summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/50677-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/50677-0.txt')
-rw-r--r--old/50677-0.txt14662
1 files changed, 0 insertions, 14662 deletions
diff --git a/old/50677-0.txt b/old/50677-0.txt
deleted file mode 100644
index 683f93d..0000000
--- a/old/50677-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,14662 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Beówulf, by Anonymous
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Beówulf
- Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met
- inleiding en aanteekeningen voorzien
-
-Author: Anonymous
-
-Translator: L. Simons
-
-Release Date: December 12, 2015 [EBook #50677]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEÓWULF ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE
- VOOR TAAL- & LETTERKUNDE
-
- BEOWULF
-
- ANGELSAKSISCH VOLKSEPOS
-
- VERTAALD IN STAFRIJM
-
- EN MET INLEIDING
- EN AANTEEKENINGEN VOORZIEN
-
- DOOR
-
- Dr. L. SIMONS
-
- BRIEFWISSELEND LID
- DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE
- VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE
- LEERAAR AAN 'T KONINKLIJK ATHENAEUM TE BRUSSEL.
-
-
-
- GENT
- A. SIFFER
- Drukker der Koninklijke Vlaamsche Academie
-
- 1896
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN WOORD VOORAF
-
-
-Mijn doel bij het uitgeven dezer Beowulf-bewerking was, in eene leemte
-te voorzien en tevens de uitkomsten van de onderzoekingen over een
-der belangrijkste letterkundige voortbrengselen in breeder kring
-te verspreiden.
-
-Daarom zijn aan de vertaling talrijke ophelderingen en eene
-breedvoerige inleiding toegevoegd.
-
-Ik heb den tekst van Socin gevolgd; daar waar ik de voorkeur geef
-aan eene andere lezing, heb ik mijne handelwijze gerechtvaardigd in
-de Aanmerkingen op het einde van het werk.
-
-Van de vertaling valt niets bijzonders te zeggen; ik sluit mij
-zoo getrouw mogelijk bij mijn voorbeeld aan, en dat dit geene
-gemakkelijke taak was, zal hij, die in den ingewikkelden tekst van het
-oorspronkelijke thuis is, het best begrijpen, vooral als hij nagaat,
-hoe ver ons Nederlandsch in rijkdom van zinverwante woorden ten achter
-staat bij de Angelsaksische epiek.
-
-Een enkel woord over de versmaat.
-
-Ik had, evenals de Geyter, het Reinaertsvers kunnen aanwenden, dat uit
-het algemeen Oudgermaansche vers gesproten is, vooral daar het heel wat
-meer speelruimte aanbiedt dan de, door mij gebezigde, eng begrensde
-vijfvoetige jambus; nochtans heb ik van zijn gebruik afgezien, omdat
-het, zooals Max Rooses te recht aanmerkt, «te gemeenzaam klinkt voor
-epische verhalen».
-
-Buitendien leent zich de vijfvoetige jambus zeer goed tot de indeeling
-in halfverzen, het hoofdkenmerk der oude epische versmaat.
-
-Heb ik mij door het verwerpen van het Reinaertsvers een blok aan 't
-been gelegd, van den anderen kant veroorloof ik mij meer vrijheid
-van beweging bij het stafrijm; en geen wonder, want onze taal is
-er geheel en al aan ontwend. In dit opzicht sluit ik mij aan bij de
-Middelengelsche dichters, die op dit punt wat minder nauwgezet waren
-dan hunne voorgangers.
-
-Vandaar dat de twee halfverzen niet altijd door een gemeenschappelijk
-stafrijm (naar het voorbeeld ab ab) tot een geheel vereenigd worden,
-maar integendeel elk op zich zelf een afzonderlijk stafrijm hebben
-(aa bb).
-
-Het schijnt mij zelfs toe, dat het stafrijm in onze tegenwoordige
-taal op deze laatste wijze alleen het best tot zijn recht komt.
-
-Men leze en oordeele.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TE RAADPLEGEN LITERATUUR OVER DEN BEOWULF.
-
-
-De volgende uitgebreide lijst is ontleend aan James M. Garnett,
-Beowulf, An Anglo-Saxon Poem; Boston U. S. A. 1893.
-
-Eenige na dien tijd verschenen werken heb ik er aan toegevoegd.
-
-
-Uitgaven:
-
-Thorkelin. De Danorum rebus gestis secul. III et IV poema Danicum
-dialecto Anglosaxonica. Havniae, 1815, met eene Latijnsche vertaling.
-
-Conybeare. Illustrations of Anglo-Saxon Poetry, London,
-1826. Thorkelin's uitgave wordt er met het Hs. vergeleken en eene
-Latijnsche en voor sommige plaatsen eene Engelsche vertaling aan
-toegevoegd.
-
-Kemble. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Traveller's song and
-the Battle of Finnsburg, London, 1833; 2de uitgave, 1835-37, in twee
-deelen, waarvan het tweede eene volledige Engelsche vertaling behelst.
-
-Schaldemose. Beowulf og Scopes Widsidh, Kopenhagen, 1847, 2de uitgave,
-1851. Kemble's tekst met Deensche vertaling.
-
-Thorpe. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Scôp or Gleeman's
-Tale, and the Fight at Finnsburg, Oxford, 1855; met Engelsche
-vertaling. Herdruk zonder wijzigingen in 1875.
-
-Grein. Bibliothek der Angelsächsischen Poesie, 1ste deel, blz. 255,
-Beowulf; Göttingen, 1857.
-
-Grundtvig. Beowulfes Beorh; Kopenhagen, Londen en Leipzig, 1861,
-met eene vergelijking van de twee afschriften van het Hs. in 1786
-door Thorkelin gemaakt.
-
-Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863; 2de uitgave, 1868; 3de uitg., 1873;
-4de uitg., 1879; 5de uitg., door Socin bezorgd, 1888; met het beste
-glossarium.
-
-Grein. Beowulf nebst den Fragmenten Finnsburg und Waldere; Cassel en
-Göttingen, 1867.
-
-Ettmüller, Carmen de Beowulfi Gautarum regis rebus praeclare gestis
-atque interitu, quale fuerit antequam in manus interpolatoris,
-monachi Vestsaxonici, inciderat. Turici, 1875.
-
-Arnold, Thomas. Beowulf. A heroic poem of the eighth century, London,
-1876; met eene Engelsche vertaling.
-
-Wülcker. Grein's Bibliothek der A. S. Poesie. Neu bearbeitet
-u. s. w. 1ste deel, 1ste helft; Cassel, 1881. Herstelde tekst met
-critische nota's in 1ste deel, 2de helft; Cassel, 1883.
-
-Holder. Beowulf. I. Abdruck der Handschrift; 2de uitg. Freiburg en
-Tübingen, 1882. Hs. door Holder vergeleken in 1875 met gebruik
-van Thorpe's oorspronkelijke collatie in 1830. II. Tekst en
-glossarium. 1884.
-
-Harrison en Sharp. Beowulf; volgens Heyne's tekst en
-woordenlijst. Boston, 1883; 2de uitg., 1885; 3de vermeerderde uitg.,
-1888.
-
-Zupitza. Beowulf; Autotypes of the unique Cotton MS. Vitellius
-A. XV. in the British Museum; with a transliteration and notes;
-London, 1882; Early English Text Society.
-
-Kölbing. Zur Beowulf-Handschrift. Herrig's Archiv für das Studium
-der neueren Sprachen; LVI, 91. Eene volledige vergelijking van het Hs.
-
-
-Afzonderlijke vertalingen.
-
-Grundtvig. Bjowulfs Drape; Kopenhagen, 1820, 2de uitgave, 1865.
-
-L. Ettmüller, Beowulf. Heldengedicht des achten Jahrhunderts, zum
-ersten Male aus dem Angelsächsischen in das Neuhochdeutsche stabreimend
-übersetzt und mit Einleitung und Anmerkungen vorsehen. Zürich, 1840.
-
-Wackerbarth. Beowulf, translated into English verse; London, 1849.
-
-Grein. Dichtungen der Angelsachsen, stabreimend übersetzt; 2 deelen;
-Göttingen, 1857-59; 1ste deel, 2de uitg., 1863. Afzonderlijke uitgave
-van de Beowulf-vertaling, Cassel, 1883.
-
-Sandras. De carminibus Caedmoni adjudicatis; Parijs, 1859; met
-uittreksel van Beowulf en Latijnsche vertaling.
-
-Simrock. Beowulf, übersetzt und erläutert; Stuttgart en Augsburg, 1859.
-
-Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863.
-
-Von Wolzogen. Beowulf; Leipzig, Reclam-Bibliothek.
-
-Botkine. Beowulf. Epopée Anglo-Saxonne, traduite en francais pour la
-première fois; Havre, 1877.
-
-Lumsden. Beowulf, translated into modern rhymes; London, 1881; 2de
-uitg., 1883.
-
-Zinsser. Der Kampf Beowulfs mit Grendel. Probe einer metrischen
-Uebersetzung des A. S. epos Beowulf; Jahresbericht van de Realschule
-te Forbach, 1881.
-
-Grion, Giusto. Beovulf, poema epico anglo-sassone del VII secolo,
-tradotto e illustrato; Lucca, 1883. De eerste Italiaansche vertaling.
-
-Wickberg. Beowulf, en fornengelek hjeltedikt, äfersatt; Westervik. De
-eerste Zweedsche vertaling.
-
-Voegen wij er nog bij de reeds aangehaalde Engelsche vertaling van
-Garnett.
-
-
-Werken van bijzonderen aard.
-
-Müllenhoff. Beowulf. Untersuchungen über das Angelsächsische Epos
-und die älteste Geschichte der germanischen Seevölker; Berlijn,
-1889. Mythus, geschichtliche Elemente; die Geaten und Schweden,
-die Dänen, die Angeln und Sachsen.
-
-B. ten Brink. Beowulf. Untersuchungen; Strassburg, 1888. De schrijver
-houdt er zich vooral bezig met de innerlijke geschiedenis van het epos.
-
-Sarrazin. Beowulf-Studien; Berlijn, 1888. Ursprung der Sage, die
-Skand. orig. Dichtung, die Angels. Bearbeitung, die Stellung des
-Beowulf-epos in der Entwicklung der altengl. Poesie.
-
-Kemble. Ueber die Stammtafel der Westsachsen; Munchen, 1836.
-
-Heyne. Ueber die Lage und Construction der Halle Heorot; Paderborn,
-1864.
-
-Botkine. Beowulf. Analyse historique et géographique; Parijs, 1876.
-
-Dederich. Historische und geographische Studien zum Angelsächsischen
-Beowulfsliede; Keulen, 1877.
-
-Grein. Die historischen Verhaltnisse des Beowulfliedes. Ebert's
-Jahrbuch für rom. und engl. Literatur, IV, 260 (1862).
-
-Schultze. Altheidnisches in der A. S. Poesie, speciell im
-Beowulfsliede; Berlijn, 1877.
-
-Skeat. The Name Beowulf. Academy, 1877, I. 163.
-
-Leo. Beowulf, das älteste deutsche, in angelsächsischer Mundart
-erhaltene Heldengedicht, nach seinem Inhalte und mythologischen
-Beziehungen betrachtet; Halle, 1839; met vertaalde uittreksels.
-
-Sarrazin. Der Schauplatz des ersten Beowulfliedes und die Heimat des
-Dichters. Paul und Braune's Beiträge, XI, 528-541.
-
-Id. Die Beowulfsage in Dänemark. Anglia, IX, 195-199.
-
-Id. Beowa und Böthvar. Anglia, IX, 200-204.
-
-Id. Beowulf und Kynewulf. Anglia, IX, 515-550.
-
-Id. Altnordisches im Beowulfliede. Beiträge, XI, 528-541.
-
-Sievers. Die Heimat des Beowulf-dichters. Beiträge, XI, 354-362.
-
-Id. Altnordisches im Beowulf? Beiträge, XII, 168-200.
-
-Klöpper. Heorot-Hall in the Anglo-Saxon Poem of Beowulf. Festschrift
-für K. E. Krause. Rostock.
-
-Haigh. The Anglo-Saxon Sagas; Londen, 1861; eene poging om de in het
-epos vermelde plaatsen in Engeland thuis te brengen.
-
-Müller, N. Die Mythen im Beowulf in ihrem Verhältniss zur germanischen
-Mythologie betrachtet; Leipzig, 1878.
-
-Suchier. Ueber die Sage von Offa und Thrydho. Beiträge, IV, 500.
-
-Vigfusson. Grettis Saga, in de voorrede van zijne Sturlunga Saga;
-Oxford, 1878.
-
-Gering. Der Beowulf und die Isländische Grettissaga; Anglia, III, 74.
-
-Smith, C. Sprague. Beowulf Gretti, in New Englander, IV, 49.
-
-Ettmüller. Altnordischer Sagenschatz, 1870.
-
-Symons. Heldensage. Grundriss der Germanischen Philologie; VII
-Abschnitt.
-
-G. Kurth. Histoire poétique des Mérovingiens; Paris, 1893.
-
-Müllenhoff. Der Mythus von Beowulf. Haupt's Zeitschrift, VII, 419.
-
-Skeat. The Monster Grendel in «Beowulf». Journal of Philology, No
-29, XV.
-
-Schneider. Der Kampf mit Grendels Mutter. Program des
-Friedrichs-Realgymnasiums; Berlijn, 1887.
-
-Hornburg. Die Composition des Beowulf. Program van het Lyceum in
-Metz, 1877.
-
-Möller. Das altenglische Volksepos in der ursprünglichen strophischen
-Form; Kiel, 1883.
-
-Rönning. Beowulfs-Kvadet. En literaer-historisk
-undersögelse. Kopenhagen, 1883.
-
-Krüger. Ueber Ursprung und Entwickelung des Beowulfliedes. Herrig's
-Archiv, LXXI, 129, 1884.
-
-Id. Zum Beowulfliede. Program des städtischen Realgymnasiums in
-Bromberg, 1884.
-
-Merbot. Aesthetische studiën zur angelsächsischen Poesie; Breslau,
-1883.
-
-March. The World of Beowulf. Proceedings of the
-Amer. Phil. Association, 1882.
-
-Harrison. Old Teutonic Life in «Beowulf». Overland Monthly, July, 1884.
-
-Bugge. Studien über das Beowulfepos. Beiträge XII, 1-80 en 360-375.
-
-Sarrazin. Entgegnung. Englische studien, XIV, 421-427. Een antwoord op
-Koeppel's beoordeeling van Sarrazin's Beowulf-Studien. Eng. Stud. XIII,
-475.
-
-Koeppel's antwoord; Eng. Stud. XIV, 427-432.
-
-Deskau. Zum Studium des Beowulf. Berichte des freien deutschen
-Hochstiftes. 1890.
-
-Hertz. Beowulf, das älteste germanische Epos. Nord und Süd, XXIX,
-229-253; 1884.
-
-Weinhold. Altnordisches Leben, 1856.
-
-Kalund. Sitte. Skandinavische Verhältnisse. Grundriss der Germanischen
-Philologie, XIII. Abschnitt.
-
-Schultz. Sitte. Deutsch-Englische Verhältnisse. Grundriss enz.
-
-Deze schrijver maakt er een komaf mee met de volgende verklaring:
-«Von hoher Bedeutung dagegen für die Sittengeschichte der Angelsachsen
-ist das Beowulflied.»
-
-Fahlbeck. Beowulfsqvädet enz. Antiquarisk Tidskrift för Sverige, VIII.
-
-Lehmann. Brünne und Helm im angelsächsischen Beowulfliede; Leipzig,
-1885.
-
-Id. Ueber die Waffen im angelsächsischen Beowulfliede, Germania,
-XXXI, 486-497.
-
-Bugge. Til de oldengelske digte om Beowulf og Waldere. Tidskrift for
-Philologi og Pädagogik, VIII, 1869-70.
-
-Davidson, Chas. Differences between the Scribes of «Beowulf». Modern
-Language, Notes, V, 85 en 378; 1890.
-
-Mc Clumpha, Chas. Differences between the Scribes of
-«Beowulf». Mod. Lang. Notes, V, 245, 1890.
-
-Schultze. Ueber das Beowulfslied. Program van de Realschule te
-Elbing, 1864.
-
-Schröder. Om Bjowulfs-drapen. Kopenhagen, 1875.
-
-Arnheim. Ueber das Beowulflied. Bericht über die Jacobsonsche Schule
-zu Seesen, 1867-71.
-
-Kölbing. Kleine Beiträge. Kölbing's Englische Studiën, III, 92;
-zu Beowulf, 168.
-
-Outzen. Ueber das A. S. Beowulfs-Gedicht. Kieler Blätter, III,
-312; 1816.
-
-Schemann. Beowulf. Antichissimo poema epico de' popoli
-Germanici. Giornale Neapolitano di filosofia e lettere, scienze morale
-e politiche, IV, Vol. VII, 63, 175.
-
-Earle. Beowulf. Canadian Monthly, II, 83, 1872.
-
-Id. Beowulf. Household Words, XVII, 459.
-
-Id. Beowulf. London Times, Weekly ed., Oct. 9, 1885.
-
-Gibb. Gudrun, Beowulf and Roland; 2de uitg. Londen, 1883.
-
-Powell. Recent Beowulf Literature (Harrison, Holder, Lumsden). Academy,
-no 648, Oct. 4, 1884.
-
-Id. Harrison's «Beowulf». Academy, no 654, Nov. 15, 1884.
-
-Harrison. Beowulf. Academy, no 653, Nov. 8, 1884.
-
-Garnett. The Translation of Anglo-Saxon Poetry. Public. of the
-Mod. Lang. Assoc. of America. Vol. VI, no 3; 1891.
-
-Bright. Review of Harrison and Sharp's «Beowulf». Litteraturblatt
-für germ. und rom. Philologie; Juni, 1884.
-
-Gummere. The Translation of «Beowulf». Amer. Journal of Philology,
-VII, 1886.
-
-Schilling. The Finnsburg-Fragment and the
-Finn-Episode. Mod. Lang. Notes, II, 291, 1887.
-
-Corson. A passage of Beowulf (2724 vlg.). Mod. Lang. Notes, III,
-193; 1888.
-
-Krüger. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 571-578.
-
-Kittredge. Zu Beowulf, 107 vlg. Beiträge, XIII, 210.
-
-Miller. The Position of Grendel's Arm in Heorot. Anglia, XII, 396-400.
-
-Zupitza. Zu Beowulf, 850. Herrig's Archiv, 84, 124; 1890.
-
-Joseph. Zwei Versversetzungen im Beowulf. Zeitschrift für deutsche
-Philologie, XXII, 385-397.
-
-Schröer. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIII, 333-348.
-
-Sievers. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIV, 133-146.
-
-Kluge. Sprachhistorische Miscellen. Beiträge VIII, 532.
-
-Id. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 187.
-
-Cosijn. Zum Beowulf. Beiträge, VIII, 508.
-
-Id. Beowulf. Taalkundige bijdragen, I, 286.
-
-Id. Aanteekeningen op den Beowulf; Leiden, 1892.
-
-Sievers. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 135 en 370.
-
-Nader. Zur Syntax des Beowulf. Twee programma's van de
-Staats-Oberrealschule te Brünn, 1879-80.
-
-Lichtenheld. Das schwache Adjectiv im Angelsächsischen. Haupt's
-Zeitschrift, XVI, 325.
-
-Nader. Der Genitiv im Beowulf. Program van de Staats-Oberrealschule
-te Brünn, 1882.
-
-Id. Dativ und Instrumental im Beowulf. Jahresbericht van de Weener
-Oberrealschule, 1882-83.
-
-Hotz. On the Use of the Subjunctive Mood in Anglo-Saxon and its
-further history in Old English; Zurich, 1882.
-
-Köhler. Der syntaktische Gebrauch des Infinitivs und Particips im
-Beowulf; Münster, 1886.
-
-Nader. Tempus und Modus im Beowulf. Anglia, X, 542-563, en XI, 444-449.
-
-Davidson. The Phonology of the Stressed Vowels in «Beowulf». Public. of
-the Mod. Lang. Associat. of America. Vol. VI, no 3. 1891.
-
-Harrison. List of Irregular (strong) Verbs in «Beowulf». Amer. Journal
-of Philology, IV, 462.
-
-Schubert. De Anglosaxonum arte metrica; Berlijn, 1870.
-
-Vetter. Ueber die Germanische Alliterationspoesie; Weenen, 1872.
-
-Rehrmann. Essay on Anglo-Saxon Poetry. Program van de Hoogere
-Burgerschool in Lübben, 1876.
-
-Rieger. Die Alt- und Angel-sächsische verskunst; Halle, 1876.
-
-Schipper. Englische Metrik. I deel, Altenglische Metrik; Bonn, 1882.
-
-Tolman. The Style of Anglo-Saxon Poetry. Transactions of the Modern
-Language Association of America; Vol. III, 1887.
-
-Hirt. Untersuchungen zur West-germanischen verskunst; Leipzig, 1889.
-
-Guest. History of English Rhythms, 2 deelen, 1838; heruitgegeven in
-1 deel door Skeat, 1882.
-
-Banning. Die epischen Formeln im Beowulf; Marburg, 1886.
-
-Bode. Die Kenningar in der angelsächsischen Dichtung; Darmstadt en
-Leipzig, 1886.
-
-Arndt. Ueber die altgermanische epische Sprache; Paderborn, 1877.
-
-Schemann. Die Synonyma im Beowulfsliede, mit Rücksicht auf Composition
-und Poetik des Gedichts; Hagen, 1882.
-
-Hoffmann. Der bildliche ausdruck im Beowulf und in der Edda. Englische
-Studien, VI, 1883.
-
-Heinzel. Ueber den Stil der altergermanischen Poesie; Strasburg, 1875.
-
-Gummere. The Anglo-Saxon Methaphor; Halle, 1881.
-
-Schulz. Die Sprachfonnen des Hildebrandsliedes im Beowulf. Program
-van de Realschule te Koningsbergen, 1882.
-
-Sievers. Zur rhythmik des germanischen
-alliterationsverses. I. Vorbemerkungen. Die metrik des
-Beowulf. Beiträge, X, 209-314. II. Sprachliche ergebnisse. Beiträge,
-X, 451-545.
-
-Id. Der angelsächsische Schwellvers. Beiträge, XII, 454-482.
-
-Id. Altgermanische Melrik. Grundriss der Germanischen Philologie. IX
-Abschnitt.
-
-ten Brinck. Altenglische Literatur. Grundriss enz. VIII Abschnitt.
-
-Haupt's Zeitschrift für Deutsches Altertum:
-
- V. 10. Haupt. Zum Beowulf.
- VII. 410. Müllenhoff. Sceaf und seine Nachkommen.
- VII. 524. Bachlechner. Die Merovinge im Beowulf.
- XI. 59. Bouterwek. Zur Kritik des Beowulfliedes.
- XI. 176. Rieger. Ingaevonen, Istaevonen, Hermionen.
- XI. 272. Müllenhoff. Zur Kritik des A. S. Volksepos.
- XI. 409. Dietrich. Rettungen.
- XII. 259. Müllenhoff. Zeugnisse und Excurse zur deutschen
- Heldensage.
- XIV. 193. Müllenhoff. Die innere Geschichte des Beowulfs.
-
-Zeitschrift für deutsche Philologie (Höpfner en Zacher):
-
- II. 305. Köhler. Die Einleitung des Beowulfliedes, en Die
- beiden Episoden von Heremod.
- II. 371. Rieger. Beoordeeling van Heyne's 2de uitgave.
- III. 381. Rieger. Zum Beowulf.
- IV. 192. Bugge. Zum Beowulf.
-
-Germania (Pfeiffer):
-
- I. 297 en 455. Bachlechner. Eomaer und Heming (Hamlac).
- I. 384. Bouterwek. Das Beowulflied. Eine Vorlesung.
- VIII. 489. Holtzmann. Zu Beowulf. (Textkritik.)
- XIII. 129. Köhler. Germanische Alterthümer im Beowulf.
-
-Anglia IV, 69. Wülcker. Bespreking van de Beowulfvertalingen.
-
-ten Brink. Geschichte der englischen Litteratur; 1ste deel, Berlijn,
-1877.
-
-Wülcker. Grundriss zur Geschichte der angelsächsischen Litteratur;
-Leipzig, 1885.
-
-Robinson, W. Clarke. Introduction to our Early English Literature;
-Londen, Durham en Heidelberg, 1885.
-
-Earle. Anglo-Saxon Literature; 1884.
-
-Taylor. Historic Survey of German Poetry; 3 deelen, 1830.
-
-Lonfellow. Anglo-Saxon Literature. N. Am. Review, XLVII, no 100; 1838.
-
-Petheram. Historical Sketch of Anglo-Saxon Literature in England, 1840.
-
-Wright. Biographia Britannica Literaria, Vol. I, Anglo-Saxon Period,
-1842.
-
-Lappenberg. History of England under the Anglo-Saxon kings. Translated
-by B. Thorpe, 2 vols. 1845.
-
-Kemble. Saxons in England, 2 vols. 1849.
-
-Green. The Making of England, 1882.
-
-Grimm. Deutsche Mythologie.
-
-Simrock. Handbuch der Deutschen Mythologie, 1878.
-
-Mone. Untersuchunqen zur Geschichte der deutschen Heldensage, 1836.
-
-Grimm. Die Deutsche Heldensage, 1867.
-
-Wagner. Deutsche Heldensage, 1881.
-
-Wagner en Mc Dowall. Epics and Romances of the Middle Ages, 1883.
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
- Wat is den arme 't schoon der lente? Niets!
- Een starrenhemel? Niets! Wat is hem kunst?
- Wat zijn hem tonen, tinten, geuren? Niets!
- Wat is hem Poëzie?
-
-
-Zonder zich juist op het standpunt te moeten plaatsen van Multatuli,
-zal wel menig dichter met hem instemmen bij het zien van de practische
-richting onzer eeuw, waarin onder de ontwikkelden slechts weinigen,
-eenige fijnproevers en voor het overige beoordeelaars, wier vak het
-meebrengt, belang stellen in de poëzie, terwijl de groote menigte in
-de beslommeringen en bekommeringen van den strijd om 't bestaan doof
-blijft voor alle «godentaal» en «hemelval».
-
-Welk verschil met de eerste eeuwen onzer beschaving, met het
-heldentijdperk onzer Germaansche voorouders, toen de poëzie, in en door
-het volk geschapen, aan een gemeenschappelijk ideaal beantwoordde,
-alle borsten deed zwellen, aller begeestering afdwong en zoozeer
-vergroeid was met het «profanum vulgus», dat de dichter, welke thans
-als eene scherpe, hooger begaafde persoonlijkheid optreedt, in de
-groote massa verloren ging, als een druppel in den oceaan.
-
-Evenals het tot man opgroeiend kind zijne begoochelingen aflegt,
-naarmate het, door weetgierigheid geprikkeld, de koude en ernstige
-werkelijkheid leert kennen, zoo ook hebben de beschaafde volken
-sinds lang de ongekunstelde voorstellingen hunner jeugd over boord
-geworpen; en indien er nog eenige sporen voorhanden zijn van de oude,
-dichterlijke overleveringen, dan zijn ze tot den nederigen rang van
-sprookjes afgedaald, welke nog alleen in de kinderwereld onder de
-strooien daken rond den zetel van het goedhartige, kind geworden
-grootje, te vinden zijn.
-
-Hofdijk zegt te recht van de sage:
-
-
- Toen vlood de onterfde maagd, door twijfels kille handen
- Beroofd van kroon en bloemenwâ,
- En vond in 't halflicht van de ruwe, leemen wanden
- Der schaamle eenvoudigheid genâ.
-
-
-Welnu, keeren wij in deze lang vervlogen tijden, in het rijk der sage
-terug; het is immers zoet voor het hart, zich de schoone jeugd weer
-voor den geest te halen.
-
-Aan de Oudengelsche letteren is het voorrecht te beurt gevallen den
-Beowulf, het oudste Germaansche epos, te bezitten. Alle Germaansche
-volken hadden wel is waar dichterlijke overleveringen, doch deze
-gaven slechts het ontstaan aan afzonderlijke liederen of sagen.
-
-Op dezen trap bleven de Scandinaviërs staan, terwijl bij de Franken
-de oude heldensage grootendeels voor de poëzie verloren ging. Alleen
-de Duitschers kunnen met rechtmatigen trots op volksheldendichten
-als de Nibelungen en Gudrun wijzen, doch deze zijn van veel lateren
-oorsprong dan de Beowulf.
-
-Het is waar, de Beowulf is geen eigenlijk heldendicht in de hooge
-beteekenis, welke men, verwend als men is door het Grieksche epos,
-aan dit woord toekent.
-
-Er wordt geene gebeurtenis van zulk algemeen nationaal belang als de
-oorlog van Troje geschilderd; zelfs ontbreekt de eenheid, welke alleen
-een letterkundig voortbrengsel tot volmaakt kunstwerk kan stempelen;
-het Angelsaksische epos werd immers in het midden zijner ontwikkeling
-tot staan gebracht door de uitbreiding van het Christendom. Doch dit
-neemt niet weg, dat het een juweel is, en als zoodanig onze warme
-belangstelling verdient.
-
-Immers het gedicht, dat in de grondtrekken heidensch is gebleven,
-is een der weinige schatten, welke gered zijn uit de schipbreuk
-van de rijke Germaansche volkspoëzie; de taal, de epische stijl,
-de geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden, de aanwezigheid
-der voornaamste heldensagen, de bestanddeelen waaruit het tot een
-geheel is saamgevloeid, dat alles spreekt tot den beschaafden lezer
-en tot den dichter, dat alles biedt de taalwetenschap, geschiedenis,
-letterkunde en tekstcritiek een rijk veld ter ontginning aan.
-
-Wat de laatste wetenschap betreft, zij heeft zich in de herstelling
-van den Beowulftekst een blijvend gedenkteeken gesticht.
-
-De gebrekkige toestand van het handschrift hulde het gedicht in een
-apocalyptisch duister; dank aan de onderzoekingen van Bugge, Cosyn,
-Kluge en Sievers is er licht ontsproten uit den baaierd, zoodat wij
-ons thans in eenen leesbaren tekst kunnen verheugen. Om zich hiervan
-te overtuigen vergelijke men de oude vertaling van Ettmüller en
-zelfs die van Heyne met die van Grein, en men zal moeten bekennen,
-dat op dit gebied reuzenstappen zijn gedaan.
-
-Voor ons, Nederlanders, heeft het gedicht nog eene bijzondere reden
-tot belangstelling: de inval der Denen, het eenige geschiedkundig na
-te wijzen feit, heeft op Nederlandschen bodem plaats gehad. Dit is
-des te meer opmerkelijk, nu diezelfde gewesten zich niet onbetuigd
-hebben gelaten bij de totstandkoming van de Nibelungen en Gudrun [1].
-
-Doch nog om eene andere reden is de Beowulf belangrijk. Indien
-het boven allen twijfel verheven is, dat elk letterkundig werk van
-eenigen omvang de uitdrukking zijn moet van zijnen tijd, wil het
-op den naam van meesterstuk aanspraak maken, dan is dit vooral waar
-van het volksepos, dat natuurlijk uitvloeisel van de ziel der natie,
-van het gemeenschappelijk leven en streven gedurende heel een tijdvak.
-
-Dit vinden wij bij het Oudengelsche gedicht bewaarheid; het is de
-uitdrukking van het volksideaal en bijgevolg de nagenoeg trouwe
-afbeelding van het karakter, van de zeden en gewoonten der oude
-Germanen.
-
-De krijgshaftige inborst van het volk, welke wij uit de geschiedenis
-als zijn hoofdkenmerk leerden waardeeren, zijn leven verdeeld
-tusschen oorlog en drinkgelagen, zijn voorliefde en afkeer, zijn
-rechtsbegrippen, de opvoeding van den jongen krijgsman, de inrichting
-van de woningen der grooten, de beschrijving van de gastmalen
-en begrafenisplechtigheden: het treedt hier in kleur en beeld, in
-levenden lijve voor het voetlicht.
-
-Beter dan de kronieken met hare dorre opsomming van feiten stelt het
-volksepos den geschiedschrijver in staat, om den juisten maatstaf te
-leggen aan de beschaving der eerste middeleeuwen, daar wij eenen
-dieperen blik slaan in de geaardheid van het volk, waarvan de
-gebeurtenissen slechts eene afspiegeling zijn.
-
-Onderzoeken wij daarom den toestand van de maatschappij, die in
-ons epos te voorschijn treedt, zoo zullen wij ons rekenschap kunnen
-geven van
-
-
-
-
-DE BESCHAVING IN DEN BEOWULF.
-
-Men kan gerust staande houden, dat de oud-engelsche beschaving,
-zooals zij zich in ons gedicht afteekent, eene verrassing, ja eene
-openbaring mag heeten voor elken onpartijdigen lezer, die niet behept
-is met de Fransche vooroordeelen omtrent Germaansche toestanden.
-
-Deze vooroordeelen dagteekenen reeds van de vroegste tijden.
-
-Met uitzondering van Tacitus, den man gewapend met den adelaarsblik
-van het vernuft, hebben geschiedschrijvers als Gregorius van Tours,
-wiens geest gevormd was in de school der Romeinsche beschaving,
-niet altijd recht laten wedervaren aan de Noordsche denkbeelden.
-
-Welnu uit den Beowulf straalt eene betrekkelijk hooge ontwikkeling,
-waarop wij ons geenszins bij de «Noordsche barbaren» verwachten,
-en die gunstig afsteekt bij de bloederige tooneelen der Edda en de
-reusachtige, teugellooze hartstochten der Nibelungen.
-
-Deze ontwikkeling spreekt zich uit op maatschappelijk, stoffelijk,
-geestelijk en zedelijk gebied.
-
-Op maatschappelijk gebied zijn de toestanden, zooals Tacitus die
-beschreven heeft, in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. Nog altoos treedt
-het volksleger op, dat op de bloedverwantschap is gevestigd, zoodat
-ieder gezond, vrij man dienstplichtig is; zelfs ontmoeten wij nog de
-dienstgevolgschappen, comitatus van Tacitus; doch het gezag des konings
-heeft zich uitgebreid, en zijne waardigheid is erfelijk geworden.
-
-De koning blinkt uit door edele geboorte en door persoonlijken moed;
-hij voert het leger ten strijde.
-
-Van Hrodgar heet het:
-
-
- Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,
- Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. (Vert. 1055-56.)
-
-
-Het gevolgschap was eene vrijwillige vereeniging van strijdlustige
-mannen, waaronder ook bloedverwanten, onder het gezag van eenen vorst,
-wien zij onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaamheid beloofden.
-
-Het bestond uit beproefde krijgers (dugudh) en aankomende jongelingen
-(geogodh).
-
-Bij voorkeur schaarden zij zich onder de banier van een dapper
-krijgshoofd.
-
-
- Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,
- De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen
- Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,
- De breede jonglingschaar. (65-68.)
-
-
-Deze afhankelijkheid was geene schande, immers de zonen der
-aanzienlijkste geslachten gingen er toe over: Beowulf had in zijne
-jeugd Hredel gediend en op zijne beurt stelt hij aan Hrodgars zoon
-de gelegenheid open, om zich bij Hygelac aan te sluiten.
-
-De dienstgevolgschappen doen zich in het gedicht voor als een bond
-van blijvenden, ten minste niet van voorloopigen aard, evenals bij
-Tacitus; ofschoon niets belet, dat de verplichting met toestemming
-des vorsten voor een tijd lang kan opgeheven worden. Zoo zien we,
-dat Beowulf met Hygelacs oorlof de Denen ter hulp snelt, om daarna
-weer tot zijnen vroegeren heer terug te keeren:
-
-
- Geheel mijn hulde
- Zij wendt zich weder uwaart. (2206.)
-
-
-De dienstman ontving van den vorst: 1º huisvesting en voedsel:
-
-
- (Wij zijn) Hygelacs genooten aan de haardstee. (263.)
-
-
-2º zijne wapens; Wiglaf zegt:
-
-
- Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen
- En in de hal aan onzen heer beloofden,
- Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings
- Vergelden zouden enz. (2715-18.)
-
-
-3º allerhande geschenken, kleinoodiën, paarden en vooral spiraalvormige
-ringen, die tot munt dienden, zoodat men er een stuk van kon afbreken;
-4º daarenboven een aandeel in den krijgsbuit:
-
-
- Niet lag aan 't lot wie rooven zou den rijkdom. (3239.)
-
-
-en 5º ook landerijen. Beowulf zegt van Hygelac:
-
-
- Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds. (2565.)
-
-
-Wiglaf herinnert zich Beowulfs mildheid:
-
-
- Hij was alsdan het eigendom gedachtig,
- Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,
- De weeldevolle woning der Waegmundings,
- Elk volksbezit, gelijk bezat zijn vader. (2685-88.)
-
-
-Wij zien insgelijks, dat Hygelac met landerijen Wulf en Eotor
-beschenkt en zelfs den laatste met de hand zijner dochter. Uit de
-aangehaalde woorden van Wiglaf blijkt, alsmede uit andere plaatsen,
-dat de koning een stuk van het aan de gezamenlijkheid, aan den stam
-behoorend eigendom aan enkelen toewees.
-
-De latere Engelsche koningen pasten die handelwijze in het breede
-toe, en zoo ontstond mettertijd de dienst- en bezitsadel, welke den
-oorspronkelijken geboorteadel over het hoofd wies. In den Beowulf
-zijn dus de kiemen van het leenstelsel reeds aanwezig.
-
-Uit het gevolgschap koos de vorst soms eenige dapperen uit voor eene
-moeilijke onderneming; dit zien wij bij gelegenheid van Beowulfs
-tocht naar Denemarken en later bij zijnen kamp met den draak.
-
-In tijd van vrede maakten de mannen van het gevolgschap den hofstoet
-des konings uit.
-
-Zij bekleedden de hoogste waardigheden, als daar zijn: raadsheer
-(Aeschere); schenker (501, 2088); zanger (Unferd); ceremoniemeester
-(Wulfgar); hofmeester (1835).
-
-Men wane niet, dat wij met eene maatschappij te doen hebben, welke een
-bekrompen en armoedig bestaan leidde, zooals die bij Tacitus. Verre
-van daar.
-
-Onder stoffelijk oogpunt heerscht er aan de vorstenhoven zoo niet
-weelde, dan ten minste welvaart.
-
-Het verblijf der Deensche koningen bestaat uit de burcht, welke nogal
-aanzienlijk moet geweest zijn, en uit Heorot, de troonzaal, die zich
-in de nabijheid verheft; het geheel is omgeven met een ruim plein, het
-medeërf v. 1674, waar zich ongetwijfeld andere bijgebouwen bevonden.
-
-Het gedicht vermeit zich in de beschrijving van Heorots pracht,
-
-
- De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.
- Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld
- Bij 't menschdom, waar de machtige verwijlde.
- De vuurglans lichtte over vele landen. (310-13.)
-
-
-Het gebouw was van binnen met ijzeren bouten versterkt; kostbare
-kleeden met geborduurde tafereelen bedekten de wanden; goudversieringen
-blonken allerwegen, en een veelkleurig geplaveide weg, breed genoeg
-om een troep ruiters te laten draven, voerde er heen:
-
-
- De baan was bont bevloerd. (321.)
-
-
-De schepen zijn met een zeil en met kunstig gesmukten steven
-voorzien. Bij de onbekrompen feestmalen, waar een beker de ronde doet,
-wordt niet alleen bier en honigdrank, maar ook wijn geschonken. De
-beschrijving van den drakeschat met zijn schemerenden standaard en
-kostbaar vaatwerk, die van de sieraden, welke de koning ten geschenke
-geeft, bewijst ten volle, dat de kunst van het goudsmeden, die alleen
-bestaanbaar is met eene zekere welvaart, eene aanzienlijke hoogte
-had bereikt.
-
-Wat het meeste pleit voor den stoffelijken vooruitgang en de zucht
-tot weelde en prachtvertoon is de kleederdracht of beter de uitrusting.
-
-Mannen zoowel als vrouwen dragen versierselen:
-
-
- De man (zal) geen tooisel dragen tot gedachtnis,
- Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben. (3123-24.)
-
-
-Het harnas is een meesterwerk van smeedkunst, de helm draagt een
-gulden everbeeld. Beide zijn dikwijls uit kostbaar metaal vervaardigd,
-zoo Beowulfs helm:
-
-
- Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven. (1478)
-
-
-Hoe rijk de verschillende wapens ook zijn, het zwaard met deugdelijk
-ijzeren lemmer en sierlijk bewerkt gevest overtreft ze alle; enkel
-aan het schild wordt minder pracht ten koste gelegd; het is gewoonlijk
-van lindenhout en slechts bij uitzondering van staal en wel dan, als
-het voor Beowulf zake is zich voor het vuur des draaks te beschutten.
-
-Paarden staan de edellieden ten dienste; dikwerf is zadel en tuig
-met goud belegd; wandelritjes worden tot uitspanning ondernomen, en
-alsdan hebben zelfs wedrennen plaats, welke als de voorloopers kunnen
-beschouwd worden van het zoo geliefkoosde tijdverdrijf der Engelschen.
-
-Stappen wij over tot de verstandelijke ontwikkeling.
-
-De helden koesteren den grootsten eerbied voor de rijpe ervaring,
-voor de meerderheid van den geest; dit mag als een grondtrek van het
-epos aanzien worden.
-
-Hrodgar is de «wijze heerscher» (1428) «door jaren wijs» (1758)
-«bekend door kundigheden.» (930)
-
-De raadsheeren staan in hoog aanzien, hunne uitspraak wordt op prijs
-gesteld. In de Finn-episode treden zij als scheidsrechters op.
-
-Hygelac keurde Beowulfs tocht naar Denemarken af, toch zet deze zijn
-plan door, want de raadslieden stijven hem in zijn voornemen:
-
-
- Bij lang niet laakten wijze liên die reize. (208)
-
-
-Degene, die door den koning het meest gewaardeerd wordt, is Aeschere,
-des konings
-
-
- alvertrouwde en raad verstrekker tevens. (1349)
-
-
-Bij de oprichting van Beowulfs grafheuvel worden deskundigen in den
-arm genomen:
-
-
- Zij wierpen eenen wal er om, zoo deugdelijk
- Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden. (2276)
-
-
-Niet alleen bij de ouderlingen, maar ook bij de jongeren werd wijze
-bezadigdheid op prijs gesteld. Hrodgar vat Beowulfs aanspraken op
-vermaardheid in twee woorden samen:
-
-
- Gestadig waakt gij op dit alles, sterkte
- En wijsheid van gemoed. (1738)
-
-
-Is het dus te verwonderen dat de welsprekendheid zoo hoog aangeschreven
-stond bij deze ernstige mannen?
-
-Eene wijze rede wordt op ééne lijn gesteld met het kostbare goud:
-Beowulf «opent de schatten des woords» (261) en verzoekt om met
-Hrodgar «den woordenschat te mogen wisselen.» (367)
-
-Voor deze «barbaren» bestond het ideaal van den held niet alleen
-in lichaamskracht, maar ook in de evenredige ontwikkeling van hart
-en geest!
-
-Op meer dan eene plaats wordt dit uitgesproken.
-
-De kustwachter zegt:
-
-
- Ja, een scherpe schildman
- Van beide weet bescheid, van woord en werken.
-
-
-Hrodgar reikt aan Beowulf het volgende getuigschrift uit:
-
-
- Van geenen man nog hoorde
- Ik op die jonge jaren rijper rede.
- Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
- Aan woorden wijs. (1884-87)
-
-
-Welke diepe kloof ligt er niet tusschen dezen held en de ridders
-van het leenwezen, die ijzervreters, wier bekrompen verwaandheid
-de domme kracht alleen huldigde, zoodat de dichter van Reinaert,
-ons Nederlandsch volksepos, ze in Bruin den beer aan de kaak heeft
-gesteld tot lachwekkend schouwspel voor alle eeuwen!
-
-Al de redevoeringen munten uit door eenen ernstigen, kalmen, waardigen
-toon, welken de Engelsche letterkunde niet meer heeft afgelegd.
-
-Niet minder dan de welsprekendheid staat de dichtgave hoog
-aangeschreven, de kunst om (882) «naar eisch gerangschikt nieuwberijmde
-woorden» d. i. stafrijmen te vinden.
-
-Wij gelooven niet, dat Hrodgar er eenen hofnar op zou nagehouden
-hebben, doch hij bezat iets beters, den hofdichter, den thyled of
-spreker, die niet alleen aangesteld was om de daden der beroemde helden
-te bezingen, maar ook om het gezellige onderhoud gaande te houden.
-
-Dit ambt vervult Unferd. Hij behoort tot het gevolg des konings en is,
-wat edele geboorte en dapperheid betreft, de evenknie van den besten
-onder zijne wapenmakkers. Zelfs kunnen wij zeggen, dat hij boven al
-de overigen gewaardeerd wordt, want zijne plaats is aan de voeten
-des konings, d. i. op de derde eereplaats na Hrodgar en Beowulf.
-
-Evenals het ambt van hofdichter zoo stond ook de dichtkunst zelve in
-hooge eer. Zij speelt eene rol in al de omstandigheden des levens,
-in lief en leed, bij feestmalen en begrafenis.
-
-In dit opzicht heeft het Oudengelsch gedicht eenige overeenkomst met
-dat der Finnen, de Kalewala, bij welke de macht der poëzie schering
-en inslag is van het volksepos.
-
-Halen wij eenige voorbeelden aan tot staving van het gezegde.
-
-Hildeburg treurt bij den brandstapel van de in den strijd gesneuvelde
-dierbaren:
-
-
- De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder
- In klaaggezang. (1130)
-
-
-Hredel heeft zijnen oudsten zoon op noodlottige wijze verloren en
-vindt nog alleen vertroosting in de poëzie:
-
-
- Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied. (2530)
-
-
-Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich boven Beowulfs
-brandmijt:
-
-
- Zij klaagden lustverstoken
- Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
- Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken
- Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
- Door zorgen aangezet enz. (3262-66)
-
-
-Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden de zonen van de
-twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken:
-
-
- Zij wilden weder klagen, weer gewagen
- Van hunnen koning, weder spreuken konden
- En nopens hem verhalen al het goede. (3286-88)
-
-
-Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den dag tot laat
-in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid, scherts en
-lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met begeleiding van
-de harp.
-
-Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal voordragen,
-zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar de
-Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht.
-
-Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt van de gezellige
-bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat de Germanen,
-zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen, desniettegenstaande
-bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het dichterlijk gevoel.
-
-
- Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
- Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend.
- Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
- De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
- Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
- Ofwel de grootgezinde koning zette
- Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid.
- Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
- Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
- Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,
- Wanneer, door winters oud, hij 't aantal nadacht. (2160-70)
-
-
-Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke voordracht alles behalve
-gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo geliefkoosde tijdverdrijf
-niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap van het meer terugkeert,
-waar zij het spoor van den gewonden Grendel gevolgd hebben, en de
-paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage van Sigmund op,
-terwijl hij zelfs, en dit is merkwaardig genoeg, Beowulfs wapenfeit,
-dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de vuist bezingt en met
-dien held der dichterlijke overlevering in verband brengt. Ziedaar een
-sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die haren oorsprong neemt
-uit een werkelijk feit en dit met eenen mythischen held samenvlecht.
-
-
-
-Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der Oudengelsche
-wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den veldslag
-tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en
-Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (3025 vlg.)
-
-Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht, dat getuigt
-van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid.
-
-Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte stelling, drijft
-Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den volgenden morgen
-daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en werpt hem terug
-in zijne verschansing.
-
-Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen; doch nog meer:
-De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op de vlucht,
-doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit zich
-toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te gewaagd
-zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand in
-den rug heeft aangetast.
-
-Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat het helderste
-licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde barbaren.
-
-Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja zekere
-voorgeschreven plichtplegingen, welke aan het hof van Hrodgar den
-toon geven.
-
-De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene eigenschap van
-den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene eer, door hun
-gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de kennis
-der hofgebruiken.
-
-Het zijn allen in meer dan een opzicht echte «gentlemen,» al is het
-woord dan ook van latere Engelsche vinding.
-
-Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering drukken hunnen
-stempel op het dagelijksch verkeer.
-
-Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de Deensche kust,
-aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne afkomst en
-bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal.
-
-
- Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten? (241)
-
-
-Vooral trekt de aanvoerder zijne aandacht; want zijn edel uiterlijk
-heeft niets gemeen met dat van eenen dorper:
-
-
- 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger
- Dan uwer een, dien ridder in de rusting.
- Voorwaar geen huisman is 't, gedost in 't wapen,
- Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege. (251-54)
-
-
-Met welke voorkomendheid bejegent hij niet de vreemdelingen, nadat
-zij het doel hunner reis hebben blootgelegd! Hij doet hun een eind
-weegs uitgeleide en belooft een wakend oog te houden op hun schip.
-
-Aan het hof gekomen moeten de bezoekers eerst om gehoor vragen,
-alvorens bij den koning toegelaten te worden.
-
-Wulfgar komt hun te gemoet en doet de gebruikelijke vragen, want hij
-is Hrodgars bode of liever ceremoniemeester, volgens onze hedendaagsche
-begrippen.
-
-Daarna treedt hij weder binnen, om hen in gepaste, eerbiedige taal
-aan te dienen; hij plaatst zich niet recht voor den koning, maar ter
-zijde, aan zijnen schouder, want:
-
-
- Hij kende de handelwijs van 't hof. (360)
-
-
-Hrodgar beveelt alsdan Wulfgar, hem de hooge vreemdelingen voor te
-stellen. Deze spoedt zich weer naar buiten en deelt Beowulf mede,
-dat zijn verzoek om pleeggehoor is ingewilligd. De wellevendheid
-vordert nochtans, dat zij hunne schilden en lansen buiten laten
-staan. Onder den blinkenden helm en in het klinkende harnas stapt
-Beowulf met zijne mannen achter Wulfgar de zaal binnen en nadat hij
-staande den koning begroet en dezes antwoord ontvangen heeft, wordt
-hem eene eereplaats aangewezen.
-
-Het gebruik eischte, dat elke gast de zitplaats innam, die met zijnen
-rang overeenkwam.
-
-Daarom verwaarloost Beowulf niet, als hij later bij Hygelac is
-teruggekeerd en deze hem «op heusche wijs» ondervraagt, op deze voor
-hem belangrijke omstandigheid te wijzen:
-
-
- Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
- Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen
- Van mijn ontwerp. (2062-64)
-
-
-Niet te vergeten is ook de eerbied, waarmede het gevolg den
-koning toespreekt. Weidsche benamingen als «de hooge heerscher,
-de wijdvermaarde vorst, de schuts der Schyldings» enz. worden hem
-toegezwaaid; nochtans hebben zij niets vernederends, niets kruipends,
-niets wat naar de vleierij van hovelingen zweemt.
-
-Kenteekenend is hier vooral de toespraak van de koningin Wealchtheow
-tot haren heer en gemaal:
-
-
- Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
- O goudbegever. Wees nu wel te moede,
- O schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
- Met milden mond. (1189-92)
-
-
-Deze taal is verre van vertrouwelijk en gemeenzaam, doch zoo vorderde
-het de voorname toon van het hof.
-
-Immers wordt niet van haar gezegd:
-
-
- Dan Wealchtheow naakte,
- Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig.
- Zij groette, goudgekleed, de hallegasten.
- Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer,
- De hooggeboren vrouwe, toe den beker. (624-28)
-
-
-Daarom wordt ook van Hygd, Hygelacs gade, gezegd, dat zij vriendelijk
-en mild was voor de krijgers, doch niet gemeenzaam. (1979)
-
-Bij het feestmaal, aan de overwinnaars geschonken, wordt uitdrukkelijk
-vermeld, dat de gasten zich aan tafel als welopgevoede, welgemanierde
-edellieden gedroegen:
-
-
- 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,
- Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer. (1025-26)
-
-
-Zij dronken met waardigheid:
-
-
- Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd
- Hun hart ophaalden, menig medebeker
- Met waardigheid ontvingen. (1028-30)
-
-
-Deze innemende gezelschapstoon treedt zelfs in fijne schakeeringen
-te voorschijn.
-
-Zoo hoopt Beowulf, na de inbraak van Grendels moeder, dat Hrodgar
-goed geslapen heeft, ofschoon hij van het tegendeel overtuigd is;
-doch dit vergde de wellevendheid.
-
-Zoo bedankt hij Unferd voor het hem geleende zwaard, dat hem niet
-dienstig is geweest; doch hij wacht zich wel van zulk ongunstig
-oordeel er over uit te spreken, maar prijst het integendeel:
-
-
- Hij schatte dit geschikt een kampvriend
- En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
- Van 't staal met woorden. (1851-53)
-
-
-Zal niet ieder lezer moeten bekennen, dat eene maatschappij, welke
-zoozeer aan plichtplegingen, aan heuschheid in al haar doen en laten
-gehecht is, onder het oogpunt van de beschaving des geestes eene
-zekere hoogte moet bereikt hebben, en voorzeker niet op eene lijn
-dient gesteld te worden met de overige Germaansche volken?
-
-Men zou kunnen opwerpen, dat deze uiterlijke vormen nog geen bewijs
-zijn van de ware, van de innerlijke beschaving, die van het gemoed;
-dat zij niets meer zijn dan een schoone tint, een vernis, waaronder
-de aangeboren woestheid van den Germaanschen natuurmensch zich
-verbergt. Daarom zal het noodig zijn ons eene voorstelling te maken
-van de zedelijke ontwikkeling der helden, van de drijfveeren, die
-hen deden handelen.
-
-Wij zagen reeds, dat het dienstgevolgschap nog altoos bloeit, eene
-instelling, welke op trouw en aanhankelijkheid en niet, zooals het
-latere leenstelsel, op louter zelfzucht berust, en derhalve alleen
-mogelijk is bij eene maatschappij, welke een hoog zedelijk peil
-heeft bereikt.
-
-Hrodgar is niet alleen de beschermer, maar ook de vriend der
-Schyldings. Hij is het hoofd van het groote gezin. Eene vaderlijke
-bezorgdheid koestert hij voor zijne mannen en dit is de reden, waarom
-hij zich door het geheele epos zoo weekhartig voordoet; zoodat hij
-veel heeft van eenen door leed en jaren suf geworden huilebalk.
-
-Grendel heeft twaalf jaren lang eene schromelijke slachting onder de
-Denen aangericht, en gedurende al dien tijd
-
-
- broeide hij voortdurend,
- De zoon van Healfdeen, zorgen voor het heden; (192-93)
-
-
-want hij
-
-
- had der trouwen,
- Der dierbre mannenschaar weer des te minder. (492-93)
-
-
-Het sneven van Grendel schenkt hem slechts eene kortstondige
-verademing, daar Grendels moeder Aeschere «des konings meest beminden
-kamper» doodt. Deze tweede slag verplettert hem gansch:
-
-
- Naar welstand vraag me niet. De nood is weder
- Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aeschere,
- Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder. (1346-48)
-
-
-Groot is dan ook zijne dankbaarheid jegens zijnen redder en hij weet
-er niets beters op te vinden, dan hem tot zoon aan te nemen. Als
-eindelijk het uur der scheiding geslagen is, neemt hij onder tranen
-van hem afscheid, want een voorgevoel zegt hem, dat hij hem nimmer
-zal weerzien:
-
-
- Hierop kuste
- De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
- Der helden besten, zijnen hals omvattend.
- Den zilvergrijze zegen neer de tranen. (1914-17)
-
-
-Geene mindere genegenheid voor zijne mannen legt Beowulf aan den dag.
-
-Hij alleen waakt in Heorot, terwijl zijne onversaagde makkers zich aan
-den slaap overleveren, vol vertrouwen als ze zijn op zijne machtige
-hoede, al zijn ze er dan ook zeker van, dat voor hen geen tweede
-morgen zal dagen:
-
-
- Niemand hunner hoopte
- Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten,
- Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen. (705-7)
-
-
-Op het punt van in 't grondelooze meer te springen drukt hij Hrodgar
-wel op het hart, om in zijne plaats de tochtgenooten tot vader te
-strekken, mocht hij er het leven bij inschieten:
-
-
- Indien ik eens in uwen dienst het leven
- Verlaat, dat gij voor mij, den overledene,
- Voortaan vervullen zult de plaats van vader.
- O, Wees de wachter van de wapenlieden,
- Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt. (1505-9)
-
-
-Alvorens te sterven geeft hij aan Wiglaf zijne eigen wapenrusting
-tot aandenken, als het kostbaarste pand, dat hij hem kon overlaten.
-
-Niet alleen is de koning een vriend en vader voor zijne mannen,
-maar ook een weldoener. Wij zagen reeds, op welke wijze hij den
-wapendienst vergeldt.
-
-Vrijgevigheid is een der hoofddeugden van den Germaanschen vorst,
-terwijl de gierigheid naast den overmoed als oorzaak van zijnen
-ondergang wordt aangemerkt; dit wordt bij Heremod bewaarheid.
-
-En geen wonder, want door mildheid kon hij zich alleen eene uitgelezen
-schaar aanwerven; rijkdom was voor hem een onontbeerlijke hefboom
-van het gezag.
-
-Hij heet dan ook de goudvriend, de schatheer, de gever van het goud;
-de troonzaal is de giftstoel, de goudzaal.
-
-De gevolgsman draagt er niet weinig roem op, eenen milden heer
-te dienen:
-
-
- Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen,
- De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
- Dat ik een meer dan milden goudbegever
- Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. (1512-15)
-
-
-Het geschenk moet den gever en den begiftigde waardig zijn, zoodat
-niemand er iets op af te dingen heeft:
-
-
- Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen
- Het kampgeraas de wijdberoemde koning,
- De schatheer van den stam; gelijk geen stervling,
- Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen. (1060-63)
-
-
-Hetzelfde oordeel wordt uitgesproken over de aan Wulf en Eofor
-toegekende belooning. (3101)
-
-Hrodgars geschenken dragen integendeel de goedkeuring weg van Beowulfs
-mannen:
-
-
- Onderwege
- Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. (1930)
-
-
-De drie hoedanigheden, welke Beowulf tot toonbeeld maken van den
-Oudengelschen heerscher, zijn vervat in de slotverzen:
-
-
- Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
- Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen,
- Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst.
-
-
-Gaan wij nu de verhouding na van den gevolgsman tot zijnen gevolgsheer.
-
-Hier treedt de onverbreekbare trouw overal op den voorgrond.
-
-'t Is waar, de latere Romaansche volksdichten, alsmede het
-Nibelungenlied, steken luide de loftrompet over de trouw van den
-leenman tot zijnen leenheer; doch de Beowulf is hen voor geweest in
-de verheerlijking dezer ridderlijke eigenschap, welke uit het volle
-Germaansche gemoed is gegrepen.
-
-De wederzijdsche verknochtheid van heer en dienstman wordt
-volgenderwijze uitgesproken:
-
-
- Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel,
- Aan dezen was de neef geheel genegen.
- Elk hunner was des andren heil gedachtig. (2226-28)
-
-
-Deze verkleefdheid toont de gevolgsman eerst en vooral op het slagveld:
-
-
- 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,
- Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk
- Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was. (2562-64)
-
-
-Wiglaf drukt in zijne gloeiende rede hetzelfde uit. (2715 vlg.).
-
-Deze gehechtheid aan den vorst is niet het uitvloeisel van de hebzucht,
-van het verlangen naar eene rijke belooning, maar van een hooger
-beginsel, het plichtgevoel; al is het dan ook waar, dat een geschenk
-steeds welkom is.
-
-Hiervoor pleit Beowulfs gedrag, die de hem door Hrodgar geschonken
-kostbaarheden aan Hygelac en dezes gade afstaat, ja zelfs het
-onwaardeerbare halssieraad, het eenige in zijne soort.
-
-Hrodgar roept Beowulfs hulp in, door hem te bezweren bij het leven
-van Hygelac:
-
-
- Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
- Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel. (2188-89)
-
-
-De verknochtheid aan den koning der Denen, waarvan de held blijk
-geeft, (hij belooft hem zelfs uit zijn land te hulp te komen, zoo
-het noodig is), weegt niet op tegen die aan Hygelac. Daarom verzoekt
-hij den vorst, alvorens het gevecht aan te gaan met Grendel, zijne
-wapenrusting aan Hygelac te zenden, zoo hij er het leven laat.
-
-
- Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegrukt,
- Naar Hygelac het puike pantser henen,
- Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed. (455-57)
-
-
-Vóór den kamp op den bodem van het meer boezemen dezelfde gevoelens
-hem de woorden in:
-
-
- En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
- De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. (1510-11.)
-
-
-Dezelfde trouw, welke Beowulf voor zijnen heer aan den dag legt,
-wordt hem op zijne beurt door zijne eigen krijgers bewezen.
-
-Denken wij aan het tooneel op den oever van het Nikkermeer, waar de
-Gooten Beowulfs terugkomst reikhalzend te gemoet zien. Een bloedstraal
-schiet te voorschijn. Het wachten moede aanvaarden de radelooze Denen
-den terugtocht; de anderen nochtans blijven ter plaatse met den dood
-in het hart.
-
-
- De vreemden zaten droef van zin en tuurden
- Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden
- Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. (1635-37).
-
-
-Er is nog een ander held, die zijnen meester in den drakekamp trouw
-ter zijde staat. Het is de jonge Wiglaf, van wien de dichter zegt:
-
-
- Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen. (2797)
-
-
-Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is uitgetrokken,
-ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde krijgers,
-op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het plichtgevoel
-gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu het ook zijn
-bloedverwant is:
-
-
- Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap
- Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (2679-80)
-
-
-Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te kort te schieten:
-
-
- God weet van mij; mij ware 't wenschelijker,
- Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler
- Het vuur omving. (2732-34)
-
-
-Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid zijner heldenziel heeft
-neergelegd, is eene der schoonste bladzijden van het gedicht.
-
-Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat van denzelfden
-jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter diens schild den
-vuurspuwenden draak te lijf gaat.
-
-Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van Wiglaf, de
-vruchtelooze pogingen, die hij in het werk stelt om zijnen heer,
-aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het leven terug te roepen;
-het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog op Beowulfs jongste
-beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch vooral zijne
-bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en zwijgend komen
-aangedropen.
-
-Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan zijnen heer
-in den steek te laten.
-
-Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende redevoering. Vreeselijk
-is de straf, welke de eerloozen zal treffen; men zal met hen handelen
-als onlangs in Frankrijk geschied is met Dreyfus, den verrader:
-zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood verklaard, zij met
-hunne bloedverwanten.
-
-
- De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
- Het heele haardgenot en heil, 't zal alles
- Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
- Verstoken van het landbezit der stammen,
- Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
- Vernemen uwe vlucht vanuit de verte,
- Uw roemberoofde daad. De dood is beter
- Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven! (2986-93)
-
-
-In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal gewaagd van wrevel,
-zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de duistere episode
-van Heremod, doch men houde wel in 't oog, dat wij hier met eenen
-dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was met zijne
-plichten als gevolgsheer onder den voet te halen.
-
-Even onberispelijk als de verhouding tusschen gevolgsheer en
-gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het zijn
-wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord.
-
-Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca niet moederziel
-alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij gedurende 7 dagen
-in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit elkander slaat.
-
-
- In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
- Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
- Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (552-54)
-
-
-Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder de Denen.
-
-Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de Deensche
-krijgslieden voor te stellen:
-
-
- Verzoek hen in te gaan en al te gader
- Het broederbond te schouwen van de schare. (386-87)
-
-
-Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf hare zonen met zijne
-raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde eensgezindheid
-blijve heerschen.
-
-
- Elk krijger hier is heel verknocht den andren
- En mild van zin. (1248)
-
-
-Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook tusschen de Denen en
-hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn op de heldendaden van
-de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs nemen zij er geenen
-aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische vrijmoedigheid
-hun ronduit durft verklaren:
-
-
- Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,
- Den onbesuisden lansstorm uwer lieden
- Niet zeer te duchten heeft. (607-9)
-
-
-Dat pleit niet weinig voor de welwillende voorkomendheid, waarmede
-de Denen hunne gasten bejegenden.
-
-Hrodgar mag dus wel vóór het afscheid met volle vertrouwen verzekeren,
-dat Denen en Gooten voortaan de handen broederlijk zullen ineenslaan,
-zoodat de vriend of de vijand van het eene volk dit ook voor het
-andere zal zijn:
-
-
- De staalomwonden kiel zal over 't water
- De gaven brengen met de gunstbewijzen.
- Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
- Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
- In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (1905-9)
-
-
-Beschouwen wij nu het karakter van de helden op zich zelf; wij zullen
-er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons met verbazing
-slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen onsterfelijken
-naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman, zooals het,
-ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te voorschijn
-treedt.
-
-Roemzucht is de voornaamste drijfveer van al de daden.
-
-
- Nu wil ik, grijze wachter van de volken,
- Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven. (2584)
-
-
-Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige heerscher voor den
-drakekamp.
-
-Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de andere menschen
-te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van zijn lange
-leven herinnert hem Wiglaf daaraan:
-
-
- Beste Beowulf,
- Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger
- Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer
- Uw eere laten zinken bij uw leven. (2745-48)
-
-
-Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men luistere naar de
-volgende fiere taal:
-
-
- Dat hij behale,
- Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven!
- 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. (1413-15)
-
-
-Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten arbeid:
-
-
- Gij hebt verkregen,
- Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
- Altoos voor later tijd. (968-70)
-
-
-Dit verlangen verbonden met een levendig plichtbesef, dat wij reeds bij
-Wiglaf leerden op prijs stellen, zet tot handelen aan. Overheerschend
-is deze begeerte naar roem; zij overwint alle aarzelingen, zet alle
-beschouwingen ter zijde en wapent den held met doodsverachting.
-
-Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt voor hem niet
-op tegen den roem:
-
-
- Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,
- De kiel beklom met mijnen drom van dappren,
- Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,
- Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.
- Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,
- Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (643-48)
-
-
-Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht met Grendels moeder
-(1518) en met den draak (2609).
-
-Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet enkel
-voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is nog
-iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door
-een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk:
-
-
- Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid
- In 't strijden staan. (613)
-
-
-Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te bevechten; zijn doel
-is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen zijn eigen volk en
-de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van de hand wijst.
-
-Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het vaderlandsche
-doel, dat hij voor oogen had bij al zijne ondernemingen:
-
-
- Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt
- Door 't wapenfeit. (2150)
-
-
-Dit streven naar roem, de springveer van alle groote daden, brengt
-die zucht naar avonturen mede, waarvan de tocht naar Hrodgar het
-klaarste blijk is:
-
-
- Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
- Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (1880-81)
-
-
-De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek afgelegd. Er
-valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen tusschen de
-Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne strooptochten
-ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van door zulke
-lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om Hrodgar
-zijne hulp aan te bieden:
-
-
- Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,
- Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen
- Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (203-5)
-
-
-En wat verder:
-
-
- Hrodgar kan ik wijzen
- Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede
- Den vijand vleuglen zal. (280-82)
-
-
-Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem «tot hulpbetooning»
-heeft opgezocht.
-
-Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als de
-veronderstelling, dat Beowulf door gouddorst aangezet wordt. Bij de
-vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze kantteekening
-toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te lichten.
-
-De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel uit:
-
-
- Goudgierig was hij niet. (3185)
-
-
-Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd.
-
-Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de schatten
-onaangeroerd:
-
-
- Niet meerder schatten
- Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
- Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen
- Met dat gevest van glimmend goud. (1643-46)
-
-
-'t Is waar, bij het zien van de juweelen uit het drakenhol springt
-zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit goud, dat hij met
-zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal komen:
-
-
- Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
- Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
- Voor al de schatten, die ik hier beschouwe;
- Omdat ik deze, vóór mijn stervensstonde,
- Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
- Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
- Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden. (2889-95)
-
-
-Welke edele taal in den mond van eenen heiden!
-
-Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op hunne beurt niet
-ten achter bij hunnen vorst.
-
-Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde handen over
-te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem verdwijnen:
-
-
- Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
- Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels,
- Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
- Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
- De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken. (3118-22)
-
-
-Zelfs niet het geringste kleinood zal tot gedachtenis
-overschieten! (3123-24)
-
-De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij komen niet op
-tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf toegedachte rijkdom
-voor hen verloren gaat; en toch moest die verblindende pracht hun de
-oogen uitsteken:
-
-
- Niet een dien 't rouwde,
- Toen zij in aller ijl naar buiten brachten
- Den kostbren schat. (3243)
-
-
-De drakeschat wordt in den grafheuvel neergelegd:
-
-
- Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
- Het goud in 't zand, alwaar het zit tot heden,
- Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen.
-
-
-Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder tonen en grooter
-afmetingen de eigen dapperheid, de eigen doodsverachting en trouw
-te voorschijn, hij treedt in de schaduw overal, waar het op adel van
-gevoelens, op zedelijke ontwikkeling aankomt.
-
-Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt, zelfs niet voor
-eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de ridder «zonder
-vrees noch blaam».
-
-Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot hoogste wet
-verheven is; integendeel hij is zachtaardig:
-
-
- Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
- Bewaakte met de meeste macht eens menschen
- De reuzengave, hem door God geschonken. (2238-40)
-
-
-Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan springt hij kloekmoedig
-in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk zijne reuzenkracht ter
-beschikking van het goede recht, het komt er niet op aan, of de
-ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of vreemdelingen zijn.
-
-In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven zoekt, tracht
-hij de anderen er niet aan bloot te stellen.
-
-Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen zal het hoofd
-bieden aan den draak:
-
-
- Niet uwe taak is dit, niet toegemeten
- Aan een der mannen, dan aan mij den ééne,
- Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte
- En ridderdaân verricht. (2606-9)
-
-
-Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te hebben, ten einde
-zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te behalen.
-
-Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te mogen bestrijden
-enkel en alleen met zijne Gooten:
-
-
- U, hoofd der Helden-Denen,
- U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede:
- Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert,
- O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,
- Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
- Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (429-34)
-
-
-Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak met een leger aan
-te vallen:
-
-
- De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
- Nochtans, den ommevlieger aan te tasten
- Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. (2410-12)
-
-
-De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat hij Grendel, de
-belichaming van de domme kracht, wien alle edele gevoelens vreemd
-zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen ridderlijken tweekamp
-aan te bieden.
-
-De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij gevolg zal de
-held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem verzekert:
-
-
- Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,
- Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.
- Hij kent de kampgewoonte niet van weder
- Te schenken eenen slag, het schild te beuken,
- Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten.
- Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,
- Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (692-98)
-
-
-Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer, dat hij het noodig
-acht zich te verontschuldigen, omdat hij met wapenrusting en schild
-tegen den draak te velde trekt:
-
-
- Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur,
- Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens
- Het schild en krijgerkleed. (2594-96)
-
-
-Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen gewetenloozen en
-geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel verzaken: dat zijn
-twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen nieuwen adelbrief,
-de ridderlijkheid, toekennen.
-
-De taal bezit insgelijks het woord: eorl-scipe: ridderlijkheid;
-eorlscipe efnan: ridderlijke daden volbrengen.
-
-Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom der
-Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische volkspoëzie
-bewijst het) onderscheiden zich van de al te stoffelijke Semieten
-door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in geen volksepos is er
-een held aan te wijzen, die, wat zedelijke grootheid betreft, onzen
-Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag onder dit opzicht gerust
-de vergelijking met Homeros' helden doorstaan; zij zal niet in zijn
-nadeel uitvallen.
-
-Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom, om de
-zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan eens
-zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren.
-
-Vermelden wij nog ter loops den eerbied voor den ouderdom, alsmede
-Beowulfs rechtschapenheid, immers hij weigert den troon, hem door
-Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met de waarneming van de
-voogdijschap tijdens de minderjarigheid van Heardred; en gaan wij
-over tot eenen laatsten karaktertrek, die den aangeboren ernst der
-Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen.
-
-Müllenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste, de grootspraak,
-de ophemeling van eigen wapenfeiten.
-
-En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering aan zijne
-groote ondernemingen.
-
-Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft hij lucht aan
-dien onweerstaanbaren aandrang:
-
-
- Zij kenden toch de maat van mijne krachten;
- Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
- Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
- Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
- Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers
- Bemeesterd in het midden van de baren,
- Benarden nood beleefd, het leed der Weders
- Gewroken (want zij duldden vele weeën)
- 't Vijandig volk vergruisd. (419-27)
-
-
-Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht te denken, als
-wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op eigen kracht,
-hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen is.
-
-Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de uitdagingsrede,
-de gilp-cwide, welke door het gebruik was voorgeschreven.
-
-Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders. De helden
-zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den eenvoud
-des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel
-is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt,
-ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach
-van tevredenheid weet te onderdrukken.
-
-Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets bijhangt; het
-is geen opsnijder, geen lachwekkende miles gloriosus van het oude
-blijspel.
-
-Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de schildering van den
-zwemwedstrijd en voegt daarom toe:
-
-
- Niet bral ik dies. (598)
-
-
-Verre van zijne tegenstanders te beschimpen of te kleineeren, laat hij
-hun recht wedervaren, al acht hij zich ook hun meerdere; dit bevinden
-wij bij Brecca, wiens stoutmoedigheid en zeegehardheid door hem ten
-volle erkend worden.
-
-Hij geeft toe, dat Grendel wijdberoemd is door wapenfeiten (696)
-en dat hij hem niet kon beletten te vluchten:
-
-
- Ik kon hem, daar het God niet gunde,
- Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
- Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand. (980-82)
-
-
-Zoo hij er het leven heeft afgebracht tegenover Grendels moeder,
-dan is het dank aan hoogere tusschenkomst:
-
-
- Mij was het strijden
- Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. (1689)
-
-
-Unferd is de eenige persoon, die door afgunst geprikkeld, zich tegen
-de heuschheid bezondigt, welke hij aan de gasten verschuldigd is. Tot
-verschooning kan aangevoerd worden, dat hij bedronken was.
-
-'t Is ook de man, die zich aan zijne bloedverwanten vergrepen heeft.
-
-De gerechte straf blijft niet uit, al is het ook waar, dat hij later
-berouw gevoelt en zijne handelwijze tracht te vergoelijken, met zijn
-zwaard aan Beowulf te leenen. Voor hem is de ondankbare rol weggelegd;
-want het stuit allen tegen de borst, dat een man, die zich zulke
-aanmatigende taal veroorloofde en van wiens dapperheid zij eenen
-hoogen dunk hadden, niet hetzelfde aandurft als Beowulf:
-
-
- Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. (1498)
-
-
-Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet noemenswaardige
-plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij gezien, dat de
-eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke zich in de
-Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde bewaarheidt, ook
-hier eene teedere snaar had doen trillen in die mannelijke harten;
-doch troosten wij ons, want het schoone Fransche epos, la Chanson de
-Roland, waar Aude eene vluchtige, schoon onvergetelijke rol vervult,
-heeft dit met het Engelsch gedicht gemeen.
-
-De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan de jonkvrouw
-«met samengebonden lokken» (3264), welke bij Beowulfs brandstapel haar
-verloren levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken
-van wettige echtgenoote kunnen worden uitgereikt.
-
-
-
-Doch kleven er geene smetten aan die schitterende heldengestalten,
-die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze vergetelheid? Hebben
-zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene trekken behouden
-van de vroegere barbaarschheid?
-
-Het antwoord luidt bevestigend.
-
-Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de plunderingen, waaraan
-zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval en bij Finns dood, de
-schaking van Ongentheows echtgenoote door krijgsgeweld, doch vooral
-de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de Nibelungen zoolang na
-de invoering van het Christendom heeft stand gehouden.
-
-Wij hebben het oog op de bloedwraak, dien vreeselijksten aller
-hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met hun «slingerslangig
-haar», welke in de geschiedenis van alle volken, doch vooral bij de
-Germaansche stammen thuis hoort.
-
-Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen te voorschijn,
-die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te bekoren, zoo
-groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de diepte woelen
-onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen.
-
-Bloedwraak is de heiligste plicht.
-
-Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd, Grendel te
-doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten schoten
-daarin te kort.
-
-
- Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
- Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
- In deze drankzaal met de grijns der degens
- Te willen wachten op den greep van Grendel. (485-88)
-
-
-Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers, de veete heeft
-van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit netelig
-oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch nu
-treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt:
-'t is Grendels moeder.
-
-
- Nu daagde een ander machtig euveldader,
- Het was zijn doelwit, zijnen zoon te wreken. (1663-64)
-
-
-De grijze koning voorziet geen einde meer aan al die bloedtooneelen:
-
-
- En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. (1365)
-
-
-Wij zien ook, dat Beowulf na zijne troonsbeklimming zich met Eadgils
-verbindt, om wraak te nemen over den dood van Heardred, die vroeger
-in den oorlog met de Zweden gevallen was.
-
-In deze twee voorbeelden kan men ten minste de wraakoefening billijken,
-wel te verstaan van het heidensch standpunt beschouwd der betrokken
-personen; doch er doen zich ook gevallen voor, waar de denkbeelden,
-die, naar wij gezien hebben, de mannen zich van eenen held vormden,
-geheel en al worden omvergegooid; want tegenover dezen plicht houden
-alle andere plichten op.
-
-De bloedwraak wettigt de vuigste, minst ridderlijke daden; zij
-veroorlooft eedbreuk, ondankbaarheid, kwade trouw en huichelarij.
-
-Wat anders zien wij in de Finnsepisode, waar de Denen in bezongen
-worden?
-
-Hengest kan den dood van Hnaf niet verkroppen; voor het oogenblik
-nochtans is hij machteloos en in naam zijner Denen zweert hij aan Finn,
-den Friezenkoning:
-
-
- Dat hunner niemand, noch door woord noch werken,
- Het bond ooit breken zou, door arglist letten. (1112-13)
-
-
-Hij ontvangt huisvesting en geschenken van den vorst, blijft den
-langen winter bij hem, men zou zeggen, in de beste verstandhouding:
-
-
- In alles een bij Finn; (1143)
-
-
-terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in het geheim de
-onfeilbare wraak uitbroeit.
-
-Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de aangebeden gade.
-
-Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om hem met zich te
-verzoenen schenkt Hrodgar hem de hand zijner dochter. Een tijd lang
-sluimert de wraakzucht in de borst van den jongen krijger, ingewiegd
-als zij is door het huwelijksheil. Doch daarna breekt zij plotseling
-en verdelgend los, en de vreugde verkeert in wanhoop:
-
-
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
- En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (2118)
-
-
-De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn geweest van zulken
-plotselingen omkeer, want er staat:
-
-
- Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer
- Een korte wijle na den val des konings,
- Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (2082-84)
-
-
-Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die den gevallen
-bloedverwant niet wreekt.
-
-Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja onovertroffen
-verhaal van koning Hredel.
-
-Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn, toevallig
-bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding; dit is
-de ijzeren wet.
-
-Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard, welke treurt
-over het verlies van zijnen oudsten zoon!
-
-
- Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
- De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren;
- Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder
- Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot.
-
-
-Wie beseft niet den strijd, welke in zijn binnenste omgaat tusschen
-zijnen plicht en zijn vaderhart; immers hij kan den dooder niet
-straffen, want het is ook zijn zoon!
-
-
- Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,
- Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan 't galghout.
- Dan moge hij 't weemoedig lied verheffen,
- Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
- De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
- Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (2514-19)
-
-
-Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen, verbergt hij zich
-in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want
-
-
- het leek hem alles
- Te ruim, en veld en woon. (2531)
-
-
-De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst in den dood:
-
-
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
- En zocht het licht van God. (2538-40)
-
-
-Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk gedaan heeft
-aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt eene
-loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe onverklaarbaar
-dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch is gebleven.
-
-Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak nooit zijn
-gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met kalmte
-te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te verwijten:
-
-
- (ik) zocht geen moordlist,
- Noch legde menig eed af onrechtmatig.
- Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
- Om 't al verheugen, want de Heer der menschen
- Zal mij den moord niet wijten van de magen. (2826-30)
-
-
-
-
-CHRISTENDOM.
-
-Alle beoordeelaars zijn het eens, dat het Christendom geenen
-ingrijpenden, maar eenen hoogst oppervlakkigen invloed op het epos
-heeft uitgeoefend.
-
-Deze invloed is aan den inlasscher te wijten, wiens bedrijvigheid
-gemakkelijk te onderkennen is.
-
-Gaan wij de sporen van zijne werkzaamheid na.
-
-Wat aan het heidendom herinnerde werd of weggelaten (dit kunnen wij
-dus niet meer nagaan), of met eene christelijke kleur overgoten. Zoo
-trad de ééne God in de plaats van het heidensche godendom.
-
-De inlasscher volgt hier dus dezelfde gedragslijn als die, welke de
-geloofspredikers zich bij de heidensche gebruiken en bijgeloovigheden
-hadden voorgeschreven: zij roeiden ze niet uit, want ieder nieuw
-beginsel kan slechts gedijen door zich bij 't bestaande aan te sluiten,
-maar zij ontnamen er het heidensche karakter aan, door ze met de
-kerkelijke plechtigheden of met den dienst der heiligen in verband
-te brengen.
-
-1º Aan God wordt in het gedicht eene ruime plaats ingeruimd.
-
-Hij bestuurt het menschdom: hij schenkt roem en overwinning (dit
-is nochtans ook een kenmerk van Wodan); hij stelt eenen wachter op
-tegen Grendel, zijnen vijand, want hij alleen kan hem beteugelen;
-hij gedoogt niet, dat de op hem vertrouwende Beowulf door Grendels
-hand zal sterven; hij toont hem het reuzenzwaard, enz. enz.
-
-God wordt bedankt voor verleende hulp: zoo prijst Hrodgar hem bij
-Beowulfs opbeurende woorden, bij de nederlaag van Grendel, bij het
-zien van dezes hoofd; zoo doet Beowulf na den voorspoedigen overtocht,
-zoo de Gooten als hun vorst uit het meer opduikt, en Hygelac bij het
-terugzien van Beowulf.
-
-Hij bestuurt het heelal: hij is de ware schepper, regelt de
-jaargetijden, doet de planten groeien en schenkt ons het licht der zon.
-
-Hemel, hel en duivel worden ook genoemd.
-
-2º Deze invloed doet zich nog gelden in de bijbelsche toespelingen:
-dag des oordeels, schepping, zondvloed, Kaïn, en in de christelijke
-zedelessen, welke rechts en links met kwistige hand zijn rondgestrooid
-en waarop wij bij gelegenheid zullen terugkomen.
-
-3º Eenige Kenningar zijn van christelijken oorsprong. Hiertoe behooren
-de omschrijvingen van God, b. v. de eenige heer, de koning der glorie,
-de albestuurder, de hemelkoning, de roembeschikker, de hemelbestuurder,
-de glorievorst, de glorieherder, de albeheerscher, de vader, de heer
-des levens, der daden rechter enz.
-
-Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat Wodan ook vader, alvader, uitdeeler
-der glorie, roemvervuller geheeten wordt.
-
-Hel, hemel en duivel worden niet met Kenningar bedacht; want het is
-niet uit te maken, of de benamingen van Grendel oorspronkelijk van
-den duivel gezegd werden.
-
-Sterven wordt omschreven door: in 's Heeren hoede sterven; het heil
-des hemels zien; het heil der heiligen, het licht van God zoeken.
-
-Men ziet hieruit, dat het wezen zelf van het epos onaangetast blijft.
-
-4º Christelijke inwerking is nog te bespeuren in Beowulfs opvatting
-van den tweekamp, waarin hij een soort van godsoordeel ziet; dit doet
-hij tot tweemaal uitschijnen:
-
-
- En wien de dood dan wegrukt,
- Die zal verstaan des Albestuurders oordeel. (442)
- De wijze Godheid zal daarop de zege
- Verbinden aan de hand van een van beiden,
- De heilige Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt (699-701).
-
-
-Deze opvatting ontstond in 't begin der 6de eeuw alleen bij de Germanen
-en dan nog na hunnen overgang tot het Christendom [2].
-
-Het dient opgemerkt, dat de Christelijke toevoegsels nu en dan zich
-tegenspreken.
-
-De dichter zegt van de Denen, als er sprake is van de heidensche
-tooverkunsten om Grendel te bezweren:
-
-
- Dat waren zoo hun zeden,
- Hun heiden-denkwijs; naar de helle streefden
- Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester enz. (182-84).
-
-
-Het waren dus heidenen! Later nochtans ziet de inlasscher deze
-uitspraak over het hoofd, wanneer hij Hrodgar bij herhaling God laat
-bedanken en hem zelfs eene stichtelijke redevoering in den mond legt:
-
-
- O Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
- Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,
- En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend welzijn (1794-96).
-
-
-Eenige sporen van het heidendom hebben zelfs stand gehouden, als
-de wichelarij (208), het weefsel der zege, de vloek op 't goud,
-de everhelmen, de reuzen en nikkers, doch vooral het geloof aan
-het noodlot:
-
-
- Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot. (459).
-
- 't Noodlot sleepte
- De helden heen naar Grendels schrikverschijning (481).
-
-
-Zelfs wordt het op ééne lijn met God genoemd:
-
-
- Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid
- Met Wyrd en moed des mans (1070-71).
-
-
-
-
-HELDENSAGE EN VOLKSEPOS.
-
-Het volksepos put zijne stof uit de heldensage.
-
-Door heldensage verstaat men den gezamenlijken schat van nationale
-overleveringen uit het heldentijdvak van een volk, welke het ontstaan
-schonken aan eenen kring van epische liederen, met een of meer helden
-tot middelpunt.
-
-De heldensage bestaat dus uit afzonderlijke sagen, die elk op zich
-een bepaald feit als een afgesloten geheel behandelen.
-
-Zoo schildert het Hildebrandslied, dat tot de Oostgotische heldensage
-van Diederik van Bern behoort, den strijd tusschen Diederiks dienstman
-Hildebrand en dezes zoon Hadruband.
-
-Zoo toovert ons het schoone Finnsburgfragment, dat tot den kring
-der Noordzeeheldensage gerekend wordt, den aanval der Friezen op de
-Finnsburg voor oogen.
-
-Bijna alle epische zangen, welke zich in het volksheldendicht
-opgelost hebben, zijn als zelfstandig geheel verloren geraakt;
-nochtans kan men uit hoofde van het hier gezegde hun bestaan niet in
-twijfel trekken, te meer daar zij bij de ontleding van elk volksepos
-in zijne hoofdbestanddeelen bij benadering zijn aan te wijzen.
-
-Twee andere bewijzen vinden wij in de geschiedenis, welke, zooals
-gewoonlijk, ook hier eene hulpvaardige hand aan de letterkunde reikt.
-
-Tacitus zegt, dat de geschiedenis der Germanen uit aloude zangen
-bestond, waarin zij hunne goden en helden verheerlijkten [3]. In
-zijnen tijd bezongen zij zelfs Arminius, die eenige jaren te voren
-het volk van het Romeinsche juk bevrijd had [4].
-
-Jornandes [5] getuigt hetzelfde van de Goten:
-
-«Zij verheerlijkten in het lied door zang en harp de daden
-der voorvaderen, van Ethespamara, Amala, Fridigern, Widicula en
-anderen, van welke deze volken eenen hoogen dunk hebben, zoodat de
-bewonderenswaardige oudheid nauwelijks er op kan bogen, zulke helden
-te hebben gehad.»
-
-De dichterlijke overlevering in den volksmond is een der hoofdbronnen,
-waaruit de eerste kroniekschrijvers over Germaansche toestanden hunne
-berichten geput hebben, bij gebrek aan geschiedkundige bescheiden. Het
-is de taak des geschiedschrijvers, deze sagen, in een historisch gewaad
-gestoken, van de geschiedkundige bestanddeelen streng af te zonderen;
-voor ons is de wetenschap voldoende, dat zij bestaan.
-
-Jornandes heeft, hoofdzakelijk waar hij over Hermanaric en Attila
-spreekt, buiten kijf de volkspoëzie geraadpleegd.
-
-Savagner erkent dit in zijne inleiding:
-
-«...l'on ne peut reconnaître et déterminer les passages que Jornandès
-doit à Cassiodore, ceux qu'il doit à d'autres auteurs, ceux enfin où
-il prétend s'appuyer sur les antiques traditions et sur les chants
-nationaux des Goths.» bl. VII.
-
-Paulus Diaconus heeft ons in zijne geschiedenis der Longobarden den
-rijksten schat van heldenoverleveringen bewaard.
-
-De monnik Widukind nam meer dan een oud lied in zijne Res gestae
-Saxonicae op.
-
-Saxo Grammaticus behandelde de ontelbare dichterlijke verhalen, welke
-hij uit den mond zijner landgenooten opteekende, als de kostbaarste
-bouwstof voor zijne geschiedenis der Denen. Zij beslaan de negen
-eerste boeken zijner kroniek en vormen gedurende verscheidene eeuwen
-uitsluitend de geschiedenis van Denemarken [6]. Van al de Germaansche
-stammen werden tot nog toe alleen de Franken beschouwd als arm te
-zijn aan epische overleveringen.
-
-Dit dwaalbegrip heeft Kurth in zijn standaardwerk voor goed uit den
-weg geruimd [7], een werk dat de sagenvorscher in het vervolg dient
-te raadplegen en dat den geschiedkundige het middel aan de hand doet
-om historie en dichterlijke overlevering te schiften.
-
-Hij toont aan, dat de drie kroniekschrijvers van het Merovingische
-tijdperk: Gregorius van Tours, Fredegarius en de naamlooze schrijver
-van Liber Historiae op vele plaatsen geenen anderen zegsman kunnen
-gehad hebben dan de levende volksoverlevering.
-
-Uit de balans van geschiedenis en sage, welke hij opmaakt, blijkt
-zonneklaar, dat in dit opzicht de Franken door geen ander Germaansch
-volk in de schaduw gesteld worden.
-
-Nu dat het bestaan van afzonderlijke sagen boven allen twijfel
-verheven is, kan men zich afvragen, hoe zij tot stand kwamen. Zij
-zijn te beschouwen als de natuurlijke uiting van den algemeenen
-volksindruk bij het aanschouwen van eene belangrijke gebeurtenis of
-van een treffend natuurverschijnsel.
-
-Geven wij hier het woord aan Jonckbloet [8]:
-
-«Hoe jonger een volk, hoe meer er een algemeen peil van ontwikkeling
-is, waarboven zich ter nauwernood iemand verheft.
-
-Treffende gebeurtenissen moeten dus wel op allen nagenoeg denzelfden
-indruk maken: vandaar, dat het epische lied, door één begaafde
-ontboezemd, weerklank vindt bij allen, gemakkelijk onthouden en van
-mond tot mond voortgeplant wordt.
-
-Daar het gewrocht van een enkelen intusschen niet volkomen den geheelen
-volksgeest teruggeeft, wordt er bij de mondelinge overlevering hier
-een trek weggelaten, daar een andere aan toegevoegd, totdat eindelijk
-het geheel, ontdaan van wat er nog individueels aan mocht kleven,
-werkelijk de ware volksuitdrukking genoemd mag worden. Daarom draagt
-die overlevering terecht den naam van volksoverlevering, of, daar zij
-zich steeds in dichterlijken vorm openbaart, van volkspoëzie. En geen
-afzonderlijke zanger is als de zelfstandige dichter aan te wijzen,
-omdat inderdaad de geheele stam, het geheele volk, heeft bijgedragen
-om haar te vormen.»
-
-De dichter of beter de voordrager van zulke sagen heette bij de
-Angelsaksen scop; soms was hij te gelijkertijd toonkunstenaar en
-begeleidde zijne voordracht met de harp; somtijds reisde hij van
-land tot land, gelijk het overal in de middeleeuwen de gewoonte der
-wandeldichters gebleven is.
-
-Zoo was het mogelijk, dat de heldensagen van het vasteland in Beowulf
-eenen weerklank vonden, ja, dat bij de Angelsaksen een gedicht kon
-ontstaan, dat het wereldburgerschap van het latere Engelsche volk
-reeds in de kiem vertoonde, de Wîdsîdh of Verbereisde, hun oudste
-letterkundig gewrocht, waarin wij een overzicht hebben van al de
-destijds bekende helden der volksverbeelding.
-
-Doch hieruit volgt ook, dat het voortbestaan van de sagen aan vele
-wisselvalligheden onderhevig moest zijn.
-
-Dit springt nog meer in 't oog, wanneer men nagaat, dat deze liederen
-enkel aan het geheugen toevertrouwd werden en dat zij mettertijd in
-aantal moesten toenemen.
-
-Zoo kon, gelijk ten Brink aanmerkt, den eenen dichter iets bekend
-zijn en den anderen niet, en zoo was het geval mogelijk, dat eene
-sage, welke oorspronkelijk bij eenen bepaalden stam inheemsch was,
-er later uit den vreemde in gewijzigden vorm terugkeerde en als iets
-nieuws werd opgenomen.
-
-Zoo doet zich het verschijnsel ook voor, dat dezelfde dichterlijke
-gegevens opvolgendlijk in den loop der tijden op verschillende personen
-worden overgedragen [9].
-
-Dit zien wij in de Sigmund-episode.
-
-Nochtans kon er geen sprake zijn van oorspronkelijkheid in de
-tegenwoordige beteekenis van het woord.
-
-Niet alleen was de dichter, ten minste voor 't Angelsaksisch,
-aan eene bepaalde beeldspraak en versmaat gebonden, maar hij was
-ook verplicht zich, wat de stof aanbelangt, aan de overlevering
-te houden, zooals die iedereen in de voornaamste trekken voor den
-geest zweefde; b. v. aan het ideaal, dat zich het volk voorstelde,
-aan de schildering van een karakter, waarvan men zich eene bepaalde
-en geliefkoosde voorstelling gemaakt had.
-
-Ten Brink kenschetst dezen toestand in de volgende woorden:
-
-«Dies ist also ein geistiger Zustand, wo fast jede Reproduktion etwas
-von eigener Produktion und wo jede Produktion ohne Ausnahme ein gut
-Teil blosser Reproduktion in sich enthält.»
-
-Deze, zooals blijkt, van nature zoo veranderlijke sagen werden nog door
-twee groote geschiedkundige feiten gewijzigd: door de volksverhuizing,
-welke het oude op den achtergrond schoof en met eenen nieuwen
-toevoer van personen en daden vermengde, en door de invoering van het
-Christendom, dat de heidensche bestanddeelen uitroeide, vervormde,
-of er christelijke denkbeelden bijtrok.
-
-Op deze wijze bleef de heldensage als een levend iets in onafgebroken
-wording, in gedurige stofwisseling voortbestaan, totdat eindelijk
-een min of meer bekwaam dichter opstond, die de losse deelen tot één
-geheel vereenigde: het volksepos was geboren.
-
-F.-A. Wolf heeft op het einde der vorige eeuw den weg gebaand tot
-deze levenwekkende beschouwing van het volksepos in zijne Prolegomena
-ad Homerum, waarin hij aantoont, dat de Odyssee en de Ilias niet het
-uitsluitend werk van eenen dichter, maar van onderscheiden rhapsoden
-zijn.
-
-De Duitsche geleerden, welke op het gebied der Germaansche letterkunde
-denzelfden weg insloegen hebben dit stelsel verder ontwikkeld en op
-deze wijze aan de geschiedenis een vuurbaak ontstoken op het duistere
-pad der vroegste middeleeuwen.
-
-Eene andere vraag doet zich op: Welk is het wezen der heldensage;
-uit welke soort van dichterlijke overleveringen is zij saamgevloeid?
-
-Drie bestanddeelen zijn in de Germaansche heldensage te onderscheiden:
-geschiedenis, mythus en dichterlijke vinding.
-
-Gaan wij elk der drie punten na:
-
-Het epos is bij alle volkeren de eerste vorm van geschiedenis geweest;
-'t is, naar de eigenaardige uitdrukking van Kurth, de geschiedenis
-vóór de geschiedschrijvers. Het volk onthoudt alleen die trekken,
-welke het begrijpt, welke tot zijne verbeelding spreken, den weg tot
-zijn hart vinden; het bewondert den held en mensch, niet den staatsman,
-en ziet dikwerf gebeurtenissen over het hoofd, die onder geschiedkundig
-oogpunt het meeste gewicht in de schaal leggen.
-
-Wat b. v. de volksverbeelding in Clovis zoozeer boeit, is niet de
-groote rol, welke hij in Gods wereldplan vervulde, de verovering van
-Gallië en de grondvesting van een machtig christelijk rijk; maar wel de
-omstandigheden van zijn huwelijk, de parten, welke een geslepen Romein
-hem speelde, zijne ongenadige bijlslagen en zijne moorddaden [10].
-
-Zoo lang als de menigte de dichterlijke overleveringen voor zuivere
-waarheid aanneemt, blijft epos en geschiedenis vermengd; doch zoodra
-zij het onderscheid begint in te zien tusschen de geschiedkundige
-werkelijkheid en de ideale voorstelling, welke zij er zich van gemaakt
-heeft, dan is het morgenrood voor de geschiedenis en de avondglans
-voor het volksepos verschenen [11].
-
-Een groot feit, dat den eigen stam of naburige stammen getroffen heeft,
-moet onmiddellijk, onder den indruk der gebeurtenissen, liederen
-doen ontluiken, op straffe van anders te verdwijnen met het geslacht,
-dat er van getuige was; want eene geschiedkundige volksoverlevering
-bestaat er niet.
-
-Het is opmerkenswaardig, dat dit groot feit gewoonlijk eene nederlaag
-is. De reden ligt voor de hand [12].
-
-Voor krijgshaftige volken is de zegepraal hunner vorsten iets zeer
-natuurlijks en gewoons, terwijl hunne nederlaag ondenkbaar is.
-
-Hiertegen komt de gekrenkte volkstrots in verzet; hij tracht de
-nederlaag te verbloemen door den tegenstand zoo heldhaftig mogelijk
-op te hemelen, den roem der weerpartij echter te verkleinen door de
-overwinning aan de overmacht ofwel aan verraad toe te schrijven [13].
-
-Stappen wij over tot het tweede punt.
-
-De zucht om de daden van zulk een geschiedkundigen held breeder uit te
-meten en in een bovennatuurlijk licht te plaatsen heeft de versmelting
-ten gevolge van de historische sage, waarvan wij hierboven spraken,
-met de mythische of heroïsche, d. i. met overleveringen van goden
-en halfgoden uit een ouder tijdperk, overleveringen, die in den
-grond niets anders zijn dan eene dichterlijke verpersoonlijking der
-natuurkrachten.
-
-De neiging tot het bovennatuurlijke is eigen aan de volken, welke nog
-op den eersten trap der beschaving staan. Ziet men dit niet bij de
-wilde stammen, die vrije kinderen der natuur, ja bij sommige eenvoudige
-landlieden uit onze onmiddellijke omgeving? Zoo spreekt, om maar één
-voorbeeld te noemen, Gustave Aimard in een zijner boeiende verhalen
-van zijne persoonlijke kennismaking met een Indiaansch opperhoofd,
-die maar niet kon gelooven, dat Napoleon I gestorven was. Immers de
-zon sterft nooit, en de groote sachem der blanken was voor hem een zoon
-der zon en diende bij gevolg onder de goden gerangschikt te worden.
-
-Aimard voegt er bij, dat ongetwijfeld menig Fransche landman in die
-meening deelde.
-
-Het derde bestanddeel is eindelijk de dichtkunst, welke de daden van
-den zoo vergoddelijkten held met omstandigheden van eigen schepping
-opsmukt en somtijds aan hoogere, zedelijke eischen voldoening geeft.
-
-Passen wij deze beginselen op het Beowulfepos toe.
-
-Onze taak zal zijn aan te toonen, dat er een geschiedkundige Beowulf
-bestaan heeft, op wien de daden van eenen heros, Beowa geheeten,
-zijn overgebracht.
-
-
-
-
-GESCHIEDENIS.
-
-De geschiedkundige grond van den Beowulf is eene nederlaag en wel de
-inval, welken de Deensche koning Chochilaicus in 515 in de gouw der
-Hattuarische Franken ondernam.
-
-In ons epos wordt ook gewaagd van andere gebeurtenissen, welke,
-blijkens het boven gezegde omtrent het volksepos, van geschiedkundigen
-aard moeten zijn.
-
-Wij bedoelen namelijk den oorlog met de Zweden, waarvan geen
-geschiedkundig getuigenis bestaat; doch deze oorlog komt hier niet
-in aanmerking, daar Hygelac en niet Beowulf er de hoofdrol speelt,
-zoodat deze strijd niet de aanleiding kan zijn geweest tot het ontstaan
-van het gedicht.
-
-De Frankische kroniekschrijvers hebben gelukkigerwijze den strooptocht
-van Chochilaicus aan de vergetelheid ontrukt.
-
-Het bericht van Gregorius van Tours, III, 3, luidt als volgt:
-
-«Na dit alles randen de Denen onder hunnen koning, Chochilaicus
-geheeten, over zee Gallië aan met eene vloot. Na aan wal gestapt te
-zijn verwoesten zij een pagus (gouw) van Theodoriks gebied, zij maken
-gevangenen en bereiden zich om naar hun vaderland terug te keeren,
-na de schepen zoowel met de gevangenen als met den overigen buit te
-hebben beladen.
-
-Hun koning was op den oever neergezeten in afwachting dat de schepen
-in volle zee waren, om daarna zelf te volgen.
-
-Toen dit aan Theodorik bericht werd, nl. dat zijn rijk door de
-buitenlanders verwoest werd, zond hij zijnen zoon Theodebert naar
-die streken af met een groot leger en eene groote oorlogstoerusting.
-
-Deze versloeg, na den koning gedood te hebben, de vijanden in een
-scheepsgevecht en gaf den ganschen krijgsroof aan de landzaten terug.»
-
-De andere Frankische bron, Liber Historiae (Gesta regum Fraticorum,)
-zegt hetzelfde op beknopte wijze en duidt tevens de streek aan met
-den naam van pagus Hattuarius.
-
-De koning der Franken, waarvan sprake is, is Clovis' oudste zoon,
-Theodorik I van Austrasië, de held van meer dan een epischen zang.
-
-Om hem te onderscheiden van den Oost-Gotenkoning Theodorik den Groote,
-werd hij Theodorik de Frank of de Huge geheeten, en als zoodanig
-verschijnt hij onder den naam van Hug-Dietrich in de Duitsche
-heldensage.
-
-Daar noch Gregorius van Tours noch zijne opvolgers eenige schriftelijke
-oorkonde omtrent Clovis' zonen ten dienste stond, moeten zij deze
-wetenschap uit de epische overlevering der Franken opgedaan hebben
-[14].
-
-Dit wordt nog bevestigd door het volgende bericht, dat toevalligerwijze
-in een handschrift van Phaedrus uit de 10e eeuw is opgenomen:
-
-In de 9e en 10e eeuw waren nog in een eiland, aan de Rijnmonding
-gelegen, reuzig groote beenderen te zien, welke naar het volksgeloof
-aan koning Hunglac, waarvan wondere zaken verteld werden, zouden
-hebben toebehoord [15].
-
-Het staat dus vast, dat deze strooptocht der Denen zulken diepen
-indruk op de overwinnaars had te weeg gebracht, dat de herinnering
-ervan na vier eeuwen nog niet was uitgewischt.
-
-Doch overweldigend moet de schok dier nederlaag geweest zijn op het
-gemoed der Denen, daar zij het aanzijn schonk aan den Beowulf.
-
-En inderdaad het verhaal van den Frankischen geschiedschrijver stemt
-in de hoofdlijnen overeen met de beschrijving, welke het epos ons
-op meer dan eene plaats geeft van de nederlaag der Deensche Gooten
-onder hunnen koning Hygelac, een naam, die volgens de wetten der
-woordafleiding aan Chochilaicus beantwoordt.
-
-Het spreekt van zelf, dat de geprikkelde eigenliefde van het volk
-deze nederlaag met de schoonste kleuren heeft afgemaald, zoodat
-Hygelac slechts voor de overmacht zwichtte, en zijn neef Beowulf,
-met de wapenrusting van dertig Franken beladen, in zee sprong, nadat
-al zijne aanvallers in het stof hadden gebeten.
-
-Is Hygelac dus een geschiedkundig persoon, dan staat niets in den
-weg om ditzelfde van zijnen moedigen neef Beowulf aan te nemen, juist
-wegens zijne verhouding tot den historischen oom; ofschoon geen ander,
-noch geschiedkundig noch dichterlijk gedenkschrift, buiten ons epos
-van hem gewaagt.
-
-Dat het gedicht de overwinnaars onder vier verschillende benamingen
-aanduidt, legt geenen onoverkomelijken hinderpaal in den weg;
-immers Friezen, Hetwaren, Franken en Hugen zijn in den grond een en
-hetzelfde volk.
-
-Hugen is de naam, welken de Noordsche volken van de 6e tot de 11e
-eeuw aan de Franken toekenden. Eigenlijk heetten zoo de bewoners
-van Hugmerki «de mark of het grensgewest der Hugen», op de grenzen
-van Saksen en Friesland; daarna werd de naam door de Saksen en
-Scandinaviërs aan de Franken in het algemeen gegeven [16].
-
-De Pagus Hattuarius behoorde tot Friesland, dat zich in den breeden
-zin van het woord van af de grenspalen van Denemarken tot aan de
-Scheldemonden en de poorten van Brugge uitstrekte.
-
-Deze streek maakte deel van het rijk der Ripuarische Franken, zoodat
-de Hetwaren onder aardrijkskundig oogpunt Friezen en onder staatkundig
-Franken heeten [17].
-
-Leo plaatst de gouw der Hattuariërs op den rechter oever der Maas,
-langs beide zijden der Niers; dus in de omstreken van Kleef, Gelder
-en Meurs, zooals Müllenhoff zegt.
-
-Hygelac was derhalve met zijne vloot tot zoover doorgedrongen, en deze
-overrompeling van de binnenlanden door middel van de riviermondingen
-bleef in 't vervolg de krijgskunde der Noormannen.
-
-
-
-
-MYTHOS.
-
-Welk is de mythische kern van de Beowulf-heldensage?
-
-Vooraf zij opgemerkt, dat wij het stelsel uiteenzetten, zooals het door
-Ettmüller, Leo en anderen, doch vooral door Müllenhoff is ontworpen,
-die zich op dit gebied vooral verdienstelijk heeft gemaakt, om er
-vervolgens eenige kantteekeningen aan toe te voegen.
-
-Wij hebben er reeds op gewezen, dat Müllenhoff bij de Angelsaksen
-eenen alouden, mythischen held aanneemt, Beów(a) of Beáw(a) genaamd,
-den overwinnaar van Grendel, welke later met den geschiedkundigen
-Beowulf versmolt; zoodat de daden van Beówa op Hygelacs neef werden
-overgebracht.
-
-Daar Müllenhoffs betoog ingewikkeld en niet al te helder is, zullen
-wij achtereenvolgens de volgende vragen beantwoorden:
-
-Heeft er een halfgod Beowa bestaan; was hij door de Angelsaksen gekend;
-heeft hij Grendel overwonnen, en kan men bewijzen, dat deze Beowa in
-den held van ons epos is schuilgegaan?
-
-I. Van de Angelsaksische koningen, die in Engeland na de
-volksverhuizing regeerden, zijn geslachtslijsten tot ons gekomen,
-waarvan sommige van Engelsche andere van Scandinavische herkomst zijn.
-
-Al deze genealogieën komen hierin overeen, dat zij tot den god Wodan,
-den stamvader der Angelsaksische koningen, opklimmen.
-
-In sommige echter, onder anderen in de Saksenkroniek, zijn nog eenige
-namen als voorvaders van Wodan toegevoegd; de lijst begint met Sceaf,
-dan volgt Sceldwa (of Scyldwa), dan Beaw (elders Beawa, Beow, Beowa
-geheeten) en zoo verder tot aan Wodan, terwijl ook Heremod en Geát
-genoemd worden.
-
-Welnu deze Sceaf is, als voorvader van den door de Duitsche volken
-als hun stamvader beschouwden Wodan, reeds daardoor zelf een mythisch
-wezen.
-
-Dit blijkt nog uit andere berichten; volgens deze zouden de Saksen
-naar Sceaf genoemd en zijn zoon Scyld de eerste bewoner van Germanië
-geweest zijn; terwijl aan de negen zonen van zijnen kleinzoon Beovinus
-alle Germaansche volken langs Oost- en Noordzee het ontstaan te
-danken hebben.
-
-Van Sceaf gaat ook de sage uit van het geheimzinnige schip, waarin
-hij als kind werd uitgezet op eene korenschoof, te midden van wapens
-en kleinoodiën.
-
-Schip en garve zien op zeevaart en akkerbouw, wapens en kleinoodiën
-op krijg en koninkschap; van Sceaf dagteekent dus de eerste beschaving
-der Germaansche kustbewoners.
-
-Doch niet alleen Sceaf is een mythisch wezen, maar ook zijne twee
-nakomelingen Scyld en Beowa.
-
-Het zijn slechts mythische uitbreidingen van de natuur van Sceaf, die
-zijne beteekenis verder uitwerken en in wezenlijkheid niets anders
-zeggen dan hetgeen Sceafs mythos reeds te kennen geeft; want vader
-en zoon zijn in de godenleer doorgaans verschillende namen van een
-en hetzelfde wezen.
-
-Dit leert ons de ontleding van de namen: Scyld, Sceldwa, Scyldwa
-is de «schermheer, de met het schild dekkende» en vertegenwoordigt
-het koninkschap.
-
-Beá van de wortel bhu «zijn, wonen, worden, wassen,» verpersoonlijkt
-het vreedzame verblijf in woningen [18].
-
-Wat nog pleit voor de eenzelvigheid van Sceaf en Scyld is, dat in
-ons epos de sage van Sceafs scheepvaart op den zoon is overgebracht.
-
-Ten slotte kunnen wij ons beroepen op eene geschiedkundige getuigenis,
-waaruit blijkt, dat Geát, een der voorloopers van Wodan, als eene
-godheid werd aangemerkt:
-
-Kurth, blz. 92, geeft de volgende aanhaling: quem Getam jamdudum
-pagani pro Deo venerabantur. (Asser, De rebus gestis Aelfredi in
-Script. Rer. Brit. blz. 468.)
-
-II. Was deze Beaw, wiens mythisch karakter ons gebleken is, in
-Engeland inheemsch?
-
-Het antwoord moet bevestigend luiden, immers de geslachtslijsten, welke
-van zijn bestaan getuigenis afleggen, behooren alle oorspronkelijk
-in Engeland thuis, daar de Scandinavische genealogieën op de
-Angelsaksische leest geschoeid zijn [19].
-
-Doch een bewijs, dat den doorslag geeft, vindt Müllenhoff in eenige
-Engelsche plaatsnamen, welke in oude oorkonden voorkomen: Beowan
-hamm «Beowa's hoeve», Grendles mere «Grendels meer», Grindles bec
-«Grendels beek», Grindeles pytt «Grendels moeras», en Béas brôc
-«Beaws broekland.»
-
-Deze plaatsnamen zijn het stelligste bewijs, dat het geloof aan eenen
-heros Beowa in zuidelijk Engeland bij het volk algemeen verbreid was.
-
-III. Deze Beowa werd door de Angelsaksen vereerd als de dooder van
-het watermonster Grendel.
-
-Hoe weet Müllenhoff dat? Hier ligt juist de knoop; immers aan te
-nemen, dat Beowa Grendel doodde, enkel en alleen omdat Beowulf dit
-in het epos doet, en van den anderen kant, dat Beowulf een mythische
-held is geworden, omdat er een mythische Grendeldooder Beowa bestond:
-dit zou een goochelkunstje zijn, dat men in de redeneerkunde met den
-deftiger naam van petitio principii bestempelt.
-
-Het afzonderlijk voorkomen van plaatsnamen als Beowan hamm en Grendles
-mere geeft ook geene uitkomst; wél, indien de twee namen te zamen
-voorkomen, want dan is men gewettigd een oorspronkelijk verband
-tusschen Beowa en Grendel aan te nemen.
-
-Dit nu is gelukkigerwijze het geval, en hier ligt dus het zwaartepunt
-van Müllenhoffs gezamenlijk betoog.
-
-IV. Eene opgave van het hoogste belang is vast te stellen, dat deze
-Beowa zich in den geschiedkundigen held heeft opgelost; zoo niet,
-dan zijn al de tot hiertoe verkregen uitkomsten doelloos.
-
-Men diene in het oog te houden, dat in ons epos twee personen den
-naam van Beowulf dragen: Beowulf de Deen, welken wij door Beowulf(1)
-voorstellen en die, als zoon van Scyld en als grootvader van den
-Deenschen koning Hrodgar, alleen in de Inleiding verschijnt, en
-Beowulf de Goot of Beowulf(2), de held van het gedicht.
-
-In Beowulf(1) steekt de Angelsaksische heros. Door invloed van Beowulf(2)
-werd in plaats van Beow, zooals het had moeten zijn, Beowulf(1)
-geschreven, welke naam buitendien er op gelijkt.
-
-Dit volgt onmiddellijk uit de vergelijking van de boven genoemde
-koningslijsten met Hrodgars stamboom in de inleiding van het
-gedicht. Hrodgars voorouders zijn: Sceaf, Scyld, Beowulf(1).
-
-Deze trits namen is, met uitzondering van den 3den, identisch met
-Sceaf, Scyldwa, Beow uit de Angelsaksische genealogieën; dus is
-Beowulf(1) voor Beow verschreven.
-
-Doch nog meer, de sage van den mythischen Sceaf ontmoeten wij
-insgelijks in het epos, ofschoon op Scyld toegepast; een bewijs dat
-wij in den grond met een en dezelfde lijst te doen hebben.
-
-Daaruit moet men besluiten, dat het gedicht den stamboom der
-Angelsaksische koningen aan het Deensche vorstenhuis heeft toegekend.
-
-Müllenhoff schrijft deze overdrage toe aan de gelijkheid van naam
-tusschen den Scyldwa of Scyld der Angelsaksen en den eponymus of
-naamgever der Deensche koningen, welke Scyldingen d. i. «afstammelingen
-van Scyld» zijn bijgenaamd.
-
-De rest der redeneering is klaar. Daar de mythische Beow, de dooder
-van Grendel, in het epos voorkomt, doch zonder vermelding van zulk
-wapenfeit, hetwelk integendeel aan Beowulf(2) wordt toegeschreven, zoo
-ligt het voor de hand, dat zijne daden op Beowulf(2) zijn overgebracht.
-
-Zoo werd de halfgod, wegens de overeenkomst van naam, vereenzelvigd
-met den geschiedkundigen neef van Hygelac.
-
-V. Welke dichterlijke opvatting der natuurkrachten ligt aan dezen
-Beowa-mythos en bijgevolg aan Beowulf(2) ten grondslag?
-
-Beowulf is de lichtheros, welke in 't voorjaar de overstroomende zee
-terugdrijft, doch bij het aanbreken van den winter verdwijnt.
-
-Müllenhoff verklaart deze voorstelling als volgt:
-
-Drie groote heldendaden van Beowulf dragen een mythisch karakter:
-
-1º De zwemwedstrijd met Brecca, waarin Beowulf den 7n dag het land
-der Finnen d. i. Lapland bereikt.
-
-Hij is bijgevolg den poolstroom te gemoet gezwommen en kan diensvolgens
-als een mythisch wezen opgevat worden, dat in zijne jeugd, d. i. in
-het voorjaar de winterstormen der zee overwint.
-
-De zee is door zijnen tegenstander, Brecca, vertegenwoordigd. Immers
-Brecca «die door de golven breekt» is vorst der Brondigen d. i. de
-branding. De naam zijns vaders Beánstan hangt samen met bauni
-«walvisch».
-
-2º Op zijnen mannelijken leeftijd bekampt Beowulf den reus Grendel
-en dezes moeder.
-
-Nu is hij het goddelijke wezen, dat den mensch tegen watermonsters
-d. i. de stormige zee beschermt; Grendel en diens moeder stellen de
-wilde Noordzee voor.
-
-3º Na eene vijftigjarige vreedzame regeering doodt de vergrijsde held
-den draak, doch niet zonder zich van zijne schatten meester gemaakt
-te hebben.
-
-De draak beteekent dikwerf een vernielend stroomend water en
-verbeeldt hier de overstroomende Noordzee in den herfst na den
-rustigen zomertijd.
-
-De zonneheros schenkt de schatten van den bodem aan de menschen,
-doch zijne macht loopt ten einde, want de noordsche winter staat voor
-de deur.
-
-VI. Müllenhoff gaat nog verder en ziet in Beowa-Beowulf den god Ing
-d. i. Freyr, den stamvader der Ingaevonen, of beter Niordr en Freyr,
-vader en zoon. Immers Freyr heet ook Yngwi, Yngwifreyr.
-
-De Ingaevonen waren, volgens Tacitus, de volken, welke aan de kust
-der Noordzee leefden «proximi Oceano Ingaevones»; hiertoe behoorden
-dus ook de Angelen en Saksen.
-
-Freyr beschermt oogst, handel en scheepvaart; hij verslaat Beli, den
-zoon van den zeereus Gymir, met een hertegewei, dat deze dieren in
-de lente afleggen; hij maakt door zijne zege de zee weder bevaarbaar
-en verdrijft de den menschen verderfelijke reuzenmachten.
-
-VII. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Beowa-mythos den
-Angelsaksen in hun oorspronkelijk verblijf op het vasteland
-d. i. in Sleeswijk-Holstein bekend was en van daar naar Engeland
-werd overgeplant.
-
-Wortelde hij zich daar vast, alvorens hij op Beowulf werd overgedragen,
-zooals Müllenhoff meent; ofwel had, volgens Symons, ten Brink en
-anderen, de versmelting reeds in Denemarken plaats; ziedaar eene
-twistvraag, welke wij in het midden laten.
-
-Volledigheidshalve zij enkel nog bijgevoegd, dat Mannhardt, Simrock
-en Nathanaël Müller zich niet voor een Freyr--maar voor een Thorheld
-uitspreken; de laatste onderscheidt buitendien tusschen Beowulf(1),
-die als derde bijgestalte van Sceaf den god Wali, en Beowulf(2), die
-alleen Thor voorstelt.
-
-Na Müllenhoffs stelsel uiteengezet te hebben is het zake van er eenige
-beschouwingen aan toe te voegen; immers ieder niet-mytholoog zal
-erkennen, dat de aangevoerde bewijzen op geene volslagen zekerheid,
-maar hoogstens op waarschijnlijkheid kunnen aanspraak maken.
-
-1º Verschillende geleerden, onder anderen Symons, zien in Beowulf
-enkel en alleen eenen heros; zoodat het overbodig is, tot eenen
-vermenschelijkten god zijne toevlucht te nemen.
-
-2º Indien de naam van Beowulf(2) den halfgod Beowa verkeerdelijk
-tot Beowulf(1) herdoopt heeft, dan mag men zich afvragen, waarom die
-terugwerking zich maar binnen zekere grenzen heeft doen gevoelen,
-daar Sceaf, Scyld en Beowulf(1) alleen de voorvaders van de Deensche
-koningen en niet van Beowulf(2) geworden zijn.
-
-Of zou dit pleiten voor eene Deensche herkomst van den eersten zang?
-
-Dat die invloed op zoo'n goeden weg is blijven steken, is des te
-meer te verwonderen, als men nagaat, dat niet Hrodgar maar Beowulf(2)
-identisch is met Beowulf(1), ten minste volgens Müllenhoff.
-
-3º Indien de Beowa-mythos zoozeer verspreid was in Engeland, waarom
-bewaart de Widsidh er dan het zwijgen over?
-
-4º Als men de volksheldendichten beschouwt, komt men tot de ervaring,
-dat het mythisch wezen van den held langzamerhand in de schaduw is
-gedoken, terwijl zijn menschelijk karakter in gelijke mate op den
-voorgrond treedt. Dit neemt nochtans niet weg, dat er kenmerken
-gebleven zijn, die den vroegeren halfgod verraden.
-
-Zoo zien wij in de Ilias, dat Achilleus met de goden omgaat, dat hij
-onkwetsbaar is en daarenboven eene godin tot moeder heeft.
-
-Eenige overgebleven mythische trekken zijn ook in het Duitsche
-Nibelungenlied waar te nemen, om niet te spreken van de Noordsche
-overlevering, waar het mythische bestanddeel overwegend is. Sigfried
-is onkwetsbaar, evenals Achilleus, en beschikt over de onzichtbaar
-makende tarnkappe.
-
-Indien bijgevolg Beowulf oorspronkelijk een hooger wezen is, dan moeten
-wij den vinger kunnen leggen op eenige sporen van die oude opvatting.
-
-Dit nu is niet het geval, integendeel wij vinden ons in een geheel en
-al menschelijk midden verplaatst, al de daden en roerselen getuigen
-dit eene: homo sum!
-
-Of moet Beowulfs bovenmatige kracht, welke tegen die van dertig man
-opwoog, moet zijne bedrevenheid in het zwemmen, waardoor hij eerst
-tot in het hooge Noorden doordrong en later van Nederland uit Jutland
-bereikte, als mythische trekken worden beschouwd, daar zij het vermogen
-van een gewoon sterveling te boven gaan?
-
-Dit schijnt mij niet aannemelijk, immers deze groote lichaamsgaven
-maken juist van Beowulf den held, maar stempelen hem daarom nog niet
-tot een mythisch wezen, tot eenen halfgod.
-
-Immers de held van het epos kenmerkt zich door daden, die van het
-treurspel door hartstochten, welke het gewone peil verre overschrijden.
-
-Daar Beowa Grendel doodde en als zoodanig alleen vereerd werd,
-zou men met recht bij de beschrijving van dien kamp eenig mythisch
-spoor verwachten; doch vruchteloos, tenzij men de handschoen voor
-zoo iets houde!
-
-Beowulfs gevecht in de onderzeesche woning met Grendels moeder draagt
-eerder eene phantastische dan wel mythische kleur, en ik zou ook
-geneigd zijn, dit van den kamp met den draak aan te nemen, zoo niet
-de draak in tal van mythen eene rol speelde.
-
-Wij trekken hieruit het besluit, dat geen mythische trek in het epos is
-aan te wijzen buiten den draak, welke onmetelijke schatten bewaakt;
-want al doemen er ook andere gestalten in op als Sceaf, Sigmund,
-Hama, Weland, die allen oorspronkelijk mythische wezens zijn, geen
-dier personen behoort tot de kern van de Beowulf-sage.
-
-Nochtans komen wij hiermee niet veel verder, daar, zooals blijkt
-uit de plaatsnamen, alleen Grendel, doch niet de draak, iets met den
-Beowa-mythos te maken heeft.
-
-5º Wij hebben gezien, dat de twee te zamen behoorende plaatsnamen
-Beowan hamm en Grendles mere de spil zijn, waarop heel het betoog
-van Müllenhoff draait.
-
-Ontbreekt die overeenstemming, dan blijft het nog altoos waar, dat
-een heros Beowa bestaan heeft; doch of die in eenig verband staat
-met Grendel en bijgevolg met Beowulf, kunnen wij alsdan uit niets
-afleiden, of het zou uit eene verre overeenkomst van naam (Beowa,
-Beowulf) moeten zijn.
-
-Men ziet, hoe Müllenhoffs stelsel, al vormt het ook een afgerond en
-scherpzinnig geheel, op de punt eener naald is opgetrokken.
-
-Jammer dat deze zwakke steun dan nog wordt omgeknipt door Thomas
-Miller in The Academy (1894, 12 May).
-
-Hij toont aan, dat in de plaatsnamen bowan hammes en grendles mere,
-welke in het «Cartularium Saxonicum» no 677 voorkomen, Grendel niet een
-eigennaam maar een gemeennaam is, welke drain d. i. afwateringsbeek
-beteekent. Hij vertaalt grendles mere door the cess pool d. i. het
-afwateringsmeer, het turfmeer.
-
-Miller leidt deze beteekenis van het woord af uit twee andere plaatsen
-van dezelfde oorkonde, waar het woord grendel alleenstaande voorkomt.
-
-De slotsom dezer beschouwingen is, dat men tot nog toe het mythische
-bestanddeel der Beowulf-heldensage met geene voldoende zekerheid of
-zelfs waarschijnlijkheid kan aanwijzen, en dat Müllenhoffs uitspraak,
-op het zachtst uitgedrukt, voorbarig mag heeten, wanneer hij zegt:
-
-«Es ist nicht zu bezweifeln dass die Angeln und Sachsen, die sich
-in England niederliessen, den mythus vom kampf mit dem wasserunhold
-Grendel, den das gedicht dem Beowulf beilegt, ursprünglich von dem
-mythischen Beav ihrer genealogie erzählten.....» Men kan het Thorpe dus
-niet euvel duiden, als hij een loopje neemt met de Duitsche mythologen.
-
-
-
-
-GEÁTAS.
-
-Het volk, wiens heldenfeiten bezongen worden, zijn niet de Denen,
-maar de Geátas; Beowulf(2), dien wij in 't vervolg kortweg Beowulf
-zullen heeten, was een Geát.
-
-Welk Germaansch volk beantwoordt aan de Geátas? [20]
-
-De meeningen loopen uiteen. Kemble hield de Geátas voor Angelen;
-Ettmüller, Thorpe en Müllenhoff voor de bewoners van zuidelijk Zweden;
-want de vorm Geátas stemt, volgens de woordafleiding, overeen met
-Zweedsch Gotar, Oudnoordsch Gautar, waardoor de bevolking van de
-Zweedsche landstreek Westergötland bedoeld wordt.
-
-Leo en Bugge zien er integendeel de Jutten in, al stuiten zij ook op
-de spraakkundige moeilijkheid, dat de vorm «Jutten» in 't Angelsaksisch
-Eótas, Jotas, (Oudnoordsch Jótar) en niet Geátas moest opleveren.
-
-Halen wij Bugge's voornaamste bewijsgronden aan, hoofdzakelijk ontleend
-aan den Zweedschen geschiedschrijver Pontus Fahlbeck, en welke mijns
-inziens de schaal te zijnen voordeele doen overhellen.
-
-Een taalkundig bewijs tegenover taalkundig bewijs is het volgende: In
-de vertaling van Beda's werk De Jutarum Origine geeft koning Alfred,
-die toch in het Angelsaksisch thuis moest zijn, den naam Jutten door
-Geátas weer, daar hij het Latijnsche opschrift door Of Geáta fruman
-vertolkt.
-
-Uit talrijke plaatsen van het gedicht komt men tot de overtuiging,
-dat de Geátas een zeevarend volk zijn. Dit past geheel en al bij de
-Jutten, maar niet bij de Westergoten, wier hoofdnederzetting sinds
-alouden tijd bij Skara is geweest. Deze Zweedsche Westergoten hebben
-bijna geene kusten en laten zich in de geschiedenis niet als eigenlijk
-zeevolk aanwijzen.
-
-Geátas en Swéon (Zweden) zijn door de zee gescheiden, welke naar luid
-van het epos de eenige verbindingsweg moet zijn.
-
-Welnu deze gemeenschap langs den waterweg is onvereenigbaar met de
-plaatselijke verhouding tusschen Westergotland en het eigenlijke
-Zweden, doch noodzakelijk bij de ligging van Jutland.
-
-Hygelac, koning der Geátas, onderneemt eenen krijgstocht, naar het
-land der Franken; in overeenstemming hiermede beschouwen de Geátas
-de Franken en Friezen als hunne hoofdvijanden na de Zweden.
-
-Dit klinkt zonderling, als er van de verre Westergoten sprake is,
-doch is natuurlijk, als men aan de Jutten denkt.
-
-Bij de Frankische kroniekschrijvers wordt Hygelacs volk Dani
-geheeten. Dit verstaat zich gemakkelijk van de Jutten, die in de
-Noordsche bronnen van historischen tijd onder de Denen begrepen worden,
-doch niet van de Zweden.
-
-Dat ons epos Geátas en Denen streng uit elkander houdt, vindt zijne
-verklaring in den staatkundigen toestand der beide volken, die elk
-een afzonderlijk rijk uitmaakten.
-
-B. ten Brink neemt eene afzonderlijke stelling in. Voor hem zijn
-de Geátas noch Angelen, noch Zweden, noch Deensche Jutten, maar
-Engelsche Jutten.
-
-Hij beroept zich op de volgende plaats van Beda: «De Jutarum origine
-(Deensche Jutten) sunt Cantuarii (die van Kent) et Victuarii, hoc
-est ea gens, quae Vectam (eiland Wight) tenet insulam et ea, quae
-usque hodie in provincia Occidentalium Saxonum (Wessex) Jutarum natio
-nominatur, posita contra ipsam insulam Vectam.»
-
-Dus Kent, Wight en de tegenoverliggende kuststreek in Wessex werden
-door denzelfden stam bewoond, terwijl de laatsten in Beda's tijd nog
-den naam van Jutten voerden.
-
-Deze Engelsche Jutten waren, volgens ten Brink, niet van hetzelfde
-bloed als de latere bewoners van Jutland. Hij veronderstelt, dat hun
-naam aan het land gebleven is na hun vertrek naar Brittanje, zoodat
-hij op de later komende Deensche Jutten overging. Deze oudste Jutten
-zijn derhalve de Geátas.
-
-Er bestaat geen ernstige grond om tusschen de Engelsche en Deensche
-Jutten eene scheidslijn te trekken.
-
-Much neemt aan, dat zich Jutten onder de Germaansche veroveraars van
-Engeland bevonden, doch hij ziet er en met hem Möller geen van de
-Deensche Jutten onderscheiden, maar wel hetzelfde Duitsche volk in,
-waarvan een deel op Jutland bleef en met de nieuw aangekomen Denen
-het land verdeelde. [21]
-
-
-
-
-NATIONALITEIT VAN DEN BEOWULF.
-
-Of Beowulf het werk van eenen Engelschen, Deenschen, dan wel Zweedschen
-dichter is, blijft tot nog toe de twistappel.
-
-Drie punten vergen vooraf de aandacht:
-
-1º Hoe komt het, dat de Angelen en Saksen niet genoemd worden in een
-in het Angelsaksisch opgesteld gedicht, dat zoovele volksnamen behelst?
-
-Hierop is nog geen bevredigend antwoord ingediend. Ten Brink geeft de
-volgende verklaring: Toen de gebeurtenissen plaats grepen, welke het
-ontstaan zouden geven aan Beowulf, was een groot deel der Engelsche
-stammen reeds naar Brittanië vertrokken. Van hen, die in het vaderland
-waren gebleven, waren de meesten reisvaardig en dachten alleen aan
-de nieuwe woonstede.
-
-2º Daar de Geátas herdacht worden in een Angelsaksisch gedicht, staan
-wij voor het verbazende feit, dat vreemdelingen bezongen worden in
-een nationaal epos.
-
-Deze moeilijkheid valt weg, als men zich te binnen brengt wat
-boven gezegd werd, dat zich onder de uitgewekenen naar Engeland ook
-Jutten bevonden, welke, zooniet van denzelfden stam, dan toch met de
-Angelsaksen verwant waren.
-
-3º Over Deensche toestanden wordt met kennis van zaken en met
-belangstelling uitgeweid; immers de ligging van Hrodgars burcht niet
-ver van zee, de zorgvuldige beschrijving van Heorot en vooral van de
-omgeving, de bekendheid met de verhoudingen aan het Deensche hof,
-dit alles bewijst, dat de dichter de landstreek tusschen Roeskilde
-en Lerje, de oude zetelplaats der Deensche koningen op Seeland,
-met eigen oogen heeft opgenomen.
-
-Deze getrouwheid der plaatsbeschrijving, welke men zich in de
-veronderstelling van een in Engeland geboren epos moeilijk kan
-verklaren, is een der voornaamste redenen, waarom Sarrazin in den
-Beowulf de vertaling ziet van een oorspronkelijk Deensch gedicht.
-
-Thorpe kent er, schoon steunende op zwakker gronden, eenen Zweedschen
-oorsprong aan toe. Hij beroept zich op het vers in de Inleiding, waar
-gezegd wordt, dat Beowulfs roem de Schedelanden d. i. Scandinavië
-binnendrong; waardoor de dichter te kennen geeft, dat het verhaal
-hem in zijn eigen «home» bereikt heeft.
-
-Vervolgens zou het gedicht naar Engeland zijn overgebracht, alwaar
-het tijdens de invallen der Denen vertaald werd. Rönning werkt Thorpes
-opvatting verder uit.
-
-Eindelijk hebben wij de meening van Müllenhoff en ten Brink; voor
-hen is de Beowulf geene vertaling, geen vreemd lettervoortbrengsel,
-maar een echt Oudengelsch gewrocht.
-
-Deze laatste zienswijze vindt de meeste voorstanders.
-
-Wij zullen de verschillende bewijsgronden niet nagaan, welke voor of
-tegen elk der drie meeningen zijn ingebracht, maar ons bepalen bij
-eene beschouwing van ten Brink, welke ons afdoende voorkomt.
-
-De eigenschappen, waardoor de Beowulf uitblinkt, veronderstellen
-eenen hoogen graad van zedelijke ontwikkeling, van beschaving, welke
-in de 7e eeuw en 8ste eeuw bij geen Germaansch volk, tenzij bij de
-Engelschen, wordt aangetroffen en allerminst bij de Scandinaviërs
-(Denen en Zweden).
-
-«Man vergegenwärtige sich doch nur den Verkehr zwischen Beowulf und
-dem Dänenkönige, seinem ganze Verlaufe nach, um die Ueberzeugung zu
-gewinnen, dass hier eine Humanität sich äussert, von der die ältere
-Dichtung anderer germanischer und ebenso romanischer Völker kein
-Beispiel bietet.»
-
-Ten Brink merkt buitendien nog op, dat geen der verwante Scandinavische
-sagen den echten naam van den held kent, welke Bjólfr zou moeten
-luiden, evenmin als de Noordsche overlevering eenige herinnering
-bewaard heeft van den strooptocht naar den Rijn, die den stoot gaf
-tot de vorming onzer heldensage.
-
-
-
-
-TIJD VAN VOLTOOIING.
-
-Uit welken tijd dagteekent de vervaardiging van het Beowulf-epos? Het
-ligt in den aard der zaak, dat het epos slechts langzamerhand door
-ineensmelting van meer of minder oude zangen zijnen tegenwoordigen
-vorm verkregen heeft, zoodat deze letterkundige kristallisatie zich
-over verschillende eeuwen kan hebben uitgestrekt.
-
-Daarom zullen wij eerst de grenzen afbakenen, waartusschen het gedicht
-moet tot stand gekomen zijn.
-
-Afgezien van den Beowa-mythos kan er van het eigenlijke epos geen
-sprake zijn vóór 515-20, toen de inval van Hygelac plaats greep.
-
-Van den anderen kant moet het gedicht vóór de 9de eeuw, d. i. vóór
-de plundertochten der Denen in Engeland, kant en klaar zijn geweest;
-hoe zou men anders aan de Denen zulken lof toegezwaaid hebben?
-
-In deze speelruimte van ruim twee en een halve eeuw valt een tijdperk
-uit de Engelsche geschiedenis aan te wijzen, dat onder het oogpunt
-van beschaving aan de voorwaarden beantwoordt, welke ons epos
-noodzakelijkerwijze vooropstelt.
-
-Deze voorwaarden zijn volgens ten Brink: een volksbewustzijn, dat
-zich uit in het gevolgschapswezen, beschaving, verzachting der zeden,
-verdraagzaam samenzijn van christendom en heidendom.
-
-Welnu aan al deze eischen voldoet de maatschappelijke toestand van het
-Northumberlandsche rijk in 't begin der 7de eeuw, onder de regeering
-van Eádwini.
-
-Hij was het die Bernicië en Deira tot één rijk vereenigde, zijn
-gezag uitbreidde, de Kelten en Schotten met goed gevolg beoorloogde,
-de openbare veiligheid, eene voorwaarde van alle ware beschaving,
-in de hand werkte en in 627 tot het Christendom overging.
-
-Na hem bereikte Northumberland onder Oswald en daarna onder Oswiu
-zijne hoogste macht.
-
-Toen vormde zich die breede epische stijl, welke in de 2de helft der
-7de eeuw in het naburige rijk Mercië zijn beslag kreeg, vooral door
-toevoeging van episoden.
-
-Het Beowulf-epos werd dus in den loop der 7de eeuw voltooid.
-
-
-
-
-HET HANDSCHRIFT.
-
-Het handschrift klimt op tot de 10de eeuw en wel tot de 2de helft,
-naar ten Brink; het is het werk van twee afschrijvers, van welke
-de tweede, die zich vooral door het gebruik van ió in plaats van eó
-kenmerkt, bij het woord môste v. 1940 begint.
-
-Het handschrift bevindt zich te Londen, in de Cottonische Bibliotheek
-van het British Museum.
-
-Ziehier wat Thorpe er in zijne Inleiding over zegt:
-
-Al de handschriften der Angelsaksische poëzie zijn van eene
-betreurenswaardige onnauwkeurigheid en verraden bijna op elke
-bladzijde de onwetendheid van eenen ongeletterden afschrijver, die
-(gelijk het de kloostergewoonte was) dikwijls op dictee neerschreef;
-maar onder de Angelsaksische handschriften mag, ik ben er zeker van,
-dat van den Beowulf in gemoede als het slechtste beschouwd worden,
-afgezien van zijnen huidigen beklaaglijken toestand, ten gevolge
-van den brand in Cotton House in 1731, die het ernstig beschadigde,
-zoodat het gedeeltelijk wrijfbaar als zwam is geworden.
-
-
-
-
-DE VERSBOUW.
-
-Algemeene Bemerkingen. De versbouw van den Beowulf is aan alle Duitsche
-volken gemeen en bestaat in het rijmlooze geallitereerde vers.
-
-Het geallitereerde vers is, ten minste bij de Westgermanen, uit
-twee deelen nl. halfverzen samengesteld, welke door de stemrust
-gescheiden zijn.
-
-Het stafrijm, dat beide halfverzen tot een geheel verbindt, brengt
-de eenheid tot stand.
-
-Niet alleen de verzen, maar ook de halfverzen van denzelfden regel
-volgen niet altijd eenen eenvormigen rhythmus; integendeel, er heeft
-wisseling van verscheiden bepaalde versmaten plaats.
-
-Zoo heerscht er afwisseling en vrijheid van beweging.
-
-Maken we dit klaar door eene veronderstelling.
-
-Terwijl onze tegenwoordige dichters zich doorgaans in hetzelfde
-stuk aan ééne verssoort houden, b. v. hexameter, alexandrijn,
-vijfvoetige jambe, enz., zou de Oudgermaansche zanger in den bouw
-zijner halfverzen nu een gedeelte van eenen hexameter gekozen hebben,
-dan van een alexandrijn, dan weer van de vijfvoetige jambe, enz.
-
-Welk zijn dan de versmaten, die in het geallitereerde vers afwisselen?
-
-Om hierop te antwoorden, behooren wij twee stelsels te onderscheiden:
-sommigen, waaronder Sievers, nemen twee heffingen aan voor het
-halfvers; anderen, waaronder ten Brink, integendeel vier.
-
-Wij zullen in breede trekken een begrip geven van beide theorieën
-en verwijzen voor de bijzonderheden naar de uiteenzetting door beide
-geleerden in den «Grundriss der Germanischen Philologie.» [22]
-
-
-
-
-I. TWEE HEFFINGEN.
-
-Bouw van het halfvers in 't algemeen. Sievers onderscheidt er de
-volgende bestanddeelen:
-
-1º de beklemtoonde lettergrepen of heffingen (´); zij zijn twee
-in getal.
-
-2º de onbetoonde lettergrepen of dalingen (×).
-
-3º de minder betoonde lettergrepen, welke, naar gelang hunne omgeving,
-dienst kunnen doen voor dalingen b. v. kérkdeu×r, of voor
-bijheffingen (`) b. v. wíndmòle×n.
-
-Het halfvers bestaat doorgaans uit vier leden, welke hetzij
-paarsgewijze zijn verbonden, volgens het schema 2 + 2, hetzij niet
-paarsgewijze, volgens het schema 1 + 3 ofwel 3 + 1.
-
-Vandaar, wat de maat betreft, vijf verschillende grondvormen in
-het halfvers:
-
-
- A -´ × | -´ ×
- B × -´ | × -´ schema 2 + 2
- C × -´ | -´ ×
-
- D -´ | -´ -` × schema 1 + 3
- -´ | -´ × -`
-
- E -´ -` × | -´ schema 3 + 1
- -´ × -` | -´
-
-
-Buitendien komen er nog onderverdeelingen in aanmerking, drie voor A,
-drie voor C, vier voor D, twee voor E.
-
-In het Angelsaksisch komt de grondvorm A het meeste voor, dan in
-afnemende orde B, C, D. Het minst vertegenwoordigd is E.
-
-Het stafrijm valt op de heffingen; in ons epos gewoonlijk op de
-beide heffingen van het eerste, en op de eerste heffing van het
-tweede halfvers.
-
-Alle klinkers allitereeren met elkander, eveneens gelijke medeklinkers,
-alsmede v en w, uitgezonderd de verbindingen sk, st, sp, welke noch
-op elkaar, noch op andere s-groepen, noch op eenvoudige s kunnen slaan.
-
-
-
-
-II. VIER HEFFINGEN.
-
-ten Brink's stelsel wijkt onder meer dan een punt van het vorige af.
-
-Het allitereerend vers bestaat uit vijf verschillende versmaten,
-waaraan nochtans een zelfde rhythmisch schema ten grondslag ligt.
-
-Dit grondschema is voor het halfvers:
-
-
- × ×´ × ×` | × ×´ × ×`
-
-
-Het halfvers bestaat dus uit vier tweeledige voeten en vier heffingen:
-twee hoofd- en twee bijheffingen; de rest zijn dalingen.
-
-Elk lid van den tweeledigen voet vormt een tijddeel of more (×). Het
-halfvers bestaat dus uit acht moren. Uit dit oorspronkelijk schema, dat
-wij met ten Brink a zullen heeten, zijn vier andere rhythmen ontstaan,
-naar de verschillende wijzen, waarop de heffingen elkander volgen.
-
-b De volgorde van hoofd- en bijheffing wordt in den 1sten en 2den
-voet omgezet:
-
-
- × ×` × ×´ | × ×´ × ×`
-
-
-c In den 3den en 4den voet:
-
-
- × ×´ × ×` | × ×` × ×´
-
-
-d In 1,2 en 3,4:
-
-
- × ×` × ×´ | × ×` × ×´
-
-
-e 3 en 4 worden tusschen 1 en 2 ingeschoven.
-
-
- × ×´ × ×´ | × ×` × ×`
-
-
-Alvorens dit nader toe te lichten, dienen wij eerst een woord te
-zeggen over de quantiteit en de betoning.
-
-Quantiteitsregel: Eene more (×) kan ingevuld of gedekt worden zoowel
-door de korte als lange lettergreep (×).
-
-Twee moren kunnen alleen gedekt worden door eene lange lettergreep,
-welke alsdan door het teeken (-) wordt voorgesteld.
-
-Onder de lange lettergrepen zijn ook die te rekenen, welke door twee
-medeklinkers gesloten worden.
-
-De betoning grijpt veel verder om zich dan bij Sievers. Kunnen
-betoond worden en bijgevolg aan heffing onderhevig zijn: 1º alle
-eenlettergrepige woorden, uitgenomen ne; 2º bij de veellettergrepige
-alle syllaben; uitgenomen die op korte betoonde lettergrepen volgen
-en de toonlooze eenlettergrepige voorvoegsels.
-
-De twee hoofdheffingen vallen bijgevolg met de lettergrepen te zamen,
-die den klemtoon hebben.
-
-De twee bij heffingen vallen aan minder betoonde lettergrepen te beurt,
-b. v. kerkdeùr, windmòlen; en in het algemeen aan die lettergrepen,
-welke door eene nog zwakker betoonde worden voorafgegaan of gevolgd,
-waardoor zij in kracht winnen.
-
-Op het einde van het halfvers heeft geregeld heffing plaats, indien
-de lettergreep er voor vatbaar is.
-
-Eene betoonde lettergreep tusschen twee sterker betoonde wordt ofwel
-daling, ofwel heffing, naar de eischen van het vers.
-
-Keeren wij nu terug tot de versmaat.
-
-Het halfvers zou geheel en al volledig wezen, zoo elk der acht moren
-door eene lettergreep vertegenwoordigd of gedekt was; doch dit heeft
-uiterst zelden plaats, en dan nog alleen bij den grondvorm a b. v.:
-
-
- gewâ´t him thâ` to wárodhè = × ×´ × ×` × ×´ × ×`
-
-
-Gewoonlijk ontbreken er een of meer dalingen.
-
-Deze onderdrukking der daling is aan twee oorzaken toe te schrijven:
-
-a) ofwel de daling wordt door eene pooze (^) vervangen;
-
-b) ofwel de daling wordt opgeslorpt door de lange lettergreep (-)
-welke, zooals gezegd is, voor twee moren kan gelden.
-
-Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken.
-
-a. Met pooze in 't begin:
-
-
- wî´ge ùnder wáeterè = ^ ×´ × ×` × ×´ × ×`.
-
-
-Pooze en opslorping der daling door de lange lettergreep:
-
-
- mýnelìcne mâ´ddum = ^ ×´ × ×` × -´ ×`.
-
-
-(-´ ×` staat voor ×´ × ×`, zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd
-worden.)
-
-b. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep
-van straete:
-
-
- òfer lágustráetè = ^ ×´ × ×´ × -´ ×`.
-
-
-c. Met pooze en opslorping der daling door de derde lettergreep
-van aedelinga:
-
-
- aédelìngà gedrýht = ^ ×´ × -` ×` × ×´.
-
-
-d. òfer géofenès begóng = ^ ×` × ×´ × ×` × ×´.
-
-
-e. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep
-van ydha:
-
-
- átol y´dhà gethrìng = ^ ×´ × -´ ×` × ×`.
-
-
-Al de hier opgesomde verzen zijn volledig, omdat er de vier heffingen
-zijn; ontbreekt één der bijheffingen, dan is het vers onvolledig.
-
-In dit geval kan de ontbrekende bijheffing op twee wijzen vervangen
-worden:
-
-1º door de pooze, b. v.
-
-
-a. geslô´h thî`n faéder = × -´ -` ×´× ^`.
-
-
-2º Ofwel, en dit heeft slechts in één geval plaats, worden twee
-heffingen, nl. hoofd- en bijheffing, door ééne lettergreep gedekt,
-zoodat deze lettergreep zich over drie moren uitstrekt:
-
-
-a. hâ´`m gesô´htè = ^ -´` × -´ ×`.
-
-
-Men zou dus bij het lezen há-a-àm moeten scandeeren.
-
-Ziedaar in het kort de hoofdlijnen van de tweeheffings- en
-vierheffingstheorie.
-
-Het ligt niet op onzen weg te beslissen, welke de beste is; dit laten
-wij aan meer bevoegden over.
-
-Nochtans al is het waar, dat Sievers' meening meer aanhangers telt,
-toch zal men moeten toegeven, dat het stelsel van ten Brink heel
-wat minder ingewikkeld, en dat de uitspraak van den laatste niet van
-allen grond ontbloot is, als hij zegt:
-
-«Sievers... gelangte zu einem System, nach welchem es ebenso unmöglich
-sein dürfte, Verse zu lesen, wie es unmöglich gewesen sein muss,
-Verse darnach zu bauen.»
-
-
-
-
-EPISCHE STIJL.
-
-Wie, in tegenstelling met Monsieur Jourdain, poëzie van proza weet
-te onderscheiden, zal bij de inzage van het epos erkennen, dat er
-bij de Angelsaksen eene epische taal bestond, welke zich uit de
-omgangstaal tot eene hoogere volmaaktheid had ontwikkeld; want hij
-zal, afgezien van de versmaat, geregeld terugkeerende woordfiguren,
-vaste uitdrukkingen en bepaalde zinswendingen aantreffen.
-
-Wat vooral de aandacht vestigt, is het ruim gebruik, dat gemaakt wordt
-van het vermogen om samenstellingen te vormen, waarvan de meeste een
-dichterlijk beeld voor den geest roepen.
-
-Voor bijzonderheden verwijzen wij naar het opstel van Theodor Storch,
-Angelsächsische Nominalcomposita. Strassburg, 1886.
-
-Wij willen hier alleen wijzen op de bonte rij van samengestelde
-bijvoeglijke naamwoorden met verzwegen voorzetsel: goldhladen
-goudbeladen, goldhroden goudgekleed, daed-cêne daadkoen, blôd-fâg
-bloedbont, heoro-blâc bleek door het zwaard, zwaard-gedood,
-wlite-beorht met stralend aanschijn, beadu-rôf kampberoemd,
-beadu-scearp slagscherp, scherp tot den slag; ellen-seóc krachtberoofd,
-gold-wlanc goud-pronkend, headhogeong kampjong, sadol-beorht met
-glanzend zadel, sae-mêde zeemoede, man-thwaere menschenvriendelijk,
-enz. [23].
-
-Een ander kenmerk van den epischen stijl is de verbazende rijkdom van
-zinverwante woorden om sommige begrippen uit te drukken, vooral die,
-welke op oorlog en zeevaart, de twee voornaamste bezigheden van het
-volk, betrekking hebben.
-
-Om b. v. krijgsbende, krijger, vorst, kamp, pantser, moedig, zee
-en schip te zeggen, beschikt het epos over tal van eigenlijke en
-oneigenlijke uitdrukkingen, waaruit niet alleen de woordvoorraad
-van het Angelsaksisch, maar ook de vindingrijkheid des dichters te
-voorschijn treedt. De oneigenlijke uitdrukkingen bekleeden vooral
-eene breede plaats. Men heet ze Kenningar, eene benaming, welke aan
-de Oudnoordsche letteren ontleend is.
-
-De Kenning is eene minder gewone voorstelling van een begrip, waarvoor
-een gebruikelijke term voorhanden is. Ziehier eenige voorbeelden:
-
-De koning heet: goudgever, ringuitdeeler; het zwaard: kampvlam;
-het harnas: krijgsnet; de helm: kamphoofd; de lans: krachthout; de
-strijd: schildspel, zwaardstorm; het bloed: kampzweet, kampkegels
-(beeld aan het ijs ontleend); het schip: golfganger, kronkelsteven;
-het hert: heideganger; de harp: vreugdehout, enz.
-
-Ook bij de werkwoorden komen Kenningar voor, b. v. gaan: het schild
-dragen, de speer dragen, den weg meten; spreken: den woordenschat
-ontsluiten; sterven: het menschengejubel opgeven, het gelach
-neerleggen, enz.
-
-Leven, sterven, spreken, mensch, koning, zwaard, harnas, helm, schild,
-speer, kamp, schip en God: ziedaar de voornaamste begrippen, welke
-door Kenningar worden uitgedrukt.
-
-Al de Angelsaksische werken zijn rijk aan deze woordfiguur en niet
-het minst de Beowulf die, volgens de door Bode opgemaakte verhouding,
-9.9 Kenningar op 100 regels telt. Uit de lijsten, welke deze schrijver
-heeft samengesteld, zullen wij twee voorbeelden kiezen nl. krijger en
-zee, en tevens de ontbrekende vormen bijvoegen, ten einde den rijkdom
-van de epische taal in den Beowulf te toonen.
-
-Eigenlijke uitdrukkingen voor krijger:
-
-Cempa, wîga, ôretta (kamper); oretmaecg, hilderinc (kampheld); hererinc
-(legerheld); gûdhwîga (kampstrijder).
-
-Wij voegen erbij:
-
-häledh, beorn, rinc, wer, secg, gewinna (held, strijder); thegn,
-magu-thegn (ridder); sige-beorn (zegeheid); magorinc (manheld);
-hilde-mecg, beado-rinc, gûdhrinc, headho-rinc, gûdh-beorn (kampheld);
-fyrd-gestealla (tochtgenoot); dryht-gesîd, dryht-guma (schaargenoot);
-waepned-man (wapenman).
-
-Kenningar of oneigenlijke uitdrukkingen:
-
-Bode haalt aan: lindhäbbend, rondhäbbend, bordhäbbend (schildhebber);
-searohäbbend (harnashebber); helmberend (helmdrager); scildfreca
-(schildwolf); sweordfreca (zwaardwolf); wîgfreca, hildfreca (kampwolf);
-hildehlemma (kampwilde); sceotend (schutter); -sceada (-beschadiger).
-
-Hier behooren nog bij:
-
-fêdha, fêde-cempa (voetkamper); byrn-wiga (harnas-kamper); freca
-(wolf); gûdh-freca (strijdwolf); gâr-wiga, äsc-wiga (speerkamper);
-lind-gestealla (schildgenoot); lind-wiga, rond-wiga, scild-wiga
-(schildkamper).
-
-Eigenlijke uitdrukkingen voor zee: mere, sae, sund, holm, heàdu, brim,
-lagu, lagu-streàm, eàgor-streàm, êg-streàm, geofen, wäd, flôd, waeg.
-
-Buitendien nog: brim-streàm, farodh, ford, streàm.
-
-Kenningar voor zee.
-
-Bode teekent aan: fîfelcynnes eard (gebied der zeegedrochten);
-ganotes bädh (bad der duikereend); hronrâd (walvischweg); swanrâd
-(zwaneweg); segelrâd (zeilstraat); ydha ful (der golven beker);
-seoledha begang (der bochten d. i. stille wateren, bereik); flôdes
-wylm (vloedbranding); sealt wäter (zout water); seo fealu flôd (de
-vale vloed); se ginna grund (de spalkende grond); gârsecg.
-
-Deze reeds lange reeks kan nog door de volgende uitdrukkingen
-aangevuld worden: brim-wylm, flôd-ydh, holm-wylm, wäter-ydh,
-saewylm (zeegegolf); sundgebland, ydhgebland (zeegemengel); brimlâd,
-lagu-straet, mere-straet (zeeweg); geswing, wälm (branding); waeg-holm
-(golvenzee); deóp wäter (diep water); wîd wäter (uitgestrekt water);
-holma gethring (zeegewoel); mere-grund (zeegrond); wäteres hrycg
-(waterrug); ydha gewealc (golfgewentel); ydhgewin (golfgeworstel).
-
-De vorm, waaronder de Kenningar gewoonlijk voorkomen, is, als blijkt,
-de samenstelling.
-
-Bij sommige is het rijm onmiskenbaar b. v. hranrâd, swanrâd.
-
-Welk is de natuur der Kenningar?
-
-Zij beperken het begrip door eene bepaalde zijde van een persoon of
-zaak, ééne eigenschap, één deel in het licht te stellen, hetzij door
-middel van ontleding, hetzij van vergelijking.
-
-Zoo wordt de krijger door een deel zijner bewapening voorgesteld
-b. v. schilddrager; ziedaar de ontleding.
-
-Wordt integendeel de aandacht getrokken op zijne strijdbaarheid,
-dan roept die eigenschap de vergelijking te voorschijn met den wolf,
-b. v. kampwolf.
-
-De Kenningar, welke op deze laatste wijze zijn ontstaan, zijn niets
-anders dan een leenspreuk of metaphora; deze woordfiguur speelt dus
-eene groote rol in den Beowulf.
-
-Waaraan is de veelvuldigheid van Kenningar toe te schrijven?
-
-Eene voorname reden is, dat zij, vooral in het tweede halfvers,
-als stopwoorden worden aangewend, om aan de eischen van het stafrijm
-te voldoen.
-
-Een sprekend bewijs hiervan levert ons de onechte plaats v. 184-87:
-
-
- Zij kenden niet den meester,
- Der daden doemer, geenen God, den heerscher;
- Zij konden niet des hemels heul bekennen,
- Den God der glorie.
-
-
-De dichter, wiens taak het was, overgeleverde stof in overgeleverde
-vormen te gieten, zooals Bode zich uitdrukt, vond hier eene gewenschte
-gelegenheid om door het smeden van nieuwe woordverbindingen zijne
-kunst te toonen.
-
-Dat nochtans de zucht om met nieuwe Kenningar te schitteren zoover
-gedreven werd, dat vele Oudgermaansche dichters tot hetzelfde besluit
-zouden zijn gekomen als Ronsard, wanneer hij zegt: «Les excellents
-poètes nomment peu souvent les choses par leur nom,» dat kan ik Bode
-niet toegeven.
-
-Men zou diensvolgens moeten aannemen, dat in die vroegste tijden
-reeds jacht werd gemaakt op gezochte, gekunstelde woordkoppelingen,
-dus ongeveer in den aard van de Précieuses, over welke Molière zich
-vroolijk maakt.
-
-Dit strijdt met het karakter van het volksepos, dat juist door zijne
-waarheid, door zijne oprechtheid gunstig bij de latere persoonlijke
-poëzie afsteekt, welke doorgaans iets meer of minder conventionneels
-of overeengekomens vertoont. Wat zeggen buitendien de feiten?
-
-Indien men in Bode's lijst de Kenningar uit den Beowulf vergelijkt
-met die uit het volgende Angelsaksisch tijdperk, dan komt men tot
-de ervaring, dat daar waar er sprake is van koningsschap, krijgs-
-en zeewezen, slechts weinig nieuwe vormen, ten minste wat den zin
-betreft, zijn bijgekomen.
-
-De voornaamste nieuwe Kenningar zijn die, welke op duivel, hel
-en vooral op God betrekking hebben; doch zij zijn het werk van
-christelijke dichters en hebben niets gemeen met het volksepos.
-
-Indien bijgevolg de latere kunstdichters, die er toch het naaste
-aan toe waren, een beperkt gebruik maakten van de vrijheid om nieuwe
-uitdrukkingen te scheppen, dan zal de onpersoonlijke Beowulf-dichter
-zich nog minder vrijheid veroorloofd hebben.
-
-Daar de meeste Kenningar tot de leenspreuk kunnen herleid worden, zal
-de hoofdreden van hun gebruik wel in de jeugd van het volk te zoeken
-zijn, wiens levendige verbeelding en pas ontwaakte kunst alleen het
-gebruik van de leenspreuk of metaphoor mogelijk maakte.
-
-Kinderen en weinig ontwikkelden bedienen zich bij voorkeur van deze
-beeldspraak.
-
-De Kenningar beantwoorden aan de behoefte om met meer kracht te
-spreken.
-
-De metaphoor of onuitgewerkte vergelijking is daarenboven de grondslag
-van den overdrachtelijken stijl.
-
-Van haar gaat onmiddellijk de verpersoonlijking uit, welke gegrondvest
-is op de zwijgende vergelijking tusschen de onbezielde natuur en een
-levend wezen.
-
-Figuren van hoogere orde zijn de allegorie en de vergelijking.
-
-De allegorie is eene aaneenschakeling van twee of meer leenspreuken
-en veronderstelt bij den dichter eene letterkundige bedrevenheid,
-welke onvereenigbaar is met eene nog jeugdige kunstuiting.
-
-Dit is ook het geval met de vergelijking. Zij vergt van den dichter
-veel kunstbewustzijn, de gave van ontleding en zelfbeheersching, want
-hij verlaat zijn onderwerp, om in een verwijderd, ongelijksoortig
-wezen eene overeenkomstige eigenschap uit te werken.
-
-Onder logisch oogpunt gaat de vergelijking de leenspreuk vooraf,
-maar in de werkelijkheid, in de tijdsorde heeft het omgekeerde plaats.
-
-De eerste de beste zal zeggen: «zijne oogen schoten vuur,» bij het
-zien van iemand, die woedend is, zonder aan eene woordfiguur en nog
-minder aan eene verborgen vergelijking te denken; dit laatste is het
-werk van het wijsgeerige verstand, dat daarna aan het ontleden gaat.
-
-Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij in den Beowulf methaphoren
-(onder den vorm van Kenningar) en verpersoonlijkingen aantreffen,
-daarentegen hoogst zelden eene allegorie en eene vergelijking. Dit
-verschijnsel hangt samen met den toestand van de Angelsaksische
-dichtkunst, welke zich nog in de wieg bevond en op verre na niet de
-hoogte had bereikt van de Grieksche volkspoëzie.
-
-Treden wij in eenige bijzonderheden.
-
-De verpersoonlijking is een geliefkoosd beeld bij kinderen en
-ongeletterden.
-
-Heeft een kind zich bezeerd, dan moet het «ondeugend» mes gestraft
-worden, wil men de waterlanders zien verdwijnen.
-
-Voor den natuurmensch is het heelal bezield; vandaar de
-verpersoonlijking der natuurkrachten, vandaar ook de diersage bij de
-oude Germanen, voor wie er bijna geene grenslijn tusschen mensch en
-dier bestond.
-
-Het is dus natuurlijk, dat het zwaard in een heldengedicht als de
-Beowulf zoo vaak als een bezield wezen wordt voorgesteld.
-
-Het «verricht zijn ambt», evenals een tafelknecht; het «beslist een
-pleit», het «zingt een kamplied op iemands schedel», het «bijt»
-en «groet» den vijand, het «rukt den gedoode mede», het vermaakt
-zich in het gevecht als bij een «spel», en de wonde, die het slaat,
-is de «zwaarddronk».
-
-Hetzelfde kan van de overige wapens gezegd worden: de werpspies
-«vervolgt in hare vederuitrusting» den pijl, evenals een havik de
-weerlooze vogels, en het schild, dat met de lans geslagen wordt,
-«antwoordt aan de schacht».
-
-Dit verklaart ook, dat sommige zwaarden van helden als personen gedacht
-worden, die hunnen eigen naam voeren. Unferds zwaard heet Hrunting,
-dat van Hun Lafing en van Beowulf Nageling [24].
-
-De allegorie is schaars vertegenwoordigd en strekt zich bovendien
-bijna nooit over meer dan twee termen uit.
-
-Het schip is het zeeros (saegenga), dat aan het anker rijdt; het
-woord is het staal, dat de borst doorbreekt; het ijs is de waterboei,
-welke God losmaakt; de dood is de slaap van het lichaam, dat op het
-rustbed sluimert.
-
-Deze laatste plaats (Vert. 1020-22) is nochtans onzeker.
-
-Het gedicht biedt slechts één voorbeeld aan van eene breed uitgesponnen
-allegorie, welke de kunstenaarshand verraadt. (Vert. 1776-81).
-
-De bekoring wordt er voorgesteld onder het beeld van eenen
-sluipmoordenaar, die door middel van eenen pijl den slapende onverhoeds
-wondt, niettegenstaande dezes wapenrusting; terwijl de wachter,
-het geweten, is ingesluimerd.
-
-Doch hier bevestigt de uitzondering den regel, want deze plaats is
-buiten allen twijfel aan de inlassching van eenen kloosterling toe
-te schrijven.
-
-Dat somtijds onvereenigbare begrippen tot eene allegorie verbonden
-worden, kan, de onvolkomenheid der dichtkunst in aanmerking genomen,
-geenen aanstoot geven.
-
-Ziehier eenige staaltjes:
-
-seo beado-leóma bîtan nolde: de kampvlam wilde niet bijten. v. 1524.
-
-hine sorh-wylmas lemede tô lange: de zorggolven hadden hem te lang
-verlamd. v. 905.
-
-him hilde-grâp heortan wylmas, bân-hûs gebräc: de kampgreep verbrak
-hem des harten golvingen, het beenderhuis. v. 2508-9.
-
-De vergelijkingen zijn dun gezaaid en worden daarenboven niet
-volgehouden, maar zoo kort mogelijk als in de kiem aangeduid. Men
-oordeele:
-
-«Het schuimhalzige schip ging over de golfzee, gelijk aan eenen vogel».
-
-«Ieder van de nagels was op staal gelijkend».
-
-«Uit Grendels oogen ging een ongure schijn, gelijk aan eene vlam».
-
-«Het zwaard bliksemde, evenals de hemelfakkel helder aan de transen
-schijnt».
-
-«Het zwaard versmolt geheel en al, gelijk het ijs, wanneer de Alvader
-den band van de vorst losmaakt».
-
-De schoonste vergelijking prijkt in het Finnsburglied:
-
-«Het zwaardgebliksem rees, even alsof de heele Finnsburg in
-lichterlaaie stond».
-
-Welk verschil tusschen de zeldzame, stamelende vergelijkingen van den
-Beowulf en de talrijke, breed aangelegde en meesterlijk afgewerkte
-beelden van de kunstgezinde Grieken!
-
-De meerderheid van deze laatsten blijkt ook uit de schilderende
-bijvoeglijke woorden.
-
-Niet dat het gedicht geene echt teekenachtige epitheten of
-bijbenamingen heeft aan te wijzen, maar de groote massa mist
-die aanschouwelijkheid en evenredigheid, welke wij bij Homeros
-bewonderen. En met reden: het zelfstandig naamwoord blijft, zoodat
-de vergezellende bijbenaming eene zekere maat moet houden, waartoe
-zich de wilde verbeelding van het Noorden moeilijk kon plooien. De
-Kenningar daarentegen laten volle vrijheid toe.
-
-Vandaar dat de Beowulf in evenredigheid arm is aan epitheten, maar rijk
-aan Kenningar, terwijl zich het tegenovergestelde bij Homeros voordoet.
-
-Zelfs is het geval niet zeldzaam, dat een Kenning uit den Beowulf in
-de Ilias aan eene bijbenaming beantwoordt, b. v. Pontoporos, het
-zeedoorschrijdend schip, zegt hetzelfde als saegenga, ydhlida:
-zeedoorschrijder, golvenganger.
-
-Voor meer zulke overeenstemmingen raadplege men Bode, die er eenige
-voor schip en wapen opsomt.
-
-De vorm der schilderende bijbenamingen is de samenstelling; zij bieden
-zich alweer hoofdzakelijk aan bij alles wat op oorlog en zeevaart
-betrekking heeft, nochtans niet bij het begrip zee, dat door de
-Kenningar ruimschoots uitgebeeld is.
-
-Het zou ons te ver leiden, moesten wij al de epitheten opsommen; zij
-komen in hoofdzaak in de volgende gevallen voor: Zij betitelen den
-vorst op vereerende wijze, geven den moed te kennen van den krijgsman
-(dit zijn de talrijkste), ofwel de uitputting van den gewonde, zij
-schilderen het oorlogspaard en de wapens, vooral zwaard en harnas.
-
-Kiezen wij de bijbenamingen van zwaard en schip.
-
-Het zwaard is blôd fâg: bloedgepurperd, swât-fâg: zweetgepurperd,
-fyr-heard: vuurgehard, graeg-mael: grauwgeteekend, hring-mael:
-ringversierd, morgen-ceald: morgenkil (na nachtelijke tochten),
-wreodhen-hilt: met gewonden gevest voorzien, wunden-mael:
-met kronkelende teekens voorzien, wyrm-fâh: glanzend door
-slangversieringen.
-
-Eenige bijbenamingen van schip hoeven voor die van Homeros niet onder
-te doen:
-
-fâmig-heals: schuimhalzig, wunden-heals: kronkelhalzig, sîd-fädhme:
-ruimboezemig, nîw-tyrwed: nieuw-geteerd, sae-geáp: zeeruim (ruim
-genoeg om zee te bouwen).
-
-De levenlooze natuur is zeer karig bedeeld; het veld is maar eens
-betiteld met wlite-beorht: glansstaltig.
-
-Wij hebben nog op twee soorten van staande uitdrukkingen te wijzen,
-welke ook een kenteeken van de dichterlijke taal zijn:
-
-Samenkoppelingen van twee woorden door middel van het voegwoord en,
-om een verband of eene tegenstelling uit te drukken, in den aard van
-onze tegenwoordige Nederlandsche stafrijmen. b. v. leóht and lîf:
-licht en leven, wordum and weorcum: met woorden en werken, hand and
-rand: hand en schild, leóf and lâdh: lief en leed, îdel and unnyt:
-ijdel en onnut, frôd and gôd: vroed en goed, habban and healdan:
-hebben en houden, singan and secgan: zingen en zeggen, innan and ûtan:
-binnen en buiten.
-
-Ten slotte merken wij nog het gebruik op van zekere wendingen om een
-persoon sprekend in te leiden, wendingen die schijnen als van Homeros
-afgekeken te zijn. Voorbeelden:
-
-
- Unferdh madhelode Ecglâfes bearn:
- Unferd sprak de zoon van Ecglaf.
- Hrôdhgâr madhelode, helm Scyldinga:
- Hrodgar sprak, de schuts der Schyldings.
- Beówulf madhelode, bearn Ecgtheówes:
- Beowulf sprak, de zoon van Ecgtheów.
-
-
-Deze epische wendingen vinden hunne verklaring in het overwegend
-belang, dat de jonge volken aan de bloedverwantschap hechten.
-
-Gaan wij nu over tot een tweede bestanddeel van den epischen stijl,
-nl. de woordschikking.
-
-Wij zullen ons bepalen bij de meest in het oog springende kenmerken.
-
-De zinbouw heeft in den Beowulf iets van het werk eens beginnelings,
-iets dat als de tegenvoeter van de klassieke periode kan aanzien
-worden.
-
-De dichter legt, vooral in beschrijvingen, zijne voorliefde voor
-de bijschikking aan den dag, terwijl het voegwoord niet zelden is
-weggelaten:
-
-
- Een van de vijftien zocht hij op het zeehout.
- Een kampheld wees, een waterkundig krijger,
- De landgrens langs. De wachttijd was verstreken.
- De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte.
- De helden stegen uitgedost ten steven.
- De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand.
- Zij droegen op den schoot des schips de schoonste
- Juweelen neer, de weidsche kampgewaden;
- (En) tot de lustvaart boomden (nu) de lieden,
- De kampers, hun gebonden kiel naar buiten (211-20).
-
-
-Er heerscht gebrek aan voegwoorden, vooral bij de overgangen, welke
-gewoonlijk door thâ (dat buitendien voor verschillende betrekkingen
-dienst moet doen) worden ingeleid en iets eentonigs aan het geheel
-bijzetten.
-
-Treden verschillende helden op, dan blijven wij dikwijls in het
-onzekere omtrent den persoon, op welken b. v. het voornaamwoord
-hij terugziet.
-
-De ingelaschte zin of parenthese verschijnt meer dan lief is en draagt
-voorzeker niet bij tot den ongestoorden gang van het verhaal.
-
-Ontkennende uitdrukkingen verschijnen er bij de vleet, ook zulke,
-welke tot doel hebben om met meer kracht te bevestigen (litotes).
-
-
- «Bij lang niet laakten wijze liên die reize». (206).
-
- «Niet beter zal 't hem wezen». (2339)
-
- «Niet dunkt me dit betaamlijk,
- De schilden weer te brengen naar de woning». (2734)
-
- «Minder hevig beet het (zwaard)
- Dan hij behoefte had, de volksbeheerscher». (2656)
-
-
-Het eigenaardigste kenmerk van de Angelsaksische woordschikking, dat
-er de ziel, het wezen van uitmaakt, is het gebruik der parallelvormen
-of bijstellingen.
-
-De dichter duidt met één, soms met meer woorden denzelfden persoon,
-dezelfde eigenschap, dezelfde handeling nog eens aan, en wel door
-middel van eene zinverwante uitdrukking.
-
-In de aangehaalde beschrijving van de aanstalten tot de zeereis vinden
-wij de volgende parallelvormen:
-
-Personen en zaken: kampheld, waterkundig krijger--boot,
-schip--strooming, zee--juweelen, weidsche kampgewaden--lieden, kampers.
-
-Hoedanigheden:
-
-
- Haar was te wachten
- 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie (83).
-
-
-Handelingen:
-
-
- (Gij) die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven,
- Langsheen de waterwegen, die de helmen
- Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen (242-44).
-
-
-Al is de herhaling van meer of minder gelijkbeteekenende woorden
-slechts een eerste stap op het gebied der woordschikking, de dichter
-weet die vormen zoo kunstig aan te wenden, dat zij geenen onwil
-verwekken, maar--dank aan de Kenningar welke, door het stafrijm
-gerugsteund, hier vooral optreden,--aan den stijl eene eigenaardige
-kleur en bekoorlijkheid verleenen.
-
-Na de taal en de woordschikking besproken te hebben, ligt het op
-onzen weg eens na te gaan, hoe de dichter zich, in de bearbeiding
-van de stof, van zijne taak heeft gekweten.
-
-Hiertoe onderscheiden wij verhaal, redevoering en beschrijving, de
-drie hoofdvormen, welke bij elk letterkundig werk, en vooral bij het
-epos, in aanmerking komen. De verhaaltrant heeft iets onbeholpens,
-hij is onsamenhangend en duister.
-
-Verschillende gebreken, waarvan sommige op rekening van het ontstaan
-uit afzonderlijke zangen zijn te stellen, brengen hiertoe het
-hunne bij.
-
-1º De herhalingen, niet alleen van korte plaatsen, maar ook van
-betrekkelijk groote gedeelten.
-
-In de nota's aan den voet der vertaling wordt hierop gewezen,
-b. v. Beowulfs voornemen om van alle wapen af te zien; de strijd met
-Grendel; het gevecht op den bodem van het meer.
-
-Deze twee wapenfeiten worden, na in 't breede beschreven te zijn,
-nog tweemaal opgedischt, eerst aan Hrodgar, daarna aan Hygelac.
-
-2º De onderbrekingen van 't verhaal, hetzij door christelijke, vaak
-onnoozele overwegingen; hetzij door herinneringen aan oorlogen en
-oude sagen; hetzij door toespelingen op de te volgen ontknooping.
-
-3º Gebrekkige overgangen, zoodat de dichter soms met de deur in het
-huis valt, b. v. Grendels en Beowulfs optreden, de sage van Sigmund
-en Heremod, en vooral die van Thrydo.
-
-4º Tegenspraak.
-
-Voor dit punt alsmede het volgende zie men de nota's, waar al de
-gevallen vermeld worden.
-
-5º Toespelingen op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld
-worden.
-
-6º De ontknooping is, in vergelijking met wat voorafgaat, gewoonlijk
-te kort. Men zou zeggen, dat de dichter zich niet de moeite wil
-getroosten van er langer bij te verwijlen.
-
-
-Sceaf-episode:
-
- Niet kunnen menschen zeggen,
- Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden
- Beneên de wolken, wie ontving de lading. (51-53)
-
-
-Brecca-episode:
-
- Zij lagen boven
- Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,
- Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen,
- Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden
- Beletten langs de barning van de baren. (575-79)
-
-
-Sigmund-episode:
-
- Nochtans het lukte
- Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,
- Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand. (903-5)
-
-
-Finn-episode:
-
- Bloedig was de halle
- Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,
- Verslagen in het midden zijner manschap,
- En heengevoerd de koninginne Hildburg. (1167-70)
-
-
-Headobarden-episode:
-
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
- En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft
- Door 't zorggezwalp. (2118-21)
-
-
-Heardred-episode:
-
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
- En zocht het licht van God. (2538-40)
-
-
-Zweden-episode:
-
- Sinds wreekte die zijn koud en zorgvol dolen
- En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer. (2464-65)
-
-
-Gaan wij over tot de redevoeringen. Hieraan is geen gebrek,
-eenige zelfs zijn van langen adem. Het zal wel niet noodig zijn de
-verschillende omstandigheden na te gaan, waarin hun eene plaats
-wordt ingeruimd, immers de lezing van het gedicht geeft daarover
-eene uitkomst.
-
-In een mannelijk epos als de Beowulf is hunne rol bij de gevechten
-van zelf aangewezen, en wel vóór, gedurende en na den strijd.
-
-Eene afzonderlijke vermelding verdient de uitdagingsrede vóór den
-strijd, waarin de held zich groote daden voorneemt; zij draagt den
-naam van gilp-cwide: trotsrede. Uitdagende woorden moeten bij het
-volk gebruikelijk zijn geweest, alvorens den strijd aan te binden;
-want anders zou Beowulf vóór den drakekamp niet gezegd hebben, dat
-hij van alle tartende taal afziet.
-
-Daarom wordt de held, die aan vele gevechten deelgenomen heeft,
-geheeten gilp-hläden, d. i. met trotstoespraken beladen.
-
-Wijzen wij op eenige voorbeelden.
-
-Beowulf zegt tot Hrodgar, op Grendel doelende:
-
-
- Doch 'k zal hem vatten,
- Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten,
- Man tegen man. (440-42)
-
-
-Bij 't slapen gaan onmiddellijk voor Grendels aankomst spreekt hij
-zijne mannen toe:
-
-
- Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder
- Voor 't wapenwerk, dan Grendel waant te wezen. (690-91)
-
-
-Alvorens in 't meer te springen neemt hij afscheid en besluit met de
-stoute taal:
-
-
- 'k Verwerf met Hrunting
- Mij roem, of anders rukt de dood mij mede. (1518-19)
-
-
-Hiertoe behooren ook de bedreigingen, welke Ongentheow de in 't
-Ravenbosch gevluchte Gooten toestuurt:
-
-
- Hij sprak het uit, hij wilde
- Hen met den morgen door het lemmer dooden,
- Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. (3042-44)
-
-
-Opmerkelijk is het, dat de helden vóór het gevecht elkander niet de
-bekende en zoo natuurlijke Homerische scheldwoorden naar het hoofd
-werpen. Hunne noordsche, in zich zelf gekeerde natuur was daartoe
-te ernstig. Al zet Beowulf dan ook aan zijnen vuistgreep geen klem
-bij door eenige krachtige uitdrukkingen, zijn vastberaden besluit
-staat daarom niet minder pal, en de dichter verzuimt niet ons op dat
-hardnekkig voornemen te wijzen.
-
-Somtijds dient de redevoering om herinneringen van korter of langer
-dagteekening op te halen: Hrodgar herinnert aan Ecgtheóws veete met
-de Wylfingen, Beowulf aan de Headobarden en aan Hredel.
-
-Rechtmatige trots op de daden der voorvaderen, welke bij Homeros'
-helden zoozeer uitblinkt, spreekt zich ook uit in den Beowulf,
-ofschoon minder sterk.
-
-Men denke aan het antwoord, dat Beowulf aan den kustwachter geeft,
-en aan zijne eerste aanspraak tot Hrodgar.
-
-Een spottende toon ligt in Beowulfs antwoord aan Unferd, doch vooral
-in de gilp-cwide van Sigeferd uit het Finnsburgfragment.
-
-De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van den
-eenzamen schatbezitter, in de Hredel-episode en in Beowulfs laatste
-woorden tot Wiglaf.
-
-Slaan wij nu eenen blik op de beschrijvingen.
-
-In dit opzicht staat ons epos beneden de Ilias.
-
-Ten Brink zegt ongeveer als volgt: Terwijl Homeros de beelden van
-de buitenwereld in handeling tracht om te zetten, ons de voorwerpen
-aanschouwelijker maakt door te zeggen, hoe zij ontstaan zijn, zoekt
-het Oudengelsch epos eerder de handeling in een aantal beelden op
-te lossen.
-
-En verder: Bij Homeros zijn de verschillende tijdsgewrichten vast
-verbonden, geen wezenlijk lid ontbreekt, de keten is gesloten,
-de voortduring der handeling is gewaarborgd; terwijl alleen de
-hoofdpunten in den Beowulf worden uitgezocht en zelfstandig, elk voor
-zich, geschetst.
-
-Tot staving hiervan wijst ten Brink op de beschrijving van den
-overtocht naar Hrodgar (215-31). Inscheping, vertrek, reis, land in
-'t zicht, uitscheping: ziedaar de vijf hoofdpunten, welke afzonderlijk
-behandeld worden, terwijl bijzaken, bijzonderheden en overgangen niet
-in aanmerking komen.
-
-Indien men nagaat, welke onderwerpen aanleiding plegen te geven
-tot beschrijvingen, dan komen wij alweer tot het besluit, dat de
-Angelsaksen een bij uitstek krijgshaftig en zeevarend volk geweest
-zijn. Het is hiermee gelegen als met de Kenningar en schilderende
-bijbenamingen, welke om zoo te zeggen het stilzwijgen bewaren
-over het land en zijne bekoorlijkheden. De rozevingerige Aurora der
-Grieken maakt geenen indruk op het gemoed des noordschen dichters. De
-zonsopgang wordt slechts in korte trekken geteekend:
-
-
- Van 't Oosten zeeg het licht, de zegestanderd,
- De glanzende van God. (580-81)
- Totdat de donkre raaf, verheugd van harte,
- Des hemels weelde weder kwam verkonden. (1840-41)
-
-
-Buiten de beschrijving van het Grendelmeer met omgeving, welke ons
-voor het ontbreken van verdere tafereelen schadeloos stelt, wordt de
-levenlooze natuur niet herdacht. Eene enkele natuurbeschrijving is
-aan te stippen, doch zij is het werk van den inlasscher.
-
-De zanger verhaalt in Heorot:
-
-
- dat de Almachte
- Deze aarde had gevormd met hare velden,
- Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;
- Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig
- Tot licht gesteld had voor de landbewoners,
- Getooid met twijg en blad der velden boezem. (93-98)
-
-
-Eene ruimer plaats valt aan de zee te beurt.
-
-Wij zagen reeds Beowulfs overtocht naar Hrodgar; voegen wij
-er zijne terugreis bij en vooral het grootsche tooneel van den
-nachtelijken zwemtocht te midden der ontketende stormen en dreigende
-zeemonsters. Hier heeft alles reusachtige afmetingen. Het is de poëzie
-eens titans, de zee waardig.
-
-Het leeuwenaandeel is nochtans voor de slagbeschrijvingen weggelegd
-en alles wat ermede gepaard gaat, als de onmetelijke schatten,
-de drijfveer tot den oorlog, waarvan het noordsche brein droomde,
-(men vergelijke den drakeschat 2842 vlg.), de kostbare wapens, bij
-welker opsomming de dichter gaarne verwijlt, de lijkverbranding na
-den val der helden in de Finn-episode en bij Beowulfs begrafenis,
-de luidruchtige feestgelagen, hetzij om te verbroederen, hetzij om
-de overwinning te vieren.
-
-Men verwachte zich niet op beschrijvingen als bij Homeros, die de hooge
-feiten van elken kamper een voor een nagaat, zoodat het handgemengel
-in eene rij van afzonderlijke gevechten vervalt, waarvan elk op zijne
-beurt samenwerkt tot den kunstvollen eindindruk van het geheel; neen,
-onze dichter stapt over alle bijzonderheden heen en spoedt zich naar
-het feit, welks uitteekening hij zich ten doel heeft gesteld.
-
-Dit zien wij in de Zweden-episode, waar de gebeurtenissen in beknopten
-vorm worden opgesomd, elkander in onafgebroken gang en met versnelde
-vaart verdringen, om eindelijk stil te staan bij den kamp van den
-slagvaardigen Ongentheow met de gebroeders Wulf en Eofor, hetgeen
-enkel en alleen hoofdzaak is voor den dichter:
-
-
- Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar
- Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,
- Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten.
- Nu stapte heen de stoute met de makkers,
- De ontroostbre grijs, om op de burcht te trekken,
- Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.
-
-
-Dan onderbreekt de dichter de feiten om, gelijk zijn gewoonte is, op
-de gemoedsstemming van den hoofdpersoon het licht te doen vallen. Hij
-gaat daarna voort:
-
-
- En dicht bij zijnen aardwal dook weer de oude.
- Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden,
- En Hygelac ter hand gesteld hun standaard.
- Zij stapten over hun versterkte stelling.
- Nu drongen Hredels drommen naar de schildspits. (3049-65)
-
-
-Nochtans is de indruk van meer dan eene slag-beschrijving aangrijpend,
-overweldigend in hare korte gespierdheid. Beowulf heeft dikwijls
-getrotst
-
-
- den ijzerhagel,
- Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen
- Heenbruiste boven eene schans van schilden
- En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,
- De schacht zijn diensten deed, den pijl vervolgde. (3229-33)
-
-
-Onder de strijdtafereelen spant de kamp op den bodem van het nikkermeer
-en de aanval op de Finnsburg ontegenzeggelijk de kroon.
-
-De dichter veroorlooft ons tevens eenen dieperen blik te slaan in
-het gemoed der strijdende partijen, dank aan trekken, welke, hoe
-kort dan ook, getuigenis afleggen van een loffelijk streven naar
-zielkundige ontleding.
-
-Nauwelijks is Grendel de troonzaal binnengetreden, of het gezicht
-van de slapende mannen prikkelt zijne vraatzucht en vervult hem
-met vreugde:
-
-
- Toen lachte daar zijn harte. (746)
-
-
-Beowulf is droef te moede, als hij Grendel eenen zijner mannen ziet
-verscheuren:
-
-
- Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac. (752)
-
-
-Grendel stuit op onvoorzienen tegenstand en het hart zakt hem in
-de schoenen:
-
-
- 't Werd hem bang in 't binnenst. (767)
-
-
-De «hooggestemde» Beowulf put nieuwe kracht bij het terugdenken aan
-zijne uitdagingswoorden:
-
-
- De wakkre neef van Hygelac geheugde
- Zich toen de toespraak van den eigen avond. (774-75)
-
-
-Tweemaal wordt gewezen op de gemoedsstemming van de zich buiten
-bevindende Denen:
-
-
- Den Denen al gewerd, den burgbewoners,
- Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting. (785-86)
-
- En gruwbre ontzetting greep te gaar de Denen. (802)
-
-
-Beowulf legt de hem aangeboren grootmoedigheid door de volgende
-redeneering het zwijgen op:
-
-
- Hem docht zijn (Grendels) levensdag aan niemand nuttig. (810)
-
-
-De verbittering der beide tegenstanders wordt in éénen regel
-veraanschouwelijkt:
-
-
- Zoolang de een leefde was 't den andre leedvol. (828)
-
-
-In de slagbeschrijvingen wordt op twee bijzonderheden veel nadruk
-gelegd, op de vermelding der wapenen: harnas, helm, schild en zwaard,
-en op de «lijkschoffeerende» roofdieren.
-
-Wij zagen reeds bij de behandeling van de dichterlijke taal, dat
-het zwaard met voorliefde wordt betiteld en zelfs als een levend
-wezen gedacht.
-
-In het gansche leven en streven treedt het op den voorgrond.
-
-Het is het meest gewaardeerde erfstuk; manschap wordt bewezen door
-de zinnebeeldige ontvangst van het wapen des vorsten (Hengest); de
-krijger ontvangt het ten geschenke tot loon voor zijne dapperheid
-of andere diensten, en hij verwerft daardoor de bijzondere achting
-zijner makkers (de scheepswachter); wordt het uitgeleend, dan is dit
-een bewijs van vriendschap en hoogachting (Unferd); de held schat
-het zelfs zoo hoog, dat hij zich weigerachtig maakt om het aan zijnen
-zoon te schenken (Heorogar), en dan alleen daartoe overgaat, wanneer
-de jongeling in staat is het waardig te voeren (Wigstan). Het is een
-trouwe «krijgsvriend», dien men nooit verlaat, zelfs niet gedurende
-de nachtrust, en die op zijne beurt den bezitter nooit in den steek
-laat. Is het zwaard deugdelijk, dan is het wijd en zijd bekend en
-luistert het den volksstam op (Friezen).
-
-Het is een kunstwerk, soms het gewrocht van Weland, den besten
-wapensmid; het is zelfs met hoogere kracht bedeeld (reuzenzwaard)
-en prijkt met opschrift en voorstellingen van gebeurtenissen, zoodat
-wij hier den vinger kunnen leggen op eene verre overeenstemming met
-het wonderschild van Achilleus.
-
-Niet minder kenteekenend voor de noordsche slagbeschrijvingen is het
-optreden van raaf, arend en wolf.
-
-Het zijn geene redelooze dieren meer, maar zelfbewuste wezens, die
-zich verheugen over den rijken oogst der dooden en elkander op het
-slagveld hunne indrukken mededeelen.
-
-Welk ijzingwekkend tooneel als dat in het Finnsburgfragment!
-
-
- Nu zwierf de rave zwierend om de lijken,
- Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig. (36-37)
-
-
-En welke tegenstelling tusschen het aanvalligste beeld en het
-Tantalstooneel met al zijne verschrikkingen op het nachtelijke
-slagveld:
-
-
- Geenszins zal het harpgefluister
- De dappren wekken; maar de donkre rave
- Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,
- Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,
- Toen zij de riffen met den wolf beroofde. (3131-35)
-
-
-Al zijn de slagbeschrijvingen onder de best geslaagde tooneelen
-van ons epos te rekenen, toch valt het niet te verhelen, dat deze
-lichtende plaatsen hunne schaduwzijde hebben.
-
-Wij bedoelen de hebbelijkheid des dichters van telkens het verhaal
-af te breken door het invlechten van overwegingen, welke niet alleen
-den gang stremmen, de opmerkzaamheid afleiden, maar ook wegens hun
-gering gehalte doorgaans veilig kunnen gemist worden.
-
-Komen wij nog eens terug op het gevecht met Grendel.
-
-Grendel is Heorot binnengedrongen, een tweeslachtig licht schemert
-in zijne oogen, moordlust en vreugde.
-
-Onze verwachting is gespannen, wij zijn benieuwd om te weten, wat er
-gaat gebeuren.
-
-Daar drukt de dichter het hoofd in aan onze belangstelling met eene
-bemerking, ontnuchterend als een koud bad:
-
-
- Nochtans gehengde hem het lot niet langer,
- Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen. (750-51)
-
-
-Een tweede waterstraal wordt ons toegediend, als Beowulf Grendel
-heeft vastgeklampt en deze te vergeefs het hazepad tracht te kiezen:
-
-
- Niet boden zich alhier de bezigheden,
- Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. (772-73)
-
-
-en wat verder:
-
-
- De tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot
- De weebewerker. (783)
-
-
-Heeft het gevecht het hoogste punt bereikt, nu Grendel zich met de
-kracht der wanhoop verdedigt, zoodat de zaal dreigt in te storten
-onder het geweld der reusachtige kampvechters, dan wordt alweer de
-domper op onze blakende geestdrift gezet:
-
-
- Hierop hadden
- De raden eer der Schyldings niet gerekend,
- Dat ooit der mannen een door krachtvermogen
- De weidsche, met gewei getooide woning
- Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;
- Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen
- In rook. (795-801)
-
-
-Ten slotte wordt ons alweer oudbakken nieuws opgedischt bij het
-vruchteloos bijspringen van Beowulfs tochtgenooten:
-
-
- Toch zou armzalig wezen
- Het einde zijns bestaans op deze stonde,
- In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. (820-22)
-
-
-Hetzelfde laat zich aantoonen bij alle eenigszins uitgebreide
-beschrijvingen; overal schemert de subjectiviteit van den dichter door.
-
-Kamp met Grendels moeder: 1554-57, 1564-66, 1567, 1581-87, 1608-16.
-
-Kamp met den draak: 2650-52, 2656-58, 2661-69 enz. enz.
-
-Zoo spreiden zich deze overwegingen als een roode draad door het heele
-gedicht ten toon; overal verraadt zich de zucht van den dichter om
-zich ook eens te laten gelden, in plaats van zich uitsluitend bij
-zijn onderwerp te houden.
-
-Dit gebrek aan objectiviteit is stuitend, doch vindt zijne
-verklaring en tevens zijne verontschuldiging in den aard zelf van
-het volksepos. De nadichter of, beter gezegd, de inlasscher was
-gebonden door de overgeleverde epische stof, ja door den vorm, en
-kon slechts op deze wijze, door middel van persoonlijke overwegingen,
-zijne dichtjeukte tot bedaren brengen.
-
-Wijzen wij ten slotte nog op het geliefkoosd gebruik der
-tegenstellingen, waardoor de personen des te scherper te voorschijn
-treden: op den stokouden koning en den krachtvollen man (Hrodgar en
-Beowulf); op den jeugdigen Ingeld en zijnen grijzen raadgever; op
-den vergrijsden held en zijnen pas volwassen krijgsmakker (Beowulf
-en Wiglaf); op den voorbeeldigen vorst en den dwingeland (Beowulf en
-Heremod); op zelfverloochenende trouw en laffe zelfzucht (Wiglaf en
-zijne makkers), en eindelijk op de zachte, minnende echtgenoote Hygd
-en de wildfiere Thrydo.
-
-
-
-
-INNERLIJKE GESCHIEDENIS.
-
-Wij hebben er reeds op gewezen dat ons epos op geene kunsteenheid
-kan bogen.
-
-Inderdaad er worden twee afzonderlijke onderwerpen in behandeld,
-de kamp met de watermonsters en die met den vuurdraak; deze wordt
-geleverd in Jutland, gene op Seeland; deze door den honderdjarigen
-koning, gene toen de held nog niet den troon beklommen had en zich
-in de volheid zijner krachten mocht verheugen.
-
-Verschillende pogingen zijn in het werk gesteld, om de oorspronkelijke
-kern van het epos van de latere bijbewerkingen af te zonderen.
-
-Degene die hiermede een begin heeft gemaakt, is Ettmüller.
-
-Zijne pogingen hadden vooral de terzijdestelling van de Christelijke
-toevoegsels ten doel, welke bovendien gemakkelijk te herkennen zijn.
-
-Daarenboven scheidt hij van het onderwerp de episoden of bijverhalen
-af, welke negen in getal zijn, te weten: Brecca, Sigmund-Heremod,
-Finn, Thrydo, Headobarden, de eenzame schatbezitter, de oorlogen met
-Franken en Zweden, en Ongentheows dood.
-
-Müllenhoff werkte op deze gegevens voort.
-
-Hij drong dieper door in de schifting van de interpolaties en bouwde
-op dezen grondslag een heel stelsel omtrent de oorspronkelijke en
-later toegevoegde onderdeden van het epos.
-
-Hij onderscheidt vijf afzonderlijke deelen:
-
-1º Inleiding 1-193.
-
-2º Beowulfs gevecht met Grendel 194-836.
-
-3º Gevecht met Grendels moeder 837-1628.
-
-4º Beowulfs terugkeer 1629-2199.
-
-5º Kamp met den draak en Beowulfs dood 2200-3183.
-
-Het gevecht met Grendel en dat met den draak, ziedaar de twee
-oorspronkelijke bestanddeelen, welke nochtans niet het werk zijn van
-denzelfden dichter.
-
-Het eerste oude lied kreeg, waarschijnlijk van twee verschillende
-voortzetters, eene dubbele uitbreiding: eerst het gevecht met Grendels
-moeder, daarna de Inleiding.
-
-Een derde voortzetter A voegde Beowulfs terugkeer er aan toe en vulde,
-om zijn aanhangsel met het geheel in overeenstemming te brengen,
-het eerste en vooral het tweede oude lied op verscheiden plaatsen aan.
-
-Een vierde voortzetter B, of in de rij der Beowulfdichters no 6,
-verbond eindelijk den drakekamp met het door A tot 2199 voortgezette
-werk en verwaterde het gansche epos door allerlei lapwerk van
-zedekundigen en godgeleerden aard.
-
-Deze B is de eigenlijke interpolator.
-
-Men mag er Müllenhoff een verwijt van maken, dat hij in het brandmerken
-van de, volgens hem, van elders aangewaaide plaatsen al te voortvarend
-is te werk gegaan. Vandaar dat hij, na aftrek van de onechte verzen,
-het epos bijna tot op de helft besnoeit.
-
-Immers in elk der vijf deelen vinden de volgende regels slechts genade:
-
-1º 126 regels; 2º 490; 3º 333; 4º 399; 5º 440; te zamen 1788 echte
-verzen op de 3183.
-
-Hermann Möller tracht de oorspronkelijke bestanddeelen in vierregelige
-strophen te rangschikken.
-
-Ofschoon deze meening geen opgang maakt, nemen ten Brink en Heinzel
-toch aan, dat eene zekere neiging tot vierregelige strophen in den
-verhaaltrant niet te miskennen is.
-
-Eene laatste poging is die van ten Brink.
-
-Het zou ons te ver leiden, moesten wij zijn betoog, waarmede wel een
-twintigtal bladzijden gemoeid zouden zijn, tot in de bijzonderheden
-napluizen.
-
-Trachten wij daarom het grondbeginsel, waarvan hij uitgaat, duidelijk
-te maken.
-
-Het gebrek van Müllenhoff's theorie is, dat zij aan den inlasscher
-eene overwegende rol toekent.
-
-Daardoor heeft hij de natuur van het volksepos uit het oog verloren,
-waarvan de afwijkingen niet uitsluitend het werk zijn van den
-interpolator, zooals dit het geval is bij de kunstpoëzie.
-
-Drie invloeden zijn, volgens ten Brink, werkzaam geweest bij het
-opstellen van den Beowulf: de mondelingsche afwijkingen, de diaskeuast
-of rangschikker, en de interpolator.
-
-Het voortbestaan der heldensage door de voordracht riep
-natuurlijkerwijze verschillende varianten in het leven, welke
-mettertijd eene gansch verschillende gedaante konden aannemen. Het was
-de taak van den rangschikker, eenheid te brengen in die uiteenloopende
-behandelingen. Veronderstellen wij, dat hij twee bewerkingen van
-dezelfde stof voor zich had; wat was natuurlijker dan de bewerking,
-die hem het geschiktste voorkwam, ten grondslag te leggen en daarnevens
-de andere bij gelegenheid te benuttigen!
-
-Hij zelf voegde niets van het zijne toe.
-
-Daarna toog de inlasscher aan den arbeid, die in den tot stand gekomen
-tekst zijne godgeleerde en zedekundige aanmerkingen binnensmokkelde.
-
-Steunend op dit beginsel, trekt ten Brink op de volgende wijze de
-grenzen tusschen de vijf van Müllenhoff overgenomen deelen:
-
-1º Inleiding 1-193.
-
-2º Kamp met Grendel 194-836.
-
-3º Kamp met Grendels moeder 837-1904 of 1913.
-
-4º Beowulfs terugkeer 1905 of 1914-2199.
-
-5º Kamp met den draak 2200-3183.
-
-De grenzen tusschen 3e en 4e bakent hij anders af dan Müllenhoff.
-
-Dit stelsel heeft dit nog voor op het vorige, dat niet de helft van
-het gedicht als onecht over boord wordt geworpen.
-
-Welke zijn de verschillende lezingen of varianten, die de rangschikker
-in elk der vijf deelen benuttigd heeft?
-
-1º De Inleiding is naar twee lezingen samengesteld: A, welke tot
-richtsnoer is genomen, en B, welke slechts ter loops is aangewend.
-
-2º Als onder 1º, de grondvorm A en de bijvorm B.
-
-3º Grondvorm C, bijvorm D.
-
-4º Eéne lezing E; dit is het jongste deel.
-
-5º Grondvorm F, bijvorm G.
-
-B, D en E zijn gekenmerkt door de opmerkzaamheid, welke zij aan de
-Deensche toestanden wijden.
-
-Ten Brink plaatst de 1ste Beowulf bewerking (A C F) in 't jaar 690;
-de 2de (B D E G) tegen 710; terwijl van de volledige afwerking,
-waardoor A C F door B D E G gewijzigd werd, zich alleen laat zeggen,
-dat zij vermoedelijk nog de 8ste eeuw toebehoort.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-I.
-
-Inleiding. Geslachtslijst der Deensche koningen: Scyld, zoon van Sceaf,
-landt als kind over zee aan; hij breidt later zijne macht uit. Hem
-wordt een zoon, Beowulf de Deen, geboren. Scyld sterft en zijn lijk
-wordt te midden van wapenen en schatten op een schip gelegd en aan
-de zee prijsgegeven.
-
-
-II.
-
-Vervolg der geslachtslijst: Beowulf, zoon van Scyld.--Healfdeen.--
-Heorogar, Hrodgar, Halga en Elan.--Na Heorogars dood beklimt Hrodgar
-den troon.
-
-Begin van 't verhaal: Hrodgar laat Heorot bouwen. Gezellige vreugde
-aldaar, scheppingslied. Grendels wrevel. Oorsprong der monsters.
-
-
-III.
-
-Grendel verslindt 's nachts dertig Denen in Heorot. Opschudding des
-morgens. Den volgenden nacht herhaling. Heorot blijft ledig. Grendel
-woedt twaalf jaren lang. Zijn onverzoenbare wrok. De Denen nemen te
-vergeefs hunne toevlucht tot de goden. Het waren heidenen. Zedeles.
-
-
-IV.
-
-Hrodgars radeloosheid. Beowulf, de Goot, verneemt in Jutland het
-gebeurde. Zijn voornemen om Grendel te bevechten gaat door. Hij scheept
-zich in met veertien makkers. Overtocht. Aankomst in Seeland na 24
-uren reizens. Ontscheping. De Deensche kustwachter ondervraagt hem.
-
-
-V.
-
-Beowulf legt zijne afkomst en het doel zijner reis bloot. Gunstig
-antwoord van den kustwachter. Hij doet hun een eind weegs uitgeleide
-en neemt dan afscheid, om op zijnen post terug te keeren.
-
-
-VI.
-
-De Gooten bereiken Heorot en zetten zich buiten neer. Wulfgar vraagt
-wie ze zijn. Beowulfs antwoord. Wulfgar belast zich met hen aan te
-dienen. Hij gaat naar binnen en maakt hun verlangen aan Hrodgar bekend.
-
-
-VII.
-
-Hrodgars antwoord aan Wulfgar: Ik heb Beowulf als knaap gekend;
-zeelieden vertelden, dat hij de kracht van dertig man bezit; ik
-hoop dat hij ons komt helpen; verzoek hem binnen te komen.--Wulfgar
-kwijt zich van zijne opdracht. De lansen en schilden worden aan de
-hoede van eenige krijgers toevertrouwd. Zij treden binnen. Beowulfs
-aanspraak: Hij doet zich kennen; hij heeft Grendels wanbedrijven
-vernomen en komt, op aanraden zijner vrienden, om hem te bekampen;
-zijne vroegere wapenfeiten stellen hem omtrent den uitslag gerust;
-hij verzoekt om alleen met zijne makkers het waagstuk te ondernemen;
-wapenen zal hij niet gebruiken; delft hij het onderspit, zoo wordt hij
-verslonden en hoeft men niet te zorgen voor brandstapel en begrafenis;
-Hrodgar moet alsdan zijne wapenrusting naar Hygelac zenden.
-
-
-VIII.
-
-Hrodgars antwoord: Hij laat recht wedervaren aan Beowulfs
-grootmoedigheid en herinnert hem, hoe hij zelf in 't begin zijner
-regeering Beowulfs vader eenen dienst heeft bewezen bij gelegenheid van
-dezes veete met de Wylfingen; hij komt terug op zijnen twaalfjarigen
-rampspoed: Grendel heeft zijne beste krijgers gedood.--Gastmaal.
-
-
-IX.
-
-Hunferds ijverzuchtige toespraak: Gij, Beowulf, werdt door Brecca
-in den zwemwedstrijd overwonnen; bijgevolg zult ge insgelijks in
-deze onderneming niet slagen.--Beowulf antwoordt: Deze wedstrijd
-dagteekent uit onze jeugd; wij zwommen gedurende vijf dagen, zonder
-dat ik Brecca wilde verlaten, tot de storm ons des nachts scheidde.
-
-
-X.
-
-Ik doodde verscheiden zeemonsters en bereikte eindelijk
-Finmarken. Brecca heeft nooit iets dergelijks uitgevoerd. Doch gij
-hebt uwen broeder gedood. Waart gij zoo dapper, als gij voorgeeft,
-Grendel zou nooit dit onheil gesticht hebben; maar ik zal er met
-mijne Gooten een einde aan stellen.--De koningin reikt eenen beker
-aan de helden rond. Beowulfs fiere taal: hij zal overwinnen of
-sterven. Voortzetting van het drinkgelag. De avond valt en Hrodgar
-gaat slapen, na Heorot aan Beowulfs hoede toevertrouwd te hebben.
-
-
-XI.
-
-Beowulf legt zijne wapenrusting af. Hij herhaalt, dat hij van het
-gebruik der wapens afziet, en vlijt zich neder naast zijne makkers.
-
-Allen slapen weldra in, uitgenomen hij.
-
-
-XII.
-
-Grendel nadert de zaal, stoot de deur open en verslindt een der
-Gooten, Hondscio. Daarna grijpt hij Beowulf vast, doch ontmoet eenen
-onverwachten tegenstand. Beschrijving van de worsteling. De reus
-tracht vruchteloos te ontvluchten. De zaal lijdt last. Schrik der
-Denen. Grendels gejammer.
-
-
-XIII.
-
-Voortzetting der beschrijving: De makkers springen bij, doch hunne
-zwaarden hebben geen vat op Grendel. Hij vlucht, doch laat arm en
-schouder in Beowulfs handen achter. Overweging des dichters. Beowulf
-plaatst den arm als zegeteeken voor den ingang.
-
-
-XIV.
-
-Den volgenden morgen gaat men van heinde en verre Grendels bloedspoor
-zien, dat naar het nikkermeer voert. Op den terugweg wordt Beowulf
-in verzen geprezen, er wordt geharddraafd en daarna verhaalt men
-de sage van Sigmund en Heremod. De morgen is reeds gevorderd, als
-zij in Heorot terugkomen. Hrodgar verlaat met zijne echtgenoote het
-slaapvertrek en begeeft zich naar de troonzaal, om het tooneel der
-worsteling in oogenschouw te nemen.
-
-
-XV.
-
-Hrodgars toespraak: Eerst dankt hij God, daarna zijnen redder; hij zal
-hem als een zoon beschouwen en rijk beloonen.--Beowulf geeft verslag
-van de worsteling. Hunferds beschaming. De ridders bewonderen den
-reusachtigen klauw van Grendel.
-
-
-XVI.
-
-Heorot wordt gesmukt. Het gebouw was erg gehavend. Hrodgar begeeft
-er zich heen tot het feestmaal. Hij geeft aan Beowulf geschenken:
-standaard, helm, harnas, paarden.
-
-
-XVII.
-
-Vervolg van 't feestmaal: De andere helden worden ook niet
-vergeten door den milden vorst; voor Hondscio wordt weergeld
-betaald. Finn-episode.
-
-
-XVIII.
-
-Voortzetting van de Finn-episode.--Het drinkgelag duurt
-voort. Wealchtheow, de koningin, zet haren gemaal aan tot
-vrijgevigheid. Zij hoopt dat Hrodulf, Hrodgars mederegent, zich
-na dezes dood dankbaar zal toonen en hare zonen vriendschappelijk
-bejegenen.
-
-
-XIX.
-
-Vervolg van 't feestmaal: Beowulf wordt uitgenoodigd om te
-drinken; nieuwe geschenken, hem door de vorstin overhandigd:
-ringen, armtooisels, rusting, prachtig halsjuweel. Sage van Hama
-en den Brosinghalsband.--Latere lotgevallen van het aan den held
-geschonken halsjuweel: het geraakte door het sneven van Hygelac
-in het bezit der Franken.--De koningin houdt eene toespraak bij
-het aanbieden der geschenken en hoopt, dat Beowulf goed zal wezen
-voor hare zonen. Hrodgar gaat slapen, terwijl vele Denen Heorot tot
-nachtverblijf kiezen.
-
-
-XX.
-
-Grendels moeder begeeft zich naar Heorot om haren zoon te wreken. De
-Denen stellen zich te weer. Zij vlucht, doch ontvoert een ridder,
-Aschere, alsmede den arm van haren zoon.
-
-Vóór dag en dauw laat Hrodgar Beowulf ontbieden.
-
-
-XXI.
-
-Hrodgars klacht over het verlies van zijnen besten raadsheer; hij
-beschrijft het Grendelmeer en hoopt, dat Beowulf er zich zal inbegeven.
-
-
-XXII.
-
-Beowulf belooft het. Beiden begeven zich met hun gevolg op weg. Aan
-den oever vinden zij het hoofd van Aschere. Een watermonster wordt
-gedood en op het droge getrokken. Beowulf rust zich uit. Hunferd
-leent hem het voortreffelijke zwaard Hrunting.
-
-
-XXIII.
-
-Beowulf richt het verzoek tot Hrodgar om zijne makkers tot vader te
-verstrekken, zoo hij niet meer terugkomt, en zijne ontvangen geschenken
-aan Hygelac te zenden. Hij bedankt Hunferd voor het leenen van zijn
-zwaard en springt in het meer. Grendels moeder sleurt hem mede naar
-hare onderzeesche woning. Hrunting wil niet vatten. Worsteling. De
-held wordt omvergeworpen en is op het punt van gedood te worden.
-
-
-XXIV.
-
-Door eene bijzondere bestiering Gods valt zijn oog op een oud
-reuzenzwaard aan den wand. Hiermede doodt hij den vijand en houwt hij
-tevens het hoofd af van Grendels lijk. Het water wordt bloedig. De
-krijgers meenen dat Beowulf gedood is. Hrodgar vertrekt met de
-zijnen. De Gooten blijven wachten. Het reuzenzwaard smelt tot op
-het gevest, ten gevolge van het bloed des monsters. Beowulf komt te
-voorschijn met het gevest en Grendels hoofd. Terugkeer naar Heorot. Het
-zegeteeken wordt door vier mannen gedragen.
-
-
-XXV.
-
-Beowulf verhaalt zijn wedervaren in de diepte en schenkt het
-zwaardgevest aan den koning. Hrodgars dankrede: hij vergelijkt
-Beowulfs gedrag en dat van Heremod; het gevaar der grootheid, zij
-ontaardt dikwijls tot overmoed
-
-
-XXVI.
-
-en tot schraapzucht. Hij wijst op zichzelf: 50 jaar regeerde hij
-voorspoedig, daarna overviel hem rampspoed; hij bedankt God voor de
-redding.--Maaltijd. Met het invallen van den nacht begeeft men zich
-ter ruste. Beowulf wordt naar zijn slaapvertrek geleid. Als de morgen
-aanbreekt, staat Beowulf reisvaardig, hij geeft Hrunting terug aan
-Hunferd en begeeft zich naar Heorot, om afscheid te nemen van Hrodgar.
-
-
-XXVII.
-
-Beowulfs toespraak: hij verlangt naar huis, doch zal altijd tot
-Hrodgars en Hrederics dienst gereed zijn. Hrodgars antwoord: hij hoopt
-dat Beowulf later na Hygelacs dood tot koning gekozen zal worden;
-dank aan hem is eene hechte vriendschap tusschen de twee volken
-gesloten.--Hij schenkt hem twaalf kostbaarheden en neemt slechts
-noode van hem afscheid. Beowulf begeeft zich scheepwaarts.
-
-
-XXVIII.
-
-De kustwachter ontvangt hem vriendschappelijk. Inscheping. Overtocht
-naar Jutland. De strandwachter. Ontscheping. Zij begeven zich naar
-Hygelacs woning. Tegenstelling tusschen het karakter van Hygd en dat
-van Thrydo.
-
-
-XXIX.
-
-Onthaal bij Hygelac. Hij ondervraagt Beowulf. Deze geeft verslag over
-de gebeurtenissen en lascht er de Headobarden-episode in.
-
-
-XXX.
-
-Slot der Headobarden-episode. Daarna neemt Beowulf den draad van
-zijn verhaal weder op; Grendel, handschoen, feestmaal, Aschere,
-Grendels moeder.
-
-
-XXXI.
-
-Vervolg van Beowulfs verslag: Geschenken.--Beowulf staat zijne
-geschenken aan Hygelac en Hygd af. De dichter spreekt van Beowulfs
-onmannelijke jeugd. Hygelac beloont Beowulf met Hredels zwaard,
-landerijen en burcht.--Beowulf beklimt den troon na den dood van
-Heardred, Hygelacs zoon, en heerscht vijftig jaar op voorspoedige,
-wijze, totdat zekere slaaf eenen beker ontvoert uit het hol van eenen
-draak, die in eenen grafheuvel eenen onmetelijken schat bewaart.
-
-
-XXXII.
-
-De slaaf had eene schuilplaats gezocht en zoo toevalligerwijze den
-schat ontdekt. Geschiedenis van den schat: hij was daar neergelegd
-door den laatsten afstammeling van een oud geslacht; klacht van den
-eenzamen grijsaard; na zijnen dood maakt de draak zich van de have
-meester.--De draak ontdekt den diefstal; hij is strijdlustig en vliegt
-met de avondschemering uit, om wraak te nemen.
-
-
-XXXIII.
-
-Hij verbrandt Beowulfs woning en keert met den morgen terug
-in zijn hol. Droefheid van den koning bij het vernemen van de
-verwoestingen. Hij laat een stalen schild vervaardigen. Afwijking van
-den dichter: Beowulfs vroegere wapenfeiten, Grendelkamp, oorlog met
-de Franken, waarin de held met de schilden van dertig gesneuvelde
-vijanden te water springt; hij weigert den troon, welken Hygd hem
-aanbiedt, en beklimt dien slechts later na den dood van Heardred,
-die Zweedsche vluchtelingen had opgenomen en daarom door Onela,
-den vorst der Zweden, verslagen werd.
-
-
-XXXIV.
-
-Voortzetting der afwijking: Beowulf Wreekt later den dood
-van zijnen voorganger en verbindt zich met Eadgils, een der
-vluchtelingen, die Onela van het leven berooft.--Beowulf begeeft
-zich met elf tochtgenooten naar het drakenhol op aanwijzing van den
-slaaf. Voorgevoel van zijnen dood. Beowulfs rede: hij heeft zijne
-jeugd aan het hof van Hredel doorgebracht; Hredel-episode.
-
-
-XXXV.
-
-Vervolg van de Hredel-episode; na Hredels dood breekt de oorlog uit met
-de Zweden, waarin Hadcyn en Ongentheow sneuvelen; hij heeft Hygelac
-altoos trouw ter zijde gestaan en Daghrefn gewurgd in den strijd
-met de Franken; nu zal hij zijnen laatsten kamp wagen.--Beowulf
-groet ieder zijner makkers en neemt weer het woord op: hij draagt
-eene wapenrusting, om tegen het vuur beschut te zijn; zijne mannen
-zullen in de nabijheid wachten, hij zal alleen den draak dooden of
-sterven.--Beschrijving van den drakekamp: Beowulf begeeft zich naar
-den ingang van het hol; beschrijving ervan; hij roept, en de draak
-komt te voorschijn; Beowulfs zwaard dringt niet door, hij moet zich
-wegens de hitte terugtrekken. Zelfde vruchtelooze uitslag bij eene
-tweede poging. De helpers nemen de vlucht, uitgenomen Wiglaf.
-
-
-XXXVI.
-
-Wiglafs afkomst. Hij herinnert zich Beowulfs weldaden en trekt het
-zwaard. Lotgevallen ervan. Zijne toespraak tot de vluchtelingen:
-hun meester schonk de wapenrusting, koos hen als de dappersten uit,
-dus moeten zij hem helpen; hij voor zich wil liever sterven dan hem in
-den steek te laten; zonder hem kunnen zij niet terugkeeren; Beowulf
-heeft het niet verdiend alleen te moeten vallen.--Wiglaf dringt door
-den vlammengloed en spreekt Beowulf moed in. Tweede aanval van den
-kant des draaks: Wiglafs houten schild verbrandt, hij vlucht achter
-dat van zijnen koning. Deze wondt het hoofd van den draak, doch zijn
-zwaard breekt, want zijne vuist is te sterk. Derde aanval vanwege
-den draak: hij omklemt met zijne tanden den hals van Beowulf.
-
-
-XXXVII.
-
-Wiglaf wondt nu den draak op doodelijke wijze, doch verbrandt tevens
-zijne hand. Beowulf komt tot zichzelven en hakt met zijn slagmes den
-draak middendoor. Hij is vergiftigd en zijgt neder. Wiglaf besprenkelt
-hem met water en ontgespt zijnen helm. Beowulf komt bij en zegt,
-dat hij met volle gerustheid sterft, want hij heeft gedurende vijftig
-jaren rechtvaardig geregeerd; hij verzoekt Wiglaf in het hol te gaan,
-om hem de schatten voor de eerste en laatste maal te toonen.
-
-
-XXXVIII.
-
-Wiglaf begeeft zich onder de rots. Beschrijving van de schatten. Met
-kostbaarheden beladen keert hij terug en vindt Beowulf in bewusteloozen
-toestand. Ten tweeden male besprenkelt hij hem met water en met goed
-gevolg. Beowulfs laatste woorden: hij bedankt God voor die schatten,
-welke zijne mannen zullen te stade komen, beveelt, dat men hem eenen
-hoogen grafheuvel zal oprichten aan den oever der zee en schenkt
-aan Wiglaf, den laatste van zijnen stam, halssieraad, helm, ring en
-harnas. Daarna geeft hij den geest.
-
-
-XXXIX.
-
-Overweging van den dichter. De tien vluchtelingen komen terug. Wiglafs
-strafrede: Beowulf heeft zijne geschenken aan onwaardigen gegeven;
-toch heeft hij de zege behaald; ik heb hem naar vermogen geholpen;
-gij zult voorbeeldig gestraft worden.--
-
-
-XL.
-
-Een bode bericht het nieuws aan het hof: Beowulf en de draak zijn
-gedood; Wiglaf houdt er de wacht; nu staat de oorlog te wachten met
-de Franken, die hun vijandig zijn sedert Hygelacs inval. Ook zullen
-de Zweden hen aantasten; tot staving hiervan verhaalt hij de episode
-van den Zwedenkrijg.
-
-
-XLI.
-
-Voortzetting van den Zwedenkrijg. Men spoede zich om Beowulfs lijk te
-verbranden met den drakeschat, zoodat er geen sieraad tot herinnering
-zal overblijven, want hachelijke tijden zijn ophanden.--Men begeeft
-zich naar het strand, waar Beowulf naast den draak en de kostbaarheden
-ligt uitgestrekt. Afwijking: de schat was betooverd.
-
-
-XLII.
-
-De afwijking wordt voortgezet. Wiglafs redevoering: Beowulf wilde niet
-den raad involgen om den draak ongemoeid te laten; ik heb de schatkamer
-bezichtigd; Beowulf heeft eenen lijkheuvel verzocht. Wiglaf beveelt
-de schatten uit het hol te dragen en het hout tot den brandstapel aan
-te voeren.--De schat wordt te zamen met het lijk des konings naar de
-walvischhoogte vervoerd, terwijl de draak in de zee wordt gestort.
-
-
-XLIII.
-
-Beschrijving van Beowulfs lijkverbranding: de brandstapel wordt
-opgericht en aangestoken. Jammerklachten van de jonkvrouw. De graf
-heuvel wordt opgeworpen en de rijkdom er in geborgen. De zonen der
-twaalf rijksgrooten rijden om het graf. Hun rouwzang. Beowulf was
-het toonbeeld van een koning.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
- Voorwaar, der Denen roem in voortijdsdagen,
- Der volksbeheerschers hebben wij vernomen,
- Hoe de eêlgeboornen heldendaân voldongen.
- De Scheving [25] Schyld ontnam aan 's vijands scharen,
-5 Aan vele stammen vaak de medezetels [26].
- De held had veel gehard, nadat hij hulploos
- Gevonden was geworden in den aanvang.
- Des trof hij troost. Hij wies beneên de wolken,
- Gedijde in waardigheên, totdat hem ieder
-10 Der ommewoners langs de walvischwegen
- Gehoorzaamheid verschuldigd was en schatting
- Betalen moest. Dit was een machtig koning!
- Hem werd daarna een erfgenaam geboren,
- Jong in het koningshof, dien zond de Hemel
-15 Het volk tot heul: Hij [27] zag 't vervolgingsonheil,
- Dat zij, de koningsloozen, eerst beleefden
- Een langen tijd. De Levensheer diensvolgens,
- De glansbeschikker, schonk hem [28] wereldglorie. [29]
- Bekend werd Beowulf [30]; verre sprong de konde
-20 Van Schyldes spruit de Schedelanden [31] binnen.
- Zoo moet een jeugdig man zich mild bewijzen
- Door groote giften jegens vaders vrienden,
- Opdat hem weer gewillig wapenmakkers
- In d'ouderdom [32], als kamp ontstaat, omstuwen,
-25 De heirschaar vormen: door gevierde daden
- Zal zich een held bij elken stam verheffen.
- Verscheiden ging nu Schyld, de veelbewogen,
- Ter lotbestemde stond in 's Heeren hoede [33].
- Hem brachten toen de trouwe wapenbroeders
-30 Naar 't zeegezwalp, gelijk hij zelf verzocht had,
- Terwijl 't bevel de vriend der Schyldings [34] voerde,
- De lieve landbestuurder lang een tijdruim {1}.
- Daar aan de reede stond de kronkelsteven,
- Yshelder, reizensree, des heerschers vaartuig.
-35 Zij legden toen den lieven koning neder,
- Den schatbescheerder, op den schoot des vaartuigs,
- Den wijdvermaarden bij den mast. Er waren
- Juweelen veel, gebracht langs verre wegen,
- En kostbaarheden opgehoopt. Ik hoorde
-40 Wel nooit van zulk een kiel, voorzien zoo kostlijk
- Met heertuig, krijgerkleên, met zwaard en harnas.
- Veel schatten lagen op den schoot [35]. Zij zouden
- Ver medezwalken in de macht der baren.
- Zij monsterden niet minder gul met gaven
-45 Hem uit en schatgeschenken dan het deden
- Degenen, die hem in 't begin verzonden
- Alleen op 't zeegewoel, een wichtje zijnde. [36]
- Men stelde hem daarbij een gulden standaard [37]
- Hoog boven 't hoofd en liet de baar hem beuren
-50 En gaf hem aan de golf. Hun geest was weevol,
- Bezorgd hun zin. Niet kunnen menschen zeggen,
- Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden
- Beneên de wolken [38], wie ontving de lading.
-
-
-
-
-
-II.
-
-
- Ter burcht verwijlde nu der Schyldings Beowulf,
-55 De lieve landsheer, lang, den volken roemrijk; {2}
- (De vader week van daar, de vorst van 't erfgoed [39])
- Totdat hem werd verwekt de hooge Healfdeen.
- Die heerschte op heusche wijs, zoolang hij leefde,
- Bedaagd en oorlogsduchtig, bij de Schyldings.
-60 Hem kwam in rechte rij een viertal kinders
- Ter wereld: Heorogar, de hordenheerscher,
- Hrodgar en strijdbre Halga. 'k Heb vernomen,
- Dat Elan werd van Ongentheow [40] de weerhelft,
- De bedgenoote van den Wapen-Schilfing [41].
-65 Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,
- De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen [42]
- Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,
- De breede jonglingschaar. Hem schoot te binnen,
- Dat hij een hal bevelen moest te maken
-70 Aan zijne mannen, eene medewoning,
- Een machtiger dan menschenzonen zagen;
- Om alles daar aan jong en oud te deelen,
- Als God hem had gegeven, uitgezonderd
- De legerschaar en 't leven zijner lieden [43].
-75 'k Vernam, hoe werk werd opgelegd in 't wijde
- Aan menig man langs de aard, de steê te sieren.
- Het viel in tijds hem mede, bij de menschen,
- Dat kant en klaar verrees der hallen hoogste.
- Den naam van Heort bestemde haar de heerscher,
-80 Wiens woorden kracht van wet in 't wijd bezaten.
- Hij deed zijn woord gestand en deelde ringen
- En goed aan 't gastmaal. Stout verhief, met hoornen
- Voorzien [44] zich ruim de zaal--Haar was te wachten
- 't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie.
-85 Niet was de tijd reeds daar, dat wapenwoede
- Door bloedhaat blaken zou bij zoon en vader [45].--
- Nu moest den heelen tijd in arren moede
- De weerbre geest, die woonde in duisternissen,
- Het dulden, dagelijks het luid gejubel
-90 Te hooren in de hal. Daar klonk de harptoon,
- De zoete zang des dichters. Deze zeide,
- Die 't eerst ontstaan des menschen wist te melden
- Van hooger af, verhaalde, dat de Almachte
- Deze aarde had gevormd met hare velden,
-95 Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;
- Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig
- Tot licht gesteld had voor de landbewoners,
- Getooid met twijg en blad der velden boezem.
- Het leven schiep Hij insgelijks voor ieder
-100 Der wezens, die bezield zich voortbewegen.
- Zoo leefden in genot de kampgenooten
- En overvloed, tot één begon, de vijand,
- Verderf te stichten in de stede [46]. Grendel
- Zoo was de gast, de grimme geest geheeten.
-105 Grenslooper lang berucht, die in moerassen
- En venen was genesteld, zijne vrijburg.
- 't Wanzalig wezen had een lange wijle
- Het schuilvertrek van 't reuzenras betrokken,
- Nadat de Wereldheer hem had verwezen.
-110 Der eeuwen Heer verhaalde op Kaïns afkomst,
- Omdat hij Abel had verdaan, den doodslag.
- Hij mocht zich in de misdaad niet verheugen,
- Maar in de verte joeg hem voort de Schepper,
- Om dezen moord, gebannen uit het menschdom.
-115 Hier werden uit verwekt de wangedrochten,
- De reuzen, elven met de watermonsters,
- Giganten ook, die tegen God zich kantten
- Een langen tijd. Hij loonde hen diensvolgens [47] [48].
-
-
-
-
-
-III.
-
-
- Hij [49] ging bezien, sinds nederzeeg de nachtstond,
-120 De hooge huizing, hoe de Harnas-Denen
- Zich na de bierontvangst gevestigd hadden.
- Daar binnen trof hij toen den troep der eedlen
- In slaap na 't feestgeslemp. Geen kommer kenden,
- Geen leed de lieden. Vreeselijk, vraatzuchtig
-125 Was ras gereed de daemon der verderfnis,
- Verwoed en wild, en roofde van het rustbed
- Der dappren dertigtal [50]. Dan weder wendde
- Hij roemend op den roof van hier zich huiswaarts
- En kwam met kampbuit [51] weer in zijne woning.
-130 Toen bleek des ochtends bij het morgenblozen
- De worstelmacht van Grendel aan de mannen.
- Toen steeg na 't feestgelag 't gesteen naarboven,
- Het machtig morgenwee. De hooge heerscher,
- De eervolle vorst, was lusteloos gezeten,
-135 Beleefde leed, de zorg om zijne strijders,
- Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand.
- Den doembren geest. De droefheid was te drukkend,
- Geweldig, onverpoosd. Niet was er uitstel,
- Hij stichtte na dien eenen nacht alweder
-140 moorden meer en schuwde leed noch lagen,
- Hij was maar al te zeer gezet op deze.
- Nu waren vele lieden licht te vinden,
- Die ergens elders ruimer rustbed zochten,
- Een bed in 't burgvertrek. Nu was bewezen
-145 En wis en waar beduid door bare blijken
- De haat van 't halgedrocht, nu hield een ieder,
- Die 't monster was ontvlucht, zich ver en veilig.
- Zoo heerschte hij en woedde wederrechtig
- Eén tegen allen, tot der huizen heerlijkst
-150 Daar ledig stond. Dat duurde lang een tijdruim.
- De Denenvriend verduurde een twaalftal winters [52]
- De woede en ieder wee, de zwaarste zorgen.
- Sinds werd het klaar bekend den menschenkindren
- Op leede wijs door 't lied, dat Grendel Hrodgar
-155 Aantastte langen tijd. Hij had berokkend
- Haatvijandschap, vervolgingslisten, veete
- Wel menig halfjaar met gestage strijden.
- Hij wenschte geenszins aan te gaan den vrede
- Met een der dappren uit de bloem der Denen,
-160 Te keeren 't levenszeer, met geld te zoenen [53] {3},
- En geen der raden dorst glansrijker boete [54]
- Verhopen met de handen van den dooder {4}.
- De booze daemon kwelde, bond en doodde,
- De duistre doodsgeest, meerderen en mindren. [55]
-165 Eeuwnachten had hij in de nevelmoeren
- Zijn woon gevest. Dit weten niet de menschen,
- Waarheen in 't rond de toovenaars zich richten.
- Zoo menig ramp berokte vaak de vijand
- Des menschen, harden hoon, de eenzame zwerver.
-170 Hij huisde in Heort, de goudverlichte halle,
- Bij naren nacht. (Toch zou hij niet bezetten
- Het schenkgestoelt, uit hoofde van den Schepper, [56]
- Het pronkjuweel, noch waren dit zijn wenschen. [57] {5}
- Dat was den vriend der Schyldings wreede kommer,
-175 Een knak der ziel. Ten raadslag zaten dikwerf
- Gevolg en vorst. Zij wikten dan en wogen,
- Wat voor de boudgestemden 't beste ware
- Te wagen tegen onverwachte inbreuk.
- Somtijds beloofden zij den godentempels [58]
-180 Een afgodsofferand en riepen dringend
- Den wurggeest [59] aan, dat deze weer zou bieden
- In 't volksgevaar. Dat waren zoo hun zeden,
- Hun heidendenkwijs. Naar de helle streefden
- Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester,
-185 Der daden doemer, geenen God, den heerscher;
- Zij konden niet des hemels heul bekennen,
- Den God der glorie. Wee, die zal verzinken
- De ziel door wilde zucht in 's vuurs omvatting,
- Ontbeiden geenen troost, zich geenszins beteren!
-190 Wel hem, die na den dood den Heer mag naken,
- Een vrijburg vragen in des Vaders armen! [60]
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
- Op deze wijze broeide hij voortdurend,
- De zoon van Healfdeen [61], zorgen voor het heden.
- Niet stond den wijzen held het wee te wenden:
-195 De strijd toch was te sterk, te lang, te lijdig.
- Die nu was neergekomen op de kampers,
- De norsche nooddwang, 't neetligst nachtlijk onheil.
- Nu hoorde Hygelaces leenman [62], onder
- De Gooten [63] goed, te huis de gruwlen Grendels.
-200 Hij was in weerbaarheid der menschen machtigst
- In gindschen leeftijd, eêl, doorluchtig. Treflijk
- Een waterros gebood hij uit te rusten;
- Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,
- Den hoogen heerscher, langs het zog der zwanen
-205 Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen.
- Bij lang niet laakten wijze liên die reize [64],
- Hoe waard hij was; den wildgezinde zetten
- Zij aan en namen waar gewenschte teekens [65].
- De koene had tot kampers uitgekoren
-210 De Gootenmannen, die hij vond het moedigst;
- Eén van de vijftien, zocht hij op het zeehout;
- Een kampheld [66] wees, een waterkundig krijger,
- De landgrens langs. (De wachttijd was verstreken {6}.)
- De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte {7}.
-215 De helden stegen uitgedost ten steven.
- De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand [67] {8}.
- Zij droegen op den schoot des schips de schoonste
- Juweelen neer, de weidsche kampgewaden
- En tot de lustvaart boomden nu de lieden,
-220 De kampers hun gebonden kiel [68] naar buiten.
- Door winden aangewakkerd vloog, een vogel
- Gelijk, 't schuimhalzig schip langsheen de baren,
- Totdat den tweeden dag, ter eigen ure [69],
- De slankgedraaide boeg was voortgedrongen,
-225 Dat land de varenslieden zagen blinken,
- Strandklippen, steile bergen, breede kapen.
- Doortogen was het tij, de tocht ten einde.
- Nu sprongen snel aan wal de Wederlieden [70],
- Zij meerden 't meerhout vast (de kolders klonken,
-230 De krijgerkleên) en gaven dank der Godheid,
- Dat heilvol hun de vloedweg was geworden.
- Nu zag van zijnen wal de grensbewaker
- Der Schyldings, die de schuimklip had te hoeden,
- Hoe schitterende schilden, reede rustings
-235 Daar langs de loopplank werden uitgeladen.
- Hem brak het brein door 't gissen nieuwsbegeerte
- Om toch te weten, wie die mannen waren.
- Toen stormde strandwaarts heen, het ros berijdend,
- De dienstman Hrodgars, 't krachthout duchtig drillend
-240 In zijne vuist, en ondervroeg met woorden:
- «Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten,
- Die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven,
- Langsheen de waterwegen, die de helmen
- Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen?
-245 'k Was grensbezetter, houd alhier de zeewacht [71],
- Opdat in 't land der Denen geen baldadig
- Vermag te schaden met een schepenleger.
- Hier onderwonden oopner schildbeschermden
- Zich nooit te naken. Wis vernaamt gij 't oorlof
-250 Der strijdbewerkers niet, des stams vergunning.
- 'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger
- Dan uwer één [72], dien ridder in de rusting.
- Voorwaar, geen huisman [73] is 't, gedost in wapens,
- Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege.
-255 Vernemen zal ik nu uw aller afkomst,
- Eerdat in 't Denenland gij verder vordert
- Van hier, als ongehinderde bezoekers.
- Nu hoort gij, vergehuisden, zeebezeilers,
- Mijn slechte, rechte meening: Haast is heilzaamst
-260 Te kondigen, vanwaar uw komst mag wezen.»
-
-
-
-
-
-V.
-
-
- Hem schonk bescheid en opende de schatten
- Des woords de waardigste, het hoofd der horde:
- «Wij zijn de strijders van den stam der Gooten
- En Hygelacs genooten aan de haardstee.
-265 Mijn vader was roemruchtig bij de volken
- En Ecgtheow was de hooge vorst geheeten.
- Hij leefde een lang getal van wintertijden,
- Eer, grijs, hij scheiden ging uit zijnen zetel.
- Hem heugt zich maar te wel zoo menig raadsheer
-270 Op 't wijde wereldrond. Goedgunstig kwamen
- Wij uwen heerscher, Healfdeens zoon, bezoeken,
- Den rijksscherm. Wees ons met berichten gunstig!
- Den breedvermaarden vorst der Denen brengen
- Wij wichtig nieuws, waarvan, ik wil het hopen,
-275 Niets zal verholen zijn. Gij weet of 't zoo is,
- Gelijk wij hoorden waarheidstrouw verhalen,
- Dat bij de Schyldings 'k weet niet welke schender,
- Verborgen booswicht, met het dichtste duister
- Schrikwekkend toont een nooit vernomen woede
-280 En wee en slachting. Hrodgar kan ik wijzen
- Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede
- Den vijand vleuglen zal, zoo ooit de aanvechting
- Der kwalen neemt een keer, een uitkomst opdaagt,
- En koeler worden zijne kommergolven.
-285 Zoo niet, dan lijdt hij later steeds benauwing
- En 't nijpen van den nood, zoolang 't gelukkigst
- Der huizen zich verheffen zal ter hoogte.» [74]
- De wachter wedervoer, in 't zaal gezeten,
- De dappre dienstman: «Ja, een scherpe schildman
-290 Van beide weet bescheid, van woord en werken,
- Die deeglijk denkt. Dit hoor ik: aan den heerscher
- Der Schyldings is verknocht dees krijgerschare.
- Gaat, voert de wapens mede met gewaden.
- Ik wijs den weg en zal aan mijne maagschap
-295 Bevelen tevens, 't vaartuig voor den vijand,
- Het nieuwgeteerde schip op 't zand te schutten [75],
- Totdat het kronkelhalzig hout den heerscher,
- Den waarden, wedervoert op 't vloedgewiegel
- Ter Gootengrens; aan wien het zij gegeven
-300 Te midden zijner helden, dat hij heilvol
- Het kampgetuimel mag te boven komen.»
- Nu gingen zij huns weegs. En rustig wachtte
- De bodem met de touwen vastgebonden,
- Aan 't anker vast het breedgeboezemd vaartuig.
-305 Nu blonken boven 't wangstuk [76] de everbeelden,
- Met goud bekleed, ontgloeid, gehard in vlammen.
- Nu hield het everzwijn omhoog de schildwacht.
- Kampmoedig stoven, snoven heen de mannen [77]
- En daalden samen af, totdat zij zagen
-310 De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.
- Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld
- Bij 't menschdom, waar de machtige [78] verwijlde.
- De vuurglans lichtte over vele landen.
- Hun toonde toen het pralend hof der helden
-315 De wapenwakkre man, opdat zij derwaarts
- Nu rechtstreeks konden gaan. De kamper zwenkte
- Zijn ros en richtte schuins hun toe de toespraak:
- «Voor mij is 't trekkens tijd. De Alheerscher hoede
- In 't avontuur u ongerept en roemvol!
-320 Ik wil naar zee, op roovend rot te waken.»
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
- De baan was bont bevloerd; de straatweg voerde
- De strijders al te zaam. Hun kamphemd straalde,
- Het harde, handgevlochten. 't Staal, het heldre,
- Het ringversierde, zong op hunne rusting,
-325 Juist als ze in 't schrikgewaad ten zaalbouw schreden.
- De zeevermoeiden zetten 't schild het machtig,
- Het strijdrondas geweldig sterk, nu tegen
- Den buitenwand des bouws en bogen bankwaarts.
- De rusting rinkelde, der helden harnas.
-330 De lansen stonden saam, der zeeliên strijdtuig,
- Hun esscheschacht, blauwschemerig van boven [79].
- Hoe wel was de ijzerdrom gedost in 't wapen!
- De krijgstrawanten vroeg een wakker kamper [80]
- Naar de edele afkomst: «Waar van daan toch draagt ge
-335 De schitterende schilden, 't stalen strijdhemd,
- De maskerhelmen met de macht van speren?
- Ik ben de bode Hrodgars, dezes dienstman;
- Niet heb ik ooit gezien een zulke menigt [81]
- Van buitenlandsche meer vermeetle mannen.
-340 Ik gis, dat gij, wel verre van voortvluchtig,
- Hrodgar bezoekt uit hoogen zin en stoutheid.»
- De krachtgevierde vorst, de nooit vervaarde,
- Der Weders wedervoer daarop met woorden:
- «Wij zijn van Hygelac de dischgezellen
-345 En Beowulf luidt mijn naam. 'k Verlang mijn boodschap
- Te konden Healfdeens zoon, den hoogen heerscher
- En uwen vorst, indien hij wil gedoogen,
- Dat wij hem, zoo goedzinnig, mogen groeten.»
- En Wulfgar sprak (hij was Wandalenkoning;
-350 Aan velen was zijn roekeloosheid ruchtbaar,
- Zijn strijdgevatheid met zijn ondervinding):
- «Den Denenvriend, den Schyldingvorst zal 'k vragen,
- Den gever van het goud, den hoogen heerscher,
- Gelijk uw bede luidt, omtrent uw tochten
-355 En onverwijld u 't antwoord laten weten,
- Dat mij de goedertieren denkt te geven.»
- Dan trad hij ijlings toe, waar Hrodgar troonde,
- Bedaagd en grijs, met zijnen drom van dappren;
- De sterke schreed, totdat hij bij de schouders [82]
-360 Des Denenkonings zich bevond. Hij kende
- De handelwijs van 't hof. Dan zeide Wulfgar
- Tot zijnen vriend en heerscher: «Herwaarts voeren
- Er verbereisde gasten van de Gooten,
- Langsheen der baren omvang. Beowulf heeten
-365 Den eersten onder allen de oorlogshelden.
- Hun bede brengt, o mijn gebieder, mede,
- Met u den woordenschat te mogen wisselen,
- o, Weiger 't wederwoord hun niet, genadige!
- Zij schijnen waardig in de stormgewaden
-370 Der helden achting. Zeker deugt de hoofdman,
- Die herwaarts heeft gevoerd de heirgenooten.»
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
- En Hrodgar sprak, beschermheer van de Schyldings:
- «Hem kende ik als een' knaap. Zijn vader noemde
- Zich destijds Ecgtheow [83], wien zijn eenge dochter
-375 Op zijne goedren gaf der Gooten Hredel.
- Nu is zijn spruit, de koene, hier gekomen
- En zocht den trouwen vriend [84]. Toen zeiden zeeliên,
- Die tot geschenk der Gooten schatten brachten [85]
- Alhier {9}, dat hij de kracht van dertig krijgers,
-380 De kampgevierde, voerde in zijnen vuistgreep.
- o, Zeker zond hem, naar ik heb de hope,
- De goede God op weg ten Wester-Denen [86],
- Ons tot een toeverlaat bij Grendels gruwheid.
- Ja, schatten wil ik schenken aan den goede
-385 Voor zijnen koenen zin. Gij, rep u rugwaarts;
- Verzoek hen in te gaan en al te gader
- Het broederbond te schouwen van de schare.
- Verzeker hun daarbij om 't zeerst, zij allen
- Zij heeten welkom aan het heer der Denen.»
-390 Toen spoedde Wulfgar henen naar de haldeur
- En binnenwaarts ontbood hij met de woorden:
- «Mijn zegevorst, Oost-Denen [87] heer, laat zeggen:
- Hij kent uw adel. Langs de waterkolken,
- o Hardgezinden, weest alhier hem welkom!
-395 Nu moogt ge in 't maliekolder met den strijdhelm
- Hrodgar aanschouwen gaan; doch laat het slagschild,
- Der lansen hout, de doodelijke schachten,
- Hier wachten op den uitslag van de woorden.»
- De sterke [88] rees en rond hem menig ridder,
-400 Der eedlen stoute stoet. Daar buiten bleven
- Er enklen om het heergetuig [89] te hoeden,
- Gelijk hun had besteld de wapenstoute [90].
- Te gader gingen, waar hun wees de weerbre,
- Zij onder Heorots dak; de dappre stapte
-405 Gehelmd, de stoute, tot hij stond ter troonzaal.
- En Beowulf zeide (hem omblaakte 't harnas,
- Het kampnet, saamgetrensd door kunst van smeden):
- «U zij, o Hrodgar, heil! Ik ben van Hyglac
- De maag en ridder. Menig roemvol waagstuk
-410 Bestond ik in mijn jeugd. Mij werd de strijdzaak
- Van Grendel op mijn erfgrond klaar gekondigd.
- Zeevaarders zeggen: ledig staat de zaalbouw,
- Onnut het heerlijkst huis voor alle helden,
- Zoo ras het schemerrood des avonds onder
-415 De wijkplaats van den hemel wordt verholen.
- Toen stelden mij dit voor mijn strijdgezellen [91],
- De uitmuntendste, de meest ervaren mannen,
- Dat 'k u bezoeken zou, o heerscher Hrodgar.
- Zij kenden toch de macht van mijne krachten;
-420 Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
- Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
- Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
- Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers [92]
- Bemeesterd in het midden van de baren,
-425 Benarden nood beleefd, het leed der Weders
- Gewroken (want zij duldden vele weeën),
- 't Vijandig volk vergruisd. Ik zal met Grendel,
- Den daemon, thans alleen 't geding beslechten,
- Met dezen reus [93]. U, hoofd der Helden-Denen,
-430 U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede:
- Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert,
- O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,
- Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
- Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren.
-435 Ook heb ik nog gehoord, dat deze doembre
- In zijnen waan zich niet bekreunt om wapens [94]. {10}
- 'k Versmaad nu dit, zoo waar mij gunstig weze
- In 't harte Hygelac, mijn leenheer, 't lemmer
- Of 't reuzige rondas, het goudgerande,
-440 Te voeren bij 't gevecht. Doch 'k zal hem vatten,
- Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten,
- Man tegen man. En wien de dood dan wegrukt,
- Die zal verstaan des Albestuurders oordeel [95],
- 'k Geloof, hij is verlangend, mag het lukken,
-445 De Gootenhelden in de worstelhalle
- Te vreten onbevreesd, als menig malen
- Hij met de macht gedaan heeft van de Denen.
- Gij hoeft met geene wacht mijn lijk te hoeden [96]:
- Want zoo mij zoekt de dood, hij zal me hebben
-450 Nog bont van 't bloed. {11} Het lillend overblijfsel
- Ontvoert hij ver, hij neemt zich voor te schrokken,
- De eenzame zwerver eet het blij van zinnen
- En merkt met moord de vluchtplaats in de venen.
- Gij hoeft geenszins te zorgen voor mijn lijktooi [97]; {12}
-455 Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegsleurt,
- Naar Hygelac het puike pantser henen,
- Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed;
- Het is een erfstuk Hredels, 't werk van Weland [98].
- Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot [99].»
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-460 En Hrodgar sprak, beschutter van de Schyldings
- «Tot weergeworstel hebt gij, beste Beowulf,
- Alzoo ons opgezocht, uit huldbetooning. {13}
- Uw vader vocht weleer de koenste kampen.
- Hij werd voor Headolaf bij dezes Wylfings [100]
-465 Tot wurger met de vuist. Het kroost der Weders
- Vermocht hem [101] wegens heirschrik niet te houden.
- Van daar bezocht hij 't volk der Wester-Denen,
- Der Zege-Schyldings over 't zeegeschommel.
- 'k Beval toen juist den Denenstam en jeugdig
-470 Vertoefde ik op de goudgetooide schatburg
- Der helden. Heorogar, de zoon van Healfdeen,
- Was destijds reede dood, ontlast van 't leven,
- Mijn oudste broeder. Deze was mijn betere!
- De vijandschappen zoende ik [102] sinds met schatten
-475 En zond den Wylfings langs den rug des waters
- Aloud sieraad, en Ecgtheow zwoer mij eeden.
- Het doet mij zeer in mijne ziel te zeggen
- Aan wien het zij der menschen, wat mij Grendel
- Al hoon berokkend heeft uit haatgedachten,
-480 Arglistig leed in Heorot. Mijne halschaar,
- Mijn slagtroep is geslonken. 't Noodlot sleepte
- De helden heen naar Grendels schrikverschijning [103].
- Alleen vermag gemakkelijk de Godheid
- Den stouten dooder in zijn daân te stuiten.
-485 Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
- Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
- In deze drankzaal met de grijns der degens
- Te willen wachten op den greep van Grendel.
- Dan was dees medehal bij 't morgenkrieken,
-490 De weidsche woning bloedig bont, als 't daagde,
- Met bloed de gansche bankvloer [104] overgoten,
- De hal met wapenvocht. Ik had der trouwen,
- Der dierbre mannenschaar weer des te minder,
- Die 't noodlot mij alweder had ontnomen.
-495 Doch neig u neer aan 't maal, ontvouw uw meening,
- Uw zegehoop 't gehoor, naar 't hart u aanzet.»
- Toen werd der Gooten gasten al te gader [105]
- Ras ingeruimd een rustbank in de bierzaal.
- Op deze gingen dan de geestgestaalden
-500 Zich nederzetten zij, de uitstekend stouten.
- Het ambt verrichtte een ridder, welke de aalkan [106],
- De schoongetooide, met de handen torste
- En schonk het vonklend vocht. Dan zong de zanger
- In Heorot helder. 't Was gejuich der helden,
-505 Een groote weelde zoo van Deen als Weder {14}.
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
- En Hunferd zeide toen, de zoon van Ecglaf,
- Die aan de voeten [107] zat des Schyldingvorsten,
- Het kampgeheim ontkeetnend [108]: (Beowulfs aankomst,
- Des koenen golfvaart gaf hem grooten aanstoot,
-510 Omdat hij geenszins aan een ander gunde
- Der mannen, meerder roem op aard te rapen,
- Beneên de wolken, dan hem was geworden).
- «Zijt gij die Beowulf, die met Brecca aanbond
- Den wedstrijd op de wijde zee, in 't zwemmen
-515 Met dezen streven dorst, toen boud gij beiden
- Navorschtet in den vloed en gij uit grootspraak
- Uw leven waagdet in het diepe water?
- Geen stervling was in staat, noch vriend noch vijand,
- De roekelooze reis u af te raden.
-520 Toen braakt gij beiden roeiend door de baren
- En dektet onder uwen arm de deining,
- Gij maat de zeebaan, zwaaiend met de handen,
- Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven
- De kil opklotste bij des winters branding.
-525 Op deze wijze wurmdet gij te gader
- Wel zeven nachten in 't bezit der zeeën.
- Doch gene ging in vaart u ver te boven;
- Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde
- Hem met den morgen heen ten Headoraemen [109],
-530 Van waar hij wedervond, de volksgevierde,
- Het lieve stambezit, het land der Brondings [110],
- De schoone schatburg, waar hij wapenlieden
- En goed en goud bezat. De zoon van Beanstan
- Hield tegen u geheel zijn woord in waarheid.
-535 Nochtans ik reken op geringer uitslag
- Voor u, al waart gij steeds bij alle stormen
- Bestand, bij grimmen strijd, zoo gij op Grendels
- Nabijheid waagt een nachtgewricht te wachten.»
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-540 «Voorwaar, mijn waarde Hunferd, veel gewaagdet
- Gij, dronken door het biergebras, van Brecca,
- Vertellend zijnen tocht. 'k Beweer in waarheid:
- Ik had meer zeegehardheid ik en arbeid
- In 't midden van het meer dan een der menschen.
-545 Wij kwamen 't overeen als knapen, ons verbindend,
- (Toen waren wij nog beiden jong van jaren)
- Dat wij in zee het leven zouden wagen
- En deden desgelijks. Wij hielden 't lemmer,
- Het bloote, vast, terwijl wij voorwaarts roeiden
-550 Te zaam op zee, het harde, met de handen.
- Zoo wilden wij ons vrijden van den walvisch.
- In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
- Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
- Noch wilde ik zelve mij van hem verwijdren.
-555 Zoo zwalkten wij te zamen op de zeeën
- Vijf dagen lang, totdat de vloed ons scheidde,
- De bolle golfgang bij het barste weder,
- De nacht de omhullende; uit het noorden stormde
- Kampwoedend aan de wind; de diepten woelden.
-560 Nu was gewet de drift der zeegedrochten.
- Toen schonk mijn lijf beschutting mij bescherming,
- Het handgevlochten harnas, voor den vijand;
- Het strijdkleed lag op 't lijf, het goudgestrengeld.
- Mij rukte reeds een schemerschubbig ondier
-565 Ten afgrond mee, mij klemde in zijne klauwen
- De ongure vast. Toch werd het mij gegeven,
- Dat ik het monster met het wapen wondde,
- Het staal des strijds. Het kampgeraas ontrukte
- Door mijnen arm het machtig meergevaarte.
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-570 Aldus bedrongen deze leedbelagers
- Mij dikwijls driftig. Met den goeden degen
- Onthaalde ik hen nochtans, gelijk 't betaamde.
- Zij vonden bij den buit geen vreugd de wreeden,
- Dat zij mij zouden grijpen, 't maal omzitten
-575 Nabij den zeegrond; maar zij lagen boven
- Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,
- Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen,
- Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden
- Beletten langs de barning van de baren.
-580 Van 't oosten zeeg het licht, de zegestanderd,
- De glanzende van God. De stormen stilden,
- Zoodat ik de oeverkapen kon beschouwen,
- Het windbestreken strand. Vaak strekt het noodlot
- Tot redding van d'onvoorbestemden stervling,
-585 Indien zijn sterkte deugt. Ik trof het trouwens
- Te dooden met den degen negen nikkers.
- Nooit hoorde ik onder 't wulfsel van den hemel
- Van neteliger strijd bij nacht, noch armer
- Vergeten man te midden van den meervloed.
-590 Toch borg ik 't leven uit den greep der boozen,
- Ontzenuwd door den tocht. De zeevloed tilde
- Mij met de strooming mee naar 't land der Finnen [111],
- Het wellend water. 'k Hoorde nooit verhalen
- Van uwen kant van zulke kampbestoking
-595 En zwaardontzetting; nimmer bracht ook Brecca
- Bij 't strijdvermaak tot stand, noch uwer iemand
- Zoo stout een stuk met bloedbespatte speren;
- (Niet bral ik dies [112]) ofschoon gij voor uw broeders
- De dooder wierdt en uwe hoofdverwanten [113] {15}.
-600 Gij zult om deze zaak verdoemnis dulden
- Ter helle, hoe gevat uw brein ook blijke.
- O Ecglafs zoon, dit zeg ik u in waarheid:
- Meer gruwlen had de snoode daemon Grendel,
- Meer hoon uw heerscher [114] niet verwekt in Heorot,
-605 Indien uw denkkracht was geweest, uw inborst,
- Zoo oorlogszuchtig als gij uitbazuindet.
- Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,
- Den onbesuisden lansstorm uwer lieden
- Niet zeer te duchten heeft, der Zege-Schyldings [115].
-610 Hij neemt zijn noodpand [116] mede, niemand spaart hij
- Der Denenliên en woedt naar hartelusten;
- Hij doodt en zwelgt en ducht geen wraak der Denen.
- Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en koenheid
- In 't strijden staan. Dan keere wie het kunne
-615 Weer moedig tot de meê, als 't morgengloren [117]
- Des nieuwen dags op 't menschdom nederblikkert,
- De glansomgorde zon van uit het zuiden!»
- Nu was der schatten schenker vol van vreugde
- Hij, grijsgelokt en kampvermaard. De koning
-620 Der Helden-Denen had het hoogst vertrouwen
- In hunne hulp. Hij hoorde toch aan Beowulf
- De volkenherder 't vastbesloten streven.
- Nu schaterde de schaar, de tonen schalden,
- De woorden waren lief. Dan Wealchtheow naakte
-625 Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig.
- Zij groette, goudgekleed, de hallegasten;
- Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer
- De hooggeboren vrouwe toe den beker.
- Zij bad hem blij te wezen bij den bierdronk,
-630 En voor de lieden lief. Met lust aanvaardde
- De zegerijke vorst en maal en zaalkroes [118].
- Nu ging in 't rond de koningin der Helmings [119],
- Gaf ieder, hoog en nedrig [120], keurkleinooden,
- Totdat de beurt zich bood [121], dat zij den beker
-635 De ringomstraalde vrouw, de hooggestemde,
- Aan Beowulf gaf. Den vorst der Gooten groette
- Zij dan en dankte God met wijze woorden,
- Dat nu haar wensch bewaarheid was geworden:
- Der rampen redding van een held te hopen.
-640 Den beker kreeg de kampvermeetle krijger
- Van Wealchtheow, rijmde dan, gereed ten strijde,
- En sprak de woorden, hij de spruit van Ecgtheow:
- «Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,
- De kiel beklom met mijnen drom van dappren.
-645 Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,
- Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.
- Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,
- Of in de hal mijn laatsten dag beleven.»
- Der edelvrouw gevielen wel die woorden,
-650 Die taal, zoo tartend, van den vorst der Gooten.
- De goudgehulde, hooge volksvorstinne
- Ging naast haar echtgenoot [122] zich nedervlijen.
- Nu werd alweder in de hal geheven
- Zoo menig moedig woord. 't Gevolg was vroolijk.
-655 Het was geschetter van de zegescharen,
- Totdat opeens de hooge zoon van Healfdeen
- Voornemens was, de nachtrust op te zoeken.
- Hij wist, dat strijd bestoken was aan 't monster
- Ter hooge zaal, nadat zij 't licht der zonne
-660 Niet meer bemerken konden, nu het nachtfloers
- En schaduwschepsels kwamen aangeschreden,
- De duistere, vanonder 't wolkendeksel.
- Nu rees de riddergroep. Met spreuken groette
- Een held den andren, Hrodgar Beowulf, wenschte
-665 Hem zege toe, 't bezit der zaal [123], en uitte
- De woorden: «Sinds ik hand en schild kan heffen,
- Vertrouwde ik vroeger toe der Denen troonzaal
- Aan geen der helden, buiten u voor heden.
- Aanvaard en handhaaf 't heerlijkst aller huizen,
-670 Gedenk uw roemdaân, spreid uw reuzenkrachten
- Ten toon en waak nu tegen dezen woestaard.
- Niet zal u mangel zijn aan 't wenschenswaarde,
- Zoo gij bestaat de lofdaad met het leven [124].»
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
- Nu stapte met den stoet van helden Hrodgar,
-675 De schuts der Schyldings, uit den bouw naar buiten.
- De strijdbestuurder wilde Wealchtheow zoeken,
- De ga, tot nachtgenoot. De Heer der heerschers,
- Gelijk de lieden hoorden, had aan Grendel
- Gesteld een stedehoeder: Hij vervulde
-680 Zijn dienst in dezen om den Denenkoning
- En hij beriep den reus een wachter [125] [126]. Waarlijk
- Hij bouwde vast, de voerder van de Gooten,
- Op koene kracht en op de gunst der Godheid.
- Hij deed alsdan zich af het stalen strijdhemd,
-685 Den helm van 't hoofd; hij gaf den gulden degen,
- Der klingen keur, een zijner dienstgezellen
- En zei hem, op het wapentuig te waken.
- De dappre hield alsdan een trotsche toespraak,
- Der Gooten Beowulf, eer hij zeeg te bedde:
-690 [127]«Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder
- Voor 't wapenwerk dan Grendel waant te wezen.
- Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,
- Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.
- Hij kent de kampgewoonte niet van weder
-695 Te schenken eenen slag, het schild te beuken [128],
- Al is hij wijdberucht door wapenfeiten.
- Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,
- Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen.
- De wijze Godheid zal daarop de zege
-700 Verbinden aan de hand van een van beiden,
- De heilge Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt.»
- De kampvermeetle neigde zich dan neder,
- De peul ontving het voorhoofd van den ridder.
- Wel menig moedig zeeheld liet op 't leger
-705 Zich naast hem neder. Niemand hunner hoopte,
- Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten
- Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen.
- Zij wisten toch, dat vroeger in de wijnzaal
- Een nare doodstrijd al te veel genooten
-710 Der Denen had gehaald. Nu schonk de Schepper
- Het weefsel van het wapenheil [129] den Weders
- En stut en steun; zoodat zij door de spierkracht
- Des eenen op den vijand zegevierden,
- Door zijne zelfde kracht. 't Is waar verkondigd [130],
-715 Dat steeds een machtig God bestuurt het menschdom.
- Nu schreed de nachtgeest nader door het duister.
- De schutters, die de hoornzaal moesten hoeden,
- Zij sliepen allen, uitgenomen eenen;
- (Den menschen werd bekend dat hen de wurger
-720 Niet zenden zou ten schimmen, daar de Schepper
- Het geenszins wilde) want tot grim des gruwbren
- Verbeidde Beowulf, in de ziel verbolgen,
- Terwijl hij wakker was, het pleit der worsteling {16}.
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
- Van 't moer begaf uit mistomgeven klippen
-725 Zich Grendel thans. Hij droeg den toorn der Godheid.
- De dooder meende van het volk der mannen
- Er veel te omstrikken in de steile halle.
- Daar sloop hij henen onder 't wolkenhulsel,
- Tot waar hij zeker wist, dat stond de wijnzaal,
-730 Der Gooten goudwoon [131] blinkend van het bladgoud.
- Het was niet de eerste wijl, dat hij de woonstee
- Van Hrodgar had bezocht. Doch nooit of nimmer
- Ontmoette die in zijne levensdagen
- Een weerbrer held en wachters van de woning.
-735 Nu was het wezen, vreemd aan alle vreugde,
- Tot bij den bouw gegaan en open gierde
- Aanstonds de deur, gestut door ijzren staven,
- Zoodra hij haar beroerde met de handen.
- De wrevelzieke, woedend was hij, wrikte
-740 Der halle monding [132] los en haastig stapte
- De vijand langs den bontgeverfden bodem
- En ging al grijnzend voort. Gelijk aan vlammen
- Schoot onheilspellend uit zijn oog een schemer.
- Daar zag hij menig man in slaap gezonken,
-745 Te zamen in de zaal de zwaardgenooten,
- Den heldenhoop. Toen lachte daar zijn harte.
- Hij dacht te scheiden, eer het daglicht daagde,
- De dolle dooder, ieders lijf van 't leven,
- Nu hem de hoop verscheen op rijklijk schrokken.
-750 Nochtans gehengde hem het lot niet langer,
- Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen [133].
- Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac,
- Op welke wijze deze wanbedrijver
- Voortwoeden wou bij de onverwachte grepen.
-755 Niet dat het monster dacht te dralen. Eensklaps
- Ontrukt hij de eerste reis een slapend ridder,
- Verscheurt hem schielijk, breekt de beengeleding,
- Slurpt beken bloed en halst met rustloos rijten. [134]
- Zoo had hij zonder dralen doorgezwolgen
-760 Den levenlooze heel met hand en voeten [135].
- Hij rukte naderbij en greep op 't rustbed
- Met handen naar den hooggestemden strijdheld [136].
- De vijand voer hem tegen met de vuisten,
- Ontving hem snel, den valschgezinde, en stutte [137]
-765 Zich op den arm. De moordbeschutter merkte
- Fluks, dat hij nooit ontmoette op 't ondermaansche,
- Op 's aardrijks schoot, bij eenig ander sterveling
- Een vaster vuistgreep. 't Werd hem bang in 't binnenst,
- In 't hart. Niet kon hij des te sneller henen.
-770 Zijn inzicht was ter vlucht, hij wilde wijken
- Naar zijne krocht, der duivels drijven [138] zoeken.
- Niet boden zich alhier de bezigheden,
- Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. [139] [140]
- De wakkre neef van Hygelac geheugde
-775 Zich toen de toespraak van den eigen avond.
- Hij rees dan recht in zijne gansche grootte,
- Omving hem vast. De vingers borsten open.
- Naar buiten wou de reus; hij rukte verder;
- Hij dacht, de moordberuchte, mocht het lukken,
-780 Zich weg te maken, wijder voort te vlieden
- Naar 't moordhol; maar hij wist: in 's vijands vuisten
- Bevond zich heel 't beheer van zijne vingers. [141]
- Die tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot
- De weebewerker. Heel de halle dreunde.
-785 Den Denen al gewerd, den burgbewoners [142],
- Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting [143].
- Zij waren wild de beide reuzenwachters.
- De woning schudde. 't Was een groote wonder,
- Dat wederstond de bouw den strijdverwoeden,
-790 En niet ter neder zonk de zalige aardwoon.
- Doch stevig stond zij, kunstig vastgeklonken
- Met banden staal van binnen en van buiten.
- Wel menig meebank [144], (volgens mijn ervaren)
- Met goud omgeven, stortte van haar steunsel,
-795 Alwaar de woesten streden. Hierop hadden
- De raden eer der Schyldings niet gerekend,
- Dat ooit der mannen een door krachtvermogen
- De weidsche, met gewei getooide woning
- Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;
-800 Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen [145]
- In rook. Nu rees een nooit vernomen noodkreet,
- En gruwbre ontzetting greep te gaâr de Denen,
- Die van den wal het hulpgejammer hoorden,
- Het angstlied stemmen door Gods tegenstander,
-805 Den zegeloozen zang, het wee beweenen
- Door deze helleprooi. Hem hield te stevig
- Hij, die der mannen machtigst was ter wereld.
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
- De schuts der scharen wilde op geene wijze
- Den doodsbedreiger in het leven laten,
-810 Hem docht zijn levensdag aan niemand nuttig.
- Toen zwaaide 't erfzwaard menig makker Beowulfs;
- Zij wilden 't hoofd vrijwaren van den heerscher [146],
- Den wijdvermaarden meester, naar vermogen.
- Zij wisten niet, terwijl zij slagen sloegen,
-815 De strijdontstoken kampers, dezen dachten
- Te houwen halverwijs, de ziel te zoeken,
- Dat noch het beste staal, noch oorlogsbijlen
- Op 't wereldrond den woestaard wilden deren.
- Hij had bezworen al de zegezwaarden
-820 En elk geweer. Toch zou armzalig wezen
- Het einde zijns bestaans op deze stonde,
- In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. [147]
- Hij ondervond, die vaak met hartevreugde
- Zijn moed weleer aan 't kroost der menschen koelde,
-825 (Hij toornde tegen God) dat langer 't lichaam
- Niet wilde volgen, want de dappre dienstmaag
- Van Hygelac omknelde hem de handen.
- Zoolang de een leefde, was 't den andre leedvol.
- 't Verwaten wezen vond er leed des lichaams;
-830 Ten schouder werd de onheelbre wonde schouwbaar,
- De zenuw zwichtte, 't beengetimmert barstte;
- Aan Beowulf bleef de zege. Grendel zoude
- Van daar ten dood gewond ter veenklip vlieden
- En zoeken zijne weeldelooze woning [148].
-835 Hij wist te wel: zijn einde was genaderd,
- Des daarzijns dagental. Nu was den Denen
- Verwezenlijkt de wensch na 't wapenwoeden.
- Hij, die te voren landde van zoo verre,
- Had kloek en koengezind de zaal van Hrodgar
-840 Gereinigd, voor den overval beveiligd.
- Hij smaakte nu genot in 't nachtlijk waagstuk,
- In 't heldenfeit. Nu had de Gootenheerscher
- Zijn stoute taal gestand gedaan den Denen
- En ook gelenigd alle leed en kampzorg,
-845 Voorheen door hen beleefd, uit drang gedragen;
- Geen kleine kwaal. Dit was toch klaar een teeken,
- Toen voor de ruime deur de strijdgeduchte
- De hand geslingerd had met arm en schouder. {17}
- Daar lag te hoop de heele greep van Grendel.
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-850 En met den morgen schoolden om de schenkzaal
- Veel strijders samen, volgens mijn ervaren [149].
- Volksvoerders togen heen van heinde en verre
- Langs verre wegen om te zien het wonder,
- Des vijands voetspoor [150]. Niemand van de helden
-855 Scheen leedvol toe de slaking van zijn leven,
- Die gadesloeg den gang des roemberoofden,
- Hoe deze, doodvermoeid, van daar ontduikend,
- Gekortwiekt door den kamp, naar 't meer der nikkers
- Voortvluchtig, veeg, zijn stervenssporen strooide.
-860 Daar was met aderbloed het wellend water,
- De gruwbre dans der golven gansch gemengeld
- Met rookend bloed; daar zwalpte van het zwaardbloed
- Het moordgepurperd meer, nadat hij 't leven,
- Der vreugde vreemd, had afgelegd in 't veenoord,
-865 [151]De heidenziele, waar de hel hem opnam. {18}
- Van hier begaven zich de grijze helden
- En menig jonge man, na 't vroolijk mennen,
- Kloekmoedig van het meer terug op rossen,
- De krijgers op hun appelgrauwe kleppers.
-870 Verbreid werd Beowulfs faam. Vaak tuigden velen,
- Dat zuid- noch noordwaarts tusschen tweelingzeeën [152],
- Op 't wereldrond, beneên 't bereik der wolken,
- Een ander hooger was der schildverheffers
- En waardiger 't bewind. Voorwaar, niet laakten
-875 Zij hunnen heer en vriend, den milden Hrodgar;
- Daar 't was een duchtig vorst [153]. Bij wijlen lieten
- De helden hunne vale rossen rennen
- Ten wedstrijd, waar hun schoon de paden schenen
- En puik beproefd. Dan vond een held des vorsten,
-880 Een strijder stoutbespraakt, de spreuk indachtig,
- Wien heel een schat aloude sagen heugde [154],
- Naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden. {19}
- Dan weer begon de borst het waagstuk Beowulfs
- Kunstvaardig voor te dragen en gevoeglijk
-885 De welgekozen spreuken uit te spinnen,
- Met woorden wisselend. Elk liet nu weten [155], {20}
- Alwat hij van de wapenfeiten Sigmunds
- Had hooren konden, veel van 't onbekende,
- Den kamp des Walsings [156], zijne wijde vaarten,
-890 Zijn veete met zijn vijandschap, van welke
- De menschenkindren gansch onkundig waren,
- Behalve Fitela [157] alleen, zijn helper;
- Indien hij zulks gewillig was te zeggen,
- Als oom aan neef, naardien zij toch voortdurend
-895 Bij elke veete wapenmagen waren.
- Zij hadden velen van het rot der reuzen [158]
- Verpletterd met den degen. Na zijn doodsdag
- Verrees een niet geringe roem voor Sigmund,
- Toen hij, de weerbre bij het slaggeworstel,
-900 Den vuurdraak [159] had geveld, der schatten hoeder.
- Van onder eene grijze rots verrichtte
- De koningsspruit alleen de stoute lofdaad.
- Niet was er Fitela. Nochtans het lukte
- Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,
-905 Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand.
- Geweldig was het sneven van den vuurdraak.
- Krachtdadig had de wapenheld verkregen,
- Naar eigen wil den ringschat aan te wenden.
- Hij laadde een zeeboot. Walses zoon vervoerde
-910 Klinkklare schatten op den schoot des vaartuigs,
- Terwijl de reuzenworm, de heete, wegsmolt.
- Ja, deze was wel verreweg bij 't menschdom
- De meest vermaarde held, de schuts der mannen
- Door wapendaân, (hij wies daarom in luister)
-915 Sinds Heremodes kampzin was verminderd,
- Zijn macht en heldendeugd. {21} In 's vijands handen
- Bij 't reuzendom [160] werd Sigmund sinds verraden [161],
- Verdreven dra. Hem had de drang der zorgen
- Te lang verlamd: hij werd voor zijne lieden,
-920 Zijn eedle kampers al tot levenskommer [162]. {22}
- Zoo ook betreurde vaak in vroeger tijden
- Wel menig schrander man 't vertrek des koenen [163],
- Die hulp der kwalen had verwacht bij Heermod,
- Dat deze vorstentelg in eer zou vordren,
-925 Ontvangen 's vaders adel, 't volk besturen,
- Den schat en heerschersburg, het rijk der helden,
- Der Schyldings stamgebied. [164]--De bloedvriend Hyglacs [165]
- Verstrekte heel den heldenstam, den vrienden,
- Tot vreugde; boosheid viel te beurt aan gene [166].
-930 Wedrennend maten zij temet op rossen
- De bonte baan. Gevorderd, voortgeschreden
- Was 't morgenlicht [167]. Wel menig leenman richtte
- Zich toen kloekhartig naar de hooge halle,
- Het wonderfeit [168] te zien. De koning zelve
-935 Verliet nu insgelijks 't vertrek der gade,
- De hoeder van den schat, de luistervaste,
- Bekend door kundigheên, met grooten heirstoet;
- En langs den medeweg [169] begaf zich mede
- Zijn echtgenoote met den sleep van maagden.
-
-
-
-
-
-XV
-
-
-940 En Hrodgar zei: (hij was ter hal gewandeld,
- Stond op de stoep [170] en staarde naar de steile
- Goudhelle deur en naar de hand van Grendel) {23}
- «Nu dra gedankt den schepper voor dit schouwspel,
- 'k Beleefde talloos leed en hinderlagen
-945 Door Grendel. God, der heerlijkheden hoeder,
- Bewerken kan Hij wonder boven wonder. [171]
- Nog onlangs was 't, dat ik van geen der weeën
- Nog hulp verhoopte voor het later leven,
- Toen bloedigbont daar stond en zwaardbezoedeld
-950 Het heerlijkst huis. De ramp had alle raden
- Verdreven wijd en zijd, die waanden geenszins
- Der lieden burcht in later tijd te schutten
- Voor vijandschap, voor schaduwgeest en schimmen.
- Nu heeft een held volvoerd door 's hemels voeging
-955 Een waagstuk, welk voorheen niet een der onzen
- Bewerkte door beleid. Voorwaar, de vrouwe,
- Wie zij ook zij [172], die dezen zoon eens baarde
- Te midden van het menschdom, mag wel zeggen,
- Mits deze leeft, dat bij des kinds geboorte
-960 Haar gunstig is geweest de aloude Godheid.
- Nu wil ik u, mijn Beowulf, waardste ridder,
- Gelijk een zoon in mijne ziel beminnen.
- Bewaar toch wel voortaan uw tweede maagschap;
- Niet zal u mangel zijn aan een der schatten
-965 Ter wereld, over welke ik kan bevelen.
- Ik deelde dikwerf loon voor minder daden,
- Sieraden rond aan een geringer kamper,
- Een trager tot den krijg. Gij hebt verkregen
- Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
-970 Altoos voor later tijd. Met goed begeve
- U de Albeheerscher, als hij deed tot heden.»
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «Dit heldenwerk volbrachten wij, die worstling
- Volgaarne en tartten boud de kracht des boozen;
-975 Ik wenschte zeer, gij hadt gezien den vijand
- In zijnen tooi [173], tot stervens toe ontzenuwd.
- Ik dacht hem dra met vaste vuist te boeien
- Op 't bed des doods, zoodat hij door mijn handgreep
- Doodmoede zwichten moest, tenzij zijn lichaam
-980 Ontkwam. Ik kon hem, daar het God niet gunde,
- Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
- Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand;
- Te snel was de onverlaat in 't henenloopen.
- Toch liet hij hier de hand tot levensredding
-985 Getuigen zijnen tocht, en arm en schouder.
- Geen troost nochtans erlangde 't ellendig wezen.
- Niet langer leeft hij meer de leedbesteller,
- Door schuld benard; hem heeft met norsche grepen
- Eng pijn omklemd in doodelijke kluisters.
-990 Ontbeiden zal de man, belaân met misdaân,
- De groote dagvaart [174] daar, op welke wijze
- De stralende Albestuurder hem zal straffen.»
- Dan zwijgzaam was de zoon van Ecglaf, Unferd,
- Met woordenpraal op eigen wapenfeiten,
-995 Nadat de ridders, dank de kracht des vorsten,
- Daar voor de hooge deur de hand bestaarden,
- Des vijands vingers, ieder voor zich zelven.
- Met staal was ieder van de sterke nagels
- Te vergelijken {24}, de handspoor van den heiden,
-1000 De ontzetbre klauwen van den kampgezinde.
- Elk zeide: geen zoo goedbewezen wapen
- Der dappren kon hem deren, noch den daemon
- De roodbebloede worstelrechte schenden.
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
- Bevolen werd, inwendig Heort met handen
-1005 Te smukken onverwijld. Er was een menigt
- Van mannen daar en maagden, die de wijnzaal
- Versierden, 't gastverblijf. Goudblikkrend blonken
- De weefsels [175] langs den wand, een wonder schouwspel
- Voor alle strijders, welke zulks bestaren.
-1010 Het weidsch gebouw, geheel met ijzren bouten
- Bevestigd, was van binnen zeer gebarsten.
- De harren waren stuk. Slechts hield van 't heele
- Nog ongedeerd het dak, nadat de booswicht,
- Ter dood verwezen door zijn wanbedrijven,
-1015 De vlucht gezocht had zonder hoop op leven.
- Dit [176] valt niet licht te ontvluchten, (laat het iemand
- Verrichten, wie het wil) hij zal bereiken
- Door nood genoopt de vastgestelde stede
- Voor al 't bezielde, voor de menschenzonen,
-1020 De landbewoners, zelfs alwaar zijn lichaam [177],
- Geboeid op 't legerbed na feestgelagen,
- Is ingedommeld [178] {25}.--'t Was alsdan de dagstond [179],
- Dat naar de hal de zoon van Healfdeen heentoog.
- Voornemens was de vorst het maal te nutten.
-1025 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,
- Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer.
- Ter rustbank negen toen de roembezitters,
- (Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd
- Hun hart ophaalden, menig medebeker
-1030 Ontvingen hoffelijk) Hrodgar en Hrodulf [180],
- De sterkgezinden, in de steile woning.
- Met vrienden was vervuld de hal [181]; nog hadden
- De Denen geen beruchte daân berokkend.
- Healfdeens geboorne gaf alsdan aan Beowulf
-1035 Een gulden legervaan tot loon der zege,
- Een standaard, goudgestikt, met eene handvat,
- En helm en harnas. Menigeen bemerkte,
- Hoe vóór den vorst [182] een prachtvermaarde pronkzwaard
- Werd aangebracht. En Beowulf greep den beker
-1040 Ter halle vast. Hij had zich voor de schutters
- Der schatgift niet te schamen. Nooit vernam ik,
- Dat bij de bierbank menig man den andren
- Vier gaven guller schonk, voorzien met goudwerk.
- Rondom het helmdek had de hoofdbeschutting,
-1045 Met kronkeldraad omkruist, uitwendig knoppen,
- Opdat hem koen de blankgevijlde klingen,
- De kampgeharde, nimmer konden deren,
- Wanneer de schildheld naar den vijand optrok.
- Der ridders heul beval een achttal rossen [183],
-1050 Met goud gebreideld, voor de woon te brengen
- Tot in de zaal. Een dezer dekte een zadel
- Van kunstig werk, versierd met kostkleinooden.
- Dit was het kampzaal van den hoogen koning,
- Als Healfdeens zoon het zwaardspel wilde zoeken.
-1055 Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,
- Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden.
- Beschikking schonk daarop der Denen [184] schutsheer
- Aan Beowulf over beide, ros en rusting,
- En bracht hem toe den wensch, ze wel te bruiken.
-1060 Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen
- Het kampgeraas de wijdberoemde koning,
- De schatheer van den stam; gelijk geen sterveling,
- Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen.
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
- De heer der helden gaf aan elk dergenen,
-1065 Die stevenden met Beowulf langs den stroomweg,
- Ter meebank kostbaarheden met een erfzwaard.
- Hij zei, men zou met goud den man [185] vergelden,
- Dien Grendel eer zoo gruwzaam had verslonden;
- Gelijk hij had bestemd aan velen hunner,
-1070 Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid
- Met Wyrd [186] en moed des mans. De Heer behoedde
- Het heele menschdom, als hij doet tot heden.
- Daarom zal overal die overtuiging
- Het beste zijn, dit overleg van 't binnenst.
-1075 Die lang hier 't leven smaakt zal veel bevinden,
- Veel lief en leed in deze worsteldagen. [187] [188]
- Nu werd er veel gezang en spel te zamen
- Vereenigd over Hnäf [189], den heervoogd Healfdeens; {26}
- Nu werd de harp gegroet, het hout der vreugde,
-1080 De spreuk ontsponnen. 't Was nu halleweelde. {27}
- Langsheen de medezetels zou de zanger
- Van Hrodgar [190] zingen over Finnes zonen [191],
- Ten tijde toen hen overrompling [192] aangreep:
- «Der Schyldings Hnäf, Half-Denen [193] held, moest sneven
-1085 Op 't Friezenveld [194]. Voorwaar, niet hoefde Hildburg [195]
- Te loven Eotentrouw [196], der lieve loten
- En broeders [197] schuldeloos beroofd bij 't schildspel;
- Zij stortten, speerdoornageld, in hun noodlot.
- Het was een droeve vrouw! Met recht beweende
-1090 Zij, Hokes dochter, toen de morgen daagde [198],
- Des Hemels schikking, nu zij kon beschouwen
- Bij 't helder hemellicht den moord der magen,
- In wie zij vroeger vond de hoogste weelde.
- 't Gevecht, op weinig na, had weggenomen
-1095 De helden Fins, zoodat hij op de dingplaats [199]
- Niets hoegenaamd op Hengest [200] kon bevechten,
- Noch met geweld de armzaalge rest der zijnen
- Beschutten voor den veldheer van den koning [201] {28}.
- Zij [202] boden dus verdragen aan. Den Denen
-1100 Ontruimden zij geheel een tweede halle,
- Een zaal en zetelwoon; zoodat de Denen
- Het half gezag bezitten zouden tegen
- Der Eoten kroost, en Fin, de zoon van Folcwald,
- Bij 't geldbedeelen elken dag de Denen
-1105 Beschonk en Hengest' schaar onthaalde op ringen
- Zoo gul, op kostbaar goed van goud, als wilde [203]
- Hij 't Friezenvolk aanvuren in de drinkzaal.
- Zij sloten beiderzijds het vaste bondschap,
- En hecht, onwrikbaar zwoer het Fin aan Hengest,
-1110 Dat hij de resten van de ramp [204] in eere
- Zou houden volgens 't oordeel van de raden [205];
- Dat hunner [206] niemand noch door woord noch werken
- Het bond ooit breken zou, door arglist letten,
- Ofschoon zij vorstenloos den dooder volgden
-1115 Huns ringuitdeelers, daar de nood hen noopte. [207]
- Indien der Friezen een de vroegre veete
- Gedenken mocht door overmoedig spreken,
- Dan zou de snede van het zwaard het straffen.
- Dan afgelegd was de eed, ontleend der schatkist
-1120 Het glanzend goud [208]. De koenste wapenkrijger [209]
- Der Leger-Schyldings lag gereed ter vuurmijt.
- Op dezen stapel was zeer wel te ontwaren
- Het bloedbesmeurde harnas met een helmzwijn,
- Geheel van goud, een ever hard als ijzer, [210]
-1125 En menig eedle weggerukt door wonden.
- Er waren velen in den kamp gevallen!
- Dan Hildeburg beval op 's broeders brandmijt [211]
- Te leveren aan de laai haar eigen zonen, {29}
- Te branden 't beenderstel, op 't vuur te brengen.
-1130 De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder [212]
- In klaaggezang. De held werd recht geheven.
- De breede lijkbrand wond zich tot de wolken,
- Opbruisend voor den heuvel [213]. Hunne hoofden
- Zij slonken weg; de mond der wonden barstte,
-1135 Het bloed ontsprong de letsels van het lichaam;
- De vlam verzwolg hen gansch, der geesten vratigst
- Hen allen, die de strijd uit beide stammen [214]
- Had weggesleept. Zoo was hun vaag gevloden.
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
- De strijdschaar ging, verstoken van de vrienden,
-1140 De woon bezoeken, Friesland weer begroeten,
- De huizen met den heerschersburcht [215] {30}. Dan Hengest
- Verwijlde noch dien bloeddoorweekten winter
- In alles een [216] bij Finn, het heim geheugend.
- Toch was hij niet in staat in zee te sturen
-1145 Den staalomwonden steven, 't Water bruiste
- Door stormen op, het worstelde met winden.
- De winter sloot het water in de ijsboei,
- Totdat een ander jaar alweder daagde
- In hunne woon, het heerlijk heldre weder,
-1150 Dat immer volgt, als nu, zijn vaste beurten. {31}
- Zoo was het wintertij alweer verstreken;
- Der aarde schoot was schoon. De strijder streefde,
- De gast, te ontwijken deze woon, doch haakte
- Naar moordvergelding meer dan naar de zeereis,
-1155 Of hij verkrijgen kon een toornig treffen,
- Om daar het Friezenzaad te zijn gedachtig. [217]
- Dus weigerde hij niet de wapenlieden, {32}
- Als Hun de kampvlam Lafing nederlegde
- Op zijnen schoot, 't onschatbaarst aller wapens;
-1160 Want bij de Friezen was bekend het krijgstuig. [218] {33}
- Als Hnäf, zoo greep nu Fin, den fiergezinden,
- De wilde wapendood in zijne woning,
- Nadat Gudlaf en Oslaf [219], na de golfvaart [220],
- Den ruwen storm op Hnäf eerst rouwvol hadden
-1165 Verkond, verweten hunne harde weeën.
- Hun rusteloos gemoed was niet bij machte
- Zich in te houden [221] {34}. Bloedig was de halle
- Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,
- Verslagen in het midden zijner manschap,
-1170 En heengevoerd de koninginne Hildburg {35}.
- De Deensche schutters droegen naar de schepen
- Geheel de have van den landbeheerscher,
- Alwat ze in Finnes woning konden vinden
- Aan smuk, aan smaakvol ingezet gesmijde.
-1175 Zij leidden de edelvrouwe [222] langs den zeeweg
- Tot bij de Denen, naar de stamgenooten.»
- Gezongen was het lied, de zang des dichters.
- Weer rees geruisch, het bankgeschater schalde,
- De schenkers schonken wijn uit wonder vaatwerk.
-1180 Nu kwam gegaan met gouden hoofdwrong Wealchtheow,
- Waar oom en broederzoon [223], de dappren, zaten.
- De bloedverwantschap was nog eenig [224], beiden
- Elkander hou en trouw. Ook zat er Hunferd,
- De spreker, aan den voet des Schyldingvorsten.
-1185 Zij waren zeker van zijn zin, dat deze
- Veel moed bezat, ofschoon hij niet rechtschapen
- Met zijne broeders was geweest in 't wapen. [225]
- En Wealchtheow nam het woord, vorstin der Schyldings:
- «Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
-1190 O, Goudbegever. Wees nu wel te moede
- O, Schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
- Met milden mond. Zoo moet een krijgsman handelen.
- Wees voor uw Gooten goed, de gift gedachtig.
- Ja, heinde en verre hebt gij nu den vrede.
-1195 Men zegde mij, dat gij tot zoon verlangdet
- Den held [226] te hebben. Thans is Heort gereinigd,
- De weidsche ringzaal. Spil nu veel juweelen,
- Zoolang gij zulks vermoogt; doch laat uw zonen [227]
- Het land met luiden na, wanneer gij henen
-1200 Zult zijn gegaan, des Scheppers glans te schouwen. [228]
- Ik ken mijn heuschen Hrodulf, die de knapen
- Waardeeren zal, indien gij, scherm der Schyldings,
- Het leven eer dan hij verlaat. [229] Ik hope,
- Dat hij met goed vergelden zal ons zonen,
-1205 Indien hij 't al gedenkt, de vroeger diensten,
- Die wij hem, zijnde nog een wicht, bewezen
- Naar wensch en eere.» Thans begaf zich Wealchtheow
- Ter zitplaats heen, waar zaten hare zonen,
- Hredric en Hrodmund, met de heldentelgen,
-1210 De strijdjeugd saam. Daar [230] zetelde ook de stoute,
- Der Gooten Beowulf, bij de twee gebroeders.
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-
- Een beker werd hem nu gereikt, met woorden
- Hem toegebracht de heusche bee te drinken,
- Ringvormig goud werd huldevol geboden,
-1215 Armtooisels twee en ring en rusting, 't grootste
- Der halssieraân, waarvan ik hoorde op aarde.
- Nooit hoorde ik van een held zoo heilvol onder
- Het hemellicht door schatten, sedert Hama [231]
- Naar zijnen hoogen burg den Brosinghalsband [232]
-1220 (Den kostbren schat) met dezes schrijn ontvoerde. [233]
- Hij nam de vlucht voor Ermenrics vervolging [234]
- En koos zich 't eeuwig heil [235].--Der Gooten Hyglac
- Was in 't bezit des rings [236] de laatste reize.
- De kleinzoon Swertings [237], toen, den schat beschuttend,
-1225 Hij voor den slagbuit [238] streed bij zijnen standerd.
- Toen rukte Wyrd hem weg [239], terwijl hij moedig
- Het wee doorstond, de worstling met de Friezen.
- Den smuk, de kostbre steenen, had de koning
- Toen meegebracht langsheen der baren beker.
-1230 Daar viel hij onder 't schild. Het lijk des vorsten
- Geraakte in Frankenhand [240] met ring en borstkleed;
- Want na beslechting van den slag beroofden
- Er slechter kampvermeetlen [241] de verslagenen;
- De Gootenlieden bleven op de lijkstee.--
-1235 Zij nam het halskleinood {36} en Wealchtheow zeide
- En voor de volkschaar sprak zij: «Beste Beowulf
- Gebruik met heil, o jonge held, dien halsring;
- Aanvaard dit harnas, deze kostbaarheden.
- Gedij ter dege. Word bekend door krachten
-1240 En wees mijn zoon ook [242] welgezind door lessen.
- Ik wil daarom uw loon gedachtig wezen.
- Gij hebt bewerkt, dat heinde en ver de helden
- U steeds, zoover haar windomwaaide stranden
- De zee bespoelen zal, u zullen achten.
-1245 o, Wees, zoolang gij leeft, een rijke ridder.
- Ik gun u dezen goudschat. Wees door daden
- Mijn zonen vriendelijk, gij vreugderijke.
- Elk krijger hier is heel verknocht den andren
- En mild van zin, den mannenheer gehoorzaam.
-1250 Wilvaardig zijn de helden, 't volk is volgzaam.
- Ik bid u, blijft zoo handlen [243], drankverheugden {37}.»
- Vervolgens richtte zij zich naar den zetel.
- Het maal was keurig. Wijn de mannen dronken.
- Zij wisten van geen Wyrd, geen nare noodlot,
-1255 Gelijk het moest vergaan met menig edele [244],
- Nadat verschenen was de schemeravond,
- En Hrodgar heenging naar zijn hof, de hooge,
- Naar zijne rust. Een reuzig tal van ridders [245]
- Behoedde weer, als vroeger [246] vaak, de halle.
-1260 Den bankvloer ruimden ze op [247]. Hij werd in 't ronde
- Geheel bedekt met bedden en met bolsters.
- Reeds vlijde zich een schenker [248] op het vloerbed,
- Den dood vervallen, veeg {38}. Het strijdschild stelden
- Zij aan het hoofd, het schitterende schildhout.
-1265 Daar op de bank was boven de edellieden {39}
- De hooge helm te zien, 't gevlochten harnas,
- 't Geweldig krachthout. 't Waren hun gewoonten
- Van steeds ten strijde kant en klaar te wezen,
- In 't heir en thuis en tevens op elk tijdstip,
-1270 Wanneer de nooddwang voor den volksbeheerscher
- Zich op mocht werpen. [249] 't Was een wakkre schare.
-
-
-
-
-
-XX.
-
-
- Nu zegen zij ten slaap. Met wee bezuurde
- Er één [250] zijn avondrust; als 't menig reize
- Vergaan was, sedert Grendel hunne goudwoon
-1275 Bezette, wrevel zocht, totdat het einde
- Was opgedaagd, de dood na de euveldaden.
- Dit werd bemerkbaar, wijdbekend voor 't menschdom,
- Dat nog een wreker [251] leefde na den vijand,
- Nog langen tijd na 't kommervolle kampen. [252] {40}
-1280 Nu was 't daemonisch wijf, de moeder Grendels,
- Gedachtig zijnen dood, zij, welke de ijzing
- Der kolk [253], den kouden waterschoot bewoonde;
- Sinds Kaïn werd den broeder door het wapen
- Tot moordenaar, den zoon eens zelfden vaders.
-1285 Toen vlood hij vredeloos, door bloed gebrandmerkt,
- De wereldweelde en trok in wildernissen.
- Hier werden uit verwekt de ongure geesten.
- Van hen was Grendel één, de hatelijke,
- De zwaardgedoemde, die den man ontmoette,
-1290 Den wrekenden, in Heort, de worstling wachtend,
- Waar 't monster met hem handgemeen zou worden.
- Doch die [254] gedacht de veerkracht van zijn spieren,
- De reuzengift, die God hem had gegeven.
- Hij bouwde voor zich zelven op den bijstand
-1295 Des Albestuurders, op zijn steun en sterking.
- Hij kwam daardoor te boven dezen booze,
- Versloeg het helgedrocht. Toen droop het smaadvol,
- Van heil verstoken henen, hij, de vijand
- Des stervelings, de doodenstee te zoeken.-- [255]
-1300 Nu zocht daarbij vraatzuchtig, duisterzinnig
- Zijn moeder 't jammervolle pad [256] te volgen,
- Te wreken haren zoon. Zij kwam naar Heorot,
- Waar langs de woon [257] de Wapen-Denen sliepen.
- Den ridders overkwam nu ras een omkeer [258],
-1305 Zoodra naar binnen drong de moeder Grendels.
- Nochtans de vrees was minder groot dan vroeger,
- Zooveel als kracht en kampgrim van de vrouwen
- Tot strijders staat, als 't goudomgeven slagzwaard [259],
- De hardgeklonken kling, de bloedgekleurde,
-1310 Scherpvlijmig scheert den ever van de helmen.
- Het taaie zwaard werd in de hal getogen,
- De degen over hunne banken henen [260],
- Geheven menig schild met forsche handen
- Niet dacht aan helm, niet aan het groote harnas,
-1315 Wien overviel de vrees. [261] De vijand ijlde,
- Hij wilde weg van hier, het lijf behoeden,
- Nu dat hij was ontdekt. Toch greep hij gretig
- Een ridder [262] vast bij 't vluchten naar de venen.
- Dit was des konings meest beminde kamper
-1320 Van zijn gevolgschap bij de beide zeeën,
- Een schrikbaar schildheld, dien hij doodde op 't leger,
- Een hooggevierde borst. Niet was er Beowulf;
- Want na de uitdeeling werd een andre woning
- Den Goot, den wijdvermaarden, aangewezen.
-1325 Geraas verrees in Heorot. Hij ontvoerde
- De roodbebloede hand, de wijdberuchte. [263]
- Het wee was weer vernieuwd in hunne woning.
- Niet deeglijk was de handel, dat de helden
- Betalen moesten met der makkers leven
-1330 De boozen beiderzijds [264]. De vorst [265], de vroede,
- De grijze wapenheld, was wild te moede,
- Toen levenloos hij wist den waardsten raadsman.
- In aller ijle werd uit zijne woning
- Gehaald de held, de zegeblijde, Beowulf.
-1335 Voor dag en dauw nog spoedde met zijn mannen
- De held zich heen, de koengestemde kamper,
- Alwaar de wijze Hrodgar zat te wachten,
- Of de Algebieder na die bange boodschap
- Hem ooit een wending wilde voorbewaren.
-1340 Hij stapte langs den vloer de wapenstoute
- Met zijnen drom, (het hout der halle dreunde)
- Den wijzen Denenheer met woorden welkom
- Te heeten, vroeg, of, naar zijn heusche wenschen [266],
- Voor hem ook heilvol was geweest de nachtrust.
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-
-1345 En Hrodgar sprak, de schermheer van de Schyldings:
- «Naar welstand vraag me niet. De nood is weder
- Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aschere,
- Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder,
- Mijn alvertrouwde en raadverstrekker tevens,
-1350 Mijn zijgenoot, wanneer wij 't hoofd behoedden
- In 't veld, wanneer te zamen stiet het voetvolk,
- Helmevers stormden {41}. Zoo toch zij een strijder,
- Een ridder lang beproefd, gelijk was Aschere.
- Hem werd tot wurger in de hallewoning
-1355 De duistre doodsgeest. 'k Weet niet, waar de gruwbre
- Al bogend op den buit teruggereisde,
- Door 't rooven van de prooi alleen verraden. [267]
- Hij heeft aldaar op ons verhaald de veete,
- Omdat gij gistren nacht zijn Grendel dooddet
-1360 Op woeste wijs met harden handgreep; immers
- Die dunde en doodde reeds te lang mijn lieden.
- Hij viel in 't krijt, vervallen van het leven.
- Nu daagde een ander machtig euveldader,
- Het was zijn doelwit zijnen zoon te wreken,
-1365 En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. [268] {42}
- Diensvolgens mag het menig dappre dunken,
- Die naar den heerscher [269] haakt in zijne ziele,
- Een harde hartkwetsuur. Nu rust de rechte [270],
- Die willig was voor ieder uwer wenschen.
-1370 Dit hoorde ik landbewoners, {43} mijne lieden,
- Mijn zaalbewakers zeggen: dat ze een tweetal
- Van zulke reuziggroote grensbesluipers
- Gehuisvest zagen midden in de moeren,
- Twee menschenschuwe schimmen. De eene dezer
-1375 Scheen, naar hun beste weten, volgens 't wezen
- Een vrouw te zijn, terwijl de tweede wanmensch
- In mansgedaante op ballingswegen [271] doolde.
- Slechts was hij machtiger dan een der mannen.
- Hem heette Grendel sinds den grijzen voortijd
-1380 Het aardevolk. Zij kennen niet zijn vader,
- Noch of hem ooit ontsproten duistre daemons.
- Zij nestelen in ongenaakbre streken, [272]
- In wolfskrocht, windombruiste voorgebergten,
- Verraderlijke paden door moerassen,
-1385 Alwaar de bergvloed uit de omwolkte klippen
- Terneder stort, het stroomend nat bij de aarde.
- Niet wijd van hier, op weinig mijlen afstands
- Daar ligt het meer, waar rijpbeladen bosschen
- Zich overbuigen, wouden vast door wortels.
-1390 Ze omhuiven 't nat. Daar zal men alle nachten
- Een vreeslijk wonder zien, een vuur in 't water.
- Niet leeft een zoo diepzinnig zoon der menschen,
- Die zijnen bodem kent. Al zoekt, door honden
- In 't nauw gebracht, het hert, de heideganger,
-1395 't Geweigeweldige, het woud, van verre
- Verjaagd, veel liever levert dit zijn leven
- Eerst over, zijnen adem aan de zoomen,
- Dan dat het in wil, om zijn hoofd te hoeden.
- 't Is geen aanminnig oord, vanwaar 't gemengel
-1400 Der golven, 't zwarte, tot het zwerk opsteigert,
- Wanneer de winden wentlen norsche vlagen,
- Tot donker wordt de lucht, de transen weenen. [273]
- Bij U alleen berust alweer de redding.
- Nog kent gij niet de plaats, de plek, de nare,
-1405 Alwaar gij 't snoode wezen moogt ontmoeten.
- O, zoek het, zoo ge durft, 'k Vergeld met gaven
- 't Gevecht en ouden smuk, als 'k deed te voren,
- Met gouden ringen, zoo gij gaaf terugkomt.»
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-1410 «Zorg niet, hoogwijze vorst! 't Is elk gewenschter
- Te wreken zijnen vriend, dan veel te rouwen.
- Een ieder onzer zal het eind ervaren
- Van 't leven hier omlaag. Dat hij behale,
- Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven!
-1415 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. [274]
- Rijkshoeder, rijs! Welaan, met rassche schreden
- Gegaan, beschouwd den gang van Grendels moeder!
- Dit zeg ik toe: Zij zal zich niet onttrekken
- In eene schuilplaats, noch den schoot der aarde,
-1420 Noch in het berggeboomt, noch op den bodem
- Der golven, ga ze dan alwaar ze wille.
- Gij oefen nog geduld voor dezen dagstond
- Met ieder leed, gelijk ik u dit toewensch.»
- Nu rees de grijze recht. Hij dankte Gode,
-1425 Den sterken Heer, voor 't geen de held daar zeide.
- Getoomd werd toen des konings ros, de klepper
- Met langgelokte manen. Statig stapte
- De wijze heerscher heen; de voetschaar volgde
- Der schildbeschutten. Verre was te schouwen
-1430 Langsheen de wegen van het woud het voetspoor
- Des vijands, zijne vlucht langsheen de vlakte,
- Alwaar hij wegsloop over 't donkre drasland
- En met zich bracht d'ontzielden man [275], den besten
- Van hen, die 't huis beheerden met den heerscher.
-1435 Nu toog der eedlen telg [276] langs steile steenklip,
- Langs enge steegjes, voor den stap eens enklen,
- Langs wegen nooit gekend, langs nauwe riffen
- En menig nikkerhuis. Aan 't hoofd der enklen,
- Der wijze lieden, ging hij [277] 't land doorvorschend,
-1440 Totdat hij eensklaps aantrof 't berggeboomte,
- Dat langs de grauwe rotsen overleunde,
- Het vreugdelooze woud. Daar lag beneden
- Het water bloedigrood en wildbewogen.
- Het viel den Denen al, den Schyldingsvrienden,
-1445 En menig held in 't hart wel zwaar te harden;
- Een rilling was 't voor ieder van de ridders,
- Toen ze Aschers hoofd ontmoetten op de meerklip.
- Van 't bloed, het heete hartbloed, woelde 't water.
- De helden zagen toe. Soms zong de horen
-1450 Een vaartree oorlogslied. De heele voetschaar
- Was neergezeten. Langs het water zagen
- Zij meer dan een van 't slag der monsterwormen,
- Ontzetbre zeegedrochten 't nat doorzoeken,
- Ook nikkers, in de rotskloof nederliggend,
-1455 Die tegen middagtijd gevreesde tochten
- Niet zelden ondernemen langs de zeilstraat [278],
- Gewormte en wild gebroed. Zij stoven woedend
- En opgetergd daarhenen, toen zij hoorden
- Het schel geschal, het klinken van den kamphoorn.
-1460 De Gootenvorst beroofde van het leven
- En 't zwemgedartel éénen door den pijlboog,
- Dat hem in 't harte drong de scherpe heerschicht;
- En loomer, naar gelang de dood hem wegnam,
- Werd deze bij het zwemmen door de zeeën.
-1465 Gezwind met eversprieten, scherp als zwaarden
- Geweerhaakt, werd hij fel benard in 't water,
- Om strijd bestookt en op het strand getrokken,
- De wondre golvenschudder. 't Volk beschouwde
- Den gruwbren gast. [279] Toen rustte in ridderkleeding
-1470 Zich Beowulf uit; niet beefde hij voor 't leven.
- Het handgevlochten, wonderglanzig harnas,
- Het breede, zou met hem de zee ervaren,
- 't Geen bergen kon zijn lichaam, dat de kampvuist
- Niet zijne borst, de sluwe greep des boozen
-1475 Zijn leven schaden mocht. Doch 't hoofd beschermde
- De helm, de heldre, die zich met de diepte
- Vereenen zou, het zeegewentel zoeken,
- Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven,
- Gelijk in 't lang voorheen hem had vervaardigd
-1480 De wapensmid, bewerkt op wondre wijze,
- Bezet met everzwijnen, zóó dat sedert
- Noch brand [280] noch degen hem vermocht te deren.
- Ook was de kling geen kleine steun der sterkte,
- Die tot behulp de spreker Hrodgars, Hunferd,
-1485 Hem had geleend. Het lemmer heette Hrunting.
- Dit eene stond vooraan bij de erfkleinooden;
- Van staal was 't zwaard en bruin van zwadderdroppen,
- Gehard in 't bloed. Geen held, dien 't ooit beschaamde
- In 't veld, die 't zwaaide met de vuist, angstwegen [281]
-1490 Betreden dorst, het volkrenveld des vijands.
- 't Verrichtte niet voor de eerste reize krachtdaân.
- Voorzeker niet gedacht de zoon van Ecglaf [282],
- De koene aan kracht, alwat hij eerst beweerde,
- Beneveld door den wijn, nu dat hij 't wapen
-1495 Wou leenen aan gelukkiger een zwaardheld.
- Niet dorst hij zelf op 't spel het leven zetten
- In 't golfgestorm, een stoute daad voldingen.
- Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte.
- Niet stond het desgelijks gesteld met d'andre [283],
-1500 Toen deze zich gewapend had ter worstling.
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «Geheug u nu, o hooge spruit van Healfdeen,
- o Vroede vorst, nu 'k tot den tocht ben reede,
- o Vriend der vromen [284], wat wij vroeger spraken:
-1505 Indien ik eens in uwen dienst het leven
- Verlaat, dat gij voor mij [285], den overledene,
- Voortaan vervullen zult de plaats van vader,
- o, Wees de wachter van de wapenlieden,
- Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt,
-1510 En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
- De mij geschonken schatten heen aan Hyglac.
- Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen,
- De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
- Dat ik een meer dan milden goudbegever
-1515 Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde.
- En gij, mijn Unferd, laat het oude lemmer,
- Het kostbre, zware zwaard, het harde, hebben
- Een wijdberoemden held. [286] 'k Verwerf met Hrunting
- Mij roem, of anders rukt de dood mij mede.»
-1520 Geweldig ijlde weg bij deze woorden
- Der Weder-Gooten [287] vorst; hij wachtte geenszins
- Het antwoord af. De vloed ontving den strijdheld.
- Wel eene stond' des dags verstreek [288] {44}, alvorens
- Hij 't bodemvlak bereiken kon der baren.
-1525 Nu werd terstond gewaar die honderd winters
- Strijdgierig had bewaakt den schoot der golven,
- De booze, vraatgeduchte, dat van boven
- Der menschen een naar 't oord der monsters vorschte. [289]
- Zij tastte toe en greep met gruwbre klauwen
-1530 Den wapenheld, doch wondde niet inwendig
- Het onverlette lijf. Dit borg van buiten
- Het ringkuras, dat [290] zij niet door kon rukken
- Den wapenrok, de welgevlochten halsberg,
- Met grimmige vuist. De zeewolvin ontvoerde
-1535 Der ringen heer, nu zij den boôm bereikte,
- Naar hare woning, dat hij over 't wapen
- (Hem schoot de moed te kort) niet kon beschikken {45}:
- Want zwemmend drongen om hem veel gedrochten
- En menig zeedier tornde met den kamptand
-1540 Aan 't wapennet; zij zetten na den vijand. [291]
- Nu vond de vorst, hij was in zekre woning
- Der diepte, waar hem geene golven deerden,
- Noch wegens 't dak de valsche greep des waters
- Hem kon omknellen. Hij ontwaarde een weerschijn
-1545 Van vuur, een hellen gloed, die helder glansde. [292]
- Nu zag de dappre de wolvin der diepte,
- Het schrikbaar waterwijf. Hij schonk het slagzwaard [293]
- Een reuzenzwaai. Niet trokken zich terugge
- De handen tot den houw, zoodat de degen
-1550 Op haren schedel zong een hongrig kamplied.
- Toen ondervond de vreemde [294], dat de strijdstraal [295]
- Niet wilde vatten, noch het leven letten;
- Het lemmer liet den vorst in nood verlegen.
- Het had weleer getrotst zoo menig treffen,
-1555 De helmen vaak gekloofd, des veegen kampkleed.
- Voor 't eerste viel het voor aan 't prachtig pronkstuk,
- Dat nederlag zijn roem. Doch vastberaden,
- Den kamp niet moede, maar zijn daân gedachtig,
- Bevond zich nu opnieuw de neef van Hyglac.
-1560 Hij wierp 't gebloemde zwaard [296], 't juweelomwonden,
- De gramme strijder, dat het sloeg ten gronde,
- 't Staalsnedig, stevig zwaard. Op zijne sterkte
- Berustte hij, de handgreep zijner rechte.--
- Zoo moet een man voortvaren, welke in 't wapen
-1565 Zich onvergangbren lof begeert te gaâren;
- Niet schort hem 't eigen leven.--Bij den schouder
- Omvatte toen (niet vreesde hij de veete)
- De meester van de Gooten Grendels moeder.
- De kampgeduchte schudde, daar hij toornde,
-1570 Den levensvijand, dat die viel ten gronde;
- Doch deze gaf hem onverwijld vergelding
- Met gruwelijken klauw en greep hem tegen.
- De moegezwoegde [297] stiet den kampbestuurder
- Omver, den voetheld, dat hij kwam te vallen {46}.
-1575 Nu zat zij over hem, den zaalindringer,
- En trok de breede zas met bronzen lemmer;
- Zij zocht haar zoon, haar eenig zaad, te wreken.
- Op zijnen schouder lag 't geschakeld lijfnet;
- Dit borg nu zijnen boezem, want het weerde
-1580 Den toegang tegen alle spits of snede.
- Nu zou hij onder d'opgespalkten zeegrond
- Gewis bezweken zijn, de zoon van Ecgtheow,
- De Gootenheld, zooniet het oorlogsharnas
- Hem had geholpen, 't harde maliekolder,
-1585 De heilge God niet had bestuurd de zege.
- De wijze Heer, de Hemelheerscher, sliste
- Het licht naar recht, nadat hij [298] was gerezen {47}. [299]
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-
- Alsdan ontwaarde hij bij andre wapens
- Een zeegrijk zwaard, een oud rapier der reuzen,
-1590 Geducht van snee, der strijders sier. Het beste
- Der wapens was het; enkel woog het zwaarder
- Dan dat een ander krijger [300] tot het kampspel
- Het goed en schoon gigantenwerk kon voeren.
- Hij [301] vatte toen 't gevest, der Schyldings strijdwolf,
-1595 Hij zwaaide 't zwaard vergramd en ijzergrimmig,
- Het ringgetooide, reeds aan 't leven twijflend.
- Hij hieuw in 't wilde, dat het hard ten halze
- Naar binnen drong en brak de beenderwervels,
- Het lemmer 't veege lijf geheel doorvlijmde.
-1600 Ten bodem bonsde zij. Het staal was bloedig,
- En over 't werk verheugd de wapenkrijger.
- Nu bliksemde de kling [302]; vanuit haar binnenst
- Ontschoot een schemer, evenzoo als schittrend
- Vanaf den trans de hemeltoortse blikkert.
-1605 Nu blikte hij de halle rond en richtte
- Daarna zich naar den wand. Hij hief het wapen
- De dappre bij de handgreep, Hyglacs dienstman,
- Verwoed en vastberaân. Niet was het wapen
- Van ondienst aan den slagheld, want hij wilde
-1610 Aan Grendel menig aangreep snel vergoeden,
- Door dezen aangedaan den Wester-Denen,
- Veel meer dan eene maal; toen hij van Hrodgar
- De haardgenooten sloeg in hunnen sluimer
- En vijftien in den slaap van 't volk der Denen
-1615 Verzwolg, een tweede vijftiental ontvoerde,
- Een gruwzaam offer. Doch hem gaf vergelding
- De onstuime held, tot waar hij afgestreden
- En zielloos Grendel liggen zag op 't leger,
- Gelijk voorheen de worsteling in Heorot
-1620 Hem toegetakeld had. Daarhenen rolde
- De romp, nu dat hij dulden moest na 't sneven
- Den strook, den zwaren slag van 't zwaard, en Beowulf
- Hem nederhieuw het hoofd. [303] De wijze helden
- Die, welke zagen naar de zee met Hrodgar,
-1625 Bemerkten nu aanstonds, dat heel de strooming
- Gemengeld bleek, met bloed geverfd de baren.
- De grauwgebaarde grijsaards onderhielden
- Zich al te gader over hem, den goede,
- Dat zij niet hoopten van den held, dat zeegrijk
-1630 Hij weer bezoeken zou den hoogen heerscher.
- 't Scheen menigeen, hem had gedood de meerwolf.
- Toen was het negende uur [304] des dags genaderd.
- Nu scheidden van de kaap de koene Schyldings,
- En huiswaarts ging van daar der helden schatvriend [305].
-1635 De vreemden [306] zaten droef van zin en tuurden
- Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden
- Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher.
- Nu ving het staal door 't bloed, door 't strijdgedruppel, [307]
- De slagbijl aan te slinken. 't Was een wonder,
-1640 Hoe 't gansch versmolt, als 't ijs, wanneer de Godheid
- De banden slaakt der vorst, de waterboeien
- Ontbindt, zij die gebiedt aan tijd en stonde.--
- De ware Schepper is 't.--Niet meerder schatten
- Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
-1645 Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen
- Met dat gevest van glimmend goud; [308] te voren
- Was 't zwaard verteerd, verbrand 't getogen lemmer:
- Zoo heet was 't bloed, de hellegeest zoo giftig,
- Die daar het lijf in liet. Gezwind ontzwom hij,
-1650 Die in 't gevecht den kampdood had ervaren
- Der boozen, dook naar boven door het water.
- Nu was geheel het golfgewoel gezuiverd,
- De wijde watervlakte, waar de daemon
- Zijn levensdagen achter had gelaten,
-1655 Het wuft bestaan. De steun der varenslieden
- Kwam kloekgestemd gezwommen naar de stranden.
- Nu praalde hij op zijne prooi der diepte,
- Het vrachtgevaarte, dat hij met zich voerde.
- Nu gingen hem te moet en dankten Gode
-1660 De stoute ridderstoet, vervuld van vreugde
- Om hunnen heer, nu zij hem heilvol zagen.
- Den opgewonden werden helm en harnas
- Nu dra ontnomen. Drabbig werd het water,
- De zeevloed onder 't zwerk en rood van 't bloedbad.
-1665 Zij ijlden voort van daar langsheen het voetpad
- Met lichten geest. Zij maten weer de landstraat,
- Den welbekenden weg. De koene mannen
- Vervoerden nu het hoofd van 't voorgebergte:
- Iets moeitevols voor elk der moedvervulden.
-1670 Al zwoegend moesten vier op hunne veldspeer
- Het hoofd van Grendel dragen naar de goudhal,
- Totdat zij ras het zaalgebouw bereikten
- De veertien [309] dappre kampgeduchte Gooten,
- En op het medeërf [310] begaf kloekmoedig
-1675 Zich in hun midden voort de mannenheerscher.
- Daar kwam hij ingegaan de krijgerkoning,
- De man, door daden koen, door moed verheerlijkt,
- De slaggeharde held, te groeten Hrodgar.
- Nu werd het hoofd van Grendel bij de haren
-1680 Ter woon gedragen, waar de mannen dronken,
- Den ridders vreeslijk [311] als der edelvrouwe.
- De mannen zagen naar het zeldzaam schouwspel.
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «Voorwaar, o Healfdeens zoon, o heer der Schyldings,
-1685 Wij brachten vroolijk tot een zegeteeken
- U dezen zeebuit, dien gij hier bezichtigt.
- 'k Volvoerde 't nauwlijks met gevaar van 't leven:
- Ter nauwernood in 't worstlen onder 't water
- Bestond ik deze daad. Mij was het strijden
-1690 Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had.
- Niets werkte ik uit met Hrunting in de worstling,
- Schoon deugt de degen; maar de Heer der menschen
- Verleende mij, dat 'k aan den muur zag hangen
- Een vonkelglanzig, oud, geweldig wapen;
-1695 (Hoe vaak geleidde Hij de vriendenloozen!)
- Dit drilde ik tot geweer. Ik doodde in 't worstlen
- (Daar gunstig was de kans) der woning wachters [312].
- Het kampzwaard teerde weg, 't getogen lemmer
- Op 't oogenblik, waarop het bloed ontspatte,
-1700 Het heetste wapenvocht. Van daar ontvoerde
- Ik aan den vijand dit gevest. Zoo wreekte
- Ik de euveldaân, de doodskwaal van de Denen,
- Gelijk het paste. Dit beloof ik heden:
- Gij kunt in Heorot slapen onbekommerd
-1705 Met uwer helden stoet en elken strijder
- Van uwe mannen, meerderen of mindren;
- Zoodat gij niet meer noodig hebt te duchten,
- o Denenvorst, van dezen kant de doodskwaal,
- Gelijk gij vroeger deedt, voor uwe lieden.»
-1710 Nu werd den ouden held de gouden handvat,
- Het grijze wapenhoofd [313], ter hand gegeven,
- 't Aloud gewrocht der reuzen. [314] Dit geraakte
- Nu in 't bezit, dit werk der wondersmeden,
- Des Denenvorsten, na den val der duivels.
-1715 De wrevelzieke man, Gods tegenwrijter,
- Had moordbelaân verlaten deze wereld,
- Zijn moeder mee. Nu viel 't te beurt den waardsten
- Der wereldvorsten bij de beide zeeën,
- Die schatten deelden op het Schedeneiland [315].
-1720 Toen zeide Hrodgar;--hij bezag de handgreep,
- Het oude stuk, waarop 't ontstaan des voorkamps [316]
- Was ingegrift. Alsdan versloeg de deining,
- Het overstroomend nat de reuzenstammen.
- Zij bleken boos. 't Geslacht het was weerbarstig
-1725 Den eeuwgen Heer. Des gaf hun de Albeheerscher
- De slotvergelding door den vloed der golven. [317]
- Op 't hechtbeslag van heerlijk goud was tevens
- Beteekend, trouw gezet, gezegd in runen [318],
- Voor wien eerst was bewerkt de keur der klingen
-1730 Met slankgewrongen, slangomslongen handgreep. [319]--
- Toen nam het woord [320] de wijze zoon van Healfdeen,
- En ieder zweeg:
- «Voorwaar, dit zal hij zeggen,
- Die onder 't volk bevordert recht en waarheid,
- Van ver het gansch gedenkt, als grijze goedsheer,
-1735 Dat deze dappre beter [321] werd geboren.
- Langs wijde wegen is, mijn beste Beowulf,
- Uw roem gevaren over alle volken.
- Gestadig waakt gij op dit alles: sterkte
- En wijsheid van 't gemoed. U wil 'k bewijzen
-1740 Mijn dankbaarheid, als wij voorheen bespraken. [322]
- Gij zult nog lang uw lieden tot vertroosting,
- Tot hulp uw helden zijn. Niet zoo was Heermod [323]
- Voor 't zaad Ecgwela's, voor de Zege-Schyldings.
- Niet groeide hij tot lust der Denenlieden,
-1745 Maar wel tot lijkenval en stervenslijden.
- Dolzinnig doodde hij de dischgenooten,
- Zijn schoudermakkers, tot hij eenzaam scheidde [324]
- De hooge heerscher, ver van 't heldenwoelen.
- Ofschoon een machtig God hem met de weelde
-1750 Der heldenkracht en sterkte had verheerlijkt
- En over alle mannen heen verheven,
- Toch groeiden in zijn borst bloedgierige tochten.
- Hij deelde geene ringen [325] aan de Denen,
- Als hun gewoonte was: verweesd van vreugde
-1755 Ervoer hij, dat hij drang om zijn vervolging
- Te harden had, het eindelooze lijden. [326]
- Gij, leer hieruit en grijp naar mannengrootheid.
- Ik sprak, door jaren wijs, voor u die spreuken.
- Een wonderbare zaak is 't om te zeggen,
-1760 Hoe dat een machtig Schepper aan het menschdom
- Uit milden grootzin wijsheid geeft en woning
- En heldenhoogheid. Hij gebiedt aan alles.
- Somwijlen laat Hij zijnen zin in liefde
- Ontvonken voor een man van hoogen huize {48}.
-1765 Hij geeft hem op zijn goed 't genot der aarde,
- Om op der helden heerschersburg te huizen;
- Hij [327] onderwerpt hem zoo der wereld deelen,
- De groote rijken, dat hij zelf [328] de grenspaal
- Zich wegens 't onverstand niet voor kan stellen.
-1770 Hij leeft in overvloed; niets kan hem letten,
- 't Zij krankte of ouderdom; vervolgingskommer
- Benevelt niet den zin; noch kamp, noch zwaardhaat
- Vertoont zich, waar 't ook weze; maar de wereld
- Zij wendt zich naar zijn wil. Hij kent geen onspoed;
-1775 Tot de overmoed inwendig wast en woekert;
- De hoeder [329] sluimert dan, der ziele herder,
- De slaap is diep, geketend door vermoeidheid,
- De moorder [330] zeer nabij, die met den pijlboog
- Zal wonden op verraderlijke wijze.
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-
-1780 Dan zal hij in den boezem zijn getroffen
- Door scherpe schichten onder 't helmbeschutsel [331].
- Niet kan hij zich vrijwaren van de zonde
- Door 't wondervol gebod des boozen geestes [332].
- Hem lijkt wat hij te lang bezat te luttel.
-1785 Nu schraapt hij stuurschgestemd, hij schenkt uit praalzin
- [333]
- Geen gouden ringen; hij vergeet, verwaarloost
- Zijn later lot, omdat hem God, de uitdeeler
- Der glansen, vroeger gaf onmeetbre glorie, [334]
- 't Gebeurt ten leste, dat het broze lichaam
-1790 Te zamen zinkt en dat vervalt het veege.
- Een ander erft het rijk, die zonder rouwen
- De have kwist, des eedlen kostbaarheden,
- En zich aan later zorg niet laat gelegen,
- o, Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
-1795 Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,
- En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend [335] welzijn.
- Betracht geen overmoed, vermaarde kamper!
- Een tijdlang tiert de volheid van uw krachten;
- Maar 't draagt weldra zich toe, dat zwaard of ziekte
-1800 U rooven uwe kracht, hetzij de omkronkling
- Der vlammen, of het zwalpen van de vloeden,
- Hetzij de greep van 't zwaard, de vlucht der werpspies,
- De gruwe grijsheid, of de glans der oogen
- Verdwijnt en taant. Dan schielijk zal't geschieden, [336]
-1805 Dat u, den legerman, de dood vermeestert. [337]
- Zoo heerschte ik honderd halve jaren over
- De Harnas-Denen onder 't dak des hemels
- En hoedde hen voor strijd met vele stammen
- Dit aardrijk langs door esschelans en lemmer;
-1810 Zoodat ik onder 't wulfsel van de wolken
- Voor mij niet eenen tegenstander telde.
- Gewis, mij overviel daarom een wending
- Op 't stamgoed, smart na vreugde, sedert Grendel, [338]
- De aloude vijand, werd mijn woonbezoeker.
-1815 Voortdurend droeg ik onder die verdrukking
- Geweldig hartewee. De Schepper weze
- Geloofd, der eeuwen Heer, dat ik beleve
- Op mijnen ouden dag, met dees mijn oogen
- Te blikken naar het hoofd [339], het zwaardbebloede,
-1820 Na 't oude zeer. Begeef u naar uw zetel
- En deel in 't dischgenot, o krijgsbekroonde.
- Wel menig schat zal zijn gemeen ons beiden,
- Zoodra de morgen aanbreekt.»
- Wel te moede
- Was nu de Goot en ijlings ging hij verder
-1825 Zijn zetel zoeken [340], als beval de vroede.
- Den krachtgevierden werd alweer, als vroeger,
- Een weidsch onthaal bereid, den halbezetters,
- Een nieuwe reis. De nachtelijke hulle,
- De duistere, verdonkerde zich over
-1830 Het wapenvolk. De ridders rezen allen.
- De grauwgelokte wilde 't leger zoeken,
- De grijze Schylding. Ook den Goot, den schildheld,
- Den wijdberoemden, lustte 't zeer te rusten.
- Den strijdvermoeiden man, den verontstamden,
-1835 Geleidde fluks van daar een halbediende,
- Die naar het hofgebruik in elke nooddruft
- Eens ridders zou voorzien, gelijk de zeeliên [341]
- Gedurende den dag behoefte hadden.
- Hij rustte de eelgezinde. Ruim, goudglanzig
-1840 Verrees de bouw; de vreemde sliep er binnen,
- Totdat de donkre raaf [342], verheugd van harte,
- Des hemels weelde weder kwam verkonden.
- Daar gleed de zonne glanzend over 't aardrijk;
- De weerbren ijlden. De edellieden waren
-1845 Gereed terug te varen naar hun volksstam.
- De vreemdeling, de hooggestemde, haakte
- Om ver van daar zijn vaartuig weer te vinden.
- De held beval nu Hrunting voor te brengen,
- Verzocht aan Ecglafs zoon [343] het zwaard te nemen,
-1850 Het dierbre staal; hij dankte voor 't geleende {49}
- En zei, hij schatte dit geschikt een kampvriend
- En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
- Van 't staal met woorden. 't Was een moedig strijder! [344]
- Als nu de reisverheugde kampers reede
-1855 In 't harnas stonden, stapte hij, de heerscher [345],
- Den Denen dier, ten troon, alwaar de tweede
- Slagwakkre man verwijlde, en groette Hrodgar.
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «Wij, zeebezeilers, willen thans u zeggen
-1860 Wij, wijdbereisden, dat we wenschen Hyglac
- Terug te zien. Wij zijn als 't voegt ontvangen [346]
- Naar wil en wensch; gij waart ons toegenegen.
- Indien ik eenigszins op deze wereld
- Nog meer uw hartemin vermag te winnen,
-1865 o Heer der dappren, dan ik deed tot dezen
- Door wapendaân, ik sta aanstonds wilvaardig.
- En zoo ik dit aan gene zij der zeeën
- Verneem, dat u bestookt met strijd de nabuur,
- Gelijk voorheen de haatgezinden [347] deden,
-1870 Zoo zal ik duizend mijner dappren brengen,
- Der helden, tot uw hulp. Wat Hyglac aangaat,
- Den Gootenvorst, ik weet, hoe jong hij weze,
- Dat hij, der volken herder, mij zal helpen
- Met raad en daad; zoodat ik ruk ter heervaart
-1875 En 't wapenhout [348] tot hulp, tot steun der sterkte
- U breng, indien ge hebt gebrek aan mannen.
- Zoo Hrederic, de vorstenzoon, zich voorneemt,
- Der Gooten burgen eens te gaan bezoeken, {50}
- Zoo zal hij vele vrienden ginder vinden.
-1880 Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
- Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte.» [349]
- En Hrodgar voegde toe, hem tot een antwoord:
- «Die redevoering gaf de wijze Godheid
- U in 't gemoed. Van geenen man nog hoorde
-1885 Ik op die jonge jaren [350] rijper rede.
- Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
- Aan woorden wijs. Ik koester dus verwachting
- Dat--zoo het eens geschieden zou, dat werpspies
- Of staalverwoede strijd den zoon van Hredel [351]
-1890 Wegrukken zal, hetzij dan ziekte of ijzer,
- Den herder van het volk en uwen heerscher,
- En gij in leven zijt--dat dan de Zee-Goot
- Geen beter heer dan u tot schatbehoeder
- Der helden heeft te kiezen, zoo te heerschen
-1895 Gij mocht verlangen over 't rijk der magen. [352]
- Mij, beste Beowulf, lijkt uw moed hoe langer
- Hoe meer. Gij hebt gemaakt, dat voor de volken,
- De Gootenliên en lansgeduchte Denen,
- Gemeenbezitting wezen zal de vrede;
-1900 De strijd gestaakt en de overvallingsveete,
- Die ze eer bezuurden; dat hij zal verblijven,
- Zoolang ik 't uitgestrekte rijk besture,
- Gemeen de schat, en menigeen den andre
- Met giften over 't duiklaarsbad [353] zal groeten. [354]
-1905 De staalomwonden kiel zal over 't water
- De gaven brengen met de gunstbewijzen.
- Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
- Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
- In alles zonder blaam, naar de oude zeden.»
-1910 Toen schonk hem bovendien de schuts der ridders,
- Hij Healfdeens zoon, een twaalftal kostbaarheden.
- Hij hoopte, dat hij met die gaven heilvol
- Zijn trouwe volksliên weder zoude vinden
- En ras teruggekeeren. Hierop kuste
-1915 De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
- Der helden besten, zijnen hals omvattend.
- Den zilvergrijze zegen neer de tranen,
- Verwachting was er voor den ouden wijze
- Van alle twee, nochtans van 't andre sterker [355]:
-1920 Dat zij voortaan, de bouden bij de toespraak [356],
- Elkander nimmer zouden kunnen weerzien {51}.
- Hem was de man zoo waard, dat hij de woeling
- Des harten niet vermocht in toom te houden;
- Maar in de borst, besloten in de boeien
-1925 Van zijn gedachten, haakte stil de heerscher, [357]
- Ondanks het bloed [358], naar dezen dierbren krijger.
- Trotsch op de schatten trok de kampheld Beowulf,
- Verheugd om 't goud, nu henen langs de graszoo.
- Het waterros, dat op het anker rukte,
-1930 Verwachtte zijn bezitter. Onderwege
- Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar.
- Een eenig heerscher was 't, geheel onlaakbaar,
- Tot hem 't genot der kracht ontnam de grijsheid,
- Die menigmaal zoovelen heeft vermeesterd.
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-
-1935 Nu kwam aan 't strand der dappren stoet [359], der helden
- Zij droegen 't ringnet, hun gevlochten rusting
- Der leden. Weder sloeg de landwacht gade
- De komst der krijgers, als hij deed voordezen.
- Niet met gegrauw begroette hij de gasten
-1940 Vanaf de rotskaap, maar hij reed hen tegen
- En zei, dat zij, de glansomgeven gasten, [360]
- Den Wederlieden welkom scheepwaarts schreden.
- Toen werd op 't oeverzand de ruime zeeboot
- Met strijdgewaad bevracht, de stalen steven,
-1945 Met smuk en paarden. Boven Hrodgars puikschat
- Verhief de mast zich. Beowulf schonk den hoeder [361]
- Van zijne boot een zwaard, met goud gebonden,
- Dat deze sedert des te meer ter meebank
- Werd hooggeschat om dit geschenk, dit erfzwaard.
-1950 Nu klom hij op het zeeschip, om te klieven
- Den diepen vloed, verliet het land der Denen.
- Een zeegewaad, een zeil, gesnoerd door zeelen,
- Bevond zich aan den mast. Het meerhout dreunde
- En langs den vloed belemmerden de winden
-1955 Den zeebeschrijder niet in zijne reize.
- De golvenganger toog; schuimhalzig scheerde
- Hij langs de baren voort, 't gebonden vaartuig,
- Langs 't zeegetuimel; tot men zag de klippen
- Der Gooten met de goedbekende kapen.
-1960 Naar boven drong de boot en windomwarreld
- Stond zij nu op het strand. De havenhoeder
- Bevond zich onverwijld gereed aan 't water,
- Hij welke, wachtend op de lieve lieden,
- Zoo menigmaal te voren in de verte
-1965 Had uitgekeken bij de waterkolken.
- Hij meerde vast het breedgeboezemd vaartuig
- Op 't strand met ankertouw, opdat de stuwing
- Des vloeds hun niet de kostbre kiel ontvoerde.
- Hij heette toen der edellieden have,
-1970 Het keurkleinood en bladgoud op te brengen.
- Men had niet ver van daar den schatuitdeeler
- Te zoeken: Hyglac, Hredels zoon, verwijlde
- Er zelve metterwoon en met de mannen
- Nabij den zoom der zee. Het huis was heerlijk.
-1975 Geweldig was de heerscher, hoogverheven
- In zijne halle. Hygd [362] was uiterst jeugdig
- En wijs en hoog van zin, schoon Häreds dochter
- Geschouwd had weinig winters onder 't schutsel
- Des burgs. Niet was zij evenwel gemeenzaam,
-1980 Noch voor het Gootenvolk met giften karig
- En schatgeschenken.--Thrydo [363] daarentegen
- Zij voedde toorn de schoone volksgebiedster
- En vreeselijke wraak. Niet dorst een dappre
- Het wagen van haar trouwe lijftrawanten,
-1985 Tenzij haar echtheer, dat hij haar in de oogen
- Des daags bestaarde, daar zij hem de doodsboei,
- Gestrengeld door de hand, bestemde en oplei.
- Daarna, na deze hechtenis, was spoedig
- Het staal bestemd, zoodat het doodlijk wapen
-1990 Beslissen moest, het moordbedrijf vermelden. [364]
- Niet zulks is maagdenzede, voor een vrouwe
- Niet uit te voeren, schoon zij door haar schoonheid
- Ook eenig weze, dat de vredeweefster [365]
- Een waarden krijger, naar vermeende krenking,
-1995 Naar 't leven staat. Wis stuitte 't Hemings bloedmaag [366]
- Want bij den bierdronk zeiden zij iets anders [367]
- Dat zij berokkende geringer gruwlen [368]
- En listig leed, nadat de goudgedoste
- Van hoogen stam ten huwlijk werd gegeven
-2000 Een jeugdig held, nadat zij Offa's halle [369]
- Op reis bereikt had langs de vale vloeden,
- Naar vaders raad. Sindsdien vervulde deze
- Op haren heerschersstoel op waarde wijze
- Het levenslot, vermaard om hare mildheid.
-2005 Den heldenvorst [370] bewees zij hooge liefde,
- Der menschen besten, volgens mijn ervaren,
- Der menschenzonen bij de beide zeeën.
- Hierdoor was Offa door zijn daân en giften,
- Een speerbehendig man, alom verheerlijkt.
-2010 Hij hield 't bewind met wijsheid over 't erfland.
- Uit hem ontsproot, tot hulp der helden, Eomaer,
- Maag Hemings, Garmunds neef, de sterke in 't strijden. [371]
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-
- Nu ging de held [372] met zijne handgezellen
- Zelf langs het zand, den zoom der zee betredend.
-2015 De wereldtoorts, de zonne, scheen zich wendend
- Vanuit het Zuid [373]. Zij zetten voort de voetreis
- En schreden duchtig door, tot waar zij wisten,
- Dat binnen in den burcht de hulp der helden,
- Verwinnaar Ongentheows [374], de wapenkoning
-2020 De jonge, kampgeduchte, ringen deelde.
- Dan ras was Beowulfs komst bericht aan Hyglac:
- Dat op het erf aldaar de stut der stouten,
- Zijn schildvriend, hofwaarts kwam geschreden, levend
- En gaaf van 't wapenspel. Nu werd er spoedig,
-2025 Gelijk de vorst gebood, een zaal van binnen
- Den voetbereisden gasten opgeredderd.
- Daar zat hij nu [375] hem zelven tegenover
- Hij, welke vele kampen had bevochten,
- Maag over maag, nadat de mannenkoning [376]
-2030 In hooge taal den trouwe had verwelkomd
- Met weidsche woorden. Met de medekannen
- Begaf zich Hareds dochter [377] langs den halbouw;
- Zij stond den lieden lief ten dienst en stelde
- Ter hand de wijnschaal aan de Heide-Gooten.
-2035 En Hygelac begon ter hooge halle
- Op hoofsche wijs zijn huisvriend te ondervragen.
- De lust hem ledebraakte [378], welke waren
- Geweest de tochten van de Water-Gooten.
- «Hoe ging het u op reis, mijn goede Beowulf,
-2040 Toen ge onverwachts besloten waart, om verre
- Den strijd te zoeken over 't zilte water,
- Den kamp in Heorot? Hebt gij dan bij Hrodgar,
- Den hoogen heerscher, eenigszins verholpen
- Het wijdberuchte wee? Om deze reden
-2045 Verduwde ik leed bij 't deinen van de zorgen.
- Den tocht des waarden mans betrouwde ik weinig;
- Ik bad u menigwerf, dat gij den moordgeest
- Volstrekt niet zoeken zoudt en in 't bestrijden
- Van Grendel liet begaan den Zuid-Deen zelven.
-2050 God weet ik dank, u welbewaard te schouwen.»
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
- «o Heerscher Hygelac, niet bleef verholen
- Aan menig man het wijdvermaarde treffen,
- Wat oorlogstijd er tusschen mij en Grendel
-2055 Ontstond op gene stede, waar hij weeën
- In groote menigt schiep den Zege-Schyldings
- En hoon voor 't leven, 'k Heb het al gewroken,
- Dat geen van Grendels broed op aard mag brallen
- Op gindschen uchtendgil [379], die veenomvangen
-2060 Het langst van 't hatelijk geslacht zal leven.
- Eerst ging ik Hrodgar groeten in de ringzaal;
- Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
- Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen
- Van mijn ontwerp. De schare was in weelde;
-2065 Nog nooit ontwaarde ik onder 't hemelwulfsel
- Bij hallevrienden grooter medevreugde.
- Bij wijlen ging der volken vreeverwante [380],
- De statige vorstin, langs heel de halle,
- Aanmoedigend bij 't maal de jonge mannen,
-2070 En menig reis bedeelde zij een ridder
- Met ringsmuk, eer zij heenging naar de rustbank.
- De dochter Hrodgars [381] bood somtijds de bierschaal
- Den hoofden aan, den helden aan de slagspits.
- Ik hoorde deze door de hallegasten
-2075 Freaware heeten, waar zij knopjuweelen
- Den helden gaf. De jonge, goudgehulde
- Was toegezegd den eedlen zoon van Froda [382].
- Het had den Schyldingsvriend [383] zoo goed geschenen.
- Den hoeder van het rijk, en tevens rekent
-2080 Hij 't eene winst, dat hij door deze weerhelft
- De moordwraak, vele veeten mocht beslechten. [384]
- Niet zelden, maar te dikwerf rust de moordspeer
- Een korte wijle na den val des konings, {52}
- Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen.
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-
-2085 Dan mag 't hierom den heer der Headobarden [385]
- En ieder krijger zijner lieden krenken,
- Als hij de zaal betreedt met zijne gade [386],
- En van de Denen daar een edel krijgsknaap
- De schare heeft bediend. [387] Aan dezen schittert
-2090 Des vaders heertuig [388], hard, verrijkt met ringen,
- De kostbre have van de Headobarden,
- Zoolang zij heerschten over hunne wapens;
- Totdat zij wierpen in het schildgeworstel
- De lieve makkers met hun eigen leven.
-2095 Dan spreekt bij 't bier hij, die bespeurt de halsboot,
- Een grijze lansheld [389], wien geheugt het gansche,
- Der trouwen speerdood, (toornen zal zijn ziele)
- En duisterzinnig vangt hij aan de denkwijs
- Des jongen krijgerkonings [390] te ondertasten
-2100 Door zijner ziele zucht, en dan de kampkwaal
- Te wekken en hij spreekt zich uit in woorden:
- «Kunt gij, mijn vriend, nog dezen vochtel kennen,
- Dien onder 't legermasker voor het laatste
- Uw vader in 't gevecht eens met zich voerde.
-2105 De kostbre kling, als hem de Denen doodden,
- Als 't veld behielden na den val des helden
- (Sinds schoot de wraak tekort) de koene Schyldings?
- Nu stapt de zoon van eenen zijner moorders
- Hier door de halle, trotsch op zijne tooisels,
-2110 Nu praalt hij op den moord en draagt het pronkzwaard,
- Hetgene gij rechtmatig moest bezitten.»
- Zoo maant, herinnert hij hem telken male
- Met stekelwoorden, tot de stond eens aanbreekt,
- Dat bloedig inslaapt bij den beet der zwaarden
-2115 En levenloos de dienaar van de vrouwe [391]
- Voor 's vaders daân. Vandaar ontduikt de tweede [392]
- Nog onverlet, hij kent het land ter dege.
- Dan zal der ridders eed van beide zijden
- Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
-2120 En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft [393]
- Door 't zorggezwalp. Des houd ik niet de hulde,
- Der Headobarden heertrouw tot de Denen
- Voor argeloos, {53} noch vast gevest hun vriendschap. [394]
- Ik wil nu verder weer van Grendel spreken,
-2125 Opdat u gansch verneemt, o goudbegever,
- Hoe voorts verliep het vuistgestorm der kampers.
- Zoodra 't juweel der transen [395] was getrokken
- Langs 't aardrijk, kwam de vreemdeling, de kwade,
- De leede nachtbelager ons bestoken,
-2130 Alwaar wij wel te moe de zaal bewaakten.
- Verderflijk viel een kamp ten deel aan Hondscio [396],
- Geweldig sterven aan den doodbestemde.
- Hij sneefde 't eerst de staalomgorde strijder:
- Met zijnen muil werd Grendel tot den moorder
-2135 Van mijn vermaarden maat. Hij zwolg het lichaam
- Des lieven mans geheel. Met leege handen
- Nochtans verlangde toen nog niet bloedtandig
- De wurger, tuk op moord, de woon te ontwijken;
- Maar waagde zich aan mij, de woeste aan krachten.
-2140 Vuistgretig greep hij toe. Hem hing een handschoen [397],
- Zeer wijd en wonderbaar, door tooverbanden
- Bevestigd. Deze was met kunst vervaardigd
- Uit drakevellen door des duivels toedoen.
- Hij wilde mij, de gruwbre wanbedrijver,
-2145 Met menigeen daarbinnen schuldloos bergen.
- Niet kon hij 't evenwel, zoodra ik woedend
- In volle lengte rees. Te lang zal 't wezen
- Te zeggen, hoe ik dezen volksverheerder
- Voor ieder euveldaad het loon uitdeelde.
-2150 Ik heb, mijn vorst, uw volk [398] aldaar verheerlijkt
- Door 't wapenfeit. Hij droop dan weg en luttel
- Genoot hij nog de vreugde van het daarzijn.
- Zijn rechterhand nochtans verried zijn sporen
- In Heort, en hoonvol zonk, in 't hart verbitterd,
-2155 Hij naar den bodem van de zee te zamen.
- De Schyldingsvriend beloonde dezen lijfkamp
- Mij mild met goud en menigte juweelen,
- Nadat de morgenschemer was verschenen,
- En wij gezeten waren aan het feestmaal.
-2160 Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
- Vertelde uit vroeger tijd naar menig vorschend.
- Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
- De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
- Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
-2165 Ofwel de grootgezinde koning zette
- Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid. [399]
- Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
- Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
- Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,
-2170 Wanneer, door winters wit, hij 't aantal nadacht. [400]
- Wij vonden zoo gezelschapsvreugd daarbinnen
- Den ganschen dag [401], tot daalde een tweede nachtstond
- Op 't menschenkroost. Toen was alweer de moeder
- Van Grendel ras gereed tot leedvergelding.
-2175 Daar toog zij troosteloos: de slagdood sleepte
- Haar zoon daarheen, de wapenhaat der Weders.
- Zij wreekte haren zoon 't ongure zeewijf:
- Een ridder doodde zij op ruwe wijze.
- Voor Ascher ging te loor, den grijzen raadsman,
-2180 Den langbeproefden, 't licht. De Denenlieden
- Zelfs konden niet, nadat de morgen naakte,
- Verbranden in den brand den levenlooze,
- Noch laden op de mijt den lieven makker:
- Zij had ontvoerd in haren arm het lichaam
-2185 Des vijands {54} onder aan den val des bergstrooms.
- Voor Hrodgar was 't het wreedste aller weeën,
- Dat trof sinds langen tijd den volksgeleider.
- Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
- Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel,
-2190 Blootstelde mijn bestaan, iets dappers dede.
- Het loon beloofde hij. Ik vond vervolgens
- Den wilden, gruwelijken grondbewaker
- Der wijdbekende kolk. Een tijdlang waren
- Wij handgemeen. Bloedschuimig sloeg de meervloed.
-2195 Toen hieuw ik af het hoofd in gene grondwoon
- Aan Grendels moeder met het wichtig wapen.
- Ik droeg van daar zoo licht niet weg het leven.
- Nog was ik niet bestemd om dan te sterven;
- Maar mij beschonk alweer de schuts der ridders
-2200 Met macht van kostbaarheên, de zoon van Healfdeen.
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-
- Zoo leefde naar het voegt de volksgebieder.
- Volstrekt niet ging mij 't loon, de prijs verloren
- Der heldenkracht, maar Healfdeens zoon bedeelde
- Met zijne schatten mij, tot mijn beschikking.
-2205 Die haak ik u te brengen, heer der mannen,
- Eerbiedig aan te biên. Geheel mijn hulde
- Zij wendt zich weder uwaart [402] {55}. Hoofdverwanten
- Bezit ik luttel meer, tenzij u, Hyglac [403].»
- Het everbeeld gebood hij in te brengen,
-2210 De hoofdbanier [404] {56}; het kampbeheerschend hoofdscherm,
- Het stalen harnas met uitstekend strijdzwaard,
- En sprak dan 't woord:
- «Hrodgar, de wijze koning,
- Gaf mij dit krijgsgewaad; hij wenschte woordlijk,
- Dat ik vervolgens zei diens wedervaren,
-2215 En hij verhaalde, dat de heer der Schyldings,
- Vorst Heorogar [405], het lange had bezeten.
- Toch wilde die aan Hereward, den koenen,
- Zijn zoon, niet schenken deze borstbeschutting,
- Al schatte hij hem hoog. Gebruik het heilvol.»
-2220 'k Vernam, dat na die schatten vier genetten,
- Gelijk en appelvaal, op 't voetspoor [406] volgden.
- Van ros en have deed hij Hyglac hulde.--
- De magen moeten zich alzoo gedragen,
- Geen net der valschheid voor den andre vlechten,
-2225 Noch 's makkers dood bereiden door een toover.
- Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel,
- Aan dezen was de neef geheel genegen.
- Elk hunner was des andren heil gedachtig.--
- Ik hoorde, dat hij schonk aan Hygd den halsring [407],
-2230 Het kunstig wonderwerk, waarmee hem Welchtheow,
- De vorstendochter, had bedeeld; daarboven
- Een drietal slanke, goudgezaalde dravers.
- Versierd was sinds na 't bootgeschenk haar boezem.
- 't Is zoo, dat Ecgtheows zoon zich onderscheidde,
-2235 De kampvermaarde man, door dappre daden.
- Hij leefde volgens eer en velde geenszins
- De met hem aangezeten haardgezellen.
- Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
- Bewaakte met de meeste macht eens menschen
-2240 De reuzengave, hem door God geschonken [408] {57}.
- Hij leefde lang verguisd, zoodat de Gooten
- Hem in 't geheel niet hielden voor heldhaftig,
- En hem de heer der manschap bij de meebank
- Iets koens niet waardig keurde. Zeker waanden
-2245 Zij, dat hij was te loom, een weerloos eedle.
- Een keer gewerd den luisterrijken kamper
- Voor elken hoon. [409] De schuts der ridders, Hyglac,
- De kampberoemde koning, liet het lemmer,
- Met goud belegd, van Hredel binnenbrengen.
-2250 Alsdan bevond zich in den vorm van slagzwaard
- Geen waarder goudgewrocht bij al de Gooten.
- Hij lei 't in Beowulfs schoot en schonk een landmaat [410]
- Van zeven duizend, burcht en koningszetel.
- Hun beiden, bij het volk, was 't land vervallen
-2255 Met grondbezit en recht op 't erfgoed rustend.
- Den tweede [411] viel, den beste van geboorte,
- Er meer, de breede koningsmacht ten beste.-- [412]
-
- Dit viel vervolgens bij de strijdonstuimen [413]
- In later dagen voor: Sinds Hyglac neerlag,
-2260 En Heardred [414] het heirzwaard onder 't schilddek
- Geworden was tot dooder--daar de Schilfings [415],
- De stoute krijgerhelden, hem bestormden
- In 't midden van zijn zegevolk [416] en dezen,
- Den neef van Hererik [417], door kamp benarden--
-2265 Sinds raakte 't breede rijk in Beowulfs handen {58}.
- Wel vijftig winters [418] heerschte deze heilvol,
- (Toen was 't een wijze vorst, een grijze goedsheer)
- Totdat alsdan begon bij duistre nachten
- Een draak te heerschen, die een schat behoedde,
-2270 Een steile steenrots op de hooge heide.
- Een steegje lag beneên, vermoed door niemand.
- Een dienstman, 'k weet niet welke, dook er binnen;
- Begeerlijk greep hij naar het goed des heidens [419],
- Zijn vuist ontvoerde een vaas met gelen goudglans.
-2275 Nochtans hij gaf ze in later tijd niet weder,
- Al had hij door een dievenlist den hoeder
- Beslopen in zijn slaap. Gewaar zou worden
- 't Gewest der mannen, dat hij was in woede. [420]
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-
- Noch eigenmachtig werd tot gast des monsters
-2280 Noch des gewild {59} hij, wien het zeer zou schaden [421];[422]
- Maar door het nijpen van den nood ontslipte
- Een slaaf van zekren heldenzoon de slagen
- Des haats, van huis beroofd, en borg zich binnen.
- De schuldgedrukte schouwde dra in 't ronde;
-2285 Ofschoon den vreemde schrik en zielsontzetting
- Bemachtigd had [423], bemerkte toch de ellendige,
- De armzaalge man, op zoek naar eenen ingang [424],
- Toen hem de vrees beving, het gulden vaatwerk [425] {60}.
- Er waren vele zulke voortijdsschatten
-2290 In 't hol, gelijk in lang verdwenen dagen
- Ik weet niet welke man 't onmeetlijk erfgoed
- Eens eedlen stams, verdiept in zijn gedachten,
- Aldaar verborgen had, het dierbaar pronkwerk.
- Hen allen had de dood voorheen verdreven,
-2295 En nu een enkel nog der schaargenooten,
- Die 't langst er waarde, een vriendbeweenend wachter,
- Verlangde dit alleen nog uit te stellen:
- d'Onmeetbren schat slechts kort te mogen smaken. [426]
- Er rees geheel gereed een doodenheuvel
-2300 In 't veld omhoog, niet verre van de baren,
- Een nieuwe nog, nabij het voorgebergte.
- En wel beveiligd door versperringswerken.
- Der kostbaarheên en ringen hoeder voerde
- Er dan den loggen last van bladgoud binnen
-2305 En sprak in weinig woorden:
- «Wil, o aarde,
- Behoeden, daar de helden dit niet konden,
- Het eigendom der eedlen. Immers dappren
- Ontvingen dit van u [427] in vroeger tijden.
- De lansdood rukte weg, het levenseuvel,
-2310 Elk moedig krijger onder mijne mannen,
- Die 't leven lieten, 't heil des hemels [428] zagen.
- En niemand heb ik nog, die draagt den degen,
- Of wischt den gulden kroes, de weidsche drinkschaal;
- Naar elders is verreisd de ridderschare.
-2315 Den harden helm, gesmukt met goudgesmijde,
- Ontvallen zal hem spoedig zijn versiering:
- De dienaars slapen, die het oorlogsmasker
- Herstelden; insgelijks is nu het strijdhemd,
- Dat bij 't geworstel boven 't schildgeschilfer
-2320 Den beet van 't staal ontbeidde, stuk gebroken
- Na zijnen heer. Niet zal 't geringde harnas
- Nog verre, na den val des oorlogsvorsten,
- Den helden gaan ter zij. Geen harpeweelde,
- Geen vreugde van 't gezellig hout! [429] Geen havik,
-2325 Geen wakkre, klapwiekt langs de woning henen.
- En 't rappe ros het slaat niet meer de slotplaats.
- Zoo sleepte van 't geslacht, het levensvolle,
- Een harde dood er velen verre henen.» [430]
- Dus somberstemmig kermde hij door kommer,
-2330 Na allen nog alleen, en rouwde lustloos
- Bij dag en nacht, totdat hem sloeg om 't harte
- De deining van den dood.
- De schoone schatten
- Vond openstaan de aloude schemervijand,
- Die barnend bergen [431] zoekt, de naakte nooddraak,
-2335 En ommevliegt des nachts met vuur omvangen.
- Hem hadden wijd ontwaard de grondbewoners.
- Hij zoekt de schatten binnen in den bodem,
- Alwaar hij wacht houdt bij de heidenhave,
- Aan winters oud. Niet beter zal 't hem wezen [432].
-2340 Zoo had driehonderd jaar de volksverheerder
- 't Gezegde goudhuis in den grond bezeten,
- 't Onmeetbre, tot hem gene man [433] vertoornde
- In zijn gemoed. Die bracht nu bij zijn meester [434]
- De gouden vaas en bad den vorst om vrede.
-2345 Zoo werd 't juweel ontdekt, de ringenrijkdom
- Geschend, de wensch des armen mans bewilligd.
- De meester staarde op 't oud gewrocht der menschen
- Voor de eerste maal. Als 't monster weer ontwaakte,
- Was 't strijdgeding vernieuwd. De stoutgestemde
-2350 Berook de rots en vond des vijands voetspoor,
- Die door geheime hulp te gauw ontglipte,
- Ofschoon niet verre van het hoofd des vuurdraaks.
- Licht mag zoo met het leven leed, verbanning
- Ontgaan hij, die behoudt de gunst des Heeren. [435]
-2355 Nu speurde gretig langs den grond de hoeder
- Der have; want hij wou den dief ontdekken,
- Die hem bereid had in zijn rust die kwelling,
- En blakend, toorn gezwollen zwierf van buiten
- Hij menigmalen om den heuvel henen.
-2360 Geen wezen was in deze woestenije;
- Nochtans hij juichte toe den kamp, het krijgswerk. [436]
- Soms stoof hij naar den berg en zocht den beker;
- Hij merkte dit weldra [437], dat een der menschen
- Had weggekaapt het goud, de keurjuweelen.
-2365 Ter nauwernood vermocht de schatbeschutter
- Te wachten tot de schemer was verschenen
- Des heuvels hoeder was ontbrand in woede;
- De vijand wou met vuur en vlam vergelden
- Den kostbren kroes. Nu was de dag verdwenen,
-2370 Den draak naar wil en wensch. Niet langer wilde
- Hij hokken in het hol, maar vloog met vlammen,
- Met vuur gewapend weg. 't Begin was gruwzaam
- Den lieden in het land, gelijk het spoedig
- Met scha zou einden voor hun schattenplenger [438].
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-
-2375 De gast alsdan begon zijn gloed te braken,
- De weidsche heerenhoven [439] weg te branden.
- Den stervling tot ontzetting steeg de vuurschijn.
- Zoo haakte hij, de leede luchtbezeiler,
- Niets levendigs er overig te laten.
-2380 Het woeden van den worm was wijde zichtbaar,
- Des doodelijken veete heinde en verre,
- Op welke wijze deze kampbekneller
- De helden van de Gooten haatte en hoonde.
- Dan schoot hij weder weg bij zijne schatten,
-2385 De duistre wonderhalle, vóór den dagstond.
- Hij had omstrikt met brand de streekbewoners,
- Met vuur en vlam. Hij bouwde op zijne bergrots,
- Op strijd en wand [440]. Toch faalde die verwachting.
- Toen werd naar waarheid ras bericht de schrikmaar
-2390 Aan Beowulf, dat zijn eigen dak, het heerlijkst
- Der huizen, werd verteerd door 't vlamgewentel,
- Der Gooten giftgestoelt [441]. Dit was den goede
- In 't harte leed, het hevigst zielelijden.
- De wijze waande, dat hij, tegen de oude
-2395 Geboden in, den Heer, den eeuwgen Heerscher,
- Geweldig had vertoornd. Inwendig woelde
- Zijn binnenst bij die duistere gedachten,
- Gelijk het geen gewoonte was bij dezen. [442]
- De vuurdraak had den volksburg met de meerkust [443]
-2400 Daarbuiten, heel 't gebied verteerd door vlammen.
- Des zon de wapenvorst, de heer der Weders,
- Op wederwraak. Der strijders heul bestelde,
- Te klinken heel van staal een kunstig kampschild,
- Der helden heer; hij wist het wel, dat boschhout,
-2405 Het lindeschild niet vrijde voor de laaie.
- Zoo zou nu de edelman, de lang verwachte,
- Het einde zien der wisselzieke dagen,
- Des levens hier omlaag, en 't monster mede.
- Al had het lang [444] bewaard de macht juweelen.
-2410 De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
- Nochtans den ommevlieger aan te tasten
- Met strijders, met een uitgestrekte heermacht.
- Hij vreesde dit gevecht niet voor zich zelven [445],
- Noch stelde hoog de strijdkracht van den vuurworm,
-2415 Zijn sterkte en stoutheid; want gevaren wagend
- Had hij voorheen bevochten vele kampen
- De kampverwoede, sinds hij Hrodgars woning
- De zegerijke krijger, had gezuiverd
- En in 't gevecht vergruisd het oir van Grendel,
- Het heilloos zaad.
-2420 Niet kleinst was 't handgemengel [446]
- Geweest, alwaar men Hyglac had verslagen,
- Toen deze Gootenvorst, der volken heervriend,
- Bij 't slaggestorm in Friesland was gestorven,
- De zoon van Hredel, door den dronk der zwaarden,
-2425 Gedood door 't staal. Van daar ontsnapte Beowulf
- Door eigen sterkte en stelde in 't werk de zwemkunst.
- Hij droeg alleen op de armen dertig rustings [447]
- Bij 't duiken in den vloed. De Franken [448] dorsten
- Om 't voetgevecht geenszins praalzuchtig wezen,
-2430 Die op hem toe de houten schilden torsten [449],
- 't Gelukte alleen aan weinigen, om weder
- Te ontkomen van den kampheld [450] naar de haardstee.
- En Ecgtheows zoon doorzwom de stille strooming,
- Een arm verlateling, ten lieden weder, [451]
-2435 Waar Hygd hem 't rijk met schat en ringen aanbood
- En koningstroon: Zij stelde geen vertrouwen
- In haren zoon [452], dat hij het stamgestoelte
- Vermocht te houden tegen vreemde heermacht,
- Thans nu dat Hygelac was overleden.
-2440 Niet zouden zij, verlatenen [453], erlangen,
- Op welke wijs dan ook, van dezen eedle,
- Dat hij voor Heardred worden zou de heerscher,
- Ofwel het koningschap zich wilde kiezen.
- Nochtans hij schraagde hem aan 't hoofd der schare
-2445 In gunst en eer met goedgezinde lessen,
- Tot Heardred ouder werd, beval den Weders. [454]
- Hem [455] hadden langs de watren bannelingen, {61}
- De zonen Ochters [456], opgezocht. Zij hadden
- Zich tegen hunnen Schilfingheer [457] vergrepen,
-2450 Den waardsten zeevorst hunner, welke schatten
- Deelden in 't Zwedenrijk, een roemvol koning.
- Dit zou voor Heardred zijn des levens grenspaal:
- Voor zijn onthaal [458] ontving de zoon van Hyglac
- De doodswond door het zwaaien van de zwaarden.
-2455 Nu rukte weer terug, de woon te zoeken,
- Sinds Heardred nederzeeg, de zoon van Ongentheow. [459]
- Hij liet den heerscherszetel Beowulf houden,
- Het volk [460] gebieden. 't Was een beste koning! [461]
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-
- Doch op vergelding voor den val des vorsten [462]
-2460 Was hij [463] bedacht in later dagen. Eadgils
- Gewerd hij tot een vriend, den vreugdeloozen.
- Hij steunde langs de wijde zee met leger,
- Met weerbren en met wapens Ochters afkomst.
- Sinds wreekte die [464] zijn koud en zorgvol dolen {62}
-2465 En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer [465].
- Alzoo had Ecgtheows zoon bestaan elk strijden, [466]
- Elk slimmen slag en elk geweldig waagstuk,
- Tot dezen eenen dag, waarop hij diende
- Te worstlen met den worm. Van woede blakend
-2470 Begaf, als een der twaalf, de Gootenkoning
- Zich heen, den draak te zien. Hij had vernomen,
- Hoe was verwekt de haat, der helden onheil,
- Want door ontdekkers [467] hand was 't heerlijk pronkvat
- Geraakt in zijnen schoot. Hij was der schare
-2475 Dertiende strijder die 't ontstaan der twisten
- Berokkend had. Geboeid en bang in 't harte
- Zou deze hun de hooge vlakte duiden.
- Dus toog hij tegen wil en wensch er henen,
- Tot waar hij wist te zijn gezegde grondwoon,
-2480 De grafstee in den grond, nabij de baren,
- Het kolkgeklots. Zij was gevuld inwendig
- Met smuk en draadjuweel. De ongure wachter,
- De reede strijder, hoedde steeds den rijkdom,
- Grijs onder zijnen grond. Niet licht te erlangen
-2485 Was dit een zaak voor wie het zij der menschen.
- Daar zat ter klip de kampgeharde koning,
- Terwijl hij heil zijn haardgenooten wenschte,
- Der Gooten goudvriend. 't Harte was hem weevol,
- Onstadig, stervenszwaar. Zeer na was 't noodlot,
-2490 Dat groeten zou den grijs, den schat der ziele
- Opzoeken zou en 't lijf van 't lichaam scheiden.
- Niet langer zou voortaan de levensadem
- Des edelmans omhuld zijn met den vleesche.
- En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
-2495 «Ik heb in mijne jeugd wel menig heerstorm
- En oorlogstijd gehard; mij heugt het gansche.
- Ik telde zeven winters, toen de schatheer,
- Der schare vorst en vriend, mij aan mijn vader
- Ontnam; mij hield en had de heerscher Hredel.
-2500 Hij gaf me goud en maal, gedacht de maagschap.
- Ik was voor hem op 't huis, zoolang hij leefde,
- Geen minder man dan een van zijne zonen,
- Dan Herebald en Hadcyn of mijn Hyglac.
- Den oudsten [468] werd op onverdiende wijze
-2505 Gespreid het doodsbed door des broeders daden,
- Toen Hadcyn hem vermoordde met den hoornboog,
- Door middel van den pijl zijn vriend en meerdre [469],
- Toen hij zijn maag, het doelwit missend, doodde,
- De broer zijn broer, met bloedbespatte werpspies.
-2510 Dat was een onverzoenbaar [470] wapenmisdrijf,
- Begaan te roekeloos en geestafmattend
- Voor het gemoed [471]. Des ondanks moest de jonker
- Uit deze wereld ongewroken wijken:
- Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,
-2515 Dat ginds zijn zoon [472], de jonge, rijdt aan 't galghout.
- Dan moge hij 't weemoedig lied [473] verheffen,
- Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
- De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
- Verleenen kan, bejaard en hoog van leeftijd.
-2520 Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
- De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren [474];
- Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder [475]
- Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot,
- Nu de een met stervensdwang ervoer den doodslag.
-2525 Dan in de woon des zoons [476] bestaart hij zorgvol
- De woeste hal, een wijkplaats voor de winden,
- Beroofd van 't feestgeruisch. Hij rust de rijder,
- De held, in 't heuvelgraf {63}. Geen harpgefluister,
- Geen juichtoon heerscht in 't huis, gelijk voorhenen.
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-
-2530 Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied [477],
- De eene om den eene [478]. 't Leek hem alles
- Te ruim [479], en veld en woon. Zoo torste woelend
- De schuts der Wederliên het wee des harten
- Om zijnen Herebald. Hij kon de bloedschuld
-2535 Niet in het minste wreken op den moorder,
- Ook mocht hij evenmin den strijder straffen
- Met strenge daân, al was hem die niet dierbaar [480].
- In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
- Verliet hij toen der menschen lustgewemel
-2540 En zocht het licht van God. Hij liet den zonen [481]
- Dan na het land met heerschersburcht, als handelt
- Een schatrijk man, bij 't scheiden uit het leven.
- Nu was het twist van Zweed en Goot en tweedracht
- En wederzijdsche kamp langs 't wijde water,
-2545 Een felle strijd, als Hredel was gestorven,
- En krijgsgeducht en koen het kroost zich toonde
- Van Ongentheow [482]. Zij wilden langs het water
- Geen vrede voeren, doch volbrachten dikwerf
- Bij Hreosnaberg [483] gevreesde stroopersvaarten.
-2550 Dit alles wreekten mijn verwante vrienden [484],
- Die list en lagen, naar het werd vernomen;
- Schoon de eene 't moest betalen met het leven,
- Met eenen harden koop: voor Hadcyn immers,
- Den Gootenkoning, werd de kamp verderflijk.
-2555 'k Vernam, dat bij den morgen met de bijlspits
- Een maag [485] den andren [486] op den moorder wreekte,
- Waar Ongentheow te zamen trof met Eofor {64}.
- De strijdhelm botste stuk, de grijze Schilfing [487]
- Hij stortte neder, door het staal bestorven.
-2560 De hand [488] geheugde zich de reeks van rampen
- En trok zich niet terugge tot den doodslag,
- 'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,
- Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk
- Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was.
-2565 Hij gaf me land en goed, 't genot des erfgronds.
- Behoefte had hij geen om bij de Gifden [489],
- Den Zwaard-Deen, of in 't Zwedenrijk te zoeken
- Een zwakker kampgezel [490], met goud te koopen.
- Steeds wilde ik in zijn schaar de voorste wezen,
-2570 Ter legerspits alleen {65}. En zoo voor 't leven
- Zal 'k slagen slaan, zoolang dit lemmer 't uithoudt,
- Dat mij zoo vaak, voorheen als later, volgde,
- Nadat ik door geweld Daghrefnes wurger
- Geworden was, den oorlogsheld der Hugen [491].
-2575 Niet kon hij 't keurjuweel den Friezenkoning,
- Den borsttooi brengen, want hij viel de vaandrig [492]
- In dezen krijg, de held in zijne krachten.
- Niet werd het staal zijn dooder, maar mijn strijdvuist
- Verbrak het bruisend harte bij 't gebeente.
-2580 Nu zal de punt van dit rapier zich kwijten,
- De hand, het scherpe zwaard om deze schatten.» [493]
- Voor 't laatst zei Beowulf, zich door 't woord verbindend:
- «Ik waagde menig kamp in mijne jonkheid;
- Nu wil ik, grijze wachter van de volken,
-2585 Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven,
- Mocht uit zijn krocht de booze mij bekrijgen.» [494]
- Hij groette eeniegelijk van zijne lieden,
- Zijn dappre helmgedosten, voor het laatste,
- De trouwe tochtgezellen: «'k Zou den degen,
-2590 Het wapen naar den worm niet willen voeren,
- Indien ik wist, op welke wijs ik anders
- Mijn kampwoord [495] houden kon met dezen daemon;
- Zooals ik eens met Grendel heb gehandeld.
- Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur,
-2595 Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens
- Het schild en krijgerkleed. Ik wil niet wijken
- Een voetbreed voor den hoeder van den heuvel,
- Den grimmigen dooder; doch nabij den bergwand
- Gebeuren zal 't aan ieder van ons beiden,
-2600 Als Wyrd het heeft beschikt, der menschen Schepper. [496]
- 'k Ben stoutgestemd van zin, zoodat ik daarlaat
- De uitdagingswoorden tot den kampgewiekte.
- Verbeidt gij bij den berg, beschut door 't harnas,
- Gij strijders in het staal, wie 't best van beiden
-2605 Kan onderstaan de wonden na de strijdvlaag.
- Niet uwe taak is dit, niet toegemeten
- Aan een der mannen, dan aan mij den ééne,
- Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte
- En ridderdaân verricht. Ik wil geweldig
-2610 Verwerven 't goud, ofwel zoo rukt de worsteling,
- Het harde levenseuvel mee uw heerscher.»
- Nu rees op 't schild de roembekroonde kamper
- Omhoog, de stoute met den helm, en stapte
- In zijne rusting onder 't rotsgevaarte,
-2615 Slechts steunend op de sterkte van een enkle [497].
- Dat blijkt de handelwijze niet eens bloodaards!
- Toen merkte bij den muur hij, die een menigt
- Gevechten had bestaan, de uitstekend dappre,
- De onstuime bij den strijd, als legers stormden,
-2620 Dat daar een rotsboog stond, vanwaar een stortbeek
- Uitbruiste van den berg; het brongeborrel
- Was brandend door 't vijandig vlammenbraken.
- Niet was hij bij den buit [498] in staat, een stonde
- Het ongedeerd te houden in de diepte,
-2625 Uit hoofde van het vuur des draaks. De heerscher
- Der Wester-Gooten liet nu woorden schallen
- Uit zijnen boezem, want hij was verbolgen.
- De koengezinde riep, en kampschel bruiste [499]
- De stem naar binnen onder 't grauw gesteente.
-2630 De haat was opgehitst. Der schatten hoeder
- Vernam de stem eens mans. Er schoot geen stonde
- Meer over tot het treffen van den vrede.
- Des vijands adem kwam het eerst te voorschijn
- Vanuit het rotsgesteent, het gloeiend strijdzweet.
-2635 De bodem dreunde. Bij de bergkloof schudde
- De held het schild, der Gooten heerscher, tegen
- d'Ontzettingsgast. De zin des ringgekromden
- Was nu geneigd om een gevecht te aanvaarden.
- De dappre krijgerkoning had den degen,
-2640 't Voorvaderlijke zwaard met vlijmend lemmer
- Te voren al gevat, en boosheid broeiend
- Gevoelden beiden ijzing voor elkander.
- Sterkmoedig stond hij bij den breeden schildrand
- Der vrienden vorst, terwijl de worm zich ijlings
-2645 Te zamen wond. Hem wachtte hij in 't harnas.
- Roodgloeiend kwam die kronklend aangegleden,
- Al tuimlend toegeschoten. 't Schild behoedde
- Den wijdbekenden vorst een korter wijle
- Dan zijn verlangen zocht, het lijf en 't leven; [500]
-2650 Daar hij alsdan den eersten keer, de koene
- Te midden der gevechten, moest ervaren,
- Hetgeen hem nooit het noodlot had beschoren. [501]
- Der Gooten heerscher zwaaide hoog de rechte
- En sloeg den gloedontzetbre met het slagzwaard,
-2655 Zoodat het wapen gleed, het blauwgeglansde,
- Op zijn gebeente. Minder hevig beet het [502]
- Dan hij behoefte had de volksbeheerscher
- Door nood genoopt. Nu was de heuvelwachter
- Na dezen wapenstrook in wilde stemming.
-2660 Hij wierp versmachtend vuur, in 't wijde sprongen
- De stralen van den strijd. Der Gooten goudvriend
- Bazuinde geenszins uit zijn zegeluister.
- Nu zwichtte 't zwaard, het blanke, bij den aanval,
- Als 't niet gemoeten, 't langbeproefde lemmer.
-2665 Het was geen blijde weg, als Ecgtheows afkomst,
- De stoute, zijne stelling [503] zocht te ontruimen;
- Naar elders [504] moest hij om des monsters wille
- Verwisselen van woning. Ieder wezen
- Zal desgelijks verlaten 't wufte leven.
-2670 Het leed niet lang daarna, of nogmaals stieten
- De kampers op elkaar. De schatbeschutter
- (Zijn boezem bolde door 't geschuifel) schepte
- Een tweede male moed; weer duldde doodsangst,
- Met vuur omvaâmd, die eerst het volk bestuurde [505] {66}.
-2675 Niet drongen in een drom de handgenooten
- Om hem met heldenzin, der eedlen zonen,
- Maar scholen in het bosch en borgen 't leven.
- Bij éénen hunner woelde 't hart met zorgen:
- Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap
-2680 Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren [506] {67}.
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-
- Wiglaf, zoo heette hij, de zoon van Weohstan,
- Een waarde schildgenoot, een vorst der Schilfings [507],
- Alfheres bloedverwant. Hij zag zijn heerscher
- De laaie dulden onder 't legermasker.
-2685 Hij was alsdan het eigendom gedachtig,
- Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,
- De weeldevolle woning der Waegmundings [508],
- Elk volksbezit [509], gelijk bezat zijn vader.
- Zich houden kon hij niet. Zijn hand omvatte
-2690 Den beukelaar, den gelen bast der linde.
- Hij toog den ouden degen, die het erfstuk
- Eánmundes, Ochters zoon, was bij de menschen;
- Aan welken vreugdeloozen zwerver [510] Weohstan
- Tot dooder werd in 't wapen door de zwaardspits.
-2695 En Weohstan bracht daarop aan diens verwanten [511]
- Den bruingebronsden helm, 't geringde harnas,
- Het oude zijdgeweer, het werk der reuzen.
- Dit schonk hem [512] Onela: de legerkleeren
- Zijns maags, het treflijk heertuig; maar hij repte
-2700 Niet van de vijandschap, ofschoon dat Weohstan
- Toch had ontzield den zoon van zijnen broeder {68}
- Die kostbaarheên behield hij [513] vele jaren,
- Rapier en rusting, tot zijn zoon eens roemdaân
- Volvoeren zou, gelijk weleer de vader.
-2705 Hij gaf hem dies te midden zijner Gooten
- Ontelbre legerkleên, als hij het leven
- Verliet, de hoogbedaagde, voor de heenreis.--
- 't Was de eerste keer voor dezen jongen kamper [514],
- Dat hij den heerstorm waagde met zijn meester.
-2710 Niet smolt zijn moed daarheen, noch miste 't slagzwaard
- Des vaders in 't gevecht. Dat zou ervaren
- De reuzenworm, nadat zij slaags geraakten.
- Wel menig richtig woord verkondde Wiglaf
- En zei (zijn zin was droef) tot zijne makkers:
-2715 «Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen
- En in de hal aan onzen heer beloofden,
- Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings
- Vergelden zouden, mocht hem zulke nooddwang
- Gemoeten, en den helm en 't harde lemmer. [515]
-2720 Daarom toch koos hij ons tot deze kampvaart,
- Te midden zijner schaar, naar eigen schikking,
- En maande ons aan tot moed en schonk mij schatten,
- Omdat hij ons aanzag voor dappre speerlui,
- Helmvoerders onvervaard; al dacht de heerscher
-2725 Dit krachtbestaan alleen tot stand te brengen,
- De volkenmenner, daar hij 't meest der mannen
- Roemdaden heeft verricht en stoute stukken.
- Nu daagde hij de dag, dat onze heirvorst
- De krachten noodig heeft van kloeke krijgers.
-2730 Op! toegestormd, den oorlogsvoogd te steunen,
- Terwijl de hitte duurt, de wilde vuurvrees.
- God weet van mij: mij ware 't wenschelijker,
- Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler [516]
- Het vuur omving. Niet dunkt me dit betaamlijk,
-2735 De schilden weer te brengen naar de woning,
- Tenzij wij eerst den vijand kunnen vellen
- En 't leven hoeden van den Wederhoofdman.
- Ik weet het maar te wel, dat zóó niet waren,
- Zijn daân van vroeger her, dat deze, de eenge
-2740 Der Gootenridders, dulden zou den rampspoed [517]
- En vallen in 't gevecht. Ons beiden blijve
- Vereenigd kling en helm met schild {69} en harnas.» [518]
- Hij stapte door den doodelijken stikwalm [519],
- Den vorst tot steun aanrukkend met het strijdhoofd [520],
-2745 En zei in weinig woorden: «Beste Beowulf,
- Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger
- Gezegd hebt in uw jeugd. Gij zoudet nimmer
- Uw eere laten zinken bij uw leven.
- Gij daadberoemde, vastberaden heerscher,
-2750 Gij moet althans met alle macht uw leven
- Behoeden. Ik verleen u mijne hulpe.»
- Na deze woorden kwam het woedend ondier,
- De gruwe moordgast, voor de tweede male,
- Omblaakt door 't vlamgeblaas, op zijn bestokers
-2755 Zich storten, zijn gehate tegenstanders.
- 't Rondas verteerde door het vuurgekronkel
- Tot op den rand. [521] Beschutting kon de rusting
- Den jongen lansenzwaaier niet verleenen;
- Maar onder 't schild des bloedverwants verschuilde
-2760 De borst zich dan gezwind, omdat het zijne
- Vergaan was in den gloed. De krijgerkoning
- Was dan nog eens zijn heldendaân gedachtig.
- Hij rukte neer met reuzenkracht het kampzwaard,
- Zoodat het in het drakenhoofd zich hechtte,
-2765 Geperst door woest geweld. Daar sprong in splinters
- Zijn Nageling; het zwaard van Beowulf zwichtte
- In dit gevecht, het oude, vaalgevlamde.
- Het was hem niet verleend, dat stalen lemmers
- Hem helpen konden in den kamp. Zijn handgreep
-2770 Was al te kloek, die elke kling, mijns wetens,
- Bij 't treffen overmocht. Al bracht hij mede
- In 't krijt het hardste zwaard, het kon niet helpen.
- Ten derden male was de volksverderver,
- Het dreigend vuurgedrocht, den kamp indachtig.
-2775 Het rukte, nu daartoe zich bood de ruimte {70},
- Den sterke tegen, gloeiend, strijdontstoken,
- En knelde heel den hals met scherpe kaken.
- Hij [522] werd geheel met hartebloed bedropen,
- In golven gulpte weg het vocht der wonde.
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-
-2780 'k Vernam, dat nu in dezen nood des konings
- De rechtgesprongen held zijn spierkracht toonde,
- 't Geweld, de stoutheid, als hem eigen waren.
- Niet telde hij zijn leven {71}, daarentegen
- Werd heel de hand verbrand des koenen kampers,
-2785 Terwijl hij zijnen bloedverwant verweerde;
- Zoodat hij luttel lager stak den strijdgast [523]
- De ridder in 't kuras; zoodat de degen,
- De glimmend gulden, binnengleed en 't gloeien
- Van lieverleên nu aanving na te laten.
-2790 Toen kwam de koning weder tot bewustzijn.
- Hij zwaaide 't slagmes, scherp, ten kamp geslepen,
- Hetgeen hij op het harnas droeg. Nu hakte
- De Wederschuts den reuzenworm doormidden.
- Hij velde neer den vijand, dreef de ziele
-2795 Naar elders [524] heen {72}. Zoo hadden zij de beide
- Door 't bloed verbonden eedlen hem gebroken.--
- Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen--
- Den landheer was 't de laatste zegestonde
- Voor eigen daân, het jongst bedrijf op aarde.
-2800 Alsdan begon de wonde, die de gronddraak
- Had toegebracht, te branden, op te zwellen.
- Hij werd weldra gewaar, dat doodlijk woeden
- Hem golfde door de borst, het gift van binnen.
- Voort ging de vorst, totdat hij bij den bergwand
-2805 Wijszinnig op de zitplaats nederzakte.
- Hij liet den blik op 't werk der reuzen weiden,
- Hoe dat het steengewelf, gesteund door pijlers,
- In zijnen schoot verschool de grijze grondwoon.
- Nu laafde hem met water [525] eigenhandig,
-2810 Den kampbebloeden vorst, den wijdgevierden,
- De held bij uitstek vroom, den vriend en heerscher,
- Des strijdens moe [526]; hij maakte los den hoofdhelm.
- En Beowulf zei, gebukt op zijn kwetsuren {73},
- De doodelijke wond: (Hij wist ter dege,
-2815 Hij had beleefd het tijdsbeloop der dagen,
- Het heil der aard; nu was geheel verstreken
- Der dagen tal en gansch nabij het doodsuur.)
- «Ik zou mijn zoon de legertooisels laten,
- Indien mij eenig erfbewaarder ware
-2820 Na mij bestemd, vermaagschapt met mijn lichaam. [527]
- 'k Bestuurde deze stammen vijftig winters;
- Van al de buren was geen volksgebieder,
- Die zich vermat door middel van de zwaarden
- Mij aan te klampen, mij met angst te omklemmen.
-2825 Op 't stamgoed sleet ik mijne lotsbestemming,
- Bewaarde wel het mijne, zocht geen moordlist,
- Noch legde menig eed af [528] onrechtmatig.
- Dus mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
- Om 't al verheugen; want de Heer der menschen
-2830 Zal mij den moord niet wijten van de magen,
- Nu dat mijn leven scheiden gaat van 't lichaam.
- Begeef u gauw, den schat te schouwen, onder
- Het vale rotsgevaart, mijn waarde Wiglaf,
- Nu nederligt de worm en weedoornageld
-2835 Den sluimer [529] slaapt, beroofd van zijnen rijkdom.
- Nu rep u voort, dat ik den schat des voortijds,
- De gouden have zie, geheel bestare
- De kunstgesteenten, stralend als de hemel;
- Opdat ik na de volheid van kleinooden
-2840 Het leven des te lichter mag verlaten,
- De stamgenooten, die ik lang bestuurde.»
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-
- 'k Vernam, dat onverwijld de zoon van Wichstan
- Na deze woorden zijn gewonden koning
- Gehoorzaamheid bewees, den kampgeknakten,
-2845 En dat hij onder 't rotsdak voorwaarts rukte
- In 't ringnet, zijn gevlochten oorlogsrusting.
- De zegerijke zag bij 't gaan ter zitplaats [530], {74}
- De koene ridder, vele schijfsieraden,
- Het goudgestraal, zich strekkend langs den bodem,
-2850 De wondren langs den wand. Hij zag het leger [531]
- Des vlammendraaks, des ouden uchtendvliegers,
- Ook kruiken staan [532], der voortijdsmenschen kroezen,
- Beroofd van schenkers, met ontrukte tooisels.
- Daar rustte menig helm, aloud en roestig,
-2855 En menig smuk des arms, met smaak gevlochten.
- Licht kan zulk goed, zoo'n goudschat langs den bodem,
- Verblinden wie 't ook zij der menschenzonen. [533]
- Hij hoede zich, alwie zich wil vrijwaren!
- Daar zag hij insgelijks een standerd liggen,
-2860 Geheel van goud, hoog boven op de have.
- Het was het heerlijkst wonderwerk der handen,
- Getrensd door vlechtersvlijt. Een schijn ontschoot er,
- Zoodat hij volgen kon de bodemvlakte
- En in het rond beschouwen al de schatten.
-2865 Van draak geen zweem, hem had toch 't zwaard verdorven.--
- Ik hoorde, hoe de krijger [534] in den heuvel
- De schatten roofde, 't oud gewrocht der reuzen,
- Met schaal en schotels zijnen schoot belaadde
- Naar kust en keur. Ook nam hij met zich mede
-2870 De banderol, het luisterrijkste teeken.
- De degen had geschaad den schatbeheerscher [535],
- (Van staal was 't lemmer) hem, die lange jaren
- De hoeder was geweest van die juweelen {75}.
- Hij had verbreid de heete brandontzetting,
-2875 De moordgewiekte, om 't goud, bij middernachten
- Totdat hij sneefde door den dood der wapens.
- De bode [536] liep, verlangend naar de weerkomst,
- Door 't goud genoopt [537]: hem kwelde 't nieuwsverlangen,
- Of hij, de hooggezinde, nog den heerscher
-2880 Der Weders levend weder zoude vinden,
- In zijne kracht gefnuikt, te zelfder stede,
- Alwaar hij kortelings hem had verlaten.
- Nu vond hij met zijn schat den hoogen meester,
- Zijn bloedbegruisden vorst, aan 's levens grenspaal.
-2885 Alweer begon hij dien met nat te werpen,
- Totdat de punt der woorden door het hulsel
- Des boezems binnendrong. En Beowulf zeide,
- De grijsaard in zijn zorg: (hij zag den goudschat.)
- «Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
-2890 Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
- Voor al de schatten, die ik hier beschouwe,
- Omdat ik deze vóór mijn stervensstonde
- Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
- Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
-2895 Nu lenig gij de nooddruft van de lieden.
- Ik mag voortaan niet langer hier [538] vertoeven.
- Beveel den strijdberoemden [539], op te richten
- Een heuvelgraf een heerlijk, na de houtmijt [540],
- Niet verre van der baren voorgebergte.
-2900 Het zal aldaar, mijn mannen tot gedachtnis,
- Zich hemelwaarts op Hrones klip [541] verheffen,
- Opdat nadien de zeebezeilers 't heeten
- De Beowulfshoogte, zij die hunne bodems
- Ver henendrijven door der golven duister.»
-2905 Vervolgens hief hij van den hals de goudwrong [542],
- De boudgestemde vorst; hij gaf den strijder,
- Den jongen speergeharden, zijnen hoofdhelm,
- Goudgeluw, met zijn ring en wapenrusting
- En hoopte, dat het tot zijn heil zou dienen:
-2910 «Van heel ons maagschap, van de Waegemundings
- Zijt gij de laatste rest; het noodlot rukte
- Mijn stamgenooten naar hun lotsbestemming,
- De krijgers in hun kracht. Ik volg hun voetspoor.»
- Dit was des grijzen jongste woord in 't binnenst
-2915 Van zijnen boezem, voor hij koos de vuurmijt,
- Het heete strijdgegolf [543]. Vanuit het harte
- Ging zijne ziel het heil der heilgen zoeken. [544]
-
-
-
-
-
-XXXIX.
-
-
- Zoo droeg het zich dan toe op droeve wijze
- Voor dezen jongen borst, dat hij ten bodem
-2920 Den liefste zag, op d'uitgang van het leven,
- In hulpeloozen staat. Ook lag de dooder,
- Van 't levenslicht beroofd, de gruwbre gronddraak,
- Daar neder, door den stervensnood bedwongen.--
- De kromgewonden worm hij kon niet langer
-2925 Beschikken over dezen schat van ringen;
- Want hem had weggerukt de snee der wapens,
- Der hamers smeedwerk, hard, gewet ter worstling,
- Zoodat de zwerver, roerloos door de wonden,
- Ten gronde nederbonsde naast de schatwoon
-2930 En langer niet bij middernacht door 't luchtruim
- Klapwiekend waarde en trotsch op zijn bezitting
- Zijn wezen toonde. Maar hij werd ten gronde
- Gedreven door het vuistgeweld des vorsten.
- Het ware wis gelukt aan geen, mijns wetens,
-2935 Der mannen in het land, der machtbezitters,
- Al mocht hij zijn tot elke daad vermetel,
- Van in te gaan op 't snuiven van den gifdraak
- En met de hand de ringzaal aan te randen,
- Indien hij daar den wachter wakend aantrof,
-2940 Genesteld in den berg. Zoo werd aan Beowulf
- Zijn gansche puikschat door den dood vergolden, [545]
- En bracht het elk van beiden tot den eindpaal
- Van 't wufte leven.--'t Leed hierop niet langer,
- Of zij verlieten 't houtgewas de lafaards,
-2945 De loome trouwverzakers, tien te zamen,
- Die welke 't flus niet waagden, met de speren
- Te vechten bij den hoogsten nood huns vorsten.
- Zij naakten nu beschaamd met hunne schilden
- En wapenrustings, waar de grijsaard rustte;
-2950 Naar Wiglaf zagen zij. Hij zat de voetheld
- Vermoeid nabij den schouder van zijn meester
- En wekte hem met water [546]. Niet gelukte 't.
- Niet kon hij, gunde hij het hem ook gaarne,
- Op aard des hoofdmans leven tegenhouden,
-2955 Noch wijzigen in 't minst den wil des Scheppers.
- De macht der Godheid wilde gansch het menschdom
- Met daân beheerschen; als Hij doet tot heden. [547]
- Nu waren gramme woorden bij den jonker
- Voor allen licht te ontvangen, die te voren
-2960 Verloren hadden hunne heldenkoenheid.
- En Wiglaf zeide dan, de zoon van Wichstan,
- De held in 't hart bedroefd, de schuwbren [548] schouwend:
- «Wel mag, wie waarheid spreken wil, beweren,
- Dat uw gebieder, die u bood die schatten,
-2965 Dat strijdgewaad, waarin gij staat gestoken--
- Toen deze bij den bierdisch menigmalen
- Aan zijne halgenooten helm en pantser
- Uitdeelde, hij de heerscher aan zijn helden,
- De beste [549], die hij, 't zij nabij of verre,
-2970 Maar ergens vinden kon--dat die den kamptooi
- Geheel en al verdeed [550] op doembre wijze,
- Nu dat hem dit gevecht heeft overvallen.
- De volksbestuurder had volstrekt niet noodig
- Zich trotsch te toonen op zijn tochtgenooten.
-2975 Toch gunde God, de gever van de zege,
- Dat hij alleen zich wreekte met het lemmer,
- Toen hij behoefte had aan heldenkrachten.
- Ik kon hem luttel lijfbeschutting schenken [551]
- Bij 't strijden, doch begon niettegenstaande
-2980 Den maag te helpen boven mijn vermogen.
- Te zwakker werd hij [552], toen ik met den zwaarde
- Hem wondde, dien belager van het leven {76},
- Het vuur ontwelde minder wild zijn binnenst.
- Den heer omstuwden al te weinig helpers,
-2985 Als de oorlogsstond zich op hem nederstortte.
- De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
- Het heele haardgenot en heil, 't zal alles
- Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
- Verstoken van het landbezit der stammen. [553]
-2990 Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
- Vernemen uwe vlucht vanuit de verte [554],
- Uw roemberoofde daad. De dood is beter
- Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven.» [555]
-
-
-
-
-
-XL.
-
-
- Alsdan beval hij, 't kampbedrijf te konden
-2995 Bergopwaarts langs de zeekaap naar het landgoed [556],
- Alwaar 't gevolg der mannen heel den morgen
- Angstvallig nederzat, de schildbezitters,
- In twijfel tusschen deze twee: den doodsdag
- Ofwel de wederkomst des dierbren konings.
-3000 Geenszins verheelde 't nieuws, het ongehoorde,
- Die [557] over 't strandgebergte kwam gestoven,
- Maar voegde toe aan allen volgens waarheid:
- «Nu is de wenschvervuller van de Weders,
- De vorst der Gooten vastgeboeid op 't doodsbed,
-3005 Bewoont de lijkstee door des monsters daden.
- Aan zijne zijde rust de lijfbelager,
- Zieltogend door den dolksteek. Met den degen
- Vermocht hij niet den worm te slaan een wonde,
- 't Zij min of meer. Wiglaf, de zoon van Wichstan,
-3010 Zit over Beowulf, de eene ridder boven
- Den levenloozen heen; hij houdt de lijkwacht [558]
- Bij deze dooden, voor den vriend en vijand.
- Nu staat een oorlogstijd den stam te wachten,
- Wanneer de val des vorsten aan de Franken
-3015 En Friezen wordt bekend gemaakt in 't wijde.
- De vijandschap, de harde, met de Hugen [559]
- Was dan ontstaan, toen Hyglac kwam gestevend
- Met eene legervloot naar 't land der Friezen,
- Alwaar hem velden in 't gevecht de Franken
-3020 En met geweld door overmacht bewerkten,
- Dat zwichten moest de staalomgorde strijder
- En zonk in zijne schaar. Niet zou de heerscher
- Nog schatten aan de krijgstrawanten schenken.
- Sinds werd ons Merewingers gunst [560] geweigerd.
-3025 Ook hoop ik in 't geheel geen vrede of vriendschap
- Van 't Zwedenvolk. Het was toch verre ruchtbaar,
- Dat Ongentheow aan Hadcyn, zoon van Hredel,
- Het leven bij het Ravenbosch [561] ontrukte,
- Alwaar in overmoed der Gooten mannen
-3030 Het eerst de Schilfings hadden aangeschonden [562] {77}.
- Doch schielijk schonk hem [563] Ochters oude vader [564]
- Den tegenhouw, de grijze, grimvervulde;
- Hij velde neer den watervoogd, bevrijdde
- Zijn vrouwe [565] hij, de grijze, zijne gade,
-3035 Beroofd van goudsieraden, Ochters moeder
- En Onela's; hij zette zijn belagers
- Toen na, tot zij, beroofd van hunnen rijksvorst,
- Ter nauwernood het Ravenbosch bereikten.
- Alsdan omsloot hij de aan het zwaard ontslipten
-3040 Met een geweldig heer, de wondverzwakten,
- En dreigde heel den nacht het arme hoopje
- Herhaald met wee. Hij sprak het uit, hij wilde
- Hen met den morgen door het lemmer dooden,
- Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. [566]
-3045 Doch troost verscheen opnieuw bij 't daggeschemer
- Den hopeloozen [567], toen zij Hyglacs horen,
- Der trompen klank vernamen, nu de kloeke
- Kwam aangerukt op 't spoor der ridderschare.
-
-
-
-
-
-XLI.
-
-
- Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar
-3050 Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,
- Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten.
- Nu stapte heen de stoute [568] met de makkers,
- De ontroostbre grijs, om op den burcht te trekken;
- Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.
-3055 Hij had 't gevecht van Hygelac ervaren {78},
- Des stouten strijdgeweld. Hij telde weinig
- Op tegenstand, dat hij vermocht te stuiten
- Het varensvolk [569], of voor de zeebezeilers
- Zijn goed te schutten met zijn kroost en gade;
-3060 En dicht bij zijnen aardwal {79} dook weer de oude.
- Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden,
- En Hygelac ter hand gesteld hun standaard [570].
- Zij [571] stapten over hun [572] versterkte stelling {80}.
- Nu drongen Hredels drommen [573] naar de schildspits {81}.
-3065 Aldaar werd Ongentheow tot staan gedwongen,
- De grijsgelokte, door der zwaarden lemmer;
- Zoodat de volksbeheerscher had te dulden
- 't Geweld alleen van Eofor. [574] Woedend tastte
- Hem [575] Wulf [576] aan, zoon van Wanred, met het wapen,
-3070 Dat door den strook het bloed ontsprong in stroomen
- Vanonder 't hoofdhaar. Doch hij bleek niet bloode
- De grijze Schilfing, maar hij loonde schielijk
- Den doodelijken slag op slimmer wijze,
- Zoodra zich hemwaart had gekeerd de koning. [577]
-3075 Niet kon de kampgewende zoon van Wanred [578]
- Den ouden held een tegenhouw bestemmen,
- Want deze hieuw hem eerder stuk den helmkam
- Op 't hoofd, dat hij genoodzaakt was te nijgen
- Met bloed bevlekt en op den bodem bonsde.
-3080 Niet was hij toch bestemd om reeds te sterven,
- Schoon hem de wonde sloeg, genas hij weder {82}.
- Dan Eofor liet, de forsche leenman Hyglacs,
- Het breede zwaard, toen nederzeeg zijn broeder,
- De aloude reuzenkling, den helm, hun kunstwerk [579],
-3085 Inbreken boven op de schildverschansing.
- Toen zonk de vorst, de leidsman van de volken;
- Hij was ter dood gewond. Er waren velen
- Die zijnen broer verbonden, ras hem rechtten,
- Daar 't hun [580] was toegevallen 't veld te houden.
-3090 Terwijl beroofde de eene ridder d'andren, [581]
- Ontrukte aan Ongentheow zijn ijzerrusting,
- Het harde zwaard met greep, den helm benevens
- En bracht aan Hygelac des grijzen heertuig.
- Die nam den tooi en zei hem toe vriendschaplijk
-3095 Een loon met zijne liên en deed diensvolgens.
- Het kampgestorm vergold de Gootenkoning [582],
- Hij Hredels zoon, zooras hij 't huis bereikte,
- Aan Wulf en Eofor met onmeetbre schatten.
- Aan ieder hunner schonk hij honderdduizend [583]
-3100 Aan landerijen, met gedraaide ringen.
- Niet onderwond zich eenig man ter wereld
- Dat loon te laken [584], sedert zij de lofdaad
- Voldongen hadden. Ook bedacht hij Eofor
- Alsdan met zijne dochter [585], met zijn ééne,
-3105 Den pronk van 't hof, tot pand van zijne hulde.
- Ziedaar de veete en vijandschap, den doodshaat
- Van 't krijgervolk; waarom ik vreeze koester,
- Dat ons bestoken zal der Zweden strijdmacht,
- Wanneer zij zullen hooren, dat de heerscher
-3110 Van 't leven is beroofd, die land en schatten
- Weleer behoedde tegen haatgezinden,
- De dappre Schyldings na den dood der helden [586] {83};
- Die voorstond 't nut des volks en nog daarboven
- Het ridderwerk volbracht. Het ware 't beste,
-3115 Ons thans te haasten [587], om den volksbeheerscher
- Te zien en naar de branduitvaart [588] te brengen,
- Dengene die met ringen ons bedeelde.
- Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
- Verteeren; maar daar ligt die schat van tooisels,
-3120 Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
- Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
- De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken; [589]
- De man geen tooisels dragen tot gedachtnis;
- Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben
-3125 Om haren hals, maar deze zal rouwzinnig,
- Van 't goud beroofd, wel meer dan eene reize
- Het vreemde land betreên, nu 's legers leidsman [590]
- 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven.
- Hierom wordt menig speer, de morgenklamme [591],
-3130 Door vuisten vastgekneld, omhoog geheven
- Met handen. Geenszins zal het harpgefluister
- De dappren wekken, maar de donkre rave
- Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,
- Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,
-3135 Toen zij de riffen met den wolf beroofde.» [592]
- Zoo zei de koene strijder [593] nare konde
- En geenszins loog hij nopens lot en woorden. [594]
- Nu rees de ridderstoet; zij trokken treurig [595]
- In tranen badend onder 't aargebergte [596],
-3140 Het wonder waar te nemen. Daar ontdekten
- Ze op 't leger in het zand den levenlooze,
- Dengene die hun vroeger ringen gunde.
- Zoo was gedaagd de doodsdag voor den dappre,
- Zoodat de wapenvorst, de heer der Weders,
-3145 Door wondren dood het leven had gelaten.
- Vervolgens zagen zij zeldzamer schouwspel [597]:
- Den reuzenworm, den woestaard nederliggend
- Daar op den bodem tegenover Beowulf. {84}
- De vlammendraak, de stugge dreiggestalte,
-3150 Was door het vuur gezengd. Hij was wel vijftig
- Voetmaten lang op 't leger. Hij vermeide
- Zich met den nachtstond in 't genot der luchten [598]
- En zeeg dan weder neer en zocht de holte,
- Nu lag hij neder, door den dood gekluisterd;
-3155 Hij had het eind van 't holverblijf genoten.
- Daar stonden kruiken nevens hem en kroezen;
- Er lagen schalen met onschatbre zwaarden, [599]
- Verroest, doorknaagd, gelijk zij daar al rustten
- In 't ingewand der aard sinds duizend winters [600].
-3160 Alstoen [601] werd deze reuzig groote rijkdom,
- Het goud der voortijdsmenschen, met een toover
- Omstrikt, dat niemand raken mocht de ringzaal;
- Tenzij dan God, de ware zegekoning,
- (Hij is des stervlings steun) aan wien hij wilde
-3165 Het had vergund den goudschat op te breken,
- Juist zulk een, als hem docht te zijn het voegzaamst.
-
-
-
-
-
-XLII.
-
-
- Zoo hadden dit tot op den dag des oordeels {85}
- De hooggeroemde heerschers [602] diep betooverd,
- Die 't hier verscholen, dat hij schuld zou dragen
-3170 Aan 't wanvergrijp, in 't vloekverblijf gegrendeld,
- In hellekluisters vastgeklonken worden,
- Bezwaard met zonden, die de plaats zou plundren.
- Nu was het klaar, dat niet de kamp beklijfde:
- Aan hem [603], die wederrechtig in den rotswand
-3175 De have had bewaard, (hem had de wachter [604]
- Alleen vooreerst gedood) nu dat de veete
- Met kracht gewroken was. Het is iets wonders,
- Wáár 't wezen zal, wanneer een wapenkrijger,
- Een krachtberoemde, 't eind bereikt des levens;
-3180 Als langer niet de man de medehuizing
- Bewonen mag te zamen met de magen. [605]
- En zoo gebeurde 't Beowulf, als hij opzocht
- Den wachter van den berg, den strijd. Niet wist hij,
- Waardoor geschieden zou zijn levensscheiding. [606]
-3185 Goudgierig was hij niet [607]: hij had volgaarne
- Des goudbezitters gunst gezien te voren. {86}
- En Wiglaf nam het woord, de zoon van Wichstan:
- «Wel menigwerf om wille van een enkle
- Zal menig oorlogsman vervolging lijden, [608]
-3190 Als 't ons nu overkomen is. Wij konden
- Den dierbren heer, den herder van de volken,
- Niet helpen met een raad: dat hij den hoeder
- Des gouds niet ging te lijf, maar dezen liever
- Zou laten rusten, waar hij lang verwijlde,
-3195 Zijn krocht bewonen tot het eind der wereld.
- Ons trof een harde lot. De kostbaarheden
- Zij zijn gezien en moeitevol bemeesterd.
- Te machtig was de buit, die mijn gebieder
- Er henen troonde. Ik heb getoefd daarbinnen,
-3200 In 't ronde 't al gezien, 't sieraad der woning;
- Daar mij gegeven was, vergund de toegang,
- In 't minste niet genoeglijk, in den aardwal.
- Ik greep in aller haast met beide handen
- Een groote reuzenvracht van keursieraden
-3205 En droeg ze weg van daar naar mijnen meester.
- Hij was alsnog bij leven, wijs, bewustvol.
- Veel zei in zorg de grijs. Hij liet u groeten
- En vroeg, dat gij den vriend een brandplaats stichtet,
- Een hoogen heuvel, volgens dezes daden,
-3210 Beroemd en rijzig; daar hij in het ronde
- Der mannen waardste kamper was ter wereld,
- Zoolang als hij genoot de burchtkleinooden.
- Welaan, nu voortgerept een tweede reize,
- Gezien en opgezocht de kunstverzaamling,
-3215 De wonderdingen onder deze wanden.
- Ik wijs den weg, dat gij nabij bewondert
- Genoegzaam ringen met het reuzig goudwerk.
- De lijkbaar sta gereed, bereid ter stonde,
- Als wij te voorschijn komen en vervolgens
-3220 Ons aller vorst, den dierbren man, vervoeren,
- Waar hij in 's Heeren hoede lang zal wijlen.»
- De zoon van Wichstan liet vervolgens weten,
- De wapenstoute held, aan tal van strijders,
- Van landbezitters, dat zij tot den lijkbrand
-3225 De mutsaards brengen moesten uit de verte,
- De legerhoofden naar den goede [609] henen.
- «Nu zal (bij 't zwellen van de zwarte vlammen)
- Het vuur der oorlogslieden vorst verslinden, {87}
- Die dikwijls heeft getrotst den ijzerhagel,
-3230 Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen
- Heenbruiste boven eene schans van schilden,
- En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,
- De schacht zijn diensten deed, den schicht vervolgde.» [610]
- Nu riep te zaam de wijze zoon van Wichstan
-3235 Uit 's konings stoet de zeven beste strijders
- En trok in 't moordvertrek [611] als een van 't achttal.
- Een fakkel hield er een der oorlogshelden
- In zijne hand, die aan het hoofd vooropging.
- Niet lag 't aan 't lot [612] wie rooven zou den rijkdom,
-3240 Nu zonder hoeder hoegenaamd de helden
- Hem opgestapeld zagen in de stede,
- Daar rusten roestverweerd. Niet een dien 't rouwde,
- Toen zij in allerijl naar buiten brachten
- Den kostbren schat. [613] Zij schoven mee het monster,
-3245 Den reuzenworm, langs 't oeverrif en lieten
- Hem grijpen door de golf, der have herder,
- Omvangen door den vloed. Dan werd op wagens
- 't Gewonden goudsieraad, het gansch ontelbre,
- Opeengehoopt, en naar de Walvischhoogte
-3250 De vorst gebracht, de grijze wapenvoerder.
-
-
-
-
-
-XLIII.
-
-
- Nu hoopten op den grond de Gootenhelden
- Een sterken stapel op, omhuifd met helmen,
- Met oorlogsschilden, schitterblanke pantsers;
- Als luidde zijne beê. Vervolgens legden
-3255 Ze in 't midden neer den hoogvermaarden koning
- De droeve helden hunnen lieven heerscher.
- Daarop ontstaken op den berg [614] de strijders
- Den breedsten lijkenbrand. De houtwalm hief zich [615]
- De zwarte boven smook, het vlamgezwirrel,
-3260 Doorkruist met kreten;--'t windgewentel rustte--
- Totdat het had verheerd, de borst doorblakend,
- Het beendrenstel. Zij klaagden lustverstoken
- Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
- Ook zong alzoo de jonkvrouw [616] jammerspreuken
-3265 Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
- Door zorgen aangezet. Zij zei genoegzaam,
- Dat zij de zure rampspoedsdagen duchtte,
- d'Onmeetbren lijkenoogst, den angst der mannen,
- En hoon en hechtenis. [617] Nu had de hemel
-3270 Den rook verzwolgen {88}. Op de rotskaap richtten
- De Wederlieden op een lijkenheuvel,
- Die rijzig was en breed, die in het wijde
- Zou zichtbaar wezen voor de zeebevaarders.
- In tiental dagen bouwden zij 't gedenkstuk
-3275 Des slagberoemden, bij de rest des lijkbrands.
- Zij wierpen eenen wal erom, zoo deugdelijk
- Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden.
- Zij borgen ringen in den berg [618] en tooisels,
- Al zulke sier als krijgsgezinde mannen
-3280 Ontvoerden uit de schatten kort te voren.
- Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
- Het goud in 't zand; alwaar het zit tot heden,
- Zoo nutteloos den mensch, gelijk voorhenen.
- Toen reden rond het graf de wapenwakkren,
-3285 Van de edelliên, van alle twaalf, de loten. [619]
- Zij wilden weder klagen, weer gewagen
- Van hunnen koning, weder spreuken konden
- En nopens hem verhalen al het goede.
- Zij roemden zijnen riddermoed, vermeldden
-3290 Zijn heldenfeiten, volgens hun vermogen,
- Als 't past zijn vorst en vriend door 't woord te prijzen,
- Te heugen in het hart, wanneer hij heenvaart, [620]
- Wanneer hij zich ontledigt van het lichaam.
- Zoo rouwden om den dood des rijksgebieders
-3295 De Gootenhelden al, de haardgenooten.
- Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
- Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen,
- Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst. [621]
-
-
-
-
-
-De Bestorming van den Finnsburg. [622]
-
-
- Nu {89} hief hij aan de wapenjonge heerscher [623]:
- «Niet daagt het in het Oost, niet vliegt er vuurdraak,
- Niet brandt de horentrans [624] van deze halle;
- Maar helden rukken aan met legerharnas,
-5 Gezwaaiden pijlboog; oorlogsvogels [625] zingen; [626] {90}
- Het bruin kuras rinkinkt, het kamphout [627] klettert,
- 't Schild antwoordt [628] aan de schacht. Nu schijnt het
- maanlicht,
- Het volle, door de wolk, nu rijzen weedaân [629],
- Die dezen volkshaat tot volvoering brengen.
-10 Op! waakt nu allen op, gij mijne weerbren,
- Den lindebast [630] gebeurd, gestreefd naar stoutheid,
- Gevochten aan de heerspits, weest heldhaftig!»
- Daar hief zich menig held, met goud behangen [631],
- En gordde zich het zwaard; nu gingen deurwaarts
-15 Sigferd en Eaha, de onversaagde kampers,
- Zij togen 't staal; Ordlaf en Gudlaf stapten
- Nu heen naar de andre deur, en Hengest zelve
- Hij volgde op 't spoor.
- De Strijd-Deen [632] stuurde Garulf [633]
- Nu toe, dat deze dit doorluchtig leven,
-20 Zijn krijgssieraden niet bij de eerste reize
- Zou henendragen naar der halle deuren;
- Daar hij, de wapenstoute, 't [634] wilde nemen. [635]
- Maar over allen heen en onverholen
- Vroeg deze dappre [636], wie de deur bewaarde.
-25 «Mijn naam is Sigeferd, hernam de tweede,
- 'k Ben vorst der Secgen, ver gevierd een ridder,
- 'k Beleefde talrijk leed en sture strijden.
- U weggelegd is dit nu: wat van beide [637]
- Gij zelve wenscht bij mij te komen zoeken.»
-30 Nu was het bij den wand gedreun des doodkamps,
- Nu moest het kille schild {91} ter hand des koenen,
- De beerhelm [638] barsten. Heel de halle schokte;
- Totdat in dit gevecht het eerst ineenkromp
- Van al de krijgers Garulf, zoon van Gudlaf,
-35 En rondom dezen menigeen der dappren.
- Nu zwierf de rave zwierend om de lijken, [639]
- Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig.
- Het zwaardgebliksem ging, of gansch de Finnsburg
- In lichter laaie stond. Nog nooit vernam ik,
-40 Dat beter bij der mannen kamp zich kweten
- En waardiger een zestig zegehelden,
- Noch dat goedgeefser borsten ooit vergolden
- De zoete mede, dan aan Hnäf de mannen.
- Vijf dagen vochten zij, dat van 't gevolgschap
-45 Niet één er zeeg; maar zij de deur bezetten.
- Nu keerde weder een gewonde kamper [640];
- Hij zei, gebroken was 't kuras, onbruikbaar
- Het strijdgewaad, en zijn helmet doorstoken.
- Dan vroeg hem fluks de herder van de volkschaar [641],
-50 Of wél de kampers voeren bij hun wonden,
- Of niet de moed der jonge mannen naliet... [642] {92}
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANMERKINGEN.
-
-
-Vooraf zij opgemerkt, dat de cijfers naar Socins uitgave en niet meer
-naar de vertaling verwijzen.
-
-De vertaling in proza, welke ik soms toevoeg, is die volgens den
-tekst van Socin, tenzij het tegenovergestelde gezegd wordt.
-
-
-
-
-1
-
-
- thenden wordum wéold wine Scyldinga,
- leóf land-fruma lange âhte. 30-31.
-
- Zoolang over de woorden ('t bevel) beschikte de vriend der
- Schyldings,
- de lieve landvorst lang (het gezag) bezat.
-
-
-Deze plaats heeft tot veel geschrijf en gewrijf aanleiding gegeven.
-
-Heyne zoekt het ontbrekend voorwerp van âhte uit wordum weóld van
-het vorige vers op te maken en vult aan: geweald, gezag.
-
-Cosijn verandert lange âhte in lange thrâge: langen tijd.
-
-Regel 31 is dan eene voortzetting van «de eerste gedachte, dat de
-wine Scyldinga reeds tijdens zijn leven de noodige beschikkingen voor
-zijne begrafenis genomen had. Daaraan werd vastgeknoopt de mededeeling,
-dat die regeering langen tijd geduurd heeft.»
-
-Dat nochtans Heynes «kühne Construction door geen enkel voorbeeld
-gestaafd wordt» kan ik niet zoo grif aannemen. Vgl. v. 1003:
-
-Nô thät ydhe bydh tô befleónne «dat zal niet gemakkelijk zijn te
-ontvluchten,» waar thät op een zelfst. naamw. dood moet slaan, dat
-uit voorafgaand aldres or-wêna is op te maken.
-
-Nochtans geef ik toe, dat op eene verminkte plaats als deze laatste
-niet veel te bouwen is.
-
-Andere verklaringen, b. v. die van Rieger, Bugge en Kluge, laat ik,
-daar zij mijn bestek te buiten gaan, in het midden.
-
-
-
-
-2
-
-
- Thâ wäs on burgum Béowulf Scyldinga,
- leóf leód-cyning, longe thrâge
- folcum gefraege. 53-55.
-
- Toen was op den burcht der Schyldingen Beowulf,
- de lieve volkskoning, langen tijd
- den volken vermaard.
-
-
-Beowulf leefde langen tijd op zijnen burcht en niet: hij was langen
-tijd vermaard, alsof hij het nu niet meer was.
-
-lange thrâge bepaalt beter wäs dan gefraege, daarom plaats ik een
-komma na thrâge.
-
-
-
-
-3
-
-
- sibbe ne wolde
- widh manna hwone mägenes Deniga
- feorh-bealo feorran, feó thingian. 154-56.
-
- Uit vriendschap wilde hij niet
- tegenover iemand van de macht der Denen
- het levenseuvel verwijderen, voor geld bijleggen.
-
-
-sibbe is instrumentalis. Nochtans is de vriendschap eerder het gevolg
-der verzoening dan wel de oorzaak.
-
-Daarom komt Bugges verklaring, die sibbe als voorwerp beschouwt van
-wolde en een komma plaatst na Deniga, mij aannemelijker voor.
-
-
-
-
-4
-
-
- nê thaer naenig witena wênan thorfte
- beorthre bôte tô banan folmum. 157-58.
-
-
-Ik vertaal:
-
-
- Noch een der raden dorst er verwachten
-
-
-Schitterender voldoening van den kant des moordenaars door middel
-van de handen d. i. door het zwaard.
-
-Grein:
-
-
- Erwarten durfte da der Weisen keiner
- des Mordes Sühngeld aus des Mörders Handen.
-
-
-Bôte is volgens hem zoengeld en schijnt dit ook te zijn voor Socin,
-daar hij ter plaatse: Leistung zur Sühne, Genugtuung, Tribut aanhaalt.
-
-Doch dan hebben wij slechts eene herhaling van feó thingian, en komt
-nê en beorhtre niet tot zijn recht.
-
-
-
-
-5
-
-
- nê his mynne wisse. 169.
-
-
-(Grendel zou den Deenschen troon niet beklimmen ter oorzake van God)
-noch had hij daar lust toe.
-
-Zoo verklaart Wülcker, waarbij Cosijn zich aansluit.
-
-Socin: ook kende hij niet zijne (Gods) liefde, hetgeen, naar hij
-zelf bekent, stuitend is met het oog op 181-82, «welcher Satz auch
-das Heidentum der Danen hervorhebt.»
-
-
-
-
-6
-
-
- fyrst fordh gewât. 210.
-
- de tijd was verstreken.
-
-
-Ik open hier de parenthese naar 't voorbeeld van Cosijn.
-
-
-
-
-7
-
-
- flota wäs on ydhum,
-
- bât under beorge. 210-11.
-
-
-Under beorge is niet onder den berg (Socin), maar bij den berg
-(Cosijn).
-
-
-
-
-8
-
-
- streámas wundon sund widh sande 212-13.
- Die Stromflut wogte der Sund gen dem Sande. (Grein.)
-
-
-sund is nom. en parallel met streámas.
-
-Socin vat sund verkeerdelijk als acc. op: «de stroomen wonden de zee
-tegen het zand.»
-
-
-
-
-9
-
-
- thonne sägdon thät sae-lidhende,
- thâ the gif-sceattas Geáta fyredon.
- thyder tô thance. 377-79.
-
- toen zeiden dit zeevarenden,
- die de kostgaven der Gooten brachten
- daarheen (naar 't land der Gooten) ten geschenke.
-
-
-Deze opvatting van Grundtvig wordt door Bugge niet aangenomen; immers
-ze doet onderstellen, dat de Gootische zeevaarders, die Hygelac
-geschenken brachten, eerst bij Hrodgars verblijfplaats aanlegden.
-
-Hij leest daarom in plaats van den gen. Geáta den dat. Geátum: zoodat
-het Deensche zeelieden waren, die aan de Gooten geschenken brachten.
-
-Cosijn verandert thyder «daarheen» in hyder «hierheen»; gevers en
-schippers zijn dan Gooten.
-
-Deze laatste verklaring veroorlooft ons, het hier vermelde feit
-met andere gebeurtenissen in verband te brengen; immers niets staat
-het vermoeden in den weg, dat deze geschenken voor Hrodgar werden
-aangevoerd, ter beslechting van de veete met de Wylfingen.
-
-
-
-
-10
-
-
- häbbe ic eác geâhsod, that se aeglaeca
- for his won-hydum waepna ne rêccedh. 433-34.
-
-
-Cosijn teekent hierbij aan: waepna ne reccedh «hij geeft om geen
-wapens,» duplici sensu: hij, de vermetele, draagt geen wapen en vreest
-voor geen wapen, natuurlijk omdat hij zich onkwetsbaar gemaakt had
-door tooverspreuken.
-
-Dit «natuurlijk» wil er bij mij zoo maar niet in.
-
-Beowulf heeft vernomen, dat Grendel niet bang is voor wapens, maar
-dat geen wapen hem kan deren, omdat het door hem bezworen is, weet
-hij niet.
-
-Er bestaat toch een verschil tusschen: hij vreest geen wapen en hij
-heeft geen wapen te vreezen.
-
-Buitendien zou Beowulf in tegenspraak zijn met zijne eigen woorden 680:
-
-
- erschlagen will ich ihn drum mit dem Schwerte nicht
- und so sein Alter kürzen, obwol ichs all so könnte. (Grein.)
-
-
-Welk van beide plaatsen is dan onecht?
-
-Ten slotte zou 792-809 (vert. 808-22) ook geen genade kunnen vinden;
-wat het geval is bij Ettmüller en Müllenhoff, die deze verzen
-uitwerpen.
-
-Ettmüllers beweren: «da Beowulf in seiner Heimat schon wusste, dass
-Grendel nichts von Waffen zu fürchten habe, so werden auch seine
-Begleiter das gewusst haben» berust juist op die verkeerde opvatting
-van waepna ne rêccedh. Beowulf wist dat niet en zijne makkers evenmin.
-
-Müllenhoffs redeneering schijnt mij geheel en al uit de lucht
-gegrepen. Hij zegt: «792-809. Auch diese Verse sind schon von Ettmüller
-verworfen.
-
-Beowulf sagt 680 f. «ich will ihn nicht mit dem schwerte hinstrecken
-und des lebens berauben, obgleich ich es sehr wohl könnte,» theáh ic
-eal mäge. Nur um den waffenlosen Grendel nicht in ungleichem kampfe
-zu bestehen, will auch er nicht der waffen gegen ihn sich bedienen.»
-En hij vervolgt:
-
-«die annahme dieser verse 792-809, dass gegen Grendel mit waffen
-nichts auszurichten sei, weil er sich hiebfest gemacht hatte, ist
-daher ganz ungehörig.»
-
-Iets even «ungehörig» is wel Müllenhoffs lezing.
-
-De tekst zegt niet: Beowulfs makkers wisten, dat er met wapens bij
-Grendel geene eer in te leggen was, maar juist het tegendeel: hîe
-thät ne wiston, zij wisten dat niet.
-
-De slotsom van deze uiteenzetting is, dat waepna ne rêccedh enkel
-en alleen beduidt: Grendel vreest geen wapen, zoodat twee plaatsen
-gehandhaafd blijven, wier echtheid anders aan gegronden twijfel
-onderhevig zou zijn.
-
-
-
-
-11
-
-
- nâ thû mînne thearft
- hafalan hydan, ac hê mê habban wile
- dreóre fâhne, gif mec deádh nimedh. 445-47.
-
-
-Vertaald volgens Thorpe en Cosijn; zoo komt de redegevende beteekenis
-van ac = want beter uit.
-
-Socin denkt aan eene eerewacht, welke volgens de Angelsaksische wet aan
-den koning gegeven werd en dus ook aan Beowulf, die van koninklijken
-bloede was.
-
-Hij vertaalt diensvolgens: «gij hoeft met geene eerewacht mijn hoofd
-te hoeden,» iets waarvan de ongerijmdheid voor de hand ligt, daar
-Grendel het lijk zal meevoeren.
-
-
-
-
-12
-
-
- nô thû ymb mînes ne thearft
- lîces feorme leng sorgian. 450-51.
-
- mir brauchst du nicht
- um meines Leibes Nahrung langer dann zu sorgen. (Grein.)
-
-
-Evenzoo Socin, naar het voorbeeld van Bugge.
-
-De zin komt dus hierop neer: «ben ik dood dan hoeft gij mij den kost
-niet te geven.»
-
-Cosijn wijst er op, dat de oorzaak van Bugges dwaling gezocht moet
-worden «in de letterlijke opvatting van leng met een negatie. Beteekent
-dit «niet langer,» dan heeft Bugge gelijk... Maar ne-leng beduidt hier:
-geen oogenblik, volstrekt niet.»
-
-
-
-
-13
-
-
- for were-fyhtum, thû, wine mîn Beówulf,
- ond for âr-stafum ûsic sôhtest. 457-58.
-
-
-Cosijn verwerpt Bugges vermoeden waere ryhtum thû: door de
-verplichting, die de waêr, het verbond tusschen vorst en trawant
-(waêrgengea) oplegt, uit bondsverplichting.
-
-Daar hij voorloopig geene oplossing te gemoet ziet, berust ik met
-Socin bij de gissing van Grundtvig.
-
-
-
-
-14
-
-
- thaer wäs häledha dreám,
- dugudh unlytel Dena ond Wedera. 497-98.
-
- da war der Helden Jubel
- und nicht wenig Männer der Wedern und der Dänen. (Grein.)
-
-
-Socin kent insgelijks aan dugudh de beteekenis van krijgsschaar toe;
-nochtans verwacht men eenen parallelvorm met dreám.
-
-Dugudh kan hier alleen goed zijn, wanneer het häledha dreám nader
-verklaart. Hymne XI, 11 wordt de aardsche heerlijkheid door dugudhe
-and dreámas aangeduid. (Cosijn).
-
-
-
-
-15
-
-
- Breca naefre git
- ät headho-lâce, nê gehwäder incer
- swâ deórlice daed gefremede
- fâgum sweordum . . . .
- . . . . . . nô ic thäs gylpe;
- theáh thû thînum brôdrum tô banan wurde. 583-88.
-
-
-Socin neemt eene leemte van een vers aan; vandaar dat hij in 't
-vervolg één vers vooruit is op de overige uitgaven.
-
-Ik plaats met Grein nô ic thäs gylpe, dat op zich zelf verstaanbaar
-genoeg is, tusschen haakjes en laat den zin doorloopen.
-
-Niet bral ik dies d. i. op mijnen zwemtocht, eene swâ deórlice
-daed. Socins tittels zijn dus overbodig.
-
-
-
-
-16
-
-
- (swaefon) ealle bûton ânum. Thät was yldum cûdh,
- thät hîe ne môste, thâ metod nolde,
- se syn-scadha under sceadu bregdan;
- ac hê wäccende wrâdhum on andan
- bâd bolgen-môd beadwa gethinges. 706-10.
-
- (sie schliefen) alle ausser einem: Kund ward allen Menschen,
- dass sie der Gramfeind nicht, da Gott nicht wollte,
- der schuldvolle Schädiger durfte unter Schatten schwingen,
- sondern wachend harrte er dem Wüterich zum Aerger
- auf die Begegnung des Kampfs ergrimmten Mutes. (Grein.)
-
-
-Socins gegevens stemmen hiermede overeen.
-
-De tegenstelling ac: sondern komt niet tot haar recht.
-
-Cosijn plaatst thät wäs-bregdan tusschen haakjes en laat ac, dat
-hier redegevend is, op bûton ânum slaan; ac: want verklaart alsdan,
-waarom allen sliepen uitgenomen Beowulf. De punt na ânum zal dan door
-een komma moeten vervangen worden.
-
-
-
-
-17
-
-
- thät wäs tâcen sweotol,
- sydhdhan hilde-deór hond âlegde,
- earm ond eaxle (thaer wäs eal geador
- Grendles grâpe) under geápne hrôf. 834-37.
-
-
-Socin: onder het ruime dak.
-
-«Under geápne hrôf is op te vatten als under beorge 211 (voor den
-berg); het «zegeteeken» van Beowulf werd vóór de deur on stapol «op
-stoep» op het perron gelegd, waar ieder het zien kon.» (Cosijn).
-
-
-
-
-18
-
-
- thaer wäs on blôde brim weallende,
- atol ydha geswing(,) eal gemenged
- hâton heolfre, heoro-dreóre weól;
- deádh-faege deóg, sidhdhan dreáma leás
- in fen-freodho feorh âlegde, 848-52.
-
- daar was in bloed de branding golvend,
- het afschuwelijk golfgeklots, gansch gemengd
- met heeten etter, zwalpte van het zwaardbloed;
- de den dood vervallen (Grendel) verborg zich, terwijl hij
- vreugdeloos
- in de veenverschansing het leven aflegde.
-
-
-Socin kent hier aan sidhdhan de beteekenis toe van terwijl, zoodat
-hij Grendel te gelijker tijd laat onderduiken en sterven, terwijl
-men verwacht, hem te zien sterven, nadat hij ondergedoken is.
-
-Het euvel ware te verhelpen geweest door met sidhdhan eenen nieuwen
-hoofdzin te beginnen en dit te laten slaan op deádh-faege deóg:
-«sedert d. i. nadat hij zich verscholen had, legde hij het leven af.»
-
-Cosijns bemerking kan ik niet beamen: «en leest men na een punt
-sidhdhan, dan begrijpt niemand, waar dit sidhdhan op slaat.»
-
-Ziehier nu, hoe Cosijn den zin omwerkt:
-
-Hij verandert on blôde in blôde, plaatst een kommapunt na heolfre en
-schrapt ze na weól.
-
-Hij steunt op 1631 lagu drûsade ..... wäl-dreóre fâg, om deádh-faege
-in deádh-fâge (= wälfâge, bont door den moord) te veranderen.
-
-Vandaar verwerpt hij deádh-faeges deóp «des veegen diep» van Sievers
-en leest in plaats daarvan deádh-fâge deóp «het moordgepurperd diep.»
-
-Ten slotte is heoro-dreóre weól deádfâge deóp parallel met het
-voorgaande.
-
-
-
-
-19
-
-
- word ôdher... sôdhe gebunden 871 d. i. nieuwberijmde woorden.
-
-
-
-
-20
-
-
- wel-hwylc gecwädh
- thät hê fram Sigemundes secgan hyrde
- ellen-daedum. 875-77.
-
- hij zei alwat
- hij had hooren zeggen van Sigemunds
- krachtdaden.
-
-
-Bij Cosijn is wel-hwylc = aêghwylc (iedereen) en nom. sing. in plaats
-van acc. neutr.
-
-
-
-
-21
-
-
- Sê wäs wreccena wîde maerost
- Ofer wer-theóde, wigendra hleó
- ellen-daedum: he thäs âron thâh.
- Sidhdhan Heremôdes hild swedhrode,
- eafodh ond ellen. 899-903.
-
- Deze (Sigmund) was der helden wijd vermaardste
- boven de volken, der kampers scherm
- door krachtdaden: des nam hij toe in eer.
- Sedert nam Heremodes kampgeduchtheid af,
- Zijn sterkte en moed.
-
-
-Het springt in 't oog, dat Heremod hier met de haren er bij getrokken
-is. Immers welk verband bestaat er tusschen sidhdhan 902 en het
-voorafgaande? Hoegenaamd geen.
-
-De verschillende pogingen tot verbetering laat ik onbesproken.
-
-Müllenhoff schijnt mij het ware getroffen te hebben, en het zij mij
-geoorloofd hier bij te voegen, dat ik buiten hem om op eigen hand
-tot dezelfde uitkomst was geraakt.
-
-Hij verbindt sidhdhan «nadat» met den hoofdzin sê wäs en plaatst een
-komma na ellen-daedum.
-
-hê thäs âron thâh komt in aanmerking als een ingelaschte zin. Men
-vergelijke de vertaling.
-
-Een klein bezwaar heb ik tegen een van Müllenhoffs verdere
-ophelderingen: Sigmund is niet de voornaamste held geweest vóór
-Heremod maar na Heremod.
-
-1º Het is de natuurlijke uitlegging van den zin: Sigmund was de
-vermaardste held, sinds Heremods kracht was afgenomen.
-
-2º Heremod komt op de stamtafels der Angelsaksische koningen
-als voorvader van Wôdan voor en wel op de 6de plaats van bovenaf
-te beginnen, onmiddellijk voor Sceldwa (Scyld). Vgl. Ettmüller,
-Einleitung bl. 7, en Sievers, Beiträge, XVI bl. 361.
-
-3º hê his leódum weardh... tô aldor-ceare 906: «hij werd zijne lieden
-tot levenskommer» laat ik slaan op Sigmund.
-
-Welnu er volgt onmiddellijk: Zoo ook (evenals bij Sigmund) betreurde
-aerran maelum, in vroeger dagen menig held den tocht van Heremod. Ergo
-leefde deze naar de voorstelling des dichters in een vroeger tijdperk
-dan Sigmund.
-
-
-
-
-22
-
-
- Hê mid eotenum weardh
- on feónda geweald fordh forlâcen,
- snûde forsended. Hine sorh-wylmas
- lemede tô lange, hê his leódum weardh,
- eallum ädhelingum tô aldor-ceare. 903-7.
-
-
-Over de letterlijke vertaling dezer verzen zijn de uitgevers het
-eens, insgelijks over het feit dat vv. 908-14 van Heremod gewagen;
-doch de knoop ligt hier:
-
-Is er sprake van Sigmund ofwel van Heremod, en in hoeverre? Immers
-de Angelsaksische tekst springt meer dan eens nog al wild om met de
-persoonlijke voornaamwoorden, zoodat de lezer zich moet afvragen,
-wie eigenlijk gemeend is.
-
-Deze eigenaardigheid, welke de duidelijkheid in den weg staat,
-doch de critiek eene ruime stof tot bespreking aan de hand doet,
-is buiten kijf toe te schrijven aan het ontstaan van het epos uit
-verschillende afzonderlijke liederen.
-
-Bugge laat den heelen zin op Heremod slaan: deze werd forlâcen:
-verraden, on feónda geweald: in de macht des duivels, snûde: door
-eenen plotselingen dood.
-
-Daar hij geenen weg weet met de tegenspraak tusschen: hine sorhwylmas
-lemede tô lange, dat eenen goeden, en: he his leódum weard... tô
-aldor-ceare, dat eenen slechten Heremod veronderstelt, verandert hij
-hine sorhwylmas in: sorhwylma hrine: «door den greep der woelende
-zorgen verlamde hij het volk te lang.»
-
-mid eotenum = onder de reuzen; zoo worden Heremods vijanden
-geheeten wegens de aanleuning met Sigmund, daar de dichter de eerste
-Heremod-episode aan de Sigmund-episode heeft vastgeknoopt.
-
-De schering en inslag zijner redeneering is als volgt:
-
-De latere tijd, waarin Heremod zijne lieden tot levenskommer wierd
-905-7, wordt vergeleken met vroegere tijden, aerran maelum 908-14.
-
-Ook in het eerste tijdperk van zijn leven beantwoordde hij niet aan de
-verwachtingen van zijns vaders raadgevers. Hij ontving niet 's vaders
-adel, hij verdedigde niet het volk en het rijk der Schildingen. Hij
-ondernam toen eenen tocht sîdh 909, dien menig wijze man afkeurde:
-In plaats van het hard bestookte rijk te verdedigen, was hij naar
-elders vertrokken, waarschijnlijk om daar te kampen.
-
-Later kwam hij terug en heerschte zoo gruwzaam over de Schildingen,
-dat hij verraden en in de eenzaamheid vermoord werd. 903-5. Tot
-hiertoe Bugge.
-
-Het gaat niet aan, de lezing van het Hs. zoo maar over boord te werpen,
-vooral als geen andere grond kan ingeroepen worden, dan het niet alleen
-staande gebruik van het enkelv. lemede bij een meervoudig onderwerp,
-mid eotenum blijft in de toepassing op Heremod altijd gewaagd.
-
-Eindelijk, en dit is het voornaamste bezwaar, wordt Sigmund geheel
-en al uit het oog verloren, alsof er geen betrekking tusschen hem en
-Heremod bestond.
-
-Waarom heeft de dichter hem dan met Heremod in verband gebracht? In de
-Edda worden zij ook te zamen genoemd, dat is dus niet louter toevallig.
-
-Blijkens mijne vertaling betrekt zich hê 903, hine 905, hê 906
-uitsluitend op Sigmund. Na tô lange plaats ik een dubbel punt; hê his
-leódum weardh to aldor-ceare zinspeelt op Sigmunds dood in de macht
-der Nevelingen.
-
-Zoodoende blijft de tekst gewaarborgd, staat mid eotenum op zijne
-plaats, wordt Sigmund niet doodgezwegen, en vervalt alle tegenspraak.
-
-Door Heremods sidh «gang, tocht» is dan zijn vertrek in de ballingschap
-te verstaan, hetzij hij de tegenkanting moede vrijwillig ging,
-hetzij gedwongen.
-
-Immers v. 916 wordt gezegd, dat «vervolging, vijandschap» aan Heremod
-ten deel viel, hine fyren onwôd.
-
-
-
-
-23
-
-
- stôd on stapole, geseah steápne hrôf
- golde fâhne ond Grendles hond. 927-28.
-
-
-(Hrodgar) stond tegen eene zuil, zag naar het steile dak het goudbonte
-en naar Grendels hand.
-
-
- sidhdhan ädelingas eorles cräfte
- ofer heáhne hrôf hand sceáwedon. 983-84.
-
- sinds de edellieden dank aan des helden kracht
- over den hoogen dakstoel de hand schouwden.
-
-
-«Het heeft er veel van, alsof de hand later boven of ter hoogte
-van het dak was aangebracht... We weten nu wel beter, dank zij
-Miller. Verkeerdelijk verklaart Socin: ofer heâhne hrôf, über den
-hohen Dachstuhl hinweg, d. i. den Raum des Dachstuhls ausfüllend;
-ergo ofer = under!
-
-Ten slotte: vs. 1303 moet Grendel's hand weer van het dak
-verwijderd zijn, want zijn moeder klautert niet naar boven.»
-Cosijn. Vgl. Aanm. 17. Millers opstel over deze plaats heb ik niet
-kunnen raadplegen.
-
-
-
-
-24
-
-
- (sceáwedon) feóndes fingras, foran aeghwylc;
- wäs stêdra nägla gehwylc style gelîcost. 985-86
-
-
-Mijne vertaling van deze veel bestreden plaats sluit zich bij
-Socin aan.
-
-Sievers plaatst een dubbel punt na fingras, zoodat foran aeghwylc
-tot wäs behoort; hij leest stîdhra (hard) in plaats van stêdra (vast):
-
-«van voren was elk der harde nagels het meest gelijkend op staal.»
-
-Cosijn houdt het met het Hs: steda en slaat aêghwaêr (in plaats van
-aêghwylc) voor, dat met een gen. van plaats verbonden wordt: aêghwaêr
-steda, op alle plaatsen (waar nagels groeien). Wij krijgen dus:
-
-«Op alle plaatsen waren de nagels van voren (de punten der nagels)
-het meest gelijkend op staal d. i. hard als staal.»
-
-
-
-
-25
-
-
- Nô thät ydhe bydh
- tô befleónne (fremme se the wille!)
- ac gesacan sceal sâwl-berendra
- nyde genydde nidhdha bearna
- grund-bûendra gearwe stôwe,
- thaer his lîc-homa leger-bedde fäst
- swefedh äfter symle. 1003-9.
-
- nicht leicht wirds einem,
- dem zu entfliehen (vollführ' es wer da will!)
- sondern suchen soll der Seelentragenden
- der Erdbewohner jeder, der Edelinge Kinder,
- mit Gewalt genötigt die wartende Stätte,
- allwo sein Leichnam dann am Lagerbette fest
- (nach den Mahle) schläft.
-
-
-Aldus Grein, doch met de beteekenis van symle: beständig. Deze
-gebrekkige plaats biedt twee moeilijkheden aan:
-
-1º Waarop betrekt zich thät 1003?
-
-Ik blijf het antwoord schuldig, tenzij ik met Thorpe uit aldres
-or-wêna «aan 't leven vertwijfelend» het antecedent dood opmaak.
-
-2º Ziehier der lange rede korten zin: de dood is niet gemakkelijk te
-ontvlieden, want iedereen zal sterven!
-
-Mijne vertaling tracht er eene mouw aan te passen: lîc-homa is lichaam
-en niet lijk; leger-bedde fäst is «gekluisterd op het rustbed» en
-niet op het doodsbed, waarvoor on wälbedde 965 en deádbedde fäst
-2902 voorkomt.
-
-fremme sê the wille is eene flauwe opmerking.
-
-Men zou eerder: «volvoere hij wat hij wil» of iets dergelijks
-verwachten.
-
-
-
-
-26
-
-
- fore Healfdenes hilde-wîsan 1065
-
-
-Naar Cosijn kan dit alleen beteekenen: voor de oogen d. i. in
-tegenwoordigheid of ten aanhooren van Healfdeens krijgsoverste.
-
-Indien dit zoo is, en niemand zal op het gebied der Angels. taalkennis
-zijn gezag in twijfel trekken, zou dan de moeilijkheid niet uit den
-weg te ruimen zijn door Healfdenes in Healfdena te veranderen? De
-vertaling zou luiden:
-
-
- Toen werd gezang en klank te zaam vereenigd
- In 't bijzijn van den vorst der Hallef-Denen
-
-
-d. i. van Hrodgar; immers Halfdeen en Deen kunnen voor elkaar gebruikt
-worden. Vgl. 1091.
-
-
-
-
-27
-
-
- thonne heal-gamen Hrôdgâres scop
- äfter medo-bence maenan scolde. 1067-68.
-
-
-Na heal-gamen plaats ik een kommapunt en onderversta wäs: nu was
-er hallevreugd.
-
-Derhalve moet er bij Socin, indien zijn heal-gamen nom. sing. geen
-vergissing is, noodwendig een scheiteeken volgen.
-
-De uitgevers zien in heal-gamen een acc. afhangende van maenan;
-thonne leidt alsdan den bijzin in:
-
-(Het lied werd aangeheven), toen Hrodgars zanger de hallevreugde
-langs de medebanken moest verkonden.
-
-Cosijn koestert nochtans bedenkingen tegen den vorm: healgamen maênan.
-
-
-
-
-28
-
-
- thät hê ne mehte on thaem medhel-stede
- wîg Hengeste wiht gefeohtan,
- nê thâ weá-lâfe wîge forthringan
- theódnes thegne. 1083-86
-
- dat hij geenszins vermocht op de onderhandelingsplaats
- aan (met) Hengest den kamp te kampen,
- noch (zijne) ongeluksresten in den strijd te ontrukken
- aan 's konings veldheer.
-
-
-Wîg komt tweemaal voor; buitendien zeggen 1085-86 in den grond
-hetzelfde als de twee voorafgaande verzen.
-
-Waar blijft dan de kracht van nê: noch 1085, dat toch iets anders
-moet te berde brengen?
-
-Rieger krijgt een goeden zin, mits de geringe verandering van wîg
-Hengeste wiht gefeohtan in wiht Hengeste widh gefeohtan: Finn kan
-noch een voordeel verkrijgen, noch datgene behouden wat hij nog bezat.
-
-Ik heb Riegers gewijzigden tekst gevolgd.
-
-
-
-
-29
-
-
- hire selfre sunu. 1116.
-
-
-Sunu is niet acc. sing. als bij Socin en Ettmüller, maar acc. plur.:
-«die eignen Gebornen.» (Grein.)
-
-
-
-
-30
-
-
- Gewiton him tha wîgend wîca neósian,
- freóndum befeallen Frysland geseón,
- hâmas ond heá-burh. 1126-28.
-
-
-In sommige bijzonderheden wijkt Socin van Bugges opvatting der
-Finnepisode af.
-
-De wîgend: strijders zijn voor hem andere Denen, die inmiddels zijn
-overgekomen, om hunne vrienden, waarvan zij zoo lang beroofd waren,
-te bezoeken.
-
-heà-burh is dan de Finnsburg en bevindt zich in Friesland.
-
-Men kan Socin in overweging geven, waarom Hengest, na deze versterking,
-nog den ganschen, langen winter blijft dralen, alvorens zijn opzet
-uit te voeren; daar toch Finns krijgers tot een onbeduidend hoopje
-geslonken zijn?
-
-
-
-
-31
-
-
- odh thät ôdher côm
- geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh,
- thâ the syngales sêle bewitiadh,
- wuldor-torhtan weder. 1134-37,
-
- totdat een ander jaar gekomen was
- in het hof, zooals het nu nog doet,
- indien men voortdurend op den gunstigen tijd let,
- op het heerlijk heldere weder.
-
-
-Socin vat thâ the als indien en wuldor-torhtan weder als acc. op;
-dit laatste ook Grein.
-
-Deze verklaring komt mij al te gezocht voor; om te weten dat de lente
-geregeld terugkomt, moet men toch geen weerprofeet zijn.
-
-De onregelmatigheid bestaat hierin, dat het relat. plur. thâ zich
-niet alleen betrekt op geâr; maar ook op een woord, dat volgt, op
-wuldor-torhtan weder.
-
-Alsdan is de zin: totdat een ander jaar, de lente kwam,
-welke voortdurend op hun tijd letten d. i. te hunnen tijde
-verschijnen. wuldor-torhtan weder is dan nom.
-
-Cosijn verdedigt deze opvatting.
-
-Zou men de volgorde der verzen niet kunnen wijzigen en lezen:
-
-
- odh thät ôdher côm
- geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh,
- wuldor-torhtan weder, thâ the syngales
- sêle bewitiadh?
-
-
-
-
-32
-
-
- worod-raedenne. 1143.
-
-
-Möller en Bugge vertalen dit woord door Gefolgschaftsverhältnis,
-leenmanschap.
-
-Cosijn staaft door verscheidene aanhalingen, dat worod-raedenne alleen
-«troepschap, troepuitmaking, troep» kan beteekenen. Mijn «wapenlieden»
-is eene toenadering tot deze beteekenis.
-
-
-
-
-33
-
-
- swâ hê ne forwyrnde worod-raedenne,
- thonne him Hûn Lâfing hilde-leóman,
- billa sêlest, on bearm dyde:
- thäs waeron mid Eotenum ecge cûdhe. 1143-46.
-
-
-Cosijn neemt weer de oude verklaring op van Hornburg, die voorslaat,
-Hûnlâfing niet te scheiden en als den naam van één persoon te
-beschouwen. De zin is alsdan:
-
-Dus weigerde Hengest niet zich bij den troep aan te sluiten (tot
-de samengezworen Denen over te gaan), toen Hunlafing (een der
-samenzweerders) hem het zwaard aanbood, welks snede onder de Friezen
-beroemd was (dat in den kamp met de Friezen reeds goede diensten
-had bewezen).
-
-Moet men Hûnlâfing met Bugge in twee of met Cosijn in een woord
-lezen? Adhuc sub judice lis est.
-
-Wat ten gunste van den laatste pleit is, dat Hengest niet meer noodig
-had Finns leenman te worden, daar hij het al was; immers had hij hem
-niet sinds een jaar als koning aanerkend?
-
-
-
-
-34
-
-
- ne meahte wäfre môd
- forhabban in hredhre. 1151-52.
-
- niet kon (Finns) weifelende levensgeest
- zich houden in de borst.
-
-
-d. i. Finn moest sterven. Socin ziet over het hoofd, dat ne meahte
-forhabben: zich niet inhouden, zich niet betoomen beduidt. Vgl. 2610
-ne mihte thâ forhabban: Wiglaf kon zich toen niet meer inhouden,
-maar zijne hand greep het schild enz.
-
-Cosijn verwerpt Bugges opvatting (zie Vert.) en laat meahte slaan òf op
-(Finnes) môd òf op Finn zelf.
-
-De zin is in deze veronderstelling:
-
-Zoo greep nu Finn de wapendood in zijne eigen woning, nadat Gudlaf
-en Oslaf hunnen grooten rampspoed aan Finn hadden verweten. Bij die
-verwijtingen kon Finn zijn bruisend gemoed, zijnen toorn niet in zijne
-borst betoomen. (ofwel: kon Finns bruisend gemoed zich niet betoomen.)
-
-Wie van beiden heeft het ware voor?
-
-
-
-
-35
-
-
- Ad. 1158.
-
-
-Dat Hildeburg waarschijnlijk eene in den oorlog geschaakte Deensche
-vorstin is, als Socin voorgeeft, blijkt nergens. Vgl. vert. 1085 nota.
-
-Zijne verwijzing naar 2931 is glad verkeerd; daar is sprake van
-Ongentheows echtgenoote, Elan, en niet van Hildeburg.
-
-
-
-
-36
-
-
- heal swêge onfêng 1215.
-
-
-Socin behoudt de lezing van het Hs. «de hal ontving het gejubel»
-d. i. de hal weerklonk van het gejubel.
-
-«Maar de uitdrukking is te singulier»; vandaar dat Cosijn healsbêge
-onfêng: «Wealchtheow ontving de halsboot» voorslaat.
-
-
-
-
-37
-
-
- druncne dryht-guman, dôdh swâ ic bidde 1232
-
- ihr trunknen Helden, thut wie ich euch bitte. (Grein.)
-
-
-Het verzoek der koningin kan toch niet tot doel hebben, zooals Sievers
-zegt, om de helden tot pooien aan te zetten. Wat moeten zij dan doen?
-
-Sievers verandert dôdh in dô en doet het op het boven aan Beowulf
-gerichte verzoek slaan.
-
-Kluge ziet er met recht eene opwekking in om eensgezind te blijven
-en verandert is 1229 in si (sî) d. i. in de bijvoegende wijs. In
-hetzelfde opstel wijst hij er op, dat men de oude uitgevers dient te
-raadplegen: «Grade die älteren Editoren haben manchen guten Gedanken
-gehabt, der nie recht zur Geltung gekommen ist.»
-
-Welnu zijne opvatting bevindt zich reeds bij Ettmüller, welke bij thut
-wie ich bitte aanteekent: «trinket und seid in Eintracht fröhlich.»
-
-Ik stel voor na swâ een komma te plaatsen: dôdh swâ, ic bidde: «doet
-alzoo, ik verzoek het u.»
-
-swâ ziet alsdan terug op 1229-30 hêr is aeghwylc eorl ôdhrum getrywe
-enz.
-
-
-
-
-38
-
-
- beór-scealca sum
- fûs ond faege flet-räste gebeág. 1241-42.
-
-
-Grein: der Bierdiener mancher; Socin in voce beór-scealc: einer von
-Hrodgârs Gefolgsleuten.
-
-Daar sum in beide beteekenissen voorkomt, staat de keus vrij; vooral
-nu het gedicht, dat in het vervolg van geenen beór-scealc rept,
-geene uitkomst oplevert.
-
-
-
-
-39
-
-
- thaer on bence wäs
- ofer ädhelinge ydh-gesêne
- headho-steàpa helm 1244-46.
-
- An der Bank war da
- offen sichtbar über dem Edelinge
- der ragendhohe Helm. (Grein.)
-
-
-Wie is die edelman? Het kan niemand anders zijn dan Beowulf. Of is
-hier soms béor-scealca sum, ofwel de veel later genoemde Aschere
-gemeend? Voor Socin, in voce ädheling, is het Beowulf.
-
-Doch Beowulf was er niet, näs Beowulf thaer 1300, later wordt hij
-geroepen 1311.
-
-Bij gevolg blijft er niets anders over dan het enkelv. ofer ädhelinge
-in het meerv. ofer ädhelingum te veranderen.
-
-Het zijn alsdan de in Heorot vernachtende Deensche krijgers.
-
-
-
-
-40
-
-
- thät gesyne weardh,
- wîd-cûdh werum, thätte wrecend thû gyt
- lifde äfter lâdhum, lange thrâge
- äfter gûdh-ceare. 1256-59.
-
-
-thätte wrecend thâ gyt lifde «dat er nog een wreker leefde» is volgens
-Ettmüller, Grein en Müllenhoff niemand anders dan Grendels moeder.
-
-Maar welke waarde moet dan toegekend worden aan lange thrâge, eenen
-langen tijd?
-
-Er waren toch hoogstens 24 uren verloopen sedert Grendels dood!
-
-Het ligt dus voor de hand, dat Grendels moeder onmogelijk kan bedoeld
-worden. Grendel had gedurende twaalf jaren in Heorot vreeselijk
-huisgehouden, na dien langen tijd zou God hem straffen.
-
-Deze verzen zijn uit de pen gevloeid van den christelijken nadichter.
-
-
-
-
-41
-
-
- thonne wê on orlege
- hafelan weredon, thonne hniton fêdhan,
- eoferas cnysedan. 1327-29.
-
-
-Is het wel noodig met Socin eoferas overdrachtelijk te verstaan voor
-koene krijgers? Kan het woord niet met Grein in letterlijke beteekenis
-worden opgevat: als de evers, die zich op de helmen bevonden, op
-elkander instormden?
-
-De aanschouwelijkheid der voorstelling zou er veel bij winnen.
-
-Buitendien wordt in ons gedicht een dapper krijgsman wel wolf geheeten,
-maar nergens ever: heore-wearh 1268, freca Scyldinga 1564.
-
-Cosijn stelt voor de interpunctie te wijzigen; dan vervalt het boven
-gezegde.
-
-Hij plaatst thonne hniton fêdhan tusschen haakjes en ziet in eoferas
-eenen acc. beheerscht door cnysedan:
-
-«Als wij in den oorlog het hoofd beschermden (terwijl de voetknechten
-op elkander stieten) en de helmevers verbrijzelden.»
-
-
-
-
-42
-
-
- ge feor hafadh faehdhe gestaeled 1341.
-
-
-Cosijn bewijst uit andere teksten, dat faehde staelan niets anders
-kan beteekenen dan «veete, vijandschap bedrijven.»
-
-Socins verklaring: «Grendels Mutter hat uns fernerhin ihre Feindschaft
-auferlegt» kan dus niet in aanmerking komen.
-
-
-
-
-43
-
-
- lond-bûend 1346 nom. plur.
-
-
-Dit zal wel eene drukfout wezen voor acc. plur.
-
-Eveneens fyr 1367, waarbij het acc. sing. en niet nom. sing. moet
-heeten.
-
-
-
-
-44
-
-
- thâ wäs hwîl däges,
- aer hê thone grund-wong ongytan mehte. 1496-97.
-
- er was de duur van eenen dag mede gemoeid,
- alvorens hij de bodemvlakte kon bereiken.
-
-
-Müllenhoff kent aan hwîl däges de beteekenis toe van eine stunde
-tages en niet ten onrechte.
-
-De meening van Socin en anderen is in tegenspraak met de
-feiten. Beowulf kon geenen ganschen dag noodig gehad hebben, om
-den bodem van het meer te bereiken, daar hij zich 's morgens op weg
-begeeft en om 3 uur 's namiddags weer terug is 1601.
-
-Hoe kon ook het water blijkens 1592 vlg. aanstonds, sôna, roodgekleurd
-zijn?
-
-Eindelijk moest Beowulfs terugkomst uit de diepte ook weer eenen
-ganschen dag in beslag nemen!
-
-
-
-
-45
-
-
- swâ hê ne mihte nô (hê thäs môdig was)
- waepna gewealdan. 1509-10.
-
- Zoodat hij niet vermocht (hij was daartoe moedig)
- over de wapens te beschikken.
-
-
-Om wille van de juiste verdeeling van het vers verbinden Sievers
-en Cosijn de ontkenning nô met de parenthese: nô hê thäs mödig wäs;
-daar nô als begin van het laatste halfvers meer voorkomt.
-
-
-
-
-46
-
-
- Oferwearp thâ wêrig-môd wigena strengest,
- fêdhe-cempa, thät hê on fylle weardh. 1544-45.
-
- Zielsvermoeid struikelde toen de sterkste der strijders,
- der voetkampers, dat hij kwam te vallen.
-
-
-Cosijn brengt de vertaling dezer verzen volgenderwijze terecht:
-
-oferweorpan beteekent «omverwerpen» en is overgankelijk. Ter wille
-van deze plaats fabriceert men een intransitief oferweorpan in den
-zin van «struikelen.»
-
-De wolvin is hier onderwerp en werpt bij wijze van andleán Beowulf op
-den grond. Ze is wêrigmôd, doordat ze on flet gebeáh. In plaats van
-strengest leze men strengel en voege aan fêdhecempa eene n toe, die
-het Anglisch origineel waarschijnlijk niet kende. Dus fêdhecempan acc.
-
-
-
-
-47
-
-
- rodera raedend hit on ryht gescêd
- ydelîce, sydhdhan he eft âstôd. 1556-57.
-
-
-Sorin verbindt in voce ydelîce dit laatste met âstôd:
-
-
- de hemelbestuurder besliste het volgens recht,
- met gemak stond hij daarna weder op
-
-
-In dit geval hapert er iets, nl. de zinstorende wijze, waarop hij de
-scheiteekens plaatst, immers het komma na ydelîce moet wegvallen en
-na gescêd staan.
-
-Sievers verbindt ydelîce met gescêd:
-
-God besliste het gemakkelijk volgens recht en toen stond Beowulf
-weder op.
-
-Cosijn heeft het ware voor. Men raadplege de vertaling.
-
-Immers Gods hulp bestaat niet hierin, dat hij Beowulf weder laat
-opstaan; maar dat hij hem het reuzenzwaard aan den wand laat bemerken.
-
-Vgl. v. 1662: «God verleende mij, dat ik een oud reuzenzwaard zag
-hangen.»
-
-
-
-
-48
-
-
- hwîlum hê on lufan laetedh hworfan
- monnes môd-gethonc, maeran cynnes. 1729-30.
-
- Somtijds laat hij (God) op landbezit gaan
- den hartelust eens mans van vermaard geslacht.
-
-
-Cosijns verklaring geeft niet alleen aan lufa = liefde de juiste
-beteekenis, maar past ook het beste in den samenhang:
-
-God laat zijnen geest (môd-gethanc) verkeeren (ontbranden) in liefde
-(on lufan) voor eenen man enz.
-
-Heyne-Socin kennen aan lufa de beteekenis van «Grundbesitz, Ländereien»
-toe, ofschoon zij luf-tâcen 1864 door «Liebeszeichen» heáhlufan 1955
-door «hohe Liebe» en lufian 1983 door «lieben» weergeven.
-
-
-
-
-49
-
-
- heht thâ se hearda Hrunting beran,
- sunu Ecglâtes, heht his sweord niman,
- leóflîc îren; sagde him thäs leánes thanc. 1808-10.
-
-
-Deze plaats is voor verschillende verklaringen vatbaar. Grein vertaalt:
-
-
- Da hiess den Hrunting der Beherzte bringen
- der Sohn des Ecglaf, hiess ihn sein Schwert empfangen,
- das liebliche Eisen. Er dankte der Liebesgabe.
-
-
-Het onderwerp van heht 1808 en 1809 is se hearda d. i. Unferd; sunu
-Ecglâfes is bijstelling van se hearda.
-
-Integendeel, het onderwerp van sägde is Beowulf.
-
-Zoo blijft de lezing van het Hs. leänes, dat «loon, vergelding»
-beteekent, doch hier dienst moet doen in den zin van «geschenk,
-Liebesgabe.»
-
-Volgens Greins opvatting moet de lezer veronderstellen, dat Beowulf
-het zwaard inmiddels aan Unferd heeft teruggegeven, iets waarvan het
-gedicht geene melding maakt.
-
-Waarom had Unferd het dan niet aanstonds geweigerd? Buitendien biedt
-het onderwerp van sägde iets onregelmatigs aan, want het is niet
-hetzelfde als dat van heht in den onmiddellijk voorafgaanden zin.
-
-Het is wel waar, dat ons gedicht den lezer aan die onregelmatigheid
-langzamerhand gewend heeft.
-
-Grundtvig slaat eenen anderen weg in:
-
-De dappere (Beowulf) beval Hrunting te brengen aan Ecglafs zoon,
-hij (Beowulf) beval hem (Unferd) zijn zwaard te nemen, hij (Beowulf)
-zei hem dank voor het geleende.
-
-Hier is geene verwisseling van onderwerp meer mogelijk; sunu nom. is
-suna dat. geworden en het minder gepaste leánes zeer gelukkig veranderd
-in laenes: het geleende (zwaard).
-
-Mijne vertaling steunt op Grundtvig, doch tracht sunu, de lezing van
-het Hs., te behouden: sunu. is acc. sing.; heht 1809 sleept eenen
-acc. c. inf. na zich.
-
-heht sunu Ecglâfes his sweord niman: Beowulf beval, dat Ecglafs zoon
-zijn zwaard zou terugnemen.
-
-Socins slordige interpunctie brengt hier alweer op een
-dwaalspoor. Ofschoon hij in sunu acc. sing. ziet, deelt hij den zin
-juist zoo in als Grein. Derhalve moet zijn komma na Ecglâfes wegvallen;
-anders blijft de zin raadselachtig.
-
-
-
-
-50
-
-
- gif him thonne Hrêdhrîc tô hofum Geáta gethingedh. 1837-38.
-
- indien dan Hredric aan het hof der Gooten een verdrag sluit.
-
-
-gethingan: «einen Vertrag machen.» Socin.
-
-Cosijn stelt uit verschillende teksten vast, dat gethingan beteekent
-besluiten (te gaan), het verbum meandi zijnde uitgelaten; dus zich
-opmaken.
-
-
-
-
-51
-
-
- hruron him teáras
- blonden-feaxum: him wäs bega wên,
- ealdum infrôdum, ôdhres swîdhor,
- thät hîe seodhdhan (nê) geseón môston. 1873-76.
-
-
-Bugge voegt nê 1876 bij; immers Hrodgars tranen zijn dan vooral
-verklaarbaar, wanneer hij vreest, dat hij Beowulf niet meer terug
-zal zien.
-
-Socin teekent bij infrôdum dat. plur. aan. Ik vraag me te vergeefs af,
-hoe het meervoud kan gewettigd worden.
-
-Indien het Hrodgars raadslieden zijn, wat komen die hier doen? Is
-Hrodgar en Beowulf gemeend, dan is de keuze van het woord wat den
-laatste betreft niet gelukkig.
-
-
-
-
-52
-
-
- oft nô seldan hwaer
- äfter leód-hryre lytle hwîle
- bon-gâr bûgedh. 2030-32.
-
-
-Bugges verandering van hwaer «ergens», dat vrij kan gemist worden,
-in waere schijnt mij prijzenswaardig toe.
-
-Dan luidt de vertaling: dikwijls (en) niet zelden rust de moordspeer
-door vergelijk (waere) eenen korten tijd na den val des vorsten.
-
-Freawares «mariage de raison» mag wel een vergelijk heeten.
-
-
-
-
-53
-
-Socins unfaecne nom. sing. 2069 in plaats van acc. sing. is blijkbaar
-eene drukfout.
-
-
-
-
-54
-
-
- hió thät lîc ätbär
- feóndes fädhmum. 2129.
-
-
-Socin in voce fädhm: «instr. plur. feóndes fädhmum».
-
-Hij laat dus feóndes van fädhmum afhangen, hetgeen den volgenden
-zin geeft:
-
-Grendels moeder vervoerde het lijk door de hand des vijands d. i. door
-hare eigen vijandelijke hand.
-
-Waartoe knorven in de biezen gezocht? Is het niet veel eenvoudiger
-feóndes met lîc te verbinden: «het lijk des vijands»?
-
-
-
-
-55
-
-
- gên is eall ät thê lissa gelong. 2150-51.
-
- geheel mijne liefde wendt zich nog uwaart.
-
-
-Bugge vat gên op als weder, opnieuw:
-
-Mijne geheele liefde wendt zich weder uwaart nl. zooals vroeger.
-
-Zóó is de zin veel natuurlijker.
-
-
-
-
-56
-
-
- hêt thâ in beran eafor, heáfod-segn. 2153.
-
-
-heáfod-segn is eene verklaring van eafor en beteekent de voornaamste
-banier, evenals in het voorgaande vers ic lyt hafo heá fod-mâga «ik heb
-luttel hoofdverwanten» heá fod-mâga «voornaamste verwanten» wil zeggen.
-
-Cosijn slaat het compositum eoforheáfodsegn (everhoofdbanier) voor.
-
-
-
-
-57
-
-
- näs him hreóh sefa
- ac hê man-cynnes maeste cräfte
- gin--fästan gife, thê him god sealde,
- heóld hilde-deór. 2181-84.
-
-
-Socin, in voce healdan, brengt onder meer deze plaats overeen met
-1955 welke behelst: hióld heáh-lufan «zij bewaarde hooge liefde.»
-
-Diensvolgens zou het hier moeten luiden: «hij hield d. i. bewaarde
-de geweldige gave,» the greatest strength possess'd bij Thorpe.
-
-Grein stemt hiermee overeen als hij vertaalt:
-
-
- nicht war das Herz ihm wild,
- sondern mit der grösten Kraft vom ganzen Menschenvolke
- hielt die grossfeste Gabe, die Gott ihm schenkte,
- der Edeling der Kampftheure.
-
-
-Zoo komt de tegenstelling niet tot haar recht, wél indien wij healdan,
-den zin van bewaken en aan ac eene redegevende beteekenis toekennen,
-welke meer voorkomt. Wij vertalen dus: zijn inborst was niet ruw,
-want (ac) hij bewaakte (d. i. beteugelde) zijne reuzenkracht.
-
-
-
-
-58
-
-
- eft thät geióde ufaran dôgrum
- hilde-hlämmun, sydhdhan Hygelâc läg
- ond Heardrêde hilde-mêceas
- under bord-hreódhan tô bonan wurdon;
- tha hyne gesöhtan on sige-theóde
- hearde hilde-frecan, Headho-Scilfingas,
- nîdha genaegdan nefan Hererîces.
- Sydhdhan Beówulfe brâde rîce
- on hand gehwearf. 2201-2209.
-
-
-Grein vertaalt letterlijk:
-
-
- Das fügte sich darnach in folgenden Tagen
- durch Heerkampfs Getümmel, seit Hygelak lag
- und dem kühnen Heardred die Kampfschwerter wurden
- unter des Schildrandes Schirm zum Mörder,
- da ihn suchten in dem Siegesvolke
- die harten kampfkühnen Headoskylfinge
- und heftig angriffen Hereriks Neffen.
- Drauf kam das breite Reich dem Beowulf
- zur Hand.
-
-
-Waar blijft de hoofdzin?? Greins vertaling geeft hier geen licht. Voor
-Müllenhoff lijdt het geen twijfel of deze zin is onvolledig:
-
-Gleich der erste satz ist ungeschickt. Denn in eft thät geeóde ufaran
-dôgrum 2201 hat das thät keine beziehung im vorhergehenden... Der
-satz is unvollstandig....
-
-Der verfasser wagte nicht nach dem langen mit sidhdhan beginnenden
-satze 2202-2207 noch einen subjektsatz mit thät folgen zu lassen,
-sondern brach lieber ab und fuhr mit einem neuen satze mit sidhdhan
-fort 2208.
-
-Moet men zich bij deze uitspraak neerleggen en voor lief nemen,
-dat er niets anders op te vinden is?
-
-Twee verklaringen, zijn mogelijk:
-
-1º eft thät geeóde slaat niet op wat voorafgaat, maar op wat volgt;
-na hilde-hlämmum plaatse men een dubbelpunt en vertale ond door ook,
-zooals Heyne in zijne vrije vertolking doet; de hoofdzin is: Heardrêde
-hilde-mêceas tô bonan wurdon.
-
-Wij krijgen dan het volgende: Dit (volgende) gebeurde daarna in
-later dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was, werd ook voor Heardred
-het kampzwaard ten dooder, daar enz.
-
-Het valt nochtans te bezien, of ond (en), evenals in de klassieke
-talen, in den zin van ook voorkomt.
-
-2º Ond behoudt de beteekenis van en; de hoofdzin is: sydhdhan Beówulfe
-brâde rîce on hand gehwearf; de punt na Hererîces valt dan weg. Van
-het eerste sydhdhan 2202 hangen twee bijzinnen af: läg en tô bonan
-wurdon; thâ hyne... nefan Hererîces is een tusschenzin; het tweede
-sydhdhan dient alsdan om het eerste in het geheugen terug te roepen:
-
-Dit gebeurde in volgende dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was en het
-zwaard voor Heardred tot dooder was geworden, daar hem enz., sedert
-kwam het rijk in Beowulfs handen.
-
-De zin is wel wat lang, maar dat kan geen onoverkomelijk bezwaar zijn,
-vooral voor Duitsche recensenten.
-
-
-
-
-59
-
-2215-22. Bugge herstelt den tekst als volgt:
-
-
- thaer on innan gióng
- nidhdha nâthwylc, neóde tô gefêng
- haedhnum horde; hond ätgenam
- seleful since fâh; nê hê thät sydhdhan âgeaf,
- theáh the hê slaepende besyrede hyrde
- theófes cräfte: thät se thióden onfand,
- by-folc beorna, thät hê gebolgen wäs.
-
-
-Insgelijks 2233:
-
-
- nealles mid gewealdum wyrmes weard gäst
- sylfes willum.
-
-
-Socins theow (slaaf?) 2225 zal wel theów moeten luiden.
-
-
-
-
-60
-
-
-2228-32. Bugges aanvulling van den tekst wijzig ik volgenderwijze:
-
-
- secg synbysig sôna onwlâtode.
- theáh thâm gyste gryrebrôga stôd,
- hwädhre earmsceapan innganges thearfa
- feásceapen, thâ hyne se faer begeat,
- sinc-fät geseah.
-
-
-Bugges tittels tusschen het 3de en 4de vers zijn weggelaten en de
-punt na begeat vervangen door een komma: Ofschoon (theáh) de vreemde
-indringer met schrik geslagen was bij het zien van den draak, toch
-(hwädre) had hij de vaas bemerkt.
-
-Men vergelijke de vertaling.
-
-
-
-
-61
-
-
-2380-97. Socins opvatting van deze gansche plaats, waarin de oorlog
-met de Zweden behandeld wordt, stemt niet overeen met die van Bugge,
-Müllenhoff en Grein.
-
-Ziehier zijne uiteenzetting:
-
-Ochters zonen, Eanmund en Eadgils, zijn tegen hunnen vader opgestaan
-2382, ten gevolge waarvan zij Zweden moeten verlaten 2380 en naar
-Heardred de wijk nemen 2381. Een hunner verslaat Heardred onder ons
-niet nader bekende omstandigheden 2386, het moet Eanmund geweest zijn,
-welken de aan het Gootenhof levende Wichstan daarom onmiddellijk doodt
-2613. Eadgils keert naar Zweden terug 2388, waar ondertusschen zijn
-vader Ochter schijnt gestorven te zijn.
-
-Nadat Beowulf koning der Gooten geworden is 2390, wil hij zich op
-Eadgils wreken 2392 en hij wordt hem tot vijand. Eadgils doet eenen
-inval in het land der Gooten 2394-95, maar wordt door Beowulf gedood
-2397.
-
-In Socins stelsel is helm Scylfinga 2382 Ochter en niet Onela,
-Ongentheówes bearn 2388 kleinzoon en niet zoon, wordt freónd «vriend»
-van het Hs. in feónd «vijand» veranderd, en gestêpte «ondersteunde»
-in gestepte van gesteppan: stappen, trekken.
-
-Bugges verklaring komt mij heel wat aannemelijker voor, want 1º
-Heardreds dood blijft in het duister.
-
-2º Eadgils kan niet naar Zweden terugkeeren, waaruit hij door Ochter
-verbannen is; daarom vindt Socin er een middeltje op, 't is van Ochter
-intusschentijds te laten sterven.
-
-3º Bugges opvatting stemt in de hoofdpunten overeen met de
-overeenkomstige Zweedsche sage van Ali.
-
-4º Onela wordt 2933 het eerst genoemd; dit pleit er voor, dat hij
-de oudste en bijgevolg Ongentheows opvolger is. Vgl. 61 (Heorogar,
-Hrodgar, Halga); 2435 (Herebeald, Hadcyn, Hygelac).
-
-Afgezien van de handschriftelijke lezing freónd geeft Bugges verklaring
-rekenschap van alle bijzonderheden, terwijl Heardreds dood bij Socins
-opvatting de groote struikelblok blijft. Het is immers stuitend, dat
-Heardred door den man gedood wordt, dien hij gastvrij heeft opgenomen.
-
-Eene opheldering van zulke verregaande ondankbaarheid ware zeker
-niet misplaatst, en voorzeker zou de inlasscher weer de baan schoon
-gevonden hebben, om nog eens den preektoon aan te slaan.
-
-
-
-
-62
-
-
- he gewräc sydhdhan
- cealdum cear-sîdhum. 2396-97.
-
- er rächte seitdem
- mit kalten Kummerfahrten. (Grein).
-
-
-Bugge ziet in cealdum cear-sîdhum de natuurlijke koude, daar de kamp,
-waarin Adhils (= Eadgîls), volgens de overeenkomstige noordsche sage,
-Ali (= Onela) versloeg, op het ijs van het meer Vaenir plaats had.
-
-Cosijn teekent bij deze verzen aan: De samenhang eischt cealde
-cearsîdhas, want gewrecan beteekent wraak nemen over (of straffen)
-en de ellips van hit (dit, Socin) is te verwerpen. Eadgils nam wraak
-voor zijne koude, kommervolle omzwervingen als balling.
-
-
-
-
-63
-
-
- rîdend swefadh,
- häledh in hodhman 2458-59.
-
- de rijders slapen,
- de helden in het graf.
-
-
-Socin: rîdend, häledh nom. plur.
-
-Ik verkies met Grein het enkelv. te lezen: «der Reiter schlummert;»
-er is immers sprake van Herebeald alleen.
-
-
-
-
-64
-
-
- thâ ic on morgne gefrägn maeg ôdherne
- billes ecgum on bonan staelan,
- thaer Ongentheów Eofores niósadh. 2485-87.
-
-
-Socin legt uit als volgt: Ik heb dan vernomen, dat de eene broeder
-(Wulf) den anderen (Eofor) naar zijnen moordenaar (Ongentheow)
-heentrok.
-
-Cosijn toont het onhoudbare van die aanteekening ten overvloede aan:
-staelan = ten laste leggen, als mnl. banen.
-
-De strijd wordt dus als een rechtsgeding voorgesteld:
-
-Ik vernam dat toen de eene maag (Hygelac) den ander (Hadcyn) den
-dooder te laste legde met het scherp van het zwaard, den dood met
-het zwaard op hem verhaalde, wreekte.
-
-Dat Wulf niet gedood werd, maar alleen buiten gevecht gesteld, ziet
-Socin voorbij.
-
-
-
-
-65
-
-
- symle ic him on fêdhan beforan wolde,
- âna on orde. 2498-99
-
-
-Socin verstaat beforan: vroeger, van den tijd, welke toch reeds in
-symle besloten ligt.
-
-On orde «aan de spits» vergt eenen parallelvorm, daarom geef ik
-beforan weer door vooraan.
-
-
-
-
-66
-
-
- sê the aer on folce weóld 2596.
- aer: «von langen Zeiten her.» Bugge.
-
-
-Cosijn bemerkt hierbij; het komt mij voor, dat deze woorden eerder
-beteekenen «die toen van zijn volk verlaten was, er niet meer over
-te bevelen had.»
-
-Deze uitlegging wordt gesteund door wat volgt 2597-2600.
-
-
-
-
-67
-
-
- sibb aefre ne mäg
- wiht onwendan thâm thê wel thencedh 2601-2.
-
-
-Socin: in dem der wohl denkt, kann die Liebe zum Blutsfreunde auf
-keine Weise beseitigt werden.
-
-Voor hem is onwendan onovergankelijk en sibb nom.
-
-Cosijn wijst er op, dat een intr. onwendan alleen in den zin van
-«terugkeeren» voorkomt.
-
-Men zal dus wiht als nom. sing. en sibb' als acc. sing. dienen aan
-te nemen: onwendan is dan «keeren, verhinderen zich te uiten.»
-
-
-
-
-68
-
-
- ond his mâgum ätbär
- brûn-fâgne helm, hringde byrnan,
- eald sweord etonisc, thät him Onela forgeaf,
- his gädelinges gûdh-gewaedu,
- fyrd-searo fûslic: nô ymbe thâ faehdhe spräc,
- theáh the hê his brôdhar bearn âbredwade. 2615-20.
-
- dem Sippen er raubte
- den braunschönen Helm, die Brünne von Ringen,
- das enzische Altschwert, das ihm Onela gab,
- seines Gatelinges Gundgeraethe,
- das köstliche Kriegszeug.--Nie von diesem Kampf ersprach,
- obgleich er an Brüders Söhnen Balthaten übte.
-
-
-Uit deze vertaling van Ettmüller blijkt dat gûdh-gewaedu en fyrd-searo
-parallel zijn met helm, byrnan, sweord; him 2617 is Eanmund; het
-onderwerp van spräc 2619 is Weohstan.
-
-De zin komt hierop neer: Weohstan berooft Eanmund van het zwaard,
-dat Onela aan dezen laatste had gegeven; doch hij, Weohstan, rept
-nooit een woord van dat wapenfeit.
-
-Grein slaat denzelfden weg in als Ettmüller, als blijkt uit de
-volgende verzen:
-
-
- und entführte seinen Maagen
- den braunbunten Helm, die Brünne die geringte,
- das alte Riesenschwert, das Onela ihm gab,
- seines Verwandten Waffenrüstung,
- die stattlichen Fahrtgewande: um die Feindschaft sprach er nicht,
- obgleich er seines Bruders Gebornen tödtete.
-
-
-Greins opvatting schijnt mij aan gegronden twijfel onderhevig. Ätberan
-beteekent niet rauben, entführen maar aanbrengen, ergens heen voeren.
-
-Doch daarvan afgezien, kan men zich afvragen welke «Maagen» Grein
-bedoelt?
-
-Ontvoerde Weohstan aan Eanmunds magen d. i. Onela het zwaard?
-
-Maar welk recht had Onela er op, daar volgens de oorlogswet de
-overwinnaar zich den wapenroof kon toeeigenen?
-
-Ofwel ontvoerde hij het zwaard his magum d. i. ten voordeele van zijn
-eigen magen, ergo van Wiglaf?
-
-Doch dat druist in tegen 2621, waar volgens Weohstan het zwaard
-zelf behoudt.
-
-Greins vertaling van «his mâgum ätbär» is dus voor verscheiden
-uitleggingen vatbaar.
-
-his mâgum ätbär beteekent: Weohstan bracht aan Eanmunds magen d. i. aan
-Onela den krijgsroof.
-
-Daarom ware het beter geweest, zooals Cosijn zeer juist aanmerkt,
-het enkelv. his maege i. e. Onelan te lezen. Thät him Onela forgeaf:
-(het zwaard) dat Onela aan Eanmund had gegeven.
-
-thät slaat, blijkens Cosijns terechtwijzing, grammatisch op sweord,
-logisch op de drie spolia, die 2618 als gûdh-gewaedu worden aangeduid.
-
-his gädelinges, dat onmiddellijk volgt op thät him Onela forgeaf, is
-niets anders dan eene zinledige en gebrekkige herhaling. Men oordeele:
-«het zwaard dat Onela aan Eanmund had gegeven, het strijdgewaad van
-Onela's Eanmund;» immers «het strijdgewaad van zijnen (d. i. Onela's)
-bloedverwant» zegt op de keper beschouwd hetzelfde als het ééne
-woord Eanmund.
-
-nó ymbe thâ faehdhe spräc: «Weohstan sprak niet over dat gevecht.»
-Zoo heet het bij Ettmüller en ook bij Grein; want in dezes vertaling
-«um die Feindschaft sprach er nicht» kan er zich slechts betrekken
-op het onderwerp van den vorigen hoofdzin d. i. op Weohstan.
-
-De vraag ligt hier voor de hand, waarom Weohstan nooit sprak van
-zijn heldenfeit?
-
-Niet alleen is het eene vraag, waaraan ons epos het antwoord schuldig
-blijft, maar er bestaat ook hoegenaamd geene reden tot verzwijging,
-vooral nu Weohstan zooveel gewicht hecht aan die wapens, dat hij ze
-jaren lang bewaart en ze niet aan Wiglaf toevertrouwt, vooraleer deze
-volwassen is.
-
-Om al die redenen wijzig ik het zinsverband zooals volgt:
-
-Ik plaats een punt na etonisc; thät him Onela forgeaf is een hoofdzin;
-thät is aanwijzend voornaamwoord en him ziet terug op Weohstan;
-na fûslic kome een punt te staan.
-
-Het onderwerp van nô ymbe thâ faehdhe spräc is Onela en niet Weohstan.
-
-De wijziging, welke den tekst onaangeroerd laat, geeft eenen goeden
-zin:
-
-Weohstan bracht aan Onela Eanmunds zwaard met toebehooren. Onela
-wilde het niet aannemen, maar liet het hem houden; hij verweet zelfs
-niet aan Weohstan, dat deze Eanmund, den zoon van zijn eigen broeder,
-gedood had.
-
-Men vergete niet, dat Onela, volgens het Germaansche oorlogsrecht,
-verplicht was zijnen neef te wreken.
-
-Zoo biedt de zin niets meer aan, wat niet in den haak is.
-
-
-
-
-69
-
-
- Byrdu-scrûd 2661
-
-
-Ik heb dit woord door schild weergegeven; immers Cosijn teekent
-hierbij aan:
-
-«De beteekenis Schildschmuck, die dienst moet doen om glossatoren uit
-de verlegenheid te helpen, is geheel verzonnen. In geen geval kan het
-schild hier gemist worden: ergo is byrne een lapsus memoriae voor bord
-(schild).»
-
-
-
-
-70
-
-
- raesde on thone rôfan, thâ him rûm âgeald. 2691
-
- raste gegen den Ruhmvollen, da er Raum ihm gab. Grein.
-
-
-Het handelt zich hier over den derden aanval van den draak op Beowulf.
-
-Ik vraag me te vergeefs af, hoe zich deze «beschikbare ruimte» met
-den samenhang laat overeenbrengen. Had de draak dan te voren niet
-genoeg plaats, om aanvallender wijze te werk te gaan?
-
-In het geheel niet; want hij had tweemaal den aanval gewaagd.
-
-Buitendien greep het gevecht plaats niet in het hol, maar aan den
-ingang; er schoot dus ruimte genoeg over voor de twee eerste aanvallen.
-
-Daarom komt mij Ettmüllers vertaling da er ihm reichlich vergalt
-gegrond voor; al is het ook waar, dat bij Socin alleen gildan en niet
-âgildan met de beteekenis van loonen, betalen verschijnt.
-
-
-
-
-71
-
-
- ne hêdde hê thäs heafolan, ac sió hand gebarn
- môdiges mannes. 2698-99.
-
- hij gaf geen acht op het hoofd (des draaks), maar de hand verbrandde
- des moedigen mans.
-
-
-Deze uitlegging van Bugge gaat uit van het feit, dat uit Beowulfs
-vruchtelooze poging de onkwetsbaarheid van het drakenhoofd is gebleken.
-
-Hij vat hoofd in den letterlijken zin op.
-
-Niet zoo Cosijn, voor wien thaes heafolan «capitis sui i. e. vitæ
-suae» is.
-
-De kracht van ac komt in deze opvatting ten volle uit:
-
-Wiglaf gaf niets om zijn eigen leven, want zijne hand verbrandde enz.
-
-
-
-
-72
-
-
- feónd gefyldan (ferh ellen wräc) 2707.
-
- Zij velden den vijand (het leven verdreef de kracht).
-
-
-d. i. met het leven verdween ook de kracht. Zoo ook Grein.
-
-Dit is ongetwijfeld eene ongewone en duistere wijze van zich uit
-te drukken.
-
-Mijne vertaling sluit zich aan bij Sievers, welke voorstelt:
-
-
- feónd gefylde, feorh ellen (ellor) wräc.
-
-
-Cosijn keurt deze lezing goed; ellen komt nog voor in de plaats van
-ellor: elders; wräc is onovergankelijk op te vatten.
-
-
-
-
-73
-
-
- hê ofer benne spräc 2725.
-
- hij sprak over zijne wonde.
-
-
-Deze beteekenis kent insgelijks Grein aan ofer toe. Men zal nochtans
-vruchteloos in Beowulfs rede eene toespeling op zijne wonden zoeken.
-
-Daarom geeft Cosijn de keus tusschen post vulnus acceptum en over de
-wond sc. gebukt.
-
-
-
-
-74
-
-
- thâ hê bi sesse geóng 2757.
-
-
-Socin in voce sesse: «nach dem Sitze» en hij voegt er de verklaring
-aan toe: vor der Drachenhöhle.
-
-Deze verklaring ware beter achterwege gebleven; immers Wiglaf trekt
-wel degelijk de schatkamer binnen, het wordt uitdrukkelijk gezegd:
-
-gefrägn sunu Wihstânes... hring-net beran... under beorges hrôf: ik
-heb vernomen dat Wichstans zoon het ringpantser onder het rotsgewelf
-bracht d. i. er geharnast binnenging.
-
-Buitendien bevindt zich het goud niet voor het drakenhol, maar er in.
-
-
-
-
-75
-
-
- bill aer gescôd
- (ecg was iren) eald-hlâfordes
- thâm thâra mâdhma mund-bora wäs 2778-80.
-
-
-Socin drukt Bugges voetstappen en verstaat:
-
-De degen des ouden heerschers (Beowulf)--van staal was het lemmer--had
-hem (den draak) eer geschaad, die der schatten hoeder was geweest.
-
-Wülcker ziet in aer-gescôd eene samenstelling, evenals Thorpe, en
-laat bill aer-gescôd afhangen van genôm 2777:
-
-Wiglaf nam het met brons geschoeide zwaard (d. i. met bronzen scheede)
-van den eersten bezitter (de man van edele afkomst 2234) insgelijks
-uit de schatkamer mede.
-
-Cosijn leest met Rieger eald-hläforde dat. sing. Men raadplege de
-vertaling.
-
-
-
-
-76
-
-
- symle wäs thy saemra, thonne ic sweorde drep
- ferhd-genîdhlan 2881-82.
-
-
-Met Grein en Sievers beschouw ik den draak als onderwerp van
-wäs. Cosijn verbindt wäs met Beowulf: en ik begon den maag te helpen
-(te zwakker werd hij nl. Beowulf) toen ik den levensschadiger met
-het zwaard sloeg. symle wäs thy saemra is dan een ingelaschte zin.
-
-
-
-
-77
-
-
- ac wäs wîde cûdh,
- thätte Ongenthió ealdre besnydhede
- Hädhcyn Hrêdhling widh Hrefna-wudu,
- thâ for on-mêdlan aerest gesôhtan
- Geáta leóde Gûdh-Scilfingas 2924-28.
-
- es ward ja weithin kund,
- dass Ongentheow des Alters beraubte
- den Hädkynn den Hredling beim Hrefnaholze,
- da aus Uebermut zum ersten kamen
- zu den Kempen der Geaten die Kampfskylfinge.
-
-
-Blijkens deze vertaling beschouwt Grein leóde als acc. en
-Gûdh-Scilfingas als nom.; in andere woorden: de Zweden vielen de
-Gooten aan en niet omgekeerd.
-
-Met deze opvatting kan ik mij niet vereenigen, niet de Zweden maar
-de Gooten zijn de aanvallers.
-
-Eerst en vooral hebben de Gooten de zee moeten oversteken, want het
-Ravenbosch Hrefna-wudu lag op Zweedsch grondgebied.
-
-Verder dient for on-mêdlon: uit overmoed op de Gooten te slaan; want
-zij worden door Ongentheow verslagen en ontsnappen slechts aan eenen
-gezamenlijken ondergang door Hygelacs komst, die den volgenden morgen
-tot ontzet opdaagt.
-
-Daar nu de aanvallers alleen «overmoedig» kunnen heeten en niet zij
-die aangevallen worden, ergo...
-
-Dit wordt nog bevestigd door de omstandigheid, dat Ongentheow zijne
-gade bevrijdt, dus hadden de Gooten haar gewapenderhand opgelicht.
-
-Ten slotte wordt van Ongentheow gezegd, dat hij Hadcyn den tegenslag
-schonk, ond-slyht âgeaf; dus waren de vijandelijkheden niet van
-hem uitgegaan.
-
-Wij trekken dus uit deze gegevens de slotsom, dat leóde als nom. en
-Gudh-Scilfingas als acc. moeten aangemerkt worden.
-
-
-
-
-78
-
-
- häfde Higelâces hilde gefrûnen 2953.
-
-
-Thorpe: he of Hygelac's warfare had heard, hij had Hygelacs
-krijgsgeduchtheid vernomen.
-
-
-
-Socin schijnt ook in deze meening te deelen, daar hij in voce gefrignan
-alleen aanteekent «erfragen, durch Erzählen erfahren.»
-
-Nochtans aanvaardde Ongentheow den terugtocht, omdat hij werkelijk
-door Hygelac verslagen was 2947-49, en niet omdat hij duchtte met
-Hygelac slaags te geraken. gefrignan beteekent hier: ondervinden,
-uit ervaring weten.
-
-
- Er hatte Hygelakes Heersturm erfahren. Grein.
-
-
-
-
-79
-
-
- under eord-weall 2958.
-
-
-Niet onder maar vlak bij den aarden wal, als under beorge «bij den
-berg» 211. Cosijn.
-
-
-
-
-80
-
-
- freodho-wong thone fordh ofereódon 2960.
-
- sie eilten fürder über das Friedefeld. Grein.
-
-
-Cosijn, wiens scherpzinnige verbeteringen vooral op deze episode
-het helderste licht hebben doen vallen, verstaat door freodho-wong
-«versterkte stelling.»
-
-'t Is de fästen of eordh-weall 2951, 2958 en niet de benaming van
-eene bepaalde plaats Friedensfeld oder Schutzfeld, als Socin aan de
-hand doet.
-
-
-
-
-81
-
-
- sydhdhan Hrêdhlingas to hâgan thrungon 2961.
-
- als da die Hredlinge gen Gehöfte drangen. Grein.
-
-
-Cosijn brengt weer deze plaats terecht:
-
-haga volgens Socin «eingefriedigtes Grundstück, Gehöft, kleines
-Landgut,» dus zoo iets als La-Haye-Sainte bij Waterloo.
-
-Bedoeld is de bordhaga of wîghaga, waarbij man aan man met schild
-aan schild palstaat tegen den aanvaller.
-
-'t Is de scild-weall 3119, de Germaansche testudo.
-
-
-
-
-82
-
-
- ac hê hyne gewyrpte, theáh the him wund hrine 2977.
-
- maar hij sprong op ofschoon hem de wonde had aangetast.
-
-
-Cosijn merkt hierbij aan: «Socin blijft hier hine gewyrpan door
-aufspringen, erheben verklaren, hoewel ik de onjuistheid daarvan heb
-aangetoond en uit vs. 2983 duidelijk blijkt, dat Wulf op den grond
-bleef liggen, totdat anderen hem ophielpen en verbonden.»
-
-Hine gewyrpte: hij herstelde van zijne wonde.
-
-Grein heeft verkeerdelijk «sondern wälzte sich.»
-
-
-
-
-83
-
-
- thone the aer geheóld
- widh hettendum hord ond rîce,
- äfter häledha hryre hwate Scildingas. 3004-6.
-
-
-Uit geheóld hwate Scildingas trekt Thorpe het besluit, dat Beowulf na
-Hrodgars verscheiden ook over de Schildingen of Denen zou geheerscht
-hebben; misschien is voor Scildingas Scilfingas (Zweden) te lezen,
-zoodat Beowulf, die Eadgils heeft gedood, waarschijnlijk tevens het
-land veroverde.
-
-Müllenhoff echter ziet in 3006 eene gedachtelooze herhaling van het
-gelijkluidende vers 2053.
-
-In alle geval verwerpt hij de wijziging in Scilfingas, omdat juist
-tegen de Zweden of Schilfingen schat en rijk moest beschermd worden.
-
-Ik zie niet in hoe geheóld t. a. p. regeeren kan beteekenen, ofschoon
-gehealdan met twee beteekenissen «bewaren, beschermen» en «regeeren»
-verschijnt.
-
-Geheóld heeft drie voorwerpen: hord, rice, Scildingas en behoort dus
-eene beteekenis te hebben, die op alle drie toepasselijk is.
-
-Geheóld hord: «hij heerschte over den schat» geeft geenen goeden
-zin in de verbinding met de bepaling widh hettendum «tegenover de
-haatgezinden.»
-
-Integendeel «hij beschermde tegen hen schat, rijk, de Schildings»
-biedt geene zwarigheid meer aan.
-
-geheóld hord ond rîce doelt gevoeglijkst op Beowulfs oorlog met de
-Zweden 2392; hwate Scildingas integendeel op zijnen kamp met Grendel.
-
-Grein vertaalt geheóld door er behauptete; onder dit opzicht ten
-minste wijkt mijne vertaling niet van de zijne af.
-
-
-
-
-84
-
-
- aer hî gesêgan syllîcran wiht,
- wyrm on wonge 3039-40
-
- Zij zagen eerst een zeldzamer wezen,
- den worm op het veld.
-
-
-Dit «eerst» klinkt nog al vreemd. Cosijn verandert aer in aeft
-(eft) daarna.
-
-Bugge lascht de ontkenning nê in en neemt eene leemte aan van een vers:
-
-
- banon eác fundon bennum seócne,
- (nê aer hî thaem gesêgan syllîcran wiht)
- wyrm on wonge:
-
- Zij vonden ook den dooder door wonden ontzenuwd,
- (nooit zagen zij vroeger een zeldzamer wezen dan dit)
- den worm op het veld.
-
-
-
-
-85
-
-
-3049-74. In hoofdzaak heb ik mij aangesloten bij de door Bugge
-gewijzigde volgorde der regels.
-
-Zijne indeeling is: 3070-74; 3075-76; 3059-69; 3077.
-
-Daar 3069 van Beowulf gesproken wordt, knoop ik 3075-76 er onmiddellijk
-aan vast, zoodat hê 3075 niet meer in de lucht hangt, maar op Beowulf
-terugziet.
-
-
-
-
-86
-
-
- näs he gold-hwät: gearwor häfde
- âgendes êst aer gesceáwod 3075-76.
-
-
-Ofschoon deze plaats eene bonte rij van gissingen heeft uitgelokt
-blijf ik vooralsnog bij het oude en schaar mij bij Ettmüller, wiens
-verklaring met den samenhang strookt; iets wat voor eene bedorven
-plaats als deze bevredigend mag heeten.
-
-Eene afdoende oplossing is niet te verwachten.
-
-Cosijn stelt eene nieuwe lezing voor:
-
-«In geenen deele had Beowulf met goudgierige oogen vóór zijn dood des
-eigenaars nalatenschap nauwkeuriger beschouwd»; want Wihstan had hem
-alleen een klein deel der schatten kunnen toonen.
-
-
-
-
-87
-
-
- nû sceal glêd fretan
- (weaxan wonna lêg) wigena strengel 3115-16.
-
- nu zal de gloed vreten
- (wassen de zwarte vlam) der strijders aanvoerder.
-
-
-De parenthese levert geenen op zich zelf staanden zin op; vandaar dat
-Cosijn vermoedt: nu zal de gloed vreten, de zwarte vlam verslinden enz.
-
-weaxan zou parallel zijn met fretan en iets overeenkomstigs beteekenen.
-
-Grein stelt zich de zaak ook zoo voor:
-
-
- Nun soll die Glut fressen,
- schmelzen die schwarze Lohe der Schlachthelden stärksten.
-
-
-
-
-88
-
-
-3151-57. Bugge herstelt de gapingen als volgt:
-
-
- swylce giômor-gyd sió geó-meowle
- aefter Beówulfe bunden-heorde
- song sorg-cearig, saede geneahhe,
- thät hió hyre hearm-dagas hearde ondrêde,
- wälfylla worn, wîgendes egesan,
- hyndo ond häftnyd, heóf on rîce wealg.
-
-
-Wat het laatste halfvers betreft: heóf on rîce wealg:
-
-het gejammer in een vreemd rijk, houd ik het liever met Socin, die
-met het Hs. leest: heofon rêce swealg «de hemel slurpte den rook op.»
-
-
-
-
-89
-
-
- .... hornas byrnadh naefre? 1.
-
- branden niet de horens (horentrans).
-
-
-Het Finnsburg-fragment begint met deze slotwoorden van de door een
-der Denen gestelde vraag. Ik heb ze in de vertaling weggelaten.
-
-
-
-
-90
-
-
-Bugges tekstverbeteringen zijn als volgt:
-
-
- ac hêr fordh beradh fyrdsearu rincas,
- flacre flânbogan, fugelas singadh. 5-6.
-
-
-letterlijk:
-
-
- maar hier brengen helden het legerharnas aan,
- den zwaaienden boog, vogels zingen.
-
- 18-21 Thâ gyt Gûdhdene Gârulf styrode,
- thät hê swâ freólîc feorh forman sîdhe
- tô thaere healle durum hyrsta ne baere,
- nû hîe nîdha heard ânyman wolde.
-
-
-Zijne verandering van Gûdhere, een eigennaam, in Gûdhdene, Strijd-Deen
-draagt Jellineks goedkeuring weg.
-
-
- hwearf flacra hraew hräfen, wandrode 34.
-
-
-
-
-91
-
-
- Céled bord 29 «het koude schild» Jellinek.
-
-
-De oorspronkelijke tekst heeft celaes, waarvoor men gewoonlijk celod
-leest, dat ook duister is.
-
-Jellineks verbetering céled, koud past zeer goed bij het door den
-nachtelijken dauw genette schild.
-
-Tot staving hiervan wijst hij op gâr morgenceald «de morgenkoude speer»
-Beowulf 3023.
-
-
-
-
-92
-
-
-De vertaling, welke wij van dit raadselachtig brokstuk geleverd hebben,
-steunt op Socins uitgave van 1883 en volgt in hoofdzaak de zienswijze
-van Möller.
-
-Sedertdien heeft Jellinek een stap nader gedaan tot een duidelijk
-inzicht van het geheel.
-
-Er hapert iets aan Möllers en Bugges opvatting: Garulf, de zoon van
-Gudlaf, Gûdhlâfes sunu 33, zou een Fries, dus een aanvaller zijn,
-terwijl volgens het fragment en volgens Beowulf 1149 Gudlaf een
-Deen is.
-
-Vandaar dat Möller Gûdhlâfes 33 door Gûdhulfes vervangt. Jellinek ruimt
-deze tegenspraak uit den weg, want voor hem blijft Garulf een Deen.
-
-Zijne uiteenzetting komt hierop neer:
-
-Aan de eene deur wordt post gevat door Sigeferd en Eaha, aan de andere
-door Ordlaf, Gudlaf, Hengest en Garulf.
-
-In overeenstemming hiermede dient na sylf 17 en na Gârulf 18 een punt
-te staan en die na lâste 17 weg te vallen.
-
-Het onderwerp van styrode 18 is Garulf; Gûdhdene slaat op Hengest.
-
-De vrije vertaling luidt alsdan:
-
-«Naar de andere deur begaf zich Ordlaf, Gudlaf en Hengest zelf. Ook
-volgde hen Garulf. Hij (Garulf) stuurde den Strijd-Deen (Hengest)
-toe, dat deze zijn zoo doorluchtig leven niet bij den eersten aanval
-moest blootstellen, daar de kampduchtige Finn, nîdha heard, het hem
-ontnemen wilde.»
-
-Alvorens zich van de deur naar binnen in den burcht terug te trekken,
-wil Hengest zich overtuigen, of de deur goed bewaakt is en hij vraagt
-diensvolgens, want het is nacht, wie de eerste deur, daar waar zich
-Sigeferd en Eaha bevinden, bezet houdt. Sigeferd maakt zich daarop
-bekend. Zijn antwoord kan tweederlei beteekenen.
-
-Ofwel «U staat hier gereed, al wat gij van mij moogt verlangen»
-d. i. ik ben geheel en al tot uwen dienst. Ofwel ligt er iets
-uitdagends in zijne woorden (Vgl. Vert.), en dan moet men aannemen,
-dat hij Hengest ook niet aanstonds herkend heeft.
-
-Garulf sneuvelt niet aanstonds, zooals men uit den tekst zou kunnen
-opmaken, maar eerst na den vijfden dag; hierdoor wordt de schijnbare
-tegenspraak met wat volgt opgeheven.
-
-Wij hebben hier te doen met een hysteronproteron d. i. op de
-ontknooping wordt reeds van den beginne af gewezen, een verschijnsel
-waarvan het Beowulfepos meer dan een voorbeeld aanwijst.
-
-De «gewonde held» wund häledh 43 is een Deen, die zich naar het
-binnenste des burgs terugtrekt, waar zich Hengest bevindt, zoodat
-door folces hyrde 46 «de herder des volks» Hengest gemeend is.
-
-Bugges verbetering: hwearf flacra hraew hräfen, wandrode, waar hwearf
-op ongewone wijze met acc. en niet met een voorzetsel verschijnt,
-verandert hij in:
-
-
- hwearf lâdhra hreás, hräfen wandrode:
- «de troep der vijanden viel, de raaf dwaalde enz.»
-
-
-Ten slotte ziet Jellinek in headho-geong cyning 2 «de kampjonge koning»
-niet Hnäf, zooals Bugge, maar Hengest; doch zijne redeneering komt
-mij eenigszins duister voor.
-
-Hoe verklaart hij dan, dat de Denen later vorstenloos theóden-leáse
-(Beowulf 1104) waren?
-
-B. ten Brink breekt eene lans voor Möllers verklaring:
-
-Indien Garulf, die ealra aerest eordhbûendra valt, tot de verdedigers
-van den burcht behoort, dan volgt daaruit, dat gedurende vijf
-dagen niet alleen niemand van de verdedigers viel, maar ook van de
-aanvallers; hetgeen ongerijmd is.
-
-Zou eordhbûendra «landbewoners, menschen» niet in den engeren zin
-van burchtbewoners kunnen opgevat worden; ofwel is soms eardbûendra
-«goed-woonbewoners» te lezen?
-
-Dit is eene gissing, meer niet, welke ik aan het oordeel van meer
-bevoegden onderwerp.
-
-B. ten Brinks gegronde opwerping is dan ontzenuwd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DRUKFOUTEN.
-
-
-Eenige teekens zijn met onduidelijke letter gedrukt:
-
-Bl. 97, regel 22-23, lees: zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd
-worden.
-
-Ib. regel 26, lees: òfer lágustráetè.
-
-Bl. 98, regel 11, lees: × ´ -` ×´ × ` ^.
-
-Ib. regel 16, lees: ^ -´` × -´ ×`.
-
-Bl. 147, v. 136, lees:
-
-Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand.
-
-
-Zinstorende fouten zijn de volgende:
-
-Bl. 106, regel 18, staat:
-
-De metaphoor of uitgewerkte vergelijking; lees: .... of onuitgewerkte
-vergelijking.
-
-Bl. 118, regel 7-9, staat:
-
-De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van
-den eenzamen schatbezitter uit de Hredelepisode en in Beowulfs
-laatste woorden tot Wiglaf; lees: ... in de rede van den eenzamen
-schatbezitter, in de Hredelepisode en in Beowulfs laatste woorden enz.
-Andere misstellingen, als verkeerd geslacht, verkeerde interpunctie
-enz. gelieve de lezer zelf te verbeteren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De reeds vermelde Beowulf (Biewulf) is een Angelsaksisch gedicht
-der VIIIe eeuw, dat misschien wel nooit uit dien tongval in het Dietsch
-werd overgebracht, maar toch in de volste mate onze belangstelling
-verdient, om het tooneel, waar het speelt--op de Noordzeekusten, op
-de Maas en de Niers--en om de nauwe verwantschap, welke er bestond
-tusschen onze vaderen en den Angelsaksischen stam, die ons zijn zonen
-als geloofspredikers zond en wiens taal zooveel overeenkomst met die
-der Friezen heeft.
-
-Everts, Geschiedenis der Nederlandsche Letteren, blz. 8.
-
-[2] Origines du Duel Judiciaire par le P.-C. de Smedt, Paris
-1894. (Extrait des Etudes Religieuses, Philosophiques, Historiques
-et Littéraires).
-
-[3] Celebrant carminibus antiquis, quod unum apud illos memoriae
-et annalium genus, Tuisconem deum terra editum et filium Mannum,
-originem gentis conditoresque. Germ. C. 2.
-
-[4] Caniturque adhuc barbaras apud gentes. Annal. II, 88.
-
-[5] De origine actuque Getarum C. 3. Uitgave van Savagner, Paris, 1883.
-
-Hier zijn de volgende teksten nog bij te voegen: Quemadmodum in priscis
-eorum carminibus paene historico ritu in commune recolitur. ib. C. 2.
-
-Adhuc hodie suis cantionibus reminiscuntur C. 4.
-
-Ut ipsi suis fabulis ferunt C. 5.
-
-Vgl. Kurth, Hist. Poét. des Mérov. Chap. I. Les Sources.
-
-[6] Kurth t. a. p.
-
-[7] Jonckbloet wijst er reeds op, dat bij Gregorius van Tours in de
-eerste boeken een zwakke, maar toch duidelijke nagalm van de heldensage
-vernomen wordt. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 69.
-
-[8] Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, I, 25.
-
-[9] Vgl. Kurth, bl. 486.
-
-Deze wet, welke hij met den naam van transfert épique bestempelt,
-doet zich vooral in de Frankische sage gelden. Zoo maakte in de
-voorstelling van het volk Clovis plaats voor Dagobert I en deze voor
-Karel Martel, tot de laatste eindelijk in Karel den Grooten opging,
-bij wien het epos, als verblind door zijnen glans, bleef staan.
-
-[10] Kurth, blz. 225-26.
-
-[11] Kurth, blz. 3.
-
-[12] Kurth, blz. 334.
-
-La défaite c'est la muse épique par excellence!
-
-L. de Monge. Etudes morales et littéraires. II, blz. 67.
-
-[13] Onze eeuw van koud onderzoek, twijfel en winstbejag leent zich
-voorzeker niet tot het ontstaan van het kinderlijke, geestdriftige
-volksepos, en toch biedt zij iets min of meer overeenkomstigs in
-Frankrijk aan, waar dagbladpers, romans, lier- en tooneeldichters,
-beeldhouwers, schilders en geleerden de nederlaag van hun «année
-terrible» als om strijd trachten om te scheppen; terwijl het
-zegevierende Duitschland nog altijd op een groot dichter wacht,
-om het glansrijkste feit uit zijne geschiedenis te verheerlijken.
-
-Ook heeft Frankrijk zijnen Ganelon in Bazaine gevonden.
-
-[14] Kurth, bl. 344.
-
-[15] Müllenhoff veronderstelt te recht, dat het de beenderen van
-eenen walvisch of iets dergelijks moeten geweest zijn.
-
-In de ontdekking van zulke versteende overblijfselen ziet Kurth de
-verklaring van het zoozeer verbreide volksgeloof aan het vroegere
-reuzendom.
-
-Ik herinner mij iets overeenkomstigs in de Origines Antwerpianae
-van Goropius Becanus gelezen te hebben, als hij degenen wederlegt,
-die den naam van Antwerpen uit Handwerpen verklaren en zich beroepen
-op de aldaar bewaarde reusachtige beenderen, welke de hand van den
-reus zouden zijn.
-
-Becanus, die als natuurkundige zich minder met hersenschimmen paaide
-dan als taalkundige, beweert, dat het de voet van een olifant is en
-bewijst het door het versteende geraamte van zulk dier (mammouth?) te
-beschrijven, dat men in zijnen tijd bij het aanleggen van het kanaal
-van Willebroek opgedolven had.
-
-Génard in zijn prachtwerk Anvers à travers les âges spreekt integendeel
-van walvischbeenderen.
-
-[16] Kurth, blz. 342.
-
-[17] Kurth, blz. 338, 528. Jonckbloet I, 71. Kurth is niet ongenegen
-in de Hugen met Ettmüller, Van den Bergh en Winkler de Chauci van
-Tacitus te zien.
-
-[18] Zoo duidt ook Nathanael Müller den naam van Beowulf.
-
-Thorpe ziet er eene samentrekking in van beadowulf d. i. strijdwolf;
-Cosijn verklaart den naam door «zegewolf»; anderen zien er weer
-«bijenwolf» d. i. specht in.
-
-[19] P. u B. Beiträge: Sceâf in den Nordischen Genealogien, door
-Sievers.
-
-[20] Wij vertalen op het voorbeeld van Cosijn Geátas door Gooten,
-want Angels. eá vertegenwoordigt de Nederl. scherplange oo. Zoo laten
-wij de verschillende meeningen onaangeroerd en voorkomen wij tevens
-de verwarring met de vermaarde Oost- en Westgoten der geschiedenis.
-
-[21] P. u. B. Beiträge, XVII: Goten und Ingvaeonen.
-
-[22] Het scheen mij wenschelijk, wat langer bij ten Brink stil te
-staan, omdat zijn proza, verre van op de Fransche helderheid te kunnen
-bogen, maar al te zeer in Noordschen nevel gehuld is.
-
-[23] Het Nederlandsch leent zich ook tot zulke samenstellingen, en
-nochtans worden zij afgekeurd door hen, die zich tot wetgevers van
-de spraakmakende gemeente opwerpen, als zijnde in strijd met den aard
-onzer taal.
-
-De Germaansche talen hebben dit voor op de Romaansche, welke hunne
-toevlucht moeten nemen tot het Grieksch en Latijn, dat zij door middel
-van de samenstelling nieuwe woorden uit eigen boezem kunnen scheppen.
-
-«Stel wachters bij de bronnen!» Doch de wachters laten deze levende
-bron onzer moedertaal van lieverlede uitdrogen. Zal het Nederlandsch er
-bij gebaat zijn, wanneer het, in het dwangbuis gestoken der schoolsche
-regelmatigheid, ten laatste alle kleur en vrijheid van beweging zal
-hebben afgelegd?
-
-Deze schilderachtige woorden zijn onontbeerlijk in de poëzie, vandaar
-dat de dichters ze niet versmaden, zelfs degenen die er den staf over
-breken, als b. v. Bilderdijk.
-
-Ik lees in Urzijn en Valentijn:
-
-
- Maar kunstgeleerde dapperheid
- Betemt het woest geweld.
-
-
-Hij schrijft goudgevloekt, godverwaten, kunstversierd, landverwezen,
-wondgeslagen en andere.
-
-Schaepman bracht aan den dichter van «het Menschdom verlost» deze
-verkeerde woordverbindingen onder het oog, doch deze wees den
-beoordeelaar op zijn eigen vers in de Keizersklok:
-
-
- Zoo roept de wapenbode
- In 't goudgestikte kleed.
-
-
-Men zou eene heele lijst van dergelijke voorbeelden uit de
-Nederlandsche dichters kunnen samenstellen. Stemt overigens het
-Nederlandsche volk zonder de minste hapering, ja «met onbeklemde borst»
-aan de hand van Tollens niet het godgevallig feestlied in?
-
-Doch beschouwen wij de zaak wat van nabij.
-
-Wat verstaat men door den aard onzer taal?
-
-Ik kan er slechts twee beteekenissen aan toekennen.
-
-Indien deze samenstellingen in strijd zijn met het Nederlandsch als
-Germaansche taal, dan verwijzen wij naar de Engelsche en Duitsche
-poëzie, waar zij legio zijn, en naar de oude Germaansche dialecten.
-
-Het Gotisch heeft handu-waurhts, waaraan het Latijnsche manufactus
-geheel beantwoordt. Het zal wel onnoodig zijn, op hun gebruik in het
-Grieksch en Sanskrit te wijzen.
-
-Ofwel verstaat men door den aard der taal het algemeen gangbare
-spraakgebruik der beschaafden, dat, zooals Bilderdijk zegt, geene
-andere betrekkingen dan den genitief toelaat, b. v. huisdeur = deur
-van het huis?
-
-Nochtans vinden wij eene menigte voorbeelden van andere betrekkingen,
-zoowel bij zelfstandige als bijvoeglijke naamwoorden, waar het
-hier vooral op aankomt, en wij twijfelen er niet aan, of de huidige
-dialecten leveren ook dergelijke samenstellingen op.
-
-Zelfst. nw.: hemelvaart, watervrees, broodnijd, steendruk, kindergek,
-koordedanser, slaapwandelaar, wielrijder, geldgebrek, zwaardvechter,
-regenscherm, zeeroover, stoelgang, kleurenblindheid, leedvermaak,
-enz. enz.
-
-Bij dit laatste woord teekent Van Dale aan:
-
-«De reden, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd zeggen, is,
-omdat wij bij de uiteenzetting dezer samenstelling niet zeggen kunnen:
-vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom
-is ook het thans gebruikelijke leedvermaak (eene vertaling van het
-Hoogd. Schadenfreude) af te keuren.»
-
-Bij deze regels denk ik onwillekeurig aan de kunstmatig ingedrukte
-voetjes der Chineesche dames.
-
-Bijvoegl. nw.: composita met rijk: roemrijk, volkrijk, scheeprijk
-enz.; die met schuw: menschenschuw, zonneschuw, lichtschuw; die met
-blind: dagblind, sneeuwblind; bedlegerig, bijbelvast, godebehaaglijk,
-wereldberoemd, godgewijd, zeevaardig, dienstvaardig, waterdicht,
-luchtdicht, handtastelijk, proefondervindelijk, slagvaardig,
-kinderzalig, godzalig, godgeleerd, nagelvast, handgemeen, mondgemeen,
-vingersnel, handgauw, handgetrouw, natuurtrouw, zeehard, zeeziek,
-het in de dagbladen niet ongewone wereldkundig, staatsgevaarlijk,
-levensgevaarlijk, enz. enz.
-
-Deze lijst zou gemakkelijk vermeerderd kunnen worden bij eene
-nauwgezette doorbladering van het woordenboek en bij het raadplegen
-der gewestspraak.
-
-Wij besluiten hieruit, dat zij, die deze samenstellingen afkeuren,
-den vooruitgang der taal op willekeurige wijs belemmeren, en op éene
-lijn kunnen gesteld worden met hen, die misbruik maken van vreemde
-woorden, in plaats van hun «moers taal» te spreken, om het met Kegge
-onbewimpeld uit te drukken.
-
-[24] Het Fransche volksepos «La Chanson de Roland» is van Germaanschen
-oorsprong.
-
-Vandaar de eigennamen als Durandal voor Roelants zwaard en Joyeuse
-voor dat van den Keizer «à la barbe fleurie».
-
-[25] 4 Scheving: zoon van Scef of Sceáf, welke naam Schoof
-beteekent. Vgl. v. 47 Nota.
-
-[26] 5 medezetels: de banken, waarop de krijgers bij de gastmalen
-hunner vorsten zaten, en waar bier en mede geschonken werd. Werd de
-eene vorst door den anderen overwonnen, zoo hielden de drinkgelagen
-op. Ettmüller.
-
-[27] 15 Hij: de Hemel. Deze verzen doelen op de oorlogen, welke het
-tijdperk van regeeringloosheid, dat de aankomst van Schyld zou zijn
-voorafgegaan, moesten kenmerken.
-
-[28] 18 hem: Beowulf, zoon van Schyld.
-
-[29] 14b-18 zijn blijkbaar een toevoegsel van christelijke hand.
-
-[30] 19 Deze Beowulf, de Deen, waarin de uitgevers den mythischen
-held Beáv of Beóv zien, is niet te verwarren met Beowulf, den Goot,
-den held van het gedicht.
-
-[31] 20 de Schedelanden: het Denenrijk.
-
-[32] 24 in d'ouderdom: als hij op zijne beurt koning is geworden.
-
-[33] 28b Ingeschoven.
-
-[34] 31 Schildings: Denen.
-
-[35] 42 op den schoot: van het schip. Vgl. v. 36.
-
-[36] 47 De sage van deze wonderbare aanlanding in het oude Anglië wordt
-ook vermeld door de Engelsche kroniekschrijvers, doch niet aan Scyld,
-maar aan Sceáf, zijnen vader, toegeschreven. Kemble deelt, onder meer,
-den volgenden tekst van Willem van Malmesbury mede:
-
-Iste (Sceaf), ut fertur, in quandam insulam Germaniae Scandzam, de
-qua Jordanes, historiographus Gothorum, loquitur, appulsus navi sine
-remige puerulus, posito ad caput frumenti manipulo, ideoque Sceáf
-(Ned. schoof) nuncupatus, ab hominibus regionis illius pro miraculo
-exceptus et sedulo nutritus, adulta aetate regnavit in oppido, quod
-tunc Slasvic, nunc vero Haitheby appellalur: est autem regio illa
-Anglia vetus dicta, unde Angli venerunt in Britanniam, inter Saxones
-et Gothos constituta.
-
-Voor meer aanhalingen verwijs ik naar Ettmüllers inleiding.
-
-Volgens Nathanaël Muller moet Sceáf de Germaansche Ulysses geweest
-zijn, waarvan Tacitus gewaagt: Caeterum et Ulixem quidam opinantur
-longo illo et fabuloso errore in hunc oceanum delatum adisse Germaniae
-terras... Germ. Cap. 3.
-
-De aankomst van den Zwaanridder in het geheimzinnige bootje komt met
-de sage van Sceaf overeen.
-
-[37] 48 Een gouden banier of schild boven aan den mast was het teeken
-van de aanwezigheid eens konings. Ettmüller.
-
-[38] 53 beneên de wolken: op aarde.
-
-[39] 56 Schyld was gestorven.
-
-[40] 63 Ongentheow: is eene gissing, daar het handschrift hier eene
-leemte vertoont.
-
-[41] 64 Schilfing: Zweed.
-
-Ettmüller merkt te recht aan, dat deze inleiding de afstamming
-behelst van den Deenschen koning Hrodgar en niet, zooals het diende,
-van Beowulf den Goot, die nochtans de held van 't epos is. Een bewijs,
-onder meer andere, dat dit gedeelte later bijgevoegd is.
-
-[42] 66 zijn dierbre magen: quodque praecipuum fortitudinis
-incitamentum est, non casus nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum
-facit, sed familiae et propinquitates. Tacitus, Germania, 7.
-
-[43] 73-74 uitgezonderd de Koningsmacht? De regel «is ten eenenmale
-onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator
-ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn
-legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en
-niet tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen
-de historie hier licht geven.» Cosijn. Ook werpt hij het vers uit,
-evenals Ettmüller.
-
-[44] 82 met hoornen voorzien: met hertegewei, dat den gevel
-bekroonde. Vandaar de naam Heort of Heorot.
-
-[45] 83-86 Hier wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet
-in het gedicht behandeld worden, maar die het onderwerp moesten
-uitmaken van afzonderlijke zangen: den brand van Heorot, en de
-vijandschap tusschen Hrodgar en zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst
-der Headobarden. Vgl. v. 800 en vooral XXX.
-
-[46] 90b-103a Ingelaschte verzen, volgens Müllenhofs indeeling,
-terwijl Ettmüller minder juist ook 103b-106 verwerpt.
-
-[47] 107-118 Ingeschoven plaats.
-
-[48] 115-118 Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten
-van Kaïn afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke
-oudheid. Vgl. v. 1283 vlg.
-
-[49] 119 hij: Grendel.
-
-[50] 127 Van dit dertigtal verslond hij er vijftien en sleepte de
-overigen naar zijn hol. Vgl. v. 1614.
-
-[51] 129 met kampbuit: de vijftien overgeblevenen van v. 127.
-
-[52] 151 winters: jaren, volgens de Germaansche gewoonte van naar
-winters te tellen.
-
-[53] 160 met geld te zoenen: het weergeld, volgens de oude
-rechtspleging.
-
-[54] 161 glansrijker boete: door hem te dooden in den strijd.
-
-[55] 164 meerderen en mindren: de krijgsschaar bestond uit strijders
-van hoogeren en lageren rang, in den trant van de ridders en
-schildknapen der middeleeuwen.
-
-[56] 172 God belette hem den Deenschen troon te bestijgen; immers
-Grendel ging gebukt onder Zijnen vloek. Vgl. v. 725. Ook wenschte
-Grendel zulks niet.
-
-[57] 168-73 Inlassching.
-
-[58] 179 Den Godentempels. Ags. hearg-träf. «Götterzelt, Tempel.»
-
-De tempels werden in den regel op plaatsen gebouwd, die reeds op zich
-zelf als heilig golden, vooral in bosschen. Ags. hearh beteekent dus
-zoowel «heilig bosch» als «tempel».
-
-Sarrazin besluit uit deze plaats, dat zich in de nabijheid van Hrodgars
-burcht een offerwoud bevond.
-
-En inderdaad, op eenige minuten van Lerje ligt een beukenbosch, het
-Herthadal, vroeger ook het «heilig woud» geheeten, hetgeen volgens de
-oude overlevering en volgens de meening van Deensche oudheidkundigen
-eene heidensche offerplaats geweest is. In dit bosch bevindt zich
-het Herthameer, dat vroeger het «heilig meer» genoemd werd.
-
-Als laatste bewijs haalt Sarrazin het oude getuigenis aan van Diethmar
-van Merseburg.
-
-Is dus Lerje, blijkens het hier aangehaalde, reeds merkwaardig genoeg,
-het wint nog in belangrijkheid, dank aan het opstel van Much, «Goten
-und Ingvaeonen».
-
-Het geheimzinnige meer aan de godin Hertha (Nerthus) gewijd, waarvan
-Tacitus Germ. 40 zulk aangrijpend tooneel ophangt, bevindt zich
-volgens hem niet op Rügen, maar op het vruchtbare Seeland en is juist
-het Herthameer in de nabijheid van Lerje.
-
-Seeland was dus het Nerthuseiland en Lerje (het oude Hleithra of
-Lethra) het middelpunt van den Vaneneeredienst.
-
-[59] 181 wurggeest: duivel.
-
-[60] 183-191 Onechte plaats. De Denen naar de hel verwijzen enkel
-omdat zij heidenen waren, getuigt van eene bekrompen godsdienstige
-opvatting. Dat wij dit nochtans zoo nauw niet moeten nemen, zagen
-wij reeds in de Inleiding.
-
-[61] 193 de zoon van Healfdeen: Hrodgar.
-
-[62] 198 Higelaces leenman: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het
-eerst en zonder verband met het voorafgaande de held van het epos op.
-
-[63] 199 de Gooten. Vgl. Inleiding.
-
-[64] 206 Zij rieden het hem sterk aan (litotes.) Cosijn.
-
-Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen neef te doen blijven
-Vgl. v. 2047.
-
-[65] 208 gewenschte teekens: Auspicia sortesque ut qui maxime observant
-Tacitus. Germ. 10.
-
-[66] 212 Een kampheld: hij geleidde hen naar het strand.
-
-[67] 216 Het was hoog tij.
-
-[68] 220 gebonden kiel: beslagen kiel.
-
-[69] 223 De overtocht had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met
-de beide veronderstellingen omtrent de woonplaats der Gooten laat
-overeenbrengen, hetzij de reis van het zuidelijkste punt van Zweden
-naar Jutland, ofwel van Jutland naar Roeskilde uitgaat.
-
-[70] 228 Wederlieden: Gooten.
-
-[71] 246 Ofschoon de strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen
-zich eerst in de 9de en 10de eeuw op eene groote schaal uitbreidden,
-hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd. Tacitus zegt:
-Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines cujusque civitatis
-fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de Deensche kustwachter
-alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v. 1961.
-
-[72] 252 uwer een: Beowulf.
-
-[73] 253 huisman: in tegenstelling met
-edelman. Angs. seld-guma. seld-guma ist hier offenbar der gemeine Mann,
-der nur ein seld besitzt, im gegensatze zu dem edlen, der einen hof
-zu eigen hat. Socin.
-
-[74] 285-87 Indien het ongeluk niet ophoudt, dan zal hij steeds in
-'t ongeluk zijn!
-
-Nuchtere opmerking van interpolator La Palice.
-
-Müllenhoff schrapt 282b-284.
-
-[75] 296 De vaartuigen werden, evenals onze visschersschuiten, op
-het zand getrokken. Vgl. v. 1943, 1960-61.
-
-[76] 305 Wangstuk: dat gedeelte van den helm dat de wangen
-beschut. Het everzwijn was het aan Freyr gewijde dier. Formas aprorum
-gestant. Tacitus, Germ. 45.
-
-Eene op Oeland in Zweden gevonden bronzen schijf stelt twee krijgers
-voor, die boven op hunnen helm een everbeeld hebben.
-
-[77] 308 Sarrazin geeft de volgende plaatsbeschrijving van Lerje
-en omstreken:
-
-De afstand van de zeehaven Roeskilde naar Lerje bedraagt ongeveer
-5/4 uur gaans. De weg is eerst vlak, stijgt dan ongemerkt, totdat hij
-halverwege het hoogste punt bereikt om daarna te dalen; zoodat men in
-de verte rechts het dorp Lerje en links het slot Ledreborg ziet, dat
-zich op eene hoogte verheft, ter plaatse waar, volgens de overlevering,
-zich de oude burcht bevond. Sporen van de oude geplaveide baan zouden
-vroeger nog te zien zijn geweest.
-
-In overeenstemming hiermede bevindt zich Hrodgars burcht met
-de belendende koningszaal Heorot op eenigen afstand van de zee,
-welke in betrekkelijk korten tijd te voet kan afgelegd worden. De
-kustwachter doet aan de Gooten uitgeleide (300), totdat het hoogste
-punt bereikt is, vanwaar Heorots transen zichtbaar zijn (310, 313);
-hier neemt hij van hen afscheid (314), terwijl zij vervolgens afdalen
-(309) en langs den steenweg (321) Hrodgars verblijf bereiken.
-
-[78] 312 De machtige: Hrodgar.
-
-[79] 331 Blauwschemerig van boven: met stalen punt.
-
-[80] 333 Kamper: Wulfgar.
-
-[81] 338 Een zulke menigte is wel wat opvallend, immers zij waren
-maar met hun vijftien. Vgl. v. 211.
-
-[82] 359 bij de schouders: ter zijde, niet recht vóór hem.
-
-[83] 373 Ecgtheow was uitgeweken wegens doodslag aan Headolaf, een
-Wulfing, gepleegd en «had Beowulf meegenomen». Cosijn.
-
-Beowulf moet op het oogenblik, dat deze gebeurtenissen plaats grijpen,
-een goede vijftig jaar oud zijn. Immers toen Ecgtheow uitweek, had
-Hrodgar, welke thans 50 jaar koning is (v. 1806), juist den troon
-beklommen. Vgl. v. 469 vlg.
-
-[84] 377 vriend: Hrodgar.
-
-[85] 378 Waarschijnlijk wegens de beslechting van de veete met de
-Wulfings. 't Is natuurlijk, dat bij die gelegenheid de Gootische
-schippers van hunnen landgenoot Beowulf gewaagden. Cosijn.
-
-[86] 382 Wester-Denen: Denen.
-
-[87] 392 Oost-Denen: Denen.
-
-[88] 399 De sterke: Beowulf.
-
-[89] 401 heergetuig: de schilden en lansen, welke welstaanshalve
-buiten moesten blijven.
-
-[90] 402 de wapenstoute: Wulfgar.
-
-[91] 416 Vgl. v. 206.
-
-[92] 423 Nergens in het gedicht wordt nader melding gemaakt van
-Beowulfs kamp met de reuzen; het verslaan der Nikkers schijnt niet
-te zien op v. 585.
-
-[93] 429 reus: Grendel wordt als een reus voorgesteld. Vgl. v. 1370
-vlg.
-
-[94] 435-36 Hij draagt geen wapen en vreest voor geen wapen.
-
-[95] 442b-43 Christelijke wereldbeschouwing.
-
-[96] 448 Gij hoeft niet de wacht bij mijn lijk te houden. Zoo wordt
-later ook gezegd van Wiglaf, dat hij waakt bij het lijk van Beowulf
-en den draak. In den tekst staat niet lijk, maar hoofd.
-
-[97] 454 Daar Grendel, in de veronderstelling dat hij overwinnaar
-blijft, Beowulf zal verslinden, kan er geen sprake wezen van het
-lijk af te leggen: De neusgaten werden gesloten, daarna werd de doode
-gewasschen en gekleed.
-
-De tekst heeft niet lijktooi maar lichaam.
-
-[98] 458 Weland: Wieland in de Duitsche sage, Volundr in de
-Volundarkvitha der Edda.
-
-De sage van den kreupelen Weland, den Germaanschen Hephaistos, is,
-volgens Symons, in Nederduitschland ontstaan. Het is een mythisch
-wezen en vertegenwoordigt bij uitstek den schranderen dwerg, die de
-onderaardsche schatten aan zijne kunst dienstbaar maakt.
-
-In de Edda wordt de sage volgenderwijze verhaald:
-
-Nithothr, koning der Niaren, neemt den vindingrijken smid Volundr
-gevangen en laat hem op een eiland zijne kunst uitoefenen, na hem
-de kniepees doorgesneden te hebben. Volundr koelt zijne wraak door
-'s konings zonen te dooden en dezes dochter te verkrachten.
-
-Van de bekkeneelen der knapen had hij drinkschalen voor den koning
-vervaardigd, van de oogen edelsteenen voor de koningin en van de
-tanden borstspelden voor de koningsdochter.
-
-Degenen die hierover meer wenschen te vernemen, verwijs ik naar het
-opstel van J. Kleyntjens «Een Eddalied vertaald en opgehelderd,»
-voor zoover als ik weet de eenige studie, welke in Vlaamsch België
-over de Oudnoordsche letteren verschenen is.
-
-L'Enseignement des Langues Modernes. Jaargang 1894-95.
-
-[99] 459 Het noodlot is onwankelbaar.
-
-[100] 464 De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten, of ten
-minste als nauw ermede verwant.
-
-Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten te doen blijven,
-vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht was voor de
-wraak der Wylfings: (heirschrik v. 466).
-
-Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte daardoor Ecgtheow. De
-plaats is vrij duister.
-
-Müllenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden der Oostzee thuis.
-
-Het geslacht der Wylfingen, Wulfingen, dat ook in Widsidh vermeld
-wordt, is in de Duitsche heldensage bekend.
-
-Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen, de moedige dienstman
-van Diederik van Bern (Theodorik de Groote).
-
-[101] 466 hem: Ecgtheow.
-
-[102] 474 zoende ik: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening
-te bewerken, daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen
-vermaagschapt was. Vgl. 632. Nota.
-
-[103] 482 naar Grendels schrikverschijning: naar den verschrikkelijken
-Grendel.
-
-[104] 491 bankvloer: de vaste bodem, waar zich de banken of
-tafels bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het
-nachtleger. Vgl. v. 1260.
-
-[105] 497 Beowulf heeft dus staande zijne aanspraak gehouden.
-
-[106] 501 aalkan: bierkan.
-
-[107] 507 aan de voeten: op de tweede eereplaats rechts van den ingang,
-vóór Hrodgar, doch eene trede lager. Vgl. v. 2847. Nota.
-
-[108] 508 het kampgeheim ontkeetnend: den woordenstrijd beginnend. De
-uitdagende woorden worden vergeleken met een wild dier, dat men
-loslaat.
-
-[109] 529 Heado-raemen. Müllenhoff schrijft Heado-reámen
-(Strijd-Reámen) en ziet erin de Raumaricii van Jordanes, de bewoners
-van Raumariki ten zuiden van Noorwegen. (Angs eá = au).
-
-[110] 531 Brondings: Zie Inleiding, blz. 80.
-
-[111] 592 het land der Finnen: Finmarken aan de IJszee.
-
-Volgens Bugge is de episode van Brecca verwant met de IJslandsche
-sage van Egil.
-
-[112] 598 niet bral ik dies. IJdele woordenpraal werd door de Germanen
-in den hoogsten graad verafschuwd.
-
-Hunne nakomelingen, die nog niet wegloopen met de Fransche «blague»,
-schijnen er niet op gebeterd te zijn.
-
-[113] 595-99 Vlijmende spotternij. Gij, Hunferd, hebt nooit zulke
-moedige daad volbracht, of het moest de moord van uwe bloedverwanten
-zijn.
-
-[114] 604 uw heerscher: aan uwen heerscher.
-
-[115] 607-9 Waarlijk Beowulf windt er geene doekjes om!
-
-Er diende nochtans vrijmoedigheid toe, om deze voor de Denen zoo
-geringschattende woorden in de tegenwoordigheid van al de rijksgrooten
-uit te spreken.
-
-[116] 610 noodpand: gedwongen pand, nl. de lijken.
-
-[117] 614-15 Dan mogen de Denen weer hunnen intrek nemen in Heorot.
-
-[118] 631 zaalkroes: in de zaal gereikte kroes.
-
-[119] 632 Wealchtheow was van den stam der Helmingen.
-
-Volgens Widsidh heerschte Helm over de Wulfingen.
-
-[120] 633 hoog en nedrig: Krijgers van hoogeren en lageren rang.
-
-[121] 634 totdat de beurt zich bood: zij ging eerst de rij rond
-aan den kant van Hrodgar en kwam daarna bij Beowulf, die op de 2de
-eereplaats recht tegenover Hrodgar gezeten was.
-
-[122] 652 naast haar echtgenoot: aan zijne linkerhand.
-
-Ons gedicht hangt een levendig tafereel op van de Germaansche
-feestmalen. Eene hoofdzaak was het, aan de gasten eene met hunnen rang
-overeenkomende plaats aan te wijzen. Liederen werden voorgedragen,
-sagen en eigen daden verhaald. De braspartij werd besloten met het
-uitdeelen van geschenken aan elk der gasten.
-
-Mullenhoff ziet in vv. 624-55 eene inlassching, omdat Wealchtheow
-opeens verdwenen moet zijn, want v. 656 wordt alleen van Hrodgar
-gezegd, dat hij de zaal verlaat.
-
-Staat er niet v. 934-35 dat Hrodgar het vertrek der gade verlaat? Kon
-de dichter dus de gevolgtrekking niet aan den lezer overlaten? Vgl. nog
-v. 676.
-
-[123] 665 't bezit der zaal: de inbezitneming van Heorot te handhaven
-tegenover Grendel.
-
-[124] 673 Zoo gij er het leven van afbrengt.
-
-[125] 677b-81 Christelijke overweging.
-
-[126] 679-81 Ter oorzake van Hrodgar verleende God in dezen d. i. in
-dit bijzonder geval zijne hulp, door Beowulf af te zenden.
-
-[127] 690 De volgende verzen zijn eene herhaling van v. 435 vlg.
-
-[128] 694-95 Hij is niet bedreven in het hanteeren der wapenen,
-zooals het eenen ridder past.
-
-[129] 711 het weefsel van het wapenheil: het geluk der wapens.
-
-Volgens de Edda weefden de Walkuren het weefsel van den slag.
-
-Wij hebben hier een mengelmoes van heidensche en christelijke
-denkbeelden.
-
-[130] 714b.-23 Ettmüller en Müllenhoff beschouwen deze regels als van
-lateren oorsprong. Ook wordt v. 724 nog eens gezegd, dat Grendel in
-aantocht is.
-
-[131] 730 goudwoon: zoo geheeten, omdat er de koning goud uitdeelde.
-
-[132] 740 der halle monding: de deur.
-
-[133] 750-51 Hier wordt, als zoo dikwerf in 't gedicht, de ontknooping
-in het verschiet gesteld.
-
-[134] 755-58 De Goot, die hier zoo ongelukkig aan zijn einde komt,
-is Hondsció, zooals blijkt uit het mondelingsch verslag van zijnen
-tocht, dat Beowulf later aan Hygelac doet. Vgl. v. 2131.
-
-[135] 760 met hand en voeten: met huid en haar.
-
-[136] 762, 763 strijdheld, de vijand: Beowulf.
-
-[137] 764 en stutte; Beowulf stutte zich met den arm op de bovenste
-trede der bankvloer. Vgl. v. 2847 Nota.
-
-[138] 771 der duivels drijven: de overige monsters. Vgl. v. 1538.
-
-[139] 770-73 Overtollige uitbreiding.
-
-[140] 772-73 Hij vond hier niet meer de gelegenheid om, zooals vroeger,
-een bloedbad aan te richten.
-
-[141] 781-82 Beowulfs vuist hield Grendels hand in bedwang.
-
-[142] 785 Immers de Denen sliepen niet meer in Heorot, maar in den
-burcht. Vgl. v. 142 vlg.
-
-[143] 786 doodsontzetting: ealu-scerwen, eigenlijk bierschrik,
-eene epische, destijds misschien reeds verduisterde uitdrukking,
-oorspronkelijk eene plotselinge verdwijning van het bier beteekenende.
-
-[144] 793 menig meebank: die in 't midden van de zaal verplaatst
-waren. Vgl. v. 1260.
-
-[145] 800 Tweede toespeling op eenen toekomstigen brand. Vgl. v. 83.
-
-[146] 812 Illum (principem) defendere, tueri... praecipuum sacramentum
-est. Tacitus Germ. 14.
-
-[147] 808-22 Ettmüller verwerpt deze verzen, immers daar Beowulf in
-zijn land vernomen had, dat Grendel geene wapens te vreezen had (v. 435
-vlg.), moesten zijne makkers het ook geweten hebben. Müllenhoff wijst
-ook op eene tegenspraak. Beider gevoelen komt mij niet aannemelijk
-voor. Vgl. Aanmerkingen.
-
-[148] 834 weeldelooze woning: het meer, dat zich te midden der
-moerassen aan den voet der rotsen uitstrekte.
-
-[149] 851 volgens mijn ervaren: De dichter doet een beroep op de
-dichterlijke overlevering van zijnen tijd. Deze getuigenis keert bij
-herhaling terug.
-
-[150] 854 voetspoor: Zij begaven zich naar het meer.
-
-Beowulf was er niet bij; immers later zegt hem Hrodgar:
-
-«Nog kent gij niet de plek» en hij beschrijft hem dan het geheimzinnige
-meer. Vgl. v. 1387 vlg.
-
-[151] 865 Ingelascht vers.
-
-[152] 871 tusschen tweelingzeeën: tusschen Noord- en Oostzee.
-
-[153] 876a Hrodgar krijgt meer dan eens zoo'n pluimpje, ofschoon
-het gedicht een eerbiedig zwijgen bewaart over zijne wapenfeiten. De
-grijsaard komt mij al te jammerend voor.
-
-Ik denk hier onwillekeurig aan Tacitus Germ. 14. «sua... fortia facta
-gloriae eius (principis) adsignare praecipuum sacramentum est.»
-
-[154] 881 Het ideaal van zulk een dichter wordt ons in Widsidh
-voorgesteld.
-
-[155] 886 elk liet nu weten: De overgang van Beowulf, den dooder van
-Grendel, op Sigmund, den dooder van Fafnir, ligt voor de hand.
-
-[156] 889 des Walsings: Sigmund, zoon van Wals.
-
-[157] 892 Fitela: Sinfjötli in de Edda, de oudste zoon en neef van
-Sigmund, die zijnen vader op de zwerftochten ter zijde stond.
-
-[158] 896 der reuzen: Nevelingen.
-
-[159] 900 vuurdraak: Fafnir; de schat, waarvan sprake, is de schat
-der Nevelingen.
-
-Het Angelsaksisch gedicht verwart hier den vader met den zoon: Niet
-Sigmund, maar zijn zoon Sigfried, de held van de Wolsungensage in de
-Edda en van het Duitsche Nibelungenlied, doodde den draak en verwierf
-daardoor den schat der Nibelungen.
-
-[160] 917 bij 't reuzendom: de Nibelungen, welke oorspronkelijk
-de daemonische, duistere machten zijn, die het eerste den schat
-bezaten. In den tekst staat niet Sigmund maar hij.
-
-De volgende zin ziet op het verdriet van Sigmund in zijne
-gevangenschap.
-
-[161] 912-16 Sigmund was de vermaardste held geweest na Heremod.
-
-[162] 920 tot levenskommer: door te sterven. Het ongelukkig uiteinde
-van Sigmund in het geweld der Nibelungen was voor zijne lieden een
-levenslange kommer.
-
-Volgens Bugge is hier sprake van Heremod, die bij de reuzen
-verraderlijk gedood werd en in 's vijands handen, d. i. de macht des
-duivels, geraakte. Ook volgens Müllenhoff slaat v. 918-920 op Heremod.
-
-[163] 922 't vertrek des koenen: van Heremod.
-
-[164] 921-27 Evenals Sigmunds tochtgenooten zijne verdwijning
-betreurden in de macht der Nibelungen, zoo ook betreurden de
-Denen, dat de even dappere Heremod, die hetzij vrijwillig, hetzij
-gedwongen vertrokken was, door zijne wreedheid de van hem gekoesterde
-verwachtingen bedrogen had.
-
-Het lot van Heremod wordt met dat van Sigmund vergeleken. Er zijn twee
-punten van aanraking: hunne heldenkracht en hun ongelukkig uiteinde.
-
-[165] 927 De bloedvriend Hygelacs: Beowulf.
-
-[166] 929 aan gene: aan Heremod. Wij hebben hier eene tegenstelling
-tusschen het gedrag van Beowulf en dat van Heremod.
-
-Deze verzen dienen tevens tot aanknooping van de
-Sigmund--Heremodepisode met den held van het gedicht.
-
-Later wordt nog op twee plaatsen van Heremod melding gemaakt: 1742
-vlg. en 2236 vlg.
-
-De sage van Heremod heeft, volgens Bugge, veel overeenkomst met de
-Noordsche sage van Ali frokni (de koene).
-
-[167] 932 morgenlicht: morgenzon.
-
-[168] 934 het wonderfeit: de arm van Grendel.
-
-[169] 938 langs den medeweg: langs den weg naar Heorot, de drinkhalle.
-
-[170] 941 Grendels hand, het zegeteeken van Beowulf, werd vóór de deur,
-op de stoep gelegd, waar ieder ze zien kon.
-
-[171] 945-46 Ingelascht.
-
-[172] 957 Wie zij ook zij: Deze woorden zijn opvallend in Hrodgars
-mond; immers wij weten, (v. 374) dat hij Beowulfs moeder «Hredels
-eenige dochter» kende, al blijft ook haar naam in het duister.
-
-[173] 976 in zijnen tooi: wapenrusting.
-
-[174] 991 de groote dagvaart: dag des oordeels.
-
-Deze drie verzen zijn blijkbaar van christelijken oorsprong.
-
-[175] 1008 de weefsels: Het was de gewoonte bij feestelijke
-gelegenheden de wanden met kostbare stoffen te bedekken, waarop
-dikwijls kunstvolle onderwerpen waren voorgesteld.
-
-[176] 1016 dit: de dood. Het onderwerp moet uit de beteekenis van
-den vorigen zin worden opgemaakt.
-
-[177] 1017-20 de noodwendig voor iedereen bereide doodstede.
-
-[178] 1016-22 Iedereen moet sterven, dit kan zelfs dan gebeuren,
-wanneer men zich het minste er op verwacht b. v. als men is ingedommeld
-na het feestmaal.
-
-Deze gebrekkige verzen zijn blijkbaar een inlapsel.
-
-[179] 1022 de dagstond: Daar er, ten minste in het Noorden, twee
-hoofdmaaltijden plaats grepen, een om 9 uur 's morgens en een 's
-avonds na volbrachte dagtaak, moeten wij 9 uur aannemen.
-
-Immers het was nog morgen (931-35) en later wordt gezegd, dat zij
-den ganschen dag tafelden (2171).
-
-Ook kan de tocht naar het meer, die vooraf had plaats gehad, geen
-bezwaar opleveren, want de afstand was niet groot (1387) en zij lieten
-somtijds hunne paarden draven (876).
-
-Het feestmaal duurde tot 's avonds. Vgl. 1256, 2171.
-
-[180] 1030 Hrodulf: Hrodgars neef en mederegent.
-
-[181] 1032 Een strijd tusschen Hrodgar en Hrodulf wordt in het
-verschiet gesteld, strijd waarover het gedicht het zwijgen bewaart. Zie
-ook v. 1182. De dichter zinspeelt hier, evenals vroeger bij de
-verhouding tusschen Hrodgar en Ingeld (v. 83), op de dichterlijke
-overlevering van zijnen tijd.
-
-[182] 1038 den vorst: Beowulf.
-
-[183] 1049 Van deze acht paarden schenkt Beowulf er later vier aan
-Hygelac en drie aan Hygd. Vgl. 2220, 2232.
-
-[184] 1057 der Denen: der Ingwinen, in den tekst.
-
-Deze naam herinnert ons aan de Ingaevones van Tacitus. De volkeren
-langs de Noordzee vereerden den god Ing d. i. Freyr.
-
-[185] 1067 den man: Hondsció. Vgl. v. 2131.
-
-[186] 1071 Wyrd: noodlot, eigenlijk een der drie Nornen of
-schikgodinnen; doch wordt, evenals in den Heliand, gebezigd voor
-Gods Voorzienigheid. Christendom en heidendom worden weer in eenen
-adem genoemd.
-
-[187] 1069-76 Stichtelijk gerijm.
-
-[188] 1073-76 Het vertrouwen op God is de beste steun in al de
-omstandigheden dezes levens. worsteldagen: aardsche leven.
-
-[189] 1078 Hnäf: vorst der Half-Denen en veldheer van Healfdeen,
-koning der Denen. Daar Hrodgar, Healfdeens zoon, nu vijftig jaar het
-bewind voerde, was er ruim eene halve eeuw verloopen sinds de hier
-vermelde gebeurtenissen.
-
-[190] 1081 de zanger van Hrodgar: Hunferd.
-
-[191] 1082 Finnes zonen: de mannen van Finn, koning der Friezen.
-
-[192] 1083 overrompeling: van den kant der zich wrekende
-Denen. Vgl. 1161 vlg.
-
-[193] 1084 Half-Denen: Volgens Bugge waren dit geene eigenlijke Denen,
-ofschoon hunne bondgenooten; want Hnäf behoorde tot de Hokingen en
-Sigeferd, waarvan in het Finsburglied sprake is, tot de Secgas. De
-overige benamingen integendeel, als Noord-Oost-Zuid-Deen, zijn zoovele
-benamingen voor een en hetzelfde volk nl. de Denen.
-
-[194] 1085 't Friezenveld: slagveld, waar veel Friezen gevallen waren,
-de Finsburg met omgeving. Vgl. 1094 vlg.
-
-De kamp, waarin Hnäf verraderlijk viel onder de slagen van Finn en
-zijne Friezen, wordt ons in het Finsburgfragment geschilderd en gaat
-bijgevolg de hier verhaalde gebeurtenissen onmiddellijk vooraf.
-
-[195] Hildburg, bloedverwante, misschien de zuster van Hnäf, en Finns
-gemalin. In Widsidh heet Hnäf de vorst der Hokingen; daar nu Hildeburg
-Hokes dochter is (Vgl. v. 1090), zoo was het vermoedelijk eene oude
-veete, die door het huwelijk van Finn en Hildeburg was bijgelegd,
-doch die nu weer losbreekt door den verraderlijken overval in Finsburg.
-
-Dit verklaart dan Eotentrouw. Ettmüller.
-
-[196] 1086 Eotentrouw: Friezentrouw.
-
-[197] lieve loten en broeders: hare zonen en broeders, welke zich
-onder de gesneuvelde Half-Denen bevonden.
-
-[198] 1090 toen de morgen daagde: De Half-Denen werden 's nachts in
-Finsburg overvallen.
-
-[199] 1095 dingplaats: de vergaderplaats, waar beide partijen tot
-onderhandeling of, desnoods, tot een nieuw gevecht tegenover elkander
-stonden.
-
-[200] 1096 Hengest: Hnäfs opvolger als bevelhebber der Half-Denen.
-
-[201] 1098 veldheer van den koning: Hengest, veldheer van Healfdeen.
-
-[202] 1099 Zij: de Friezen.
-
-[203] 1106 als wilde enz. Finn onthaalde de Denen of Half-Denen,
-alsof het zijne eigen Friezen waren.
-
-[204] 1110 de resten van de ramp: de overblijvende Deensche strijders.
-
-[205] 1111 volgens 't oordeel van de raden: in geval van oneenigheid
-zouden de raadslieden uitspraak doen.
-
-[206] 1112 hunner: Denen.
-
-[207] 1114-15 Ofschoon de Denen Finn moesten gehoorzamen, den dooder
-van Hnäf.
-
-Finn vertegenwoordigt zijn volk, immers wij weten niet, of hij zelf
-de dooder was.
-
-1110-11 behelst den eed der Friezen, alsmede 1116-18;
-
-1112-15 dien der Denen.
-
-[208] 1120 het glanzend goud: waarmede Finn volgens v. 1103 vlg. de
-Friezen en de Denen moest beschenken.
-
-[209] de koenste wapenkrijger: Hnäf.
-
-[210] 1122-24 sua cuique arma... igni.. adjicitur. Tac. Germ. 27.
-
-[211] 1127 op 's broeders brandmijt: de tekst heeft: op Hnäfs
-brandmijt.
-
-[212] 1130 bij den schouder: van Hnäf.
-
-[213] 1133 heuvel: grafheuvel.
-
-[214] 1137 beide stammen: Friezen en Denen.
-
-Geven wij hier duidelijkheidshalve een overzicht:
-
-Finn, de koning der Friezen, heeft de Half-Denen of Denen, hetgeen op
-hetzelfde neerkomt, des nachts verraderlijk overrompeld in Finsburg. De
-vorst der Half-Denen, Hnäf, bevelhebber van den Deenschen koning,
-en broeder van Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden.
-
-Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn, betreurt bij het aanbreken
-van den morgen den dood harer Deensche bloedverwanten.
-
-Daar de meeste Friezen bij den aanval op Finsburg zijn gesneuveld, is
-Finn niet meer bij machte om de overgebleven Denen te vernietigen. Hij
-onderhandelt bij gevolg met Hengest, opvolger van Hnäf als bevelhebber,
-en een vredesverdrag komt tot stand.
-
-Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel rechten als de Friezen,
-worden gehuisvest en zullen met de gebruikelijke geschenken bedeeld
-worden door Finn, dien zij als koning erkennen. De geschillen zullen
-door de raadslieden worden bijgelegd.
-
-Mocht een Fries zinspelen op de vroegere vijandschap, hij zal dit
-met het leven boeten.
-
-Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de koningsgaven uit aan
-beide stammen.
-
-Daarna wordt een groote brandstapel opgericht, waarop het lijk van
-Hnäf met de gesneuvelde vrienden en vijanden verbrand wordt, terwijl
-Hildeburg den gebruikelijken klaagzang aanheft.
-
-[215] 1139-41. De verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne
-gesneuvelde vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij
-gevolg moet de Finsburg, waar de in 't vorige hoofdstuk vermelde
-gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland,
-maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen zijn.
-
-[216] 1143 in alles een: in de beste verstandhouding, ten minste
-in schijn.
-
-[217] 1152-56. Met de aankomst der lente was de zee bevaarbaar,
-derhalve wenschte Hengest naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was
-hij nog meer verlangend zich op de Friezen in een gevecht te wreken.
-
-[218] 1157-60 Om zijn tweevoudig doel te bereiken, weigerde Hengest
-niet, zich voor eenen dienstman van Finn te verklaren.
-
-Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier vermelde zinnebeeldige
-handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des Konings, dat hem door
-Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand te nemen.
-
-Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh de Koning der
-Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de Friezen
-verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland gedaan
-heeft (Vgl. 2420 vlg.), zoo verschijnt hier Hun aan het hof van Finn.
-
-Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een onderkoning van Finn
-is, evenals Hnäf, die toch zelf koning geheeten wordt, Heal'deens
-veldheer was.
-
-[219] 1163 Gudlaf en Oslaf: twee Deensche krijgers, welke ook in
-'t Finsburglied te zamen vermeld worden.
-
-[220] na de golfvaart: zij waren teruggekeerd uit Denemarken.
-
-[221] 1161-67. Bugge stelt zich de toedracht der zaak volgenderwijze
-voor:
-
-Als dienstman van Finn is Hengest verplicht, den Koning geschenken
-aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar Denemarken en keert
-daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en Oslaf.
-
-Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn voorloopig in alles te
-gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze geveinsde rol niet lang
-volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de Denen overvallen en
-Hnäf verraderlijk gedood had.
-
-Zoo werd de ontknooping bespoedigd.
-
-Wat eene andere, even aanneembare, verklaring betreft, verwijs ik
-naar de Aanmerkingen.
-
-Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat zij verscheiden
-tekstwijzigingen met zich brengt.
-
-[222] 1175 de edelvrouwe: Hildeburg.
-
-[223] 1181 Oom en broederzoon: Hrodgar en Hrodulf.
-
-Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van Halga, Hrodgars jongsten
-broeder. Vgl. 62.
-
-[224] 1182 Vgl. 1032 Nota.
-
-[225] 1186-87 Vgl. v. 598. Alweer eene vingerwijzing op de epische
-sagen, want uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds
-laakbare daad.
-
-[226] 1196 den held: Beowulf.
-
-[227] 1198 uw zonen: Hredric en Hrodmund.
-
-[228] 1200 christelijke opvatting.
-
-[229] 1201-3 Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was.
-
-[230] 1210 daar: tegenover Hrodgar.
-
-[231] 1218 Hama: Hij wordt in Widsidh vermeld en komt in de
-Hoogduitsche sage voor onder den naam van Heime; (ei = angs a). Hij
-staat er in betrekking met Diederik van Bern en met Ermanric en
-vertegenwoordigt den trouweloozen, omkoopbaren strijder. Oorspronkelijk
-is 't een mythisch wezen.
-
-[232] 1219 Brosinghalsband: de halsband, dien de Brisingen eens
-bezaten. 't Is hetzelfde kleinood als het Brisinga-men uit de Edda,
-de beroemde halsband van Freyja.
-
-[233] 1217-20 Sedert Hama, den bezitter van den Brosinghalsband,
-had nooit een held schooner halsjuweel bezeten dan nu Beowulf.
-
-[234] 1221 Ermenrics vervolging: Ermenric zette nl. den dief
-na. Ermenric is de machtige koning der Oost-Goten Ermanarik uit de
-4de eeuw. Hij vormt het middelpunt der Ermanaricssage.
-
-Saxo bericht van hem, dat hij groote schatten bezat en deze in zijnen
-burcht verborg.
-
-Ons Middelnederlandsch gedicht Van den Vos Reynaerde kent hem ook:
-
- 2047 Wilen tere stonden
- Hadde mine here mijn vader vonden
- Des conincs Ermelincx scat
- In eene verholne stat.
-
- 2374 Daer suldi vinden oec die crone
- Die Ermelync die coninc droech.
-
-[235] 1222 en koos zich 't eeuwig heil: hij trad in een klooster;
-zooals in de Diederiksage van Heime verhaald wordt.
-
-B. Symons toont aan, hoe deze plaats van 't gedicht den sleutel geeft
-tot het verhaal van Jordanes, Historia Gothorum, c. 24, waar van
-Hermanaricus gezegd wordt, dat hij eene vrouw, Sunilda, door paarden
-liet vierendeelen, omdat haar echtgenoot zich bedrieglijk uit de
-voeten had gemaakt; zonder dat dezes naam noch misdrijf vermeld wordt.
-
-Wij weten nu uit ons gedicht, dat Hama de echtgenoot was, en dat zijn
-misdrijf bestond in het rooven van Ermanariks schat.
-
-[236] 1223 des rings: Beowulfs halssieraad.
-
-[237] 1224 Swerting: Hygelacs grootvader. Higelac is de geschiedkundige
-Chochilaicus, koning der Denen. Zie Inleiding.
-
-[238] 1225 slagbuit: Dit bewijst, dat Hygelac een strooptocht
-ondernomen had, dat zeerooverij bij gevolg in zwang was.
-
-[239] 1226 hij sneuvelde.
-
-[240] 1231 in Frankenhand: Het gedicht komt nog driemaal op dezen
-tocht terug: XXXIII, XXXV, XL.
-
-[241] 1233 slechter kampvermeetlen: de Franken; de dichter heet ze
-zoo, omdat zij, naar zijne meening, als krijgslieden tegen de Gooten
-niet konden opwegen; want Hygelac met de zijnen moest alleen voor de
-overmacht bukken (Vgl. v. 3020.)
-
-[242] 1240 mijn zoon ook: Ettmüller maakt de opmerking, dat Wealchtheow
-den oudsten zoon Hredric op het oog heeft, die eens na Hrodgar zal
-regeeren.
-
-[243] 1251 blijft zoo handlen: blijft zoo verknocht, gehoorzaam
-en wilvaardig.
-
-[244] 1255 met menig edele: nochtans liet maar één ridder nl. Aschere
-er het leven.
-
-[245] 1258 een reuzig tal van ridders: het zijn Denen en geene
-Gooten. Vgl. 1303, 1322. Beowulf had vóór zijnen strijd met Grendel
-beloofd, dat zij den volgenden morgen weer bezit konden nemen van
-Heorot. Vgl. 614 vlg.
-
-[246] 1259 als vroeger: voor twaalf jaren.
-
-[247] 1260 den bankvloer ruimden ze op: door het wegbrengen der
-banken of tafels, om op de beschikbaar geworden ruimte stroozakken
-of kermisbedden te plaatsen.
-
-[248] 1262 Wie die beór-scealc, schenker, is, blijft in het onzekere,
-daar er geene verdere melding van wordt gemaakt.
-
-Probably some lines are wanting. Thorpe.
-
-[249] 1267-71 Nihil autem neque publicae neque privatae rei nisi
-armati agunt. Tacitus Germ. 13.
-
-Ad convivia procedunt armati ib. 22.
-
-Het was insgelijks bij de Scandinavische volken regel, dat ieder man
-zijne wapens des nachts boven zijn bed had hangen.
-
-[250] 1273 een: Aschere.
-
-[251] 1278 een wreker: God.
-
-[252] 1277-79 Christelijke voorstelling.
-
-[253] 1281 de ijzing der kolk: de ijselijke kolk.
-
-[254] 1292 die: Beowulf.
-
-[255] 1283-99 Deze verzen, welke slechts zoutelooze herhalingen
-vermengd met christelijke denkbeelden behelzen, zijn uit te werpen.
-
-[256] 1301 het jammervolle pad: Grendels spoor, dat zich van het
-nikkermeer tot aan Heorot uitstrekte.
-
-[257] 1303 langs de woon: de bankvloer strekte zich langs de
-hoofdzijden der zaal uit. Vgl. v. 2847 Nota.
-
-[258] 1304 een omkeer: eene verandering ten kwade.
-
-[259] 1306-8 Evenals de kracht der vrouw het niet kan halen bij die
-eens krijgsmans, zoo ook boezemde het verschijnen van Grendels moeder
-minder schrik in dan dat van haren zoon.
-
-Deze bemerking kan men zoo voetstoots niet aannemen, immers het blijkt
-later, dat Beowulf ter nauwernood en alleen door Gods hulp Grendels
-moeder overwon.
-
-[260] 1312 Zij waren dus van het leger opgesprongen, om zich achter
-de in het midden der zaal geschoven banken te verschansen.
-
-[261] 1315 wien overviel de vrees nl. de Denen.
-
-[262] 1318 een ridder: Aschere.
-
-[263] 1325-26 Hij d. i. de vijand. De reuzin nam bij het uitgaan
-Grendels schouder mede, welken Beowulf tot zegeteeken voor de deur
-had neergelegd.
-
-[264] 1330 de boozen beiderzijds: immers Grendel en zijne moeder
-hadden hun slachtoffers geëischt.
-
-[265] de vorst: Hrodgar.
-
-[266] 1343 naar zijn heusche wenschen: naar Beowulfs wensch.
-
-[267] 1355-57 De juiste schuilplaats van Grendels moeder t. w. de
-onderzeesche woning is den koning natuurlijk onbekend; waar het
-monster zich ophoudt, weet hij zeer goed, gelijk later blijkt. Cosijn.
-
-[268] 1365 Grendels moeder heeft een begin gemaakt met de
-vijandelijkheden, waarvan het einde niet te voorzien is. Men vergete
-niet, dat de bloedwraak openlijk, niet arglistig moest geschieden,
-zoodat er geen zweem van misdaad mocht bestaan. Vandaar euveldader
-v. 1363.
-
-[269] 1367 heerscher: Aschere. Nog een ander vorst, Wulfgar, behoorde
-tot Hrodgars gevolg. Vgl. 340.
-
-[270] 1368-69 Ascheres hand zal geene geschenken meer uitdeelen,
-zooals een vorst pleegt te doen.
-
-[271] 1377 op ballingswegen: in de eenzaamheid, ver van het menschdom.
-
-[272] 1382 Sarrazin beschrijft de omgeving ten Noorden van Lerje
-als volgt. Daar bevindt zich een moeras, het Kattinge-moor, waarbij
-zich oostwaarts het kleine en groote Kattinge-meer aansluiten. Dit
-laatste staat met den Roeskilder fjord door middel van de Kornerup-Aae
-in verbinding, welke nu eene beek, doch vroeger eene bevaarbare
-rivier was.
-
-Het eigenlijke verblijf van Grendel is er achter, in de bocht, ter
-plaatse waar een stroom door eene kloof in zee stort 1385.
-
-Deze kloof meent hij te herkennen in het oude bed der Kornerup-Aae,
-waar deze in den vorm van ravijn uitmondt.
-
-Hier tegenover ligt in den inham zelf een klein eiland, waarop een
-hert zich zou kunnen redden 1394.
-
-Dit eiland is de eigenlijke schuilplaats van Grendel, ofschoon de
-heele omgeving, het moeras en de twee meren, tot zijn gebied behooren.
-
-Wat de rotsen en klippen betreft, waarvan het gedicht gewag maakt,
-vindt Sarrazin geene verklaring, daar er in werkelijkheid slechts
-duinen en zandheuvels te vinden zijn.
-
-Hij heet dit dan ook eene overdrijving, welke aan de dichterlijke
-phantasie is toe te schrijven. (?)
-
-[273] 1399-1402 Een bewijs dat Grendel oorspronkelijk een stormgeest
-was. Als zoodanig vertoont hij zich, volgens Sarrazin, nu nog in de
-volkssprookjes te Roeskilde.
-
-Is het wel noodig, op deze sombere, aangrijpende beschrijving van
-het geheimzinnige Grendelmeer te wijzen?
-
-[274] 1410-15 Deze woorden doen de scherpe tegenstelling uitkomen
-tusschen den weekhartigen Hrodgar en den roemzuchtigen Beowulf,
-den man van het Noorden «met daden in de vuisten.» Daarom kan ik mij
-niet met Ettmüller vereenigen, die 1412-15 uitwerpt, als zijnde te
-zeer zinspreukig.
-
-[275] 1433 d'ontzielden man: Aschere.
-
-[276] 1435 der eedlen telg: Hrodgar.
-
-[277] 1439 hij: Hrodgar.
-
-[278] 1456 zeilstraat: Zee.
-
-[279] 1460-1469a Müllenhoff breekt zoo maar klakkeloos den staf over
-deze regels. Hij vindt ze doelloos, ja onnoozel!
-
-[280] 1482 noch brand: dit woord kan, evenals het Angs. brond, zoowel
-vuur als zwaard beteekenen.
-
-[281] 1489 angstwegen: het krijgspad.
-
-[282] 1492 de zoon van Ecglaf: Hunferd. Zijne woordenwisseling over
-Brecca's zwemtocht wordt hier in herinnering gebracht.
-
-[283] 1499 met d'andere: Beowulf.
-
-[284] 1504 der vromen: in de oude beteekenis van dapper.
-
-[285] 1506 voor mij: in stede van mij.
-
-[286] 1516-18 Laat mij (nl. Beowulf) het zwaard hebben. Hunferd had
-immers Hrunting aan Beowulf geleend. Vgl. v. 1483.
-
-[287] 1521 Weder-Gooten: Weders, Gooten.
-
-[288] 1523 Vgl. v. 1392 vlg.
-
-[289] 1525-28 Grendels moeder werd gewaar, dat iemand in het meer
-was gedoken.
-
-[290] 1532 dat: zoodat.
-
-[291] 1525-40 Müllenhoff strijkt deze verzen, omdat niet gezegd
-wordt, hoe Beowulf uit de klauwen van het monster is losgekomen,
-hetgeen nochtans met het oog op v. 1547b vlg. moet verondersteld
-worden. Het valt nochtans te betwijfelen of het afwezig zijn van eene
-omstandigheid, welke men gemakkelijk uit den samenhang kan opmaken,
-tegen een grooter bezwaar nl. het wegcijferen van de heele plaats,
-kan opwegen.
-
-[292] 1544-45 De open haardstede, die, volgens Oud-Germaansche
-gewoonte, zich in het midden van het vertrek bevond. Ook hingen er,
-zooals het gebruik was, wapens aan den wand. Vgl. 1588.
-
-[293] 1547 slagzwaard: Hrunting.
-
-[294] de vreemde: Beowulf.
-
-[295] 1551 strijdstraal: zwaard.
-
-[296] 1560 't gebloemde zwaard: gedamasceerd.
-
-[297] 1573 de moegezwoegde: het monster.
-
-[298] 1587 hij: Beowulf.
-
-De kamp met het meerwijf is verwant met de IJslandsche Grettissaga
-en met de Noordsche sage van Ormr Storolfsson. Bugge.
-
-[299] 1585-87 Inlassching.
-
-God verleende aan Beowulf zijne hulp door dezes blik te doen vallen
-op het reuzenzwaard aan den wand, zooals volgt. Vgl. 1692 vlg.
-
-[300] 1592 een ander krijger: dan Beowulf.
-
-[301] 1594 hij: Beowulf.
-
-Wat levendigheid van schildering aangaat en wisseling van krijgskans,
-die de spanning voortdurend gaande houdt, overtreft deze beschrijving
-die van den kamp met Grendel en mag als een waardig tegenhanger naast
-het gevecht met den draak gelegd worden.
-
-[302] 1602 Het reuzenzwaard begint gloeiend te worden en zal daarna
-wegsmelten. Vgl. v. 1638.
-
-[303] 1605-23a Müllenhoff kan zich niet vereenigen met Beowulfs inval,
-om aan Grendels lijk het hoofd af te slaan. Dat een bloedstroom uit
-het lijk ontspringt vindt hij bedenkelijk; volgens hem is het bloedig
-worden van het water een gevolg van den slag, waardoor Beowulf Grendels
-moeder doodt.
-
-[304] 1632 het negende uur: drie uur 's namiddags.
-
-[305] 1634 schatvriend: vriend, die schatten uitdeelt; Hrodgar.
-
-[306] 1635 de vreemden: de Gooten.
-
-[307] 1638 Later (1645 vlg.) wordt nog eens hierop
-teruggekomen. Vandaar dat Müllenhoff 1638-43a verwerpt.
-
-[308] 1645-46 Buiten Grendels hoofd en het gevest van het reuzenzwaard
-moet Beowulf ook Hrunting meegenomen hebben, immers hij geeft het
-geleende aan Hunferd terug. Vgl. 1848.
-
-[309] 1673 de veertien: Van de vijftien Gooten (v. 211) was er één,
-nl. Hondsció door Grendel gedood.
-
-[310] 1674 medeërf: Heorots onmiddellijke omgeving.
-
-[311] 1681 vreeslijk: betrekt zich op Grendels hoofd.
-
-[312] 1697 der woning wachters: Grendels moeder en, ofschoon het
-niet uitdrukkelijk gezegd wordt, eenige van de overige watermonsters
-(v. 1538), met inbegrip van het op den oever getrokken gedrocht.
-
-[313] 1711 het grijze wapenhoofd: Hrodgar, 3de naamval.
-
-[314] 1712b-14 Van latere hand, immers eenige regels verder (v. 1717
-vlg.) wordt hetzelfde herhaald.
-
-[315] 1719 Schedeneiland: Schonen, het zuidelijkste deel van Zweden,
-aan Denemarken behoorend, doch in ons epos eene benaming voor het
-Deensche rijk in het algemeen. Socin.
-
-[316] 1721 voorkamps: kamp uit den voortijd.
-
-[317] 1721-26 Ingeschoven toespeling op de giganten en op den
-zondvloed.
-
-Onmiddellijk hierop wordt gezegd, dat de naam van den eersten bezitter
-op het zwaardgevest stond ingegrift.
-
-Eene blijkbare tegenspraak.
-
-[318] 1728 runen: schrijfteekens der oude Germanen. Het runenschrift,
-waarin verscheidene opschriften tot ons zijn gekomen, werd in de eerste
-eeuwen onzer jaartelling aan het latere Latijnsche alphabet ontleend.
-
-[319] 1730 adorned with figures of snakes interlaced, a favourite
-and universal ornament among the Scandinavian nations. Thorpe.
-
-[320] 1731 toen nam het woord: neemt den na v. 1720 afgebroken draad
-van het verhaal weer op.
-
-[321] 1735 beter: dan ik.
-
-[322] 1740 Vgl. v. 961.
-
-[323] 1742 Tweede herinnering aan Heremod; tegenstelling tusschen
-hem en Beowulf.
-
-[324] 1747 tot hij eenzaam scheidde: hij verliet, hetzij vrijwillig
-of gedwongen, zijne Denen.
-
-Volgens Bugge beteekenen deze regels, dat hij stierf in de eenzaamheid
-en verlatenheid.
-
-[325] 1753 hij deelde geene ringen: volgens de Germaansche opvatting
-een blijk van een slecht vorst.
-
-Heremod is het afschrikkend voorbeeld van den dwingeland.
-
-[326] 1755-56 Bugge verklaart: na zijnen dood werd hij in de hel
-gestraft.
-
-[327] 1767 hij: God.
-
-[328] 1768 hij zelf: de man van hoogen huize, de koning.
-
-[329] 1776 de hoeder: het geweten.
-
-[330] 1778 de moorder: de bekoring.
-
-[331] 1781 helmbeschutsel: ofschoon hij zich tegen het kwaad wil
-verzetten.
-
-Müllenhoff oppert de meening, dat de nadichter den brief aan de
-Ephesiërs voor oogen heeft gehad: In omnibus sumentes scutum fidei,
-in quo possitis omnia tela nequissimi ignea extinguere. Eph. 6, 16.
-
-[332] 1783 des boozen geestes: de bekoring.
-
-[333] 1785 uit praalzin: hij schenkt geene gouden ringen meer, zooals
-hij eerst uit praalzin deed.
-
-Dit is een Germaansche trek, welke onder deze christelijke denkbeelden
-ingeslopen is.
-
-[334] 1787-88 Hij verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door
-hoogmoed verblind is. 't Is het oude thema: quos perdere vult Jupiter,
-dementat.
-
-[335] 1796 eeuwigdurend welzijn: het eeuwig heil.
-
-[336] 1803b-4 door de tooverkunsten van het kwade oog.
-
-[337] 1732b-1805 Müllenhoff schrijft deze verzen aan den interpolator
-B toe, die zijne bedrevenheid in de Godgeleerdheid en zijne kennis der
-sagen pleegt ten toon te spreiden. Het eerste gedeelte der toespraak
-(1732-1805) is eene preek in den mond van den heidenschen Hrodgar;
-het tweede gedeelte integendeel, dat met v. 1806 begint, is geheel
-en al in overeenstemming met het verhaal.
-
-[338] 1812-13 Te veel voorspoed haalt onspoed binnen; zoo dachten de
-oude Grieken er ook over.
-
-Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in hunne jeugd geene
-verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later boven alle anderen
-onderscheiden.
-
-Dit was het geval met Scyld (v. 6 vlg.) en vooral met Beowulf. (v. 2241
-vlg.)
-
-Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die later door
-bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het Noorden den
-eigenaardigen naam van kolenbijters (kolbitar), omdat zij den ganschen
-dag bij het vuur in de asch zaten gedoken.
-
-[339] 1819 het hoofd: van Grendel.
-
-[340] 1825 zijn zetel zoeken: op den tegenovergestelden bankvloer.
-
-[341] 1837 de zeeliên: de Gooten.
-
-[342] 1841 de donkre raaf: speelt eene groote rol in de Germaansche
-wereld; wij zien hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door
-twee raven vergezeld: Hugin (gedachte) en Munin (herinnering).
-
-[343] 1849 Ecglafs zoon: Hunferd.
-
-[344] 1853 't was een moedig strijder: nl. Beowulf.
-
-Volgens Müllenhoff is hier Hunferd gemeend; doch waar blijven
-dan de afkeurende woorden van vroeger: «hier ging zijn roem te
-loor»? Vgl. v. 1498.
-
-[345] 1855 de heerscher: Beowulf.
-
-Müllenhoff werpt 1848-53 uit, omdat bij Beowulfs terugkeer
-uit de diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard
-medebracht. Vgl. 1645 vlg.
-
-Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij Beowulfs kamp op den
-bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te strenge methode
-gewezen.
-
-[346] 1861 Ofschoon eene waarlijk vorstelijke gastvrijheid bij de
-Germanen heerschte, zoo was het nochtans minder welvoeglijk, indien
-men meer dan drie nachten op dezelfde plaats vertoefde.
-
-Dit verklaart Beowulfs onmiddellijk vertrek, nadat hij zich van zijne
-taak gekweten heeft.
-
-Den eersten nacht na zijne aankomst verslaat hij Grendel in Heorot;
-den tweeden nacht brengt hij door in een ander verblijf dan Heorot,
-hoogstwaarschijnlijk in den burcht, terwijl Grendels moeder in de
-troonzaal binnendringt; den derden dag doodt hij haar op den bodem
-van het meer, waarna hij alweer ongestoord mag slapen.
-
-Den vierden dag heeft eindelijk het vertrek plaats, zoodat hij, de
-twee etmalen er bijgerekend, welke de heen- en terugreis vorderde,
-op den 6den dag na zijn vertrek bij Hygelac terugkomt.
-
-[347] 1869 de haatgezinden: Grendel en diens moeder.
-
-[348] 1875 wapenhout: de lans.
-
-[349] 1880-81 Tacitus Germ. 14. plerique nobilium adulescentium petunt
-ultra eas nationes, quae tum bellum aliquod gerunt, quia et ingrata
-genti quies et facilius inter ancipitia clarescunt.
-
-In plaats van thuis te blijven, zal Hredric dus beter doen, zoo hij, in
-den aard der schildknapen in de middeleeuwen, zich bij Hygelac in den
-wapenhandel komt bekwamen. Ook Beowulf had zijne jeugd doorgebracht bij
-Hredel. Zich roem in den vreemde verwerven, behoorde tot de opvoeding
-der Scandinavische jongelingen.
-
-[350] 1885 op die jonge jaren: Dat Beowulf niet meer piepjong was,
-blijkt uit v. 373 nota. Hrodgar heeft hem misschien zoo geheeten,
-omdat hij aan het verschil tusschen Beowulfs ouderdom en zijnen eigen
-hoogen leeftijd dacht.
-
-[351] 1889 den zoon van Hredel: Hygelac.
-
-[352] 1894-95 Wij zullen later zien, dat zulks zijn wensch niet was.
-
-[353] 1904 duikelaarsbad: de zee, het bad der duikereend.
-
-[354] 1901b-4 Gaudent praecipue finitimarum gentium donis. Tacitus
-Germ. 15.
-
-[355] 1919 Hrodgar hoopte, dat Beowulf frisch en gezond zijn land
-zou bereiken, en daarna spoedig terugkeeren. Vgl. 1912-14.
-
-Wat dit laatste betreft, koesterde hij nochtans slechts eene flauwe
-hoop.
-
-[356] 1920 bij de toespraak: in de volksvergadering.
-
-[357] 1924-25 in het geheim
-
-[358] 1926 ondanks het bloed: Ofschoon Beowulf niet tot zijne familie
-behoorde, beminde Hrodgar hem meer dan zijne eigen kinderen.
-
-[359] 1935 der dappren stoet: de Gooten
-
-[360] 1941-42 Hun terugkeer naar het land der Gooten zou den
-landgenooten aldaar welkom wezen.
-
-De wensch des kustwachters (v. 299 vlg.) had zich dus bewaarheid.
-
-[361] 1946 den hoeder: Vgl. v. 294 vlg.
-
-[362] 1976 Hygd: Hygelacs gemalin, Häreds dochter.
-
-[363] 1981 Thrydho: gemalin van Offa en bekend om hare wreedheid. De
-zachte, vrouwelijke aard van Hygd wordt in het licht gesteld door
-tegenstelling met het fier, wildjonkvrouwelijk karakter van Thrydho,
-dat ons aan de noordsche Walkuren en aan Brunhilde herinnert.
-
-[364] 1986-90 Zij liet den vermetele in boeien klinken en daarna ter
-dood brengen.
-
-[365] 1993 de vredeweefster: zoo heet de koningsgade, welke dikwijls
-uitgehuwelijkt werd, om den vrede tusschen twee vijandelijke stammen
-te stichten. Men herinnere zich Hildburg en Fin en vergelijke vooral
-Freoware en Ingeld v. 2078 vlg. Over het algemeen hadden de noordsche
-volken zeer kalme en beredeneerde beschouwingen bij het sluiten van
-een huwelijk.
-
-[366] 1595 Hemings bloedmaag: Offa, koning der oude Angelen.
-
-Hij maakte een einde aan Thrydho's wreedheid, door haar andere
-gevoelens in te boezemen, als volgt.
-
-Deze Offa der sage, die in de vroegere verblijfplaats der Angelen
-heerschte, wordt ook in Widsidh vermeld. Volgens dit gedicht lag zijn
-rijk in Sleeswijk.
-
-Ons epos heet zijne schoone echtgenoote Thrydho, dat kracht, zooveel
-als virago beteekent en nog in ons Geertruid, de speerkrachtige,
-voortleeft.
-
-Verder wordt gezegd, dat zij eene hardvochtige vrouw was. Geen man,
-uitgenomen haren echtgenoot, mocht de oogen naar haar opslaan, of
-hij werd aanstonds geboeid en daarna gedood.
-
-Nadat zij op raad van haren vader de zee was overgestoken en in
-Offa, den koning der Angelen, eenen waarden echtgenoot had gevonden,
-veranderde haar inborst en werd zij eene voortreffelijke koningin en
-liefhebbende gade.
-
-Deze lezing is, volgens Müllenhoff, de oudste vorm der sage, terwijl
-in latere bewerkingen haar oorspronkelijk wild karakter weer bovenkomt.
-
-Buiten dezen Offa der sage, is er ook een geschiedkundige Offa, koning
-van Mercië, gestorven in 796. Zijne echtgenoote heette Cynethrydh
-d. i. virago regia, en in het Vita Offae II Drida (Thrydho) of na
-haar huwelijk Quendrida d. i. koningin Drida.
-
-In dit Vita Offae I en II uit de 13de eeuw werden, wegens de dubbele
-overeenkomst van naam, op deze laatste al de wreedheden van de gemalin
-des eersten Offa's overgebracht; een bewijs dat de sage van Offa bij
-de Angelsaksen zeer verbreid was. Suchier toont aan, dat zij zich
-ook bij de Kelten en Romanen voortplantte.
-
-Müllenhoff schrijft de heele Thrydho-Offaepisode aan den interpolator
-B toe.
-
-[367] 1996 zeiden zij iets anders: De krijgers, welke bij de
-drinkgelagen oude sagen plegen op te halen, verhaalden iets anders
-over de gehuwde Thrydho.
-
-[368] 1997 geringer gruwlen: in 't geheel geene
-gruwelen. (litotes.) Cosijn.
-
-[369] 2000 Offa's halle: in het oude Anglië.
-
-[370] 2005 den heldenvorst: Offa.
-
-[371] 2011-12 Deze drie eigennamen komen maar eens voor; het zijn
-helden van de Angelsaksische volksoverlevering.
-
-[372] 2013 de held: Beowulf. Zij begeven zich naar Hygelacs
-woning. Vgl. v. 1971 vlg.
-
-[373] 2016 vanuit het Zuid: het was middag.
-
-[374] 2019 Verwinnaar Ongentheows: het was niet Hygelac, maar Eofor,
-een zijner mannen, die den koning der Zweden doodde, doch de vorst
-vertegenwoordigt zijne onderhoorigen.
-
-[375] 2027 daar zat hij nu: Beowulf; hij zat, als voornaamste gast,
-op den tegenovergestelden bankvloer.
-
-[376] 2029 de mannenkoning: Hygelac.
-
-[377] 2032 Hareds dochter: Hygd.
-
-[378] 2037 Hij werd gefolterd door nieuwsgierigheid, om te weten enz.
-
-[379] 2059 op gindschen uchtendgil: ziet terug op «het machtig
-morgenwee» (v. 132-33) dat door de Denen werd aangeheven bij het zien
-van het door Grendel aangerichte bloedbad.
-
-Als nog eenig monster leeft, dan hoeft het niet te pochen op Grendels
-daden.
-
-[380] 2067: vreeverwante: Wealhtheow, Hrodgars gemalin; het woord
-beteekent hetzelfde als vredeweefster.
-
-[381] 2072 Vroeger is van Freaware geen sprake geweest.
-
-[382] 2077 Froda: vorst der Headobarden en Ingelds vader.
-
-[383] 2078 Schyldingsvriend: Hrodgar
-
-[384] 2080-81 Vandaar de naam vredeweefster, vreeverwante.
-
-Men houde in het oog, dat Beowulf hier toekomstige gebeurtenissen
-voorspelt; Freaware heeft hij alleen als verloofde (v. 2077) gekend.
-
-De episode der Headobarden komt hierop neer:
-
-Froda, de vorst der Headobarden, heeft het onderspit gedolven in het
-gevecht met de Denen en is er gesneuveld. Ten einde de twee volken
-met elkander te verzoenen, schenkt Hrodgar de hand zijner dochter
-Freaware aan den jeugdigen Headobardenkoning Ingeld, zoon van Froda.
-
-Onder Freawares dienaars bevindt zich de zoon van den Deen, welke Froda
-gedood heeft. Terwijl hij bedient in de koningshal, pronkt hij met den
-door zijnen vader buitgemaakten krijgstooi van Froda, onder anderen met
-het zwaard. Dit ziet slechts noode een oud krijger der Headobarden,
-die alle gevechten heeft meegemaakt. Hij wijst er Ingeld op en zet
-hem door zijne verontwaardigde taal langzamerhand tot wraakneming
-aan. De jonge, praalzieke Deen wordt gedood; de moordenaar ontvlucht
-en de strijd tusschen Denen en Headobarden is weer losgebroken. Men
-vergete niet dat, volgens de Oudgermaansche denkbeelden, het voor
-den zoon een heilige plicht was zijnen vader te wreken.
-
-[385] 2085 den heer der Headobarden: Ingeld.
-
-[386] 2087 met zijne gade: Freaware, Hrodgars dochter; de zaal
-is Heorot.
-
-[387] 2088-89 Een der edelen was belast met het bier in te
-schenken. Vgl. v. 501.
-
-[388] 2090 des vaders heertuig: de kamptooi van Froda, Ingelds vader.
-
-[389] 2096 een grijze lansheld; een krijgsman der Headobarden; zijn
-naam wordt niet vermeld evenmin als die van Froda's dooder en den
-Deenschen hofjonker.
-
-[390] 2099 des jongen krijgerkonings: Ingeld.
-
-[391] 2115 de dienaar van de vrouwe: de jonge Deen, welke aan Freaware
-tot hofjonker werd gegeven.
-
-[392] 2116 de tweede: de moordenaar van den jongen Deen.
-
-Zou het misschien de grijze lansheld zijn geweest?
-
-[393] 2119-20 De zucht om zijnen vader en zijn volk te wreken legt
-het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne Deensche gade.
-
-Voorwaar een echt dramatische toestand!
-
-[394] 2121b-23 Dat Beowulfs voorspelling zich bewaarheid heeft,
-hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling gezien. Hoe deze strijd
-afgeloopen is, weten wij buitendien uit Widsidh, waar gezegd wordt,
-dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf in Heorot verslagen werden.
-
-Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben over den krijg met de
-Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig.
-
-Immers Müllenhoff toont ons een overeenkomstig verhaal bij den
-Deenschen schrijver Saxo Grammaticus omtrent Frotho, den vader van
-Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche vertaling mede van twee
-liederen uit de 10de eeuw, die in hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen
-van eenen ouden strijder, Starcatherus geheeten, die Ingellus tot
-wraak aanzet.
-
-Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan van het volksepos uit
-afzonderlijke epische liederen.
-
-Müllenhoff schrijft de Headobarden-episode (v. 2085-2120a) aan
-inlasscher B toe.
-
-Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden, maar een volk, dat
-tot de Herulers behoorde.
-
-Het zijn de bewoners van Seeland, die op het einde der 5de of in 't
-begin der 6de eeuw door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes
-bericht, dat de Denen van uit Scandinavië (Schonen) afzakkende de
-Herulers uit hun land verdreven.
-
-Müllenhoff veronderstelt diensvolgens, dat beide volken een tijdlang
-hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als zelfstandig koning naast
-Hrodgar kan optreden.
-
-Ons epos herinnert hier dus een feit van overwegend belang, nl. de
-grondvesting van het Deensche rijk. Much neemt deze verklaring aan.
-
-[395] 2127 't juweel der transen: de zon.
-
-[396] 2131 Hondsció Vgl. 756, 1067.
-
-[397] 2140 een handschoen: eene nieuwe bijzonderheid.
-
-[398] 2150 uw volk: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen,
-zij kenden geen volk of natie in de tegenwoordige beteekenis van het
-woord. Het eenige verband tusschen verschillende stammen was alleen
-van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen.
-
-[399] 2162-66 Müllenhoff zet deze verzen op rekening van den
-nadichter. Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat
-verwondering baren, vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar
-zijn zanger de Finn-episode voordroeg.
-
-[400] 2167-70 Deze weemoedige stemming bij het terugdenken
-aan de vroegere heldenkracht is een kenmerkende trek van het
-gedicht. Vgl. v. 1934.
-
-[401] 2172 den ganschen dag: diem noctemque continuare potando nulli
-probrum. Tacitus, Germ. 22.
-
-[402] 2206-7 Nu dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden
-koning meer.
-
-[403] 2208 tenzij U, Hyglac: Als eene halve eeuw later Beowulf zal
-sterven, blijft nog alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings,
-waartoe Beowulf behoort. Vgl. v. 2910 vlg.
-
-[404] 2210 de hoofdbanier: voornaamste banier; zij was bekroond met
-een everkop.
-
-De geschenken, welke hier aan Hygelac worden aangeboden, zijn dezelfde,
-welke aan Beowulf v. 1034-54 door Hrodgar werden gegeven.
-
-[405] 2216 Heorogar: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood
-was. Vgl. v. 471.
-
-[406] 2221 op 't voetspoor: onmiddellijk hierop.
-
-[407] 2229 den halsring: Wij hebben gezien, hoe later dit
-prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der Franken
-geraakte. Vgl. v. 1222 vlg.
-
-Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan hebben.
-
-[408] 2236-40 Toespeling op Heremod.
-
-[409] 2234-47a Müllenhoff beschouwt deze verzen, welke den gang van
-het verhaal stremmen, als een invoegsel, vooral met het oog op de
-hem hier toegeschreven onmannelijke jeugd.
-
-Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd met Brecca, dien hij als
-knaap ondernam, en van zijne eigen woorden «Menig roemvol waagstuk
-bestond ik in mijn jeugd» v. 409?
-
-[410] 2252 een landmaat: volgens Bugge de hid d. i. een halve
-vierkante meter.
-
-[411] 2256 den tweede: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op
-en had dus meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts
-de neef was.
-
-[412] 2258 Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos; de kamp
-met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte uitmaakt,
-heeft ten minste eene halve eeuw later plaats, daar Beowulf reeds
-vijftig jaar over de Gooten heerscht.
-
-Volgens Müllenhoff zijn de verzen 2258-2465 het werk van B, om de
-twee deelen aan elkaar te verbinden.
-
-[413] bij de strijdonstuimen: bij de Gooten.
-
-[414] 2260 Heardred: de zoon van Hygelac, 3de naamval.
-
-[415] 2261 de Schilfings: Zweden, het zijn hier de zonen van Ochter,
-den koning der Zweden.
-
-Men verwarre niet de Schilfings (Zweden) met de Schyldings (Denen).
-
-[416] 2263 zijn zegevolk: de Gooten.
-
-[417] 2264 Den neef van Hererik: Heardred; deze naam komt maar
-eens voor.
-
-De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn zoon Heardred, die
-hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen inval, welken
-de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom Beowulf den
-troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg met de Zweden;
-er wordt nog driemaal XXXIII, XXXV, XL-XLI op teruggekomen.
-
-In XXXIII worden nadere bijzonderheden gegeven over hetgeen hier
-slechts ter loops is aangestipt.
-
-[418] 2266 wel vijftig winters: Beowulf was dus meer dan honderd jaar
-oud toen hij stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij
-Grendel doodde (Vgl. v. 373 nota) en het was slechts in later dagen,
-(v. 2259) dat hij den troon beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen
-ouderdom op 120 jaar aanslaan.
-
-[419] 2273 des heidens: de eenzame edelman. Vgl. v. 2338.
-
-[420] 2274-78 vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige
-letters na is verloren gegaan.
-
-[421] 2279-80a Vertaald naar Bugges gissing.
-
-[422] 2280 wien het zeer zou schaden: de dief, immers hij moet later
-zijns ondanks den weg naar het drakenhol toonen. Of hij eene andere
-straf onderging, wordt niet vermeld.
-
-[423] 2285-86a bij het zien van den slapenden draak.
-
-[424] 2287 op zoek naar eenen ingang: naar een
-toevluchtsoord. Vgl. v. 2283.
-
-[425] 2284-88 Vertaald naar Bugges verbetering van den geheel en al
-verminkten tekst.
-
-[426] 2297-98 Hij wenschte zijnen stervensdag uit te stellen, om nog
-lang de schatten te kunnen genieten.
-
-[427] 2308 ontvingen dit van u: het goud, dat uit den grond wordt
-opgedolven, hetzij uit mijnen, hetzij uit grafsteden.
-
-[428] 2311 't heil des hemels: Angs, sele-dreám; het kan ook beteekenen
-het zaalgejubel, en moet dan verstaan worden van de luidruchtige
-drinkgelagen.
-
-[429] 2324 gezellig hout: de harp.
-
-[430] 2328 In de klacht van dezen eenzamen edelling vertoont zich
-reeds dat weemoedige waas, dat, als een herfstnevel, aan de Engelsche
-en Duitsche letteren die droomerige, hoogst dichterlijke tint bijzet.
-
-Nochtans vraag ik me af, of de oude Engelschen zich door hunne weekheid
-van gemoed kenmerkten, zooals Heinzel, ten Brink en anderen beweren.
-
-Wij zien dit wel is waar bij Hrodgar, doch hier zijn bijzondere
-redenen toe.
-
-Mij dunkt, dat de levensopvatting eerder blijmoedig mag heeten;
-ten bewijze de lustige feestmalen en de omschrijvingen voor sterven,
-als de volgende:
-
-
- en luttel
- genoot hij nog de vreugde van het daarzijn 2152.
-
- nu 's legers leidsman
- 't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. 3127.
-
-
-Bugge verklaart den elegischen toon, die op sommige plaatsen
-onmiskenbaar is, door Keltischen invloed.
-
-[431] 2334 bergen: grafheuvels, waar schatten in verborgen zijn.
-
-[432] 2339 niet beter zal 't hem wezen: vingerwijzing op de
-ontknooping.
-
-[433] 2342 gene man: de dief.
-
-[434] 2343 bij zijn meester, Beowulf. Vgl. v. 2473. De «heldenzoon»
-(v. 2282) wiens slagen de arme ontvlucht, moet iemand anders
-zijn. Müllenhoff.
-
-[435] 2353-54 Christelijke beschouwing. Hiervolgens moet door geheime
-hulp (v. 2351) geen toovermacht, maar Gods bijstand verstaan worden.
-
-[436] 2361 De draak verheugde zich bij voorbaat in de verwoestingen,
-die hij zou aanrichten.
-
-[437] 2363 Hij bemerkte dit reeds voor den derden keer (2350, 2355).
-
-[438] 2374 schattenplenger: Beowulf.
-
-[439] 2376 heerenhoven: Beowulfs hof, de volksburg van v. 2399.
-
-De draak maakte Beowulf aansprakelijk voor den diefstal, want volgens
-de Germaansche rechtsbegrippen was de meester verantwoordelijk voor
-de daden van zijnen slaaf.
-
-Het koningshof was niets anders dan eene groote hoeve.
-
-Zulke hoeve bestond in 't Noorden uit minstens drie of vier woonhuizen,
-buiten bijgebouwen en stallen.
-
-De hoeve vormde een op zich zelf staand geheel, dat in zijne eigen
-behoeften moest voorzien.
-
-Vandaar dat elk van de vrij talrijke bewoners zijnen bepaalden
-werkkring had. Vgl. v. 2317 waar van de wapensmeden gesproken wordt.
-
-[440] 2388 op strijd en wand: op zijnen moed en op de rotswanden van
-den grafheuvel.
-
-[441] 2392 giftgestoelte: koningshalle.
-
-[442] 2392b-98 Christelijke overweging.
-
-[443] 2399 Het verblijf der Gootische koningen bevond zich dicht bij
-zee. Vgl. v. 1971 vlg.
-
-[444] 2409 lang: 300 jaar. Vgl. v. 2340.
-
-[445] 2413 Hij vreesde niet de kampvaardigheid van den draak, maar
-wel zijnen vuurgloed.
-
-[446] 2420 Hier wordt voor den tweeden keer de krijg met de Franken
-of Friezen vermeld. Vgl. XIX, XXXIII, XXXV, XL.
-
-[447] 2427 Hij had ja de kracht van dertig man. Vgl. v. 377 vlg.
-
-[448] 2428 de Franken: de tekst heeft Hetwaren.
-
-[449] 2430 die hem aanvielen.
-
-[450] 2432 van den kampheld: uit Beowulfs handen.
-
-[451] 2433-34 Beowulf legde dus den afstand van den Benedenrijn tot
-Jutland al zwemmende af.
-
-[452] 2437 haren zoon: Heardred.
-
-[453] 2440 verlatenen: de koningslooze Gooten.
-
-[454] 2444-46 Tijdens de minderjarigheid van Heardred oefende Beowulf
-de voogdijschap uit.
-
-[455] 2447 hem: Heardred.
-
-[456] 2448 de zonen Ochters: Eánmund en Eádgils.
-
-[457] 2449 Schilfingheer: Onela, hun oom, vorst der Zweden. Daar hij
-ouder was dan zijn broeder Ochter, beklom hij den troon na den dood
-van Ongentheow.
-
-[458] 2453 voor zijn onthaal: Heardred werd door Onela aangevallen,
-omdat hij de twee vluchtelingen had opgenomen.
-
-[459] 2455-56 Onela keerde na Heardreds dood naar Zweden terug.
-
-[460] 2458 het volk: over het volk.
-
-[461] een beste koning: Onela. Vgl. v. 2450.
-
-[462] 2459 des vorsten: Heardred.
-
-[463] 2460 hij: Beowulf.
-
-[464] 2464 die: Ochters afkomst, Eádgils.
-
-[465] 2465 rijksheer: Onela.
-
-Hier wordt voor den tweeden keer (Vgl. v. 2257 vlg.) van den oorlog met
-de Zweden gesproken. Gooten en Zweden leefden na den dood van Hredel
-(vgl. v. 2543) op gespannen voet. Dit verklaart waarom de Gootenvorst,
-Heardred, eene schuilplaats schonk aan de Zweedsche ballingen Eánmund
-en Eádgils, die tegen hunnen oom Onela, opvolger van Ongentheow,
-waren opgestaan.
-
-De gastvrijheid aan zijne neven geschonken was Onela een doorn in het
-oog; hij deed eenen inval in het land der Gooten en doodde Heardred.
-
-Door Heardreds dood stond de troon voor Beowulf open. Onela verzette
-zich niet tegen Beowulfs troonsbestijging en trok naar Zweden terug.
-
-Later wilde Beowulf den dood van Heardred op Onela wreken en
-ondersteunde te dien einde den banneling Eádgils in zijnen krijg met
-den Zwedenkoning.
-
-Eádgils doodde Onela en nam alzoo wraak over zijne ballingschap.
-
-[466] 2466 Met dit vers laat Müllenhoff het oorspronkelijke lied
-beginnen, mits verandering van alzoo in voorwaar.
-
-[467] 2473 ontdekkers: de dief van de kostbare vaas.
-
-[468] 2504 den oudsten: Herebald.
-
-[469] 2507 vriend en meerdre: Angs freáwine d. i. heer en vriend,
-Herebald was ja de oudste.
-
-[470] 2510 onverzoenbaar: Hredel kon geen weergeld vorderen, want
-dan moest hij het aan zich zelf betalen, noch den bewerker van den
-manslag dooden, want dan verloor hij twee zonen.
-
-[471] 2512 voor het gemoed: van Hredel.
-
-[472] 2515 zijn zoon: Hadcyn.
-
-[473] 2516 weemoedig lied: het gebruikelijke rouwlied.
-
-[474] 2521 vroegstgeboren: Herebald.
-
-[475] 2522 een ander erfbewaarder: Waar blijft dan Hygelac, de
-jongste zoon?
-
-[476] 2525 des zoons: Herebald.
-
-Müllenhoff neemt niet aan «dass der junge, noch nicht dem
-knabenalter entwachsene Herebeald, der sich noch mit seinem bruder im
-bogenschiessen übte, schon in einem eignen hause hof gehalten habe.»
-Maar waar staat het vermeld, dat Herebeald nog niet de kinderschoenen
-ontwassen is?
-
-Of kan zich geen volwassene in het boogschieten oefenen?
-
-[477] 2530 een rouwlied: de dichtkunst werd dikwijls als het beste
-middel beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te
-verlichten.
-
-[478] 2531 de eene om den eene: Hredel om Herebald.
-
-[479] 2532 te ruim: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet
-blijven, verbergt hij zich in de engste schuilhoeken.
-
-[480] 2537 al was hem die niet dierbaar: hij beminde Hadcyn niet meer.
-
-[481] 2540 den zonen: Hadcyn en Hygelac.
-
-[482] 2546 kroost van Ongentheow: Onela en Ochter.
-
-[483] 2549 bij Hreosnaberg: voorgebergte in 't land der Gooten;
-volgens Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige benaming.
-
-[484] 2550 mijn verwante vrienden: de neven, Hadcyn en Hygelac.
-
-[485] 2556 een maag: Hygelac.
-
-[486] den andren: Hadcyn.
-
-De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder Hadcyn op den
-moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de krijgsman van
-Hygelac, Ongentheow doodde.
-
-Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne mannen, zooals wij meer
-dan eens gezien hebben.
-
-[487] 2558 de grijze Schilfing: Ongentheow.
-
-[488] 2560 de hand: van Eofor.
-
-In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal van den oorlog met de
-Zweden na Hredels dood. In XLI, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde
-geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden behandeld.
-
-[489] 2566 de Gifden: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd.
-
-[490] 2568 een zwakker kampgezel: dan ik, Beowulf.
-
-[491] 2574 der Hugen: een Frankische stam; Ettmüller ziet er de
-Chauci in.
-
-Hier wordt voor den derden keer op de Franken of Friezen gewezen.
-
-[492] 2575-76 Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs
-dooder, gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen
-krijgsroof aan den Friezenkoning te brengen.
-
-[493] 2495-2581 Voor Müllenhoff is heel deze plaats later bijgevoegd.
-
-[494] 2582-86 Ettmüller strijkt deze verzen, daar zij slechts herhalen
-wat Beowulf boven (2495-96) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf
-hier niet voor het laatste, zooals aanstonds zal blijken.
-
-Ettmüller ziet er het bewijs in, dat ons gedicht uit afzonderlijke
-liederen is samengesteld geworden, een stelsel dat B. Ten Brink later
-heeft uitgebreid.
-
-[495] 2592 mijn kampwoord: Vgl. v. 2580 vlg.
-
-[496] 2600 Heidendom en Christendom.
-
-[497] 2615 op de sterkte van een enkle: op zijne eigen sterkte.
-
-[498] 2623 bij den buit: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn.
-
-[499] 2628 In zijnen toorn vergeet hij, dat hij van alle
-uitdagingswoorden wilde afzien. Vgl. v. 2601 vlg.
-
-[500] 2647-49 Het opzettelijk tot dit gevecht vervaardigde stalen
-schild verleende hem geene voldoende bescherming.
-
-Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v. 2759 vlg.
-
-[501] 2650-52 Hij zou voor het eerst vreemde hulp noodig hebben,
-hetgeen hen nog nooit overkomen was.
-
-Anders Socin: «er muste zum ersten Male den Feind im Schwertkampfe
-angreifen, in dem ihm das Geschick den Sieg versagte». Vgl. in
-voce môtan.
-
-Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke wapen, eerst Hrunting
-en later het reuzenzwaard, had aangetast!
-
-[502] 2656 minder hevig beet het: het drong in 't geheel niet
-door. (litotes.) Dit wordt 2663 nog eens herhaald. Later zullen we
-zien, dat Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. 2765.
-
-[503] 2666 Zijne stelling: het terrein vóór de schatkamer. Beowulf
-had zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. 2633.
-
-[504] 2667 Naar elders: hij moest sterven.
-
-[505] 2674 die eerst het volk bestuurde: Beowulf.
-
-Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten was; immers zijne
-makkers sloegen op de vlucht.
-
-[506] 2679-80. Bij een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds
-tot zwijgen brengen.
-
-[507] 2682 een vorst der Schilfings: der Zweden.
-
-Müllenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang bij de Zweden had geleefd
-en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot de Gooten overging, toen
-Beowulf, die inmiddels koning was geworden, hem het oude erfgoed der
-Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had laten behouden.
-
-[508] 2687 Waegmundings: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan
-Beowulf ook verwant was.
-
-[509] 2688 volksbezit: bezit en rechten der gezamenlijke krijgsschaar.
-
-Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den dood van Weohstan
-ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan deelgenomen had aan den
-inval van Onela in 't Gootenland en zelfs Eánmund had gedood.
-
-[510] 2693 vreugdeloozen zwerver: Eánmund en Eádgils waren
-bannelingen. Vgl. v. 2447.
-
-[511] 2695 aan diens verwanten: aan Onela, oom van Eánmund.
-
-[512] 2698 hem: Weohstan.
-
-[513] 2702 hij: Weohstan.
-
-Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken voorstel:
-
-Weohstan heeft Eánmund gedood en geeft zijne spolia, drie in getal,
-aan Onela, den oom des gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan
-terug en verwijt hem zelfs niet den dood van Eánmund, den zoon van
-Ochter, zijnen broeder.
-
-Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende vele jaren en schenkt
-ze aan Wiglaf, als deze volwassen is.
-
-Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe hij nochtans verplicht
-was, afgezien van zijne verhouding tot den gedoode. Een blijk van
-edelmoedigheid.
-
-[514] 2708 voor dezen jongen kamper: Wiglaf.
-
-[515] 2715-19. Exigunt enim a principis sui liberalitate..... illam
-cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ. 14.
-
-[516] 2732-34 Ik zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te
-overleven.
-
-[517] 2738-40 Door zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd
-de anderen te hulp kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van
-ons twaalf te sterven.
-
-[518] 2713-42 Müllenhoff beschouwt deze eerste toespraak van Wiglaf als
-onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om eene lange redevoering
-te houden, vooral met het oog op v. 2730-31. Buitendien schijnt
-de dichter vergeten te hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden
-genomen. Vgl. 2675 vlg.
-
-Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak veel overeenkomst heeft
-met de woorden, welke in de Noordsche sage van Hrolf kraki aan Hjalti
-in den mond worden gelegd en welke Saxo in 't Latijn weergeeft.
-
-De zaak is licht verklaarbaar, indien men volgens het stelsel van
-ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten aanneemt.
-
-[519] 2741-43 Wij beiden zullen te zamen strijden.
-
-[520] 2744 strijdhoofd: dichterlijke benaming voor helm.
-
-[521] 2756 Wiglafs schild was van lindenhout. Vgl. v. 2690.
-
-[522] 2778 Hij: Beowulf.
-
-[523] 2786 Wiglaf stak den draak een weinig lager dan het hoofd,
-waarop Beowulf zijn zwaard had stuk geslagen. Vgl. v. 2764.
-
-[524] 2795 naar elders: naar de hel.
-
-[525] 2809 met water: er ontsprong immers eene beek.
-
-[526] 2812 des strijdens moe: bepaalt vriend en heerscher.
-
-[527] 2819-20 na mij bestemd: bestemd om na mij te heerschen.
-
-De grijsheid stond niet zooals bij de Grieken in bijzondere achting
-bij de Germanen; het verval der lichaamskrachten, de verzwakking der
-verstandelijke vermogens wekten eerder hun medelijden dan wel eerbied
-op. Doch des te meer werd hij bewonderd, die ondanks zijne hooge jaren,
-zijne spierkracht onverzwakt behouden had. Dit zien wij bij Ongentheow,
-doch vooral bij Beowulf.
-
-[528] 2827 noch legde menig eed af: in het geheel geen eed. (litotes).
-
-[529] 2835 den sluimer: doodslaap.
-
-[530] 2847 ter zitplaats nl. binnen in de schatkamer.
-
-Wij geven hier eene korte beschrijving van de Scandinavische woning.
-
-Zij vormde een langwerpig vierkant. Het dak werd door vier rijen
-stutten geschraagd. De twee buitenste rijen bevonden zich dicht langs
-de hoofdzijwanden, de twee overige meer naar binnen, op een derde
-der huisbreedte van de eerste verwijderd, zoodat het vertrek in een
-middenschip en twee zijschepen verdeeld was. In het middenvak bevond
-zich de open haard. (Vgl. v. 1544). De twee zijvakken waren geheel
-door eenen planken bodem, bankvloer, (Vgl. v. 491), ingenomen, die
-zich trapsgewijze, gewoonlijk met twee treden, langs den wand verhief
-en die tot zitplaats diende. Van deze twee bankvloeren was de eene,
-rechts van den ingang, de voornaamste.
-
-Juist in het midden van elken bankvloer bevonden zich de twee
-eereplaatsen, waarvan de bovenste, naar blijkt uit ons gedicht,
-de voornaamste was, en die ruim genoeg waren voor verscheiden personen.
-
-Hunferd, die aan de voeten van Hrodgar zat (v. 507), bevond zich dus
-op de onderste eereplaats.
-
-De eerste eereplaats, die van den voornaamsten bankvloer, werd steeds
-door den huisheer ingenomen; de tweede op de tegenovergestelde zijde
-door den voornaamsten gast.
-
-Beowulf was op deze laatste eereplaats gezeten bij zijn bezoek aan
-Hrodgar en aan Hygelac. (Vgl. v. 497, 634 vlg., 1207 vlg., 1820,
-2063, 2027.)
-
-De losse tafels, welke eigenlijk niets anders dan banken moeten
-geweest zijn, werden op den rand des bankvloers geplaatst.
-
-Op dezen bankvloer sliepen de Gooten en Denen, nadat de
-tafels of banken naar den bodem in 't middenvak der zaal waren
-verhuisd. (Vgl. v. 1260, 1303).
-
-[531] 2850 het leger: het goud. Ettmüller.
-
-[532] 2852 Ook (zag hij) kruiken staan.
-
-[533] 2856 Toespeling op den diefstal der kostbare vaas.
-
-[534] 2866 de krijger: Wiglaf.
-
-[535] 2871 den schatbeheerscher: den draak, de degen van Wiglaf.
-
-[536] 2877 de bode: Wiglaf.
-
-[537] 2878 door 't goud genoopt: genoopt door 't verlangen om het
-goud aan Beowulf te toonen.
-
-[538] 2896 hier: op aarde.
-
-[539] 2897 beveel den strijdberoemden: beveel aan de Gooten.
-
-[540] 2898 na de houtmijt: na de verbranding van Beowulfs lijk.
-
-[541] 2901 Hrones klip: de Walvischklip. Bugge ziet er eene louter
-dichterlijke benaming in.
-
-[542] 2905 de goudwrong: Buiten de ringen aan arm en vinger, was het
-ook de gewoonte eenen prachtigen gouden of zilveren halsband te dragen.
-
-[543] 2916 het heete strijdgegolf: van de vlammen.
-
-[544] 2917 Christelijke inlassching.
-
-[545] 2924-41 Enkel uit herhalingen samengeflanste plaats.
-
-[546] 2952 en wekte hem met water: trachtte hem met water te wekken.
-
-[547] 2955-57 Inlassching.
-
-God wilde door dit feit nl. Beowulfs dood aan het menschdom toonen,
-dat hij de meester is.
-
-[548] 2962 de schuwbren: de tien lafaards.
-
-[549] 2969 de beste nl. helmen en pantsers.
-
-[550] 2971 verdeed: hij schonk den kamptooi aan onwaardigen, daar
-deze hem in den steek lieten.
-
-[551] 2978 Ofschoon Müllenhoff Wiglafs strafrede alleszins gepast
-vindt, kan hij geenen vrede hebben met de verzen, waar Wiglaf zich
-zelven ophemelt. Indien er eigenlof bestaat, dan mag die volgens
-v. 2980-82 zeer bescheiden heeten.
-
-[552] 2981 hij: de draak.
-
-[553] 2989 landbezit der stammen: gemeenschappelijk bezit. Agri
-pro numero cultorum ab universis in vices occupantur. Tacitus,
-Germ. 26. De Germanen ten tijde van Tacitus bewoonden reeds omheinde
-dorpen. De woning met voorraadskelder en tuin was het eigendom van
-het gezin. Daarenboven had elk dorp een bepaald grondgebied (mark),
-waarvan het bouwland onder al de gemeenteleden verdeeld was, terwijl
-de weiden, bosschen en woeste gronden voor algemeen gebruik bleven.
-
-[554] 2991 vanuit de verte: moet verbonden worden met vernemen.
-
-[555] 2992b-93 Turpe comitatui virtutem principis non adaequare. Iam
-vero infame in omnem vitam ac probrosum superstitem principi suo ex
-acie recessisse. Tacitus, Germ. 14.
-
-[556] 2995 het landgoed: Beowulfs hof.
-
-[557] 3001 die: een bode.
-
-[558] 3011 hij houdt de lijkwacht: Vgl. v. 448 volgens Oudgermaansch
-gebruik.
-
-De oude gebruiken houden vooral bij sterfgevallen stand; zoo bestaat
-deze gewoonte nog in Hollandsch Limburg, waar de buren 's nachts bij
-het lijk blijven waken.
-
-[559] 3016 De oorlog met de Franken of Friezen wordt hier voor de
-vierde maal in herinnering gebracht.
-
-[560] 3024 Merewingers gunst: de koning der Franken. Naklank der
-geschiedenis.
-
-[561] 3028 het Ravenbosch: eene dichterlijke benaming, volgens Bugge.
-
-[562] 3029-30 De Gooten hadden eenen inval gedaan in Zweden.
-
-[563] 3031 hem: Hadcyn, de Goot.
-
-[564] Ochters oude vader: Ongentheow, de Zweed.
-
-[565] 3034 zijn vrouwe: Elan, zooals aangenomen wordt, de dochter
-van den Denenkoning Healfdeen. Vgl. v. 63.
-
-Hadcyn moet haar dus hebben gevangen genomen.
-
-[566] 3042-44 Hij wilde hen in 't gevecht dooden door het zwaard en
-de overgeblevenen ophangen.
-
-Deze verzen gaan mank; Bugge vult aan: Hij zeide, dat hij met den
-morgen door de snede van het zwaard hen wilde dooden, en voor eenigen
-galghouten in het bosch kappen en hen er aan hangen tot vreugde
-der vogels.
-
-[567] 3046 den hopeloozen: den Gooten.
-
-[568] 3052 de stoute: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden.
-
-[569] 3058 het varensvolk: de Gooten.
-
-[570] 3062 hun standaard: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden.
-
-[571] 3063 Zij: de Gooten.
-
-[572] hun: de Zweden.
-
-[573] 3064 Hredels drommen: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen;
-Hredel zelf was immers gestorven.
-
-[574] 3068a dit ziet op de ontknooping.
-
-[575] 3069 hem: Ongentheow.
-
-[576] Wulf: Eofors broeder; beiden zijn Gooten.
-
-[577] 3074 Zoodra de Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar
-Wulf, die hem dezen slag had toegebracht.
-
-[578] 3075 zoon van Wanred: Wulf.
-
-[579] 3084 hun kunstwerk: der reuzen kunstwerk.
-
-[580] 3089 hun: aan de Gooten.
-
-[581] 3090 Eofor beroofde Ongentheow.
-
-Daar de strijd met de Franken en Friezen op verschillende plaatsen
-van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier al die gegevens
-samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht alle verwarring
-te voorkomen.
-
-Oorlog met de Franken of Friezen.
-
-Hygelac had over zee eenen strooptocht in Friesland gedaan; hij
-sneuvelde in den strijd en de Franken maakten zich van zijn kostbaar
-halskleinood meester. XIX.
-
-Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte Beowulf, met dertig
-schilden op den arm, door in 't water te springen, nadat hij al zijne
-Frankische aanranders had verslagen. XXXIII.
-
-Beowulf doodt den Frank Däghrefn met de vuist, zoodat deze in de
-onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs krijgssieraden aan den
-Franken- of Friezenkoning te brengen. XXXV.
-
-Hygelac was met eene vloot naar Friesland gestevend, waar hij bezweek
-onder de overmacht der Franken. Sinds dien tijd bestond er vijandschap
-tusschen Gooten en Franken. XL.
-
-Oorlog met de Zweden.
-
-Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood van Hredel, en later
-bij de opname van de Zweedsche ballingen door Heardred.
-
-Eerste oorlog:
-
-XXXV. Na Hredels dood breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en
-Onela doen invallen bij Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac,
-ofschoon de eerste bij 't Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt
-op Ongentheow Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt.
-
-XL, XLI. Verhaal van den bode:
-
-De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden aangevallen (3029). Ongentheow
-schonk aan Hadcyn den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne
-eigen gade (3030 vlg.); hij zette de Gooten na (3036), die zich in
-het Ravenbosch verscholen (3038). Daar omsingelde hij hen (3039) en
-bedreigde hen den ganschen nacht (3041 vlg.). 's Morgens daagt Hygelac
-op, om de Gooten te ontzetten (3045); een gevecht heeft plaats (3049
-vlg.); Ongentheow moet wijken (3052) en trekt zich terug bij zijne
-verschansing (3060). De Gooten vervolgen hem (3061), maken zijnen
-standaard buit (3062) en trekken over de versterkte stelling, welke
-de Zweden verlaten hebben (3063). Zij brengen Ongentheow tot staan
-(3065). Wulf wondt Ongentheow (3069 vlg.), doch wordt door dezen buiten
-gevecht gesteld (3071 vlg.). Eofer, Wulfs broeder, doodt nu Ongentheow
-(3082 vlg.) en berooft hem van zijne wapenrusting (3090). Wulf wordt
-door zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld
-moeten ruimen.
-
-Tweede oorlog:
-
-XXXI. Heardred, zoon van Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden,
-en Beowulf beklimt den troon.
-
-XXXIII. Heardred ontvangt de zonen Ochters, Eánmund en Eádgils,
-die tegen Onela, koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een
-inval in 't land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den
-troon beklimmen.
-
-Later, maar deze derde krijgstocht wordt slechts ter loops aangestipt,
-wreekt Beowulf Heardreds dood door Eádgils te ondersteunen, die Onela
-van 't leven berooft.
-
-[582] 3096 de Gootenkoning: Hygelac.
-
-[583] 3099 honderd duizend. Vgl. v. 2252.
-
-[584] 3101 Niemand schatte het loon te gering.
-
-In de Noordsche sage wordt door Hrolf Kraki dezelfde belooning
-toegekend als hier door Hygelac. Bugge.
-
-[585] 3104 met zijne dochter: Het is moeilijk aan te nemen, dat
-Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v. 2020), reeds eene
-huwbare dochter zou gehad hebben. Müllenhoff stelt te recht deze
-verzen op rekening van den inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt,
-dat Hygelac en Beowulf van denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan
-ik hem geen gelijk geven.
-
-[586] 3112 die de dappre Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat
-op Beowulfs tocht naar Hrodgar; de gedoode helden zijn Grendels
-slachtoffers.
-
-[587] 3115 ons thans te haasten: die aanbeveling van den bode komt
-wel wat laat.
-
-[588] 3116 branduitvaart: plechtige optocht naar den brandstapel.
-
-[589] 3118-22 de heele schat en niet een enkel deel ervan zal met
-hem op den brandstapel gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de
-heele schat in den lijkheuvel begraven werd.
-
-[590] 3124-27 Perhaps a glee-maiden is maint, who, having lost her
-patron, is compelled to wander abroad. Thorpe.
-
-[591] 3129 de morgenklamme: vochtig na nachtelijke tochten. In andere
-woorden: Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen.
-
-[592] 3131-35 Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving.
-
-[593] 3136 de koene strijder: de bode. Vgl. 2994 vlg.
-
-[594] 3003-3137 Müllenhoff ziet er het werk van den interpolator in.
-
-[595] 3137 Er brak derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te
-beweren, moet de dichter het oog gehad hebben op epische liederen.
-
-[596] 3139 aargebergte: adelaarsgebergte, Earna-naes, in 't land der
-Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. onder:
-aan den voet.
-
-[597] 3146-47 zeldzamer schouwspel: dan dat van den gesneuvelden vorst.
-
-[598] 3152 't genot der luchten: genotvolle lucht.
-
-[599] 3156-57 Dit moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn,
-want het lijk van den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp
-vóór den ingang had plaats gegrepen. Vgl. 3213 vlg.
-
-[600] 3159 duizend winters: niet letterlijk op te vatten, daar de draak
-er slechts 300 jaar gehuisvest was; duizend wordt hier overdrachtelijk
-gebezigd voor een onbepaald groot aantal jaren.
-
-[601] 3160 Alstoen: toen de schat in den grond geborgen
-werd. Vgl. v. 2290. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij ook
-in de Nibelungen.
-
-[602] 3168: de hooggeroemde heerschers: Vlg. v. 2289.
-
-[603] 3174 Aan hem: aan den draak.
-
-[604] 3175 hem had de wachter: de wachter of draak had hem alleen
-nl. Beowulf eerst gedood. De zin is: de vloek werd bewaarheid; de
-draak had Beowulf gedood, maar hij zelf liet er ook het leven.
-
-[605] 3177b--81 't Is soms verwonderlijk, waar, op welke plaats een
-held moet sterven: men kan niet vooruit weten, waar men sterven zal.
-
-[606] 3146-85 Het springt in 't oog, dat dit een inlapsel
-is. Müllenhoff merkt te recht aan, dat deze verzen de lamlendigste
-van het gansche gedicht zijn.
-
-[607] 3184-85 Volgens Ettmüller. Beowulf had den draak (goudbezitter)
-niet aangetast, om zijn goud machtig te worden, maar om het land
-te verlossen, want reeds vroeger zou hij volgaarne met den draak
-vriendschap gesloten hebben; dan was hij nu niet genoodzaakt geweest
-hem te bevechten. Volgens v. 2349 was het strijdgeding vernieuwd;
-hieruit kan men veronderstellen, dat de draak voorheen al verwoestingen
-had aangericht. Hiermede schijnt mij v. 3192-95 niet in tegenspraak.
-
-[608] 3188-89 Ziet dit op de straf der lafaards, ofwel op toekomstige
-verwikkelingen met Franken en Zweden? Dit laatste komt mij het
-aannemelijkst voor.
-
-[609] 3226: naar den goede: naar Beowulf.
-
-[610] 3232-33 Als de werpspies het spoor volgde van den pijl; als
-gestreden werd.
-
-[611] 3236 in 't moordvertrek: in de onderaardsche schatkamer.
-
-[612] 3239 Niet lag aan 't lot: De bestemming van den schat stond
-vast; hij moest met Beowulf ten deele verbrand en ten deele begraven
-worden; bijgevolg hoefde hij niet door het lot verdeeld te worden,
-zooals geschiedt bij eenen onbeheerden buit.
-
-[613] 3242-44a Ik versta dit als volgt: niemand was droevig bij het
-zien van die schatten, welke zij zelven niet mochten bezitten.
-
-Dit zou pleiten voor hunne verkleefdheid aan Beowulf, dien zij,
-niettegenstaande hij het anders verzocht had, alles wilden meegeven.
-
-[614] 3257: op den berg: op de walvischhoogte.
-
-[615] 3258 de houtwalm hief zich: het hoog opstijgen der vlam was
-een teeken, dat den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te
-beurt vallen.
-
-[616] 3264 de jonkvrouw: Beowulfs bijslaap. Vgl. v. 3124 vlg.
-
-Heur naar voorgevoel stemt overeen met de voorspelling van den bode.
-
-Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van Beowulfs weduwe,
-zooals Socin aanneemt en ook Müllenhoff, die nochtans den inlasscher
-voor deze bijzonderheid verantwoordelijk stelt.
-
-[617] 3264-69 Vertaald volgens Bugge's aanvulling, want de tekst
-biedt tal van leemten aan.
-
-[618] 3278: in den berg: in den grafheuvel.
-
-Men heeft groote schatten uit de noordsche grafsteden opgedolven. De
-rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der ijzerperiode verrassend;
-in een later tijdperk komt meer zilver voor.
-
-Ons gedicht levert ons hier eene juiste en volledige beschrijving
-van de Oudgermaansche begraafplaatsen.
-
-Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd een heuvel
-opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden werden
-den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren. Dikwijls
-werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip uitgestrekt. Een
-steenen wal omgaf somtijds het gansche.
-
-Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen lijk onbegraven blijven
-liggen.
-
-Quando rex jacebat in hac civitate, servabant eum XII homines de
-melioribus civitatis.
-
-Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel bij de Germanen,
-welke eene zekere onderscheiding, doch geene voorrechten genoot.
-
-Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende beschrijving van
-Attila's begrafenis van eene soortgelijke plechtigheid gewaagt.
-
-«Nam de tota gente Hunnorum electissimi equites in eo loco, quo erat
-positus, in modum circensium cursibus ambientes, facta ejus cantu
-funereo.. referebant.» Cap. 16.
-
-[619] 3284-85 De zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke
-laatsten, volgens Domesdaybook, de eerewacht des konings uitmaakten.
-
-[620] 3291-92 Dolorem et tristitiam tarde ponunt; feminis lugere
-honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ. 27.
-
-[621] 3296-98 Ziedaar het ideaal van den Germaanschen koning!
-
-Het zij mij hier vergund de aandacht in te roepen op eenige
-merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en de Westvlaamsche
-folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de bereidwillige mededeeling
-van Dr. Gezelle te danken heb en welke aantoonen, dat de sage van
-Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in Vlaanderen. Om niet
-te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene merkwaardige
-overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het volgende
-volstaan.
-
-De mede, die in de middeleeuwen in onze streken zeer verspreid was,
-zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er eene belasting op
-stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche kust gedronken
-en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren behoorende tot het
-timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten hoornboom, hoornbalke,
-hetgeen aan Heorot doet denken; Grendele, Degrendele is nog zoo
-algemeen in Westvl. als Dendievel.
-
-Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog op de uitdrukking de
-duivel en zijn moer, die in Vlaanderen (en ook in Hollandsch Limburg)
-van algemeen gebruik is en aan Grendel en diens moeder herinnert.
-
-[622] Men herinnere zich, dat dit fragment de gebeurtenissen verhaalt,
-die de in het epos behandelde Finn-episode voorafgaan.
-
-[623] 1 de wapenjonge heerscher: Hnäf, volgens Bugge.
-
-Een der Deensche krijgers in Finnsburg moet bij het ontwaren van
-eenen schemer te midden der duisternis gevraagd hebben: Wordt het dag,
-vliegt een vuurdraak voorbij, of staat de burg in brand?
-
-De koning antwoordt eerst ontkennend op elk der drie punten en geeft
-daarna eene stellige uitkomst: De Friezen, wier wapens in het maanlicht
-glanzen, naderen om ons aan te vallen.
-
-[624] 3 de horentrans: de Finnsburg is, evenals Heorot, met een
-gewei bekroond.
-
-[625] 5 oorlogsvogels: de pijlen. De tekst heeft vogels alleen; ten
-Brink ziet er geene beeldspraak in, maar de slagvogels: raaf en arend.
-
-[626] 4-5 vertaald naar Bugges verbeterden tekst.
-
-[627] 6 het kamphout: de houten lans met stalen punt.
-
-[628] 7 't schild antwoordt: de Friezen slaan met hunne lansen op
-de schilden.
-
-[629] 8 weedaân: vijandelijkheden staan te gebeuren, waardoor zich
-de haat der Friezen zal uiten.
-
-[630] 11 lindebast: schild.
-
-[631] 13 met goud behangen: Bugge verwijst naar eenen tekst van Saxo,
-waarvolgens de arm met ringen werd bezwaard, om des te forscher slagen
-toe te dienen.
-
-[632] 18 de Strijd-Deen: Sigeferd.
-
-[633] Garulf is een Fries volgens Möller en Bugge.
-
-[634] 22 hij: Sigeferd; het: Garulfs leven.
-
-Sigeferd daagt Garulf in spottende taal uit, om de deur, waar hij op
-post staat, aan te vallen.
-
-[635] 18-22 zijn vertaald naar den door Bugge gewijzigden tekst.
-
-[636] 24 deze dappre: Garulf.
-
-[637] 28 wat van beide: leed of harde kamp, als blijkt uit het
-voorgaande vers.
-
-Sigeferd laat hem bij wijze van galgenhumor de keus tusschen deze twee.
-
-Deze verklaring van ten Brink schijnt mij aannemelijker dan die van
-Socin, welke bij swädher = utrumcunque onderverstaat «Schlimmes oder
-Gutes, Tod oder Leben.»
-
-[638] 32 de beerhelm: everhelm.
-
-[639] 36 Bugges lezing is hier gevolgd.
-
-[640] 46 een gewonde kamper: een Fries, volgens Holtzmann en Möller.
-
-[641] 49 de herder van de volkschaar: Finn, volgens Holtzmann en
-Möller.
-
-[642] 51 Gedeeltelijk zoek geraakt vers, door Bugge hersteld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Beówulf, by Anonymous
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEÓWULF ***
-
-***** This file should be named 50677-0.txt or 50677-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/0/6/7/50677/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.