diff options
Diffstat (limited to 'old/50677-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/50677-0.txt | 14662 |
1 files changed, 0 insertions, 14662 deletions
diff --git a/old/50677-0.txt b/old/50677-0.txt deleted file mode 100644 index 683f93d..0000000 --- a/old/50677-0.txt +++ /dev/null @@ -1,14662 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Beówulf, by Anonymous - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Beówulf - Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met - inleiding en aanteekeningen voorzien - -Author: Anonymous - -Translator: L. Simons - -Release Date: December 12, 2015 [EBook #50677] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEÓWULF *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This file was produced from images generously -made available by The Internet Archive/Canadian Libraries) - - - - - - - - - - KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE - VOOR TAAL- & LETTERKUNDE - - BEOWULF - - ANGELSAKSISCH VOLKSEPOS - - VERTAALD IN STAFRIJM - - EN MET INLEIDING - EN AANTEEKENINGEN VOORZIEN - - DOOR - - Dr. L. SIMONS - - BRIEFWISSELEND LID - DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE - VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE - LEERAAR AAN 'T KONINKLIJK ATHENAEUM TE BRUSSEL. - - - - GENT - A. SIFFER - Drukker der Koninklijke Vlaamsche Academie - - 1896 - - - - - - - - -EEN WOORD VOORAF - - -Mijn doel bij het uitgeven dezer Beowulf-bewerking was, in eene leemte -te voorzien en tevens de uitkomsten van de onderzoekingen over een -der belangrijkste letterkundige voortbrengselen in breeder kring -te verspreiden. - -Daarom zijn aan de vertaling talrijke ophelderingen en eene -breedvoerige inleiding toegevoegd. - -Ik heb den tekst van Socin gevolgd; daar waar ik de voorkeur geef -aan eene andere lezing, heb ik mijne handelwijze gerechtvaardigd in -de Aanmerkingen op het einde van het werk. - -Van de vertaling valt niets bijzonders te zeggen; ik sluit mij -zoo getrouw mogelijk bij mijn voorbeeld aan, en dat dit geene -gemakkelijke taak was, zal hij, die in den ingewikkelden tekst van het -oorspronkelijke thuis is, het best begrijpen, vooral als hij nagaat, -hoe ver ons Nederlandsch in rijkdom van zinverwante woorden ten achter -staat bij de Angelsaksische epiek. - -Een enkel woord over de versmaat. - -Ik had, evenals de Geyter, het Reinaertsvers kunnen aanwenden, dat uit -het algemeen Oudgermaansche vers gesproten is, vooral daar het heel wat -meer speelruimte aanbiedt dan de, door mij gebezigde, eng begrensde -vijfvoetige jambus; nochtans heb ik van zijn gebruik afgezien, omdat -het, zooals Max Rooses te recht aanmerkt, «te gemeenzaam klinkt voor -epische verhalen». - -Buitendien leent zich de vijfvoetige jambus zeer goed tot de indeeling -in halfverzen, het hoofdkenmerk der oude epische versmaat. - -Heb ik mij door het verwerpen van het Reinaertsvers een blok aan 't -been gelegd, van den anderen kant veroorloof ik mij meer vrijheid -van beweging bij het stafrijm; en geen wonder, want onze taal is -er geheel en al aan ontwend. In dit opzicht sluit ik mij aan bij de -Middelengelsche dichters, die op dit punt wat minder nauwgezet waren -dan hunne voorgangers. - -Vandaar dat de twee halfverzen niet altijd door een gemeenschappelijk -stafrijm (naar het voorbeeld ab ab) tot een geheel vereenigd worden, -maar integendeel elk op zich zelf een afzonderlijk stafrijm hebben -(aa bb). - -Het schijnt mij zelfs toe, dat het stafrijm in onze tegenwoordige -taal op deze laatste wijze alleen het best tot zijn recht komt. - -Men leze en oordeele. - - - - - - - - -TE RAADPLEGEN LITERATUUR OVER DEN BEOWULF. - - -De volgende uitgebreide lijst is ontleend aan James M. Garnett, -Beowulf, An Anglo-Saxon Poem; Boston U. S. A. 1893. - -Eenige na dien tijd verschenen werken heb ik er aan toegevoegd. - - -Uitgaven: - -Thorkelin. De Danorum rebus gestis secul. III et IV poema Danicum -dialecto Anglosaxonica. Havniae, 1815, met eene Latijnsche vertaling. - -Conybeare. Illustrations of Anglo-Saxon Poetry, London, -1826. Thorkelin's uitgave wordt er met het Hs. vergeleken en eene -Latijnsche en voor sommige plaatsen eene Engelsche vertaling aan -toegevoegd. - -Kemble. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Traveller's song and -the Battle of Finnsburg, London, 1833; 2de uitgave, 1835-37, in twee -deelen, waarvan het tweede eene volledige Engelsche vertaling behelst. - -Schaldemose. Beowulf og Scopes Widsidh, Kopenhagen, 1847, 2de uitgave, -1851. Kemble's tekst met Deensche vertaling. - -Thorpe. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Scôp or Gleeman's -Tale, and the Fight at Finnsburg, Oxford, 1855; met Engelsche -vertaling. Herdruk zonder wijzigingen in 1875. - -Grein. Bibliothek der Angelsächsischen Poesie, 1ste deel, blz. 255, -Beowulf; Göttingen, 1857. - -Grundtvig. Beowulfes Beorh; Kopenhagen, Londen en Leipzig, 1861, -met eene vergelijking van de twee afschriften van het Hs. in 1786 -door Thorkelin gemaakt. - -Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863; 2de uitgave, 1868; 3de uitg., 1873; -4de uitg., 1879; 5de uitg., door Socin bezorgd, 1888; met het beste -glossarium. - -Grein. Beowulf nebst den Fragmenten Finnsburg und Waldere; Cassel en -Göttingen, 1867. - -Ettmüller, Carmen de Beowulfi Gautarum regis rebus praeclare gestis -atque interitu, quale fuerit antequam in manus interpolatoris, -monachi Vestsaxonici, inciderat. Turici, 1875. - -Arnold, Thomas. Beowulf. A heroic poem of the eighth century, London, -1876; met eene Engelsche vertaling. - -Wülcker. Grein's Bibliothek der A. S. Poesie. Neu bearbeitet -u. s. w. 1ste deel, 1ste helft; Cassel, 1881. Herstelde tekst met -critische nota's in 1ste deel, 2de helft; Cassel, 1883. - -Holder. Beowulf. I. Abdruck der Handschrift; 2de uitg. Freiburg en -Tübingen, 1882. Hs. door Holder vergeleken in 1875 met gebruik -van Thorpe's oorspronkelijke collatie in 1830. II. Tekst en -glossarium. 1884. - -Harrison en Sharp. Beowulf; volgens Heyne's tekst en -woordenlijst. Boston, 1883; 2de uitg., 1885; 3de vermeerderde uitg., -1888. - -Zupitza. Beowulf; Autotypes of the unique Cotton MS. Vitellius -A. XV. in the British Museum; with a transliteration and notes; -London, 1882; Early English Text Society. - -Kölbing. Zur Beowulf-Handschrift. Herrig's Archiv für das Studium -der neueren Sprachen; LVI, 91. Eene volledige vergelijking van het Hs. - - -Afzonderlijke vertalingen. - -Grundtvig. Bjowulfs Drape; Kopenhagen, 1820, 2de uitgave, 1865. - -L. Ettmüller, Beowulf. Heldengedicht des achten Jahrhunderts, zum -ersten Male aus dem Angelsächsischen in das Neuhochdeutsche stabreimend -übersetzt und mit Einleitung und Anmerkungen vorsehen. Zürich, 1840. - -Wackerbarth. Beowulf, translated into English verse; London, 1849. - -Grein. Dichtungen der Angelsachsen, stabreimend übersetzt; 2 deelen; -Göttingen, 1857-59; 1ste deel, 2de uitg., 1863. Afzonderlijke uitgave -van de Beowulf-vertaling, Cassel, 1883. - -Sandras. De carminibus Caedmoni adjudicatis; Parijs, 1859; met -uittreksel van Beowulf en Latijnsche vertaling. - -Simrock. Beowulf, übersetzt und erläutert; Stuttgart en Augsburg, 1859. - -Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863. - -Von Wolzogen. Beowulf; Leipzig, Reclam-Bibliothek. - -Botkine. Beowulf. Epopée Anglo-Saxonne, traduite en francais pour la -première fois; Havre, 1877. - -Lumsden. Beowulf, translated into modern rhymes; London, 1881; 2de -uitg., 1883. - -Zinsser. Der Kampf Beowulfs mit Grendel. Probe einer metrischen -Uebersetzung des A. S. epos Beowulf; Jahresbericht van de Realschule -te Forbach, 1881. - -Grion, Giusto. Beovulf, poema epico anglo-sassone del VII secolo, -tradotto e illustrato; Lucca, 1883. De eerste Italiaansche vertaling. - -Wickberg. Beowulf, en fornengelek hjeltedikt, äfersatt; Westervik. De -eerste Zweedsche vertaling. - -Voegen wij er nog bij de reeds aangehaalde Engelsche vertaling van -Garnett. - - -Werken van bijzonderen aard. - -Müllenhoff. Beowulf. Untersuchungen über das Angelsächsische Epos -und die älteste Geschichte der germanischen Seevölker; Berlijn, -1889. Mythus, geschichtliche Elemente; die Geaten und Schweden, -die Dänen, die Angeln und Sachsen. - -B. ten Brink. Beowulf. Untersuchungen; Strassburg, 1888. De schrijver -houdt er zich vooral bezig met de innerlijke geschiedenis van het epos. - -Sarrazin. Beowulf-Studien; Berlijn, 1888. Ursprung der Sage, die -Skand. orig. Dichtung, die Angels. Bearbeitung, die Stellung des -Beowulf-epos in der Entwicklung der altengl. Poesie. - -Kemble. Ueber die Stammtafel der Westsachsen; Munchen, 1836. - -Heyne. Ueber die Lage und Construction der Halle Heorot; Paderborn, -1864. - -Botkine. Beowulf. Analyse historique et géographique; Parijs, 1876. - -Dederich. Historische und geographische Studien zum Angelsächsischen -Beowulfsliede; Keulen, 1877. - -Grein. Die historischen Verhaltnisse des Beowulfliedes. Ebert's -Jahrbuch für rom. und engl. Literatur, IV, 260 (1862). - -Schultze. Altheidnisches in der A. S. Poesie, speciell im -Beowulfsliede; Berlijn, 1877. - -Skeat. The Name Beowulf. Academy, 1877, I. 163. - -Leo. Beowulf, das älteste deutsche, in angelsächsischer Mundart -erhaltene Heldengedicht, nach seinem Inhalte und mythologischen -Beziehungen betrachtet; Halle, 1839; met vertaalde uittreksels. - -Sarrazin. Der Schauplatz des ersten Beowulfliedes und die Heimat des -Dichters. Paul und Braune's Beiträge, XI, 528-541. - -Id. Die Beowulfsage in Dänemark. Anglia, IX, 195-199. - -Id. Beowa und Böthvar. Anglia, IX, 200-204. - -Id. Beowulf und Kynewulf. Anglia, IX, 515-550. - -Id. Altnordisches im Beowulfliede. Beiträge, XI, 528-541. - -Sievers. Die Heimat des Beowulf-dichters. Beiträge, XI, 354-362. - -Id. Altnordisches im Beowulf? Beiträge, XII, 168-200. - -Klöpper. Heorot-Hall in the Anglo-Saxon Poem of Beowulf. Festschrift -für K. E. Krause. Rostock. - -Haigh. The Anglo-Saxon Sagas; Londen, 1861; eene poging om de in het -epos vermelde plaatsen in Engeland thuis te brengen. - -Müller, N. Die Mythen im Beowulf in ihrem Verhältniss zur germanischen -Mythologie betrachtet; Leipzig, 1878. - -Suchier. Ueber die Sage von Offa und Thrydho. Beiträge, IV, 500. - -Vigfusson. Grettis Saga, in de voorrede van zijne Sturlunga Saga; -Oxford, 1878. - -Gering. Der Beowulf und die Isländische Grettissaga; Anglia, III, 74. - -Smith, C. Sprague. Beowulf Gretti, in New Englander, IV, 49. - -Ettmüller. Altnordischer Sagenschatz, 1870. - -Symons. Heldensage. Grundriss der Germanischen Philologie; VII -Abschnitt. - -G. Kurth. Histoire poétique des Mérovingiens; Paris, 1893. - -Müllenhoff. Der Mythus von Beowulf. Haupt's Zeitschrift, VII, 419. - -Skeat. The Monster Grendel in «Beowulf». Journal of Philology, No -29, XV. - -Schneider. Der Kampf mit Grendels Mutter. Program des -Friedrichs-Realgymnasiums; Berlijn, 1887. - -Hornburg. Die Composition des Beowulf. Program van het Lyceum in -Metz, 1877. - -Möller. Das altenglische Volksepos in der ursprünglichen strophischen -Form; Kiel, 1883. - -Rönning. Beowulfs-Kvadet. En literaer-historisk -undersögelse. Kopenhagen, 1883. - -Krüger. Ueber Ursprung und Entwickelung des Beowulfliedes. Herrig's -Archiv, LXXI, 129, 1884. - -Id. Zum Beowulfliede. Program des städtischen Realgymnasiums in -Bromberg, 1884. - -Merbot. Aesthetische studiën zur angelsächsischen Poesie; Breslau, -1883. - -March. The World of Beowulf. Proceedings of the -Amer. Phil. Association, 1882. - -Harrison. Old Teutonic Life in «Beowulf». Overland Monthly, July, 1884. - -Bugge. Studien über das Beowulfepos. Beiträge XII, 1-80 en 360-375. - -Sarrazin. Entgegnung. Englische studien, XIV, 421-427. Een antwoord op -Koeppel's beoordeeling van Sarrazin's Beowulf-Studien. Eng. Stud. XIII, -475. - -Koeppel's antwoord; Eng. Stud. XIV, 427-432. - -Deskau. Zum Studium des Beowulf. Berichte des freien deutschen -Hochstiftes. 1890. - -Hertz. Beowulf, das älteste germanische Epos. Nord und Süd, XXIX, -229-253; 1884. - -Weinhold. Altnordisches Leben, 1856. - -Kalund. Sitte. Skandinavische Verhältnisse. Grundriss der Germanischen -Philologie, XIII. Abschnitt. - -Schultz. Sitte. Deutsch-Englische Verhältnisse. Grundriss enz. - -Deze schrijver maakt er een komaf mee met de volgende verklaring: -«Von hoher Bedeutung dagegen für die Sittengeschichte der Angelsachsen -ist das Beowulflied.» - -Fahlbeck. Beowulfsqvädet enz. Antiquarisk Tidskrift för Sverige, VIII. - -Lehmann. Brünne und Helm im angelsächsischen Beowulfliede; Leipzig, -1885. - -Id. Ueber die Waffen im angelsächsischen Beowulfliede, Germania, -XXXI, 486-497. - -Bugge. Til de oldengelske digte om Beowulf og Waldere. Tidskrift for -Philologi og Pädagogik, VIII, 1869-70. - -Davidson, Chas. Differences between the Scribes of «Beowulf». Modern -Language, Notes, V, 85 en 378; 1890. - -Mc Clumpha, Chas. Differences between the Scribes of -«Beowulf». Mod. Lang. Notes, V, 245, 1890. - -Schultze. Ueber das Beowulfslied. Program van de Realschule te -Elbing, 1864. - -Schröder. Om Bjowulfs-drapen. Kopenhagen, 1875. - -Arnheim. Ueber das Beowulflied. Bericht über die Jacobsonsche Schule -zu Seesen, 1867-71. - -Kölbing. Kleine Beiträge. Kölbing's Englische Studiën, III, 92; -zu Beowulf, 168. - -Outzen. Ueber das A. S. Beowulfs-Gedicht. Kieler Blätter, III, -312; 1816. - -Schemann. Beowulf. Antichissimo poema epico de' popoli -Germanici. Giornale Neapolitano di filosofia e lettere, scienze morale -e politiche, IV, Vol. VII, 63, 175. - -Earle. Beowulf. Canadian Monthly, II, 83, 1872. - -Id. Beowulf. Household Words, XVII, 459. - -Id. Beowulf. London Times, Weekly ed., Oct. 9, 1885. - -Gibb. Gudrun, Beowulf and Roland; 2de uitg. Londen, 1883. - -Powell. Recent Beowulf Literature (Harrison, Holder, Lumsden). Academy, -no 648, Oct. 4, 1884. - -Id. Harrison's «Beowulf». Academy, no 654, Nov. 15, 1884. - -Harrison. Beowulf. Academy, no 653, Nov. 8, 1884. - -Garnett. The Translation of Anglo-Saxon Poetry. Public. of the -Mod. Lang. Assoc. of America. Vol. VI, no 3; 1891. - -Bright. Review of Harrison and Sharp's «Beowulf». Litteraturblatt -für germ. und rom. Philologie; Juni, 1884. - -Gummere. The Translation of «Beowulf». Amer. Journal of Philology, -VII, 1886. - -Schilling. The Finnsburg-Fragment and the -Finn-Episode. Mod. Lang. Notes, II, 291, 1887. - -Corson. A passage of Beowulf (2724 vlg.). Mod. Lang. Notes, III, -193; 1888. - -Krüger. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 571-578. - -Kittredge. Zu Beowulf, 107 vlg. Beiträge, XIII, 210. - -Miller. The Position of Grendel's Arm in Heorot. Anglia, XII, 396-400. - -Zupitza. Zu Beowulf, 850. Herrig's Archiv, 84, 124; 1890. - -Joseph. Zwei Versversetzungen im Beowulf. Zeitschrift für deutsche -Philologie, XXII, 385-397. - -Schröer. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIII, 333-348. - -Sievers. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIV, 133-146. - -Kluge. Sprachhistorische Miscellen. Beiträge VIII, 532. - -Id. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 187. - -Cosijn. Zum Beowulf. Beiträge, VIII, 508. - -Id. Beowulf. Taalkundige bijdragen, I, 286. - -Id. Aanteekeningen op den Beowulf; Leiden, 1892. - -Sievers. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 135 en 370. - -Nader. Zur Syntax des Beowulf. Twee programma's van de -Staats-Oberrealschule te Brünn, 1879-80. - -Lichtenheld. Das schwache Adjectiv im Angelsächsischen. Haupt's -Zeitschrift, XVI, 325. - -Nader. Der Genitiv im Beowulf. Program van de Staats-Oberrealschule -te Brünn, 1882. - -Id. Dativ und Instrumental im Beowulf. Jahresbericht van de Weener -Oberrealschule, 1882-83. - -Hotz. On the Use of the Subjunctive Mood in Anglo-Saxon and its -further history in Old English; Zurich, 1882. - -Köhler. Der syntaktische Gebrauch des Infinitivs und Particips im -Beowulf; Münster, 1886. - -Nader. Tempus und Modus im Beowulf. Anglia, X, 542-563, en XI, 444-449. - -Davidson. The Phonology of the Stressed Vowels in «Beowulf». Public. of -the Mod. Lang. Associat. of America. Vol. VI, no 3. 1891. - -Harrison. List of Irregular (strong) Verbs in «Beowulf». Amer. Journal -of Philology, IV, 462. - -Schubert. De Anglosaxonum arte metrica; Berlijn, 1870. - -Vetter. Ueber die Germanische Alliterationspoesie; Weenen, 1872. - -Rehrmann. Essay on Anglo-Saxon Poetry. Program van de Hoogere -Burgerschool in Lübben, 1876. - -Rieger. Die Alt- und Angel-sächsische verskunst; Halle, 1876. - -Schipper. Englische Metrik. I deel, Altenglische Metrik; Bonn, 1882. - -Tolman. The Style of Anglo-Saxon Poetry. Transactions of the Modern -Language Association of America; Vol. III, 1887. - -Hirt. Untersuchungen zur West-germanischen verskunst; Leipzig, 1889. - -Guest. History of English Rhythms, 2 deelen, 1838; heruitgegeven in -1 deel door Skeat, 1882. - -Banning. Die epischen Formeln im Beowulf; Marburg, 1886. - -Bode. Die Kenningar in der angelsächsischen Dichtung; Darmstadt en -Leipzig, 1886. - -Arndt. Ueber die altgermanische epische Sprache; Paderborn, 1877. - -Schemann. Die Synonyma im Beowulfsliede, mit Rücksicht auf Composition -und Poetik des Gedichts; Hagen, 1882. - -Hoffmann. Der bildliche ausdruck im Beowulf und in der Edda. Englische -Studien, VI, 1883. - -Heinzel. Ueber den Stil der altergermanischen Poesie; Strasburg, 1875. - -Gummere. The Anglo-Saxon Methaphor; Halle, 1881. - -Schulz. Die Sprachfonnen des Hildebrandsliedes im Beowulf. Program -van de Realschule te Koningsbergen, 1882. - -Sievers. Zur rhythmik des germanischen -alliterationsverses. I. Vorbemerkungen. Die metrik des -Beowulf. Beiträge, X, 209-314. II. Sprachliche ergebnisse. Beiträge, -X, 451-545. - -Id. Der angelsächsische Schwellvers. Beiträge, XII, 454-482. - -Id. Altgermanische Melrik. Grundriss der Germanischen Philologie. IX -Abschnitt. - -ten Brinck. Altenglische Literatur. Grundriss enz. VIII Abschnitt. - -Haupt's Zeitschrift für Deutsches Altertum: - - V. 10. Haupt. Zum Beowulf. - VII. 410. Müllenhoff. Sceaf und seine Nachkommen. - VII. 524. Bachlechner. Die Merovinge im Beowulf. - XI. 59. Bouterwek. Zur Kritik des Beowulfliedes. - XI. 176. Rieger. Ingaevonen, Istaevonen, Hermionen. - XI. 272. Müllenhoff. Zur Kritik des A. S. Volksepos. - XI. 409. Dietrich. Rettungen. - XII. 259. Müllenhoff. Zeugnisse und Excurse zur deutschen - Heldensage. - XIV. 193. Müllenhoff. Die innere Geschichte des Beowulfs. - -Zeitschrift für deutsche Philologie (Höpfner en Zacher): - - II. 305. Köhler. Die Einleitung des Beowulfliedes, en Die - beiden Episoden von Heremod. - II. 371. Rieger. Beoordeeling van Heyne's 2de uitgave. - III. 381. Rieger. Zum Beowulf. - IV. 192. Bugge. Zum Beowulf. - -Germania (Pfeiffer): - - I. 297 en 455. Bachlechner. Eomaer und Heming (Hamlac). - I. 384. Bouterwek. Das Beowulflied. Eine Vorlesung. - VIII. 489. Holtzmann. Zu Beowulf. (Textkritik.) - XIII. 129. Köhler. Germanische Alterthümer im Beowulf. - -Anglia IV, 69. Wülcker. Bespreking van de Beowulfvertalingen. - -ten Brink. Geschichte der englischen Litteratur; 1ste deel, Berlijn, -1877. - -Wülcker. Grundriss zur Geschichte der angelsächsischen Litteratur; -Leipzig, 1885. - -Robinson, W. Clarke. Introduction to our Early English Literature; -Londen, Durham en Heidelberg, 1885. - -Earle. Anglo-Saxon Literature; 1884. - -Taylor. Historic Survey of German Poetry; 3 deelen, 1830. - -Lonfellow. Anglo-Saxon Literature. N. Am. Review, XLVII, no 100; 1838. - -Petheram. Historical Sketch of Anglo-Saxon Literature in England, 1840. - -Wright. Biographia Britannica Literaria, Vol. I, Anglo-Saxon Period, -1842. - -Lappenberg. History of England under the Anglo-Saxon kings. Translated -by B. Thorpe, 2 vols. 1845. - -Kemble. Saxons in England, 2 vols. 1849. - -Green. The Making of England, 1882. - -Grimm. Deutsche Mythologie. - -Simrock. Handbuch der Deutschen Mythologie, 1878. - -Mone. Untersuchunqen zur Geschichte der deutschen Heldensage, 1836. - -Grimm. Die Deutsche Heldensage, 1867. - -Wagner. Deutsche Heldensage, 1881. - -Wagner en Mc Dowall. Epics and Romances of the Middle Ages, 1883. - - - - - - -INLEIDING. - - Wat is den arme 't schoon der lente? Niets! - Een starrenhemel? Niets! Wat is hem kunst? - Wat zijn hem tonen, tinten, geuren? Niets! - Wat is hem Poëzie? - - -Zonder zich juist op het standpunt te moeten plaatsen van Multatuli, -zal wel menig dichter met hem instemmen bij het zien van de practische -richting onzer eeuw, waarin onder de ontwikkelden slechts weinigen, -eenige fijnproevers en voor het overige beoordeelaars, wier vak het -meebrengt, belang stellen in de poëzie, terwijl de groote menigte in -de beslommeringen en bekommeringen van den strijd om 't bestaan doof -blijft voor alle «godentaal» en «hemelval». - -Welk verschil met de eerste eeuwen onzer beschaving, met het -heldentijdperk onzer Germaansche voorouders, toen de poëzie, in en door -het volk geschapen, aan een gemeenschappelijk ideaal beantwoordde, -alle borsten deed zwellen, aller begeestering afdwong en zoozeer -vergroeid was met het «profanum vulgus», dat de dichter, welke thans -als eene scherpe, hooger begaafde persoonlijkheid optreedt, in de -groote massa verloren ging, als een druppel in den oceaan. - -Evenals het tot man opgroeiend kind zijne begoochelingen aflegt, -naarmate het, door weetgierigheid geprikkeld, de koude en ernstige -werkelijkheid leert kennen, zoo ook hebben de beschaafde volken -sinds lang de ongekunstelde voorstellingen hunner jeugd over boord -geworpen; en indien er nog eenige sporen voorhanden zijn van de oude, -dichterlijke overleveringen, dan zijn ze tot den nederigen rang van -sprookjes afgedaald, welke nog alleen in de kinderwereld onder de -strooien daken rond den zetel van het goedhartige, kind geworden -grootje, te vinden zijn. - -Hofdijk zegt te recht van de sage: - - - Toen vlood de onterfde maagd, door twijfels kille handen - Beroofd van kroon en bloemenwâ, - En vond in 't halflicht van de ruwe, leemen wanden - Der schaamle eenvoudigheid genâ. - - -Welnu, keeren wij in deze lang vervlogen tijden, in het rijk der sage -terug; het is immers zoet voor het hart, zich de schoone jeugd weer -voor den geest te halen. - -Aan de Oudengelsche letteren is het voorrecht te beurt gevallen den -Beowulf, het oudste Germaansche epos, te bezitten. Alle Germaansche -volken hadden wel is waar dichterlijke overleveringen, doch deze -gaven slechts het ontstaan aan afzonderlijke liederen of sagen. - -Op dezen trap bleven de Scandinaviërs staan, terwijl bij de Franken -de oude heldensage grootendeels voor de poëzie verloren ging. Alleen -de Duitschers kunnen met rechtmatigen trots op volksheldendichten -als de Nibelungen en Gudrun wijzen, doch deze zijn van veel lateren -oorsprong dan de Beowulf. - -Het is waar, de Beowulf is geen eigenlijk heldendicht in de hooge -beteekenis, welke men, verwend als men is door het Grieksche epos, -aan dit woord toekent. - -Er wordt geene gebeurtenis van zulk algemeen nationaal belang als de -oorlog van Troje geschilderd; zelfs ontbreekt de eenheid, welke alleen -een letterkundig voortbrengsel tot volmaakt kunstwerk kan stempelen; -het Angelsaksische epos werd immers in het midden zijner ontwikkeling -tot staan gebracht door de uitbreiding van het Christendom. Doch dit -neemt niet weg, dat het een juweel is, en als zoodanig onze warme -belangstelling verdient. - -Immers het gedicht, dat in de grondtrekken heidensch is gebleven, -is een der weinige schatten, welke gered zijn uit de schipbreuk -van de rijke Germaansche volkspoëzie; de taal, de epische stijl, -de geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden, de aanwezigheid -der voornaamste heldensagen, de bestanddeelen waaruit het tot een -geheel is saamgevloeid, dat alles spreekt tot den beschaafden lezer -en tot den dichter, dat alles biedt de taalwetenschap, geschiedenis, -letterkunde en tekstcritiek een rijk veld ter ontginning aan. - -Wat de laatste wetenschap betreft, zij heeft zich in de herstelling -van den Beowulftekst een blijvend gedenkteeken gesticht. - -De gebrekkige toestand van het handschrift hulde het gedicht in een -apocalyptisch duister; dank aan de onderzoekingen van Bugge, Cosyn, -Kluge en Sievers is er licht ontsproten uit den baaierd, zoodat wij -ons thans in eenen leesbaren tekst kunnen verheugen. Om zich hiervan -te overtuigen vergelijke men de oude vertaling van Ettmüller en -zelfs die van Heyne met die van Grein, en men zal moeten bekennen, -dat op dit gebied reuzenstappen zijn gedaan. - -Voor ons, Nederlanders, heeft het gedicht nog eene bijzondere reden -tot belangstelling: de inval der Denen, het eenige geschiedkundig na -te wijzen feit, heeft op Nederlandschen bodem plaats gehad. Dit is -des te meer opmerkelijk, nu diezelfde gewesten zich niet onbetuigd -hebben gelaten bij de totstandkoming van de Nibelungen en Gudrun [1]. - -Doch nog om eene andere reden is de Beowulf belangrijk. Indien -het boven allen twijfel verheven is, dat elk letterkundig werk van -eenigen omvang de uitdrukking zijn moet van zijnen tijd, wil het -op den naam van meesterstuk aanspraak maken, dan is dit vooral waar -van het volksepos, dat natuurlijk uitvloeisel van de ziel der natie, -van het gemeenschappelijk leven en streven gedurende heel een tijdvak. - -Dit vinden wij bij het Oudengelsche gedicht bewaarheid; het is de -uitdrukking van het volksideaal en bijgevolg de nagenoeg trouwe -afbeelding van het karakter, van de zeden en gewoonten der oude -Germanen. - -De krijgshaftige inborst van het volk, welke wij uit de geschiedenis -als zijn hoofdkenmerk leerden waardeeren, zijn leven verdeeld -tusschen oorlog en drinkgelagen, zijn voorliefde en afkeer, zijn -rechtsbegrippen, de opvoeding van den jongen krijgsman, de inrichting -van de woningen der grooten, de beschrijving van de gastmalen -en begrafenisplechtigheden: het treedt hier in kleur en beeld, in -levenden lijve voor het voetlicht. - -Beter dan de kronieken met hare dorre opsomming van feiten stelt het -volksepos den geschiedschrijver in staat, om den juisten maatstaf te -leggen aan de beschaving der eerste middeleeuwen, daar wij eenen -dieperen blik slaan in de geaardheid van het volk, waarvan de -gebeurtenissen slechts eene afspiegeling zijn. - -Onderzoeken wij daarom den toestand van de maatschappij, die in -ons epos te voorschijn treedt, zoo zullen wij ons rekenschap kunnen -geven van - - - - -DE BESCHAVING IN DEN BEOWULF. - -Men kan gerust staande houden, dat de oud-engelsche beschaving, -zooals zij zich in ons gedicht afteekent, eene verrassing, ja eene -openbaring mag heeten voor elken onpartijdigen lezer, die niet behept -is met de Fransche vooroordeelen omtrent Germaansche toestanden. - -Deze vooroordeelen dagteekenen reeds van de vroegste tijden. - -Met uitzondering van Tacitus, den man gewapend met den adelaarsblik -van het vernuft, hebben geschiedschrijvers als Gregorius van Tours, -wiens geest gevormd was in de school der Romeinsche beschaving, -niet altijd recht laten wedervaren aan de Noordsche denkbeelden. - -Welnu uit den Beowulf straalt eene betrekkelijk hooge ontwikkeling, -waarop wij ons geenszins bij de «Noordsche barbaren» verwachten, -en die gunstig afsteekt bij de bloederige tooneelen der Edda en de -reusachtige, teugellooze hartstochten der Nibelungen. - -Deze ontwikkeling spreekt zich uit op maatschappelijk, stoffelijk, -geestelijk en zedelijk gebied. - -Op maatschappelijk gebied zijn de toestanden, zooals Tacitus die -beschreven heeft, in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. Nog altoos treedt -het volksleger op, dat op de bloedverwantschap is gevestigd, zoodat -ieder gezond, vrij man dienstplichtig is; zelfs ontmoeten wij nog de -dienstgevolgschappen, comitatus van Tacitus; doch het gezag des konings -heeft zich uitgebreid, en zijne waardigheid is erfelijk geworden. - -De koning blinkt uit door edele geboorte en door persoonlijken moed; -hij voert het leger ten strijde. - -Van Hrodgar heet het: - - - Nooit aan de legerspits, als lijken vielen, - Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. (Vert. 1055-56.) - - -Het gevolgschap was eene vrijwillige vereeniging van strijdlustige -mannen, waaronder ook bloedverwanten, onder het gezag van eenen vorst, -wien zij onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaamheid beloofden. - -Het bestond uit beproefde krijgers (dugudh) en aankomende jongelingen -(geogodh). - -Bij voorkeur schaarden zij zich onder de banier van een dapper -krijgshoofd. - - - Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar, - De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen - Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam, - De breede jonglingschaar. (65-68.) - - -Deze afhankelijkheid was geene schande, immers de zonen der -aanzienlijkste geslachten gingen er toe over: Beowulf had in zijne -jeugd Hredel gediend en op zijne beurt stelt hij aan Hrodgars zoon -de gelegenheid open, om zich bij Hygelac aan te sluiten. - -De dienstgevolgschappen doen zich in het gedicht voor als een bond -van blijvenden, ten minste niet van voorloopigen aard, evenals bij -Tacitus; ofschoon niets belet, dat de verplichting met toestemming -des vorsten voor een tijd lang kan opgeheven worden. Zoo zien we, -dat Beowulf met Hygelacs oorlof de Denen ter hulp snelt, om daarna -weer tot zijnen vroegeren heer terug te keeren: - - - Geheel mijn hulde - Zij wendt zich weder uwaart. (2206.) - - -De dienstman ontving van den vorst: 1º huisvesting en voedsel: - - - (Wij zijn) Hygelacs genooten aan de haardstee. (263.) - - -2º zijne wapens; Wiglaf zegt: - - - Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen - En in de hal aan onzen heer beloofden, - Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings - Vergelden zouden enz. (2715-18.) - - -3º allerhande geschenken, kleinoodiën, paarden en vooral spiraalvormige -ringen, die tot munt dienden, zoodat men er een stuk van kon afbreken; -4º daarenboven een aandeel in den krijgsbuit: - - - Niet lag aan 't lot wie rooven zou den rijkdom. (3239.) - - -en 5º ook landerijen. Beowulf zegt van Hygelac: - - - Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds. (2565.) - - -Wiglaf herinnert zich Beowulfs mildheid: - - - Hij was alsdan het eigendom gedachtig, - Waarmee hem gene vroeger had begiftigd, - De weeldevolle woning der Waegmundings, - Elk volksbezit, gelijk bezat zijn vader. (2685-88.) - - -Wij zien insgelijks, dat Hygelac met landerijen Wulf en Eotor -beschenkt en zelfs den laatste met de hand zijner dochter. Uit de -aangehaalde woorden van Wiglaf blijkt, alsmede uit andere plaatsen, -dat de koning een stuk van het aan de gezamenlijkheid, aan den stam -behoorend eigendom aan enkelen toewees. - -De latere Engelsche koningen pasten die handelwijze in het breede -toe, en zoo ontstond mettertijd de dienst- en bezitsadel, welke den -oorspronkelijken geboorteadel over het hoofd wies. In den Beowulf -zijn dus de kiemen van het leenstelsel reeds aanwezig. - -Uit het gevolgschap koos de vorst soms eenige dapperen uit voor eene -moeilijke onderneming; dit zien wij bij gelegenheid van Beowulfs -tocht naar Denemarken en later bij zijnen kamp met den draak. - -In tijd van vrede maakten de mannen van het gevolgschap den hofstoet -des konings uit. - -Zij bekleedden de hoogste waardigheden, als daar zijn: raadsheer -(Aeschere); schenker (501, 2088); zanger (Unferd); ceremoniemeester -(Wulfgar); hofmeester (1835). - -Men wane niet, dat wij met eene maatschappij te doen hebben, welke een -bekrompen en armoedig bestaan leidde, zooals die bij Tacitus. Verre -van daar. - -Onder stoffelijk oogpunt heerscht er aan de vorstenhoven zoo niet -weelde, dan ten minste welvaart. - -Het verblijf der Deensche koningen bestaat uit de burcht, welke nogal -aanzienlijk moet geweest zijn, en uit Heorot, de troonzaal, die zich -in de nabijheid verheft; het geheel is omgeven met een ruim plein, het -medeërf v. 1674, waar zich ongetwijfeld andere bijgebouwen bevonden. - -Het gedicht vermeit zich in de beschrijving van Heorots pracht, - - - De trots gebouwde zaal in bonten goudglans. - Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld - Bij 't menschdom, waar de machtige verwijlde. - De vuurglans lichtte over vele landen. (310-13.) - - -Het gebouw was van binnen met ijzeren bouten versterkt; kostbare -kleeden met geborduurde tafereelen bedekten de wanden; goudversieringen -blonken allerwegen, en een veelkleurig geplaveide weg, breed genoeg -om een troep ruiters te laten draven, voerde er heen: - - - De baan was bont bevloerd. (321.) - - -De schepen zijn met een zeil en met kunstig gesmukten steven -voorzien. Bij de onbekrompen feestmalen, waar een beker de ronde doet, -wordt niet alleen bier en honigdrank, maar ook wijn geschonken. De -beschrijving van den drakeschat met zijn schemerenden standaard en -kostbaar vaatwerk, die van de sieraden, welke de koning ten geschenke -geeft, bewijst ten volle, dat de kunst van het goudsmeden, die alleen -bestaanbaar is met eene zekere welvaart, eene aanzienlijke hoogte -had bereikt. - -Wat het meeste pleit voor den stoffelijken vooruitgang en de zucht -tot weelde en prachtvertoon is de kleederdracht of beter de uitrusting. - -Mannen zoowel als vrouwen dragen versierselen: - - - De man (zal) geen tooisel dragen tot gedachtnis, - Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben. (3123-24.) - - -Het harnas is een meesterwerk van smeedkunst, de helm draagt een -gulden everbeeld. Beide zijn dikwijls uit kostbaar metaal vervaardigd, -zoo Beowulfs helm: - - - Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven. (1478) - - -Hoe rijk de verschillende wapens ook zijn, het zwaard met deugdelijk -ijzeren lemmer en sierlijk bewerkt gevest overtreft ze alle; enkel -aan het schild wordt minder pracht ten koste gelegd; het is gewoonlijk -van lindenhout en slechts bij uitzondering van staal en wel dan, als -het voor Beowulf zake is zich voor het vuur des draaks te beschutten. - -Paarden staan de edellieden ten dienste; dikwerf is zadel en tuig -met goud belegd; wandelritjes worden tot uitspanning ondernomen, en -alsdan hebben zelfs wedrennen plaats, welke als de voorloopers kunnen -beschouwd worden van het zoo geliefkoosde tijdverdrijf der Engelschen. - -Stappen wij over tot de verstandelijke ontwikkeling. - -De helden koesteren den grootsten eerbied voor de rijpe ervaring, -voor de meerderheid van den geest; dit mag als een grondtrek van het -epos aanzien worden. - -Hrodgar is de «wijze heerscher» (1428) «door jaren wijs» (1758) -«bekend door kundigheden.» (930) - -De raadsheeren staan in hoog aanzien, hunne uitspraak wordt op prijs -gesteld. In de Finn-episode treden zij als scheidsrechters op. - -Hygelac keurde Beowulfs tocht naar Denemarken af, toch zet deze zijn -plan door, want de raadslieden stijven hem in zijn voornemen: - - - Bij lang niet laakten wijze liên die reize. (208) - - -Degene, die door den koning het meest gewaardeerd wordt, is Aeschere, -des konings - - - alvertrouwde en raad verstrekker tevens. (1349) - - -Bij de oprichting van Beowulfs grafheuvel worden deskundigen in den -arm genomen: - - - Zij wierpen eenen wal er om, zoo deugdelijk - Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden. (2276) - - -Niet alleen bij de ouderlingen, maar ook bij de jongeren werd wijze -bezadigdheid op prijs gesteld. Hrodgar vat Beowulfs aanspraken op -vermaardheid in twee woorden samen: - - - Gestadig waakt gij op dit alles, sterkte - En wijsheid van gemoed. (1738) - - -Is het dus te verwonderen dat de welsprekendheid zoo hoog aangeschreven -stond bij deze ernstige mannen? - -Eene wijze rede wordt op ééne lijn gesteld met het kostbare goud: -Beowulf «opent de schatten des woords» (261) en verzoekt om met -Hrodgar «den woordenschat te mogen wisselen.» (367) - -Voor deze «barbaren» bestond het ideaal van den held niet alleen -in lichaamskracht, maar ook in de evenredige ontwikkeling van hart -en geest! - -Op meer dan eene plaats wordt dit uitgesproken. - -De kustwachter zegt: - - - Ja, een scherpe schildman - Van beide weet bescheid, van woord en werken. - - -Hrodgar reikt aan Beowulf het volgende getuigschrift uit: - - - Van geenen man nog hoorde - Ik op die jonge jaren rijper rede. - Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig, - Aan woorden wijs. (1884-87) - - -Welke diepe kloof ligt er niet tusschen dezen held en de ridders -van het leenwezen, die ijzervreters, wier bekrompen verwaandheid -de domme kracht alleen huldigde, zoodat de dichter van Reinaert, -ons Nederlandsch volksepos, ze in Bruin den beer aan de kaak heeft -gesteld tot lachwekkend schouwspel voor alle eeuwen! - -Al de redevoeringen munten uit door eenen ernstigen, kalmen, waardigen -toon, welken de Engelsche letterkunde niet meer heeft afgelegd. - -Niet minder dan de welsprekendheid staat de dichtgave hoog -aangeschreven, de kunst om (882) «naar eisch gerangschikt nieuwberijmde -woorden» d. i. stafrijmen te vinden. - -Wij gelooven niet, dat Hrodgar er eenen hofnar op zou nagehouden -hebben, doch hij bezat iets beters, den hofdichter, den thyled of -spreker, die niet alleen aangesteld was om de daden der beroemde helden -te bezingen, maar ook om het gezellige onderhoud gaande te houden. - -Dit ambt vervult Unferd. Hij behoort tot het gevolg des konings en is, -wat edele geboorte en dapperheid betreft, de evenknie van den besten -onder zijne wapenmakkers. Zelfs kunnen wij zeggen, dat hij boven al -de overigen gewaardeerd wordt, want zijne plaats is aan de voeten -des konings, d. i. op de derde eereplaats na Hrodgar en Beowulf. - -Evenals het ambt van hofdichter zoo stond ook de dichtkunst zelve in -hooge eer. Zij speelt eene rol in al de omstandigheden des levens, -in lief en leed, bij feestmalen en begrafenis. - -In dit opzicht heeft het Oudengelsch gedicht eenige overeenkomst met -dat der Finnen, de Kalewala, bij welke de macht der poëzie schering -en inslag is van het volksepos. - -Halen wij eenige voorbeelden aan tot staving van het gezegde. - -Hildeburg treurt bij den brandstapel van de in den strijd gesneuvelde -dierbaren: - - - De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder - In klaaggezang. (1130) - - -Hredel heeft zijnen oudsten zoon op noodlottige wijze verloren en -vindt nog alleen vertroosting in de poëzie: - - - Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied. (2530) - - -Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich boven Beowulfs -brandmijt: - - - Zij klaagden lustverstoken - Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings. - Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken - Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken, - Door zorgen aangezet enz. (3262-66) - - -Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden de zonen van de -twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken: - - - Zij wilden weder klagen, weer gewagen - Van hunnen koning, weder spreuken konden - En nopens hem verhalen al het goede. (3286-88) - - -Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den dag tot laat -in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid, scherts en -lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met begeleiding van -de harp. - -Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal voordragen, -zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar de -Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht. - -Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt van de gezellige -bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat de Germanen, -zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen, desniettegenstaande -bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het dichterlijk gevoel. - - - Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding - Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend. - Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte, - De zoete harp, het hout der vriendenvreugde. - Te met ontspon hij sproken waar en weevol, - Ofwel de grootgezinde koning zette - Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid. - Dan weer begon de grijze wapenvoerder, - Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht - Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst, - Wanneer, door winters oud, hij 't aantal nadacht. (2160-70) - - -Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke voordracht alles behalve -gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo geliefkoosde tijdverdrijf -niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap van het meer terugkeert, -waar zij het spoor van den gewonden Grendel gevolgd hebben, en de -paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage van Sigmund op, -terwijl hij zelfs, en dit is merkwaardig genoeg, Beowulfs wapenfeit, -dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de vuist bezingt en met -dien held der dichterlijke overlevering in verband brengt. Ziedaar een -sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die haren oorsprong neemt -uit een werkelijk feit en dit met eenen mythischen held samenvlecht. - - - -Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der Oudengelsche -wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den veldslag -tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en -Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (3025 vlg.) - -Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht, dat getuigt -van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid. - -Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte stelling, drijft -Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den volgenden morgen -daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en werpt hem terug -in zijne verschansing. - -Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen; doch nog meer: -De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op de vlucht, -doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit zich -toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te gewaagd -zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand in -den rug heeft aangetast. - -Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat het helderste -licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde barbaren. - -Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja zekere -voorgeschreven plichtplegingen, welke aan het hof van Hrodgar den -toon geven. - -De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene eigenschap van -den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene eer, door hun -gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de kennis -der hofgebruiken. - -Het zijn allen in meer dan een opzicht echte «gentlemen,» al is het -woord dan ook van latere Engelsche vinding. - -Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering drukken hunnen -stempel op het dagelijksch verkeer. - -Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de Deensche kust, -aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne afkomst en -bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal. - - - Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten? (241) - - -Vooral trekt de aanvoerder zijne aandacht; want zijn edel uiterlijk -heeft niets gemeen met dat van eenen dorper: - - - 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger - Dan uwer een, dien ridder in de rusting. - Voorwaar geen huisman is 't, gedost in 't wapen, - Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege. (251-54) - - -Met welke voorkomendheid bejegent hij niet de vreemdelingen, nadat -zij het doel hunner reis hebben blootgelegd! Hij doet hun een eind -weegs uitgeleide en belooft een wakend oog te houden op hun schip. - -Aan het hof gekomen moeten de bezoekers eerst om gehoor vragen, -alvorens bij den koning toegelaten te worden. - -Wulfgar komt hun te gemoet en doet de gebruikelijke vragen, want hij -is Hrodgars bode of liever ceremoniemeester, volgens onze hedendaagsche -begrippen. - -Daarna treedt hij weder binnen, om hen in gepaste, eerbiedige taal -aan te dienen; hij plaatst zich niet recht voor den koning, maar ter -zijde, aan zijnen schouder, want: - - - Hij kende de handelwijs van 't hof. (360) - - -Hrodgar beveelt alsdan Wulfgar, hem de hooge vreemdelingen voor te -stellen. Deze spoedt zich weer naar buiten en deelt Beowulf mede, -dat zijn verzoek om pleeggehoor is ingewilligd. De wellevendheid -vordert nochtans, dat zij hunne schilden en lansen buiten laten -staan. Onder den blinkenden helm en in het klinkende harnas stapt -Beowulf met zijne mannen achter Wulfgar de zaal binnen en nadat hij -staande den koning begroet en dezes antwoord ontvangen heeft, wordt -hem eene eereplaats aangewezen. - -Het gebruik eischte, dat elke gast de zitplaats innam, die met zijnen -rang overeenkwam. - -Daarom verwaarloost Beowulf niet, als hij later bij Hygelac is -teruggekeerd en deze hem «op heusche wijs» ondervraagt, op deze voor -hem belangrijke omstandigheid te wijzen: - - - Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen - Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen - Van mijn ontwerp. (2062-64) - - -Niet te vergeten is ook de eerbied, waarmede het gevolg den -koning toespreekt. Weidsche benamingen als «de hooge heerscher, -de wijdvermaarde vorst, de schuts der Schyldings» enz. worden hem -toegezwaaid; nochtans hebben zij niets vernederends, niets kruipends, -niets wat naar de vleierij van hovelingen zweemt. - -Kenteekenend is hier vooral de toespraak van de koningin Wealchtheow -tot haren heer en gemaal: - - - Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker, - O goudbegever. Wees nu wel te moede, - O schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten - Met milden mond. (1189-92) - - -Deze taal is verre van vertrouwelijk en gemeenzaam, doch zoo vorderde -het de voorname toon van het hof. - -Immers wordt niet van haar gezegd: - - - Dan Wealchtheow naakte, - Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig. - Zij groette, goudgekleed, de hallegasten. - Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer, - De hooggeboren vrouwe, toe den beker. (624-28) - - -Daarom wordt ook van Hygd, Hygelacs gade, gezegd, dat zij vriendelijk -en mild was voor de krijgers, doch niet gemeenzaam. (1979) - -Bij het feestmaal, aan de overwinnaars geschonken, wordt uitdrukkelijk -vermeld, dat de gasten zich aan tafel als welopgevoede, welgemanierde -edellieden gedroegen: - - - 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders, - Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer. (1025-26) - - -Zij dronken met waardigheid: - - - Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd - Hun hart ophaalden, menig medebeker - Met waardigheid ontvingen. (1028-30) - - -Deze innemende gezelschapstoon treedt zelfs in fijne schakeeringen -te voorschijn. - -Zoo hoopt Beowulf, na de inbraak van Grendels moeder, dat Hrodgar -goed geslapen heeft, ofschoon hij van het tegendeel overtuigd is; -doch dit vergde de wellevendheid. - -Zoo bedankt hij Unferd voor het hem geleende zwaard, dat hem niet -dienstig is geweest; doch hij wacht zich wel van zulk ongunstig -oordeel er over uit te spreken, maar prijst het integendeel: - - - Hij schatte dit geschikt een kampvriend - En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer - Van 't staal met woorden. (1851-53) - - -Zal niet ieder lezer moeten bekennen, dat eene maatschappij, welke -zoozeer aan plichtplegingen, aan heuschheid in al haar doen en laten -gehecht is, onder het oogpunt van de beschaving des geestes eene -zekere hoogte moet bereikt hebben, en voorzeker niet op eene lijn -dient gesteld te worden met de overige Germaansche volken? - -Men zou kunnen opwerpen, dat deze uiterlijke vormen nog geen bewijs -zijn van de ware, van de innerlijke beschaving, die van het gemoed; -dat zij niets meer zijn dan een schoone tint, een vernis, waaronder -de aangeboren woestheid van den Germaanschen natuurmensch zich -verbergt. Daarom zal het noodig zijn ons eene voorstelling te maken -van de zedelijke ontwikkeling der helden, van de drijfveeren, die -hen deden handelen. - -Wij zagen reeds, dat het dienstgevolgschap nog altoos bloeit, eene -instelling, welke op trouw en aanhankelijkheid en niet, zooals het -latere leenstelsel, op louter zelfzucht berust, en derhalve alleen -mogelijk is bij eene maatschappij, welke een hoog zedelijk peil -heeft bereikt. - -Hrodgar is niet alleen de beschermer, maar ook de vriend der -Schyldings. Hij is het hoofd van het groote gezin. Eene vaderlijke -bezorgdheid koestert hij voor zijne mannen en dit is de reden, waarom -hij zich door het geheele epos zoo weekhartig voordoet; zoodat hij -veel heeft van eenen door leed en jaren suf geworden huilebalk. - -Grendel heeft twaalf jaren lang eene schromelijke slachting onder de -Denen aangericht, en gedurende al dien tijd - - - broeide hij voortdurend, - De zoon van Healfdeen, zorgen voor het heden; (192-93) - - -want hij - - - had der trouwen, - Der dierbre mannenschaar weer des te minder. (492-93) - - -Het sneven van Grendel schenkt hem slechts eene kortstondige -verademing, daar Grendels moeder Aeschere «des konings meest beminden -kamper» doodt. Deze tweede slag verplettert hem gansch: - - - Naar welstand vraag me niet. De nood is weder - Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aeschere, - Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder. (1346-48) - - -Groot is dan ook zijne dankbaarheid jegens zijnen redder en hij weet -er niets beters op te vinden, dan hem tot zoon aan te nemen. Als -eindelijk het uur der scheiding geslagen is, neemt hij onder tranen -van hem afscheid, want een voorgevoel zegt hem, dat hij hem nimmer -zal weerzien: - - - Hierop kuste - De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings, - Der helden besten, zijnen hals omvattend. - Den zilvergrijze zegen neer de tranen. (1914-17) - - -Geene mindere genegenheid voor zijne mannen legt Beowulf aan den dag. - -Hij alleen waakt in Heorot, terwijl zijne onversaagde makkers zich aan -den slaap overleveren, vol vertrouwen als ze zijn op zijne machtige -hoede, al zijn ze er dan ook zeker van, dat voor hen geen tweede -morgen zal dagen: - - - Niemand hunner hoopte - Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten, - Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen. (705-7) - - -Op het punt van in 't grondelooze meer te springen drukt hij Hrodgar -wel op het hart, om in zijne plaats de tochtgenooten tot vader te -strekken, mocht hij er het leven bij inschieten: - - - Indien ik eens in uwen dienst het leven - Verlaat, dat gij voor mij, den overledene, - Voortaan vervullen zult de plaats van vader. - O, Wees de wachter van de wapenlieden, - Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt. (1505-9) - - -Alvorens te sterven geeft hij aan Wiglaf zijne eigen wapenrusting -tot aandenken, als het kostbaarste pand, dat hij hem kon overlaten. - -Niet alleen is de koning een vriend en vader voor zijne mannen, -maar ook een weldoener. Wij zagen reeds, op welke wijze hij den -wapendienst vergeldt. - -Vrijgevigheid is een der hoofddeugden van den Germaanschen vorst, -terwijl de gierigheid naast den overmoed als oorzaak van zijnen -ondergang wordt aangemerkt; dit wordt bij Heremod bewaarheid. - -En geen wonder, want door mildheid kon hij zich alleen eene uitgelezen -schaar aanwerven; rijkdom was voor hem een onontbeerlijke hefboom -van het gezag. - -Hij heet dan ook de goudvriend, de schatheer, de gever van het goud; -de troonzaal is de giftstoel, de goudzaal. - -De gevolgsman draagt er niet weinig roem op, eenen milden heer -te dienen: - - - Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen, - De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten, - Dat ik een meer dan milden goudbegever - Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. (1512-15) - - -Het geschenk moet den gever en den begiftigde waardig zijn, zoodat -niemand er iets op af te dingen heeft: - - - Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen - Het kampgeraas de wijdberoemde koning, - De schatheer van den stam; gelijk geen stervling, - Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen. (1060-63) - - -Hetzelfde oordeel wordt uitgesproken over de aan Wulf en Eofor -toegekende belooning. (3101) - -Hrodgars geschenken dragen integendeel de goedkeuring weg van Beowulfs -mannen: - - - Onderwege - Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. (1930) - - -De drie hoedanigheden, welke Beowulf tot toonbeeld maken van den -Oudengelschen heerscher, zijn vervat in de slotverzen: - - - Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten, - Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen, - Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst. - - -Gaan wij nu de verhouding na van den gevolgsman tot zijnen gevolgsheer. - -Hier treedt de onverbreekbare trouw overal op den voorgrond. - -'t Is waar, de latere Romaansche volksdichten, alsmede het -Nibelungenlied, steken luide de loftrompet over de trouw van den -leenman tot zijnen leenheer; doch de Beowulf is hen voor geweest in -de verheerlijking dezer ridderlijke eigenschap, welke uit het volle -Germaansche gemoed is gegrepen. - -De wederzijdsche verknochtheid van heer en dienstman wordt -volgenderwijze uitgesproken: - - - Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel, - Aan dezen was de neef geheel genegen. - Elk hunner was des andren heil gedachtig. (2226-28) - - -Deze verkleefdheid toont de gevolgsman eerst en vooral op het slagveld: - - - 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden, - Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk - Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was. (2562-64) - - -Wiglaf drukt in zijne gloeiende rede hetzelfde uit. (2715 vlg.). - -Deze gehechtheid aan den vorst is niet het uitvloeisel van de hebzucht, -van het verlangen naar eene rijke belooning, maar van een hooger -beginsel, het plichtgevoel; al is het dan ook waar, dat een geschenk -steeds welkom is. - -Hiervoor pleit Beowulfs gedrag, die de hem door Hrodgar geschonken -kostbaarheden aan Hygelac en dezes gade afstaat, ja zelfs het -onwaardeerbare halssieraad, het eenige in zijne soort. - -Hrodgar roept Beowulfs hulp in, door hem te bezweren bij het leven -van Hygelac: - - - Mij bad de koning leedvol bij uw leven, - Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel. (2188-89) - - -De verknochtheid aan den koning der Denen, waarvan de held blijk -geeft, (hij belooft hem zelfs uit zijn land te hulp te komen, zoo -het noodig is), weegt niet op tegen die aan Hygelac. Daarom verzoekt -hij den vorst, alvorens het gevecht aan te gaan met Grendel, zijne -wapenrusting aan Hygelac te zenden, zoo hij er het leven laat. - - - Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegrukt, - Naar Hygelac het puike pantser henen, - Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed. (455-57) - - -Vóór den kamp op den bodem van het meer boezemen dezelfde gevoelens -hem de woorden in: - - - En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar, - De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. (1510-11.) - - -Dezelfde trouw, welke Beowulf voor zijnen heer aan den dag legt, -wordt hem op zijne beurt door zijne eigen krijgers bewezen. - -Denken wij aan het tooneel op den oever van het Nikkermeer, waar de -Gooten Beowulfs terugkomst reikhalzend te gemoet zien. Een bloedstraal -schiet te voorschijn. Het wachten moede aanvaarden de radelooze Denen -den terugtocht; de anderen nochtans blijven ter plaatse met den dood -in het hart. - - - De vreemden zaten droef van zin en tuurden - Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden - Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. (1635-37). - - -Er is nog een ander held, die zijnen meester in den drakekamp trouw -ter zijde staat. Het is de jonge Wiglaf, van wien de dichter zegt: - - - Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen. (2797) - - -Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is uitgetrokken, -ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde krijgers, -op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het plichtgevoel -gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu het ook zijn -bloedverwant is: - - - Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap - Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (2679-80) - - -Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te kort te schieten: - - - God weet van mij; mij ware 't wenschelijker, - Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler - Het vuur omving. (2732-34) - - -Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid zijner heldenziel heeft -neergelegd, is eene der schoonste bladzijden van het gedicht. - -Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat van denzelfden -jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter diens schild den -vuurspuwenden draak te lijf gaat. - -Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van Wiglaf, de -vruchtelooze pogingen, die hij in het werk stelt om zijnen heer, -aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het leven terug te roepen; -het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog op Beowulfs jongste -beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch vooral zijne -bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en zwijgend komen -aangedropen. - -Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan zijnen heer -in den steek te laten. - -Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende redevoering. Vreeselijk -is de straf, welke de eerloozen zal treffen; men zal met hen handelen -als onlangs in Frankrijk geschied is met Dreyfus, den verrader: -zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood verklaard, zij met -hunne bloedverwanten. - - - De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken, - Het heele haardgenot en heil, 't zal alles - Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen, - Verstoken van het landbezit der stammen, - Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders - Vernemen uwe vlucht vanuit de verte, - Uw roemberoofde daad. De dood is beter - Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven! (2986-93) - - -In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal gewaagd van wrevel, -zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de duistere episode -van Heremod, doch men houde wel in 't oog, dat wij hier met eenen -dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was met zijne -plichten als gevolgsheer onder den voet te halen. - -Even onberispelijk als de verhouding tusschen gevolgsheer en -gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het zijn -wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord. - -Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca niet moederziel -alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij gedurende 7 dagen -in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit elkander slaat. - - - In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder, - Hij door den vloed mij verre voor te bruisen, - Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (552-54) - - -Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder de Denen. - -Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de Deensche -krijgslieden voor te stellen: - - - Verzoek hen in te gaan en al te gader - Het broederbond te schouwen van de schare. (386-87) - - -Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf hare zonen met zijne -raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde eensgezindheid -blijve heerschen. - - - Elk krijger hier is heel verknocht den andren - En mild van zin. (1248) - - -Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook tusschen de Denen en -hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn op de heldendaden van -de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs nemen zij er geenen -aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische vrijmoedigheid -hun ronduit durft verklaren: - - - Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht, - Den onbesuisden lansstorm uwer lieden - Niet zeer te duchten heeft. (607-9) - - -Dat pleit niet weinig voor de welwillende voorkomendheid, waarmede -de Denen hunne gasten bejegenden. - -Hrodgar mag dus wel vóór het afscheid met volle vertrouwen verzekeren, -dat Denen en Gooten voortaan de handen broederlijk zullen ineenslaan, -zoodat de vriend of de vijand van het eene volk dit ook voor het -andere zal zijn: - - - De staalomwonden kiel zal over 't water - De gaven brengen met de gunstbewijzen. - Ik weet, dat tegenover vriend en vijand - Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare, - In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (1905-9) - - -Beschouwen wij nu het karakter van de helden op zich zelf; wij zullen -er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons met verbazing -slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen onsterfelijken -naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman, zooals het, -ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te voorschijn -treedt. - -Roemzucht is de voornaamste drijfveer van al de daden. - - - Nu wil ik, grijze wachter van de volken, - Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven. (2584) - - -Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige heerscher voor den -drakekamp. - -Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de andere menschen -te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van zijn lange -leven herinnert hem Wiglaf daaraan: - - - Beste Beowulf, - Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger - Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer - Uw eere laten zinken bij uw leven. (2745-48) - - -Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men luistere naar de -volgende fiere taal: - - - Dat hij behale, - Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven! - 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. (1413-15) - - -Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten arbeid: - - - Gij hebt verkregen, - Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren - Altoos voor later tijd. (968-70) - - -Dit verlangen verbonden met een levendig plichtbesef, dat wij reeds bij -Wiglaf leerden op prijs stellen, zet tot handelen aan. Overheerschend -is deze begeerte naar roem; zij overwint alle aarzelingen, zet alle -beschouwingen ter zijde en wapent den held met doodsverachting. - -Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt voor hem niet -op tegen den roem: - - - Dit was mijn streven, toen ik steeg te water, - De kiel beklom met mijnen drom van dappren, - Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde, - Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen. - Dus zal ik deze ridderdaad verrichten, - Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (643-48) - - -Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht met Grendels moeder -(1518) en met den draak (2609). - -Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet enkel -voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is nog -iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door -een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk: - - - Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid - In 't strijden staan. (613) - - -Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te bevechten; zijn doel -is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen zijn eigen volk en -de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van de hand wijst. - -Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het vaderlandsche -doel, dat hij voor oogen had bij al zijne ondernemingen: - - - Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt - Door 't wapenfeit. (2150) - - -Dit streven naar roem, de springveer van alle groote daden, brengt -die zucht naar avonturen mede, waarvan de tocht naar Hrodgar het -klaarste blijk is: - - - Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst - Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (1880-81) - - -De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek afgelegd. Er -valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen tusschen de -Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne strooptochten -ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van door zulke -lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om Hrodgar -zijne hulp aan te bieden: - - - Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning, - Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen - Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (203-5) - - -En wat verder: - - - Hrodgar kan ik wijzen - Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede - Den vijand vleuglen zal. (280-82) - - -Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem «tot hulpbetooning» -heeft opgezocht. - -Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als de -veronderstelling, dat Beowulf door gouddorst aangezet wordt. Bij de -vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze kantteekening -toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te lichten. - -De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel uit: - - - Goudgierig was hij niet. (3185) - - -Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd. - -Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de schatten -onaangeroerd: - - - Niet meerder schatten - Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten, - Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen - Met dat gevest van glimmend goud. (1643-46) - - -'t Is waar, bij het zien van de juweelen uit het drakenhol springt -zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit goud, dat hij met -zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal komen: - - - Den Heer van alles weet ik dank met woorden, - Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder, - Voor al de schatten, die ik hier beschouwe; - Omdat ik deze, vóór mijn stervensstonde, - Erlangen mocht ten bate mijner mannen. - Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat, - Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden. (2889-95) - - -Welke edele taal in den mond van eenen heiden! - -Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op hunne beurt niet -ten achter bij hunnen vorst. - -Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde handen over -te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem verdwijnen: - - - Geen enkel stuk alleen zal met den stoute - Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels, - Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen - Ten laatste nog, betaald met eigen leven: - De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken. (3118-22) - - -Zelfs niet het geringste kleinood zal tot gedachtenis -overschieten! (3123-24) - -De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij komen niet op -tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf toegedachte rijkdom -voor hen verloren gaat; en toch moest die verblindende pracht hun de -oogen uitsteken: - - - Niet een dien 't rouwde, - Toen zij in aller ijl naar buiten brachten - Den kostbren schat. (3243) - - -De drakeschat wordt in den grafheuvel neergelegd: - - - Zij lieten de aard der helden tooi behouden, - Het goud in 't zand, alwaar het zit tot heden, - Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen. - - -Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder tonen en grooter -afmetingen de eigen dapperheid, de eigen doodsverachting en trouw -te voorschijn, hij treedt in de schaduw overal, waar het op adel van -gevoelens, op zedelijke ontwikkeling aankomt. - -Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt, zelfs niet voor -eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de ridder «zonder -vrees noch blaam». - -Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot hoogste wet -verheven is; integendeel hij is zachtaardig: - - - Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte - Bewaakte met de meeste macht eens menschen - De reuzengave, hem door God geschonken. (2238-40) - - -Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan springt hij kloekmoedig -in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk zijne reuzenkracht ter -beschikking van het goede recht, het komt er niet op aan, of de -ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of vreemdelingen zijn. - -In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven zoekt, tracht -hij de anderen er niet aan bloot te stellen. - -Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen zal het hoofd -bieden aan den draak: - - - Niet uwe taak is dit, niet toegemeten - Aan een der mannen, dan aan mij den ééne, - Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte - En ridderdaân verricht. (2606-9) - - -Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te hebben, ten einde -zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te behalen. - -Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te mogen bestrijden -enkel en alleen met zijne Gooten: - - - U, hoofd der Helden-Denen, - U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede: - Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert, - O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre, - Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide, - Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (429-34) - - -Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak met een leger aan -te vallen: - - - De uitreiker van den ringensmuk versmaadde - Nochtans, den ommevlieger aan te tasten - Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. (2410-12) - - -De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat hij Grendel, de -belichaming van de domme kracht, wien alle edele gevoelens vreemd -zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen ridderlijken tweekamp -aan te bieden. - -De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij gevolg zal de -held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem verzekert: - - - Ik wil hem dus niet dooden met het wapen, - Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden. - Hij kent de kampgewoonte niet van weder - Te schenken eenen slag, het schild te beuken, - Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten. - Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken, - Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (692-98) - - -Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer, dat hij het noodig -acht zich te verontschuldigen, omdat hij met wapenrusting en schild -tegen den draak te velde trekt: - - - Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur, - Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens - Het schild en krijgerkleed. (2594-96) - - -Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen gewetenloozen en -geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel verzaken: dat zijn -twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen nieuwen adelbrief, -de ridderlijkheid, toekennen. - -De taal bezit insgelijks het woord: eorl-scipe: ridderlijkheid; -eorlscipe efnan: ridderlijke daden volbrengen. - -Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom der -Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische volkspoëzie -bewijst het) onderscheiden zich van de al te stoffelijke Semieten -door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in geen volksepos is er -een held aan te wijzen, die, wat zedelijke grootheid betreft, onzen -Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag onder dit opzicht gerust -de vergelijking met Homeros' helden doorstaan; zij zal niet in zijn -nadeel uitvallen. - -Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom, om de -zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan eens -zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren. - -Vermelden wij nog ter loops den eerbied voor den ouderdom, alsmede -Beowulfs rechtschapenheid, immers hij weigert den troon, hem door -Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met de waarneming van de -voogdijschap tijdens de minderjarigheid van Heardred; en gaan wij -over tot eenen laatsten karaktertrek, die den aangeboren ernst der -Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen. - -Müllenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste, de grootspraak, -de ophemeling van eigen wapenfeiten. - -En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering aan zijne -groote ondernemingen. - -Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft hij lucht aan -dien onweerstaanbaren aandrang: - - - Zij kenden toch de maat van mijne krachten; - Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen - Ik bontbebloed terugkwam van den vijand, - Alwaar ik vastgebonden had een vijftal, - Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers - Bemeesterd in het midden van de baren, - Benarden nood beleefd, het leed der Weders - Gewroken (want zij duldden vele weeën) - 't Vijandig volk vergruisd. (419-27) - - -Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht te denken, als -wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op eigen kracht, -hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen is. - -Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de uitdagingsrede, -de gilp-cwide, welke door het gebruik was voorgeschreven. - -Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders. De helden -zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den eenvoud -des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel -is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt, -ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach -van tevredenheid weet te onderdrukken. - -Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets bijhangt; het -is geen opsnijder, geen lachwekkende miles gloriosus van het oude -blijspel. - -Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de schildering van den -zwemwedstrijd en voegt daarom toe: - - - Niet bral ik dies. (598) - - -Verre van zijne tegenstanders te beschimpen of te kleineeren, laat hij -hun recht wedervaren, al acht hij zich ook hun meerdere; dit bevinden -wij bij Brecca, wiens stoutmoedigheid en zeegehardheid door hem ten -volle erkend worden. - -Hij geeft toe, dat Grendel wijdberoemd is door wapenfeiten (696) -en dat hij hem niet kon beletten te vluchten: - - - Ik kon hem, daar het God niet gunde, - Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig - Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand. (980-82) - - -Zoo hij er het leven heeft afgebracht tegenover Grendels moeder, -dan is het dank aan hoogere tusschenkomst: - - - Mij was het strijden - Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. (1689) - - -Unferd is de eenige persoon, die door afgunst geprikkeld, zich tegen -de heuschheid bezondigt, welke hij aan de gasten verschuldigd is. Tot -verschooning kan aangevoerd worden, dat hij bedronken was. - -'t Is ook de man, die zich aan zijne bloedverwanten vergrepen heeft. - -De gerechte straf blijft niet uit, al is het ook waar, dat hij later -berouw gevoelt en zijne handelwijze tracht te vergoelijken, met zijn -zwaard aan Beowulf te leenen. Voor hem is de ondankbare rol weggelegd; -want het stuit allen tegen de borst, dat een man, die zich zulke -aanmatigende taal veroorloofde en van wiens dapperheid zij eenen -hoogen dunk hadden, niet hetzelfde aandurft als Beowulf: - - - Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. (1498) - - -Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet noemenswaardige -plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij gezien, dat de -eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke zich in de -Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde bewaarheidt, ook -hier eene teedere snaar had doen trillen in die mannelijke harten; -doch troosten wij ons, want het schoone Fransche epos, la Chanson de -Roland, waar Aude eene vluchtige, schoon onvergetelijke rol vervult, -heeft dit met het Engelsch gedicht gemeen. - -De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan de jonkvrouw -«met samengebonden lokken» (3264), welke bij Beowulfs brandstapel haar -verloren levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken -van wettige echtgenoote kunnen worden uitgereikt. - - - -Doch kleven er geene smetten aan die schitterende heldengestalten, -die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze vergetelheid? Hebben -zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene trekken behouden -van de vroegere barbaarschheid? - -Het antwoord luidt bevestigend. - -Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de plunderingen, waaraan -zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval en bij Finns dood, de -schaking van Ongentheows echtgenoote door krijgsgeweld, doch vooral -de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de Nibelungen zoolang na -de invoering van het Christendom heeft stand gehouden. - -Wij hebben het oog op de bloedwraak, dien vreeselijksten aller -hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met hun «slingerslangig -haar», welke in de geschiedenis van alle volken, doch vooral bij de -Germaansche stammen thuis hoort. - -Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen te voorschijn, -die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te bekoren, zoo -groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de diepte woelen -onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen. - -Bloedwraak is de heiligste plicht. - -Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd, Grendel te -doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten schoten -daarin te kort. - - - Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes - Zich niet de krijgers, door het nat bedronken, - In deze drankzaal met de grijns der degens - Te willen wachten op den greep van Grendel. (485-88) - - -Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers, de veete heeft -van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit netelig -oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch nu -treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt: -'t is Grendels moeder. - - - Nu daagde een ander machtig euveldader, - Het was zijn doelwit, zijnen zoon te wreken. (1663-64) - - -De grijze koning voorziet geen einde meer aan al die bloedtooneelen: - - - En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. (1365) - - -Wij zien ook, dat Beowulf na zijne troonsbeklimming zich met Eadgils -verbindt, om wraak te nemen over den dood van Heardred, die vroeger -in den oorlog met de Zweden gevallen was. - -In deze twee voorbeelden kan men ten minste de wraakoefening billijken, -wel te verstaan van het heidensch standpunt beschouwd der betrokken -personen; doch er doen zich ook gevallen voor, waar de denkbeelden, -die, naar wij gezien hebben, de mannen zich van eenen held vormden, -geheel en al worden omvergegooid; want tegenover dezen plicht houden -alle andere plichten op. - -De bloedwraak wettigt de vuigste, minst ridderlijke daden; zij -veroorlooft eedbreuk, ondankbaarheid, kwade trouw en huichelarij. - -Wat anders zien wij in de Finnsepisode, waar de Denen in bezongen -worden? - -Hengest kan den dood van Hnaf niet verkroppen; voor het oogenblik -nochtans is hij machteloos en in naam zijner Denen zweert hij aan Finn, -den Friezenkoning: - - - Dat hunner niemand, noch door woord noch werken, - Het bond ooit breken zou, door arglist letten. (1112-13) - - -Hij ontvangt huisvesting en geschenken van den vorst, blijft den -langen winter bij hem, men zou zeggen, in de beste verstandhouding: - - - In alles een bij Finn; (1143) - - -terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in het geheim de -onfeilbare wraak uitbroeit. - -Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de aangebeden gade. - -Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om hem met zich te -verzoenen schenkt Hrodgar hem de hand zijner dochter. Een tijd lang -sluimert de wraakzucht in de borst van den jongen krijger, ingewiegd -als zij is door het huwelijksheil. Doch daarna breekt zij plotseling -en verdelgend los, en de vreugde verkeert in wanhoop: - - - Dan zal der ridders eed van beide zijden - Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld, - En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (2118) - - -De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn geweest van zulken -plotselingen omkeer, want er staat: - - - Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer - Een korte wijle na den val des konings, - Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (2082-84) - - -Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die den gevallen -bloedverwant niet wreekt. - -Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja onovertroffen -verhaal van koning Hredel. - -Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn, toevallig -bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding; dit is -de ijzeren wet. - -Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard, welke treurt -over het verlies van zijnen oudsten zoon! - - - Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde - De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren; - Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder - Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot. - - -Wie beseft niet den strijd, welke in zijn binnenste omgaat tusschen -zijnen plicht en zijn vaderhart; immers hij kan den dooder niet -straffen, want het is ook zijn zoon! - - - Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren, - Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan 't galghout. - Dan moge hij 't weemoedig lied verheffen, - Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt, - De raaf tot lust, terwijl hij geene redding - Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (2514-19) - - -Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen, verbergt hij zich -in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want - - - het leek hem alles - Te ruim, en veld en woon. (2531) - - -De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst in den dood: - - - In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte, - Verliet hij toen der menschen lustgewemel - En zocht het licht van God. (2538-40) - - -Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk gedaan heeft -aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt eene -loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe onverklaarbaar -dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch is gebleven. - -Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak nooit zijn -gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met kalmte -te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te verwijten: - - - (ik) zocht geen moordlist, - Noch legde menig eed af onrechtmatig. - Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen, - Om 't al verheugen, want de Heer der menschen - Zal mij den moord niet wijten van de magen. (2826-30) - - - - -CHRISTENDOM. - -Alle beoordeelaars zijn het eens, dat het Christendom geenen -ingrijpenden, maar eenen hoogst oppervlakkigen invloed op het epos -heeft uitgeoefend. - -Deze invloed is aan den inlasscher te wijten, wiens bedrijvigheid -gemakkelijk te onderkennen is. - -Gaan wij de sporen van zijne werkzaamheid na. - -Wat aan het heidendom herinnerde werd of weggelaten (dit kunnen wij -dus niet meer nagaan), of met eene christelijke kleur overgoten. Zoo -trad de ééne God in de plaats van het heidensche godendom. - -De inlasscher volgt hier dus dezelfde gedragslijn als die, welke de -geloofspredikers zich bij de heidensche gebruiken en bijgeloovigheden -hadden voorgeschreven: zij roeiden ze niet uit, want ieder nieuw -beginsel kan slechts gedijen door zich bij 't bestaande aan te sluiten, -maar zij ontnamen er het heidensche karakter aan, door ze met de -kerkelijke plechtigheden of met den dienst der heiligen in verband -te brengen. - -1º Aan God wordt in het gedicht eene ruime plaats ingeruimd. - -Hij bestuurt het menschdom: hij schenkt roem en overwinning (dit -is nochtans ook een kenmerk van Wodan); hij stelt eenen wachter op -tegen Grendel, zijnen vijand, want hij alleen kan hem beteugelen; -hij gedoogt niet, dat de op hem vertrouwende Beowulf door Grendels -hand zal sterven; hij toont hem het reuzenzwaard, enz. enz. - -God wordt bedankt voor verleende hulp: zoo prijst Hrodgar hem bij -Beowulfs opbeurende woorden, bij de nederlaag van Grendel, bij het -zien van dezes hoofd; zoo doet Beowulf na den voorspoedigen overtocht, -zoo de Gooten als hun vorst uit het meer opduikt, en Hygelac bij het -terugzien van Beowulf. - -Hij bestuurt het heelal: hij is de ware schepper, regelt de -jaargetijden, doet de planten groeien en schenkt ons het licht der zon. - -Hemel, hel en duivel worden ook genoemd. - -2º Deze invloed doet zich nog gelden in de bijbelsche toespelingen: -dag des oordeels, schepping, zondvloed, Kaïn, en in de christelijke -zedelessen, welke rechts en links met kwistige hand zijn rondgestrooid -en waarop wij bij gelegenheid zullen terugkomen. - -3º Eenige Kenningar zijn van christelijken oorsprong. Hiertoe behooren -de omschrijvingen van God, b. v. de eenige heer, de koning der glorie, -de albestuurder, de hemelkoning, de roembeschikker, de hemelbestuurder, -de glorievorst, de glorieherder, de albeheerscher, de vader, de heer -des levens, der daden rechter enz. - -Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat Wodan ook vader, alvader, uitdeeler -der glorie, roemvervuller geheeten wordt. - -Hel, hemel en duivel worden niet met Kenningar bedacht; want het is -niet uit te maken, of de benamingen van Grendel oorspronkelijk van -den duivel gezegd werden. - -Sterven wordt omschreven door: in 's Heeren hoede sterven; het heil -des hemels zien; het heil der heiligen, het licht van God zoeken. - -Men ziet hieruit, dat het wezen zelf van het epos onaangetast blijft. - -4º Christelijke inwerking is nog te bespeuren in Beowulfs opvatting -van den tweekamp, waarin hij een soort van godsoordeel ziet; dit doet -hij tot tweemaal uitschijnen: - - - En wien de dood dan wegrukt, - Die zal verstaan des Albestuurders oordeel. (442) - De wijze Godheid zal daarop de zege - Verbinden aan de hand van een van beiden, - De heilige Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt (699-701). - - -Deze opvatting ontstond in 't begin der 6de eeuw alleen bij de Germanen -en dan nog na hunnen overgang tot het Christendom [2]. - -Het dient opgemerkt, dat de Christelijke toevoegsels nu en dan zich -tegenspreken. - -De dichter zegt van de Denen, als er sprake is van de heidensche -tooverkunsten om Grendel te bezweren: - - - Dat waren zoo hun zeden, - Hun heiden-denkwijs; naar de helle streefden - Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester enz. (182-84). - - -Het waren dus heidenen! Later nochtans ziet de inlasscher deze -uitspraak over het hoofd, wanneer hij Hrodgar bij herhaling God laat -bedanken en hem zelfs eene stichtelijke redevoering in den mond legt: - - - O Wacht u voor dit zoo verwaten streven, - Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste, - En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend welzijn (1794-96). - - -Eenige sporen van het heidendom hebben zelfs stand gehouden, als -de wichelarij (208), het weefsel der zege, de vloek op 't goud, -de everhelmen, de reuzen en nikkers, doch vooral het geloof aan -het noodlot: - - - Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot. (459). - - 't Noodlot sleepte - De helden heen naar Grendels schrikverschijning (481). - - -Zelfs wordt het op ééne lijn met God genoemd: - - - Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid - Met Wyrd en moed des mans (1070-71). - - - - -HELDENSAGE EN VOLKSEPOS. - -Het volksepos put zijne stof uit de heldensage. - -Door heldensage verstaat men den gezamenlijken schat van nationale -overleveringen uit het heldentijdvak van een volk, welke het ontstaan -schonken aan eenen kring van epische liederen, met een of meer helden -tot middelpunt. - -De heldensage bestaat dus uit afzonderlijke sagen, die elk op zich -een bepaald feit als een afgesloten geheel behandelen. - -Zoo schildert het Hildebrandslied, dat tot de Oostgotische heldensage -van Diederik van Bern behoort, den strijd tusschen Diederiks dienstman -Hildebrand en dezes zoon Hadruband. - -Zoo toovert ons het schoone Finnsburgfragment, dat tot den kring -der Noordzeeheldensage gerekend wordt, den aanval der Friezen op de -Finnsburg voor oogen. - -Bijna alle epische zangen, welke zich in het volksheldendicht -opgelost hebben, zijn als zelfstandig geheel verloren geraakt; -nochtans kan men uit hoofde van het hier gezegde hun bestaan niet in -twijfel trekken, te meer daar zij bij de ontleding van elk volksepos -in zijne hoofdbestanddeelen bij benadering zijn aan te wijzen. - -Twee andere bewijzen vinden wij in de geschiedenis, welke, zooals -gewoonlijk, ook hier eene hulpvaardige hand aan de letterkunde reikt. - -Tacitus zegt, dat de geschiedenis der Germanen uit aloude zangen -bestond, waarin zij hunne goden en helden verheerlijkten [3]. In -zijnen tijd bezongen zij zelfs Arminius, die eenige jaren te voren -het volk van het Romeinsche juk bevrijd had [4]. - -Jornandes [5] getuigt hetzelfde van de Goten: - -«Zij verheerlijkten in het lied door zang en harp de daden -der voorvaderen, van Ethespamara, Amala, Fridigern, Widicula en -anderen, van welke deze volken eenen hoogen dunk hebben, zoodat de -bewonderenswaardige oudheid nauwelijks er op kan bogen, zulke helden -te hebben gehad.» - -De dichterlijke overlevering in den volksmond is een der hoofdbronnen, -waaruit de eerste kroniekschrijvers over Germaansche toestanden hunne -berichten geput hebben, bij gebrek aan geschiedkundige bescheiden. Het -is de taak des geschiedschrijvers, deze sagen, in een historisch gewaad -gestoken, van de geschiedkundige bestanddeelen streng af te zonderen; -voor ons is de wetenschap voldoende, dat zij bestaan. - -Jornandes heeft, hoofdzakelijk waar hij over Hermanaric en Attila -spreekt, buiten kijf de volkspoëzie geraadpleegd. - -Savagner erkent dit in zijne inleiding: - -«...l'on ne peut reconnaître et déterminer les passages que Jornandès -doit à Cassiodore, ceux qu'il doit à d'autres auteurs, ceux enfin où -il prétend s'appuyer sur les antiques traditions et sur les chants -nationaux des Goths.» bl. VII. - -Paulus Diaconus heeft ons in zijne geschiedenis der Longobarden den -rijksten schat van heldenoverleveringen bewaard. - -De monnik Widukind nam meer dan een oud lied in zijne Res gestae -Saxonicae op. - -Saxo Grammaticus behandelde de ontelbare dichterlijke verhalen, welke -hij uit den mond zijner landgenooten opteekende, als de kostbaarste -bouwstof voor zijne geschiedenis der Denen. Zij beslaan de negen -eerste boeken zijner kroniek en vormen gedurende verscheidene eeuwen -uitsluitend de geschiedenis van Denemarken [6]. Van al de Germaansche -stammen werden tot nog toe alleen de Franken beschouwd als arm te -zijn aan epische overleveringen. - -Dit dwaalbegrip heeft Kurth in zijn standaardwerk voor goed uit den -weg geruimd [7], een werk dat de sagenvorscher in het vervolg dient -te raadplegen en dat den geschiedkundige het middel aan de hand doet -om historie en dichterlijke overlevering te schiften. - -Hij toont aan, dat de drie kroniekschrijvers van het Merovingische -tijdperk: Gregorius van Tours, Fredegarius en de naamlooze schrijver -van Liber Historiae op vele plaatsen geenen anderen zegsman kunnen -gehad hebben dan de levende volksoverlevering. - -Uit de balans van geschiedenis en sage, welke hij opmaakt, blijkt -zonneklaar, dat in dit opzicht de Franken door geen ander Germaansch -volk in de schaduw gesteld worden. - -Nu dat het bestaan van afzonderlijke sagen boven allen twijfel -verheven is, kan men zich afvragen, hoe zij tot stand kwamen. Zij -zijn te beschouwen als de natuurlijke uiting van den algemeenen -volksindruk bij het aanschouwen van eene belangrijke gebeurtenis of -van een treffend natuurverschijnsel. - -Geven wij hier het woord aan Jonckbloet [8]: - -«Hoe jonger een volk, hoe meer er een algemeen peil van ontwikkeling -is, waarboven zich ter nauwernood iemand verheft. - -Treffende gebeurtenissen moeten dus wel op allen nagenoeg denzelfden -indruk maken: vandaar, dat het epische lied, door één begaafde -ontboezemd, weerklank vindt bij allen, gemakkelijk onthouden en van -mond tot mond voortgeplant wordt. - -Daar het gewrocht van een enkelen intusschen niet volkomen den geheelen -volksgeest teruggeeft, wordt er bij de mondelinge overlevering hier -een trek weggelaten, daar een andere aan toegevoegd, totdat eindelijk -het geheel, ontdaan van wat er nog individueels aan mocht kleven, -werkelijk de ware volksuitdrukking genoemd mag worden. Daarom draagt -die overlevering terecht den naam van volksoverlevering, of, daar zij -zich steeds in dichterlijken vorm openbaart, van volkspoëzie. En geen -afzonderlijke zanger is als de zelfstandige dichter aan te wijzen, -omdat inderdaad de geheele stam, het geheele volk, heeft bijgedragen -om haar te vormen.» - -De dichter of beter de voordrager van zulke sagen heette bij de -Angelsaksen scop; soms was hij te gelijkertijd toonkunstenaar en -begeleidde zijne voordracht met de harp; somtijds reisde hij van -land tot land, gelijk het overal in de middeleeuwen de gewoonte der -wandeldichters gebleven is. - -Zoo was het mogelijk, dat de heldensagen van het vasteland in Beowulf -eenen weerklank vonden, ja, dat bij de Angelsaksen een gedicht kon -ontstaan, dat het wereldburgerschap van het latere Engelsche volk -reeds in de kiem vertoonde, de Wîdsîdh of Verbereisde, hun oudste -letterkundig gewrocht, waarin wij een overzicht hebben van al de -destijds bekende helden der volksverbeelding. - -Doch hieruit volgt ook, dat het voortbestaan van de sagen aan vele -wisselvalligheden onderhevig moest zijn. - -Dit springt nog meer in 't oog, wanneer men nagaat, dat deze liederen -enkel aan het geheugen toevertrouwd werden en dat zij mettertijd in -aantal moesten toenemen. - -Zoo kon, gelijk ten Brink aanmerkt, den eenen dichter iets bekend -zijn en den anderen niet, en zoo was het geval mogelijk, dat eene -sage, welke oorspronkelijk bij eenen bepaalden stam inheemsch was, -er later uit den vreemde in gewijzigden vorm terugkeerde en als iets -nieuws werd opgenomen. - -Zoo doet zich het verschijnsel ook voor, dat dezelfde dichterlijke -gegevens opvolgendlijk in den loop der tijden op verschillende personen -worden overgedragen [9]. - -Dit zien wij in de Sigmund-episode. - -Nochtans kon er geen sprake zijn van oorspronkelijkheid in de -tegenwoordige beteekenis van het woord. - -Niet alleen was de dichter, ten minste voor 't Angelsaksisch, -aan eene bepaalde beeldspraak en versmaat gebonden, maar hij was -ook verplicht zich, wat de stof aanbelangt, aan de overlevering -te houden, zooals die iedereen in de voornaamste trekken voor den -geest zweefde; b. v. aan het ideaal, dat zich het volk voorstelde, -aan de schildering van een karakter, waarvan men zich eene bepaalde -en geliefkoosde voorstelling gemaakt had. - -Ten Brink kenschetst dezen toestand in de volgende woorden: - -«Dies ist also ein geistiger Zustand, wo fast jede Reproduktion etwas -von eigener Produktion und wo jede Produktion ohne Ausnahme ein gut -Teil blosser Reproduktion in sich enthält.» - -Deze, zooals blijkt, van nature zoo veranderlijke sagen werden nog door -twee groote geschiedkundige feiten gewijzigd: door de volksverhuizing, -welke het oude op den achtergrond schoof en met eenen nieuwen -toevoer van personen en daden vermengde, en door de invoering van het -Christendom, dat de heidensche bestanddeelen uitroeide, vervormde, -of er christelijke denkbeelden bijtrok. - -Op deze wijze bleef de heldensage als een levend iets in onafgebroken -wording, in gedurige stofwisseling voortbestaan, totdat eindelijk -een min of meer bekwaam dichter opstond, die de losse deelen tot één -geheel vereenigde: het volksepos was geboren. - -F.-A. Wolf heeft op het einde der vorige eeuw den weg gebaand tot -deze levenwekkende beschouwing van het volksepos in zijne Prolegomena -ad Homerum, waarin hij aantoont, dat de Odyssee en de Ilias niet het -uitsluitend werk van eenen dichter, maar van onderscheiden rhapsoden -zijn. - -De Duitsche geleerden, welke op het gebied der Germaansche letterkunde -denzelfden weg insloegen hebben dit stelsel verder ontwikkeld en op -deze wijze aan de geschiedenis een vuurbaak ontstoken op het duistere -pad der vroegste middeleeuwen. - -Eene andere vraag doet zich op: Welk is het wezen der heldensage; -uit welke soort van dichterlijke overleveringen is zij saamgevloeid? - -Drie bestanddeelen zijn in de Germaansche heldensage te onderscheiden: -geschiedenis, mythus en dichterlijke vinding. - -Gaan wij elk der drie punten na: - -Het epos is bij alle volkeren de eerste vorm van geschiedenis geweest; -'t is, naar de eigenaardige uitdrukking van Kurth, de geschiedenis -vóór de geschiedschrijvers. Het volk onthoudt alleen die trekken, -welke het begrijpt, welke tot zijne verbeelding spreken, den weg tot -zijn hart vinden; het bewondert den held en mensch, niet den staatsman, -en ziet dikwerf gebeurtenissen over het hoofd, die onder geschiedkundig -oogpunt het meeste gewicht in de schaal leggen. - -Wat b. v. de volksverbeelding in Clovis zoozeer boeit, is niet de -groote rol, welke hij in Gods wereldplan vervulde, de verovering van -Gallië en de grondvesting van een machtig christelijk rijk; maar wel de -omstandigheden van zijn huwelijk, de parten, welke een geslepen Romein -hem speelde, zijne ongenadige bijlslagen en zijne moorddaden [10]. - -Zoo lang als de menigte de dichterlijke overleveringen voor zuivere -waarheid aanneemt, blijft epos en geschiedenis vermengd; doch zoodra -zij het onderscheid begint in te zien tusschen de geschiedkundige -werkelijkheid en de ideale voorstelling, welke zij er zich van gemaakt -heeft, dan is het morgenrood voor de geschiedenis en de avondglans -voor het volksepos verschenen [11]. - -Een groot feit, dat den eigen stam of naburige stammen getroffen heeft, -moet onmiddellijk, onder den indruk der gebeurtenissen, liederen -doen ontluiken, op straffe van anders te verdwijnen met het geslacht, -dat er van getuige was; want eene geschiedkundige volksoverlevering -bestaat er niet. - -Het is opmerkenswaardig, dat dit groot feit gewoonlijk eene nederlaag -is. De reden ligt voor de hand [12]. - -Voor krijgshaftige volken is de zegepraal hunner vorsten iets zeer -natuurlijks en gewoons, terwijl hunne nederlaag ondenkbaar is. - -Hiertegen komt de gekrenkte volkstrots in verzet; hij tracht de -nederlaag te verbloemen door den tegenstand zoo heldhaftig mogelijk -op te hemelen, den roem der weerpartij echter te verkleinen door de -overwinning aan de overmacht ofwel aan verraad toe te schrijven [13]. - -Stappen wij over tot het tweede punt. - -De zucht om de daden van zulk een geschiedkundigen held breeder uit te -meten en in een bovennatuurlijk licht te plaatsen heeft de versmelting -ten gevolge van de historische sage, waarvan wij hierboven spraken, -met de mythische of heroïsche, d. i. met overleveringen van goden -en halfgoden uit een ouder tijdperk, overleveringen, die in den -grond niets anders zijn dan eene dichterlijke verpersoonlijking der -natuurkrachten. - -De neiging tot het bovennatuurlijke is eigen aan de volken, welke nog -op den eersten trap der beschaving staan. Ziet men dit niet bij de -wilde stammen, die vrije kinderen der natuur, ja bij sommige eenvoudige -landlieden uit onze onmiddellijke omgeving? Zoo spreekt, om maar één -voorbeeld te noemen, Gustave Aimard in een zijner boeiende verhalen -van zijne persoonlijke kennismaking met een Indiaansch opperhoofd, -die maar niet kon gelooven, dat Napoleon I gestorven was. Immers de -zon sterft nooit, en de groote sachem der blanken was voor hem een zoon -der zon en diende bij gevolg onder de goden gerangschikt te worden. - -Aimard voegt er bij, dat ongetwijfeld menig Fransche landman in die -meening deelde. - -Het derde bestanddeel is eindelijk de dichtkunst, welke de daden van -den zoo vergoddelijkten held met omstandigheden van eigen schepping -opsmukt en somtijds aan hoogere, zedelijke eischen voldoening geeft. - -Passen wij deze beginselen op het Beowulfepos toe. - -Onze taak zal zijn aan te toonen, dat er een geschiedkundige Beowulf -bestaan heeft, op wien de daden van eenen heros, Beowa geheeten, -zijn overgebracht. - - - - -GESCHIEDENIS. - -De geschiedkundige grond van den Beowulf is eene nederlaag en wel de -inval, welken de Deensche koning Chochilaicus in 515 in de gouw der -Hattuarische Franken ondernam. - -In ons epos wordt ook gewaagd van andere gebeurtenissen, welke, -blijkens het boven gezegde omtrent het volksepos, van geschiedkundigen -aard moeten zijn. - -Wij bedoelen namelijk den oorlog met de Zweden, waarvan geen -geschiedkundig getuigenis bestaat; doch deze oorlog komt hier niet -in aanmerking, daar Hygelac en niet Beowulf er de hoofdrol speelt, -zoodat deze strijd niet de aanleiding kan zijn geweest tot het ontstaan -van het gedicht. - -De Frankische kroniekschrijvers hebben gelukkigerwijze den strooptocht -van Chochilaicus aan de vergetelheid ontrukt. - -Het bericht van Gregorius van Tours, III, 3, luidt als volgt: - -«Na dit alles randen de Denen onder hunnen koning, Chochilaicus -geheeten, over zee Gallië aan met eene vloot. Na aan wal gestapt te -zijn verwoesten zij een pagus (gouw) van Theodoriks gebied, zij maken -gevangenen en bereiden zich om naar hun vaderland terug te keeren, -na de schepen zoowel met de gevangenen als met den overigen buit te -hebben beladen. - -Hun koning was op den oever neergezeten in afwachting dat de schepen -in volle zee waren, om daarna zelf te volgen. - -Toen dit aan Theodorik bericht werd, nl. dat zijn rijk door de -buitenlanders verwoest werd, zond hij zijnen zoon Theodebert naar -die streken af met een groot leger en eene groote oorlogstoerusting. - -Deze versloeg, na den koning gedood te hebben, de vijanden in een -scheepsgevecht en gaf den ganschen krijgsroof aan de landzaten terug.» - -De andere Frankische bron, Liber Historiae (Gesta regum Fraticorum,) -zegt hetzelfde op beknopte wijze en duidt tevens de streek aan met -den naam van pagus Hattuarius. - -De koning der Franken, waarvan sprake is, is Clovis' oudste zoon, -Theodorik I van Austrasië, de held van meer dan een epischen zang. - -Om hem te onderscheiden van den Oost-Gotenkoning Theodorik den Groote, -werd hij Theodorik de Frank of de Huge geheeten, en als zoodanig -verschijnt hij onder den naam van Hug-Dietrich in de Duitsche -heldensage. - -Daar noch Gregorius van Tours noch zijne opvolgers eenige schriftelijke -oorkonde omtrent Clovis' zonen ten dienste stond, moeten zij deze -wetenschap uit de epische overlevering der Franken opgedaan hebben -[14]. - -Dit wordt nog bevestigd door het volgende bericht, dat toevalligerwijze -in een handschrift van Phaedrus uit de 10e eeuw is opgenomen: - -In de 9e en 10e eeuw waren nog in een eiland, aan de Rijnmonding -gelegen, reuzig groote beenderen te zien, welke naar het volksgeloof -aan koning Hunglac, waarvan wondere zaken verteld werden, zouden -hebben toebehoord [15]. - -Het staat dus vast, dat deze strooptocht der Denen zulken diepen -indruk op de overwinnaars had te weeg gebracht, dat de herinnering -ervan na vier eeuwen nog niet was uitgewischt. - -Doch overweldigend moet de schok dier nederlaag geweest zijn op het -gemoed der Denen, daar zij het aanzijn schonk aan den Beowulf. - -En inderdaad het verhaal van den Frankischen geschiedschrijver stemt -in de hoofdlijnen overeen met de beschrijving, welke het epos ons -op meer dan eene plaats geeft van de nederlaag der Deensche Gooten -onder hunnen koning Hygelac, een naam, die volgens de wetten der -woordafleiding aan Chochilaicus beantwoordt. - -Het spreekt van zelf, dat de geprikkelde eigenliefde van het volk -deze nederlaag met de schoonste kleuren heeft afgemaald, zoodat -Hygelac slechts voor de overmacht zwichtte, en zijn neef Beowulf, -met de wapenrusting van dertig Franken beladen, in zee sprong, nadat -al zijne aanvallers in het stof hadden gebeten. - -Is Hygelac dus een geschiedkundig persoon, dan staat niets in den -weg om ditzelfde van zijnen moedigen neef Beowulf aan te nemen, juist -wegens zijne verhouding tot den historischen oom; ofschoon geen ander, -noch geschiedkundig noch dichterlijk gedenkschrift, buiten ons epos -van hem gewaagt. - -Dat het gedicht de overwinnaars onder vier verschillende benamingen -aanduidt, legt geenen onoverkomelijken hinderpaal in den weg; -immers Friezen, Hetwaren, Franken en Hugen zijn in den grond een en -hetzelfde volk. - -Hugen is de naam, welken de Noordsche volken van de 6e tot de 11e -eeuw aan de Franken toekenden. Eigenlijk heetten zoo de bewoners -van Hugmerki «de mark of het grensgewest der Hugen», op de grenzen -van Saksen en Friesland; daarna werd de naam door de Saksen en -Scandinaviërs aan de Franken in het algemeen gegeven [16]. - -De Pagus Hattuarius behoorde tot Friesland, dat zich in den breeden -zin van het woord van af de grenspalen van Denemarken tot aan de -Scheldemonden en de poorten van Brugge uitstrekte. - -Deze streek maakte deel van het rijk der Ripuarische Franken, zoodat -de Hetwaren onder aardrijkskundig oogpunt Friezen en onder staatkundig -Franken heeten [17]. - -Leo plaatst de gouw der Hattuariërs op den rechter oever der Maas, -langs beide zijden der Niers; dus in de omstreken van Kleef, Gelder -en Meurs, zooals Müllenhoff zegt. - -Hygelac was derhalve met zijne vloot tot zoover doorgedrongen, en deze -overrompeling van de binnenlanden door middel van de riviermondingen -bleef in 't vervolg de krijgskunde der Noormannen. - - - - -MYTHOS. - -Welk is de mythische kern van de Beowulf-heldensage? - -Vooraf zij opgemerkt, dat wij het stelsel uiteenzetten, zooals het door -Ettmüller, Leo en anderen, doch vooral door Müllenhoff is ontworpen, -die zich op dit gebied vooral verdienstelijk heeft gemaakt, om er -vervolgens eenige kantteekeningen aan toe te voegen. - -Wij hebben er reeds op gewezen, dat Müllenhoff bij de Angelsaksen -eenen alouden, mythischen held aanneemt, Beów(a) of Beáw(a) genaamd, -den overwinnaar van Grendel, welke later met den geschiedkundigen -Beowulf versmolt; zoodat de daden van Beówa op Hygelacs neef werden -overgebracht. - -Daar Müllenhoffs betoog ingewikkeld en niet al te helder is, zullen -wij achtereenvolgens de volgende vragen beantwoorden: - -Heeft er een halfgod Beowa bestaan; was hij door de Angelsaksen gekend; -heeft hij Grendel overwonnen, en kan men bewijzen, dat deze Beowa in -den held van ons epos is schuilgegaan? - -I. Van de Angelsaksische koningen, die in Engeland na de -volksverhuizing regeerden, zijn geslachtslijsten tot ons gekomen, -waarvan sommige van Engelsche andere van Scandinavische herkomst zijn. - -Al deze genealogieën komen hierin overeen, dat zij tot den god Wodan, -den stamvader der Angelsaksische koningen, opklimmen. - -In sommige echter, onder anderen in de Saksenkroniek, zijn nog eenige -namen als voorvaders van Wodan toegevoegd; de lijst begint met Sceaf, -dan volgt Sceldwa (of Scyldwa), dan Beaw (elders Beawa, Beow, Beowa -geheeten) en zoo verder tot aan Wodan, terwijl ook Heremod en Geát -genoemd worden. - -Welnu deze Sceaf is, als voorvader van den door de Duitsche volken -als hun stamvader beschouwden Wodan, reeds daardoor zelf een mythisch -wezen. - -Dit blijkt nog uit andere berichten; volgens deze zouden de Saksen -naar Sceaf genoemd en zijn zoon Scyld de eerste bewoner van Germanië -geweest zijn; terwijl aan de negen zonen van zijnen kleinzoon Beovinus -alle Germaansche volken langs Oost- en Noordzee het ontstaan te -danken hebben. - -Van Sceaf gaat ook de sage uit van het geheimzinnige schip, waarin -hij als kind werd uitgezet op eene korenschoof, te midden van wapens -en kleinoodiën. - -Schip en garve zien op zeevaart en akkerbouw, wapens en kleinoodiën -op krijg en koninkschap; van Sceaf dagteekent dus de eerste beschaving -der Germaansche kustbewoners. - -Doch niet alleen Sceaf is een mythisch wezen, maar ook zijne twee -nakomelingen Scyld en Beowa. - -Het zijn slechts mythische uitbreidingen van de natuur van Sceaf, die -zijne beteekenis verder uitwerken en in wezenlijkheid niets anders -zeggen dan hetgeen Sceafs mythos reeds te kennen geeft; want vader -en zoon zijn in de godenleer doorgaans verschillende namen van een -en hetzelfde wezen. - -Dit leert ons de ontleding van de namen: Scyld, Sceldwa, Scyldwa -is de «schermheer, de met het schild dekkende» en vertegenwoordigt -het koninkschap. - -Beá van de wortel bhu «zijn, wonen, worden, wassen,» verpersoonlijkt -het vreedzame verblijf in woningen [18]. - -Wat nog pleit voor de eenzelvigheid van Sceaf en Scyld is, dat in -ons epos de sage van Sceafs scheepvaart op den zoon is overgebracht. - -Ten slotte kunnen wij ons beroepen op eene geschiedkundige getuigenis, -waaruit blijkt, dat Geát, een der voorloopers van Wodan, als eene -godheid werd aangemerkt: - -Kurth, blz. 92, geeft de volgende aanhaling: quem Getam jamdudum -pagani pro Deo venerabantur. (Asser, De rebus gestis Aelfredi in -Script. Rer. Brit. blz. 468.) - -II. Was deze Beaw, wiens mythisch karakter ons gebleken is, in -Engeland inheemsch? - -Het antwoord moet bevestigend luiden, immers de geslachtslijsten, welke -van zijn bestaan getuigenis afleggen, behooren alle oorspronkelijk -in Engeland thuis, daar de Scandinavische genealogieën op de -Angelsaksische leest geschoeid zijn [19]. - -Doch een bewijs, dat den doorslag geeft, vindt Müllenhoff in eenige -Engelsche plaatsnamen, welke in oude oorkonden voorkomen: Beowan -hamm «Beowa's hoeve», Grendles mere «Grendels meer», Grindles bec -«Grendels beek», Grindeles pytt «Grendels moeras», en Béas brôc -«Beaws broekland.» - -Deze plaatsnamen zijn het stelligste bewijs, dat het geloof aan eenen -heros Beowa in zuidelijk Engeland bij het volk algemeen verbreid was. - -III. Deze Beowa werd door de Angelsaksen vereerd als de dooder van -het watermonster Grendel. - -Hoe weet Müllenhoff dat? Hier ligt juist de knoop; immers aan te -nemen, dat Beowa Grendel doodde, enkel en alleen omdat Beowulf dit -in het epos doet, en van den anderen kant, dat Beowulf een mythische -held is geworden, omdat er een mythische Grendeldooder Beowa bestond: -dit zou een goochelkunstje zijn, dat men in de redeneerkunde met den -deftiger naam van petitio principii bestempelt. - -Het afzonderlijk voorkomen van plaatsnamen als Beowan hamm en Grendles -mere geeft ook geene uitkomst; wél, indien de twee namen te zamen -voorkomen, want dan is men gewettigd een oorspronkelijk verband -tusschen Beowa en Grendel aan te nemen. - -Dit nu is gelukkigerwijze het geval, en hier ligt dus het zwaartepunt -van Müllenhoffs gezamenlijk betoog. - -IV. Eene opgave van het hoogste belang is vast te stellen, dat deze -Beowa zich in den geschiedkundigen held heeft opgelost; zoo niet, -dan zijn al de tot hiertoe verkregen uitkomsten doelloos. - -Men diene in het oog te houden, dat in ons epos twee personen den -naam van Beowulf dragen: Beowulf de Deen, welken wij door Beowulf(1) -voorstellen en die, als zoon van Scyld en als grootvader van den -Deenschen koning Hrodgar, alleen in de Inleiding verschijnt, en -Beowulf de Goot of Beowulf(2), de held van het gedicht. - -In Beowulf(1) steekt de Angelsaksische heros. Door invloed van Beowulf(2) -werd in plaats van Beow, zooals het had moeten zijn, Beowulf(1) -geschreven, welke naam buitendien er op gelijkt. - -Dit volgt onmiddellijk uit de vergelijking van de boven genoemde -koningslijsten met Hrodgars stamboom in de inleiding van het -gedicht. Hrodgars voorouders zijn: Sceaf, Scyld, Beowulf(1). - -Deze trits namen is, met uitzondering van den 3den, identisch met -Sceaf, Scyldwa, Beow uit de Angelsaksische genealogieën; dus is -Beowulf(1) voor Beow verschreven. - -Doch nog meer, de sage van den mythischen Sceaf ontmoeten wij -insgelijks in het epos, ofschoon op Scyld toegepast; een bewijs dat -wij in den grond met een en dezelfde lijst te doen hebben. - -Daaruit moet men besluiten, dat het gedicht den stamboom der -Angelsaksische koningen aan het Deensche vorstenhuis heeft toegekend. - -Müllenhoff schrijft deze overdrage toe aan de gelijkheid van naam -tusschen den Scyldwa of Scyld der Angelsaksen en den eponymus of -naamgever der Deensche koningen, welke Scyldingen d. i. «afstammelingen -van Scyld» zijn bijgenaamd. - -De rest der redeneering is klaar. Daar de mythische Beow, de dooder -van Grendel, in het epos voorkomt, doch zonder vermelding van zulk -wapenfeit, hetwelk integendeel aan Beowulf(2) wordt toegeschreven, zoo -ligt het voor de hand, dat zijne daden op Beowulf(2) zijn overgebracht. - -Zoo werd de halfgod, wegens de overeenkomst van naam, vereenzelvigd -met den geschiedkundigen neef van Hygelac. - -V. Welke dichterlijke opvatting der natuurkrachten ligt aan dezen -Beowa-mythos en bijgevolg aan Beowulf(2) ten grondslag? - -Beowulf is de lichtheros, welke in 't voorjaar de overstroomende zee -terugdrijft, doch bij het aanbreken van den winter verdwijnt. - -Müllenhoff verklaart deze voorstelling als volgt: - -Drie groote heldendaden van Beowulf dragen een mythisch karakter: - -1º De zwemwedstrijd met Brecca, waarin Beowulf den 7n dag het land -der Finnen d. i. Lapland bereikt. - -Hij is bijgevolg den poolstroom te gemoet gezwommen en kan diensvolgens -als een mythisch wezen opgevat worden, dat in zijne jeugd, d. i. in -het voorjaar de winterstormen der zee overwint. - -De zee is door zijnen tegenstander, Brecca, vertegenwoordigd. Immers -Brecca «die door de golven breekt» is vorst der Brondigen d. i. de -branding. De naam zijns vaders Beánstan hangt samen met bauni -«walvisch». - -2º Op zijnen mannelijken leeftijd bekampt Beowulf den reus Grendel -en dezes moeder. - -Nu is hij het goddelijke wezen, dat den mensch tegen watermonsters -d. i. de stormige zee beschermt; Grendel en diens moeder stellen de -wilde Noordzee voor. - -3º Na eene vijftigjarige vreedzame regeering doodt de vergrijsde held -den draak, doch niet zonder zich van zijne schatten meester gemaakt -te hebben. - -De draak beteekent dikwerf een vernielend stroomend water en -verbeeldt hier de overstroomende Noordzee in den herfst na den -rustigen zomertijd. - -De zonneheros schenkt de schatten van den bodem aan de menschen, -doch zijne macht loopt ten einde, want de noordsche winter staat voor -de deur. - -VI. Müllenhoff gaat nog verder en ziet in Beowa-Beowulf den god Ing -d. i. Freyr, den stamvader der Ingaevonen, of beter Niordr en Freyr, -vader en zoon. Immers Freyr heet ook Yngwi, Yngwifreyr. - -De Ingaevonen waren, volgens Tacitus, de volken, welke aan de kust -der Noordzee leefden «proximi Oceano Ingaevones»; hiertoe behoorden -dus ook de Angelen en Saksen. - -Freyr beschermt oogst, handel en scheepvaart; hij verslaat Beli, den -zoon van den zeereus Gymir, met een hertegewei, dat deze dieren in -de lente afleggen; hij maakt door zijne zege de zee weder bevaarbaar -en verdrijft de den menschen verderfelijke reuzenmachten. - -VII. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Beowa-mythos den -Angelsaksen in hun oorspronkelijk verblijf op het vasteland -d. i. in Sleeswijk-Holstein bekend was en van daar naar Engeland -werd overgeplant. - -Wortelde hij zich daar vast, alvorens hij op Beowulf werd overgedragen, -zooals Müllenhoff meent; ofwel had, volgens Symons, ten Brink en -anderen, de versmelting reeds in Denemarken plaats; ziedaar eene -twistvraag, welke wij in het midden laten. - -Volledigheidshalve zij enkel nog bijgevoegd, dat Mannhardt, Simrock -en Nathanaël Müller zich niet voor een Freyr--maar voor een Thorheld -uitspreken; de laatste onderscheidt buitendien tusschen Beowulf(1), -die als derde bijgestalte van Sceaf den god Wali, en Beowulf(2), die -alleen Thor voorstelt. - -Na Müllenhoffs stelsel uiteengezet te hebben is het zake van er eenige -beschouwingen aan toe te voegen; immers ieder niet-mytholoog zal -erkennen, dat de aangevoerde bewijzen op geene volslagen zekerheid, -maar hoogstens op waarschijnlijkheid kunnen aanspraak maken. - -1º Verschillende geleerden, onder anderen Symons, zien in Beowulf -enkel en alleen eenen heros; zoodat het overbodig is, tot eenen -vermenschelijkten god zijne toevlucht te nemen. - -2º Indien de naam van Beowulf(2) den halfgod Beowa verkeerdelijk -tot Beowulf(1) herdoopt heeft, dan mag men zich afvragen, waarom die -terugwerking zich maar binnen zekere grenzen heeft doen gevoelen, -daar Sceaf, Scyld en Beowulf(1) alleen de voorvaders van de Deensche -koningen en niet van Beowulf(2) geworden zijn. - -Of zou dit pleiten voor eene Deensche herkomst van den eersten zang? - -Dat die invloed op zoo'n goeden weg is blijven steken, is des te -meer te verwonderen, als men nagaat, dat niet Hrodgar maar Beowulf(2) -identisch is met Beowulf(1), ten minste volgens Müllenhoff. - -3º Indien de Beowa-mythos zoozeer verspreid was in Engeland, waarom -bewaart de Widsidh er dan het zwijgen over? - -4º Als men de volksheldendichten beschouwt, komt men tot de ervaring, -dat het mythisch wezen van den held langzamerhand in de schaduw is -gedoken, terwijl zijn menschelijk karakter in gelijke mate op den -voorgrond treedt. Dit neemt nochtans niet weg, dat er kenmerken -gebleven zijn, die den vroegeren halfgod verraden. - -Zoo zien wij in de Ilias, dat Achilleus met de goden omgaat, dat hij -onkwetsbaar is en daarenboven eene godin tot moeder heeft. - -Eenige overgebleven mythische trekken zijn ook in het Duitsche -Nibelungenlied waar te nemen, om niet te spreken van de Noordsche -overlevering, waar het mythische bestanddeel overwegend is. Sigfried -is onkwetsbaar, evenals Achilleus, en beschikt over de onzichtbaar -makende tarnkappe. - -Indien bijgevolg Beowulf oorspronkelijk een hooger wezen is, dan moeten -wij den vinger kunnen leggen op eenige sporen van die oude opvatting. - -Dit nu is niet het geval, integendeel wij vinden ons in een geheel en -al menschelijk midden verplaatst, al de daden en roerselen getuigen -dit eene: homo sum! - -Of moet Beowulfs bovenmatige kracht, welke tegen die van dertig man -opwoog, moet zijne bedrevenheid in het zwemmen, waardoor hij eerst -tot in het hooge Noorden doordrong en later van Nederland uit Jutland -bereikte, als mythische trekken worden beschouwd, daar zij het vermogen -van een gewoon sterveling te boven gaan? - -Dit schijnt mij niet aannemelijk, immers deze groote lichaamsgaven -maken juist van Beowulf den held, maar stempelen hem daarom nog niet -tot een mythisch wezen, tot eenen halfgod. - -Immers de held van het epos kenmerkt zich door daden, die van het -treurspel door hartstochten, welke het gewone peil verre overschrijden. - -Daar Beowa Grendel doodde en als zoodanig alleen vereerd werd, -zou men met recht bij de beschrijving van dien kamp eenig mythisch -spoor verwachten; doch vruchteloos, tenzij men de handschoen voor -zoo iets houde! - -Beowulfs gevecht in de onderzeesche woning met Grendels moeder draagt -eerder eene phantastische dan wel mythische kleur, en ik zou ook -geneigd zijn, dit van den kamp met den draak aan te nemen, zoo niet -de draak in tal van mythen eene rol speelde. - -Wij trekken hieruit het besluit, dat geen mythische trek in het epos is -aan te wijzen buiten den draak, welke onmetelijke schatten bewaakt; -want al doemen er ook andere gestalten in op als Sceaf, Sigmund, -Hama, Weland, die allen oorspronkelijk mythische wezens zijn, geen -dier personen behoort tot de kern van de Beowulf-sage. - -Nochtans komen wij hiermee niet veel verder, daar, zooals blijkt -uit de plaatsnamen, alleen Grendel, doch niet de draak, iets met den -Beowa-mythos te maken heeft. - -5º Wij hebben gezien, dat de twee te zamen behoorende plaatsnamen -Beowan hamm en Grendles mere de spil zijn, waarop heel het betoog -van Müllenhoff draait. - -Ontbreekt die overeenstemming, dan blijft het nog altoos waar, dat -een heros Beowa bestaan heeft; doch of die in eenig verband staat -met Grendel en bijgevolg met Beowulf, kunnen wij alsdan uit niets -afleiden, of het zou uit eene verre overeenkomst van naam (Beowa, -Beowulf) moeten zijn. - -Men ziet, hoe Müllenhoffs stelsel, al vormt het ook een afgerond en -scherpzinnig geheel, op de punt eener naald is opgetrokken. - -Jammer dat deze zwakke steun dan nog wordt omgeknipt door Thomas -Miller in The Academy (1894, 12 May). - -Hij toont aan, dat in de plaatsnamen bowan hammes en grendles mere, -welke in het «Cartularium Saxonicum» no 677 voorkomen, Grendel niet een -eigennaam maar een gemeennaam is, welke drain d. i. afwateringsbeek -beteekent. Hij vertaalt grendles mere door the cess pool d. i. het -afwateringsmeer, het turfmeer. - -Miller leidt deze beteekenis van het woord af uit twee andere plaatsen -van dezelfde oorkonde, waar het woord grendel alleenstaande voorkomt. - -De slotsom dezer beschouwingen is, dat men tot nog toe het mythische -bestanddeel der Beowulf-heldensage met geene voldoende zekerheid of -zelfs waarschijnlijkheid kan aanwijzen, en dat Müllenhoffs uitspraak, -op het zachtst uitgedrukt, voorbarig mag heeten, wanneer hij zegt: - -«Es ist nicht zu bezweifeln dass die Angeln und Sachsen, die sich -in England niederliessen, den mythus vom kampf mit dem wasserunhold -Grendel, den das gedicht dem Beowulf beilegt, ursprünglich von dem -mythischen Beav ihrer genealogie erzählten.....» Men kan het Thorpe dus -niet euvel duiden, als hij een loopje neemt met de Duitsche mythologen. - - - - -GEÁTAS. - -Het volk, wiens heldenfeiten bezongen worden, zijn niet de Denen, -maar de Geátas; Beowulf(2), dien wij in 't vervolg kortweg Beowulf -zullen heeten, was een Geát. - -Welk Germaansch volk beantwoordt aan de Geátas? [20] - -De meeningen loopen uiteen. Kemble hield de Geátas voor Angelen; -Ettmüller, Thorpe en Müllenhoff voor de bewoners van zuidelijk Zweden; -want de vorm Geátas stemt, volgens de woordafleiding, overeen met -Zweedsch Gotar, Oudnoordsch Gautar, waardoor de bevolking van de -Zweedsche landstreek Westergötland bedoeld wordt. - -Leo en Bugge zien er integendeel de Jutten in, al stuiten zij ook op -de spraakkundige moeilijkheid, dat de vorm «Jutten» in 't Angelsaksisch -Eótas, Jotas, (Oudnoordsch Jótar) en niet Geátas moest opleveren. - -Halen wij Bugge's voornaamste bewijsgronden aan, hoofdzakelijk ontleend -aan den Zweedschen geschiedschrijver Pontus Fahlbeck, en welke mijns -inziens de schaal te zijnen voordeele doen overhellen. - -Een taalkundig bewijs tegenover taalkundig bewijs is het volgende: In -de vertaling van Beda's werk De Jutarum Origine geeft koning Alfred, -die toch in het Angelsaksisch thuis moest zijn, den naam Jutten door -Geátas weer, daar hij het Latijnsche opschrift door Of Geáta fruman -vertolkt. - -Uit talrijke plaatsen van het gedicht komt men tot de overtuiging, -dat de Geátas een zeevarend volk zijn. Dit past geheel en al bij de -Jutten, maar niet bij de Westergoten, wier hoofdnederzetting sinds -alouden tijd bij Skara is geweest. Deze Zweedsche Westergoten hebben -bijna geene kusten en laten zich in de geschiedenis niet als eigenlijk -zeevolk aanwijzen. - -Geátas en Swéon (Zweden) zijn door de zee gescheiden, welke naar luid -van het epos de eenige verbindingsweg moet zijn. - -Welnu deze gemeenschap langs den waterweg is onvereenigbaar met de -plaatselijke verhouding tusschen Westergotland en het eigenlijke -Zweden, doch noodzakelijk bij de ligging van Jutland. - -Hygelac, koning der Geátas, onderneemt eenen krijgstocht, naar het -land der Franken; in overeenstemming hiermede beschouwen de Geátas -de Franken en Friezen als hunne hoofdvijanden na de Zweden. - -Dit klinkt zonderling, als er van de verre Westergoten sprake is, -doch is natuurlijk, als men aan de Jutten denkt. - -Bij de Frankische kroniekschrijvers wordt Hygelacs volk Dani -geheeten. Dit verstaat zich gemakkelijk van de Jutten, die in de -Noordsche bronnen van historischen tijd onder de Denen begrepen worden, -doch niet van de Zweden. - -Dat ons epos Geátas en Denen streng uit elkander houdt, vindt zijne -verklaring in den staatkundigen toestand der beide volken, die elk -een afzonderlijk rijk uitmaakten. - -B. ten Brink neemt eene afzonderlijke stelling in. Voor hem zijn -de Geátas noch Angelen, noch Zweden, noch Deensche Jutten, maar -Engelsche Jutten. - -Hij beroept zich op de volgende plaats van Beda: «De Jutarum origine -(Deensche Jutten) sunt Cantuarii (die van Kent) et Victuarii, hoc -est ea gens, quae Vectam (eiland Wight) tenet insulam et ea, quae -usque hodie in provincia Occidentalium Saxonum (Wessex) Jutarum natio -nominatur, posita contra ipsam insulam Vectam.» - -Dus Kent, Wight en de tegenoverliggende kuststreek in Wessex werden -door denzelfden stam bewoond, terwijl de laatsten in Beda's tijd nog -den naam van Jutten voerden. - -Deze Engelsche Jutten waren, volgens ten Brink, niet van hetzelfde -bloed als de latere bewoners van Jutland. Hij veronderstelt, dat hun -naam aan het land gebleven is na hun vertrek naar Brittanje, zoodat -hij op de later komende Deensche Jutten overging. Deze oudste Jutten -zijn derhalve de Geátas. - -Er bestaat geen ernstige grond om tusschen de Engelsche en Deensche -Jutten eene scheidslijn te trekken. - -Much neemt aan, dat zich Jutten onder de Germaansche veroveraars van -Engeland bevonden, doch hij ziet er en met hem Möller geen van de -Deensche Jutten onderscheiden, maar wel hetzelfde Duitsche volk in, -waarvan een deel op Jutland bleef en met de nieuw aangekomen Denen -het land verdeelde. [21] - - - - -NATIONALITEIT VAN DEN BEOWULF. - -Of Beowulf het werk van eenen Engelschen, Deenschen, dan wel Zweedschen -dichter is, blijft tot nog toe de twistappel. - -Drie punten vergen vooraf de aandacht: - -1º Hoe komt het, dat de Angelen en Saksen niet genoemd worden in een -in het Angelsaksisch opgesteld gedicht, dat zoovele volksnamen behelst? - -Hierop is nog geen bevredigend antwoord ingediend. Ten Brink geeft de -volgende verklaring: Toen de gebeurtenissen plaats grepen, welke het -ontstaan zouden geven aan Beowulf, was een groot deel der Engelsche -stammen reeds naar Brittanië vertrokken. Van hen, die in het vaderland -waren gebleven, waren de meesten reisvaardig en dachten alleen aan -de nieuwe woonstede. - -2º Daar de Geátas herdacht worden in een Angelsaksisch gedicht, staan -wij voor het verbazende feit, dat vreemdelingen bezongen worden in -een nationaal epos. - -Deze moeilijkheid valt weg, als men zich te binnen brengt wat -boven gezegd werd, dat zich onder de uitgewekenen naar Engeland ook -Jutten bevonden, welke, zooniet van denzelfden stam, dan toch met de -Angelsaksen verwant waren. - -3º Over Deensche toestanden wordt met kennis van zaken en met -belangstelling uitgeweid; immers de ligging van Hrodgars burcht niet -ver van zee, de zorgvuldige beschrijving van Heorot en vooral van de -omgeving, de bekendheid met de verhoudingen aan het Deensche hof, -dit alles bewijst, dat de dichter de landstreek tusschen Roeskilde -en Lerje, de oude zetelplaats der Deensche koningen op Seeland, -met eigen oogen heeft opgenomen. - -Deze getrouwheid der plaatsbeschrijving, welke men zich in de -veronderstelling van een in Engeland geboren epos moeilijk kan -verklaren, is een der voornaamste redenen, waarom Sarrazin in den -Beowulf de vertaling ziet van een oorspronkelijk Deensch gedicht. - -Thorpe kent er, schoon steunende op zwakker gronden, eenen Zweedschen -oorsprong aan toe. Hij beroept zich op het vers in de Inleiding, waar -gezegd wordt, dat Beowulfs roem de Schedelanden d. i. Scandinavië -binnendrong; waardoor de dichter te kennen geeft, dat het verhaal -hem in zijn eigen «home» bereikt heeft. - -Vervolgens zou het gedicht naar Engeland zijn overgebracht, alwaar -het tijdens de invallen der Denen vertaald werd. Rönning werkt Thorpes -opvatting verder uit. - -Eindelijk hebben wij de meening van Müllenhoff en ten Brink; voor -hen is de Beowulf geene vertaling, geen vreemd lettervoortbrengsel, -maar een echt Oudengelsch gewrocht. - -Deze laatste zienswijze vindt de meeste voorstanders. - -Wij zullen de verschillende bewijsgronden niet nagaan, welke voor of -tegen elk der drie meeningen zijn ingebracht, maar ons bepalen bij -eene beschouwing van ten Brink, welke ons afdoende voorkomt. - -De eigenschappen, waardoor de Beowulf uitblinkt, veronderstellen -eenen hoogen graad van zedelijke ontwikkeling, van beschaving, welke -in de 7e eeuw en 8ste eeuw bij geen Germaansch volk, tenzij bij de -Engelschen, wordt aangetroffen en allerminst bij de Scandinaviërs -(Denen en Zweden). - -«Man vergegenwärtige sich doch nur den Verkehr zwischen Beowulf und -dem Dänenkönige, seinem ganze Verlaufe nach, um die Ueberzeugung zu -gewinnen, dass hier eine Humanität sich äussert, von der die ältere -Dichtung anderer germanischer und ebenso romanischer Völker kein -Beispiel bietet.» - -Ten Brink merkt buitendien nog op, dat geen der verwante Scandinavische -sagen den echten naam van den held kent, welke Bjólfr zou moeten -luiden, evenmin als de Noordsche overlevering eenige herinnering -bewaard heeft van den strooptocht naar den Rijn, die den stoot gaf -tot de vorming onzer heldensage. - - - - -TIJD VAN VOLTOOIING. - -Uit welken tijd dagteekent de vervaardiging van het Beowulf-epos? Het -ligt in den aard der zaak, dat het epos slechts langzamerhand door -ineensmelting van meer of minder oude zangen zijnen tegenwoordigen -vorm verkregen heeft, zoodat deze letterkundige kristallisatie zich -over verschillende eeuwen kan hebben uitgestrekt. - -Daarom zullen wij eerst de grenzen afbakenen, waartusschen het gedicht -moet tot stand gekomen zijn. - -Afgezien van den Beowa-mythos kan er van het eigenlijke epos geen -sprake zijn vóór 515-20, toen de inval van Hygelac plaats greep. - -Van den anderen kant moet het gedicht vóór de 9de eeuw, d. i. vóór -de plundertochten der Denen in Engeland, kant en klaar zijn geweest; -hoe zou men anders aan de Denen zulken lof toegezwaaid hebben? - -In deze speelruimte van ruim twee en een halve eeuw valt een tijdperk -uit de Engelsche geschiedenis aan te wijzen, dat onder het oogpunt -van beschaving aan de voorwaarden beantwoordt, welke ons epos -noodzakelijkerwijze vooropstelt. - -Deze voorwaarden zijn volgens ten Brink: een volksbewustzijn, dat -zich uit in het gevolgschapswezen, beschaving, verzachting der zeden, -verdraagzaam samenzijn van christendom en heidendom. - -Welnu aan al deze eischen voldoet de maatschappelijke toestand van het -Northumberlandsche rijk in 't begin der 7de eeuw, onder de regeering -van Eádwini. - -Hij was het die Bernicië en Deira tot één rijk vereenigde, zijn -gezag uitbreidde, de Kelten en Schotten met goed gevolg beoorloogde, -de openbare veiligheid, eene voorwaarde van alle ware beschaving, -in de hand werkte en in 627 tot het Christendom overging. - -Na hem bereikte Northumberland onder Oswald en daarna onder Oswiu -zijne hoogste macht. - -Toen vormde zich die breede epische stijl, welke in de 2de helft der -7de eeuw in het naburige rijk Mercië zijn beslag kreeg, vooral door -toevoeging van episoden. - -Het Beowulf-epos werd dus in den loop der 7de eeuw voltooid. - - - - -HET HANDSCHRIFT. - -Het handschrift klimt op tot de 10de eeuw en wel tot de 2de helft, -naar ten Brink; het is het werk van twee afschrijvers, van welke -de tweede, die zich vooral door het gebruik van ió in plaats van eó -kenmerkt, bij het woord môste v. 1940 begint. - -Het handschrift bevindt zich te Londen, in de Cottonische Bibliotheek -van het British Museum. - -Ziehier wat Thorpe er in zijne Inleiding over zegt: - -Al de handschriften der Angelsaksische poëzie zijn van eene -betreurenswaardige onnauwkeurigheid en verraden bijna op elke -bladzijde de onwetendheid van eenen ongeletterden afschrijver, die -(gelijk het de kloostergewoonte was) dikwijls op dictee neerschreef; -maar onder de Angelsaksische handschriften mag, ik ben er zeker van, -dat van den Beowulf in gemoede als het slechtste beschouwd worden, -afgezien van zijnen huidigen beklaaglijken toestand, ten gevolge -van den brand in Cotton House in 1731, die het ernstig beschadigde, -zoodat het gedeeltelijk wrijfbaar als zwam is geworden. - - - - -DE VERSBOUW. - -Algemeene Bemerkingen. De versbouw van den Beowulf is aan alle Duitsche -volken gemeen en bestaat in het rijmlooze geallitereerde vers. - -Het geallitereerde vers is, ten minste bij de Westgermanen, uit -twee deelen nl. halfverzen samengesteld, welke door de stemrust -gescheiden zijn. - -Het stafrijm, dat beide halfverzen tot een geheel verbindt, brengt -de eenheid tot stand. - -Niet alleen de verzen, maar ook de halfverzen van denzelfden regel -volgen niet altijd eenen eenvormigen rhythmus; integendeel, er heeft -wisseling van verscheiden bepaalde versmaten plaats. - -Zoo heerscht er afwisseling en vrijheid van beweging. - -Maken we dit klaar door eene veronderstelling. - -Terwijl onze tegenwoordige dichters zich doorgaans in hetzelfde -stuk aan ééne verssoort houden, b. v. hexameter, alexandrijn, -vijfvoetige jambe, enz., zou de Oudgermaansche zanger in den bouw -zijner halfverzen nu een gedeelte van eenen hexameter gekozen hebben, -dan van een alexandrijn, dan weer van de vijfvoetige jambe, enz. - -Welk zijn dan de versmaten, die in het geallitereerde vers afwisselen? - -Om hierop te antwoorden, behooren wij twee stelsels te onderscheiden: -sommigen, waaronder Sievers, nemen twee heffingen aan voor het -halfvers; anderen, waaronder ten Brink, integendeel vier. - -Wij zullen in breede trekken een begrip geven van beide theorieën -en verwijzen voor de bijzonderheden naar de uiteenzetting door beide -geleerden in den «Grundriss der Germanischen Philologie.» [22] - - - - -I. TWEE HEFFINGEN. - -Bouw van het halfvers in 't algemeen. Sievers onderscheidt er de -volgende bestanddeelen: - -1º de beklemtoonde lettergrepen of heffingen (´); zij zijn twee -in getal. - -2º de onbetoonde lettergrepen of dalingen (×). - -3º de minder betoonde lettergrepen, welke, naar gelang hunne omgeving, -dienst kunnen doen voor dalingen b. v. kérkdeu×r, of voor -bijheffingen (`) b. v. wíndmòle×n. - -Het halfvers bestaat doorgaans uit vier leden, welke hetzij -paarsgewijze zijn verbonden, volgens het schema 2 + 2, hetzij niet -paarsgewijze, volgens het schema 1 + 3 ofwel 3 + 1. - -Vandaar, wat de maat betreft, vijf verschillende grondvormen in -het halfvers: - - - A -´ × | -´ × - B × -´ | × -´ schema 2 + 2 - C × -´ | -´ × - - D -´ | -´ -` × schema 1 + 3 - -´ | -´ × -` - - E -´ -` × | -´ schema 3 + 1 - -´ × -` | -´ - - -Buitendien komen er nog onderverdeelingen in aanmerking, drie voor A, -drie voor C, vier voor D, twee voor E. - -In het Angelsaksisch komt de grondvorm A het meeste voor, dan in -afnemende orde B, C, D. Het minst vertegenwoordigd is E. - -Het stafrijm valt op de heffingen; in ons epos gewoonlijk op de -beide heffingen van het eerste, en op de eerste heffing van het -tweede halfvers. - -Alle klinkers allitereeren met elkander, eveneens gelijke medeklinkers, -alsmede v en w, uitgezonderd de verbindingen sk, st, sp, welke noch -op elkaar, noch op andere s-groepen, noch op eenvoudige s kunnen slaan. - - - - -II. VIER HEFFINGEN. - -ten Brink's stelsel wijkt onder meer dan een punt van het vorige af. - -Het allitereerend vers bestaat uit vijf verschillende versmaten, -waaraan nochtans een zelfde rhythmisch schema ten grondslag ligt. - -Dit grondschema is voor het halfvers: - - - × ×´ × ×` | × ×´ × ×` - - -Het halfvers bestaat dus uit vier tweeledige voeten en vier heffingen: -twee hoofd- en twee bijheffingen; de rest zijn dalingen. - -Elk lid van den tweeledigen voet vormt een tijddeel of more (×). Het -halfvers bestaat dus uit acht moren. Uit dit oorspronkelijk schema, dat -wij met ten Brink a zullen heeten, zijn vier andere rhythmen ontstaan, -naar de verschillende wijzen, waarop de heffingen elkander volgen. - -b De volgorde van hoofd- en bijheffing wordt in den 1sten en 2den -voet omgezet: - - - × ×` × ×´ | × ×´ × ×` - - -c In den 3den en 4den voet: - - - × ×´ × ×` | × ×` × ×´ - - -d In 1,2 en 3,4: - - - × ×` × ×´ | × ×` × ×´ - - -e 3 en 4 worden tusschen 1 en 2 ingeschoven. - - - × ×´ × ×´ | × ×` × ×` - - -Alvorens dit nader toe te lichten, dienen wij eerst een woord te -zeggen over de quantiteit en de betoning. - -Quantiteitsregel: Eene more (×) kan ingevuld of gedekt worden zoowel -door de korte als lange lettergreep (×). - -Twee moren kunnen alleen gedekt worden door eene lange lettergreep, -welke alsdan door het teeken (-) wordt voorgesteld. - -Onder de lange lettergrepen zijn ook die te rekenen, welke door twee -medeklinkers gesloten worden. - -De betoning grijpt veel verder om zich dan bij Sievers. Kunnen -betoond worden en bijgevolg aan heffing onderhevig zijn: 1º alle -eenlettergrepige woorden, uitgenomen ne; 2º bij de veellettergrepige -alle syllaben; uitgenomen die op korte betoonde lettergrepen volgen -en de toonlooze eenlettergrepige voorvoegsels. - -De twee hoofdheffingen vallen bijgevolg met de lettergrepen te zamen, -die den klemtoon hebben. - -De twee bij heffingen vallen aan minder betoonde lettergrepen te beurt, -b. v. kerkdeùr, windmòlen; en in het algemeen aan die lettergrepen, -welke door eene nog zwakker betoonde worden voorafgegaan of gevolgd, -waardoor zij in kracht winnen. - -Op het einde van het halfvers heeft geregeld heffing plaats, indien -de lettergreep er voor vatbaar is. - -Eene betoonde lettergreep tusschen twee sterker betoonde wordt ofwel -daling, ofwel heffing, naar de eischen van het vers. - -Keeren wij nu terug tot de versmaat. - -Het halfvers zou geheel en al volledig wezen, zoo elk der acht moren -door eene lettergreep vertegenwoordigd of gedekt was; doch dit heeft -uiterst zelden plaats, en dan nog alleen bij den grondvorm a b. v.: - - - gewâ´t him thâ` to wárodhè = × ×´ × ×` × ×´ × ×` - - -Gewoonlijk ontbreken er een of meer dalingen. - -Deze onderdrukking der daling is aan twee oorzaken toe te schrijven: - -a) ofwel de daling wordt door eene pooze (^) vervangen; - -b) ofwel de daling wordt opgeslorpt door de lange lettergreep (-) -welke, zooals gezegd is, voor twee moren kan gelden. - -Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken. - -a. Met pooze in 't begin: - - - wî´ge ùnder wáeterè = ^ ×´ × ×` × ×´ × ×`. - - -Pooze en opslorping der daling door de lange lettergreep: - - - mýnelìcne mâ´ddum = ^ ×´ × ×` × -´ ×`. - - -(-´ ×` staat voor ×´ × ×`, zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd -worden.) - -b. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep -van straete: - - - òfer lágustráetè = ^ ×´ × ×´ × -´ ×`. - - -c. Met pooze en opslorping der daling door de derde lettergreep -van aedelinga: - - - aédelìngà gedrýht = ^ ×´ × -` ×` × ×´. - - -d. òfer géofenès begóng = ^ ×` × ×´ × ×` × ×´. - - -e. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep -van ydha: - - - átol y´dhà gethrìng = ^ ×´ × -´ ×` × ×`. - - -Al de hier opgesomde verzen zijn volledig, omdat er de vier heffingen -zijn; ontbreekt één der bijheffingen, dan is het vers onvolledig. - -In dit geval kan de ontbrekende bijheffing op twee wijzen vervangen -worden: - -1º door de pooze, b. v. - - -a. geslô´h thî`n faéder = × -´ -` ×´× ^`. - - -2º Ofwel, en dit heeft slechts in één geval plaats, worden twee -heffingen, nl. hoofd- en bijheffing, door ééne lettergreep gedekt, -zoodat deze lettergreep zich over drie moren uitstrekt: - - -a. hâ´`m gesô´htè = ^ -´` × -´ ×`. - - -Men zou dus bij het lezen há-a-àm moeten scandeeren. - -Ziedaar in het kort de hoofdlijnen van de tweeheffings- en -vierheffingstheorie. - -Het ligt niet op onzen weg te beslissen, welke de beste is; dit laten -wij aan meer bevoegden over. - -Nochtans al is het waar, dat Sievers' meening meer aanhangers telt, -toch zal men moeten toegeven, dat het stelsel van ten Brink heel -wat minder ingewikkeld, en dat de uitspraak van den laatste niet van -allen grond ontbloot is, als hij zegt: - -«Sievers... gelangte zu einem System, nach welchem es ebenso unmöglich -sein dürfte, Verse zu lesen, wie es unmöglich gewesen sein muss, -Verse darnach zu bauen.» - - - - -EPISCHE STIJL. - -Wie, in tegenstelling met Monsieur Jourdain, poëzie van proza weet -te onderscheiden, zal bij de inzage van het epos erkennen, dat er -bij de Angelsaksen eene epische taal bestond, welke zich uit de -omgangstaal tot eene hoogere volmaaktheid had ontwikkeld; want hij -zal, afgezien van de versmaat, geregeld terugkeerende woordfiguren, -vaste uitdrukkingen en bepaalde zinswendingen aantreffen. - -Wat vooral de aandacht vestigt, is het ruim gebruik, dat gemaakt wordt -van het vermogen om samenstellingen te vormen, waarvan de meeste een -dichterlijk beeld voor den geest roepen. - -Voor bijzonderheden verwijzen wij naar het opstel van Theodor Storch, -Angelsächsische Nominalcomposita. Strassburg, 1886. - -Wij willen hier alleen wijzen op de bonte rij van samengestelde -bijvoeglijke naamwoorden met verzwegen voorzetsel: goldhladen -goudbeladen, goldhroden goudgekleed, daed-cêne daadkoen, blôd-fâg -bloedbont, heoro-blâc bleek door het zwaard, zwaard-gedood, -wlite-beorht met stralend aanschijn, beadu-rôf kampberoemd, -beadu-scearp slagscherp, scherp tot den slag; ellen-seóc krachtberoofd, -gold-wlanc goud-pronkend, headhogeong kampjong, sadol-beorht met -glanzend zadel, sae-mêde zeemoede, man-thwaere menschenvriendelijk, -enz. [23]. - -Een ander kenmerk van den epischen stijl is de verbazende rijkdom van -zinverwante woorden om sommige begrippen uit te drukken, vooral die, -welke op oorlog en zeevaart, de twee voornaamste bezigheden van het -volk, betrekking hebben. - -Om b. v. krijgsbende, krijger, vorst, kamp, pantser, moedig, zee -en schip te zeggen, beschikt het epos over tal van eigenlijke en -oneigenlijke uitdrukkingen, waaruit niet alleen de woordvoorraad -van het Angelsaksisch, maar ook de vindingrijkheid des dichters te -voorschijn treedt. De oneigenlijke uitdrukkingen bekleeden vooral -eene breede plaats. Men heet ze Kenningar, eene benaming, welke aan -de Oudnoordsche letteren ontleend is. - -De Kenning is eene minder gewone voorstelling van een begrip, waarvoor -een gebruikelijke term voorhanden is. Ziehier eenige voorbeelden: - -De koning heet: goudgever, ringuitdeeler; het zwaard: kampvlam; -het harnas: krijgsnet; de helm: kamphoofd; de lans: krachthout; de -strijd: schildspel, zwaardstorm; het bloed: kampzweet, kampkegels -(beeld aan het ijs ontleend); het schip: golfganger, kronkelsteven; -het hert: heideganger; de harp: vreugdehout, enz. - -Ook bij de werkwoorden komen Kenningar voor, b. v. gaan: het schild -dragen, de speer dragen, den weg meten; spreken: den woordenschat -ontsluiten; sterven: het menschengejubel opgeven, het gelach -neerleggen, enz. - -Leven, sterven, spreken, mensch, koning, zwaard, harnas, helm, schild, -speer, kamp, schip en God: ziedaar de voornaamste begrippen, welke -door Kenningar worden uitgedrukt. - -Al de Angelsaksische werken zijn rijk aan deze woordfiguur en niet -het minst de Beowulf die, volgens de door Bode opgemaakte verhouding, -9.9 Kenningar op 100 regels telt. Uit de lijsten, welke deze schrijver -heeft samengesteld, zullen wij twee voorbeelden kiezen nl. krijger en -zee, en tevens de ontbrekende vormen bijvoegen, ten einde den rijkdom -van de epische taal in den Beowulf te toonen. - -Eigenlijke uitdrukkingen voor krijger: - -Cempa, wîga, ôretta (kamper); oretmaecg, hilderinc (kampheld); hererinc -(legerheld); gûdhwîga (kampstrijder). - -Wij voegen erbij: - -häledh, beorn, rinc, wer, secg, gewinna (held, strijder); thegn, -magu-thegn (ridder); sige-beorn (zegeheid); magorinc (manheld); -hilde-mecg, beado-rinc, gûdhrinc, headho-rinc, gûdh-beorn (kampheld); -fyrd-gestealla (tochtgenoot); dryht-gesîd, dryht-guma (schaargenoot); -waepned-man (wapenman). - -Kenningar of oneigenlijke uitdrukkingen: - -Bode haalt aan: lindhäbbend, rondhäbbend, bordhäbbend (schildhebber); -searohäbbend (harnashebber); helmberend (helmdrager); scildfreca -(schildwolf); sweordfreca (zwaardwolf); wîgfreca, hildfreca (kampwolf); -hildehlemma (kampwilde); sceotend (schutter); -sceada (-beschadiger). - -Hier behooren nog bij: - -fêdha, fêde-cempa (voetkamper); byrn-wiga (harnas-kamper); freca -(wolf); gûdh-freca (strijdwolf); gâr-wiga, äsc-wiga (speerkamper); -lind-gestealla (schildgenoot); lind-wiga, rond-wiga, scild-wiga -(schildkamper). - -Eigenlijke uitdrukkingen voor zee: mere, sae, sund, holm, heàdu, brim, -lagu, lagu-streàm, eàgor-streàm, êg-streàm, geofen, wäd, flôd, waeg. - -Buitendien nog: brim-streàm, farodh, ford, streàm. - -Kenningar voor zee. - -Bode teekent aan: fîfelcynnes eard (gebied der zeegedrochten); -ganotes bädh (bad der duikereend); hronrâd (walvischweg); swanrâd -(zwaneweg); segelrâd (zeilstraat); ydha ful (der golven beker); -seoledha begang (der bochten d. i. stille wateren, bereik); flôdes -wylm (vloedbranding); sealt wäter (zout water); seo fealu flôd (de -vale vloed); se ginna grund (de spalkende grond); gârsecg. - -Deze reeds lange reeks kan nog door de volgende uitdrukkingen -aangevuld worden: brim-wylm, flôd-ydh, holm-wylm, wäter-ydh, -saewylm (zeegegolf); sundgebland, ydhgebland (zeegemengel); brimlâd, -lagu-straet, mere-straet (zeeweg); geswing, wälm (branding); waeg-holm -(golvenzee); deóp wäter (diep water); wîd wäter (uitgestrekt water); -holma gethring (zeegewoel); mere-grund (zeegrond); wäteres hrycg -(waterrug); ydha gewealc (golfgewentel); ydhgewin (golfgeworstel). - -De vorm, waaronder de Kenningar gewoonlijk voorkomen, is, als blijkt, -de samenstelling. - -Bij sommige is het rijm onmiskenbaar b. v. hranrâd, swanrâd. - -Welk is de natuur der Kenningar? - -Zij beperken het begrip door eene bepaalde zijde van een persoon of -zaak, ééne eigenschap, één deel in het licht te stellen, hetzij door -middel van ontleding, hetzij van vergelijking. - -Zoo wordt de krijger door een deel zijner bewapening voorgesteld -b. v. schilddrager; ziedaar de ontleding. - -Wordt integendeel de aandacht getrokken op zijne strijdbaarheid, -dan roept die eigenschap de vergelijking te voorschijn met den wolf, -b. v. kampwolf. - -De Kenningar, welke op deze laatste wijze zijn ontstaan, zijn niets -anders dan een leenspreuk of metaphora; deze woordfiguur speelt dus -eene groote rol in den Beowulf. - -Waaraan is de veelvuldigheid van Kenningar toe te schrijven? - -Eene voorname reden is, dat zij, vooral in het tweede halfvers, -als stopwoorden worden aangewend, om aan de eischen van het stafrijm -te voldoen. - -Een sprekend bewijs hiervan levert ons de onechte plaats v. 184-87: - - - Zij kenden niet den meester, - Der daden doemer, geenen God, den heerscher; - Zij konden niet des hemels heul bekennen, - Den God der glorie. - - -De dichter, wiens taak het was, overgeleverde stof in overgeleverde -vormen te gieten, zooals Bode zich uitdrukt, vond hier eene gewenschte -gelegenheid om door het smeden van nieuwe woordverbindingen zijne -kunst te toonen. - -Dat nochtans de zucht om met nieuwe Kenningar te schitteren zoover -gedreven werd, dat vele Oudgermaansche dichters tot hetzelfde besluit -zouden zijn gekomen als Ronsard, wanneer hij zegt: «Les excellents -poètes nomment peu souvent les choses par leur nom,» dat kan ik Bode -niet toegeven. - -Men zou diensvolgens moeten aannemen, dat in die vroegste tijden -reeds jacht werd gemaakt op gezochte, gekunstelde woordkoppelingen, -dus ongeveer in den aard van de Précieuses, over welke Molière zich -vroolijk maakt. - -Dit strijdt met het karakter van het volksepos, dat juist door zijne -waarheid, door zijne oprechtheid gunstig bij de latere persoonlijke -poëzie afsteekt, welke doorgaans iets meer of minder conventionneels -of overeengekomens vertoont. Wat zeggen buitendien de feiten? - -Indien men in Bode's lijst de Kenningar uit den Beowulf vergelijkt -met die uit het volgende Angelsaksisch tijdperk, dan komt men tot -de ervaring, dat daar waar er sprake is van koningsschap, krijgs- -en zeewezen, slechts weinig nieuwe vormen, ten minste wat den zin -betreft, zijn bijgekomen. - -De voornaamste nieuwe Kenningar zijn die, welke op duivel, hel -en vooral op God betrekking hebben; doch zij zijn het werk van -christelijke dichters en hebben niets gemeen met het volksepos. - -Indien bijgevolg de latere kunstdichters, die er toch het naaste -aan toe waren, een beperkt gebruik maakten van de vrijheid om nieuwe -uitdrukkingen te scheppen, dan zal de onpersoonlijke Beowulf-dichter -zich nog minder vrijheid veroorloofd hebben. - -Daar de meeste Kenningar tot de leenspreuk kunnen herleid worden, zal -de hoofdreden van hun gebruik wel in de jeugd van het volk te zoeken -zijn, wiens levendige verbeelding en pas ontwaakte kunst alleen het -gebruik van de leenspreuk of metaphoor mogelijk maakte. - -Kinderen en weinig ontwikkelden bedienen zich bij voorkeur van deze -beeldspraak. - -De Kenningar beantwoorden aan de behoefte om met meer kracht te -spreken. - -De metaphoor of onuitgewerkte vergelijking is daarenboven de grondslag -van den overdrachtelijken stijl. - -Van haar gaat onmiddellijk de verpersoonlijking uit, welke gegrondvest -is op de zwijgende vergelijking tusschen de onbezielde natuur en een -levend wezen. - -Figuren van hoogere orde zijn de allegorie en de vergelijking. - -De allegorie is eene aaneenschakeling van twee of meer leenspreuken -en veronderstelt bij den dichter eene letterkundige bedrevenheid, -welke onvereenigbaar is met eene nog jeugdige kunstuiting. - -Dit is ook het geval met de vergelijking. Zij vergt van den dichter -veel kunstbewustzijn, de gave van ontleding en zelfbeheersching, want -hij verlaat zijn onderwerp, om in een verwijderd, ongelijksoortig -wezen eene overeenkomstige eigenschap uit te werken. - -Onder logisch oogpunt gaat de vergelijking de leenspreuk vooraf, -maar in de werkelijkheid, in de tijdsorde heeft het omgekeerde plaats. - -De eerste de beste zal zeggen: «zijne oogen schoten vuur,» bij het -zien van iemand, die woedend is, zonder aan eene woordfiguur en nog -minder aan eene verborgen vergelijking te denken; dit laatste is het -werk van het wijsgeerige verstand, dat daarna aan het ontleden gaat. - -Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij in den Beowulf methaphoren -(onder den vorm van Kenningar) en verpersoonlijkingen aantreffen, -daarentegen hoogst zelden eene allegorie en eene vergelijking. Dit -verschijnsel hangt samen met den toestand van de Angelsaksische -dichtkunst, welke zich nog in de wieg bevond en op verre na niet de -hoogte had bereikt van de Grieksche volkspoëzie. - -Treden wij in eenige bijzonderheden. - -De verpersoonlijking is een geliefkoosd beeld bij kinderen en -ongeletterden. - -Heeft een kind zich bezeerd, dan moet het «ondeugend» mes gestraft -worden, wil men de waterlanders zien verdwijnen. - -Voor den natuurmensch is het heelal bezield; vandaar de -verpersoonlijking der natuurkrachten, vandaar ook de diersage bij de -oude Germanen, voor wie er bijna geene grenslijn tusschen mensch en -dier bestond. - -Het is dus natuurlijk, dat het zwaard in een heldengedicht als de -Beowulf zoo vaak als een bezield wezen wordt voorgesteld. - -Het «verricht zijn ambt», evenals een tafelknecht; het «beslist een -pleit», het «zingt een kamplied op iemands schedel», het «bijt» -en «groet» den vijand, het «rukt den gedoode mede», het vermaakt -zich in het gevecht als bij een «spel», en de wonde, die het slaat, -is de «zwaarddronk». - -Hetzelfde kan van de overige wapens gezegd worden: de werpspies -«vervolgt in hare vederuitrusting» den pijl, evenals een havik de -weerlooze vogels, en het schild, dat met de lans geslagen wordt, -«antwoordt aan de schacht». - -Dit verklaart ook, dat sommige zwaarden van helden als personen gedacht -worden, die hunnen eigen naam voeren. Unferds zwaard heet Hrunting, -dat van Hun Lafing en van Beowulf Nageling [24]. - -De allegorie is schaars vertegenwoordigd en strekt zich bovendien -bijna nooit over meer dan twee termen uit. - -Het schip is het zeeros (saegenga), dat aan het anker rijdt; het -woord is het staal, dat de borst doorbreekt; het ijs is de waterboei, -welke God losmaakt; de dood is de slaap van het lichaam, dat op het -rustbed sluimert. - -Deze laatste plaats (Vert. 1020-22) is nochtans onzeker. - -Het gedicht biedt slechts één voorbeeld aan van eene breed uitgesponnen -allegorie, welke de kunstenaarshand verraadt. (Vert. 1776-81). - -De bekoring wordt er voorgesteld onder het beeld van eenen -sluipmoordenaar, die door middel van eenen pijl den slapende onverhoeds -wondt, niettegenstaande dezes wapenrusting; terwijl de wachter, -het geweten, is ingesluimerd. - -Doch hier bevestigt de uitzondering den regel, want deze plaats is -buiten allen twijfel aan de inlassching van eenen kloosterling toe -te schrijven. - -Dat somtijds onvereenigbare begrippen tot eene allegorie verbonden -worden, kan, de onvolkomenheid der dichtkunst in aanmerking genomen, -geenen aanstoot geven. - -Ziehier eenige staaltjes: - -seo beado-leóma bîtan nolde: de kampvlam wilde niet bijten. v. 1524. - -hine sorh-wylmas lemede tô lange: de zorggolven hadden hem te lang -verlamd. v. 905. - -him hilde-grâp heortan wylmas, bân-hûs gebräc: de kampgreep verbrak -hem des harten golvingen, het beenderhuis. v. 2508-9. - -De vergelijkingen zijn dun gezaaid en worden daarenboven niet -volgehouden, maar zoo kort mogelijk als in de kiem aangeduid. Men -oordeele: - -«Het schuimhalzige schip ging over de golfzee, gelijk aan eenen vogel». - -«Ieder van de nagels was op staal gelijkend». - -«Uit Grendels oogen ging een ongure schijn, gelijk aan eene vlam». - -«Het zwaard bliksemde, evenals de hemelfakkel helder aan de transen -schijnt». - -«Het zwaard versmolt geheel en al, gelijk het ijs, wanneer de Alvader -den band van de vorst losmaakt». - -De schoonste vergelijking prijkt in het Finnsburglied: - -«Het zwaardgebliksem rees, even alsof de heele Finnsburg in -lichterlaaie stond». - -Welk verschil tusschen de zeldzame, stamelende vergelijkingen van den -Beowulf en de talrijke, breed aangelegde en meesterlijk afgewerkte -beelden van de kunstgezinde Grieken! - -De meerderheid van deze laatsten blijkt ook uit de schilderende -bijvoeglijke woorden. - -Niet dat het gedicht geene echt teekenachtige epitheten of -bijbenamingen heeft aan te wijzen, maar de groote massa mist -die aanschouwelijkheid en evenredigheid, welke wij bij Homeros -bewonderen. En met reden: het zelfstandig naamwoord blijft, zoodat -de vergezellende bijbenaming eene zekere maat moet houden, waartoe -zich de wilde verbeelding van het Noorden moeilijk kon plooien. De -Kenningar daarentegen laten volle vrijheid toe. - -Vandaar dat de Beowulf in evenredigheid arm is aan epitheten, maar rijk -aan Kenningar, terwijl zich het tegenovergestelde bij Homeros voordoet. - -Zelfs is het geval niet zeldzaam, dat een Kenning uit den Beowulf in -de Ilias aan eene bijbenaming beantwoordt, b. v. Pontoporos, het -zeedoorschrijdend schip, zegt hetzelfde als saegenga, ydhlida: -zeedoorschrijder, golvenganger. - -Voor meer zulke overeenstemmingen raadplege men Bode, die er eenige -voor schip en wapen opsomt. - -De vorm der schilderende bijbenamingen is de samenstelling; zij bieden -zich alweer hoofdzakelijk aan bij alles wat op oorlog en zeevaart -betrekking heeft, nochtans niet bij het begrip zee, dat door de -Kenningar ruimschoots uitgebeeld is. - -Het zou ons te ver leiden, moesten wij al de epitheten opsommen; zij -komen in hoofdzaak in de volgende gevallen voor: Zij betitelen den -vorst op vereerende wijze, geven den moed te kennen van den krijgsman -(dit zijn de talrijkste), ofwel de uitputting van den gewonde, zij -schilderen het oorlogspaard en de wapens, vooral zwaard en harnas. - -Kiezen wij de bijbenamingen van zwaard en schip. - -Het zwaard is blôd fâg: bloedgepurperd, swât-fâg: zweetgepurperd, -fyr-heard: vuurgehard, graeg-mael: grauwgeteekend, hring-mael: -ringversierd, morgen-ceald: morgenkil (na nachtelijke tochten), -wreodhen-hilt: met gewonden gevest voorzien, wunden-mael: -met kronkelende teekens voorzien, wyrm-fâh: glanzend door -slangversieringen. - -Eenige bijbenamingen van schip hoeven voor die van Homeros niet onder -te doen: - -fâmig-heals: schuimhalzig, wunden-heals: kronkelhalzig, sîd-fädhme: -ruimboezemig, nîw-tyrwed: nieuw-geteerd, sae-geáp: zeeruim (ruim -genoeg om zee te bouwen). - -De levenlooze natuur is zeer karig bedeeld; het veld is maar eens -betiteld met wlite-beorht: glansstaltig. - -Wij hebben nog op twee soorten van staande uitdrukkingen te wijzen, -welke ook een kenteeken van de dichterlijke taal zijn: - -Samenkoppelingen van twee woorden door middel van het voegwoord en, -om een verband of eene tegenstelling uit te drukken, in den aard van -onze tegenwoordige Nederlandsche stafrijmen. b. v. leóht and lîf: -licht en leven, wordum and weorcum: met woorden en werken, hand and -rand: hand en schild, leóf and lâdh: lief en leed, îdel and unnyt: -ijdel en onnut, frôd and gôd: vroed en goed, habban and healdan: -hebben en houden, singan and secgan: zingen en zeggen, innan and ûtan: -binnen en buiten. - -Ten slotte merken wij nog het gebruik op van zekere wendingen om een -persoon sprekend in te leiden, wendingen die schijnen als van Homeros -afgekeken te zijn. Voorbeelden: - - - Unferdh madhelode Ecglâfes bearn: - Unferd sprak de zoon van Ecglaf. - Hrôdhgâr madhelode, helm Scyldinga: - Hrodgar sprak, de schuts der Schyldings. - Beówulf madhelode, bearn Ecgtheówes: - Beowulf sprak, de zoon van Ecgtheów. - - -Deze epische wendingen vinden hunne verklaring in het overwegend -belang, dat de jonge volken aan de bloedverwantschap hechten. - -Gaan wij nu over tot een tweede bestanddeel van den epischen stijl, -nl. de woordschikking. - -Wij zullen ons bepalen bij de meest in het oog springende kenmerken. - -De zinbouw heeft in den Beowulf iets van het werk eens beginnelings, -iets dat als de tegenvoeter van de klassieke periode kan aanzien -worden. - -De dichter legt, vooral in beschrijvingen, zijne voorliefde voor -de bijschikking aan den dag, terwijl het voegwoord niet zelden is -weggelaten: - - - Een van de vijftien zocht hij op het zeehout. - Een kampheld wees, een waterkundig krijger, - De landgrens langs. De wachttijd was verstreken. - De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte. - De helden stegen uitgedost ten steven. - De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand. - Zij droegen op den schoot des schips de schoonste - Juweelen neer, de weidsche kampgewaden; - (En) tot de lustvaart boomden (nu) de lieden, - De kampers, hun gebonden kiel naar buiten (211-20). - - -Er heerscht gebrek aan voegwoorden, vooral bij de overgangen, welke -gewoonlijk door thâ (dat buitendien voor verschillende betrekkingen -dienst moet doen) worden ingeleid en iets eentonigs aan het geheel -bijzetten. - -Treden verschillende helden op, dan blijven wij dikwijls in het -onzekere omtrent den persoon, op welken b. v. het voornaamwoord -hij terugziet. - -De ingelaschte zin of parenthese verschijnt meer dan lief is en draagt -voorzeker niet bij tot den ongestoorden gang van het verhaal. - -Ontkennende uitdrukkingen verschijnen er bij de vleet, ook zulke, -welke tot doel hebben om met meer kracht te bevestigen (litotes). - - - «Bij lang niet laakten wijze liên die reize». (206). - - «Niet beter zal 't hem wezen». (2339) - - «Niet dunkt me dit betaamlijk, - De schilden weer te brengen naar de woning». (2734) - - «Minder hevig beet het (zwaard) - Dan hij behoefte had, de volksbeheerscher». (2656) - - -Het eigenaardigste kenmerk van de Angelsaksische woordschikking, dat -er de ziel, het wezen van uitmaakt, is het gebruik der parallelvormen -of bijstellingen. - -De dichter duidt met één, soms met meer woorden denzelfden persoon, -dezelfde eigenschap, dezelfde handeling nog eens aan, en wel door -middel van eene zinverwante uitdrukking. - -In de aangehaalde beschrijving van de aanstalten tot de zeereis vinden -wij de volgende parallelvormen: - -Personen en zaken: kampheld, waterkundig krijger--boot, -schip--strooming, zee--juweelen, weidsche kampgewaden--lieden, kampers. - -Hoedanigheden: - - - Haar was te wachten - 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie (83). - - -Handelingen: - - - (Gij) die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven, - Langsheen de waterwegen, die de helmen - Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen (242-44). - - -Al is de herhaling van meer of minder gelijkbeteekenende woorden -slechts een eerste stap op het gebied der woordschikking, de dichter -weet die vormen zoo kunstig aan te wenden, dat zij geenen onwil -verwekken, maar--dank aan de Kenningar welke, door het stafrijm -gerugsteund, hier vooral optreden,--aan den stijl eene eigenaardige -kleur en bekoorlijkheid verleenen. - -Na de taal en de woordschikking besproken te hebben, ligt het op -onzen weg eens na te gaan, hoe de dichter zich, in de bearbeiding -van de stof, van zijne taak heeft gekweten. - -Hiertoe onderscheiden wij verhaal, redevoering en beschrijving, de -drie hoofdvormen, welke bij elk letterkundig werk, en vooral bij het -epos, in aanmerking komen. De verhaaltrant heeft iets onbeholpens, -hij is onsamenhangend en duister. - -Verschillende gebreken, waarvan sommige op rekening van het ontstaan -uit afzonderlijke zangen zijn te stellen, brengen hiertoe het -hunne bij. - -1º De herhalingen, niet alleen van korte plaatsen, maar ook van -betrekkelijk groote gedeelten. - -In de nota's aan den voet der vertaling wordt hierop gewezen, -b. v. Beowulfs voornemen om van alle wapen af te zien; de strijd met -Grendel; het gevecht op den bodem van het meer. - -Deze twee wapenfeiten worden, na in 't breede beschreven te zijn, -nog tweemaal opgedischt, eerst aan Hrodgar, daarna aan Hygelac. - -2º De onderbrekingen van 't verhaal, hetzij door christelijke, vaak -onnoozele overwegingen; hetzij door herinneringen aan oorlogen en -oude sagen; hetzij door toespelingen op de te volgen ontknooping. - -3º Gebrekkige overgangen, zoodat de dichter soms met de deur in het -huis valt, b. v. Grendels en Beowulfs optreden, de sage van Sigmund -en Heremod, en vooral die van Thrydo. - -4º Tegenspraak. - -Voor dit punt alsmede het volgende zie men de nota's, waar al de -gevallen vermeld worden. - -5º Toespelingen op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld -worden. - -6º De ontknooping is, in vergelijking met wat voorafgaat, gewoonlijk -te kort. Men zou zeggen, dat de dichter zich niet de moeite wil -getroosten van er langer bij te verwijlen. - - -Sceaf-episode: - - Niet kunnen menschen zeggen, - Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden - Beneên de wolken, wie ontving de lading. (51-53) - - -Brecca-episode: - - Zij lagen boven - Nabij het meeraanspoelsel met den morgen, - Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen, - Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden - Beletten langs de barning van de baren. (575-79) - - -Sigmund-episode: - - Nochtans het lukte - Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde, - Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand. (903-5) - - -Finn-episode: - - Bloedig was de halle - Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher, - Verslagen in het midden zijner manschap, - En heengevoerd de koninginne Hildburg. (1167-70) - - -Headobarden-episode: - - Dan zal der ridders eed van beide zijden - Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld, - En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft - Door 't zorggezwalp. (2118-21) - - -Heardred-episode: - - In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte, - Verliet hij toen der menschen lustgewemel - En zocht het licht van God. (2538-40) - - -Zweden-episode: - - Sinds wreekte die zijn koud en zorgvol dolen - En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer. (2464-65) - - -Gaan wij over tot de redevoeringen. Hieraan is geen gebrek, -eenige zelfs zijn van langen adem. Het zal wel niet noodig zijn de -verschillende omstandigheden na te gaan, waarin hun eene plaats -wordt ingeruimd, immers de lezing van het gedicht geeft daarover -eene uitkomst. - -In een mannelijk epos als de Beowulf is hunne rol bij de gevechten -van zelf aangewezen, en wel vóór, gedurende en na den strijd. - -Eene afzonderlijke vermelding verdient de uitdagingsrede vóór den -strijd, waarin de held zich groote daden voorneemt; zij draagt den -naam van gilp-cwide: trotsrede. Uitdagende woorden moeten bij het -volk gebruikelijk zijn geweest, alvorens den strijd aan te binden; -want anders zou Beowulf vóór den drakekamp niet gezegd hebben, dat -hij van alle tartende taal afziet. - -Daarom wordt de held, die aan vele gevechten deelgenomen heeft, -geheeten gilp-hläden, d. i. met trotstoespraken beladen. - -Wijzen wij op eenige voorbeelden. - -Beowulf zegt tot Hrodgar, op Grendel doelende: - - - Doch 'k zal hem vatten, - Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten, - Man tegen man. (440-42) - - -Bij 't slapen gaan onmiddellijk voor Grendels aankomst spreekt hij -zijne mannen toe: - - - Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder - Voor 't wapenwerk, dan Grendel waant te wezen. (690-91) - - -Alvorens in 't meer te springen neemt hij afscheid en besluit met de -stoute taal: - - - 'k Verwerf met Hrunting - Mij roem, of anders rukt de dood mij mede. (1518-19) - - -Hiertoe behooren ook de bedreigingen, welke Ongentheow de in 't -Ravenbosch gevluchte Gooten toestuurt: - - - Hij sprak het uit, hij wilde - Hen met den morgen door het lemmer dooden, - Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. (3042-44) - - -Opmerkelijk is het, dat de helden vóór het gevecht elkander niet de -bekende en zoo natuurlijke Homerische scheldwoorden naar het hoofd -werpen. Hunne noordsche, in zich zelf gekeerde natuur was daartoe -te ernstig. Al zet Beowulf dan ook aan zijnen vuistgreep geen klem -bij door eenige krachtige uitdrukkingen, zijn vastberaden besluit -staat daarom niet minder pal, en de dichter verzuimt niet ons op dat -hardnekkig voornemen te wijzen. - -Somtijds dient de redevoering om herinneringen van korter of langer -dagteekening op te halen: Hrodgar herinnert aan Ecgtheóws veete met -de Wylfingen, Beowulf aan de Headobarden en aan Hredel. - -Rechtmatige trots op de daden der voorvaderen, welke bij Homeros' -helden zoozeer uitblinkt, spreekt zich ook uit in den Beowulf, -ofschoon minder sterk. - -Men denke aan het antwoord, dat Beowulf aan den kustwachter geeft, -en aan zijne eerste aanspraak tot Hrodgar. - -Een spottende toon ligt in Beowulfs antwoord aan Unferd, doch vooral -in de gilp-cwide van Sigeferd uit het Finnsburgfragment. - -De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van den -eenzamen schatbezitter, in de Hredel-episode en in Beowulfs laatste -woorden tot Wiglaf. - -Slaan wij nu eenen blik op de beschrijvingen. - -In dit opzicht staat ons epos beneden de Ilias. - -Ten Brink zegt ongeveer als volgt: Terwijl Homeros de beelden van -de buitenwereld in handeling tracht om te zetten, ons de voorwerpen -aanschouwelijker maakt door te zeggen, hoe zij ontstaan zijn, zoekt -het Oudengelsch epos eerder de handeling in een aantal beelden op -te lossen. - -En verder: Bij Homeros zijn de verschillende tijdsgewrichten vast -verbonden, geen wezenlijk lid ontbreekt, de keten is gesloten, -de voortduring der handeling is gewaarborgd; terwijl alleen de -hoofdpunten in den Beowulf worden uitgezocht en zelfstandig, elk voor -zich, geschetst. - -Tot staving hiervan wijst ten Brink op de beschrijving van den -overtocht naar Hrodgar (215-31). Inscheping, vertrek, reis, land in -'t zicht, uitscheping: ziedaar de vijf hoofdpunten, welke afzonderlijk -behandeld worden, terwijl bijzaken, bijzonderheden en overgangen niet -in aanmerking komen. - -Indien men nagaat, welke onderwerpen aanleiding plegen te geven -tot beschrijvingen, dan komen wij alweer tot het besluit, dat de -Angelsaksen een bij uitstek krijgshaftig en zeevarend volk geweest -zijn. Het is hiermee gelegen als met de Kenningar en schilderende -bijbenamingen, welke om zoo te zeggen het stilzwijgen bewaren -over het land en zijne bekoorlijkheden. De rozevingerige Aurora der -Grieken maakt geenen indruk op het gemoed des noordschen dichters. De -zonsopgang wordt slechts in korte trekken geteekend: - - - Van 't Oosten zeeg het licht, de zegestanderd, - De glanzende van God. (580-81) - Totdat de donkre raaf, verheugd van harte, - Des hemels weelde weder kwam verkonden. (1840-41) - - -Buiten de beschrijving van het Grendelmeer met omgeving, welke ons -voor het ontbreken van verdere tafereelen schadeloos stelt, wordt de -levenlooze natuur niet herdacht. Eene enkele natuurbeschrijving is -aan te stippen, doch zij is het werk van den inlasscher. - -De zanger verhaalt in Heorot: - - - dat de Almachte - Deze aarde had gevormd met hare velden, - Glansstaltig, waaromheen zich windt het water; - Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig - Tot licht gesteld had voor de landbewoners, - Getooid met twijg en blad der velden boezem. (93-98) - - -Eene ruimer plaats valt aan de zee te beurt. - -Wij zagen reeds Beowulfs overtocht naar Hrodgar; voegen wij -er zijne terugreis bij en vooral het grootsche tooneel van den -nachtelijken zwemtocht te midden der ontketende stormen en dreigende -zeemonsters. Hier heeft alles reusachtige afmetingen. Het is de poëzie -eens titans, de zee waardig. - -Het leeuwenaandeel is nochtans voor de slagbeschrijvingen weggelegd -en alles wat ermede gepaard gaat, als de onmetelijke schatten, -de drijfveer tot den oorlog, waarvan het noordsche brein droomde, -(men vergelijke den drakeschat 2842 vlg.), de kostbare wapens, bij -welker opsomming de dichter gaarne verwijlt, de lijkverbranding na -den val der helden in de Finn-episode en bij Beowulfs begrafenis, -de luidruchtige feestgelagen, hetzij om te verbroederen, hetzij om -de overwinning te vieren. - -Men verwachte zich niet op beschrijvingen als bij Homeros, die de hooge -feiten van elken kamper een voor een nagaat, zoodat het handgemengel -in eene rij van afzonderlijke gevechten vervalt, waarvan elk op zijne -beurt samenwerkt tot den kunstvollen eindindruk van het geheel; neen, -onze dichter stapt over alle bijzonderheden heen en spoedt zich naar -het feit, welks uitteekening hij zich ten doel heeft gesteld. - -Dit zien wij in de Zweden-episode, waar de gebeurtenissen in beknopten -vorm worden opgesomd, elkander in onafgebroken gang en met versnelde -vaart verdringen, om eindelijk stil te staan bij den kamp van den -slagvaardigen Ongentheow met de gebroeders Wulf en Eofor, hetgeen -enkel en alleen hoofdzaak is voor den dichter: - - - Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar - Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen, - Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten. - Nu stapte heen de stoute met de makkers, - De ontroostbre grijs, om op de burcht te trekken, - Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte. - - -Dan onderbreekt de dichter de feiten om, gelijk zijn gewoonte is, op -de gemoedsstemming van den hoofdpersoon het licht te doen vallen. Hij -gaat daarna voort: - - - En dicht bij zijnen aardwal dook weer de oude. - Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden, - En Hygelac ter hand gesteld hun standaard. - Zij stapten over hun versterkte stelling. - Nu drongen Hredels drommen naar de schildspits. (3049-65) - - -Nochtans is de indruk van meer dan eene slag-beschrijving aangrijpend, -overweldigend in hare korte gespierdheid. Beowulf heeft dikwijls -getrotst - - - den ijzerhagel, - Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen - Heenbruiste boven eene schans van schilden - En, vliegensreede door zijn veeruitrusting, - De schacht zijn diensten deed, den pijl vervolgde. (3229-33) - - -Onder de strijdtafereelen spant de kamp op den bodem van het nikkermeer -en de aanval op de Finnsburg ontegenzeggelijk de kroon. - -De dichter veroorlooft ons tevens eenen dieperen blik te slaan in -het gemoed der strijdende partijen, dank aan trekken, welke, hoe -kort dan ook, getuigenis afleggen van een loffelijk streven naar -zielkundige ontleding. - -Nauwelijks is Grendel de troonzaal binnengetreden, of het gezicht -van de slapende mannen prikkelt zijne vraatzucht en vervult hem -met vreugde: - - - Toen lachte daar zijn harte. (746) - - -Beowulf is droef te moede, als hij Grendel eenen zijner mannen ziet -verscheuren: - - - Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac. (752) - - -Grendel stuit op onvoorzienen tegenstand en het hart zakt hem in -de schoenen: - - - 't Werd hem bang in 't binnenst. (767) - - -De «hooggestemde» Beowulf put nieuwe kracht bij het terugdenken aan -zijne uitdagingswoorden: - - - De wakkre neef van Hygelac geheugde - Zich toen de toespraak van den eigen avond. (774-75) - - -Tweemaal wordt gewezen op de gemoedsstemming van de zich buiten -bevindende Denen: - - - Den Denen al gewerd, den burgbewoners, - Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting. (785-86) - - En gruwbre ontzetting greep te gaar de Denen. (802) - - -Beowulf legt de hem aangeboren grootmoedigheid door de volgende -redeneering het zwijgen op: - - - Hem docht zijn (Grendels) levensdag aan niemand nuttig. (810) - - -De verbittering der beide tegenstanders wordt in éénen regel -veraanschouwelijkt: - - - Zoolang de een leefde was 't den andre leedvol. (828) - - -In de slagbeschrijvingen wordt op twee bijzonderheden veel nadruk -gelegd, op de vermelding der wapenen: harnas, helm, schild en zwaard, -en op de «lijkschoffeerende» roofdieren. - -Wij zagen reeds bij de behandeling van de dichterlijke taal, dat -het zwaard met voorliefde wordt betiteld en zelfs als een levend -wezen gedacht. - -In het gansche leven en streven treedt het op den voorgrond. - -Het is het meest gewaardeerde erfstuk; manschap wordt bewezen door -de zinnebeeldige ontvangst van het wapen des vorsten (Hengest); de -krijger ontvangt het ten geschenke tot loon voor zijne dapperheid -of andere diensten, en hij verwerft daardoor de bijzondere achting -zijner makkers (de scheepswachter); wordt het uitgeleend, dan is dit -een bewijs van vriendschap en hoogachting (Unferd); de held schat -het zelfs zoo hoog, dat hij zich weigerachtig maakt om het aan zijnen -zoon te schenken (Heorogar), en dan alleen daartoe overgaat, wanneer -de jongeling in staat is het waardig te voeren (Wigstan). Het is een -trouwe «krijgsvriend», dien men nooit verlaat, zelfs niet gedurende -de nachtrust, en die op zijne beurt den bezitter nooit in den steek -laat. Is het zwaard deugdelijk, dan is het wijd en zijd bekend en -luistert het den volksstam op (Friezen). - -Het is een kunstwerk, soms het gewrocht van Weland, den besten -wapensmid; het is zelfs met hoogere kracht bedeeld (reuzenzwaard) -en prijkt met opschrift en voorstellingen van gebeurtenissen, zoodat -wij hier den vinger kunnen leggen op eene verre overeenstemming met -het wonderschild van Achilleus. - -Niet minder kenteekenend voor de noordsche slagbeschrijvingen is het -optreden van raaf, arend en wolf. - -Het zijn geene redelooze dieren meer, maar zelfbewuste wezens, die -zich verheugen over den rijken oogst der dooden en elkander op het -slagveld hunne indrukken mededeelen. - -Welk ijzingwekkend tooneel als dat in het Finnsburgfragment! - - - Nu zwierf de rave zwierend om de lijken, - Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig. (36-37) - - -En welke tegenstelling tusschen het aanvalligste beeld en het -Tantalstooneel met al zijne verschrikkingen op het nachtelijke -slagveld: - - - Geenszins zal het harpgefluister - De dappren wekken; maar de donkre rave - Zal, vlammend over dooden, veel verhalen, - Den arend melden, hoe het maal haar meeviel, - Toen zij de riffen met den wolf beroofde. (3131-35) - - -Al zijn de slagbeschrijvingen onder de best geslaagde tooneelen -van ons epos te rekenen, toch valt het niet te verhelen, dat deze -lichtende plaatsen hunne schaduwzijde hebben. - -Wij bedoelen de hebbelijkheid des dichters van telkens het verhaal -af te breken door het invlechten van overwegingen, welke niet alleen -den gang stremmen, de opmerkzaamheid afleiden, maar ook wegens hun -gering gehalte doorgaans veilig kunnen gemist worden. - -Komen wij nog eens terug op het gevecht met Grendel. - -Grendel is Heorot binnengedrongen, een tweeslachtig licht schemert -in zijne oogen, moordlust en vreugde. - -Onze verwachting is gespannen, wij zijn benieuwd om te weten, wat er -gaat gebeuren. - -Daar drukt de dichter het hoofd in aan onze belangstelling met eene -bemerking, ontnuchterend als een koud bad: - - - Nochtans gehengde hem het lot niet langer, - Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen. (750-51) - - -Een tweede waterstraal wordt ons toegediend, als Beowulf Grendel -heeft vastgeklampt en deze te vergeefs het hazepad tracht te kiezen: - - - Niet boden zich alhier de bezigheden, - Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. (772-73) - - -en wat verder: - - - De tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot - De weebewerker. (783) - - -Heeft het gevecht het hoogste punt bereikt, nu Grendel zich met de -kracht der wanhoop verdedigt, zoodat de zaal dreigt in te storten -onder het geweld der reusachtige kampvechters, dan wordt alweer de -domper op onze blakende geestdrift gezet: - - - Hierop hadden - De raden eer der Schyldings niet gerekend, - Dat ooit der mannen een door krachtvermogen - De weidsche, met gewei getooide woning - Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten; - Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen - In rook. (795-801) - - -Ten slotte wordt ons alweer oudbakken nieuws opgedischt bij het -vruchteloos bijspringen van Beowulfs tochtgenooten: - - - Toch zou armzalig wezen - Het einde zijns bestaans op deze stonde, - In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. (820-22) - - -Hetzelfde laat zich aantoonen bij alle eenigszins uitgebreide -beschrijvingen; overal schemert de subjectiviteit van den dichter door. - -Kamp met Grendels moeder: 1554-57, 1564-66, 1567, 1581-87, 1608-16. - -Kamp met den draak: 2650-52, 2656-58, 2661-69 enz. enz. - -Zoo spreiden zich deze overwegingen als een roode draad door het heele -gedicht ten toon; overal verraadt zich de zucht van den dichter om -zich ook eens te laten gelden, in plaats van zich uitsluitend bij -zijn onderwerp te houden. - -Dit gebrek aan objectiviteit is stuitend, doch vindt zijne -verklaring en tevens zijne verontschuldiging in den aard zelf van -het volksepos. De nadichter of, beter gezegd, de inlasscher was -gebonden door de overgeleverde epische stof, ja door den vorm, en -kon slechts op deze wijze, door middel van persoonlijke overwegingen, -zijne dichtjeukte tot bedaren brengen. - -Wijzen wij ten slotte nog op het geliefkoosd gebruik der -tegenstellingen, waardoor de personen des te scherper te voorschijn -treden: op den stokouden koning en den krachtvollen man (Hrodgar en -Beowulf); op den jeugdigen Ingeld en zijnen grijzen raadgever; op -den vergrijsden held en zijnen pas volwassen krijgsmakker (Beowulf -en Wiglaf); op den voorbeeldigen vorst en den dwingeland (Beowulf en -Heremod); op zelfverloochenende trouw en laffe zelfzucht (Wiglaf en -zijne makkers), en eindelijk op de zachte, minnende echtgenoote Hygd -en de wildfiere Thrydo. - - - - -INNERLIJKE GESCHIEDENIS. - -Wij hebben er reeds op gewezen dat ons epos op geene kunsteenheid -kan bogen. - -Inderdaad er worden twee afzonderlijke onderwerpen in behandeld, -de kamp met de watermonsters en die met den vuurdraak; deze wordt -geleverd in Jutland, gene op Seeland; deze door den honderdjarigen -koning, gene toen de held nog niet den troon beklommen had en zich -in de volheid zijner krachten mocht verheugen. - -Verschillende pogingen zijn in het werk gesteld, om de oorspronkelijke -kern van het epos van de latere bijbewerkingen af te zonderen. - -Degene die hiermede een begin heeft gemaakt, is Ettmüller. - -Zijne pogingen hadden vooral de terzijdestelling van de Christelijke -toevoegsels ten doel, welke bovendien gemakkelijk te herkennen zijn. - -Daarenboven scheidt hij van het onderwerp de episoden of bijverhalen -af, welke negen in getal zijn, te weten: Brecca, Sigmund-Heremod, -Finn, Thrydo, Headobarden, de eenzame schatbezitter, de oorlogen met -Franken en Zweden, en Ongentheows dood. - -Müllenhoff werkte op deze gegevens voort. - -Hij drong dieper door in de schifting van de interpolaties en bouwde -op dezen grondslag een heel stelsel omtrent de oorspronkelijke en -later toegevoegde onderdeden van het epos. - -Hij onderscheidt vijf afzonderlijke deelen: - -1º Inleiding 1-193. - -2º Beowulfs gevecht met Grendel 194-836. - -3º Gevecht met Grendels moeder 837-1628. - -4º Beowulfs terugkeer 1629-2199. - -5º Kamp met den draak en Beowulfs dood 2200-3183. - -Het gevecht met Grendel en dat met den draak, ziedaar de twee -oorspronkelijke bestanddeelen, welke nochtans niet het werk zijn van -denzelfden dichter. - -Het eerste oude lied kreeg, waarschijnlijk van twee verschillende -voortzetters, eene dubbele uitbreiding: eerst het gevecht met Grendels -moeder, daarna de Inleiding. - -Een derde voortzetter A voegde Beowulfs terugkeer er aan toe en vulde, -om zijn aanhangsel met het geheel in overeenstemming te brengen, -het eerste en vooral het tweede oude lied op verscheiden plaatsen aan. - -Een vierde voortzetter B, of in de rij der Beowulfdichters no 6, -verbond eindelijk den drakekamp met het door A tot 2199 voortgezette -werk en verwaterde het gansche epos door allerlei lapwerk van -zedekundigen en godgeleerden aard. - -Deze B is de eigenlijke interpolator. - -Men mag er Müllenhoff een verwijt van maken, dat hij in het brandmerken -van de, volgens hem, van elders aangewaaide plaatsen al te voortvarend -is te werk gegaan. Vandaar dat hij, na aftrek van de onechte verzen, -het epos bijna tot op de helft besnoeit. - -Immers in elk der vijf deelen vinden de volgende regels slechts genade: - -1º 126 regels; 2º 490; 3º 333; 4º 399; 5º 440; te zamen 1788 echte -verzen op de 3183. - -Hermann Möller tracht de oorspronkelijke bestanddeelen in vierregelige -strophen te rangschikken. - -Ofschoon deze meening geen opgang maakt, nemen ten Brink en Heinzel -toch aan, dat eene zekere neiging tot vierregelige strophen in den -verhaaltrant niet te miskennen is. - -Eene laatste poging is die van ten Brink. - -Het zou ons te ver leiden, moesten wij zijn betoog, waarmede wel een -twintigtal bladzijden gemoeid zouden zijn, tot in de bijzonderheden -napluizen. - -Trachten wij daarom het grondbeginsel, waarvan hij uitgaat, duidelijk -te maken. - -Het gebrek van Müllenhoff's theorie is, dat zij aan den inlasscher -eene overwegende rol toekent. - -Daardoor heeft hij de natuur van het volksepos uit het oog verloren, -waarvan de afwijkingen niet uitsluitend het werk zijn van den -interpolator, zooals dit het geval is bij de kunstpoëzie. - -Drie invloeden zijn, volgens ten Brink, werkzaam geweest bij het -opstellen van den Beowulf: de mondelingsche afwijkingen, de diaskeuast -of rangschikker, en de interpolator. - -Het voortbestaan der heldensage door de voordracht riep -natuurlijkerwijze verschillende varianten in het leven, welke -mettertijd eene gansch verschillende gedaante konden aannemen. Het was -de taak van den rangschikker, eenheid te brengen in die uiteenloopende -behandelingen. Veronderstellen wij, dat hij twee bewerkingen van -dezelfde stof voor zich had; wat was natuurlijker dan de bewerking, -die hem het geschiktste voorkwam, ten grondslag te leggen en daarnevens -de andere bij gelegenheid te benuttigen! - -Hij zelf voegde niets van het zijne toe. - -Daarna toog de inlasscher aan den arbeid, die in den tot stand gekomen -tekst zijne godgeleerde en zedekundige aanmerkingen binnensmokkelde. - -Steunend op dit beginsel, trekt ten Brink op de volgende wijze de -grenzen tusschen de vijf van Müllenhoff overgenomen deelen: - -1º Inleiding 1-193. - -2º Kamp met Grendel 194-836. - -3º Kamp met Grendels moeder 837-1904 of 1913. - -4º Beowulfs terugkeer 1905 of 1914-2199. - -5º Kamp met den draak 2200-3183. - -De grenzen tusschen 3e en 4e bakent hij anders af dan Müllenhoff. - -Dit stelsel heeft dit nog voor op het vorige, dat niet de helft van -het gedicht als onecht over boord wordt geworpen. - -Welke zijn de verschillende lezingen of varianten, die de rangschikker -in elk der vijf deelen benuttigd heeft? - -1º De Inleiding is naar twee lezingen samengesteld: A, welke tot -richtsnoer is genomen, en B, welke slechts ter loops is aangewend. - -2º Als onder 1º, de grondvorm A en de bijvorm B. - -3º Grondvorm C, bijvorm D. - -4º Eéne lezing E; dit is het jongste deel. - -5º Grondvorm F, bijvorm G. - -B, D en E zijn gekenmerkt door de opmerkzaamheid, welke zij aan de -Deensche toestanden wijden. - -Ten Brink plaatst de 1ste Beowulf bewerking (A C F) in 't jaar 690; -de 2de (B D E G) tegen 710; terwijl van de volledige afwerking, -waardoor A C F door B D E G gewijzigd werd, zich alleen laat zeggen, -dat zij vermoedelijk nog de 8ste eeuw toebehoort. - - - - - - - - -INHOUD. - - -I. - -Inleiding. Geslachtslijst der Deensche koningen: Scyld, zoon van Sceaf, -landt als kind over zee aan; hij breidt later zijne macht uit. Hem -wordt een zoon, Beowulf de Deen, geboren. Scyld sterft en zijn lijk -wordt te midden van wapenen en schatten op een schip gelegd en aan -de zee prijsgegeven. - - -II. - -Vervolg der geslachtslijst: Beowulf, zoon van Scyld.--Healfdeen.-- -Heorogar, Hrodgar, Halga en Elan.--Na Heorogars dood beklimt Hrodgar -den troon. - -Begin van 't verhaal: Hrodgar laat Heorot bouwen. Gezellige vreugde -aldaar, scheppingslied. Grendels wrevel. Oorsprong der monsters. - - -III. - -Grendel verslindt 's nachts dertig Denen in Heorot. Opschudding des -morgens. Den volgenden nacht herhaling. Heorot blijft ledig. Grendel -woedt twaalf jaren lang. Zijn onverzoenbare wrok. De Denen nemen te -vergeefs hunne toevlucht tot de goden. Het waren heidenen. Zedeles. - - -IV. - -Hrodgars radeloosheid. Beowulf, de Goot, verneemt in Jutland het -gebeurde. Zijn voornemen om Grendel te bevechten gaat door. Hij scheept -zich in met veertien makkers. Overtocht. Aankomst in Seeland na 24 -uren reizens. Ontscheping. De Deensche kustwachter ondervraagt hem. - - -V. - -Beowulf legt zijne afkomst en het doel zijner reis bloot. Gunstig -antwoord van den kustwachter. Hij doet hun een eind weegs uitgeleide -en neemt dan afscheid, om op zijnen post terug te keeren. - - -VI. - -De Gooten bereiken Heorot en zetten zich buiten neer. Wulfgar vraagt -wie ze zijn. Beowulfs antwoord. Wulfgar belast zich met hen aan te -dienen. Hij gaat naar binnen en maakt hun verlangen aan Hrodgar bekend. - - -VII. - -Hrodgars antwoord aan Wulfgar: Ik heb Beowulf als knaap gekend; -zeelieden vertelden, dat hij de kracht van dertig man bezit; ik -hoop dat hij ons komt helpen; verzoek hem binnen te komen.--Wulfgar -kwijt zich van zijne opdracht. De lansen en schilden worden aan de -hoede van eenige krijgers toevertrouwd. Zij treden binnen. Beowulfs -aanspraak: Hij doet zich kennen; hij heeft Grendels wanbedrijven -vernomen en komt, op aanraden zijner vrienden, om hem te bekampen; -zijne vroegere wapenfeiten stellen hem omtrent den uitslag gerust; -hij verzoekt om alleen met zijne makkers het waagstuk te ondernemen; -wapenen zal hij niet gebruiken; delft hij het onderspit, zoo wordt hij -verslonden en hoeft men niet te zorgen voor brandstapel en begrafenis; -Hrodgar moet alsdan zijne wapenrusting naar Hygelac zenden. - - -VIII. - -Hrodgars antwoord: Hij laat recht wedervaren aan Beowulfs -grootmoedigheid en herinnert hem, hoe hij zelf in 't begin zijner -regeering Beowulfs vader eenen dienst heeft bewezen bij gelegenheid van -dezes veete met de Wylfingen; hij komt terug op zijnen twaalfjarigen -rampspoed: Grendel heeft zijne beste krijgers gedood.--Gastmaal. - - -IX. - -Hunferds ijverzuchtige toespraak: Gij, Beowulf, werdt door Brecca -in den zwemwedstrijd overwonnen; bijgevolg zult ge insgelijks in -deze onderneming niet slagen.--Beowulf antwoordt: Deze wedstrijd -dagteekent uit onze jeugd; wij zwommen gedurende vijf dagen, zonder -dat ik Brecca wilde verlaten, tot de storm ons des nachts scheidde. - - -X. - -Ik doodde verscheiden zeemonsters en bereikte eindelijk -Finmarken. Brecca heeft nooit iets dergelijks uitgevoerd. Doch gij -hebt uwen broeder gedood. Waart gij zoo dapper, als gij voorgeeft, -Grendel zou nooit dit onheil gesticht hebben; maar ik zal er met -mijne Gooten een einde aan stellen.--De koningin reikt eenen beker -aan de helden rond. Beowulfs fiere taal: hij zal overwinnen of -sterven. Voortzetting van het drinkgelag. De avond valt en Hrodgar -gaat slapen, na Heorot aan Beowulfs hoede toevertrouwd te hebben. - - -XI. - -Beowulf legt zijne wapenrusting af. Hij herhaalt, dat hij van het -gebruik der wapens afziet, en vlijt zich neder naast zijne makkers. - -Allen slapen weldra in, uitgenomen hij. - - -XII. - -Grendel nadert de zaal, stoot de deur open en verslindt een der -Gooten, Hondscio. Daarna grijpt hij Beowulf vast, doch ontmoet eenen -onverwachten tegenstand. Beschrijving van de worsteling. De reus -tracht vruchteloos te ontvluchten. De zaal lijdt last. Schrik der -Denen. Grendels gejammer. - - -XIII. - -Voortzetting der beschrijving: De makkers springen bij, doch hunne -zwaarden hebben geen vat op Grendel. Hij vlucht, doch laat arm en -schouder in Beowulfs handen achter. Overweging des dichters. Beowulf -plaatst den arm als zegeteeken voor den ingang. - - -XIV. - -Den volgenden morgen gaat men van heinde en verre Grendels bloedspoor -zien, dat naar het nikkermeer voert. Op den terugweg wordt Beowulf -in verzen geprezen, er wordt geharddraafd en daarna verhaalt men -de sage van Sigmund en Heremod. De morgen is reeds gevorderd, als -zij in Heorot terugkomen. Hrodgar verlaat met zijne echtgenoote het -slaapvertrek en begeeft zich naar de troonzaal, om het tooneel der -worsteling in oogenschouw te nemen. - - -XV. - -Hrodgars toespraak: Eerst dankt hij God, daarna zijnen redder; hij zal -hem als een zoon beschouwen en rijk beloonen.--Beowulf geeft verslag -van de worsteling. Hunferds beschaming. De ridders bewonderen den -reusachtigen klauw van Grendel. - - -XVI. - -Heorot wordt gesmukt. Het gebouw was erg gehavend. Hrodgar begeeft -er zich heen tot het feestmaal. Hij geeft aan Beowulf geschenken: -standaard, helm, harnas, paarden. - - -XVII. - -Vervolg van 't feestmaal: De andere helden worden ook niet -vergeten door den milden vorst; voor Hondscio wordt weergeld -betaald. Finn-episode. - - -XVIII. - -Voortzetting van de Finn-episode.--Het drinkgelag duurt -voort. Wealchtheow, de koningin, zet haren gemaal aan tot -vrijgevigheid. Zij hoopt dat Hrodulf, Hrodgars mederegent, zich -na dezes dood dankbaar zal toonen en hare zonen vriendschappelijk -bejegenen. - - -XIX. - -Vervolg van 't feestmaal: Beowulf wordt uitgenoodigd om te -drinken; nieuwe geschenken, hem door de vorstin overhandigd: -ringen, armtooisels, rusting, prachtig halsjuweel. Sage van Hama -en den Brosinghalsband.--Latere lotgevallen van het aan den held -geschonken halsjuweel: het geraakte door het sneven van Hygelac -in het bezit der Franken.--De koningin houdt eene toespraak bij -het aanbieden der geschenken en hoopt, dat Beowulf goed zal wezen -voor hare zonen. Hrodgar gaat slapen, terwijl vele Denen Heorot tot -nachtverblijf kiezen. - - -XX. - -Grendels moeder begeeft zich naar Heorot om haren zoon te wreken. De -Denen stellen zich te weer. Zij vlucht, doch ontvoert een ridder, -Aschere, alsmede den arm van haren zoon. - -Vóór dag en dauw laat Hrodgar Beowulf ontbieden. - - -XXI. - -Hrodgars klacht over het verlies van zijnen besten raadsheer; hij -beschrijft het Grendelmeer en hoopt, dat Beowulf er zich zal inbegeven. - - -XXII. - -Beowulf belooft het. Beiden begeven zich met hun gevolg op weg. Aan -den oever vinden zij het hoofd van Aschere. Een watermonster wordt -gedood en op het droge getrokken. Beowulf rust zich uit. Hunferd -leent hem het voortreffelijke zwaard Hrunting. - - -XXIII. - -Beowulf richt het verzoek tot Hrodgar om zijne makkers tot vader te -verstrekken, zoo hij niet meer terugkomt, en zijne ontvangen geschenken -aan Hygelac te zenden. Hij bedankt Hunferd voor het leenen van zijn -zwaard en springt in het meer. Grendels moeder sleurt hem mede naar -hare onderzeesche woning. Hrunting wil niet vatten. Worsteling. De -held wordt omvergeworpen en is op het punt van gedood te worden. - - -XXIV. - -Door eene bijzondere bestiering Gods valt zijn oog op een oud -reuzenzwaard aan den wand. Hiermede doodt hij den vijand en houwt hij -tevens het hoofd af van Grendels lijk. Het water wordt bloedig. De -krijgers meenen dat Beowulf gedood is. Hrodgar vertrekt met de -zijnen. De Gooten blijven wachten. Het reuzenzwaard smelt tot op -het gevest, ten gevolge van het bloed des monsters. Beowulf komt te -voorschijn met het gevest en Grendels hoofd. Terugkeer naar Heorot. Het -zegeteeken wordt door vier mannen gedragen. - - -XXV. - -Beowulf verhaalt zijn wedervaren in de diepte en schenkt het -zwaardgevest aan den koning. Hrodgars dankrede: hij vergelijkt -Beowulfs gedrag en dat van Heremod; het gevaar der grootheid, zij -ontaardt dikwijls tot overmoed - - -XXVI. - -en tot schraapzucht. Hij wijst op zichzelf: 50 jaar regeerde hij -voorspoedig, daarna overviel hem rampspoed; hij bedankt God voor de -redding.--Maaltijd. Met het invallen van den nacht begeeft men zich -ter ruste. Beowulf wordt naar zijn slaapvertrek geleid. Als de morgen -aanbreekt, staat Beowulf reisvaardig, hij geeft Hrunting terug aan -Hunferd en begeeft zich naar Heorot, om afscheid te nemen van Hrodgar. - - -XXVII. - -Beowulfs toespraak: hij verlangt naar huis, doch zal altijd tot -Hrodgars en Hrederics dienst gereed zijn. Hrodgars antwoord: hij hoopt -dat Beowulf later na Hygelacs dood tot koning gekozen zal worden; -dank aan hem is eene hechte vriendschap tusschen de twee volken -gesloten.--Hij schenkt hem twaalf kostbaarheden en neemt slechts -noode van hem afscheid. Beowulf begeeft zich scheepwaarts. - - -XXVIII. - -De kustwachter ontvangt hem vriendschappelijk. Inscheping. Overtocht -naar Jutland. De strandwachter. Ontscheping. Zij begeven zich naar -Hygelacs woning. Tegenstelling tusschen het karakter van Hygd en dat -van Thrydo. - - -XXIX. - -Onthaal bij Hygelac. Hij ondervraagt Beowulf. Deze geeft verslag over -de gebeurtenissen en lascht er de Headobarden-episode in. - - -XXX. - -Slot der Headobarden-episode. Daarna neemt Beowulf den draad van -zijn verhaal weder op; Grendel, handschoen, feestmaal, Aschere, -Grendels moeder. - - -XXXI. - -Vervolg van Beowulfs verslag: Geschenken.--Beowulf staat zijne -geschenken aan Hygelac en Hygd af. De dichter spreekt van Beowulfs -onmannelijke jeugd. Hygelac beloont Beowulf met Hredels zwaard, -landerijen en burcht.--Beowulf beklimt den troon na den dood van -Heardred, Hygelacs zoon, en heerscht vijftig jaar op voorspoedige, -wijze, totdat zekere slaaf eenen beker ontvoert uit het hol van eenen -draak, die in eenen grafheuvel eenen onmetelijken schat bewaart. - - -XXXII. - -De slaaf had eene schuilplaats gezocht en zoo toevalligerwijze den -schat ontdekt. Geschiedenis van den schat: hij was daar neergelegd -door den laatsten afstammeling van een oud geslacht; klacht van den -eenzamen grijsaard; na zijnen dood maakt de draak zich van de have -meester.--De draak ontdekt den diefstal; hij is strijdlustig en vliegt -met de avondschemering uit, om wraak te nemen. - - -XXXIII. - -Hij verbrandt Beowulfs woning en keert met den morgen terug -in zijn hol. Droefheid van den koning bij het vernemen van de -verwoestingen. Hij laat een stalen schild vervaardigen. Afwijking van -den dichter: Beowulfs vroegere wapenfeiten, Grendelkamp, oorlog met -de Franken, waarin de held met de schilden van dertig gesneuvelde -vijanden te water springt; hij weigert den troon, welken Hygd hem -aanbiedt, en beklimt dien slechts later na den dood van Heardred, -die Zweedsche vluchtelingen had opgenomen en daarom door Onela, -den vorst der Zweden, verslagen werd. - - -XXXIV. - -Voortzetting der afwijking: Beowulf Wreekt later den dood -van zijnen voorganger en verbindt zich met Eadgils, een der -vluchtelingen, die Onela van het leven berooft.--Beowulf begeeft -zich met elf tochtgenooten naar het drakenhol op aanwijzing van den -slaaf. Voorgevoel van zijnen dood. Beowulfs rede: hij heeft zijne -jeugd aan het hof van Hredel doorgebracht; Hredel-episode. - - -XXXV. - -Vervolg van de Hredel-episode; na Hredels dood breekt de oorlog uit met -de Zweden, waarin Hadcyn en Ongentheow sneuvelen; hij heeft Hygelac -altoos trouw ter zijde gestaan en Daghrefn gewurgd in den strijd -met de Franken; nu zal hij zijnen laatsten kamp wagen.--Beowulf -groet ieder zijner makkers en neemt weer het woord op: hij draagt -eene wapenrusting, om tegen het vuur beschut te zijn; zijne mannen -zullen in de nabijheid wachten, hij zal alleen den draak dooden of -sterven.--Beschrijving van den drakekamp: Beowulf begeeft zich naar -den ingang van het hol; beschrijving ervan; hij roept, en de draak -komt te voorschijn; Beowulfs zwaard dringt niet door, hij moet zich -wegens de hitte terugtrekken. Zelfde vruchtelooze uitslag bij eene -tweede poging. De helpers nemen de vlucht, uitgenomen Wiglaf. - - -XXXVI. - -Wiglafs afkomst. Hij herinnert zich Beowulfs weldaden en trekt het -zwaard. Lotgevallen ervan. Zijne toespraak tot de vluchtelingen: -hun meester schonk de wapenrusting, koos hen als de dappersten uit, -dus moeten zij hem helpen; hij voor zich wil liever sterven dan hem in -den steek te laten; zonder hem kunnen zij niet terugkeeren; Beowulf -heeft het niet verdiend alleen te moeten vallen.--Wiglaf dringt door -den vlammengloed en spreekt Beowulf moed in. Tweede aanval van den -kant des draaks: Wiglafs houten schild verbrandt, hij vlucht achter -dat van zijnen koning. Deze wondt het hoofd van den draak, doch zijn -zwaard breekt, want zijne vuist is te sterk. Derde aanval vanwege -den draak: hij omklemt met zijne tanden den hals van Beowulf. - - -XXXVII. - -Wiglaf wondt nu den draak op doodelijke wijze, doch verbrandt tevens -zijne hand. Beowulf komt tot zichzelven en hakt met zijn slagmes den -draak middendoor. Hij is vergiftigd en zijgt neder. Wiglaf besprenkelt -hem met water en ontgespt zijnen helm. Beowulf komt bij en zegt, -dat hij met volle gerustheid sterft, want hij heeft gedurende vijftig -jaren rechtvaardig geregeerd; hij verzoekt Wiglaf in het hol te gaan, -om hem de schatten voor de eerste en laatste maal te toonen. - - -XXXVIII. - -Wiglaf begeeft zich onder de rots. Beschrijving van de schatten. Met -kostbaarheden beladen keert hij terug en vindt Beowulf in bewusteloozen -toestand. Ten tweeden male besprenkelt hij hem met water en met goed -gevolg. Beowulfs laatste woorden: hij bedankt God voor die schatten, -welke zijne mannen zullen te stade komen, beveelt, dat men hem eenen -hoogen grafheuvel zal oprichten aan den oever der zee en schenkt -aan Wiglaf, den laatste van zijnen stam, halssieraad, helm, ring en -harnas. Daarna geeft hij den geest. - - -XXXIX. - -Overweging van den dichter. De tien vluchtelingen komen terug. Wiglafs -strafrede: Beowulf heeft zijne geschenken aan onwaardigen gegeven; -toch heeft hij de zege behaald; ik heb hem naar vermogen geholpen; -gij zult voorbeeldig gestraft worden.-- - - -XL. - -Een bode bericht het nieuws aan het hof: Beowulf en de draak zijn -gedood; Wiglaf houdt er de wacht; nu staat de oorlog te wachten met -de Franken, die hun vijandig zijn sedert Hygelacs inval. Ook zullen -de Zweden hen aantasten; tot staving hiervan verhaalt hij de episode -van den Zwedenkrijg. - - -XLI. - -Voortzetting van den Zwedenkrijg. Men spoede zich om Beowulfs lijk te -verbranden met den drakeschat, zoodat er geen sieraad tot herinnering -zal overblijven, want hachelijke tijden zijn ophanden.--Men begeeft -zich naar het strand, waar Beowulf naast den draak en de kostbaarheden -ligt uitgestrekt. Afwijking: de schat was betooverd. - - -XLII. - -De afwijking wordt voortgezet. Wiglafs redevoering: Beowulf wilde niet -den raad involgen om den draak ongemoeid te laten; ik heb de schatkamer -bezichtigd; Beowulf heeft eenen lijkheuvel verzocht. Wiglaf beveelt -de schatten uit het hol te dragen en het hout tot den brandstapel aan -te voeren.--De schat wordt te zamen met het lijk des konings naar de -walvischhoogte vervoerd, terwijl de draak in de zee wordt gestort. - - -XLIII. - -Beschrijving van Beowulfs lijkverbranding: de brandstapel wordt -opgericht en aangestoken. Jammerklachten van de jonkvrouw. De graf -heuvel wordt opgeworpen en de rijkdom er in geborgen. De zonen der -twaalf rijksgrooten rijden om het graf. Hun rouwzang. Beowulf was -het toonbeeld van een koning. - - - - - - - - -I. - - - Voorwaar, der Denen roem in voortijdsdagen, - Der volksbeheerschers hebben wij vernomen, - Hoe de eêlgeboornen heldendaân voldongen. - De Scheving [25] Schyld ontnam aan 's vijands scharen, -5 Aan vele stammen vaak de medezetels [26]. - De held had veel gehard, nadat hij hulploos - Gevonden was geworden in den aanvang. - Des trof hij troost. Hij wies beneên de wolken, - Gedijde in waardigheên, totdat hem ieder -10 Der ommewoners langs de walvischwegen - Gehoorzaamheid verschuldigd was en schatting - Betalen moest. Dit was een machtig koning! - Hem werd daarna een erfgenaam geboren, - Jong in het koningshof, dien zond de Hemel -15 Het volk tot heul: Hij [27] zag 't vervolgingsonheil, - Dat zij, de koningsloozen, eerst beleefden - Een langen tijd. De Levensheer diensvolgens, - De glansbeschikker, schonk hem [28] wereldglorie. [29] - Bekend werd Beowulf [30]; verre sprong de konde -20 Van Schyldes spruit de Schedelanden [31] binnen. - Zoo moet een jeugdig man zich mild bewijzen - Door groote giften jegens vaders vrienden, - Opdat hem weer gewillig wapenmakkers - In d'ouderdom [32], als kamp ontstaat, omstuwen, -25 De heirschaar vormen: door gevierde daden - Zal zich een held bij elken stam verheffen. - Verscheiden ging nu Schyld, de veelbewogen, - Ter lotbestemde stond in 's Heeren hoede [33]. - Hem brachten toen de trouwe wapenbroeders -30 Naar 't zeegezwalp, gelijk hij zelf verzocht had, - Terwijl 't bevel de vriend der Schyldings [34] voerde, - De lieve landbestuurder lang een tijdruim {1}. - Daar aan de reede stond de kronkelsteven, - Yshelder, reizensree, des heerschers vaartuig. -35 Zij legden toen den lieven koning neder, - Den schatbescheerder, op den schoot des vaartuigs, - Den wijdvermaarden bij den mast. Er waren - Juweelen veel, gebracht langs verre wegen, - En kostbaarheden opgehoopt. Ik hoorde -40 Wel nooit van zulk een kiel, voorzien zoo kostlijk - Met heertuig, krijgerkleên, met zwaard en harnas. - Veel schatten lagen op den schoot [35]. Zij zouden - Ver medezwalken in de macht der baren. - Zij monsterden niet minder gul met gaven -45 Hem uit en schatgeschenken dan het deden - Degenen, die hem in 't begin verzonden - Alleen op 't zeegewoel, een wichtje zijnde. [36] - Men stelde hem daarbij een gulden standaard [37] - Hoog boven 't hoofd en liet de baar hem beuren -50 En gaf hem aan de golf. Hun geest was weevol, - Bezorgd hun zin. Niet kunnen menschen zeggen, - Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden - Beneên de wolken [38], wie ontving de lading. - - - - - -II. - - - Ter burcht verwijlde nu der Schyldings Beowulf, -55 De lieve landsheer, lang, den volken roemrijk; {2} - (De vader week van daar, de vorst van 't erfgoed [39]) - Totdat hem werd verwekt de hooge Healfdeen. - Die heerschte op heusche wijs, zoolang hij leefde, - Bedaagd en oorlogsduchtig, bij de Schyldings. -60 Hem kwam in rechte rij een viertal kinders - Ter wereld: Heorogar, de hordenheerscher, - Hrodgar en strijdbre Halga. 'k Heb vernomen, - Dat Elan werd van Ongentheow [40] de weerhelft, - De bedgenoote van den Wapen-Schilfing [41]. -65 Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar, - De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen [42] - Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam, - De breede jonglingschaar. Hem schoot te binnen, - Dat hij een hal bevelen moest te maken -70 Aan zijne mannen, eene medewoning, - Een machtiger dan menschenzonen zagen; - Om alles daar aan jong en oud te deelen, - Als God hem had gegeven, uitgezonderd - De legerschaar en 't leven zijner lieden [43]. -75 'k Vernam, hoe werk werd opgelegd in 't wijde - Aan menig man langs de aard, de steê te sieren. - Het viel in tijds hem mede, bij de menschen, - Dat kant en klaar verrees der hallen hoogste. - Den naam van Heort bestemde haar de heerscher, -80 Wiens woorden kracht van wet in 't wijd bezaten. - Hij deed zijn woord gestand en deelde ringen - En goed aan 't gastmaal. Stout verhief, met hoornen - Voorzien [44] zich ruim de zaal--Haar was te wachten - 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie. -85 Niet was de tijd reeds daar, dat wapenwoede - Door bloedhaat blaken zou bij zoon en vader [45].-- - Nu moest den heelen tijd in arren moede - De weerbre geest, die woonde in duisternissen, - Het dulden, dagelijks het luid gejubel -90 Te hooren in de hal. Daar klonk de harptoon, - De zoete zang des dichters. Deze zeide, - Die 't eerst ontstaan des menschen wist te melden - Van hooger af, verhaalde, dat de Almachte - Deze aarde had gevormd met hare velden, -95 Glansstaltig, waaromheen zich windt het water; - Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig - Tot licht gesteld had voor de landbewoners, - Getooid met twijg en blad der velden boezem. - Het leven schiep Hij insgelijks voor ieder -100 Der wezens, die bezield zich voortbewegen. - Zoo leefden in genot de kampgenooten - En overvloed, tot één begon, de vijand, - Verderf te stichten in de stede [46]. Grendel - Zoo was de gast, de grimme geest geheeten. -105 Grenslooper lang berucht, die in moerassen - En venen was genesteld, zijne vrijburg. - 't Wanzalig wezen had een lange wijle - Het schuilvertrek van 't reuzenras betrokken, - Nadat de Wereldheer hem had verwezen. -110 Der eeuwen Heer verhaalde op Kaïns afkomst, - Omdat hij Abel had verdaan, den doodslag. - Hij mocht zich in de misdaad niet verheugen, - Maar in de verte joeg hem voort de Schepper, - Om dezen moord, gebannen uit het menschdom. -115 Hier werden uit verwekt de wangedrochten, - De reuzen, elven met de watermonsters, - Giganten ook, die tegen God zich kantten - Een langen tijd. Hij loonde hen diensvolgens [47] [48]. - - - - - -III. - - - Hij [49] ging bezien, sinds nederzeeg de nachtstond, -120 De hooge huizing, hoe de Harnas-Denen - Zich na de bierontvangst gevestigd hadden. - Daar binnen trof hij toen den troep der eedlen - In slaap na 't feestgeslemp. Geen kommer kenden, - Geen leed de lieden. Vreeselijk, vraatzuchtig -125 Was ras gereed de daemon der verderfnis, - Verwoed en wild, en roofde van het rustbed - Der dappren dertigtal [50]. Dan weder wendde - Hij roemend op den roof van hier zich huiswaarts - En kwam met kampbuit [51] weer in zijne woning. -130 Toen bleek des ochtends bij het morgenblozen - De worstelmacht van Grendel aan de mannen. - Toen steeg na 't feestgelag 't gesteen naarboven, - Het machtig morgenwee. De hooge heerscher, - De eervolle vorst, was lusteloos gezeten, -135 Beleefde leed, de zorg om zijne strijders, - Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand. - Den doembren geest. De droefheid was te drukkend, - Geweldig, onverpoosd. Niet was er uitstel, - Hij stichtte na dien eenen nacht alweder -140 moorden meer en schuwde leed noch lagen, - Hij was maar al te zeer gezet op deze. - Nu waren vele lieden licht te vinden, - Die ergens elders ruimer rustbed zochten, - Een bed in 't burgvertrek. Nu was bewezen -145 En wis en waar beduid door bare blijken - De haat van 't halgedrocht, nu hield een ieder, - Die 't monster was ontvlucht, zich ver en veilig. - Zoo heerschte hij en woedde wederrechtig - Eén tegen allen, tot der huizen heerlijkst -150 Daar ledig stond. Dat duurde lang een tijdruim. - De Denenvriend verduurde een twaalftal winters [52] - De woede en ieder wee, de zwaarste zorgen. - Sinds werd het klaar bekend den menschenkindren - Op leede wijs door 't lied, dat Grendel Hrodgar -155 Aantastte langen tijd. Hij had berokkend - Haatvijandschap, vervolgingslisten, veete - Wel menig halfjaar met gestage strijden. - Hij wenschte geenszins aan te gaan den vrede - Met een der dappren uit de bloem der Denen, -160 Te keeren 't levenszeer, met geld te zoenen [53] {3}, - En geen der raden dorst glansrijker boete [54] - Verhopen met de handen van den dooder {4}. - De booze daemon kwelde, bond en doodde, - De duistre doodsgeest, meerderen en mindren. [55] -165 Eeuwnachten had hij in de nevelmoeren - Zijn woon gevest. Dit weten niet de menschen, - Waarheen in 't rond de toovenaars zich richten. - Zoo menig ramp berokte vaak de vijand - Des menschen, harden hoon, de eenzame zwerver. -170 Hij huisde in Heort, de goudverlichte halle, - Bij naren nacht. (Toch zou hij niet bezetten - Het schenkgestoelt, uit hoofde van den Schepper, [56] - Het pronkjuweel, noch waren dit zijn wenschen. [57] {5} - Dat was den vriend der Schyldings wreede kommer, -175 Een knak der ziel. Ten raadslag zaten dikwerf - Gevolg en vorst. Zij wikten dan en wogen, - Wat voor de boudgestemden 't beste ware - Te wagen tegen onverwachte inbreuk. - Somtijds beloofden zij den godentempels [58] -180 Een afgodsofferand en riepen dringend - Den wurggeest [59] aan, dat deze weer zou bieden - In 't volksgevaar. Dat waren zoo hun zeden, - Hun heidendenkwijs. Naar de helle streefden - Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester, -185 Der daden doemer, geenen God, den heerscher; - Zij konden niet des hemels heul bekennen, - Den God der glorie. Wee, die zal verzinken - De ziel door wilde zucht in 's vuurs omvatting, - Ontbeiden geenen troost, zich geenszins beteren! -190 Wel hem, die na den dood den Heer mag naken, - Een vrijburg vragen in des Vaders armen! [60] - - - - - -IV. - - - Op deze wijze broeide hij voortdurend, - De zoon van Healfdeen [61], zorgen voor het heden. - Niet stond den wijzen held het wee te wenden: -195 De strijd toch was te sterk, te lang, te lijdig. - Die nu was neergekomen op de kampers, - De norsche nooddwang, 't neetligst nachtlijk onheil. - Nu hoorde Hygelaces leenman [62], onder - De Gooten [63] goed, te huis de gruwlen Grendels. -200 Hij was in weerbaarheid der menschen machtigst - In gindschen leeftijd, eêl, doorluchtig. Treflijk - Een waterros gebood hij uit te rusten; - Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning, - Den hoogen heerscher, langs het zog der zwanen -205 Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. - Bij lang niet laakten wijze liên die reize [64], - Hoe waard hij was; den wildgezinde zetten - Zij aan en namen waar gewenschte teekens [65]. - De koene had tot kampers uitgekoren -210 De Gootenmannen, die hij vond het moedigst; - Eén van de vijftien, zocht hij op het zeehout; - Een kampheld [66] wees, een waterkundig krijger, - De landgrens langs. (De wachttijd was verstreken {6}.) - De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte {7}. -215 De helden stegen uitgedost ten steven. - De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand [67] {8}. - Zij droegen op den schoot des schips de schoonste - Juweelen neer, de weidsche kampgewaden - En tot de lustvaart boomden nu de lieden, -220 De kampers hun gebonden kiel [68] naar buiten. - Door winden aangewakkerd vloog, een vogel - Gelijk, 't schuimhalzig schip langsheen de baren, - Totdat den tweeden dag, ter eigen ure [69], - De slankgedraaide boeg was voortgedrongen, -225 Dat land de varenslieden zagen blinken, - Strandklippen, steile bergen, breede kapen. - Doortogen was het tij, de tocht ten einde. - Nu sprongen snel aan wal de Wederlieden [70], - Zij meerden 't meerhout vast (de kolders klonken, -230 De krijgerkleên) en gaven dank der Godheid, - Dat heilvol hun de vloedweg was geworden. - Nu zag van zijnen wal de grensbewaker - Der Schyldings, die de schuimklip had te hoeden, - Hoe schitterende schilden, reede rustings -235 Daar langs de loopplank werden uitgeladen. - Hem brak het brein door 't gissen nieuwsbegeerte - Om toch te weten, wie die mannen waren. - Toen stormde strandwaarts heen, het ros berijdend, - De dienstman Hrodgars, 't krachthout duchtig drillend -240 In zijne vuist, en ondervroeg met woorden: - «Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten, - Die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven, - Langsheen de waterwegen, die de helmen - Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen? -245 'k Was grensbezetter, houd alhier de zeewacht [71], - Opdat in 't land der Denen geen baldadig - Vermag te schaden met een schepenleger. - Hier onderwonden oopner schildbeschermden - Zich nooit te naken. Wis vernaamt gij 't oorlof -250 Der strijdbewerkers niet, des stams vergunning. - 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger - Dan uwer één [72], dien ridder in de rusting. - Voorwaar, geen huisman [73] is 't, gedost in wapens, - Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege. -255 Vernemen zal ik nu uw aller afkomst, - Eerdat in 't Denenland gij verder vordert - Van hier, als ongehinderde bezoekers. - Nu hoort gij, vergehuisden, zeebezeilers, - Mijn slechte, rechte meening: Haast is heilzaamst -260 Te kondigen, vanwaar uw komst mag wezen.» - - - - - -V. - - - Hem schonk bescheid en opende de schatten - Des woords de waardigste, het hoofd der horde: - «Wij zijn de strijders van den stam der Gooten - En Hygelacs genooten aan de haardstee. -265 Mijn vader was roemruchtig bij de volken - En Ecgtheow was de hooge vorst geheeten. - Hij leefde een lang getal van wintertijden, - Eer, grijs, hij scheiden ging uit zijnen zetel. - Hem heugt zich maar te wel zoo menig raadsheer -270 Op 't wijde wereldrond. Goedgunstig kwamen - Wij uwen heerscher, Healfdeens zoon, bezoeken, - Den rijksscherm. Wees ons met berichten gunstig! - Den breedvermaarden vorst der Denen brengen - Wij wichtig nieuws, waarvan, ik wil het hopen, -275 Niets zal verholen zijn. Gij weet of 't zoo is, - Gelijk wij hoorden waarheidstrouw verhalen, - Dat bij de Schyldings 'k weet niet welke schender, - Verborgen booswicht, met het dichtste duister - Schrikwekkend toont een nooit vernomen woede -280 En wee en slachting. Hrodgar kan ik wijzen - Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede - Den vijand vleuglen zal, zoo ooit de aanvechting - Der kwalen neemt een keer, een uitkomst opdaagt, - En koeler worden zijne kommergolven. -285 Zoo niet, dan lijdt hij later steeds benauwing - En 't nijpen van den nood, zoolang 't gelukkigst - Der huizen zich verheffen zal ter hoogte.» [74] - De wachter wedervoer, in 't zaal gezeten, - De dappre dienstman: «Ja, een scherpe schildman -290 Van beide weet bescheid, van woord en werken, - Die deeglijk denkt. Dit hoor ik: aan den heerscher - Der Schyldings is verknocht dees krijgerschare. - Gaat, voert de wapens mede met gewaden. - Ik wijs den weg en zal aan mijne maagschap -295 Bevelen tevens, 't vaartuig voor den vijand, - Het nieuwgeteerde schip op 't zand te schutten [75], - Totdat het kronkelhalzig hout den heerscher, - Den waarden, wedervoert op 't vloedgewiegel - Ter Gootengrens; aan wien het zij gegeven -300 Te midden zijner helden, dat hij heilvol - Het kampgetuimel mag te boven komen.» - Nu gingen zij huns weegs. En rustig wachtte - De bodem met de touwen vastgebonden, - Aan 't anker vast het breedgeboezemd vaartuig. -305 Nu blonken boven 't wangstuk [76] de everbeelden, - Met goud bekleed, ontgloeid, gehard in vlammen. - Nu hield het everzwijn omhoog de schildwacht. - Kampmoedig stoven, snoven heen de mannen [77] - En daalden samen af, totdat zij zagen -310 De trots gebouwde zaal in bonten goudglans. - Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld - Bij 't menschdom, waar de machtige [78] verwijlde. - De vuurglans lichtte over vele landen. - Hun toonde toen het pralend hof der helden -315 De wapenwakkre man, opdat zij derwaarts - Nu rechtstreeks konden gaan. De kamper zwenkte - Zijn ros en richtte schuins hun toe de toespraak: - «Voor mij is 't trekkens tijd. De Alheerscher hoede - In 't avontuur u ongerept en roemvol! -320 Ik wil naar zee, op roovend rot te waken.» - - - - - -VI. - - - De baan was bont bevloerd; de straatweg voerde - De strijders al te zaam. Hun kamphemd straalde, - Het harde, handgevlochten. 't Staal, het heldre, - Het ringversierde, zong op hunne rusting, -325 Juist als ze in 't schrikgewaad ten zaalbouw schreden. - De zeevermoeiden zetten 't schild het machtig, - Het strijdrondas geweldig sterk, nu tegen - Den buitenwand des bouws en bogen bankwaarts. - De rusting rinkelde, der helden harnas. -330 De lansen stonden saam, der zeeliên strijdtuig, - Hun esscheschacht, blauwschemerig van boven [79]. - Hoe wel was de ijzerdrom gedost in 't wapen! - De krijgstrawanten vroeg een wakker kamper [80] - Naar de edele afkomst: «Waar van daan toch draagt ge -335 De schitterende schilden, 't stalen strijdhemd, - De maskerhelmen met de macht van speren? - Ik ben de bode Hrodgars, dezes dienstman; - Niet heb ik ooit gezien een zulke menigt [81] - Van buitenlandsche meer vermeetle mannen. -340 Ik gis, dat gij, wel verre van voortvluchtig, - Hrodgar bezoekt uit hoogen zin en stoutheid.» - De krachtgevierde vorst, de nooit vervaarde, - Der Weders wedervoer daarop met woorden: - «Wij zijn van Hygelac de dischgezellen -345 En Beowulf luidt mijn naam. 'k Verlang mijn boodschap - Te konden Healfdeens zoon, den hoogen heerscher - En uwen vorst, indien hij wil gedoogen, - Dat wij hem, zoo goedzinnig, mogen groeten.» - En Wulfgar sprak (hij was Wandalenkoning; -350 Aan velen was zijn roekeloosheid ruchtbaar, - Zijn strijdgevatheid met zijn ondervinding): - «Den Denenvriend, den Schyldingvorst zal 'k vragen, - Den gever van het goud, den hoogen heerscher, - Gelijk uw bede luidt, omtrent uw tochten -355 En onverwijld u 't antwoord laten weten, - Dat mij de goedertieren denkt te geven.» - Dan trad hij ijlings toe, waar Hrodgar troonde, - Bedaagd en grijs, met zijnen drom van dappren; - De sterke schreed, totdat hij bij de schouders [82] -360 Des Denenkonings zich bevond. Hij kende - De handelwijs van 't hof. Dan zeide Wulfgar - Tot zijnen vriend en heerscher: «Herwaarts voeren - Er verbereisde gasten van de Gooten, - Langsheen der baren omvang. Beowulf heeten -365 Den eersten onder allen de oorlogshelden. - Hun bede brengt, o mijn gebieder, mede, - Met u den woordenschat te mogen wisselen, - o, Weiger 't wederwoord hun niet, genadige! - Zij schijnen waardig in de stormgewaden -370 Der helden achting. Zeker deugt de hoofdman, - Die herwaarts heeft gevoerd de heirgenooten.» - - - - - -VII. - - - En Hrodgar sprak, beschermheer van de Schyldings: - «Hem kende ik als een' knaap. Zijn vader noemde - Zich destijds Ecgtheow [83], wien zijn eenge dochter -375 Op zijne goedren gaf der Gooten Hredel. - Nu is zijn spruit, de koene, hier gekomen - En zocht den trouwen vriend [84]. Toen zeiden zeeliên, - Die tot geschenk der Gooten schatten brachten [85] - Alhier {9}, dat hij de kracht van dertig krijgers, -380 De kampgevierde, voerde in zijnen vuistgreep. - o, Zeker zond hem, naar ik heb de hope, - De goede God op weg ten Wester-Denen [86], - Ons tot een toeverlaat bij Grendels gruwheid. - Ja, schatten wil ik schenken aan den goede -385 Voor zijnen koenen zin. Gij, rep u rugwaarts; - Verzoek hen in te gaan en al te gader - Het broederbond te schouwen van de schare. - Verzeker hun daarbij om 't zeerst, zij allen - Zij heeten welkom aan het heer der Denen.» -390 Toen spoedde Wulfgar henen naar de haldeur - En binnenwaarts ontbood hij met de woorden: - «Mijn zegevorst, Oost-Denen [87] heer, laat zeggen: - Hij kent uw adel. Langs de waterkolken, - o Hardgezinden, weest alhier hem welkom! -395 Nu moogt ge in 't maliekolder met den strijdhelm - Hrodgar aanschouwen gaan; doch laat het slagschild, - Der lansen hout, de doodelijke schachten, - Hier wachten op den uitslag van de woorden.» - De sterke [88] rees en rond hem menig ridder, -400 Der eedlen stoute stoet. Daar buiten bleven - Er enklen om het heergetuig [89] te hoeden, - Gelijk hun had besteld de wapenstoute [90]. - Te gader gingen, waar hun wees de weerbre, - Zij onder Heorots dak; de dappre stapte -405 Gehelmd, de stoute, tot hij stond ter troonzaal. - En Beowulf zeide (hem omblaakte 't harnas, - Het kampnet, saamgetrensd door kunst van smeden): - «U zij, o Hrodgar, heil! Ik ben van Hyglac - De maag en ridder. Menig roemvol waagstuk -410 Bestond ik in mijn jeugd. Mij werd de strijdzaak - Van Grendel op mijn erfgrond klaar gekondigd. - Zeevaarders zeggen: ledig staat de zaalbouw, - Onnut het heerlijkst huis voor alle helden, - Zoo ras het schemerrood des avonds onder -415 De wijkplaats van den hemel wordt verholen. - Toen stelden mij dit voor mijn strijdgezellen [91], - De uitmuntendste, de meest ervaren mannen, - Dat 'k u bezoeken zou, o heerscher Hrodgar. - Zij kenden toch de macht van mijne krachten; -420 Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen - Ik bontbebloed terugkwam van den vijand, - Alwaar ik vastgebonden had een vijftal, - Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers [92] - Bemeesterd in het midden van de baren, -425 Benarden nood beleefd, het leed der Weders - Gewroken (want zij duldden vele weeën), - 't Vijandig volk vergruisd. Ik zal met Grendel, - Den daemon, thans alleen 't geding beslechten, - Met dezen reus [93]. U, hoofd der Helden-Denen, -430 U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede: - Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert, - O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre, - Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide, - Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. -435 Ook heb ik nog gehoord, dat deze doembre - In zijnen waan zich niet bekreunt om wapens [94]. {10} - 'k Versmaad nu dit, zoo waar mij gunstig weze - In 't harte Hygelac, mijn leenheer, 't lemmer - Of 't reuzige rondas, het goudgerande, -440 Te voeren bij 't gevecht. Doch 'k zal hem vatten, - Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten, - Man tegen man. En wien de dood dan wegrukt, - Die zal verstaan des Albestuurders oordeel [95], - 'k Geloof, hij is verlangend, mag het lukken, -445 De Gootenhelden in de worstelhalle - Te vreten onbevreesd, als menig malen - Hij met de macht gedaan heeft van de Denen. - Gij hoeft met geene wacht mijn lijk te hoeden [96]: - Want zoo mij zoekt de dood, hij zal me hebben -450 Nog bont van 't bloed. {11} Het lillend overblijfsel - Ontvoert hij ver, hij neemt zich voor te schrokken, - De eenzame zwerver eet het blij van zinnen - En merkt met moord de vluchtplaats in de venen. - Gij hoeft geenszins te zorgen voor mijn lijktooi [97]; {12} -455 Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegsleurt, - Naar Hygelac het puike pantser henen, - Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed; - Het is een erfstuk Hredels, 't werk van Weland [98]. - Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot [99].» - - - - - -VIII. - - -460 En Hrodgar sprak, beschutter van de Schyldings - «Tot weergeworstel hebt gij, beste Beowulf, - Alzoo ons opgezocht, uit huldbetooning. {13} - Uw vader vocht weleer de koenste kampen. - Hij werd voor Headolaf bij dezes Wylfings [100] -465 Tot wurger met de vuist. Het kroost der Weders - Vermocht hem [101] wegens heirschrik niet te houden. - Van daar bezocht hij 't volk der Wester-Denen, - Der Zege-Schyldings over 't zeegeschommel. - 'k Beval toen juist den Denenstam en jeugdig -470 Vertoefde ik op de goudgetooide schatburg - Der helden. Heorogar, de zoon van Healfdeen, - Was destijds reede dood, ontlast van 't leven, - Mijn oudste broeder. Deze was mijn betere! - De vijandschappen zoende ik [102] sinds met schatten -475 En zond den Wylfings langs den rug des waters - Aloud sieraad, en Ecgtheow zwoer mij eeden. - Het doet mij zeer in mijne ziel te zeggen - Aan wien het zij der menschen, wat mij Grendel - Al hoon berokkend heeft uit haatgedachten, -480 Arglistig leed in Heorot. Mijne halschaar, - Mijn slagtroep is geslonken. 't Noodlot sleepte - De helden heen naar Grendels schrikverschijning [103]. - Alleen vermag gemakkelijk de Godheid - Den stouten dooder in zijn daân te stuiten. -485 Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes - Zich niet de krijgers, door het nat bedronken, - In deze drankzaal met de grijns der degens - Te willen wachten op den greep van Grendel. - Dan was dees medehal bij 't morgenkrieken, -490 De weidsche woning bloedig bont, als 't daagde, - Met bloed de gansche bankvloer [104] overgoten, - De hal met wapenvocht. Ik had der trouwen, - Der dierbre mannenschaar weer des te minder, - Die 't noodlot mij alweder had ontnomen. -495 Doch neig u neer aan 't maal, ontvouw uw meening, - Uw zegehoop 't gehoor, naar 't hart u aanzet.» - Toen werd der Gooten gasten al te gader [105] - Ras ingeruimd een rustbank in de bierzaal. - Op deze gingen dan de geestgestaalden -500 Zich nederzetten zij, de uitstekend stouten. - Het ambt verrichtte een ridder, welke de aalkan [106], - De schoongetooide, met de handen torste - En schonk het vonklend vocht. Dan zong de zanger - In Heorot helder. 't Was gejuich der helden, -505 Een groote weelde zoo van Deen als Weder {14}. - - - - - -IX. - - - En Hunferd zeide toen, de zoon van Ecglaf, - Die aan de voeten [107] zat des Schyldingvorsten, - Het kampgeheim ontkeetnend [108]: (Beowulfs aankomst, - Des koenen golfvaart gaf hem grooten aanstoot, -510 Omdat hij geenszins aan een ander gunde - Der mannen, meerder roem op aard te rapen, - Beneên de wolken, dan hem was geworden). - «Zijt gij die Beowulf, die met Brecca aanbond - Den wedstrijd op de wijde zee, in 't zwemmen -515 Met dezen streven dorst, toen boud gij beiden - Navorschtet in den vloed en gij uit grootspraak - Uw leven waagdet in het diepe water? - Geen stervling was in staat, noch vriend noch vijand, - De roekelooze reis u af te raden. -520 Toen braakt gij beiden roeiend door de baren - En dektet onder uwen arm de deining, - Gij maat de zeebaan, zwaaiend met de handen, - Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven - De kil opklotste bij des winters branding. -525 Op deze wijze wurmdet gij te gader - Wel zeven nachten in 't bezit der zeeën. - Doch gene ging in vaart u ver te boven; - Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde - Hem met den morgen heen ten Headoraemen [109], -530 Van waar hij wedervond, de volksgevierde, - Het lieve stambezit, het land der Brondings [110], - De schoone schatburg, waar hij wapenlieden - En goed en goud bezat. De zoon van Beanstan - Hield tegen u geheel zijn woord in waarheid. -535 Nochtans ik reken op geringer uitslag - Voor u, al waart gij steeds bij alle stormen - Bestand, bij grimmen strijd, zoo gij op Grendels - Nabijheid waagt een nachtgewricht te wachten.» - En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: -540 «Voorwaar, mijn waarde Hunferd, veel gewaagdet - Gij, dronken door het biergebras, van Brecca, - Vertellend zijnen tocht. 'k Beweer in waarheid: - Ik had meer zeegehardheid ik en arbeid - In 't midden van het meer dan een der menschen. -545 Wij kwamen 't overeen als knapen, ons verbindend, - (Toen waren wij nog beiden jong van jaren) - Dat wij in zee het leven zouden wagen - En deden desgelijks. Wij hielden 't lemmer, - Het bloote, vast, terwijl wij voorwaarts roeiden -550 Te zaam op zee, het harde, met de handen. - Zoo wilden wij ons vrijden van den walvisch. - In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder, - Hij door den vloed mij verre voor te bruisen, - Noch wilde ik zelve mij van hem verwijdren. -555 Zoo zwalkten wij te zamen op de zeeën - Vijf dagen lang, totdat de vloed ons scheidde, - De bolle golfgang bij het barste weder, - De nacht de omhullende; uit het noorden stormde - Kampwoedend aan de wind; de diepten woelden. -560 Nu was gewet de drift der zeegedrochten. - Toen schonk mijn lijf beschutting mij bescherming, - Het handgevlochten harnas, voor den vijand; - Het strijdkleed lag op 't lijf, het goudgestrengeld. - Mij rukte reeds een schemerschubbig ondier -565 Ten afgrond mee, mij klemde in zijne klauwen - De ongure vast. Toch werd het mij gegeven, - Dat ik het monster met het wapen wondde, - Het staal des strijds. Het kampgeraas ontrukte - Door mijnen arm het machtig meergevaarte. - - - - - -X. - - -570 Aldus bedrongen deze leedbelagers - Mij dikwijls driftig. Met den goeden degen - Onthaalde ik hen nochtans, gelijk 't betaamde. - Zij vonden bij den buit geen vreugd de wreeden, - Dat zij mij zouden grijpen, 't maal omzitten -575 Nabij den zeegrond; maar zij lagen boven - Nabij het meeraanspoelsel met den morgen, - Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen, - Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden - Beletten langs de barning van de baren. -580 Van 't oosten zeeg het licht, de zegestanderd, - De glanzende van God. De stormen stilden, - Zoodat ik de oeverkapen kon beschouwen, - Het windbestreken strand. Vaak strekt het noodlot - Tot redding van d'onvoorbestemden stervling, -585 Indien zijn sterkte deugt. Ik trof het trouwens - Te dooden met den degen negen nikkers. - Nooit hoorde ik onder 't wulfsel van den hemel - Van neteliger strijd bij nacht, noch armer - Vergeten man te midden van den meervloed. -590 Toch borg ik 't leven uit den greep der boozen, - Ontzenuwd door den tocht. De zeevloed tilde - Mij met de strooming mee naar 't land der Finnen [111], - Het wellend water. 'k Hoorde nooit verhalen - Van uwen kant van zulke kampbestoking -595 En zwaardontzetting; nimmer bracht ook Brecca - Bij 't strijdvermaak tot stand, noch uwer iemand - Zoo stout een stuk met bloedbespatte speren; - (Niet bral ik dies [112]) ofschoon gij voor uw broeders - De dooder wierdt en uwe hoofdverwanten [113] {15}. -600 Gij zult om deze zaak verdoemnis dulden - Ter helle, hoe gevat uw brein ook blijke. - O Ecglafs zoon, dit zeg ik u in waarheid: - Meer gruwlen had de snoode daemon Grendel, - Meer hoon uw heerscher [114] niet verwekt in Heorot, -605 Indien uw denkkracht was geweest, uw inborst, - Zoo oorlogszuchtig als gij uitbazuindet. - Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht, - Den onbesuisden lansstorm uwer lieden - Niet zeer te duchten heeft, der Zege-Schyldings [115]. -610 Hij neemt zijn noodpand [116] mede, niemand spaart hij - Der Denenliên en woedt naar hartelusten; - Hij doodt en zwelgt en ducht geen wraak der Denen. - Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en koenheid - In 't strijden staan. Dan keere wie het kunne -615 Weer moedig tot de meê, als 't morgengloren [117] - Des nieuwen dags op 't menschdom nederblikkert, - De glansomgorde zon van uit het zuiden!» - Nu was der schatten schenker vol van vreugde - Hij, grijsgelokt en kampvermaard. De koning -620 Der Helden-Denen had het hoogst vertrouwen - In hunne hulp. Hij hoorde toch aan Beowulf - De volkenherder 't vastbesloten streven. - Nu schaterde de schaar, de tonen schalden, - De woorden waren lief. Dan Wealchtheow naakte -625 Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig. - Zij groette, goudgekleed, de hallegasten; - Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer - De hooggeboren vrouwe toe den beker. - Zij bad hem blij te wezen bij den bierdronk, -630 En voor de lieden lief. Met lust aanvaardde - De zegerijke vorst en maal en zaalkroes [118]. - Nu ging in 't rond de koningin der Helmings [119], - Gaf ieder, hoog en nedrig [120], keurkleinooden, - Totdat de beurt zich bood [121], dat zij den beker -635 De ringomstraalde vrouw, de hooggestemde, - Aan Beowulf gaf. Den vorst der Gooten groette - Zij dan en dankte God met wijze woorden, - Dat nu haar wensch bewaarheid was geworden: - Der rampen redding van een held te hopen. -640 Den beker kreeg de kampvermeetle krijger - Van Wealchtheow, rijmde dan, gereed ten strijde, - En sprak de woorden, hij de spruit van Ecgtheow: - «Dit was mijn streven, toen ik steeg te water, - De kiel beklom met mijnen drom van dappren. -645 Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde, - Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen. - Dus zal ik deze ridderdaad verrichten, - Of in de hal mijn laatsten dag beleven.» - Der edelvrouw gevielen wel die woorden, -650 Die taal, zoo tartend, van den vorst der Gooten. - De goudgehulde, hooge volksvorstinne - Ging naast haar echtgenoot [122] zich nedervlijen. - Nu werd alweder in de hal geheven - Zoo menig moedig woord. 't Gevolg was vroolijk. -655 Het was geschetter van de zegescharen, - Totdat opeens de hooge zoon van Healfdeen - Voornemens was, de nachtrust op te zoeken. - Hij wist, dat strijd bestoken was aan 't monster - Ter hooge zaal, nadat zij 't licht der zonne -660 Niet meer bemerken konden, nu het nachtfloers - En schaduwschepsels kwamen aangeschreden, - De duistere, vanonder 't wolkendeksel. - Nu rees de riddergroep. Met spreuken groette - Een held den andren, Hrodgar Beowulf, wenschte -665 Hem zege toe, 't bezit der zaal [123], en uitte - De woorden: «Sinds ik hand en schild kan heffen, - Vertrouwde ik vroeger toe der Denen troonzaal - Aan geen der helden, buiten u voor heden. - Aanvaard en handhaaf 't heerlijkst aller huizen, -670 Gedenk uw roemdaân, spreid uw reuzenkrachten - Ten toon en waak nu tegen dezen woestaard. - Niet zal u mangel zijn aan 't wenschenswaarde, - Zoo gij bestaat de lofdaad met het leven [124].» - - - - - -XI. - - - Nu stapte met den stoet van helden Hrodgar, -675 De schuts der Schyldings, uit den bouw naar buiten. - De strijdbestuurder wilde Wealchtheow zoeken, - De ga, tot nachtgenoot. De Heer der heerschers, - Gelijk de lieden hoorden, had aan Grendel - Gesteld een stedehoeder: Hij vervulde -680 Zijn dienst in dezen om den Denenkoning - En hij beriep den reus een wachter [125] [126]. Waarlijk - Hij bouwde vast, de voerder van de Gooten, - Op koene kracht en op de gunst der Godheid. - Hij deed alsdan zich af het stalen strijdhemd, -685 Den helm van 't hoofd; hij gaf den gulden degen, - Der klingen keur, een zijner dienstgezellen - En zei hem, op het wapentuig te waken. - De dappre hield alsdan een trotsche toespraak, - Der Gooten Beowulf, eer hij zeeg te bedde: -690 [127]«Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder - Voor 't wapenwerk dan Grendel waant te wezen. - Ik wil hem dus niet dooden met het wapen, - Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden. - Hij kent de kampgewoonte niet van weder -695 Te schenken eenen slag, het schild te beuken [128], - Al is hij wijdberucht door wapenfeiten. - Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken, - Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. - De wijze Godheid zal daarop de zege -700 Verbinden aan de hand van een van beiden, - De heilge Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt.» - De kampvermeetle neigde zich dan neder, - De peul ontving het voorhoofd van den ridder. - Wel menig moedig zeeheld liet op 't leger -705 Zich naast hem neder. Niemand hunner hoopte, - Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten - Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen. - Zij wisten toch, dat vroeger in de wijnzaal - Een nare doodstrijd al te veel genooten -710 Der Denen had gehaald. Nu schonk de Schepper - Het weefsel van het wapenheil [129] den Weders - En stut en steun; zoodat zij door de spierkracht - Des eenen op den vijand zegevierden, - Door zijne zelfde kracht. 't Is waar verkondigd [130], -715 Dat steeds een machtig God bestuurt het menschdom. - Nu schreed de nachtgeest nader door het duister. - De schutters, die de hoornzaal moesten hoeden, - Zij sliepen allen, uitgenomen eenen; - (Den menschen werd bekend dat hen de wurger -720 Niet zenden zou ten schimmen, daar de Schepper - Het geenszins wilde) want tot grim des gruwbren - Verbeidde Beowulf, in de ziel verbolgen, - Terwijl hij wakker was, het pleit der worsteling {16}. - - - - - -XII. - - - Van 't moer begaf uit mistomgeven klippen -725 Zich Grendel thans. Hij droeg den toorn der Godheid. - De dooder meende van het volk der mannen - Er veel te omstrikken in de steile halle. - Daar sloop hij henen onder 't wolkenhulsel, - Tot waar hij zeker wist, dat stond de wijnzaal, -730 Der Gooten goudwoon [131] blinkend van het bladgoud. - Het was niet de eerste wijl, dat hij de woonstee - Van Hrodgar had bezocht. Doch nooit of nimmer - Ontmoette die in zijne levensdagen - Een weerbrer held en wachters van de woning. -735 Nu was het wezen, vreemd aan alle vreugde, - Tot bij den bouw gegaan en open gierde - Aanstonds de deur, gestut door ijzren staven, - Zoodra hij haar beroerde met de handen. - De wrevelzieke, woedend was hij, wrikte -740 Der halle monding [132] los en haastig stapte - De vijand langs den bontgeverfden bodem - En ging al grijnzend voort. Gelijk aan vlammen - Schoot onheilspellend uit zijn oog een schemer. - Daar zag hij menig man in slaap gezonken, -745 Te zamen in de zaal de zwaardgenooten, - Den heldenhoop. Toen lachte daar zijn harte. - Hij dacht te scheiden, eer het daglicht daagde, - De dolle dooder, ieders lijf van 't leven, - Nu hem de hoop verscheen op rijklijk schrokken. -750 Nochtans gehengde hem het lot niet langer, - Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen [133]. - Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac, - Op welke wijze deze wanbedrijver - Voortwoeden wou bij de onverwachte grepen. -755 Niet dat het monster dacht te dralen. Eensklaps - Ontrukt hij de eerste reis een slapend ridder, - Verscheurt hem schielijk, breekt de beengeleding, - Slurpt beken bloed en halst met rustloos rijten. [134] - Zoo had hij zonder dralen doorgezwolgen -760 Den levenlooze heel met hand en voeten [135]. - Hij rukte naderbij en greep op 't rustbed - Met handen naar den hooggestemden strijdheld [136]. - De vijand voer hem tegen met de vuisten, - Ontving hem snel, den valschgezinde, en stutte [137] -765 Zich op den arm. De moordbeschutter merkte - Fluks, dat hij nooit ontmoette op 't ondermaansche, - Op 's aardrijks schoot, bij eenig ander sterveling - Een vaster vuistgreep. 't Werd hem bang in 't binnenst, - In 't hart. Niet kon hij des te sneller henen. -770 Zijn inzicht was ter vlucht, hij wilde wijken - Naar zijne krocht, der duivels drijven [138] zoeken. - Niet boden zich alhier de bezigheden, - Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. [139] [140] - De wakkre neef van Hygelac geheugde -775 Zich toen de toespraak van den eigen avond. - Hij rees dan recht in zijne gansche grootte, - Omving hem vast. De vingers borsten open. - Naar buiten wou de reus; hij rukte verder; - Hij dacht, de moordberuchte, mocht het lukken, -780 Zich weg te maken, wijder voort te vlieden - Naar 't moordhol; maar hij wist: in 's vijands vuisten - Bevond zich heel 't beheer van zijne vingers. [141] - Die tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot - De weebewerker. Heel de halle dreunde. -785 Den Denen al gewerd, den burgbewoners [142], - Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting [143]. - Zij waren wild de beide reuzenwachters. - De woning schudde. 't Was een groote wonder, - Dat wederstond de bouw den strijdverwoeden, -790 En niet ter neder zonk de zalige aardwoon. - Doch stevig stond zij, kunstig vastgeklonken - Met banden staal van binnen en van buiten. - Wel menig meebank [144], (volgens mijn ervaren) - Met goud omgeven, stortte van haar steunsel, -795 Alwaar de woesten streden. Hierop hadden - De raden eer der Schyldings niet gerekend, - Dat ooit der mannen een door krachtvermogen - De weidsche, met gewei getooide woning - Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten; -800 Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen [145] - In rook. Nu rees een nooit vernomen noodkreet, - En gruwbre ontzetting greep te gaâr de Denen, - Die van den wal het hulpgejammer hoorden, - Het angstlied stemmen door Gods tegenstander, -805 Den zegeloozen zang, het wee beweenen - Door deze helleprooi. Hem hield te stevig - Hij, die der mannen machtigst was ter wereld. - - - - - -XIII. - - - De schuts der scharen wilde op geene wijze - Den doodsbedreiger in het leven laten, -810 Hem docht zijn levensdag aan niemand nuttig. - Toen zwaaide 't erfzwaard menig makker Beowulfs; - Zij wilden 't hoofd vrijwaren van den heerscher [146], - Den wijdvermaarden meester, naar vermogen. - Zij wisten niet, terwijl zij slagen sloegen, -815 De strijdontstoken kampers, dezen dachten - Te houwen halverwijs, de ziel te zoeken, - Dat noch het beste staal, noch oorlogsbijlen - Op 't wereldrond den woestaard wilden deren. - Hij had bezworen al de zegezwaarden -820 En elk geweer. Toch zou armzalig wezen - Het einde zijns bestaans op deze stonde, - In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. [147] - Hij ondervond, die vaak met hartevreugde - Zijn moed weleer aan 't kroost der menschen koelde, -825 (Hij toornde tegen God) dat langer 't lichaam - Niet wilde volgen, want de dappre dienstmaag - Van Hygelac omknelde hem de handen. - Zoolang de een leefde, was 't den andre leedvol. - 't Verwaten wezen vond er leed des lichaams; -830 Ten schouder werd de onheelbre wonde schouwbaar, - De zenuw zwichtte, 't beengetimmert barstte; - Aan Beowulf bleef de zege. Grendel zoude - Van daar ten dood gewond ter veenklip vlieden - En zoeken zijne weeldelooze woning [148]. -835 Hij wist te wel: zijn einde was genaderd, - Des daarzijns dagental. Nu was den Denen - Verwezenlijkt de wensch na 't wapenwoeden. - Hij, die te voren landde van zoo verre, - Had kloek en koengezind de zaal van Hrodgar -840 Gereinigd, voor den overval beveiligd. - Hij smaakte nu genot in 't nachtlijk waagstuk, - In 't heldenfeit. Nu had de Gootenheerscher - Zijn stoute taal gestand gedaan den Denen - En ook gelenigd alle leed en kampzorg, -845 Voorheen door hen beleefd, uit drang gedragen; - Geen kleine kwaal. Dit was toch klaar een teeken, - Toen voor de ruime deur de strijdgeduchte - De hand geslingerd had met arm en schouder. {17} - Daar lag te hoop de heele greep van Grendel. - - - - - -XIV. - - -850 En met den morgen schoolden om de schenkzaal - Veel strijders samen, volgens mijn ervaren [149]. - Volksvoerders togen heen van heinde en verre - Langs verre wegen om te zien het wonder, - Des vijands voetspoor [150]. Niemand van de helden -855 Scheen leedvol toe de slaking van zijn leven, - Die gadesloeg den gang des roemberoofden, - Hoe deze, doodvermoeid, van daar ontduikend, - Gekortwiekt door den kamp, naar 't meer der nikkers - Voortvluchtig, veeg, zijn stervenssporen strooide. -860 Daar was met aderbloed het wellend water, - De gruwbre dans der golven gansch gemengeld - Met rookend bloed; daar zwalpte van het zwaardbloed - Het moordgepurperd meer, nadat hij 't leven, - Der vreugde vreemd, had afgelegd in 't veenoord, -865 [151]De heidenziele, waar de hel hem opnam. {18} - Van hier begaven zich de grijze helden - En menig jonge man, na 't vroolijk mennen, - Kloekmoedig van het meer terug op rossen, - De krijgers op hun appelgrauwe kleppers. -870 Verbreid werd Beowulfs faam. Vaak tuigden velen, - Dat zuid- noch noordwaarts tusschen tweelingzeeën [152], - Op 't wereldrond, beneên 't bereik der wolken, - Een ander hooger was der schildverheffers - En waardiger 't bewind. Voorwaar, niet laakten -875 Zij hunnen heer en vriend, den milden Hrodgar; - Daar 't was een duchtig vorst [153]. Bij wijlen lieten - De helden hunne vale rossen rennen - Ten wedstrijd, waar hun schoon de paden schenen - En puik beproefd. Dan vond een held des vorsten, -880 Een strijder stoutbespraakt, de spreuk indachtig, - Wien heel een schat aloude sagen heugde [154], - Naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden. {19} - Dan weer begon de borst het waagstuk Beowulfs - Kunstvaardig voor te dragen en gevoeglijk -885 De welgekozen spreuken uit te spinnen, - Met woorden wisselend. Elk liet nu weten [155], {20} - Alwat hij van de wapenfeiten Sigmunds - Had hooren konden, veel van 't onbekende, - Den kamp des Walsings [156], zijne wijde vaarten, -890 Zijn veete met zijn vijandschap, van welke - De menschenkindren gansch onkundig waren, - Behalve Fitela [157] alleen, zijn helper; - Indien hij zulks gewillig was te zeggen, - Als oom aan neef, naardien zij toch voortdurend -895 Bij elke veete wapenmagen waren. - Zij hadden velen van het rot der reuzen [158] - Verpletterd met den degen. Na zijn doodsdag - Verrees een niet geringe roem voor Sigmund, - Toen hij, de weerbre bij het slaggeworstel, -900 Den vuurdraak [159] had geveld, der schatten hoeder. - Van onder eene grijze rots verrichtte - De koningsspruit alleen de stoute lofdaad. - Niet was er Fitela. Nochtans het lukte - Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde, -905 Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand. - Geweldig was het sneven van den vuurdraak. - Krachtdadig had de wapenheld verkregen, - Naar eigen wil den ringschat aan te wenden. - Hij laadde een zeeboot. Walses zoon vervoerde -910 Klinkklare schatten op den schoot des vaartuigs, - Terwijl de reuzenworm, de heete, wegsmolt. - Ja, deze was wel verreweg bij 't menschdom - De meest vermaarde held, de schuts der mannen - Door wapendaân, (hij wies daarom in luister) -915 Sinds Heremodes kampzin was verminderd, - Zijn macht en heldendeugd. {21} In 's vijands handen - Bij 't reuzendom [160] werd Sigmund sinds verraden [161], - Verdreven dra. Hem had de drang der zorgen - Te lang verlamd: hij werd voor zijne lieden, -920 Zijn eedle kampers al tot levenskommer [162]. {22} - Zoo ook betreurde vaak in vroeger tijden - Wel menig schrander man 't vertrek des koenen [163], - Die hulp der kwalen had verwacht bij Heermod, - Dat deze vorstentelg in eer zou vordren, -925 Ontvangen 's vaders adel, 't volk besturen, - Den schat en heerschersburg, het rijk der helden, - Der Schyldings stamgebied. [164]--De bloedvriend Hyglacs [165] - Verstrekte heel den heldenstam, den vrienden, - Tot vreugde; boosheid viel te beurt aan gene [166]. -930 Wedrennend maten zij temet op rossen - De bonte baan. Gevorderd, voortgeschreden - Was 't morgenlicht [167]. Wel menig leenman richtte - Zich toen kloekhartig naar de hooge halle, - Het wonderfeit [168] te zien. De koning zelve -935 Verliet nu insgelijks 't vertrek der gade, - De hoeder van den schat, de luistervaste, - Bekend door kundigheên, met grooten heirstoet; - En langs den medeweg [169] begaf zich mede - Zijn echtgenoote met den sleep van maagden. - - - - - -XV - - -940 En Hrodgar zei: (hij was ter hal gewandeld, - Stond op de stoep [170] en staarde naar de steile - Goudhelle deur en naar de hand van Grendel) {23} - «Nu dra gedankt den schepper voor dit schouwspel, - 'k Beleefde talloos leed en hinderlagen -945 Door Grendel. God, der heerlijkheden hoeder, - Bewerken kan Hij wonder boven wonder. [171] - Nog onlangs was 't, dat ik van geen der weeën - Nog hulp verhoopte voor het later leven, - Toen bloedigbont daar stond en zwaardbezoedeld -950 Het heerlijkst huis. De ramp had alle raden - Verdreven wijd en zijd, die waanden geenszins - Der lieden burcht in later tijd te schutten - Voor vijandschap, voor schaduwgeest en schimmen. - Nu heeft een held volvoerd door 's hemels voeging -955 Een waagstuk, welk voorheen niet een der onzen - Bewerkte door beleid. Voorwaar, de vrouwe, - Wie zij ook zij [172], die dezen zoon eens baarde - Te midden van het menschdom, mag wel zeggen, - Mits deze leeft, dat bij des kinds geboorte -960 Haar gunstig is geweest de aloude Godheid. - Nu wil ik u, mijn Beowulf, waardste ridder, - Gelijk een zoon in mijne ziel beminnen. - Bewaar toch wel voortaan uw tweede maagschap; - Niet zal u mangel zijn aan een der schatten -965 Ter wereld, over welke ik kan bevelen. - Ik deelde dikwerf loon voor minder daden, - Sieraden rond aan een geringer kamper, - Een trager tot den krijg. Gij hebt verkregen - Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren -970 Altoos voor later tijd. Met goed begeve - U de Albeheerscher, als hij deed tot heden.» - En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: - «Dit heldenwerk volbrachten wij, die worstling - Volgaarne en tartten boud de kracht des boozen; -975 Ik wenschte zeer, gij hadt gezien den vijand - In zijnen tooi [173], tot stervens toe ontzenuwd. - Ik dacht hem dra met vaste vuist te boeien - Op 't bed des doods, zoodat hij door mijn handgreep - Doodmoede zwichten moest, tenzij zijn lichaam -980 Ontkwam. Ik kon hem, daar het God niet gunde, - Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig - Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand; - Te snel was de onverlaat in 't henenloopen. - Toch liet hij hier de hand tot levensredding -985 Getuigen zijnen tocht, en arm en schouder. - Geen troost nochtans erlangde 't ellendig wezen. - Niet langer leeft hij meer de leedbesteller, - Door schuld benard; hem heeft met norsche grepen - Eng pijn omklemd in doodelijke kluisters. -990 Ontbeiden zal de man, belaân met misdaân, - De groote dagvaart [174] daar, op welke wijze - De stralende Albestuurder hem zal straffen.» - Dan zwijgzaam was de zoon van Ecglaf, Unferd, - Met woordenpraal op eigen wapenfeiten, -995 Nadat de ridders, dank de kracht des vorsten, - Daar voor de hooge deur de hand bestaarden, - Des vijands vingers, ieder voor zich zelven. - Met staal was ieder van de sterke nagels - Te vergelijken {24}, de handspoor van den heiden, -1000 De ontzetbre klauwen van den kampgezinde. - Elk zeide: geen zoo goedbewezen wapen - Der dappren kon hem deren, noch den daemon - De roodbebloede worstelrechte schenden. - - - - - -XVI. - - - Bevolen werd, inwendig Heort met handen -1005 Te smukken onverwijld. Er was een menigt - Van mannen daar en maagden, die de wijnzaal - Versierden, 't gastverblijf. Goudblikkrend blonken - De weefsels [175] langs den wand, een wonder schouwspel - Voor alle strijders, welke zulks bestaren. -1010 Het weidsch gebouw, geheel met ijzren bouten - Bevestigd, was van binnen zeer gebarsten. - De harren waren stuk. Slechts hield van 't heele - Nog ongedeerd het dak, nadat de booswicht, - Ter dood verwezen door zijn wanbedrijven, -1015 De vlucht gezocht had zonder hoop op leven. - Dit [176] valt niet licht te ontvluchten, (laat het iemand - Verrichten, wie het wil) hij zal bereiken - Door nood genoopt de vastgestelde stede - Voor al 't bezielde, voor de menschenzonen, -1020 De landbewoners, zelfs alwaar zijn lichaam [177], - Geboeid op 't legerbed na feestgelagen, - Is ingedommeld [178] {25}.--'t Was alsdan de dagstond [179], - Dat naar de hal de zoon van Healfdeen heentoog. - Voornemens was de vorst het maal te nutten. -1025 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders, - Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer. - Ter rustbank negen toen de roembezitters, - (Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd - Hun hart ophaalden, menig medebeker -1030 Ontvingen hoffelijk) Hrodgar en Hrodulf [180], - De sterkgezinden, in de steile woning. - Met vrienden was vervuld de hal [181]; nog hadden - De Denen geen beruchte daân berokkend. - Healfdeens geboorne gaf alsdan aan Beowulf -1035 Een gulden legervaan tot loon der zege, - Een standaard, goudgestikt, met eene handvat, - En helm en harnas. Menigeen bemerkte, - Hoe vóór den vorst [182] een prachtvermaarde pronkzwaard - Werd aangebracht. En Beowulf greep den beker -1040 Ter halle vast. Hij had zich voor de schutters - Der schatgift niet te schamen. Nooit vernam ik, - Dat bij de bierbank menig man den andren - Vier gaven guller schonk, voorzien met goudwerk. - Rondom het helmdek had de hoofdbeschutting, -1045 Met kronkeldraad omkruist, uitwendig knoppen, - Opdat hem koen de blankgevijlde klingen, - De kampgeharde, nimmer konden deren, - Wanneer de schildheld naar den vijand optrok. - Der ridders heul beval een achttal rossen [183], -1050 Met goud gebreideld, voor de woon te brengen - Tot in de zaal. Een dezer dekte een zadel - Van kunstig werk, versierd met kostkleinooden. - Dit was het kampzaal van den hoogen koning, - Als Healfdeens zoon het zwaardspel wilde zoeken. -1055 Nooit aan de legerspits, als lijken vielen, - Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. - Beschikking schonk daarop der Denen [184] schutsheer - Aan Beowulf over beide, ros en rusting, - En bracht hem toe den wensch, ze wel te bruiken. -1060 Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen - Het kampgeraas de wijdberoemde koning, - De schatheer van den stam; gelijk geen sterveling, - Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen. - - - - - -XVII. - - - De heer der helden gaf aan elk dergenen, -1065 Die stevenden met Beowulf langs den stroomweg, - Ter meebank kostbaarheden met een erfzwaard. - Hij zei, men zou met goud den man [185] vergelden, - Dien Grendel eer zoo gruwzaam had verslonden; - Gelijk hij had bestemd aan velen hunner, -1070 Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid - Met Wyrd [186] en moed des mans. De Heer behoedde - Het heele menschdom, als hij doet tot heden. - Daarom zal overal die overtuiging - Het beste zijn, dit overleg van 't binnenst. -1075 Die lang hier 't leven smaakt zal veel bevinden, - Veel lief en leed in deze worsteldagen. [187] [188] - Nu werd er veel gezang en spel te zamen - Vereenigd over Hnäf [189], den heervoogd Healfdeens; {26} - Nu werd de harp gegroet, het hout der vreugde, -1080 De spreuk ontsponnen. 't Was nu halleweelde. {27} - Langsheen de medezetels zou de zanger - Van Hrodgar [190] zingen over Finnes zonen [191], - Ten tijde toen hen overrompling [192] aangreep: - «Der Schyldings Hnäf, Half-Denen [193] held, moest sneven -1085 Op 't Friezenveld [194]. Voorwaar, niet hoefde Hildburg [195] - Te loven Eotentrouw [196], der lieve loten - En broeders [197] schuldeloos beroofd bij 't schildspel; - Zij stortten, speerdoornageld, in hun noodlot. - Het was een droeve vrouw! Met recht beweende -1090 Zij, Hokes dochter, toen de morgen daagde [198], - Des Hemels schikking, nu zij kon beschouwen - Bij 't helder hemellicht den moord der magen, - In wie zij vroeger vond de hoogste weelde. - 't Gevecht, op weinig na, had weggenomen -1095 De helden Fins, zoodat hij op de dingplaats [199] - Niets hoegenaamd op Hengest [200] kon bevechten, - Noch met geweld de armzaalge rest der zijnen - Beschutten voor den veldheer van den koning [201] {28}. - Zij [202] boden dus verdragen aan. Den Denen -1100 Ontruimden zij geheel een tweede halle, - Een zaal en zetelwoon; zoodat de Denen - Het half gezag bezitten zouden tegen - Der Eoten kroost, en Fin, de zoon van Folcwald, - Bij 't geldbedeelen elken dag de Denen -1105 Beschonk en Hengest' schaar onthaalde op ringen - Zoo gul, op kostbaar goed van goud, als wilde [203] - Hij 't Friezenvolk aanvuren in de drinkzaal. - Zij sloten beiderzijds het vaste bondschap, - En hecht, onwrikbaar zwoer het Fin aan Hengest, -1110 Dat hij de resten van de ramp [204] in eere - Zou houden volgens 't oordeel van de raden [205]; - Dat hunner [206] niemand noch door woord noch werken - Het bond ooit breken zou, door arglist letten, - Ofschoon zij vorstenloos den dooder volgden -1115 Huns ringuitdeelers, daar de nood hen noopte. [207] - Indien der Friezen een de vroegre veete - Gedenken mocht door overmoedig spreken, - Dan zou de snede van het zwaard het straffen. - Dan afgelegd was de eed, ontleend der schatkist -1120 Het glanzend goud [208]. De koenste wapenkrijger [209] - Der Leger-Schyldings lag gereed ter vuurmijt. - Op dezen stapel was zeer wel te ontwaren - Het bloedbesmeurde harnas met een helmzwijn, - Geheel van goud, een ever hard als ijzer, [210] -1125 En menig eedle weggerukt door wonden. - Er waren velen in den kamp gevallen! - Dan Hildeburg beval op 's broeders brandmijt [211] - Te leveren aan de laai haar eigen zonen, {29} - Te branden 't beenderstel, op 't vuur te brengen. -1130 De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder [212] - In klaaggezang. De held werd recht geheven. - De breede lijkbrand wond zich tot de wolken, - Opbruisend voor den heuvel [213]. Hunne hoofden - Zij slonken weg; de mond der wonden barstte, -1135 Het bloed ontsprong de letsels van het lichaam; - De vlam verzwolg hen gansch, der geesten vratigst - Hen allen, die de strijd uit beide stammen [214] - Had weggesleept. Zoo was hun vaag gevloden. - - - - - -XVIII. - - - De strijdschaar ging, verstoken van de vrienden, -1140 De woon bezoeken, Friesland weer begroeten, - De huizen met den heerschersburcht [215] {30}. Dan Hengest - Verwijlde noch dien bloeddoorweekten winter - In alles een [216] bij Finn, het heim geheugend. - Toch was hij niet in staat in zee te sturen -1145 Den staalomwonden steven, 't Water bruiste - Door stormen op, het worstelde met winden. - De winter sloot het water in de ijsboei, - Totdat een ander jaar alweder daagde - In hunne woon, het heerlijk heldre weder, -1150 Dat immer volgt, als nu, zijn vaste beurten. {31} - Zoo was het wintertij alweer verstreken; - Der aarde schoot was schoon. De strijder streefde, - De gast, te ontwijken deze woon, doch haakte - Naar moordvergelding meer dan naar de zeereis, -1155 Of hij verkrijgen kon een toornig treffen, - Om daar het Friezenzaad te zijn gedachtig. [217] - Dus weigerde hij niet de wapenlieden, {32} - Als Hun de kampvlam Lafing nederlegde - Op zijnen schoot, 't onschatbaarst aller wapens; -1160 Want bij de Friezen was bekend het krijgstuig. [218] {33} - Als Hnäf, zoo greep nu Fin, den fiergezinden, - De wilde wapendood in zijne woning, - Nadat Gudlaf en Oslaf [219], na de golfvaart [220], - Den ruwen storm op Hnäf eerst rouwvol hadden -1165 Verkond, verweten hunne harde weeën. - Hun rusteloos gemoed was niet bij machte - Zich in te houden [221] {34}. Bloedig was de halle - Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher, - Verslagen in het midden zijner manschap, -1170 En heengevoerd de koninginne Hildburg {35}. - De Deensche schutters droegen naar de schepen - Geheel de have van den landbeheerscher, - Alwat ze in Finnes woning konden vinden - Aan smuk, aan smaakvol ingezet gesmijde. -1175 Zij leidden de edelvrouwe [222] langs den zeeweg - Tot bij de Denen, naar de stamgenooten.» - Gezongen was het lied, de zang des dichters. - Weer rees geruisch, het bankgeschater schalde, - De schenkers schonken wijn uit wonder vaatwerk. -1180 Nu kwam gegaan met gouden hoofdwrong Wealchtheow, - Waar oom en broederzoon [223], de dappren, zaten. - De bloedverwantschap was nog eenig [224], beiden - Elkander hou en trouw. Ook zat er Hunferd, - De spreker, aan den voet des Schyldingvorsten. -1185 Zij waren zeker van zijn zin, dat deze - Veel moed bezat, ofschoon hij niet rechtschapen - Met zijne broeders was geweest in 't wapen. [225] - En Wealchtheow nam het woord, vorstin der Schyldings: - «Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker, -1190 O, Goudbegever. Wees nu wel te moede - O, Schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten - Met milden mond. Zoo moet een krijgsman handelen. - Wees voor uw Gooten goed, de gift gedachtig. - Ja, heinde en verre hebt gij nu den vrede. -1195 Men zegde mij, dat gij tot zoon verlangdet - Den held [226] te hebben. Thans is Heort gereinigd, - De weidsche ringzaal. Spil nu veel juweelen, - Zoolang gij zulks vermoogt; doch laat uw zonen [227] - Het land met luiden na, wanneer gij henen -1200 Zult zijn gegaan, des Scheppers glans te schouwen. [228] - Ik ken mijn heuschen Hrodulf, die de knapen - Waardeeren zal, indien gij, scherm der Schyldings, - Het leven eer dan hij verlaat. [229] Ik hope, - Dat hij met goed vergelden zal ons zonen, -1205 Indien hij 't al gedenkt, de vroeger diensten, - Die wij hem, zijnde nog een wicht, bewezen - Naar wensch en eere.» Thans begaf zich Wealchtheow - Ter zitplaats heen, waar zaten hare zonen, - Hredric en Hrodmund, met de heldentelgen, -1210 De strijdjeugd saam. Daar [230] zetelde ook de stoute, - Der Gooten Beowulf, bij de twee gebroeders. - - - - - -XIX. - - - Een beker werd hem nu gereikt, met woorden - Hem toegebracht de heusche bee te drinken, - Ringvormig goud werd huldevol geboden, -1215 Armtooisels twee en ring en rusting, 't grootste - Der halssieraân, waarvan ik hoorde op aarde. - Nooit hoorde ik van een held zoo heilvol onder - Het hemellicht door schatten, sedert Hama [231] - Naar zijnen hoogen burg den Brosinghalsband [232] -1220 (Den kostbren schat) met dezes schrijn ontvoerde. [233] - Hij nam de vlucht voor Ermenrics vervolging [234] - En koos zich 't eeuwig heil [235].--Der Gooten Hyglac - Was in 't bezit des rings [236] de laatste reize. - De kleinzoon Swertings [237], toen, den schat beschuttend, -1225 Hij voor den slagbuit [238] streed bij zijnen standerd. - Toen rukte Wyrd hem weg [239], terwijl hij moedig - Het wee doorstond, de worstling met de Friezen. - Den smuk, de kostbre steenen, had de koning - Toen meegebracht langsheen der baren beker. -1230 Daar viel hij onder 't schild. Het lijk des vorsten - Geraakte in Frankenhand [240] met ring en borstkleed; - Want na beslechting van den slag beroofden - Er slechter kampvermeetlen [241] de verslagenen; - De Gootenlieden bleven op de lijkstee.-- -1235 Zij nam het halskleinood {36} en Wealchtheow zeide - En voor de volkschaar sprak zij: «Beste Beowulf - Gebruik met heil, o jonge held, dien halsring; - Aanvaard dit harnas, deze kostbaarheden. - Gedij ter dege. Word bekend door krachten -1240 En wees mijn zoon ook [242] welgezind door lessen. - Ik wil daarom uw loon gedachtig wezen. - Gij hebt bewerkt, dat heinde en ver de helden - U steeds, zoover haar windomwaaide stranden - De zee bespoelen zal, u zullen achten. -1245 o, Wees, zoolang gij leeft, een rijke ridder. - Ik gun u dezen goudschat. Wees door daden - Mijn zonen vriendelijk, gij vreugderijke. - Elk krijger hier is heel verknocht den andren - En mild van zin, den mannenheer gehoorzaam. -1250 Wilvaardig zijn de helden, 't volk is volgzaam. - Ik bid u, blijft zoo handlen [243], drankverheugden {37}.» - Vervolgens richtte zij zich naar den zetel. - Het maal was keurig. Wijn de mannen dronken. - Zij wisten van geen Wyrd, geen nare noodlot, -1255 Gelijk het moest vergaan met menig edele [244], - Nadat verschenen was de schemeravond, - En Hrodgar heenging naar zijn hof, de hooge, - Naar zijne rust. Een reuzig tal van ridders [245] - Behoedde weer, als vroeger [246] vaak, de halle. -1260 Den bankvloer ruimden ze op [247]. Hij werd in 't ronde - Geheel bedekt met bedden en met bolsters. - Reeds vlijde zich een schenker [248] op het vloerbed, - Den dood vervallen, veeg {38}. Het strijdschild stelden - Zij aan het hoofd, het schitterende schildhout. -1265 Daar op de bank was boven de edellieden {39} - De hooge helm te zien, 't gevlochten harnas, - 't Geweldig krachthout. 't Waren hun gewoonten - Van steeds ten strijde kant en klaar te wezen, - In 't heir en thuis en tevens op elk tijdstip, -1270 Wanneer de nooddwang voor den volksbeheerscher - Zich op mocht werpen. [249] 't Was een wakkre schare. - - - - - -XX. - - - Nu zegen zij ten slaap. Met wee bezuurde - Er één [250] zijn avondrust; als 't menig reize - Vergaan was, sedert Grendel hunne goudwoon -1275 Bezette, wrevel zocht, totdat het einde - Was opgedaagd, de dood na de euveldaden. - Dit werd bemerkbaar, wijdbekend voor 't menschdom, - Dat nog een wreker [251] leefde na den vijand, - Nog langen tijd na 't kommervolle kampen. [252] {40} -1280 Nu was 't daemonisch wijf, de moeder Grendels, - Gedachtig zijnen dood, zij, welke de ijzing - Der kolk [253], den kouden waterschoot bewoonde; - Sinds Kaïn werd den broeder door het wapen - Tot moordenaar, den zoon eens zelfden vaders. -1285 Toen vlood hij vredeloos, door bloed gebrandmerkt, - De wereldweelde en trok in wildernissen. - Hier werden uit verwekt de ongure geesten. - Van hen was Grendel één, de hatelijke, - De zwaardgedoemde, die den man ontmoette, -1290 Den wrekenden, in Heort, de worstling wachtend, - Waar 't monster met hem handgemeen zou worden. - Doch die [254] gedacht de veerkracht van zijn spieren, - De reuzengift, die God hem had gegeven. - Hij bouwde voor zich zelven op den bijstand -1295 Des Albestuurders, op zijn steun en sterking. - Hij kwam daardoor te boven dezen booze, - Versloeg het helgedrocht. Toen droop het smaadvol, - Van heil verstoken henen, hij, de vijand - Des stervelings, de doodenstee te zoeken.-- [255] -1300 Nu zocht daarbij vraatzuchtig, duisterzinnig - Zijn moeder 't jammervolle pad [256] te volgen, - Te wreken haren zoon. Zij kwam naar Heorot, - Waar langs de woon [257] de Wapen-Denen sliepen. - Den ridders overkwam nu ras een omkeer [258], -1305 Zoodra naar binnen drong de moeder Grendels. - Nochtans de vrees was minder groot dan vroeger, - Zooveel als kracht en kampgrim van de vrouwen - Tot strijders staat, als 't goudomgeven slagzwaard [259], - De hardgeklonken kling, de bloedgekleurde, -1310 Scherpvlijmig scheert den ever van de helmen. - Het taaie zwaard werd in de hal getogen, - De degen over hunne banken henen [260], - Geheven menig schild met forsche handen - Niet dacht aan helm, niet aan het groote harnas, -1315 Wien overviel de vrees. [261] De vijand ijlde, - Hij wilde weg van hier, het lijf behoeden, - Nu dat hij was ontdekt. Toch greep hij gretig - Een ridder [262] vast bij 't vluchten naar de venen. - Dit was des konings meest beminde kamper -1320 Van zijn gevolgschap bij de beide zeeën, - Een schrikbaar schildheld, dien hij doodde op 't leger, - Een hooggevierde borst. Niet was er Beowulf; - Want na de uitdeeling werd een andre woning - Den Goot, den wijdvermaarden, aangewezen. -1325 Geraas verrees in Heorot. Hij ontvoerde - De roodbebloede hand, de wijdberuchte. [263] - Het wee was weer vernieuwd in hunne woning. - Niet deeglijk was de handel, dat de helden - Betalen moesten met der makkers leven -1330 De boozen beiderzijds [264]. De vorst [265], de vroede, - De grijze wapenheld, was wild te moede, - Toen levenloos hij wist den waardsten raadsman. - In aller ijle werd uit zijne woning - Gehaald de held, de zegeblijde, Beowulf. -1335 Voor dag en dauw nog spoedde met zijn mannen - De held zich heen, de koengestemde kamper, - Alwaar de wijze Hrodgar zat te wachten, - Of de Algebieder na die bange boodschap - Hem ooit een wending wilde voorbewaren. -1340 Hij stapte langs den vloer de wapenstoute - Met zijnen drom, (het hout der halle dreunde) - Den wijzen Denenheer met woorden welkom - Te heeten, vroeg, of, naar zijn heusche wenschen [266], - Voor hem ook heilvol was geweest de nachtrust. - - - - - -XXI. - - -1345 En Hrodgar sprak, de schermheer van de Schyldings: - «Naar welstand vraag me niet. De nood is weder - Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aschere, - Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder, - Mijn alvertrouwde en raadverstrekker tevens, -1350 Mijn zijgenoot, wanneer wij 't hoofd behoedden - In 't veld, wanneer te zamen stiet het voetvolk, - Helmevers stormden {41}. Zoo toch zij een strijder, - Een ridder lang beproefd, gelijk was Aschere. - Hem werd tot wurger in de hallewoning -1355 De duistre doodsgeest. 'k Weet niet, waar de gruwbre - Al bogend op den buit teruggereisde, - Door 't rooven van de prooi alleen verraden. [267] - Hij heeft aldaar op ons verhaald de veete, - Omdat gij gistren nacht zijn Grendel dooddet -1360 Op woeste wijs met harden handgreep; immers - Die dunde en doodde reeds te lang mijn lieden. - Hij viel in 't krijt, vervallen van het leven. - Nu daagde een ander machtig euveldader, - Het was zijn doelwit zijnen zoon te wreken, -1365 En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. [268] {42} - Diensvolgens mag het menig dappre dunken, - Die naar den heerscher [269] haakt in zijne ziele, - Een harde hartkwetsuur. Nu rust de rechte [270], - Die willig was voor ieder uwer wenschen. -1370 Dit hoorde ik landbewoners, {43} mijne lieden, - Mijn zaalbewakers zeggen: dat ze een tweetal - Van zulke reuziggroote grensbesluipers - Gehuisvest zagen midden in de moeren, - Twee menschenschuwe schimmen. De eene dezer -1375 Scheen, naar hun beste weten, volgens 't wezen - Een vrouw te zijn, terwijl de tweede wanmensch - In mansgedaante op ballingswegen [271] doolde. - Slechts was hij machtiger dan een der mannen. - Hem heette Grendel sinds den grijzen voortijd -1380 Het aardevolk. Zij kennen niet zijn vader, - Noch of hem ooit ontsproten duistre daemons. - Zij nestelen in ongenaakbre streken, [272] - In wolfskrocht, windombruiste voorgebergten, - Verraderlijke paden door moerassen, -1385 Alwaar de bergvloed uit de omwolkte klippen - Terneder stort, het stroomend nat bij de aarde. - Niet wijd van hier, op weinig mijlen afstands - Daar ligt het meer, waar rijpbeladen bosschen - Zich overbuigen, wouden vast door wortels. -1390 Ze omhuiven 't nat. Daar zal men alle nachten - Een vreeslijk wonder zien, een vuur in 't water. - Niet leeft een zoo diepzinnig zoon der menschen, - Die zijnen bodem kent. Al zoekt, door honden - In 't nauw gebracht, het hert, de heideganger, -1395 't Geweigeweldige, het woud, van verre - Verjaagd, veel liever levert dit zijn leven - Eerst over, zijnen adem aan de zoomen, - Dan dat het in wil, om zijn hoofd te hoeden. - 't Is geen aanminnig oord, vanwaar 't gemengel -1400 Der golven, 't zwarte, tot het zwerk opsteigert, - Wanneer de winden wentlen norsche vlagen, - Tot donker wordt de lucht, de transen weenen. [273] - Bij U alleen berust alweer de redding. - Nog kent gij niet de plaats, de plek, de nare, -1405 Alwaar gij 't snoode wezen moogt ontmoeten. - O, zoek het, zoo ge durft, 'k Vergeld met gaven - 't Gevecht en ouden smuk, als 'k deed te voren, - Met gouden ringen, zoo gij gaaf terugkomt.» - - - - - -XXII. - - - En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: -1410 «Zorg niet, hoogwijze vorst! 't Is elk gewenschter - Te wreken zijnen vriend, dan veel te rouwen. - Een ieder onzer zal het eind ervaren - Van 't leven hier omlaag. Dat hij behale, - Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven! -1415 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. [274] - Rijkshoeder, rijs! Welaan, met rassche schreden - Gegaan, beschouwd den gang van Grendels moeder! - Dit zeg ik toe: Zij zal zich niet onttrekken - In eene schuilplaats, noch den schoot der aarde, -1420 Noch in het berggeboomt, noch op den bodem - Der golven, ga ze dan alwaar ze wille. - Gij oefen nog geduld voor dezen dagstond - Met ieder leed, gelijk ik u dit toewensch.» - Nu rees de grijze recht. Hij dankte Gode, -1425 Den sterken Heer, voor 't geen de held daar zeide. - Getoomd werd toen des konings ros, de klepper - Met langgelokte manen. Statig stapte - De wijze heerscher heen; de voetschaar volgde - Der schildbeschutten. Verre was te schouwen -1430 Langsheen de wegen van het woud het voetspoor - Des vijands, zijne vlucht langsheen de vlakte, - Alwaar hij wegsloop over 't donkre drasland - En met zich bracht d'ontzielden man [275], den besten - Van hen, die 't huis beheerden met den heerscher. -1435 Nu toog der eedlen telg [276] langs steile steenklip, - Langs enge steegjes, voor den stap eens enklen, - Langs wegen nooit gekend, langs nauwe riffen - En menig nikkerhuis. Aan 't hoofd der enklen, - Der wijze lieden, ging hij [277] 't land doorvorschend, -1440 Totdat hij eensklaps aantrof 't berggeboomte, - Dat langs de grauwe rotsen overleunde, - Het vreugdelooze woud. Daar lag beneden - Het water bloedigrood en wildbewogen. - Het viel den Denen al, den Schyldingsvrienden, -1445 En menig held in 't hart wel zwaar te harden; - Een rilling was 't voor ieder van de ridders, - Toen ze Aschers hoofd ontmoetten op de meerklip. - Van 't bloed, het heete hartbloed, woelde 't water. - De helden zagen toe. Soms zong de horen -1450 Een vaartree oorlogslied. De heele voetschaar - Was neergezeten. Langs het water zagen - Zij meer dan een van 't slag der monsterwormen, - Ontzetbre zeegedrochten 't nat doorzoeken, - Ook nikkers, in de rotskloof nederliggend, -1455 Die tegen middagtijd gevreesde tochten - Niet zelden ondernemen langs de zeilstraat [278], - Gewormte en wild gebroed. Zij stoven woedend - En opgetergd daarhenen, toen zij hoorden - Het schel geschal, het klinken van den kamphoorn. -1460 De Gootenvorst beroofde van het leven - En 't zwemgedartel éénen door den pijlboog, - Dat hem in 't harte drong de scherpe heerschicht; - En loomer, naar gelang de dood hem wegnam, - Werd deze bij het zwemmen door de zeeën. -1465 Gezwind met eversprieten, scherp als zwaarden - Geweerhaakt, werd hij fel benard in 't water, - Om strijd bestookt en op het strand getrokken, - De wondre golvenschudder. 't Volk beschouwde - Den gruwbren gast. [279] Toen rustte in ridderkleeding -1470 Zich Beowulf uit; niet beefde hij voor 't leven. - Het handgevlochten, wonderglanzig harnas, - Het breede, zou met hem de zee ervaren, - 't Geen bergen kon zijn lichaam, dat de kampvuist - Niet zijne borst, de sluwe greep des boozen -1475 Zijn leven schaden mocht. Doch 't hoofd beschermde - De helm, de heldre, die zich met de diepte - Vereenen zou, het zeegewentel zoeken, - Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven, - Gelijk in 't lang voorheen hem had vervaardigd -1480 De wapensmid, bewerkt op wondre wijze, - Bezet met everzwijnen, zóó dat sedert - Noch brand [280] noch degen hem vermocht te deren. - Ook was de kling geen kleine steun der sterkte, - Die tot behulp de spreker Hrodgars, Hunferd, -1485 Hem had geleend. Het lemmer heette Hrunting. - Dit eene stond vooraan bij de erfkleinooden; - Van staal was 't zwaard en bruin van zwadderdroppen, - Gehard in 't bloed. Geen held, dien 't ooit beschaamde - In 't veld, die 't zwaaide met de vuist, angstwegen [281] -1490 Betreden dorst, het volkrenveld des vijands. - 't Verrichtte niet voor de eerste reize krachtdaân. - Voorzeker niet gedacht de zoon van Ecglaf [282], - De koene aan kracht, alwat hij eerst beweerde, - Beneveld door den wijn, nu dat hij 't wapen -1495 Wou leenen aan gelukkiger een zwaardheld. - Niet dorst hij zelf op 't spel het leven zetten - In 't golfgestorm, een stoute daad voldingen. - Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. - Niet stond het desgelijks gesteld met d'andre [283], -1500 Toen deze zich gewapend had ter worstling. - - - - - -XXIII. - - - En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: - «Geheug u nu, o hooge spruit van Healfdeen, - o Vroede vorst, nu 'k tot den tocht ben reede, - o Vriend der vromen [284], wat wij vroeger spraken: -1505 Indien ik eens in uwen dienst het leven - Verlaat, dat gij voor mij [285], den overledene, - Voortaan vervullen zult de plaats van vader, - o, Wees de wachter van de wapenlieden, - Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt, -1510 En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar, - De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. - Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen, - De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten, - Dat ik een meer dan milden goudbegever -1515 Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. - En gij, mijn Unferd, laat het oude lemmer, - Het kostbre, zware zwaard, het harde, hebben - Een wijdberoemden held. [286] 'k Verwerf met Hrunting - Mij roem, of anders rukt de dood mij mede.» -1520 Geweldig ijlde weg bij deze woorden - Der Weder-Gooten [287] vorst; hij wachtte geenszins - Het antwoord af. De vloed ontving den strijdheld. - Wel eene stond' des dags verstreek [288] {44}, alvorens - Hij 't bodemvlak bereiken kon der baren. -1525 Nu werd terstond gewaar die honderd winters - Strijdgierig had bewaakt den schoot der golven, - De booze, vraatgeduchte, dat van boven - Der menschen een naar 't oord der monsters vorschte. [289] - Zij tastte toe en greep met gruwbre klauwen -1530 Den wapenheld, doch wondde niet inwendig - Het onverlette lijf. Dit borg van buiten - Het ringkuras, dat [290] zij niet door kon rukken - Den wapenrok, de welgevlochten halsberg, - Met grimmige vuist. De zeewolvin ontvoerde -1535 Der ringen heer, nu zij den boôm bereikte, - Naar hare woning, dat hij over 't wapen - (Hem schoot de moed te kort) niet kon beschikken {45}: - Want zwemmend drongen om hem veel gedrochten - En menig zeedier tornde met den kamptand -1540 Aan 't wapennet; zij zetten na den vijand. [291] - Nu vond de vorst, hij was in zekre woning - Der diepte, waar hem geene golven deerden, - Noch wegens 't dak de valsche greep des waters - Hem kon omknellen. Hij ontwaarde een weerschijn -1545 Van vuur, een hellen gloed, die helder glansde. [292] - Nu zag de dappre de wolvin der diepte, - Het schrikbaar waterwijf. Hij schonk het slagzwaard [293] - Een reuzenzwaai. Niet trokken zich terugge - De handen tot den houw, zoodat de degen -1550 Op haren schedel zong een hongrig kamplied. - Toen ondervond de vreemde [294], dat de strijdstraal [295] - Niet wilde vatten, noch het leven letten; - Het lemmer liet den vorst in nood verlegen. - Het had weleer getrotst zoo menig treffen, -1555 De helmen vaak gekloofd, des veegen kampkleed. - Voor 't eerste viel het voor aan 't prachtig pronkstuk, - Dat nederlag zijn roem. Doch vastberaden, - Den kamp niet moede, maar zijn daân gedachtig, - Bevond zich nu opnieuw de neef van Hyglac. -1560 Hij wierp 't gebloemde zwaard [296], 't juweelomwonden, - De gramme strijder, dat het sloeg ten gronde, - 't Staalsnedig, stevig zwaard. Op zijne sterkte - Berustte hij, de handgreep zijner rechte.-- - Zoo moet een man voortvaren, welke in 't wapen -1565 Zich onvergangbren lof begeert te gaâren; - Niet schort hem 't eigen leven.--Bij den schouder - Omvatte toen (niet vreesde hij de veete) - De meester van de Gooten Grendels moeder. - De kampgeduchte schudde, daar hij toornde, -1570 Den levensvijand, dat die viel ten gronde; - Doch deze gaf hem onverwijld vergelding - Met gruwelijken klauw en greep hem tegen. - De moegezwoegde [297] stiet den kampbestuurder - Omver, den voetheld, dat hij kwam te vallen {46}. -1575 Nu zat zij over hem, den zaalindringer, - En trok de breede zas met bronzen lemmer; - Zij zocht haar zoon, haar eenig zaad, te wreken. - Op zijnen schouder lag 't geschakeld lijfnet; - Dit borg nu zijnen boezem, want het weerde -1580 Den toegang tegen alle spits of snede. - Nu zou hij onder d'opgespalkten zeegrond - Gewis bezweken zijn, de zoon van Ecgtheow, - De Gootenheld, zooniet het oorlogsharnas - Hem had geholpen, 't harde maliekolder, -1585 De heilge God niet had bestuurd de zege. - De wijze Heer, de Hemelheerscher, sliste - Het licht naar recht, nadat hij [298] was gerezen {47}. [299] - - - - - -XXIV. - - - Alsdan ontwaarde hij bij andre wapens - Een zeegrijk zwaard, een oud rapier der reuzen, -1590 Geducht van snee, der strijders sier. Het beste - Der wapens was het; enkel woog het zwaarder - Dan dat een ander krijger [300] tot het kampspel - Het goed en schoon gigantenwerk kon voeren. - Hij [301] vatte toen 't gevest, der Schyldings strijdwolf, -1595 Hij zwaaide 't zwaard vergramd en ijzergrimmig, - Het ringgetooide, reeds aan 't leven twijflend. - Hij hieuw in 't wilde, dat het hard ten halze - Naar binnen drong en brak de beenderwervels, - Het lemmer 't veege lijf geheel doorvlijmde. -1600 Ten bodem bonsde zij. Het staal was bloedig, - En over 't werk verheugd de wapenkrijger. - Nu bliksemde de kling [302]; vanuit haar binnenst - Ontschoot een schemer, evenzoo als schittrend - Vanaf den trans de hemeltoortse blikkert. -1605 Nu blikte hij de halle rond en richtte - Daarna zich naar den wand. Hij hief het wapen - De dappre bij de handgreep, Hyglacs dienstman, - Verwoed en vastberaân. Niet was het wapen - Van ondienst aan den slagheld, want hij wilde -1610 Aan Grendel menig aangreep snel vergoeden, - Door dezen aangedaan den Wester-Denen, - Veel meer dan eene maal; toen hij van Hrodgar - De haardgenooten sloeg in hunnen sluimer - En vijftien in den slaap van 't volk der Denen -1615 Verzwolg, een tweede vijftiental ontvoerde, - Een gruwzaam offer. Doch hem gaf vergelding - De onstuime held, tot waar hij afgestreden - En zielloos Grendel liggen zag op 't leger, - Gelijk voorheen de worsteling in Heorot -1620 Hem toegetakeld had. Daarhenen rolde - De romp, nu dat hij dulden moest na 't sneven - Den strook, den zwaren slag van 't zwaard, en Beowulf - Hem nederhieuw het hoofd. [303] De wijze helden - Die, welke zagen naar de zee met Hrodgar, -1625 Bemerkten nu aanstonds, dat heel de strooming - Gemengeld bleek, met bloed geverfd de baren. - De grauwgebaarde grijsaards onderhielden - Zich al te gader over hem, den goede, - Dat zij niet hoopten van den held, dat zeegrijk -1630 Hij weer bezoeken zou den hoogen heerscher. - 't Scheen menigeen, hem had gedood de meerwolf. - Toen was het negende uur [304] des dags genaderd. - Nu scheidden van de kaap de koene Schyldings, - En huiswaarts ging van daar der helden schatvriend [305]. -1635 De vreemden [306] zaten droef van zin en tuurden - Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden - Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. - Nu ving het staal door 't bloed, door 't strijdgedruppel, [307] - De slagbijl aan te slinken. 't Was een wonder, -1640 Hoe 't gansch versmolt, als 't ijs, wanneer de Godheid - De banden slaakt der vorst, de waterboeien - Ontbindt, zij die gebiedt aan tijd en stonde.-- - De ware Schepper is 't.--Niet meerder schatten - Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten, -1645 Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen - Met dat gevest van glimmend goud; [308] te voren - Was 't zwaard verteerd, verbrand 't getogen lemmer: - Zoo heet was 't bloed, de hellegeest zoo giftig, - Die daar het lijf in liet. Gezwind ontzwom hij, -1650 Die in 't gevecht den kampdood had ervaren - Der boozen, dook naar boven door het water. - Nu was geheel het golfgewoel gezuiverd, - De wijde watervlakte, waar de daemon - Zijn levensdagen achter had gelaten, -1655 Het wuft bestaan. De steun der varenslieden - Kwam kloekgestemd gezwommen naar de stranden. - Nu praalde hij op zijne prooi der diepte, - Het vrachtgevaarte, dat hij met zich voerde. - Nu gingen hem te moet en dankten Gode -1660 De stoute ridderstoet, vervuld van vreugde - Om hunnen heer, nu zij hem heilvol zagen. - Den opgewonden werden helm en harnas - Nu dra ontnomen. Drabbig werd het water, - De zeevloed onder 't zwerk en rood van 't bloedbad. -1665 Zij ijlden voort van daar langsheen het voetpad - Met lichten geest. Zij maten weer de landstraat, - Den welbekenden weg. De koene mannen - Vervoerden nu het hoofd van 't voorgebergte: - Iets moeitevols voor elk der moedvervulden. -1670 Al zwoegend moesten vier op hunne veldspeer - Het hoofd van Grendel dragen naar de goudhal, - Totdat zij ras het zaalgebouw bereikten - De veertien [309] dappre kampgeduchte Gooten, - En op het medeërf [310] begaf kloekmoedig -1675 Zich in hun midden voort de mannenheerscher. - Daar kwam hij ingegaan de krijgerkoning, - De man, door daden koen, door moed verheerlijkt, - De slaggeharde held, te groeten Hrodgar. - Nu werd het hoofd van Grendel bij de haren -1680 Ter woon gedragen, waar de mannen dronken, - Den ridders vreeslijk [311] als der edelvrouwe. - De mannen zagen naar het zeldzaam schouwspel. - - - - - -XXV. - - - En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: - «Voorwaar, o Healfdeens zoon, o heer der Schyldings, -1685 Wij brachten vroolijk tot een zegeteeken - U dezen zeebuit, dien gij hier bezichtigt. - 'k Volvoerde 't nauwlijks met gevaar van 't leven: - Ter nauwernood in 't worstlen onder 't water - Bestond ik deze daad. Mij was het strijden -1690 Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. - Niets werkte ik uit met Hrunting in de worstling, - Schoon deugt de degen; maar de Heer der menschen - Verleende mij, dat 'k aan den muur zag hangen - Een vonkelglanzig, oud, geweldig wapen; -1695 (Hoe vaak geleidde Hij de vriendenloozen!) - Dit drilde ik tot geweer. Ik doodde in 't worstlen - (Daar gunstig was de kans) der woning wachters [312]. - Het kampzwaard teerde weg, 't getogen lemmer - Op 't oogenblik, waarop het bloed ontspatte, -1700 Het heetste wapenvocht. Van daar ontvoerde - Ik aan den vijand dit gevest. Zoo wreekte - Ik de euveldaân, de doodskwaal van de Denen, - Gelijk het paste. Dit beloof ik heden: - Gij kunt in Heorot slapen onbekommerd -1705 Met uwer helden stoet en elken strijder - Van uwe mannen, meerderen of mindren; - Zoodat gij niet meer noodig hebt te duchten, - o Denenvorst, van dezen kant de doodskwaal, - Gelijk gij vroeger deedt, voor uwe lieden.» -1710 Nu werd den ouden held de gouden handvat, - Het grijze wapenhoofd [313], ter hand gegeven, - 't Aloud gewrocht der reuzen. [314] Dit geraakte - Nu in 't bezit, dit werk der wondersmeden, - Des Denenvorsten, na den val der duivels. -1715 De wrevelzieke man, Gods tegenwrijter, - Had moordbelaân verlaten deze wereld, - Zijn moeder mee. Nu viel 't te beurt den waardsten - Der wereldvorsten bij de beide zeeën, - Die schatten deelden op het Schedeneiland [315]. -1720 Toen zeide Hrodgar;--hij bezag de handgreep, - Het oude stuk, waarop 't ontstaan des voorkamps [316] - Was ingegrift. Alsdan versloeg de deining, - Het overstroomend nat de reuzenstammen. - Zij bleken boos. 't Geslacht het was weerbarstig -1725 Den eeuwgen Heer. Des gaf hun de Albeheerscher - De slotvergelding door den vloed der golven. [317] - Op 't hechtbeslag van heerlijk goud was tevens - Beteekend, trouw gezet, gezegd in runen [318], - Voor wien eerst was bewerkt de keur der klingen -1730 Met slankgewrongen, slangomslongen handgreep. [319]-- - Toen nam het woord [320] de wijze zoon van Healfdeen, - En ieder zweeg: - «Voorwaar, dit zal hij zeggen, - Die onder 't volk bevordert recht en waarheid, - Van ver het gansch gedenkt, als grijze goedsheer, -1735 Dat deze dappre beter [321] werd geboren. - Langs wijde wegen is, mijn beste Beowulf, - Uw roem gevaren over alle volken. - Gestadig waakt gij op dit alles: sterkte - En wijsheid van 't gemoed. U wil 'k bewijzen -1740 Mijn dankbaarheid, als wij voorheen bespraken. [322] - Gij zult nog lang uw lieden tot vertroosting, - Tot hulp uw helden zijn. Niet zoo was Heermod [323] - Voor 't zaad Ecgwela's, voor de Zege-Schyldings. - Niet groeide hij tot lust der Denenlieden, -1745 Maar wel tot lijkenval en stervenslijden. - Dolzinnig doodde hij de dischgenooten, - Zijn schoudermakkers, tot hij eenzaam scheidde [324] - De hooge heerscher, ver van 't heldenwoelen. - Ofschoon een machtig God hem met de weelde -1750 Der heldenkracht en sterkte had verheerlijkt - En over alle mannen heen verheven, - Toch groeiden in zijn borst bloedgierige tochten. - Hij deelde geene ringen [325] aan de Denen, - Als hun gewoonte was: verweesd van vreugde -1755 Ervoer hij, dat hij drang om zijn vervolging - Te harden had, het eindelooze lijden. [326] - Gij, leer hieruit en grijp naar mannengrootheid. - Ik sprak, door jaren wijs, voor u die spreuken. - Een wonderbare zaak is 't om te zeggen, -1760 Hoe dat een machtig Schepper aan het menschdom - Uit milden grootzin wijsheid geeft en woning - En heldenhoogheid. Hij gebiedt aan alles. - Somwijlen laat Hij zijnen zin in liefde - Ontvonken voor een man van hoogen huize {48}. -1765 Hij geeft hem op zijn goed 't genot der aarde, - Om op der helden heerschersburg te huizen; - Hij [327] onderwerpt hem zoo der wereld deelen, - De groote rijken, dat hij zelf [328] de grenspaal - Zich wegens 't onverstand niet voor kan stellen. -1770 Hij leeft in overvloed; niets kan hem letten, - 't Zij krankte of ouderdom; vervolgingskommer - Benevelt niet den zin; noch kamp, noch zwaardhaat - Vertoont zich, waar 't ook weze; maar de wereld - Zij wendt zich naar zijn wil. Hij kent geen onspoed; -1775 Tot de overmoed inwendig wast en woekert; - De hoeder [329] sluimert dan, der ziele herder, - De slaap is diep, geketend door vermoeidheid, - De moorder [330] zeer nabij, die met den pijlboog - Zal wonden op verraderlijke wijze. - - - - - -XXVI. - - -1780 Dan zal hij in den boezem zijn getroffen - Door scherpe schichten onder 't helmbeschutsel [331]. - Niet kan hij zich vrijwaren van de zonde - Door 't wondervol gebod des boozen geestes [332]. - Hem lijkt wat hij te lang bezat te luttel. -1785 Nu schraapt hij stuurschgestemd, hij schenkt uit praalzin - [333] - Geen gouden ringen; hij vergeet, verwaarloost - Zijn later lot, omdat hem God, de uitdeeler - Der glansen, vroeger gaf onmeetbre glorie, [334] - 't Gebeurt ten leste, dat het broze lichaam -1790 Te zamen zinkt en dat vervalt het veege. - Een ander erft het rijk, die zonder rouwen - De have kwist, des eedlen kostbaarheden, - En zich aan later zorg niet laat gelegen, - o, Wacht u voor dit zoo verwaten streven, -1795 Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste, - En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend [335] welzijn. - Betracht geen overmoed, vermaarde kamper! - Een tijdlang tiert de volheid van uw krachten; - Maar 't draagt weldra zich toe, dat zwaard of ziekte -1800 U rooven uwe kracht, hetzij de omkronkling - Der vlammen, of het zwalpen van de vloeden, - Hetzij de greep van 't zwaard, de vlucht der werpspies, - De gruwe grijsheid, of de glans der oogen - Verdwijnt en taant. Dan schielijk zal't geschieden, [336] -1805 Dat u, den legerman, de dood vermeestert. [337] - Zoo heerschte ik honderd halve jaren over - De Harnas-Denen onder 't dak des hemels - En hoedde hen voor strijd met vele stammen - Dit aardrijk langs door esschelans en lemmer; -1810 Zoodat ik onder 't wulfsel van de wolken - Voor mij niet eenen tegenstander telde. - Gewis, mij overviel daarom een wending - Op 't stamgoed, smart na vreugde, sedert Grendel, [338] - De aloude vijand, werd mijn woonbezoeker. -1815 Voortdurend droeg ik onder die verdrukking - Geweldig hartewee. De Schepper weze - Geloofd, der eeuwen Heer, dat ik beleve - Op mijnen ouden dag, met dees mijn oogen - Te blikken naar het hoofd [339], het zwaardbebloede, -1820 Na 't oude zeer. Begeef u naar uw zetel - En deel in 't dischgenot, o krijgsbekroonde. - Wel menig schat zal zijn gemeen ons beiden, - Zoodra de morgen aanbreekt.» - Wel te moede - Was nu de Goot en ijlings ging hij verder -1825 Zijn zetel zoeken [340], als beval de vroede. - Den krachtgevierden werd alweer, als vroeger, - Een weidsch onthaal bereid, den halbezetters, - Een nieuwe reis. De nachtelijke hulle, - De duistere, verdonkerde zich over -1830 Het wapenvolk. De ridders rezen allen. - De grauwgelokte wilde 't leger zoeken, - De grijze Schylding. Ook den Goot, den schildheld, - Den wijdberoemden, lustte 't zeer te rusten. - Den strijdvermoeiden man, den verontstamden, -1835 Geleidde fluks van daar een halbediende, - Die naar het hofgebruik in elke nooddruft - Eens ridders zou voorzien, gelijk de zeeliên [341] - Gedurende den dag behoefte hadden. - Hij rustte de eelgezinde. Ruim, goudglanzig -1840 Verrees de bouw; de vreemde sliep er binnen, - Totdat de donkre raaf [342], verheugd van harte, - Des hemels weelde weder kwam verkonden. - Daar gleed de zonne glanzend over 't aardrijk; - De weerbren ijlden. De edellieden waren -1845 Gereed terug te varen naar hun volksstam. - De vreemdeling, de hooggestemde, haakte - Om ver van daar zijn vaartuig weer te vinden. - De held beval nu Hrunting voor te brengen, - Verzocht aan Ecglafs zoon [343] het zwaard te nemen, -1850 Het dierbre staal; hij dankte voor 't geleende {49} - En zei, hij schatte dit geschikt een kampvriend - En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer - Van 't staal met woorden. 't Was een moedig strijder! [344] - Als nu de reisverheugde kampers reede -1855 In 't harnas stonden, stapte hij, de heerscher [345], - Den Denen dier, ten troon, alwaar de tweede - Slagwakkre man verwijlde, en groette Hrodgar. - - - - - -XXVII. - - - En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: - «Wij, zeebezeilers, willen thans u zeggen -1860 Wij, wijdbereisden, dat we wenschen Hyglac - Terug te zien. Wij zijn als 't voegt ontvangen [346] - Naar wil en wensch; gij waart ons toegenegen. - Indien ik eenigszins op deze wereld - Nog meer uw hartemin vermag te winnen, -1865 o Heer der dappren, dan ik deed tot dezen - Door wapendaân, ik sta aanstonds wilvaardig. - En zoo ik dit aan gene zij der zeeën - Verneem, dat u bestookt met strijd de nabuur, - Gelijk voorheen de haatgezinden [347] deden, -1870 Zoo zal ik duizend mijner dappren brengen, - Der helden, tot uw hulp. Wat Hyglac aangaat, - Den Gootenvorst, ik weet, hoe jong hij weze, - Dat hij, der volken herder, mij zal helpen - Met raad en daad; zoodat ik ruk ter heervaart -1875 En 't wapenhout [348] tot hulp, tot steun der sterkte - U breng, indien ge hebt gebrek aan mannen. - Zoo Hrederic, de vorstenzoon, zich voorneemt, - Der Gooten burgen eens te gaan bezoeken, {50} - Zoo zal hij vele vrienden ginder vinden. -1880 Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst - Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte.» [349] - En Hrodgar voegde toe, hem tot een antwoord: - «Die redevoering gaf de wijze Godheid - U in 't gemoed. Van geenen man nog hoorde -1885 Ik op die jonge jaren [350] rijper rede. - Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig, - Aan woorden wijs. Ik koester dus verwachting - Dat--zoo het eens geschieden zou, dat werpspies - Of staalverwoede strijd den zoon van Hredel [351] -1890 Wegrukken zal, hetzij dan ziekte of ijzer, - Den herder van het volk en uwen heerscher, - En gij in leven zijt--dat dan de Zee-Goot - Geen beter heer dan u tot schatbehoeder - Der helden heeft te kiezen, zoo te heerschen -1895 Gij mocht verlangen over 't rijk der magen. [352] - Mij, beste Beowulf, lijkt uw moed hoe langer - Hoe meer. Gij hebt gemaakt, dat voor de volken, - De Gootenliên en lansgeduchte Denen, - Gemeenbezitting wezen zal de vrede; -1900 De strijd gestaakt en de overvallingsveete, - Die ze eer bezuurden; dat hij zal verblijven, - Zoolang ik 't uitgestrekte rijk besture, - Gemeen de schat, en menigeen den andre - Met giften over 't duiklaarsbad [353] zal groeten. [354] -1905 De staalomwonden kiel zal over 't water - De gaven brengen met de gunstbewijzen. - Ik weet, dat tegenover vriend en vijand - Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare, - In alles zonder blaam, naar de oude zeden.» -1910 Toen schonk hem bovendien de schuts der ridders, - Hij Healfdeens zoon, een twaalftal kostbaarheden. - Hij hoopte, dat hij met die gaven heilvol - Zijn trouwe volksliên weder zoude vinden - En ras teruggekeeren. Hierop kuste -1915 De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings, - Der helden besten, zijnen hals omvattend. - Den zilvergrijze zegen neer de tranen, - Verwachting was er voor den ouden wijze - Van alle twee, nochtans van 't andre sterker [355]: -1920 Dat zij voortaan, de bouden bij de toespraak [356], - Elkander nimmer zouden kunnen weerzien {51}. - Hem was de man zoo waard, dat hij de woeling - Des harten niet vermocht in toom te houden; - Maar in de borst, besloten in de boeien -1925 Van zijn gedachten, haakte stil de heerscher, [357] - Ondanks het bloed [358], naar dezen dierbren krijger. - Trotsch op de schatten trok de kampheld Beowulf, - Verheugd om 't goud, nu henen langs de graszoo. - Het waterros, dat op het anker rukte, -1930 Verwachtte zijn bezitter. Onderwege - Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. - Een eenig heerscher was 't, geheel onlaakbaar, - Tot hem 't genot der kracht ontnam de grijsheid, - Die menigmaal zoovelen heeft vermeesterd. - - - - - -XXVIII. - - -1935 Nu kwam aan 't strand der dappren stoet [359], der helden - Zij droegen 't ringnet, hun gevlochten rusting - Der leden. Weder sloeg de landwacht gade - De komst der krijgers, als hij deed voordezen. - Niet met gegrauw begroette hij de gasten -1940 Vanaf de rotskaap, maar hij reed hen tegen - En zei, dat zij, de glansomgeven gasten, [360] - Den Wederlieden welkom scheepwaarts schreden. - Toen werd op 't oeverzand de ruime zeeboot - Met strijdgewaad bevracht, de stalen steven, -1945 Met smuk en paarden. Boven Hrodgars puikschat - Verhief de mast zich. Beowulf schonk den hoeder [361] - Van zijne boot een zwaard, met goud gebonden, - Dat deze sedert des te meer ter meebank - Werd hooggeschat om dit geschenk, dit erfzwaard. -1950 Nu klom hij op het zeeschip, om te klieven - Den diepen vloed, verliet het land der Denen. - Een zeegewaad, een zeil, gesnoerd door zeelen, - Bevond zich aan den mast. Het meerhout dreunde - En langs den vloed belemmerden de winden -1955 Den zeebeschrijder niet in zijne reize. - De golvenganger toog; schuimhalzig scheerde - Hij langs de baren voort, 't gebonden vaartuig, - Langs 't zeegetuimel; tot men zag de klippen - Der Gooten met de goedbekende kapen. -1960 Naar boven drong de boot en windomwarreld - Stond zij nu op het strand. De havenhoeder - Bevond zich onverwijld gereed aan 't water, - Hij welke, wachtend op de lieve lieden, - Zoo menigmaal te voren in de verte -1965 Had uitgekeken bij de waterkolken. - Hij meerde vast het breedgeboezemd vaartuig - Op 't strand met ankertouw, opdat de stuwing - Des vloeds hun niet de kostbre kiel ontvoerde. - Hij heette toen der edellieden have, -1970 Het keurkleinood en bladgoud op te brengen. - Men had niet ver van daar den schatuitdeeler - Te zoeken: Hyglac, Hredels zoon, verwijlde - Er zelve metterwoon en met de mannen - Nabij den zoom der zee. Het huis was heerlijk. -1975 Geweldig was de heerscher, hoogverheven - In zijne halle. Hygd [362] was uiterst jeugdig - En wijs en hoog van zin, schoon Häreds dochter - Geschouwd had weinig winters onder 't schutsel - Des burgs. Niet was zij evenwel gemeenzaam, -1980 Noch voor het Gootenvolk met giften karig - En schatgeschenken.--Thrydo [363] daarentegen - Zij voedde toorn de schoone volksgebiedster - En vreeselijke wraak. Niet dorst een dappre - Het wagen van haar trouwe lijftrawanten, -1985 Tenzij haar echtheer, dat hij haar in de oogen - Des daags bestaarde, daar zij hem de doodsboei, - Gestrengeld door de hand, bestemde en oplei. - Daarna, na deze hechtenis, was spoedig - Het staal bestemd, zoodat het doodlijk wapen -1990 Beslissen moest, het moordbedrijf vermelden. [364] - Niet zulks is maagdenzede, voor een vrouwe - Niet uit te voeren, schoon zij door haar schoonheid - Ook eenig weze, dat de vredeweefster [365] - Een waarden krijger, naar vermeende krenking, -1995 Naar 't leven staat. Wis stuitte 't Hemings bloedmaag [366] - Want bij den bierdronk zeiden zij iets anders [367] - Dat zij berokkende geringer gruwlen [368] - En listig leed, nadat de goudgedoste - Van hoogen stam ten huwlijk werd gegeven -2000 Een jeugdig held, nadat zij Offa's halle [369] - Op reis bereikt had langs de vale vloeden, - Naar vaders raad. Sindsdien vervulde deze - Op haren heerschersstoel op waarde wijze - Het levenslot, vermaard om hare mildheid. -2005 Den heldenvorst [370] bewees zij hooge liefde, - Der menschen besten, volgens mijn ervaren, - Der menschenzonen bij de beide zeeën. - Hierdoor was Offa door zijn daân en giften, - Een speerbehendig man, alom verheerlijkt. -2010 Hij hield 't bewind met wijsheid over 't erfland. - Uit hem ontsproot, tot hulp der helden, Eomaer, - Maag Hemings, Garmunds neef, de sterke in 't strijden. [371] - - - - - -XXIX. - - - Nu ging de held [372] met zijne handgezellen - Zelf langs het zand, den zoom der zee betredend. -2015 De wereldtoorts, de zonne, scheen zich wendend - Vanuit het Zuid [373]. Zij zetten voort de voetreis - En schreden duchtig door, tot waar zij wisten, - Dat binnen in den burcht de hulp der helden, - Verwinnaar Ongentheows [374], de wapenkoning -2020 De jonge, kampgeduchte, ringen deelde. - Dan ras was Beowulfs komst bericht aan Hyglac: - Dat op het erf aldaar de stut der stouten, - Zijn schildvriend, hofwaarts kwam geschreden, levend - En gaaf van 't wapenspel. Nu werd er spoedig, -2025 Gelijk de vorst gebood, een zaal van binnen - Den voetbereisden gasten opgeredderd. - Daar zat hij nu [375] hem zelven tegenover - Hij, welke vele kampen had bevochten, - Maag over maag, nadat de mannenkoning [376] -2030 In hooge taal den trouwe had verwelkomd - Met weidsche woorden. Met de medekannen - Begaf zich Hareds dochter [377] langs den halbouw; - Zij stond den lieden lief ten dienst en stelde - Ter hand de wijnschaal aan de Heide-Gooten. -2035 En Hygelac begon ter hooge halle - Op hoofsche wijs zijn huisvriend te ondervragen. - De lust hem ledebraakte [378], welke waren - Geweest de tochten van de Water-Gooten. - «Hoe ging het u op reis, mijn goede Beowulf, -2040 Toen ge onverwachts besloten waart, om verre - Den strijd te zoeken over 't zilte water, - Den kamp in Heorot? Hebt gij dan bij Hrodgar, - Den hoogen heerscher, eenigszins verholpen - Het wijdberuchte wee? Om deze reden -2045 Verduwde ik leed bij 't deinen van de zorgen. - Den tocht des waarden mans betrouwde ik weinig; - Ik bad u menigwerf, dat gij den moordgeest - Volstrekt niet zoeken zoudt en in 't bestrijden - Van Grendel liet begaan den Zuid-Deen zelven. -2050 God weet ik dank, u welbewaard te schouwen.» - En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: - «o Heerscher Hygelac, niet bleef verholen - Aan menig man het wijdvermaarde treffen, - Wat oorlogstijd er tusschen mij en Grendel -2055 Ontstond op gene stede, waar hij weeën - In groote menigt schiep den Zege-Schyldings - En hoon voor 't leven, 'k Heb het al gewroken, - Dat geen van Grendels broed op aard mag brallen - Op gindschen uchtendgil [379], die veenomvangen -2060 Het langst van 't hatelijk geslacht zal leven. - Eerst ging ik Hrodgar groeten in de ringzaal; - Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen - Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen - Van mijn ontwerp. De schare was in weelde; -2065 Nog nooit ontwaarde ik onder 't hemelwulfsel - Bij hallevrienden grooter medevreugde. - Bij wijlen ging der volken vreeverwante [380], - De statige vorstin, langs heel de halle, - Aanmoedigend bij 't maal de jonge mannen, -2070 En menig reis bedeelde zij een ridder - Met ringsmuk, eer zij heenging naar de rustbank. - De dochter Hrodgars [381] bood somtijds de bierschaal - Den hoofden aan, den helden aan de slagspits. - Ik hoorde deze door de hallegasten -2075 Freaware heeten, waar zij knopjuweelen - Den helden gaf. De jonge, goudgehulde - Was toegezegd den eedlen zoon van Froda [382]. - Het had den Schyldingsvriend [383] zoo goed geschenen. - Den hoeder van het rijk, en tevens rekent -2080 Hij 't eene winst, dat hij door deze weerhelft - De moordwraak, vele veeten mocht beslechten. [384] - Niet zelden, maar te dikwerf rust de moordspeer - Een korte wijle na den val des konings, {52} - Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. - - - - - -XXX. - - -2085 Dan mag 't hierom den heer der Headobarden [385] - En ieder krijger zijner lieden krenken, - Als hij de zaal betreedt met zijne gade [386], - En van de Denen daar een edel krijgsknaap - De schare heeft bediend. [387] Aan dezen schittert -2090 Des vaders heertuig [388], hard, verrijkt met ringen, - De kostbre have van de Headobarden, - Zoolang zij heerschten over hunne wapens; - Totdat zij wierpen in het schildgeworstel - De lieve makkers met hun eigen leven. -2095 Dan spreekt bij 't bier hij, die bespeurt de halsboot, - Een grijze lansheld [389], wien geheugt het gansche, - Der trouwen speerdood, (toornen zal zijn ziele) - En duisterzinnig vangt hij aan de denkwijs - Des jongen krijgerkonings [390] te ondertasten -2100 Door zijner ziele zucht, en dan de kampkwaal - Te wekken en hij spreekt zich uit in woorden: - «Kunt gij, mijn vriend, nog dezen vochtel kennen, - Dien onder 't legermasker voor het laatste - Uw vader in 't gevecht eens met zich voerde. -2105 De kostbre kling, als hem de Denen doodden, - Als 't veld behielden na den val des helden - (Sinds schoot de wraak tekort) de koene Schyldings? - Nu stapt de zoon van eenen zijner moorders - Hier door de halle, trotsch op zijne tooisels, -2110 Nu praalt hij op den moord en draagt het pronkzwaard, - Hetgene gij rechtmatig moest bezitten.» - Zoo maant, herinnert hij hem telken male - Met stekelwoorden, tot de stond eens aanbreekt, - Dat bloedig inslaapt bij den beet der zwaarden -2115 En levenloos de dienaar van de vrouwe [391] - Voor 's vaders daân. Vandaar ontduikt de tweede [392] - Nog onverlet, hij kent het land ter dege. - Dan zal der ridders eed van beide zijden - Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld, -2120 En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft [393] - Door 't zorggezwalp. Des houd ik niet de hulde, - Der Headobarden heertrouw tot de Denen - Voor argeloos, {53} noch vast gevest hun vriendschap. [394] - Ik wil nu verder weer van Grendel spreken, -2125 Opdat u gansch verneemt, o goudbegever, - Hoe voorts verliep het vuistgestorm der kampers. - Zoodra 't juweel der transen [395] was getrokken - Langs 't aardrijk, kwam de vreemdeling, de kwade, - De leede nachtbelager ons bestoken, -2130 Alwaar wij wel te moe de zaal bewaakten. - Verderflijk viel een kamp ten deel aan Hondscio [396], - Geweldig sterven aan den doodbestemde. - Hij sneefde 't eerst de staalomgorde strijder: - Met zijnen muil werd Grendel tot den moorder -2135 Van mijn vermaarden maat. Hij zwolg het lichaam - Des lieven mans geheel. Met leege handen - Nochtans verlangde toen nog niet bloedtandig - De wurger, tuk op moord, de woon te ontwijken; - Maar waagde zich aan mij, de woeste aan krachten. -2140 Vuistgretig greep hij toe. Hem hing een handschoen [397], - Zeer wijd en wonderbaar, door tooverbanden - Bevestigd. Deze was met kunst vervaardigd - Uit drakevellen door des duivels toedoen. - Hij wilde mij, de gruwbre wanbedrijver, -2145 Met menigeen daarbinnen schuldloos bergen. - Niet kon hij 't evenwel, zoodra ik woedend - In volle lengte rees. Te lang zal 't wezen - Te zeggen, hoe ik dezen volksverheerder - Voor ieder euveldaad het loon uitdeelde. -2150 Ik heb, mijn vorst, uw volk [398] aldaar verheerlijkt - Door 't wapenfeit. Hij droop dan weg en luttel - Genoot hij nog de vreugde van het daarzijn. - Zijn rechterhand nochtans verried zijn sporen - In Heort, en hoonvol zonk, in 't hart verbitterd, -2155 Hij naar den bodem van de zee te zamen. - De Schyldingsvriend beloonde dezen lijfkamp - Mij mild met goud en menigte juweelen, - Nadat de morgenschemer was verschenen, - En wij gezeten waren aan het feestmaal. -2160 Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding - Vertelde uit vroeger tijd naar menig vorschend. - Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte, - De zoete harp, het hout der vriendenvreugde. - Te met ontspon hij sproken waar en weevol, -2165 Ofwel de grootgezinde koning zette - Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid. [399] - Dan weer begon de grijze wapenvoerder, - Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht - Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst, -2170 Wanneer, door winters wit, hij 't aantal nadacht. [400] - Wij vonden zoo gezelschapsvreugd daarbinnen - Den ganschen dag [401], tot daalde een tweede nachtstond - Op 't menschenkroost. Toen was alweer de moeder - Van Grendel ras gereed tot leedvergelding. -2175 Daar toog zij troosteloos: de slagdood sleepte - Haar zoon daarheen, de wapenhaat der Weders. - Zij wreekte haren zoon 't ongure zeewijf: - Een ridder doodde zij op ruwe wijze. - Voor Ascher ging te loor, den grijzen raadsman, -2180 Den langbeproefden, 't licht. De Denenlieden - Zelfs konden niet, nadat de morgen naakte, - Verbranden in den brand den levenlooze, - Noch laden op de mijt den lieven makker: - Zij had ontvoerd in haren arm het lichaam -2185 Des vijands {54} onder aan den val des bergstrooms. - Voor Hrodgar was 't het wreedste aller weeën, - Dat trof sinds langen tijd den volksgeleider. - Mij bad de koning leedvol bij uw leven, - Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel, -2190 Blootstelde mijn bestaan, iets dappers dede. - Het loon beloofde hij. Ik vond vervolgens - Den wilden, gruwelijken grondbewaker - Der wijdbekende kolk. Een tijdlang waren - Wij handgemeen. Bloedschuimig sloeg de meervloed. -2195 Toen hieuw ik af het hoofd in gene grondwoon - Aan Grendels moeder met het wichtig wapen. - Ik droeg van daar zoo licht niet weg het leven. - Nog was ik niet bestemd om dan te sterven; - Maar mij beschonk alweer de schuts der ridders -2200 Met macht van kostbaarheên, de zoon van Healfdeen. - - - - - -XXXI. - - - Zoo leefde naar het voegt de volksgebieder. - Volstrekt niet ging mij 't loon, de prijs verloren - Der heldenkracht, maar Healfdeens zoon bedeelde - Met zijne schatten mij, tot mijn beschikking. -2205 Die haak ik u te brengen, heer der mannen, - Eerbiedig aan te biên. Geheel mijn hulde - Zij wendt zich weder uwaart [402] {55}. Hoofdverwanten - Bezit ik luttel meer, tenzij u, Hyglac [403].» - Het everbeeld gebood hij in te brengen, -2210 De hoofdbanier [404] {56}; het kampbeheerschend hoofdscherm, - Het stalen harnas met uitstekend strijdzwaard, - En sprak dan 't woord: - «Hrodgar, de wijze koning, - Gaf mij dit krijgsgewaad; hij wenschte woordlijk, - Dat ik vervolgens zei diens wedervaren, -2215 En hij verhaalde, dat de heer der Schyldings, - Vorst Heorogar [405], het lange had bezeten. - Toch wilde die aan Hereward, den koenen, - Zijn zoon, niet schenken deze borstbeschutting, - Al schatte hij hem hoog. Gebruik het heilvol.» -2220 'k Vernam, dat na die schatten vier genetten, - Gelijk en appelvaal, op 't voetspoor [406] volgden. - Van ros en have deed hij Hyglac hulde.-- - De magen moeten zich alzoo gedragen, - Geen net der valschheid voor den andre vlechten, -2225 Noch 's makkers dood bereiden door een toover. - Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel, - Aan dezen was de neef geheel genegen. - Elk hunner was des andren heil gedachtig.-- - Ik hoorde, dat hij schonk aan Hygd den halsring [407], -2230 Het kunstig wonderwerk, waarmee hem Welchtheow, - De vorstendochter, had bedeeld; daarboven - Een drietal slanke, goudgezaalde dravers. - Versierd was sinds na 't bootgeschenk haar boezem. - 't Is zoo, dat Ecgtheows zoon zich onderscheidde, -2235 De kampvermaarde man, door dappre daden. - Hij leefde volgens eer en velde geenszins - De met hem aangezeten haardgezellen. - Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte - Bewaakte met de meeste macht eens menschen -2240 De reuzengave, hem door God geschonken [408] {57}. - Hij leefde lang verguisd, zoodat de Gooten - Hem in 't geheel niet hielden voor heldhaftig, - En hem de heer der manschap bij de meebank - Iets koens niet waardig keurde. Zeker waanden -2245 Zij, dat hij was te loom, een weerloos eedle. - Een keer gewerd den luisterrijken kamper - Voor elken hoon. [409] De schuts der ridders, Hyglac, - De kampberoemde koning, liet het lemmer, - Met goud belegd, van Hredel binnenbrengen. -2250 Alsdan bevond zich in den vorm van slagzwaard - Geen waarder goudgewrocht bij al de Gooten. - Hij lei 't in Beowulfs schoot en schonk een landmaat [410] - Van zeven duizend, burcht en koningszetel. - Hun beiden, bij het volk, was 't land vervallen -2255 Met grondbezit en recht op 't erfgoed rustend. - Den tweede [411] viel, den beste van geboorte, - Er meer, de breede koningsmacht ten beste.-- [412] - - Dit viel vervolgens bij de strijdonstuimen [413] - In later dagen voor: Sinds Hyglac neerlag, -2260 En Heardred [414] het heirzwaard onder 't schilddek - Geworden was tot dooder--daar de Schilfings [415], - De stoute krijgerhelden, hem bestormden - In 't midden van zijn zegevolk [416] en dezen, - Den neef van Hererik [417], door kamp benarden-- -2265 Sinds raakte 't breede rijk in Beowulfs handen {58}. - Wel vijftig winters [418] heerschte deze heilvol, - (Toen was 't een wijze vorst, een grijze goedsheer) - Totdat alsdan begon bij duistre nachten - Een draak te heerschen, die een schat behoedde, -2270 Een steile steenrots op de hooge heide. - Een steegje lag beneên, vermoed door niemand. - Een dienstman, 'k weet niet welke, dook er binnen; - Begeerlijk greep hij naar het goed des heidens [419], - Zijn vuist ontvoerde een vaas met gelen goudglans. -2275 Nochtans hij gaf ze in later tijd niet weder, - Al had hij door een dievenlist den hoeder - Beslopen in zijn slaap. Gewaar zou worden - 't Gewest der mannen, dat hij was in woede. [420] - - - - - -XXXII. - - - Noch eigenmachtig werd tot gast des monsters -2280 Noch des gewild {59} hij, wien het zeer zou schaden [421];[422] - Maar door het nijpen van den nood ontslipte - Een slaaf van zekren heldenzoon de slagen - Des haats, van huis beroofd, en borg zich binnen. - De schuldgedrukte schouwde dra in 't ronde; -2285 Ofschoon den vreemde schrik en zielsontzetting - Bemachtigd had [423], bemerkte toch de ellendige, - De armzaalge man, op zoek naar eenen ingang [424], - Toen hem de vrees beving, het gulden vaatwerk [425] {60}. - Er waren vele zulke voortijdsschatten -2290 In 't hol, gelijk in lang verdwenen dagen - Ik weet niet welke man 't onmeetlijk erfgoed - Eens eedlen stams, verdiept in zijn gedachten, - Aldaar verborgen had, het dierbaar pronkwerk. - Hen allen had de dood voorheen verdreven, -2295 En nu een enkel nog der schaargenooten, - Die 't langst er waarde, een vriendbeweenend wachter, - Verlangde dit alleen nog uit te stellen: - d'Onmeetbren schat slechts kort te mogen smaken. [426] - Er rees geheel gereed een doodenheuvel -2300 In 't veld omhoog, niet verre van de baren, - Een nieuwe nog, nabij het voorgebergte. - En wel beveiligd door versperringswerken. - Der kostbaarheên en ringen hoeder voerde - Er dan den loggen last van bladgoud binnen -2305 En sprak in weinig woorden: - «Wil, o aarde, - Behoeden, daar de helden dit niet konden, - Het eigendom der eedlen. Immers dappren - Ontvingen dit van u [427] in vroeger tijden. - De lansdood rukte weg, het levenseuvel, -2310 Elk moedig krijger onder mijne mannen, - Die 't leven lieten, 't heil des hemels [428] zagen. - En niemand heb ik nog, die draagt den degen, - Of wischt den gulden kroes, de weidsche drinkschaal; - Naar elders is verreisd de ridderschare. -2315 Den harden helm, gesmukt met goudgesmijde, - Ontvallen zal hem spoedig zijn versiering: - De dienaars slapen, die het oorlogsmasker - Herstelden; insgelijks is nu het strijdhemd, - Dat bij 't geworstel boven 't schildgeschilfer -2320 Den beet van 't staal ontbeidde, stuk gebroken - Na zijnen heer. Niet zal 't geringde harnas - Nog verre, na den val des oorlogsvorsten, - Den helden gaan ter zij. Geen harpeweelde, - Geen vreugde van 't gezellig hout! [429] Geen havik, -2325 Geen wakkre, klapwiekt langs de woning henen. - En 't rappe ros het slaat niet meer de slotplaats. - Zoo sleepte van 't geslacht, het levensvolle, - Een harde dood er velen verre henen.» [430] - Dus somberstemmig kermde hij door kommer, -2330 Na allen nog alleen, en rouwde lustloos - Bij dag en nacht, totdat hem sloeg om 't harte - De deining van den dood. - De schoone schatten - Vond openstaan de aloude schemervijand, - Die barnend bergen [431] zoekt, de naakte nooddraak, -2335 En ommevliegt des nachts met vuur omvangen. - Hem hadden wijd ontwaard de grondbewoners. - Hij zoekt de schatten binnen in den bodem, - Alwaar hij wacht houdt bij de heidenhave, - Aan winters oud. Niet beter zal 't hem wezen [432]. -2340 Zoo had driehonderd jaar de volksverheerder - 't Gezegde goudhuis in den grond bezeten, - 't Onmeetbre, tot hem gene man [433] vertoornde - In zijn gemoed. Die bracht nu bij zijn meester [434] - De gouden vaas en bad den vorst om vrede. -2345 Zoo werd 't juweel ontdekt, de ringenrijkdom - Geschend, de wensch des armen mans bewilligd. - De meester staarde op 't oud gewrocht der menschen - Voor de eerste maal. Als 't monster weer ontwaakte, - Was 't strijdgeding vernieuwd. De stoutgestemde -2350 Berook de rots en vond des vijands voetspoor, - Die door geheime hulp te gauw ontglipte, - Ofschoon niet verre van het hoofd des vuurdraaks. - Licht mag zoo met het leven leed, verbanning - Ontgaan hij, die behoudt de gunst des Heeren. [435] -2355 Nu speurde gretig langs den grond de hoeder - Der have; want hij wou den dief ontdekken, - Die hem bereid had in zijn rust die kwelling, - En blakend, toorn gezwollen zwierf van buiten - Hij menigmalen om den heuvel henen. -2360 Geen wezen was in deze woestenije; - Nochtans hij juichte toe den kamp, het krijgswerk. [436] - Soms stoof hij naar den berg en zocht den beker; - Hij merkte dit weldra [437], dat een der menschen - Had weggekaapt het goud, de keurjuweelen. -2365 Ter nauwernood vermocht de schatbeschutter - Te wachten tot de schemer was verschenen - Des heuvels hoeder was ontbrand in woede; - De vijand wou met vuur en vlam vergelden - Den kostbren kroes. Nu was de dag verdwenen, -2370 Den draak naar wil en wensch. Niet langer wilde - Hij hokken in het hol, maar vloog met vlammen, - Met vuur gewapend weg. 't Begin was gruwzaam - Den lieden in het land, gelijk het spoedig - Met scha zou einden voor hun schattenplenger [438]. - - - - - -XXXIII. - - -2375 De gast alsdan begon zijn gloed te braken, - De weidsche heerenhoven [439] weg te branden. - Den stervling tot ontzetting steeg de vuurschijn. - Zoo haakte hij, de leede luchtbezeiler, - Niets levendigs er overig te laten. -2380 Het woeden van den worm was wijde zichtbaar, - Des doodelijken veete heinde en verre, - Op welke wijze deze kampbekneller - De helden van de Gooten haatte en hoonde. - Dan schoot hij weder weg bij zijne schatten, -2385 De duistre wonderhalle, vóór den dagstond. - Hij had omstrikt met brand de streekbewoners, - Met vuur en vlam. Hij bouwde op zijne bergrots, - Op strijd en wand [440]. Toch faalde die verwachting. - Toen werd naar waarheid ras bericht de schrikmaar -2390 Aan Beowulf, dat zijn eigen dak, het heerlijkst - Der huizen, werd verteerd door 't vlamgewentel, - Der Gooten giftgestoelt [441]. Dit was den goede - In 't harte leed, het hevigst zielelijden. - De wijze waande, dat hij, tegen de oude -2395 Geboden in, den Heer, den eeuwgen Heerscher, - Geweldig had vertoornd. Inwendig woelde - Zijn binnenst bij die duistere gedachten, - Gelijk het geen gewoonte was bij dezen. [442] - De vuurdraak had den volksburg met de meerkust [443] -2400 Daarbuiten, heel 't gebied verteerd door vlammen. - Des zon de wapenvorst, de heer der Weders, - Op wederwraak. Der strijders heul bestelde, - Te klinken heel van staal een kunstig kampschild, - Der helden heer; hij wist het wel, dat boschhout, -2405 Het lindeschild niet vrijde voor de laaie. - Zoo zou nu de edelman, de lang verwachte, - Het einde zien der wisselzieke dagen, - Des levens hier omlaag, en 't monster mede. - Al had het lang [444] bewaard de macht juweelen. -2410 De uitreiker van den ringensmuk versmaadde - Nochtans den ommevlieger aan te tasten - Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. - Hij vreesde dit gevecht niet voor zich zelven [445], - Noch stelde hoog de strijdkracht van den vuurworm, -2415 Zijn sterkte en stoutheid; want gevaren wagend - Had hij voorheen bevochten vele kampen - De kampverwoede, sinds hij Hrodgars woning - De zegerijke krijger, had gezuiverd - En in 't gevecht vergruisd het oir van Grendel, - Het heilloos zaad. -2420 Niet kleinst was 't handgemengel [446] - Geweest, alwaar men Hyglac had verslagen, - Toen deze Gootenvorst, der volken heervriend, - Bij 't slaggestorm in Friesland was gestorven, - De zoon van Hredel, door den dronk der zwaarden, -2425 Gedood door 't staal. Van daar ontsnapte Beowulf - Door eigen sterkte en stelde in 't werk de zwemkunst. - Hij droeg alleen op de armen dertig rustings [447] - Bij 't duiken in den vloed. De Franken [448] dorsten - Om 't voetgevecht geenszins praalzuchtig wezen, -2430 Die op hem toe de houten schilden torsten [449], - 't Gelukte alleen aan weinigen, om weder - Te ontkomen van den kampheld [450] naar de haardstee. - En Ecgtheows zoon doorzwom de stille strooming, - Een arm verlateling, ten lieden weder, [451] -2435 Waar Hygd hem 't rijk met schat en ringen aanbood - En koningstroon: Zij stelde geen vertrouwen - In haren zoon [452], dat hij het stamgestoelte - Vermocht te houden tegen vreemde heermacht, - Thans nu dat Hygelac was overleden. -2440 Niet zouden zij, verlatenen [453], erlangen, - Op welke wijs dan ook, van dezen eedle, - Dat hij voor Heardred worden zou de heerscher, - Ofwel het koningschap zich wilde kiezen. - Nochtans hij schraagde hem aan 't hoofd der schare -2445 In gunst en eer met goedgezinde lessen, - Tot Heardred ouder werd, beval den Weders. [454] - Hem [455] hadden langs de watren bannelingen, {61} - De zonen Ochters [456], opgezocht. Zij hadden - Zich tegen hunnen Schilfingheer [457] vergrepen, -2450 Den waardsten zeevorst hunner, welke schatten - Deelden in 't Zwedenrijk, een roemvol koning. - Dit zou voor Heardred zijn des levens grenspaal: - Voor zijn onthaal [458] ontving de zoon van Hyglac - De doodswond door het zwaaien van de zwaarden. -2455 Nu rukte weer terug, de woon te zoeken, - Sinds Heardred nederzeeg, de zoon van Ongentheow. [459] - Hij liet den heerscherszetel Beowulf houden, - Het volk [460] gebieden. 't Was een beste koning! [461] - - - - - -XXXIV. - - - Doch op vergelding voor den val des vorsten [462] -2460 Was hij [463] bedacht in later dagen. Eadgils - Gewerd hij tot een vriend, den vreugdeloozen. - Hij steunde langs de wijde zee met leger, - Met weerbren en met wapens Ochters afkomst. - Sinds wreekte die [464] zijn koud en zorgvol dolen {62} -2465 En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer [465]. - Alzoo had Ecgtheows zoon bestaan elk strijden, [466] - Elk slimmen slag en elk geweldig waagstuk, - Tot dezen eenen dag, waarop hij diende - Te worstlen met den worm. Van woede blakend -2470 Begaf, als een der twaalf, de Gootenkoning - Zich heen, den draak te zien. Hij had vernomen, - Hoe was verwekt de haat, der helden onheil, - Want door ontdekkers [467] hand was 't heerlijk pronkvat - Geraakt in zijnen schoot. Hij was der schare -2475 Dertiende strijder die 't ontstaan der twisten - Berokkend had. Geboeid en bang in 't harte - Zou deze hun de hooge vlakte duiden. - Dus toog hij tegen wil en wensch er henen, - Tot waar hij wist te zijn gezegde grondwoon, -2480 De grafstee in den grond, nabij de baren, - Het kolkgeklots. Zij was gevuld inwendig - Met smuk en draadjuweel. De ongure wachter, - De reede strijder, hoedde steeds den rijkdom, - Grijs onder zijnen grond. Niet licht te erlangen -2485 Was dit een zaak voor wie het zij der menschen. - Daar zat ter klip de kampgeharde koning, - Terwijl hij heil zijn haardgenooten wenschte, - Der Gooten goudvriend. 't Harte was hem weevol, - Onstadig, stervenszwaar. Zeer na was 't noodlot, -2490 Dat groeten zou den grijs, den schat der ziele - Opzoeken zou en 't lijf van 't lichaam scheiden. - Niet langer zou voortaan de levensadem - Des edelmans omhuld zijn met den vleesche. - En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow: -2495 «Ik heb in mijne jeugd wel menig heerstorm - En oorlogstijd gehard; mij heugt het gansche. - Ik telde zeven winters, toen de schatheer, - Der schare vorst en vriend, mij aan mijn vader - Ontnam; mij hield en had de heerscher Hredel. -2500 Hij gaf me goud en maal, gedacht de maagschap. - Ik was voor hem op 't huis, zoolang hij leefde, - Geen minder man dan een van zijne zonen, - Dan Herebald en Hadcyn of mijn Hyglac. - Den oudsten [468] werd op onverdiende wijze -2505 Gespreid het doodsbed door des broeders daden, - Toen Hadcyn hem vermoordde met den hoornboog, - Door middel van den pijl zijn vriend en meerdre [469], - Toen hij zijn maag, het doelwit missend, doodde, - De broer zijn broer, met bloedbespatte werpspies. -2510 Dat was een onverzoenbaar [470] wapenmisdrijf, - Begaan te roekeloos en geestafmattend - Voor het gemoed [471]. Des ondanks moest de jonker - Uit deze wereld ongewroken wijken: - Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren, -2515 Dat ginds zijn zoon [472], de jonge, rijdt aan 't galghout. - Dan moge hij 't weemoedig lied [473] verheffen, - Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt, - De raaf tot lust, terwijl hij geene redding - Verleenen kan, bejaard en hoog van leeftijd. -2520 Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde - De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren [474]; - Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder [475] - Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot, - Nu de een met stervensdwang ervoer den doodslag. -2525 Dan in de woon des zoons [476] bestaart hij zorgvol - De woeste hal, een wijkplaats voor de winden, - Beroofd van 't feestgeruisch. Hij rust de rijder, - De held, in 't heuvelgraf {63}. Geen harpgefluister, - Geen juichtoon heerscht in 't huis, gelijk voorhenen. - - - - - -XXXV. - - -2530 Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied [477], - De eene om den eene [478]. 't Leek hem alles - Te ruim [479], en veld en woon. Zoo torste woelend - De schuts der Wederliên het wee des harten - Om zijnen Herebald. Hij kon de bloedschuld -2535 Niet in het minste wreken op den moorder, - Ook mocht hij evenmin den strijder straffen - Met strenge daân, al was hem die niet dierbaar [480]. - In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte, - Verliet hij toen der menschen lustgewemel -2540 En zocht het licht van God. Hij liet den zonen [481] - Dan na het land met heerschersburcht, als handelt - Een schatrijk man, bij 't scheiden uit het leven. - Nu was het twist van Zweed en Goot en tweedracht - En wederzijdsche kamp langs 't wijde water, -2545 Een felle strijd, als Hredel was gestorven, - En krijgsgeducht en koen het kroost zich toonde - Van Ongentheow [482]. Zij wilden langs het water - Geen vrede voeren, doch volbrachten dikwerf - Bij Hreosnaberg [483] gevreesde stroopersvaarten. -2550 Dit alles wreekten mijn verwante vrienden [484], - Die list en lagen, naar het werd vernomen; - Schoon de eene 't moest betalen met het leven, - Met eenen harden koop: voor Hadcyn immers, - Den Gootenkoning, werd de kamp verderflijk. -2555 'k Vernam, dat bij den morgen met de bijlspits - Een maag [485] den andren [486] op den moorder wreekte, - Waar Ongentheow te zamen trof met Eofor {64}. - De strijdhelm botste stuk, de grijze Schilfing [487] - Hij stortte neder, door het staal bestorven. -2560 De hand [488] geheugde zich de reeks van rampen - En trok zich niet terugge tot den doodslag, - 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden, - Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk - Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was. -2565 Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds. - Behoefte had hij geen om bij de Gifden [489], - Den Zwaard-Deen, of in 't Zwedenrijk te zoeken - Een zwakker kampgezel [490], met goud te koopen. - Steeds wilde ik in zijn schaar de voorste wezen, -2570 Ter legerspits alleen {65}. En zoo voor 't leven - Zal 'k slagen slaan, zoolang dit lemmer 't uithoudt, - Dat mij zoo vaak, voorheen als later, volgde, - Nadat ik door geweld Daghrefnes wurger - Geworden was, den oorlogsheld der Hugen [491]. -2575 Niet kon hij 't keurjuweel den Friezenkoning, - Den borsttooi brengen, want hij viel de vaandrig [492] - In dezen krijg, de held in zijne krachten. - Niet werd het staal zijn dooder, maar mijn strijdvuist - Verbrak het bruisend harte bij 't gebeente. -2580 Nu zal de punt van dit rapier zich kwijten, - De hand, het scherpe zwaard om deze schatten.» [493] - Voor 't laatst zei Beowulf, zich door 't woord verbindend: - «Ik waagde menig kamp in mijne jonkheid; - Nu wil ik, grijze wachter van de volken, -2585 Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven, - Mocht uit zijn krocht de booze mij bekrijgen.» [494] - Hij groette eeniegelijk van zijne lieden, - Zijn dappre helmgedosten, voor het laatste, - De trouwe tochtgezellen: «'k Zou den degen, -2590 Het wapen naar den worm niet willen voeren, - Indien ik wist, op welke wijs ik anders - Mijn kampwoord [495] houden kon met dezen daemon; - Zooals ik eens met Grendel heb gehandeld. - Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur, -2595 Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens - Het schild en krijgerkleed. Ik wil niet wijken - Een voetbreed voor den hoeder van den heuvel, - Den grimmigen dooder; doch nabij den bergwand - Gebeuren zal 't aan ieder van ons beiden, -2600 Als Wyrd het heeft beschikt, der menschen Schepper. [496] - 'k Ben stoutgestemd van zin, zoodat ik daarlaat - De uitdagingswoorden tot den kampgewiekte. - Verbeidt gij bij den berg, beschut door 't harnas, - Gij strijders in het staal, wie 't best van beiden -2605 Kan onderstaan de wonden na de strijdvlaag. - Niet uwe taak is dit, niet toegemeten - Aan een der mannen, dan aan mij den ééne, - Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte - En ridderdaân verricht. Ik wil geweldig -2610 Verwerven 't goud, ofwel zoo rukt de worsteling, - Het harde levenseuvel mee uw heerscher.» - Nu rees op 't schild de roembekroonde kamper - Omhoog, de stoute met den helm, en stapte - In zijne rusting onder 't rotsgevaarte, -2615 Slechts steunend op de sterkte van een enkle [497]. - Dat blijkt de handelwijze niet eens bloodaards! - Toen merkte bij den muur hij, die een menigt - Gevechten had bestaan, de uitstekend dappre, - De onstuime bij den strijd, als legers stormden, -2620 Dat daar een rotsboog stond, vanwaar een stortbeek - Uitbruiste van den berg; het brongeborrel - Was brandend door 't vijandig vlammenbraken. - Niet was hij bij den buit [498] in staat, een stonde - Het ongedeerd te houden in de diepte, -2625 Uit hoofde van het vuur des draaks. De heerscher - Der Wester-Gooten liet nu woorden schallen - Uit zijnen boezem, want hij was verbolgen. - De koengezinde riep, en kampschel bruiste [499] - De stem naar binnen onder 't grauw gesteente. -2630 De haat was opgehitst. Der schatten hoeder - Vernam de stem eens mans. Er schoot geen stonde - Meer over tot het treffen van den vrede. - Des vijands adem kwam het eerst te voorschijn - Vanuit het rotsgesteent, het gloeiend strijdzweet. -2635 De bodem dreunde. Bij de bergkloof schudde - De held het schild, der Gooten heerscher, tegen - d'Ontzettingsgast. De zin des ringgekromden - Was nu geneigd om een gevecht te aanvaarden. - De dappre krijgerkoning had den degen, -2640 't Voorvaderlijke zwaard met vlijmend lemmer - Te voren al gevat, en boosheid broeiend - Gevoelden beiden ijzing voor elkander. - Sterkmoedig stond hij bij den breeden schildrand - Der vrienden vorst, terwijl de worm zich ijlings -2645 Te zamen wond. Hem wachtte hij in 't harnas. - Roodgloeiend kwam die kronklend aangegleden, - Al tuimlend toegeschoten. 't Schild behoedde - Den wijdbekenden vorst een korter wijle - Dan zijn verlangen zocht, het lijf en 't leven; [500] -2650 Daar hij alsdan den eersten keer, de koene - Te midden der gevechten, moest ervaren, - Hetgeen hem nooit het noodlot had beschoren. [501] - Der Gooten heerscher zwaaide hoog de rechte - En sloeg den gloedontzetbre met het slagzwaard, -2655 Zoodat het wapen gleed, het blauwgeglansde, - Op zijn gebeente. Minder hevig beet het [502] - Dan hij behoefte had de volksbeheerscher - Door nood genoopt. Nu was de heuvelwachter - Na dezen wapenstrook in wilde stemming. -2660 Hij wierp versmachtend vuur, in 't wijde sprongen - De stralen van den strijd. Der Gooten goudvriend - Bazuinde geenszins uit zijn zegeluister. - Nu zwichtte 't zwaard, het blanke, bij den aanval, - Als 't niet gemoeten, 't langbeproefde lemmer. -2665 Het was geen blijde weg, als Ecgtheows afkomst, - De stoute, zijne stelling [503] zocht te ontruimen; - Naar elders [504] moest hij om des monsters wille - Verwisselen van woning. Ieder wezen - Zal desgelijks verlaten 't wufte leven. -2670 Het leed niet lang daarna, of nogmaals stieten - De kampers op elkaar. De schatbeschutter - (Zijn boezem bolde door 't geschuifel) schepte - Een tweede male moed; weer duldde doodsangst, - Met vuur omvaâmd, die eerst het volk bestuurde [505] {66}. -2675 Niet drongen in een drom de handgenooten - Om hem met heldenzin, der eedlen zonen, - Maar scholen in het bosch en borgen 't leven. - Bij éénen hunner woelde 't hart met zorgen: - Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap -2680 Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren [506] {67}. - - - - - -XXXVI. - - - Wiglaf, zoo heette hij, de zoon van Weohstan, - Een waarde schildgenoot, een vorst der Schilfings [507], - Alfheres bloedverwant. Hij zag zijn heerscher - De laaie dulden onder 't legermasker. -2685 Hij was alsdan het eigendom gedachtig, - Waarmee hem gene vroeger had begiftigd, - De weeldevolle woning der Waegmundings [508], - Elk volksbezit [509], gelijk bezat zijn vader. - Zich houden kon hij niet. Zijn hand omvatte -2690 Den beukelaar, den gelen bast der linde. - Hij toog den ouden degen, die het erfstuk - Eánmundes, Ochters zoon, was bij de menschen; - Aan welken vreugdeloozen zwerver [510] Weohstan - Tot dooder werd in 't wapen door de zwaardspits. -2695 En Weohstan bracht daarop aan diens verwanten [511] - Den bruingebronsden helm, 't geringde harnas, - Het oude zijdgeweer, het werk der reuzen. - Dit schonk hem [512] Onela: de legerkleeren - Zijns maags, het treflijk heertuig; maar hij repte -2700 Niet van de vijandschap, ofschoon dat Weohstan - Toch had ontzield den zoon van zijnen broeder {68} - Die kostbaarheên behield hij [513] vele jaren, - Rapier en rusting, tot zijn zoon eens roemdaân - Volvoeren zou, gelijk weleer de vader. -2705 Hij gaf hem dies te midden zijner Gooten - Ontelbre legerkleên, als hij het leven - Verliet, de hoogbedaagde, voor de heenreis.-- - 't Was de eerste keer voor dezen jongen kamper [514], - Dat hij den heerstorm waagde met zijn meester. -2710 Niet smolt zijn moed daarheen, noch miste 't slagzwaard - Des vaders in 't gevecht. Dat zou ervaren - De reuzenworm, nadat zij slaags geraakten. - Wel menig richtig woord verkondde Wiglaf - En zei (zijn zin was droef) tot zijne makkers: -2715 «Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen - En in de hal aan onzen heer beloofden, - Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings - Vergelden zouden, mocht hem zulke nooddwang - Gemoeten, en den helm en 't harde lemmer. [515] -2720 Daarom toch koos hij ons tot deze kampvaart, - Te midden zijner schaar, naar eigen schikking, - En maande ons aan tot moed en schonk mij schatten, - Omdat hij ons aanzag voor dappre speerlui, - Helmvoerders onvervaard; al dacht de heerscher -2725 Dit krachtbestaan alleen tot stand te brengen, - De volkenmenner, daar hij 't meest der mannen - Roemdaden heeft verricht en stoute stukken. - Nu daagde hij de dag, dat onze heirvorst - De krachten noodig heeft van kloeke krijgers. -2730 Op! toegestormd, den oorlogsvoogd te steunen, - Terwijl de hitte duurt, de wilde vuurvrees. - God weet van mij: mij ware 't wenschelijker, - Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler [516] - Het vuur omving. Niet dunkt me dit betaamlijk, -2735 De schilden weer te brengen naar de woning, - Tenzij wij eerst den vijand kunnen vellen - En 't leven hoeden van den Wederhoofdman. - Ik weet het maar te wel, dat zóó niet waren, - Zijn daân van vroeger her, dat deze, de eenge -2740 Der Gootenridders, dulden zou den rampspoed [517] - En vallen in 't gevecht. Ons beiden blijve - Vereenigd kling en helm met schild {69} en harnas.» [518] - Hij stapte door den doodelijken stikwalm [519], - Den vorst tot steun aanrukkend met het strijdhoofd [520], -2745 En zei in weinig woorden: «Beste Beowulf, - Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger - Gezegd hebt in uw jeugd. Gij zoudet nimmer - Uw eere laten zinken bij uw leven. - Gij daadberoemde, vastberaden heerscher, -2750 Gij moet althans met alle macht uw leven - Behoeden. Ik verleen u mijne hulpe.» - Na deze woorden kwam het woedend ondier, - De gruwe moordgast, voor de tweede male, - Omblaakt door 't vlamgeblaas, op zijn bestokers -2755 Zich storten, zijn gehate tegenstanders. - 't Rondas verteerde door het vuurgekronkel - Tot op den rand. [521] Beschutting kon de rusting - Den jongen lansenzwaaier niet verleenen; - Maar onder 't schild des bloedverwants verschuilde -2760 De borst zich dan gezwind, omdat het zijne - Vergaan was in den gloed. De krijgerkoning - Was dan nog eens zijn heldendaân gedachtig. - Hij rukte neer met reuzenkracht het kampzwaard, - Zoodat het in het drakenhoofd zich hechtte, -2765 Geperst door woest geweld. Daar sprong in splinters - Zijn Nageling; het zwaard van Beowulf zwichtte - In dit gevecht, het oude, vaalgevlamde. - Het was hem niet verleend, dat stalen lemmers - Hem helpen konden in den kamp. Zijn handgreep -2770 Was al te kloek, die elke kling, mijns wetens, - Bij 't treffen overmocht. Al bracht hij mede - In 't krijt het hardste zwaard, het kon niet helpen. - Ten derden male was de volksverderver, - Het dreigend vuurgedrocht, den kamp indachtig. -2775 Het rukte, nu daartoe zich bood de ruimte {70}, - Den sterke tegen, gloeiend, strijdontstoken, - En knelde heel den hals met scherpe kaken. - Hij [522] werd geheel met hartebloed bedropen, - In golven gulpte weg het vocht der wonde. - - - - - -XXXVII. - - -2780 'k Vernam, dat nu in dezen nood des konings - De rechtgesprongen held zijn spierkracht toonde, - 't Geweld, de stoutheid, als hem eigen waren. - Niet telde hij zijn leven {71}, daarentegen - Werd heel de hand verbrand des koenen kampers, -2785 Terwijl hij zijnen bloedverwant verweerde; - Zoodat hij luttel lager stak den strijdgast [523] - De ridder in 't kuras; zoodat de degen, - De glimmend gulden, binnengleed en 't gloeien - Van lieverleên nu aanving na te laten. -2790 Toen kwam de koning weder tot bewustzijn. - Hij zwaaide 't slagmes, scherp, ten kamp geslepen, - Hetgeen hij op het harnas droeg. Nu hakte - De Wederschuts den reuzenworm doormidden. - Hij velde neer den vijand, dreef de ziele -2795 Naar elders [524] heen {72}. Zoo hadden zij de beide - Door 't bloed verbonden eedlen hem gebroken.-- - Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen-- - Den landheer was 't de laatste zegestonde - Voor eigen daân, het jongst bedrijf op aarde. -2800 Alsdan begon de wonde, die de gronddraak - Had toegebracht, te branden, op te zwellen. - Hij werd weldra gewaar, dat doodlijk woeden - Hem golfde door de borst, het gift van binnen. - Voort ging de vorst, totdat hij bij den bergwand -2805 Wijszinnig op de zitplaats nederzakte. - Hij liet den blik op 't werk der reuzen weiden, - Hoe dat het steengewelf, gesteund door pijlers, - In zijnen schoot verschool de grijze grondwoon. - Nu laafde hem met water [525] eigenhandig, -2810 Den kampbebloeden vorst, den wijdgevierden, - De held bij uitstek vroom, den vriend en heerscher, - Des strijdens moe [526]; hij maakte los den hoofdhelm. - En Beowulf zei, gebukt op zijn kwetsuren {73}, - De doodelijke wond: (Hij wist ter dege, -2815 Hij had beleefd het tijdsbeloop der dagen, - Het heil der aard; nu was geheel verstreken - Der dagen tal en gansch nabij het doodsuur.) - «Ik zou mijn zoon de legertooisels laten, - Indien mij eenig erfbewaarder ware -2820 Na mij bestemd, vermaagschapt met mijn lichaam. [527] - 'k Bestuurde deze stammen vijftig winters; - Van al de buren was geen volksgebieder, - Die zich vermat door middel van de zwaarden - Mij aan te klampen, mij met angst te omklemmen. -2825 Op 't stamgoed sleet ik mijne lotsbestemming, - Bewaarde wel het mijne, zocht geen moordlist, - Noch legde menig eed af [528] onrechtmatig. - Dus mag ik mij, gekweld door stervenskwalen, - Om 't al verheugen; want de Heer der menschen -2830 Zal mij den moord niet wijten van de magen, - Nu dat mijn leven scheiden gaat van 't lichaam. - Begeef u gauw, den schat te schouwen, onder - Het vale rotsgevaart, mijn waarde Wiglaf, - Nu nederligt de worm en weedoornageld -2835 Den sluimer [529] slaapt, beroofd van zijnen rijkdom. - Nu rep u voort, dat ik den schat des voortijds, - De gouden have zie, geheel bestare - De kunstgesteenten, stralend als de hemel; - Opdat ik na de volheid van kleinooden -2840 Het leven des te lichter mag verlaten, - De stamgenooten, die ik lang bestuurde.» - - - - - -XXXVIII. - - - 'k Vernam, dat onverwijld de zoon van Wichstan - Na deze woorden zijn gewonden koning - Gehoorzaamheid bewees, den kampgeknakten, -2845 En dat hij onder 't rotsdak voorwaarts rukte - In 't ringnet, zijn gevlochten oorlogsrusting. - De zegerijke zag bij 't gaan ter zitplaats [530], {74} - De koene ridder, vele schijfsieraden, - Het goudgestraal, zich strekkend langs den bodem, -2850 De wondren langs den wand. Hij zag het leger [531] - Des vlammendraaks, des ouden uchtendvliegers, - Ook kruiken staan [532], der voortijdsmenschen kroezen, - Beroofd van schenkers, met ontrukte tooisels. - Daar rustte menig helm, aloud en roestig, -2855 En menig smuk des arms, met smaak gevlochten. - Licht kan zulk goed, zoo'n goudschat langs den bodem, - Verblinden wie 't ook zij der menschenzonen. [533] - Hij hoede zich, alwie zich wil vrijwaren! - Daar zag hij insgelijks een standerd liggen, -2860 Geheel van goud, hoog boven op de have. - Het was het heerlijkst wonderwerk der handen, - Getrensd door vlechtersvlijt. Een schijn ontschoot er, - Zoodat hij volgen kon de bodemvlakte - En in het rond beschouwen al de schatten. -2865 Van draak geen zweem, hem had toch 't zwaard verdorven.-- - Ik hoorde, hoe de krijger [534] in den heuvel - De schatten roofde, 't oud gewrocht der reuzen, - Met schaal en schotels zijnen schoot belaadde - Naar kust en keur. Ook nam hij met zich mede -2870 De banderol, het luisterrijkste teeken. - De degen had geschaad den schatbeheerscher [535], - (Van staal was 't lemmer) hem, die lange jaren - De hoeder was geweest van die juweelen {75}. - Hij had verbreid de heete brandontzetting, -2875 De moordgewiekte, om 't goud, bij middernachten - Totdat hij sneefde door den dood der wapens. - De bode [536] liep, verlangend naar de weerkomst, - Door 't goud genoopt [537]: hem kwelde 't nieuwsverlangen, - Of hij, de hooggezinde, nog den heerscher -2880 Der Weders levend weder zoude vinden, - In zijne kracht gefnuikt, te zelfder stede, - Alwaar hij kortelings hem had verlaten. - Nu vond hij met zijn schat den hoogen meester, - Zijn bloedbegruisden vorst, aan 's levens grenspaal. -2885 Alweer begon hij dien met nat te werpen, - Totdat de punt der woorden door het hulsel - Des boezems binnendrong. En Beowulf zeide, - De grijsaard in zijn zorg: (hij zag den goudschat.) - «Den Heer van alles weet ik dank met woorden, -2890 Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder, - Voor al de schatten, die ik hier beschouwe, - Omdat ik deze vóór mijn stervensstonde - Erlangen mocht ten bate mijner mannen. - Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat, -2895 Nu lenig gij de nooddruft van de lieden. - Ik mag voortaan niet langer hier [538] vertoeven. - Beveel den strijdberoemden [539], op te richten - Een heuvelgraf een heerlijk, na de houtmijt [540], - Niet verre van der baren voorgebergte. -2900 Het zal aldaar, mijn mannen tot gedachtnis, - Zich hemelwaarts op Hrones klip [541] verheffen, - Opdat nadien de zeebezeilers 't heeten - De Beowulfshoogte, zij die hunne bodems - Ver henendrijven door der golven duister.» -2905 Vervolgens hief hij van den hals de goudwrong [542], - De boudgestemde vorst; hij gaf den strijder, - Den jongen speergeharden, zijnen hoofdhelm, - Goudgeluw, met zijn ring en wapenrusting - En hoopte, dat het tot zijn heil zou dienen: -2910 «Van heel ons maagschap, van de Waegemundings - Zijt gij de laatste rest; het noodlot rukte - Mijn stamgenooten naar hun lotsbestemming, - De krijgers in hun kracht. Ik volg hun voetspoor.» - Dit was des grijzen jongste woord in 't binnenst -2915 Van zijnen boezem, voor hij koos de vuurmijt, - Het heete strijdgegolf [543]. Vanuit het harte - Ging zijne ziel het heil der heilgen zoeken. [544] - - - - - -XXXIX. - - - Zoo droeg het zich dan toe op droeve wijze - Voor dezen jongen borst, dat hij ten bodem -2920 Den liefste zag, op d'uitgang van het leven, - In hulpeloozen staat. Ook lag de dooder, - Van 't levenslicht beroofd, de gruwbre gronddraak, - Daar neder, door den stervensnood bedwongen.-- - De kromgewonden worm hij kon niet langer -2925 Beschikken over dezen schat van ringen; - Want hem had weggerukt de snee der wapens, - Der hamers smeedwerk, hard, gewet ter worstling, - Zoodat de zwerver, roerloos door de wonden, - Ten gronde nederbonsde naast de schatwoon -2930 En langer niet bij middernacht door 't luchtruim - Klapwiekend waarde en trotsch op zijn bezitting - Zijn wezen toonde. Maar hij werd ten gronde - Gedreven door het vuistgeweld des vorsten. - Het ware wis gelukt aan geen, mijns wetens, -2935 Der mannen in het land, der machtbezitters, - Al mocht hij zijn tot elke daad vermetel, - Van in te gaan op 't snuiven van den gifdraak - En met de hand de ringzaal aan te randen, - Indien hij daar den wachter wakend aantrof, -2940 Genesteld in den berg. Zoo werd aan Beowulf - Zijn gansche puikschat door den dood vergolden, [545] - En bracht het elk van beiden tot den eindpaal - Van 't wufte leven.--'t Leed hierop niet langer, - Of zij verlieten 't houtgewas de lafaards, -2945 De loome trouwverzakers, tien te zamen, - Die welke 't flus niet waagden, met de speren - Te vechten bij den hoogsten nood huns vorsten. - Zij naakten nu beschaamd met hunne schilden - En wapenrustings, waar de grijsaard rustte; -2950 Naar Wiglaf zagen zij. Hij zat de voetheld - Vermoeid nabij den schouder van zijn meester - En wekte hem met water [546]. Niet gelukte 't. - Niet kon hij, gunde hij het hem ook gaarne, - Op aard des hoofdmans leven tegenhouden, -2955 Noch wijzigen in 't minst den wil des Scheppers. - De macht der Godheid wilde gansch het menschdom - Met daân beheerschen; als Hij doet tot heden. [547] - Nu waren gramme woorden bij den jonker - Voor allen licht te ontvangen, die te voren -2960 Verloren hadden hunne heldenkoenheid. - En Wiglaf zeide dan, de zoon van Wichstan, - De held in 't hart bedroefd, de schuwbren [548] schouwend: - «Wel mag, wie waarheid spreken wil, beweren, - Dat uw gebieder, die u bood die schatten, -2965 Dat strijdgewaad, waarin gij staat gestoken-- - Toen deze bij den bierdisch menigmalen - Aan zijne halgenooten helm en pantser - Uitdeelde, hij de heerscher aan zijn helden, - De beste [549], die hij, 't zij nabij of verre, -2970 Maar ergens vinden kon--dat die den kamptooi - Geheel en al verdeed [550] op doembre wijze, - Nu dat hem dit gevecht heeft overvallen. - De volksbestuurder had volstrekt niet noodig - Zich trotsch te toonen op zijn tochtgenooten. -2975 Toch gunde God, de gever van de zege, - Dat hij alleen zich wreekte met het lemmer, - Toen hij behoefte had aan heldenkrachten. - Ik kon hem luttel lijfbeschutting schenken [551] - Bij 't strijden, doch begon niettegenstaande -2980 Den maag te helpen boven mijn vermogen. - Te zwakker werd hij [552], toen ik met den zwaarde - Hem wondde, dien belager van het leven {76}, - Het vuur ontwelde minder wild zijn binnenst. - Den heer omstuwden al te weinig helpers, -2985 Als de oorlogsstond zich op hem nederstortte. - De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken, - Het heele haardgenot en heil, 't zal alles - Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen, - Verstoken van het landbezit der stammen. [553] -2990 Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders - Vernemen uwe vlucht vanuit de verte [554], - Uw roemberoofde daad. De dood is beter - Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven.» [555] - - - - - -XL. - - - Alsdan beval hij, 't kampbedrijf te konden -2995 Bergopwaarts langs de zeekaap naar het landgoed [556], - Alwaar 't gevolg der mannen heel den morgen - Angstvallig nederzat, de schildbezitters, - In twijfel tusschen deze twee: den doodsdag - Ofwel de wederkomst des dierbren konings. -3000 Geenszins verheelde 't nieuws, het ongehoorde, - Die [557] over 't strandgebergte kwam gestoven, - Maar voegde toe aan allen volgens waarheid: - «Nu is de wenschvervuller van de Weders, - De vorst der Gooten vastgeboeid op 't doodsbed, -3005 Bewoont de lijkstee door des monsters daden. - Aan zijne zijde rust de lijfbelager, - Zieltogend door den dolksteek. Met den degen - Vermocht hij niet den worm te slaan een wonde, - 't Zij min of meer. Wiglaf, de zoon van Wichstan, -3010 Zit over Beowulf, de eene ridder boven - Den levenloozen heen; hij houdt de lijkwacht [558] - Bij deze dooden, voor den vriend en vijand. - Nu staat een oorlogstijd den stam te wachten, - Wanneer de val des vorsten aan de Franken -3015 En Friezen wordt bekend gemaakt in 't wijde. - De vijandschap, de harde, met de Hugen [559] - Was dan ontstaan, toen Hyglac kwam gestevend - Met eene legervloot naar 't land der Friezen, - Alwaar hem velden in 't gevecht de Franken -3020 En met geweld door overmacht bewerkten, - Dat zwichten moest de staalomgorde strijder - En zonk in zijne schaar. Niet zou de heerscher - Nog schatten aan de krijgstrawanten schenken. - Sinds werd ons Merewingers gunst [560] geweigerd. -3025 Ook hoop ik in 't geheel geen vrede of vriendschap - Van 't Zwedenvolk. Het was toch verre ruchtbaar, - Dat Ongentheow aan Hadcyn, zoon van Hredel, - Het leven bij het Ravenbosch [561] ontrukte, - Alwaar in overmoed der Gooten mannen -3030 Het eerst de Schilfings hadden aangeschonden [562] {77}. - Doch schielijk schonk hem [563] Ochters oude vader [564] - Den tegenhouw, de grijze, grimvervulde; - Hij velde neer den watervoogd, bevrijdde - Zijn vrouwe [565] hij, de grijze, zijne gade, -3035 Beroofd van goudsieraden, Ochters moeder - En Onela's; hij zette zijn belagers - Toen na, tot zij, beroofd van hunnen rijksvorst, - Ter nauwernood het Ravenbosch bereikten. - Alsdan omsloot hij de aan het zwaard ontslipten -3040 Met een geweldig heer, de wondverzwakten, - En dreigde heel den nacht het arme hoopje - Herhaald met wee. Hij sprak het uit, hij wilde - Hen met den morgen door het lemmer dooden, - Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. [566] -3045 Doch troost verscheen opnieuw bij 't daggeschemer - Den hopeloozen [567], toen zij Hyglacs horen, - Der trompen klank vernamen, nu de kloeke - Kwam aangerukt op 't spoor der ridderschare. - - - - - -XLI. - - - Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar -3050 Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen, - Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten. - Nu stapte heen de stoute [568] met de makkers, - De ontroostbre grijs, om op den burcht te trekken; - Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte. -3055 Hij had 't gevecht van Hygelac ervaren {78}, - Des stouten strijdgeweld. Hij telde weinig - Op tegenstand, dat hij vermocht te stuiten - Het varensvolk [569], of voor de zeebezeilers - Zijn goed te schutten met zijn kroost en gade; -3060 En dicht bij zijnen aardwal {79} dook weer de oude. - Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden, - En Hygelac ter hand gesteld hun standaard [570]. - Zij [571] stapten over hun [572] versterkte stelling {80}. - Nu drongen Hredels drommen [573] naar de schildspits {81}. -3065 Aldaar werd Ongentheow tot staan gedwongen, - De grijsgelokte, door der zwaarden lemmer; - Zoodat de volksbeheerscher had te dulden - 't Geweld alleen van Eofor. [574] Woedend tastte - Hem [575] Wulf [576] aan, zoon van Wanred, met het wapen, -3070 Dat door den strook het bloed ontsprong in stroomen - Vanonder 't hoofdhaar. Doch hij bleek niet bloode - De grijze Schilfing, maar hij loonde schielijk - Den doodelijken slag op slimmer wijze, - Zoodra zich hemwaart had gekeerd de koning. [577] -3075 Niet kon de kampgewende zoon van Wanred [578] - Den ouden held een tegenhouw bestemmen, - Want deze hieuw hem eerder stuk den helmkam - Op 't hoofd, dat hij genoodzaakt was te nijgen - Met bloed bevlekt en op den bodem bonsde. -3080 Niet was hij toch bestemd om reeds te sterven, - Schoon hem de wonde sloeg, genas hij weder {82}. - Dan Eofor liet, de forsche leenman Hyglacs, - Het breede zwaard, toen nederzeeg zijn broeder, - De aloude reuzenkling, den helm, hun kunstwerk [579], -3085 Inbreken boven op de schildverschansing. - Toen zonk de vorst, de leidsman van de volken; - Hij was ter dood gewond. Er waren velen - Die zijnen broer verbonden, ras hem rechtten, - Daar 't hun [580] was toegevallen 't veld te houden. -3090 Terwijl beroofde de eene ridder d'andren, [581] - Ontrukte aan Ongentheow zijn ijzerrusting, - Het harde zwaard met greep, den helm benevens - En bracht aan Hygelac des grijzen heertuig. - Die nam den tooi en zei hem toe vriendschaplijk -3095 Een loon met zijne liên en deed diensvolgens. - Het kampgestorm vergold de Gootenkoning [582], - Hij Hredels zoon, zooras hij 't huis bereikte, - Aan Wulf en Eofor met onmeetbre schatten. - Aan ieder hunner schonk hij honderdduizend [583] -3100 Aan landerijen, met gedraaide ringen. - Niet onderwond zich eenig man ter wereld - Dat loon te laken [584], sedert zij de lofdaad - Voldongen hadden. Ook bedacht hij Eofor - Alsdan met zijne dochter [585], met zijn ééne, -3105 Den pronk van 't hof, tot pand van zijne hulde. - Ziedaar de veete en vijandschap, den doodshaat - Van 't krijgervolk; waarom ik vreeze koester, - Dat ons bestoken zal der Zweden strijdmacht, - Wanneer zij zullen hooren, dat de heerscher -3110 Van 't leven is beroofd, die land en schatten - Weleer behoedde tegen haatgezinden, - De dappre Schyldings na den dood der helden [586] {83}; - Die voorstond 't nut des volks en nog daarboven - Het ridderwerk volbracht. Het ware 't beste, -3115 Ons thans te haasten [587], om den volksbeheerscher - Te zien en naar de branduitvaart [588] te brengen, - Dengene die met ringen ons bedeelde. - Geen enkel stuk alleen zal met den stoute - Verteeren; maar daar ligt die schat van tooisels, -3120 Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen - Ten laatste nog, betaald met eigen leven: - De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken; [589] - De man geen tooisels dragen tot gedachtnis; - Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben -3125 Om haren hals, maar deze zal rouwzinnig, - Van 't goud beroofd, wel meer dan eene reize - Het vreemde land betreên, nu 's legers leidsman [590] - 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. - Hierom wordt menig speer, de morgenklamme [591], -3130 Door vuisten vastgekneld, omhoog geheven - Met handen. Geenszins zal het harpgefluister - De dappren wekken, maar de donkre rave - Zal, vlammend over dooden, veel verhalen, - Den arend melden, hoe het maal haar meeviel, -3135 Toen zij de riffen met den wolf beroofde.» [592] - Zoo zei de koene strijder [593] nare konde - En geenszins loog hij nopens lot en woorden. [594] - Nu rees de ridderstoet; zij trokken treurig [595] - In tranen badend onder 't aargebergte [596], -3140 Het wonder waar te nemen. Daar ontdekten - Ze op 't leger in het zand den levenlooze, - Dengene die hun vroeger ringen gunde. - Zoo was gedaagd de doodsdag voor den dappre, - Zoodat de wapenvorst, de heer der Weders, -3145 Door wondren dood het leven had gelaten. - Vervolgens zagen zij zeldzamer schouwspel [597]: - Den reuzenworm, den woestaard nederliggend - Daar op den bodem tegenover Beowulf. {84} - De vlammendraak, de stugge dreiggestalte, -3150 Was door het vuur gezengd. Hij was wel vijftig - Voetmaten lang op 't leger. Hij vermeide - Zich met den nachtstond in 't genot der luchten [598] - En zeeg dan weder neer en zocht de holte, - Nu lag hij neder, door den dood gekluisterd; -3155 Hij had het eind van 't holverblijf genoten. - Daar stonden kruiken nevens hem en kroezen; - Er lagen schalen met onschatbre zwaarden, [599] - Verroest, doorknaagd, gelijk zij daar al rustten - In 't ingewand der aard sinds duizend winters [600]. -3160 Alstoen [601] werd deze reuzig groote rijkdom, - Het goud der voortijdsmenschen, met een toover - Omstrikt, dat niemand raken mocht de ringzaal; - Tenzij dan God, de ware zegekoning, - (Hij is des stervlings steun) aan wien hij wilde -3165 Het had vergund den goudschat op te breken, - Juist zulk een, als hem docht te zijn het voegzaamst. - - - - - -XLII. - - - Zoo hadden dit tot op den dag des oordeels {85} - De hooggeroemde heerschers [602] diep betooverd, - Die 't hier verscholen, dat hij schuld zou dragen -3170 Aan 't wanvergrijp, in 't vloekverblijf gegrendeld, - In hellekluisters vastgeklonken worden, - Bezwaard met zonden, die de plaats zou plundren. - Nu was het klaar, dat niet de kamp beklijfde: - Aan hem [603], die wederrechtig in den rotswand -3175 De have had bewaard, (hem had de wachter [604] - Alleen vooreerst gedood) nu dat de veete - Met kracht gewroken was. Het is iets wonders, - Wáár 't wezen zal, wanneer een wapenkrijger, - Een krachtberoemde, 't eind bereikt des levens; -3180 Als langer niet de man de medehuizing - Bewonen mag te zamen met de magen. [605] - En zoo gebeurde 't Beowulf, als hij opzocht - Den wachter van den berg, den strijd. Niet wist hij, - Waardoor geschieden zou zijn levensscheiding. [606] -3185 Goudgierig was hij niet [607]: hij had volgaarne - Des goudbezitters gunst gezien te voren. {86} - En Wiglaf nam het woord, de zoon van Wichstan: - «Wel menigwerf om wille van een enkle - Zal menig oorlogsman vervolging lijden, [608] -3190 Als 't ons nu overkomen is. Wij konden - Den dierbren heer, den herder van de volken, - Niet helpen met een raad: dat hij den hoeder - Des gouds niet ging te lijf, maar dezen liever - Zou laten rusten, waar hij lang verwijlde, -3195 Zijn krocht bewonen tot het eind der wereld. - Ons trof een harde lot. De kostbaarheden - Zij zijn gezien en moeitevol bemeesterd. - Te machtig was de buit, die mijn gebieder - Er henen troonde. Ik heb getoefd daarbinnen, -3200 In 't ronde 't al gezien, 't sieraad der woning; - Daar mij gegeven was, vergund de toegang, - In 't minste niet genoeglijk, in den aardwal. - Ik greep in aller haast met beide handen - Een groote reuzenvracht van keursieraden -3205 En droeg ze weg van daar naar mijnen meester. - Hij was alsnog bij leven, wijs, bewustvol. - Veel zei in zorg de grijs. Hij liet u groeten - En vroeg, dat gij den vriend een brandplaats stichtet, - Een hoogen heuvel, volgens dezes daden, -3210 Beroemd en rijzig; daar hij in het ronde - Der mannen waardste kamper was ter wereld, - Zoolang als hij genoot de burchtkleinooden. - Welaan, nu voortgerept een tweede reize, - Gezien en opgezocht de kunstverzaamling, -3215 De wonderdingen onder deze wanden. - Ik wijs den weg, dat gij nabij bewondert - Genoegzaam ringen met het reuzig goudwerk. - De lijkbaar sta gereed, bereid ter stonde, - Als wij te voorschijn komen en vervolgens -3220 Ons aller vorst, den dierbren man, vervoeren, - Waar hij in 's Heeren hoede lang zal wijlen.» - De zoon van Wichstan liet vervolgens weten, - De wapenstoute held, aan tal van strijders, - Van landbezitters, dat zij tot den lijkbrand -3225 De mutsaards brengen moesten uit de verte, - De legerhoofden naar den goede [609] henen. - «Nu zal (bij 't zwellen van de zwarte vlammen) - Het vuur der oorlogslieden vorst verslinden, {87} - Die dikwijls heeft getrotst den ijzerhagel, -3230 Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen - Heenbruiste boven eene schans van schilden, - En, vliegensreede door zijn veeruitrusting, - De schacht zijn diensten deed, den schicht vervolgde.» [610] - Nu riep te zaam de wijze zoon van Wichstan -3235 Uit 's konings stoet de zeven beste strijders - En trok in 't moordvertrek [611] als een van 't achttal. - Een fakkel hield er een der oorlogshelden - In zijne hand, die aan het hoofd vooropging. - Niet lag 't aan 't lot [612] wie rooven zou den rijkdom, -3240 Nu zonder hoeder hoegenaamd de helden - Hem opgestapeld zagen in de stede, - Daar rusten roestverweerd. Niet een dien 't rouwde, - Toen zij in allerijl naar buiten brachten - Den kostbren schat. [613] Zij schoven mee het monster, -3245 Den reuzenworm, langs 't oeverrif en lieten - Hem grijpen door de golf, der have herder, - Omvangen door den vloed. Dan werd op wagens - 't Gewonden goudsieraad, het gansch ontelbre, - Opeengehoopt, en naar de Walvischhoogte -3250 De vorst gebracht, de grijze wapenvoerder. - - - - - -XLIII. - - - Nu hoopten op den grond de Gootenhelden - Een sterken stapel op, omhuifd met helmen, - Met oorlogsschilden, schitterblanke pantsers; - Als luidde zijne beê. Vervolgens legden -3255 Ze in 't midden neer den hoogvermaarden koning - De droeve helden hunnen lieven heerscher. - Daarop ontstaken op den berg [614] de strijders - Den breedsten lijkenbrand. De houtwalm hief zich [615] - De zwarte boven smook, het vlamgezwirrel, -3260 Doorkruist met kreten;--'t windgewentel rustte-- - Totdat het had verheerd, de borst doorblakend, - Het beendrenstel. Zij klaagden lustverstoken - Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings. - Ook zong alzoo de jonkvrouw [616] jammerspreuken -3265 Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken, - Door zorgen aangezet. Zij zei genoegzaam, - Dat zij de zure rampspoedsdagen duchtte, - d'Onmeetbren lijkenoogst, den angst der mannen, - En hoon en hechtenis. [617] Nu had de hemel -3270 Den rook verzwolgen {88}. Op de rotskaap richtten - De Wederlieden op een lijkenheuvel, - Die rijzig was en breed, die in het wijde - Zou zichtbaar wezen voor de zeebevaarders. - In tiental dagen bouwden zij 't gedenkstuk -3275 Des slagberoemden, bij de rest des lijkbrands. - Zij wierpen eenen wal erom, zoo deugdelijk - Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden. - Zij borgen ringen in den berg [618] en tooisels, - Al zulke sier als krijgsgezinde mannen -3280 Ontvoerden uit de schatten kort te voren. - Zij lieten de aard der helden tooi behouden, - Het goud in 't zand; alwaar het zit tot heden, - Zoo nutteloos den mensch, gelijk voorhenen. - Toen reden rond het graf de wapenwakkren, -3285 Van de edelliên, van alle twaalf, de loten. [619] - Zij wilden weder klagen, weer gewagen - Van hunnen koning, weder spreuken konden - En nopens hem verhalen al het goede. - Zij roemden zijnen riddermoed, vermeldden -3290 Zijn heldenfeiten, volgens hun vermogen, - Als 't past zijn vorst en vriend door 't woord te prijzen, - Te heugen in het hart, wanneer hij heenvaart, [620] - Wanneer hij zich ontledigt van het lichaam. - Zoo rouwden om den dood des rijksgebieders -3295 De Gootenhelden al, de haardgenooten. - Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten, - Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen, - Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst. [621] - - - - - -De Bestorming van den Finnsburg. [622] - - - Nu {89} hief hij aan de wapenjonge heerscher [623]: - «Niet daagt het in het Oost, niet vliegt er vuurdraak, - Niet brandt de horentrans [624] van deze halle; - Maar helden rukken aan met legerharnas, -5 Gezwaaiden pijlboog; oorlogsvogels [625] zingen; [626] {90} - Het bruin kuras rinkinkt, het kamphout [627] klettert, - 't Schild antwoordt [628] aan de schacht. Nu schijnt het - maanlicht, - Het volle, door de wolk, nu rijzen weedaân [629], - Die dezen volkshaat tot volvoering brengen. -10 Op! waakt nu allen op, gij mijne weerbren, - Den lindebast [630] gebeurd, gestreefd naar stoutheid, - Gevochten aan de heerspits, weest heldhaftig!» - Daar hief zich menig held, met goud behangen [631], - En gordde zich het zwaard; nu gingen deurwaarts -15 Sigferd en Eaha, de onversaagde kampers, - Zij togen 't staal; Ordlaf en Gudlaf stapten - Nu heen naar de andre deur, en Hengest zelve - Hij volgde op 't spoor. - De Strijd-Deen [632] stuurde Garulf [633] - Nu toe, dat deze dit doorluchtig leven, -20 Zijn krijgssieraden niet bij de eerste reize - Zou henendragen naar der halle deuren; - Daar hij, de wapenstoute, 't [634] wilde nemen. [635] - Maar over allen heen en onverholen - Vroeg deze dappre [636], wie de deur bewaarde. -25 «Mijn naam is Sigeferd, hernam de tweede, - 'k Ben vorst der Secgen, ver gevierd een ridder, - 'k Beleefde talrijk leed en sture strijden. - U weggelegd is dit nu: wat van beide [637] - Gij zelve wenscht bij mij te komen zoeken.» -30 Nu was het bij den wand gedreun des doodkamps, - Nu moest het kille schild {91} ter hand des koenen, - De beerhelm [638] barsten. Heel de halle schokte; - Totdat in dit gevecht het eerst ineenkromp - Van al de krijgers Garulf, zoon van Gudlaf, -35 En rondom dezen menigeen der dappren. - Nu zwierf de rave zwierend om de lijken, [639] - Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig. - Het zwaardgebliksem ging, of gansch de Finnsburg - In lichter laaie stond. Nog nooit vernam ik, -40 Dat beter bij der mannen kamp zich kweten - En waardiger een zestig zegehelden, - Noch dat goedgeefser borsten ooit vergolden - De zoete mede, dan aan Hnäf de mannen. - Vijf dagen vochten zij, dat van 't gevolgschap -45 Niet één er zeeg; maar zij de deur bezetten. - Nu keerde weder een gewonde kamper [640]; - Hij zei, gebroken was 't kuras, onbruikbaar - Het strijdgewaad, en zijn helmet doorstoken. - Dan vroeg hem fluks de herder van de volkschaar [641], -50 Of wél de kampers voeren bij hun wonden, - Of niet de moed der jonge mannen naliet... [642] {92} - - - - - - - - -AANMERKINGEN. - - -Vooraf zij opgemerkt, dat de cijfers naar Socins uitgave en niet meer -naar de vertaling verwijzen. - -De vertaling in proza, welke ik soms toevoeg, is die volgens den -tekst van Socin, tenzij het tegenovergestelde gezegd wordt. - - - - -1 - - - thenden wordum wéold wine Scyldinga, - leóf land-fruma lange âhte. 30-31. - - Zoolang over de woorden ('t bevel) beschikte de vriend der - Schyldings, - de lieve landvorst lang (het gezag) bezat. - - -Deze plaats heeft tot veel geschrijf en gewrijf aanleiding gegeven. - -Heyne zoekt het ontbrekend voorwerp van âhte uit wordum weóld van -het vorige vers op te maken en vult aan: geweald, gezag. - -Cosijn verandert lange âhte in lange thrâge: langen tijd. - -Regel 31 is dan eene voortzetting van «de eerste gedachte, dat de -wine Scyldinga reeds tijdens zijn leven de noodige beschikkingen voor -zijne begrafenis genomen had. Daaraan werd vastgeknoopt de mededeeling, -dat die regeering langen tijd geduurd heeft.» - -Dat nochtans Heynes «kühne Construction door geen enkel voorbeeld -gestaafd wordt» kan ik niet zoo grif aannemen. Vgl. v. 1003: - -Nô thät ydhe bydh tô befleónne «dat zal niet gemakkelijk zijn te -ontvluchten,» waar thät op een zelfst. naamw. dood moet slaan, dat -uit voorafgaand aldres or-wêna is op te maken. - -Nochtans geef ik toe, dat op eene verminkte plaats als deze laatste -niet veel te bouwen is. - -Andere verklaringen, b. v. die van Rieger, Bugge en Kluge, laat ik, -daar zij mijn bestek te buiten gaan, in het midden. - - - - -2 - - - Thâ wäs on burgum Béowulf Scyldinga, - leóf leód-cyning, longe thrâge - folcum gefraege. 53-55. - - Toen was op den burcht der Schyldingen Beowulf, - de lieve volkskoning, langen tijd - den volken vermaard. - - -Beowulf leefde langen tijd op zijnen burcht en niet: hij was langen -tijd vermaard, alsof hij het nu niet meer was. - -lange thrâge bepaalt beter wäs dan gefraege, daarom plaats ik een -komma na thrâge. - - - - -3 - - - sibbe ne wolde - widh manna hwone mägenes Deniga - feorh-bealo feorran, feó thingian. 154-56. - - Uit vriendschap wilde hij niet - tegenover iemand van de macht der Denen - het levenseuvel verwijderen, voor geld bijleggen. - - -sibbe is instrumentalis. Nochtans is de vriendschap eerder het gevolg -der verzoening dan wel de oorzaak. - -Daarom komt Bugges verklaring, die sibbe als voorwerp beschouwt van -wolde en een komma plaatst na Deniga, mij aannemelijker voor. - - - - -4 - - - nê thaer naenig witena wênan thorfte - beorthre bôte tô banan folmum. 157-58. - - -Ik vertaal: - - - Noch een der raden dorst er verwachten - - -Schitterender voldoening van den kant des moordenaars door middel -van de handen d. i. door het zwaard. - -Grein: - - - Erwarten durfte da der Weisen keiner - des Mordes Sühngeld aus des Mörders Handen. - - -Bôte is volgens hem zoengeld en schijnt dit ook te zijn voor Socin, -daar hij ter plaatse: Leistung zur Sühne, Genugtuung, Tribut aanhaalt. - -Doch dan hebben wij slechts eene herhaling van feó thingian, en komt -nê en beorhtre niet tot zijn recht. - - - - -5 - - - nê his mynne wisse. 169. - - -(Grendel zou den Deenschen troon niet beklimmen ter oorzake van God) -noch had hij daar lust toe. - -Zoo verklaart Wülcker, waarbij Cosijn zich aansluit. - -Socin: ook kende hij niet zijne (Gods) liefde, hetgeen, naar hij -zelf bekent, stuitend is met het oog op 181-82, «welcher Satz auch -das Heidentum der Danen hervorhebt.» - - - - -6 - - - fyrst fordh gewât. 210. - - de tijd was verstreken. - - -Ik open hier de parenthese naar 't voorbeeld van Cosijn. - - - - -7 - - - flota wäs on ydhum, - - bât under beorge. 210-11. - - -Under beorge is niet onder den berg (Socin), maar bij den berg -(Cosijn). - - - - -8 - - - streámas wundon sund widh sande 212-13. - Die Stromflut wogte der Sund gen dem Sande. (Grein.) - - -sund is nom. en parallel met streámas. - -Socin vat sund verkeerdelijk als acc. op: «de stroomen wonden de zee -tegen het zand.» - - - - -9 - - - thonne sägdon thät sae-lidhende, - thâ the gif-sceattas Geáta fyredon. - thyder tô thance. 377-79. - - toen zeiden dit zeevarenden, - die de kostgaven der Gooten brachten - daarheen (naar 't land der Gooten) ten geschenke. - - -Deze opvatting van Grundtvig wordt door Bugge niet aangenomen; immers -ze doet onderstellen, dat de Gootische zeevaarders, die Hygelac -geschenken brachten, eerst bij Hrodgars verblijfplaats aanlegden. - -Hij leest daarom in plaats van den gen. Geáta den dat. Geátum: zoodat -het Deensche zeelieden waren, die aan de Gooten geschenken brachten. - -Cosijn verandert thyder «daarheen» in hyder «hierheen»; gevers en -schippers zijn dan Gooten. - -Deze laatste verklaring veroorlooft ons, het hier vermelde feit -met andere gebeurtenissen in verband te brengen; immers niets staat -het vermoeden in den weg, dat deze geschenken voor Hrodgar werden -aangevoerd, ter beslechting van de veete met de Wylfingen. - - - - -10 - - - häbbe ic eác geâhsod, that se aeglaeca - for his won-hydum waepna ne rêccedh. 433-34. - - -Cosijn teekent hierbij aan: waepna ne reccedh «hij geeft om geen -wapens,» duplici sensu: hij, de vermetele, draagt geen wapen en vreest -voor geen wapen, natuurlijk omdat hij zich onkwetsbaar gemaakt had -door tooverspreuken. - -Dit «natuurlijk» wil er bij mij zoo maar niet in. - -Beowulf heeft vernomen, dat Grendel niet bang is voor wapens, maar -dat geen wapen hem kan deren, omdat het door hem bezworen is, weet -hij niet. - -Er bestaat toch een verschil tusschen: hij vreest geen wapen en hij -heeft geen wapen te vreezen. - -Buitendien zou Beowulf in tegenspraak zijn met zijne eigen woorden 680: - - - erschlagen will ich ihn drum mit dem Schwerte nicht - und so sein Alter kürzen, obwol ichs all so könnte. (Grein.) - - -Welk van beide plaatsen is dan onecht? - -Ten slotte zou 792-809 (vert. 808-22) ook geen genade kunnen vinden; -wat het geval is bij Ettmüller en Müllenhoff, die deze verzen -uitwerpen. - -Ettmüllers beweren: «da Beowulf in seiner Heimat schon wusste, dass -Grendel nichts von Waffen zu fürchten habe, so werden auch seine -Begleiter das gewusst haben» berust juist op die verkeerde opvatting -van waepna ne rêccedh. Beowulf wist dat niet en zijne makkers evenmin. - -Müllenhoffs redeneering schijnt mij geheel en al uit de lucht -gegrepen. Hij zegt: «792-809. Auch diese Verse sind schon von Ettmüller -verworfen. - -Beowulf sagt 680 f. «ich will ihn nicht mit dem schwerte hinstrecken -und des lebens berauben, obgleich ich es sehr wohl könnte,» theáh ic -eal mäge. Nur um den waffenlosen Grendel nicht in ungleichem kampfe -zu bestehen, will auch er nicht der waffen gegen ihn sich bedienen.» -En hij vervolgt: - -«die annahme dieser verse 792-809, dass gegen Grendel mit waffen -nichts auszurichten sei, weil er sich hiebfest gemacht hatte, ist -daher ganz ungehörig.» - -Iets even «ungehörig» is wel Müllenhoffs lezing. - -De tekst zegt niet: Beowulfs makkers wisten, dat er met wapens bij -Grendel geene eer in te leggen was, maar juist het tegendeel: hîe -thät ne wiston, zij wisten dat niet. - -De slotsom van deze uiteenzetting is, dat waepna ne rêccedh enkel -en alleen beduidt: Grendel vreest geen wapen, zoodat twee plaatsen -gehandhaafd blijven, wier echtheid anders aan gegronden twijfel -onderhevig zou zijn. - - - - -11 - - - nâ thû mînne thearft - hafalan hydan, ac hê mê habban wile - dreóre fâhne, gif mec deádh nimedh. 445-47. - - -Vertaald volgens Thorpe en Cosijn; zoo komt de redegevende beteekenis -van ac = want beter uit. - -Socin denkt aan eene eerewacht, welke volgens de Angelsaksische wet aan -den koning gegeven werd en dus ook aan Beowulf, die van koninklijken -bloede was. - -Hij vertaalt diensvolgens: «gij hoeft met geene eerewacht mijn hoofd -te hoeden,» iets waarvan de ongerijmdheid voor de hand ligt, daar -Grendel het lijk zal meevoeren. - - - - -12 - - - nô thû ymb mînes ne thearft - lîces feorme leng sorgian. 450-51. - - mir brauchst du nicht - um meines Leibes Nahrung langer dann zu sorgen. (Grein.) - - -Evenzoo Socin, naar het voorbeeld van Bugge. - -De zin komt dus hierop neer: «ben ik dood dan hoeft gij mij den kost -niet te geven.» - -Cosijn wijst er op, dat de oorzaak van Bugges dwaling gezocht moet -worden «in de letterlijke opvatting van leng met een negatie. Beteekent -dit «niet langer,» dan heeft Bugge gelijk... Maar ne-leng beduidt hier: -geen oogenblik, volstrekt niet.» - - - - -13 - - - for were-fyhtum, thû, wine mîn Beówulf, - ond for âr-stafum ûsic sôhtest. 457-58. - - -Cosijn verwerpt Bugges vermoeden waere ryhtum thû: door de -verplichting, die de waêr, het verbond tusschen vorst en trawant -(waêrgengea) oplegt, uit bondsverplichting. - -Daar hij voorloopig geene oplossing te gemoet ziet, berust ik met -Socin bij de gissing van Grundtvig. - - - - -14 - - - thaer wäs häledha dreám, - dugudh unlytel Dena ond Wedera. 497-98. - - da war der Helden Jubel - und nicht wenig Männer der Wedern und der Dänen. (Grein.) - - -Socin kent insgelijks aan dugudh de beteekenis van krijgsschaar toe; -nochtans verwacht men eenen parallelvorm met dreám. - -Dugudh kan hier alleen goed zijn, wanneer het häledha dreám nader -verklaart. Hymne XI, 11 wordt de aardsche heerlijkheid door dugudhe -and dreámas aangeduid. (Cosijn). - - - - -15 - - - Breca naefre git - ät headho-lâce, nê gehwäder incer - swâ deórlice daed gefremede - fâgum sweordum . . . . - . . . . . . nô ic thäs gylpe; - theáh thû thînum brôdrum tô banan wurde. 583-88. - - -Socin neemt eene leemte van een vers aan; vandaar dat hij in 't -vervolg één vers vooruit is op de overige uitgaven. - -Ik plaats met Grein nô ic thäs gylpe, dat op zich zelf verstaanbaar -genoeg is, tusschen haakjes en laat den zin doorloopen. - -Niet bral ik dies d. i. op mijnen zwemtocht, eene swâ deórlice -daed. Socins tittels zijn dus overbodig. - - - - -16 - - - (swaefon) ealle bûton ânum. Thät was yldum cûdh, - thät hîe ne môste, thâ metod nolde, - se syn-scadha under sceadu bregdan; - ac hê wäccende wrâdhum on andan - bâd bolgen-môd beadwa gethinges. 706-10. - - (sie schliefen) alle ausser einem: Kund ward allen Menschen, - dass sie der Gramfeind nicht, da Gott nicht wollte, - der schuldvolle Schädiger durfte unter Schatten schwingen, - sondern wachend harrte er dem Wüterich zum Aerger - auf die Begegnung des Kampfs ergrimmten Mutes. (Grein.) - - -Socins gegevens stemmen hiermede overeen. - -De tegenstelling ac: sondern komt niet tot haar recht. - -Cosijn plaatst thät wäs-bregdan tusschen haakjes en laat ac, dat -hier redegevend is, op bûton ânum slaan; ac: want verklaart alsdan, -waarom allen sliepen uitgenomen Beowulf. De punt na ânum zal dan door -een komma moeten vervangen worden. - - - - -17 - - - thät wäs tâcen sweotol, - sydhdhan hilde-deór hond âlegde, - earm ond eaxle (thaer wäs eal geador - Grendles grâpe) under geápne hrôf. 834-37. - - -Socin: onder het ruime dak. - -«Under geápne hrôf is op te vatten als under beorge 211 (voor den -berg); het «zegeteeken» van Beowulf werd vóór de deur on stapol «op -stoep» op het perron gelegd, waar ieder het zien kon.» (Cosijn). - - - - -18 - - - thaer wäs on blôde brim weallende, - atol ydha geswing(,) eal gemenged - hâton heolfre, heoro-dreóre weól; - deádh-faege deóg, sidhdhan dreáma leás - in fen-freodho feorh âlegde, 848-52. - - daar was in bloed de branding golvend, - het afschuwelijk golfgeklots, gansch gemengd - met heeten etter, zwalpte van het zwaardbloed; - de den dood vervallen (Grendel) verborg zich, terwijl hij - vreugdeloos - in de veenverschansing het leven aflegde. - - -Socin kent hier aan sidhdhan de beteekenis toe van terwijl, zoodat -hij Grendel te gelijker tijd laat onderduiken en sterven, terwijl -men verwacht, hem te zien sterven, nadat hij ondergedoken is. - -Het euvel ware te verhelpen geweest door met sidhdhan eenen nieuwen -hoofdzin te beginnen en dit te laten slaan op deádh-faege deóg: -«sedert d. i. nadat hij zich verscholen had, legde hij het leven af.» - -Cosijns bemerking kan ik niet beamen: «en leest men na een punt -sidhdhan, dan begrijpt niemand, waar dit sidhdhan op slaat.» - -Ziehier nu, hoe Cosijn den zin omwerkt: - -Hij verandert on blôde in blôde, plaatst een kommapunt na heolfre en -schrapt ze na weól. - -Hij steunt op 1631 lagu drûsade ..... wäl-dreóre fâg, om deádh-faege -in deádh-fâge (= wälfâge, bont door den moord) te veranderen. - -Vandaar verwerpt hij deádh-faeges deóp «des veegen diep» van Sievers -en leest in plaats daarvan deádh-fâge deóp «het moordgepurperd diep.» - -Ten slotte is heoro-dreóre weól deádfâge deóp parallel met het -voorgaande. - - - - -19 - - - word ôdher... sôdhe gebunden 871 d. i. nieuwberijmde woorden. - - - - -20 - - - wel-hwylc gecwädh - thät hê fram Sigemundes secgan hyrde - ellen-daedum. 875-77. - - hij zei alwat - hij had hooren zeggen van Sigemunds - krachtdaden. - - -Bij Cosijn is wel-hwylc = aêghwylc (iedereen) en nom. sing. in plaats -van acc. neutr. - - - - -21 - - - Sê wäs wreccena wîde maerost - Ofer wer-theóde, wigendra hleó - ellen-daedum: he thäs âron thâh. - Sidhdhan Heremôdes hild swedhrode, - eafodh ond ellen. 899-903. - - Deze (Sigmund) was der helden wijd vermaardste - boven de volken, der kampers scherm - door krachtdaden: des nam hij toe in eer. - Sedert nam Heremodes kampgeduchtheid af, - Zijn sterkte en moed. - - -Het springt in 't oog, dat Heremod hier met de haren er bij getrokken -is. Immers welk verband bestaat er tusschen sidhdhan 902 en het -voorafgaande? Hoegenaamd geen. - -De verschillende pogingen tot verbetering laat ik onbesproken. - -Müllenhoff schijnt mij het ware getroffen te hebben, en het zij mij -geoorloofd hier bij te voegen, dat ik buiten hem om op eigen hand -tot dezelfde uitkomst was geraakt. - -Hij verbindt sidhdhan «nadat» met den hoofdzin sê wäs en plaatst een -komma na ellen-daedum. - -hê thäs âron thâh komt in aanmerking als een ingelaschte zin. Men -vergelijke de vertaling. - -Een klein bezwaar heb ik tegen een van Müllenhoffs verdere -ophelderingen: Sigmund is niet de voornaamste held geweest vóór -Heremod maar na Heremod. - -1º Het is de natuurlijke uitlegging van den zin: Sigmund was de -vermaardste held, sinds Heremods kracht was afgenomen. - -2º Heremod komt op de stamtafels der Angelsaksische koningen -als voorvader van Wôdan voor en wel op de 6de plaats van bovenaf -te beginnen, onmiddellijk voor Sceldwa (Scyld). Vgl. Ettmüller, -Einleitung bl. 7, en Sievers, Beiträge, XVI bl. 361. - -3º hê his leódum weardh... tô aldor-ceare 906: «hij werd zijne lieden -tot levenskommer» laat ik slaan op Sigmund. - -Welnu er volgt onmiddellijk: Zoo ook (evenals bij Sigmund) betreurde -aerran maelum, in vroeger dagen menig held den tocht van Heremod. Ergo -leefde deze naar de voorstelling des dichters in een vroeger tijdperk -dan Sigmund. - - - - -22 - - - Hê mid eotenum weardh - on feónda geweald fordh forlâcen, - snûde forsended. Hine sorh-wylmas - lemede tô lange, hê his leódum weardh, - eallum ädhelingum tô aldor-ceare. 903-7. - - -Over de letterlijke vertaling dezer verzen zijn de uitgevers het -eens, insgelijks over het feit dat vv. 908-14 van Heremod gewagen; -doch de knoop ligt hier: - -Is er sprake van Sigmund ofwel van Heremod, en in hoeverre? Immers -de Angelsaksische tekst springt meer dan eens nog al wild om met de -persoonlijke voornaamwoorden, zoodat de lezer zich moet afvragen, -wie eigenlijk gemeend is. - -Deze eigenaardigheid, welke de duidelijkheid in den weg staat, -doch de critiek eene ruime stof tot bespreking aan de hand doet, -is buiten kijf toe te schrijven aan het ontstaan van het epos uit -verschillende afzonderlijke liederen. - -Bugge laat den heelen zin op Heremod slaan: deze werd forlâcen: -verraden, on feónda geweald: in de macht des duivels, snûde: door -eenen plotselingen dood. - -Daar hij geenen weg weet met de tegenspraak tusschen: hine sorhwylmas -lemede tô lange, dat eenen goeden, en: he his leódum weard... tô -aldor-ceare, dat eenen slechten Heremod veronderstelt, verandert hij -hine sorhwylmas in: sorhwylma hrine: «door den greep der woelende -zorgen verlamde hij het volk te lang.» - -mid eotenum = onder de reuzen; zoo worden Heremods vijanden -geheeten wegens de aanleuning met Sigmund, daar de dichter de eerste -Heremod-episode aan de Sigmund-episode heeft vastgeknoopt. - -De schering en inslag zijner redeneering is als volgt: - -De latere tijd, waarin Heremod zijne lieden tot levenskommer wierd -905-7, wordt vergeleken met vroegere tijden, aerran maelum 908-14. - -Ook in het eerste tijdperk van zijn leven beantwoordde hij niet aan de -verwachtingen van zijns vaders raadgevers. Hij ontving niet 's vaders -adel, hij verdedigde niet het volk en het rijk der Schildingen. Hij -ondernam toen eenen tocht sîdh 909, dien menig wijze man afkeurde: -In plaats van het hard bestookte rijk te verdedigen, was hij naar -elders vertrokken, waarschijnlijk om daar te kampen. - -Later kwam hij terug en heerschte zoo gruwzaam over de Schildingen, -dat hij verraden en in de eenzaamheid vermoord werd. 903-5. Tot -hiertoe Bugge. - -Het gaat niet aan, de lezing van het Hs. zoo maar over boord te werpen, -vooral als geen andere grond kan ingeroepen worden, dan het niet alleen -staande gebruik van het enkelv. lemede bij een meervoudig onderwerp, -mid eotenum blijft in de toepassing op Heremod altijd gewaagd. - -Eindelijk, en dit is het voornaamste bezwaar, wordt Sigmund geheel -en al uit het oog verloren, alsof er geen betrekking tusschen hem en -Heremod bestond. - -Waarom heeft de dichter hem dan met Heremod in verband gebracht? In de -Edda worden zij ook te zamen genoemd, dat is dus niet louter toevallig. - -Blijkens mijne vertaling betrekt zich hê 903, hine 905, hê 906 -uitsluitend op Sigmund. Na tô lange plaats ik een dubbel punt; hê his -leódum weardh to aldor-ceare zinspeelt op Sigmunds dood in de macht -der Nevelingen. - -Zoodoende blijft de tekst gewaarborgd, staat mid eotenum op zijne -plaats, wordt Sigmund niet doodgezwegen, en vervalt alle tegenspraak. - -Door Heremods sidh «gang, tocht» is dan zijn vertrek in de ballingschap -te verstaan, hetzij hij de tegenkanting moede vrijwillig ging, -hetzij gedwongen. - -Immers v. 916 wordt gezegd, dat «vervolging, vijandschap» aan Heremod -ten deel viel, hine fyren onwôd. - - - - -23 - - - stôd on stapole, geseah steápne hrôf - golde fâhne ond Grendles hond. 927-28. - - -(Hrodgar) stond tegen eene zuil, zag naar het steile dak het goudbonte -en naar Grendels hand. - - - sidhdhan ädelingas eorles cräfte - ofer heáhne hrôf hand sceáwedon. 983-84. - - sinds de edellieden dank aan des helden kracht - over den hoogen dakstoel de hand schouwden. - - -«Het heeft er veel van, alsof de hand later boven of ter hoogte -van het dak was aangebracht... We weten nu wel beter, dank zij -Miller. Verkeerdelijk verklaart Socin: ofer heâhne hrôf, über den -hohen Dachstuhl hinweg, d. i. den Raum des Dachstuhls ausfüllend; -ergo ofer = under! - -Ten slotte: vs. 1303 moet Grendel's hand weer van het dak -verwijderd zijn, want zijn moeder klautert niet naar boven.» -Cosijn. Vgl. Aanm. 17. Millers opstel over deze plaats heb ik niet -kunnen raadplegen. - - - - -24 - - - (sceáwedon) feóndes fingras, foran aeghwylc; - wäs stêdra nägla gehwylc style gelîcost. 985-86 - - -Mijne vertaling van deze veel bestreden plaats sluit zich bij -Socin aan. - -Sievers plaatst een dubbel punt na fingras, zoodat foran aeghwylc -tot wäs behoort; hij leest stîdhra (hard) in plaats van stêdra (vast): - -«van voren was elk der harde nagels het meest gelijkend op staal.» - -Cosijn houdt het met het Hs: steda en slaat aêghwaêr (in plaats van -aêghwylc) voor, dat met een gen. van plaats verbonden wordt: aêghwaêr -steda, op alle plaatsen (waar nagels groeien). Wij krijgen dus: - -«Op alle plaatsen waren de nagels van voren (de punten der nagels) -het meest gelijkend op staal d. i. hard als staal.» - - - - -25 - - - Nô thät ydhe bydh - tô befleónne (fremme se the wille!) - ac gesacan sceal sâwl-berendra - nyde genydde nidhdha bearna - grund-bûendra gearwe stôwe, - thaer his lîc-homa leger-bedde fäst - swefedh äfter symle. 1003-9. - - nicht leicht wirds einem, - dem zu entfliehen (vollführ' es wer da will!) - sondern suchen soll der Seelentragenden - der Erdbewohner jeder, der Edelinge Kinder, - mit Gewalt genötigt die wartende Stätte, - allwo sein Leichnam dann am Lagerbette fest - (nach den Mahle) schläft. - - -Aldus Grein, doch met de beteekenis van symle: beständig. Deze -gebrekkige plaats biedt twee moeilijkheden aan: - -1º Waarop betrekt zich thät 1003? - -Ik blijf het antwoord schuldig, tenzij ik met Thorpe uit aldres -or-wêna «aan 't leven vertwijfelend» het antecedent dood opmaak. - -2º Ziehier der lange rede korten zin: de dood is niet gemakkelijk te -ontvlieden, want iedereen zal sterven! - -Mijne vertaling tracht er eene mouw aan te passen: lîc-homa is lichaam -en niet lijk; leger-bedde fäst is «gekluisterd op het rustbed» en -niet op het doodsbed, waarvoor on wälbedde 965 en deádbedde fäst -2902 voorkomt. - -fremme sê the wille is eene flauwe opmerking. - -Men zou eerder: «volvoere hij wat hij wil» of iets dergelijks -verwachten. - - - - -26 - - - fore Healfdenes hilde-wîsan 1065 - - -Naar Cosijn kan dit alleen beteekenen: voor de oogen d. i. in -tegenwoordigheid of ten aanhooren van Healfdeens krijgsoverste. - -Indien dit zoo is, en niemand zal op het gebied der Angels. taalkennis -zijn gezag in twijfel trekken, zou dan de moeilijkheid niet uit den -weg te ruimen zijn door Healfdenes in Healfdena te veranderen? De -vertaling zou luiden: - - - Toen werd gezang en klank te zaam vereenigd - In 't bijzijn van den vorst der Hallef-Denen - - -d. i. van Hrodgar; immers Halfdeen en Deen kunnen voor elkaar gebruikt -worden. Vgl. 1091. - - - - -27 - - - thonne heal-gamen Hrôdgâres scop - äfter medo-bence maenan scolde. 1067-68. - - -Na heal-gamen plaats ik een kommapunt en onderversta wäs: nu was -er hallevreugd. - -Derhalve moet er bij Socin, indien zijn heal-gamen nom. sing. geen -vergissing is, noodwendig een scheiteeken volgen. - -De uitgevers zien in heal-gamen een acc. afhangende van maenan; -thonne leidt alsdan den bijzin in: - -(Het lied werd aangeheven), toen Hrodgars zanger de hallevreugde -langs de medebanken moest verkonden. - -Cosijn koestert nochtans bedenkingen tegen den vorm: healgamen maênan. - - - - -28 - - - thät hê ne mehte on thaem medhel-stede - wîg Hengeste wiht gefeohtan, - nê thâ weá-lâfe wîge forthringan - theódnes thegne. 1083-86 - - dat hij geenszins vermocht op de onderhandelingsplaats - aan (met) Hengest den kamp te kampen, - noch (zijne) ongeluksresten in den strijd te ontrukken - aan 's konings veldheer. - - -Wîg komt tweemaal voor; buitendien zeggen 1085-86 in den grond -hetzelfde als de twee voorafgaande verzen. - -Waar blijft dan de kracht van nê: noch 1085, dat toch iets anders -moet te berde brengen? - -Rieger krijgt een goeden zin, mits de geringe verandering van wîg -Hengeste wiht gefeohtan in wiht Hengeste widh gefeohtan: Finn kan -noch een voordeel verkrijgen, noch datgene behouden wat hij nog bezat. - -Ik heb Riegers gewijzigden tekst gevolgd. - - - - -29 - - - hire selfre sunu. 1116. - - -Sunu is niet acc. sing. als bij Socin en Ettmüller, maar acc. plur.: -«die eignen Gebornen.» (Grein.) - - - - -30 - - - Gewiton him tha wîgend wîca neósian, - freóndum befeallen Frysland geseón, - hâmas ond heá-burh. 1126-28. - - -In sommige bijzonderheden wijkt Socin van Bugges opvatting der -Finnepisode af. - -De wîgend: strijders zijn voor hem andere Denen, die inmiddels zijn -overgekomen, om hunne vrienden, waarvan zij zoo lang beroofd waren, -te bezoeken. - -heà-burh is dan de Finnsburg en bevindt zich in Friesland. - -Men kan Socin in overweging geven, waarom Hengest, na deze versterking, -nog den ganschen, langen winter blijft dralen, alvorens zijn opzet -uit te voeren; daar toch Finns krijgers tot een onbeduidend hoopje -geslonken zijn? - - - - -31 - - - odh thät ôdher côm - geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh, - thâ the syngales sêle bewitiadh, - wuldor-torhtan weder. 1134-37, - - totdat een ander jaar gekomen was - in het hof, zooals het nu nog doet, - indien men voortdurend op den gunstigen tijd let, - op het heerlijk heldere weder. - - -Socin vat thâ the als indien en wuldor-torhtan weder als acc. op; -dit laatste ook Grein. - -Deze verklaring komt mij al te gezocht voor; om te weten dat de lente -geregeld terugkomt, moet men toch geen weerprofeet zijn. - -De onregelmatigheid bestaat hierin, dat het relat. plur. thâ zich -niet alleen betrekt op geâr; maar ook op een woord, dat volgt, op -wuldor-torhtan weder. - -Alsdan is de zin: totdat een ander jaar, de lente kwam, -welke voortdurend op hun tijd letten d. i. te hunnen tijde -verschijnen. wuldor-torhtan weder is dan nom. - -Cosijn verdedigt deze opvatting. - -Zou men de volgorde der verzen niet kunnen wijzigen en lezen: - - - odh thät ôdher côm - geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh, - wuldor-torhtan weder, thâ the syngales - sêle bewitiadh? - - - - -32 - - - worod-raedenne. 1143. - - -Möller en Bugge vertalen dit woord door Gefolgschaftsverhältnis, -leenmanschap. - -Cosijn staaft door verscheidene aanhalingen, dat worod-raedenne alleen -«troepschap, troepuitmaking, troep» kan beteekenen. Mijn «wapenlieden» -is eene toenadering tot deze beteekenis. - - - - -33 - - - swâ hê ne forwyrnde worod-raedenne, - thonne him Hûn Lâfing hilde-leóman, - billa sêlest, on bearm dyde: - thäs waeron mid Eotenum ecge cûdhe. 1143-46. - - -Cosijn neemt weer de oude verklaring op van Hornburg, die voorslaat, -Hûnlâfing niet te scheiden en als den naam van één persoon te -beschouwen. De zin is alsdan: - -Dus weigerde Hengest niet zich bij den troep aan te sluiten (tot -de samengezworen Denen over te gaan), toen Hunlafing (een der -samenzweerders) hem het zwaard aanbood, welks snede onder de Friezen -beroemd was (dat in den kamp met de Friezen reeds goede diensten -had bewezen). - -Moet men Hûnlâfing met Bugge in twee of met Cosijn in een woord -lezen? Adhuc sub judice lis est. - -Wat ten gunste van den laatste pleit is, dat Hengest niet meer noodig -had Finns leenman te worden, daar hij het al was; immers had hij hem -niet sinds een jaar als koning aanerkend? - - - - -34 - - - ne meahte wäfre môd - forhabban in hredhre. 1151-52. - - niet kon (Finns) weifelende levensgeest - zich houden in de borst. - - -d. i. Finn moest sterven. Socin ziet over het hoofd, dat ne meahte -forhabben: zich niet inhouden, zich niet betoomen beduidt. Vgl. 2610 -ne mihte thâ forhabban: Wiglaf kon zich toen niet meer inhouden, -maar zijne hand greep het schild enz. - -Cosijn verwerpt Bugges opvatting (zie Vert.) en laat meahte slaan òf op -(Finnes) môd òf op Finn zelf. - -De zin is in deze veronderstelling: - -Zoo greep nu Finn de wapendood in zijne eigen woning, nadat Gudlaf -en Oslaf hunnen grooten rampspoed aan Finn hadden verweten. Bij die -verwijtingen kon Finn zijn bruisend gemoed, zijnen toorn niet in zijne -borst betoomen. (ofwel: kon Finns bruisend gemoed zich niet betoomen.) - -Wie van beiden heeft het ware voor? - - - - -35 - - - Ad. 1158. - - -Dat Hildeburg waarschijnlijk eene in den oorlog geschaakte Deensche -vorstin is, als Socin voorgeeft, blijkt nergens. Vgl. vert. 1085 nota. - -Zijne verwijzing naar 2931 is glad verkeerd; daar is sprake van -Ongentheows echtgenoote, Elan, en niet van Hildeburg. - - - - -36 - - - heal swêge onfêng 1215. - - -Socin behoudt de lezing van het Hs. «de hal ontving het gejubel» -d. i. de hal weerklonk van het gejubel. - -«Maar de uitdrukking is te singulier»; vandaar dat Cosijn healsbêge -onfêng: «Wealchtheow ontving de halsboot» voorslaat. - - - - -37 - - - druncne dryht-guman, dôdh swâ ic bidde 1232 - - ihr trunknen Helden, thut wie ich euch bitte. (Grein.) - - -Het verzoek der koningin kan toch niet tot doel hebben, zooals Sievers -zegt, om de helden tot pooien aan te zetten. Wat moeten zij dan doen? - -Sievers verandert dôdh in dô en doet het op het boven aan Beowulf -gerichte verzoek slaan. - -Kluge ziet er met recht eene opwekking in om eensgezind te blijven -en verandert is 1229 in si (sî) d. i. in de bijvoegende wijs. In -hetzelfde opstel wijst hij er op, dat men de oude uitgevers dient te -raadplegen: «Grade die älteren Editoren haben manchen guten Gedanken -gehabt, der nie recht zur Geltung gekommen ist.» - -Welnu zijne opvatting bevindt zich reeds bij Ettmüller, welke bij thut -wie ich bitte aanteekent: «trinket und seid in Eintracht fröhlich.» - -Ik stel voor na swâ een komma te plaatsen: dôdh swâ, ic bidde: «doet -alzoo, ik verzoek het u.» - -swâ ziet alsdan terug op 1229-30 hêr is aeghwylc eorl ôdhrum getrywe -enz. - - - - -38 - - - beór-scealca sum - fûs ond faege flet-räste gebeág. 1241-42. - - -Grein: der Bierdiener mancher; Socin in voce beór-scealc: einer von -Hrodgârs Gefolgsleuten. - -Daar sum in beide beteekenissen voorkomt, staat de keus vrij; vooral -nu het gedicht, dat in het vervolg van geenen beór-scealc rept, -geene uitkomst oplevert. - - - - -39 - - - thaer on bence wäs - ofer ädhelinge ydh-gesêne - headho-steàpa helm 1244-46. - - An der Bank war da - offen sichtbar über dem Edelinge - der ragendhohe Helm. (Grein.) - - -Wie is die edelman? Het kan niemand anders zijn dan Beowulf. Of is -hier soms béor-scealca sum, ofwel de veel later genoemde Aschere -gemeend? Voor Socin, in voce ädheling, is het Beowulf. - -Doch Beowulf was er niet, näs Beowulf thaer 1300, later wordt hij -geroepen 1311. - -Bij gevolg blijft er niets anders over dan het enkelv. ofer ädhelinge -in het meerv. ofer ädhelingum te veranderen. - -Het zijn alsdan de in Heorot vernachtende Deensche krijgers. - - - - -40 - - - thät gesyne weardh, - wîd-cûdh werum, thätte wrecend thû gyt - lifde äfter lâdhum, lange thrâge - äfter gûdh-ceare. 1256-59. - - -thätte wrecend thâ gyt lifde «dat er nog een wreker leefde» is volgens -Ettmüller, Grein en Müllenhoff niemand anders dan Grendels moeder. - -Maar welke waarde moet dan toegekend worden aan lange thrâge, eenen -langen tijd? - -Er waren toch hoogstens 24 uren verloopen sedert Grendels dood! - -Het ligt dus voor de hand, dat Grendels moeder onmogelijk kan bedoeld -worden. Grendel had gedurende twaalf jaren in Heorot vreeselijk -huisgehouden, na dien langen tijd zou God hem straffen. - -Deze verzen zijn uit de pen gevloeid van den christelijken nadichter. - - - - -41 - - - thonne wê on orlege - hafelan weredon, thonne hniton fêdhan, - eoferas cnysedan. 1327-29. - - -Is het wel noodig met Socin eoferas overdrachtelijk te verstaan voor -koene krijgers? Kan het woord niet met Grein in letterlijke beteekenis -worden opgevat: als de evers, die zich op de helmen bevonden, op -elkander instormden? - -De aanschouwelijkheid der voorstelling zou er veel bij winnen. - -Buitendien wordt in ons gedicht een dapper krijgsman wel wolf geheeten, -maar nergens ever: heore-wearh 1268, freca Scyldinga 1564. - -Cosijn stelt voor de interpunctie te wijzigen; dan vervalt het boven -gezegde. - -Hij plaatst thonne hniton fêdhan tusschen haakjes en ziet in eoferas -eenen acc. beheerscht door cnysedan: - -«Als wij in den oorlog het hoofd beschermden (terwijl de voetknechten -op elkander stieten) en de helmevers verbrijzelden.» - - - - -42 - - - ge feor hafadh faehdhe gestaeled 1341. - - -Cosijn bewijst uit andere teksten, dat faehde staelan niets anders -kan beteekenen dan «veete, vijandschap bedrijven.» - -Socins verklaring: «Grendels Mutter hat uns fernerhin ihre Feindschaft -auferlegt» kan dus niet in aanmerking komen. - - - - -43 - - - lond-bûend 1346 nom. plur. - - -Dit zal wel eene drukfout wezen voor acc. plur. - -Eveneens fyr 1367, waarbij het acc. sing. en niet nom. sing. moet -heeten. - - - - -44 - - - thâ wäs hwîl däges, - aer hê thone grund-wong ongytan mehte. 1496-97. - - er was de duur van eenen dag mede gemoeid, - alvorens hij de bodemvlakte kon bereiken. - - -Müllenhoff kent aan hwîl däges de beteekenis toe van eine stunde -tages en niet ten onrechte. - -De meening van Socin en anderen is in tegenspraak met de -feiten. Beowulf kon geenen ganschen dag noodig gehad hebben, om -den bodem van het meer te bereiken, daar hij zich 's morgens op weg -begeeft en om 3 uur 's namiddags weer terug is 1601. - -Hoe kon ook het water blijkens 1592 vlg. aanstonds, sôna, roodgekleurd -zijn? - -Eindelijk moest Beowulfs terugkomst uit de diepte ook weer eenen -ganschen dag in beslag nemen! - - - - -45 - - - swâ hê ne mihte nô (hê thäs môdig was) - waepna gewealdan. 1509-10. - - Zoodat hij niet vermocht (hij was daartoe moedig) - over de wapens te beschikken. - - -Om wille van de juiste verdeeling van het vers verbinden Sievers -en Cosijn de ontkenning nô met de parenthese: nô hê thäs mödig wäs; -daar nô als begin van het laatste halfvers meer voorkomt. - - - - -46 - - - Oferwearp thâ wêrig-môd wigena strengest, - fêdhe-cempa, thät hê on fylle weardh. 1544-45. - - Zielsvermoeid struikelde toen de sterkste der strijders, - der voetkampers, dat hij kwam te vallen. - - -Cosijn brengt de vertaling dezer verzen volgenderwijze terecht: - -oferweorpan beteekent «omverwerpen» en is overgankelijk. Ter wille -van deze plaats fabriceert men een intransitief oferweorpan in den -zin van «struikelen.» - -De wolvin is hier onderwerp en werpt bij wijze van andleán Beowulf op -den grond. Ze is wêrigmôd, doordat ze on flet gebeáh. In plaats van -strengest leze men strengel en voege aan fêdhecempa eene n toe, die -het Anglisch origineel waarschijnlijk niet kende. Dus fêdhecempan acc. - - - - -47 - - - rodera raedend hit on ryht gescêd - ydelîce, sydhdhan he eft âstôd. 1556-57. - - -Sorin verbindt in voce ydelîce dit laatste met âstôd: - - - de hemelbestuurder besliste het volgens recht, - met gemak stond hij daarna weder op - - -In dit geval hapert er iets, nl. de zinstorende wijze, waarop hij de -scheiteekens plaatst, immers het komma na ydelîce moet wegvallen en -na gescêd staan. - -Sievers verbindt ydelîce met gescêd: - -God besliste het gemakkelijk volgens recht en toen stond Beowulf -weder op. - -Cosijn heeft het ware voor. Men raadplege de vertaling. - -Immers Gods hulp bestaat niet hierin, dat hij Beowulf weder laat -opstaan; maar dat hij hem het reuzenzwaard aan den wand laat bemerken. - -Vgl. v. 1662: «God verleende mij, dat ik een oud reuzenzwaard zag -hangen.» - - - - -48 - - - hwîlum hê on lufan laetedh hworfan - monnes môd-gethonc, maeran cynnes. 1729-30. - - Somtijds laat hij (God) op landbezit gaan - den hartelust eens mans van vermaard geslacht. - - -Cosijns verklaring geeft niet alleen aan lufa = liefde de juiste -beteekenis, maar past ook het beste in den samenhang: - -God laat zijnen geest (môd-gethanc) verkeeren (ontbranden) in liefde -(on lufan) voor eenen man enz. - -Heyne-Socin kennen aan lufa de beteekenis van «Grundbesitz, Ländereien» -toe, ofschoon zij luf-tâcen 1864 door «Liebeszeichen» heáhlufan 1955 -door «hohe Liebe» en lufian 1983 door «lieben» weergeven. - - - - -49 - - - heht thâ se hearda Hrunting beran, - sunu Ecglâtes, heht his sweord niman, - leóflîc îren; sagde him thäs leánes thanc. 1808-10. - - -Deze plaats is voor verschillende verklaringen vatbaar. Grein vertaalt: - - - Da hiess den Hrunting der Beherzte bringen - der Sohn des Ecglaf, hiess ihn sein Schwert empfangen, - das liebliche Eisen. Er dankte der Liebesgabe. - - -Het onderwerp van heht 1808 en 1809 is se hearda d. i. Unferd; sunu -Ecglâfes is bijstelling van se hearda. - -Integendeel, het onderwerp van sägde is Beowulf. - -Zoo blijft de lezing van het Hs. leänes, dat «loon, vergelding» -beteekent, doch hier dienst moet doen in den zin van «geschenk, -Liebesgabe.» - -Volgens Greins opvatting moet de lezer veronderstellen, dat Beowulf -het zwaard inmiddels aan Unferd heeft teruggegeven, iets waarvan het -gedicht geene melding maakt. - -Waarom had Unferd het dan niet aanstonds geweigerd? Buitendien biedt -het onderwerp van sägde iets onregelmatigs aan, want het is niet -hetzelfde als dat van heht in den onmiddellijk voorafgaanden zin. - -Het is wel waar, dat ons gedicht den lezer aan die onregelmatigheid -langzamerhand gewend heeft. - -Grundtvig slaat eenen anderen weg in: - -De dappere (Beowulf) beval Hrunting te brengen aan Ecglafs zoon, -hij (Beowulf) beval hem (Unferd) zijn zwaard te nemen, hij (Beowulf) -zei hem dank voor het geleende. - -Hier is geene verwisseling van onderwerp meer mogelijk; sunu nom. is -suna dat. geworden en het minder gepaste leánes zeer gelukkig veranderd -in laenes: het geleende (zwaard). - -Mijne vertaling steunt op Grundtvig, doch tracht sunu, de lezing van -het Hs., te behouden: sunu. is acc. sing.; heht 1809 sleept eenen -acc. c. inf. na zich. - -heht sunu Ecglâfes his sweord niman: Beowulf beval, dat Ecglafs zoon -zijn zwaard zou terugnemen. - -Socins slordige interpunctie brengt hier alweer op een -dwaalspoor. Ofschoon hij in sunu acc. sing. ziet, deelt hij den zin -juist zoo in als Grein. Derhalve moet zijn komma na Ecglâfes wegvallen; -anders blijft de zin raadselachtig. - - - - -50 - - - gif him thonne Hrêdhrîc tô hofum Geáta gethingedh. 1837-38. - - indien dan Hredric aan het hof der Gooten een verdrag sluit. - - -gethingan: «einen Vertrag machen.» Socin. - -Cosijn stelt uit verschillende teksten vast, dat gethingan beteekent -besluiten (te gaan), het verbum meandi zijnde uitgelaten; dus zich -opmaken. - - - - -51 - - - hruron him teáras - blonden-feaxum: him wäs bega wên, - ealdum infrôdum, ôdhres swîdhor, - thät hîe seodhdhan (nê) geseón môston. 1873-76. - - -Bugge voegt nê 1876 bij; immers Hrodgars tranen zijn dan vooral -verklaarbaar, wanneer hij vreest, dat hij Beowulf niet meer terug -zal zien. - -Socin teekent bij infrôdum dat. plur. aan. Ik vraag me te vergeefs af, -hoe het meervoud kan gewettigd worden. - -Indien het Hrodgars raadslieden zijn, wat komen die hier doen? Is -Hrodgar en Beowulf gemeend, dan is de keuze van het woord wat den -laatste betreft niet gelukkig. - - - - -52 - - - oft nô seldan hwaer - äfter leód-hryre lytle hwîle - bon-gâr bûgedh. 2030-32. - - -Bugges verandering van hwaer «ergens», dat vrij kan gemist worden, -in waere schijnt mij prijzenswaardig toe. - -Dan luidt de vertaling: dikwijls (en) niet zelden rust de moordspeer -door vergelijk (waere) eenen korten tijd na den val des vorsten. - -Freawares «mariage de raison» mag wel een vergelijk heeten. - - - - -53 - -Socins unfaecne nom. sing. 2069 in plaats van acc. sing. is blijkbaar -eene drukfout. - - - - -54 - - - hió thät lîc ätbär - feóndes fädhmum. 2129. - - -Socin in voce fädhm: «instr. plur. feóndes fädhmum». - -Hij laat dus feóndes van fädhmum afhangen, hetgeen den volgenden -zin geeft: - -Grendels moeder vervoerde het lijk door de hand des vijands d. i. door -hare eigen vijandelijke hand. - -Waartoe knorven in de biezen gezocht? Is het niet veel eenvoudiger -feóndes met lîc te verbinden: «het lijk des vijands»? - - - - -55 - - - gên is eall ät thê lissa gelong. 2150-51. - - geheel mijne liefde wendt zich nog uwaart. - - -Bugge vat gên op als weder, opnieuw: - -Mijne geheele liefde wendt zich weder uwaart nl. zooals vroeger. - -Zóó is de zin veel natuurlijker. - - - - -56 - - - hêt thâ in beran eafor, heáfod-segn. 2153. - - -heáfod-segn is eene verklaring van eafor en beteekent de voornaamste -banier, evenals in het voorgaande vers ic lyt hafo heá fod-mâga «ik heb -luttel hoofdverwanten» heá fod-mâga «voornaamste verwanten» wil zeggen. - -Cosijn slaat het compositum eoforheáfodsegn (everhoofdbanier) voor. - - - - -57 - - - näs him hreóh sefa - ac hê man-cynnes maeste cräfte - gin--fästan gife, thê him god sealde, - heóld hilde-deór. 2181-84. - - -Socin, in voce healdan, brengt onder meer deze plaats overeen met -1955 welke behelst: hióld heáh-lufan «zij bewaarde hooge liefde.» - -Diensvolgens zou het hier moeten luiden: «hij hield d. i. bewaarde -de geweldige gave,» the greatest strength possess'd bij Thorpe. - -Grein stemt hiermee overeen als hij vertaalt: - - - nicht war das Herz ihm wild, - sondern mit der grösten Kraft vom ganzen Menschenvolke - hielt die grossfeste Gabe, die Gott ihm schenkte, - der Edeling der Kampftheure. - - -Zoo komt de tegenstelling niet tot haar recht, wél indien wij healdan, -den zin van bewaken en aan ac eene redegevende beteekenis toekennen, -welke meer voorkomt. Wij vertalen dus: zijn inborst was niet ruw, -want (ac) hij bewaakte (d. i. beteugelde) zijne reuzenkracht. - - - - -58 - - - eft thät geióde ufaran dôgrum - hilde-hlämmun, sydhdhan Hygelâc läg - ond Heardrêde hilde-mêceas - under bord-hreódhan tô bonan wurdon; - tha hyne gesöhtan on sige-theóde - hearde hilde-frecan, Headho-Scilfingas, - nîdha genaegdan nefan Hererîces. - Sydhdhan Beówulfe brâde rîce - on hand gehwearf. 2201-2209. - - -Grein vertaalt letterlijk: - - - Das fügte sich darnach in folgenden Tagen - durch Heerkampfs Getümmel, seit Hygelak lag - und dem kühnen Heardred die Kampfschwerter wurden - unter des Schildrandes Schirm zum Mörder, - da ihn suchten in dem Siegesvolke - die harten kampfkühnen Headoskylfinge - und heftig angriffen Hereriks Neffen. - Drauf kam das breite Reich dem Beowulf - zur Hand. - - -Waar blijft de hoofdzin?? Greins vertaling geeft hier geen licht. Voor -Müllenhoff lijdt het geen twijfel of deze zin is onvolledig: - -Gleich der erste satz ist ungeschickt. Denn in eft thät geeóde ufaran -dôgrum 2201 hat das thät keine beziehung im vorhergehenden... Der -satz is unvollstandig.... - -Der verfasser wagte nicht nach dem langen mit sidhdhan beginnenden -satze 2202-2207 noch einen subjektsatz mit thät folgen zu lassen, -sondern brach lieber ab und fuhr mit einem neuen satze mit sidhdhan -fort 2208. - -Moet men zich bij deze uitspraak neerleggen en voor lief nemen, -dat er niets anders op te vinden is? - -Twee verklaringen, zijn mogelijk: - -1º eft thät geeóde slaat niet op wat voorafgaat, maar op wat volgt; -na hilde-hlämmum plaatse men een dubbelpunt en vertale ond door ook, -zooals Heyne in zijne vrije vertolking doet; de hoofdzin is: Heardrêde -hilde-mêceas tô bonan wurdon. - -Wij krijgen dan het volgende: Dit (volgende) gebeurde daarna in -later dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was, werd ook voor Heardred -het kampzwaard ten dooder, daar enz. - -Het valt nochtans te bezien, of ond (en), evenals in de klassieke -talen, in den zin van ook voorkomt. - -2º Ond behoudt de beteekenis van en; de hoofdzin is: sydhdhan Beówulfe -brâde rîce on hand gehwearf; de punt na Hererîces valt dan weg. Van -het eerste sydhdhan 2202 hangen twee bijzinnen af: läg en tô bonan -wurdon; thâ hyne... nefan Hererîces is een tusschenzin; het tweede -sydhdhan dient alsdan om het eerste in het geheugen terug te roepen: - -Dit gebeurde in volgende dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was en het -zwaard voor Heardred tot dooder was geworden, daar hem enz., sedert -kwam het rijk in Beowulfs handen. - -De zin is wel wat lang, maar dat kan geen onoverkomelijk bezwaar zijn, -vooral voor Duitsche recensenten. - - - - -59 - -2215-22. Bugge herstelt den tekst als volgt: - - - thaer on innan gióng - nidhdha nâthwylc, neóde tô gefêng - haedhnum horde; hond ätgenam - seleful since fâh; nê hê thät sydhdhan âgeaf, - theáh the hê slaepende besyrede hyrde - theófes cräfte: thät se thióden onfand, - by-folc beorna, thät hê gebolgen wäs. - - -Insgelijks 2233: - - - nealles mid gewealdum wyrmes weard gäst - sylfes willum. - - -Socins theow (slaaf?) 2225 zal wel theów moeten luiden. - - - - -60 - - -2228-32. Bugges aanvulling van den tekst wijzig ik volgenderwijze: - - - secg synbysig sôna onwlâtode. - theáh thâm gyste gryrebrôga stôd, - hwädhre earmsceapan innganges thearfa - feásceapen, thâ hyne se faer begeat, - sinc-fät geseah. - - -Bugges tittels tusschen het 3de en 4de vers zijn weggelaten en de -punt na begeat vervangen door een komma: Ofschoon (theáh) de vreemde -indringer met schrik geslagen was bij het zien van den draak, toch -(hwädre) had hij de vaas bemerkt. - -Men vergelijke de vertaling. - - - - -61 - - -2380-97. Socins opvatting van deze gansche plaats, waarin de oorlog -met de Zweden behandeld wordt, stemt niet overeen met die van Bugge, -Müllenhoff en Grein. - -Ziehier zijne uiteenzetting: - -Ochters zonen, Eanmund en Eadgils, zijn tegen hunnen vader opgestaan -2382, ten gevolge waarvan zij Zweden moeten verlaten 2380 en naar -Heardred de wijk nemen 2381. Een hunner verslaat Heardred onder ons -niet nader bekende omstandigheden 2386, het moet Eanmund geweest zijn, -welken de aan het Gootenhof levende Wichstan daarom onmiddellijk doodt -2613. Eadgils keert naar Zweden terug 2388, waar ondertusschen zijn -vader Ochter schijnt gestorven te zijn. - -Nadat Beowulf koning der Gooten geworden is 2390, wil hij zich op -Eadgils wreken 2392 en hij wordt hem tot vijand. Eadgils doet eenen -inval in het land der Gooten 2394-95, maar wordt door Beowulf gedood -2397. - -In Socins stelsel is helm Scylfinga 2382 Ochter en niet Onela, -Ongentheówes bearn 2388 kleinzoon en niet zoon, wordt freónd «vriend» -van het Hs. in feónd «vijand» veranderd, en gestêpte «ondersteunde» -in gestepte van gesteppan: stappen, trekken. - -Bugges verklaring komt mij heel wat aannemelijker voor, want 1º -Heardreds dood blijft in het duister. - -2º Eadgils kan niet naar Zweden terugkeeren, waaruit hij door Ochter -verbannen is; daarom vindt Socin er een middeltje op, 't is van Ochter -intusschentijds te laten sterven. - -3º Bugges opvatting stemt in de hoofdpunten overeen met de -overeenkomstige Zweedsche sage van Ali. - -4º Onela wordt 2933 het eerst genoemd; dit pleit er voor, dat hij -de oudste en bijgevolg Ongentheows opvolger is. Vgl. 61 (Heorogar, -Hrodgar, Halga); 2435 (Herebeald, Hadcyn, Hygelac). - -Afgezien van de handschriftelijke lezing freónd geeft Bugges verklaring -rekenschap van alle bijzonderheden, terwijl Heardreds dood bij Socins -opvatting de groote struikelblok blijft. Het is immers stuitend, dat -Heardred door den man gedood wordt, dien hij gastvrij heeft opgenomen. - -Eene opheldering van zulke verregaande ondankbaarheid ware zeker -niet misplaatst, en voorzeker zou de inlasscher weer de baan schoon -gevonden hebben, om nog eens den preektoon aan te slaan. - - - - -62 - - - he gewräc sydhdhan - cealdum cear-sîdhum. 2396-97. - - er rächte seitdem - mit kalten Kummerfahrten. (Grein). - - -Bugge ziet in cealdum cear-sîdhum de natuurlijke koude, daar de kamp, -waarin Adhils (= Eadgîls), volgens de overeenkomstige noordsche sage, -Ali (= Onela) versloeg, op het ijs van het meer Vaenir plaats had. - -Cosijn teekent bij deze verzen aan: De samenhang eischt cealde -cearsîdhas, want gewrecan beteekent wraak nemen over (of straffen) -en de ellips van hit (dit, Socin) is te verwerpen. Eadgils nam wraak -voor zijne koude, kommervolle omzwervingen als balling. - - - - -63 - - - rîdend swefadh, - häledh in hodhman 2458-59. - - de rijders slapen, - de helden in het graf. - - -Socin: rîdend, häledh nom. plur. - -Ik verkies met Grein het enkelv. te lezen: «der Reiter schlummert;» -er is immers sprake van Herebeald alleen. - - - - -64 - - - thâ ic on morgne gefrägn maeg ôdherne - billes ecgum on bonan staelan, - thaer Ongentheów Eofores niósadh. 2485-87. - - -Socin legt uit als volgt: Ik heb dan vernomen, dat de eene broeder -(Wulf) den anderen (Eofor) naar zijnen moordenaar (Ongentheow) -heentrok. - -Cosijn toont het onhoudbare van die aanteekening ten overvloede aan: -staelan = ten laste leggen, als mnl. banen. - -De strijd wordt dus als een rechtsgeding voorgesteld: - -Ik vernam dat toen de eene maag (Hygelac) den ander (Hadcyn) den -dooder te laste legde met het scherp van het zwaard, den dood met -het zwaard op hem verhaalde, wreekte. - -Dat Wulf niet gedood werd, maar alleen buiten gevecht gesteld, ziet -Socin voorbij. - - - - -65 - - - symle ic him on fêdhan beforan wolde, - âna on orde. 2498-99 - - -Socin verstaat beforan: vroeger, van den tijd, welke toch reeds in -symle besloten ligt. - -On orde «aan de spits» vergt eenen parallelvorm, daarom geef ik -beforan weer door vooraan. - - - - -66 - - - sê the aer on folce weóld 2596. - aer: «von langen Zeiten her.» Bugge. - - -Cosijn bemerkt hierbij; het komt mij voor, dat deze woorden eerder -beteekenen «die toen van zijn volk verlaten was, er niet meer over -te bevelen had.» - -Deze uitlegging wordt gesteund door wat volgt 2597-2600. - - - - -67 - - - sibb aefre ne mäg - wiht onwendan thâm thê wel thencedh 2601-2. - - -Socin: in dem der wohl denkt, kann die Liebe zum Blutsfreunde auf -keine Weise beseitigt werden. - -Voor hem is onwendan onovergankelijk en sibb nom. - -Cosijn wijst er op, dat een intr. onwendan alleen in den zin van -«terugkeeren» voorkomt. - -Men zal dus wiht als nom. sing. en sibb' als acc. sing. dienen aan -te nemen: onwendan is dan «keeren, verhinderen zich te uiten.» - - - - -68 - - - ond his mâgum ätbär - brûn-fâgne helm, hringde byrnan, - eald sweord etonisc, thät him Onela forgeaf, - his gädelinges gûdh-gewaedu, - fyrd-searo fûslic: nô ymbe thâ faehdhe spräc, - theáh the hê his brôdhar bearn âbredwade. 2615-20. - - dem Sippen er raubte - den braunschönen Helm, die Brünne von Ringen, - das enzische Altschwert, das ihm Onela gab, - seines Gatelinges Gundgeraethe, - das köstliche Kriegszeug.--Nie von diesem Kampf ersprach, - obgleich er an Brüders Söhnen Balthaten übte. - - -Uit deze vertaling van Ettmüller blijkt dat gûdh-gewaedu en fyrd-searo -parallel zijn met helm, byrnan, sweord; him 2617 is Eanmund; het -onderwerp van spräc 2619 is Weohstan. - -De zin komt hierop neer: Weohstan berooft Eanmund van het zwaard, -dat Onela aan dezen laatste had gegeven; doch hij, Weohstan, rept -nooit een woord van dat wapenfeit. - -Grein slaat denzelfden weg in als Ettmüller, als blijkt uit de -volgende verzen: - - - und entführte seinen Maagen - den braunbunten Helm, die Brünne die geringte, - das alte Riesenschwert, das Onela ihm gab, - seines Verwandten Waffenrüstung, - die stattlichen Fahrtgewande: um die Feindschaft sprach er nicht, - obgleich er seines Bruders Gebornen tödtete. - - -Greins opvatting schijnt mij aan gegronden twijfel onderhevig. Ätberan -beteekent niet rauben, entführen maar aanbrengen, ergens heen voeren. - -Doch daarvan afgezien, kan men zich afvragen welke «Maagen» Grein -bedoelt? - -Ontvoerde Weohstan aan Eanmunds magen d. i. Onela het zwaard? - -Maar welk recht had Onela er op, daar volgens de oorlogswet de -overwinnaar zich den wapenroof kon toeeigenen? - -Ofwel ontvoerde hij het zwaard his magum d. i. ten voordeele van zijn -eigen magen, ergo van Wiglaf? - -Doch dat druist in tegen 2621, waar volgens Weohstan het zwaard -zelf behoudt. - -Greins vertaling van «his mâgum ätbär» is dus voor verscheiden -uitleggingen vatbaar. - -his mâgum ätbär beteekent: Weohstan bracht aan Eanmunds magen d. i. aan -Onela den krijgsroof. - -Daarom ware het beter geweest, zooals Cosijn zeer juist aanmerkt, -het enkelv. his maege i. e. Onelan te lezen. Thät him Onela forgeaf: -(het zwaard) dat Onela aan Eanmund had gegeven. - -thät slaat, blijkens Cosijns terechtwijzing, grammatisch op sweord, -logisch op de drie spolia, die 2618 als gûdh-gewaedu worden aangeduid. - -his gädelinges, dat onmiddellijk volgt op thät him Onela forgeaf, is -niets anders dan eene zinledige en gebrekkige herhaling. Men oordeele: -«het zwaard dat Onela aan Eanmund had gegeven, het strijdgewaad van -Onela's Eanmund;» immers «het strijdgewaad van zijnen (d. i. Onela's) -bloedverwant» zegt op de keper beschouwd hetzelfde als het ééne -woord Eanmund. - -nó ymbe thâ faehdhe spräc: «Weohstan sprak niet over dat gevecht.» -Zoo heet het bij Ettmüller en ook bij Grein; want in dezes vertaling -«um die Feindschaft sprach er nicht» kan er zich slechts betrekken -op het onderwerp van den vorigen hoofdzin d. i. op Weohstan. - -De vraag ligt hier voor de hand, waarom Weohstan nooit sprak van -zijn heldenfeit? - -Niet alleen is het eene vraag, waaraan ons epos het antwoord schuldig -blijft, maar er bestaat ook hoegenaamd geene reden tot verzwijging, -vooral nu Weohstan zooveel gewicht hecht aan die wapens, dat hij ze -jaren lang bewaart en ze niet aan Wiglaf toevertrouwt, vooraleer deze -volwassen is. - -Om al die redenen wijzig ik het zinsverband zooals volgt: - -Ik plaats een punt na etonisc; thät him Onela forgeaf is een hoofdzin; -thät is aanwijzend voornaamwoord en him ziet terug op Weohstan; -na fûslic kome een punt te staan. - -Het onderwerp van nô ymbe thâ faehdhe spräc is Onela en niet Weohstan. - -De wijziging, welke den tekst onaangeroerd laat, geeft eenen goeden -zin: - -Weohstan bracht aan Onela Eanmunds zwaard met toebehooren. Onela -wilde het niet aannemen, maar liet het hem houden; hij verweet zelfs -niet aan Weohstan, dat deze Eanmund, den zoon van zijn eigen broeder, -gedood had. - -Men vergete niet, dat Onela, volgens het Germaansche oorlogsrecht, -verplicht was zijnen neef te wreken. - -Zoo biedt de zin niets meer aan, wat niet in den haak is. - - - - -69 - - - Byrdu-scrûd 2661 - - -Ik heb dit woord door schild weergegeven; immers Cosijn teekent -hierbij aan: - -«De beteekenis Schildschmuck, die dienst moet doen om glossatoren uit -de verlegenheid te helpen, is geheel verzonnen. In geen geval kan het -schild hier gemist worden: ergo is byrne een lapsus memoriae voor bord -(schild).» - - - - -70 - - - raesde on thone rôfan, thâ him rûm âgeald. 2691 - - raste gegen den Ruhmvollen, da er Raum ihm gab. Grein. - - -Het handelt zich hier over den derden aanval van den draak op Beowulf. - -Ik vraag me te vergeefs af, hoe zich deze «beschikbare ruimte» met -den samenhang laat overeenbrengen. Had de draak dan te voren niet -genoeg plaats, om aanvallender wijze te werk te gaan? - -In het geheel niet; want hij had tweemaal den aanval gewaagd. - -Buitendien greep het gevecht plaats niet in het hol, maar aan den -ingang; er schoot dus ruimte genoeg over voor de twee eerste aanvallen. - -Daarom komt mij Ettmüllers vertaling da er ihm reichlich vergalt -gegrond voor; al is het ook waar, dat bij Socin alleen gildan en niet -âgildan met de beteekenis van loonen, betalen verschijnt. - - - - -71 - - - ne hêdde hê thäs heafolan, ac sió hand gebarn - môdiges mannes. 2698-99. - - hij gaf geen acht op het hoofd (des draaks), maar de hand verbrandde - des moedigen mans. - - -Deze uitlegging van Bugge gaat uit van het feit, dat uit Beowulfs -vruchtelooze poging de onkwetsbaarheid van het drakenhoofd is gebleken. - -Hij vat hoofd in den letterlijken zin op. - -Niet zoo Cosijn, voor wien thaes heafolan «capitis sui i. e. vitæ -suae» is. - -De kracht van ac komt in deze opvatting ten volle uit: - -Wiglaf gaf niets om zijn eigen leven, want zijne hand verbrandde enz. - - - - -72 - - - feónd gefyldan (ferh ellen wräc) 2707. - - Zij velden den vijand (het leven verdreef de kracht). - - -d. i. met het leven verdween ook de kracht. Zoo ook Grein. - -Dit is ongetwijfeld eene ongewone en duistere wijze van zich uit -te drukken. - -Mijne vertaling sluit zich aan bij Sievers, welke voorstelt: - - - feónd gefylde, feorh ellen (ellor) wräc. - - -Cosijn keurt deze lezing goed; ellen komt nog voor in de plaats van -ellor: elders; wräc is onovergankelijk op te vatten. - - - - -73 - - - hê ofer benne spräc 2725. - - hij sprak over zijne wonde. - - -Deze beteekenis kent insgelijks Grein aan ofer toe. Men zal nochtans -vruchteloos in Beowulfs rede eene toespeling op zijne wonden zoeken. - -Daarom geeft Cosijn de keus tusschen post vulnus acceptum en over de -wond sc. gebukt. - - - - -74 - - - thâ hê bi sesse geóng 2757. - - -Socin in voce sesse: «nach dem Sitze» en hij voegt er de verklaring -aan toe: vor der Drachenhöhle. - -Deze verklaring ware beter achterwege gebleven; immers Wiglaf trekt -wel degelijk de schatkamer binnen, het wordt uitdrukkelijk gezegd: - -gefrägn sunu Wihstânes... hring-net beran... under beorges hrôf: ik -heb vernomen dat Wichstans zoon het ringpantser onder het rotsgewelf -bracht d. i. er geharnast binnenging. - -Buitendien bevindt zich het goud niet voor het drakenhol, maar er in. - - - - -75 - - - bill aer gescôd - (ecg was iren) eald-hlâfordes - thâm thâra mâdhma mund-bora wäs 2778-80. - - -Socin drukt Bugges voetstappen en verstaat: - -De degen des ouden heerschers (Beowulf)--van staal was het lemmer--had -hem (den draak) eer geschaad, die der schatten hoeder was geweest. - -Wülcker ziet in aer-gescôd eene samenstelling, evenals Thorpe, en -laat bill aer-gescôd afhangen van genôm 2777: - -Wiglaf nam het met brons geschoeide zwaard (d. i. met bronzen scheede) -van den eersten bezitter (de man van edele afkomst 2234) insgelijks -uit de schatkamer mede. - -Cosijn leest met Rieger eald-hläforde dat. sing. Men raadplege de -vertaling. - - - - -76 - - - symle wäs thy saemra, thonne ic sweorde drep - ferhd-genîdhlan 2881-82. - - -Met Grein en Sievers beschouw ik den draak als onderwerp van -wäs. Cosijn verbindt wäs met Beowulf: en ik begon den maag te helpen -(te zwakker werd hij nl. Beowulf) toen ik den levensschadiger met -het zwaard sloeg. symle wäs thy saemra is dan een ingelaschte zin. - - - - -77 - - - ac wäs wîde cûdh, - thätte Ongenthió ealdre besnydhede - Hädhcyn Hrêdhling widh Hrefna-wudu, - thâ for on-mêdlan aerest gesôhtan - Geáta leóde Gûdh-Scilfingas 2924-28. - - es ward ja weithin kund, - dass Ongentheow des Alters beraubte - den Hädkynn den Hredling beim Hrefnaholze, - da aus Uebermut zum ersten kamen - zu den Kempen der Geaten die Kampfskylfinge. - - -Blijkens deze vertaling beschouwt Grein leóde als acc. en -Gûdh-Scilfingas als nom.; in andere woorden: de Zweden vielen de -Gooten aan en niet omgekeerd. - -Met deze opvatting kan ik mij niet vereenigen, niet de Zweden maar -de Gooten zijn de aanvallers. - -Eerst en vooral hebben de Gooten de zee moeten oversteken, want het -Ravenbosch Hrefna-wudu lag op Zweedsch grondgebied. - -Verder dient for on-mêdlon: uit overmoed op de Gooten te slaan; want -zij worden door Ongentheow verslagen en ontsnappen slechts aan eenen -gezamenlijken ondergang door Hygelacs komst, die den volgenden morgen -tot ontzet opdaagt. - -Daar nu de aanvallers alleen «overmoedig» kunnen heeten en niet zij -die aangevallen worden, ergo... - -Dit wordt nog bevestigd door de omstandigheid, dat Ongentheow zijne -gade bevrijdt, dus hadden de Gooten haar gewapenderhand opgelicht. - -Ten slotte wordt van Ongentheow gezegd, dat hij Hadcyn den tegenslag -schonk, ond-slyht âgeaf; dus waren de vijandelijkheden niet van -hem uitgegaan. - -Wij trekken dus uit deze gegevens de slotsom, dat leóde als nom. en -Gudh-Scilfingas als acc. moeten aangemerkt worden. - - - - -78 - - - häfde Higelâces hilde gefrûnen 2953. - - -Thorpe: he of Hygelac's warfare had heard, hij had Hygelacs -krijgsgeduchtheid vernomen. - - - -Socin schijnt ook in deze meening te deelen, daar hij in voce gefrignan -alleen aanteekent «erfragen, durch Erzählen erfahren.» - -Nochtans aanvaardde Ongentheow den terugtocht, omdat hij werkelijk -door Hygelac verslagen was 2947-49, en niet omdat hij duchtte met -Hygelac slaags te geraken. gefrignan beteekent hier: ondervinden, -uit ervaring weten. - - - Er hatte Hygelakes Heersturm erfahren. Grein. - - - - -79 - - - under eord-weall 2958. - - -Niet onder maar vlak bij den aarden wal, als under beorge «bij den -berg» 211. Cosijn. - - - - -80 - - - freodho-wong thone fordh ofereódon 2960. - - sie eilten fürder über das Friedefeld. Grein. - - -Cosijn, wiens scherpzinnige verbeteringen vooral op deze episode -het helderste licht hebben doen vallen, verstaat door freodho-wong -«versterkte stelling.» - -'t Is de fästen of eordh-weall 2951, 2958 en niet de benaming van -eene bepaalde plaats Friedensfeld oder Schutzfeld, als Socin aan de -hand doet. - - - - -81 - - - sydhdhan Hrêdhlingas to hâgan thrungon 2961. - - als da die Hredlinge gen Gehöfte drangen. Grein. - - -Cosijn brengt weer deze plaats terecht: - -haga volgens Socin «eingefriedigtes Grundstück, Gehöft, kleines -Landgut,» dus zoo iets als La-Haye-Sainte bij Waterloo. - -Bedoeld is de bordhaga of wîghaga, waarbij man aan man met schild -aan schild palstaat tegen den aanvaller. - -'t Is de scild-weall 3119, de Germaansche testudo. - - - - -82 - - - ac hê hyne gewyrpte, theáh the him wund hrine 2977. - - maar hij sprong op ofschoon hem de wonde had aangetast. - - -Cosijn merkt hierbij aan: «Socin blijft hier hine gewyrpan door -aufspringen, erheben verklaren, hoewel ik de onjuistheid daarvan heb -aangetoond en uit vs. 2983 duidelijk blijkt, dat Wulf op den grond -bleef liggen, totdat anderen hem ophielpen en verbonden.» - -Hine gewyrpte: hij herstelde van zijne wonde. - -Grein heeft verkeerdelijk «sondern wälzte sich.» - - - - -83 - - - thone the aer geheóld - widh hettendum hord ond rîce, - äfter häledha hryre hwate Scildingas. 3004-6. - - -Uit geheóld hwate Scildingas trekt Thorpe het besluit, dat Beowulf na -Hrodgars verscheiden ook over de Schildingen of Denen zou geheerscht -hebben; misschien is voor Scildingas Scilfingas (Zweden) te lezen, -zoodat Beowulf, die Eadgils heeft gedood, waarschijnlijk tevens het -land veroverde. - -Müllenhoff echter ziet in 3006 eene gedachtelooze herhaling van het -gelijkluidende vers 2053. - -In alle geval verwerpt hij de wijziging in Scilfingas, omdat juist -tegen de Zweden of Schilfingen schat en rijk moest beschermd worden. - -Ik zie niet in hoe geheóld t. a. p. regeeren kan beteekenen, ofschoon -gehealdan met twee beteekenissen «bewaren, beschermen» en «regeeren» -verschijnt. - -Geheóld heeft drie voorwerpen: hord, rice, Scildingas en behoort dus -eene beteekenis te hebben, die op alle drie toepasselijk is. - -Geheóld hord: «hij heerschte over den schat» geeft geenen goeden -zin in de verbinding met de bepaling widh hettendum «tegenover de -haatgezinden.» - -Integendeel «hij beschermde tegen hen schat, rijk, de Schildings» -biedt geene zwarigheid meer aan. - -geheóld hord ond rîce doelt gevoeglijkst op Beowulfs oorlog met de -Zweden 2392; hwate Scildingas integendeel op zijnen kamp met Grendel. - -Grein vertaalt geheóld door er behauptete; onder dit opzicht ten -minste wijkt mijne vertaling niet van de zijne af. - - - - -84 - - - aer hî gesêgan syllîcran wiht, - wyrm on wonge 3039-40 - - Zij zagen eerst een zeldzamer wezen, - den worm op het veld. - - -Dit «eerst» klinkt nog al vreemd. Cosijn verandert aer in aeft -(eft) daarna. - -Bugge lascht de ontkenning nê in en neemt eene leemte aan van een vers: - - - banon eác fundon bennum seócne, - (nê aer hî thaem gesêgan syllîcran wiht) - wyrm on wonge: - - Zij vonden ook den dooder door wonden ontzenuwd, - (nooit zagen zij vroeger een zeldzamer wezen dan dit) - den worm op het veld. - - - - -85 - - -3049-74. In hoofdzaak heb ik mij aangesloten bij de door Bugge -gewijzigde volgorde der regels. - -Zijne indeeling is: 3070-74; 3075-76; 3059-69; 3077. - -Daar 3069 van Beowulf gesproken wordt, knoop ik 3075-76 er onmiddellijk -aan vast, zoodat hê 3075 niet meer in de lucht hangt, maar op Beowulf -terugziet. - - - - -86 - - - näs he gold-hwät: gearwor häfde - âgendes êst aer gesceáwod 3075-76. - - -Ofschoon deze plaats eene bonte rij van gissingen heeft uitgelokt -blijf ik vooralsnog bij het oude en schaar mij bij Ettmüller, wiens -verklaring met den samenhang strookt; iets wat voor eene bedorven -plaats als deze bevredigend mag heeten. - -Eene afdoende oplossing is niet te verwachten. - -Cosijn stelt eene nieuwe lezing voor: - -«In geenen deele had Beowulf met goudgierige oogen vóór zijn dood des -eigenaars nalatenschap nauwkeuriger beschouwd»; want Wihstan had hem -alleen een klein deel der schatten kunnen toonen. - - - - -87 - - - nû sceal glêd fretan - (weaxan wonna lêg) wigena strengel 3115-16. - - nu zal de gloed vreten - (wassen de zwarte vlam) der strijders aanvoerder. - - -De parenthese levert geenen op zich zelf staanden zin op; vandaar dat -Cosijn vermoedt: nu zal de gloed vreten, de zwarte vlam verslinden enz. - -weaxan zou parallel zijn met fretan en iets overeenkomstigs beteekenen. - -Grein stelt zich de zaak ook zoo voor: - - - Nun soll die Glut fressen, - schmelzen die schwarze Lohe der Schlachthelden stärksten. - - - - -88 - - -3151-57. Bugge herstelt de gapingen als volgt: - - - swylce giômor-gyd sió geó-meowle - aefter Beówulfe bunden-heorde - song sorg-cearig, saede geneahhe, - thät hió hyre hearm-dagas hearde ondrêde, - wälfylla worn, wîgendes egesan, - hyndo ond häftnyd, heóf on rîce wealg. - - -Wat het laatste halfvers betreft: heóf on rîce wealg: - -het gejammer in een vreemd rijk, houd ik het liever met Socin, die -met het Hs. leest: heofon rêce swealg «de hemel slurpte den rook op.» - - - - -89 - - - .... hornas byrnadh naefre? 1. - - branden niet de horens (horentrans). - - -Het Finnsburg-fragment begint met deze slotwoorden van de door een -der Denen gestelde vraag. Ik heb ze in de vertaling weggelaten. - - - - -90 - - -Bugges tekstverbeteringen zijn als volgt: - - - ac hêr fordh beradh fyrdsearu rincas, - flacre flânbogan, fugelas singadh. 5-6. - - -letterlijk: - - - maar hier brengen helden het legerharnas aan, - den zwaaienden boog, vogels zingen. - - 18-21 Thâ gyt Gûdhdene Gârulf styrode, - thät hê swâ freólîc feorh forman sîdhe - tô thaere healle durum hyrsta ne baere, - nû hîe nîdha heard ânyman wolde. - - -Zijne verandering van Gûdhere, een eigennaam, in Gûdhdene, Strijd-Deen -draagt Jellineks goedkeuring weg. - - - hwearf flacra hraew hräfen, wandrode 34. - - - - -91 - - - Céled bord 29 «het koude schild» Jellinek. - - -De oorspronkelijke tekst heeft celaes, waarvoor men gewoonlijk celod -leest, dat ook duister is. - -Jellineks verbetering céled, koud past zeer goed bij het door den -nachtelijken dauw genette schild. - -Tot staving hiervan wijst hij op gâr morgenceald «de morgenkoude speer» -Beowulf 3023. - - - - -92 - - -De vertaling, welke wij van dit raadselachtig brokstuk geleverd hebben, -steunt op Socins uitgave van 1883 en volgt in hoofdzaak de zienswijze -van Möller. - -Sedertdien heeft Jellinek een stap nader gedaan tot een duidelijk -inzicht van het geheel. - -Er hapert iets aan Möllers en Bugges opvatting: Garulf, de zoon van -Gudlaf, Gûdhlâfes sunu 33, zou een Fries, dus een aanvaller zijn, -terwijl volgens het fragment en volgens Beowulf 1149 Gudlaf een -Deen is. - -Vandaar dat Möller Gûdhlâfes 33 door Gûdhulfes vervangt. Jellinek ruimt -deze tegenspraak uit den weg, want voor hem blijft Garulf een Deen. - -Zijne uiteenzetting komt hierop neer: - -Aan de eene deur wordt post gevat door Sigeferd en Eaha, aan de andere -door Ordlaf, Gudlaf, Hengest en Garulf. - -In overeenstemming hiermede dient na sylf 17 en na Gârulf 18 een punt -te staan en die na lâste 17 weg te vallen. - -Het onderwerp van styrode 18 is Garulf; Gûdhdene slaat op Hengest. - -De vrije vertaling luidt alsdan: - -«Naar de andere deur begaf zich Ordlaf, Gudlaf en Hengest zelf. Ook -volgde hen Garulf. Hij (Garulf) stuurde den Strijd-Deen (Hengest) -toe, dat deze zijn zoo doorluchtig leven niet bij den eersten aanval -moest blootstellen, daar de kampduchtige Finn, nîdha heard, het hem -ontnemen wilde.» - -Alvorens zich van de deur naar binnen in den burcht terug te trekken, -wil Hengest zich overtuigen, of de deur goed bewaakt is en hij vraagt -diensvolgens, want het is nacht, wie de eerste deur, daar waar zich -Sigeferd en Eaha bevinden, bezet houdt. Sigeferd maakt zich daarop -bekend. Zijn antwoord kan tweederlei beteekenen. - -Ofwel «U staat hier gereed, al wat gij van mij moogt verlangen» -d. i. ik ben geheel en al tot uwen dienst. Ofwel ligt er iets -uitdagends in zijne woorden (Vgl. Vert.), en dan moet men aannemen, -dat hij Hengest ook niet aanstonds herkend heeft. - -Garulf sneuvelt niet aanstonds, zooals men uit den tekst zou kunnen -opmaken, maar eerst na den vijfden dag; hierdoor wordt de schijnbare -tegenspraak met wat volgt opgeheven. - -Wij hebben hier te doen met een hysteronproteron d. i. op de -ontknooping wordt reeds van den beginne af gewezen, een verschijnsel -waarvan het Beowulfepos meer dan een voorbeeld aanwijst. - -De «gewonde held» wund häledh 43 is een Deen, die zich naar het -binnenste des burgs terugtrekt, waar zich Hengest bevindt, zoodat -door folces hyrde 46 «de herder des volks» Hengest gemeend is. - -Bugges verbetering: hwearf flacra hraew hräfen, wandrode, waar hwearf -op ongewone wijze met acc. en niet met een voorzetsel verschijnt, -verandert hij in: - - - hwearf lâdhra hreás, hräfen wandrode: - «de troep der vijanden viel, de raaf dwaalde enz.» - - -Ten slotte ziet Jellinek in headho-geong cyning 2 «de kampjonge koning» -niet Hnäf, zooals Bugge, maar Hengest; doch zijne redeneering komt -mij eenigszins duister voor. - -Hoe verklaart hij dan, dat de Denen later vorstenloos theóden-leáse -(Beowulf 1104) waren? - -B. ten Brink breekt eene lans voor Möllers verklaring: - -Indien Garulf, die ealra aerest eordhbûendra valt, tot de verdedigers -van den burcht behoort, dan volgt daaruit, dat gedurende vijf -dagen niet alleen niemand van de verdedigers viel, maar ook van de -aanvallers; hetgeen ongerijmd is. - -Zou eordhbûendra «landbewoners, menschen» niet in den engeren zin -van burchtbewoners kunnen opgevat worden; ofwel is soms eardbûendra -«goed-woonbewoners» te lezen? - -Dit is eene gissing, meer niet, welke ik aan het oordeel van meer -bevoegden onderwerp. - -B. ten Brinks gegronde opwerping is dan ontzenuwd. - - - - - - - - -DRUKFOUTEN. - - -Eenige teekens zijn met onduidelijke letter gedrukt: - -Bl. 97, regel 22-23, lees: zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd -worden. - -Ib. regel 26, lees: òfer lágustráetè. - -Bl. 98, regel 11, lees: × ´ -` ×´ × ` ^. - -Ib. regel 16, lees: ^ -´` × -´ ×`. - -Bl. 147, v. 136, lees: - -Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand. - - -Zinstorende fouten zijn de volgende: - -Bl. 106, regel 18, staat: - -De metaphoor of uitgewerkte vergelijking; lees: .... of onuitgewerkte -vergelijking. - -Bl. 118, regel 7-9, staat: - -De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van -den eenzamen schatbezitter uit de Hredelepisode en in Beowulfs -laatste woorden tot Wiglaf; lees: ... in de rede van den eenzamen -schatbezitter, in de Hredelepisode en in Beowulfs laatste woorden enz. -Andere misstellingen, als verkeerd geslacht, verkeerde interpunctie -enz. gelieve de lezer zelf te verbeteren. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] De reeds vermelde Beowulf (Biewulf) is een Angelsaksisch gedicht -der VIIIe eeuw, dat misschien wel nooit uit dien tongval in het Dietsch -werd overgebracht, maar toch in de volste mate onze belangstelling -verdient, om het tooneel, waar het speelt--op de Noordzeekusten, op -de Maas en de Niers--en om de nauwe verwantschap, welke er bestond -tusschen onze vaderen en den Angelsaksischen stam, die ons zijn zonen -als geloofspredikers zond en wiens taal zooveel overeenkomst met die -der Friezen heeft. - -Everts, Geschiedenis der Nederlandsche Letteren, blz. 8. - -[2] Origines du Duel Judiciaire par le P.-C. de Smedt, Paris -1894. (Extrait des Etudes Religieuses, Philosophiques, Historiques -et Littéraires). - -[3] Celebrant carminibus antiquis, quod unum apud illos memoriae -et annalium genus, Tuisconem deum terra editum et filium Mannum, -originem gentis conditoresque. Germ. C. 2. - -[4] Caniturque adhuc barbaras apud gentes. Annal. II, 88. - -[5] De origine actuque Getarum C. 3. Uitgave van Savagner, Paris, 1883. - -Hier zijn de volgende teksten nog bij te voegen: Quemadmodum in priscis -eorum carminibus paene historico ritu in commune recolitur. ib. C. 2. - -Adhuc hodie suis cantionibus reminiscuntur C. 4. - -Ut ipsi suis fabulis ferunt C. 5. - -Vgl. Kurth, Hist. Poét. des Mérov. Chap. I. Les Sources. - -[6] Kurth t. a. p. - -[7] Jonckbloet wijst er reeds op, dat bij Gregorius van Tours in de -eerste boeken een zwakke, maar toch duidelijke nagalm van de heldensage -vernomen wordt. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 69. - -[8] Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 25. - -[9] Vgl. Kurth, bl. 486. - -Deze wet, welke hij met den naam van transfert épique bestempelt, -doet zich vooral in de Frankische sage gelden. Zoo maakte in de -voorstelling van het volk Clovis plaats voor Dagobert I en deze voor -Karel Martel, tot de laatste eindelijk in Karel den Grooten opging, -bij wien het epos, als verblind door zijnen glans, bleef staan. - -[10] Kurth, blz. 225-26. - -[11] Kurth, blz. 3. - -[12] Kurth, blz. 334. - -La défaite c'est la muse épique par excellence! - -L. de Monge. Etudes morales et littéraires. II, blz. 67. - -[13] Onze eeuw van koud onderzoek, twijfel en winstbejag leent zich -voorzeker niet tot het ontstaan van het kinderlijke, geestdriftige -volksepos, en toch biedt zij iets min of meer overeenkomstigs in -Frankrijk aan, waar dagbladpers, romans, lier- en tooneeldichters, -beeldhouwers, schilders en geleerden de nederlaag van hun «année -terrible» als om strijd trachten om te scheppen; terwijl het -zegevierende Duitschland nog altijd op een groot dichter wacht, -om het glansrijkste feit uit zijne geschiedenis te verheerlijken. - -Ook heeft Frankrijk zijnen Ganelon in Bazaine gevonden. - -[14] Kurth, bl. 344. - -[15] Müllenhoff veronderstelt te recht, dat het de beenderen van -eenen walvisch of iets dergelijks moeten geweest zijn. - -In de ontdekking van zulke versteende overblijfselen ziet Kurth de -verklaring van het zoozeer verbreide volksgeloof aan het vroegere -reuzendom. - -Ik herinner mij iets overeenkomstigs in de Origines Antwerpianae -van Goropius Becanus gelezen te hebben, als hij degenen wederlegt, -die den naam van Antwerpen uit Handwerpen verklaren en zich beroepen -op de aldaar bewaarde reusachtige beenderen, welke de hand van den -reus zouden zijn. - -Becanus, die als natuurkundige zich minder met hersenschimmen paaide -dan als taalkundige, beweert, dat het de voet van een olifant is en -bewijst het door het versteende geraamte van zulk dier (mammouth?) te -beschrijven, dat men in zijnen tijd bij het aanleggen van het kanaal -van Willebroek opgedolven had. - -Génard in zijn prachtwerk Anvers à travers les âges spreekt integendeel -van walvischbeenderen. - -[16] Kurth, blz. 342. - -[17] Kurth, blz. 338, 528. Jonckbloet I, 71. Kurth is niet ongenegen -in de Hugen met Ettmüller, Van den Bergh en Winkler de Chauci van -Tacitus te zien. - -[18] Zoo duidt ook Nathanael Müller den naam van Beowulf. - -Thorpe ziet er eene samentrekking in van beadowulf d. i. strijdwolf; -Cosijn verklaart den naam door «zegewolf»; anderen zien er weer -«bijenwolf» d. i. specht in. - -[19] P. u B. Beiträge: Sceâf in den Nordischen Genealogien, door -Sievers. - -[20] Wij vertalen op het voorbeeld van Cosijn Geátas door Gooten, -want Angels. eá vertegenwoordigt de Nederl. scherplange oo. Zoo laten -wij de verschillende meeningen onaangeroerd en voorkomen wij tevens -de verwarring met de vermaarde Oost- en Westgoten der geschiedenis. - -[21] P. u. B. Beiträge, XVII: Goten und Ingvaeonen. - -[22] Het scheen mij wenschelijk, wat langer bij ten Brink stil te -staan, omdat zijn proza, verre van op de Fransche helderheid te kunnen -bogen, maar al te zeer in Noordschen nevel gehuld is. - -[23] Het Nederlandsch leent zich ook tot zulke samenstellingen, en -nochtans worden zij afgekeurd door hen, die zich tot wetgevers van -de spraakmakende gemeente opwerpen, als zijnde in strijd met den aard -onzer taal. - -De Germaansche talen hebben dit voor op de Romaansche, welke hunne -toevlucht moeten nemen tot het Grieksch en Latijn, dat zij door middel -van de samenstelling nieuwe woorden uit eigen boezem kunnen scheppen. - -«Stel wachters bij de bronnen!» Doch de wachters laten deze levende -bron onzer moedertaal van lieverlede uitdrogen. Zal het Nederlandsch er -bij gebaat zijn, wanneer het, in het dwangbuis gestoken der schoolsche -regelmatigheid, ten laatste alle kleur en vrijheid van beweging zal -hebben afgelegd? - -Deze schilderachtige woorden zijn onontbeerlijk in de poëzie, vandaar -dat de dichters ze niet versmaden, zelfs degenen die er den staf over -breken, als b. v. Bilderdijk. - -Ik lees in Urzijn en Valentijn: - - - Maar kunstgeleerde dapperheid - Betemt het woest geweld. - - -Hij schrijft goudgevloekt, godverwaten, kunstversierd, landverwezen, -wondgeslagen en andere. - -Schaepman bracht aan den dichter van «het Menschdom verlost» deze -verkeerde woordverbindingen onder het oog, doch deze wees den -beoordeelaar op zijn eigen vers in de Keizersklok: - - - Zoo roept de wapenbode - In 't goudgestikte kleed. - - -Men zou eene heele lijst van dergelijke voorbeelden uit de -Nederlandsche dichters kunnen samenstellen. Stemt overigens het -Nederlandsche volk zonder de minste hapering, ja «met onbeklemde borst» -aan de hand van Tollens niet het godgevallig feestlied in? - -Doch beschouwen wij de zaak wat van nabij. - -Wat verstaat men door den aard onzer taal? - -Ik kan er slechts twee beteekenissen aan toekennen. - -Indien deze samenstellingen in strijd zijn met het Nederlandsch als -Germaansche taal, dan verwijzen wij naar de Engelsche en Duitsche -poëzie, waar zij legio zijn, en naar de oude Germaansche dialecten. - -Het Gotisch heeft handu-waurhts, waaraan het Latijnsche manufactus -geheel beantwoordt. Het zal wel onnoodig zijn, op hun gebruik in het -Grieksch en Sanskrit te wijzen. - -Ofwel verstaat men door den aard der taal het algemeen gangbare -spraakgebruik der beschaafden, dat, zooals Bilderdijk zegt, geene -andere betrekkingen dan den genitief toelaat, b. v. huisdeur = deur -van het huis? - -Nochtans vinden wij eene menigte voorbeelden van andere betrekkingen, -zoowel bij zelfstandige als bijvoeglijke naamwoorden, waar het -hier vooral op aankomt, en wij twijfelen er niet aan, of de huidige -dialecten leveren ook dergelijke samenstellingen op. - -Zelfst. nw.: hemelvaart, watervrees, broodnijd, steendruk, kindergek, -koordedanser, slaapwandelaar, wielrijder, geldgebrek, zwaardvechter, -regenscherm, zeeroover, stoelgang, kleurenblindheid, leedvermaak, -enz. enz. - -Bij dit laatste woord teekent Van Dale aan: - -«De reden, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd zeggen, is, -omdat wij bij de uiteenzetting dezer samenstelling niet zeggen kunnen: -vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom -is ook het thans gebruikelijke leedvermaak (eene vertaling van het -Hoogd. Schadenfreude) af te keuren.» - -Bij deze regels denk ik onwillekeurig aan de kunstmatig ingedrukte -voetjes der Chineesche dames. - -Bijvoegl. nw.: composita met rijk: roemrijk, volkrijk, scheeprijk -enz.; die met schuw: menschenschuw, zonneschuw, lichtschuw; die met -blind: dagblind, sneeuwblind; bedlegerig, bijbelvast, godebehaaglijk, -wereldberoemd, godgewijd, zeevaardig, dienstvaardig, waterdicht, -luchtdicht, handtastelijk, proefondervindelijk, slagvaardig, -kinderzalig, godzalig, godgeleerd, nagelvast, handgemeen, mondgemeen, -vingersnel, handgauw, handgetrouw, natuurtrouw, zeehard, zeeziek, -het in de dagbladen niet ongewone wereldkundig, staatsgevaarlijk, -levensgevaarlijk, enz. enz. - -Deze lijst zou gemakkelijk vermeerderd kunnen worden bij eene -nauwgezette doorbladering van het woordenboek en bij het raadplegen -der gewestspraak. - -Wij besluiten hieruit, dat zij, die deze samenstellingen afkeuren, -den vooruitgang der taal op willekeurige wijs belemmeren, en op éene -lijn kunnen gesteld worden met hen, die misbruik maken van vreemde -woorden, in plaats van hun «moers taal» te spreken, om het met Kegge -onbewimpeld uit te drukken. - -[24] Het Fransche volksepos «La Chanson de Roland» is van Germaanschen -oorsprong. - -Vandaar de eigennamen als Durandal voor Roelants zwaard en Joyeuse -voor dat van den Keizer «à la barbe fleurie». - -[25] 4 Scheving: zoon van Scef of Sceáf, welke naam Schoof -beteekent. Vgl. v. 47 Nota. - -[26] 5 medezetels: de banken, waarop de krijgers bij de gastmalen -hunner vorsten zaten, en waar bier en mede geschonken werd. Werd de -eene vorst door den anderen overwonnen, zoo hielden de drinkgelagen -op. Ettmüller. - -[27] 15 Hij: de Hemel. Deze verzen doelen op de oorlogen, welke het -tijdperk van regeeringloosheid, dat de aankomst van Schyld zou zijn -voorafgegaan, moesten kenmerken. - -[28] 18 hem: Beowulf, zoon van Schyld. - -[29] 14b-18 zijn blijkbaar een toevoegsel van christelijke hand. - -[30] 19 Deze Beowulf, de Deen, waarin de uitgevers den mythischen -held Beáv of Beóv zien, is niet te verwarren met Beowulf, den Goot, -den held van het gedicht. - -[31] 20 de Schedelanden: het Denenrijk. - -[32] 24 in d'ouderdom: als hij op zijne beurt koning is geworden. - -[33] 28b Ingeschoven. - -[34] 31 Schildings: Denen. - -[35] 42 op den schoot: van het schip. Vgl. v. 36. - -[36] 47 De sage van deze wonderbare aanlanding in het oude Anglië wordt -ook vermeld door de Engelsche kroniekschrijvers, doch niet aan Scyld, -maar aan Sceáf, zijnen vader, toegeschreven. Kemble deelt, onder meer, -den volgenden tekst van Willem van Malmesbury mede: - -Iste (Sceaf), ut fertur, in quandam insulam Germaniae Scandzam, de -qua Jordanes, historiographus Gothorum, loquitur, appulsus navi sine -remige puerulus, posito ad caput frumenti manipulo, ideoque Sceáf -(Ned. schoof) nuncupatus, ab hominibus regionis illius pro miraculo -exceptus et sedulo nutritus, adulta aetate regnavit in oppido, quod -tunc Slasvic, nunc vero Haitheby appellalur: est autem regio illa -Anglia vetus dicta, unde Angli venerunt in Britanniam, inter Saxones -et Gothos constituta. - -Voor meer aanhalingen verwijs ik naar Ettmüllers inleiding. - -Volgens Nathanaël Muller moet Sceáf de Germaansche Ulysses geweest -zijn, waarvan Tacitus gewaagt: Caeterum et Ulixem quidam opinantur -longo illo et fabuloso errore in hunc oceanum delatum adisse Germaniae -terras... Germ. Cap. 3. - -De aankomst van den Zwaanridder in het geheimzinnige bootje komt met -de sage van Sceaf overeen. - -[37] 48 Een gouden banier of schild boven aan den mast was het teeken -van de aanwezigheid eens konings. Ettmüller. - -[38] 53 beneên de wolken: op aarde. - -[39] 56 Schyld was gestorven. - -[40] 63 Ongentheow: is eene gissing, daar het handschrift hier eene -leemte vertoont. - -[41] 64 Schilfing: Zweed. - -Ettmüller merkt te recht aan, dat deze inleiding de afstamming -behelst van den Deenschen koning Hrodgar en niet, zooals het diende, -van Beowulf den Goot, die nochtans de held van 't epos is. Een bewijs, -onder meer andere, dat dit gedeelte later bijgevoegd is. - -[42] 66 zijn dierbre magen: quodque praecipuum fortitudinis -incitamentum est, non casus nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum -facit, sed familiae et propinquitates. Tacitus, Germania, 7. - -[43] 73-74 uitgezonderd de Koningsmacht? De regel «is ten eenenmale -onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator -ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn -legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en -niet tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen -de historie hier licht geven.» Cosijn. Ook werpt hij het vers uit, -evenals Ettmüller. - -[44] 82 met hoornen voorzien: met hertegewei, dat den gevel -bekroonde. Vandaar de naam Heort of Heorot. - -[45] 83-86 Hier wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet -in het gedicht behandeld worden, maar die het onderwerp moesten -uitmaken van afzonderlijke zangen: den brand van Heorot, en de -vijandschap tusschen Hrodgar en zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst -der Headobarden. Vgl. v. 800 en vooral XXX. - -[46] 90b-103a Ingelaschte verzen, volgens Müllenhofs indeeling, -terwijl Ettmüller minder juist ook 103b-106 verwerpt. - -[47] 107-118 Ingeschoven plaats. - -[48] 115-118 Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten -van Kaïn afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke -oudheid. Vgl. v. 1283 vlg. - -[49] 119 hij: Grendel. - -[50] 127 Van dit dertigtal verslond hij er vijftien en sleepte de -overigen naar zijn hol. Vgl. v. 1614. - -[51] 129 met kampbuit: de vijftien overgeblevenen van v. 127. - -[52] 151 winters: jaren, volgens de Germaansche gewoonte van naar -winters te tellen. - -[53] 160 met geld te zoenen: het weergeld, volgens de oude -rechtspleging. - -[54] 161 glansrijker boete: door hem te dooden in den strijd. - -[55] 164 meerderen en mindren: de krijgsschaar bestond uit strijders -van hoogeren en lageren rang, in den trant van de ridders en -schildknapen der middeleeuwen. - -[56] 172 God belette hem den Deenschen troon te bestijgen; immers -Grendel ging gebukt onder Zijnen vloek. Vgl. v. 725. Ook wenschte -Grendel zulks niet. - -[57] 168-73 Inlassching. - -[58] 179 Den Godentempels. Ags. hearg-träf. «Götterzelt, Tempel.» - -De tempels werden in den regel op plaatsen gebouwd, die reeds op zich -zelf als heilig golden, vooral in bosschen. Ags. hearh beteekent dus -zoowel «heilig bosch» als «tempel». - -Sarrazin besluit uit deze plaats, dat zich in de nabijheid van Hrodgars -burcht een offerwoud bevond. - -En inderdaad, op eenige minuten van Lerje ligt een beukenbosch, het -Herthadal, vroeger ook het «heilig woud» geheeten, hetgeen volgens de -oude overlevering en volgens de meening van Deensche oudheidkundigen -eene heidensche offerplaats geweest is. In dit bosch bevindt zich -het Herthameer, dat vroeger het «heilig meer» genoemd werd. - -Als laatste bewijs haalt Sarrazin het oude getuigenis aan van Diethmar -van Merseburg. - -Is dus Lerje, blijkens het hier aangehaalde, reeds merkwaardig genoeg, -het wint nog in belangrijkheid, dank aan het opstel van Much, «Goten -und Ingvaeonen». - -Het geheimzinnige meer aan de godin Hertha (Nerthus) gewijd, waarvan -Tacitus Germ. 40 zulk aangrijpend tooneel ophangt, bevindt zich -volgens hem niet op Rügen, maar op het vruchtbare Seeland en is juist -het Herthameer in de nabijheid van Lerje. - -Seeland was dus het Nerthuseiland en Lerje (het oude Hleithra of -Lethra) het middelpunt van den Vaneneeredienst. - -[59] 181 wurggeest: duivel. - -[60] 183-191 Onechte plaats. De Denen naar de hel verwijzen enkel -omdat zij heidenen waren, getuigt van eene bekrompen godsdienstige -opvatting. Dat wij dit nochtans zoo nauw niet moeten nemen, zagen -wij reeds in de Inleiding. - -[61] 193 de zoon van Healfdeen: Hrodgar. - -[62] 198 Higelaces leenman: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het -eerst en zonder verband met het voorafgaande de held van het epos op. - -[63] 199 de Gooten. Vgl. Inleiding. - -[64] 206 Zij rieden het hem sterk aan (litotes.) Cosijn. - -Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen neef te doen blijven -Vgl. v. 2047. - -[65] 208 gewenschte teekens: Auspicia sortesque ut qui maxime observant -Tacitus. Germ. 10. - -[66] 212 Een kampheld: hij geleidde hen naar het strand. - -[67] 216 Het was hoog tij. - -[68] 220 gebonden kiel: beslagen kiel. - -[69] 223 De overtocht had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met -de beide veronderstellingen omtrent de woonplaats der Gooten laat -overeenbrengen, hetzij de reis van het zuidelijkste punt van Zweden -naar Jutland, ofwel van Jutland naar Roeskilde uitgaat. - -[70] 228 Wederlieden: Gooten. - -[71] 246 Ofschoon de strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen -zich eerst in de 9de en 10de eeuw op eene groote schaal uitbreidden, -hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd. Tacitus zegt: -Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines cujusque civitatis -fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de Deensche kustwachter -alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v. 1961. - -[72] 252 uwer een: Beowulf. - -[73] 253 huisman: in tegenstelling met -edelman. Angs. seld-guma. seld-guma ist hier offenbar der gemeine Mann, -der nur ein seld besitzt, im gegensatze zu dem edlen, der einen hof -zu eigen hat. Socin. - -[74] 285-87 Indien het ongeluk niet ophoudt, dan zal hij steeds in -'t ongeluk zijn! - -Nuchtere opmerking van interpolator La Palice. - -Müllenhoff schrapt 282b-284. - -[75] 296 De vaartuigen werden, evenals onze visschersschuiten, op -het zand getrokken. Vgl. v. 1943, 1960-61. - -[76] 305 Wangstuk: dat gedeelte van den helm dat de wangen -beschut. Het everzwijn was het aan Freyr gewijde dier. Formas aprorum -gestant. Tacitus, Germ. 45. - -Eene op Oeland in Zweden gevonden bronzen schijf stelt twee krijgers -voor, die boven op hunnen helm een everbeeld hebben. - -[77] 308 Sarrazin geeft de volgende plaatsbeschrijving van Lerje -en omstreken: - -De afstand van de zeehaven Roeskilde naar Lerje bedraagt ongeveer -5/4 uur gaans. De weg is eerst vlak, stijgt dan ongemerkt, totdat hij -halverwege het hoogste punt bereikt om daarna te dalen; zoodat men in -de verte rechts het dorp Lerje en links het slot Ledreborg ziet, dat -zich op eene hoogte verheft, ter plaatse waar, volgens de overlevering, -zich de oude burcht bevond. Sporen van de oude geplaveide baan zouden -vroeger nog te zien zijn geweest. - -In overeenstemming hiermede bevindt zich Hrodgars burcht met -de belendende koningszaal Heorot op eenigen afstand van de zee, -welke in betrekkelijk korten tijd te voet kan afgelegd worden. De -kustwachter doet aan de Gooten uitgeleide (300), totdat het hoogste -punt bereikt is, vanwaar Heorots transen zichtbaar zijn (310, 313); -hier neemt hij van hen afscheid (314), terwijl zij vervolgens afdalen -(309) en langs den steenweg (321) Hrodgars verblijf bereiken. - -[78] 312 De machtige: Hrodgar. - -[79] 331 Blauwschemerig van boven: met stalen punt. - -[80] 333 Kamper: Wulfgar. - -[81] 338 Een zulke menigte is wel wat opvallend, immers zij waren -maar met hun vijftien. Vgl. v. 211. - -[82] 359 bij de schouders: ter zijde, niet recht vóór hem. - -[83] 373 Ecgtheow was uitgeweken wegens doodslag aan Headolaf, een -Wulfing, gepleegd en «had Beowulf meegenomen». Cosijn. - -Beowulf moet op het oogenblik, dat deze gebeurtenissen plaats grijpen, -een goede vijftig jaar oud zijn. Immers toen Ecgtheow uitweek, had -Hrodgar, welke thans 50 jaar koning is (v. 1806), juist den troon -beklommen. Vgl. v. 469 vlg. - -[84] 377 vriend: Hrodgar. - -[85] 378 Waarschijnlijk wegens de beslechting van de veete met de -Wulfings. 't Is natuurlijk, dat bij die gelegenheid de Gootische -schippers van hunnen landgenoot Beowulf gewaagden. Cosijn. - -[86] 382 Wester-Denen: Denen. - -[87] 392 Oost-Denen: Denen. - -[88] 399 De sterke: Beowulf. - -[89] 401 heergetuig: de schilden en lansen, welke welstaanshalve -buiten moesten blijven. - -[90] 402 de wapenstoute: Wulfgar. - -[91] 416 Vgl. v. 206. - -[92] 423 Nergens in het gedicht wordt nader melding gemaakt van -Beowulfs kamp met de reuzen; het verslaan der Nikkers schijnt niet -te zien op v. 585. - -[93] 429 reus: Grendel wordt als een reus voorgesteld. Vgl. v. 1370 -vlg. - -[94] 435-36 Hij draagt geen wapen en vreest voor geen wapen. - -[95] 442b-43 Christelijke wereldbeschouwing. - -[96] 448 Gij hoeft niet de wacht bij mijn lijk te houden. Zoo wordt -later ook gezegd van Wiglaf, dat hij waakt bij het lijk van Beowulf -en den draak. In den tekst staat niet lijk, maar hoofd. - -[97] 454 Daar Grendel, in de veronderstelling dat hij overwinnaar -blijft, Beowulf zal verslinden, kan er geen sprake wezen van het -lijk af te leggen: De neusgaten werden gesloten, daarna werd de doode -gewasschen en gekleed. - -De tekst heeft niet lijktooi maar lichaam. - -[98] 458 Weland: Wieland in de Duitsche sage, Volundr in de -Volundarkvitha der Edda. - -De sage van den kreupelen Weland, den Germaanschen Hephaistos, is, -volgens Symons, in Nederduitschland ontstaan. Het is een mythisch -wezen en vertegenwoordigt bij uitstek den schranderen dwerg, die de -onderaardsche schatten aan zijne kunst dienstbaar maakt. - -In de Edda wordt de sage volgenderwijze verhaald: - -Nithothr, koning der Niaren, neemt den vindingrijken smid Volundr -gevangen en laat hem op een eiland zijne kunst uitoefenen, na hem -de kniepees doorgesneden te hebben. Volundr koelt zijne wraak door -'s konings zonen te dooden en dezes dochter te verkrachten. - -Van de bekkeneelen der knapen had hij drinkschalen voor den koning -vervaardigd, van de oogen edelsteenen voor de koningin en van de -tanden borstspelden voor de koningsdochter. - -Degenen die hierover meer wenschen te vernemen, verwijs ik naar het -opstel van J. Kleyntjens «Een Eddalied vertaald en opgehelderd,» -voor zoover als ik weet de eenige studie, welke in Vlaamsch België -over de Oudnoordsche letteren verschenen is. - -L'Enseignement des Langues Modernes. Jaargang 1894-95. - -[99] 459 Het noodlot is onwankelbaar. - -[100] 464 De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten, of ten -minste als nauw ermede verwant. - -Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten te doen blijven, -vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht was voor de -wraak der Wylfings: (heirschrik v. 466). - -Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte daardoor Ecgtheow. De -plaats is vrij duister. - -Müllenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden der Oostzee thuis. - -Het geslacht der Wylfingen, Wulfingen, dat ook in Widsidh vermeld -wordt, is in de Duitsche heldensage bekend. - -Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen, de moedige dienstman -van Diederik van Bern (Theodorik de Groote). - -[101] 466 hem: Ecgtheow. - -[102] 474 zoende ik: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening -te bewerken, daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen -vermaagschapt was. Vgl. 632. Nota. - -[103] 482 naar Grendels schrikverschijning: naar den verschrikkelijken -Grendel. - -[104] 491 bankvloer: de vaste bodem, waar zich de banken of -tafels bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het -nachtleger. Vgl. v. 1260. - -[105] 497 Beowulf heeft dus staande zijne aanspraak gehouden. - -[106] 501 aalkan: bierkan. - -[107] 507 aan de voeten: op de tweede eereplaats rechts van den ingang, -vóór Hrodgar, doch eene trede lager. Vgl. v. 2847. Nota. - -[108] 508 het kampgeheim ontkeetnend: den woordenstrijd beginnend. De -uitdagende woorden worden vergeleken met een wild dier, dat men -loslaat. - -[109] 529 Heado-raemen. Müllenhoff schrijft Heado-reámen -(Strijd-Reámen) en ziet erin de Raumaricii van Jordanes, de bewoners -van Raumariki ten zuiden van Noorwegen. (Angs eá = au). - -[110] 531 Brondings: Zie Inleiding, blz. 80. - -[111] 592 het land der Finnen: Finmarken aan de IJszee. - -Volgens Bugge is de episode van Brecca verwant met de IJslandsche -sage van Egil. - -[112] 598 niet bral ik dies. IJdele woordenpraal werd door de Germanen -in den hoogsten graad verafschuwd. - -Hunne nakomelingen, die nog niet wegloopen met de Fransche «blague», -schijnen er niet op gebeterd te zijn. - -[113] 595-99 Vlijmende spotternij. Gij, Hunferd, hebt nooit zulke -moedige daad volbracht, of het moest de moord van uwe bloedverwanten -zijn. - -[114] 604 uw heerscher: aan uwen heerscher. - -[115] 607-9 Waarlijk Beowulf windt er geene doekjes om! - -Er diende nochtans vrijmoedigheid toe, om deze voor de Denen zoo -geringschattende woorden in de tegenwoordigheid van al de rijksgrooten -uit te spreken. - -[116] 610 noodpand: gedwongen pand, nl. de lijken. - -[117] 614-15 Dan mogen de Denen weer hunnen intrek nemen in Heorot. - -[118] 631 zaalkroes: in de zaal gereikte kroes. - -[119] 632 Wealchtheow was van den stam der Helmingen. - -Volgens Widsidh heerschte Helm over de Wulfingen. - -[120] 633 hoog en nedrig: Krijgers van hoogeren en lageren rang. - -[121] 634 totdat de beurt zich bood: zij ging eerst de rij rond -aan den kant van Hrodgar en kwam daarna bij Beowulf, die op de 2de -eereplaats recht tegenover Hrodgar gezeten was. - -[122] 652 naast haar echtgenoot: aan zijne linkerhand. - -Ons gedicht hangt een levendig tafereel op van de Germaansche -feestmalen. Eene hoofdzaak was het, aan de gasten eene met hunnen rang -overeenkomende plaats aan te wijzen. Liederen werden voorgedragen, -sagen en eigen daden verhaald. De braspartij werd besloten met het -uitdeelen van geschenken aan elk der gasten. - -Mullenhoff ziet in vv. 624-55 eene inlassching, omdat Wealchtheow -opeens verdwenen moet zijn, want v. 656 wordt alleen van Hrodgar -gezegd, dat hij de zaal verlaat. - -Staat er niet v. 934-35 dat Hrodgar het vertrek der gade verlaat? Kon -de dichter dus de gevolgtrekking niet aan den lezer overlaten? Vgl. nog -v. 676. - -[123] 665 't bezit der zaal: de inbezitneming van Heorot te handhaven -tegenover Grendel. - -[124] 673 Zoo gij er het leven van afbrengt. - -[125] 677b-81 Christelijke overweging. - -[126] 679-81 Ter oorzake van Hrodgar verleende God in dezen d. i. in -dit bijzonder geval zijne hulp, door Beowulf af te zenden. - -[127] 690 De volgende verzen zijn eene herhaling van v. 435 vlg. - -[128] 694-95 Hij is niet bedreven in het hanteeren der wapenen, -zooals het eenen ridder past. - -[129] 711 het weefsel van het wapenheil: het geluk der wapens. - -Volgens de Edda weefden de Walkuren het weefsel van den slag. - -Wij hebben hier een mengelmoes van heidensche en christelijke -denkbeelden. - -[130] 714b.-23 Ettmüller en Müllenhoff beschouwen deze regels als van -lateren oorsprong. Ook wordt v. 724 nog eens gezegd, dat Grendel in -aantocht is. - -[131] 730 goudwoon: zoo geheeten, omdat er de koning goud uitdeelde. - -[132] 740 der halle monding: de deur. - -[133] 750-51 Hier wordt, als zoo dikwerf in 't gedicht, de ontknooping -in het verschiet gesteld. - -[134] 755-58 De Goot, die hier zoo ongelukkig aan zijn einde komt, -is Hondsció, zooals blijkt uit het mondelingsch verslag van zijnen -tocht, dat Beowulf later aan Hygelac doet. Vgl. v. 2131. - -[135] 760 met hand en voeten: met huid en haar. - -[136] 762, 763 strijdheld, de vijand: Beowulf. - -[137] 764 en stutte; Beowulf stutte zich met den arm op de bovenste -trede der bankvloer. Vgl. v. 2847 Nota. - -[138] 771 der duivels drijven: de overige monsters. Vgl. v. 1538. - -[139] 770-73 Overtollige uitbreiding. - -[140] 772-73 Hij vond hier niet meer de gelegenheid om, zooals vroeger, -een bloedbad aan te richten. - -[141] 781-82 Beowulfs vuist hield Grendels hand in bedwang. - -[142] 785 Immers de Denen sliepen niet meer in Heorot, maar in den -burcht. Vgl. v. 142 vlg. - -[143] 786 doodsontzetting: ealu-scerwen, eigenlijk bierschrik, -eene epische, destijds misschien reeds verduisterde uitdrukking, -oorspronkelijk eene plotselinge verdwijning van het bier beteekenende. - -[144] 793 menig meebank: die in 't midden van de zaal verplaatst -waren. Vgl. v. 1260. - -[145] 800 Tweede toespeling op eenen toekomstigen brand. Vgl. v. 83. - -[146] 812 Illum (principem) defendere, tueri... praecipuum sacramentum -est. Tacitus Germ. 14. - -[147] 808-22 Ettmüller verwerpt deze verzen, immers daar Beowulf in -zijn land vernomen had, dat Grendel geene wapens te vreezen had (v. 435 -vlg.), moesten zijne makkers het ook geweten hebben. Müllenhoff wijst -ook op eene tegenspraak. Beider gevoelen komt mij niet aannemelijk -voor. Vgl. Aanmerkingen. - -[148] 834 weeldelooze woning: het meer, dat zich te midden der -moerassen aan den voet der rotsen uitstrekte. - -[149] 851 volgens mijn ervaren: De dichter doet een beroep op de -dichterlijke overlevering van zijnen tijd. Deze getuigenis keert bij -herhaling terug. - -[150] 854 voetspoor: Zij begaven zich naar het meer. - -Beowulf was er niet bij; immers later zegt hem Hrodgar: - -«Nog kent gij niet de plek» en hij beschrijft hem dan het geheimzinnige -meer. Vgl. v. 1387 vlg. - -[151] 865 Ingelascht vers. - -[152] 871 tusschen tweelingzeeën: tusschen Noord- en Oostzee. - -[153] 876a Hrodgar krijgt meer dan eens zoo'n pluimpje, ofschoon -het gedicht een eerbiedig zwijgen bewaart over zijne wapenfeiten. De -grijsaard komt mij al te jammerend voor. - -Ik denk hier onwillekeurig aan Tacitus Germ. 14. «sua... fortia facta -gloriae eius (principis) adsignare praecipuum sacramentum est.» - -[154] 881 Het ideaal van zulk een dichter wordt ons in Widsidh -voorgesteld. - -[155] 886 elk liet nu weten: De overgang van Beowulf, den dooder van -Grendel, op Sigmund, den dooder van Fafnir, ligt voor de hand. - -[156] 889 des Walsings: Sigmund, zoon van Wals. - -[157] 892 Fitela: Sinfjötli in de Edda, de oudste zoon en neef van -Sigmund, die zijnen vader op de zwerftochten ter zijde stond. - -[158] 896 der reuzen: Nevelingen. - -[159] 900 vuurdraak: Fafnir; de schat, waarvan sprake, is de schat -der Nevelingen. - -Het Angelsaksisch gedicht verwart hier den vader met den zoon: Niet -Sigmund, maar zijn zoon Sigfried, de held van de Wolsungensage in de -Edda en van het Duitsche Nibelungenlied, doodde den draak en verwierf -daardoor den schat der Nibelungen. - -[160] 917 bij 't reuzendom: de Nibelungen, welke oorspronkelijk -de daemonische, duistere machten zijn, die het eerste den schat -bezaten. In den tekst staat niet Sigmund maar hij. - -De volgende zin ziet op het verdriet van Sigmund in zijne -gevangenschap. - -[161] 912-16 Sigmund was de vermaardste held geweest na Heremod. - -[162] 920 tot levenskommer: door te sterven. Het ongelukkig uiteinde -van Sigmund in het geweld der Nibelungen was voor zijne lieden een -levenslange kommer. - -Volgens Bugge is hier sprake van Heremod, die bij de reuzen -verraderlijk gedood werd en in 's vijands handen, d. i. de macht des -duivels, geraakte. Ook volgens Müllenhoff slaat v. 918-920 op Heremod. - -[163] 922 't vertrek des koenen: van Heremod. - -[164] 921-27 Evenals Sigmunds tochtgenooten zijne verdwijning -betreurden in de macht der Nibelungen, zoo ook betreurden de -Denen, dat de even dappere Heremod, die hetzij vrijwillig, hetzij -gedwongen vertrokken was, door zijne wreedheid de van hem gekoesterde -verwachtingen bedrogen had. - -Het lot van Heremod wordt met dat van Sigmund vergeleken. Er zijn twee -punten van aanraking: hunne heldenkracht en hun ongelukkig uiteinde. - -[165] 927 De bloedvriend Hygelacs: Beowulf. - -[166] 929 aan gene: aan Heremod. Wij hebben hier eene tegenstelling -tusschen het gedrag van Beowulf en dat van Heremod. - -Deze verzen dienen tevens tot aanknooping van de -Sigmund--Heremodepisode met den held van het gedicht. - -Later wordt nog op twee plaatsen van Heremod melding gemaakt: 1742 -vlg. en 2236 vlg. - -De sage van Heremod heeft, volgens Bugge, veel overeenkomst met de -Noordsche sage van Ali frokni (de koene). - -[167] 932 morgenlicht: morgenzon. - -[168] 934 het wonderfeit: de arm van Grendel. - -[169] 938 langs den medeweg: langs den weg naar Heorot, de drinkhalle. - -[170] 941 Grendels hand, het zegeteeken van Beowulf, werd vóór de deur, -op de stoep gelegd, waar ieder ze zien kon. - -[171] 945-46 Ingelascht. - -[172] 957 Wie zij ook zij: Deze woorden zijn opvallend in Hrodgars -mond; immers wij weten, (v. 374) dat hij Beowulfs moeder «Hredels -eenige dochter» kende, al blijft ook haar naam in het duister. - -[173] 976 in zijnen tooi: wapenrusting. - -[174] 991 de groote dagvaart: dag des oordeels. - -Deze drie verzen zijn blijkbaar van christelijken oorsprong. - -[175] 1008 de weefsels: Het was de gewoonte bij feestelijke -gelegenheden de wanden met kostbare stoffen te bedekken, waarop -dikwijls kunstvolle onderwerpen waren voorgesteld. - -[176] 1016 dit: de dood. Het onderwerp moet uit de beteekenis van -den vorigen zin worden opgemaakt. - -[177] 1017-20 de noodwendig voor iedereen bereide doodstede. - -[178] 1016-22 Iedereen moet sterven, dit kan zelfs dan gebeuren, -wanneer men zich het minste er op verwacht b. v. als men is ingedommeld -na het feestmaal. - -Deze gebrekkige verzen zijn blijkbaar een inlapsel. - -[179] 1022 de dagstond: Daar er, ten minste in het Noorden, twee -hoofdmaaltijden plaats grepen, een om 9 uur 's morgens en een 's -avonds na volbrachte dagtaak, moeten wij 9 uur aannemen. - -Immers het was nog morgen (931-35) en later wordt gezegd, dat zij -den ganschen dag tafelden (2171). - -Ook kan de tocht naar het meer, die vooraf had plaats gehad, geen -bezwaar opleveren, want de afstand was niet groot (1387) en zij lieten -somtijds hunne paarden draven (876). - -Het feestmaal duurde tot 's avonds. Vgl. 1256, 2171. - -[180] 1030 Hrodulf: Hrodgars neef en mederegent. - -[181] 1032 Een strijd tusschen Hrodgar en Hrodulf wordt in het -verschiet gesteld, strijd waarover het gedicht het zwijgen bewaart. Zie -ook v. 1182. De dichter zinspeelt hier, evenals vroeger bij de -verhouding tusschen Hrodgar en Ingeld (v. 83), op de dichterlijke -overlevering van zijnen tijd. - -[182] 1038 den vorst: Beowulf. - -[183] 1049 Van deze acht paarden schenkt Beowulf er later vier aan -Hygelac en drie aan Hygd. Vgl. 2220, 2232. - -[184] 1057 der Denen: der Ingwinen, in den tekst. - -Deze naam herinnert ons aan de Ingaevones van Tacitus. De volkeren -langs de Noordzee vereerden den god Ing d. i. Freyr. - -[185] 1067 den man: Hondsció. Vgl. v. 2131. - -[186] 1071 Wyrd: noodlot, eigenlijk een der drie Nornen of -schikgodinnen; doch wordt, evenals in den Heliand, gebezigd voor -Gods Voorzienigheid. Christendom en heidendom worden weer in eenen -adem genoemd. - -[187] 1069-76 Stichtelijk gerijm. - -[188] 1073-76 Het vertrouwen op God is de beste steun in al de -omstandigheden dezes levens. worsteldagen: aardsche leven. - -[189] 1078 Hnäf: vorst der Half-Denen en veldheer van Healfdeen, -koning der Denen. Daar Hrodgar, Healfdeens zoon, nu vijftig jaar het -bewind voerde, was er ruim eene halve eeuw verloopen sinds de hier -vermelde gebeurtenissen. - -[190] 1081 de zanger van Hrodgar: Hunferd. - -[191] 1082 Finnes zonen: de mannen van Finn, koning der Friezen. - -[192] 1083 overrompeling: van den kant der zich wrekende -Denen. Vgl. 1161 vlg. - -[193] 1084 Half-Denen: Volgens Bugge waren dit geene eigenlijke Denen, -ofschoon hunne bondgenooten; want Hnäf behoorde tot de Hokingen en -Sigeferd, waarvan in het Finsburglied sprake is, tot de Secgas. De -overige benamingen integendeel, als Noord-Oost-Zuid-Deen, zijn zoovele -benamingen voor een en hetzelfde volk nl. de Denen. - -[194] 1085 't Friezenveld: slagveld, waar veel Friezen gevallen waren, -de Finsburg met omgeving. Vgl. 1094 vlg. - -De kamp, waarin Hnäf verraderlijk viel onder de slagen van Finn en -zijne Friezen, wordt ons in het Finsburgfragment geschilderd en gaat -bijgevolg de hier verhaalde gebeurtenissen onmiddellijk vooraf. - -[195] Hildburg, bloedverwante, misschien de zuster van Hnäf, en Finns -gemalin. In Widsidh heet Hnäf de vorst der Hokingen; daar nu Hildeburg -Hokes dochter is (Vgl. v. 1090), zoo was het vermoedelijk eene oude -veete, die door het huwelijk van Finn en Hildeburg was bijgelegd, -doch die nu weer losbreekt door den verraderlijken overval in Finsburg. - -Dit verklaart dan Eotentrouw. Ettmüller. - -[196] 1086 Eotentrouw: Friezentrouw. - -[197] lieve loten en broeders: hare zonen en broeders, welke zich -onder de gesneuvelde Half-Denen bevonden. - -[198] 1090 toen de morgen daagde: De Half-Denen werden 's nachts in -Finsburg overvallen. - -[199] 1095 dingplaats: de vergaderplaats, waar beide partijen tot -onderhandeling of, desnoods, tot een nieuw gevecht tegenover elkander -stonden. - -[200] 1096 Hengest: Hnäfs opvolger als bevelhebber der Half-Denen. - -[201] 1098 veldheer van den koning: Hengest, veldheer van Healfdeen. - -[202] 1099 Zij: de Friezen. - -[203] 1106 als wilde enz. Finn onthaalde de Denen of Half-Denen, -alsof het zijne eigen Friezen waren. - -[204] 1110 de resten van de ramp: de overblijvende Deensche strijders. - -[205] 1111 volgens 't oordeel van de raden: in geval van oneenigheid -zouden de raadslieden uitspraak doen. - -[206] 1112 hunner: Denen. - -[207] 1114-15 Ofschoon de Denen Finn moesten gehoorzamen, den dooder -van Hnäf. - -Finn vertegenwoordigt zijn volk, immers wij weten niet, of hij zelf -de dooder was. - -1110-11 behelst den eed der Friezen, alsmede 1116-18; - -1112-15 dien der Denen. - -[208] 1120 het glanzend goud: waarmede Finn volgens v. 1103 vlg. de -Friezen en de Denen moest beschenken. - -[209] de koenste wapenkrijger: Hnäf. - -[210] 1122-24 sua cuique arma... igni.. adjicitur. Tac. Germ. 27. - -[211] 1127 op 's broeders brandmijt: de tekst heeft: op Hnäfs -brandmijt. - -[212] 1130 bij den schouder: van Hnäf. - -[213] 1133 heuvel: grafheuvel. - -[214] 1137 beide stammen: Friezen en Denen. - -Geven wij hier duidelijkheidshalve een overzicht: - -Finn, de koning der Friezen, heeft de Half-Denen of Denen, hetgeen op -hetzelfde neerkomt, des nachts verraderlijk overrompeld in Finsburg. De -vorst der Half-Denen, Hnäf, bevelhebber van den Deenschen koning, -en broeder van Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden. - -Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn, betreurt bij het aanbreken -van den morgen den dood harer Deensche bloedverwanten. - -Daar de meeste Friezen bij den aanval op Finsburg zijn gesneuveld, is -Finn niet meer bij machte om de overgebleven Denen te vernietigen. Hij -onderhandelt bij gevolg met Hengest, opvolger van Hnäf als bevelhebber, -en een vredesverdrag komt tot stand. - -Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel rechten als de Friezen, -worden gehuisvest en zullen met de gebruikelijke geschenken bedeeld -worden door Finn, dien zij als koning erkennen. De geschillen zullen -door de raadslieden worden bijgelegd. - -Mocht een Fries zinspelen op de vroegere vijandschap, hij zal dit -met het leven boeten. - -Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de koningsgaven uit aan -beide stammen. - -Daarna wordt een groote brandstapel opgericht, waarop het lijk van -Hnäf met de gesneuvelde vrienden en vijanden verbrand wordt, terwijl -Hildeburg den gebruikelijken klaagzang aanheft. - -[215] 1139-41. De verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne -gesneuvelde vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij -gevolg moet de Finsburg, waar de in 't vorige hoofdstuk vermelde -gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland, -maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen zijn. - -[216] 1143 in alles een: in de beste verstandhouding, ten minste -in schijn. - -[217] 1152-56. Met de aankomst der lente was de zee bevaarbaar, -derhalve wenschte Hengest naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was -hij nog meer verlangend zich op de Friezen in een gevecht te wreken. - -[218] 1157-60 Om zijn tweevoudig doel te bereiken, weigerde Hengest -niet, zich voor eenen dienstman van Finn te verklaren. - -Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier vermelde zinnebeeldige -handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des Konings, dat hem door -Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand te nemen. - -Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh de Koning der -Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de Friezen -verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland gedaan -heeft (Vgl. 2420 vlg.), zoo verschijnt hier Hun aan het hof van Finn. - -Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een onderkoning van Finn -is, evenals Hnäf, die toch zelf koning geheeten wordt, Heal'deens -veldheer was. - -[219] 1163 Gudlaf en Oslaf: twee Deensche krijgers, welke ook in -'t Finsburglied te zamen vermeld worden. - -[220] na de golfvaart: zij waren teruggekeerd uit Denemarken. - -[221] 1161-67. Bugge stelt zich de toedracht der zaak volgenderwijze -voor: - -Als dienstman van Finn is Hengest verplicht, den Koning geschenken -aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar Denemarken en keert -daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en Oslaf. - -Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn voorloopig in alles te -gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze geveinsde rol niet lang -volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de Denen overvallen en -Hnäf verraderlijk gedood had. - -Zoo werd de ontknooping bespoedigd. - -Wat eene andere, even aanneembare, verklaring betreft, verwijs ik -naar de Aanmerkingen. - -Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat zij verscheiden -tekstwijzigingen met zich brengt. - -[222] 1175 de edelvrouwe: Hildeburg. - -[223] 1181 Oom en broederzoon: Hrodgar en Hrodulf. - -Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van Halga, Hrodgars jongsten -broeder. Vgl. 62. - -[224] 1182 Vgl. 1032 Nota. - -[225] 1186-87 Vgl. v. 598. Alweer eene vingerwijzing op de epische -sagen, want uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds -laakbare daad. - -[226] 1196 den held: Beowulf. - -[227] 1198 uw zonen: Hredric en Hrodmund. - -[228] 1200 christelijke opvatting. - -[229] 1201-3 Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was. - -[230] 1210 daar: tegenover Hrodgar. - -[231] 1218 Hama: Hij wordt in Widsidh vermeld en komt in de -Hoogduitsche sage voor onder den naam van Heime; (ei = angs a). Hij -staat er in betrekking met Diederik van Bern en met Ermanric en -vertegenwoordigt den trouweloozen, omkoopbaren strijder. Oorspronkelijk -is 't een mythisch wezen. - -[232] 1219 Brosinghalsband: de halsband, dien de Brisingen eens -bezaten. 't Is hetzelfde kleinood als het Brisinga-men uit de Edda, -de beroemde halsband van Freyja. - -[233] 1217-20 Sedert Hama, den bezitter van den Brosinghalsband, -had nooit een held schooner halsjuweel bezeten dan nu Beowulf. - -[234] 1221 Ermenrics vervolging: Ermenric zette nl. den dief -na. Ermenric is de machtige koning der Oost-Goten Ermanarik uit de -4de eeuw. Hij vormt het middelpunt der Ermanaricssage. - -Saxo bericht van hem, dat hij groote schatten bezat en deze in zijnen -burcht verborg. - -Ons Middelnederlandsch gedicht Van den Vos Reynaerde kent hem ook: - - 2047 Wilen tere stonden - Hadde mine here mijn vader vonden - Des conincs Ermelincx scat - In eene verholne stat. - - 2374 Daer suldi vinden oec die crone - Die Ermelync die coninc droech. - -[235] 1222 en koos zich 't eeuwig heil: hij trad in een klooster; -zooals in de Diederiksage van Heime verhaald wordt. - -B. Symons toont aan, hoe deze plaats van 't gedicht den sleutel geeft -tot het verhaal van Jordanes, Historia Gothorum, c. 24, waar van -Hermanaricus gezegd wordt, dat hij eene vrouw, Sunilda, door paarden -liet vierendeelen, omdat haar echtgenoot zich bedrieglijk uit de -voeten had gemaakt; zonder dat dezes naam noch misdrijf vermeld wordt. - -Wij weten nu uit ons gedicht, dat Hama de echtgenoot was, en dat zijn -misdrijf bestond in het rooven van Ermanariks schat. - -[236] 1223 des rings: Beowulfs halssieraad. - -[237] 1224 Swerting: Hygelacs grootvader. Higelac is de geschiedkundige -Chochilaicus, koning der Denen. Zie Inleiding. - -[238] 1225 slagbuit: Dit bewijst, dat Hygelac een strooptocht -ondernomen had, dat zeerooverij bij gevolg in zwang was. - -[239] 1226 hij sneuvelde. - -[240] 1231 in Frankenhand: Het gedicht komt nog driemaal op dezen -tocht terug: XXXIII, XXXV, XL. - -[241] 1233 slechter kampvermeetlen: de Franken; de dichter heet ze -zoo, omdat zij, naar zijne meening, als krijgslieden tegen de Gooten -niet konden opwegen; want Hygelac met de zijnen moest alleen voor de -overmacht bukken (Vgl. v. 3020.) - -[242] 1240 mijn zoon ook: Ettmüller maakt de opmerking, dat Wealchtheow -den oudsten zoon Hredric op het oog heeft, die eens na Hrodgar zal -regeeren. - -[243] 1251 blijft zoo handlen: blijft zoo verknocht, gehoorzaam -en wilvaardig. - -[244] 1255 met menig edele: nochtans liet maar één ridder nl. Aschere -er het leven. - -[245] 1258 een reuzig tal van ridders: het zijn Denen en geene -Gooten. Vgl. 1303, 1322. Beowulf had vóór zijnen strijd met Grendel -beloofd, dat zij den volgenden morgen weer bezit konden nemen van -Heorot. Vgl. 614 vlg. - -[246] 1259 als vroeger: voor twaalf jaren. - -[247] 1260 den bankvloer ruimden ze op: door het wegbrengen der -banken of tafels, om op de beschikbaar geworden ruimte stroozakken -of kermisbedden te plaatsen. - -[248] 1262 Wie die beór-scealc, schenker, is, blijft in het onzekere, -daar er geene verdere melding van wordt gemaakt. - -Probably some lines are wanting. Thorpe. - -[249] 1267-71 Nihil autem neque publicae neque privatae rei nisi -armati agunt. Tacitus Germ. 13. - -Ad convivia procedunt armati ib. 22. - -Het was insgelijks bij de Scandinavische volken regel, dat ieder man -zijne wapens des nachts boven zijn bed had hangen. - -[250] 1273 een: Aschere. - -[251] 1278 een wreker: God. - -[252] 1277-79 Christelijke voorstelling. - -[253] 1281 de ijzing der kolk: de ijselijke kolk. - -[254] 1292 die: Beowulf. - -[255] 1283-99 Deze verzen, welke slechts zoutelooze herhalingen -vermengd met christelijke denkbeelden behelzen, zijn uit te werpen. - -[256] 1301 het jammervolle pad: Grendels spoor, dat zich van het -nikkermeer tot aan Heorot uitstrekte. - -[257] 1303 langs de woon: de bankvloer strekte zich langs de -hoofdzijden der zaal uit. Vgl. v. 2847 Nota. - -[258] 1304 een omkeer: eene verandering ten kwade. - -[259] 1306-8 Evenals de kracht der vrouw het niet kan halen bij die -eens krijgsmans, zoo ook boezemde het verschijnen van Grendels moeder -minder schrik in dan dat van haren zoon. - -Deze bemerking kan men zoo voetstoots niet aannemen, immers het blijkt -later, dat Beowulf ter nauwernood en alleen door Gods hulp Grendels -moeder overwon. - -[260] 1312 Zij waren dus van het leger opgesprongen, om zich achter -de in het midden der zaal geschoven banken te verschansen. - -[261] 1315 wien overviel de vrees nl. de Denen. - -[262] 1318 een ridder: Aschere. - -[263] 1325-26 Hij d. i. de vijand. De reuzin nam bij het uitgaan -Grendels schouder mede, welken Beowulf tot zegeteeken voor de deur -had neergelegd. - -[264] 1330 de boozen beiderzijds: immers Grendel en zijne moeder -hadden hun slachtoffers geëischt. - -[265] de vorst: Hrodgar. - -[266] 1343 naar zijn heusche wenschen: naar Beowulfs wensch. - -[267] 1355-57 De juiste schuilplaats van Grendels moeder t. w. de -onderzeesche woning is den koning natuurlijk onbekend; waar het -monster zich ophoudt, weet hij zeer goed, gelijk later blijkt. Cosijn. - -[268] 1365 Grendels moeder heeft een begin gemaakt met de -vijandelijkheden, waarvan het einde niet te voorzien is. Men vergete -niet, dat de bloedwraak openlijk, niet arglistig moest geschieden, -zoodat er geen zweem van misdaad mocht bestaan. Vandaar euveldader -v. 1363. - -[269] 1367 heerscher: Aschere. Nog een ander vorst, Wulfgar, behoorde -tot Hrodgars gevolg. Vgl. 340. - -[270] 1368-69 Ascheres hand zal geene geschenken meer uitdeelen, -zooals een vorst pleegt te doen. - -[271] 1377 op ballingswegen: in de eenzaamheid, ver van het menschdom. - -[272] 1382 Sarrazin beschrijft de omgeving ten Noorden van Lerje -als volgt. Daar bevindt zich een moeras, het Kattinge-moor, waarbij -zich oostwaarts het kleine en groote Kattinge-meer aansluiten. Dit -laatste staat met den Roeskilder fjord door middel van de Kornerup-Aae -in verbinding, welke nu eene beek, doch vroeger eene bevaarbare -rivier was. - -Het eigenlijke verblijf van Grendel is er achter, in de bocht, ter -plaatse waar een stroom door eene kloof in zee stort 1385. - -Deze kloof meent hij te herkennen in het oude bed der Kornerup-Aae, -waar deze in den vorm van ravijn uitmondt. - -Hier tegenover ligt in den inham zelf een klein eiland, waarop een -hert zich zou kunnen redden 1394. - -Dit eiland is de eigenlijke schuilplaats van Grendel, ofschoon de -heele omgeving, het moeras en de twee meren, tot zijn gebied behooren. - -Wat de rotsen en klippen betreft, waarvan het gedicht gewag maakt, -vindt Sarrazin geene verklaring, daar er in werkelijkheid slechts -duinen en zandheuvels te vinden zijn. - -Hij heet dit dan ook eene overdrijving, welke aan de dichterlijke -phantasie is toe te schrijven. (?) - -[273] 1399-1402 Een bewijs dat Grendel oorspronkelijk een stormgeest -was. Als zoodanig vertoont hij zich, volgens Sarrazin, nu nog in de -volkssprookjes te Roeskilde. - -Is het wel noodig, op deze sombere, aangrijpende beschrijving van -het geheimzinnige Grendelmeer te wijzen? - -[274] 1410-15 Deze woorden doen de scherpe tegenstelling uitkomen -tusschen den weekhartigen Hrodgar en den roemzuchtigen Beowulf, -den man van het Noorden «met daden in de vuisten.» Daarom kan ik mij -niet met Ettmüller vereenigen, die 1412-15 uitwerpt, als zijnde te -zeer zinspreukig. - -[275] 1433 d'ontzielden man: Aschere. - -[276] 1435 der eedlen telg: Hrodgar. - -[277] 1439 hij: Hrodgar. - -[278] 1456 zeilstraat: Zee. - -[279] 1460-1469a Müllenhoff breekt zoo maar klakkeloos den staf over -deze regels. Hij vindt ze doelloos, ja onnoozel! - -[280] 1482 noch brand: dit woord kan, evenals het Angs. brond, zoowel -vuur als zwaard beteekenen. - -[281] 1489 angstwegen: het krijgspad. - -[282] 1492 de zoon van Ecglaf: Hunferd. Zijne woordenwisseling over -Brecca's zwemtocht wordt hier in herinnering gebracht. - -[283] 1499 met d'andere: Beowulf. - -[284] 1504 der vromen: in de oude beteekenis van dapper. - -[285] 1506 voor mij: in stede van mij. - -[286] 1516-18 Laat mij (nl. Beowulf) het zwaard hebben. Hunferd had -immers Hrunting aan Beowulf geleend. Vgl. v. 1483. - -[287] 1521 Weder-Gooten: Weders, Gooten. - -[288] 1523 Vgl. v. 1392 vlg. - -[289] 1525-28 Grendels moeder werd gewaar, dat iemand in het meer -was gedoken. - -[290] 1532 dat: zoodat. - -[291] 1525-40 Müllenhoff strijkt deze verzen, omdat niet gezegd -wordt, hoe Beowulf uit de klauwen van het monster is losgekomen, -hetgeen nochtans met het oog op v. 1547b vlg. moet verondersteld -worden. Het valt nochtans te betwijfelen of het afwezig zijn van eene -omstandigheid, welke men gemakkelijk uit den samenhang kan opmaken, -tegen een grooter bezwaar nl. het wegcijferen van de heele plaats, -kan opwegen. - -[292] 1544-45 De open haardstede, die, volgens Oud-Germaansche -gewoonte, zich in het midden van het vertrek bevond. Ook hingen er, -zooals het gebruik was, wapens aan den wand. Vgl. 1588. - -[293] 1547 slagzwaard: Hrunting. - -[294] de vreemde: Beowulf. - -[295] 1551 strijdstraal: zwaard. - -[296] 1560 't gebloemde zwaard: gedamasceerd. - -[297] 1573 de moegezwoegde: het monster. - -[298] 1587 hij: Beowulf. - -De kamp met het meerwijf is verwant met de IJslandsche Grettissaga -en met de Noordsche sage van Ormr Storolfsson. Bugge. - -[299] 1585-87 Inlassching. - -God verleende aan Beowulf zijne hulp door dezes blik te doen vallen -op het reuzenzwaard aan den wand, zooals volgt. Vgl. 1692 vlg. - -[300] 1592 een ander krijger: dan Beowulf. - -[301] 1594 hij: Beowulf. - -Wat levendigheid van schildering aangaat en wisseling van krijgskans, -die de spanning voortdurend gaande houdt, overtreft deze beschrijving -die van den kamp met Grendel en mag als een waardig tegenhanger naast -het gevecht met den draak gelegd worden. - -[302] 1602 Het reuzenzwaard begint gloeiend te worden en zal daarna -wegsmelten. Vgl. v. 1638. - -[303] 1605-23a Müllenhoff kan zich niet vereenigen met Beowulfs inval, -om aan Grendels lijk het hoofd af te slaan. Dat een bloedstroom uit -het lijk ontspringt vindt hij bedenkelijk; volgens hem is het bloedig -worden van het water een gevolg van den slag, waardoor Beowulf Grendels -moeder doodt. - -[304] 1632 het negende uur: drie uur 's namiddags. - -[305] 1634 schatvriend: vriend, die schatten uitdeelt; Hrodgar. - -[306] 1635 de vreemden: de Gooten. - -[307] 1638 Later (1645 vlg.) wordt nog eens hierop -teruggekomen. Vandaar dat Müllenhoff 1638-43a verwerpt. - -[308] 1645-46 Buiten Grendels hoofd en het gevest van het reuzenzwaard -moet Beowulf ook Hrunting meegenomen hebben, immers hij geeft het -geleende aan Hunferd terug. Vgl. 1848. - -[309] 1673 de veertien: Van de vijftien Gooten (v. 211) was er één, -nl. Hondsció door Grendel gedood. - -[310] 1674 medeërf: Heorots onmiddellijke omgeving. - -[311] 1681 vreeslijk: betrekt zich op Grendels hoofd. - -[312] 1697 der woning wachters: Grendels moeder en, ofschoon het -niet uitdrukkelijk gezegd wordt, eenige van de overige watermonsters -(v. 1538), met inbegrip van het op den oever getrokken gedrocht. - -[313] 1711 het grijze wapenhoofd: Hrodgar, 3de naamval. - -[314] 1712b-14 Van latere hand, immers eenige regels verder (v. 1717 -vlg.) wordt hetzelfde herhaald. - -[315] 1719 Schedeneiland: Schonen, het zuidelijkste deel van Zweden, -aan Denemarken behoorend, doch in ons epos eene benaming voor het -Deensche rijk in het algemeen. Socin. - -[316] 1721 voorkamps: kamp uit den voortijd. - -[317] 1721-26 Ingeschoven toespeling op de giganten en op den -zondvloed. - -Onmiddellijk hierop wordt gezegd, dat de naam van den eersten bezitter -op het zwaardgevest stond ingegrift. - -Eene blijkbare tegenspraak. - -[318] 1728 runen: schrijfteekens der oude Germanen. Het runenschrift, -waarin verscheidene opschriften tot ons zijn gekomen, werd in de eerste -eeuwen onzer jaartelling aan het latere Latijnsche alphabet ontleend. - -[319] 1730 adorned with figures of snakes interlaced, a favourite -and universal ornament among the Scandinavian nations. Thorpe. - -[320] 1731 toen nam het woord: neemt den na v. 1720 afgebroken draad -van het verhaal weer op. - -[321] 1735 beter: dan ik. - -[322] 1740 Vgl. v. 961. - -[323] 1742 Tweede herinnering aan Heremod; tegenstelling tusschen -hem en Beowulf. - -[324] 1747 tot hij eenzaam scheidde: hij verliet, hetzij vrijwillig -of gedwongen, zijne Denen. - -Volgens Bugge beteekenen deze regels, dat hij stierf in de eenzaamheid -en verlatenheid. - -[325] 1753 hij deelde geene ringen: volgens de Germaansche opvatting -een blijk van een slecht vorst. - -Heremod is het afschrikkend voorbeeld van den dwingeland. - -[326] 1755-56 Bugge verklaart: na zijnen dood werd hij in de hel -gestraft. - -[327] 1767 hij: God. - -[328] 1768 hij zelf: de man van hoogen huize, de koning. - -[329] 1776 de hoeder: het geweten. - -[330] 1778 de moorder: de bekoring. - -[331] 1781 helmbeschutsel: ofschoon hij zich tegen het kwaad wil -verzetten. - -Müllenhoff oppert de meening, dat de nadichter den brief aan de -Ephesiërs voor oogen heeft gehad: In omnibus sumentes scutum fidei, -in quo possitis omnia tela nequissimi ignea extinguere. Eph. 6, 16. - -[332] 1783 des boozen geestes: de bekoring. - -[333] 1785 uit praalzin: hij schenkt geene gouden ringen meer, zooals -hij eerst uit praalzin deed. - -Dit is een Germaansche trek, welke onder deze christelijke denkbeelden -ingeslopen is. - -[334] 1787-88 Hij verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door -hoogmoed verblind is. 't Is het oude thema: quos perdere vult Jupiter, -dementat. - -[335] 1796 eeuwigdurend welzijn: het eeuwig heil. - -[336] 1803b-4 door de tooverkunsten van het kwade oog. - -[337] 1732b-1805 Müllenhoff schrijft deze verzen aan den interpolator -B toe, die zijne bedrevenheid in de Godgeleerdheid en zijne kennis der -sagen pleegt ten toon te spreiden. Het eerste gedeelte der toespraak -(1732-1805) is eene preek in den mond van den heidenschen Hrodgar; -het tweede gedeelte integendeel, dat met v. 1806 begint, is geheel -en al in overeenstemming met het verhaal. - -[338] 1812-13 Te veel voorspoed haalt onspoed binnen; zoo dachten de -oude Grieken er ook over. - -Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in hunne jeugd geene -verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later boven alle anderen -onderscheiden. - -Dit was het geval met Scyld (v. 6 vlg.) en vooral met Beowulf. (v. 2241 -vlg.) - -Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die later door -bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het Noorden den -eigenaardigen naam van kolenbijters (kolbitar), omdat zij den ganschen -dag bij het vuur in de asch zaten gedoken. - -[339] 1819 het hoofd: van Grendel. - -[340] 1825 zijn zetel zoeken: op den tegenovergestelden bankvloer. - -[341] 1837 de zeeliên: de Gooten. - -[342] 1841 de donkre raaf: speelt eene groote rol in de Germaansche -wereld; wij zien hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door -twee raven vergezeld: Hugin (gedachte) en Munin (herinnering). - -[343] 1849 Ecglafs zoon: Hunferd. - -[344] 1853 't was een moedig strijder: nl. Beowulf. - -Volgens Müllenhoff is hier Hunferd gemeend; doch waar blijven -dan de afkeurende woorden van vroeger: «hier ging zijn roem te -loor»? Vgl. v. 1498. - -[345] 1855 de heerscher: Beowulf. - -Müllenhoff werpt 1848-53 uit, omdat bij Beowulfs terugkeer -uit de diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard -medebracht. Vgl. 1645 vlg. - -Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij Beowulfs kamp op den -bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te strenge methode -gewezen. - -[346] 1861 Ofschoon eene waarlijk vorstelijke gastvrijheid bij de -Germanen heerschte, zoo was het nochtans minder welvoeglijk, indien -men meer dan drie nachten op dezelfde plaats vertoefde. - -Dit verklaart Beowulfs onmiddellijk vertrek, nadat hij zich van zijne -taak gekweten heeft. - -Den eersten nacht na zijne aankomst verslaat hij Grendel in Heorot; -den tweeden nacht brengt hij door in een ander verblijf dan Heorot, -hoogstwaarschijnlijk in den burcht, terwijl Grendels moeder in de -troonzaal binnendringt; den derden dag doodt hij haar op den bodem -van het meer, waarna hij alweer ongestoord mag slapen. - -Den vierden dag heeft eindelijk het vertrek plaats, zoodat hij, de -twee etmalen er bijgerekend, welke de heen- en terugreis vorderde, -op den 6den dag na zijn vertrek bij Hygelac terugkomt. - -[347] 1869 de haatgezinden: Grendel en diens moeder. - -[348] 1875 wapenhout: de lans. - -[349] 1880-81 Tacitus Germ. 14. plerique nobilium adulescentium petunt -ultra eas nationes, quae tum bellum aliquod gerunt, quia et ingrata -genti quies et facilius inter ancipitia clarescunt. - -In plaats van thuis te blijven, zal Hredric dus beter doen, zoo hij, in -den aard der schildknapen in de middeleeuwen, zich bij Hygelac in den -wapenhandel komt bekwamen. Ook Beowulf had zijne jeugd doorgebracht bij -Hredel. Zich roem in den vreemde verwerven, behoorde tot de opvoeding -der Scandinavische jongelingen. - -[350] 1885 op die jonge jaren: Dat Beowulf niet meer piepjong was, -blijkt uit v. 373 nota. Hrodgar heeft hem misschien zoo geheeten, -omdat hij aan het verschil tusschen Beowulfs ouderdom en zijnen eigen -hoogen leeftijd dacht. - -[351] 1889 den zoon van Hredel: Hygelac. - -[352] 1894-95 Wij zullen later zien, dat zulks zijn wensch niet was. - -[353] 1904 duikelaarsbad: de zee, het bad der duikereend. - -[354] 1901b-4 Gaudent praecipue finitimarum gentium donis. Tacitus -Germ. 15. - -[355] 1919 Hrodgar hoopte, dat Beowulf frisch en gezond zijn land -zou bereiken, en daarna spoedig terugkeeren. Vgl. 1912-14. - -Wat dit laatste betreft, koesterde hij nochtans slechts eene flauwe -hoop. - -[356] 1920 bij de toespraak: in de volksvergadering. - -[357] 1924-25 in het geheim - -[358] 1926 ondanks het bloed: Ofschoon Beowulf niet tot zijne familie -behoorde, beminde Hrodgar hem meer dan zijne eigen kinderen. - -[359] 1935 der dappren stoet: de Gooten - -[360] 1941-42 Hun terugkeer naar het land der Gooten zou den -landgenooten aldaar welkom wezen. - -De wensch des kustwachters (v. 299 vlg.) had zich dus bewaarheid. - -[361] 1946 den hoeder: Vgl. v. 294 vlg. - -[362] 1976 Hygd: Hygelacs gemalin, Häreds dochter. - -[363] 1981 Thrydho: gemalin van Offa en bekend om hare wreedheid. De -zachte, vrouwelijke aard van Hygd wordt in het licht gesteld door -tegenstelling met het fier, wildjonkvrouwelijk karakter van Thrydho, -dat ons aan de noordsche Walkuren en aan Brunhilde herinnert. - -[364] 1986-90 Zij liet den vermetele in boeien klinken en daarna ter -dood brengen. - -[365] 1993 de vredeweefster: zoo heet de koningsgade, welke dikwijls -uitgehuwelijkt werd, om den vrede tusschen twee vijandelijke stammen -te stichten. Men herinnere zich Hildburg en Fin en vergelijke vooral -Freoware en Ingeld v. 2078 vlg. Over het algemeen hadden de noordsche -volken zeer kalme en beredeneerde beschouwingen bij het sluiten van -een huwelijk. - -[366] 1595 Hemings bloedmaag: Offa, koning der oude Angelen. - -Hij maakte een einde aan Thrydho's wreedheid, door haar andere -gevoelens in te boezemen, als volgt. - -Deze Offa der sage, die in de vroegere verblijfplaats der Angelen -heerschte, wordt ook in Widsidh vermeld. Volgens dit gedicht lag zijn -rijk in Sleeswijk. - -Ons epos heet zijne schoone echtgenoote Thrydho, dat kracht, zooveel -als virago beteekent en nog in ons Geertruid, de speerkrachtige, -voortleeft. - -Verder wordt gezegd, dat zij eene hardvochtige vrouw was. Geen man, -uitgenomen haren echtgenoot, mocht de oogen naar haar opslaan, of -hij werd aanstonds geboeid en daarna gedood. - -Nadat zij op raad van haren vader de zee was overgestoken en in -Offa, den koning der Angelen, eenen waarden echtgenoot had gevonden, -veranderde haar inborst en werd zij eene voortreffelijke koningin en -liefhebbende gade. - -Deze lezing is, volgens Müllenhoff, de oudste vorm der sage, terwijl -in latere bewerkingen haar oorspronkelijk wild karakter weer bovenkomt. - -Buiten dezen Offa der sage, is er ook een geschiedkundige Offa, koning -van Mercië, gestorven in 796. Zijne echtgenoote heette Cynethrydh -d. i. virago regia, en in het Vita Offae II Drida (Thrydho) of na -haar huwelijk Quendrida d. i. koningin Drida. - -In dit Vita Offae I en II uit de 13de eeuw werden, wegens de dubbele -overeenkomst van naam, op deze laatste al de wreedheden van de gemalin -des eersten Offa's overgebracht; een bewijs dat de sage van Offa bij -de Angelsaksen zeer verbreid was. Suchier toont aan, dat zij zich -ook bij de Kelten en Romanen voortplantte. - -Müllenhoff schrijft de heele Thrydho-Offaepisode aan den interpolator -B toe. - -[367] 1996 zeiden zij iets anders: De krijgers, welke bij de -drinkgelagen oude sagen plegen op te halen, verhaalden iets anders -over de gehuwde Thrydho. - -[368] 1997 geringer gruwlen: in 't geheel geene -gruwelen. (litotes.) Cosijn. - -[369] 2000 Offa's halle: in het oude Anglië. - -[370] 2005 den heldenvorst: Offa. - -[371] 2011-12 Deze drie eigennamen komen maar eens voor; het zijn -helden van de Angelsaksische volksoverlevering. - -[372] 2013 de held: Beowulf. Zij begeven zich naar Hygelacs -woning. Vgl. v. 1971 vlg. - -[373] 2016 vanuit het Zuid: het was middag. - -[374] 2019 Verwinnaar Ongentheows: het was niet Hygelac, maar Eofor, -een zijner mannen, die den koning der Zweden doodde, doch de vorst -vertegenwoordigt zijne onderhoorigen. - -[375] 2027 daar zat hij nu: Beowulf; hij zat, als voornaamste gast, -op den tegenovergestelden bankvloer. - -[376] 2029 de mannenkoning: Hygelac. - -[377] 2032 Hareds dochter: Hygd. - -[378] 2037 Hij werd gefolterd door nieuwsgierigheid, om te weten enz. - -[379] 2059 op gindschen uchtendgil: ziet terug op «het machtig -morgenwee» (v. 132-33) dat door de Denen werd aangeheven bij het zien -van het door Grendel aangerichte bloedbad. - -Als nog eenig monster leeft, dan hoeft het niet te pochen op Grendels -daden. - -[380] 2067: vreeverwante: Wealhtheow, Hrodgars gemalin; het woord -beteekent hetzelfde als vredeweefster. - -[381] 2072 Vroeger is van Freaware geen sprake geweest. - -[382] 2077 Froda: vorst der Headobarden en Ingelds vader. - -[383] 2078 Schyldingsvriend: Hrodgar - -[384] 2080-81 Vandaar de naam vredeweefster, vreeverwante. - -Men houde in het oog, dat Beowulf hier toekomstige gebeurtenissen -voorspelt; Freaware heeft hij alleen als verloofde (v. 2077) gekend. - -De episode der Headobarden komt hierop neer: - -Froda, de vorst der Headobarden, heeft het onderspit gedolven in het -gevecht met de Denen en is er gesneuveld. Ten einde de twee volken -met elkander te verzoenen, schenkt Hrodgar de hand zijner dochter -Freaware aan den jeugdigen Headobardenkoning Ingeld, zoon van Froda. - -Onder Freawares dienaars bevindt zich de zoon van den Deen, welke Froda -gedood heeft. Terwijl hij bedient in de koningshal, pronkt hij met den -door zijnen vader buitgemaakten krijgstooi van Froda, onder anderen met -het zwaard. Dit ziet slechts noode een oud krijger der Headobarden, -die alle gevechten heeft meegemaakt. Hij wijst er Ingeld op en zet -hem door zijne verontwaardigde taal langzamerhand tot wraakneming -aan. De jonge, praalzieke Deen wordt gedood; de moordenaar ontvlucht -en de strijd tusschen Denen en Headobarden is weer losgebroken. Men -vergete niet dat, volgens de Oudgermaansche denkbeelden, het voor -den zoon een heilige plicht was zijnen vader te wreken. - -[385] 2085 den heer der Headobarden: Ingeld. - -[386] 2087 met zijne gade: Freaware, Hrodgars dochter; de zaal -is Heorot. - -[387] 2088-89 Een der edelen was belast met het bier in te -schenken. Vgl. v. 501. - -[388] 2090 des vaders heertuig: de kamptooi van Froda, Ingelds vader. - -[389] 2096 een grijze lansheld; een krijgsman der Headobarden; zijn -naam wordt niet vermeld evenmin als die van Froda's dooder en den -Deenschen hofjonker. - -[390] 2099 des jongen krijgerkonings: Ingeld. - -[391] 2115 de dienaar van de vrouwe: de jonge Deen, welke aan Freaware -tot hofjonker werd gegeven. - -[392] 2116 de tweede: de moordenaar van den jongen Deen. - -Zou het misschien de grijze lansheld zijn geweest? - -[393] 2119-20 De zucht om zijnen vader en zijn volk te wreken legt -het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne Deensche gade. - -Voorwaar een echt dramatische toestand! - -[394] 2121b-23 Dat Beowulfs voorspelling zich bewaarheid heeft, -hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling gezien. Hoe deze strijd -afgeloopen is, weten wij buitendien uit Widsidh, waar gezegd wordt, -dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf in Heorot verslagen werden. - -Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben over den krijg met de -Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig. - -Immers Müllenhoff toont ons een overeenkomstig verhaal bij den -Deenschen schrijver Saxo Grammaticus omtrent Frotho, den vader van -Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche vertaling mede van twee -liederen uit de 10de eeuw, die in hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen -van eenen ouden strijder, Starcatherus geheeten, die Ingellus tot -wraak aanzet. - -Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan van het volksepos uit -afzonderlijke epische liederen. - -Müllenhoff schrijft de Headobarden-episode (v. 2085-2120a) aan -inlasscher B toe. - -Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden, maar een volk, dat -tot de Herulers behoorde. - -Het zijn de bewoners van Seeland, die op het einde der 5de of in 't -begin der 6de eeuw door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes -bericht, dat de Denen van uit Scandinavië (Schonen) afzakkende de -Herulers uit hun land verdreven. - -Müllenhoff veronderstelt diensvolgens, dat beide volken een tijdlang -hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als zelfstandig koning naast -Hrodgar kan optreden. - -Ons epos herinnert hier dus een feit van overwegend belang, nl. de -grondvesting van het Deensche rijk. Much neemt deze verklaring aan. - -[395] 2127 't juweel der transen: de zon. - -[396] 2131 Hondsció Vgl. 756, 1067. - -[397] 2140 een handschoen: eene nieuwe bijzonderheid. - -[398] 2150 uw volk: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen, -zij kenden geen volk of natie in de tegenwoordige beteekenis van het -woord. Het eenige verband tusschen verschillende stammen was alleen -van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen. - -[399] 2162-66 Müllenhoff zet deze verzen op rekening van den -nadichter. Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat -verwondering baren, vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar -zijn zanger de Finn-episode voordroeg. - -[400] 2167-70 Deze weemoedige stemming bij het terugdenken -aan de vroegere heldenkracht is een kenmerkende trek van het -gedicht. Vgl. v. 1934. - -[401] 2172 den ganschen dag: diem noctemque continuare potando nulli -probrum. Tacitus, Germ. 22. - -[402] 2206-7 Nu dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden -koning meer. - -[403] 2208 tenzij U, Hyglac: Als eene halve eeuw later Beowulf zal -sterven, blijft nog alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings, -waartoe Beowulf behoort. Vgl. v. 2910 vlg. - -[404] 2210 de hoofdbanier: voornaamste banier; zij was bekroond met -een everkop. - -De geschenken, welke hier aan Hygelac worden aangeboden, zijn dezelfde, -welke aan Beowulf v. 1034-54 door Hrodgar werden gegeven. - -[405] 2216 Heorogar: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood -was. Vgl. v. 471. - -[406] 2221 op 't voetspoor: onmiddellijk hierop. - -[407] 2229 den halsring: Wij hebben gezien, hoe later dit -prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der Franken -geraakte. Vgl. v. 1222 vlg. - -Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan hebben. - -[408] 2236-40 Toespeling op Heremod. - -[409] 2234-47a Müllenhoff beschouwt deze verzen, welke den gang van -het verhaal stremmen, als een invoegsel, vooral met het oog op de -hem hier toegeschreven onmannelijke jeugd. - -Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd met Brecca, dien hij als -knaap ondernam, en van zijne eigen woorden «Menig roemvol waagstuk -bestond ik in mijn jeugd» v. 409? - -[410] 2252 een landmaat: volgens Bugge de hid d. i. een halve -vierkante meter. - -[411] 2256 den tweede: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op -en had dus meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts -de neef was. - -[412] 2258 Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos; de kamp -met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte uitmaakt, -heeft ten minste eene halve eeuw later plaats, daar Beowulf reeds -vijftig jaar over de Gooten heerscht. - -Volgens Müllenhoff zijn de verzen 2258-2465 het werk van B, om de -twee deelen aan elkaar te verbinden. - -[413] bij de strijdonstuimen: bij de Gooten. - -[414] 2260 Heardred: de zoon van Hygelac, 3de naamval. - -[415] 2261 de Schilfings: Zweden, het zijn hier de zonen van Ochter, -den koning der Zweden. - -Men verwarre niet de Schilfings (Zweden) met de Schyldings (Denen). - -[416] 2263 zijn zegevolk: de Gooten. - -[417] 2264 Den neef van Hererik: Heardred; deze naam komt maar -eens voor. - -De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn zoon Heardred, die -hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen inval, welken -de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom Beowulf den -troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg met de Zweden; -er wordt nog driemaal XXXIII, XXXV, XL-XLI op teruggekomen. - -In XXXIII worden nadere bijzonderheden gegeven over hetgeen hier -slechts ter loops is aangestipt. - -[418] 2266 wel vijftig winters: Beowulf was dus meer dan honderd jaar -oud toen hij stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij -Grendel doodde (Vgl. v. 373 nota) en het was slechts in later dagen, -(v. 2259) dat hij den troon beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen -ouderdom op 120 jaar aanslaan. - -[419] 2273 des heidens: de eenzame edelman. Vgl. v. 2338. - -[420] 2274-78 vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige -letters na is verloren gegaan. - -[421] 2279-80a Vertaald naar Bugges gissing. - -[422] 2280 wien het zeer zou schaden: de dief, immers hij moet later -zijns ondanks den weg naar het drakenhol toonen. Of hij eene andere -straf onderging, wordt niet vermeld. - -[423] 2285-86a bij het zien van den slapenden draak. - -[424] 2287 op zoek naar eenen ingang: naar een -toevluchtsoord. Vgl. v. 2283. - -[425] 2284-88 Vertaald naar Bugges verbetering van den geheel en al -verminkten tekst. - -[426] 2297-98 Hij wenschte zijnen stervensdag uit te stellen, om nog -lang de schatten te kunnen genieten. - -[427] 2308 ontvingen dit van u: het goud, dat uit den grond wordt -opgedolven, hetzij uit mijnen, hetzij uit grafsteden. - -[428] 2311 't heil des hemels: Angs, sele-dreám; het kan ook beteekenen -het zaalgejubel, en moet dan verstaan worden van de luidruchtige -drinkgelagen. - -[429] 2324 gezellig hout: de harp. - -[430] 2328 In de klacht van dezen eenzamen edelling vertoont zich -reeds dat weemoedige waas, dat, als een herfstnevel, aan de Engelsche -en Duitsche letteren die droomerige, hoogst dichterlijke tint bijzet. - -Nochtans vraag ik me af, of de oude Engelschen zich door hunne weekheid -van gemoed kenmerkten, zooals Heinzel, ten Brink en anderen beweren. - -Wij zien dit wel is waar bij Hrodgar, doch hier zijn bijzondere -redenen toe. - -Mij dunkt, dat de levensopvatting eerder blijmoedig mag heeten; -ten bewijze de lustige feestmalen en de omschrijvingen voor sterven, -als de volgende: - - - en luttel - genoot hij nog de vreugde van het daarzijn 2152. - - nu 's legers leidsman - 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. 3127. - - -Bugge verklaart den elegischen toon, die op sommige plaatsen -onmiskenbaar is, door Keltischen invloed. - -[431] 2334 bergen: grafheuvels, waar schatten in verborgen zijn. - -[432] 2339 niet beter zal 't hem wezen: vingerwijzing op de -ontknooping. - -[433] 2342 gene man: de dief. - -[434] 2343 bij zijn meester, Beowulf. Vgl. v. 2473. De «heldenzoon» -(v. 2282) wiens slagen de arme ontvlucht, moet iemand anders -zijn. Müllenhoff. - -[435] 2353-54 Christelijke beschouwing. Hiervolgens moet door geheime -hulp (v. 2351) geen toovermacht, maar Gods bijstand verstaan worden. - -[436] 2361 De draak verheugde zich bij voorbaat in de verwoestingen, -die hij zou aanrichten. - -[437] 2363 Hij bemerkte dit reeds voor den derden keer (2350, 2355). - -[438] 2374 schattenplenger: Beowulf. - -[439] 2376 heerenhoven: Beowulfs hof, de volksburg van v. 2399. - -De draak maakte Beowulf aansprakelijk voor den diefstal, want volgens -de Germaansche rechtsbegrippen was de meester verantwoordelijk voor -de daden van zijnen slaaf. - -Het koningshof was niets anders dan eene groote hoeve. - -Zulke hoeve bestond in 't Noorden uit minstens drie of vier woonhuizen, -buiten bijgebouwen en stallen. - -De hoeve vormde een op zich zelf staand geheel, dat in zijne eigen -behoeften moest voorzien. - -Vandaar dat elk van de vrij talrijke bewoners zijnen bepaalden -werkkring had. Vgl. v. 2317 waar van de wapensmeden gesproken wordt. - -[440] 2388 op strijd en wand: op zijnen moed en op de rotswanden van -den grafheuvel. - -[441] 2392 giftgestoelte: koningshalle. - -[442] 2392b-98 Christelijke overweging. - -[443] 2399 Het verblijf der Gootische koningen bevond zich dicht bij -zee. Vgl. v. 1971 vlg. - -[444] 2409 lang: 300 jaar. Vgl. v. 2340. - -[445] 2413 Hij vreesde niet de kampvaardigheid van den draak, maar -wel zijnen vuurgloed. - -[446] 2420 Hier wordt voor den tweeden keer de krijg met de Franken -of Friezen vermeld. Vgl. XIX, XXXIII, XXXV, XL. - -[447] 2427 Hij had ja de kracht van dertig man. Vgl. v. 377 vlg. - -[448] 2428 de Franken: de tekst heeft Hetwaren. - -[449] 2430 die hem aanvielen. - -[450] 2432 van den kampheld: uit Beowulfs handen. - -[451] 2433-34 Beowulf legde dus den afstand van den Benedenrijn tot -Jutland al zwemmende af. - -[452] 2437 haren zoon: Heardred. - -[453] 2440 verlatenen: de koningslooze Gooten. - -[454] 2444-46 Tijdens de minderjarigheid van Heardred oefende Beowulf -de voogdijschap uit. - -[455] 2447 hem: Heardred. - -[456] 2448 de zonen Ochters: Eánmund en Eádgils. - -[457] 2449 Schilfingheer: Onela, hun oom, vorst der Zweden. Daar hij -ouder was dan zijn broeder Ochter, beklom hij den troon na den dood -van Ongentheow. - -[458] 2453 voor zijn onthaal: Heardred werd door Onela aangevallen, -omdat hij de twee vluchtelingen had opgenomen. - -[459] 2455-56 Onela keerde na Heardreds dood naar Zweden terug. - -[460] 2458 het volk: over het volk. - -[461] een beste koning: Onela. Vgl. v. 2450. - -[462] 2459 des vorsten: Heardred. - -[463] 2460 hij: Beowulf. - -[464] 2464 die: Ochters afkomst, Eádgils. - -[465] 2465 rijksheer: Onela. - -Hier wordt voor den tweeden keer (Vgl. v. 2257 vlg.) van den oorlog met -de Zweden gesproken. Gooten en Zweden leefden na den dood van Hredel -(vgl. v. 2543) op gespannen voet. Dit verklaart waarom de Gootenvorst, -Heardred, eene schuilplaats schonk aan de Zweedsche ballingen Eánmund -en Eádgils, die tegen hunnen oom Onela, opvolger van Ongentheow, -waren opgestaan. - -De gastvrijheid aan zijne neven geschonken was Onela een doorn in het -oog; hij deed eenen inval in het land der Gooten en doodde Heardred. - -Door Heardreds dood stond de troon voor Beowulf open. Onela verzette -zich niet tegen Beowulfs troonsbestijging en trok naar Zweden terug. - -Later wilde Beowulf den dood van Heardred op Onela wreken en -ondersteunde te dien einde den banneling Eádgils in zijnen krijg met -den Zwedenkoning. - -Eádgils doodde Onela en nam alzoo wraak over zijne ballingschap. - -[466] 2466 Met dit vers laat Müllenhoff het oorspronkelijke lied -beginnen, mits verandering van alzoo in voorwaar. - -[467] 2473 ontdekkers: de dief van de kostbare vaas. - -[468] 2504 den oudsten: Herebald. - -[469] 2507 vriend en meerdre: Angs freáwine d. i. heer en vriend, -Herebald was ja de oudste. - -[470] 2510 onverzoenbaar: Hredel kon geen weergeld vorderen, want -dan moest hij het aan zich zelf betalen, noch den bewerker van den -manslag dooden, want dan verloor hij twee zonen. - -[471] 2512 voor het gemoed: van Hredel. - -[472] 2515 zijn zoon: Hadcyn. - -[473] 2516 weemoedig lied: het gebruikelijke rouwlied. - -[474] 2521 vroegstgeboren: Herebald. - -[475] 2522 een ander erfbewaarder: Waar blijft dan Hygelac, de -jongste zoon? - -[476] 2525 des zoons: Herebald. - -Müllenhoff neemt niet aan «dass der junge, noch nicht dem -knabenalter entwachsene Herebeald, der sich noch mit seinem bruder im -bogenschiessen übte, schon in einem eignen hause hof gehalten habe.» -Maar waar staat het vermeld, dat Herebeald nog niet de kinderschoenen -ontwassen is? - -Of kan zich geen volwassene in het boogschieten oefenen? - -[477] 2530 een rouwlied: de dichtkunst werd dikwijls als het beste -middel beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te -verlichten. - -[478] 2531 de eene om den eene: Hredel om Herebald. - -[479] 2532 te ruim: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet -blijven, verbergt hij zich in de engste schuilhoeken. - -[480] 2537 al was hem die niet dierbaar: hij beminde Hadcyn niet meer. - -[481] 2540 den zonen: Hadcyn en Hygelac. - -[482] 2546 kroost van Ongentheow: Onela en Ochter. - -[483] 2549 bij Hreosnaberg: voorgebergte in 't land der Gooten; -volgens Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige benaming. - -[484] 2550 mijn verwante vrienden: de neven, Hadcyn en Hygelac. - -[485] 2556 een maag: Hygelac. - -[486] den andren: Hadcyn. - -De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder Hadcyn op den -moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de krijgsman van -Hygelac, Ongentheow doodde. - -Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne mannen, zooals wij meer -dan eens gezien hebben. - -[487] 2558 de grijze Schilfing: Ongentheow. - -[488] 2560 de hand: van Eofor. - -In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal van den oorlog met de -Zweden na Hredels dood. In XLI, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde -geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden behandeld. - -[489] 2566 de Gifden: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd. - -[490] 2568 een zwakker kampgezel: dan ik, Beowulf. - -[491] 2574 der Hugen: een Frankische stam; Ettmüller ziet er de -Chauci in. - -Hier wordt voor den derden keer op de Franken of Friezen gewezen. - -[492] 2575-76 Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs -dooder, gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen -krijgsroof aan den Friezenkoning te brengen. - -[493] 2495-2581 Voor Müllenhoff is heel deze plaats later bijgevoegd. - -[494] 2582-86 Ettmüller strijkt deze verzen, daar zij slechts herhalen -wat Beowulf boven (2495-96) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf -hier niet voor het laatste, zooals aanstonds zal blijken. - -Ettmüller ziet er het bewijs in, dat ons gedicht uit afzonderlijke -liederen is samengesteld geworden, een stelsel dat B. Ten Brink later -heeft uitgebreid. - -[495] 2592 mijn kampwoord: Vgl. v. 2580 vlg. - -[496] 2600 Heidendom en Christendom. - -[497] 2615 op de sterkte van een enkle: op zijne eigen sterkte. - -[498] 2623 bij den buit: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn. - -[499] 2628 In zijnen toorn vergeet hij, dat hij van alle -uitdagingswoorden wilde afzien. Vgl. v. 2601 vlg. - -[500] 2647-49 Het opzettelijk tot dit gevecht vervaardigde stalen -schild verleende hem geene voldoende bescherming. - -Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v. 2759 vlg. - -[501] 2650-52 Hij zou voor het eerst vreemde hulp noodig hebben, -hetgeen hen nog nooit overkomen was. - -Anders Socin: «er muste zum ersten Male den Feind im Schwertkampfe -angreifen, in dem ihm das Geschick den Sieg versagte». Vgl. in -voce môtan. - -Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke wapen, eerst Hrunting -en later het reuzenzwaard, had aangetast! - -[502] 2656 minder hevig beet het: het drong in 't geheel niet -door. (litotes.) Dit wordt 2663 nog eens herhaald. Later zullen we -zien, dat Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. 2765. - -[503] 2666 Zijne stelling: het terrein vóór de schatkamer. Beowulf -had zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. 2633. - -[504] 2667 Naar elders: hij moest sterven. - -[505] 2674 die eerst het volk bestuurde: Beowulf. - -Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten was; immers zijne -makkers sloegen op de vlucht. - -[506] 2679-80. Bij een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds -tot zwijgen brengen. - -[507] 2682 een vorst der Schilfings: der Zweden. - -Müllenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang bij de Zweden had geleefd -en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot de Gooten overging, toen -Beowulf, die inmiddels koning was geworden, hem het oude erfgoed der -Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had laten behouden. - -[508] 2687 Waegmundings: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan -Beowulf ook verwant was. - -[509] 2688 volksbezit: bezit en rechten der gezamenlijke krijgsschaar. - -Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den dood van Weohstan -ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan deelgenomen had aan den -inval van Onela in 't Gootenland en zelfs Eánmund had gedood. - -[510] 2693 vreugdeloozen zwerver: Eánmund en Eádgils waren -bannelingen. Vgl. v. 2447. - -[511] 2695 aan diens verwanten: aan Onela, oom van Eánmund. - -[512] 2698 hem: Weohstan. - -[513] 2702 hij: Weohstan. - -Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken voorstel: - -Weohstan heeft Eánmund gedood en geeft zijne spolia, drie in getal, -aan Onela, den oom des gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan -terug en verwijt hem zelfs niet den dood van Eánmund, den zoon van -Ochter, zijnen broeder. - -Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende vele jaren en schenkt -ze aan Wiglaf, als deze volwassen is. - -Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe hij nochtans verplicht -was, afgezien van zijne verhouding tot den gedoode. Een blijk van -edelmoedigheid. - -[514] 2708 voor dezen jongen kamper: Wiglaf. - -[515] 2715-19. Exigunt enim a principis sui liberalitate..... illam -cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ. 14. - -[516] 2732-34 Ik zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te -overleven. - -[517] 2738-40 Door zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd -de anderen te hulp kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van -ons twaalf te sterven. - -[518] 2713-42 Müllenhoff beschouwt deze eerste toespraak van Wiglaf als -onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om eene lange redevoering -te houden, vooral met het oog op v. 2730-31. Buitendien schijnt -de dichter vergeten te hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden -genomen. Vgl. 2675 vlg. - -Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak veel overeenkomst heeft -met de woorden, welke in de Noordsche sage van Hrolf kraki aan Hjalti -in den mond worden gelegd en welke Saxo in 't Latijn weergeeft. - -De zaak is licht verklaarbaar, indien men volgens het stelsel van -ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten aanneemt. - -[519] 2741-43 Wij beiden zullen te zamen strijden. - -[520] 2744 strijdhoofd: dichterlijke benaming voor helm. - -[521] 2756 Wiglafs schild was van lindenhout. Vgl. v. 2690. - -[522] 2778 Hij: Beowulf. - -[523] 2786 Wiglaf stak den draak een weinig lager dan het hoofd, -waarop Beowulf zijn zwaard had stuk geslagen. Vgl. v. 2764. - -[524] 2795 naar elders: naar de hel. - -[525] 2809 met water: er ontsprong immers eene beek. - -[526] 2812 des strijdens moe: bepaalt vriend en heerscher. - -[527] 2819-20 na mij bestemd: bestemd om na mij te heerschen. - -De grijsheid stond niet zooals bij de Grieken in bijzondere achting -bij de Germanen; het verval der lichaamskrachten, de verzwakking der -verstandelijke vermogens wekten eerder hun medelijden dan wel eerbied -op. Doch des te meer werd hij bewonderd, die ondanks zijne hooge jaren, -zijne spierkracht onverzwakt behouden had. Dit zien wij bij Ongentheow, -doch vooral bij Beowulf. - -[528] 2827 noch legde menig eed af: in het geheel geen eed. (litotes). - -[529] 2835 den sluimer: doodslaap. - -[530] 2847 ter zitplaats nl. binnen in de schatkamer. - -Wij geven hier eene korte beschrijving van de Scandinavische woning. - -Zij vormde een langwerpig vierkant. Het dak werd door vier rijen -stutten geschraagd. De twee buitenste rijen bevonden zich dicht langs -de hoofdzijwanden, de twee overige meer naar binnen, op een derde -der huisbreedte van de eerste verwijderd, zoodat het vertrek in een -middenschip en twee zijschepen verdeeld was. In het middenvak bevond -zich de open haard. (Vgl. v. 1544). De twee zijvakken waren geheel -door eenen planken bodem, bankvloer, (Vgl. v. 491), ingenomen, die -zich trapsgewijze, gewoonlijk met twee treden, langs den wand verhief -en die tot zitplaats diende. Van deze twee bankvloeren was de eene, -rechts van den ingang, de voornaamste. - -Juist in het midden van elken bankvloer bevonden zich de twee -eereplaatsen, waarvan de bovenste, naar blijkt uit ons gedicht, -de voornaamste was, en die ruim genoeg waren voor verscheiden personen. - -Hunferd, die aan de voeten van Hrodgar zat (v. 507), bevond zich dus -op de onderste eereplaats. - -De eerste eereplaats, die van den voornaamsten bankvloer, werd steeds -door den huisheer ingenomen; de tweede op de tegenovergestelde zijde -door den voornaamsten gast. - -Beowulf was op deze laatste eereplaats gezeten bij zijn bezoek aan -Hrodgar en aan Hygelac. (Vgl. v. 497, 634 vlg., 1207 vlg., 1820, -2063, 2027.) - -De losse tafels, welke eigenlijk niets anders dan banken moeten -geweest zijn, werden op den rand des bankvloers geplaatst. - -Op dezen bankvloer sliepen de Gooten en Denen, nadat de -tafels of banken naar den bodem in 't middenvak der zaal waren -verhuisd. (Vgl. v. 1260, 1303). - -[531] 2850 het leger: het goud. Ettmüller. - -[532] 2852 Ook (zag hij) kruiken staan. - -[533] 2856 Toespeling op den diefstal der kostbare vaas. - -[534] 2866 de krijger: Wiglaf. - -[535] 2871 den schatbeheerscher: den draak, de degen van Wiglaf. - -[536] 2877 de bode: Wiglaf. - -[537] 2878 door 't goud genoopt: genoopt door 't verlangen om het -goud aan Beowulf te toonen. - -[538] 2896 hier: op aarde. - -[539] 2897 beveel den strijdberoemden: beveel aan de Gooten. - -[540] 2898 na de houtmijt: na de verbranding van Beowulfs lijk. - -[541] 2901 Hrones klip: de Walvischklip. Bugge ziet er eene louter -dichterlijke benaming in. - -[542] 2905 de goudwrong: Buiten de ringen aan arm en vinger, was het -ook de gewoonte eenen prachtigen gouden of zilveren halsband te dragen. - -[543] 2916 het heete strijdgegolf: van de vlammen. - -[544] 2917 Christelijke inlassching. - -[545] 2924-41 Enkel uit herhalingen samengeflanste plaats. - -[546] 2952 en wekte hem met water: trachtte hem met water te wekken. - -[547] 2955-57 Inlassching. - -God wilde door dit feit nl. Beowulfs dood aan het menschdom toonen, -dat hij de meester is. - -[548] 2962 de schuwbren: de tien lafaards. - -[549] 2969 de beste nl. helmen en pantsers. - -[550] 2971 verdeed: hij schonk den kamptooi aan onwaardigen, daar -deze hem in den steek lieten. - -[551] 2978 Ofschoon Müllenhoff Wiglafs strafrede alleszins gepast -vindt, kan hij geenen vrede hebben met de verzen, waar Wiglaf zich -zelven ophemelt. Indien er eigenlof bestaat, dan mag die volgens -v. 2980-82 zeer bescheiden heeten. - -[552] 2981 hij: de draak. - -[553] 2989 landbezit der stammen: gemeenschappelijk bezit. Agri -pro numero cultorum ab universis in vices occupantur. Tacitus, -Germ. 26. De Germanen ten tijde van Tacitus bewoonden reeds omheinde -dorpen. De woning met voorraadskelder en tuin was het eigendom van -het gezin. Daarenboven had elk dorp een bepaald grondgebied (mark), -waarvan het bouwland onder al de gemeenteleden verdeeld was, terwijl -de weiden, bosschen en woeste gronden voor algemeen gebruik bleven. - -[554] 2991 vanuit de verte: moet verbonden worden met vernemen. - -[555] 2992b-93 Turpe comitatui virtutem principis non adaequare. Iam -vero infame in omnem vitam ac probrosum superstitem principi suo ex -acie recessisse. Tacitus, Germ. 14. - -[556] 2995 het landgoed: Beowulfs hof. - -[557] 3001 die: een bode. - -[558] 3011 hij houdt de lijkwacht: Vgl. v. 448 volgens Oudgermaansch -gebruik. - -De oude gebruiken houden vooral bij sterfgevallen stand; zoo bestaat -deze gewoonte nog in Hollandsch Limburg, waar de buren 's nachts bij -het lijk blijven waken. - -[559] 3016 De oorlog met de Franken of Friezen wordt hier voor de -vierde maal in herinnering gebracht. - -[560] 3024 Merewingers gunst: de koning der Franken. Naklank der -geschiedenis. - -[561] 3028 het Ravenbosch: eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. - -[562] 3029-30 De Gooten hadden eenen inval gedaan in Zweden. - -[563] 3031 hem: Hadcyn, de Goot. - -[564] Ochters oude vader: Ongentheow, de Zweed. - -[565] 3034 zijn vrouwe: Elan, zooals aangenomen wordt, de dochter -van den Denenkoning Healfdeen. Vgl. v. 63. - -Hadcyn moet haar dus hebben gevangen genomen. - -[566] 3042-44 Hij wilde hen in 't gevecht dooden door het zwaard en -de overgeblevenen ophangen. - -Deze verzen gaan mank; Bugge vult aan: Hij zeide, dat hij met den -morgen door de snede van het zwaard hen wilde dooden, en voor eenigen -galghouten in het bosch kappen en hen er aan hangen tot vreugde -der vogels. - -[567] 3046 den hopeloozen: den Gooten. - -[568] 3052 de stoute: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden. - -[569] 3058 het varensvolk: de Gooten. - -[570] 3062 hun standaard: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden. - -[571] 3063 Zij: de Gooten. - -[572] hun: de Zweden. - -[573] 3064 Hredels drommen: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen; -Hredel zelf was immers gestorven. - -[574] 3068a dit ziet op de ontknooping. - -[575] 3069 hem: Ongentheow. - -[576] Wulf: Eofors broeder; beiden zijn Gooten. - -[577] 3074 Zoodra de Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar -Wulf, die hem dezen slag had toegebracht. - -[578] 3075 zoon van Wanred: Wulf. - -[579] 3084 hun kunstwerk: der reuzen kunstwerk. - -[580] 3089 hun: aan de Gooten. - -[581] 3090 Eofor beroofde Ongentheow. - -Daar de strijd met de Franken en Friezen op verschillende plaatsen -van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier al die gegevens -samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht alle verwarring -te voorkomen. - -Oorlog met de Franken of Friezen. - -Hygelac had over zee eenen strooptocht in Friesland gedaan; hij -sneuvelde in den strijd en de Franken maakten zich van zijn kostbaar -halskleinood meester. XIX. - -Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte Beowulf, met dertig -schilden op den arm, door in 't water te springen, nadat hij al zijne -Frankische aanranders had verslagen. XXXIII. - -Beowulf doodt den Frank Däghrefn met de vuist, zoodat deze in de -onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs krijgssieraden aan den -Franken- of Friezenkoning te brengen. XXXV. - -Hygelac was met eene vloot naar Friesland gestevend, waar hij bezweek -onder de overmacht der Franken. Sinds dien tijd bestond er vijandschap -tusschen Gooten en Franken. XL. - -Oorlog met de Zweden. - -Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood van Hredel, en later -bij de opname van de Zweedsche ballingen door Heardred. - -Eerste oorlog: - -XXXV. Na Hredels dood breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en -Onela doen invallen bij Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac, -ofschoon de eerste bij 't Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt -op Ongentheow Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt. - -XL, XLI. Verhaal van den bode: - -De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden aangevallen (3029). Ongentheow -schonk aan Hadcyn den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne -eigen gade (3030 vlg.); hij zette de Gooten na (3036), die zich in -het Ravenbosch verscholen (3038). Daar omsingelde hij hen (3039) en -bedreigde hen den ganschen nacht (3041 vlg.). 's Morgens daagt Hygelac -op, om de Gooten te ontzetten (3045); een gevecht heeft plaats (3049 -vlg.); Ongentheow moet wijken (3052) en trekt zich terug bij zijne -verschansing (3060). De Gooten vervolgen hem (3061), maken zijnen -standaard buit (3062) en trekken over de versterkte stelling, welke -de Zweden verlaten hebben (3063). Zij brengen Ongentheow tot staan -(3065). Wulf wondt Ongentheow (3069 vlg.), doch wordt door dezen buiten -gevecht gesteld (3071 vlg.). Eofer, Wulfs broeder, doodt nu Ongentheow -(3082 vlg.) en berooft hem van zijne wapenrusting (3090). Wulf wordt -door zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld -moeten ruimen. - -Tweede oorlog: - -XXXI. Heardred, zoon van Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden, -en Beowulf beklimt den troon. - -XXXIII. Heardred ontvangt de zonen Ochters, Eánmund en Eádgils, -die tegen Onela, koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een -inval in 't land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den -troon beklimmen. - -Later, maar deze derde krijgstocht wordt slechts ter loops aangestipt, -wreekt Beowulf Heardreds dood door Eádgils te ondersteunen, die Onela -van 't leven berooft. - -[582] 3096 de Gootenkoning: Hygelac. - -[583] 3099 honderd duizend. Vgl. v. 2252. - -[584] 3101 Niemand schatte het loon te gering. - -In de Noordsche sage wordt door Hrolf Kraki dezelfde belooning -toegekend als hier door Hygelac. Bugge. - -[585] 3104 met zijne dochter: Het is moeilijk aan te nemen, dat -Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v. 2020), reeds eene -huwbare dochter zou gehad hebben. Müllenhoff stelt te recht deze -verzen op rekening van den inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt, -dat Hygelac en Beowulf van denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan -ik hem geen gelijk geven. - -[586] 3112 die de dappre Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat -op Beowulfs tocht naar Hrodgar; de gedoode helden zijn Grendels -slachtoffers. - -[587] 3115 ons thans te haasten: die aanbeveling van den bode komt -wel wat laat. - -[588] 3116 branduitvaart: plechtige optocht naar den brandstapel. - -[589] 3118-22 de heele schat en niet een enkel deel ervan zal met -hem op den brandstapel gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de -heele schat in den lijkheuvel begraven werd. - -[590] 3124-27 Perhaps a glee-maiden is maint, who, having lost her -patron, is compelled to wander abroad. Thorpe. - -[591] 3129 de morgenklamme: vochtig na nachtelijke tochten. In andere -woorden: Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen. - -[592] 3131-35 Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving. - -[593] 3136 de koene strijder: de bode. Vgl. 2994 vlg. - -[594] 3003-3137 Müllenhoff ziet er het werk van den interpolator in. - -[595] 3137 Er brak derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te -beweren, moet de dichter het oog gehad hebben op epische liederen. - -[596] 3139 aargebergte: adelaarsgebergte, Earna-naes, in 't land der -Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. onder: -aan den voet. - -[597] 3146-47 zeldzamer schouwspel: dan dat van den gesneuvelden vorst. - -[598] 3152 't genot der luchten: genotvolle lucht. - -[599] 3156-57 Dit moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn, -want het lijk van den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp -vóór den ingang had plaats gegrepen. Vgl. 3213 vlg. - -[600] 3159 duizend winters: niet letterlijk op te vatten, daar de draak -er slechts 300 jaar gehuisvest was; duizend wordt hier overdrachtelijk -gebezigd voor een onbepaald groot aantal jaren. - -[601] 3160 Alstoen: toen de schat in den grond geborgen -werd. Vgl. v. 2290. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij ook -in de Nibelungen. - -[602] 3168: de hooggeroemde heerschers: Vlg. v. 2289. - -[603] 3174 Aan hem: aan den draak. - -[604] 3175 hem had de wachter: de wachter of draak had hem alleen -nl. Beowulf eerst gedood. De zin is: de vloek werd bewaarheid; de -draak had Beowulf gedood, maar hij zelf liet er ook het leven. - -[605] 3177b--81 't Is soms verwonderlijk, waar, op welke plaats een -held moet sterven: men kan niet vooruit weten, waar men sterven zal. - -[606] 3146-85 Het springt in 't oog, dat dit een inlapsel -is. Müllenhoff merkt te recht aan, dat deze verzen de lamlendigste -van het gansche gedicht zijn. - -[607] 3184-85 Volgens Ettmüller. Beowulf had den draak (goudbezitter) -niet aangetast, om zijn goud machtig te worden, maar om het land -te verlossen, want reeds vroeger zou hij volgaarne met den draak -vriendschap gesloten hebben; dan was hij nu niet genoodzaakt geweest -hem te bevechten. Volgens v. 2349 was het strijdgeding vernieuwd; -hieruit kan men veronderstellen, dat de draak voorheen al verwoestingen -had aangericht. Hiermede schijnt mij v. 3192-95 niet in tegenspraak. - -[608] 3188-89 Ziet dit op de straf der lafaards, ofwel op toekomstige -verwikkelingen met Franken en Zweden? Dit laatste komt mij het -aannemelijkst voor. - -[609] 3226: naar den goede: naar Beowulf. - -[610] 3232-33 Als de werpspies het spoor volgde van den pijl; als -gestreden werd. - -[611] 3236 in 't moordvertrek: in de onderaardsche schatkamer. - -[612] 3239 Niet lag aan 't lot: De bestemming van den schat stond -vast; hij moest met Beowulf ten deele verbrand en ten deele begraven -worden; bijgevolg hoefde hij niet door het lot verdeeld te worden, -zooals geschiedt bij eenen onbeheerden buit. - -[613] 3242-44a Ik versta dit als volgt: niemand was droevig bij het -zien van die schatten, welke zij zelven niet mochten bezitten. - -Dit zou pleiten voor hunne verkleefdheid aan Beowulf, dien zij, -niettegenstaande hij het anders verzocht had, alles wilden meegeven. - -[614] 3257: op den berg: op de walvischhoogte. - -[615] 3258 de houtwalm hief zich: het hoog opstijgen der vlam was -een teeken, dat den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te -beurt vallen. - -[616] 3264 de jonkvrouw: Beowulfs bijslaap. Vgl. v. 3124 vlg. - -Heur naar voorgevoel stemt overeen met de voorspelling van den bode. - -Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van Beowulfs weduwe, -zooals Socin aanneemt en ook Müllenhoff, die nochtans den inlasscher -voor deze bijzonderheid verantwoordelijk stelt. - -[617] 3264-69 Vertaald volgens Bugge's aanvulling, want de tekst -biedt tal van leemten aan. - -[618] 3278: in den berg: in den grafheuvel. - -Men heeft groote schatten uit de noordsche grafsteden opgedolven. De -rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der ijzerperiode verrassend; -in een later tijdperk komt meer zilver voor. - -Ons gedicht levert ons hier eene juiste en volledige beschrijving -van de Oudgermaansche begraafplaatsen. - -Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd een heuvel -opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden werden -den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren. Dikwijls -werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip uitgestrekt. Een -steenen wal omgaf somtijds het gansche. - -Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen lijk onbegraven blijven -liggen. - -Quando rex jacebat in hac civitate, servabant eum XII homines de -melioribus civitatis. - -Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel bij de Germanen, -welke eene zekere onderscheiding, doch geene voorrechten genoot. - -Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende beschrijving van -Attila's begrafenis van eene soortgelijke plechtigheid gewaagt. - -«Nam de tota gente Hunnorum electissimi equites in eo loco, quo erat -positus, in modum circensium cursibus ambientes, facta ejus cantu -funereo.. referebant.» Cap. 16. - -[619] 3284-85 De zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke -laatsten, volgens Domesdaybook, de eerewacht des konings uitmaakten. - -[620] 3291-92 Dolorem et tristitiam tarde ponunt; feminis lugere -honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ. 27. - -[621] 3296-98 Ziedaar het ideaal van den Germaanschen koning! - -Het zij mij hier vergund de aandacht in te roepen op eenige -merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en de Westvlaamsche -folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de bereidwillige mededeeling -van Dr. Gezelle te danken heb en welke aantoonen, dat de sage van -Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in Vlaanderen. Om niet -te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene merkwaardige -overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het volgende -volstaan. - -De mede, die in de middeleeuwen in onze streken zeer verspreid was, -zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er eene belasting op -stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche kust gedronken -en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren behoorende tot het -timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten hoornboom, hoornbalke, -hetgeen aan Heorot doet denken; Grendele, Degrendele is nog zoo -algemeen in Westvl. als Dendievel. - -Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog op de uitdrukking de -duivel en zijn moer, die in Vlaanderen (en ook in Hollandsch Limburg) -van algemeen gebruik is en aan Grendel en diens moeder herinnert. - -[622] Men herinnere zich, dat dit fragment de gebeurtenissen verhaalt, -die de in het epos behandelde Finn-episode voorafgaan. - -[623] 1 de wapenjonge heerscher: Hnäf, volgens Bugge. - -Een der Deensche krijgers in Finnsburg moet bij het ontwaren van -eenen schemer te midden der duisternis gevraagd hebben: Wordt het dag, -vliegt een vuurdraak voorbij, of staat de burg in brand? - -De koning antwoordt eerst ontkennend op elk der drie punten en geeft -daarna eene stellige uitkomst: De Friezen, wier wapens in het maanlicht -glanzen, naderen om ons aan te vallen. - -[624] 3 de horentrans: de Finnsburg is, evenals Heorot, met een -gewei bekroond. - -[625] 5 oorlogsvogels: de pijlen. De tekst heeft vogels alleen; ten -Brink ziet er geene beeldspraak in, maar de slagvogels: raaf en arend. - -[626] 4-5 vertaald naar Bugges verbeterden tekst. - -[627] 6 het kamphout: de houten lans met stalen punt. - -[628] 7 't schild antwoordt: de Friezen slaan met hunne lansen op -de schilden. - -[629] 8 weedaân: vijandelijkheden staan te gebeuren, waardoor zich -de haat der Friezen zal uiten. - -[630] 11 lindebast: schild. - -[631] 13 met goud behangen: Bugge verwijst naar eenen tekst van Saxo, -waarvolgens de arm met ringen werd bezwaard, om des te forscher slagen -toe te dienen. - -[632] 18 de Strijd-Deen: Sigeferd. - -[633] Garulf is een Fries volgens Möller en Bugge. - -[634] 22 hij: Sigeferd; het: Garulfs leven. - -Sigeferd daagt Garulf in spottende taal uit, om de deur, waar hij op -post staat, aan te vallen. - -[635] 18-22 zijn vertaald naar den door Bugge gewijzigden tekst. - -[636] 24 deze dappre: Garulf. - -[637] 28 wat van beide: leed of harde kamp, als blijkt uit het -voorgaande vers. - -Sigeferd laat hem bij wijze van galgenhumor de keus tusschen deze twee. - -Deze verklaring van ten Brink schijnt mij aannemelijker dan die van -Socin, welke bij swädher = utrumcunque onderverstaat «Schlimmes oder -Gutes, Tod oder Leben.» - -[638] 32 de beerhelm: everhelm. - -[639] 36 Bugges lezing is hier gevolgd. - -[640] 46 een gewonde kamper: een Fries, volgens Holtzmann en Möller. - -[641] 49 de herder van de volkschaar: Finn, volgens Holtzmann en -Möller. - -[642] 51 Gedeeltelijk zoek geraakt vers, door Bugge hersteld. - - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Beówulf, by Anonymous - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEÓWULF *** - -***** This file should be named 50677-0.txt or 50677-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/0/6/7/50677/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This file was produced from images generously -made available by The Internet Archive/Canadian Libraries) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
