geworden en het minder gepaste lenes zeer gelukkig veranderd
-in laenes: het geleende (zwaard).
-
-Mijne vertaling steunt op Grundtvig, doch tracht sunu, de lezing van
-het Hs., te behouden: sunu. is acc. sing.; heht 1809 sleept eenen
-acc. c. inf. na zich.
-
-heht sunu Ecglfes his sweord niman: Beowulf beval, dat Ecglafs zoon
-zijn zwaard zou terugnemen.
-
-Socins slordige interpunctie brengt hier alweer op een
-dwaalspoor. Ofschoon hij in sunu acc. sing. ziet, deelt hij den zin
-juist zoo in als Grein. Derhalve moet zijn komma na Ecglfes wegvallen;
-anders blijft de zin raadselachtig.
-
-
-
-
-50
-
-
- gif him thonne Hrdhrc t hofum Geta gethingedh. 1837-38.
-
- indien dan Hredric aan het hof der Gooten een verdrag sluit.
-
-
-gethingan: einen Vertrag machen. Socin.
-
-Cosijn stelt uit verschillende teksten vast, dat gethingan beteekent
-besluiten (te gaan), het verbum meandi zijnde uitgelaten; dus zich
-opmaken.
-
-
-
-
-51
-
-
- hruron him teras
- blonden-feaxum: him ws bega wn,
- ealdum infrdum, dhres swdhor,
- tht he seodhdhan (n) gesen mston. 1873-76.
-
-
-Bugge voegt n 1876 bij; immers Hrodgars tranen zijn dan vooral
-verklaarbaar, wanneer hij vreest, dat hij Beowulf niet meer terug
-zal zien.
-
-Socin teekent bij infrdum dat. plur. aan. Ik vraag me te vergeefs af,
-hoe het meervoud kan gewettigd worden.
-
-Indien het Hrodgars raadslieden zijn, wat komen die hier doen? Is
-Hrodgar en Beowulf gemeend, dan is de keuze van het woord wat den
-laatste betreft niet gelukkig.
-
-
-
-
-52
-
-
- oft n seldan hwaer
- fter led-hryre lytle hwle
- bon-gr bgedh. 2030-32.
-
-
-Bugges verandering van hwaer ergens, dat vrij kan gemist worden,
-in waere schijnt mij prijzenswaardig toe.
-
-Dan luidt de vertaling: dikwijls (en) niet zelden rust de moordspeer
-door vergelijk (waere) eenen korten tijd na den val des vorsten.
-
-Freawares mariage de raison mag wel een vergelijk heeten.
-
-
-
-
-53
-
-Socins unfaecne nom. sing. 2069 in plaats van acc. sing. is blijkbaar
-eene drukfout.
-
-
-
-
-54
-
-
- hi tht lc tbr
- fendes fdhmum. 2129.
-
-
-Socin in voce fdhm: instr. plur. fendes fdhmum.
-
-Hij laat dus fendes van fdhmum afhangen, hetgeen den volgenden
-zin geeft:
-
-Grendels moeder vervoerde het lijk door de hand des vijands d. i. door
-hare eigen vijandelijke hand.
-
-Waartoe knorven in de biezen gezocht? Is het niet veel eenvoudiger
-fendes met lc te verbinden: het lijk des vijands?
-
-
-
-
-55
-
-
- gn is eall t th lissa gelong. 2150-51.
-
- geheel mijne liefde wendt zich nog uwaart.
-
-
-Bugge vat gn op als weder, opnieuw:
-
-Mijne geheele liefde wendt zich weder uwaart nl. zooals vroeger.
-
-Z is de zin veel natuurlijker.
-
-
-
-
-56
-
-
- ht th in beran eafor, hefod-segn. 2153.
-
-
-hefod-segn is eene verklaring van eafor en beteekent de voornaamste
-banier, evenals in het voorgaande vers ic lyt hafo he fod-mga ik heb
-luttel hoofdverwanten he fod-mga voornaamste verwanten wil zeggen.
-
-Cosijn slaat het compositum eoforhefodsegn (everhoofdbanier) voor.
-
-
-
-
-57
-
-
- ns him hreh sefa
- ac h man-cynnes maeste crfte
- gin--fstan gife, th him god sealde,
- held hilde-der. 2181-84.
-
-
-Socin, in voce healdan, brengt onder meer deze plaats overeen met
-1955 welke behelst: hild heh-lufan zij bewaarde hooge liefde.
-
-Diensvolgens zou het hier moeten luiden: hij hield d. i. bewaarde
-de geweldige gave, the greatest strength possess'd bij Thorpe.
-
-Grein stemt hiermee overeen als hij vertaalt:
-
-
- nicht war das Herz ihm wild,
- sondern mit der grsten Kraft vom ganzen Menschenvolke
- hielt die grossfeste Gabe, die Gott ihm schenkte,
- der Edeling der Kampftheure.
-
-
-Zoo komt de tegenstelling niet tot haar recht, wl indien wij healdan,
-den zin van bewaken en aan ac eene redegevende beteekenis toekennen,
-welke meer voorkomt. Wij vertalen dus: zijn inborst was niet ruw,
-want (ac) hij bewaakte (d. i. beteugelde) zijne reuzenkracht.
-
-
-
-
-58
-
-
- eft tht geide ufaran dgrum
- hilde-hlmmun, sydhdhan Hygelc lg
- ond Heardrde hilde-mceas
- under bord-hredhan t bonan wurdon;
- tha hyne geshtan on sige-thede
- hearde hilde-frecan, Headho-Scilfingas,
- ndha genaegdan nefan Hererces.
- Sydhdhan Bewulfe brde rce
- on hand gehwearf. 2201-2209.
-
-
-Grein vertaalt letterlijk:
-
-
- Das fgte sich darnach in folgenden Tagen
- durch Heerkampfs Getmmel, seit Hygelak lag
- und dem khnen Heardred die Kampfschwerter wurden
- unter des Schildrandes Schirm zum Mrder,
- da ihn suchten in dem Siegesvolke
- die harten kampfkhnen Headoskylfinge
- und heftig angriffen Hereriks Neffen.
- Drauf kam das breite Reich dem Beowulf
- zur Hand.
-
-
-Waar blijft de hoofdzin?? Greins vertaling geeft hier geen licht. Voor
-Mllenhoff lijdt het geen twijfel of deze zin is onvolledig:
-
-Gleich der erste satz ist ungeschickt. Denn in eft tht geede ufaran
-dgrum 2201 hat das tht keine beziehung im vorhergehenden... Der
-satz is unvollstandig....
-
-Der verfasser wagte nicht nach dem langen mit sidhdhan beginnenden
-satze 2202-2207 noch einen subjektsatz mit tht folgen zu lassen,
-sondern brach lieber ab und fuhr mit einem neuen satze mit sidhdhan
-fort 2208.
-
-Moet men zich bij deze uitspraak neerleggen en voor lief nemen,
-dat er niets anders op te vinden is?
-
-Twee verklaringen, zijn mogelijk:
-
-1 eft tht geede slaat niet op wat voorafgaat, maar op wat volgt;
-na hilde-hlmmum plaatse men een dubbelpunt en vertale ond door ook,
-zooals Heyne in zijne vrije vertolking doet; de hoofdzin is: Heardrde
-hilde-mceas t bonan wurdon.
-
-Wij krijgen dan het volgende: Dit (volgende) gebeurde daarna in
-later dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was, werd ook voor Heardred
-het kampzwaard ten dooder, daar enz.
-
-Het valt nochtans te bezien, of ond (en), evenals in de klassieke
-talen, in den zin van ook voorkomt.
-
-2 Ond behoudt de beteekenis van en; de hoofdzin is: sydhdhan Bewulfe
-brde rce on hand gehwearf; de punt na Hererces valt dan weg. Van
-het eerste sydhdhan 2202 hangen twee bijzinnen af: lg en t bonan
-wurdon; th hyne... nefan Hererces is een tusschenzin; het tweede
-sydhdhan dient alsdan om het eerste in het geheugen terug te roepen:
-
-Dit gebeurde in volgende dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was en het
-zwaard voor Heardred tot dooder was geworden, daar hem enz., sedert
-kwam het rijk in Beowulfs handen.
-
-De zin is wel wat lang, maar dat kan geen onoverkomelijk bezwaar zijn,
-vooral voor Duitsche recensenten.
-
-
-
-
-59
-
-2215-22. Bugge herstelt den tekst als volgt:
-
-
- thaer on innan ging
- nidhdha nthwylc, nede t gefng
- haedhnum horde; hond tgenam
- seleful since fh; n h tht sydhdhan geaf,
- theh the h slaepende besyrede hyrde
- thefes crfte: tht se thiden onfand,
- by-folc beorna, tht h gebolgen ws.
-
-
-Insgelijks 2233:
-
-
- nealles mid gewealdum wyrmes weard gst
- sylfes willum.
-
-
-Socins theow (slaaf?) 2225 zal wel thew moeten luiden.
-
-
-
-
-60
-
-
-2228-32. Bugges aanvulling van den tekst wijzig ik volgenderwijze:
-
-
- secg synbysig sna onwltode.
- theh thm gyste gryrebrga std,
- hwdhre earmsceapan innganges thearfa
- fesceapen, th hyne se faer begeat,
- sinc-ft geseah.
-
-
-Bugges tittels tusschen het 3de en 4de vers zijn weggelaten en de
-punt na begeat vervangen door een komma: Ofschoon (theh) de vreemde
-indringer met schrik geslagen was bij het zien van den draak, toch
-(hwdre) had hij de vaas bemerkt.
-
-Men vergelijke de vertaling.
-
-
-
-
-61
-
-
-2380-97. Socins opvatting van deze gansche plaats, waarin de oorlog
-met de Zweden behandeld wordt, stemt niet overeen met die van Bugge,
-Mllenhoff en Grein.
-
-Ziehier zijne uiteenzetting:
-
-Ochters zonen, Eanmund en Eadgils, zijn tegen hunnen vader opgestaan
-2382, ten gevolge waarvan zij Zweden moeten verlaten 2380 en naar
-Heardred de wijk nemen 2381. Een hunner verslaat Heardred onder ons
-niet nader bekende omstandigheden 2386, het moet Eanmund geweest zijn,
-welken de aan het Gootenhof levende Wichstan daarom onmiddellijk doodt
-2613. Eadgils keert naar Zweden terug 2388, waar ondertusschen zijn
-vader Ochter schijnt gestorven te zijn.
-
-Nadat Beowulf koning der Gooten geworden is 2390, wil hij zich op
-Eadgils wreken 2392 en hij wordt hem tot vijand. Eadgils doet eenen
-inval in het land der Gooten 2394-95, maar wordt door Beowulf gedood
-2397.
-
-In Socins stelsel is helm Scylfinga 2382 Ochter en niet Onela,
-Ongenthewes bearn 2388 kleinzoon en niet zoon, wordt frend vriend
-van het Hs. in fend vijand veranderd, en gestpte ondersteunde
-in gestepte van gesteppan: stappen, trekken.
-
-Bugges verklaring komt mij heel wat aannemelijker voor, want 1
-Heardreds dood blijft in het duister.
-
-2 Eadgils kan niet naar Zweden terugkeeren, waaruit hij door Ochter
-verbannen is; daarom vindt Socin er een middeltje op, 't is van Ochter
-intusschentijds te laten sterven.
-
-3 Bugges opvatting stemt in de hoofdpunten overeen met de
-overeenkomstige Zweedsche sage van Ali.
-
-4 Onela wordt 2933 het eerst genoemd; dit pleit er voor, dat hij
-de oudste en bijgevolg Ongentheows opvolger is. Vgl. 61 (Heorogar,
-Hrodgar, Halga); 2435 (Herebeald, Hadcyn, Hygelac).
-
-Afgezien van de handschriftelijke lezing frend geeft Bugges verklaring
-rekenschap van alle bijzonderheden, terwijl Heardreds dood bij Socins
-opvatting de groote struikelblok blijft. Het is immers stuitend, dat
-Heardred door den man gedood wordt, dien hij gastvrij heeft opgenomen.
-
-Eene opheldering van zulke verregaande ondankbaarheid ware zeker
-niet misplaatst, en voorzeker zou de inlasscher weer de baan schoon
-gevonden hebben, om nog eens den preektoon aan te slaan.
-
-
-
-
-62
-
-
- he gewrc sydhdhan
- cealdum cear-sdhum. 2396-97.
-
- er rchte seitdem
- mit kalten Kummerfahrten. (Grein).
-
-
-Bugge ziet in cealdum cear-sdhum de natuurlijke koude, daar de kamp,
-waarin Adhils (= Eadgls), volgens de overeenkomstige noordsche sage,
-Ali (= Onela) versloeg, op het ijs van het meer Vaenir plaats had.
-
-Cosijn teekent bij deze verzen aan: De samenhang eischt cealde
-cearsdhas, want gewrecan beteekent wraak nemen over (of straffen)
-en de ellips van hit (dit, Socin) is te verwerpen. Eadgils nam wraak
-voor zijne koude, kommervolle omzwervingen als balling.
-
-
-
-
-63
-
-
- rdend swefadh,
- hledh in hodhman 2458-59.
-
- de rijders slapen,
- de helden in het graf.
-
-
-Socin: rdend, hledh nom. plur.
-
-Ik verkies met Grein het enkelv. te lezen: der Reiter schlummert;
-er is immers sprake van Herebeald alleen.
-
-
-
-
-64
-
-
- th ic on morgne gefrgn maeg dherne
- billes ecgum on bonan staelan,
- thaer Ongenthew Eofores nisadh. 2485-87.
-
-
-Socin legt uit als volgt: Ik heb dan vernomen, dat de eene broeder
-(Wulf) den anderen (Eofor) naar zijnen moordenaar (Ongentheow)
-heentrok.
-
-Cosijn toont het onhoudbare van die aanteekening ten overvloede aan:
-staelan = ten laste leggen, als mnl. banen.
-
-De strijd wordt dus als een rechtsgeding voorgesteld:
-
-Ik vernam dat toen de eene maag (Hygelac) den ander (Hadcyn) den
-dooder te laste legde met het scherp van het zwaard, den dood met
-het zwaard op hem verhaalde, wreekte.
-
-Dat Wulf niet gedood werd, maar alleen buiten gevecht gesteld, ziet
-Socin voorbij.
-
-
-
-
-65
-
-
- symle ic him on fdhan beforan wolde,
- na on orde. 2498-99
-
-
-Socin verstaat beforan: vroeger, van den tijd, welke toch reeds in
-symle besloten ligt.
-
-On orde aan de spits vergt eenen parallelvorm, daarom geef ik
-beforan weer door vooraan.
-
-
-
-
-66
-
-
- s the aer on folce weld 2596.
- aer: von langen Zeiten her. Bugge.
-
-
-Cosijn bemerkt hierbij; het komt mij voor, dat deze woorden eerder
-beteekenen die toen van zijn volk verlaten was, er niet meer over
-te bevelen had.
-
-Deze uitlegging wordt gesteund door wat volgt 2597-2600.
-
-
-
-
-67
-
-
- sibb aefre ne mg
- wiht onwendan thm th wel thencedh 2601-2.
-
-
-Socin: in dem der wohl denkt, kann die Liebe zum Blutsfreunde auf
-keine Weise beseitigt werden.
-
-Voor hem is onwendan onovergankelijk en sibb nom.
-
-Cosijn wijst er op, dat een intr. onwendan alleen in den zin van
-terugkeeren voorkomt.
-
-Men zal dus wiht als nom. sing. en sibb' als acc. sing. dienen aan
-te nemen: onwendan is dan keeren, verhinderen zich te uiten.
-
-
-
-
-68
-
-
- ond his mgum tbr
- brn-fgne helm, hringde byrnan,
- eald sweord etonisc, tht him Onela forgeaf,
- his gdelinges gdh-gewaedu,
- fyrd-searo fslic: n ymbe th faehdhe sprc,
- theh the h his brdhar bearn bredwade. 2615-20.
-
- dem Sippen er raubte
- den braunschnen Helm, die Brnne von Ringen,
- das enzische Altschwert, das ihm Onela gab,
- seines Gatelinges Gundgeraethe,
- das kstliche Kriegszeug.--Nie von diesem Kampf ersprach,
- obgleich er an Brders Shnen Balthaten bte.
-
-
-Uit deze vertaling van Ettmller blijkt dat gdh-gewaedu en fyrd-searo
-parallel zijn met helm, byrnan, sweord; him 2617 is Eanmund; het
-onderwerp van sprc 2619 is Weohstan.
-
-De zin komt hierop neer: Weohstan berooft Eanmund van het zwaard,
-dat Onela aan dezen laatste had gegeven; doch hij, Weohstan, rept
-nooit een woord van dat wapenfeit.
-
-Grein slaat denzelfden weg in als Ettmller, als blijkt uit de
-volgende verzen:
-
-
- und entfhrte seinen Maagen
- den braunbunten Helm, die Brnne die geringte,
- das alte Riesenschwert, das Onela ihm gab,
- seines Verwandten Waffenrstung,
- die stattlichen Fahrtgewande: um die Feindschaft sprach er nicht,
- obgleich er seines Bruders Gebornen tdtete.
-
-
-Greins opvatting schijnt mij aan gegronden twijfel onderhevig. tberan
-beteekent niet rauben, entfhren maar aanbrengen, ergens heen voeren.
-
-Doch daarvan afgezien, kan men zich afvragen welke Maagen Grein
-bedoelt?
-
-Ontvoerde Weohstan aan Eanmunds magen d. i. Onela het zwaard?
-
-Maar welk recht had Onela er op, daar volgens de oorlogswet de
-overwinnaar zich den wapenroof kon toeeigenen?
-
-Ofwel ontvoerde hij het zwaard his magum d. i. ten voordeele van zijn
-eigen magen, ergo van Wiglaf?
-
-Doch dat druist in tegen 2621, waar volgens Weohstan het zwaard
-zelf behoudt.
-
-Greins vertaling van his mgum tbr is dus voor verscheiden
-uitleggingen vatbaar.
-
-his mgum tbr beteekent: Weohstan bracht aan Eanmunds magen d. i. aan
-Onela den krijgsroof.
-
-Daarom ware het beter geweest, zooals Cosijn zeer juist aanmerkt,
-het enkelv. his maege i. e. Onelan te lezen. Tht him Onela forgeaf:
-(het zwaard) dat Onela aan Eanmund had gegeven.
-
-tht slaat, blijkens Cosijns terechtwijzing, grammatisch op sweord,
-logisch op de drie spolia, die 2618 als gdh-gewaedu worden aangeduid.
-
-his gdelinges, dat onmiddellijk volgt op tht him Onela forgeaf, is
-niets anders dan eene zinledige en gebrekkige herhaling. Men oordeele:
-het zwaard dat Onela aan Eanmund had gegeven, het strijdgewaad van
-Onela's Eanmund; immers het strijdgewaad van zijnen (d. i. Onela's)
-bloedverwant zegt op de keper beschouwd hetzelfde als het ne
-woord Eanmund.
-
-n ymbe th faehdhe sprc: Weohstan sprak niet over dat gevecht.
-Zoo heet het bij Ettmller en ook bij Grein; want in dezes vertaling
-um die Feindschaft sprach er nicht kan er zich slechts betrekken
-op het onderwerp van den vorigen hoofdzin d. i. op Weohstan.
-
-De vraag ligt hier voor de hand, waarom Weohstan nooit sprak van
-zijn heldenfeit?
-
-Niet alleen is het eene vraag, waaraan ons epos het antwoord schuldig
-blijft, maar er bestaat ook hoegenaamd geene reden tot verzwijging,
-vooral nu Weohstan zooveel gewicht hecht aan die wapens, dat hij ze
-jaren lang bewaart en ze niet aan Wiglaf toevertrouwt, vooraleer deze
-volwassen is.
-
-Om al die redenen wijzig ik het zinsverband zooals volgt:
-
-Ik plaats een punt na etonisc; tht him Onela forgeaf is een hoofdzin;
-tht is aanwijzend voornaamwoord en him ziet terug op Weohstan;
-na fslic kome een punt te staan.
-
-Het onderwerp van n ymbe th faehdhe sprc is Onela en niet Weohstan.
-
-De wijziging, welke den tekst onaangeroerd laat, geeft eenen goeden
-zin:
-
-Weohstan bracht aan Onela Eanmunds zwaard met toebehooren. Onela
-wilde het niet aannemen, maar liet het hem houden; hij verweet zelfs
-niet aan Weohstan, dat deze Eanmund, den zoon van zijn eigen broeder,
-gedood had.
-
-Men vergete niet, dat Onela, volgens het Germaansche oorlogsrecht,
-verplicht was zijnen neef te wreken.
-
-Zoo biedt de zin niets meer aan, wat niet in den haak is.
-
-
-
-
-69
-
-
- Byrdu-scrd 2661
-
-
-Ik heb dit woord door schild weergegeven; immers Cosijn teekent
-hierbij aan:
-
-De beteekenis Schildschmuck, die dienst moet doen om glossatoren uit
-de verlegenheid te helpen, is geheel verzonnen. In geen geval kan het
-schild hier gemist worden: ergo is byrne een lapsus memoriae voor bord
-(schild).
-
-
-
-
-70
-
-
- raesde on thone rfan, th him rm geald. 2691
-
- raste gegen den Ruhmvollen, da er Raum ihm gab. Grein.
-
-
-Het handelt zich hier over den derden aanval van den draak op Beowulf.
-
-Ik vraag me te vergeefs af, hoe zich deze beschikbare ruimte met
-den samenhang laat overeenbrengen. Had de draak dan te voren niet
-genoeg plaats, om aanvallender wijze te werk te gaan?
-
-In het geheel niet; want hij had tweemaal den aanval gewaagd.
-
-Buitendien greep het gevecht plaats niet in het hol, maar aan den
-ingang; er schoot dus ruimte genoeg over voor de twee eerste aanvallen.
-
-Daarom komt mij Ettmllers vertaling da er ihm reichlich vergalt
-gegrond voor; al is het ook waar, dat bij Socin alleen gildan en niet
-gildan met de beteekenis van loonen, betalen verschijnt.
-
-
-
-
-71
-
-
- ne hdde h ths heafolan, ac si hand gebarn
- mdiges mannes. 2698-99.
-
- hij gaf geen acht op het hoofd (des draaks), maar de hand verbrandde
- des moedigen mans.
-
-
-Deze uitlegging van Bugge gaat uit van het feit, dat uit Beowulfs
-vruchtelooze poging de onkwetsbaarheid van het drakenhoofd is gebleken.
-
-Hij vat hoofd in den letterlijken zin op.
-
-Niet zoo Cosijn, voor wien thaes heafolan capitis sui i. e. vit
-suae is.
-
-De kracht van ac komt in deze opvatting ten volle uit:
-
-Wiglaf gaf niets om zijn eigen leven, want zijne hand verbrandde enz.
-
-
-
-
-72
-
-
- fend gefyldan (ferh ellen wrc) 2707.
-
- Zij velden den vijand (het leven verdreef de kracht).
-
-
-d. i. met het leven verdween ook de kracht. Zoo ook Grein.
-
-Dit is ongetwijfeld eene ongewone en duistere wijze van zich uit
-te drukken.
-
-Mijne vertaling sluit zich aan bij Sievers, welke voorstelt:
-
-
- fend gefylde, feorh ellen (ellor) wrc.
-
-
-Cosijn keurt deze lezing goed; ellen komt nog voor in de plaats van
-ellor: elders; wrc is onovergankelijk op te vatten.
-
-
-
-
-73
-
-
- h ofer benne sprc 2725.
-
- hij sprak over zijne wonde.
-
-
-Deze beteekenis kent insgelijks Grein aan ofer toe. Men zal nochtans
-vruchteloos in Beowulfs rede eene toespeling op zijne wonden zoeken.
-
-Daarom geeft Cosijn de keus tusschen post vulnus acceptum en over de
-wond sc. gebukt.
-
-
-
-
-74
-
-
- th h bi sesse geng 2757.
-
-
-Socin in voce sesse: nach dem Sitze en hij voegt er de verklaring
-aan toe: vor der Drachenhhle.
-
-Deze verklaring ware beter achterwege gebleven; immers Wiglaf trekt
-wel degelijk de schatkamer binnen, het wordt uitdrukkelijk gezegd:
-
-gefrgn sunu Wihstnes... hring-net beran... under beorges hrf: ik
-heb vernomen dat Wichstans zoon het ringpantser onder het rotsgewelf
-bracht d. i. er geharnast binnenging.
-
-Buitendien bevindt zich het goud niet voor het drakenhol, maar er in.
-
-
-
-
-75
-
-
- bill aer gescd
- (ecg was iren) eald-hlfordes
- thm thra mdhma mund-bora ws 2778-80.
-
-
-Socin drukt Bugges voetstappen en verstaat:
-
-De degen des ouden heerschers (Beowulf)--van staal was het lemmer--had
-hem (den draak) eer geschaad, die der schatten hoeder was geweest.
-
-Wlcker ziet in aer-gescd eene samenstelling, evenals Thorpe, en
-laat bill aer-gescd afhangen van genm 2777:
-
-Wiglaf nam het met brons geschoeide zwaard (d. i. met bronzen scheede)
-van den eersten bezitter (de man van edele afkomst 2234) insgelijks
-uit de schatkamer mede.
-
-Cosijn leest met Rieger eald-hlforde dat. sing. Men raadplege de
-vertaling.
-
-
-
-
-76
-
-
- symle ws thy saemra, thonne ic sweorde drep
- ferhd-gendhlan 2881-82.
-
-
-Met Grein en Sievers beschouw ik den draak als onderwerp van
-ws. Cosijn verbindt ws met Beowulf: en ik begon den maag te helpen
-(te zwakker werd hij nl. Beowulf) toen ik den levensschadiger met
-het zwaard sloeg. symle ws thy saemra is dan een ingelaschte zin.
-
-
-
-
-77
-
-
- ac ws wde cdh,
- thtte Ongenthi ealdre besnydhede
- Hdhcyn Hrdhling widh Hrefna-wudu,
- th for on-mdlan aerest geshtan
- Geta lede Gdh-Scilfingas 2924-28.
-
- es ward ja weithin kund,
- dass Ongentheow des Alters beraubte
- den Hdkynn den Hredling beim Hrefnaholze,
- da aus Uebermut zum ersten kamen
- zu den Kempen der Geaten die Kampfskylfinge.
-
-
-Blijkens deze vertaling beschouwt Grein lede als acc. en
-Gdh-Scilfingas als nom.; in andere woorden: de Zweden vielen de
-Gooten aan en niet omgekeerd.
-
-Met deze opvatting kan ik mij niet vereenigen, niet de Zweden maar
-de Gooten zijn de aanvallers.
-
-Eerst en vooral hebben de Gooten de zee moeten oversteken, want het
-Ravenbosch Hrefna-wudu lag op Zweedsch grondgebied.
-
-Verder dient for on-mdlon: uit overmoed op de Gooten te slaan; want
-zij worden door Ongentheow verslagen en ontsnappen slechts aan eenen
-gezamenlijken ondergang door Hygelacs komst, die den volgenden morgen
-tot ontzet opdaagt.
-
-Daar nu de aanvallers alleen overmoedig kunnen heeten en niet zij
-die aangevallen worden, ergo...
-
-Dit wordt nog bevestigd door de omstandigheid, dat Ongentheow zijne
-gade bevrijdt, dus hadden de Gooten haar gewapenderhand opgelicht.
-
-Ten slotte wordt van Ongentheow gezegd, dat hij Hadcyn den tegenslag
-schonk, ond-slyht geaf; dus waren de vijandelijkheden niet van
-hem uitgegaan.
-
-Wij trekken dus uit deze gegevens de slotsom, dat lede als nom. en
-Gudh-Scilfingas als acc. moeten aangemerkt worden.
-
-
-
-
-78
-
-
- hfde Higelces hilde gefrnen 2953.
-
-
-Thorpe: he of Hygelac's warfare had heard, hij had Hygelacs
-krijgsgeduchtheid vernomen.
-
-
-
-Socin schijnt ook in deze meening te deelen, daar hij in voce gefrignan
-alleen aanteekent erfragen, durch Erzhlen erfahren.
-
-Nochtans aanvaardde Ongentheow den terugtocht, omdat hij werkelijk
-door Hygelac verslagen was 2947-49, en niet omdat hij duchtte met
-Hygelac slaags te geraken. gefrignan beteekent hier: ondervinden,
-uit ervaring weten.
-
-
- Er hatte Hygelakes Heersturm erfahren. Grein.
-
-
-
-
-79
-
-
- under eord-weall 2958.
-
-
-Niet onder maar vlak bij den aarden wal, als under beorge bij den
-berg 211. Cosijn.
-
-
-
-
-80
-
-
- freodho-wong thone fordh oferedon 2960.
-
- sie eilten frder ber das Friedefeld. Grein.
-
-
-Cosijn, wiens scherpzinnige verbeteringen vooral op deze episode
-het helderste licht hebben doen vallen, verstaat door freodho-wong
-versterkte stelling.
-
-'t Is de fsten of eordh-weall 2951, 2958 en niet de benaming van
-eene bepaalde plaats Friedensfeld oder Schutzfeld, als Socin aan de
-hand doet.
-
-
-
-
-81
-
-
- sydhdhan Hrdhlingas to hgan thrungon 2961.
-
- als da die Hredlinge gen Gehfte drangen. Grein.
-
-
-Cosijn brengt weer deze plaats terecht:
-
-haga volgens Socin eingefriedigtes Grundstck, Gehft, kleines
-Landgut, dus zoo iets als La-Haye-Sainte bij Waterloo.
-
-Bedoeld is de bordhaga of wghaga, waarbij man aan man met schild
-aan schild palstaat tegen den aanvaller.
-
-'t Is de scild-weall 3119, de Germaansche testudo.
-
-
-
-
-82
-
-
- ac h hyne gewyrpte, theh the him wund hrine 2977.
-
- maar hij sprong op ofschoon hem de wonde had aangetast.
-
-
-Cosijn merkt hierbij aan: Socin blijft hier hine gewyrpan door
-aufspringen, erheben verklaren, hoewel ik de onjuistheid daarvan heb
-aangetoond en uit vs. 2983 duidelijk blijkt, dat Wulf op den grond
-bleef liggen, totdat anderen hem ophielpen en verbonden.
-
-Hine gewyrpte: hij herstelde van zijne wonde.
-
-Grein heeft verkeerdelijk sondern wlzte sich.
-
-
-
-
-83
-
-
- thone the aer geheld
- widh hettendum hord ond rce,
- fter hledha hryre hwate Scildingas. 3004-6.
-
-
-Uit geheld hwate Scildingas trekt Thorpe het besluit, dat Beowulf na
-Hrodgars verscheiden ook over de Schildingen of Denen zou geheerscht
-hebben; misschien is voor Scildingas Scilfingas (Zweden) te lezen,
-zoodat Beowulf, die Eadgils heeft gedood, waarschijnlijk tevens het
-land veroverde.
-
-Mllenhoff echter ziet in 3006 eene gedachtelooze herhaling van het
-gelijkluidende vers 2053.
-
-In alle geval verwerpt hij de wijziging in Scilfingas, omdat juist
-tegen de Zweden of Schilfingen schat en rijk moest beschermd worden.
-
-Ik zie niet in hoe geheld t. a. p. regeeren kan beteekenen, ofschoon
-gehealdan met twee beteekenissen bewaren, beschermen en regeeren
-verschijnt.
-
-Geheld heeft drie voorwerpen: hord, rice, Scildingas en behoort dus
-eene beteekenis te hebben, die op alle drie toepasselijk is.
-
-Geheld hord: hij heerschte over den schat geeft geenen goeden
-zin in de verbinding met de bepaling widh hettendum tegenover de
-haatgezinden.
-
-Integendeel hij beschermde tegen hen schat, rijk, de Schildings
-biedt geene zwarigheid meer aan.
-
-geheld hord ond rce doelt gevoeglijkst op Beowulfs oorlog met de
-Zweden 2392; hwate Scildingas integendeel op zijnen kamp met Grendel.
-
-Grein vertaalt geheld door er behauptete; onder dit opzicht ten
-minste wijkt mijne vertaling niet van de zijne af.
-
-
-
-
-84
-
-
- aer h gesgan syllcran wiht,
- wyrm on wonge 3039-40
-
- Zij zagen eerst een zeldzamer wezen,
- den worm op het veld.
-
-
-Dit eerst klinkt nog al vreemd. Cosijn verandert aer in aeft
-(eft) daarna.
-
-Bugge lascht de ontkenning n in en neemt eene leemte aan van een vers:
-
-
- banon ec fundon bennum secne,
- (n aer h thaem gesgan syllcran wiht)
- wyrm on wonge:
-
- Zij vonden ook den dooder door wonden ontzenuwd,
- (nooit zagen zij vroeger een zeldzamer wezen dan dit)
- den worm op het veld.
-
-
-
-
-85
-
-
-3049-74. In hoofdzaak heb ik mij aangesloten bij de door Bugge
-gewijzigde volgorde der regels.
-
-Zijne indeeling is: 3070-74; 3075-76; 3059-69; 3077.
-
-Daar 3069 van Beowulf gesproken wordt, knoop ik 3075-76 er onmiddellijk
-aan vast, zoodat h 3075 niet meer in de lucht hangt, maar op Beowulf
-terugziet.
-
-
-
-
-86
-
-
- ns he gold-hwt: gearwor hfde
- gendes st aer gescewod 3075-76.
-
-
-Ofschoon deze plaats eene bonte rij van gissingen heeft uitgelokt
-blijf ik vooralsnog bij het oude en schaar mij bij Ettmller, wiens
-verklaring met den samenhang strookt; iets wat voor eene bedorven
-plaats als deze bevredigend mag heeten.
-
-Eene afdoende oplossing is niet te verwachten.
-
-Cosijn stelt eene nieuwe lezing voor:
-
-In geenen deele had Beowulf met goudgierige oogen vr zijn dood des
-eigenaars nalatenschap nauwkeuriger beschouwd; want Wihstan had hem
-alleen een klein deel der schatten kunnen toonen.
-
-
-
-
-87
-
-
- n sceal gld fretan
- (weaxan wonna lg) wigena strengel 3115-16.
-
- nu zal de gloed vreten
- (wassen de zwarte vlam) der strijders aanvoerder.
-
-
-De parenthese levert geenen op zich zelf staanden zin op; vandaar dat
-Cosijn vermoedt: nu zal de gloed vreten, de zwarte vlam verslinden enz.
-
-weaxan zou parallel zijn met fretan en iets overeenkomstigs beteekenen.
-
-Grein stelt zich de zaak ook zoo voor:
-
-
- Nun soll die Glut fressen,
- schmelzen die schwarze Lohe der Schlachthelden strksten.
-
-
-
-
-88
-
-
-3151-57. Bugge herstelt de gapingen als volgt:
-
-
- swylce gimor-gyd si ge-meowle
- aefter Bewulfe bunden-heorde
- song sorg-cearig, saede geneahhe,
- tht hi hyre hearm-dagas hearde ondrde,
- wlfylla worn, wgendes egesan,
- hyndo ond hftnyd, hef on rce wealg.
-
-
-Wat het laatste halfvers betreft: hef on rce wealg:
-
-het gejammer in een vreemd rijk, houd ik het liever met Socin, die
-met het Hs. leest: heofon rce swealg de hemel slurpte den rook op.
-
-
-
-
-89
-
-
- .... hornas byrnadh naefre? 1.
-
- branden niet de horens (horentrans).
-
-
-Het Finnsburg-fragment begint met deze slotwoorden van de door een
-der Denen gestelde vraag. Ik heb ze in de vertaling weggelaten.
-
-
-
-
-90
-
-
-Bugges tekstverbeteringen zijn als volgt:
-
-
- ac hr fordh beradh fyrdsearu rincas,
- flacre flnbogan, fugelas singadh. 5-6.
-
-
-letterlijk:
-
-
- maar hier brengen helden het legerharnas aan,
- den zwaaienden boog, vogels zingen.
-
- 18-21 Th gyt Gdhdene Grulf styrode,
- tht h sw frelc feorh forman sdhe
- t thaere healle durum hyrsta ne baere,
- n he ndha heard nyman wolde.
-
-
-Zijne verandering van Gdhere, een eigennaam, in Gdhdene, Strijd-Deen
-draagt Jellineks goedkeuring weg.
-
-
- hwearf flacra hraew hrfen, wandrode 34.
-
-
-
-
-91
-
-
- Cled bord 29 het koude schild Jellinek.
-
-
-De oorspronkelijke tekst heeft celaes, waarvoor men gewoonlijk celod
-leest, dat ook duister is.
-
-Jellineks verbetering cled, koud past zeer goed bij het door den
-nachtelijken dauw genette schild.
-
-Tot staving hiervan wijst hij op gr morgenceald de morgenkoude speer
-Beowulf 3023.
-
-
-
-
-92
-
-
-De vertaling, welke wij van dit raadselachtig brokstuk geleverd hebben,
-steunt op Socins uitgave van 1883 en volgt in hoofdzaak de zienswijze
-van Mller.
-
-Sedertdien heeft Jellinek een stap nader gedaan tot een duidelijk
-inzicht van het geheel.
-
-Er hapert iets aan Mllers en Bugges opvatting: Garulf, de zoon van
-Gudlaf, Gdhlfes sunu 33, zou een Fries, dus een aanvaller zijn,
-terwijl volgens het fragment en volgens Beowulf 1149 Gudlaf een
-Deen is.
-
-Vandaar dat Mller Gdhlfes 33 door Gdhulfes vervangt. Jellinek ruimt
-deze tegenspraak uit den weg, want voor hem blijft Garulf een Deen.
-
-Zijne uiteenzetting komt hierop neer:
-
-Aan de eene deur wordt post gevat door Sigeferd en Eaha, aan de andere
-door Ordlaf, Gudlaf, Hengest en Garulf.
-
-In overeenstemming hiermede dient na sylf 17 en na Grulf 18 een punt
-te staan en die na lste 17 weg te vallen.
-
-Het onderwerp van styrode 18 is Garulf; Gdhdene slaat op Hengest.
-
-De vrije vertaling luidt alsdan:
-
-Naar de andere deur begaf zich Ordlaf, Gudlaf en Hengest zelf. Ook
-volgde hen Garulf. Hij (Garulf) stuurde den Strijd-Deen (Hengest)
-toe, dat deze zijn zoo doorluchtig leven niet bij den eersten aanval
-moest blootstellen, daar de kampduchtige Finn, ndha heard, het hem
-ontnemen wilde.
-
-Alvorens zich van de deur naar binnen in den burcht terug te trekken,
-wil Hengest zich overtuigen, of de deur goed bewaakt is en hij vraagt
-diensvolgens, want het is nacht, wie de eerste deur, daar waar zich
-Sigeferd en Eaha bevinden, bezet houdt. Sigeferd maakt zich daarop
-bekend. Zijn antwoord kan tweederlei beteekenen.
-
-Ofwel U staat hier gereed, al wat gij van mij moogt verlangen
-d. i. ik ben geheel en al tot uwen dienst. Ofwel ligt er iets
-uitdagends in zijne woorden (Vgl. Vert.), en dan moet men aannemen,
-dat hij Hengest ook niet aanstonds herkend heeft.
-
-Garulf sneuvelt niet aanstonds, zooals men uit den tekst zou kunnen
-opmaken, maar eerst na den vijfden dag; hierdoor wordt de schijnbare
-tegenspraak met wat volgt opgeheven.
-
-Wij hebben hier te doen met een hysteronproteron d. i. op de
-ontknooping wordt reeds van den beginne af gewezen, een verschijnsel
-waarvan het Beowulfepos meer dan een voorbeeld aanwijst.
-
-De gewonde held wund hledh 43 is een Deen, die zich naar het
-binnenste des burgs terugtrekt, waar zich Hengest bevindt, zoodat
-door folces hyrde 46 de herder des volks Hengest gemeend is.
-
-Bugges verbetering: hwearf flacra hraew hrfen, wandrode, waar hwearf
-op ongewone wijze met acc. en niet met een voorzetsel verschijnt,
-verandert hij in:
-
-
- hwearf ldhra hres, hrfen wandrode:
- de troep der vijanden viel, de raaf dwaalde enz.
-
-
-Ten slotte ziet Jellinek in headho-geong cyning 2 de kampjonge koning
-niet Hnf, zooals Bugge, maar Hengest; doch zijne redeneering komt
-mij eenigszins duister voor.
-
-Hoe verklaart hij dan, dat de Denen later vorstenloos theden-lese
-(Beowulf 1104) waren?
-
-B. ten Brink breekt eene lans voor Mllers verklaring:
-
-Indien Garulf, die ealra aerest eordhbendra valt, tot de verdedigers
-van den burcht behoort, dan volgt daaruit, dat gedurende vijf
-dagen niet alleen niemand van de verdedigers viel, maar ook van de
-aanvallers; hetgeen ongerijmd is.
-
-Zou eordhbendra landbewoners, menschen niet in den engeren zin
-van burchtbewoners kunnen opgevat worden; ofwel is soms eardbendra
-goed-woonbewoners te lezen?
-
-Dit is eene gissing, meer niet, welke ik aan het oordeel van meer
-bevoegden onderwerp.
-
-B. ten Brinks gegronde opwerping is dan ontzenuwd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DRUKFOUTEN.
-
-
-Eenige teekens zijn met onduidelijke letter gedrukt:
-
-Bl. 97, regel 22-23, lees: zoodat mddum als m-ad-dum moet gescandeerd
-worden.
-
-Ib. regel 26, lees: fer lgustret.
-
-Bl. 98, regel 11, lees: -` ״ ` ^.
-
-Ib. regel 16, lees: ^ -` - `.
-
-Bl. 147, v. 136, lees:
-
-Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand.
-
-
-Zinstorende fouten zijn de volgende:
-
-Bl. 106, regel 18, staat:
-
-De metaphoor of uitgewerkte vergelijking; lees: .... of onuitgewerkte
-vergelijking.
-
-Bl. 118, regel 7-9, staat:
-
-De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van
-den eenzamen schatbezitter uit de Hredelepisode en in Beowulfs
-laatste woorden tot Wiglaf; lees: ... in de rede van den eenzamen
-schatbezitter, in de Hredelepisode en in Beowulfs laatste woorden enz.
-Andere misstellingen, als verkeerd geslacht, verkeerde interpunctie
-enz. gelieve de lezer zelf te verbeteren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De reeds vermelde Beowulf (Biewulf) is een Angelsaksisch gedicht
-der VIIIe eeuw, dat misschien wel nooit uit dien tongval in het Dietsch
-werd overgebracht, maar toch in de volste mate onze belangstelling
-verdient, om het tooneel, waar het speelt--op de Noordzeekusten, op
-de Maas en de Niers--en om de nauwe verwantschap, welke er bestond
-tusschen onze vaderen en den Angelsaksischen stam, die ons zijn zonen
-als geloofspredikers zond en wiens taal zooveel overeenkomst met die
-der Friezen heeft.
-
-Everts, Geschiedenis der Nederlandsche Letteren, blz. 8.
-
-[2] Origines du Duel Judiciaire par le P.-C. de Smedt, Paris
-1894. (Extrait des Etudes Religieuses, Philosophiques, Historiques
-et Littraires).
-
-[3] Celebrant carminibus antiquis, quod unum apud illos memoriae
-et annalium genus, Tuisconem deum terra editum et filium Mannum,
-originem gentis conditoresque. Germ. C. 2.
-
-[4] Caniturque adhuc barbaras apud gentes. Annal. II, 88.
-
-[5] De origine actuque Getarum C. 3. Uitgave van Savagner, Paris, 1883.
-
-Hier zijn de volgende teksten nog bij te voegen: Quemadmodum in priscis
-eorum carminibus paene historico ritu in commune recolitur. ib. C. 2.
-
-Adhuc hodie suis cantionibus reminiscuntur C. 4.
-
-Ut ipsi suis fabulis ferunt C. 5.
-
-Vgl. Kurth, Hist. Pot. des Mrov. Chap. I. Les Sources.
-
-[6] Kurth t. a. p.
-
-[7] Jonckbloet wijst er reeds op, dat bij Gregorius van Tours in de
-eerste boeken een zwakke, maar toch duidelijke nagalm van de heldensage
-vernomen wordt. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 69.
-
-[8] Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 25.
-
-[9] Vgl. Kurth, bl. 486.
-
-Deze wet, welke hij met den naam van transfert pique bestempelt,
-doet zich vooral in de Frankische sage gelden. Zoo maakte in de
-voorstelling van het volk Clovis plaats voor Dagobert I en deze voor
-Karel Martel, tot de laatste eindelijk in Karel den Grooten opging,
-bij wien het epos, als verblind door zijnen glans, bleef staan.
-
-[10] Kurth, blz. 225-26.
-
-[11] Kurth, blz. 3.
-
-[12] Kurth, blz. 334.
-
-La dfaite c'est la muse pique par excellence!
-
-L. de Monge. Etudes morales et littraires. II, blz. 67.
-
-[13] Onze eeuw van koud onderzoek, twijfel en winstbejag leent zich
-voorzeker niet tot het ontstaan van het kinderlijke, geestdriftige
-volksepos, en toch biedt zij iets min of meer overeenkomstigs in
-Frankrijk aan, waar dagbladpers, romans, lier- en tooneeldichters,
-beeldhouwers, schilders en geleerden de nederlaag van hun anne
-terrible als om strijd trachten om te scheppen; terwijl het
-zegevierende Duitschland nog altijd op een groot dichter wacht,
-om het glansrijkste feit uit zijne geschiedenis te verheerlijken.
-
-Ook heeft Frankrijk zijnen Ganelon in Bazaine gevonden.
-
-[14] Kurth, bl. 344.
-
-[15] Mllenhoff veronderstelt te recht, dat het de beenderen van
-eenen walvisch of iets dergelijks moeten geweest zijn.
-
-In de ontdekking van zulke versteende overblijfselen ziet Kurth de
-verklaring van het zoozeer verbreide volksgeloof aan het vroegere
-reuzendom.
-
-Ik herinner mij iets overeenkomstigs in de Origines Antwerpianae
-van Goropius Becanus gelezen te hebben, als hij degenen wederlegt,
-die den naam van Antwerpen uit Handwerpen verklaren en zich beroepen
-op de aldaar bewaarde reusachtige beenderen, welke de hand van den
-reus zouden zijn.
-
-Becanus, die als natuurkundige zich minder met hersenschimmen paaide
-dan als taalkundige, beweert, dat het de voet van een olifant is en
-bewijst het door het versteende geraamte van zulk dier (mammouth?) te
-beschrijven, dat men in zijnen tijd bij het aanleggen van het kanaal
-van Willebroek opgedolven had.
-
-Gnard in zijn prachtwerk Anvers travers les ges spreekt integendeel
-van walvischbeenderen.
-
-[16] Kurth, blz. 342.
-
-[17] Kurth, blz. 338, 528. Jonckbloet I, 71. Kurth is niet ongenegen
-in de Hugen met Ettmller, Van den Bergh en Winkler de Chauci van
-Tacitus te zien.
-
-[18] Zoo duidt ook Nathanael Mller den naam van Beowulf.
-
-Thorpe ziet er eene samentrekking in van beadowulf d. i. strijdwolf;
-Cosijn verklaart den naam door zegewolf; anderen zien er weer
-bijenwolf d. i. specht in.
-
-[19] P. u B. Beitrge: Scef in den Nordischen Genealogien, door
-Sievers.
-
-[20] Wij vertalen op het voorbeeld van Cosijn Getas door Gooten,
-want Angels. e vertegenwoordigt de Nederl. scherplange oo. Zoo laten
-wij de verschillende meeningen onaangeroerd en voorkomen wij tevens
-de verwarring met de vermaarde Oost- en Westgoten der geschiedenis.
-
-[21] P. u. B. Beitrge, XVII: Goten und Ingvaeonen.
-
-[22] Het scheen mij wenschelijk, wat langer bij ten Brink stil te
-staan, omdat zijn proza, verre van op de Fransche helderheid te kunnen
-bogen, maar al te zeer in Noordschen nevel gehuld is.
-
-[23] Het Nederlandsch leent zich ook tot zulke samenstellingen, en
-nochtans worden zij afgekeurd door hen, die zich tot wetgevers van
-de spraakmakende gemeente opwerpen, als zijnde in strijd met den aard
-onzer taal.
-
-De Germaansche talen hebben dit voor op de Romaansche, welke hunne
-toevlucht moeten nemen tot het Grieksch en Latijn, dat zij door middel
-van de samenstelling nieuwe woorden uit eigen boezem kunnen scheppen.
-
-Stel wachters bij de bronnen! Doch de wachters laten deze levende
-bron onzer moedertaal van lieverlede uitdrogen. Zal het Nederlandsch er
-bij gebaat zijn, wanneer het, in het dwangbuis gestoken der schoolsche
-regelmatigheid, ten laatste alle kleur en vrijheid van beweging zal
-hebben afgelegd?
-
-Deze schilderachtige woorden zijn onontbeerlijk in de pozie, vandaar
-dat de dichters ze niet versmaden, zelfs degenen die er den staf over
-breken, als b. v. Bilderdijk.
-
-Ik lees in Urzijn en Valentijn:
-
-
- Maar kunstgeleerde dapperheid
- Betemt het woest geweld.
-
-
-Hij schrijft goudgevloekt, godverwaten, kunstversierd, landverwezen,
-wondgeslagen en andere.
-
-Schaepman bracht aan den dichter van het Menschdom verlost deze
-verkeerde woordverbindingen onder het oog, doch deze wees den
-beoordeelaar op zijn eigen vers in de Keizersklok:
-
-
- Zoo roept de wapenbode
- In 't goudgestikte kleed.
-
-
-Men zou eene heele lijst van dergelijke voorbeelden uit de
-Nederlandsche dichters kunnen samenstellen. Stemt overigens het
-Nederlandsche volk zonder de minste hapering, ja met onbeklemde borst
-aan de hand van Tollens niet het godgevallig feestlied in?
-
-Doch beschouwen wij de zaak wat van nabij.
-
-Wat verstaat men door den aard onzer taal?
-
-Ik kan er slechts twee beteekenissen aan toekennen.
-
-Indien deze samenstellingen in strijd zijn met het Nederlandsch als
-Germaansche taal, dan verwijzen wij naar de Engelsche en Duitsche
-pozie, waar zij legio zijn, en naar de oude Germaansche dialecten.
-
-Het Gotisch heeft handu-waurhts, waaraan het Latijnsche manufactus
-geheel beantwoordt. Het zal wel onnoodig zijn, op hun gebruik in het
-Grieksch en Sanskrit te wijzen.
-
-Ofwel verstaat men door den aard der taal het algemeen gangbare
-spraakgebruik der beschaafden, dat, zooals Bilderdijk zegt, geene
-andere betrekkingen dan den genitief toelaat, b. v. huisdeur = deur
-van het huis?
-
-Nochtans vinden wij eene menigte voorbeelden van andere betrekkingen,
-zoowel bij zelfstandige als bijvoeglijke naamwoorden, waar het
-hier vooral op aankomt, en wij twijfelen er niet aan, of de huidige
-dialecten leveren ook dergelijke samenstellingen op.
-
-Zelfst. nw.: hemelvaart, watervrees, broodnijd, steendruk, kindergek,
-koordedanser, slaapwandelaar, wielrijder, geldgebrek, zwaardvechter,
-regenscherm, zeeroover, stoelgang, kleurenblindheid, leedvermaak,
-enz. enz.
-
-Bij dit laatste woord teekent Van Dale aan:
-
-De reden, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd zeggen, is,
-omdat wij bij de uiteenzetting dezer samenstelling niet zeggen kunnen:
-vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom
-is ook het thans gebruikelijke leedvermaak (eene vertaling van het
-Hoogd. Schadenfreude) af te keuren.
-
-Bij deze regels denk ik onwillekeurig aan de kunstmatig ingedrukte
-voetjes der Chineesche dames.
-
-Bijvoegl. nw.: composita met rijk: roemrijk, volkrijk, scheeprijk
-enz.; die met schuw: menschenschuw, zonneschuw, lichtschuw; die met
-blind: dagblind, sneeuwblind; bedlegerig, bijbelvast, godebehaaglijk,
-wereldberoemd, godgewijd, zeevaardig, dienstvaardig, waterdicht,
-luchtdicht, handtastelijk, proefondervindelijk, slagvaardig,
-kinderzalig, godzalig, godgeleerd, nagelvast, handgemeen, mondgemeen,
-vingersnel, handgauw, handgetrouw, natuurtrouw, zeehard, zeeziek,
-het in de dagbladen niet ongewone wereldkundig, staatsgevaarlijk,
-levensgevaarlijk, enz. enz.
-
-Deze lijst zou gemakkelijk vermeerderd kunnen worden bij eene
-nauwgezette doorbladering van het woordenboek en bij het raadplegen
-der gewestspraak.
-
-Wij besluiten hieruit, dat zij, die deze samenstellingen afkeuren,
-den vooruitgang der taal op willekeurige wijs belemmeren, en op ene
-lijn kunnen gesteld worden met hen, die misbruik maken van vreemde
-woorden, in plaats van hun moers taal te spreken, om het met Kegge
-onbewimpeld uit te drukken.
-
-[24] Het Fransche volksepos La Chanson de Roland is van Germaanschen
-oorsprong.
-
-Vandaar de eigennamen als Durandal voor Roelants zwaard en Joyeuse
-voor dat van den Keizer la barbe fleurie.
-
-[25] 4 Scheving: zoon van Scef of Scef, welke naam Schoof
-beteekent. Vgl. v. 47 Nota.
-
-[26] 5 medezetels: de banken, waarop de krijgers bij de gastmalen
-hunner vorsten zaten, en waar bier en mede geschonken werd. Werd de
-eene vorst door den anderen overwonnen, zoo hielden de drinkgelagen
-op. Ettmller.
-
-[27] 15 Hij: de Hemel. Deze verzen doelen op de oorlogen, welke het
-tijdperk van regeeringloosheid, dat de aankomst van Schyld zou zijn
-voorafgegaan, moesten kenmerken.
-
-[28] 18 hem: Beowulf, zoon van Schyld.
-
-[29] 14b-18 zijn blijkbaar een toevoegsel van christelijke hand.
-
-[30] 19 Deze Beowulf, de Deen, waarin de uitgevers den mythischen
-held Bev of Bev zien, is niet te verwarren met Beowulf, den Goot,
-den held van het gedicht.
-
-[31] 20 de Schedelanden: het Denenrijk.
-
-[32] 24 in d'ouderdom: als hij op zijne beurt koning is geworden.
-
-[33] 28b Ingeschoven.
-
-[34] 31 Schildings: Denen.
-
-[35] 42 op den schoot: van het schip. Vgl. v. 36.
-
-[36] 47 De sage van deze wonderbare aanlanding in het oude Angli wordt
-ook vermeld door de Engelsche kroniekschrijvers, doch niet aan Scyld,
-maar aan Scef, zijnen vader, toegeschreven. Kemble deelt, onder meer,
-den volgenden tekst van Willem van Malmesbury mede:
-
-Iste (Sceaf), ut fertur, in quandam insulam Germaniae Scandzam, de
-qua Jordanes, historiographus Gothorum, loquitur, appulsus navi sine
-remige puerulus, posito ad caput frumenti manipulo, ideoque Scef
-(Ned. schoof) nuncupatus, ab hominibus regionis illius pro miraculo
-exceptus et sedulo nutritus, adulta aetate regnavit in oppido, quod
-tunc Slasvic, nunc vero Haitheby appellalur: est autem regio illa
-Anglia vetus dicta, unde Angli venerunt in Britanniam, inter Saxones
-et Gothos constituta.
-
-Voor meer aanhalingen verwijs ik naar Ettmllers inleiding.
-
-Volgens Nathanal Muller moet Scef de Germaansche Ulysses geweest
-zijn, waarvan Tacitus gewaagt: Caeterum et Ulixem quidam opinantur
-longo illo et fabuloso errore in hunc oceanum delatum adisse Germaniae
-terras... Germ. Cap. 3.
-
-De aankomst van den Zwaanridder in het geheimzinnige bootje komt met
-de sage van Sceaf overeen.
-
-[37] 48 Een gouden banier of schild boven aan den mast was het teeken
-van de aanwezigheid eens konings. Ettmller.
-
-[38] 53 benen de wolken: op aarde.
-
-[39] 56 Schyld was gestorven.
-
-[40] 63 Ongentheow: is eene gissing, daar het handschrift hier eene
-leemte vertoont.
-
-[41] 64 Schilfing: Zweed.
-
-Ettmller merkt te recht aan, dat deze inleiding de afstamming
-behelst van den Deenschen koning Hrodgar en niet, zooals het diende,
-van Beowulf den Goot, die nochtans de held van 't epos is. Een bewijs,
-onder meer andere, dat dit gedeelte later bijgevoegd is.
-
-[42] 66 zijn dierbre magen: quodque praecipuum fortitudinis
-incitamentum est, non casus nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum
-facit, sed familiae et propinquitates. Tacitus, Germania, 7.
-
-[43] 73-74 uitgezonderd de Koningsmacht? De regel is ten eenenmale
-onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator
-ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn
-legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en
-niet tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen
-de historie hier licht geven. Cosijn. Ook werpt hij het vers uit,
-evenals Ettmller.
-
-[44] 82 met hoornen voorzien: met hertegewei, dat den gevel
-bekroonde. Vandaar de naam Heort of Heorot.
-
-[45] 83-86 Hier wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet
-in het gedicht behandeld worden, maar die het onderwerp moesten
-uitmaken van afzonderlijke zangen: den brand van Heorot, en de
-vijandschap tusschen Hrodgar en zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst
-der Headobarden. Vgl. v. 800 en vooral XXX.
-
-[46] 90b-103a Ingelaschte verzen, volgens Mllenhofs indeeling,
-terwijl Ettmller minder juist ook 103b-106 verwerpt.
-
-[47] 107-118 Ingeschoven plaats.
-
-[48] 115-118 Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten
-van Kan afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke
-oudheid. Vgl. v. 1283 vlg.
-
-[49] 119 hij: Grendel.
-
-[50] 127 Van dit dertigtal verslond hij er vijftien en sleepte de
-overigen naar zijn hol. Vgl. v. 1614.
-
-[51] 129 met kampbuit: de vijftien overgeblevenen van v. 127.
-
-[52] 151 winters: jaren, volgens de Germaansche gewoonte van naar
-winters te tellen.
-
-[53] 160 met geld te zoenen: het weergeld, volgens de oude
-rechtspleging.
-
-[54] 161 glansrijker boete: door hem te dooden in den strijd.
-
-[55] 164 meerderen en mindren: de krijgsschaar bestond uit strijders
-van hoogeren en lageren rang, in den trant van de ridders en
-schildknapen der middeleeuwen.
-
-[56] 172 God belette hem den Deenschen troon te bestijgen; immers
-Grendel ging gebukt onder Zijnen vloek. Vgl. v. 725. Ook wenschte
-Grendel zulks niet.
-
-[57] 168-73 Inlassching.
-
-[58] 179 Den Godentempels. Ags. hearg-trf. Gtterzelt, Tempel.
-
-De tempels werden in den regel op plaatsen gebouwd, die reeds op zich
-zelf als heilig golden, vooral in bosschen. Ags. hearh beteekent dus
-zoowel heilig bosch als tempel.
-
-Sarrazin besluit uit deze plaats, dat zich in de nabijheid van Hrodgars
-burcht een offerwoud bevond.
-
-En inderdaad, op eenige minuten van Lerje ligt een beukenbosch, het
-Herthadal, vroeger ook het heilig woud geheeten, hetgeen volgens de
-oude overlevering en volgens de meening van Deensche oudheidkundigen
-eene heidensche offerplaats geweest is. In dit bosch bevindt zich
-het Herthameer, dat vroeger het heilig meer genoemd werd.
-
-Als laatste bewijs haalt Sarrazin het oude getuigenis aan van Diethmar
-van Merseburg.
-
-Is dus Lerje, blijkens het hier aangehaalde, reeds merkwaardig genoeg,
-het wint nog in belangrijkheid, dank aan het opstel van Much, Goten
-und Ingvaeonen.
-
-Het geheimzinnige meer aan de godin Hertha (Nerthus) gewijd, waarvan
-Tacitus Germ. 40 zulk aangrijpend tooneel ophangt, bevindt zich
-volgens hem niet op Rgen, maar op het vruchtbare Seeland en is juist
-het Herthameer in de nabijheid van Lerje.
-
-Seeland was dus het Nerthuseiland en Lerje (het oude Hleithra of
-Lethra) het middelpunt van den Vaneneeredienst.
-
-[59] 181 wurggeest: duivel.
-
-[60] 183-191 Onechte plaats. De Denen naar de hel verwijzen enkel
-omdat zij heidenen waren, getuigt van eene bekrompen godsdienstige
-opvatting. Dat wij dit nochtans zoo nauw niet moeten nemen, zagen
-wij reeds in de Inleiding.
-
-[61] 193 de zoon van Healfdeen: Hrodgar.
-
-[62] 198 Higelaces leenman: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het
-eerst en zonder verband met het voorafgaande de held van het epos op.
-
-[63] 199 de Gooten. Vgl. Inleiding.
-
-[64] 206 Zij rieden het hem sterk aan (litotes.) Cosijn.
-
-Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen neef te doen blijven
-Vgl. v. 2047.
-
-[65] 208 gewenschte teekens: Auspicia sortesque ut qui maxime observant
-Tacitus. Germ. 10.
-
-[66] 212 Een kampheld: hij geleidde hen naar het strand.
-
-[67] 216 Het was hoog tij.
-
-[68] 220 gebonden kiel: beslagen kiel.
-
-[69] 223 De overtocht had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met
-de beide veronderstellingen omtrent de woonplaats der Gooten laat
-overeenbrengen, hetzij de reis van het zuidelijkste punt van Zweden
-naar Jutland, ofwel van Jutland naar Roeskilde uitgaat.
-
-[70] 228 Wederlieden: Gooten.
-
-[71] 246 Ofschoon de strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen
-zich eerst in de 9de en 10de eeuw op eene groote schaal uitbreidden,
-hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd. Tacitus zegt:
-Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines cujusque civitatis
-fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de Deensche kustwachter
-alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v. 1961.
-
-[72] 252 uwer een: Beowulf.
-
-[73] 253 huisman: in tegenstelling met
-edelman. Angs. seld-guma. seld-guma ist hier offenbar der gemeine Mann,
-der nur ein seld besitzt, im gegensatze zu dem edlen, der einen hof
-zu eigen hat. Socin.
-
-[74] 285-87 Indien het ongeluk niet ophoudt, dan zal hij steeds in
-'t ongeluk zijn!
-
-Nuchtere opmerking van interpolator La Palice.
-
-Mllenhoff schrapt 282b-284.
-
-[75] 296 De vaartuigen werden, evenals onze visschersschuiten, op
-het zand getrokken. Vgl. v. 1943, 1960-61.
-
-[76] 305 Wangstuk: dat gedeelte van den helm dat de wangen
-beschut. Het everzwijn was het aan Freyr gewijde dier. Formas aprorum
-gestant. Tacitus, Germ. 45.
-
-Eene op Oeland in Zweden gevonden bronzen schijf stelt twee krijgers
-voor, die boven op hunnen helm een everbeeld hebben.
-
-[77] 308 Sarrazin geeft de volgende plaatsbeschrijving van Lerje
-en omstreken:
-
-De afstand van de zeehaven Roeskilde naar Lerje bedraagt ongeveer
-5/4 uur gaans. De weg is eerst vlak, stijgt dan ongemerkt, totdat hij
-halverwege het hoogste punt bereikt om daarna te dalen; zoodat men in
-de verte rechts het dorp Lerje en links het slot Ledreborg ziet, dat
-zich op eene hoogte verheft, ter plaatse waar, volgens de overlevering,
-zich de oude burcht bevond. Sporen van de oude geplaveide baan zouden
-vroeger nog te zien zijn geweest.
-
-In overeenstemming hiermede bevindt zich Hrodgars burcht met
-de belendende koningszaal Heorot op eenigen afstand van de zee,
-welke in betrekkelijk korten tijd te voet kan afgelegd worden. De
-kustwachter doet aan de Gooten uitgeleide (300), totdat het hoogste
-punt bereikt is, vanwaar Heorots transen zichtbaar zijn (310, 313);
-hier neemt hij van hen afscheid (314), terwijl zij vervolgens afdalen
-(309) en langs den steenweg (321) Hrodgars verblijf bereiken.
-
-[78] 312 De machtige: Hrodgar.
-
-[79] 331 Blauwschemerig van boven: met stalen punt.
-
-[80] 333 Kamper: Wulfgar.
-
-[81] 338 Een zulke menigte is wel wat opvallend, immers zij waren
-maar met hun vijftien. Vgl. v. 211.
-
-[82] 359 bij de schouders: ter zijde, niet recht vr hem.
-
-[83] 373 Ecgtheow was uitgeweken wegens doodslag aan Headolaf, een
-Wulfing, gepleegd en had Beowulf meegenomen. Cosijn.
-
-Beowulf moet op het oogenblik, dat deze gebeurtenissen plaats grijpen,
-een goede vijftig jaar oud zijn. Immers toen Ecgtheow uitweek, had
-Hrodgar, welke thans 50 jaar koning is (v. 1806), juist den troon
-beklommen. Vgl. v. 469 vlg.
-
-[84] 377 vriend: Hrodgar.
-
-[85] 378 Waarschijnlijk wegens de beslechting van de veete met de
-Wulfings. 't Is natuurlijk, dat bij die gelegenheid de Gootische
-schippers van hunnen landgenoot Beowulf gewaagden. Cosijn.
-
-[86] 382 Wester-Denen: Denen.
-
-[87] 392 Oost-Denen: Denen.
-
-[88] 399 De sterke: Beowulf.
-
-[89] 401 heergetuig: de schilden en lansen, welke welstaanshalve
-buiten moesten blijven.
-
-[90] 402 de wapenstoute: Wulfgar.
-
-[91] 416 Vgl. v. 206.
-
-[92] 423 Nergens in het gedicht wordt nader melding gemaakt van
-Beowulfs kamp met de reuzen; het verslaan der Nikkers schijnt niet
-te zien op v. 585.
-
-[93] 429 reus: Grendel wordt als een reus voorgesteld. Vgl. v. 1370
-vlg.
-
-[94] 435-36 Hij draagt geen wapen en vreest voor geen wapen.
-
-[95] 442b-43 Christelijke wereldbeschouwing.
-
-[96] 448 Gij hoeft niet de wacht bij mijn lijk te houden. Zoo wordt
-later ook gezegd van Wiglaf, dat hij waakt bij het lijk van Beowulf
-en den draak. In den tekst staat niet lijk, maar hoofd.
-
-[97] 454 Daar Grendel, in de veronderstelling dat hij overwinnaar
-blijft, Beowulf zal verslinden, kan er geen sprake wezen van het
-lijk af te leggen: De neusgaten werden gesloten, daarna werd de doode
-gewasschen en gekleed.
-
-De tekst heeft niet lijktooi maar lichaam.
-
-[98] 458 Weland: Wieland in de Duitsche sage, Volundr in de
-Volundarkvitha der Edda.
-
-De sage van den kreupelen Weland, den Germaanschen Hephaistos, is,
-volgens Symons, in Nederduitschland ontstaan. Het is een mythisch
-wezen en vertegenwoordigt bij uitstek den schranderen dwerg, die de
-onderaardsche schatten aan zijne kunst dienstbaar maakt.
-
-In de Edda wordt de sage volgenderwijze verhaald:
-
-Nithothr, koning der Niaren, neemt den vindingrijken smid Volundr
-gevangen en laat hem op een eiland zijne kunst uitoefenen, na hem
-de kniepees doorgesneden te hebben. Volundr koelt zijne wraak door
-'s konings zonen te dooden en dezes dochter te verkrachten.
-
-Van de bekkeneelen der knapen had hij drinkschalen voor den koning
-vervaardigd, van de oogen edelsteenen voor de koningin en van de
-tanden borstspelden voor de koningsdochter.
-
-Degenen die hierover meer wenschen te vernemen, verwijs ik naar het
-opstel van J. Kleyntjens Een Eddalied vertaald en opgehelderd,
-voor zoover als ik weet de eenige studie, welke in Vlaamsch Belgi
-over de Oudnoordsche letteren verschenen is.
-
-L'Enseignement des Langues Modernes. Jaargang 1894-95.
-
-[99] 459 Het noodlot is onwankelbaar.
-
-[100] 464 De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten, of ten
-minste als nauw ermede verwant.
-
-Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten te doen blijven,
-vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht was voor de
-wraak der Wylfings: (heirschrik v. 466).
-
-Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte daardoor Ecgtheow. De
-plaats is vrij duister.
-
-Mllenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden der Oostzee thuis.
-
-Het geslacht der Wylfingen, Wulfingen, dat ook in Widsidh vermeld
-wordt, is in de Duitsche heldensage bekend.
-
-Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen, de moedige dienstman
-van Diederik van Bern (Theodorik de Groote).
-
-[101] 466 hem: Ecgtheow.
-
-[102] 474 zoende ik: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening
-te bewerken, daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen
-vermaagschapt was. Vgl. 632. Nota.
-
-[103] 482 naar Grendels schrikverschijning: naar den verschrikkelijken
-Grendel.
-
-[104] 491 bankvloer: de vaste bodem, waar zich de banken of
-tafels bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het
-nachtleger. Vgl. v. 1260.
-
-[105] 497 Beowulf heeft dus staande zijne aanspraak gehouden.
-
-[106] 501 aalkan: bierkan.
-
-[107] 507 aan de voeten: op de tweede eereplaats rechts van den ingang,
-vr Hrodgar, doch eene trede lager. Vgl. v. 2847. Nota.
-
-[108] 508 het kampgeheim ontkeetnend: den woordenstrijd beginnend. De
-uitdagende woorden worden vergeleken met een wild dier, dat men
-loslaat.
-
-[109] 529 Heado-raemen. Mllenhoff schrijft Heado-remen
-(Strijd-Remen) en ziet erin de Raumaricii van Jordanes, de bewoners
-van Raumariki ten zuiden van Noorwegen. (Angs e = au).
-
-[110] 531 Brondings: Zie Inleiding, blz. 80.
-
-[111] 592 het land der Finnen: Finmarken aan de IJszee.
-
-Volgens Bugge is de episode van Brecca verwant met de IJslandsche
-sage van Egil.
-
-[112] 598 niet bral ik dies. IJdele woordenpraal werd door de Germanen
-in den hoogsten graad verafschuwd.
-
-Hunne nakomelingen, die nog niet wegloopen met de Fransche blague,
-schijnen er niet op gebeterd te zijn.
-
-[113] 595-99 Vlijmende spotternij. Gij, Hunferd, hebt nooit zulke
-moedige daad volbracht, of het moest de moord van uwe bloedverwanten
-zijn.
-
-[114] 604 uw heerscher: aan uwen heerscher.
-
-[115] 607-9 Waarlijk Beowulf windt er geene doekjes om!
-
-Er diende nochtans vrijmoedigheid toe, om deze voor de Denen zoo
-geringschattende woorden in de tegenwoordigheid van al de rijksgrooten
-uit te spreken.
-
-[116] 610 noodpand: gedwongen pand, nl. de lijken.
-
-[117] 614-15 Dan mogen de Denen weer hunnen intrek nemen in Heorot.
-
-[118] 631 zaalkroes: in de zaal gereikte kroes.
-
-[119] 632 Wealchtheow was van den stam der Helmingen.
-
-Volgens Widsidh heerschte Helm over de Wulfingen.
-
-[120] 633 hoog en nedrig: Krijgers van hoogeren en lageren rang.
-
-[121] 634 totdat de beurt zich bood: zij ging eerst de rij rond
-aan den kant van Hrodgar en kwam daarna bij Beowulf, die op de 2de
-eereplaats recht tegenover Hrodgar gezeten was.
-
-[122] 652 naast haar echtgenoot: aan zijne linkerhand.
-
-Ons gedicht hangt een levendig tafereel op van de Germaansche
-feestmalen. Eene hoofdzaak was het, aan de gasten eene met hunnen rang
-overeenkomende plaats aan te wijzen. Liederen werden voorgedragen,
-sagen en eigen daden verhaald. De braspartij werd besloten met het
-uitdeelen van geschenken aan elk der gasten.
-
-Mullenhoff ziet in vv. 624-55 eene inlassching, omdat Wealchtheow
-opeens verdwenen moet zijn, want v. 656 wordt alleen van Hrodgar
-gezegd, dat hij de zaal verlaat.
-
-Staat er niet v. 934-35 dat Hrodgar het vertrek der gade verlaat? Kon
-de dichter dus de gevolgtrekking niet aan den lezer overlaten? Vgl. nog
-v. 676.
-
-[123] 665 't bezit der zaal: de inbezitneming van Heorot te handhaven
-tegenover Grendel.
-
-[124] 673 Zoo gij er het leven van afbrengt.
-
-[125] 677b-81 Christelijke overweging.
-
-[126] 679-81 Ter oorzake van Hrodgar verleende God in dezen d. i. in
-dit bijzonder geval zijne hulp, door Beowulf af te zenden.
-
-[127] 690 De volgende verzen zijn eene herhaling van v. 435 vlg.
-
-[128] 694-95 Hij is niet bedreven in het hanteeren der wapenen,
-zooals het eenen ridder past.
-
-[129] 711 het weefsel van het wapenheil: het geluk der wapens.
-
-Volgens de Edda weefden de Walkuren het weefsel van den slag.
-
-Wij hebben hier een mengelmoes van heidensche en christelijke
-denkbeelden.
-
-[130] 714b.-23 Ettmller en Mllenhoff beschouwen deze regels als van
-lateren oorsprong. Ook wordt v. 724 nog eens gezegd, dat Grendel in
-aantocht is.
-
-[131] 730 goudwoon: zoo geheeten, omdat er de koning goud uitdeelde.
-
-[132] 740 der halle monding: de deur.
-
-[133] 750-51 Hier wordt, als zoo dikwerf in 't gedicht, de ontknooping
-in het verschiet gesteld.
-
-[134] 755-58 De Goot, die hier zoo ongelukkig aan zijn einde komt,
-is Hondsci, zooals blijkt uit het mondelingsch verslag van zijnen
-tocht, dat Beowulf later aan Hygelac doet. Vgl. v. 2131.
-
-[135] 760 met hand en voeten: met huid en haar.
-
-[136] 762, 763 strijdheld, de vijand: Beowulf.
-
-[137] 764 en stutte; Beowulf stutte zich met den arm op de bovenste
-trede der bankvloer. Vgl. v. 2847 Nota.
-
-[138] 771 der duivels drijven: de overige monsters. Vgl. v. 1538.
-
-[139] 770-73 Overtollige uitbreiding.
-
-[140] 772-73 Hij vond hier niet meer de gelegenheid om, zooals vroeger,
-een bloedbad aan te richten.
-
-[141] 781-82 Beowulfs vuist hield Grendels hand in bedwang.
-
-[142] 785 Immers de Denen sliepen niet meer in Heorot, maar in den
-burcht. Vgl. v. 142 vlg.
-
-[143] 786 doodsontzetting: ealu-scerwen, eigenlijk bierschrik,
-eene epische, destijds misschien reeds verduisterde uitdrukking,
-oorspronkelijk eene plotselinge verdwijning van het bier beteekenende.
-
-[144] 793 menig meebank: die in 't midden van de zaal verplaatst
-waren. Vgl. v. 1260.
-
-[145] 800 Tweede toespeling op eenen toekomstigen brand. Vgl. v. 83.
-
-[146] 812 Illum (principem) defendere, tueri... praecipuum sacramentum
-est. Tacitus Germ. 14.
-
-[147] 808-22 Ettmller verwerpt deze verzen, immers daar Beowulf in
-zijn land vernomen had, dat Grendel geene wapens te vreezen had (v. 435
-vlg.), moesten zijne makkers het ook geweten hebben. Mllenhoff wijst
-ook op eene tegenspraak. Beider gevoelen komt mij niet aannemelijk
-voor. Vgl. Aanmerkingen.
-
-[148] 834 weeldelooze woning: het meer, dat zich te midden der
-moerassen aan den voet der rotsen uitstrekte.
-
-[149] 851 volgens mijn ervaren: De dichter doet een beroep op de
-dichterlijke overlevering van zijnen tijd. Deze getuigenis keert bij
-herhaling terug.
-
-[150] 854 voetspoor: Zij begaven zich naar het meer.
-
-Beowulf was er niet bij; immers later zegt hem Hrodgar:
-
-Nog kent gij niet de plek en hij beschrijft hem dan het geheimzinnige
-meer. Vgl. v. 1387 vlg.
-
-[151] 865 Ingelascht vers.
-
-[152] 871 tusschen tweelingzeen: tusschen Noord- en Oostzee.
-
-[153] 876a Hrodgar krijgt meer dan eens zoo'n pluimpje, ofschoon
-het gedicht een eerbiedig zwijgen bewaart over zijne wapenfeiten. De
-grijsaard komt mij al te jammerend voor.
-
-Ik denk hier onwillekeurig aan Tacitus Germ. 14. sua... fortia facta
-gloriae eius (principis) adsignare praecipuum sacramentum est.
-
-[154] 881 Het ideaal van zulk een dichter wordt ons in Widsidh
-voorgesteld.
-
-[155] 886 elk liet nu weten: De overgang van Beowulf, den dooder van
-Grendel, op Sigmund, den dooder van Fafnir, ligt voor de hand.
-
-[156] 889 des Walsings: Sigmund, zoon van Wals.
-
-[157] 892 Fitela: Sinfjtli in de Edda, de oudste zoon en neef van
-Sigmund, die zijnen vader op de zwerftochten ter zijde stond.
-
-[158] 896 der reuzen: Nevelingen.
-
-[159] 900 vuurdraak: Fafnir; de schat, waarvan sprake, is de schat
-der Nevelingen.
-
-Het Angelsaksisch gedicht verwart hier den vader met den zoon: Niet
-Sigmund, maar zijn zoon Sigfried, de held van de Wolsungensage in de
-Edda en van het Duitsche Nibelungenlied, doodde den draak en verwierf
-daardoor den schat der Nibelungen.
-
-[160] 917 bij 't reuzendom: de Nibelungen, welke oorspronkelijk
-de daemonische, duistere machten zijn, die het eerste den schat
-bezaten. In den tekst staat niet Sigmund maar hij.
-
-De volgende zin ziet op het verdriet van Sigmund in zijne
-gevangenschap.
-
-[161] 912-16 Sigmund was de vermaardste held geweest na Heremod.
-
-[162] 920 tot levenskommer: door te sterven. Het ongelukkig uiteinde
-van Sigmund in het geweld der Nibelungen was voor zijne lieden een
-levenslange kommer.
-
-Volgens Bugge is hier sprake van Heremod, die bij de reuzen
-verraderlijk gedood werd en in 's vijands handen, d. i. de macht des
-duivels, geraakte. Ook volgens Mllenhoff slaat v. 918-920 op Heremod.
-
-[163] 922 't vertrek des koenen: van Heremod.
-
-[164] 921-27 Evenals Sigmunds tochtgenooten zijne verdwijning
-betreurden in de macht der Nibelungen, zoo ook betreurden de
-Denen, dat de even dappere Heremod, die hetzij vrijwillig, hetzij
-gedwongen vertrokken was, door zijne wreedheid de van hem gekoesterde
-verwachtingen bedrogen had.
-
-Het lot van Heremod wordt met dat van Sigmund vergeleken. Er zijn twee
-punten van aanraking: hunne heldenkracht en hun ongelukkig uiteinde.
-
-[165] 927 De bloedvriend Hygelacs: Beowulf.
-
-[166] 929 aan gene: aan Heremod. Wij hebben hier eene tegenstelling
-tusschen het gedrag van Beowulf en dat van Heremod.
-
-Deze verzen dienen tevens tot aanknooping van de
-Sigmund--Heremodepisode met den held van het gedicht.
-
-Later wordt nog op twee plaatsen van Heremod melding gemaakt: 1742
-vlg. en 2236 vlg.
-
-De sage van Heremod heeft, volgens Bugge, veel overeenkomst met de
-Noordsche sage van Ali frokni (de koene).
-
-[167] 932 morgenlicht: morgenzon.
-
-[168] 934 het wonderfeit: de arm van Grendel.
-
-[169] 938 langs den medeweg: langs den weg naar Heorot, de drinkhalle.
-
-[170] 941 Grendels hand, het zegeteeken van Beowulf, werd vr de deur,
-op de stoep gelegd, waar ieder ze zien kon.
-
-[171] 945-46 Ingelascht.
-
-[172] 957 Wie zij ook zij: Deze woorden zijn opvallend in Hrodgars
-mond; immers wij weten, (v. 374) dat hij Beowulfs moeder Hredels
-eenige dochter kende, al blijft ook haar naam in het duister.
-
-[173] 976 in zijnen tooi: wapenrusting.
-
-[174] 991 de groote dagvaart: dag des oordeels.
-
-Deze drie verzen zijn blijkbaar van christelijken oorsprong.
-
-[175] 1008 de weefsels: Het was de gewoonte bij feestelijke
-gelegenheden de wanden met kostbare stoffen te bedekken, waarop
-dikwijls kunstvolle onderwerpen waren voorgesteld.
-
-[176] 1016 dit: de dood. Het onderwerp moet uit de beteekenis van
-den vorigen zin worden opgemaakt.
-
-[177] 1017-20 de noodwendig voor iedereen bereide doodstede.
-
-[178] 1016-22 Iedereen moet sterven, dit kan zelfs dan gebeuren,
-wanneer men zich het minste er op verwacht b. v. als men is ingedommeld
-na het feestmaal.
-
-Deze gebrekkige verzen zijn blijkbaar een inlapsel.
-
-[179] 1022 de dagstond: Daar er, ten minste in het Noorden, twee
-hoofdmaaltijden plaats grepen, een om 9 uur 's morgens en een 's
-avonds na volbrachte dagtaak, moeten wij 9 uur aannemen.
-
-Immers het was nog morgen (931-35) en later wordt gezegd, dat zij
-den ganschen dag tafelden (2171).
-
-Ook kan de tocht naar het meer, die vooraf had plaats gehad, geen
-bezwaar opleveren, want de afstand was niet groot (1387) en zij lieten
-somtijds hunne paarden draven (876).
-
-Het feestmaal duurde tot 's avonds. Vgl. 1256, 2171.
-
-[180] 1030 Hrodulf: Hrodgars neef en mederegent.
-
-[181] 1032 Een strijd tusschen Hrodgar en Hrodulf wordt in het
-verschiet gesteld, strijd waarover het gedicht het zwijgen bewaart. Zie
-ook v. 1182. De dichter zinspeelt hier, evenals vroeger bij de
-verhouding tusschen Hrodgar en Ingeld (v. 83), op de dichterlijke
-overlevering van zijnen tijd.
-
-[182] 1038 den vorst: Beowulf.
-
-[183] 1049 Van deze acht paarden schenkt Beowulf er later vier aan
-Hygelac en drie aan Hygd. Vgl. 2220, 2232.
-
-[184] 1057 der Denen: der Ingwinen, in den tekst.
-
-Deze naam herinnert ons aan de Ingaevones van Tacitus. De volkeren
-langs de Noordzee vereerden den god Ing d. i. Freyr.
-
-[185] 1067 den man: Hondsci. Vgl. v. 2131.
-
-[186] 1071 Wyrd: noodlot, eigenlijk een der drie Nornen of
-schikgodinnen; doch wordt, evenals in den Heliand, gebezigd voor
-Gods Voorzienigheid. Christendom en heidendom worden weer in eenen
-adem genoemd.
-
-[187] 1069-76 Stichtelijk gerijm.
-
-[188] 1073-76 Het vertrouwen op God is de beste steun in al de
-omstandigheden dezes levens. worsteldagen: aardsche leven.
-
-[189] 1078 Hnf: vorst der Half-Denen en veldheer van Healfdeen,
-koning der Denen. Daar Hrodgar, Healfdeens zoon, nu vijftig jaar het
-bewind voerde, was er ruim eene halve eeuw verloopen sinds de hier
-vermelde gebeurtenissen.
-
-[190] 1081 de zanger van Hrodgar: Hunferd.
-
-[191] 1082 Finnes zonen: de mannen van Finn, koning der Friezen.
-
-[192] 1083 overrompeling: van den kant der zich wrekende
-Denen. Vgl. 1161 vlg.
-
-[193] 1084 Half-Denen: Volgens Bugge waren dit geene eigenlijke Denen,
-ofschoon hunne bondgenooten; want Hnf behoorde tot de Hokingen en
-Sigeferd, waarvan in het Finsburglied sprake is, tot de Secgas. De
-overige benamingen integendeel, als Noord-Oost-Zuid-Deen, zijn zoovele
-benamingen voor een en hetzelfde volk nl. de Denen.
-
-[194] 1085 't Friezenveld: slagveld, waar veel Friezen gevallen waren,
-de Finsburg met omgeving. Vgl. 1094 vlg.
-
-De kamp, waarin Hnf verraderlijk viel onder de slagen van Finn en
-zijne Friezen, wordt ons in het Finsburgfragment geschilderd en gaat
-bijgevolg de hier verhaalde gebeurtenissen onmiddellijk vooraf.
-
-[195] Hildburg, bloedverwante, misschien de zuster van Hnf, en Finns
-gemalin. In Widsidh heet Hnf de vorst der Hokingen; daar nu Hildeburg
-Hokes dochter is (Vgl. v. 1090), zoo was het vermoedelijk eene oude
-veete, die door het huwelijk van Finn en Hildeburg was bijgelegd,
-doch die nu weer losbreekt door den verraderlijken overval in Finsburg.
-
-Dit verklaart dan Eotentrouw. Ettmller.
-
-[196] 1086 Eotentrouw: Friezentrouw.
-
-[197] lieve loten en broeders: hare zonen en broeders, welke zich
-onder de gesneuvelde Half-Denen bevonden.
-
-[198] 1090 toen de morgen daagde: De Half-Denen werden 's nachts in
-Finsburg overvallen.
-
-[199] 1095 dingplaats: de vergaderplaats, waar beide partijen tot
-onderhandeling of, desnoods, tot een nieuw gevecht tegenover elkander
-stonden.
-
-[200] 1096 Hengest: Hnfs opvolger als bevelhebber der Half-Denen.
-
-[201] 1098 veldheer van den koning: Hengest, veldheer van Healfdeen.
-
-[202] 1099 Zij: de Friezen.
-
-[203] 1106 als wilde enz. Finn onthaalde de Denen of Half-Denen,
-alsof het zijne eigen Friezen waren.
-
-[204] 1110 de resten van de ramp: de overblijvende Deensche strijders.
-
-[205] 1111 volgens 't oordeel van de raden: in geval van oneenigheid
-zouden de raadslieden uitspraak doen.
-
-[206] 1112 hunner: Denen.
-
-[207] 1114-15 Ofschoon de Denen Finn moesten gehoorzamen, den dooder
-van Hnf.
-
-Finn vertegenwoordigt zijn volk, immers wij weten niet, of hij zelf
-de dooder was.
-
-1110-11 behelst den eed der Friezen, alsmede 1116-18;
-
-1112-15 dien der Denen.
-
-[208] 1120 het glanzend goud: waarmede Finn volgens v. 1103 vlg. de
-Friezen en de Denen moest beschenken.
-
-[209] de koenste wapenkrijger: Hnf.
-
-[210] 1122-24 sua cuique arma... igni.. adjicitur. Tac. Germ. 27.
-
-[211] 1127 op 's broeders brandmijt: de tekst heeft: op Hnfs
-brandmijt.
-
-[212] 1130 bij den schouder: van Hnf.
-
-[213] 1133 heuvel: grafheuvel.
-
-[214] 1137 beide stammen: Friezen en Denen.
-
-Geven wij hier duidelijkheidshalve een overzicht:
-
-Finn, de koning der Friezen, heeft de Half-Denen of Denen, hetgeen op
-hetzelfde neerkomt, des nachts verraderlijk overrompeld in Finsburg. De
-vorst der Half-Denen, Hnf, bevelhebber van den Deenschen koning,
-en broeder van Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden.
-
-Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn, betreurt bij het aanbreken
-van den morgen den dood harer Deensche bloedverwanten.
-
-Daar de meeste Friezen bij den aanval op Finsburg zijn gesneuveld, is
-Finn niet meer bij machte om de overgebleven Denen te vernietigen. Hij
-onderhandelt bij gevolg met Hengest, opvolger van Hnf als bevelhebber,
-en een vredesverdrag komt tot stand.
-
-Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel rechten als de Friezen,
-worden gehuisvest en zullen met de gebruikelijke geschenken bedeeld
-worden door Finn, dien zij als koning erkennen. De geschillen zullen
-door de raadslieden worden bijgelegd.
-
-Mocht een Fries zinspelen op de vroegere vijandschap, hij zal dit
-met het leven boeten.
-
-Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de koningsgaven uit aan
-beide stammen.
-
-Daarna wordt een groote brandstapel opgericht, waarop het lijk van
-Hnf met de gesneuvelde vrienden en vijanden verbrand wordt, terwijl
-Hildeburg den gebruikelijken klaagzang aanheft.
-
-[215] 1139-41. De verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne
-gesneuvelde vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij
-gevolg moet de Finsburg, waar de in 't vorige hoofdstuk vermelde
-gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland,
-maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen zijn.
-
-[216] 1143 in alles een: in de beste verstandhouding, ten minste
-in schijn.
-
-[217] 1152-56. Met de aankomst der lente was de zee bevaarbaar,
-derhalve wenschte Hengest naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was
-hij nog meer verlangend zich op de Friezen in een gevecht te wreken.
-
-[218] 1157-60 Om zijn tweevoudig doel te bereiken, weigerde Hengest
-niet, zich voor eenen dienstman van Finn te verklaren.
-
-Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier vermelde zinnebeeldige
-handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des Konings, dat hem door
-Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand te nemen.
-
-Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh de Koning der
-Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de Friezen
-verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland gedaan
-heeft (Vgl. 2420 vlg.), zoo verschijnt hier Hun aan het hof van Finn.
-
-Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een onderkoning van Finn
-is, evenals Hnf, die toch zelf koning geheeten wordt, Heal'deens
-veldheer was.
-
-[219] 1163 Gudlaf en Oslaf: twee Deensche krijgers, welke ook in
-'t Finsburglied te zamen vermeld worden.
-
-[220] na de golfvaart: zij waren teruggekeerd uit Denemarken.
-
-[221] 1161-67. Bugge stelt zich de toedracht der zaak volgenderwijze
-voor:
-
-Als dienstman van Finn is Hengest verplicht, den Koning geschenken
-aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar Denemarken en keert
-daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en Oslaf.
-
-Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn voorloopig in alles te
-gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze geveinsde rol niet lang
-volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de Denen overvallen en
-Hnf verraderlijk gedood had.
-
-Zoo werd de ontknooping bespoedigd.
-
-Wat eene andere, even aanneembare, verklaring betreft, verwijs ik
-naar de Aanmerkingen.
-
-Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat zij verscheiden
-tekstwijzigingen met zich brengt.
-
-[222] 1175 de edelvrouwe: Hildeburg.
-
-[223] 1181 Oom en broederzoon: Hrodgar en Hrodulf.
-
-Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van Halga, Hrodgars jongsten
-broeder. Vgl. 62.
-
-[224] 1182 Vgl. 1032 Nota.
-
-[225] 1186-87 Vgl. v. 598. Alweer eene vingerwijzing op de epische
-sagen, want uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds
-laakbare daad.
-
-[226] 1196 den held: Beowulf.
-
-[227] 1198 uw zonen: Hredric en Hrodmund.
-
-[228] 1200 christelijke opvatting.
-
-[229] 1201-3 Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was.
-
-[230] 1210 daar: tegenover Hrodgar.
-
-[231] 1218 Hama: Hij wordt in Widsidh vermeld en komt in de
-Hoogduitsche sage voor onder den naam van Heime; (ei = angs a). Hij
-staat er in betrekking met Diederik van Bern en met Ermanric en
-vertegenwoordigt den trouweloozen, omkoopbaren strijder. Oorspronkelijk
-is 't een mythisch wezen.
-
-[232] 1219 Brosinghalsband: de halsband, dien de Brisingen eens
-bezaten. 't Is hetzelfde kleinood als het Brisinga-men uit de Edda,
-de beroemde halsband van Freyja.
-
-[233] 1217-20 Sedert Hama, den bezitter van den Brosinghalsband,
-had nooit een held schooner halsjuweel bezeten dan nu Beowulf.
-
-[234] 1221 Ermenrics vervolging: Ermenric zette nl. den dief
-na. Ermenric is de machtige koning der Oost-Goten Ermanarik uit de
-4de eeuw. Hij vormt het middelpunt der Ermanaricssage.
-
-Saxo bericht van hem, dat hij groote schatten bezat en deze in zijnen
-burcht verborg.
-
-Ons Middelnederlandsch gedicht Van den Vos Reynaerde kent hem ook:
-
- 2047 Wilen tere stonden
- Hadde mine here mijn vader vonden
- Des conincs Ermelincx scat
- In eene verholne stat.
-
- 2374 Daer suldi vinden oec die crone
- Die Ermelync die coninc droech.
-
-[235] 1222 en koos zich 't eeuwig heil: hij trad in een klooster;
-zooals in de Diederiksage van Heime verhaald wordt.
-
-B. Symons toont aan, hoe deze plaats van 't gedicht den sleutel geeft
-tot het verhaal van Jordanes, Historia Gothorum, c. 24, waar van
-Hermanaricus gezegd wordt, dat hij eene vrouw, Sunilda, door paarden
-liet vierendeelen, omdat haar echtgenoot zich bedrieglijk uit de
-voeten had gemaakt; zonder dat dezes naam noch misdrijf vermeld wordt.
-
-Wij weten nu uit ons gedicht, dat Hama de echtgenoot was, en dat zijn
-misdrijf bestond in het rooven van Ermanariks schat.
-
-[236] 1223 des rings: Beowulfs halssieraad.
-
-[237] 1224 Swerting: Hygelacs grootvader. Higelac is de geschiedkundige
-Chochilaicus, koning der Denen. Zie Inleiding.
-
-[238] 1225 slagbuit: Dit bewijst, dat Hygelac een strooptocht
-ondernomen had, dat zeerooverij bij gevolg in zwang was.
-
-[239] 1226 hij sneuvelde.
-
-[240] 1231 in Frankenhand: Het gedicht komt nog driemaal op dezen
-tocht terug: XXXIII, XXXV, XL.
-
-[241] 1233 slechter kampvermeetlen: de Franken; de dichter heet ze
-zoo, omdat zij, naar zijne meening, als krijgslieden tegen de Gooten
-niet konden opwegen; want Hygelac met de zijnen moest alleen voor de
-overmacht bukken (Vgl. v. 3020.)
-
-[242] 1240 mijn zoon ook: Ettmller maakt de opmerking, dat Wealchtheow
-den oudsten zoon Hredric op het oog heeft, die eens na Hrodgar zal
-regeeren.
-
-[243] 1251 blijft zoo handlen: blijft zoo verknocht, gehoorzaam
-en wilvaardig.
-
-[244] 1255 met menig edele: nochtans liet maar n ridder nl. Aschere
-er het leven.
-
-[245] 1258 een reuzig tal van ridders: het zijn Denen en geene
-Gooten. Vgl. 1303, 1322. Beowulf had vr zijnen strijd met Grendel
-beloofd, dat zij den volgenden morgen weer bezit konden nemen van
-Heorot. Vgl. 614 vlg.
-
-[246] 1259 als vroeger: voor twaalf jaren.
-
-[247] 1260 den bankvloer ruimden ze op: door het wegbrengen der
-banken of tafels, om op de beschikbaar geworden ruimte stroozakken
-of kermisbedden te plaatsen.
-
-[248] 1262 Wie die ber-scealc, schenker, is, blijft in het onzekere,
-daar er geene verdere melding van wordt gemaakt.
-
-Probably some lines are wanting. Thorpe.
-
-[249] 1267-71 Nihil autem neque publicae neque privatae rei nisi
-armati agunt. Tacitus Germ. 13.
-
-Ad convivia procedunt armati ib. 22.
-
-Het was insgelijks bij de Scandinavische volken regel, dat ieder man
-zijne wapens des nachts boven zijn bed had hangen.
-
-[250] 1273 een: Aschere.
-
-[251] 1278 een wreker: God.
-
-[252] 1277-79 Christelijke voorstelling.
-
-[253] 1281 de ijzing der kolk: de ijselijke kolk.
-
-[254] 1292 die: Beowulf.
-
-[255] 1283-99 Deze verzen, welke slechts zoutelooze herhalingen
-vermengd met christelijke denkbeelden behelzen, zijn uit te werpen.
-
-[256] 1301 het jammervolle pad: Grendels spoor, dat zich van het
-nikkermeer tot aan Heorot uitstrekte.
-
-[257] 1303 langs de woon: de bankvloer strekte zich langs de
-hoofdzijden der zaal uit. Vgl. v. 2847 Nota.
-
-[258] 1304 een omkeer: eene verandering ten kwade.
-
-[259] 1306-8 Evenals de kracht der vrouw het niet kan halen bij die
-eens krijgsmans, zoo ook boezemde het verschijnen van Grendels moeder
-minder schrik in dan dat van haren zoon.
-
-Deze bemerking kan men zoo voetstoots niet aannemen, immers het blijkt
-later, dat Beowulf ter nauwernood en alleen door Gods hulp Grendels
-moeder overwon.
-
-[260] 1312 Zij waren dus van het leger opgesprongen, om zich achter
-de in het midden der zaal geschoven banken te verschansen.
-
-[261] 1315 wien overviel de vrees nl. de Denen.
-
-[262] 1318 een ridder: Aschere.
-
-[263] 1325-26 Hij d. i. de vijand. De reuzin nam bij het uitgaan
-Grendels schouder mede, welken Beowulf tot zegeteeken voor de deur
-had neergelegd.
-
-[264] 1330 de boozen beiderzijds: immers Grendel en zijne moeder
-hadden hun slachtoffers geischt.
-
-[265] de vorst: Hrodgar.
-
-[266] 1343 naar zijn heusche wenschen: naar Beowulfs wensch.
-
-[267] 1355-57 De juiste schuilplaats van Grendels moeder t. w. de
-onderzeesche woning is den koning natuurlijk onbekend; waar het
-monster zich ophoudt, weet hij zeer goed, gelijk later blijkt. Cosijn.
-
-[268] 1365 Grendels moeder heeft een begin gemaakt met de
-vijandelijkheden, waarvan het einde niet te voorzien is. Men vergete
-niet, dat de bloedwraak openlijk, niet arglistig moest geschieden,
-zoodat er geen zweem van misdaad mocht bestaan. Vandaar euveldader
-v. 1363.
-
-[269] 1367 heerscher: Aschere. Nog een ander vorst, Wulfgar, behoorde
-tot Hrodgars gevolg. Vgl. 340.
-
-[270] 1368-69 Ascheres hand zal geene geschenken meer uitdeelen,
-zooals een vorst pleegt te doen.
-
-[271] 1377 op ballingswegen: in de eenzaamheid, ver van het menschdom.
-
-[272] 1382 Sarrazin beschrijft de omgeving ten Noorden van Lerje
-als volgt. Daar bevindt zich een moeras, het Kattinge-moor, waarbij
-zich oostwaarts het kleine en groote Kattinge-meer aansluiten. Dit
-laatste staat met den Roeskilder fjord door middel van de Kornerup-Aae
-in verbinding, welke nu eene beek, doch vroeger eene bevaarbare
-rivier was.
-
-Het eigenlijke verblijf van Grendel is er achter, in de bocht, ter
-plaatse waar een stroom door eene kloof in zee stort 1385.
-
-Deze kloof meent hij te herkennen in het oude bed der Kornerup-Aae,
-waar deze in den vorm van ravijn uitmondt.
-
-Hier tegenover ligt in den inham zelf een klein eiland, waarop een
-hert zich zou kunnen redden 1394.
-
-Dit eiland is de eigenlijke schuilplaats van Grendel, ofschoon de
-heele omgeving, het moeras en de twee meren, tot zijn gebied behooren.
-
-Wat de rotsen en klippen betreft, waarvan het gedicht gewag maakt,
-vindt Sarrazin geene verklaring, daar er in werkelijkheid slechts
-duinen en zandheuvels te vinden zijn.
-
-Hij heet dit dan ook eene overdrijving, welke aan de dichterlijke
-phantasie is toe te schrijven. (?)
-
-[273] 1399-1402 Een bewijs dat Grendel oorspronkelijk een stormgeest
-was. Als zoodanig vertoont hij zich, volgens Sarrazin, nu nog in de
-volkssprookjes te Roeskilde.
-
-Is het wel noodig, op deze sombere, aangrijpende beschrijving van
-het geheimzinnige Grendelmeer te wijzen?
-
-[274] 1410-15 Deze woorden doen de scherpe tegenstelling uitkomen
-tusschen den weekhartigen Hrodgar en den roemzuchtigen Beowulf,
-den man van het Noorden met daden in de vuisten. Daarom kan ik mij
-niet met Ettmller vereenigen, die 1412-15 uitwerpt, als zijnde te
-zeer zinspreukig.
-
-[275] 1433 d'ontzielden man: Aschere.
-
-[276] 1435 der eedlen telg: Hrodgar.
-
-[277] 1439 hij: Hrodgar.
-
-[278] 1456 zeilstraat: Zee.
-
-[279] 1460-1469a Mllenhoff breekt zoo maar klakkeloos den staf over
-deze regels. Hij vindt ze doelloos, ja onnoozel!
-
-[280] 1482 noch brand: dit woord kan, evenals het Angs. brond, zoowel
-vuur als zwaard beteekenen.
-
-[281] 1489 angstwegen: het krijgspad.
-
-[282] 1492 de zoon van Ecglaf: Hunferd. Zijne woordenwisseling over
-Brecca's zwemtocht wordt hier in herinnering gebracht.
-
-[283] 1499 met d'andere: Beowulf.
-
-[284] 1504 der vromen: in de oude beteekenis van dapper.
-
-[285] 1506 voor mij: in stede van mij.
-
-[286] 1516-18 Laat mij (nl. Beowulf) het zwaard hebben. Hunferd had
-immers Hrunting aan Beowulf geleend. Vgl. v. 1483.
-
-[287] 1521 Weder-Gooten: Weders, Gooten.
-
-[288] 1523 Vgl. v. 1392 vlg.
-
-[289] 1525-28 Grendels moeder werd gewaar, dat iemand in het meer
-was gedoken.
-
-[290] 1532 dat: zoodat.
-
-[291] 1525-40 Mllenhoff strijkt deze verzen, omdat niet gezegd
-wordt, hoe Beowulf uit de klauwen van het monster is losgekomen,
-hetgeen nochtans met het oog op v. 1547b vlg. moet verondersteld
-worden. Het valt nochtans te betwijfelen of het afwezig zijn van eene
-omstandigheid, welke men gemakkelijk uit den samenhang kan opmaken,
-tegen een grooter bezwaar nl. het wegcijferen van de heele plaats,
-kan opwegen.
-
-[292] 1544-45 De open haardstede, die, volgens Oud-Germaansche
-gewoonte, zich in het midden van het vertrek bevond. Ook hingen er,
-zooals het gebruik was, wapens aan den wand. Vgl. 1588.
-
-[293] 1547 slagzwaard: Hrunting.
-
-[294] de vreemde: Beowulf.
-
-[295] 1551 strijdstraal: zwaard.
-
-[296] 1560 't gebloemde zwaard: gedamasceerd.
-
-[297] 1573 de moegezwoegde: het monster.
-
-[298] 1587 hij: Beowulf.
-
-De kamp met het meerwijf is verwant met de IJslandsche Grettissaga
-en met de Noordsche sage van Ormr Storolfsson. Bugge.
-
-[299] 1585-87 Inlassching.
-
-God verleende aan Beowulf zijne hulp door dezes blik te doen vallen
-op het reuzenzwaard aan den wand, zooals volgt. Vgl. 1692 vlg.
-
-[300] 1592 een ander krijger: dan Beowulf.
-
-[301] 1594 hij: Beowulf.
-
-Wat levendigheid van schildering aangaat en wisseling van krijgskans,
-die de spanning voortdurend gaande houdt, overtreft deze beschrijving
-die van den kamp met Grendel en mag als een waardig tegenhanger naast
-het gevecht met den draak gelegd worden.
-
-[302] 1602 Het reuzenzwaard begint gloeiend te worden en zal daarna
-wegsmelten. Vgl. v. 1638.
-
-[303] 1605-23a Mllenhoff kan zich niet vereenigen met Beowulfs inval,
-om aan Grendels lijk het hoofd af te slaan. Dat een bloedstroom uit
-het lijk ontspringt vindt hij bedenkelijk; volgens hem is het bloedig
-worden van het water een gevolg van den slag, waardoor Beowulf Grendels
-moeder doodt.
-
-[304] 1632 het negende uur: drie uur 's namiddags.
-
-[305] 1634 schatvriend: vriend, die schatten uitdeelt; Hrodgar.
-
-[306] 1635 de vreemden: de Gooten.
-
-[307] 1638 Later (1645 vlg.) wordt nog eens hierop
-teruggekomen. Vandaar dat Mllenhoff 1638-43a verwerpt.
-
-[308] 1645-46 Buiten Grendels hoofd en het gevest van het reuzenzwaard
-moet Beowulf ook Hrunting meegenomen hebben, immers hij geeft het
-geleende aan Hunferd terug. Vgl. 1848.
-
-[309] 1673 de veertien: Van de vijftien Gooten (v. 211) was er n,
-nl. Hondsci door Grendel gedood.
-
-[310] 1674 mederf: Heorots onmiddellijke omgeving.
-
-[311] 1681 vreeslijk: betrekt zich op Grendels hoofd.
-
-[312] 1697 der woning wachters: Grendels moeder en, ofschoon het
-niet uitdrukkelijk gezegd wordt, eenige van de overige watermonsters
-(v. 1538), met inbegrip van het op den oever getrokken gedrocht.
-
-[313] 1711 het grijze wapenhoofd: Hrodgar, 3de naamval.
-
-[314] 1712b-14 Van latere hand, immers eenige regels verder (v. 1717
-vlg.) wordt hetzelfde herhaald.
-
-[315] 1719 Schedeneiland: Schonen, het zuidelijkste deel van Zweden,
-aan Denemarken behoorend, doch in ons epos eene benaming voor het
-Deensche rijk in het algemeen. Socin.
-
-[316] 1721 voorkamps: kamp uit den voortijd.
-
-[317] 1721-26 Ingeschoven toespeling op de giganten en op den
-zondvloed.
-
-Onmiddellijk hierop wordt gezegd, dat de naam van den eersten bezitter
-op het zwaardgevest stond ingegrift.
-
-Eene blijkbare tegenspraak.
-
-[318] 1728 runen: schrijfteekens der oude Germanen. Het runenschrift,
-waarin verscheidene opschriften tot ons zijn gekomen, werd in de eerste
-eeuwen onzer jaartelling aan het latere Latijnsche alphabet ontleend.
-
-[319] 1730 adorned with figures of snakes interlaced, a favourite
-and universal ornament among the Scandinavian nations. Thorpe.
-
-[320] 1731 toen nam het woord: neemt den na v. 1720 afgebroken draad
-van het verhaal weer op.
-
-[321] 1735 beter: dan ik.
-
-[322] 1740 Vgl. v. 961.
-
-[323] 1742 Tweede herinnering aan Heremod; tegenstelling tusschen
-hem en Beowulf.
-
-[324] 1747 tot hij eenzaam scheidde: hij verliet, hetzij vrijwillig
-of gedwongen, zijne Denen.
-
-Volgens Bugge beteekenen deze regels, dat hij stierf in de eenzaamheid
-en verlatenheid.
-
-[325] 1753 hij deelde geene ringen: volgens de Germaansche opvatting
-een blijk van een slecht vorst.
-
-Heremod is het afschrikkend voorbeeld van den dwingeland.
-
-[326] 1755-56 Bugge verklaart: na zijnen dood werd hij in de hel
-gestraft.
-
-[327] 1767 hij: God.
-
-[328] 1768 hij zelf: de man van hoogen huize, de koning.
-
-[329] 1776 de hoeder: het geweten.
-
-[330] 1778 de moorder: de bekoring.
-
-[331] 1781 helmbeschutsel: ofschoon hij zich tegen het kwaad wil
-verzetten.
-
-Mllenhoff oppert de meening, dat de nadichter den brief aan de
-Ephesirs voor oogen heeft gehad: In omnibus sumentes scutum fidei,
-in quo possitis omnia tela nequissimi ignea extinguere. Eph. 6, 16.
-
-[332] 1783 des boozen geestes: de bekoring.
-
-[333] 1785 uit praalzin: hij schenkt geene gouden ringen meer, zooals
-hij eerst uit praalzin deed.
-
-Dit is een Germaansche trek, welke onder deze christelijke denkbeelden
-ingeslopen is.
-
-[334] 1787-88 Hij verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door
-hoogmoed verblind is. 't Is het oude thema: quos perdere vult Jupiter,
-dementat.
-
-[335] 1796 eeuwigdurend welzijn: het eeuwig heil.
-
-[336] 1803b-4 door de tooverkunsten van het kwade oog.
-
-[337] 1732b-1805 Mllenhoff schrijft deze verzen aan den interpolator
-B toe, die zijne bedrevenheid in de Godgeleerdheid en zijne kennis der
-sagen pleegt ten toon te spreiden. Het eerste gedeelte der toespraak
-(1732-1805) is eene preek in den mond van den heidenschen Hrodgar;
-het tweede gedeelte integendeel, dat met v. 1806 begint, is geheel
-en al in overeenstemming met het verhaal.
-
-[338] 1812-13 Te veel voorspoed haalt onspoed binnen; zoo dachten de
-oude Grieken er ook over.
-
-Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in hunne jeugd geene
-verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later boven alle anderen
-onderscheiden.
-
-Dit was het geval met Scyld (v. 6 vlg.) en vooral met Beowulf. (v. 2241
-vlg.)
-
-Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die later door
-bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het Noorden den
-eigenaardigen naam van kolenbijters (kolbitar), omdat zij den ganschen
-dag bij het vuur in de asch zaten gedoken.
-
-[339] 1819 het hoofd: van Grendel.
-
-[340] 1825 zijn zetel zoeken: op den tegenovergestelden bankvloer.
-
-[341] 1837 de zeelin: de Gooten.
-
-[342] 1841 de donkre raaf: speelt eene groote rol in de Germaansche
-wereld; wij zien hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door
-twee raven vergezeld: Hugin (gedachte) en Munin (herinnering).
-
-[343] 1849 Ecglafs zoon: Hunferd.
-
-[344] 1853 't was een moedig strijder: nl. Beowulf.
-
-Volgens Mllenhoff is hier Hunferd gemeend; doch waar blijven
-dan de afkeurende woorden van vroeger: hier ging zijn roem te
-loor? Vgl. v. 1498.
-
-[345] 1855 de heerscher: Beowulf.
-
-Mllenhoff werpt 1848-53 uit, omdat bij Beowulfs terugkeer
-uit de diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard
-medebracht. Vgl. 1645 vlg.
-
-Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij Beowulfs kamp op den
-bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te strenge methode
-gewezen.
-
-[346] 1861 Ofschoon eene waarlijk vorstelijke gastvrijheid bij de
-Germanen heerschte, zoo was het nochtans minder welvoeglijk, indien
-men meer dan drie nachten op dezelfde plaats vertoefde.
-
-Dit verklaart Beowulfs onmiddellijk vertrek, nadat hij zich van zijne
-taak gekweten heeft.
-
-Den eersten nacht na zijne aankomst verslaat hij Grendel in Heorot;
-den tweeden nacht brengt hij door in een ander verblijf dan Heorot,
-hoogstwaarschijnlijk in den burcht, terwijl Grendels moeder in de
-troonzaal binnendringt; den derden dag doodt hij haar op den bodem
-van het meer, waarna hij alweer ongestoord mag slapen.
-
-Den vierden dag heeft eindelijk het vertrek plaats, zoodat hij, de
-twee etmalen er bijgerekend, welke de heen- en terugreis vorderde,
-op den 6den dag na zijn vertrek bij Hygelac terugkomt.
-
-[347] 1869 de haatgezinden: Grendel en diens moeder.
-
-[348] 1875 wapenhout: de lans.
-
-[349] 1880-81 Tacitus Germ. 14. plerique nobilium adulescentium petunt
-ultra eas nationes, quae tum bellum aliquod gerunt, quia et ingrata
-genti quies et facilius inter ancipitia clarescunt.
-
-In plaats van thuis te blijven, zal Hredric dus beter doen, zoo hij, in
-den aard der schildknapen in de middeleeuwen, zich bij Hygelac in den
-wapenhandel komt bekwamen. Ook Beowulf had zijne jeugd doorgebracht bij
-Hredel. Zich roem in den vreemde verwerven, behoorde tot de opvoeding
-der Scandinavische jongelingen.
-
-[350] 1885 op die jonge jaren: Dat Beowulf niet meer piepjong was,
-blijkt uit v. 373 nota. Hrodgar heeft hem misschien zoo geheeten,
-omdat hij aan het verschil tusschen Beowulfs ouderdom en zijnen eigen
-hoogen leeftijd dacht.
-
-[351] 1889 den zoon van Hredel: Hygelac.
-
-[352] 1894-95 Wij zullen later zien, dat zulks zijn wensch niet was.
-
-[353] 1904 duikelaarsbad: de zee, het bad der duikereend.
-
-[354] 1901b-4 Gaudent praecipue finitimarum gentium donis. Tacitus
-Germ. 15.
-
-[355] 1919 Hrodgar hoopte, dat Beowulf frisch en gezond zijn land
-zou bereiken, en daarna spoedig terugkeeren. Vgl. 1912-14.
-
-Wat dit laatste betreft, koesterde hij nochtans slechts eene flauwe
-hoop.
-
-[356] 1920 bij de toespraak: in de volksvergadering.
-
-[357] 1924-25 in het geheim
-
-[358] 1926 ondanks het bloed: Ofschoon Beowulf niet tot zijne familie
-behoorde, beminde Hrodgar hem meer dan zijne eigen kinderen.
-
-[359] 1935 der dappren stoet: de Gooten
-
-[360] 1941-42 Hun terugkeer naar het land der Gooten zou den
-landgenooten aldaar welkom wezen.
-
-De wensch des kustwachters (v. 299 vlg.) had zich dus bewaarheid.
-
-[361] 1946 den hoeder: Vgl. v. 294 vlg.
-
-[362] 1976 Hygd: Hygelacs gemalin, Hreds dochter.
-
-[363] 1981 Thrydho: gemalin van Offa en bekend om hare wreedheid. De
-zachte, vrouwelijke aard van Hygd wordt in het licht gesteld door
-tegenstelling met het fier, wildjonkvrouwelijk karakter van Thrydho,
-dat ons aan de noordsche Walkuren en aan Brunhilde herinnert.
-
-[364] 1986-90 Zij liet den vermetele in boeien klinken en daarna ter
-dood brengen.
-
-[365] 1993 de vredeweefster: zoo heet de koningsgade, welke dikwijls
-uitgehuwelijkt werd, om den vrede tusschen twee vijandelijke stammen
-te stichten. Men herinnere zich Hildburg en Fin en vergelijke vooral
-Freoware en Ingeld v. 2078 vlg. Over het algemeen hadden de noordsche
-volken zeer kalme en beredeneerde beschouwingen bij het sluiten van
-een huwelijk.
-
-[366] 1595 Hemings bloedmaag: Offa, koning der oude Angelen.
-
-Hij maakte een einde aan Thrydho's wreedheid, door haar andere
-gevoelens in te boezemen, als volgt.
-
-Deze Offa der sage, die in de vroegere verblijfplaats der Angelen
-heerschte, wordt ook in Widsidh vermeld. Volgens dit gedicht lag zijn
-rijk in Sleeswijk.
-
-Ons epos heet zijne schoone echtgenoote Thrydho, dat kracht, zooveel
-als virago beteekent en nog in ons Geertruid, de speerkrachtige,
-voortleeft.
-
-Verder wordt gezegd, dat zij eene hardvochtige vrouw was. Geen man,
-uitgenomen haren echtgenoot, mocht de oogen naar haar opslaan, of
-hij werd aanstonds geboeid en daarna gedood.
-
-Nadat zij op raad van haren vader de zee was overgestoken en in
-Offa, den koning der Angelen, eenen waarden echtgenoot had gevonden,
-veranderde haar inborst en werd zij eene voortreffelijke koningin en
-liefhebbende gade.
-
-Deze lezing is, volgens Mllenhoff, de oudste vorm der sage, terwijl
-in latere bewerkingen haar oorspronkelijk wild karakter weer bovenkomt.
-
-Buiten dezen Offa der sage, is er ook een geschiedkundige Offa, koning
-van Merci, gestorven in 796. Zijne echtgenoote heette Cynethrydh
-d. i. virago regia, en in het Vita Offae II Drida (Thrydho) of na
-haar huwelijk Quendrida d. i. koningin Drida.
-
-In dit Vita Offae I en II uit de 13de eeuw werden, wegens de dubbele
-overeenkomst van naam, op deze laatste al de wreedheden van de gemalin
-des eersten Offa's overgebracht; een bewijs dat de sage van Offa bij
-de Angelsaksen zeer verbreid was. Suchier toont aan, dat zij zich
-ook bij de Kelten en Romanen voortplantte.
-
-Mllenhoff schrijft de heele Thrydho-Offaepisode aan den interpolator
-B toe.
-
-[367] 1996 zeiden zij iets anders: De krijgers, welke bij de
-drinkgelagen oude sagen plegen op te halen, verhaalden iets anders
-over de gehuwde Thrydho.
-
-[368] 1997 geringer gruwlen: in 't geheel geene
-gruwelen. (litotes.) Cosijn.
-
-[369] 2000 Offa's halle: in het oude Angli.
-
-[370] 2005 den heldenvorst: Offa.
-
-[371] 2011-12 Deze drie eigennamen komen maar eens voor; het zijn
-helden van de Angelsaksische volksoverlevering.
-
-[372] 2013 de held: Beowulf. Zij begeven zich naar Hygelacs
-woning. Vgl. v. 1971 vlg.
-
-[373] 2016 vanuit het Zuid: het was middag.
-
-[374] 2019 Verwinnaar Ongentheows: het was niet Hygelac, maar Eofor,
-een zijner mannen, die den koning der Zweden doodde, doch de vorst
-vertegenwoordigt zijne onderhoorigen.
-
-[375] 2027 daar zat hij nu: Beowulf; hij zat, als voornaamste gast,
-op den tegenovergestelden bankvloer.
-
-[376] 2029 de mannenkoning: Hygelac.
-
-[377] 2032 Hareds dochter: Hygd.
-
-[378] 2037 Hij werd gefolterd door nieuwsgierigheid, om te weten enz.
-
-[379] 2059 op gindschen uchtendgil: ziet terug op het machtig
-morgenwee (v. 132-33) dat door de Denen werd aangeheven bij het zien
-van het door Grendel aangerichte bloedbad.
-
-Als nog eenig monster leeft, dan hoeft het niet te pochen op Grendels
-daden.
-
-[380] 2067: vreeverwante: Wealhtheow, Hrodgars gemalin; het woord
-beteekent hetzelfde als vredeweefster.
-
-[381] 2072 Vroeger is van Freaware geen sprake geweest.
-
-[382] 2077 Froda: vorst der Headobarden en Ingelds vader.
-
-[383] 2078 Schyldingsvriend: Hrodgar
-
-[384] 2080-81 Vandaar de naam vredeweefster, vreeverwante.
-
-Men houde in het oog, dat Beowulf hier toekomstige gebeurtenissen
-voorspelt; Freaware heeft hij alleen als verloofde (v. 2077) gekend.
-
-De episode der Headobarden komt hierop neer:
-
-Froda, de vorst der Headobarden, heeft het onderspit gedolven in het
-gevecht met de Denen en is er gesneuveld. Ten einde de twee volken
-met elkander te verzoenen, schenkt Hrodgar de hand zijner dochter
-Freaware aan den jeugdigen Headobardenkoning Ingeld, zoon van Froda.
-
-Onder Freawares dienaars bevindt zich de zoon van den Deen, welke Froda
-gedood heeft. Terwijl hij bedient in de koningshal, pronkt hij met den
-door zijnen vader buitgemaakten krijgstooi van Froda, onder anderen met
-het zwaard. Dit ziet slechts noode een oud krijger der Headobarden,
-die alle gevechten heeft meegemaakt. Hij wijst er Ingeld op en zet
-hem door zijne verontwaardigde taal langzamerhand tot wraakneming
-aan. De jonge, praalzieke Deen wordt gedood; de moordenaar ontvlucht
-en de strijd tusschen Denen en Headobarden is weer losgebroken. Men
-vergete niet dat, volgens de Oudgermaansche denkbeelden, het voor
-den zoon een heilige plicht was zijnen vader te wreken.
-
-[385] 2085 den heer der Headobarden: Ingeld.
-
-[386] 2087 met zijne gade: Freaware, Hrodgars dochter; de zaal
-is Heorot.
-
-[387] 2088-89 Een der edelen was belast met het bier in te
-schenken. Vgl. v. 501.
-
-[388] 2090 des vaders heertuig: de kamptooi van Froda, Ingelds vader.
-
-[389] 2096 een grijze lansheld; een krijgsman der Headobarden; zijn
-naam wordt niet vermeld evenmin als die van Froda's dooder en den
-Deenschen hofjonker.
-
-[390] 2099 des jongen krijgerkonings: Ingeld.
-
-[391] 2115 de dienaar van de vrouwe: de jonge Deen, welke aan Freaware
-tot hofjonker werd gegeven.
-
-[392] 2116 de tweede: de moordenaar van den jongen Deen.
-
-Zou het misschien de grijze lansheld zijn geweest?
-
-[393] 2119-20 De zucht om zijnen vader en zijn volk te wreken legt
-het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne Deensche gade.
-
-Voorwaar een echt dramatische toestand!
-
-[394] 2121b-23 Dat Beowulfs voorspelling zich bewaarheid heeft,
-hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling gezien. Hoe deze strijd
-afgeloopen is, weten wij buitendien uit Widsidh, waar gezegd wordt,
-dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf in Heorot verslagen werden.
-
-Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben over den krijg met de
-Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig.
-
-Immers Mllenhoff toont ons een overeenkomstig verhaal bij den
-Deenschen schrijver Saxo Grammaticus omtrent Frotho, den vader van
-Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche vertaling mede van twee
-liederen uit de 10de eeuw, die in hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen
-van eenen ouden strijder, Starcatherus geheeten, die Ingellus tot
-wraak aanzet.
-
-Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan van het volksepos uit
-afzonderlijke epische liederen.
-
-Mllenhoff schrijft de Headobarden-episode (v. 2085-2120a) aan
-inlasscher B toe.
-
-Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden, maar een volk, dat
-tot de Herulers behoorde.
-
-Het zijn de bewoners van Seeland, die op het einde der 5de of in 't
-begin der 6de eeuw door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes
-bericht, dat de Denen van uit Scandinavi (Schonen) afzakkende de
-Herulers uit hun land verdreven.
-
-Mllenhoff veronderstelt diensvolgens, dat beide volken een tijdlang
-hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als zelfstandig koning naast
-Hrodgar kan optreden.
-
-Ons epos herinnert hier dus een feit van overwegend belang, nl. de
-grondvesting van het Deensche rijk. Much neemt deze verklaring aan.
-
-[395] 2127 't juweel der transen: de zon.
-
-[396] 2131 Hondsci Vgl. 756, 1067.
-
-[397] 2140 een handschoen: eene nieuwe bijzonderheid.
-
-[398] 2150 uw volk: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen,
-zij kenden geen volk of natie in de tegenwoordige beteekenis van het
-woord. Het eenige verband tusschen verschillende stammen was alleen
-van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen.
-
-[399] 2162-66 Mllenhoff zet deze verzen op rekening van den
-nadichter. Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat
-verwondering baren, vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar
-zijn zanger de Finn-episode voordroeg.
-
-[400] 2167-70 Deze weemoedige stemming bij het terugdenken
-aan de vroegere heldenkracht is een kenmerkende trek van het
-gedicht. Vgl. v. 1934.
-
-[401] 2172 den ganschen dag: diem noctemque continuare potando nulli
-probrum. Tacitus, Germ. 22.
-
-[402] 2206-7 Nu dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden
-koning meer.
-
-[403] 2208 tenzij U, Hyglac: Als eene halve eeuw later Beowulf zal
-sterven, blijft nog alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings,
-waartoe Beowulf behoort. Vgl. v. 2910 vlg.
-
-[404] 2210 de hoofdbanier: voornaamste banier; zij was bekroond met
-een everkop.
-
-De geschenken, welke hier aan Hygelac worden aangeboden, zijn dezelfde,
-welke aan Beowulf v. 1034-54 door Hrodgar werden gegeven.
-
-[405] 2216 Heorogar: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood
-was. Vgl. v. 471.
-
-[406] 2221 op 't voetspoor: onmiddellijk hierop.
-
-[407] 2229 den halsring: Wij hebben gezien, hoe later dit
-prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der Franken
-geraakte. Vgl. v. 1222 vlg.
-
-Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan hebben.
-
-[408] 2236-40 Toespeling op Heremod.
-
-[409] 2234-47a Mllenhoff beschouwt deze verzen, welke den gang van
-het verhaal stremmen, als een invoegsel, vooral met het oog op de
-hem hier toegeschreven onmannelijke jeugd.
-
-Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd met Brecca, dien hij als
-knaap ondernam, en van zijne eigen woorden Menig roemvol waagstuk
-bestond ik in mijn jeugd v. 409?
-
-[410] 2252 een landmaat: volgens Bugge de hid d. i. een halve
-vierkante meter.
-
-[411] 2256 den tweede: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op
-en had dus meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts
-de neef was.
-
-[412] 2258 Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos; de kamp
-met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte uitmaakt,
-heeft ten minste eene halve eeuw later plaats, daar Beowulf reeds
-vijftig jaar over de Gooten heerscht.
-
-Volgens Mllenhoff zijn de verzen 2258-2465 het werk van B, om de
-twee deelen aan elkaar te verbinden.
-
-[413] bij de strijdonstuimen: bij de Gooten.
-
-[414] 2260 Heardred: de zoon van Hygelac, 3de naamval.
-
-[415] 2261 de Schilfings: Zweden, het zijn hier de zonen van Ochter,
-den koning der Zweden.
-
-Men verwarre niet de Schilfings (Zweden) met de Schyldings (Denen).
-
-[416] 2263 zijn zegevolk: de Gooten.
-
-[417] 2264 Den neef van Hererik: Heardred; deze naam komt maar
-eens voor.
-
-De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn zoon Heardred, die
-hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen inval, welken
-de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom Beowulf den
-troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg met de Zweden;
-er wordt nog driemaal XXXIII, XXXV, XL-XLI op teruggekomen.
-
-In XXXIII worden nadere bijzonderheden gegeven over hetgeen hier
-slechts ter loops is aangestipt.
-
-[418] 2266 wel vijftig winters: Beowulf was dus meer dan honderd jaar
-oud toen hij stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij
-Grendel doodde (Vgl. v. 373 nota) en het was slechts in later dagen,
-(v. 2259) dat hij den troon beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen
-ouderdom op 120 jaar aanslaan.
-
-[419] 2273 des heidens: de eenzame edelman. Vgl. v. 2338.
-
-[420] 2274-78 vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige
-letters na is verloren gegaan.
-
-[421] 2279-80a Vertaald naar Bugges gissing.
-
-[422] 2280 wien het zeer zou schaden: de dief, immers hij moet later
-zijns ondanks den weg naar het drakenhol toonen. Of hij eene andere
-straf onderging, wordt niet vermeld.
-
-[423] 2285-86a bij het zien van den slapenden draak.
-
-[424] 2287 op zoek naar eenen ingang: naar een
-toevluchtsoord. Vgl. v. 2283.
-
-[425] 2284-88 Vertaald naar Bugges verbetering van den geheel en al
-verminkten tekst.
-
-[426] 2297-98 Hij wenschte zijnen stervensdag uit te stellen, om nog
-lang de schatten te kunnen genieten.
-
-[427] 2308 ontvingen dit van u: het goud, dat uit den grond wordt
-opgedolven, hetzij uit mijnen, hetzij uit grafsteden.
-
-[428] 2311 't heil des hemels: Angs, sele-drem; het kan ook beteekenen
-het zaalgejubel, en moet dan verstaan worden van de luidruchtige
-drinkgelagen.
-
-[429] 2324 gezellig hout: de harp.
-
-[430] 2328 In de klacht van dezen eenzamen edelling vertoont zich
-reeds dat weemoedige waas, dat, als een herfstnevel, aan de Engelsche
-en Duitsche letteren die droomerige, hoogst dichterlijke tint bijzet.
-
-Nochtans vraag ik me af, of de oude Engelschen zich door hunne weekheid
-van gemoed kenmerkten, zooals Heinzel, ten Brink en anderen beweren.
-
-Wij zien dit wel is waar bij Hrodgar, doch hier zijn bijzondere
-redenen toe.
-
-Mij dunkt, dat de levensopvatting eerder blijmoedig mag heeten;
-ten bewijze de lustige feestmalen en de omschrijvingen voor sterven,
-als de volgende:
-
-
- en luttel
- genoot hij nog de vreugde van het daarzijn 2152.
-
- nu 's legers leidsman
- 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. 3127.
-
-
-Bugge verklaart den elegischen toon, die op sommige plaatsen
-onmiskenbaar is, door Keltischen invloed.
-
-[431] 2334 bergen: grafheuvels, waar schatten in verborgen zijn.
-
-[432] 2339 niet beter zal 't hem wezen: vingerwijzing op de
-ontknooping.
-
-[433] 2342 gene man: de dief.
-
-[434] 2343 bij zijn meester, Beowulf. Vgl. v. 2473. De heldenzoon
-(v. 2282) wiens slagen de arme ontvlucht, moet iemand anders
-zijn. Mllenhoff.
-
-[435] 2353-54 Christelijke beschouwing. Hiervolgens moet door geheime
-hulp (v. 2351) geen toovermacht, maar Gods bijstand verstaan worden.
-
-[436] 2361 De draak verheugde zich bij voorbaat in de verwoestingen,
-die hij zou aanrichten.
-
-[437] 2363 Hij bemerkte dit reeds voor den derden keer (2350, 2355).
-
-[438] 2374 schattenplenger: Beowulf.
-
-[439] 2376 heerenhoven: Beowulfs hof, de volksburg van v. 2399.
-
-De draak maakte Beowulf aansprakelijk voor den diefstal, want volgens
-de Germaansche rechtsbegrippen was de meester verantwoordelijk voor
-de daden van zijnen slaaf.
-
-Het koningshof was niets anders dan eene groote hoeve.
-
-Zulke hoeve bestond in 't Noorden uit minstens drie of vier woonhuizen,
-buiten bijgebouwen en stallen.
-
-De hoeve vormde een op zich zelf staand geheel, dat in zijne eigen
-behoeften moest voorzien.
-
-Vandaar dat elk van de vrij talrijke bewoners zijnen bepaalden
-werkkring had. Vgl. v. 2317 waar van de wapensmeden gesproken wordt.
-
-[440] 2388 op strijd en wand: op zijnen moed en op de rotswanden van
-den grafheuvel.
-
-[441] 2392 giftgestoelte: koningshalle.
-
-[442] 2392b-98 Christelijke overweging.
-
-[443] 2399 Het verblijf der Gootische koningen bevond zich dicht bij
-zee. Vgl. v. 1971 vlg.
-
-[444] 2409 lang: 300 jaar. Vgl. v. 2340.
-
-[445] 2413 Hij vreesde niet de kampvaardigheid van den draak, maar
-wel zijnen vuurgloed.
-
-[446] 2420 Hier wordt voor den tweeden keer de krijg met de Franken
-of Friezen vermeld. Vgl. XIX, XXXIII, XXXV, XL.
-
-[447] 2427 Hij had ja de kracht van dertig man. Vgl. v. 377 vlg.
-
-[448] 2428 de Franken: de tekst heeft Hetwaren.
-
-[449] 2430 die hem aanvielen.
-
-[450] 2432 van den kampheld: uit Beowulfs handen.
-
-[451] 2433-34 Beowulf legde dus den afstand van den Benedenrijn tot
-Jutland al zwemmende af.
-
-[452] 2437 haren zoon: Heardred.
-
-[453] 2440 verlatenen: de koningslooze Gooten.
-
-[454] 2444-46 Tijdens de minderjarigheid van Heardred oefende Beowulf
-de voogdijschap uit.
-
-[455] 2447 hem: Heardred.
-
-[456] 2448 de zonen Ochters: Enmund en Edgils.
-
-[457] 2449 Schilfingheer: Onela, hun oom, vorst der Zweden. Daar hij
-ouder was dan zijn broeder Ochter, beklom hij den troon na den dood
-van Ongentheow.
-
-[458] 2453 voor zijn onthaal: Heardred werd door Onela aangevallen,
-omdat hij de twee vluchtelingen had opgenomen.
-
-[459] 2455-56 Onela keerde na Heardreds dood naar Zweden terug.
-
-[460] 2458 het volk: over het volk.
-
-[461] een beste koning: Onela. Vgl. v. 2450.
-
-[462] 2459 des vorsten: Heardred.
-
-[463] 2460 hij: Beowulf.
-
-[464] 2464 die: Ochters afkomst, Edgils.
-
-[465] 2465 rijksheer: Onela.
-
-Hier wordt voor den tweeden keer (Vgl. v. 2257 vlg.) van den oorlog met
-de Zweden gesproken. Gooten en Zweden leefden na den dood van Hredel
-(vgl. v. 2543) op gespannen voet. Dit verklaart waarom de Gootenvorst,
-Heardred, eene schuilplaats schonk aan de Zweedsche ballingen Enmund
-en Edgils, die tegen hunnen oom Onela, opvolger van Ongentheow,
-waren opgestaan.
-
-De gastvrijheid aan zijne neven geschonken was Onela een doorn in het
-oog; hij deed eenen inval in het land der Gooten en doodde Heardred.
-
-Door Heardreds dood stond de troon voor Beowulf open. Onela verzette
-zich niet tegen Beowulfs troonsbestijging en trok naar Zweden terug.
-
-Later wilde Beowulf den dood van Heardred op Onela wreken en
-ondersteunde te dien einde den banneling Edgils in zijnen krijg met
-den Zwedenkoning.
-
-Edgils doodde Onela en nam alzoo wraak over zijne ballingschap.
-
-[466] 2466 Met dit vers laat Mllenhoff het oorspronkelijke lied
-beginnen, mits verandering van alzoo in voorwaar.
-
-[467] 2473 ontdekkers: de dief van de kostbare vaas.
-
-[468] 2504 den oudsten: Herebald.
-
-[469] 2507 vriend en meerdre: Angs frewine d. i. heer en vriend,
-Herebald was ja de oudste.
-
-[470] 2510 onverzoenbaar: Hredel kon geen weergeld vorderen, want
-dan moest hij het aan zich zelf betalen, noch den bewerker van den
-manslag dooden, want dan verloor hij twee zonen.
-
-[471] 2512 voor het gemoed: van Hredel.
-
-[472] 2515 zijn zoon: Hadcyn.
-
-[473] 2516 weemoedig lied: het gebruikelijke rouwlied.
-
-[474] 2521 vroegstgeboren: Herebald.
-
-[475] 2522 een ander erfbewaarder: Waar blijft dan Hygelac, de
-jongste zoon?
-
-[476] 2525 des zoons: Herebald.
-
-Mllenhoff neemt niet aan dass der junge, noch nicht dem
-knabenalter entwachsene Herebeald, der sich noch mit seinem bruder im
-bogenschiessen bte, schon in einem eignen hause hof gehalten habe.
-Maar waar staat het vermeld, dat Herebeald nog niet de kinderschoenen
-ontwassen is?
-
-Of kan zich geen volwassene in het boogschieten oefenen?
-
-[477] 2530 een rouwlied: de dichtkunst werd dikwijls als het beste
-middel beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te
-verlichten.
-
-[478] 2531 de eene om den eene: Hredel om Herebald.
-
-[479] 2532 te ruim: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet
-blijven, verbergt hij zich in de engste schuilhoeken.
-
-[480] 2537 al was hem die niet dierbaar: hij beminde Hadcyn niet meer.
-
-[481] 2540 den zonen: Hadcyn en Hygelac.
-
-[482] 2546 kroost van Ongentheow: Onela en Ochter.
-
-[483] 2549 bij Hreosnaberg: voorgebergte in 't land der Gooten;
-volgens Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige benaming.
-
-[484] 2550 mijn verwante vrienden: de neven, Hadcyn en Hygelac.
-
-[485] 2556 een maag: Hygelac.
-
-[486] den andren: Hadcyn.
-
-De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder Hadcyn op den
-moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de krijgsman van
-Hygelac, Ongentheow doodde.
-
-Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne mannen, zooals wij meer
-dan eens gezien hebben.
-
-[487] 2558 de grijze Schilfing: Ongentheow.
-
-[488] 2560 de hand: van Eofor.
-
-In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal van den oorlog met de
-Zweden na Hredels dood. In XLI, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde
-geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden behandeld.
-
-[489] 2566 de Gifden: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd.
-
-[490] 2568 een zwakker kampgezel: dan ik, Beowulf.
-
-[491] 2574 der Hugen: een Frankische stam; Ettmller ziet er de
-Chauci in.
-
-Hier wordt voor den derden keer op de Franken of Friezen gewezen.
-
-[492] 2575-76 Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs
-dooder, gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen
-krijgsroof aan den Friezenkoning te brengen.
-
-[493] 2495-2581 Voor Mllenhoff is heel deze plaats later bijgevoegd.
-
-[494] 2582-86 Ettmller strijkt deze verzen, daar zij slechts herhalen
-wat Beowulf boven (2495-96) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf
-hier niet voor het laatste, zooals aanstonds zal blijken.
-
-Ettmller ziet er het bewijs in, dat ons gedicht uit afzonderlijke
-liederen is samengesteld geworden, een stelsel dat B. Ten Brink later
-heeft uitgebreid.
-
-[495] 2592 mijn kampwoord: Vgl. v. 2580 vlg.
-
-[496] 2600 Heidendom en Christendom.
-
-[497] 2615 op de sterkte van een enkle: op zijne eigen sterkte.
-
-[498] 2623 bij den buit: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn.
-
-[499] 2628 In zijnen toorn vergeet hij, dat hij van alle
-uitdagingswoorden wilde afzien. Vgl. v. 2601 vlg.
-
-[500] 2647-49 Het opzettelijk tot dit gevecht vervaardigde stalen
-schild verleende hem geene voldoende bescherming.
-
-Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v. 2759 vlg.
-
-[501] 2650-52 Hij zou voor het eerst vreemde hulp noodig hebben,
-hetgeen hen nog nooit overkomen was.
-
-Anders Socin: er muste zum ersten Male den Feind im Schwertkampfe
-angreifen, in dem ihm das Geschick den Sieg versagte. Vgl. in
-voce mtan.
-
-Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke wapen, eerst Hrunting
-en later het reuzenzwaard, had aangetast!
-
-[502] 2656 minder hevig beet het: het drong in 't geheel niet
-door. (litotes.) Dit wordt 2663 nog eens herhaald. Later zullen we
-zien, dat Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. 2765.
-
-[503] 2666 Zijne stelling: het terrein vr de schatkamer. Beowulf
-had zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. 2633.
-
-[504] 2667 Naar elders: hij moest sterven.
-
-[505] 2674 die eerst het volk bestuurde: Beowulf.
-
-Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten was; immers zijne
-makkers sloegen op de vlucht.
-
-[506] 2679-80. Bij een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds
-tot zwijgen brengen.
-
-[507] 2682 een vorst der Schilfings: der Zweden.
-
-Mllenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang bij de Zweden had geleefd
-en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot de Gooten overging, toen
-Beowulf, die inmiddels koning was geworden, hem het oude erfgoed der
-Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had laten behouden.
-
-[508] 2687 Waegmundings: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan
-Beowulf ook verwant was.
-
-[509] 2688 volksbezit: bezit en rechten der gezamenlijke krijgsschaar.
-
-Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den dood van Weohstan
-ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan deelgenomen had aan den
-inval van Onela in 't Gootenland en zelfs Enmund had gedood.
-
-[510] 2693 vreugdeloozen zwerver: Enmund en Edgils waren
-bannelingen. Vgl. v. 2447.
-
-[511] 2695 aan diens verwanten: aan Onela, oom van Enmund.
-
-[512] 2698 hem: Weohstan.
-
-[513] 2702 hij: Weohstan.
-
-Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken voorstel:
-
-Weohstan heeft Enmund gedood en geeft zijne spolia, drie in getal,
-aan Onela, den oom des gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan
-terug en verwijt hem zelfs niet den dood van Enmund, den zoon van
-Ochter, zijnen broeder.
-
-Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende vele jaren en schenkt
-ze aan Wiglaf, als deze volwassen is.
-
-Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe hij nochtans verplicht
-was, afgezien van zijne verhouding tot den gedoode. Een blijk van
-edelmoedigheid.
-
-[514] 2708 voor dezen jongen kamper: Wiglaf.
-
-[515] 2715-19. Exigunt enim a principis sui liberalitate..... illam
-cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ. 14.
-
-[516] 2732-34 Ik zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te
-overleven.
-
-[517] 2738-40 Door zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd
-de anderen te hulp kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van
-ons twaalf te sterven.
-
-[518] 2713-42 Mllenhoff beschouwt deze eerste toespraak van Wiglaf als
-onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om eene lange redevoering
-te houden, vooral met het oog op v. 2730-31. Buitendien schijnt
-de dichter vergeten te hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden
-genomen. Vgl. 2675 vlg.
-
-Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak veel overeenkomst heeft
-met de woorden, welke in de Noordsche sage van Hrolf kraki aan Hjalti
-in den mond worden gelegd en welke Saxo in 't Latijn weergeeft.
-
-De zaak is licht verklaarbaar, indien men volgens het stelsel van
-ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten aanneemt.
-
-[519] 2741-43 Wij beiden zullen te zamen strijden.
-
-[520] 2744 strijdhoofd: dichterlijke benaming voor helm.
-
-[521] 2756 Wiglafs schild was van lindenhout. Vgl. v. 2690.
-
-[522] 2778 Hij: Beowulf.
-
-[523] 2786 Wiglaf stak den draak een weinig lager dan het hoofd,
-waarop Beowulf zijn zwaard had stuk geslagen. Vgl. v. 2764.
-
-[524] 2795 naar elders: naar de hel.
-
-[525] 2809 met water: er ontsprong immers eene beek.
-
-[526] 2812 des strijdens moe: bepaalt vriend en heerscher.
-
-[527] 2819-20 na mij bestemd: bestemd om na mij te heerschen.
-
-De grijsheid stond niet zooals bij de Grieken in bijzondere achting
-bij de Germanen; het verval der lichaamskrachten, de verzwakking der
-verstandelijke vermogens wekten eerder hun medelijden dan wel eerbied
-op. Doch des te meer werd hij bewonderd, die ondanks zijne hooge jaren,
-zijne spierkracht onverzwakt behouden had. Dit zien wij bij Ongentheow,
-doch vooral bij Beowulf.
-
-[528] 2827 noch legde menig eed af: in het geheel geen eed. (litotes).
-
-[529] 2835 den sluimer: doodslaap.
-
-[530] 2847 ter zitplaats nl. binnen in de schatkamer.
-
-Wij geven hier eene korte beschrijving van de Scandinavische woning.
-
-Zij vormde een langwerpig vierkant. Het dak werd door vier rijen
-stutten geschraagd. De twee buitenste rijen bevonden zich dicht langs
-de hoofdzijwanden, de twee overige meer naar binnen, op een derde
-der huisbreedte van de eerste verwijderd, zoodat het vertrek in een
-middenschip en twee zijschepen verdeeld was. In het middenvak bevond
-zich de open haard. (Vgl. v. 1544). De twee zijvakken waren geheel
-door eenen planken bodem, bankvloer, (Vgl. v. 491), ingenomen, die
-zich trapsgewijze, gewoonlijk met twee treden, langs den wand verhief
-en die tot zitplaats diende. Van deze twee bankvloeren was de eene,
-rechts van den ingang, de voornaamste.
-
-Juist in het midden van elken bankvloer bevonden zich de twee
-eereplaatsen, waarvan de bovenste, naar blijkt uit ons gedicht,
-de voornaamste was, en die ruim genoeg waren voor verscheiden personen.
-
-Hunferd, die aan de voeten van Hrodgar zat (v. 507), bevond zich dus
-op de onderste eereplaats.
-
-De eerste eereplaats, die van den voornaamsten bankvloer, werd steeds
-door den huisheer ingenomen; de tweede op de tegenovergestelde zijde
-door den voornaamsten gast.
-
-Beowulf was op deze laatste eereplaats gezeten bij zijn bezoek aan
-Hrodgar en aan Hygelac. (Vgl. v. 497, 634 vlg., 1207 vlg., 1820,
-2063, 2027.)
-
-De losse tafels, welke eigenlijk niets anders dan banken moeten
-geweest zijn, werden op den rand des bankvloers geplaatst.
-
-Op dezen bankvloer sliepen de Gooten en Denen, nadat de
-tafels of banken naar den bodem in 't middenvak der zaal waren
-verhuisd. (Vgl. v. 1260, 1303).
-
-[531] 2850 het leger: het goud. Ettmller.
-
-[532] 2852 Ook (zag hij) kruiken staan.
-
-[533] 2856 Toespeling op den diefstal der kostbare vaas.
-
-[534] 2866 de krijger: Wiglaf.
-
-[535] 2871 den schatbeheerscher: den draak, de degen van Wiglaf.
-
-[536] 2877 de bode: Wiglaf.
-
-[537] 2878 door 't goud genoopt: genoopt door 't verlangen om het
-goud aan Beowulf te toonen.
-
-[538] 2896 hier: op aarde.
-
-[539] 2897 beveel den strijdberoemden: beveel aan de Gooten.
-
-[540] 2898 na de houtmijt: na de verbranding van Beowulfs lijk.
-
-[541] 2901 Hrones klip: de Walvischklip. Bugge ziet er eene louter
-dichterlijke benaming in.
-
-[542] 2905 de goudwrong: Buiten de ringen aan arm en vinger, was het
-ook de gewoonte eenen prachtigen gouden of zilveren halsband te dragen.
-
-[543] 2916 het heete strijdgegolf: van de vlammen.
-
-[544] 2917 Christelijke inlassching.
-
-[545] 2924-41 Enkel uit herhalingen samengeflanste plaats.
-
-[546] 2952 en wekte hem met water: trachtte hem met water te wekken.
-
-[547] 2955-57 Inlassching.
-
-God wilde door dit feit nl. Beowulfs dood aan het menschdom toonen,
-dat hij de meester is.
-
-[548] 2962 de schuwbren: de tien lafaards.
-
-[549] 2969 de beste nl. helmen en pantsers.
-
-[550] 2971 verdeed: hij schonk den kamptooi aan onwaardigen, daar
-deze hem in den steek lieten.
-
-[551] 2978 Ofschoon Mllenhoff Wiglafs strafrede alleszins gepast
-vindt, kan hij geenen vrede hebben met de verzen, waar Wiglaf zich
-zelven ophemelt. Indien er eigenlof bestaat, dan mag die volgens
-v. 2980-82 zeer bescheiden heeten.
-
-[552] 2981 hij: de draak.
-
-[553] 2989 landbezit der stammen: gemeenschappelijk bezit. Agri
-pro numero cultorum ab universis in vices occupantur. Tacitus,
-Germ. 26. De Germanen ten tijde van Tacitus bewoonden reeds omheinde
-dorpen. De woning met voorraadskelder en tuin was het eigendom van
-het gezin. Daarenboven had elk dorp een bepaald grondgebied (mark),
-waarvan het bouwland onder al de gemeenteleden verdeeld was, terwijl
-de weiden, bosschen en woeste gronden voor algemeen gebruik bleven.
-
-[554] 2991 vanuit de verte: moet verbonden worden met vernemen.
-
-[555] 2992b-93 Turpe comitatui virtutem principis non adaequare. Iam
-vero infame in omnem vitam ac probrosum superstitem principi suo ex
-acie recessisse. Tacitus, Germ. 14.
-
-[556] 2995 het landgoed: Beowulfs hof.
-
-[557] 3001 die: een bode.
-
-[558] 3011 hij houdt de lijkwacht: Vgl. v. 448 volgens Oudgermaansch
-gebruik.
-
-De oude gebruiken houden vooral bij sterfgevallen stand; zoo bestaat
-deze gewoonte nog in Hollandsch Limburg, waar de buren 's nachts bij
-het lijk blijven waken.
-
-[559] 3016 De oorlog met de Franken of Friezen wordt hier voor de
-vierde maal in herinnering gebracht.
-
-[560] 3024 Merewingers gunst: de koning der Franken. Naklank der
-geschiedenis.
-
-[561] 3028 het Ravenbosch: eene dichterlijke benaming, volgens Bugge.
-
-[562] 3029-30 De Gooten hadden eenen inval gedaan in Zweden.
-
-[563] 3031 hem: Hadcyn, de Goot.
-
-[564] Ochters oude vader: Ongentheow, de Zweed.
-
-[565] 3034 zijn vrouwe: Elan, zooals aangenomen wordt, de dochter
-van den Denenkoning Healfdeen. Vgl. v. 63.
-
-Hadcyn moet haar dus hebben gevangen genomen.
-
-[566] 3042-44 Hij wilde hen in 't gevecht dooden door het zwaard en
-de overgeblevenen ophangen.
-
-Deze verzen gaan mank; Bugge vult aan: Hij zeide, dat hij met den
-morgen door de snede van het zwaard hen wilde dooden, en voor eenigen
-galghouten in het bosch kappen en hen er aan hangen tot vreugde
-der vogels.
-
-[567] 3046 den hopeloozen: den Gooten.
-
-[568] 3052 de stoute: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden.
-
-[569] 3058 het varensvolk: de Gooten.
-
-[570] 3062 hun standaard: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden.
-
-[571] 3063 Zij: de Gooten.
-
-[572] hun: de Zweden.
-
-[573] 3064 Hredels drommen: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen;
-Hredel zelf was immers gestorven.
-
-[574] 3068a dit ziet op de ontknooping.
-
-[575] 3069 hem: Ongentheow.
-
-[576] Wulf: Eofors broeder; beiden zijn Gooten.
-
-[577] 3074 Zoodra de Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar
-Wulf, die hem dezen slag had toegebracht.
-
-[578] 3075 zoon van Wanred: Wulf.
-
-[579] 3084 hun kunstwerk: der reuzen kunstwerk.
-
-[580] 3089 hun: aan de Gooten.
-
-[581] 3090 Eofor beroofde Ongentheow.
-
-Daar de strijd met de Franken en Friezen op verschillende plaatsen
-van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier al die gegevens
-samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht alle verwarring
-te voorkomen.
-
-Oorlog met de Franken of Friezen.
-
-Hygelac had over zee eenen strooptocht in Friesland gedaan; hij
-sneuvelde in den strijd en de Franken maakten zich van zijn kostbaar
-halskleinood meester. XIX.
-
-Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte Beowulf, met dertig
-schilden op den arm, door in 't water te springen, nadat hij al zijne
-Frankische aanranders had verslagen. XXXIII.
-
-Beowulf doodt den Frank Dghrefn met de vuist, zoodat deze in de
-onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs krijgssieraden aan den
-Franken- of Friezenkoning te brengen. XXXV.
-
-Hygelac was met eene vloot naar Friesland gestevend, waar hij bezweek
-onder de overmacht der Franken. Sinds dien tijd bestond er vijandschap
-tusschen Gooten en Franken. XL.
-
-Oorlog met de Zweden.
-
-Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood van Hredel, en later
-bij de opname van de Zweedsche ballingen door Heardred.
-
-Eerste oorlog:
-
-XXXV. Na Hredels dood breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en
-Onela doen invallen bij Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac,
-ofschoon de eerste bij 't Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt
-op Ongentheow Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt.
-
-XL, XLI. Verhaal van den bode:
-
-De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden aangevallen (3029). Ongentheow
-schonk aan Hadcyn den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne
-eigen gade (3030 vlg.); hij zette de Gooten na (3036), die zich in
-het Ravenbosch verscholen (3038). Daar omsingelde hij hen (3039) en
-bedreigde hen den ganschen nacht (3041 vlg.). 's Morgens daagt Hygelac
-op, om de Gooten te ontzetten (3045); een gevecht heeft plaats (3049
-vlg.); Ongentheow moet wijken (3052) en trekt zich terug bij zijne
-verschansing (3060). De Gooten vervolgen hem (3061), maken zijnen
-standaard buit (3062) en trekken over de versterkte stelling, welke
-de Zweden verlaten hebben (3063). Zij brengen Ongentheow tot staan
-(3065). Wulf wondt Ongentheow (3069 vlg.), doch wordt door dezen buiten
-gevecht gesteld (3071 vlg.). Eofer, Wulfs broeder, doodt nu Ongentheow
-(3082 vlg.) en berooft hem van zijne wapenrusting (3090). Wulf wordt
-door zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld
-moeten ruimen.
-
-Tweede oorlog:
-
-XXXI. Heardred, zoon van Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden,
-en Beowulf beklimt den troon.
-
-XXXIII. Heardred ontvangt de zonen Ochters, Enmund en Edgils,
-die tegen Onela, koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een
-inval in 't land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den
-troon beklimmen.
-
-Later, maar deze derde krijgstocht wordt slechts ter loops aangestipt,
-wreekt Beowulf Heardreds dood door Edgils te ondersteunen, die Onela
-van 't leven berooft.
-
-[582] 3096 de Gootenkoning: Hygelac.
-
-[583] 3099 honderd duizend. Vgl. v. 2252.
-
-[584] 3101 Niemand schatte het loon te gering.
-
-In de Noordsche sage wordt door Hrolf Kraki dezelfde belooning
-toegekend als hier door Hygelac. Bugge.
-
-[585] 3104 met zijne dochter: Het is moeilijk aan te nemen, dat
-Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v. 2020), reeds eene
-huwbare dochter zou gehad hebben. Mllenhoff stelt te recht deze
-verzen op rekening van den inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt,
-dat Hygelac en Beowulf van denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan
-ik hem geen gelijk geven.
-
-[586] 3112 die de dappre Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat
-op Beowulfs tocht naar Hrodgar; de gedoode helden zijn Grendels
-slachtoffers.
-
-[587] 3115 ons thans te haasten: die aanbeveling van den bode komt
-wel wat laat.
-
-[588] 3116 branduitvaart: plechtige optocht naar den brandstapel.
-
-[589] 3118-22 de heele schat en niet een enkel deel ervan zal met
-hem op den brandstapel gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de
-heele schat in den lijkheuvel begraven werd.
-
-[590] 3124-27 Perhaps a glee-maiden is maint, who, having lost her
-patron, is compelled to wander abroad. Thorpe.
-
-[591] 3129 de morgenklamme: vochtig na nachtelijke tochten. In andere
-woorden: Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen.
-
-[592] 3131-35 Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving.
-
-[593] 3136 de koene strijder: de bode. Vgl. 2994 vlg.
-
-[594] 3003-3137 Mllenhoff ziet er het werk van den interpolator in.
-
-[595] 3137 Er brak derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te
-beweren, moet de dichter het oog gehad hebben op epische liederen.
-
-[596] 3139 aargebergte: adelaarsgebergte, Earna-naes, in 't land der
-Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. onder:
-aan den voet.
-
-[597] 3146-47 zeldzamer schouwspel: dan dat van den gesneuvelden vorst.
-
-[598] 3152 't genot der luchten: genotvolle lucht.
-
-[599] 3156-57 Dit moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn,
-want het lijk van den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp
-vr den ingang had plaats gegrepen. Vgl. 3213 vlg.
-
-[600] 3159 duizend winters: niet letterlijk op te vatten, daar de draak
-er slechts 300 jaar gehuisvest was; duizend wordt hier overdrachtelijk
-gebezigd voor een onbepaald groot aantal jaren.
-
-[601] 3160 Alstoen: toen de schat in den grond geborgen
-werd. Vgl. v. 2290. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij ook
-in de Nibelungen.
-
-[602] 3168: de hooggeroemde heerschers: Vlg. v. 2289.
-
-[603] 3174 Aan hem: aan den draak.
-
-[604] 3175 hem had de wachter: de wachter of draak had hem alleen
-nl. Beowulf eerst gedood. De zin is: de vloek werd bewaarheid; de
-draak had Beowulf gedood, maar hij zelf liet er ook het leven.
-
-[605] 3177b--81 't Is soms verwonderlijk, waar, op welke plaats een
-held moet sterven: men kan niet vooruit weten, waar men sterven zal.
-
-[606] 3146-85 Het springt in 't oog, dat dit een inlapsel
-is. Mllenhoff merkt te recht aan, dat deze verzen de lamlendigste
-van het gansche gedicht zijn.
-
-[607] 3184-85 Volgens Ettmller. Beowulf had den draak (goudbezitter)
-niet aangetast, om zijn goud machtig te worden, maar om het land
-te verlossen, want reeds vroeger zou hij volgaarne met den draak
-vriendschap gesloten hebben; dan was hij nu niet genoodzaakt geweest
-hem te bevechten. Volgens v. 2349 was het strijdgeding vernieuwd;
-hieruit kan men veronderstellen, dat de draak voorheen al verwoestingen
-had aangericht. Hiermede schijnt mij v. 3192-95 niet in tegenspraak.
-
-[608] 3188-89 Ziet dit op de straf der lafaards, ofwel op toekomstige
-verwikkelingen met Franken en Zweden? Dit laatste komt mij het
-aannemelijkst voor.
-
-[609] 3226: naar den goede: naar Beowulf.
-
-[610] 3232-33 Als de werpspies het spoor volgde van den pijl; als
-gestreden werd.
-
-[611] 3236 in 't moordvertrek: in de onderaardsche schatkamer.
-
-[612] 3239 Niet lag aan 't lot: De bestemming van den schat stond
-vast; hij moest met Beowulf ten deele verbrand en ten deele begraven
-worden; bijgevolg hoefde hij niet door het lot verdeeld te worden,
-zooals geschiedt bij eenen onbeheerden buit.
-
-[613] 3242-44a Ik versta dit als volgt: niemand was droevig bij het
-zien van die schatten, welke zij zelven niet mochten bezitten.
-
-Dit zou pleiten voor hunne verkleefdheid aan Beowulf, dien zij,
-niettegenstaande hij het anders verzocht had, alles wilden meegeven.
-
-[614] 3257: op den berg: op de walvischhoogte.
-
-[615] 3258 de houtwalm hief zich: het hoog opstijgen der vlam was
-een teeken, dat den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te
-beurt vallen.
-
-[616] 3264 de jonkvrouw: Beowulfs bijslaap. Vgl. v. 3124 vlg.
-
-Heur naar voorgevoel stemt overeen met de voorspelling van den bode.
-
-Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van Beowulfs weduwe,
-zooals Socin aanneemt en ook Mllenhoff, die nochtans den inlasscher
-voor deze bijzonderheid verantwoordelijk stelt.
-
-[617] 3264-69 Vertaald volgens Bugge's aanvulling, want de tekst
-biedt tal van leemten aan.
-
-[618] 3278: in den berg: in den grafheuvel.
-
-Men heeft groote schatten uit de noordsche grafsteden opgedolven. De
-rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der ijzerperiode verrassend;
-in een later tijdperk komt meer zilver voor.
-
-Ons gedicht levert ons hier eene juiste en volledige beschrijving
-van de Oudgermaansche begraafplaatsen.
-
-Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd een heuvel
-opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden werden
-den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren. Dikwijls
-werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip uitgestrekt. Een
-steenen wal omgaf somtijds het gansche.
-
-Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen lijk onbegraven blijven
-liggen.
-
-Quando rex jacebat in hac civitate, servabant eum XII homines de
-melioribus civitatis.
-
-Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel bij de Germanen,
-welke eene zekere onderscheiding, doch geene voorrechten genoot.
-
-Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende beschrijving van
-Attila's begrafenis van eene soortgelijke plechtigheid gewaagt.
-
-Nam de tota gente Hunnorum electissimi equites in eo loco, quo erat
-positus, in modum circensium cursibus ambientes, facta ejus cantu
-funereo.. referebant. Cap. 16.
-
-[619] 3284-85 De zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke
-laatsten, volgens Domesdaybook, de eerewacht des konings uitmaakten.
-
-[620] 3291-92 Dolorem et tristitiam tarde ponunt; feminis lugere
-honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ. 27.
-
-[621] 3296-98 Ziedaar het ideaal van den Germaanschen koning!
-
-Het zij mij hier vergund de aandacht in te roepen op eenige
-merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en de Westvlaamsche
-folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de bereidwillige mededeeling
-van Dr. Gezelle te danken heb en welke aantoonen, dat de sage van
-Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in Vlaanderen. Om niet
-te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene merkwaardige
-overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het volgende
-volstaan.
-
-De mede, die in de middeleeuwen in onze streken zeer verspreid was,
-zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er eene belasting op
-stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche kust gedronken
-en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren behoorende tot het
-timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten hoornboom, hoornbalke,
-hetgeen aan Heorot doet denken; Grendele, Degrendele is nog zoo
-algemeen in Westvl. als Dendievel.
-
-Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog op de uitdrukking de
-duivel en zijn moer, die in Vlaanderen (en ook in Hollandsch Limburg)
-van algemeen gebruik is en aan Grendel en diens moeder herinnert.
-
-[622] Men herinnere zich, dat dit fragment de gebeurtenissen verhaalt,
-die de in het epos behandelde Finn-episode voorafgaan.
-
-[623] 1 de wapenjonge heerscher: Hnf, volgens Bugge.
-
-Een der Deensche krijgers in Finnsburg moet bij het ontwaren van
-eenen schemer te midden der duisternis gevraagd hebben: Wordt het dag,
-vliegt een vuurdraak voorbij, of staat de burg in brand?
-
-De koning antwoordt eerst ontkennend op elk der drie punten en geeft
-daarna eene stellige uitkomst: De Friezen, wier wapens in het maanlicht
-glanzen, naderen om ons aan te vallen.
-
-[624] 3 de horentrans: de Finnsburg is, evenals Heorot, met een
-gewei bekroond.
-
-[625] 5 oorlogsvogels: de pijlen. De tekst heeft vogels alleen; ten
-Brink ziet er geene beeldspraak in, maar de slagvogels: raaf en arend.
-
-[626] 4-5 vertaald naar Bugges verbeterden tekst.
-
-[627] 6 het kamphout: de houten lans met stalen punt.
-
-[628] 7 't schild antwoordt: de Friezen slaan met hunne lansen op
-de schilden.
-
-[629] 8 weedan: vijandelijkheden staan te gebeuren, waardoor zich
-de haat der Friezen zal uiten.
-
-[630] 11 lindebast: schild.
-
-[631] 13 met goud behangen: Bugge verwijst naar eenen tekst van Saxo,
-waarvolgens de arm met ringen werd bezwaard, om des te forscher slagen
-toe te dienen.
-
-[632] 18 de Strijd-Deen: Sigeferd.
-
-[633] Garulf is een Fries volgens Mller en Bugge.
-
-[634] 22 hij: Sigeferd; het: Garulfs leven.
-
-Sigeferd daagt Garulf in spottende taal uit, om de deur, waar hij op
-post staat, aan te vallen.
-
-[635] 18-22 zijn vertaald naar den door Bugge gewijzigden tekst.
-
-[636] 24 deze dappre: Garulf.
-
-[637] 28 wat van beide: leed of harde kamp, als blijkt uit het
-voorgaande vers.
-
-Sigeferd laat hem bij wijze van galgenhumor de keus tusschen deze twee.
-
-Deze verklaring van ten Brink schijnt mij aannemelijker dan die van
-Socin, welke bij swdher = utrumcunque onderverstaat Schlimmes oder
-Gutes, Tod oder Leben.
-
-[638] 32 de beerhelm: everhelm.
-
-[639] 36 Bugges lezing is hier gevolgd.
-
-[640] 46 een gewonde kamper: een Fries, volgens Holtzmann en Mller.
-
-[641] 49 de herder van de volkschaar: Finn, volgens Holtzmann en
-Mller.
-
-[642] 51 Gedeeltelijk zoek geraakt vers, door Bugge hersteld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Bewulf, by Anonymous
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEWULF ***
-
-***** This file should be named 50677-8.txt or 50677-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/0/6/7/50677/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
diff --git a/old/old/50677-8.zip b/old/old/50677-8.zip
deleted file mode 100644
index e76b888..0000000
--- a/old/old/50677-8.zip
+++ /dev/null
Binary files differ